Grip op Klauwen. Quickscan

Vergelijkbare documenten
Grip op Klauwen. Eindverslag

Relatie klauwaandoeningenregistratie en klauwgezondheid. Afvoerredenen Nederlandse melkkoeien. Klauwaandoeningen Spiegel voor Management

Samen werken aan diergezondheid. Klauwenwaaier

Agrarische Bedrijfsverzorging. Digiklauw. Meer grip op klauwgezondheid

Klauwgezondheid melkvee

Klauwgezondheid. studiegroepen december DAP van Waard tot Klif

Klauwverzorging. Les 1

Chapter 10. Klauwgezondheid bij melkkoeien in Nederland

Voorwoord. Nieuwsbrief Demoproject Gezonde klauwen op stal. Mei In dit nummer: Projectpartners: Beste lezer,

Van klauwverzorging naar klauwmanagement. Johan Hardeman

Na volledig invullen van de enquête neemt een assistente of uw bedrijfseigen dierenarts contact met u op om een afspraak te maken voor het BGP 2017.

Opdracht 1 Beenstand. Afsluiting. Oriëntatie. Uitvoering

Nieuwe ontwikkelingen. Veel onderzoek. Wat kunt u verwachten? Wat kost mastitis. Theorie en praktijk ( /koe/jaar) Economie van diergezondheid

KLAUWAANDOENINGEN. Paardenpraktijk Landbouwhuisdierenpraktijk Gezelschapsdierenpraktijk

Kengetallen E-30 Fokwaarde Klauwgezondheid

De praktijkwaarde van Better Life-fokkerijgetallen

Uniforme adviesaanpak klauwgezondheid COMPLETE RISICOINVENTARISATIE: BASISINVENTARISATIE

diergezondheid HOOFDSTUK DEEL 2: DIERGEZONDHEID DEEL 2: DIERGEZONDHEID 153

Happy Cow Project i.s.m. Rabobank Maas en Waal en CowSignals Training Company. Evaluatie

Pijnbestrijding bij landbouwhuisdieren. Valérie Dekens, TSM PA Merial

Gezondheidsaandoeningen en vruchtbaarheid op proefbedrijven

Praktische kijk op droogstandsmanagement bij Vlaamse melkveebedrijven. Samenvattend rapport

SPECIAL XXXXX KLAUWGEZONDHEID. Met meer data. gezondheid in de klauwen

VeeManager Uw veestapel eenvoudig in de hand

Voorwoord. Nieuwsbrief Demoproject Gezonde klauwen op stal. Mei In dit nummer: Projectpartners: Beste lezer,

Protocol klauwaandoeningen

Duurzame zuivelketen. Programmateam Diergezondheid en Dierenwelzijn. 20 september 2016

Aanpassingen fokwaardeschatting april Animal Evaluation Unit

landbouw en natuurlijke omgeving dierhouderij en -verzorging productiedieren CSPE KB

Veterinaire kengetallen om tot meer rendement te komen

Integraal Duurzame Veestapel Integraal denken en werken op bedrijfsniveau met oog voor klimaat

Duurzaamheid en Koesignalen. Nico Vreeburg dierenarts en stallenbouwadviseur Vetvice

Resultaten interviews met patiënten Vervolgens wordt een korte samenvatting gegeven van de belangrijkste resultaten uit de gelabelde interviews.

Klauwgezondheid. CONO Kaasmakers Thematraject Huisvesting 4 november Gerrit Hegen, rundveedierenarts

Introductie AMS-STAGE

Praktische kijk op droogstandsmanagement bij Vlaamse melkveebedrijven. Enquêteresultaten

Netwerk Melkveehouderij antibioticavrij

Controle. Klauwaandoeningen scoren en noteren tijdens het koppelbekappen, Wat wil je weten: Score klauwaandoeningen (bij koppelbekappen).

Nieuwe droogzetrichtlijnen voor Bart Geurts Dierenarts

Verantwoord antibioticumgebruik en selectief niet-droogzetten

Valacon-Dairy v.o.f. Duurzaam melkvee. Het waarom en hoe. Willem van Laarhoven 23 november

BASISINVENTARISATIE. Achtergrondinformatie beoordeling risicofactoren klauwgezondheid

Lezingen-aanbod Valacon seizoen

Voorspellende waarde van het bacteriologisch onderzoek van tankmelk, Richard Olde Riekerink

Kengetallen. E-13 Voortplanting

Verder verduurzamen melkveehouderij; Pro-actieve aanpak Route2020

Stichting Zuivelplatform

Gedetailleerde doelen Duurzame Zuivelketen

Project Kwaliteitsmanagement voor de melkveehouderij

Klauwbehandelingen. De behandeling van klauwaandoeningen

Mastitis en de vrije markt. Henk Hogeveen

Voorwoord. Nieuwsbrief Demoproject Gezonde klauwen op stal. Oktober In dit nummer: Oproep. Projectpartners: Beste lezer,

Het effect van de Groene Vlag Vloer ( Comfort Slat Mat ) op de klauwgezondheid van melkvee

Onderzoeksverslag. Zand en Economie. Johannes van der Velde

Nederlandse Melkveehouders Vakbond

Voorwoord. Nieuwsbrief Demoproject Gezonde klauwen op stal. Januari In dit nummer: Projectpartners: Beste lezer,

Transitie transparant? management zoals rantsoen, huisvesting en comfort moet goed zijn, dat corrigeer je niet met een brok.

Extra bij artikel: De faalkosten van mastitis en de vrije markt

Oriënterend onderzoek naar twee nieuwe klauwhoornaandoeningen in Nederland.

Handleiding. Agis TFS CowScore

Robot & Weiden. Resultaten enquête 2

Programma: SPONSORS. Ontwikkelingen GES GES organisatie. Agenda. Quotum eraf, fosfaat erop? Apeldoorn 4 november 2015

Invullijst Koekompas

1 Kent u het artikel Verboden geboortekrik populair Brabants Dagblad en andere Wegener kranten van donderdag 21 november 2013.

