1) B De resonantiefrequentie van een afstemkring wordt bepaald door: A) uitsluitend de capaciteit van de condensator B) de capaciteit van de condensator en de zelfinductie van de spoel (zowel van de condensator als de spoel is de impedantie frequentie afhankelijk. De XC (~R) wordt lage en XL impedantie hoger als de frequentie hoger wordt. En bij een lager wordende frequentie andersom en bij een bepaalde resonantie frequentie zijn de ~R gelijk doch de spanningen/stromen 180 in tegen fase. Omdat deze U/I tegen elkaar weg vallen, is er alleen een Ohmse belasting over). C) uitsluitend de zelfinductie van de spoel 2) B Welke schakeling gedraagt zich als een resonantiekring? A) schakeling 3 (een weerstand is NIET frequentie afhankelijk.) B) schakeling 1 (resonantie betekent dat de impedantie van L en C bij een specifieke frequentie gelijk zijn en daarom moet men een LC kring hebben. Een weerstand kan geen spoel of condensator vervangen omdat deze niet frequentie afhankelijk is.) C) schakeling 2 (een weerstand is NIET frequentie afhankelijk.) 3) B A) schema 1 (een weerstand is NIET frequentie afhankelijk.) B) schema 3 (ook voor een serie schakeling geldt een resonantiefrequentie, alleen zijn nu niet de stromen (bij parallel) maar de spanningen gelijk door beide impedanties. En omdat beide spanningen tegengesteld zijn (180 ) is deze erg laag door dat Ohms overblijft (van de spoel) en daardoor de weerstand erg laag is in resonantie.) C) schema 2 (een weerstand is NIET frequentie afhankelijk.) 4) B Een serie kring heeft: A) bij alle frequenties dezelfde impedantie (dit geldt voor een zuiver Ohmse weerstand.) B) in resonantie een lage impedantie (juist, doordat beide L/C impedanties gelijk zijn) C) in resonantie een hoge impedantie (dit geldt voor een parallel kring.) PA4TON 1
5) A Een seriekring gedraagt zich op zijn resonantiefrequentie (ƒres) als een: A) lage weerstand (juist, omdat beide impedanties L en C gelijk zijn bij ƒres maar tegengesteld zal de kring puur Ohms zijn, dus de lage Ω weerstand van de spoel.) B) Hoge weerstand ( dit is het geval bij een parallelkring) C) kortsluiting (theoretisch vaak aangehouden maar is de Ω weerstand van de spoel.) 6) A De weerstand van een seriekring in resonantie (ƒres) is: A) laag (juist, de impedanties van L en C zijn gelijk bij ƒres spanningen zijn in tegenfase en heffen elkaar op, wat rest is de lage Ω weerstand van de spoel. B) Hoog (onjuist, dit geldt voor een parallelkring) C) negatief (zou niet weten hoe) 7) A De impedantie van een parallelkring in resonantie is: A) hoog (juist, bij (ƒres) zijn de impedanties van de parallelgeschakelde L en C gelijk. De spanning is altijd gelijk bij een parallelschakeling, de stromen zijn afhankelijk van de (in dit geval) hun impedanties. Omdat deze (180 ) in tegenfase zijn, zal de resterende stroom zeer klein zijn en is de totale impedantie zeer hoog.) B) laag ( dit is het geval bij een serieschakeling (resonantiekring) C) nul (flauwe kul) 8) C Een parallelkring heeft: A) in resonantie een lage impedantie (dit geldt voor een seriekring van L en C) B) bij alle frequenties de zelfde impedantie (dit geldt voor een inductie vrije weerstand) C) in resonantie een hoge impedantie (juist, omdat de stromen van L en C even groot zijn maar door dat ze in tegenfase zijn elkaar opheffen en een zeer kleine stroom betekent een hoge weerstand.) 9) B Dit is het schema van een: A) seriekring (onjuist, daarbij staan de onderdelen achter elkaar geschakeld). B) parallelkring (juist, hierbij staan de onderdelen (L en C) over elkaar geschakeld. C) Laagdoorlaatfilter (eerder een bandfilter me een geleider erbij). PA4TON 2
