Training 1.0 Inwerpen en koppen Deel 1 (13 minuten): De helft van de spelers neemt plaats op de zijlijn met een onderlinge afstand van zo n 4 meter. Tegenover elke speler neemt een andere speler plaats op een afstand van ongeveer tien meter. De spelers op de zijlijn hebben een bal in hun hand en werpen deze op de juiste manier in naar de speler tegenover hen. Deze speler neemt de bal aan (met voet, knie, borst of hoofd) en speelt de bal met de binnenkant van zijn voet terug naar de speler op de zijlijn. Deze neemt de bal eerst in de voeten aan en pakt hem dan pas op. Na 5 keer wisselen de spelers. Bij het eerste deel kan natuurlijk gevarieerd worden in de afstand van het gooien. Bijvoorbeeld eerst 5 keer een korte afstand en daarna 5 keer een lange afstand. Let op dat bij het tweede deel van deze oefening de bal niet te hard wordt aangegooid. Als de spelers klagen over pijn aan het hoofd dan meteen stoppen met het koppen. Deel 2 (7 minuten): De helft van de spelers neemt plaats op de zijlijn met een onderlinge afstand van zo n 4 meter. Tegenover elke speler neemt een andere speler plaats op een afstand van ongeveer 5 meter. De spelers op de zijlijn hebben een bal in hun hand en gooien deze onderhands in een licht boogje naar de speler tegenover hen, zodanig dat deze de bal met het voorhoofd terug kan koppen in de handen van de gooier. Na 5 keer wisselen de spelers. Bij oefening 1: - Twee voeten (of een gedeelte van je voeten) op de grond, op of achter de zijlijn - Handen aan de zijkant van de bal met gespreide vingers. Duimen achter de bal. Bij oefening 2: - Leg je kin in het kuiltje van je keel. - Blijf zolang mogelijk naar de bal kijken. Benodigdheden: 5 ballen, 10 pilonnen. Afstanden: Zie trainingsverloop en spelregels
Training 2.0 Samenspel en afwerken De spelers staan met een bal aan de voet bij de verste pilon A. In het doel staat een keeper. Op minimaal 10 meter voor het doel is een rechthoek, gemarkeerd door 4 pilonnen, waarin zich een verdediger (C) bevindt en een aanvaller (B). Vanaf A vertrekt een speler met de bal richting doel, waarbij hij langs de verdediger moet.. Hij kan hiervoor gebruik maken van n één-tweetje met de andere aanvaller (B). Na het terugkrijgen van de bal moet er afgewerkt worden op het doel. In het doel, achter de lijn, staan op 1 meter uit de hoeken 2 pilonnen. De speler moet proberen af te werken tussen de paal en de pilonnen. Lukt dit dan telt de goal dubbel. Hierna haalt hij de bal op achter het doel en gaat buitenom terug naar A. Wissel de spelers tijdig. Aanvaller A:- Kijk goed wat de verdediger doet (kijk dus over de bal heen!!): als hij veel ruimte open laat kun je misschien in één keer met een sprint doorlopen zonder je hulp B aan te spelen. - Dekt hij jou goed, gebruik dan je hulp B. Speel hem goed aan en ga zelf snel voorbij de verdediger en zorg dat je daarna de bal weer aan kan nemen. - Maak voor het spelen van de bal goede schijnbewegingen met je lichaam. - Kijk voordat je op het doel schiet goed waar de keeper staat en probeer echt in een van de hoeken te schieten. Verdediger B: Verdedig actief d.w.z. sta klaar en beweeg je goed en begin zo snel mogelijk met het verdedigen, dus bij de eerste pilonnen. -Houd ook speler B in de gaten en probeer het aanspelen van speler B door speler A te voorkomen. -Als je te laat bent probeer dan te voorkomen dat speler B speler A weer aanspeelt. -Als de verdediger de bal onderschept moet hij deze terugspelen op de keeper. Benodigdheden: 6 ballen, 7 pilonnen. Afstanden: De rechthoek waarin zich de verdediger en aanvaller bevinden is 4 bij 7 meter en bevindt zich minimaal 10 meter voor het doel.
Training 3.0 Dribbelen, samenspel en afwerken De spelers staan in twee rijen opgesteld bij A en B. De spelers in rij B hebben een bal. Als de speler van rij B begint te dribbelen richting pilonnen, loopt de speler van rij A naast hem mee. Op het moment dat speler B de pilonnen nadert speelt hij de bal over naar speler A. Speler A speelt de bal meteen diep voorbij de pilonnen. Speler B is inmiddels met een sprint om de pilonnen heen gelopen en pikt de bal weer op, loopt door tot aan de schildjes en werkt af op het goal, waarbij hij mikt op de ruimte tussen de linker doelpaal en de pilon. Speler A is inmiddels achter aangesloten in rij B en speler B haalt de bal op en sluit achterin aan bij rij A. Speler B: Weet waar je medespeler loopt voordat je hem de bal toespeelt. Nadat je de bal naar speler A gespeelt hebt moet je heel snel om de pilonnen heen sprinten om zo snel mogelijk de bal weer op te pikken. Houd tijdens de sprint wel de bal in de gaten! Afwerken met rechter been! Speler A: Zorg dat je diepe pass (met de binnenkant van je voet) goed gericht is en dat je medespeler de bal kan aannemen vóór de schildjes. De spelers moet uitgelegd worden dat de pilonnen in het echt een verdediger is die je met een één-tweetje voorbij kan spelen. 3.1 In plaats van over rechts kan deze oefening ook over links. In dat geval afwerken met linker been. 3.2 Pilon in doel weglaten en vervangen door keeper. 3.3 Het spelen van de bal van speler B naar speler A met de buitenkant van linker voet laten doen i.p.v. binnenkant rechter. Benodigdheden: 4 a 5 ballen, 8 pilonnen en 4 schildjes. Afstanden: De ruimte tussen rij A en B is 10 meter. De afstand tot aan de pilonnen is 10 meter. Vanaf de laatste pilon tot aan de schildjes is 20 meter. Van de schildjes tot aan het doel is 10 meter (diagonaal).