NO Kengetallen E3 Netto Opbrengst en Lactatiewaarde

Happy Cow Project i.s.m. Rabobank Maas en Waal en CowSignals Training Company. Evaluatie

Onderzoeksrapport. Onderzoek naar de diergezondheid op bedrijven met zandligboxen vergeleken met matrassen/matten en dikke mestfractie

Meer info? Contacteer: Frederik De Vos, DVM 03 / of frederik.devos@vetoquinol-benelux.be. O ptimilq 1

Praktijkopdrachten Gezondheid en Welzijn

Bezuinigingen openbaar groen Branche vereniging VHG Uitvoering augustus 2013 VELDWERK OPTIMAAL

Melk Daar zit meer in! 8: Meer melk met behulp van techniek

De kwaliteit van educatieve activiteiten meten. Universiteitsmuseum Utrecht

Robot & Weiden. Resultaten enquête 3

INLEIDING. Namens het managementteam van de SPGH, Mirjam Diderich. Directeur. Hellendoorn 15 januari 2015

Conditie, bevuiling, schurft..

Bacterie schematisch. Een bacterie is resistent. Oorzaak resistentie wereldwijd. Resistentie verkrijgen. Antibiogram. Matig & juist gebruik

Klauwsignalen. Succesfactoren voor klauwgezondheid. Jan Hulsen. De vier succesfactoren voor een uitstekende klauwgezondheid:

Tekst: Béke Nivelle, Anneleen Bulens, Els Stevens, Marcel Van Aert, Sanne Van Beirendonck, Jos Van Thielen, Bert Driessen

Wie ben ik? Rendementsverbetering in bedrijfsbegeleiding. Wat kunt u verwachten. 1 Economisch adviseur

Wat heeft de veehouder aan Genomics

Module Dierziekten rundvee

ANTIBIOTICUM RESISTENTIE ABRES. Rundveehouderij

Bedrijfsbehandelplan Melkvee. Algemene gegevens UBN. Veehouder. G.C. Kanters. Adres. Achterst Ven 15. Postcode 5461LD. Woonplaats.

De aanpak van rotkreupel in België Tussentijds verslag

Uw doel bereiken met MelkNavigator

Evaluatie Selectief Droogzetten

Prestaties in beeld HOOFDSTUK hoe presteert mijn veestapel?

Sterk met Melk. Brugse Ommeland en Meetjesland

Evaluatie Koesignalen en Mineralen

Transcriptie:

Grip op Klauwen Quickscan L.P.J.G van Beek J.J.B Groosman G.C.P Huijben Begeleiders: M van Barneveld (Hogeschool Has Den Bosch) G.C.P.M van Laarhoven (ZLTO) C.W.C.M Vermeer (ZLTO) Derdejaars periferie stage s-hertogenbosch, 3 mei 2011

Voorwoord Naar aanleiding van het project Grip op Klauwen was het nodig in kaart te brengen welk beeld melkveehouders hebben op been- en klauwgezondheid. Daarom hebben wij 111 melkveehouders bezocht en daar een enquête afgenomen over het beeld dat zij hebben op de been- en klauwgezondheid. Om ons voor te bereiden op de enquêtes hebben wij eerst uitgezocht welke been- en klauwaandoeningen er eigenlijk zijn en hoe deze er ongeveer uitzien, zodat we met de veehouders konden praten over de oorzaken en gevolgen. Na de enquêtes afgenomen te hebben, zijn we de gegevens gaan verwerken met SPSS. Het bleek dat veel resultaten niet normaal verdeeld waren. Hierdoor was het lastig om aan te geven of de resultaten significant verschilden of niet. Onze eerste resultaten hebben wij in een presentatie voorgelegd aan de projectgroep van Grip op Klauwen. Zij hebben ons nog wat nuttige tips meegegeven om in de rapportage te verwerken. Deze rapportage zal alleen binnen de ZLTO en de projectgroep verspreid worden en gebruikt worden om verdere stappen te ondernemen in de rest van het onderzoek Grip op Klauwen. Wij willen graag onze projectbegeleiders Guus van Laarhoven en Chris Vermeer bedanken voor hun hulp bij het samenstellen van de quickscan en voor de prettige samenwerking binnen de ZLTO. Daarnaast willen wij alle veehouders bedanken die ons thuis hebben willen ontvangen om de quickscan af te nemen en als laatste willen wij de projectgroepleden bedanken voor hun nuttige feedback. Luuk van Beek Jeanneke Groosman Geert Huijben s-hertogenbosch, 4 mei 2011

Inhoud Voorwoord...2 Samenvatting...4 Inleiding...5 2 Materiaal en Methode...6 2.1 Adressen...6 2.2 Quickscan...6 2.3 Analyse...7 3 Resultaten...8 3.1 Beleving...8 3.1.1 belangrijkheid...8 3.1.2 Inschattingen...9 3.2 Kennis ( Wat ze weten en manier van kennis vergaren)...11 3.2.1 Kennisniveau...11 3.2.2 Vergaren van kennis...12 3.2.3 Registratiemethoden...13 3.3 Aanpak...14 3.3.1 Klauwverzorgen...14 3.3.2 Voetbad...15 4. Conclusie...17 Bronnen...19 Bijlagen...20 Bijlage 1 Quickscan...20 Bijlage 2 Schema s quickscan...24