10) A Indien bij een parallelkring de zelfinductie wordt verdubbeld en de capaciteit wordt gehalveerd, dan zal de resonantiefrequentie: A) gelijk blijven (de waarden vallen tegen elkaar weg) B) gehalveerd worden (kan alleen als één of alle beide groter worden) C) 2 maal zo hoog worden (kan alleen als één of alle beide kleiner worden) *Noot, de resonantiefrequentie (ƒres) is afhankelijk van de waarde van zowel L als C. Bij het verhogen van de waarde van L en of C zal de ƒres kleiner worden. Bij het verlaging van de waarde van L en of C zal de ƒres hoger worden. 1. 1. De formule voor ƒres = 2π LC om o.a vraag 10 op te lossen zou je LC moeten onthouden 1. 1 1. B.v. als uitgangspositie is altijd L = 1 en C =1 en dus LC gelijk aan 1 x 1 = 1 is = 1 één 1 1 1. Nu vraag 10 L wordt 2 en C wordt 0,5 LC = 2 x 0,5 dit is 1 dus veranderd ƒres niet 11) A Indien bij een seriekring de zelfinductie en de capaciteit beiden verdubbeld worden zal de resonantiefrequentie: A) gehalveerd worden (grotere waarde van L en of C wordt ƒres lager) B) 2 maal zo hoog worden (kan nooit hoger zijn omdat de waarden groter zijn ) C) 4 maal zo hoog worden (kan nooit hoger zijn omdat de waarden groter zijn ) 1. 1. 1. ƒres is gelijk aan 2 x 2 => 4 => 2 => 0,5 x is dus lager 12) B Indien van een seriekring de zelfinductie wordt verdubbeld zal de resonantiefrequentie: A) gehalveerd worden (hierbij moeten zowel L als C in waarde verdubbelen) B) 2 maal zo laag worden (bij vergroting van L en of C zal ƒres lager worden) C) 2 maal zo hoog worden (kan nooit hoger zijn omdat de waarden groter zijn ) 1. 1. 1. ƒres is gelijk aan 2 x 1 => 2 => 2 => 0,707 x is dus lager 13) A Indien bij een parallelkring de capaciteit wordt gehalveerd zal de resonantiefrequentie: A) 2 maal zo hoog worden (kleinere waarde van L of C betekend een 2 hogere ƒres) B) 2 maal zo laag worden (kan nooit lager zijn omdat de waarden kleiner wordt ) C) verdubbeld worden (hierbij moeten zowel L als C in waarde halveren) 1. 1. 1. ƒres is gelijk aan 0,5 x 1 => 0,5 => 0,707 => 2 => 1,414 x (hoger dus) PA4TON 3
14) C De spoelen zijn onderling niet gekoppeld. De resonantiefrequentie van de kring Q is: A) 2 maal die van kring P (spoel verdubbeld maar ) B) 0,5 maal die van kring P ( de condensator halveert) C) gelijk aan die van kring P ( L en C heffen elkaar op) De resonantiefrequentie is afhankelijk van zowel L als C Edoch is de vervangings capaciteit van 2 condensatoren in serie Cv = C /2 is 0,5 C Van de spoel is de vervangingszelfinductie Lt = L + L = 2 L 1. 1. 1. Zoals eerder vermeldt is ƒres voor Q gelijk aan L x C => 1 x 1 => 1 1. 1. En voor P geldt 2 x 0,5 => 1 wat gelijk is aan Q 15) B De seriekring is in resonantie. De impedantie is: A) L/C ( zou niet weten hoe) B) R (juist omdat L en C tegen elkaar weg vallen*) C) zeer groot (geldt bij een parallelkring) Aangezien een serie kring in resonantie laagohmig is (theoretische nul Ohm) zal de impedantie alleen R zijn. * In serie bij resonantie zijn beide impedanties even groot, maar hun spanningen 180 tegengesteld en vallen tegen elkaar weg. Wat overblijft is een zuivere Ω weerstand. 16) A De parallelresonantiefrequentie van deze schakeling wordt bepaald door: A) C en L1 en L2 (Ook L1 heeft invloed op de parallel ƒres) B) C en L1 C) C en L2 Deze resonantie kring heeft zowel een serie als parallelresonantie Frequentie. Even goed een zeer theoretische vraag omdat de waarden van de spoelen en condensator hierbij erg belangrijk zijn. 17) C De serieresonantiefrequentie van deze schakeling wordt bepaald door: A) C en L2 B) C en L1 en L2 C) C en L1 (deze staan in serie) Ook hierbij geldt erg theoretische, want stel dat de ƒres van de parallelkring (C en L2) op de zelfde ƒres liggen als die van C en L1 dan zie je helemaal geen serie resonantie. Dus wat zijn de waarden? PA4TON 4
18) C Deze L - C schakeling heeft: A) Alleen een parallelresonantiefrequentie B) Alleen een serieresonantiefrequentie C) zowel een parallel als een serieresonantiefrequentie Zie vorige vragen 15,16 en 17 voor de uitleg. 19) C Bij resonantie is de impedantie Z: A) 1000 Ω B) 1100 Ω C) 100 Ω Hierbij geldt dat bij ƒres in serie de impedantie zeer laag is (bij deze theoretische vragen nul Ohm) waardoor de weerstand van 1000Ω wordt kort gesloten en dus alleen de weerstand van 100Ω overblijft. 20) A De impedantie tussen X en Y is: A) Zeer groot (of beter hoog) B) R (zie je niet door de hoge impedantie van LC C) L/C ( kun je wel weg strepen) Bij een parallelkring (zijn de L/C spanningen gelijk) maar hun impedanties ook, wat inhoudt dat beide stromen die 180 in tegenfase zijn elkaar opheffen. Het gevolg is dat de stroom miesering klein is geworden en dus de ~weerstand zeer hoog. 21) A Een bandfilter past men toe in: A) de middenfrequentversterker (banddoorlaatfilter) B) een voedingsapparaat ((hooguit een laagdoorlaatfilter) C) de laagfrequentversterker ((hooguit een toonregeling) Een bandfilter laat een aaneengesloten stuk(je) frequentieband door en sper het voor- en achter- liggen stuk. Precies wat moet gebeuren bij een middenfrequent die achter de mengtrap zit en heel veel ongewenste frequenties geeft. De MF versterker is nog om het niveau verlies op te krikken. PA4TON 5
