Hoofdstuk 20 973-1012 voor Christus - schema 27 Schema 27 De koningen van Israël - het verenigd koninkrijk In dit hoofdstuk komen we bij enkele cruciale sleuteljaren terecht die onze aandacht vragen. In het vierde jaar 233 der regering van Salomo begint de tempelbouw te Jeruzalem. In mijn reconstructie heb ik het vierde jaar van Salomo verankerd met het sabbats- en jubeljaar van 1004/1003 v.chr. Er zitten op deze manier 21 jubeljaren tussen het begin van de tempelbouw in 1003 v.chr. en het openbaar worden van Jezus als Messias in 27/28 n.chr. Met de verankering op de tijdsbalk van Salomo s vierde jaar 233 I Koningen 6:1 327
in 1004/1003 v.chr. en een regeringsperiode van veertig jaar 234 krijgt hij de jaren 1007/967 v.chr. In 967 vond de scheuring van het land in een tweestammen- en een tienstammenrijk plaats. Al de regeringsjaren van zijn opvolgers heb ik daarna met elkaar gelinkt en in harmonie met de verschillende bijbelgegevens achter elkaar op de tijdsbalk tot aan koning Uzzia van Juda aangebracht. Hierbij heb ik alleen rekening gehouden met het feit dat men in het tienstammenrijk het jaar in de maand nisan liet beginnen en in het tweestammenrijk of Juda in de maand tishri. Daarnaast kende vooral Juda regelmatig troonjaren waarbij het eerste jaar van een koning niet altijd als zijn eerste regeringsjaar 234 II Kronieken 9:30 328
geteld moet worden. Co-regentschappen heb ik alleen toegepast wanneer de Bijbel het expliciet beschreef. Zo ben ik terug naar een normale verlengde chronologie van de koningen van Juda en Israël gegaan. De verkorte chronologie van Thiele werd opgegeven. Zeven jaar is aan de tempel gewerkt en in oktober 996 v.chr. was hij gereed. Dit was in het jaar 3000 na Genesis. Dit jaartal bekomt men wanneer men de geslachtslijsten van Genesis hoofdstuk 5 naïef letterlijk optelt. Eerst de periode voor de zondvloed die 1656 jaar in beslag nam. Daarna gaat het over Noach, Sem, Arpachsad, Selah, Heber, Peleg, Rehu, Serug, Nahor, Terah tot Abraham. Van de belofte aan de 75-jarige 329
330
Abraham 235 zijn het 430 jaar tot aan de exodus uit Egypte en het geven van de Tien Woorden of Thora door Mozes. En van de exodus tot aan het vierde jaar van Salomo zijn 480 jaar. Als mijn berekening klopt, dan was het jaar 4000 in 5 na Christus. En gingen we het het zevende millennium binnen in oktober 2005 AD. Nu krijgt men nog als eens kritiek op het chronologisch hanteren van deze bijbelse periodes op de tijdsbalk. Sommigen vermoeden een getallensymboliek die niets van doen heeft met de reële historische tijdsperiode. Zo wijst men erop dat het getal 480 in feite niet meer is dan de som van 12 X 40 zonder verdere waarde. Die mening ben ik niet toegedaan. Niet alleen omdat ik fundamenteel vasthoud aan de bijbel als een historische boek. Maar omdat ik duidelijk zie dat de HERE God van de Bijbel wel 235 Genesis 12:4 331
degelijk, ook naar de voleinding toe, werkt via getallen periodes. Ik meen dan ook dat de periode van 480 jaar, tussen de datum van de exodus en het begin van de tempelbouw, een historische was. Vooral omdat men in de recente geschiedenis van Israël ook zulk een getallensymboliek kan waarnemen. Een voorbeeld; wanneer de Britse generaal Allenby in 1917 AD Jeruzalem op de Turken veroverde dan betekende dat het einde van exact 400 jaar Turkse heerschappij over het Beloofde Land. In 1517 hadden de Ottomanen namelijk het gebied van Israël veroverd. Vanaf 1517 tot 1947 waren het 430 jaar. Tussen 1917 en 1967 zitten er dan weer 50 jaar, wanneer in dit laatste jaar de Israëli s Oost Jeruzalem met de tempelberg op de Jordaniers 332