Samenvatting Voor dit onderzoek zijn er 111 quickscans afgenomen bij melkveebedrijven verspreid over heel Nederland. De quickscan bestond uit 36 vragen, die door studenten op het bedrijf aan de veehouder zijn gesteld. Doel van de quickscan was om inzicht te krijgen in de beleving en de aanpak van klauwproblemen op individuele melkveebedrijven, het kennisniveau van melkveehouders en het praktijkgebruik van registratiemiddelen ten aanzien van klauwgezondheid. De veehouders werden gevraagd om vier bedrijfsonderwerpen op een rij te zetten. Klauwgezondheid en uiergezondheid werden beiden door 41% van de veehouders het meest belangrijk bevonden, problemen rond het afkalven en vruchtbaarheid werden door respectievelijk 12 en 11% van de veehouders het meest belangrijk bevonden. Veehouders verdiepten zich meer in uiergezondheid dan in klauwgezondheid. Veehouders schatten het percentage klauwproblemen op hun bedrijf lager in dan het landelijk gemiddelde. Zo wordt het percentage koeien dat een of meerdere keren kreupel is per lactatie door veehouders geschat op 20% ten opzichte van een landelijke gemiddelde van 30%. Ook dacht 75% van de veehouders dat het percentage koeien met een klauwaandoening op hun bedrijf lager is dan landelijk. Op de vraag welke klauwaandoeningen een veehouder kon noemen werd mortellaro het meest genoemd (95%), andere belangrijke klauwaandoeningen (zoolzweer, tussenklauwontsteking, stinkpoot en wittelijndefect) werden ook door de helft of meer van de veehouders genoemd. De mate waarin klauwaandoeningen werden genoemd, hing sterk samen met het voorkomen van de aandoening op het bedrijf. Zoolbloeding werd als aandoening opvallend weinig genoemd (5%). Veehouders gaven aan dat mortellaro en zoolzweer het meest voorkwamen op hun bedrijf (70%), gevolgd door tussenklauwontsteking en witte lijndefect (40%). Van de meest genoemde klauwaandoeningen gaf 80% of meer van de veehouders aan de te gebruiken behandelmethode te kennen. Als middelen om informatie te krijgen over klauwaandoeningen gaven veehouders met name vakliteratuur (49%) en voorlichting (door dierenarts, klauwverzorger of veevoerleverancier) (17%) op. Cursussen, studieclubs of informatieavonden werden door minder dan een kwart van de veehouders genoemd. Meer dan de helft van de geïnterviewde veehouders registreert de klauwproblemen bij hun koeien niet. Van degenen die wel de klauwaandoeningen registreren doet ruwweg de helft dit digitaal (managementprogramma of Digiklauw) en de andere helft op papier. Vragen naar de aanpak van klauwproblemen waren onderverdeeld in de verzorging van klauwen en het gebruik van een voetbad. Het verzorgen van de klauwen wordt door ruwweg 40% van de veehouders altijd zelf gedaan, 50% van de veehouders doet het of zelf en laat het ook door de rundveepedicure doen en 10% van de veehouders laat de klauwverzorging altijd door de rundveepedicure doen. Veehouders doen de klauwverzorging met name zelf bij problemen (90% van veehouders) en bij droogzetten (40%). Ruwweg de helft van de veehouders past een koppelbehandeling toe, dit wordt voor een grote meerderheid uitgevoerd door de rundveepedicure. Bij koppelbehandeling is twee keer per jaar de meest voorkomende frequentie. Ruim 60% van de veehouders maakt gebruik van een voetbad, 10 procent gebruikt een alternatief voor het voetbad. Ruim een derde van de veehouders herhaalt het voetbad binnen 2 weken en ruim twee derde herhaalt het voetbad binnen een maand. Bijna 30% van de veehouders gebruikt geen voetbad of een alternatief daarvoor.

Inleiding Tegenwoordig wordt er veel aandacht besteed aan duurzaamheid en dierenwelzijn. Zowel door de veehouders, maar ook door de burgers en de politiek. Been- en klauwproblemen bij melkvee hebben betrekking op duurzaamheid en ook op dierenwelzijn. Als een koe vaak been- of klauwproblemen heeft is ze minder duurzaam en heeft ze pijn waardoor het welzijn minder is. Daarnaast lijdt het werkplezier van de ondernemer en het economisch resultaat hieronder. Reden genoeg om hier iets aan te doen. Ondanks dat er al veel kennis is ontwikkeld op het gebied van been- en klauwgezondheid, is de been- en klauwgezondheid op een te laag niveau. Om deze en bovenstaande redenen hebben de LTO organisaties het initiatief genomen om samen met projectpartners, zoals CRV, AB, VvRP, GD en de KNMvD, het project Grip op klauwen te ontwikkelen. Bij aanvang van het project zal met behulp van een quickscan onder een representatieve groep melkveehouders (100-150) worden geïnventariseerd wat de stand van zaken is ten aanzien van been- en klauwproblematiek in hun sector. Met de resultaten van de quickscan zal er antwoord gegeven worden op de volgende hoofdvraag: Wat is het beeld dat de melkveehouders hebben over de been- en klauwproblematiek bij hun veestapel? Dit wordt gedaan door antwoord te geven op een aantal deelvragen. Wat is de aanpak van de been- en klauwproblematiek op individuele melkveebedrijven? Wat is het kennisniveau van melkveehouders ten aanzien van been- en klauwgezondheid? Wat is de beleving van been- en klauwproblematiek door de melkveehouder? Hoe wordt de been- en klauwgezondheid in de praktijk geregistreerd? De quickscan wordt door drie HAS studenten uitgevoerd, onder begeleiding van de projectleiding en eventuele andere projectpartners. De projectgroep zal dienen als klankbordgroep ten aanzien van de uitvoering en resultaten van de quickscan. De resultaten van de quickscan dienen als basis voor de verdere activiteiten in het project. De doelstelling van dit onderzoek is het opstellen, afnemen en analyseren van een quick-scan met betrekking tot been- en klauwgezondheid om zo het project Grip op klauwen een basis te geven voor verdere activiteiten. De belanghebbende bij dit onderzoek is de projectorganisatie van Grip op klauwen en indirect hebben de Nederlandse melkveehouders, rundveepedicures, dierenartsen en voorlichters er belang van.