Training 3.0 Dribbelen, samenspel en afwerken De spelers staan in twee rijen opgesteld bij A en B. De spelers in rij B hebben een bal. Als de speler van rij B begint te dribbelen richting pilonnen, loopt de speler van rij A naast hem mee. Op het moment dat speler B de pilonnen nadert speelt hij de bal over naar speler A. Speler A speelt de bal meteen diep voorbij de pilonnen. Speler B is inmiddels met een sprint om de pilonnen heen gelopen en pikt de bal weer op, loopt door tot aan de schildjes en werkt af op het goal, waarbij hij mikt op de ruimte tussen de linker doelpaal en de pilon. Speler A is inmiddels achter aangesloten in rij B en speler B haalt de bal op en sluit achterin aan bij rij A. Speler B: Weet waar je medespeler loopt voordat je hem de bal toespeelt. Nadat je de bal naar speler A gespeelt hebt moet je heel snel om de pilonnen heen sprinten om zo snel mogelijk de bal weer op te pikken. Houd tijdens de sprint wel de bal in de gaten! Afwerken met rechter been! Speler A: Zorg dat je diepe pass (met de binnenkant van je voet) goed gericht is en dat je medespeler de bal kan aannemen vóór de schildjes. De spelers moet uitgelegd worden dat de pilonnen in het echt een verdediger is die je met een één-tweetje voorbij kan spelen. 3.1 In plaats van over rechts kan deze oefening ook over links. In dat geval afwerken met linker been. 3.2 Pilon in doel weglaten en vervangen door keeper. 3.3 Het spelen van de bal van speler B naar speler A met de buitenkant van linker voet laten doen i.p.v. binnenkant rechter. Benodigdheden: 4 a 5 ballen, 8 pilonnen en 4 schildjes. Afstanden: De ruimte tussen rij A en B is 10 meter. De afstand tot aan de pilonnen is 10 meter. Vanaf de laatste pilon tot aan de schildjes is 20 meter. Van de schildjes tot aan het doel is 10 meter (diagonaal).
Training 4.0 Spelen en aannemen van de bal, moment van spelen Opstelling voor 9 spelers met 1 bal. Deze oefening moet met twee ballen maar: Begin eerst met 1 bal: Bij A staan 2 spelers waarvan 1 met bal De speler met de bal bij A begint met het aanspelen van speler B. Na het aanspelen volgt hij de bal richting speler B. Speler B heeft inmiddels de bal aangenomen en doorgespeeld naar speler C. Elke speler volgt na het spelen de bal. De 2 de bal: Als het duidelijk is en de oefening loopt moet er één pilon weggehaald worden. Bij A komen dan 3 spelers te staan waarvan 2 met een bal. De eerste speler met de bal begint met het aanspelen van speler B. Speler B neemt aan en speelt door naar speler C. Als de eerste bal bij speler D is speelt de tweede speler bij A met de bal de bal richting de speler die bij B staat, etc. Er zijn dus twee ballen in het spel. G A C B -Kijk over de bal heen. Dus voor het spelen van de bal kijken waar je de bal naar toe speelt. Staat de volgende speler klaar om je bal aan te nemen of is hij nog bezig met het spelen van de vorige bal?? -Sta klaar om de bal te ontvangen (lichaamshouding). -Speel met de binnenkant van je voet.. -Stop de bal met je linkervoet en speel hem door met je rechtervoet (voorbereiding op het opendraaien!!). -Speel de bal over de grond (laat de bal rollen) -Speel de bal nauwkeurig aan. 4.1 De afstand kan verkleind of vergroot worden. 4.2 Bij vergroting van de afstand kan de bal door de lucht gespeeld worden. 4.3 Breng drie ballen in het spel. Haal hiervoor één pilon meer weg en laat bij A drie spelers met een bal klaar staan (zeer hoge intensiteit!). F E Benodigdheden: Met 1 bal: 9 spelers is 8 pilonnen, 8 spelers is 7 pilonnen etc. Met 2 ballen: 9 spelers is 7 pilonnen, 8 spelers is 6 pilonnen, etc. Afstanden: De afstand tussen de pilonnen is 10 meter. D
