Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1979-1980 15 840 Niet-genoten inkomsten tijdens gevangenschap in Nederlands-lndië Nr.2 VERSLAG VAN EEN HOORZITTING Vastgesteld 29 februari 1980 Inleiding De vaste Commissie voor Ambtenarenzaken en Pensioenen' heeft op vrijdag 14 december 1979 een openbare hoorzitting belegd over de in haar handen gestelde nota van de leden K. G. de Vries, S. C. Weijers en G. W. Keja inzake de problematiek van de niet-genoten inkomsten tijdens gevangenschap in Nederlands-lndië in de periode van maart 1942 tot augustus 1945 (15 840, nr. 1). De commissie volgde daarmee de suggestie van genoemde leden om belanghebbenden in staat te stellen hun visie kenbaarte maken op de in de nota besproken problematiek. De aankondiging van deze hoorzitting werd geplaatst in de Nederlandse Staatscourant van 17 oktober 1979. Daarbij werd uitdrukkelijk melding gemaakt van het voornemen van de commissie alleen organisaties en instellingen voor de hoorzitting uitte nodigen. De mogelijkheid tot het inzenden van een schriftelijk commentaar werd voor iedere belangstellende opengesteld. De commissie spreekt gaarne haar erkentelijkheid uit voor de adressen die zij van individuele burgers mocht ontvangen. Een overzicht daarvan is als bijlage bij dit verslag afgedrukt. Alle organisaties en instellingen die de commissie een schriftelijk stuk deden toekomen en de wens te kennen gaven te worden gehoord, werden tijdens de hoorzitting ontvangen. De schriftelijke commentaren van deze organisaties en instellingen zijn integraal in dit verslag opgenomen. Opening door de voorzitter 1 Samenstelling: Van Thijn (PvdA), Nypels (D'66), Roethof (PvdA), Roels (PvdA), Keja (VVD), Waltmans (PPR), Van der Doef (PvdA), Weijers (CDA), voorzitter,evenhuis (VVD), Knol (PvdA), Faber (CDA), Nijpels (VVD), Nijhof (DS'70), Moor (PvdA), Gerritse (CDA), Tripels (VVD), De Vries (CDA), Couprie (CDA), Van den Anker (PvdA), Buikema (CDA), Van der Burg (CDA). De voorzitter van de commissie heette allereerst alle aanwezigen hartelijk welkom op de openbare hoorzitting. Een bijzonder woord van welkom richtte hij tot de vertegenwoordigers van de te horen organisaties en tot degenen die als individueel persoon een commentaar hadden ingezonden. Hij sprak de overtuiging uit dat de leden van de commissie ook de reacties van individuele personen in hun verdere meningsvorming zouden betrekken. De hoorzitting is bedoeld, aldus vervolgde de voorzitter, om de gehoorden de gelegenheid te geven, aansluitend op de toegezonden schriftelijke reacties, hun visie op de problematiek van de niet-genoten inkomsten ook mondeling kenbaar te maken en commentaar te geven op de nota daarover van de leden De Vries, Weijers en Keja. Zij doen dit allereerst door een uiteenzet- Tweede Kamer,zitting 1979-1980, 15 840, nr.2 1
ting van hun kant en vervolgens door te antwoorden op vragen van leden van de commissie die zijn gerezen zowel naar aanleiding van het schriftelijk commentaar als naar aanleiding van de mondelinge uiteenzetting. De hoorzitting heeft dus uitdrukkelijk niet tot doel om de leden van de commissie de gelegenheid te geven hun standpunt naar voren te brengen. Zij zullen zich in het algemeen beperken tot het stellen van vragen. De voorzitter benadrukte voorts in zijn inleiding dat de nota van de genoemde kamerleden op strikt persoonlijke titel is geschreven. Dat wil zeggen dat noch de fracties waartoe deze drie leden behoren, noch de kamercommissies waarvan zij deel uitmaken enige verantwoordelijkheid daarvoor dragen of daaraan zijn gebonden. Ook het feit dat de vaste Commissie voor Ambtenarenzaken en Pensioenen besloten heeft deze hoorzitting te beleggen, kan en mag niet inhouden dat de commissie verantwoordelijkheid op zich neemt voor de nota als zodanig. De voorzitter deelt ten slotte mee, dat de commissie zich nader zal beraden over de verdere procedure van behandeling van deze nota nadat de hoorzitting zal zijn gehouden en het verslag daarvan zal zijn vastgesteld. STICHTING RECHTSHERSTEL KNIL a. Schriftelijk commentaar dd. 28 november 1979 1. Het vraagstuk is beperkter dan de nota aangeeft. Een vraagstuk vormt uitsluitend het niet-genieten van inkomsten door het overheidspersoneel. Particulieren hadden in gevangenschap op salaris geen recht. 2. De nota wekt de indruk alsof het niet-uitkeren van de gevangenschapsbezoldigingen van het overheidspersoneel zou zijn neergelegd in een wettelijke regeling. In feite heeft die schijn van recht ontbroken. Wel hebben de rehabilitatie-ordonnanties het niet-uitkeren aanvaard als een gegeven. Zij hebben echter als schuldige aangewezen Japan. 3. Elders neemt de nota die drogreden over. Ook zij verklaart volgens het Landoorlogreglement Japan tot het uitkeren van de bezoldigingen verplicht. Dat is in elk geval met betrekking tot de militairen onjuist. Het Landoorlogreglement verplicht de gevangenhouder uitsluitend tot het betalen van loon voorde arbeid die hij de krijgsgevangene laat verrichten, niet tot betaling van diens soldij. Het recht op soldij vindt regeling in de wetgeving van het land waartoe de krijgsgevangene behoort. 4. Voornaamste bezwaar tegen de nota is een ander. De nota noemt vier redenen waarop de eis tot bezoldiging door Nederland veelal wordt gegrond. Eén reden noemt zij niet. Het is de meest klemmende. Nederland heeft aan het betrokken personeel onrecht begaan. Het heeft bij de ontneming van de verworven salarisrechten een beslissende rol vervuld. Het heeft niet alleen goedgevonden dat Indië die rechten in 1949 feitelijk heeft onteigend. Het heeft zelf die onteigening helpen verwezenlijken. Blijkens de toelichting op de Rehabilitatie-ordonnantie van 1947 droeg de beslissing van de Indische regering-van Mook tot niet-uitkeren van de gevangenschapssalarissen van haar personeel een voorlopig karakter. De regering had haar standpunt ter zake «nog niet volledig omlijnd». Blijkens de erkenning van de ministers Beyen, Luns en Drees in hun Nota Achterstallige Betalingen van 1953 aan de Tweede Kamer besloot de Indische regering- Beel in februari 1949 dat de salarissen nimmermeer zouden worden uitgekeerd. Op 1 augustus 1949 bracht de Indische regering-lovink dit onteigeningsbesluit ten uitvoer. Met het oog op de naderende overdracht van de soevereiniteit gaf zij van Indië een vermogensbalans uit waarop de post salarisschulden 1942-1945 ontbrak. Op de Ronde-Tafelconferentie omstreeks september 1949 deed Minister Van Maarseveen aan het toekomstig lndonesië de volkenrechtelijke opgave van Indiëschulden. Ook hij verzweeg de sala- Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15840, nr. 2 2
risschulden. Hij bezegelde daarmee een onwettige onteigening. Immers ontbrak de schadeloosstelling die artikel 133 van de Indische Staatsregeling voorschreef. Nederland is verplicht de toegebrachte schade te vergoeden. Dat omvat niet alleen het gederfd salaris. Het omvat krachtens artikel 60 van de Onteigeningsordonnantie ook de wettelijke rente vanaf de achtste dag na de onteigening. 5. Het aanhangig proces-tjaarda is mede op die onrechtmatige daad van de Minister gegrond. De bewering van de nota dat het geding voor de meeste oud-krijgsgevangenen zonder belang zou lijken strijdt daarom met de feiten. b. Mondelinge uiteenzetting tijdens de hoorzitting De Stichting Rechtsherstel KNIL was op de hoorzitting vertegenwoordigd door de heren mr. J. H. Gillebaard, voorzitter, mr. E. R. Haighton, secretaris en Chr. G. Walter, penningmeester. De heer Gillebaard trad als woordvoerder op. Hij hield de volgende toespraak. Mijnheer de Voorzitter, De Stichting Rechtsherstel KNIL, ja alle instellingen van belanghebbenden hier tegenwoordig, danken u voor deze gelegenheid. Na tien jaar hebt u de deur weer ontsloten. U hebt beslist de zaak die ons hier brengt opnieuw te overwegen. Het hart van het Koninkrijk is weer gaan kloppen. Tot u spreekt de stem van dertien vaderlandse verenigingen. Het zijn de Algemene Militaire Pensioenbond, de Algemene Vereniging Nederlandse Militairen, de Bond Oudstrijders uit de Pacific, de Koninklijke Nederlandse Vereniging «Ons Leger», de Koninklijke Nederlandse Vereniging «Onze Vloot», de Koninklijke Vereniging van Nederlandse Reserve-Officieren, de Landelijke Korporaalsvereniging, de Nederlandse Bond van Oud-Militairen, de Nederlandse Bond van Oud-strijders «Veteranenlegioen Nederland», de Nederlandse Officieren Vereniging, de Vereniging Indische Nederlanders, de Vereniging Oud-Onderofficieren van het Koninklijk Nederlands-Indisch leger «Madjoe» en de Vereniging van Oud-Koreastrijders. Zij stellen er prijs op ook aan u uitdrukkelijk te verklaren, dat zij elke harde actie vierkant afwijzen. Hoe immers zou men van een ander kunnen verlangen dat hij zich houdt aan de wet, wanneer men zelf de wet overtreedt. Het is eigenlijk niette geloven. Wij spreken over verworven rechten op drieëneenhalf jaar salaris van Nederlandse soldaten. Die rechten zijn in 1949 door Indië onteigend met hulp van Nederland. Wij leven nu dertig jaar later. Maar is het niet een grondrecht dat de overheid de burger alleen uit zijn eigendom mag stoten tegen schadeloosstelling? Ligt niet sinds 1815 dat recht in onze Grondwet verankerd? Beloven niet Ministers en volksvertegenwoordiging aan die Grondwet hun trouw? Mogen zij die trouw nu dertig jaar lang slechts belijden met de mond? Hoeft zich daarbij niet te voegen hun daad? Zolang die grondwettelijk voorgeschreven schadeloosstelling uitblijft, leven wij in een ongrondwettige toestand. In 1955 heeft de rechter in hoogste aanleg beslist dat de ontneming van gevangenschapssalarissen van het Indisch overheidspersoneel onrechtmatig was. Maar dan mag de Minister die ontneming niet langer blijven aanprijzen als rechtvaardig. Toch doet hij dat nog heden. De Staat was in het geding partij. De Minister is aan de uitspraak gebonden. In andere landen dan het onze is een dergelijke belediging van de rechter strafbaar. Het is nu vijf voor twaalf. De laatste wegwerp-soldaten van het Koninkrijk der Nederlanden zijn nu nog in ons midden. U staat ditmaal voor de eindbeslissing. Wij allen zouden door bestendiging van de huidige schande onherstelbaar verlies lijden. Het Koninkrijk zou hebben verloren zijn eer. De overheid zou kwijt zijn het vertrouwen van de burger. Onze samenleving zou prijsgeven de rechtsstaat. Het woord is nu aan u. Het woord? Neen. De daad! Ik dank u voor uw aandacht. Tweede Kamerzitting 1979-1980,15840, nr. 2 3
c. Vragen en antwoorden In antwoord op de vraag waarom de Stichting Rechtsherstel KNIL niet, evenals de Stichting Nederlandse Ereschulden, pleit voor een voor iedereen gelijke uitkering, herhaalt de heer Gillebaarddat het de Stichting Rechtsherstel KNIL, zoals ook uit de naam blijkt, uitsluitend gaat om herstel van recht. De Stichting eist teruggaaf van wat ten onrechte is ontnomen. Dat betekent voor de één nu eenmaal meer dan voor de ander. De Stichting eist het nominale bedrag van de niet-uitbetaalde salarissen, verminderd met de genoten hersteluitkeringen en vermeerderd met de bij onteigening voorgeschreven rente. Onder andere om deze reden is het ook niet mogelijk gebleken tot één organisatie te komen met de Stichting Nederlandse Ereschulden. De Stichting Nederlandse Ereschulden streeft wèl naar een uniforme uitkering en vermengt die eis bovendien met die van een betere vergoeding van oorlogsschade aan niet-rechthebbenden. Daarmee wordt afbreuk gedaan aan de eis tot rechtsherstel. Een geheel ander motief voor de onmogelijkheid tot samenwerking is dat de Stichting Nederlandse Ereschulden, aldus de heer Gillebaard, groeperingen die dreigen met harde actie - een onwettig middel - niet heeft willen afwijzen. En wie om rechtsherstel vraagt mag en kan zich niet bedienen van onwettige middelen. Vervolgens gaf de heer Gillebaard desgevraagd een nadere toelichting op zijn uitspraak dat de Regering, door te verklaren dat de ontneming van de gevangenschapssalarissen van het Indisch overheidspersoneel niet onrechtmatig was, zich schuldig maakt aan belediging van de rechter. In 1955 heeft het Gerechtshof te 's-gravenhage, zijnde de hoogste feitelijke Nederlandse rechter ter zake, beslist dat de ontneming van deze salarissen onrechtmatig was. De Staat der Nederlanden, die in dat proces partij was, is door die uitspraak gebonden. Dan mag de Minister niet doorgaan, zoals nu het geval is tegenover iedere belanghebbende die zich over deze kwestie tot hem wendt, te zeggen dat het een gerechtvaardigde beslissing was van de toenmalige Indische regering de achterstallige salarissen niet uitte betalen. De Stichting Rechtsherstel KNIL mist overigens deze rechterlijke conclusie in de samenvatting van de backpay-jurisprudentie zoals die is weergegeven in de nota van de leden De Vries, Weijers en Keja. De conclusie van onrechtmatigheid van de onteigening van de salarissen werd in de bewuste rechterlijke uitspraak gevolgd door de overweging dat alle Indische schulden, voor zover niet met zoveel woorden uitgezonderd, waren overgegeven op de Republiek Indonesië. In dat proces is echter niet aan de orde geweest of het Koninkrijk der Nederlanden zélf in deze kwestie onrechtmatig heeft gehandeld. Die vraag is toen niet aan de rechter voorgelegd en deze heeft ook zelf die vraag niet opgeworpen. In het nu aanhangige proces-tjaarda is de eis tot schadeloosstelling gebaseerd op gronden die nog niet eerder aan de rechter werden voorgelegd. De rechter wordt in laatste aanleg gevraagd uit te spreken dat het Koninkrijk der Nederlanden in 1949 onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van zijn soldaten. Op die vraag, die nog niet eerder zo aan de rechter is gesteld, verwacht de Stichting Rechtsherstel KNIL nu een antwoord. De Stichting acht de uitkomst van het proces-tjaarda representatief voor de hele groep ex- KNIL-militairen. SAMENWERKENDE INDISCHE BELANGENORGANISATIES (SIB) a. Schriftelijk commentaar dd. 27 november 1979 1. De besturen van de Samenwerkende Indische Belangenorganisaties (SIB), in welke samenwerking zijn ondergebracht: - de Indische Pensioenbond; - de Koninklijke Bond van gepensioneerde en eervol ontslagen officieren van het KNIL en hun weduwen, «Bendor»; Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15840, nr. 2 4
- de Vereniging van oud-onderofficieren van het KNIL «Madjoe»; - de Algemene Militaire Pensioenbond, tezamen tellende rond 35000 leden, veroorloven zich naar aanleiding van de aan uw commissie op 20 september jl. aangeboden nota van een drietal kamerleden, de heren K. G. de Vries; S. C. Weijers en G. W. Keja, inzake «Niet-genoten inkomsten tijdens gevangenschap in Nederlands-lndië», het volgende op te merken: 2. Tot goed begrip van zaken zij vooropgesteld, dat hogergenoemde organisaties te dezen opkomen voor de belangen van de Nederlandse gewezen burgerlijke en militaire overheidsdienaren van Nederlands-lndië, die het hun over de Japanse bezettingsperiode gedurende 41 maanden rechtens toekomende salaris/soldij nimmer uitbetaald hebben gekregen. Zij hebben derhalve het oog op een groep belanghebbenden, die enerzijds uitgebreider, anderzijds beperkter is dan degenen, die in die periode in (krijgs)gevangenschap 1 zijn geweest, namelijk: - uitgebreider, omdat ook die Nederlands-Indische overheidsdienaren, die door de bezettende macht niet op de een of andere wijze van hun vrijheid werden beroofd, een zelfde recht op uitbetaling van het hun over de bezettingsmaanden toekomende - maar toen niet uitgekeerde - salaris (c.q. de soldij) kunnen doen gelden als hun geïnterneerde ambtgenoten; - beperkter, omdat de behartiging van de belangen van de in Japanse (krijgs)gevangenschap geraakte particuliere werknemers, c.q. zelfstandigen, buiten de werkingssfeer van de hogergenoemde organisaties gelegen is. ' De «Commissie van drie» spreekt in haar aanbiedingsbrief van 20 september jl. van «de groep, die indertijd door de Japanse bezetter werd geïnterneerd», terwijl de daarbij gevoegde nota (vrijwel) uitsluitend de niet-betaling van de ambtelijke salarissen over de bezettingsperiode behandelt. 3. In de eerste jaren na het einde van de Pacific-oorlog was het de loyaliteit van de civiele en militaire overheidsdienaren, die hen ervan weerhield al aanstonds te protesteren tegen de in 1946 door de Luitenant-Gouverneur- Generaal Van Mook genomen - en door de Nederlandse Regering onderschreven - beslissing om de gederfde salarissen van het civiele en militaire overheidspersoneel over het tijdvak van de Japanse bezetting niet alsnog uit te betalen, doch te volstaan met uitbetaling van een zogenaamde rehabilitatie-uitkering. Officiële reden voor deze weigering was, dat de Nederlands- Indische overheid geen aansprakelijkheid droeg voor het feit, dat de Japanse bezetter zich niet aan het Landoorlogreglement, dat verplicht tot doorbetaling van de ambtelijke salarissen door de bezetter, had gehouden. In het aanvankelijk vertrouwen, dat na het herstel van rust en orde de Nederlands-lndische of althans de Nederlandse Regering een regeling zou treffen om in deze salariëringslacune te voorzien, zetten de civiele en militaire overheidsdienaren - nauwelijks bekomen van de naweeën van de Japanse onderdrukking - zich in voor de wederopbouw van het door de oorlog en de nasleep daarvan zo zwaar geteisterde Nederlands-lndië. Helaas werd dit op ambtelijke loyaliteit gebaseerde vertrouwen ernstig geschokt, toen geleidelijk aan bleek, - dat het in Japanse krijgsgevangenschap of internering geraakte personeel van de Koninklijke Marine, inclusief het in Indië opgeroepen reservepersoneel en de dienstplichtigen van die Marine aldaar, wèl de achterstallige salarissen en gages uitbetaald kreeg; - dat hetzelfde het geval was met betrekking tot de bij het KNIL ingedeeld geweest zijnde Zuidafrikaanse dienstplichtigen en vrijwilligers; - dat ook de bij het uitbreken van de oorlog in 1940 in Nederland «gestrande» Indische ambtenaren -ten getale van enige honderden, waaronder de «Indische gijzelaars», die als represaille voor de internering van Duitsers in Nederlands-lndië in de concentratiekampen van Buchenwald en Haren waren geïnterneerd - gedurende de gehele Duitse bezettingstijd hun Indisch verlofsalaris, c.q. wachtgeld, geregeld maandelijks uitbetaald hebben gekregen, waarbij zelfs met periodieke verhogingen rekening werd gehouden; - dat bij de overdracht door Nederland van de soevereiniteit over het gebiedsdeel Nederlands-lndië aan de Republiek Indonesia Serikat geen enkele voorziening werd getroffen voor de nabetaling van de door de Nederlandse Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15840, nr. 2 5