2 Materiaal en Methode Het onderzoek wordt uitgevoerd in opdracht van de ZLTO voor het project Grip op Klauwen. De ZLTO heeft drie studenten geworven die de quickscans af gaan nemen. In dit hoofdstuk wordt uitgelegd hoe zij te werk gaan om de beoogde doelen te halen. Ook wordt er een motivatie gegeven op de manier van werken. 2.1 Adressen Om de hoofdvraag: Wat is het beeld dat de melkveehouders hebben over de been- en klauwproblematiek bij hun veestapel? te beantwoorden moet er bij minimaal 100 melkveehouders een quickscan afgenomen worden. De doelstelling is om bij 150 melkveehouders een quickscan af te nemen, dit omdat zo de betrouwbaarheid van de analyse groter wordt. De quickscans moeten over heel Nederland afgenomen worden om zo een representatieve steekproef van de Nederlandse melkveehouders te krijgen. De ZLTO doet een aanvraag voor 400 willekeurige adressen van melkveehouders in Nederland bij het Productschap Zuivel. Het enige selectiecriterium waar de melkveehouders aan moeten voldoen is dat zij een quotum hebben van meer dan 250.000 kg melk. Het moet ook mogelijk zijn om uit 400 adressen 150 meewerkende melkveehouders te verkrijgen. Als de adressen binnen zijn worden er telefoonnummers bij gezocht en worden de adressen van alle melkveehouders op een kaart gezet. Dit wordt gedaan om de bedrijven goed te kunnen clusteren zodat er niet grote afstanden gereden hoeven worden. Er is namelijk voor gekozen om bij alle bedrijven persoonlijk langs te gaan, omdat zo de respons groter is. Ook gaat de kwaliteit omhoog omdat er vlotter gesproken gaat worden en er makkelijker dieper op het onderwerp in gegaan kan worden. Hierdoor kun je per bedrijf nog specifieker informatie verzamelen. Verder verkleint het fouten binnen de communicatie. Er is voor gekozen om met zijn drieën alle melkveehouders te bezoeken. Zo kan één iemand de vragen stellen en de andere twee kunnen zich concentreren op de antwoorden die de boer geeft. Als er ingezien wordt dat het beoogde doel van 150 niet behaald wordt vanwege tijdnood, dan gaat ieder voor zich bedrijven bezoeken of één iemand gaat al beginnen met het invoeren en analyseren en de anderen blijven bezoeken. Doordat er al een begin gemaakt is met invoeren en analyseren kunnen er langer boeren bezocht worden. 2.2 Quickscan Om een goed beeld van de veehouder te krijgen over de been- en klauwgezondheid. Wordt er een quickscan opgesteld, die inzicht moet geven in de volgende aspecten: Inzicht in de aanpak op been- en klauwproblematiek op individuele melkveebedrijven. Inzicht in het kennisniveau van melkveehouders ten aanzien van been- en klauwgezondheid. Inzicht in de beleving van been- en klauwproblematiek door de melkveehouder Inzicht in het praktijkgebruik van registratiemiddelen ten aanzien van been- en klauwgezondheid. In bijlage 1 is de quickscan te vinden. Voor een aantal vragen van de quickscan is een schema opgesteld om daarin de antwoorden snel te kunnen verwerken. Deze schema s zijn te vinden in bijlage 2. Tijdens het bezoeken stelde één iemand de vragen, één iemand vulde de vragen in op een quickscan en één iemand vulde de schema s in. In de quickscan zitten een aantal ongeveer dezelfde vragen, zodat gecontroleerd kan worden of de veehouder dezelfde antwoorden geeft. Ook staan de vragen veelal in een gehusselde volgorde. Dit is bewust gedaan zodat de veehouder niet sociaal aanvaarde antwoorden gaat geven. Daarnaast wordt er tijdens het telefonisch contact, om een afspraak te maken om de quickscan af te nemen, gevraagd of de melkveehouder wil meewerken aan een quickscan over diergezondheid, om de diergezondheid bij melkvee in Nederland te verbeteren. Dit wordt gedaan, omdat op deze manier niet alleen de melkveehouders die intensief bezig zijn met been- en klauwgezondheid meedoen, maar juist ook boeren die er niet zo mee bezig zijn. Daarnaast is er minder kans dat de melkveehouders alles over klauwgezondheid op zoeken en we dus een beeld krijgen van dat moment.

2.3 Analyse Als de (meeste) quickscans zijn afgenomen wordt er begonnen met analyseren. Er wordt gewerkt met SPSS hierin zal een dataset gemaakt worden om de gegevens van de quickscans te analyseren. De gegevens kunnen eventueel eerst in Excel worden in gevoerd en naderhand in SPSS gekopieerd worden. Met SPSS zullen een aantal antwoorden gemiddeld, vergeleken of opgeteld worden. Hiermee worden de beoogde doelen behaald.

3 Resultaten In totaal is bij 111 melkveehouderijen verspreid over heel Nederland de quickscan afgenomen. De resultaten die hierbij naar voren zijn gekomen zullen in dit hoofdstuk verder aan bod komen. Eerst zal de beleving van de melkveehouders belicht worden. Daarna het kennisniveau en als laatste de aanpak met betrekking op been- en klauwgezondheid. 3.1 Beleving In deze paragraaf zullen eerst de belangrijkheid van been- en klauwgezondheid op melkveehouderijen aan bod komen. Hierna zal er wat verteld worden over de inschattingen van been- en klauwproblemen ten opzichte van been- en klauwproblemen in Nederland. 3.1.1 belangrijkheid De opdracht was om in kaart te brengen hoe de Nederlandse melkveehouder tegen been- en klauwproblematiek aankijkt. Een onderdeel hiervan is het in kaart brengen van de beleving die de gemiddelde Nederlandse melkveehouder heeft bij been- en klauwproblemen. Hiervoor is er onderscheid gemaakt tussen wat er belangrijk gevonden wordt en wat de inschattingen zijn van de problemen binnen het eigen bedrijf tegenover deze in Nederland. 111 veehouders werden gevraagd om vier bedrijfsonderwerpen op een rij te zetten. Deze onderwerpen waren: Been- en klauwgezondheid, uiergezondheid, vruchtbaarheid en problemen rondom afkalven. Bijna alle veehouders gaven aan het erg lastig te vinden om te kiezen omdat zij alle onderwerpen zeer belangrijk vinden. In figuur 3.1 staan de resultaten van deze vraag. Van alle ondervraagden heeft 1,8% aangegeven dat ze echt niet konden kiezen en bij hun alles op nummer één stond. Daarom zijn de rijen en kolommen opgeteld ook geen 100%. Opvallend is dat been- en klauwgezondheid en uiergezondheid even belangrijk gevonden worden, want 41% van de Nederlandse melkveehouders vind been- en klauwgezondheid het belangrijkst en ook 41% vind uiergezondheid het belangrijkst. Been- en klauwgezondheid Uiergezondheid Vruchtbaarheid Problemen rondom afkalven 1 e plaats 41 41 11 12 2 e plaats 32 31 28 8 3 e plaats 17 23 37 23 4 e plaats 10 5 24 58 Figuur 3.1 Score s van de onderwerpen in procenten. Daarnaast werd gevraagd of ze zich meer verdiepten in been- en klauwgezondheid of in zeven andere onderwerpen. Deze onderwerpen waren: uiergezondheid, voeding, fokkerij, vruchtbaarheid, voederteelt, algemene diergezondheid en huisvesting. In figuur 3.2 is de uitslag hiervan te vinden.