veroverde. In 1897 AD vond het eerste Zionistische congres onder leiding van Herzl plaats. Exact 50 jaar later in 1947 sprak de VN zich uit voor de deling van het Heilig Land in een Joodse en een Arabische staat. Er is dus meer onder de zon dan menig zou willen aannemen. Maar nu terug naar Salomo. Na de bouw van de tempel bouwde Salomo zijn eigen huis, wat dertien jaar in beslag nam 236. In totaal dus 20 jaar 237, nadat de bouw aan de tempel begonnen was, vooraleer Salomo rustte van zijn bouwwerken. De bijbel spreekt verder over de bouw van de Millo, de muur van Jeruzalem, Hazor, Megiddo en Gezer. Daarnaast leert Flavius Josephus 238 dat Salomo Palmyra of Tadmor in de woestijn van Syrië bouwde. Verder verhaalt de bijbel 239 over de wagensteden en de ruitersteden die Salomo bouwde. Een totaal van 1400 wagens en 12.000 ruiters wordt in I Koningen 10:26 vermeld. Deze aantallen zijn gigantisch en overtreffen het leger van Sisak. Archeologen hebben in Megiddo de resten van de stallen van Salomo blootgelegd. Men berekende dat er in Megiddo plaats was voor 450 paarden en 150 wagens. De ingenieuze inrichting der stallen wekte de bewondering van de archeologen die in 1925 AD voor het eerst aldaar aan het werk gingen. Langwerpige stallen zijn te voorschijn gekomen die gegroepeerd rond een binnenplaats liggen. De vloer bestaat uit gestampte kalkmortel en door het midden van elke stal loopt 236 I Koningen 7:1 237 I Koningen 9:10 238 F. Josephus, Ant. Bk.V,vi,1. 239 I Koningen 9:19 333
een drie meter brede gang. Afgeruwd plaveisel verhinderde het uitglijden van de paarden. Verder werden duidelijk herkenbare voederbakken en watergoten gevonden. Hun conclusie eertijds was dan ook, dat de blootgelegde installaties niets anders dan de paardenstallen van Salomo konden zijn. Later werd deze conclusie door andere onderzoekers in twijfel getrokken. Het stratum waar de stallen ontdekt werden bevind zich volgens de conventionele foutieve tijdsindeling in de tijd van Achab. Reconstructie van Salomo s paarden- en wagenstallen die te Megiddo werden blootgelegd. De oorspronkelijke archeologen van 1925 waren verbaasd over de ingenieuze uitvoering der gebouwen. Latere onderzoekers trokken hun conclusies in twijfel. De blootgelegde gebouwen worden sedertdien in verschillende naslagwerken door zogenaamde experten als voorraadgebouwen beschreven. Voor de getrouwe bijbelonderzoeker: Begrijpen wie begrijpen kan. 334
Met Egypte was Salomo geallieerd. Salomo had zich verzwagerd met de farao door diens dochter tot vrouw te nemen 240. Dat Egypte een militaire bondgenoot was, zien we door de inname van Gezer in Kanaän door de legers van Farao waarna farao deze stad als bruidsschat aan Salomo s vrouw schonk. In mijn model is deze farao; Thoetmoses I. Daarna leert de bijbel 241 echter over Salomo s afgoderij! Naast de dochter van farao had hij ook vele andere vreemde vrouwen wier goden hij diende. Chronologisch valt dit op mijn schema in 983 v.chr. 240 I Koningen 9:16 241 I Koningen 11:1-13 335
336