ambtenaren van het voormalige Nederlands-lndië gederfde salarissen/soldijen over de periode van de Japanse bezetting; - dat bij het sluiten van het vredesverdrag van San Francisco met Japan in 1951 de Nederlandse Regering naliet ervoor te zorgen, dat Japan alsnog zou voldoen aan zijn uit het - vijf jaar tevoren van stal gehaalde - Landoorlogreglement voortvloeiende verplichtingen, zodat met de door Japan aan Indonesië betaalde oorlogsschadevergoeding van $ 800 miljoen geen betaling van achterstallige salarissen werd geëffectueerd; - dat de opeenvolgende Nederlandse regeringen steeds consequent het standpunt innamen, dat zij met betrekking tot de niet-betaling van de door de Nederlandse ambtenaren in het voormalig Nederlands-lndië gedurende de jaren 1942-1945 gederfde salarissen geen enkele verantwoordelijkheid droegen, zulks met een beroep op de staatsrechtelijke positie van Nederlands-lndië met zijn eigen rechtspersoonlijkheid, eigen begroting en comptabiliteit, en deze verplichtingen steeds afschoven op het Nederlands-lndische Gouvernement of, na de soevereiniteitsoverdracht, op de rechtsopvolger de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië. 4. Het behoeft geen betoog, dat deze als een ernstige rechtskrenking ervaren gang van zaken onder de betrokken werknemers van het voormalige Nederlands-lndische Gouvernement tot bittere teleurstelling en gevoelens van onvrede heeft geleid, welke somtijds traumatische vormen hebben aangenomen en welke heden ten dage, bijna 35 jaar na het einde van Wereldoorlog II, nog duidelijk in brede kringen van de betrokkenen waarneembaar zijn. Zij zijn overtuigd van hun juridisch en moreel volstrekt onaantastbaar recht op het alsnog ontvangen van hun gederfd salaris, maar stuiten bij elke poging tot realisering daarvan gefrustreerd en onmachtig tegen een muur. In de afgelopen dertig jaren zijn er telkens acties bij regering en parlement ondernomen en rechtsgedingen tegen de Nederlandse Staat gevoerd om te geraken tot een erkenning en honorering door de Nederlandse Regering van de eis tot uitkering alsnog van de over het tijdvak mei 1942 tot augustus 1945 gederfde salarissen en soldijen. In één van deze rechtsgedingen (het proces-poldermans contra de Staat der Nederlanden) werd in hoogste instantie het recht op uitbetaling van de in bovengenoemde periode niet-genoten salarissen en soldijen expliciet erkend, doch tevens vastgesteld, dat de Staat der Nederlanden niet aansprakelijk kan worden gesteld voor een daarop gebaseerde claim, zulks op grond van de omstandigheid, dat het rijksdeel Nederlands-lndië een eigen rechtspersoonlijkheid bezat met eigen geldmiddelen, gescheiden van die van Nederland. De aansprakelijkheid voor de betaling van deze salarissen is volgens dit Arrest van het Haagse gerechtshof van 8 december 1955 (bevestigd bij Arrest van de Hoge Raad van 15 juni 1956) overgegaan op de rechtsopvolger van de Indische regering. Alle naoorlogse Nederlandse regeringen hebben zich inzake de «backpay»-kwestie steeds op deze juridisch-formalistische grond beroepen om zich van iedere (mede)verantwoordelijkheid te kunnen distantiëren. 5. Al moge dan de Nederlandse Regering volgens bovenbedoelde uitspraak van het Gerechtshof te 's-gravenhage formeel-juridisch niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de uitbetaling der achterstallige salarissen, dan nog zijn er nog vele morele en billijkheidsgronden aan te voeren om een beroep ter zake op Nederland ten volle te rechtvaardigen. Over een formeel-juridische verwijzing naar de rechtspersoon Nederlands-lndië met zijn afgescheiden geldmiddelen, resp. naar de Republiek Indonesië, merkte de op 4 december 1951 ingestelde «Commissie Achterstallige Betalingen» (CAB)opblz. 12 van haar in 1952 aan de Regering uitgebracht rapport reeds op: «Naar haar oordeel kan zulk een verwijzing, al moge zij juridisch nog zo sluitend zijn, de algemene verantwoordelijkheden van Nederland niet geheel doen verdwijnen. Een stringent beroep op zulk een juridische en staatsrechtelijke argumentatie kan slechts wrangheid brengen in de gemoederen van alle betrokkenen en kan naar het oordeel der commissie het Nederlandse volk onmogelijk morele bevrediging schenken». Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 6
Met deze «algemene verantwoordelijkheden» doelde de commissie op het staatsrechtelijk gegeven, dat het opperbestuur over het voormalig Nederlands-lndië berustte bij de Nederlandse Regering, die bij de beslissing in alle belangrijke aangelegenheden het laatste woord had. «Het was» - aldus de commissie - «de Nederlandse Regering, die de oorlog verklaarde, waardoor het in dit opzicht onzelfstandige Nederlands-lndië in de oorlog werd betrokken». Niet alleen, dat de Nederlandse Regering de oorlog verklaarde, zij bleef ook op het verloop daarvan haar stempel zetten. Het was de Nederlandse Regering in Londen, die bij K.B. van 6 mei 1942 het Algemeen Bestuur van Nederlands-lndië aan de toenmalige Ministervan Koloniën dr. H. J. van Mook opdroeg. Het was de Nederlandse Minister-President Gerbrandy, die in zijn kwaliteit van Minister van Koloniën ad interim op 20 februari 1942 de Gouverneur-Generaal telegrafisch de «aanwijzing» gaf, dat de lndische regering en haar ambtenaren op hun posten moesten blijven. Het was wederom de Nederlandse Regering in Londen, die op 3 maart 1942 de Landvoogd instrueerde, dat van een algemene capitulatie van de Indische weermacht geen sprake kon zijn, zulks in afwijking van het standpunt van de Gouverneur-Generaal, die in een telegram van 1 maart had gewezen op de mogelijkheid van een volstrekt nutteloos bloedbad of de vernietiging van de volkrijke stad Bandung (De Jong, het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 9, eerste helft, blzz. 321, 323, 325). Het was ook weer deze Regering, die de Landvoogd onthief uit zijn functie van opperbevelhebber, zulks ten einde te voorkomen, dat deze als zodanig in Japanse handen zou vallen. Het was ten slotte weer de Nederlandse Regering, die de soevereiniteit over het gebiedsdeel Nederlands-lndië overdroeg aan de Republik Indonesia Serikat, zonder daarbij te stipuleren, dat onder de aan deze overgedragen verplichtingen mede was begrepen de voldoening van de door de Nederlandse civiele en militaire ambtenaren over de bezettingsperiode gederfde salarissen, waaromtrent de Nederlands-Indische regering - na in 1947 te hebben gesteld, dat haar standpunt in deze nog niet volledig was omlijnd - nimmer een beslissing had genomen (rapport CAB, blz. 135). 6. Hoe kunnen, aldus vragen de in hoofde dezes genoemde organisaties zich af, zulke directe ingrepen en intensieve bemoeienissen van de Nederlandse Regering - tijdens en na de oorlog - met de gang van zaken in Nederlands-lndië anders worden gezien dan als een aanvaarding van de algehele verantwoordelijkheid voor dit Aziatische gebiedsdeel? En hoe, zo vragen zij zich verder af, is het dan mogelijk, dat de opeenvolgende naoorlogse Nederlandse regeringen de gevolgen van deze rechtstreekse ingrepen in de lndische aangelegenheden niet onder ogen wilden zien en de juridisch vastliggende aanspraken van de Indische ambtenaren bleven afwentelen, eerst op de voormalige Nederlands-Indische regering en later - zich verschuilend achter de uitspraak van de hoogste Nederlandse rechter - op de rechtsopvolger, de regering van Indonesië? 7. In het rapport van de «Commissie van drie» wordt ook melding gemaakt van het bedrag van f 879 min. door de Nederlandse Regering besteed tussen 1950 en 1966 aan de opvang van gerepatrieerden uit het voormalig Nederlands-lndië. Van dit bedrag had de Nederlandse Regering f 196 min. uitgetrokken voor onder andere rehabilitatie-uitkeringen, overtochtskosten, delegatieschulden en tegemoetkoming in wederinrichtingskosten. Nog daargelaten, dat het evengenoemde bedrag van f 196 min. naar het oordeel van de Commissie Achterstallige Betalingen wel het uiterste minimum vormde van hetgeen voor een werkelijke rehabilitatie van de Indische oorlogsslachtoffers nodig was, en dat bovendien op de vergoeding voor geleden huisraadschade (dat is de tegemoetkoming voor wederinrichtingskosten) een deel van de rehabilitatie-uitkering in mindering werd gebracht, moet worden gewezen op een - in de nota van de «Commissie van drie» niet duidelijk naar voren komend - hardnekkig misverstand met betrekking tot het karakter van de rehabilitatie-uitkering. Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15840, nr. 2 7
Doordat deze rehabilitatie-uitkering werd bepaald door, afhankelijk van de gezinssamenstelling, een zeker aantal maanden vooroorlogs brutosalaris als maatstaf te nemen, kon namelijk de misvatting ontstaan dat deze rehabilitatie-uitkering en een (gedeeltelijke) betaling van de «backpay»-salarissen dezelfde zaken zijn. De Nederlandse Regering heeft deze verwarring in de hand gewerkt door aan de betaling harerzijds van (een gedeelte van) de rehabilitatie-uitkering en van de tegemoetkoming voor wederinrichtingskosten de voorwaarde te verbinden, dat tot terugvordering daarvan zal worden overgegaan, wanneer zij eventueel op grond van een rechterlijke uitspraak alsnog zou overgaan tot uitbetaling van de gederfde salarissen. Voor deze verwarring bestaat evenwel geen enkele grond. Bij de invoering van de initiële rehabilitatieregeling, bij ordonnantie opgenomen in Ind. Stbl. 1947 no. 164, werd namelijk uitdrukkelijk verklaard, dat de rehabilitatie-uitkeringen geen vergoeding voor loonderving waren, doch dat deze bedoeld waren als tegemoetkomingen voor de ten gevolge van de oorlog van alles beroofde slachtoffers. Met de claim op de integrale uitbetaling van de achterstallige salarissen hebben de rehabilitatie-uitkeringen derhalve niets uit te staan. Hoe erkentelijk de vele duizenden Nederlandse gerepatrieerden uit het voormalig Nederlands-lndië ook mogen zijn voor de eerste hulp, door het moederland geboden om hun volkomen berooide en ontredderde landgenoten en medestrijders van overzee weer op de been te helpen - een hulpverlening, waartoe naar de mening van de SIB iedere zich zelf respecterende natie gehouden is - dit vermag de blijvende grief, welke de gewezen Nederlands-lndische overheidsdienaren koesteren, wegens het hun willens en wetens onthouden van het hun rechtmatig toekomende salaris/soldij over 41 maanden, niet weg te nemen. 8. Nu de omstandigheden ertoe hebben geleid, dat het Indische «backpay»-drama en de onwaardige rol, die de opeenvolgende naoorlogse Nederlandse regeringen daarin hebben gespeeld, in de publieke belangstelling is komen te staan, is naar de mening van de in hoofde dezes genoemde organisaties het ogenblik gekomen om nu eindelijk, drieënhalf decennium na het einde van de Pacific _ oorlog, daaraan een definitief einde te maken. Het valt niet te ontkennen, dat deze publieke belangstelling ten dele wordt gevoed door de aankondiging van harde acties, die van bepaalde zijden in het vooruitzicht worden gesteld vocr*het geval de Nederlandse overheid ook thans weer bij het tot dusver door haar ingenomen standpunt blijft. De in hoofde dezes genoemde organisaties distantiëren zich uitdrukkelijk van dergelijke acties, doch moeten erop wijzen, dat op de spreekwoordelijke gezagsgetrouwheid van de gewezen Indische ambtenaren decennia lang een veel te zware wissel is getrokken, hetgeen thans het gevaar van ongewenste escalaties niet denkbeeldig maakt. De in hoofde dezes genoemde organisaties vertrouwen er echter op, dat parlement en regering zullen inzien dat thans eindelijk recht zal moeten worden gedaan aan de juridisch en moreel gerechtvaardigde eis van de gewezen Indische ambtenaren-nederlanders tot betaling van het hun toekomende salaris over de periode van de Japanse bezetting. 9. Daarbij zou voorop moeten staan, dat de Nederlandse Regering haar (mede)verantwoordelijkheid erkent voor de uitkering van de gedurende de Japanse bezettingstijd niet betaalde salarissen en soldijen van het Nederlandse civiele en militaire personeel van het voormalig Gouvernement van Nederlands-lndië. Reeds door een dergelijke erkenning zou zij al aanstonds aan een aantal belanghebbenden een zekere mate van genoegdoening geven. De Regering zou alsdan tevens handelen in de geest van wijlen H. M. Koningin Wilhelmina, die in 1946 bij de aankomst in Nederland van een der eerste schepen met gerepatrieerden uit Indië tot hen sprak: «Gij kunt vertrouwen, dat ieder, die op dit punt (nl. het geven van een nieuw levensdoel) verantwoordelijkheid draagt, zich van die verantwoordelijkheid bewust is en Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 8
dat de resultaten van hun handelen, naarmate het herstel toeneemt, steeds duidelijker zullen worden.». En die, ten besluite van Haar rede zich tot alle Nederlanders richtend, uitriep: «Wij zijn aan onze driekleur verplicht te tonen, dat het ons diepe ernst is met onze dankbaarheid tegenover al deze vrouwen en mannen, die het beste gaven voor Nederland, voor ons Rijk en voor ons. Het is onze ereplicht hen niet teleur te stellen.». 10. Gevolg van een erkenning als bovenbedoeld zou uiteraard zijn, dat de claim tot uitbetaling van het over de periode van de Japanse bezetting door de Nederlandse burger- en militaire ambtenaren van het voormalig Nederlands-lndië gederfde salaris ter tafel wordt gelegd. De Samenwerkende lndische Belangenorganisaties stellen zich daarbij ten principale op het standpunt van integrale uitbetaling. Gelet op de moeilijke budgettaire situatie, waarin de Nederlandse overheid zich nu bevindt en voor de voorzienbare toekomst in verkeert, zou over de modaliteiten, waaronder de «back-pay»- ware te honoreren, nader kunnen worden overlegd. Zo zou de betaling eventueel kunnen worden gespreid over meerdere jaren, dan wel - geheel of ten dele - kunnen geschieden in verhandelbare waardepapieren. De in hoofde dezes genoemde organisaties zijn uiteraard gaarne bereid om te zoeken naar een wederzijds bevredigende oplossing. 11. Vertegenwoordigers van het bestuur van elk der in de SIB verbonden organisaties zouden het op prijs stellen op de door uw kamercommissie op 14 december aanstaande ter zake te houden hoorzitting in de gelegenheid te worden gesteld het hierboven weergegeven standpunt nader toe te lichten. b. Mondelinge toelichting De Samenwerkende Indische Belangenorganisaties waren op de hoorzitting vertegenwoordigd door de heren mr. F. P. W. van Nouhuys (Indische Pensioenbond), G. K. Hooijer (Algemene Militaire Pensioenbond), W. P. Roodenburg («Bendor») en J. Westendorp («Madjoe»). De heer Van Nouhuijs hield de volgende toespraak. Mijnheer de Voorzitter! Voor de geboden gelegenheid om het door de Samenwerkende Indische Belangenorganisaties (SIB) bij uw kamercommissie ingediende memorandum inzake de niet-betaalde ambtelijke salarissen en soldijen over de periode van de Japanse bezetting van Nederlands-lndië 1942-1945 nader toe te lichten, is onze delegatie u zeer erkentelijk. Vooreerst lijkt het ons dienstig de positie van bovengenoemde belangengroepering in dezen nogmaals te benadrukken. Wij komen, aldus blijvende binnen de werkingssfeer van onze organisaties, uitsluitend op voor de belangen van de Nederlandse gewezen werknemers, zowel de civiele als de militaire,van het voormalige Gouvernement van Nederlands-lndië. Voor deze werknemers werd namelijk bij de overdracht van de soevereiniteit over dit Koninkrijksdeel aan de Republik Indonesia Serikat door Nederland geen enkele voorziening getroffen voor de nabetaling van de gedurende de Japanse bezetting gederfde salarissen en soldijen. Voor deze - op zijn zachtst uitgedrukt - onzorgvuldigheid en de gevolgen daarvan hebben de toenmalige Koninkrijksregering (te identificeren met de Regering van het Rijk in Europa) en de daaropvolgende Nederlandse regeringen nimmer hun verantwoordelijkheid willen erkennen. Integendeel, zij hebben die verantwoordelijkheid op juridisch-formalistische gronden steeds van zich afgeschoven. De Nederlandse Regering heeft de afwikkeling van de gevolgen van de oorlog in Oost-Azië nimmer beschouwd als een nationale zaak, maar als een territoriale aangelegenheid. Helaas heeft de Nederlandse volksvertegenwoordiging, telkenmale wanneer het vraagstuk der Indische achterstallige salarissen en soldijen in het parlement ter discussie werd gesteld, zich hierbij neergelegd, zij het aarzelend en onder de toezegging van heroverweging, wanneer een «novum» ter zake zou kunnen worden aangedragen. Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 9