Figuur 3.2 De vergelijking of er meer of minder verdiept wordt in deze onderwerpen ten opzichte van been- en klauwgezondheid. Opvallend bij het vergelijken tussen deze uitslagen is dat bij de vraag wat er belangrijk wordt gevonden been- en klauwgezondheid net zo hoog scoort als uiergezondheid, deze twee onderwerpen worden beiden door 41% op de eerste plaats gezet. Terwijl in de vraag die naderhand komt over waar ze zich meer in verdiepen, uiergezondheid (>60%) duidelijk beter scoort dan been- en klauwgezondheid (< 30) procent. Hiervoor zou een verklaring te vinden kunnen zijn in de hoeveelheid informatie die beschikbaar is over beide onderdelen. Zoals het feit dat er veel informatie beschikbaar is over uiergezondheid door het UGCN (Uier Gezondheid Centrum Nederland). Een andere eventuele verklaring is dat er door het laten verzorgen van de klauwen door een professionele klauwverzorger de veehouder denkt minder op de hoogte te hoeven zijn over been- en klauwgezondheid. Dit betekent niet dat het minder belangrijk gevonden wordt maar wel dat de veehouder er persoonlijk minder aandacht aan besteedt. Daarnaast zijn een aantal van deze onderwerpen middelen om doelen te behalen. Bijv. een goede voeding zorgt voor gezonde dieren met een goede productie. Been- en klauwgezondheid is voeding gerelateerd mede daarom wordt er meer in voeding verdiept dan in been- en klauwgezondheid. 3.1.2 Inschattingen Om de inschattingen in kaart te kunnen brengen zijn er zes inschattingsvragen gesteld. Deze gingen over hoeveel procent van het melkvee de melkveehouders dachten dat een klauwaandoening had, kreupel liep en gezonde achterklauwen had. Deze vragen werden twee keer gesteld waarbij telkens één hiervan over het eigen bedrijf ging en de ander over het Nederlandse gemiddelde. De uitslag hiervan staat in figuur 3.2.

Figuur 3.3: De gemiddelde inschattingen op aandoeningen op het eigen bedrijf tegenover landelijke schattingen. Opvallend hieraan is dat de ondernemers is het algemeen denken dat ze zelf onder het landelijk gemiddelde zitten. Zo wordt er gedacht dat op het eigen bedrijf bijna 20 procent meer melkvee is met volledig gezonden achterklauwen. Ook denkt de melkveehouder 10% minder kreupele koeien te hebben. Daarnaast is er met been- en klauwaandoeningen een verschil van bijna 20 procent. Als er een vergelijking gemaakt wordt hoeveel bedrijven zichzelf boven het landelijk gemiddeld inschatten zijn er de volgende resultaten. Figuur 3.4: Inschattingen klauwaandoeningen. Figuur 3.5: Inschattingen kreupelheid

Figuur 3.6: Inschattingen volledig gezonde achterklauwen. Bij alle genoemde onderdelen denken de meeste ondervraagden dat ze beter zijn dan het gemiddelde. Dit betekent dat de been- en klauwaandoeningen worden onderschat en de veehouders denken dat ze niet vallen onder de grote hoeveelheid been- en klauwproblemen die in Nederland voorkomen. Een punt wat tijdens het afnemen opviel was dat er een groot aantal ondernemers de gemiddelde Nederlandse getallen wel wisten maar toch een lager Nederlands gemiddelde noemden omdat ze niet geloofde dat het juiste getallen waren. 3.2 Kennis ( Wat ze weten en manier van kennis vergaren) In deze paragraaf wordt eerst het kennisniveau van de veehouders zelf gepeild. Daarnaast wordt er weergegeven op welke manieren de veehouders kennis vergaren. Als laatste worden de registratiemethoden nog weergegeven. 3.2.1 Kennisniveau Om te peilen hoe goed de veehouders op de hoogte waren van been- en klauwaandoeningen werd in de quickscan een vraag gesteld waarbij de veehouders moesten aangeven welke aandoeningen zij kennen. Hierbij werden geen voorbeelden gegeven zodat de parate kennis werd getoetst. Vervolgens werd er gevraagd van welke been- en klauwaandoeningen ze een behandelmethode weten. Hierbij is niet gekeken welke behandel methode dit was maar puur of ze zelf dachten dat ze een juiste hadden. Verder kwam de vraag langs welke been- en klauwaandoeningen voorkomen in hun melkveestapel.

Figuur 3.7: Aandoeningen die de veehouder kan noemen, waarbij hij een behandelmethode zegt te weten en of deze aandoening op het bedrijf voorkomt (alles in percentage). In figuur 3.7 is duidelijk te zien dat de genoemde been- en klauwaandoening samenhangt met wat voorkomt op het eigen bedrijf. Dit betekent dat er alleen kennis is over wat er voorkomt, of wat ze denken dat er voorkomt, op het bedrijf. De rode balk (behandelmethoden weten) steekt heel erg uit en het lijkt dat de boeren de klauwaandoening niet kunnen noemen, maar wel een behandelmethode weten dit is echter niet waar, want de rode balk is een percentage van de blauwe balk. Bijvoorbeeld: 60% van de melkveehouders weet stinkpoot te noemen. Van die 60% weet 82% ook een behandel methode van stinkpoot. En bij 29% van de melkveehouders komt stinkpoot ook daadwerkelijk voor op het bedrijf. Als er naar de behandelmethodes gekeken wordt blijkt dat bij een groot deel van de aandoeningen wel een behandel methode bekent is. Maar dat er nog genoeg aandoeningen zijn waarbij een deel van de veehouders geen behandelmethode weet. 3.2.2 Vergaren van kennis Aan het einde van de quickscan werd de vraag gesteld of ze op de hoogte gehouden wilden worden over been- en klauwproblemen en op welke manier ze dit wilden. Hierbij waren meerdere antwoorden mogelijk. De resultaten staan in figuur 3.8. Omdat er meerdere opties mogelijk waren staat vakliteratuur op bijna 50 procent, maar toch noemde 101 boeren vakliteratuur als middel om op de hoogte te blijven. Vooral omdat dit door allemaal gelezen wordt en het een praktische manier is om wat tijd in te vullen en niet perse tijd voor gemaakt hoeft te worden. De op één na meeste genoemde manier is voorlichting. Hierbij wordt er gedacht aan persoonlijke voorlichting van de dierenarts, klauwverzorger en de voervoorlichter. Onder andere werd genoemd persoongerichte informatie per e-mail of een nieuwsbrief van de GD. Het speciaal bijwonen van bijeenkomsten zoals cursussen, studieclubs en informatie avonden is met een kleine 20 procent niet gewild bij de ondervraagden.

