Opdracht 1 Je krijgt een oude kaart van de. Deze kaart is in 1866 gemaakt. Dat is ongeveer 150 jaar geleden. Nodig: kleurpotloden 1. Onderstreep Rouveen, Staphorst en IJhorst met een rood potlood. 2. Zet een groene streep onder jouw woonplaats. 3. Schrijf twee andere plaatsnamen op die je herkent. 1......................................................................... 2......................................................................... 4. Kleur de weg van Rouveen naar Staphorst en IJhorst blauw. 5. Kleur de spoorlijn naar Zwolle paars.
Opdracht 2 Je krijgt nu een nieuwe kaart van de. 1. Onderstreep Staphorst, Rouveen en IJhorst. 2. Zijn Staphorst, Rouveen en IJhorst groter of kleiner dan op de oude kaart? Hoe zou dat komen, denk je? 3. Welke weg ligt er nu langs Staphorst die er vroeger niet was? Kleur de weg blauw. 4. Waarom zou deze weg zijn aangelegd? 5. Welke wegen zijn hetzelfde gebleven? Kleur deze groen. 6. Kleur de spoorlijn rood. 7. Ligt de spoorlijn op dezelfde plek als vroeger? 8. Wat vind je de grootste verandering tussen de oude en nieuwe kaart? 9. Wat is volgens jou vooral het hetzelfde gebleven?
Kaart van de uit 2010
Opdracht 3 Pak de oude kaart er weer bij. Deze opdracht doe je in een groepje van twee. Vroeger hadden de mensen geen auto. Als je ergens heen wilde, moest je lopen. Op de kaart kon je zien hoe ver je moest lopen. De afstand noemden ze toen half uur gaans. 1. Half uur gaans betekent hoeveel halve uren er nodig waren om ergens naar toe te lopen. Je ziet het rechts boven op de kaart staan. Kleur de lijn onder half uur gaans rood. 2. Hoe ver was het lopen van Rouveen naar het raadhuis in Staphorst? Dat weet je zo: a. Zoek Rouveen en het raadhuis in op. Zet er een streepje onder. b. Zoek nu de kortste route over de weg tussen Rouveen en het raadhuis. Kleur de weg groen. c. Meet tussen je duim en wijsvinger de rode lijn. Hoe vaak past de lijn in de weg van Rouveen naar het Raadhuis? Tip: Zet steeds een streepje op de weg om te onthouden waar je gebleven bent met meten. De rode lijn past.... x in de weg. d. Hoeveel halve uren zijn dat? En hoeveel hele uren? e. Je deed er ongeveer.... uur over om van Rouveen naar het raadhuis in Staphorst te lopen. 3. Onderzoek ook hoe lang je moest lopen van het raadhuis in Staphorst naar IJhorst. Je deed er ongeveer.... uur over om van Staphorst naar IJhorst te lopen. 4. Welke vervoermiddelen zijn er nu om tussen IJhorst, Staphorst en Rouveen te reizen? Noem er drie. 1........................................................................... 2........................................................................... 3........................................................................... 5. Duurt het reizen tussen IJhorst, Staphorst en Rouveen nu langer of korter dan vroeger? Waarom?
Opdracht 4 Pak de oude kaart er weer bij. 1. Bekijk Rouveen, Staphorst en IJhorst. Welke vorm hebben deze plaatsen? Streep het foute antwoord door. Rouveen: cirkel / lange streep Staphorst: cirkel / lange streep IJhorst: cirkel / lange streep 2. De zwarte blokjes op de kaart zijn boerderijen. Wat valt je op aan de plek waar de boerderijen zijn gebouwd? Streep het foute antwoord door. Rouveen: lange rij langs de weg / verspreid door het dorp Staphorst: lange rij langs de weg / verspreid door het dorp IJhorst: lange rij langs de weg / verspreid door het dorp 3. Welke twee plaatsen lijken het meeste op elkaar? 4. Leg je antwoord bij 3 uit.
Opdracht 5 Rouveen en Staphorst liggen in een veengebied. Veen is een grondsoort. Vroeger werd het veen afgegraven en gedroogd. Je kon het gebruiken om de kachel te laten branden. Als het veen was afgegraven, bleef er landbouwgrond over. Dat was een goede plek om een boerderij te bouwen. Het veengebied van Rouveen en Staphorst was verdeeld in acht slagen. Een slag kun je vergelijken met een woonwijk van nu. De bewoners groeven samen het veen af. Daarna kregen ze allemaal een akker. 1. Zoek de slagen van Rouveen op de oude kaart op en kleur ze oranje. Zuideindigerslag Monnikenslag Bisschopsslag Oosterslag 2. Zoek de slagen van Staphorst op de oude kaart op en kleur ze paars. Westermiddenwoldigerslag Achthoevenslag Bergerslag Bullingerslag 3. Op het kaartje hiernaast zie je hoe de akkers verdeeld werden. (De kleine zwarte blokjes langs de weg zijn boerderijen.) Wat valt je op aan de vorm van de akkers?................................................. 4. Zou deze vorm van de akkers handig geweest zijn voor de boeren, denk je? Waarom wel/niet?................................................. 5. Nu zijn veel akkers samengevoegd. Waarom zou dat gebeurd zijn, denk je?.................................................
Opdracht 6 Deze opdracht doe je met z n tweeën. Nodig: A3-papier, lijm, schaar, stiften, kleurpotloden Je hebt op de oude en de nieuwe kaart van de gezien wat er in de gemeente is veranderd en wat er hetzelfde is gebleven. Hoe zal het er straks uitzien? De gemeente wil voor kinderen leuke dingen bouwen in hun woonplaats. Jullie zijn door de gemeente gevraagd een plan te maken. Bijvoorbeeld voor een zwembad, pretpark of... Jullie mogen het zeggen! Op een poster laten jullie je plan zien. Je doet het zo: 1. Schrijf boven aan je papier Toekomst.. [woonplaats] volgens [naam] en.. [naam]. 2. Knip de kaart en de luchtfoto van jullie woonplaats uit. Plak ze op. 3. Bedenk wat jullie graag in je woonplaats zouden willen zien. Schrijf dat op. 4. Op welke plek moet het gebouwd worden? Zoek op de kaart en de luchtfoto een goede plek. Kruis de plekken aan. 5. Hoe komt het er uit te zien? Maak een tekening op de poster. 6. Trek dan een pijl van de tekening naar de goede plek op de kaart. 7. Wat is er nodig om jouw ontwerp te bouwen? Denk aan: moet er iets anders worden afgebroken? Moet er een weg of spoorlijn worden aangelegd? Of moet er een kanaal of een plas worden gegraven? etc. Geef dat ook aan op de kaart. 8. Schrijf overal een korte uitleg bij, zodat de mensen van de gemeente begrijpen hoe jullie je woonplaats willen veranderen. 9. Hang de poster op in de klas.