Na ingewonnen advies van een tweetal rechtsgeleerde hoogleraren, werd zulk een nieuw gezichtspunt naar voren gebracht in een adres van 30 mei 1969 van de Vereniging van oud-onderofficieren bij het KNIL «Madjoe», gericht tot de vaste Commissie voor Verzoekschriften van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Een «novum», geconstrueerd uit de nieuwe verhoudingen tussen Nederland en Indonesië, gebaseerd op de grondwetswijziging van 1946 en op de wet van 3 september 1948, waarbij een nieuw hoofdstuk 14 aan de Grondwet werd toegevoegd, alsmede op de Noodwet-lndonesië van 29 oktober van datzelfde jaar. Deze gewijzigde verhoudingen werden gekenmerkt door: 1. De benoeming bij wet van 2 september 1946 en het uitzenden naar lndië van een Commissie-Generaal, die de bevoegdheden kreeg van het Opperbestuur over Nederlands-lndië. Hierdoor werd de invloed van het Opperbestuur op de dagelijkse gang van zaken in Indië nóg sterker dan zij voorheen op basis van «aanwijzingen» vanuit Nederland reeds was. 2. Het in 1948 opdragen van het algemeen bestuur over Indonesië aan een federale regering met de benoeming van een Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon als vertegenwoordiger van het Opperbestuur. Deze ambtsdrager moest, krachtens de voorlopige regeling van de bewindvoering in lndonesië bij Koninklijk Besluit van 14december 1948 nr. I 544, handelen met :nachtneming van de bevelen des Konings alsmede de eertijds aan de Gouverneur-Generaal toegekende bevoegdheden met betrekking tot de in lndonesië aanwezige strijdkrachten overnemen. Bovenvermelde regelingen vormen, naast de in het SIB-memorandum onder punt 5 opgesomde voorbeelden van direct ingrijpen van de Nederlandse Regering in en intensieve bemoeienissen met de gang van zaken in Nederlands-lndië, even zovele argumenten, welke pleiten voor de stelling, dat de Nederlandse Regering een rechtstreekse verantwoordelijkheid draagt voor de gebeurtenissen in het voormalige Nederlands-lndië vóór, tijdens en na de Japanse bezetting van dat rijksdeel en voor de nasleep daarvan. Derhalve ook voor het alsnog uitkeren van de over de Japanse bezettingstijd niet-betaalde ambtelijke salarissen en soldijen. De toenmalige vaste Commissie voor Verzoekschriften, «overwegende, dat het adres geen nieuw gezichtspunt bevat» - zonder enige motivering van haar zienswijze overigens - stelde aan de Kamer voor ten aanzien van dit adres over te gaan tot de orde van d»dag. Daarmede werd de Indische «back-pay»-kwestie in de politieke doofpot gestopt. Zulks ondanks de protesten van een drietal kamerleden, die van mening waren, dat de requestrerende groep van voormalige Nederlands-Indische militairen een dusdanig onrecht ondervindt van de Staat der Nederlanden, dat de kamercommissie zich ook nu niet mag neerleggen bij de houding, die de Nederlandse Regering te dezen aanneemt en dat zij zich met een gemotiveerde tegenspraak tot de Regering moest wenden. Mijnheer de Voorzitter! De SIB-delegatie meent met deze aanvullende toelichting op het aangeboden memorandum te kunnen volstaan. Nader door uw commissie te stellen vragen zullen gaarne door haar beantwoord worden. De Samenwerkende Indische Belangenorganisaties hopen, dat zij uw commissie hebben kunnen overtuigen van de noodzaak een reeds meer dan dertig jaren bestaand onrecht, dat een schandvlek is op het blazoen van de Nederlandse Staat, zo spoedig mogelijk op te heffen. c. Vragen en antwoorden Gevraagd om een nadere toelichting op het verband tussen de verlangde erkenning van medeverantwoordelijkheid van de Nederlandse Regering (punt 9 van het schriftelijk commentaar), de claim van integrale uitbetaling (punt 10) en het voorgestane nadere overleg over de honorering van deze claim (eveneens punt 10), antwoordt de heer Van Nouhuys dat de erkenning van medeverantwoordelijkheid logisch voorop staat. Zonder die erkenning kan er natuurlijk geen sprake zijn van enige uitbetaling. Zowel in het memo- Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15 840, nr. 2 10
randum van de SIB als in de nu gegeven mondelinge uiteenzetting is uitvoerig aangegeven welke directe bemoeienissen de Nederlandse Regering zowel in als na oorlogstijd heeft gehad met de gebeurtenissen in het toenmalige Nederlands-lndië. Vastgesteld moet worden dat er sprake is van een feitelijke politieke verantwoordelijkheid aan de kant van de Nederlandse Regering. Met name is ook niet vol te houden dat de niet-uitbetaling van de salarissen en soldijen een aangelegenheid was die louter het Nederlands-lndische gouvernement aanging. De Nederlandse Regering zal haar medeverantwoordelijkheid daarvoor ruiterlijk moeten erkennen. Vervolgens komt dan de uitbetaling van de achterstallige salarissen en soldijen aan de orde. De samenwerkende Indische Belangenorganisaties stellen zich daarbij - als belangenorganisaties - op het standpunt van integrale uitbetaling. Zij willen echter de ogen niet sluiten voor de moeilijke financiële situatie waarin de overheid zich nu en in de voorzienbare toekomst bevindt. Gelet daarop zou de claim tot integrale uitbetaling wel eens een onmogelijke eis kunnen blijken te zijn. Met de betrokken organisaties en personen zou daarom overleg dienen plaats te vinden over de modaliteiten waaronder de «backpay»- claim ware te honoreren. De heer Van Nouhuys benadrukte echter nogmaals dat die onderhandelingen alleen maar aan de orde komen als de Nederlandse Regering haar medeverantwoordelijkheid voor het nalaten van de betalingen erkent. De SIB zien in dezen overigens geen verschil in positie tussen voormalige militairen en voormalig civiel overheidspersoneel. Aan beide groepen is niet uitbetaald. Door een lid van de commissie werd vervolgens opgemerkt dat vanuit de Kamer nog wel eens gevraagd is om een duidelijk «novum», dat wil zeggen een argument dat in de eerdere discussies over de backpay-kwestie geen rol heeft gespeeld en dat de wetgever wellicht tot een andere conclusie zou kunnen brengen dan tot nu toe. Is een dergelijk nieuw argument aan te voeren? De heer Van Nouhuys antwoordde hierop met een verwijzing naar zijn mondelinge uiteenzetting. In een adres van 30 mei 1969 van de Vereniging van oud-onderofficieren bij het KNIL «Madjoe» werd zulk een nieuw gezichtspunt naar voren gebracht. Centraal daarin stond de gewijzigde verhouding na de oorlog tussen Nederland en eerst Nederlands-lndië en vervolgens de Verenigde Staten van Indonesië, gebaseerd op de grondwetswijzigingen van 1946 en 1948 alsmede de Noodwet-lndonesië van 1948. Deze gewijzigde verhouding kenmerkte zich door een nog intensievere bemoeienis van de Nederlandse Regering met de gang van zaken in Nederlands-lndië en daarmee ook een rechtstreekse verantwoordelijkheid o.a. voor de genomen besluiten inzake de niet-betaalde ambtelijke salarissen en soldijen. De toenmalige vaste Commissie voor de Verzoekschriften van de Kamer overwoog evenwel «dat het adres geen nieuw gezichtspunt bevat», zonder daarvoor overigens enige motivering te geven. Er was, aldus de heer Van Nouhuys, echter wel degelijk sprake van een «novum» omdat de in het adres ontwikkelde argumenten nog niet daarvoor op die wijze in de Kamer ter sprake waren gekomen. Helaas volgde de Kamer de conclusie van de commissie om ten aanzien van dit adres, zonder bestrijding van de daarin aangevoerde argumenten, over te gaan tot «de orde van de dag». Daartoe uitgenodigd vanuit de commissie gaf de heer Van Nouhuys vervolgens nog een nadere toelichting bij de in punt 7 van het memorandum gemaakte opmerkingen over het karakter van de z.g. rehabilitatie-uitkeringen. Ten onrechte is de indruk ontstaan als zouden deze uitkeringen een soort vooruitbetaling zijn op de tijdens de oorlogsperiode gederfde salarissen en soldijen, met andere woorden een beperkte back-pay. Dat karakter hebben de rehabilitatie-uitkeringen echter nooit gehad; integendeel. Bij de invoering van de initiële rehabilitatieregeling (zie Ind. Stbl. 1947, nr. 164) is uitdrukkelijk verklaard dat de rehabilitatie-uitkeringen geen vergoeding voor loonderving waren, maar bedoeld waren als financiële tegemoetkoming voor hen die na het einde van de Pacific-oorlog totaal berooid uit de interneringskampen kwamen en vanwege de geleden materiële schade een nieuw leven moesten beginnen. Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 11
Niettemin is het misverstand ontstaan als zou het hier om een beperkte back-pay gaan. Dat kwam doordat: a. de hoogte van de initiële rehabilitatie gekoppeld was aan o.a. het voor de oorlog genoten bruto-salaris en b. de Nederlandse Regering aan de betaling van een gedeelte van de rehabilitatie-uitkering en van de tegemoetkoming voor wederinrichtingskosten de voorwaarde verbond dat tot terugvordering daarvan zou worden overgegaan wanneer zij eventueel later alsnog de gederfde salarissen en soldijen zou uitbetalen. Gevraagd naar de positie van de Vereniging van oud-onderofficieren van het KNIL «Madjoe», die zowel in de SIB is vertegenwoordigd als zich heeft aangesloten bij de Stichting Rechtsherstel KNIL, antwoordt de heer Van Nouhuys dat de in SIB-verband samenwerkende organisaties van oudsher op een breed terrein de belangen van oud-lndische overheidsdienaren behartigen. Voor wat betreft de back-pay-kwestie streven deze organisaties in SIB-verband langs politieke weg naar erkenning door de Regering van haar medeverantwoordelijkheid voor de niet-uitbetaling van de salarissen en soldijen alsmede naar het alsnog doen uitbetalen daarvan. Dat behoeft echter de deelnemende organisaties niette verhinderen datzelfde doel ook in andere samenwerkingsverbanden langs juridische weg na te streven. STICHTING NEDERLANDSE ERESCHULDEN a. Schriftelijk commentaar dd. 20 november 1979 I. Algemene beschouwing Met betrekking tot de nog uit de Tweede Wereldoorlog stammende ereschulden van de Staat der Nederlanden tegenover de overlevenden en nabestaanden van de voormalige Nederlandse Nederlands-Indische gemeenschap heeft de Commissie van drie zich - volgens de door haar op zich genomen taak - beperkt tot een nota over de achterstallige salarissen en wel in het bijzonder over die van ex KNIL-krijgsgevangenen. De Stichting Nederlandse Ereschulden (SNE) acht ten aanzien van de niet betaalde salarissen over de Japanse bezettingstijd niet alleen de voldoening van die van de exkrijgsgevangenen maar ook van die van de ex-burgerambtenaren, van de ex-burger-geïnterneerden-kostwinners, van hen die in gevangenissen werden opgesloten en van hen die gevangen waren van de Japanse Kempetaï, tot deze ereschuld te behoren. En in de gevallen van geëxecuteerden of door andere oorzaken destijds of inmiddels overledenen meent de SNE dat alleen de erfgenamen in eerste lijn als rechthebbenden op dat achterstallige salaris dienen te worden aangemerkt. De SNE bepleit een uniforme uitkering van f 16000 per «geval» als hierboven vermeld, zoals in de brochure «Nederlandse Ereschulden» (bijvoegsel 1, zie blz. 20 t/m 24 1 ) is uiteengezet. De achterstallige salarissen vormen echter niet de enige ereschuld van Nederland tegenover deze toenmalige overzeese Nederlanders. Als belangrijkste ereschulden ziet de SNE: a. de hierboven vermelde achterstallige salarissen; b. een redelijke vergoeding van de geleden oorlogsschade, die voor velen het verlies van hun oudedagsvoorziening betekende; c. de erkenning van het tegen de Japanse bezetter gepleegde verzet en de gelijkschakeling van de betreffende verzetsdeelnemers met die tegen de Duitse bezetter; d. de erkenning van de verantwoordelijkheid van Nederland voor - en de effectuering van een doeltreffende hulpverlening aan - de veelal in diepe ellende nog in Indonesië woonachtige (ex-)nederlanders. De SNE heeft: ; : - de kwestie ad b op 19 oktober 1978 bij de Ministers van Buitenlandse ' De bijvoegsels zijn niet bij dit verslag afge- n^. JLL.II i- u Li drukt. Zij liggen ter inzage op het secretariaat Zaken en voor Ontwikkelingssamenwerking voorgebracht met een suggestie van de commissie. voor een minimale, de jaarlijkse begrotingen niet belastende, afdoening. Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 12
Eerst na vele maanden berichtte de Minister van Buitenlandse Zaken ons - op niet ter zake doende gronden - dat onze suggestie niet voor realisering vatbaar was. Uiteraard laat de SNE het hier niet bij. - In de kwestie ad c de hiervoor in het bijzonder strijdende Belangengroep van Dragers Verzetsster Oost-Azië en de Stichting Nu of Nooit waar mogelijk gesteund in hun actie. Deze aangelegenheid zal door de vaste Commissie voor Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk van de Tweede Kamer worden onderzocht na ontvangst van door het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk toegezegde gegevens. - In de kwestie ad d op 11 januari 1979 een suggestie vooreen voorlopig begin hiermede aan de Ministerraad gedaan. Deze delegeerde een en ander aan de Minister van Buitenlandse Zaken en deze weer aan het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk. Via een vraag van een lid van de Tweede Kamer hierover aan de Minister van Buitenlandse Zaken kregen wij indirect een hoogst onbevredigende afwijzing, waarin de SNE niet kan berusten. De tot op heden volkomen negatieve houding van onze regeringen en tot voor kort overwegend ook van de Tweede Kamer heeft de SNE ertoe gebracht de schending van de rechten van deze steeds tot de meest loyale onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden behoord hebbenden voor te brengen voor een Westeuropees forum, vide de toespraak van de voorzitter SNE op 19 april 1979 op het congres van de Confédération Européenne des Spoliés d'outre-mer (Confederatie van Beroofden van Overzee) te Parijs (bijvoegsel 2). Gezien echter de aard van de nota van de Commissie van drie hebben wij ons in het hierna volgende commentaar op die nota eveneens bepaald tot de achterstallige salarissen. De nota beperkt zich in hoofdzaak tot de weergave van de inzichten van de Regering en tot de rol die de Tweede Kamer in het verleden heeft gespeeld. Vrijwel geen aandacht is geschonken aan de morele aspecten van deze ereschuld(en), niettegenstaande de door de SNE overgelegde onweerlegbare documentatie hiervan. Deze houdt in: - dat de rechterlijke uitspraken, waarop de Regering haar afwijzing van de aansprakelijkheid van Nederland voor de voldoening van deze salarissen baseert, het rechtsgevoel verre van bevredigen; - dat de morele verplichtingen van Nederland onomstotelijk worden aangetoond door de handelingen van deze opeenvolgende regeringen en meer nog door hetgeen zij nagelaten hebben; - dat de argumenten, die de Regering pleegt aan te voeren om haar afwijzing van enige nog bestaande morele verplichting een schijn van rechtvaardiging te geven, gebaseerd zijn op drogredeneringen en leugens; - dat onze opeenvolgende naoorlogse regeringen niet alleen bij herhaling hun plicht hebben verzaakt om op te komen voor de rechten en belangen van deze Nederlandse onderdanen, maar deze zelfs meerdere malen op grove wijze hebben geschonden, en wel: 1. reeds vóór de soevereiniteitsoverdracht; 2. bij de soevereiniteitsoverdracht eind 1949; 3. bij de afwikkeling van het vredesverdrag met Japan (1951); 4. bij de afwikkeling van het in 1966 met de Republiek Indonesië gesloten tractaat, in casu met de uit dit tractaat voortgekomen Verdelingswet 1969. Bij al deze gelegenheden werden de rechten van deze Nederlanders stelselmatig genegeerd en werden hun belangen opgeofferd voor een algemeen Nederlands belang: een goede verstandhouding met de Republiek lndonesië. Aangezien deze de grote verplichtingen tegenover deze Nederlanders niet zou kunnen vereffenen zonder haar ontwikkeling ernstig te belerrv meren, heeft Nederland de Republiek Indonesië nimmer gemaand aan deze verplichtingen te voldoen, heeft zij met het tractaat van 1966 alle nog uit de Tweede Wereldoorlog stammende vorderingen aan de Republiek Indonesië kwijtgescholden en heeft zij als compensatie voor de door Indonesië in 1957 genaaste Nederlandse bezittingen genoegen genomen met een afkoopsom Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 13