Figuur 3.8 Manier waarop de veehouder op de hoogte gehouden wil worden (%). 3.2.3 Registratiemethoden In het onderzoek werd speciaal gekeken naar het gebruik van registratiemiddelen door de veehouders. Er werd een vraag gesteld of hier gebruik van gemaakt wordt. Opvallend is dat er vrij weinig gebruik gemaakt wordt van registratiemiddelen. Zoals te zien in het onderstaande cirkeldiagram, wordt er door meer dan de helft van de ondervraagde geen gebruik gemaakt van registratie. 16,2 procent houdt de been- en klauwproblemen van hun koppel bij in een management programma. Verder doet 5,4 procent van de ondervraagde mee aan digiklauw en wordt het daarmee ook geregistreerd. Op een andere manier wordt door 21,6 procent van de ondervraagde been- en klauwproblemen geregistreerd. Hieronder vallen voornamelijk het bijhouden op een kalender of kladblok van behandelingen en het bijhouden van medicijngebruik. Figuur 3.9: Manieren van registreren van been- en klauwaandoeningen.

Meest opvallend is dat er zo weinig gebruik wordt gemaakt van digitale registratiemethoden. Een verwachte oorzaak hiervan is dat het niet praktisch is voor de veehouders om voor elke stuk melkvee dat bekapt is hiervoor speciaal de computer en een management programma op te starten. Hierdoor valt sneller de keuze op het simpel opschrijven van dingen. 3.3 Aanpak Bij het aanpakken van been- en klauwproblemen is er gekeken naar de regelmaat die er is voor het verzorgen van de klauwen en van een voetbad. Er is gevraagd wanneer er klauwen verzorgt worden een door wie dit dan gedaan wordt. Ook is er gekeken naar het gebruik van een voetbad. 3.3.1 Klauwverzorgen Verzorgd de rundveepedicure Ja Nee Totaal Verzorgd de veehouder Ja 52,3 36,0 88,3 Nee 11,7 0,0 11,7 Totaal 64,0 36,0 100,0 Figuur 3.10 Door wie wordt er verzorgd? In figuur 3.10 is te zien hoe de verhoudingen zijn tussen wanneer de veehouder zelf de hoeven verzorgd en wanneer de rundveepedicure dit doet. Zo is er te zien dat in 52,3 procent van de gevallen het door beide verzorgd wordt. Dit is door het feit dat er een aantal keer per jaar de rundveepedicure bekapt en dat er bij tussentijdse problemen door de veehouder zelf klauwen worden verzorgt. Hierbij valt dan wel op dat er 11,7 procent van de bedrijven alles door de rundveepedicure wordt gedaan, ook in de probleem gevallen laten ze deze komen. Verder doet 36 procent het volledige bekappen zelf. 88,3 procent van de veehouders bekapt wel eens en bij 64,0 procent komt er een rundveepedicure over de dam.

Bij het moment van bekappen is er gekeken naar het de regelmaat hiervan. Zo is er in onderstaande figuur te zien dat er veel veehouders bij het droogzetten alles zelf bekappen. Verder is het gehele koppel tegelijk behandelen en dan vooral één of twee keer per jaar veel gedaan. Dit voornamelijk door de rundvee pedicure, bij uitzondering door de veehouder zelf. Figuur 3.11: Momenten van klauwverzorgen door de veehouder en rundveepedicure. 3.3.2 Voetbad Ook is er gevraagd naar het gebruik van een voetbad. Bij deze vraag werd er bij de veehouders vaak het woord besmettingsbak gebruikt, vooral bij de tegenstanders van een voetbad. Hieronder in figuur 3.12 is te zien hoeveel veehouders er gebruik maken van een voetbad. Bij alternatief moet er gedacht worden aan het behandelen van heel het koppel met een rugspuit. Dit vonden de ondernemers een goede oplossing om besmetting door het bad of onrust in de melkstal of melkrobot te voorkomen. Figuur 3.12 Gebruik van het voetbad

Er is ook gekeken naar het moment van toepassen van een voetbad of rugspuit. Dit is met een vraag getoetst en vervolgens in kaart gebracht door figuur 3.13 Figuur 3.13 Hoe vaak wordt het voetbad toegepast? Opvallend is dat het gebruik van een voetbad vaak te lang wordt uitgesteld. Dit is ook vaak gezegd tijdens het afnemen van de quickscan. Er is maar 25,2 procent van de veehouders die binnen twee weken het voetbad herhaalt. Bij het sporadisch gebruik van een voetbad werd vaak vermeld dat het voetbad alleen gebruikt wordt als er veel problemen zijn op het bedrijf, met voornamelijk Mortellaro. Ook moet er in achting gehouden worden dat er bij het geval van weidegang het voetbad minder of zelfs niet meer gebruikt wordt.

4 Conclusie Klauwgezondheid werd door veehouders even belangrijk gevonden als uiergezondheid en aanzienlijk belangrijker dan vruchtbaarheid en problemen rond het afkalven; Veehouders geven desalniettemin aan dat ze zich meer verdiepen in uiergezondheid/voeding/vruchtbaarheid en algemene diergezondheid dan in klauwgezondheid; Veehouders schatten het percentage klauwproblemen op hun bedrijf lager in dan het landelijk gemiddelde, ondanks het belang, dat door hen aan klauwgezondheid wordt toegekend; Een meerderheid van de veehouders kon Mortellaro, zoolzweer, tussenklauwontsteking, stinkpoot en wittelijndefect noemen. Een minderheid bevangenheid, dikke hakken, tyloom, teenpuntnecrose en zoolbloeding; Veehouders gaven aan dat mortellaro en zoolzweer het meest voorkwamen op hun bedrijf, gevolgd door tussenklauwontsteking en witte lijndefect. Zoolbloeding werd door weinig veehouders genoemd; Van de meest genoemde klauwaandoeningen gaf een grote meerderheid aan de behandelmethode te kennen; Vakliteratuur en voorlichting werden het meest genoemd als middelen om informatie te krijgen over klauwaandoeningen. Cursussen, studieclubs of informatieavonden werden aanzienlijk minder genoemd; Meer dan de helft van de veehouders registreert de klauwproblemen bij hun koeien niet. Van degenen die wel de klauwaandoeningen registreren doet de helft dit digitaal (75% managementprogramma, 25% digiklauw) en de helft op papier; De helft van de veehouders laat de klauwverzorging door een rundveepedicure doen en doet het ook zelf (52.3%), iets minder dan de helft doet de klauwverzorging altijd zelf (36.0%) en een klein gedeelte van de veehouders laat de klauwverzorging altijd door de rundveepedicure doen (11.7%). De belangrijkste momenten voor een veehouder om de behandeling zelf te doen zijn bij problemen of bij droogzetten; De helft van de veehouders past een koppelbehandeling toe, dit wordt voor een grote meerderheid uitgevoerd door de rundveepedicure. Tweemaal per jaar is de meest voorkomende frequentie voor koppelbehandelingen; Een meerderheid van de veehouders gebruikt een voetbad voor de klauwverzorging; De helft van de veehouders gebruikt het voetbad elke 4 weken of vaker, de helft hiervan elke 2 weken of vaker. Niet bekend is welke middelen en dosering er worden gebruikt in het voetbad.

