Commitment aan school Anna Verkade GION, december 2010 Het opbouwen of aangaan van commitments (bindingen) met betrekking tot diverse domeinen wordt in de ontwikkelingspsychologie als een van de belangrijkste ontwikkelingstaken in de puberteit gezien. In COOL 5-18 hebben we daarom aandacht besteed aan de commitment aan school. Wat blijkt: het geslacht van leerlingen en de sociaal economische status van hun gezin maken niet uit voor de commitment aan school. Het onderwijstype dat een leerling volgt en een westerse dan wel een niet-westerse achtergrond van leerlingen doen er echter wel toe. Aan het begrip commitment worden tegenwoordig drie aspecten onderscheiden: de eigenlijke commitment (of de zekerheid van de commitment), exploratie en verandering. In COOL 5-18 hebben we deze drie aspecten in kaart gebracht. De commitment aan school zal bepalend zijn voor de motivatie die leerlingen hebben ten aanzien van schoolse aangelegenheden, zowel op school zelf als daarbuiten (huiswerk). Maar hoe staat het met deze commitment aan school bij de hedendaagse jeugd? Om deze vraag te beantwoorden is in het kader van COOL 5-18 de commitment aan school gemeten. Bij ruim 7800 leerlingen uit klas 3 van het voortgezet onderwijs is een lijst afgenomen met 13 vragen over dit onderwerp. Elke vraag was een kort zinnetje, waarop vijf antwoorden mogelijk waren: 1 = klopt helemaal niet,..., 5 = klopt helemaal. De 13 items die commitment aan school meten vallen uiteen in drie schalen: bindingzekerheid (5 items), exploratie (5 items) en verandering (3 items). Per aspect is de schaalscore berekend als het gemiddelde over de betreffende items. Bij bindingzekerheid gaat het erom of de binding die een leerling (al dan niet) voelt met zijn school hem/haar ook zekerheid verschaft. Bij exploratie gaat het om het versterken van een bestaande binding door deze verder uit te diepen en er zoveel mogelijk over te weten te komen. En bij verandering gaat het niet om informatie inwinnen om een bestaande binding te versterken, maar om twijfel aan een bestaande binding en het zoeken naar een andere binding. Voor elk van deze drie aspecten hebben we geanalyseerd of er verschillen zijn tussen jongens en meisjes, tussen westerse en niet-westerse leerlingen, tussen leerlingen met ouders met een verschillende sociaal-economische achtergrond (SES), en tussen de klastypen die in het derde jaar voorkomen (LWOO, BBL, KBL, GL/TL, HAVO, VWO). De SES is bepaald aan de hand van gegevens over het opleidingsniveau van de ouders/verzorgers, zoals door henzelf opgegeven in de oudervragenlijst. We hebben een driedeling gemaakt (relatief laag, midden, relatief hoog). Bindingzekerheid Het gemiddelde van alle groepen ligt boven het schaalmidden van 3.0. Wanneer gekeken wordt naar verschillen in bindingzekerheid tussen leerlingen in verschillende onderwijstypen blijkt dat naarmate het onderwijstype hoger is, leerlingen gemiddeld meer zekerheid ervaren. De gemiddelden tussen de leerwegen in het VMBO verschillen nauwelijks van elkaar, terwijl het HAVO- en, in sterkere mate, het VWOgemiddelde hoger zijn. Er is sprake van kleine maar betekenisvolle verschillen tussen het VMBO, HAVO en VWO. Het grootste verschil doet zich voor tussen leerlingen in het LWOO en het VWO. LWOO-leerlingen scoren in vergelijking met VWO-leerlingen 1
met name een stuk lager op de stellingen mijn school geeft me zekerheid voor de toekomst en ik kan door mijn school de toekomst optimistisch tegemoet zien. Zowel de jongens als de meisjes scoren op bindingszekerheid iets boven het schaalmidden, waarbij de jongens net iets lager scoren dan de meisjes (3.27 versus 3.30 een verwaarloosbaar verschil). Niet-westerse leerlingen scoren gemiddeld hoger op de schaal voor bindingszekerheid dan westerse leerlingen (3.42 versus 3.32). Ze scoren vooral hoger op de stellingen mijn school geeft mij zekerheid in het leven en mijn school geeft mij zelfvertrouwen. De achtergrond van leerlingen wat betreft hun SES is niet van invloed op de bindingszekerheid die leerlingen ervaren; de drie gemiddelden verschillen nauwelijks van elkaar. Exploratie Het overall gemiddelde van alle groepen op exploratie ligt onder het schaalmidden. Wanneer gekeken wordt naar verschillen in exploratie tussen de verschillende onderwijstypen blijkt dat naarmate het onderwijstype hoger is, leerlingen gemiddeld lager scoren. De gemiddelden in het VMBO verschillen met uitzondering van GL/TL nauwelijks van elkaar, terwijl het HAVO- en VWO-gemiddelde lager zijn. De grootste verschillen in gemiddelde scores op exploratie doen zich voor tussen leerlingen van het LWOO/BBL en het HAVO. LWOO/BBL-leerlingen scoren vooral een stuk lager dan HAVO-leerlingen op de stelling ik doe veel moeite nieuwe dingen te