Training 5.0 Balaanname, mikken Deze oefening bestaat uit twee onderdelen ter verbetering van de balcontrole. Elk deel duurt ongeveer 7 minuten. Deel 1: De helft van de spelers neemt plaats op de zijlijn met een onderlinge afstand van zo n 4 meter. Tegenover elke speler neemt een andere speler plaats op een afstand van ongeveer twee meter. De spelers op de zijlijn hebben een bal in hun hand en gooien deze in een klein boogje naar de speler tegenover hun. Deze speler speelt de bal met de binnenkant van zijn voet terug in de handen van speler op de zijlijn. De bal mag de grond dus niet raken. Na 4 keer wisselen de spelers: de gooier gaat kaatsen en de kaatser gaat gooien. Toegevoegd spelelement bij oefening 2: Laat de spelers het aantal keren dat het hun lukt de pilon te raken tellen en vraag tijdens en na de oefening de score. Dit motiveert!! Laat ze bij herhaling van de oefening proberen hun score te verbeteren. Deel 2: Twee spelers nemen plaats tegenover elkaar op een afstand van 10 meter, achter hun pilon. De speler met de bal gaat naast z n pilon staan en probeert de pilon van de speler tegenover hem te raken. De speler zonder bal moet steeds achter z n pilon staan en mag dus de poging van de speler tegenover hem niet tegenhouden. Bij oefening 1: - Sta niet stil te wachten op de bal, maar dribbel op je plaatst - Gebruik de binnenkant van je voet. De ene keer je linker de andere keer je rechter. Bij oefening 2: - Gebruik de binnenkant van je voet. - Zorg dat je lichaamshouding goed is: standbeen en schietbeen!!! Benodigdheden: 5 ballen, 10 pilonnen. Afstanden: Zie trainingsverloop en spelregels
Training 7.0 Spelen en aannemen van de bal. Deze opstelling per 2 spelers! Twee spelers nemen plaats tegenover elkaar volgens de tekening hiernaast. De spelers bevinden zich 4 meter voor de pilon. De speler met de bal speelt de bal tussen de twee schildjes door naar de speler aan de overkant. Na het spelen van de bal moet hij om de pilon heen sprinten die achter hem staat. De speler aan de andere kant neemt de bal aan en speelt deze weer terug. Ook hij moet hierna om de pilon heensprinten die achter achter hem staat. Belangrijk is: eerst aannemen, bal stil leggen, kijken waar heen je speelt en dan nauwkeurig hard en strak naar de andere speler spelen. Laat elke speler voor zichzelf bijhouden hoeveel keer het hem lukt de bal tussen de schildjes door te spelen. -Voor het spelen van de bal kijken waar je de bal naar toe speelt. -Sta klaar om de bal te ontvangen (lichaamshouding). -Speel met de binnenkant van je voet en let hierbij op je lichaamshouding.(voordoen!) -Stop de bal ook met de binnenkant van je voet. -Speel de bal over de grond (laat de bal rollen). -Speel de bal nauwkeurig aan. 7.1 De afstand verdubbelen. 7.2 In plaats van sprinten plat op de grond gaan liggen en weer snel opstaan. Hierop zijn talloze variaties denkbaar. 7.3 De spelers nemen de bal aan en sprinten met de bal om de pilon en spelen hem daarna pas terug naar de andere speler. Benodigdheden: Per 2 spelers: 1 bal, 2 pilonnen en 2 schildjes Afstanden: De afstand tussen de pilonnen is 20 meter. De afstand tussen de schildjes is 2 á 3 meter.
Training 8.0 Afwerken De spelers bij A hebben allen n bal. De eerste speler speelt de bal strak naar de speler bij B, maar wijst eerst naar links of rechts, afhankelijk waar hij de bal terug wil hebben. Speler B neemt de bal aan en legt deze breed. De opgelopen speler A werkt af op het doel. Hij kan hierbij de volgende punten verdienen: * schiet hij de pilon om: 3 punten. * tussen pilon en doelpaal scoren, 2 punten. * scoort hij gewoon in het doel: 1 punt. De speler van A neemt de plaats van speler B over. De speler B haalt de bal op en gaat via de poortjes (bal onder poortjes door, speler erlangs) naar het tweede doel, waar dezelfde puntentelling geldt. Na het afwerken haalt hij de bal op en sluit achteraan in de rij bij A. Speler bij A: -Speel de bal strak en hard met de binnenkant voet naar speler B. -Je moet de bal in één keer op het doel schieten. Zorg ervoor dat je goed uitkomt met de aanloop. -Kijk vóór het schieten waar je op mikt en kijk tijdens het schieten naar de bal. -Houd de bal laag!! -Let op de stand van je standbeen. Speler bij B: -Speel de bal niet te hard maar ook niet te zacht!! Het is de bedoeling dat de bal onder de poortjes wordt doorgespeeld met de buitenkant van de voet. Het eerste poortje dus met de buitenkant linkervoet, het tweede met de binnenkant rechtervoet etc. 8.1 De pilonnen in het doel moeten op de doellat geplaatst worden. 8.2 De spelers moeten over de poortjes heen springen. Benodigdheden: 7 ballen en 7 pilonnen. Afstanden: De ruimte tussen A en B is 10/15 meter. De afstand van B tot aan het doel is 15 meter.