van nog geen zevende van de waarde daarvan met een afbetalingsregeling tot het jaar 2002. Hierdoor kregen vele zelfstandigen nog geen 3% compensatie voor hun toen voor de tweede maal verloren gegane oudedagsvoorziening. Aldus werd aan de Republiek Indonesië een verkapte ontwikkelingshulp gegeven, «gefinancierd» ten koste van de betreffende Nederlanders. En aldus heeft Nederland zich als enig land - op zeer aanvechtbare spitsvondigjuridische gronden en leugenachtige argumenten -tot heden ten dage weten te onttrekken aan zijn door de Tweede Wereldoorlog ontstane verplichtingen tegenover deze (ex) overzeese Nederlanders. Diep beschamend is deze trouweloze houding van het Koninkrijk der Nederlanden tegenover zijn voormalige soldaten. Het neemt hierin een kwalijke eenzame positie in tegenover zijn vroegere bondgenoten, die allen ook hun overzeese soldaten direct na de oorlog de hun toekomende soldijen wèl volledig uitbetaalden en hun bovendien allerhande faciliteiten verleenden om zich weer een positie in de maatschappij te verwerven. Documentatie van al het bovenstaande is in ons bezit. II. Juridische aspecten De Nederlandse rechter besliste dat Nederland wettelijk niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de nabetaling van de achterstallige KNIL-salarissen, omdat sedert de wijziging in 1912 van de Indische Comptabiliteitswet Nederlands-lndië een zelfstandig rechtspersoon zou zijn geweest èn een eigen begroting heeft gehad. De kosten van het KNIL plachten op de Nederlands-lndische begroting te worden geboekt. Waar artikel 194 van de Grondwet bepaalt: «Al de kosten voor de legers van het Rijk worden uit 's Rijks kas voldaan», was volgens de Nederlandse rechter het KNIL dusgeen leger van het Rijk. Een eigenaardige conclusie uit het ongerijmde. Voor commentaar hierop zie bijvoegsel I, blz. 7 en bijvoegsel 3. De zogenaamde zelfstandigheid van Nederlands-lndië moge de jure misschien gesteld kunnen worden, de facto had Nederland krachtens de Grondwet en de Indische Staatsregeling alles over Nederlands-lndië te zeggen en het heeft dit ook ten volle gedaan. De uitspraak van de Nederlandse rechter is daarom verre van bevredigend voor het rechtsgevoel. Nu deze zaak de laatste maanden heel wat publiciteit heeft gekregen, bereiken ons meer en meer meningen van historici en juristen dat deze uitspraak een rechterlijke dwaling is geweest, want dat Nederlands-lndië bepaald niet «zelfstandig» was en dat het KNIL in de oorlog tegen Japan grondwettelijk slechts als rijksleger is ingezet kunnen worden ter verdediging van het grondgebied van het Koninkrijk. Bij de grondwetswijziging van 1922 werd Nederlands-lndië tot grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden verklaard (zie artikel 1 Grondwet). Ook is twijfel gerezen of met de soevereiniteitsoverdracht ook de salarisvorderingen wel op de Republiek Indonesië zijn overgegaan. Deze heeft dit steeds ten stelligste ontkend. (Zie bijgaande brief van 27 oktober 1953 van het Hoge Commissariaat van de Republiek Indonesië - bijvoegsel 4- en bijvoegsel 1, blz. 17). Zoals hiervoren vermeld heeft Nederland de Republiek lndonesië nooit tot betaling gemaand. De SNE koestert echter geen enkele verwachting in een succesvolle afloop van enig nieuw proces tegen de Staat der Nederlanden. De tijdrovende afwikkeling van zulke processen zou buitendien inlossing van de thans reeds ruim 34 jaar bestaande ereschulden onaanvaardbaar verder vertragen. Derhalve heeft de SNE haar actie gericht op de morele aspecten van deze slependezaak. Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 14
III. Morele aspecten De morele verantwoordelijkheid van Nederland vloeit zonder meer voort uit de door de opeenvolgende Nederlandse regeringen genomen - c.q. niet genomen - beslissingen en gegeven opdrachten. a. Het was het Koninkrijk der Nederlanden, niet Nederlands-lndië, dat de oorlog verklaarde aan Japan. Een oorlogsverklaring was ook uitsluitend aan het Koninkrijk voorbehouden: Nederlands-lndië had hiertoe geen bevoegdheid (artikelen 59 en 187 Grondwet en artikel 91 Indische Staatsregeling). b. Op het moment dat het Koninkrijk de oorlog verklaarde, waarbij het de in Nederlands-lndië aanwezige weermachtsdelen opdroeg de wapenen op te nemen tegen Japan, werd het KNIL grondwettelijk als rijksleger ingezet (zie ad II). De kosten van het KNIL hadden in ieder geval vanaf dat moment uit 's Rijks kas moeten zijn voldaan (artikel 194 Grondwet). Dat dit niet is geschied, is geen rechtsgeldig bewijs dat het KNIL ook toen geen rijksleger zou zijn geweest (zie ad II). c. De volgende citaten spreken verder voor zich zelf: (1) «stelt het Koninkrijk der Nederlanden al zijn strijdkrachten en al zijn hulpbronnen ter beschikking van de gemeenschappelijke oorlogvoering. Ik reken op vloot, op leger en luchtmacht, op alle ambtenaren en op alle burgerdiensten, wier oorlogstaak begint.» (Uit Proclamatie Koningin Wilhelmina dd. 8 december 1941); (2) «ik roep U op tot vervulling van een harden maar verheven plicht jegens Koningin en Koninkrijk, de Indische gemeenschap en U zelve, den plicht van den onderdaan in oorlogstijd» (Uit Proclamatie Landvoogd, dd. 8 december 1941); (3) «Ik geloof dus, dat, wanneer wij alle gevallen nagaan, ons moet blijken, dat de morele aansprakelijkheid die voor Nederland blijft, in de meeste gevallen zal worden een staatkundige, waaraan het voor de Nederlandse Regeering zeer moeilijk zou zijn zich te onttrekken». (Uit behandeling in de Tweede Kamer van de Indische Comptabiliteitswet: 61e vergadering, 13 maart 1912, blz. 1889). d. Dat de morele verantwoordelijkheid van Nederland om deze ereschuld te erkennen en in te lossen in brede kring gesteld wordt, blijkt uit ondervolgende citaten: (1) «Ik heb grote waardering voor Uw pleidooi om de ereschuld aan exkrijgsgevangenen uit voormalig Nederlands-lndië in te lossen. Ook wij erkennen dit als een vraagstuk dat opgelost dient te worden». (Uit brief VoorzitterC.D.A. Tweede-Kamerfractie, dd. 4 oktober 1977, nr. C 1001 MG); (2) «Er is geen grotere schuld dan een morele schuld. Het kenmerkende van een morele verplichting is juist dat deze tijdloos is. Vooral waar het gaat om verworven rechten met een diep psychologische achtergrond.» (Kamerstuk 14 399, nr. 4, zitting 1977-1978). (3) «Een andere vraag is of er geen aanleiding bestaat vorenbedoelde ambtenaren, die zich aan de dienst van het Koninkrijk in een voormalig deel daarvan hebben gewijd, anders dan op zuiver juridische gronden tegemoet te komen in de door hen uit hoofde van de Japanse bezetting geleden schade. Deze vraag ligt - afgezien van de zedelijke niet zuiver juridische normen, welke aan haar beantwoording mogelijk ten grondslag kunnen worden gelegd - op het terrein van het overheidsbeleid; in een democratische staat zal het parlement daarover in laatste instantie zijn oordeel kunnen geven; zij leent zich niet tot een waardering door de rechterlijke macht als zodanig; haar beantwoording zou trouwens afhangen van tal van omstandigheden, welke voor de rechterlijke colleges niet of nauwelijks ter sprake zijn gekomen.» (Uit Arrest Hoge Raad van 28 maart 1958, nr. 259). Het is dan ook intens treurig dat Nederland zich tot nu toe op hoogst twijfelachtige gronden aan haar verantwoordelijkheid te dezen heeft onttrokken en deze op recht gebaseerde ereschuld thans na bijna 35 jaar nog steeds niet tot een oplossing heeft gebracht. Deze voortgezette schending van de Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 15
rechten van de mens, in casu van eigen (ex) onderdanen, heeft deze zaak tot - ook in het buitenland met verontwaardiging gesignaleerde - nationale schande gebrandmerkt (zie bijvoegsel 2). De Nederlandse regeringen beroepen er zich sinds jaar en dag op, dat reeds ruimschoots aan de morele verplichting van de Staat zou zijn voldaan. Het is onvoorstelbaar beschamend dat ook de huidige regering deze onjuistheid tracht aan te tonen met drogredeneringen en leugens (zie bijvoegsel 5). Helaas zijn deze drogargumenten in de nota opgenomen zonder commentaar. Wij zijn derhalve genoodzaakt althans de belangrijkste hiervan te signaleren en recht te zetten. IV. Bedrieglijke voorstelling van zaken door de Regering a. Het begrotingsbedrag van f 196 min. ter voltooiing van de rehabilitatie-uitkeringen. De nota vermeldt reeds dat hiervan alleen rond f 150 min. werd uitgegeven; niet aangegeven is welke posten niet of slechts gedeeltelijk zijn uitgegeven. Zonder deze gegevens is een goed commentaar niet wel doenlijk. In het algemeen echter kan gesteld worden dat het opbrengen van althans de grootste twee posten (ruim f 83 min. voor «rehabilitatie» en ruim f 88 min. voor «tegemoetkoming wederinrichting») - als zou hiermede reeds gedeeltelijk aan de morele verplichting ten aanzien van de nabetaling van de salarissen zijn voldaan - onjuist is. De Nederlandse rechter toch stelde vast dat de rehabilitatie-uitkeringen niet in de plaats zijn getreden van de achterstallige salarissen, welke onverkort zijn blijven bestaan. En tegemoetkomingen voor herinrichting hebben nog minder van doen met de achterstallige salarissen. De hiervoor uitgekeerde bedragen zijn overigens slechts fooiconrv pensaties geweest voor het verlies van de gehele woninginrichting en alle verdere persoonlijke bezittingen. Buitendien heeft het merendeel van de «gelukkigen», aan wie zulk een uitkering te beurt viel, later alles moeten terugbetalen. (Verklaringen hiervan zijn in ons bezit). b. Het bijna f 1 mld. dat voor ons zou zijn uitgegeven. Hoe hebben ambtenaren, die toch tot taak hebben de belangen van de gemeenschap en van haar leden te behartigen, de euvele onbeschaamdheid de posten van dit miljard te doen aanmerken als compensatie voor de nietgehonoreerde achterstallige salarissen? Deze posten toch hebben daarmee niets uitstaande, zij betreffen de sociale opvang van repatrianten, die door de (dreigende) door Regering en parlement in Nederland bewerkstelligde soevereiniteitsoverdracht hier veelal volkomen berooid aankwamen. Bovendien is het overgrote deel van deze in voorschot verstrekte «sociale opvang» later van betrokkenen teruggevorderd en ook terugontvangen. (Vele bewijzen hiervan zijn in ons bezit). c. De f 600 min. afkoopsom van hettractaat van 7 september 1966. Ook dit bedrag staat geheel losvan de salarisaanspraken; hettractaat was de financiële slotfase van de dekolonisatie. Zoals hiervoren verklaard, is deze f 600 min. een bij het tractaat aanvaarde minimale afkoopsom voor door Indonesië bij de soevereiniteitsoverdracht duidelijk overgenomen - maar door haar niet nagekomen - verplichtingen van Nederlands-lndië en voor de door de Republiek Indonesië in 1957 genaaste Nederlandse bezittingen. Een kleine 50% van dit bedrag eigende de Staat zich met de verdelingswet 1969 zelve toe. Het aan de particuliere beroofden toegewezen restant betekende voor velen een fooivergoeding van nog geen 3% voor hun toen voor de tweede maal verloren gegane oudedagsvoorziening. Ook werd reeds vermeld, dat met dit tractaat de bij de soevereiniteitsoverdracht op Indonesië overgegane oorlogsverplichtingen van Nederlands-lndië - waaronder die van de achterstallige salarissen - aan de Republiek Indonesië werden kwijtgescholden. Het getuigt van een ontstellende mentaliteit om deze f 600 min. van hettractaat van 1966 - een der vele voorbeelden van vertrapping van deze oorlogscrediteuren - in de onderhavige aangelegenheid te betrekken als argument dat reeds zo veel voor hen zou zijn gedaan. d. De situatie vóór de soevereiniteitsoverdracht. Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15 840, nr. 2 16
Het heette dat er geen geld was om de achterstallige salarissen te betalen; het land moest eerst weer worden opgebouwd. Ons is echter uit de jaarverslagen van De Javasche Bank - de circulatiebank van Nederlands-lndië - gebleken dat er bij de soevereiniteitsoverdracht een goudvoorraad was van bijna f 700 min. Hiermede hadden de achterstallige salarissen van de ex-krijgsgevangenen en burger-geïnterneerden ad f 124 min. per ultimo 1945 zonder problemen kunnen zijn uitbetaald. Het goud werd echter door Nederland zonder meer aan de Republiek Indonesië overgedragen en aan de ex-knilkrijgsgevangenen werd later medegedeeld dat zij voor hun achterstallige salaris bij de Republiek Indonesië moesten zijn, dus bij diegene die zij tot kort voor de soevereiniteitsoverdracht te vuur en te zwaard hadden moeten bestrijden. Het betekende tevens een schuldvernieuwing zonder medeweten, laat staan medewerking, van betrokkenen, zoals het Burgerlijk Wetboek voorschrijft voor rechtsgeldigheid ervan (artikelen 1449,1453 en 1456, zie bijvoegsel 1 blz. 5). V. De burger-geïnterneerden-kostwinners Hiervoren stelden wij dat ons inziens ook voor hen, dan wel hun nabestaanden, een nabetaling van gederfd salaris dient te worden gedaan. De niet in militaire dienst opgeroepen Nederlanders toch moesten, krachtens de in april 1941 afgekondigde burger-dienstplicht voor alle Nederlandse mannen en vrouwen van 16 t/m 60 jaar, tot de nadering van de Japanners op hun post blijven. Velen hunner kregen tevens een vernielingsopdracht; enkele honderden hunner zijn door de Japanners zonder vorm van proces geëxecuteerd. In de geest van de eerdergenoemde solidariteit acht de SNE het reëel aan hen een gelijke uitkering toe te kennen als aan de ex-krijgsgevangenen, dus ookf 16000 belastingvrij, zulks alhoewel in de oorlogsjaren nog geen internationale bepalingen voor de burgerbevolking bestonden. Zie de hieronder gegeven totstandkoming van de vier Conventies van Genève: 1e Conventie in 1864 na Slag bij Solferinoin 1859 (gewonden te land); 2e Conventie in 1899 na Slag Adriatische Zee in 1866 (gewonden ter zee); 3e Conventie in 1929 na de Eerste Wereldoorlog 1914-1918 (krijgsgevangenen); 4e Conventie in 1949 na de Tweede Wereldoorlog 1939-1945 (burgers), telkenmale nadatwas gebleken, dat de dan bestaande conventies tekort schoten in de bescherming van bepaalde door de oorlog getroffen groepen. VI. Enige cijfers In de brochure is aan achterstallige salarissen over de 41 maanden krijgsgevangenschap - op basis van de daadwerkelijke soldijen/salarissen en doorgebrachte krijgsgevangentijd (voor overledenen is deze tijd gerekend tot de dag van hun overlijden) -een bedrag becijferd van f 124 min. Met bijberekening (in 1973 verricht) van een minimaal redelijk geachte rente kwam dit bedrag per medio 1975 op f 600 min. (zie bijvoegsel 1 blz. 20 t/m 23). Voor de burger-geïnterneerden-kostwinners, geëxecuteerden, enz. is in verhouding van hun geschatte aantal tegenover het aantal in aanmerking komende ex-krijgsgevangenen een totaal van f 200 min. te stellen. Het totaal van deze ereschuld komt hiermede op f 800 min. (zie bijvoegsel 1 blz. 24). Dit bedrag wordt door sommige politici als veel te hoog en onbetaalbaar aangemerkt, naar de mening van de SNE ten onrechte. Zij beschouwt dit bedrag als het minimaal aanvaardbare, zoals hieronder is toegelicht. Het totaal aantal hierbij betrokken ex-vervolgden is minstens 140 000 geweest, 37 500 ex-krijgsgevangenen en ruim 100 000 burgers, door ons aangenomen op 102 500 (een juist cijfer is niet beschikbaar). En f 800 min. gedeeld door 140 000x41 betekent nog geen f 140 per maand doorgebrachte doffe ellende. Tegenover het hier enkele jaren geleden spontaan uitgekeerde smartegeld van f 3000 per volwassene en f 2000 per minderjarige gegijzelde uit de trein bij Wijster voor 5 weken gijzeling kan moeilijk volgehouden worden dat Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 17