Discussie De conclusie dat veehouders zich meer verdiepen in andere diergezondheid thema s dan klauwgezondheid lijkt in tegenstrijd met de conclusie dat zij aangeven dat klauwgezondheid als even belangrijk gevonden wordt dan de andere diergezondheids thema s. Ondanks het belang, dat door de veehouders aan klauwgezondheid wordt toegekend, schatten zij het percentage problemen op hun eigen bedrijf lager in dan het landelijk gemiddelde. Mogelijk onderschatten veehouders dus het percentage klauwproblemen op hun bedrijf. Het werkelijke percentage klauwaandoeningen op het bedrijf is niet bepaald tijdens de quickscan. In de loop van het project kan dit wel getoetst worden aan de hand van digiklauw gegevens. De veehouders geven aan dat een aantal klauwaandoeningen te kennen, echter dit kan niet getoetst worden, mede doordat een meerderheid de aandoeningen niet registreert. De veehouders geven ook aan de behandelmethoden van de meeste aandoeningen te kennen. Het is echter maar de vraag of dat dit klopt, wanneer er slechts een beperkt aantal aandoeningen wordt herkent.

Bronnen DGZ. (2003). Klauwverzorging bij melkvee. [www-document]. <http://www.dierengezondheidszorg.be/ondersteuning/praktijk_advies_publikaties_runderen/ klauw_klauwverzorging.asp#7 > Geraardpleegd: 17 februari 2011. CRV. (2010). Fokwaarde klauwgezondheid. [www-document]. < https://www.crv4all.nl/downloads/e-hoofdstukken/e30.pdf> Geraadpleegd: 22 april 2010. GD Deventer. (2010). Zoolzweren. [www-document]. <http://www.gddeventer.com/templates/dispatcher.asp?page_id=viewitem&opage_id=14064 35&itemid=10394909> Geraadpleegd: 18 februari 2011. GD Deventer. (2010). Zoolbloedingen. [www-document.] <http://www.gddeventer.com/templates/dispatcher.asp?page_id=viewitem&opage_id=14064 35&itemid=1071267 > Geraadpleegd: 18 februari 2011. GDS Hoofcare. (2010). Bouw en functie. [www-document]. <http://www.gds-hoofcare.com/page.asp?page=rndkl1bf> Geraadpleegd: 14 februari 2011 GDS Hoofcare. (2010). De runderklauw. [www-document]. <http://www.gds-hoofcare.com/claw.asp?page=rndklauw> Geraadpleegd: 8 februari 2011 GDS Hoofcare. (2010). Teenflegmoon. [www-document]. < http://www.gds-hoofcare.com/page.asp?page=teenflegmoon> Geraadpleegd: 17 februari 2011 Geyter, de Sofie. (2007) Klauwproblemen bij rundvee. [www-document]. <http://doks2.khk.be/eindwerk/do/files/fiseff808081107d882601109c731b810716/thesis2007 344.pdf?recordId=SKHKff808081107d882601109c731b810715> Geraadpleegd: 16 februari 2011 Holzhauer, M. (2006). Claw health in dairy cows in The Netherlands. [www-document]. <http://igitur-archive.library.uu.nl/dissertations/2006-0920-200928/c10.pdf > Geraadpleegd: 22 april 2011. Jef Laureyens. (2006). Mortellaro. [www-document]. < http://www.buitenpraktijk.ugent.be/pages/archief/mortellaro.pdf> Geraadpleegd: 18 februari 2011. Kreij, A.M de. en G.C.M.P van Laarhoven. (2010). Projectvoorstel Grip op Klauwen. Den Bosch: ZLTO Van der Waaij, E.H., M. Holzhauer, E. Ellen, C. Kamphuis en G. de Jong. 2005. Genetic parameters for Claw Disorders in Dutch Dairy Cattle and Correlations with Conformation Traits. Journal of Dairy Science 88: 3672-367. Vermeer, C.W.C.M. Persoonlijke mededeling, 18 april 2011.

Bijlagen Bijlage 1 Quickscan Naam van het bedrijf: Gemeente: 1 Provincie: 2 Hoeveel stuks melkvee heeft u (incl. droogstand)? 3 In wat voor type stal wordt het melkvee gehouden? a. Ligboxen b. Potstal c. Grupstal d. Anders, namelijk 4 Wordt er voor de melkgevende koeien s zomers weidegang toegepast? a. Ja b. Nee c. Heel het jaar door weidegang, 5 Van welke score systemen maakt u gebruik voor waarnemingen bij uw melkvee? En registreert u deze? a. Locomotie / beweging score b. Conditie score c. Klauwscore d. Pensscore e. Mestscore f. Geen 6 Wie is uw belangrijkste adviseur wat betreft de diergezondheid? a. Dierenarts b. Voervoorlichter c. Rundvee Pedicure d. Vruchtbaarheidspecialist e. Fokkerijvoorlichter f. Anders, namelijk. 7 Kunt u de volgende onderwerpen schikken op wat u belangrijk vind, met 1 het meest belangrijk en 4 het minst belangrijk? a. Been- en Klauwgezondheid b. Uiergezondheid c. Vruchtbaarheid d. Problemen rondom afkalven