Training 9.0 Samenspel (aansluiten van de linies ) Partijvorm De spelers worden verdeeld over twee teams (geen keepers). In geval van ongelijk aantal spelers, is één speler de joker. Er wordt gespeeld met kleine doeltjes. De normale voetbalregels gelden. De spelers mogen echter niet binnen het met schildjes afgezette gedeelte voor het doel komen. Een doelpunt telt alleen als ook de verdedigers van de scorende partij op de helft van de tegenstander staan. Als er wordt gescoord terwijl er zich nog een of meer aanvallers van de tegenpartij op de helft van de scorende partij bevinden dan telt het doelpunt dubbel. - Wacht niet tot de bal bij je is maar kom in de bal. - Voordat de bal bij je is moet je al weten wat je ermee gaat doen, Naar wie kan je de bal spelen? Kijk dus om je heen. - Heeft je teammaatje de bal zorg dan dat je aanspeelbaar bent. - Kijk om je heen: het heeft geen zin om te scoren als je verdedigers nog op de eigen helft staan! Let op veldbezetting balbezit en balbezit tegenstander!!! 9.1 De spelers mogen de bal slechts twee keer raken. Een korte verplaatsing met de bal mag dus niet. Dit vereist een hoog speeltempo! 9.2 De bal moet minimaal 6 x binnen de eigen ploeg overgespeeld zijn voordat er mag worden gescoord. Benodigdheden: hesjes, 2 ballen, 6 pilonnen en ongeveer 15 schildjes. Afmetingen: Een half of een kwart E-veldje. De afstand van de cirkel tot aan het doel is minstens 5 meter.
Training 10.0 Samenspel, max. twee keer raken Partijvorm De spelers worden verdeeld over twee teams. In geval van ongelijk aantal spelers, is één speler de joker. Er wordt gespeeld met E- doeltjes en daarom ook met een keeper. De normale voetbalregels gelden. De spelers mogen de bal echter maar twee keer raken. Raken ze de bal meer, dan is de bal voor de tegenpartij. Er mag niet gescoord worden vanaf de eigen helft. De spelers moet uitgelegd worden dat, omdat ze de bal maar één keer mogen raken, ze geen acties met de bal kunnen doen. Het gaat erom dat de spelers zonder bal zich aanspeelbaar opstellen. - Wacht niet tot de bal bij je is maar kom in de bal. - Voordat de bal bij je is moet je al weten wat je ermee gaat doen, wie je gaat aanspelen, want je mag er niet mee lopen. Kijk dus om je heen. - Heeft je teammaatje de bal zorg dan dat je aanspeelbaar bent. Let op veldbezetting balbezit en balbezit tegenstander!!! 10.1 In plaats van twee keer raken, mogen de spelers de bal één keer raken. Een korte verplaatsing met de bal mag dus niet. Dit vereist een hoog speeltempo! 10.2 In plaats van twee E-doeltjes worden er over de achterlijn verdeeld 5 pilonnen geplaatst. De partij die het eerst 4 van de 5 pilonnen omschiet (aanraken met de bal is ook goed) heeft gewonnen. De keeper is in dit geval een speler die de achterlijn met de pilonnen bewaakt: hij mag nu echter niet zijn handen gebruiken. Benodigdheden: 2 ballen, 6 pilonnen en 2 grrote E- doeltjes. (Voor 10.2 10 grote pilonnen extra) Afmetingen: Een half of een kwart E-veldje.
Training 11.0 Aannemen en afwerken De helft van de spelers staan bij pilon B, de andere helft bij pilon A. In het doel staat een keeper. De spelers bij pilon B hebben allen een bal aan de voet.. Zij spelen de bal in het vak in het midden, dat gemarkeerd wordt door 4 pilonnen. Speler A komt inlopen, neemt de bal (met rechts)aan en loopt met de bal aan de voet tot aan de achterste lijn van het middenvak en werkt af op het doel. In het doel staan aan de binnenkant van de doelpalen twee pilonnen. De opdracht is de bal tussen de pilon en de doelpaal te schieten. Elke keer als dit lukt verdient de speler 1 punt. De speler bij B loopt door naar A en de speler van A die op het doel heeft geschoten pakt de bal op en gaat bij pilon B staan. Speler bij B: - Speel de bal met de binnenkant van de voet, strak en hard in het vierkant. - Let op je lichaamshouding (standbeen, schietbeen etc.). Speler bij A: - Zorg bij het aannemen van de bal dat deze niet van je wegstuit. Houd de bal dicht bij je. - Kijk als je richting doel loopt over de bal heen zodat je goed kan richten en ook ziet waar de keeper staat. - Hou de snelheid erin. Na het aannemen van de bal mag deze niet meer stil liggen. (Vaak wordt de bal eerst nog stil gelegd, dan gekeken, en dan pas geschoten. Als je dit in een wedstrijd zou doen staat er gelijk al een verdediger bij je en is de kans weg.) 11.1 Dezelfde oefening, alleen staat pilon B rechts van het doel. Dus links aannemen. 11.2 Laat afwerken in linker of rechter bovenhoek. 11.3 De bal niet aannemen en meenemen maar gelijk schieten. Benodigdheden: 5 ballen, 8 pilonnen. Afstanden: De rechthoek voor het doel is 5 meter breed en 7 meter diep. De afstand tussen goal en rechthoek is minimaal 10 meter. De afstand tussen pilon A en de rechthoek is ook 10 meter
Training 12.0 Aannemen, terugleggen en diepgaan. De spelers bij A hebben allen n bal. De eerste speler speelt de bal strak naar de speler B voor de pilonnen. Speler B kaatst de bal terug naar speler A die inmiddels al in is komen lopen. Speler A speelt de bal tussen de pilonnen door naar speler B die om de pilonnen heen is diep gegaan. Speler B neemt de bal aan en werkt af op het doel. Speler A neemt de positie van speler B over terwijl speler B de bal ophaalt en achter in de rij aansluit.. 4 3 Speler bij A: -Speel de bal strak en hard met de binnenkant voet. -Houd de bal laag door hem in het midden te raken. -Let op je lichaamshouding: sta klaar om te bewegen. -Na het spelen van de bal gelijk naar voren bewegen Speler bij B: -Speel de bal strak en hard met de binnenkant voet. -Houd de bal laag door hem in het midden te raken. -Houd tijdens je loop om de pilonnen heen in de gaten waar de bal geplaatst wordt. 1 2 Leg aan de spelers uit wanneer deze situatie zich in de wedstrijd voordoet: de pilonnen zijn dan de verdedigers van de tegenpartij die je met een dieptepass kan verrassen. 8.1 De keeper wordt vervangen door twee pilonnen die omgeschoten dienen te worden. 8.2 In plaats van een pass over de grond moet een hoge bal over de verdediging (pilonnen) heen worden gegeven. Benodigdheden: ballen afhankelijk van het aantal spelers. Doel en 7 pilonnen. Afstanden: De ruimte tussen A en B is 10 meter. De afstand van B tot aan het doel is 25 meter.
Training 15.0 Partijvorm Enkele voorbeelden: HM 2006 Het rondspelen van de bal Deze oefening is de bekende rondo. Deze kan in veel variaties gespeeld worden. Belangrijkste is dat alle spelers actief meedoen en ook constant klaar staan. De spelers kunnen gestimuleerd worden door hardop het aantal goede passes te tellen. Wissel de spelers op de lijn en in het midden vaak door. Spelers op de lijn: - Blijf niet op één plaats staan, maar beweeg je zodat je medespelers je de bal kunnen aanspelen. - Sta altijd klaar om te lopen! (geen afwachtende houding). - Speel de bal snel door (kaats). (Anders staat de verdediger voor je en kan je de bal moeilijk overspelen!) - Weet al wie je gaat aanspelen voordat de bal bij je is. - Let op je lichaamshouding bij het spelen van de bal. Spelers in het midden: - Probeer de bal actief te veroveren. - Jaag de tegenstander op en probeer ze zo fouten te laten maken. -15.0. Afhankelijk van het aantal spelers, n vierkant/vijfhoek/zeshoek en twee lummels in het midden. - 15.1 Afhankelijk van het aantal spelers, n vierkant/vijfhoek/zeshoek en drie lummels in het midden. - 15.2 Afhankelijk van het aantal spelers, n vierkant/vijfhoek/zeshoek en twee lummels in het midden en ook nog een speler die bij de spelers op de lijn hoort. De bedoeling is dan de speler in het midden zo vaak mogelijk aan te spelen. - 15.3 De bal één keer raken. - 15.4 I.p.v. een vierkant kan ook een rechthoek gemaakt worden. Op de lange zijden wordt dan niet één maar twee spelers geplaatst. Twee spelers op dezelfde lijn mogen maar één keer naar elkaar overpassen. - 15.5 Etc. etc. etc. Benodigdheden: Afhankelijk van de opstelling. Afmetingen: Ook afhankelijk van de bedrevenheid van de spelers. Hoe beter de spelers, hoe kleiner het speelveld gemaakt kan worden.
Training 19.0 Aanval tegen verdediging Partijvorm HM 2006 De opstelling is als hiernaast aangegeven. De spits begint het spel met balbezit. De aanvallende partij speelt de bal rond op zoek naar een opening in de verdediging. Alle spelers van zowel de aanvallende partij als de verdedigende partij hebben een aangewezen positie. Als het de aanvallers lukt te scoren hebben zij 1 punt. Als het de verdedigende partij lukt de bal te veroveren kunnen zij proberen terug te spelen in de handen van de keeper (2 punten) of over de zijlijn of achterlijn te schieten (1 punt). Na elk punt wordt meteen weer de startpositie ingenomen en begint de oefening opnieuw. Belangrijk is dat de aanvallers de bal in de ploeg moeten zien te houden en n bijna 100% zekere scoringskans zoeken, i.p.v. balverlies door ego-acties of slechte afstandschoten. Aanvallers - Speel de bal voordat de verdediger bij je is. (Speel op zeker!) - Mocht de verdediger te dicht bij komen, scherm dan de bal af met je lichaam. Draai je lichaam tussen de bal en de tegenstander. - Weet al wat je met de bal gaat doen voordat de bal bij je is. Kijk dus om je heen. - Probeer n één-tweetje door de verdediging heen. Zorg daarbij wel dat je oogcontact heb met je teammaatje. - Houd je positie en speel samen. Verdedigers - Probeer actief de bal te veroveren. Ga dus zo snel mogelijk naar de tegenstander toe. - Probeer de bal op het juiste moment af te pakken. Kijk dus goed naar de bal. Op het moment dat je denkt dat de tegenstander wat wil doen met de bal, grijp je je kans. - Jaag de tegenstander op zodat ze fouten maken. - Houd je positie en geef rugdekking. - Als je terugspeelt op de keeper, richt dan naast het doel! 19.1 Op de achterlijn van de aanvallers (aan de zijkanten) wordt met 4 pilonnen twee kleine goaltjes gemaakt. Als het de verdedigende partij lukt de bal te veroveren kunnen zij proberen de bal door één van de poortjes te schieten (2 punten), terug te spelen op de keeper (1 punt) of over de zijlijn of achterlijn te schieten (géén punt maar in ieder geval oog geen doelpunt tegen!). Benodigdheden: 2 ballen, 4 pilonnen, 10 schildjes en 4 hesjes. Afmetingen: Een half E-veld met een E-doel.