Ik heb al aangetoond dat de 390 jaar ongerechtigheid van Israël te rekenen zijn vanaf 593 v.chr. en dat dit ons brengt in 983 v.chr. voor het begin van de ongerechtigheid van Israël, waar de profeet Ezechiël over spreekt. Toevallig het jaar dat Salomo met zijn bouwwerken klaar was en de dochter van Farao, zijn vrouw, naar haar nieuwe huis bracht. Een volgend ankerpunt is het bijbelbericht van I Koningen hoofdstuk 6, dat leert dat de bouw van de tempel van Salomo begon 480 jaar na de exodus uit Egypte van het Israëlische volk. Binnen dit raamwerk valt de periode van David, Saul en de richteren. Tijdgenoten van Salomo in Egypte waren achtereenvolgens farao Thothmosis I, Thothmosis II, Hatsjepsoet en Thothmosis III. THOTHMOSIS I Amonhotep stierf kinderloos en werd opgevolgd door een generaal: Thothmosis. De derde koning van de achttiende dynastie werd de militair Thothmosis I. Thothmosis was als gevolg van zijn huwelijk met prinses Ahmose, de dochter van Ahmose I en koningin Nefertari, in de Koninklijke familie opgenomen. Koningmoeder Nefertari droeg deze titel ook tijdens de regeerperiode van haar zoon Amonhotep I en legitimiseerde aldus zijn faraoschap. Met de naam Thothmosis werd eer gebracht aan de god Thoth die vereerd werd i.v.m. de uitdrijving van de Hyksos. Wie de vader van Thothmosis was blijft onbekend; zijn moeders naam was Semiseneb. De geboortenaam Thothmosis betekent: geboren uit de god Thoth, hoewel dit een Griekse versie is. Zijn Egyptische naam was Djehutymes I. De troonnaam 337
van Thothmosis was A-Kheper-ka-re (Aakheperkara). Zijn gemalin Ahmose baarde twee zonen Wadjmose en Amenmose die echter beide voor hun vader stierven. De troonopvolger werd uiteindelijk Thothmosis II, verwekt bij een bijvrouw genaamd Mutnofret (Mutnefert), die de zuster van Ahmose was, de gemalin van Thothmosis I. De gemalin Ahmose had ook een dochter Hatsjepsoet, van Thothmosis I die later mee zou regeren. Vermoedelijk had Ahmose nog een dochter met de naam Nefrubity die afgebeeld staat in de tempel van Hatsjepsoet met Thothmosis I en Ahmose. Thothmosis I maakte van Nubië een Egyptische provincie en voerde veldtochten tot aan de Eufraat. De noordelijke campagne van Thothmosis I naar Naharin aan de Eufraat wordt door de Egyptoloog Donald B. Redford, in het 5 de of het 6 de regeringsjaar van Thothmosis geplaatst. Ik opteer voor het vijfde regeringsjaar in 996 voor Christus, het jaar dat de tempel in Jeruzalem klaar was en Salomo daarop de dochter van farao naar Jeruzalem bracht. Het is hetzelfde jaar dat farao de veroverde stad Gezer als bruidschat aan Salomo gaf. Zoals vermeldt in de kroniek van Saul is er het getuigenis van Ahmose, de zoon van Ebana, een admiraal ten tijde van de regeerperiode van Ahmose, Amonhotep I en Thothmosis I over de campagnes van Thothmosis. Thothmosis was de geallieerde van Salomo. De koning van Israël had zich verzwagerd met de farao van Egypte door diens dochter tot vrouw te nemen. Sommige onderzoekers 242 vermelden het ontbreken 242 Peter H. Schulze, Herrin beider Länder Hatschepsut, 338
van details over de doortocht van Retenoe naar Naharin, in het model van Velikovsky nochtans verklaarbaar: het was namelijk het bevriende Rijk van Salomo waardoor heen het Egyptische leger marcheerde. THOTHMOSIS II Als een gevolg van de vroege dood van Wadjmose en Amenmose, de oudste zonen van Thothmosis I werd Thothmosis II de vierde farao van de achtiende dynastie. Om zijn positie op de troon te bevestigen werd hij in de echt verbonden met zijn halfzuster Hatsjepsoet, de dochter van Thothmosis bij Ahmose. Zij was vermoedelijk ouder dan Thothmosis II. Thothmosis had een zoon bij een bijvrouw genaamd Isis: Thothmosis III. Deze troonopvolger zou echter moeten wachten tot de dood van Hatsjepsoet alvorens de scepter in Egypte te kunnen overnemen. Thothmosis III was nochtans als opvolger benoemd nog tijdens het leven van Thothmosis II om reden van de ambities van zijn vrouw en halfzuster. Men kan aannemen dat Thothmosis II qua gezondheid, een zwakke persoon was en dat zijn zogenaamde regeerperiode met uitzondering van zijn eerste twee jaar, met die van Hatsjepsoet gelijk liep. Gedurende zijn eerste jaar in 986 voor Christus voerde hij een campagne naar Nubië tegen de Sjosoe die in opstand tegen het Egyptische gezag waren gekomen. In zijn tweede regeringsjaar nam Hatsjepsoet het bestuur over. hoofdstuk 4 339