22) B Welke schakeling stelt een banddoorlaatfilter voor? A) schakeling 1 (zou afhankelijk van de waarden van L niets uit komen omdat de spoel op de uitgang als hoog en de spoel horizontaal als een laag doorlaatfilter werkt) B) schakeling 2 C) schakeling 3 ( heeft het zelfde euvel als schakeling 1, n.l. horizontale C werkt als een hoog en de C op de uitgang als een laagdoorlaat filter die elkaar dus tegenwerken.) Bandfilters bestaan alleen maar uit combinaties van serie en of parallel schakelingen dus is alleen schakeling 2 de juiste keuze. 23) B Dit is een schema van een : A) hoogdoorlaatfilter (alleen combinaties van serie schakelingen van LR,LC,CR.) B) banddoorlaatfilter (alleen combinaties van serie en parallel met L en C ) C) laagdoorlaatfilter(alleen combinaties van serie schakelingen van LR,LC,CR.) Dit is een banddoorlaatfilter zoals die in een MF versterker wordt toegepast b.v. 455KHz center frequentie met een bandbreedte voor de MG omroep van 9KHz. 24) B Dit is een schema van een : Uuit A) banddoorlaatfilter (dan zou de parallelkring verwisseld moeten worden met R) B) bandsperfilter (zie* en de tekening) C) laagdoorlaatfilter(alleen combinaties van serie schakelingen van LR,LC,CR.) *De karakteristiek van een parallelkring is bij resonantie een hoge impedantie en dus een maximum aan spanning hierover. De kring staat niet over de uitgang en dus spiegelt deze over de weerstand.dit betekent dat het filter een sperfilter is. PA4TON 6
25) C Welke karakteristiek behoort bij een banddoorlaatfilter? A A) karakteristiek 1 ( is een laagdoorlaatfilter ) B B) karakteristiek 2 (is een hoogdoorlaatfilter ) C) karakteristiek 3 (is een banddoorlaatfilter) De karakteristiek geeft de uitgangsspanning die gevormd wordt door een (A) parallel kring op de uitgang of een (B) seriekring horizontaal met b.v een weerstand op de uitgang waarover deze spiegelt. 26) A Welke karakteristiek behoort bij een bandsperfilter? A A) karakteristiek 3 ( is een bandsperfilter ) B B) karakteristiek 2 (is een hoogdoorlaatfilter ) C) karakteristiek 1 (is een hoogdoorlaatfilter) De karakteristiek geeft de uitgangsspanning die gevormd wordt door een (A) serie kring op de uitgang of een (B) parallelkring horizontaal met b.v een weerstand op de uitgang waarover deze spiegelt. 27) C C9 en L3 vormen hier een : A) bandfilter (wel een bandsperfilter) B) parallelkring (in combinatie met L2) C) seriekring Seriekring is feitelijk ook een bandsperfilter en omdat die niet specifiek genoemd wordt bandfilter kies je voor een seriekring. PA4TON 7
28) B Onafhankelijk van de waarden van de onderdelen geldt bij resonantie: A) UR = UL B) UR = UB C) UR = UC In serie hebben we te maken met een gemeenschappelijke stroom (overal gelijk) en bij wisselspanning hebben we bij een bepaalde frequentie (ƒres) resonantie. Hierbij is de wisselstroom weerstand van de spoel gelijk aan de impedantie van de condensator. Omdat de spanningen 180 in tegenfase staan zullen ze elkaar opheffen. Hierdoor zal er alleen een spanning over de weerstand staan die dan gelijk aan UB moet zijn. Stroom en spanning zijn niet alleen in fase over een zuiver Ohmse weerstand maar zijn waarde is ook frequentie onafhankelijk. 29) B Met een filter kan een signaal van een bepaalde frequentie worden: A) opgewekt ( wel met een oscillator) B) geselecteerd (geblokkeerd of doorgelaten ) C) vermenigvuldigers Filters zijn onder te verdelen in : Doorlaatfilters : (combinaties van L/R, C/R, L/C) met uitgang over één component. Een Laagdoorlaat filter : verzwakt hogere frequenties en laat lagere frequenties door! Een hoogdoorlaat filter : verzwakt lagere frequenties en laat hogere frequenties door! Bandfilters: ((combinaties van serie en parallelkringen) met uitgang over een kring of weerstand. Een band sperfilter: verzwakt een aaneengesloten frequentie gebied(je). Een band doorlaatfilter: laat een aaneengesloten frequentie gebied(je) passeren. PA4TON 8