Training 21.0 Samenspel Partijvorm De spelers worden verdeeld over twee teams. Het is de bedoeling dat de teams proberen de bal zo lang mogelijk in de eigen ploeg te houden. De trainer telt hardop (als stimulans!) het aantal balwisselingen voordat de andere ploeg de bal weer terugveroverd. Het gaat erom dat de spelers zonder bal zich aanspeelbaar opstellen, zich vrijlopen. - Wacht niet tot de bal bij je is maar kom in de bal. - Heeft je teammaatje de bal zorg dan dat je aanspeelbaar bent - Bij balbezit het speelveld groot maken. - Bij balbezit tegenstander het veld klein houden en de tegenstander opjagen zodat ze misschien een fout maken. - Zorg dat de tegenstander de bal niet kon afspelen op een andere speler dus kijk waar de spelers van de tegenpartij staan. - De opdracht is de bal in de ploeg te houden. Neem dus geen risico en speel de bal over voordat de tegenstander bij je is. Geen acties!! 21.1 De spelers mogen de bal maar 1 of 2 keer raken. Dit vereist een hoog speeltempo! 21.2 Speel met overtal (afhankelijk van het aantal spelers bijvoorbeeld 5 tegen 3 of 6 tegen 3) 21.3 Varieer de grootte van het veld. Hoe beter de spelers het spel beheersen hoe kleiner het veld mag worden. 21.4 Plaats langs de lange zijden van het veld jokers die op de zijlijn moeten blijven. Zij spelen mee met de partij in balbezit. 21.5 Extra spelregel: een ploeg kan scoren door over de achterlijn van de tegenstander te dribbelen. Benodigdheden: 2 ballen, 6 pilonnen en hesjes. Afmetingen: Een kwart E-veld.
Training 22.0 Samenspel Partijvorm De spelers worden verdeeld over twee teams. Het is de bedoeling dat de teams proberen te scoren in het doel van de tegenstander. Dit mag echter pas nadat de bal minstens 6 keer binnen de eigen ploeg is overgespeeld. De trainer telt hardop. 7 2 3 Het gaat erom dat de spelers zonder bal zich aanspeelbaar opstellen, zich vrijlopen. - Wacht niet tot de bal bij je is maar kom in de bal. - Heeft je teammaatje de bal zorg dan dat je aanspeelbaar bent - Bij balbezit het speelveld groot maken. - Bij balbezit tegenstander het veld klein houden en de tegenstander opjagen zodat ze misschien een fout maken. - Zorg dat de tegenstander de bal niet kan afspelen op een andere speler dus kijk waar de spelers van de tegenpartij staan. - Kijk altijd over de bal heen zodat je ziet wat er om je heen gebeurd. 6 1 4 5 22.1 Varieer de grootte van het veld. Hoe beter de spelers het spel beheersen hoe kleiner het veld mag worden 22.2 Plaats langs de lange zijden van het veld jokers die op de zijlijn moeten blijven. Zij spelen mee met de partij in balbezit. 22.3 De bal moet minstens 10 (of meer) keer binnen de eigen ploeg overgespeeld worden voordat er mag worden gescoord. Benodigdheden: 2 ballen, 8 pilonnen, 2 goaltjes en hesjes. Afmetingen: Een kwart of half E-veld.