Onderdeel 1: Been- en klauwgezondheid. 8 Wie is uw belangrijkste adviseur wat betreft de been- en klauwgezondheid? a. Dierenarts b. Voervoorlichter c. Rundvee Pedicure d. Vruchtbaarheidspecialist e. Fokkerijvoorlichter f. Anders, namelijk. 9 Hoeveel procent van uw melkkoeien denkt u dat per lactatie een of meerdere been- of klauwaandoeningen heeft? 10 Vindt u dat u goed genoeg op de hoogte bent van been- en klauwproblemen om ze te voorkomen en te behandelen? a. Ja b. Nee 11 Aan welke voorwaarden moet een juist voetbad voldoen? a. Lengte b. Breedte c. Diepte van de oplossing d. Aantal koeien voor verversen van de oplossing e. Voorbehandeling 12 Verdiept u zich in been- en klauwgezondheid? a. Ja b. Nee 13 Zo ja, op welke manier doet u dit? a. Cursussen b. Informatie avonden c. Vakliteratuur d. Studieclubs e. Voorlichting (bijv. dierenarts, voervoorlichter of Rundvee pedicuren) f. Anders 14 Verdiept u zich meer of minder in klauw gezondheid dan in: Uiergezondheid meer / minder Voeding meer / minder Fokkerij meer / minder Vruchtbaarheid meer / minder Voederteelt meer / minder Algemene diergezondheid meer / minder Huisvesting meer / minder

15 Hoeveel procent van uw rundvee denkt u dat volledig gezonde achterklauwen heeft? 16 Wanneer worden de koeien bekapt en door wie? Schema 17 Maakt u gebruik van een voetbad? a. Ja b. Nee 18 Om de hoeveel tijd past u het voetbad toe? (Indien weidegang verschil aan laten geven.) a. Om de week b. Om de twee weken c. Om de drie weken d. Om de vier weken e. Om de vijf weken f. Om de zes weken g. Om de zeven weken h. Om de twee maanden i. Sporadisch j. Anders, namelijk 19 Hoe vaak gaat het koppel achter elkaar door het voetbad? (met tussen pauzes bijv. op 1 dag na de 2 melkbeurten) 20 Welk middel gebruikt u voor het voetbad (meerdere antwoorden mogelijk) o Antibiotica o Formaline o Koper zink sulfaat o Anders, namelijk 21 Hoeveel procent van de Nederlandse melkkoeien denk u dat per lactatie een of meerdere klauwaandoeningen heeft? 22 Welke been- en klauwproblemen kunt u bij uw melkkoeien herkennen? Schema 23 Van welke been- en klauwproblemen weet u de behandelmethoden? Schema 24 Hoeveel procent van uw melkkoeien denkt u dat per lactatie een of meerdere keren kreupel wordt? 25 Op welke manier registreert u de been- en klauwproblemen van uw melkvee? a. Digiklauw b. Management programma c. Anders d. Niet

26 Waaraan ziet u dat er mogelijk been- of klauwproblemen zijn? Schema 27 Wanneer wordt de koe behandeld? Schema 28 Welke been- en klauwproblemen komen voor in u veestapel? Schema 29 Hoe vaak wordt er op jaarbasis een behandeling wegens been- en klauwproblemen uitgevoerd? Aandoeningen die worden verholpen. (aantal) 30 Ondervindt u economische schade door been- en klauwproblemen binnen uw koppel? a. Ja b. Nee 31 Bent u intensief bezig met het verbeteren van been- en klauwgezondheid van uw melkveestapel? a. Ja b. Wel mee bezig, maar niet intensief c. Nee 32 Hoeveel procent van de Nederlandse melkkoeien denk u dat per lactatie een of meerdere kerenkreupel wordt? 33 Vind u dat er genoeg aandacht wordt besteed aan been- en klauwproblemen in de sector? a. Ja b. Nee 34 Wilt u op de hoogte gehouden over het voorkomen en behandelen van been- en klauwproblemen? a. Ja b. Nee 35 Zo ja, op welke manier? a. Cursussen b. Informatie avonden c. Vakliteratuur d. Studieclubs e. Voorlichting.(bijv. dierenarts, voervoorlichter of klauwbekapper) f. Anders 36 Hoeveel procent van het Nederlandse rundvee denk u dat volledig gezonde achterklauwen heeft? Opmerkingen:... Hartelijk dank voor uw medewerking.

Bijlage 2: Schema s quickscan Aandoening Komt voor Behandelen Herkennen Mortellaro / italiaanse stinkpoot/ dermatitis digitalis Stinkpoot / tussenklauweczeem / dermatitis interdigitalis Tussenklauw ontsteking / tussenteenflegmoon/ kleufpoot/ kleipoot/ slakkepoot/ moervet/krep/ haarworm/ panaritium/ Interdigital phleg Bevangenheid/ bovine laminitis Tussenklauwgezwel/tyloom/ tyloma Dikke hakken/ groepbenen/ grupbenen Witte lijn defect / wandzweer Zool bloeding Zool kneuzing Zoolzweren/ kriek/ ulcus Dubbele zool Wandscheur/ hoornspleet Teenpunt necrose Fractuur van het klauwbeen Anders:

Moment / Wie Veehoude r Klauwbekappe r Veeart s Als ze droog gezet worden Als er problemen zijn 1 keer per jaar heel het koppel tegelijk 2 keer per jaar heel het koppel tegelijk 3 of meer keer per jaar heel het koppel tegelijk Al het melkvee verspreidt over een jaar 1 keer Al het melkvee verspreidt over een jaar 2 keer Al het melkvee verspreidt over een jaar 3 of meer keer Om de 4 maanden heel het koppel tegelijk Om de 5 maanden heel het koppel tegelijk Om de 7 maanden heel het koppel tegelijk Om de 8 maanden heel het koppel tegelijk Anders: Symptomen Behandelen Herkennen De koe gebruikt niet alle vier de poten De koe loopt gevoelig en onregelmatig De houding van de koe is ongewoon De conditie van de koe gaat achteruit De koe ligt ongewoon veel De koe eet en drinkt minder Een verminderde producite bij de koe De koe gaat niet of maar half in de box liggen Weinig tot geen herkauwactiviteit Klauw zelf ziet er anders uit De gang van de koe is anders dan normaal Anders: