Week 1 de bek dik dun het hok de kip de mol ik pak de boom de haas laat mee de muur hij eet hij bijt het dier de koe de muis de neus de poes de uil poes Week 2 de bloem bruin de draak drie de fluit het gras groen knap de slak smal de snuit de spin de stal stil de troep twee ik klap ik krijg ik plaag hij praat draak Week 3 als het beest de buurt haast de heks juist kort de laars de lamp meest de mens de mist de muts naast niets ons paars soms hij loopt hij woont muts @dvd Groep 4 blok 1
Week 5 Week 6 Week 7 elf de film de golf half het kalf de melk de wolf de wolk ik help de arm de berg het dorp erg de jurk de kerk het park warm ik durf ik merk ik werk moeilijke duo's/ net als wolk dwars de grens de klant de krant de kwast de plant de prins de slurf de staart sterk trots twaalf hij bromt hij brult hij gromt ik klets hij knikt hij krijgt hij snapt hij speelt net als krant de schaal het schaap de schaar de schat scheef de schelp scherp het schip de schoen de school schoon de schoot de schurk de schuur ik schaats hij schiet hij schopt het schrift hij schrikt hij schrijft schaap Soms hoor je na een l of een r een [ [u]]. Maar je schrijft hem niet. Hoor je na een s een [ g] dan schrijf je ch. @dvd Groep 4 blok 2
Week 9 het feest de fiets de fles de friet fris hij fluit hij fopt de boef de brief ik beef vaak vast veel vier vies de vis vlug hij vliegt hij voelt hij vraagt feest/vier Week 10 slim de smoes snel de spin stom ik slaap ik snap hij snikt eens vals zes ziek zoet de zon zuur zwaar zwart zij zegt hij ziet hij zoekt smoes/ziek Week 11 oud 25 de beer eerst keer meer neer de veer het weer hij leert door de koorts het oor de soort het spoor voor hij hoort de beurt de deur de kleur hij scheurt hij zeurt beer Leg je vinger op je keel. Bij de v voel je iets trillen. Bij de f niet. Leg je vinger op je keel. Bij de z voel je iets trillen. Bij de s niet. Pas op voor de plaagletter r. De ee, de oo en de eu klinken er anders door. @dvd Groep 4 blok 3
Week 13 Week 21 Week 14 groep 5 15 Week 15 week 33 Week 16 groep 5 29 de kraai saai hij aait hij draait hij kraait het waait hij zwaait het hooi de kooi mooi nooit ooit hij gooit hij strooit oei hij bloeit hij groeit hij knoeit zij loeit zij roeit net als woorden mooi de baard het bed het geld de hand de hoed de hond het hoofd het kind de mond de vriend de fout de kaart de kast de kist de klant de poot de snuit de staart de straat net-alswoord: hond, kat de afspraak daarin de driehoek ervoor de glimlach hoeveel het kunstwerk maandag omhoog de onzin opnieuw opzij piepklein rechtop het vierkant vrijdag zestien zichzelf de zijkant zondag net-alswoord: driehoek het eendje een eindje het grapje het kunstje het plekje een poosje een stukje een tijdje een ijsje het visje een beetje het meisje het boompje het geheimpje het raampje het buitje het broertje het diertje het eitje een uurtje net-alswoord: grapje Hoor je aai, ooi of oei in een woord? Schrijf dan nooit de j die je hoort. Hoor je een t aan het eind van een woord? Maak dan het woord langer, zodat je d of t hoort. Samenstellingen: luister naar de stukjes in het woord. En schrijf ze zoals je eerder geleerd hebt. Je hoort een [ u] maar je schrijft een e. @dvd Groep 4 blok 4
Week 17 Week 18 Week 19 week 34 het ei de reis de trein het plein de eik mei het feit de geit de wei de kei de hei de klei het zeil zij breit klein ei bij blij fijn hij het ijs jij kwijt mijn de pijn de rij rijk vijf vrij wij wijs zij zijn hij blijft hij krijgt hij kijkt ijs het begin het bezoek hij bedenkt hij bedoelt hij begrijpt hij bekijkt het gedicht het geluk gemeen genoeg gewoon het gezicht hij gebruikt hij geniet het verdriet het verhaal het verschil hij versiert hij vertelt hij verzint begin Ken je de woorden uit het ei-verhaal? Die schrijf je met ei allemaa.l Ken je de woorden uit het ei-verhaal? Die schrijf je met ei allemaal. In woorden met be-, geen ver-, hoor je een u, maar schrijf je een e. @dvd Groep 4 blok 5
Week 21 ach toch zich de pech ik lach acht de bocht dicht echt het licht de lucht de nacht recht slecht de tocht zacht hij bracht hij lacht hij wacht hij zucht pech Week 22 week 15 arm de berg het dorp de dwerg erg de jurk de slurf sterk warm hij durft hij werkt de elf elk de film de golf half het kalf de melk de twaalf hij helpt wolk Week 23 de angst de borst de helft de kunst laatst langs links rechts hij fietst hij kletst hij verft de sproet de sprong de straat de straf straks de streep de strik de stroom hij springt strip Hoor je na een korte klank de [ gggt]? Soms hoor je na een l of een r een [ u]. Dan schrijf je cht. Behalve in: hij ligt, hij legt, hij zegt. Maar je schrijft hem niet. @dvd Groep 4 blok 6
Week 25 Week 19 de schaal de schaar de schaats de schat scheef de schoen de school de schort hij schenkt hij schept hij schuift hij schijnt het schrift hij schroeft hij schrijft Week 26 de duw ruw schuw uw hij duwt de eeuw de leeuw de meeuw de schreeuw de sneeuw hij schreeuwt het sneeuwt de kieuw nieuw het nieuws Week 27 groep 5 wk 13 anders de dokter eerder elke ergens de groente de hamster de laatste de marmot de meeste minder nergens paarse de schilder sterker telkens verse vreemde warme welke schaap leeuw marmot Hoor je na een s een [ g] dan schrijf je ch. Bij uw, eeuw en ieuw, staat voor de w een u. @dvd Groep 4 blok 7
Week 29 de geit het ei mei ze reist het sein de prei hij zei de dweil hij dreigt kleinst het krijt het lijf de lijn mij de prijs rijp de rijst stijf de wijn hij hijgt Week 30 blauw hij kauwt de pauw gauw nauw de klauw zij snauwt au de snauw flauw de fout het hout jou de kou de kous nou stout het zout jouw de mouw het touw de vouw de vrouw hij bouwt hij sjouwt hij trouwt hij vouwt ik hou hij wou hij zou Week 31 het fruit lief straf hij geeft de vacht vals verf vlug vuist hij vecht de sjaal de stem hij stopt hij sist de zeep zelf de zus de zwaan hij zegt hij zorgt feest Ken je de woorden uit het ei-verhaal? kou Die schrijf je met ei allemaal. Ken je de woorden uit het au-verhaal? Die schrijf je met au allemaal. De andere schrijf je met ou. @dvd Groep 4 blok 8
Week 33 groep 5 week 18 Week 34 week 19 Week 35 bijna ha hoera ja na de oma de opa de sla de foto ho hoezo het stro zo nu u mee nee de slee twee de zee hoera bang het ding eng de gang jong het kreng de kring lang de long de ring de slang streng de tang de tong de wang langs hij brengt hij hangt hij springt hij zingt net-alswoord:slang alweer het geweer de heer de peer het onweer het verkeer weer de ijsbeer hij smeert daardoor doordat vooraan vooral voorbij voordat de voorpoot waarvoor de voordeur het gebeurt hij kleurt beer Als ik aan het eind van een woord een lange klank hoor, dan gebruik ik daar maar één letter voor. Wat klinkt dat raar. De n en de g horen bij elkaar. Pas op voor de plaagletter r. De ee, de oo en de eu klinken er anders door. @dvd Groep 4 blok 9