Training 25.0 Inworp, gevolgd door 1-2 1-Speler A werpt de bal in naar speler B. 2-Speler B speelt de bal direct terug naar speler A. 3-Speler A geeft de bal diep aan speler B die inmiddels snel vrijgelopen is. 4-Vervolgens werkt speler B af op het doel. 5-Speler B haalt de bal uit het doel en sluit aan in de rij bij A. Speler A neemt de positie van B over. 4 5 Inwerper: - Let op hoe je de bal vasthoudt: gespreide vingers en duimen achter de bal. - Twee voeten op de grond en achter of op de lijn. - Probeer de bal over de verdediging (de pilonnen) heen te schoppen, let hierbij op je houding als je schiet (lichaam lichtjes achteroverhellend.) Kaatser: - Sta klaar en neem de bal goed aan (hoofd, borst, knie, voet). - Kaats de bal direct en nauwkeurig in de voeten van de inwerper. - Maak een snelle omtrekkende beweging en loop jezelf vrij. (Zeg tegen de spelers dat de pilonnen een verdediger voorstellen die ze van zich af moeten schudden. - Hou tijdens je actie de bal in de gaten. Neem hem zo snel mogelijk weer aan. - Kijk voor je op het doel schiet waar de keeper staat. 25.1 Speler B staat op dezelfde positie maar speler A gooit de bal over de verdediging (pilonnen) heen. Op het moment dat A gooit maakt B de actie en vangt de bal achter de verdediging op en werkt af op het doel. 3 Benodigdheden: 4 pilonnen en 4 ballen. Bij meer dan 5 spelers 2 van deze opstellingen maken om rijvorming te voorkomen. Afmetingen: A tot B 10 meter. Pilonnen tot doel minstens 20 meter. 2 3 1
Training 27.0 1 tegen 1 Partijvorm HM 2006 In een langwerpig speelvak met aan beide lange zijden een eindvak spelen twee spelers tegen elkaar. De opdracht is de bal in het eindvak van de tegenstander te dribbelen. De speler met de bal begint halverwege terwijl de andere speler vanuit zijn eigen eindvak start. Na elke geslaagde poging wordt er op dezelfde manier opnieuw begonnen. Gaat de bal over de zijlijn dan gaat de bal naar de op dat moment verdedigende speler. Na 4 minuten schuift van elk speelvak één speler door naar het volgende speelvak zodat er steeds andere tegenspelers zijn. Bij een oneven aantal spelers wacht één speler bij het eerste vak. Na 4 minuten bij het wisselen gaat hij het veld in. Balbezit - Maak gebruik van lichaamsschijnbewegingen. Doe alsof je de ene kant opdraait maar ga dan de andere kant op. - Probeer ook de schaarbeweging en andere trucs. - Draai je lichaam tussen de bal en de tegenstander. Maak je lichaam breed met je armen. - Houd de bal héél dicht bij je. Niet in balbezit - Probeer actief de bal te veroveren. Ga dus zo snel mogelijk naar de tegenstander toe. - Probeer de bal op het juiste moment af te pakken. Kijk dus goed naar de bal. Op het moment dat je denkt dat de tegenstander wat wil doen met de bal, grijp je je kans. - Hang tegen de tegenspeler aan: maakt het hem zo moeilijk mogelijk. 27.1 Maak het speelveld breder en plaats een joker op één van de zijlijnen. Benodigdheden: 4 ballen, 16 pilonnen, 16 schildjes. Afmetingen: Elk speelveldje is 4 meter breed en 10 meter lang. De eindvakken zijn 3 bij 1 meter.
Training 28.0 1 tegen 1(met tijdslimiet) Partijvorm HM 2006 In een langwerpig speelvak zoals hiernaast getekend staat één verdediger die het moet opnemen tegen één aanvaller. De verdediger begint met de bal op de achterlijn naast het doel en speelt deze naar de aanvaller die zich op de lijn tegenover hem bevindt. De aanvaller moet proberen te scoren. Hij heeft hier 20 seconden de tijd voor. De trainer telt de seconden af zodat de aanvaller beseft dat hij moet opschieten. Gaat de bal over de zijlijn dan is de beurt over. Na elke beurt wordt de aanvaller verdediger en de verdediger gaat in de rij bij de aanvallers staan. duel Belangrijk in deze oefening is dat het duel opgezocht wordt en dat er felheid in zowel de aanvaller als de verdediger zit. Aanvaller - Maak gebruik van lichaamsschijnbewegingen. Doe alsof je de ene kant opdraait maar ga dan de andere kant op. - Probeer ook de schaarbeweging en andere trucs. - Draai je lichaam tussen de bal en de tegenstander. Maak je lichaam breed met je armen. - Houd de bal héél dicht bij je. Verdediger - Probeer actief de bal te veroveren. Ga dus zo snel mogelijk naar de tegenstander toe. - Probeer de bal op het juiste moment af te pakken. Kijk dus goed naar de bal. Op het moment dat je denkt dat de tegenstander wat wil doen met de bal, grijp je je kans. - Hang tegen de tegenspeler aan: maakt het hem zo moeilijk mogelijk. Baan van de bal Loopactie zonder bal Loopactie met bal (dribbel) Benodigdheden: Om geen wachtrij te krijgen worden er twee veldjes gemaakt. 4 ballen, 8 pilonnen, 8 schildjes. Afmetingen: veld van 4 bij 10 meter.