de f 140 per maand te veel is. En zelfs al zou men de - zoals hierboven uiteengezet hier irrelevante - f 150 min. en f 1 mld. ten volle bijtellen, dan nog zouden deze bedragen samen slechts een verhoging betekenen van f 200 per maand per ex-vervolgde. En buitendien heeft de SNE - als uiterste concessie - de suggestie gedaan van een uitkering van de f 800 min. in (belastingvrije) verhandelbare, een bescheiden rente gevende, obligaties met een maximale looptijd van 10 jaar. Dit betekent een aflossing met f 80 min. per jaar en aflopende rente gedurende 10 jaar. En waar de niet-betaling van deze salarissen een verkapte ontwikkelingshulp inhield, acht de SNE het reëel dat deze ereschuld thans wordt afgelostten laste van de ontwikkelingshulpposten. Hiervoor wordt jaarlijks een brutobedrag van 4% van het nationale inkomen op de begroting gebracht, voor 1980 is dit f 4 mld. Het hieruit putten voor de jaarlijkse aflossingen van de obligaties kan geen problemen geven en zal 's Rijks middelen op generlei wijze belasten. VII. Waarom wij een uniforme uitkering voorstaan Het bedrag van f 800 min. vertegenwoordigd het een ieder naar «rang en stand» toekomende. Een integrale uitkering op deze basis zou betekenen, dat aan een (beroeps-, militie- of landstorm)soldaat een bedrag zou toekoméh van rond f 4000. Dit bedrag thans, na bijna 35 jaar, als compensatie voor 41 maanden krijgsgevangenschap zou een lachertje zijn. En aan een ex-kolonel-krijgsgevangene zou rond f 240 000 moeten worden toegewezen. Uit hoofde van de Garantiewet Militairen KNIL kreeg hij echter van de Staat - met zijn naar Nederlandse maatstaven opgetrokken en welvaartsvast gemaakte pensioen - reeds aanzienlijk meer dan waarop hij krachtens zijn KNIL-diensttijd recht kon doen gelden. De Staat zou niet ten onrechte bedenkingen kunnen maken tegen zulk een uitkering. En indien zij desalniettemin hiertoe - bij voorbeeld door de uitkomst van een proces - gedwongen zou worden, dan zal zij zeker, naast belastingheffing daarop, ook wensen te doen controleren of door hem jaren geleden ontvangen delegatievergoedingen, kledingpakketten, herinrichtingskosten, levensonderhoud van de Districtsbureaus voor oorlogsslachtoffers, enz., enz. wel alle zijn terugbetaald. Zulk een individuele financiële controle zal niet alleen veel personeel vergen maar ook de uiteindelijke uitkeringen aanzienlijk vertragen. Zij kunnen door de Regering jaren worden getraineerd. Ook de in bepaalde politieke kringen gedane suggestie van een door de Regering beschikbaar te stellen vaste som als fonds om daaruit aan de meest schrijnende gevallen een uitkering te doen, is voor ons onaanvaardbaar. Afgezien daarvan dat alle betrokkenen recht hebben op hun achterstallige salaris, zou ook hierbij een beslissing over de uitkeringen veel personeel en vele jaren vorderen. Want om een oordeel te kunnen vormen aan wie een uitkering zal moeten worden gedaan en - gezien de beschikbare middelen - hoe groot de uitkering zal kunnen zijn, zal een studie nodig zijn van cie financiële positie van alle rechthebbenden. Betrokkenen zijn allen reeds op gevorderde of vergevorderde leeftijd; maandelijks overlijden er meerderen hunner. Er moet derhalve thans op uiterst korte termijn een afdoening plaatsvinden op een in administratief opzicht zo eenvoudig mogelijk hanteerbare regeling, waarbij de gevallen onafhankelijk van elkaar kunnen worden afgedaan. Een belastingvrije uniforme uitkering voldoet aan al deze voorwaarden. Zij vereist alleen de controle of de overlevende dan wel een overledene KNIL-krijgsgevangene was en niet reeds zijn achterstallige salaris ontving. Naamlijsten van de bewoners van de voormalige krijgsgevangenkampen zijn in Nederland en welke maatschappijen hun werknemers uitbetaalden, is in Nederland bekend. Elk geval van een overlevende zal derhalve op eenvoudige wijze en op korte termijn kunnen worden afgedaan. Is betrokkene overleden, dan zullen de erfgenamen uiteraard moeten aantonen rechthebbenden te zijn. Hieraan is bij geen enkele oplossing te ontkomen; de bewijslast ligt hierbij bij de rechthebbenden. Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15840, nr. 2 18
Een vrijwillig aanbod van de hogeren in rang - als uiting van een onderling solidariteitsgevoel - voor een uniforme uitkering zal algemene waardering ondervinden en de kans op erkenning en honorering van deze ereschuld door de Tweede Kamer en door de Regering aanzienlijk vergroten. Er wordt door sommige hogeren in rang wel opgemerkt dat zij tegen een uniforme uitkering zijn, omdat zij geen fooi wensen te accepteren. Dit is een misvatting. Het totaal bedrag van f 600 min. voor de ex-krijgsgevangenen is immers berekend op basis van de daadwerkelijke soldijen/salarissen. VIII. Slotwoord In de algemene beschouwing ad I schreven wij dat in de nota niet - althans niet voldoende -tot uiting komt: - dat de vermelde uitgaven - f 600 min. (van het tractaat van 7 september 1966), f 196 min. en bijna f 1 mld. -, die volgens de Nederlandse Regering ten behoeve van de ex-overzeese Nederlanders werden gedaan, niet ten vol- Ie werden uitgegeven, de uitgekeerde bedragen voor een groot gedeelte als voorschotten werden verstrekt en later werden teruggevorderd en terugontvangen, voor wat betreft de afkoopsom van f 600 min. voor bijna de helft de Staat zelf ten goede zal komen; - dat maar een zeer beperkt aantal van de Nederlanders van de voormalige Nederlands-Indische gemeenschap ten volle van deze uitkeringen heeft geprofiteerd en dat zeer velen zeer weinig of zelfs geheel niets van deze voorzieningen hebben ontvangen; - dat deze uitgaven overigens niet slaan op de in het geding zijnde ereschulden uit de Tweede Wereldoorlog; - dat het derhalve niet aangaat te stellen dat deze uitgaven zodanig waren, dat in feite niet meer kan worden gesproken van nog bestaande morele verplichtingen van de Staat tegenover de Nederlandse slachtoffers van de oorlog in Zuidoost-Azië. Wij vertrouwen met ons commentaar een duidelijke weerlegging te hebben gegeven van dit door de Regering ingenomen standpunt en te hebben aangetoond dat de betreffende ereschulden nog ten volle bestaan. En wij koesteren de hoop, dat thans op korte termijn de Regering bereid zal worden gevonden en anders door het parlement zal worden gedwongen tot herstel van het tegenover deze oorlogsvervolgden nog bestaande onrecht. Met de erkenning en inlossing van deze ereschulden zal dan eindelijk ook voor de Nederlanders uit het voormalige Nederlands-lndië de Tweede Wereldoorlog tot het verleden gaan behoren. En hopelijk zullen zij op 15 augustus 1980 - vijfendertig jaar na het einde van deze oorlog - voor de eerste maal hun «bevrijdingsdag» kunnen vieren! b. Mondelinge uiteenzetting tijdens de hoorzitting De Stichting Nederlandse Ereschulden en de daarmee samenwerkende organisaties waren op de hoorzitting vertegenwoordigd door de heren D. W. N. Kriek te Amsterdam, H. K. Engel te Heemstede, W. von Kriegenbergh te Leidschendam, C. J. Stolk te Bloemendaal, L. Jacobs te Den Haag, H. W. Jongboer te Maastricht, H. Neumann te Amsterdam, P. Koot te Hoensbroek, J. Th. G. Vaessen te Heerlen, R. U. Bouwer te Den Haag, F. W. Hielckert te Heerlen, F. A. Jansen te Helmond, G. S. Vrijburg te Den Haag en J. C. Corver te Voorburg. De heer Vrijburg trad als eerste woordvoerder van deze delegatie op. Hij sprak als volgt. Mijnheer de Voorzitter, Ik wens u en de leden van de vaste Commissie voor Ambtenarenzaken en Pensioenen ten eerste te bedanken voor het feit dat wij en de andere verenigingen en organisaties hier het woord mogen doen. Ik dank ook de Commis- Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15 840, nr. 2 19
sie van drie, die de suggestie hiertoe heeft gedaan. Als voorzitter van de Stichting Nederlandse Ereschulden spreek ik thans mede namens 14 in federatief verband met de Stichting Nederlandse Ereschulden samenwerkende organisaties voor het verkrijgen van erkenning en honorering door het Koninkrijk der Nederlanden van zijn ereschulden tegenover de overlevenden en nabestaanden van de voormalige Nederlands-Indische gemeenschap. Deze organisaties zijn: 1. Belangengroep van Dragers Verzetsster Oost-Azië 1942-1945. 2. Birma-Spoorlijn Reünie. 3. Dienst van Scheepvaart Vereniging. 4. Ex-KNIL-Dienstplichtig-Personeel uit het Vrije Bedrijfsleven uit het voormalige Nederlands-lndië. 5. Flores-Molukken Reünie. 6. Landelijke Actie Organisatie ex-knil-krijgsgevangenen. 7. Pakanbaru Spoorweg Comité. 8. Stichting Nederlandse Slachtoffers Japanse Vrouwenkampen. 9. Stichting «Nu of Nooit». 10. Vereniging Indische Nederlanders. 11. Vereniging van Gerepatrieerden en Vrienden. 12. Vereniging vanuit Indonesië Gerepatrieerde Nederlanders en met hen sympathiserenden. 13. Bond van Ex-Geïnterneerden en Gerepatrieerden van Overzee. 14. Actiegroep Helmond KNIL. Tevens spreek ik namens het Oud-Strijders Legioen. In ons commentaar van 20 november jl. op de nota van de Commissie van drie vermeldden wij de ons inziens vier belangrijkste ereschulden en waarom de Stichting Nederlandse Ereschulden voor de inlossingsplicht hiervan de morele verantwoordelijkheid van Nederland hiertoe centraal stelt. Gezien echter de voorwaarde dat de op deze hoorzitting te behandelen onderwerpen beperkt dienen te blijven tot die waarover de nota handelt - in casu de achterstallige salarissen - zal ik mij thans uiteraard ook hiertoe bepalen. Wèl meen ik te mogen stellen dat niet alleen de salarissen van de ex-krijgsgevangenen en ex-burger-ambtenaren, maar ook die van de ex-geïnterneerde particuliere kostwinners hierbij in het geding mogen en dienen te worden gebracht. Ik moge hiervoor verwijzen naar blz. 2 van de bijlage bij het eerdergenoemde commentaar. Onze na-oorlogse regeringen toch, inclusief de huidige, hebben het besluit van de Nederlands-Indische overheid om ook de niet-ambtenaren rehabilitatie-uitkeringen toe te kennen juist en niet anders dan haar normale sociale plicht genoemd. «Zij zou in haartaak gefaald hebben indien zij van de in al haar lagen zo zwaar getroffen gemeenschap alleen een beperkte (kleine) groep (haar ambtenaren) integrale betaling zou hebben verleend», verklaarden zij. (Zie blz. 2 van bijvoegsel 5.) Aan de bereiking van ons einddoel - een voor ons aanvaardbare honorering van de ereschulden - zal de erkenning door Nederland van zijn verantwoordelijkheid voor het gebeuren in het voormalige Nederlands-lndië en/of van de solidariteitsplicht van het Nederlandse volk tegenover deze groep Nederlanders en ex-nederlanders moeten voorafgaan. Het komt daarom aangewezen voor ons hierop te concentreren. In ons vorig commentaar stelden wij reeds dat de uitspraak van de Nederlandse rechter, dat Nederlands-lndië een zelfstandige rechtspersoon en het KNIL geen rijksleger zou zijn geweest, zodat Nederland niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de nabetaling van de KNIL-salarissen, het rechtsgevoel allerminst bevredigt, omdat de uitgangspunten niet stroken met de werkelijkheid. Nederland toch had alles te zeggen over Nederlands-lndië en heeft dit ook ten volle gedaan, want: 1. Het Algemeen Bestuur over Nederlands-lndië was door het Opperbestuur in Nederland opgedragen aan de Gouverneur-Generaal, die derhalve optrad als «beheerder» van het Koninkrijksgebiedsdeel Nederlands-lndië (zie Grondwet). Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15 840, nr. 2 20
2. Reeds in vredestijd werden Koninklijke besluiten afgekondigd waarin zaken, Nederlands-lndië betreffende, werden geregeld, terwijl na de bezetting van Nederland vele Koninklijke besluiten van de Nederlandse Regering te Londen zijn verschenen, die zelfs interne zaken van Nederlands-lndië regelden. 3. De onderhandelingen met Japan over olie-leveranties werden gevoerd door Van Mook als gevolmachtigd Minister van het Koninkrijk en niet als Nederlands-lndische functionaris. 4. Volgens de Grondwet moesten begrotingen van Nederlands-lndië door het Nederlandse parlement worden goedgekeurd, was de buitenlandse dienst geheel aan het Koninkrijk voorbehouden en werden onder andere hoofdofficieren van het KNIL en topambtenaren van Justitie benoemd door de Kroon. Ook de Nederlandse Regering in ballingschap in Londen huldigde de opvatting van de grondwettelijke ondergeschiktheid van Nederlands-lndië aan haar, gezien de schrobbering die de heer L. de Jong, toen regeringsomroeper voor Radio Oranje, in opdracht van de Minister-President, prof. dr. P. S. Gerbrandy,kreeg, omdat hij - bij het wereldkundig maken van de oorlogsverklaring op 8 december 1941 van het Koninkrijk der Nederlanden aan Japan-gesproken had over de regering van Nederlands-lndië: «of hij de Grondwet wel eens in zijn vingers gehad had en of hij, sufferd die hij was, niet wist dat er wel een Indisch Gouvernement was maar geen regering.» Indien Nederlands-lndië een zelfstandige mogendheid was geweest, had het afzonderlijk de oorlog aan Japan hebben moeten verklaren en de aanvaarding van de Japanse capitulatie mede hebben moeten ondertekenen. Maar in beide gevallen geschiedde dit alleen namens het Koninkrijk der Nederlanden door door de Nederlandse Regering aangewezen functionarissen: de schriftelijke bevestiging van de oorlogsverklaring van 8 december 1941 door de Nederlandse ambassadeur te Tokio, de «Acte van Overgave» op 2 september 1945 door de Nederlandse «Bevelhebber Strijdkrachten Oosten». Nederlands-lndië werd in geen van beide gevallen ook maar genoemd. Het nam niet in de oorlog tegen Japan deel als zelfstandige partij maar werd erin betrokken als deel van het Koninkrijk en het KNIL was als deel van de «Strijdkrachten Oosten» een rijksleger. Indien Nederlands-lndië een zelfstandige mogendheid was geweest dan had ook de overdracht van de soevereiniteit over zijn gebied aan de Republiek Indonesië niet door Nederland moeten plaatsgevonden hebben maar door een volksstemming of anderszins. Was het KNIL een eigen leger, zoals de rechter zei, van Nederlands-lndië? Bepaald niet. De organisatiebesluiten hiervoor luidden in het algemeen: «Ons leger in Oost-lndië». Zie het Koninklijk besluit 93 van 15 maart 1832. Wij hebben een exemplaar waarin oorspronkelijk heeft gestaan: «Het leger». Dat is gewijzigd in «Ons Leger». Zie ook het Koninklijk besluit 25 van 23 december 1936. Colijn schreef in een brief van 7 november 1933 (ik citeer een paar van de zinnen): «Het heeft zijn aandacht getrokken dat van dedriedelen waaruit de weermacht van het Koninkrijk der Nederlanden bestaat, de landmacht hier te lande en de marine het predikaat Koninklijk voeren, doch dat voor wat betreft het leger in Nederlands-lndië dat nog slechts voorkomt in de vaandels». Daarna: «In verband met het vorenstaande komt voorts in aanmerking dat het geen aanbeveling verdient in dit opzicht onderscheid te maken tussen het karaktervan de drie delen der weermacht». Verder werden over de sterkte, organisatie en en bewapening van het KNIL door Nederland beslist en werden zo nodig in opdracht van Nederland eenheden van het KNIL voor de verdediging van Nederlands-West-Indië daarheen gezonden. Dit geschiedde in de Eerste en in de Tweede Wereldoorlog. In de op 8 december 1941 door de Nederlandse Regering in Londen omgeroepen oorlogsverklaring aan Japan stelde het Koninkrijk al zijn strijdkrachten - onder meer het KNIL - en al zijn hulpbronnen - onder meer die van Nederlands-lndië - ter beschikking van de gemeenschappelijke oorlogvoering en kreeg het KNIL nadrukkelijk opdracht de wapens tegen Japan op te nemen. Het KNIL werd hier zonder twijfel als rijksleger ingezet. Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 21
Ook inzake de oorlogvoering in Zuidoost-Azië heeft Nederland ten aanzien van het KNIL de algemene leiding geheel aan zich gehouden. Op 4 maart 1942 ontheft het de Gouverneur-Generaal Tjarda van Starkenborg Stachouwer van al zijn functies, ten einde daarmee te voorkomen dat de Gouverneur-Generaal - de hoogste burger-gezagsdrager, tevens opperbevelhebber van alle strijdkrachten - door de Japanners zou kunnen worden gedwongen tot het aanvaarden van meer ingrijpende voorwaarden. Begin maart 1942 komt ook het verbod van de Regering in Londen van een volledige capitulatie van het KNIL en kort daarna het bevel dat, indien het KNIL als georganiseerde eenheid mocht ophouden te bestaan, de afzonderlijke eenheden de strijd moesten voortzetten. Ten slotte wordt op 6 mei 1942 bij Koninklijk besluit de Nederlandse Minister van Koloniën, met terugwerkende kracht tot 7 maart 1942, belast met het gezag met betrekking tot ambtenaren en andere personen in Nederlands-lndische dienst en met de voorbereiding van het herstel op geestelijk en stoffelijk gebied der normale toestanden in Nederlands-lndië na de bevrijding ervan. En op 2 september 1942 wordt bij Koninklijk besluit de controle op het beheer van de geldmiddelen en eigendommen van Nederlandslndië opgedragen aan de Buitengewone Algemene Rekenkamerte Londen onder toepassing, waar mogelijk, van de Indische Comptabiliteitswet 1925. De voor 1942 opgestelde begroting wordt in principe gehandhaafd en verdere begrotingen zullen door de Nederlandse Regering in ballingschap worden opgemaakt. Hiermede nam de Nederlandse Regering, namens het Koninkrijk, de volledige verantwoordelijkheid voor deze zaken rechtstreeks in eigen hand. De begroting 1942 omvatte uiteraard ook de salarissen voor de militaien burger-ambtenaren. Deze hadden natuurlijk ook in de volgende begrotingen moeten zijn opgenomen en moeten zijn gedekt door middel van het in het buitenland in veiligheid gebrachte goud van de Javase Bank. De Nederlandse Regering heeft dit nagelaten. Zij is daarvoor verantwoordelijk. In ons vorige commentaar hebben wij nadrukkelijk het falen van Nederland in vele opzichten aan de orde gesteld, o.a. hetherhaaldelijk niet opkomen voor de belangen van zijn onderdanen en het niet waarborgen van hun grondwettelijke rechten. Daarop kom ik nu niet meer terug, het staat in het vorige stuk. Wij menen dat nu - met dat stuk en hetgeen nu is gezegd - niet kan worden gehandhaafd, al heeft de rechter dat dan uitgesproken, dat Nederland niet verantwoordelijk was voor Nederlands-lndië, voor zijn daden daar en dat het KNIL wel degelijk als rijksleger is ingezet. Wij verwachten dat de Kamer nogmaals deze zaken grondig zal nagaan en wij hopen dat zij ook de Regering zal kunnen overtuigen dat hier wel degelijk van een verantwoordelijkheid - wij zeggen morele verantwoordelijkheid - sprake is. Wij hopen ook dat op korte termijn eindelijk deze schande van Nederland wordt uitgewist. Na deze uiteenzetting door de heer Vrijburg zong de zangeres Wieteke Dort het 'lied van de schuld'. van c. Vragen en antwoorden Desgevraagd verklaart de heer Vrijburg dat de Stichting Nederlandse Ereschulden geen enkel heil verwacht van weer nieuwe processen tegen de Staat der Nederlanden. De SNE baseert haar eisen op de morele verantwoordelijkheid van Nederland tegenover de voormalig-overzeese Nederlanders, een verantwoordelijkheid die voortvloeit uit de door opeenvolgende Nederlandse regeringen genomen - dan wel juist niet genomen - beslissingen en gegeven opdrachten. In de brochure «Nederlandse Ereschulden», in het schriftelijk commentaar van 20 november jl. en in de mondelinge uiteenzetting is uitvoerig aangegeven waaruit deze morele verantwoordelijkheid bestaat. De uitkomst van het proces-tjaarda - noch een mogelijk positieve, noch een mogelijk negatieve - zal geen invloed hebben op uitgangspunt of eisen van de SNE. Anders dan de Stichting Rechtsherstel KNIL bepleit de SNE, zich immers baserend op de morele verantwoordelijkheid van Nederland, een uniforme uitkering, niet alleen aan voormalig overheidspersoneel maar ook aan exburger-geïnterneerden-kostwinners en gevangenen. Weliswaar bestonden Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15 840, nr. 2 22
in de oorlogsjaren nog geen internationale bepalingen op dit punt ten aanzien van de burgerbevolking, maar in de conventie van Genève van 1949 zijn de rechten van burgers in dezen - juist vanwege de gebeurtenissen in de Tweede Wereldoorlog - wel erkend. Voor de niet in militaire dienst opgeroepen Nederlanders, mannen en vrouwen van 16 tot en met 60 jaar, werd in april 1941 een burgerdienstplicht afgekondigd op grond waarvan zij tot de nadering van de Japanners op hun post moesten blijven. Velen hunner kregen daarbij de opdracht bepaalde vernielingen uit te voeren. De SNE stelt zich op het standpunt dat deze mensen evenveel recht hebben op een uitkering als de ex-krijgsgevangenen. De heer Vrijburg distancieerde zich overigens nadrukkelijk van het jegens de SNE geuite verwijt als zou deze het dreigen met harde actie niet afwijzen. In de brochure «Nederlandse Ereschulden» zijn schattingen gemaakt over de aantallen oorlogsslachtoffers. Het aantal ex-krijgsgevangenen aan wie geen salaris werd uitbetaald kan nauwkeurig worden bepaald op 37 500. Het aantal burger-geïnterneerden, dat gezinshoofd dan wel eigen kostwinner / kostwinster was, mag op 10 000 worden geraamd. Hieronder waren zowel burger-ambtenaren als particuliere werknemers en zelfstandigen. Daarnaast moet de groep politieke gevangenen op totaal 2500 worden geschat. Naar het oordeel van de SNE moet aan al deze personen (totaal dus 50 000) dan wel hun nabestaanden-rechthebbenden een uniforme uitkering worden verstrekt van f 16 000. Het getal van 140 000, dat in paragraaf VI van het schriftelijk commentaar wordt genoemd, betreft het totaal aantal gevangenen, dus inclusief vrouwen en kinderen, in Nederlands-lndië in die tijd. In de brochure is ook een berekening gemaakt van hettotaal bedrag aan niet-uitbetaalde salarissen over de periode van krijgsgevangenschap. Daarbij is uitgegaan van de daadwerkelijk gederfde soldijen/salarissen over de feitelijk in krijgsgevangenschap doorgebrachte tijden. Volgens deze berekening zou het KNIL in 1945 aan de Nederlandse ex-krijgsgevangenen dan wel aan hun nabestaanden f 124 min. hebben moeten uitbetalen. Vermeerderd met 30 jaar samengestelde interest (als jaarlijks rentepercentage is hiervoor de rente op in dat jaar a pari uitgegeven obligaties aangehouden) kwam dit bedrag medio 1975 op een kleine f 600 min. Voor 37 500 ex-knil-krijgsgevangenen (dan wel hun nabestaanden-rechthebbenden) wordt ieders aandeeldanf 16000. De SNE bepleit met overtuiging een dergelijke uniforme uitkering. Als een beroep wordt gedaan op de solidariteit van het Nederlandse volk met de oorlogsgetroffenen uit het voormalige Nederlands-lndië dan moeten die ook uiting geven aan hun onderlinge solidariteit. Men kan niet aan een ex-kolonel f 240 000 uitkeren en aan een ex-soldaat f 4000, beide voor 41 maanden krijgsgevangenschap. In vrijwel alle kampen is indertijd spontaan een saamhorigheidsgevoel ontstaan waarbij verschillen in rang wegvielen. Er is gemeenschappelijk doorstaan leed geweest. Daarbij past nu een op solidariteit gebaseerde uniforme uitkering. De heer Vrijburg zei de stellige indruk te hebben dat zeker 70 a 80% van de belanghebbenden achter deze solidariteitsgedachte staat. Ook de heer Engel onderstreepte de waarde van deze solidariteitsgedachte. Hij deed dat vanuit zijn specifieke ervaring als organisator van de Birma-spoorlijnreünies. Op de reünies heeft men geen flauw idee meer wie de generaal was of de soldaat. Er is een gemeenschap gegroeid, een grote kongsi van alle slachtoffers, militairen van allerlei rang en burgers, zo zei hij. De heer Vrijburg benadrukte nogmaals dat de door de SNE bepleite uniforme uitkering wel berekend moet worden op basis van integrale uitbetaling van de destijds gederfde soldijen en salarissen. Als het komt tot een erkenning van de morele verantwoordelijkheid van de Nederlandse Regering voor die gederfde inkomsten dan mag men deze ereschuld niet aflossen met een fooi aan de oorlogsslachtoffers. De SNE wijst ook de gedachte af van de instelling van een fonds om daaruit aan de meest schrijnende gevallen een uitkering te doen. Alle betrokkenen hebben immers recht op hun achterstallige salaris. Het gaat dan niet aan om alleen aan sommigen een uitkering te geven. Bovendien zou iedere andere oplossing dan de door de SNE voorgestane uniforme uitkering aan ie- Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15840, nr. 2 23
dereen in administratief opzicht ingewikkelder zijn en een langdurig onderzoek vergen naar de individuele omstandigheden van alle betrokkenen. Van de aanvang af heeft de SNE gezocht naar een zo eenvoudig mogelijk hanteerbare regeling, waarbij een afdoening op korte termijn zou kunnen plaatsvinden. Men mag ook niet uit het oog verliezen dat bijna alle betrokkenen inmiddels reeds op gevorderde of vergevorderde leeftijd zijn. Men mag hun niet aandoen nog langer te wachten op zowel de zo vurig begeerde morele erkenning als de feitelijke inlossing van de ten opzichte van hen bestaande ereschuld. Vanuit de commissie werd vervolgens gevraagd om opheldering bij de stelling dat de salarisvorderingen van de ex-knil-krijgsgevangenen (f 124 min.) bij de soevereiniteitsoverdracht zouden zijn overgedragen aan de Republiek Indonesië, terwijl door de Stichting Rechtsherstel KNIL is aangevoerd dat bij de soevereiniteitsoverdracht een vermogensbalans is overgelegd waarop deze schulden ontbraken. De heer Vrijburg gaf daarop de volgende toelichting. Inderdaad hebben de betreffende salarisvorderingen niet op de aan de Republiek Indonesië overgelegde vermogensbalans gestaan. Volkomen ten onrechte is de Nederlandse Regering er bij de soevereiniteitsoverdracht namelijk van uitgegaan dat er geen salarisaanspraken meer waren. Ingevolge artikel 4 van de Overgangsovereenkomst zijn alle vorderingen en verplichtingen van en jegens Nederlands-lndië overgegaan op de Republiek Indonesië, voor zover daarvoor niet een uitdrukkelijke uitzondering werd gemaakt. Ten aanzien van de salarisvorderingen is die uitzondering niet gemaakt zodat deze juridisch zijn overgegaan op de Republiek lndonesië. Bij de onderhandelingen met Indonesië was van Nederlandse zijde echter geen melding gemaakt van het bestaan van deze vorderingen zodat de Republiek Indonesië weigerde deze aanspraken te honoreren. Aldus zijn de ex-knil-militairen en ex-ambtenaren tussen wal en schip gevallen. Enerzijds wordt door de rechter erkend dat er een recht op uitbetaling bestaat van de niet-genoten salarissen en soldijen en dat deze aanspraak niet achteraf is opgeheven door de rehabilitatieregelingen of andere voorzieningen. Anderzijds kan deze claim niet gehonoreerd worden omdat de Staat der Nederlanden stelt dat de vordering is overgegaan op Indonesië, terwijl Indonesië weigert deze te honoreren omdat ze niet op de bij de soevereiniteitsoverdracht opgestelde vermogensbalans voorkwam. Dat de betrokken militairen en ambtenaren zo tussen wal en schip waren terechtgekomen is pas na de soevereiniteitsoverdracht duidelijk geworden. In de eerste jaren na de oorlog hebben zij er begrip voor gehad dat de wederopbouw prioriteit had boven de salarisuitbetalingen, maar steeds vanuit de veronderstelling dat deze uitbetaling dan wel later zou plaatsvinden. Toen de Republiek Indonesië weigerde de salarisvorderingen te honoreren heeft de Nederlandse Regering ten onrechte nagelaten de betaling daarvan over te nemen. Ten aanzien van de pensioenen van burger-ambtenaren en KNIL-militairen zijn wel garantiewetten in het leven geroepen, ten aanzien van de niet-genoten salarissen is dat evenwel nagelaten. De Stichting Nederlandse Ereschulden, zo vervolgde de heer Vrijburg, betwist de door de Regering gegeven voorstelling van zaken als zou voor bijna f 1 mld. zijn uitgegeven ten behoeve van de repatriëring en opvang van de uit Nederlands-lndië teruggekeerde bevolkingsgroep. De SNE beschikt over bewijzen dat een zeer groot gedeelte van de als voorschot verstrekte bedragen later van betrokkenen is teruggevorderd en door hen ook terugbetaald. Het is moeilijk exact te achterhalen welke bedragen zijn terugbetaald, maar de SNE zal voorbeelden daarvan aan de commissie toezenden 1. Overigens hebben deze in het kader van dekolonisatie uitgegeven bedragen principieel niet van doen met de achterstallige salarissen en soldijen uit de oorlogsperiode. Zij kunnen dus ook nooit als compensatie daarvoor worden aangemerkt. Ten slotte werden vanuit de commissie vragen gesteld over de regelingen 1 De commissie ontvinq hierover een brief van,....,.....,, de Stichting Nederlandse Ereschulden dd. 28 die ter zake van de uitbetaling van salarissen en soldijen over de periode van december 1979. krijgsgevangenschap door andere koloniale mogendheden zijn getroffen Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 24
alsmede over de internationale contacten van de SNE in het kader van de Confédération Européenne des Spoliés d' Outre-Mer (CESOM). De heer Vrijburg antwoordt daarop dat in geen van de andere Europese landen de kwestie van de uitbetaling over de periode van krijgsgevangenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog nog een rol speelt. Door landen als het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en België is ervoor gezorgd dat alle krijgsgevangenen volledige betaling hebben ontvangen van de tijdens de periode van krijgsgevangenschap gederfde salarissen en soldijen. Nederland is in het bezit van het beschamende monopolie van nog niet uitbetaalde oorlogsverplichtingen. Nederland is ook het enige land dat de schande heeft begaan zijn onderdanen voor wat betreft de inlossing van ter zake bestaande vorderingen te verwijzen naar de nieuwe machthebbers in voormalig koloniaal gebied, waartegen diezelfde onderdanen nota bene in opdracht van de Nederlandse Regering nog kort voor de soevereiniteitsoverdracht hebben moeten vechten. Omdat de Stichting Nederlandse Ereschulden zich ook inzet voor de honorering van claims die verband houden met het dekolonisatieproces heeft ze zich aangesloten bij de CESOM. In dat kader heeft de SNE tevens de kwestie van de niet-uitbetaalde salarissen en soldijen aan de orde gesteld. De weerslag daarvan is te vinden in de resolutie van de CESOM, aangenomen op haar congres te Parijs op 18 en 19 april 1979, waarin gesproken wordt over de «slachtoffers van dekolonisatie en/of van de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog». De toevoeging «en/of van de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog» slaat uitsluitend op de Nederlandse situatie. Ook elders in de resolutie wordt expliciet melding gemaakt van de unieke Nederlandse positie ten aanzien van de achterstallige salarissen en oorlogsschade van ex-koloniale militairen en burgers. De heer Vaessen van de Vereniging Indische Nederlanders wees er nog op dat ten aanzien van de tegemoetkomingen voor wederinrichtingskosten indertijd uitdrukkelijk werd bepaald dat het hierz.g. leen-bijstand betrof. Hij verwees hiervoor naar artikel 21 van de Rijksgroepsregeling gerepatrieerden. Nog minder dan de verstrekte rehabilitatie-uitkeringen, waarvan ook de rechter heeft vastgesteld dat deze niet in de plaats kwamen van de achterstallige salarissen, hadden deze tegemoetkomingen daarmee van doen. Vervolgens herinnert hij aan de proclamatie van Koningin Wilhelmina van 8 december 1942, gecontrasigneerd door alle te Londen aanwezige Ministers. Daarin heet het: «Het Koninkrijk der Nederlanden acht zich in staat van oorlog met Japan» en «Indië was Nederland nabij in het uur der beproeving. Nederland en onze West zullen met Indië zijn nu het de agressie weerstaat. Ik reken op vloot, op leger en luchtmacht en alle ambtenaren en op alle burgerdiensten, wier oorlogstaak begint». De Gouverneur-Generaal eindigt diezelfde dag nog zijn rede in Nederlandsch-lndië met de woorden: «Weest vastberaden, eendrachtig, gehoorzaam en getrouw, mede-burgers, mannen en vrouwen van welk ras of geloof gij zijt. Ik roep u tot vervulling van een harde maar verheven plicht jegens Koningin en Koninkrijk, de Indische gemeenschap en uzelve, den plicht van den onderdanen in oorlogstijd». Tot slot spreekt hij de hoop uit dat de woorden van Max Havelaar nooit meer tot leven komen, die heeft geschreven: «Er ligt een roofstaat aan de zee tussen Oost-Friesland en de Schelde. Ik zal toenemen in kracht en scherpte van wapenen, naarmate het nodig zal wezen. God geve dat het niet nodig zij.». VERENIGING VAN DE DIENST VAN DE SCHEEPVAART a. Schriftelijk commentaar dd. 21 november 1979 Alhoewel de Vereniging van de Dienst van Scheepvaart volledig instemt met de doelstellingen en argumentatie van de Stichting Nederlandse Ereschulden, is er - ons inziens - bij het toekennen van de zogenaamde «backpay» sprake van grote willekeur. Dit willen wij zelf toelichten. Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15 840, nr. 2 25
De Gouvernements Marine, de beroepshavenmeesters en loodsen eerste klas werden omstreeks september 1939 gemilitairiseerd. Dit betekende dat het personeel van de Gouvernements Marine, de beroepshavenmeesters en de loodsen eerste klas militair waren en daarmee onderworpen aan de bepalingen van het Wetboek van Militair strafrecht en aan die voorkomende in de Wet op de Krijgstucht (Nederlands Staatsblad nr. 71 van 1929, artikel 2). De schepen van de gemilitairiseerde Gouvernements Marine waren - gelijk de oorlogsschepen van de Koninklijke Marine - grijs geschilderd en met de oorlogswimpel in top waren zij voor een ieder kenbaar als oorlogsbodems. Zij werden, in opdracht van - en in samenwerking met - de Koninklijke Marine ingezet: a. Als patrouilleschepen, veelal begeleid en ondersteund in haar diensten door drie Dornier vliegboten van de Marine Luchtvaartdienst. b. Inde bewakingsdienst van vitale zeestraten. c. Bij de mijnenleg- en veegdienst van de Koninklijke Marine. d. Eén schip deed dienst als onderzeebootmoederschip. Alle schepen van de gemilitairiseerde Gouvernements Marine waren uitgerust met een minimale en sterk verouderde bewapening. Toch heeft de gemilitairiseerde Gouvernements Marine alle militair-maritieme opdrachten steeds stipt uitgevoerd, alhoewel de commandanten en officieren volledig beseften dat de overlevingskansen daarbij gering waren. Dit moge blijken uit de woorden van wijlen admiraal Helfrich, destijds Commandant van de geallieerde zeestrijdkrachten in Zuid-Oost-Pacific: «Het was niet gemakkelijk van deze vaartuigen en hun bemanning te vragen om diensten te verrichten waarvoor zij waren aangewezen. Ik heb dit dikwijls met een bezwaard hart gedaan. Maar als toenmalige Commandant der Zeemacht kon ik hen niet missen.» Aldus de woorden van wijlen admiraal Helfrich. De gemilitairiseerde havenmeesters en loodsen hadden in oorlogstijd tot taak om de geallieerde oorlogsbodems, de koopvaardijschepen en de tankschepen, die bij nacht en ontij hun haven in en uit voeren, veilig door het mijnenveld vóór hun haven te loodsen en ervoor zorg te dragen dat al deze schepen, van verschillende aard, het doel waarvoor zij de haven binnenvoeren zo vlot en zo goed mogelijk konden uitvoeren. In de ochtend van 1 maart 1942- de dag waarop de Japanners de landingen op Java uitvoerden - nam admiraal Helfrich het besluit om de Gouvernements Marine, de beroepshavenmeesters en de loodsen eerste klas te demobiliseren. Wettelijk kon de admiraal dit - in alle haast genomen - besluit niet nemen, daar het tijdstip van demilitairiseren door de Gouverneur-Generaal van Nederlandsch-lndië moest worden bepaald (artikel 13 Koninklijk Besluit van 1939, nr. 34). Naarde admiraal later zelf verklaarde, heeft hij dit besluit genomen om de mannen van bedoelde diensten te vrijwaren van krijgsgevangenschap. Dit is hem niet gelukt doordat het bevel: a. niet iedere betrokkene bereikte; (men vergete niet dat het gebied van Nederlandsch-lndië een uitgestrektheid heeft van Nederland tot aan de Kaukasus, of over zee van Nederland tot aan Canada); b. door de Commandant van de vlootbasis Soerabaia niet werd geaccepteerd omdat hij de betrokkenen te hard nodig had voor het verrichten van militaire diensten. Dit werd geseind naar de Commandant Zeemacht. Zo gebeurde het dat circa 40% van de overlevenden van de Gouvernements Marine, beroepshavenmeesters en loodsen eerste klas als militair krijgsgevangene opgesloten werd. Circa 55% van hen kwam terecht in burger-interneringskampen, circa 4% bleef- in binnen- en buitenland - buiten de prikkeldraadomheining en 1 % was bij het ondergronds verzet terecht gekomen. De officieren van de Gouvernements Marine, de beroepshavenmeesters en de loodsen eerste klas hadden sinds de militairisatie zij aan zij met de officieren van de Koninklijke Marine tegen de vijand gestreden. Evenals bij de Koninklijke Marine werden ook bij de Gouvernements Marine schepen tot zinken gebracht door vijandelijke acties. Evenals bij de Koninklijke Marine sneuvelden er in de strijd ook officieren van de Gouvernements Marine, ha- Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 26
venmeesters en loodsen. Evenals de Koninklijke Marine-officieren hebben ook de Gouvernements Marine-officieren, havenmeesters en loodsen de ellende en de vernederingen in krijgsgevangenen" en burgerinterneringskampen meegemaakt. En niettegenstaande het feit dat de Vereniging van de Dienst van Scheepvaart, waartoe het Corps Gouvernements Marine-officieren, beroepshavenmeesters en loodsen eerste klas behoort, het volledig eens is met de principes van de Stichting Nederlandse Ereschulden en deze steunt in haar strijd, voelen zij een sterke behoefte om zelf dit onrecht van willekeur bij het toekennen van circa 40 maanden salaris in oorlogstijd, naar voren te brengen. Zij die even moedig als de Koninklijke Marine in Nederlandsch-lndië een kansloze strijd tegen de vijand hebben gestreden, kunnen en zullen deze onrechtmatige willekeur nimmer vergeten. b. Mondelinge uiteenzetting tijdens de hoorzitting De Vereniging van de Dienst van de Scheepvaart was op de hoorzitting vertegenwoordigd door de heren J. M. Sijtsema te Dordrecht, F. C. Backer Dirks te Den Haag en W. von Kriegenbergh te Leidschendam. De heer Von Kriegenberg hield de volgende rede. «Geachte Voorzitter, geachte kamerleden. Ik spreek namens de Vereniging van officieren van de Gouvernements Marine, Beroepshavenmeesters en loodsen uit het voormalige Nederlandsch-Oost-Indië. In de eerste plaats wil ik benadrukken, dat deze groep personen hetzelfde standpunt inneemt als de Stichting Nederlandse Ereschulden en dat wij genoemde stichting dan ook gemachtigd hebben namens ons te handelen. Aangezien wij echter menen, dat onze positie, rechtstreeks onder de Commandant Zeemacht Nederlandsch-lndië, in de thans ter sprake gekomen kwestie geheel afwijkt van de overige bij de Stichting Nederlandse Ereschulden aangesloten groepen personen, willen wij onze zaak apart voorbrengen en vragen wij uw aandacht voor het ondervolgende. Gelijk de Stichting Nederlandse Ereschulden stellen ook wij de morele plicht van de Staat der Nederlanden centraal. Inzake de niet-uitbetaalde salarissen hebben wij in de jaren 1958/1959 tegen de Staat der Nederlanden geprocedeerd. Nu ben ik in de tweede wereldoorlog onpasselijk geworden bij het zien van de meest afgrijselijke verwondingen, doch ik herinner mij als de dag van gisteren, geachte kamerleden, dat ik wederom hetzelfde gevoel had bij het kennisnemen van de meest onvoorstelbare juridische bochten, waarin de woordvoerder van de Staat der Nederlanden zich wrong om ons toch maar geen cent uit te betalen. Het eindresultaat van genoemd proces was, dat wij de verkeerde persoon - in dit geval de Staat der Nederlanden - gedagvaard hadden. Wij willen de juridische kronkels thans onbesproken laten, doch de humanitaire en morele aspecten belichten van de toen aangevoerde argumenten. Deze argumenten waren: De Gouvernements Marine kwam door de militairisatie niette behoren tot de Koninklijke Marine. Dit terwijl wij - wettelijk bij Koninklijk Besluit- rangen bekleedden, geassimileerd aan rangen van de Officieren van de Koninklijke Marine. Dit waar - gelijk de oorlogsbodems van de Koninklijke Marine - de schepen van de gemilitairiseerde Gouvernements Marine ingezet werden voor specifiek militair-maritieme taken, en als oorlogsschepen met de oorlogswimpel in top onder operationeel bevel stonden van de Commandant der Zeemacht in Nederlandsch-lndië. Dat de Koninklijke Marine en de gemilitairiseerde Gouvernements Marine als één geheel opereerden moge blijken uit het feit dat toen de Duitsers Holland binnenvielen, op meerdere plaatsen in Nederlandsch-lndië 23 van de 24 Duitse koopvaardijschepen schadevrij konden worden overmeesterd. Slechts één Duits schip kreeg de kans om zich zelf te vernietigen. Het staat onomstotelijk vast dat wij onze oorlogstaken in teamwork met de Koninklijke Marine hebben uitgevoerd, waarbij gelijk de Koninklijke Marine ook onder onze gelederen gesneuvelden vielen. Dus, geachte kamerleden, in oorlogstijd wel één Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15 840, nr. 2 27
geheel vormend met de Koninklijke Marine, doch zodra het om de financiële consequenties gaat, behoren wij plotsklaps niet meer tot diezelfde Koninklijke Marine. Dan het volgende argument van de woordvoerder van de Staat der Nederlanden: De Officieren van de gemilitairiseerde Gouvernements Marine waren geen militairen van de Staat der Nederlanden, doch militairen in dienst van Nederlandsch-lndië. Nu vraag iku: «Voor wie streden wij -zij aan zij met de Koninklijke Marine?» Vochten wij soms voor een uitsluitend Nederlandsch-lndische Regering, een Indische vorst - voor een Atjehse Teunko of voor een Djocdjase Sultan? Neen, wij vochten voor het Koninkrijk der Nederlanden, dat de oorlog aan Japan had verklaard, wij vochten voor onze geëerbiedigde Vorstin Koningin Wilhelmina. Daar vochten wij voor. En dan, als het op uitbetalen van salarissen aankomt, wordt er juridisch vastgesteld, dat wij geen militairen zijn van de Staat der Nederlanden. Een volgend argument. De demilitairisatie van de Gouvernements Marine, beroepshavenmeesters en loodsen was rechtsgeldig. Wijlen admiraal Helfrich nam dit besluit van demilitairisatie louter en alleen op humanitaire gronden op een tijdstip, waarop de Japanse landingen op Java reeds plaatsvonden. Op de Noordkust van Bantam (West-Java) gingen op dat ogenblik geallieerde oorlogsschepen - waaronder twee bodems van de gemilitairiseerde Gouvernements Marine en één bodem van de Koninklijke Marine - in hevige doodsstrijd ten onder. De commandanten van de schepen van de gemilitairiseerde Gouvernements Marine, die toen in de haven van Batavia lagen, kregen het demilitairisatiebevel tegen de middag van de eerste maart 1942 mondeling te horen van de Commandant Maritieme Middelen te Tandjong Priok. Een mondelinge mededeling dus, zonder één officieel document en zonder nadere orders wat er dan gebeuren moest na de demilitairisatie. Niemand wist toen antwoord te geven op de vraag waarom gedemilitairiseerd werd en hoe het verder moest gaan met de bemanning en de schepen, die enkele uren tevoren nog geheel ingesteld waren op hun oorlogstaken. En de vijand naderde. Mochten wij als burger nog op de vijand schieten, moesten wij de schepen zonder slag of stoot de vijand in handen spelen, of moesten wij de schepen -als burger - vernietigen? Het waren allemaal vragen, die niet beantwoord konden worden, want de Marineleiding was toen onbereikbaar. Overal heerste paniek. Zo was de toestand op 1 maart 1942 te Batavia en haar havenplaats Tandjong Priok. Verder werden er door de Marineleiding telegrammen uitgezonden van de volgende strekking: «Gouvernements Marine gedemilitairiseerd». De commandant van de grootste vlootbasis in Nederlandsch-lndië, de kapitein-ter- Zee Coenraad, te Soerabaia, weigerde de demilitairisatie te accepteren en meldde dit telegrafisch aan de Marineleiding. Voorts werd het demilitairisatietelegram niet overal in de Indische archipel ontvangen. Op Nieuw-Guinea bij voorbeeld, werd een officier van de gemilitairiseerde Gouvernements Marine onthoofd, omdat hij - onkundig van het demilitairisatietelegram - zijn schip liet zinken bij het verschijnen van een oppermachtige vijandelijke invasievloot. Dit alles geschiedde circa één maand nadat het demilitairisatiebevel was uitgezonden. Dit lot had meerdere commandanten van de schepen van de gedemilitairiseerde Gouvernements Marine kunnen treffen, aangezien de order tot vernietiging van schepen werd gegeven na de demilitairisatie. Anderen, die in de strijd tegen de vijand vóór, en vlak na, het demilitairisatiebevel overmeesterd werden, wisten eerst vier jaren later dat zij gedemilitairiseerd waren. Wij vragen ons af, geachte kamerleden, of zulk een demilitairisatiebevel, genomen in de door ons geschetste situatie, en dat door de toen heersende chaotische toestanden niet-of zéker niet voor 100% - opgevolgd kon worden, voor de Staat der Nederlanden een argument mag en kan zijn, dat gretig aangegrepen werd om ons niet uit te betalen. De Staat der Nederlanden, die miljoenen uitgeeft aan ontwikkelingshulp en het hoogste woord heeft over mensenrechten, diezelfde Staat der Nederlanden gebruikt te pas en te onpas Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15 840, nr. 2 28
ieder argument om langs juridische weg te bewijzen hoe zij haar eigen onderdanen hun salaris kan onthouden. Begrijpt u nu, waarom ik bij het lezen van het verweerschrift van de Staat in hoge mate zeeziek werd? Andere argumenten om de uitbetaling te betwisten, waren de onmogelijkheid om de grootte van onze traktementen te bepalen omdat alle desbetreffende gegevens zich niet hier doch in Indonesia bevonden en de inmiddels opgetreden verjaring van de vordering ingevolge een wet van 31 oktober 1924. Geachte kamerleden, ik hoop met deze uiteenzetting u een indruk te hebben gegeven van de zaak van het corps Officieren van de Gouvernements Marine, beroepshavenmeester en loodsen. Een zaak die niet, zoals in het verleden, enkel en alleen met het wetboek in de hand beslist kan worden. Wij dringen gaarne aan op bespoediging van de afhandeling van deze gevoelige financiële aangelegenheid, daar 75% van de toenmalige commandanten en circa 30% van de andere betrokkenen reeds zijn heengegaan. Ik dank u voor uw aandacht.». De heer Sijtsema gaf hierop de volgende aanvulling. «Het personeel van de Indische haven- en loodsdienst werd benoemd en ontslagen door de Hoofdinspecteur, Hoofd van de Dienst van Scheepvaart, op zich een onderdeel van het Departement van Marine. Echter werden de beroepshavenmeesters eerste klas benoemd en ontslagen door de Commandant Zeemacht. Dat wijst al op een directe binding met de Zeemacht. Nadat de Gouvernements Marine reeds in september 1939 was gemilitairiseerd werden de beroepshavenmeesters en loodsen gemilitairiseerd na de Duitse inval in Nederland. De juiste datum hiervan kon niet worden achterhaald, doch het moet zijn geweest ongeveer juni/juli 1940. Opgrond van artikel8van Indisch Staatsblad nr. 625 dd. 20 oktober 1939 berustte de bevoegdheid tot militairisatie bij de Commandant Zeemacht, na bekomen machtiging van de Gouverneur-Generaal. Het kan van belang zijn om iets te vermelden over de overwegingen welke hebben geleid tot vorengenoemde militairisatie. Hiertoe dient de memorie van toelichting behorend bij de Ontwerp-Ordonnantie gericht aan de Volksraad, dd. 25 september 1939, waaruit het volgende citaat: «Met het oog op de tegenwoordige buitengewone omstandigheden moet rekening worden gehouden met het feit dat in bepaalde zee- en havengebieden versperringen door mijnen als anderszins zullen moeten worden aangebracht, hetwelk uiteraard door militairen van de Zeemacht moet worden bewerkstelligd. Hieruit vloeit noodzakelijkerwijze voort, dat het toezicht in de havens en verdere havendiensten in - alsmede het beloodsen van schepen dóór deze gebieden - geschiedt door personeel in militair verband. Waar van het bestaande personeel der Zeemacht echter voor deze haven- en loodsendiensten geen personen beschikbaar zijn, moet de militairisatie van de beroepshavenmeesters en de loodsen eerste klas onvermijdelijk worden geacht.» De demilitairisatie geschiedde op ongeveer 1 maart 1942, eveneens door Commandant Zeemacht; het is niet zeker of hiervoor machtiging was verkregen van de Gouverneur-Generaal. De demilitairisatie betrof de Gouvernements Marine, de beroepshavenmeesters en de loodsen eerste klas. De gemilitairiseerde beroepshavenmeesters en loodsen bleven in hun oorspronkelijke functies; in de vervulling hiervan bestond er een nauwe relatie en samenwerking met de plaatselijke eenheid van de Koninklijke Marine, inclusief de Onderzoekingsdienst van de Koninklijke Marine. Deze Koninklijke-Marine-eenheid was meestal gevestigd óf in het havenkantoor óf op korte afstand daarvan. Het contact met de plaatselijke Koninklijke-Marineeenheid betrof onder andere het verstrekken van gegevens betreffende bewegingen van koopvaardijschepen, aankomst en vertrek, ligplaatsen, ladingen, havens van herkomst en bestemming en het opmaken van situatie-rapporten (sitraps) voor de haven. Zij waren bekend met vele geheime aangelegenheden, zoals ligging van mijnenvelden en andere versperringen van vaarwaters, bijzondere kunstlichten, kustbatterijen en batterijen langs vaar- Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 29
waters, bewegingen van marineschepen van bondgenoten, etc. Door de militairisatie waren de beroepshavenmeesters en loodsen in feite een voorpost van de Koninklijke Marine. Alhoewel niet operationeel ingezet, dus niet betrokken bij vijandelijke acties, werden zij in de uitvoering van hun taken volledig gelijkwaardig aan de officieren Koninklijke Marine in walfuncties. Als extra punt dient te worden vermeld, dat de beroepshavenmeesters en loodsen zeer veel bemoeienis hadden met het regelen en vrijhouden van ligplaatsen voor de schepen van de Koninklijke Marine en de bondgenoten. Voorts waren zij nauw betrokken bij de aan- en afvoer van personeel en materialen voor deze schepen. Met het voorgaande zij aangetoond, dat de militairisatie van de beroepshavenmeesters en loodsen eerste klas een landsbelang was, ten behoeve van de oorlogvoering van het Koninkrijk der Nederlanden.» c. Vragen en antwoorden In antwoord op desbetreffende vragen deelde de heer Von Kriegenbergh mee, dat in de betreffende periode ook personeel van de Koninklijke Marine operationeel was ingezet aan boord van de schepen van de gemilitairiseerde Gouvernements Marine. De meeste schepen van de gemilitairiseerde Gouvernements Marine hadden in ieder geval twee radiotelegrafisten van de Koninklijke Marine aan boord. Bij vele schepen werd ook ander Koninklijke Marine-personeel ingezet, onder andere kanonniers, vliegtuigmakers, torpedomakers en matrozen. Sommige schepen van de gemilitairiseerde Gouvernements Marine hadden als commandant een Koninklijke Marine- Officier. De officieren van de Gouvernements Marine voelen het dan ook aan, dat zij door de militairisatie en door de hen opgedragen oorlogstaken behoorden tot het personeel van de Koninklijke Marine, en wel tot de officieren van de Koninklijke Marine. Met hen hebben zij gestreden en met hun zijn zij ook in krijgsgevangenschap geraakt. Alhoewel de betrokken officieren in geval van uitbetaling van de destijds niet-genoten salarissen meer zullen ontvangen dan een bedrag van f 16 000, zoals door de Stichting Nederlandse Ereschulden als uniforme uitkering is bepleit, schaart de Vereniging van de Dienst van de Scheepvaart zich volledig achter uitgangspunten en doelstellingen van de Stichting Nederlandse Ereschulden. WERKGROEP GEPENSIONEERDE EX-KNIL MILITAIREN De werkgroep gepensioneerde ex-knil-militairen zond bij brief van 27 november een kort commentaar op de nota. Tijdens de hoorzitting werd dit commentaar nog eens voorgelezen door de secretaris van de werkgroep, de heer D. Hullijte Bovensmilde. Voorts was de werkgroep vertegenwoordigd door de heren B. Pattinasaranij te Lunteren en A. Saija te Doesburg. De werkgroep vestigde zowel schriftelijk als mondeling de bijzondere aandacht van de commissie op enkele passages in de nota over de zogenaamde rehabilitatieregeling. Op blz. 7, laatste alinea staat: «Vermeld dient te worden dat de voltooiing van de rehabilitatieregeling alleen ten goede kwam aan Nederlandse onderdanen, die op het tijdstip van de soevereiniteitsoverdracht de Nederlandse nationaliteit bezaten. De in Nederland verblijvende Molukkers, die niet in het bezit waren van de Nederlandse nationaliteit, hebben niet van de regeling geprofiteerd». Voorts wordt op blz. 9 van de nota onder punt E.c als standpunt van de Nederlandse Regering weergegeven dat de Regering voldoende aan haar morele verplichtingen heeft voldaan, door voltooiing van de rehabilitatieregeling. Maar, zoals gezegd, de in Nederland verblijvende Molukkers, die niet in het bezit waren van de Nederlandse nationaliteit, hebben niet van deze regeling geprofiteerd, zodat de Regering tegenover hen op geen enkele wijze aan haar morele verplichtingen heeft voldaan. Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 30