HATSJEPSOET Hatsjepsoet was de oudste dochter van Thothmosis I en halfzuster van de jonge Thothmosis III. Hatsjepsoet, of de Griekse naam Amesses bij Josephus, regeerde 21 jaar en 9 maanden. Zij heerste aanvankelijk als co-regent met Thothmosis II en na diens dood als voogd van de jonge Thothmosis III en dit vanaf 986 v. Chr. In het tweede regeringsjaar van Thothmosis III echter trok Hatsjepsoet alle regeringsbevoegdheden naar zich toe en regeerde als vrouwelijke farao over Egypte. Het bondgenootschap met Israël dat een aanvang genomen had onder Ahmose en verstevigd door Thothmosis I, de schoonvader van Salomo, werd door Hatsjepsoet verder versterkt. Volgens het studiewerk van Dr. Immanuel Velikovsky is Hatsjepsoet de Bijbelse koningin van het Zuiden of Scheba. Het was op de roem van Salomo, volgens de Bijbel, dat de koningin van Scheba afreisde. Velikovsky identificeert de koningin van Scheba als Hatsjepsoet van de achttiende dynastie. Haar reis naar het land Poent, 340
gedetailleerd weergegeven op haar tempel te Deïr El Bahri in Egypte, geeft in feite de reis naar Israël weer. Zelfs de naam van de landvoogd Paruah 243 in Eloth zou volgens hem op de tempelmuur afgebeeld zijn. Flavius Josephus identificeert de koningin van Scheba eveneens als afkomstig uit Egypte 244. Verder geeft het Nieuwe Testament het antwoord waar Scheba gezocht moet worden. In de evangeliën noemt Jezus de koningin van Scheba de koningin van het zuiden. En het Oude Testament leert waar dit zuiden gezocht moet worden! Het Bijbelse zuiden blijkt bij de profeet Daniël 245 Egypte te zijn. De reis naar Poent of Israël vond plaats in het negende jaar van Hatsjepsoet, op mijn tijdsbalk 977 v. Chr. Dit past volledig in deze constructie, aangezien in het jaar 977 v. Chr. alle bouwwerken van Salomo voltooid waren. Opvallend vind ik ook het feit dat het negende jaar van Hatsjepsoet met haar reis naar Poent, gelijk valt met het dertigste regeringsjaar van Salomo. Hoewel de Bijbel met geen 243 I Koningen 4:17 244 F.Josephus Joodse oudheden Boek VIII,vi,5. 245 Daniël 11:40-42 341
woord over het dertigste jaar van Salomo als zijnde iets bijzonder rept, zou het wel kunnen zijn dat Salomo naar Egyptisch gebruik een Heb-Sed festival vierde en Hatsjepsoet alias de koningin van Scheba naar deze viering kwam. Het blijft speculatie maar het is wel boeiend. Het negende regerings-jaar van Hatsjepsoet in 977 v. Chr. is het resultaat van het verankeren van Thothmosis III 25ste regeringsjaar met het vijfde regeringsjaar van Rehabeam in 961 v. Chr. Als ik met het onderzoek van anderen bezig ben en dit in mijn eigen variant tracht in te passen, gebeurt het wel eens dat ik tot nieuwe inzichten kom. Zo trof mij de gelijkenis van het hoofd van Poent, die Velikovsky als een landvoogd van Salomo te Eloth identificeert, met een afbeelding van vermoedelijk Salomo, op een ivoren paneel, wat een deel van een 342
stoelleuning was, gevonden te Megiddo en gedateerd in het Laat Brons tijdperk. Als een gevolg van de revisie der chronologie van de koningen van Egypte, Israël en Assyrië, is de Salomo era nu te zoeken op het einde van het Laat Brons Tijdperk en niet meer in het conventionele IJzer Tijdperk. Hiermee wordt het mogelijk om in dit ivoren paneel inderdaad een afbeelding van Salomo te herkennen met vermoedelijk zijn Egyptische bruid voor de troon. Er zijn verschillende raakpunten. Wat het meest opvalt, is de troon geflankeerd met twee leeuwen met mensenhoofden; de Egyptische Sfinx! De Bijbel 246 verwijst naar zulk een troon. Rondom de troon zien we ook drie duiven afgebeeld: wat naar de vredevorst zou kunnen verwijzen. Duiven zijn altijd een symbool van vrede geweest. Persoonlijk vind ik dit zeer fascinerend temeer als men vooral de beide hoofden in close up bekijkt. Het hoofd van de hoofdman van Poent op het tempelreliëf van Hatshepsoet te Deïr El Bahri en het hoofd op het ivoren paneel van Megiddo lijken sterk op elkaar en volgens mij zou het wel eens om dezelfde persoon kunnen gaan. De hoofdbedekking van beide figuren is dezelfde, een nauwsluitende kap met de oren vrij, zelfs de inkepingen in de kap vindt men op beide afbeeldingen terug. Daarnaast hebben beide figuren dezelfde neus, oren en baard, zelfs de wenkbrauwen zijn identiek afgebeeld. Zou het werkelijk zo ongewoon zijn voor Salomo om de koningin van Scheba persoonlijk aan de kust te verwelkomen? De 246 I Koningen 10:18 343
Bijbel 247 leert in ieder geval dat hij naar Ezeon-Geber en naar Eloth aan de zee ging om zijn vloot uit te rusten! Wie was dan P -r -hw waarnaar het reliëf van Hatshepsoet verwijst? Let wel op, de ontbrekende klinkers zijn later door onderzoekers toegevoegd. Ik geloof dat het hoofd van Poent op Salomo zou kunnen slaan. Absolute bewijzen heb ik niet. Wel is duidelijk dat te Deïr El Bahri op de tempelreliëfs van Hatshepsoet een Semiet afgebeeld staat en dat deze haast een exacte kopie is van de figuur gevonden op een ivoren paneel uit Megiddo gedateerd uit het Laat Brons. De koningen van Fenicië Het vierde jaar van Salomo en het begin van de bouw van de tempel te Jeruzalem is een belangrijke schakel met Fenicië. Volgens Flavius Josephus 248 was het vierde jaar van Salomo gelijk aan het twaalfde jaar van Hiram van Fenicië. Op mijn tijdsbalk zijn dan ook alle koningen van Fenicië gerangschikt vanaf deze verankering. Dat Hiram en Salomo geallieerden en tijdgenoten waren, vinden we ook in de Bijbel 249 terug. Hiram leverde namelijk materiaal voor de bouw van de tempel. DE JOODSE JAARREKENING In mijn eerder werk KRONOS hoofdstuk 20 volgde ik de Rabbijnse traditie die leert dat wanneer de tempel van Salomo ingehuldigd werd, dit exact het jaar 3000 247 II Kronieken 8:17 248 F.Josephus against Apion Bk.I,18. 249 I Koningen 5 344
na de Schepping was. Dezelfde traditie leert dat van de scheppingsweek, elke dag voor een historische schijf van duizend jaar staat. De apostel Petrus lijkt dezelfde Rabbijnse traditie te volgen wanneer hij vanuit de Joodse diaspora in Babylon zijn tweede brief schreef. 2 Petrus 3:8 Doch dit ene mag u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. 9 De Here talmt niet met de belofte, al zijn er, die aan talmen denken, maar Hij is lankmoedig jegens u, daar Hij niet wil, dat sommigen verloren gaan, doch dat allen tot bekering komen. 10 Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden. Als een gevolg van mijn chronologische herschikking van de koningen van Juda en Israël op de tijdsbalk met de sabbat- en jubeljaren als leidraad berekende ik het jaar van de inwijding van de tempel, in de maand oktober van het jaar 996 voor Christus. Met dit jaar als ankerpunt berekende ik het begin van het zevende millennium voor oktober 2005 AD. Ik vermeldde er toen bij indien mijn berekening klopt want absolute chronologie brengen is moeilijk. Het Jodendom brengt een jaartelling gebaseerd vanaf de Schepping. Zij leven momenteel (2009/2010 AD) in het jaar 5770 AM. Volgens mijn berekening in KRONOS bevinden we ons nu in het jaar anno mundi 6004. Een verschil van 234 jaar. Van waar dit verschil? Het verbaasde mij toen ik dit onderzocht 345
dat bleek dat de Joodse berekening niet steunde op de Bijbel maar op een constructie uit een rabbijnse traditie, de Seder Olam uit de derde eeuw na Christus. Seder Olam betekent letterlijk: Grote Wereld Orde. De hedendaagse Encyclopedia Judaica leert ons verhelderend het volgende: Yose b. Halafta, the presumed author of Seder Olam Rabbah, probably had access to old traditions that also underlay the chronological computations of the Jewish Hellenistic chronographer Demetrius (third century B.C.E.). The most significant confusion in Yose s calculation is the compression of the Persian period, from the rebuilding of the Temple by Zerubbabel in 516 B.C.E. to the conquest of Persia by Alexander (331 B.C.E.) to no more than 34 years. De conclusie is dat voor een of andere niet meer te achterhalen reden, de Perzische periode verkort werd tot niet meer dan 34 jaar. En dit in tegenspraak met de Bijbel die voor deze periode heel wat jaartallen en ankerpunten levert. De Perzische periode begon met het eerste jaar van Kores in het jaar 535 v. Chr., exact zeventig jaar na de Babylonische Ballingschap (605 tot 535 v. Chr.). De Perzische periode liep tot op de tijd van Alexander de Grote in 334 v. Chr. met de slag bij Issus tegen het leger van Darius III. Of 201 jaar verschil met de getallen die we vanuit de Bijbel en de seculiere wereldgeschiedenis hebben. Daarenboven vermeldt de Encyclopedie in verband met de Perzische periode the most significant confusion. Er zijn dus nog andere onduidelijkheden in de constructie te vinden. 346
Ik heb een vermoeden, maar kan het niet bewijzen, dat de verkorting van de wereldgeschiedenis volgens de Seder Olam misschien te maken had met de vierde dag en de verwachte komst van de Messias, de zon der gerechtigheid, zoals de profeet Maleachi 250 hem aankondigt. Als volgens de Rabbijnse traditie elke scheppingsdag voor duizend jaar staat en op de vierde dag de zon te voorschijn kwam, kon men rond het jaar 4000 anno mundi de komst van de Messias verwachten. In de derde eeuw van de christelijke jaartelling, wanneer de Seder Olam tot stand kwam, was volgens het Jodendom, de Messias nog niet gekomen en Johannes de doper als Elia en Jezus Ben David als Messias in 30 AD afgewezen. In de derde eeuw was de kerk al een pure heidenzaak geworden en de vijandschap algemeen. Daarom vermoed ik dat er aan de vierde dag gesleuteld werd want Jezus de Nazarener mocht niet en kon onmogelijk de Messias zijn. Het Messiaanse vrederijk, zoals door de profeten voorspeld, was trouwens niet doorgebroken. Integendeel in het jaar 70 AD was Jeruzalem door de Romeinen met de grond gelijk gemaakt en het Joodse volk voor een tweede maal in ballingschap. In de tussentijd wachten beide groepen, zowel christenheiden enkelingen als Joodse enkelingen op de (weder)komst van de Messias. Een komende komst die chronologisch vaststaat maar alleen bij de HERE God bekend is. 250 Maleachi 4:1-6 347