Training 29.0 2 tegen 3 Partijvorm HM 2006 Twee teams met 2 spelers moeten proberen te scoren. Er speelt echter een joker mee zodat er altijd een team van drie spelers is en één team van twee spelers. De joker wisselt pas van team nadat er gescoord is. Scoort het team van twee spelers dan telt dit doelpunt dubbel. Na een doelpunt wordt de bal van naast het doel weer in het spel gebracht. Een uit-bal wordt niet ingegooid maar gewoon ingeschopt. Belangrijk in deze oefening is dat het duel vermeden moet worden door steeds op tijd de vrijstaande speler aan te spelen. Simpel uitspelen van de overtal situatie. Als er een speler bij loopt die toch steeds weer probeert zelf te scoren door het duel aan te gaan leg hem dan uit dat dit in een wedstrijd een verspeelde kans zou zijn waar z n teammaatjes niet blij mee zijn. Aanvallers - Speel op zeker! Ga dus geen duel aan maar speel de vrije man aan. - Let op de driehoek. - Zorg dat je zelf vrij staat. Stel je aanspeelbaar op. - Kijk als je loopt met de bal over de bal heen zodat je weet wat je medespelers doen. - Maak om je vrij te lopen gebruik van schijnbewegingen met je lichaam om de verdediger van je af te schudden. - Houd de bal dicht bij je. Verdedigers - Probeer actief de bal te veroveren. Ga dus zo snel mogelijk naar de tegenstander toe. - Probeer de bal op het juiste moment af te pakken. Kijk dus goed naar de bal. Op het moment dat je denkt dat de tegenstander wat wil doen met de bal, grijp je je kans. - Jaag de tegenstander op en probeer hem zo fouten te laten maken. 29.1 Joker mag niet scoren. 29.2 Joker mag zich alleen langs één van de zijlijnen bewegen. Benodigdheden per 5 spelers: 1bal, 6 pilonnen, 2 doeltjes. Afmetingen: veld van 10 bij 20 meter.
Training 30.0 Partijvorm HM 2006 2 tegen 2 B2 Een langwerpig speelvak zoals hiernaast getekend is verdeeld in drie vakken. Twee teams met 2 spelers moeten proberen te scoren. De twee verdedigers A2 en B2 mogen echter niet hun vak verlaten en de twee aanvallers mogen met middenvak niet verlaten. Hierdoor zal in het middenvak een 1 tegen 1 duel uitgevochten moeten worden. De aanvallers kunnen echter wel 1-2tjes met hun eigen verdediger maken. Een team heeft gewonnen als zij drie keer gescoord hebben. Na elke score krijgt de verdediger van het team waarbij gescoord is de bal en begint het spel opnieuw. Na drie keer scoren wisselen aanvaller en verdediger van beide teams van plaats. (Zorg dat de verdediger zich niet opstelt als een keeper maar zich aktief opstelt) A1 B1 Belangrijk in deze oefening is dat het duel opgezocht wordt en dat er felheid in zowel de aanvaller als de verdediger zit. Aanvaller - Maak gebruik van lichaamsschijnbewegingen. - Probeer ook de schaarbeweging en andere trucs. - Gebruik je verdediger: speel de bal naar hem en loop je dan vlug vrij. - Draai je lichaam tussen de bal en de tegenstander. Maak je lichaam breed met je armen. - Houd de bal héél dicht bij je. Verdediger - Probeer actief de bal te veroveren. Ga dus zo snel mogelijk naar de tegenstander toe. - Probeer de bal op het juiste moment af te pakken. Kijk dus goed naar de bal. Op het moment dat je denkt dat de tegenstander wat wil doen met de bal, grijp je je kans. - Hang tegen de tegenspeler aan: maakt het hem zo moeilijk mogelijk. - Blijf tussen aanvaller en doel. 30.1 Verdedigers mogen ook scoren (vanuit eigen vak). 30.2 In het middenvak speelt ook een joker. 30.3 Een extra team wacht langs de lijn en neemt de plaats in van het team waarbij gescoord is. Benodigdheden: (max 6 spelers) 2 ballen, 8 pilonnen, 8 à 10 schildjes. Afmetingen: veld van 7 bij 15 meter. Verdedigingsvak is 7 bij 2,5 meter. A2
Training 31.0 HM 2006 Samenspel, 1-2 met afwerken A De spelers bij A hebben allen een bal. Eén voor één dribbelen zij richting de eerste rij pilonnen (moet n verdediger voorstellen) en spelen de bal naar speler B. De bedoeling is dat speler A met speler B een 1-2tje aangaat en de bal weer terugkrijgt bij punt C. Bij punt C dribbelt hij naar de volgende pilonnenrij en gaar vervolgens een 1-2tje aan met speler D. Als speler A de bal terugkrijgt van speler D werkt hij af op het doel waarin afhankelijk van het aantal spelers wel of niet een keeper staat. Na het afwerken haalt speler A de bal weer op en sluit weer aan in de rij. Wissel op tijd de kaatsers. B C - Kijk altijd over de bal heen!!! - Speel de bal nauwkeurig met de binnenkant van je voet naar de kaatser. - Speel de bal over de grond. - Nadat je de bal gespeeld hebt sprint je voorbij je verdediger (de pilonnen) en blijft kijken naar waar de bal zal komen. - Kijk bij het schot op doel waar de keeper staat. D Het nauwkeurig afgeven, aannemen/meenemen is heel belangrijk bij deze oefening. Ook de snelheid in het passeren van de verdediger is van belang. Leg uit wanneer deze situatie zich in het echte spel kan voordoen. 31.1 In plaats van een doel worden er 5 pilonnen geplaatst met voldoende tussenruimte. Een keeper verdedigt de pilonnen. De spelers worden zo gedwongen de bal laag te houden en beter te mikken. Dribbel Baan v.d. bal Loopactie zonder bal Benodigdheden: Ballen afhankelijk van aantal spelers, 10 pilonnen (bij 31.1 15 pilonnen). Afmetingen: afhankelijk van kwaliteit spelers.