weten te komen over mijn school. Wat betreft exploratie scoren jongens verwaarloosbaar lager dan meisjes (2.39 versus 2.46). Jongens scoren met name lager dan meisjes op de stelling ik denk vaak na over mijn school. Gemiddeld scoren niet-westerse leerlingen hoger op exploratie dan westerse leerlingen (2.62 versus 2.41). Dit is een weliswaar niet groot, maar wel betekenisvol verschil. Niet-westerse leerlingen scoren vooral hoger dan Westerse leerlingen op de stellingen ik probeer veel te weten te komen over mijn school en ik doe veel moeite nieuwe dingen te weten te komen over mijn school. De SES van het gezin van herkomst is niet van invloed op de exploratie van leerlingen; de drie gemiddelden verschillen nauwelijks van elkaar. Verandering Alle groepen scoren op verandering duidelijk onder het schaalmidden (gemiddeld ongeveer 2.0). Over het geheel genomen zijn de meeste leerlingen dus wel tevreden over hun school. Wanneer gekeken wordt naar verschillen in de score van verschillende onderwijstypen blijkt dat naarmate het onderwijstype hoger is, leerlingen gemiddeld lager scoren op verandering; dat wil zeggen meer tevreden zijn over hun school. Er is hier sprake van een groot en dus betekenisvol verschil. De leerlingen in de leerwegen van het VMBO scoren duidelijk hoger (minder tevreden) dan leerlingen in HAVO en VWO. De grootste verschillen in gemiddelden doen zich voor tussen LWOO- en VWO-leerlingen. LWOO leerlingen scoren met name een stuk hoger dan VWO leerlingen op de stelling ik denk er regelmatig over een andere school te gaan zoeken. Jongens scoren verwaarloosbaar hoger op de schaal van verandering dan meisjes (1.86 versus 1.83). Het gemiddelde van niet-westerse leerlingen is hoger dan het gemiddelde van Westerse leerlingen (1.97 versus 1.75). Ook hier is, net als bij exploratie, sprake van een klein maar betekenisvol verschil. Op de schaal voor verandering scoren niet-westerse leerlingen vooral hoger dan de westerse leerlingen op de stelling vaak denk ik dat een andere school mijn leven interessanter zou maken. De SES van het gezin van herkomst is ook voor verandering niet van invloed 2
op de gemiddelde scores van leerlingen; de drie gemiddelden verschillen nauwelijks van elkaar. Interactie-effecten Men spreekt van een interactie-effect als het effect van de ene verklarende variabele op de afhankelijke variabele afhankelijk is van de waarde van een andere verklarende variabele. Bijvoorbeeld wanneer het patroon van de gemiddelden op bindingszekerheid (= afhankelijke variabele) per klastype (= verklarende variabele 1) voor de meisjes anders is dan voor de jongens (sekse = verklarende variabele 2). Alle mogelijke interacties tussen de verklarende variabelen klastype, sekse, (niet-) westers en SES zijn geanalyseerd voor alle drie de schalen. Per schaal zijn dat er zes, in totaal dus 18. Hiervan bleken er drie significant te zijn: tweemaal de interactie tussen SES x sekse en éénmaal de interactie tussen onderwijstype x sekse. Twee van de drie significante interacties betreffen bindingszekerheid, de derde betreft exploratie. Interactie SES x sekse op bindingszekerheid De eerste SES x sekse interactie is op bindingszekerheid. Bij de meisjes is er een duidelijk met SES toenemende bindingszekerheid. Voor de jongens geldt ongeveer het omgekeerde, zij het dat het verschil tussen SES-niveaus 2 en 3 verwaarloosbaar is (zie figuur). Terwijl in SES-niveau 1 de meisjes lager scoren op bindingszekerheid dan de jongens (-.16), scoren in SES-niveau 3 de meisjes er juist hoger op dan de jongens (.06). Interactie SES x sekse op exploratie De andere SES x sekse interactie is op exploratie. De patronen zijn hier echter heel anders (zie figuur). In SES-niveau 1 scoren de meisjes duidelijk hoger (.08) op exploratie dan de jongens, in SES-niveau 2 is het verschil van -.01 verwaarloosbaar, 3
maar in SES-niveau 3 scoren de meisjes opnieuw gemiddeld hoger (.11) dan de jongens. De patronen van jongens en meisjes zijn dus tegengesteld aan elkaar. Interactie onderwijstype x sekse op bindingszekerheid Ten slotte is de interactie tussen onderwijstype en sekse significant op bindingszekerheid. In de onderwijstypen LWOO, BBL en KBL scoren de meisjes gemiddeld lager (tussen de -.13 en -.21) dan de jongens wat betreft bindingszekerheid, maar in de drie overige onderwijstypen (GL/TL, HAVO en VWO) scoren de meisjes gemiddeld iets hoger (tussen de.03 en.07) dan de jongens. De meisjes laten een duidelijke stijgende lijn zien: de gemiddelde score op bindingszekerheid loopt op naarmate het onderwijsniveau hoger wordt. Bij de jongens gaan de gemiddelde scores op bindingszekerheid per onderwijstype wat heen en weer. In GL/TL scoren de jongens gemiddeld het laagst en in VWO gemiddeld het hoogst. 4
5