Voor wat betreft de kwestie van de onbetaalde salarissen en soldij ten tijde van de krijgsgevangenschap staat de werkgroep achter de eisen van de Landelijke Actie Organisatie ex-knil-krijgsgevangenen, die ook vertegenwoordigd is in de Stichting Nederlandse Ereschulden. Er is hier inderdaad sprake van een grote ereschuld ten opzichte van de ex-krijgsgevangenen. De Regering heeft in strijd gehandeld met de militaire eer en de krijgstucht. Uit naam van allen die hun leven hebben gegeven ten dienste van het Koninkrijk dient deze ereschuld te worden ingelost. In antwoord op vragen vanuit de commissie deelt de heer Pattinasaranij mee dat de werkgroep gepensioneerde ex-knil-militairen uit 500 leden bestaat. De categorie waarvoor de werkgroep in het bijzonder opkomt omvat 995 in Nederland verblijvende Molukse ex-knil-militairen. Voor deze groep bestond niet een andere regeling in de plaats van de zogenaamde rehabilitatieregeling. Deze achterstelling moet ongedaan worden gemaakt. Hoe dat moet gebeuren, laat de werkgroep aan Regering en Kamer over. Naar het oordeel van de werkgroep zou de regeling die voor de in Nederland verblijvende Molukkers wordt bepleit ook moeten gelden voor de Molukkers die in Indonesië zijn. De eerste prioriteit ligt echter duidelijk bij de in Nederland verblijvende Molukkers. BADAN PIMPINAN BANGSA MALOEKOE Dl BELANDA Voor de Badan Pimpinan Bangsa Maloekoe di Belanda werd vooraf geen schriftelijk commentaar ontvangen. Op de hoorzitting was de Badan vertegenwoordigd door de heren M. A. Pattimukaij, L. J. Pattimukaij, J. Patty, K. Takakehe, M. Pattipeilohy, W. Heo, J. Latupputty en M. F. E. Muskita. De heer M.A. Pattimukaij trad als woordvoerder van de delegatie op. Hij sprak als volgt. Op 8 december 1941 verklaarde de Nederlandse Regering in Londen de oorlog aan het Keizerrijk Japan, dat Nederlands-lndië aanviel en bezette. De Japanse bezetting betekende voor het merendeel van de in Nederlands-lndië woonachtige Nederlanders of Nederlandse onderdanen (krijgs)gevangenschap in de periode van maart 1942 tot en met augustus 1945. Nu, vierendertig jaar na deze gebeurtenissen, bestaat nog altijd de grief bij deze ex-(krijgs)gevangenen en/of hun nabestaanden dat zij geen schadevergoeding dan wel tegemoetkoming hebben ontvangen voor de geleden schade over de periode van de gevangenschap. In deze dertig jaar hebben Regering, volksvertegenwoordiging en rechterlijke macht zich met deze kwestie beziggehouden. Het resultaat hiervan is echter steeds geweest, dat de betrokkenen weer belazerd werden. De kamerleden De Vries, Weijers en Keja hebben de door hen opgenomen taak beperkt tot een nota over achterstallige salarissen en wel in het bijzonder over die van de KNIL-krijgsgevangenen. Badan Pimpinan Bangsa Maloekoe di Belanda kan en mag op grond van historische, juridische en feitelijke redenen niet met deze nota instemmen. Het gaat immers niet alleen om de voldoening van de ex-krijgsgevangenen, maar ook om die van alle Nederlanders of Nederlandse onderdanen die zich in Nederlands-lndië bevonden en in gevangenissen werden opgesloten en van gevangenen van de Japanse Kempetai. Voorts dienen de erfgenamen van geëxecuteerden of door andere oorzaken destijds of inmiddels overledenen in dit geval als rechthebbenden te worden aangemerkt. De schadevergoeding, waarop zij aanspraak maken, dient compensatie te vormen voor de schade ten gevolge van de Japanse bezetting geleden. Deze bestaat eensdeels uit loonderving gedurende de periode van de Japanse bezetting, andersdeels uit materiële oorlogsschade en voorts uit door de betrokkenen ondervonden geestelijk nadeel, dat niet in vermogensschade is uitte drukken. Nederland heeft het gezag over Nederlands-lndië gelijk blijkt uit de historische, juridische en feitelijke gronden. De Maleise Archipel (Nederlands-lndië) behoorde tot het Koninkrijk der Nederlanden. Goed bestuurd leefden Tweede Kamer, zitting 1979-1980,15840, nr. 2 31
zijn volken in toenemende welvaart onder de Kroon. De volken van Nederlands-lndië zijn Nederlanders of Nederlandse onderdanen ingevolge de Wet van 10 februari 1910, Stb. 55. De Nederlandse Staat, thans het Koninkrijk der Nederlanden, is, gelijk gezegd, steeds geweest een rijk van overzee. De Staat der Nederlanden, veel meer dan een stuk van het vasteland van Europa, een Staat verspreid over vier werelddelen, is door deze verbindingen gedetermineerd wat betreft het karakter en de energie van zijn inwoners, de aard van zijn bestuur en zijn bestuursconceptie. Het grondgebied van het Koninkrijk der Nederlanden omvat Nederland, Nederlandsch-lndië, Curacao en Suriname overeenkomstig hetgeen is bepaald in artikel 1 der Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden. Bij de grondwetsherziening van 1948 zijn de woorden «Nederlands-lndië» en «Curacao» vervangen door «Indonesië» onderscheidenlijk «de Nederlandse Antillen» en bij de grondwetswijziging van 1956 is het woord «lndonesië» vervangen door «Nederlands-Nieuw-Guinea», terwijl bij de grondwetswijziging van 1963 de woorden «en Nederlands-Nieuw-Guinea» zijn vervallen. Het is de Nederlandse Regering in Londen die voor en namens het Koninkrijk der Nederlanden de oorlog verklaarde aan het Keizerrijk Japan en niet Nederlands-lndië dat hiervoor de bevoegdheid niet had. Het Koninkrijk der Nederlanden is daarom verantwoordelijk en aansprakelijk voor hetgeen gebeurde in Nederlands-lndië. Nederland heeft wel geweten dat de soevereiniteit in 1949 is overgedragen aan een groep personen en niet aan een echte staat. Nederland heeft de soevereiniteit niet overgedragen aan de Republiek Indonesia, noch aan de Verenigde Staten van Indonesië of wel Republiek Indonesia Serikat, want die bestond niet. Voor de overdracht der soevereiniteit aan een groep personen in 1949 rust de verantwoordelijkheid op Nederland. De vordering op schadevergoeding over de periode van Japans (krijgs)gevangenschap kan nooit overgegaan zijn op de Republiek Indonesia (Rl) aangezien de Republiek lndonesia geen rechtsopvolger is en dat nimmer zal zijn. Nederland is en blijft verantwoordelijk en aansprakelijk voor hetgeen gebeurde in Nederlands-lndië en bij de overdracht der soevereiniteit in 1949. Regering en volk van Nederland als geheel zijn schuldig. Maar niet aller verantwoordelijkheid is dezelfde. Zoeken wij leiding voor een betere toekomst dan hebben wij ons rekenschap te geven, wie de directe en hoogste verantwoordelijkheid voor de over Nederland gebrachte jammer dragen. Dat zijn Schermerhorn, Drees, Logemann, Beel, Stikker, Van Maarseveen, Romme, Oud, Tilanus. Wij noemen slechts de upper ten, Van Mook behoort nauwelijks meer bij Nederland. Zwaar drukt de last der verantwoordelijkheid op Drees, die van de wapenstilstand in 1945 af tot de soevereiniteitsoverdracht in 1949 en tot aan «Het Verraden van Ambon» in 1950 en het op drift brengen van de Nederlandse soevereiniteit over Nieuw-Guinea in 1951 een centrale plaats in de rampzalige na-oorlogse politiek, welke telkens weer grondwettelijk en wettelijk recht verkrachtte, heeft bezet. Indroevig is het, dat door deze schennis van het grondwettelijk recht een schaduw is gevallen over het Vorstenhuis van Oranje. De aansprakelijkheid en verantwoordelijkheid van Nederland blijkt ook uit de Koninklijke Boodschap van 6 december 1942 welke is uitgesproken door wijlen H.M. Koningin Wilhelmina als draagster van de soevereiniteit over het Koninkrijk der Nederlanden. Een woord alleen van de Koningin, dat weliswaar evenmin als een troonrede naar Nederlands staatsrecht juridische bindingen schept, maar dat op een ogenblik dat geen andere wijze van uitdrukking mogelijk was, door de officiële draagster der soevereiniteit onder volle verantwoordelijkheid van het gehele kabinet is uitgesproken. Een woord dat daardoor het zedelijk gezag bezit, hetwelk deze rede maakt tot een staatsstuk van historische betekenis. Want daaraan mogen de volken en nationaliteiten in en van Nederlands-lndië appelleren. Deze Koninklijke Boodschap is overeenkomstig de helaas onvervuld gebleven woorden van Drees, die destijds als Minister-President in de Staten- Generaal sprak: Tweede Kamer.zitting 1979-1980, 15840, nr. 2 32
«Het is vanzelfsprekend, dat Regering en volk van Nederland een bijzondere verantwoordelijkheid dragen voor het welzijn van deze landgenoten uit Indië». «Onze landgenoten uit Indië moet voorrang worden verleend door het toepassen van bijzondere maatregelen». «Nederland moet zich bewustzijn van de aanspraken die de landgenoten uit Indië kunnen doen gelden en van de plicht die tegenover hen op ons rust». «Deze landgenoten hebben recht op positieherstel». «Nederland draagt verantwoordelijkheid ten aanzien van het gebeurde in Indonesië». «Regering en volk zullen dit woord gestand doen». Een bloedschuld rust op het moederland, Nederland, dat in de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog nagelaten heeft een evenredig deel van zijn rijkdom af te staan voor de verdediging van Nederlands-lndië. Een grote bloedschuld rust op de na-oorlogse politici in Nederland, in Groot-Brittannië en in de Verenigde Staten van Noord-Amerika. Een zware schuld rust ook op de Veiligheidsraad, die door de wijze waarop dit conflict behandeld is iets gedaan heeft, wat van verre strekking is geweest. Niet alleen was de raad verre van onpartijdig, maar hij sanctioneerde willens en wetens het succes van misdaad en terreur en moedigde die beide zelfs aan. Het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) is een krijgsmacht van het Koninkrijk der Nederlanden ingevolge artikel 1 der Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden. Het KNIL en alle Nederlanders of Nederlandse onderdanen daartoe in staat, zijn verplicht mede te werken tot handhaving der onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied. Aan de ingezetenen die geen Nederlanders zijn, maar wel Nederlandse onderdanen ingevolge de Wet van 10 februari 1910, Staatsblad 55, is die plicht ook opgelegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 194 van de Grondwet. Het KNIL is een krijgsmacht tot bescherming der belangen van de Staat, het Koninkrijk der Nederlanden. Een krijgsmacht bestaande uit vrijwillig dienenden en uit dienstplichtigen ingevolge artikel 195 van de Grondwet. De kosten van het KNIL moeten ingevolge het bepaalde bij artikel 201 van de Grondwet worden voldaan uit 's Rijks kas. In alle processen inzake de back-pay zijn de rechterlijke instanties op andere dan juridische gronden tot uitspraken gekomen, waarbij de Staat in het gelijk werd gesteld. In al deze processen wordt de overheid het vrije oordeel gelaten. En juist aldus redenerende, moet men, het eenmaal zo stellende, erkennen dat de juridische relevantie van deze beschouwingen, hoe ernstig overwogen dan ook, slechts gering is. Dit pleit dan als zodanig voor de opvatting, dat men hier verzeild raakt in zaken, waardoor de rechter politiek moet bedrijven. In deze gevallen is de rechter niet bevoegd. De rechter heeft ten onrechte ingegrepen in het beleid van de overheid tegen de Japanse (krijgs)gevangenen, dat in belangrijke mate wordt bepaald door factoren van politieke en militaire aard, die zich voor beoordeling door de rechter niet lenen en in ieder geval het rechterlijk ingrijpen niet wettigen. Blijkens de historie en de feiten spreken de regerende kabinetten van het Koninkrijk der Nederlanden onheil en bedrog. De Nederlandse onderdanen worden tot op heden door de Nederlandse regeringen belazerd. De Nederlandse Regering blijft voortgaan met het schenden en verkrachten van de rechten van de mens, grondwettelijk en wettelijk recht, door zich te onttrekken aan haar verantwoordelijkheden en verplichtingen. De overdracht der soevereiniteit in 1949 is een door de Nederlandse Regering tot stand gebrachte politieke boedelscheiding. De betekenis van alle regelingen in de Wet Soevereiniteitsoverdracht Indonesië van 21 december 1949, Staatsblad J 570, hangt voor honderd procent af van de praktische werking der tot stand gebrachte politieke boedelscheiding. De Nederlandse Regering denkt en meent dat de rehabilitatie-uitkeringen in de plaats kunnen treden van de achterstallige salarissen, terwijl dit helemaal niet kan en mag. Tweede Kamerzitting 1979-1980, 15840, nr. 2 33
Bij de voltooiing van de rehabilitatieregeling werden de Ambonnezen (Molukkers) die Nederlandse onderdanen zijn, gediscrimineerd door de Nederlandse Regering. Deze regeling kwam alleen ten goede aan de Nederlandse onderdanen, die op het tijdstip van de soevereiniteitsoverdracht de Nederlandse nationaliteit bezaten. De Ambonnezen (Molukkers) kwamen daarvoor niet in aanmerking, omdat zij niet de Nederlandse nationaliteit bezaten. Maar wel werden de krachten van de Ambonnezen (Molukkers) gebruikt en misbruikt met als enige beloning: «Stank voor dank». Het is tientallen jaren geleden dat de aanvaarding door Japan van zijn onvoorwaardelijke capitulatie werd ondertekend. Het is naar de mening van Badan Pimpinan Bangsa Maloekoe di Belanda van weinig belang of civielrechtelijk de onderhavige oorlogsvorderingen al of niet zullen verjaren, aangezien de morele verplichting - die zwaarder weegt - geen verjaring kent. De thans nog levende direct betrokkenen zijn vrijwel allen reeds op gevorderde leeftijd. En velen van hen - Nederlanders of Nederlandse onderdanen uit Nederlands-lndië, ex-(krijgs)gevangenen, burger-geïnterneerden en politieke gevangenen - leiden aan het post-kampsyndroom dat zich veelal eerst tientallen jaren na de ondergane ellende openbaart. Daarbij voegt zich de verbittering wegens de nog steeds bestaande ernstige tenachterstelling in het land, waarvoor een groot aantal hunner meermalen het leven geriskeerd heeft en allen zonder uitzondering vele jaren van onnoemelijk leed ondergingen. Het is daarom, dat Badan Pimpinan Bangsa Maloekoe di Belanda een klemmend beroep doet op het parlement en de huidige regeerders van Nederland, de tegenover deze groep oud-strijders, gewezen verzetsmensen, gewezen burger-geïnterneerden en alle gedupeerden uit de vroegere Nederlandse gemeenschap in Nederlands-lndië, nog openstaande ereschulden eindelijk te honoreren. Badan Pimpinan Bangsa Maloekoe di Belanda eist van het parlement dat het de Nederlandse Regering dwingt tot het herstel van het tegenover deze oorlogsvervolgden nog steeds bestaande onrecht. Nederland zal de beslissing moeten nemen om aan deze oorlogsslachtoffers, die tot zijn meest loyale onderdanen hebben behoord, alsnog recht te doen wedervaren. Men stelle zich op het standpunt van recht. Die basis wordt heden ten dage ernstig versmald en beschadigd, maar een andere vaste grondslag bestaat er niet. Staande op die grondslag zal het recht nu eindelijk moeten zegevieren. Na het uitspreken van deze rede zei de heer Pattimukaij dat de Badan Pimpinan Bangsa Maloekoe di Belanda eventuele vragen van commissieleden niet onmiddellijk zou beantwoorden, maar deze gaag schriftelijk zou willen ontvangen ten einde daarop ook schriftelijk te kunnen reageren. De commissie verklaarde zich akkoord met deze procedure. Na lezing van de bovenvermelde tekst van de rede van de heer Pattimukaij bestond bij de leden evenwel geen aanleiding meer tot het stellen van schriftelijke vragen. De voorzitter van de commissie, Weijers De griffier van de commissie, Eikerbout Tweede Kamerzitting 1979-1980, 15840, nr. 2 34
Ingekomen commentaren (voor zover niet in het verslag opgenomen) - Inspraakorgaan Welzijn Molukkers te Utrecht - Nederlandse Officieren Vereniging te 's-gravenhage - Jongeren Organisatie Vrijheid en Democratie te Amsterdam - prof. dr. N. Beets te Utrecht - Th. G. Cassa te's-gravenhage - P. C. Huvers te Rotterdam - dr. L. G. M. Jacquet te Scheveningen - F. Holdert te Rijswijk - L. D. van der Klaauw te Rotterdam - J. H. Michelte Leidschendam - L. B. J. Movig te Den Helder. Tweede Kamer, zitting 1979-1980, 15 840, nr. 2 35