Gezondheidsprofiel Nijmegen 2007 - lokale, regionale en landelijke cijfers ter onderbouwing van het lokaal gezondheidsbeleid- colofon auteur(s) M. van der Star, S. Soeterboek met bijdragen van vele andere GGD-medewerkers uitgave GGD Regio Nijmegen datum april 2007/jan 2008 afdeling BEGI
Voorwoord Gezondheid is een boeiend en veelzijdig onderwerp. Dat blijkt wel bij het bekijken van dit gezondheidsprofiel van de gemeente Nijmegen. De informatie varieert van sterfte aan hart- en vaatziekten tot overmatig alcoholgebruik bij jongeren, van noodzaak van opvoedingsondersteuning tot milieurisico's, van sociaal economische gezondheidsverschillen tot verkeersveiligheid, van overgewicht bij jongeren tot mobiliteit van ouderen, van knelpunten bij de zorg voor dak- en thuislozen tot veilig vrijen.. en dan nog veel meer. Het materiaal is in dit gezondheidsprofiel bijeen gebracht om u als gemeente een basis te bieden voor het opstellen van de gemeentelijke nota lokaal gezondheidsbeleid. Zo veel als mogelijk zijn de cijfers tot op gemeenteniveau uitgesplitst. Daar waar geen lokale cijfers beschikbaar zijn, is gebruik gemaakt van regionale of landelijke cijfers. Vier jaar geleden heeft de GGD een vergelijkbare exercitie uitgevoerd. Wel zijn er enkele aanpassingen ten opzichte van vorig keer. Enerzijds zijn er meer lokale, regionale en landelijke gegevens beschikbaar. Anderzijds is het geheel dit keer voorzien van een samenvatting (hoofdstuk 1), specifieke aandachtspunten (hoofdstuk 10) en aanbevelingen (hoofdstuk 11). Hiermee beschouwen we dit gezondheidsprofiel een verbetering ten opzichte van vier jaar geleden. We hebben nu al de verwachting dat we u in de toekomst nog verdere verbeteringen kunnen bieden. Zo is het ons streven om het gezondheidsprofiel beter digitaal beschikbaar te maken. Dat maakt het systeem dan flexibeler om tussentijds gegevens te kunnen vernieuwen of aan te vullen. Maar, zover zijn we nog niet. Voor dit moment spreek ik mijn wens uit dat we u met deze informatie van dienst zijn, ter onderbouwing van de keuzes die u zult moeten maken in het lokaal gezondheidsbeleid. Als GGD blijven we graag met u in gesprek over de bijdrage die wij kunnen leveren bij het nader invullen en mede uitvoeren van het gemeentelijk gezondheidsbeleid. Wim Keijzer, directeur GGD april 2007 pagina 2 van 88
Inhoudsopgave 1 Samenvatting 5 2 Inleiding 10 2.1 Doel en doelgroep 10 2.2 Bronnen 10 2.3 Toekomstplannen 10 3 Hoe staat het met onze gezondheid? 11 3.1 Hoe gezond zijn we? 11 3.1.1 Sterfte en levensverwachting 11 3.1.2 Ervaren gezondheid 12 3.2 Sociaal economische gezondheidsverschillen 13 3.3 Preventie 14 4 Wat zijn de belangrijkste ziekten en wat weten we ervan? 16 4.1 Wat zijn de belangrijkste ziekten of aandoeningen? 16 4.2 Hart - en vaatziekten 17 4.3 Kanker 19 4.4 Psychische stoornissen / psychosociale problemen 23 4.5 Luchtwegaandoeningen 26 4.6 Aandoeningen van het bewegingsstelsel 28 4.7 Ongevallen 29 4.8 Diabetes Mellitus 31 4.9 Infectieziekten 33 5 Hoe staat het met onze leefstijl? 36 5.1 Bewegen 36 5.2 Voeding 40 5.3 Overgewicht 42 5.4 Roken 44 5.5 Alcohol 46 5.6 Drugs 49 5.7 Veilig vrijen 51 6 Hoe staat het met de omgevingsfactoren? 53 6.1 Verkeersveiligheid 53 6.2 Fysieke omgeving / milieu 54 6.2.1 Buitenmilieu/luchtverontreiniging 54 6.2.2 Binnenmilieu 56 6.3 Sociale omgeving 57 6.3.1 Sociale relaties /eenzaamheid 57 6.3.2 Leefbaarheid woonbuurt 58 7 Zorg 59 7.1 Openbare geestelijke gezondheidszorg 59 7.2 Mantelzorg 60 7.3 Thuiszorg 60 7.4 Verzorging en verpleging 61 7.5 Huisartsenzorg en tandartsbezoek 61 7.6 Geestelijke gezondheidszorg 61 7.7 Geneesmiddelengebruik 62 7.8 Hulpmiddelengebruik 63 8 Demografie 64 8.1 Bevolkingsopbouw 2005 64 8.2 Bevolkingsprognoses 64 8.3 Sociaal-maatschappelijke indicatoren 65 8.4 Sociaal economische status per postcodegebied 67 9 Specifieke risicogroepen 68 9.1 Jeugd 68 9.2 Ouderen 68 9.3 Kwetsbare groepen 68 9.3.1 Dak- en thuislozen 69 9.3.2 Alcoholisten 69 9.3.3 Drugsverslaafden 70 9.3.4 (Ex) psychiatrische patiënten 70 pagina 3 van 88
9.3.5 Straatprostituees 71 9.3.6 Verkommerden/huisvervuilers 71 9.3.7 Zorgmijders 72 9.3.8 Multiproblem gezinnen 72 9.3.9 Illegalen 73 9.3.10 Mensen met een lage sociaal -economische status 73 9.3.11 Allochtonen 74 9.3.12 Mensen met een handicap 74 9.3.13 Slachtoffers van huiselijk geweld 75 10 Aandachtspunten vanuit de gezondheidsprofielen 77 10.1 Wat zijn de landelijke aandachtspunten? 77 10.2 Wat zijn regionale aandachtspunten? 77 10.3 Wat zijn de specifieke aandachtspunten voor Nijmegen? 79 11 Aanbevelingen 80 Begrippen- en afkortingenlijst 84 Bijlage 1: berekening sterfte- en incidentiecijfers 85 Bijlage 2: Uitsplitsingen naar stadsdeel 86 pagina 4 van 88
1 Samenvatting Dit gezondheidsprofiel is opgesteld om u als gemeente te voorzien van een zo compleet mogelijk beeld van de gezondheid van de bevolking. Daartoe is alle beschikbare en relevante informatie over de gezondheid en factoren die da armee samenhangen verzameld 1 en overzichtelijk gerapporteerd. De meest gebruikte bronnen zijn: eigen GGD -onderzoeken en -registraties. Maar daarnaast is ook gebruik gemaakt van informatie van anderen zoals het RIVM, CBS, IKO, ROVG, IrisZorg, SCP en anderen. Daar waar geen informatie op gemeentelijk niveau beschikbaar is, zijn regionale gegevens weergegeven. De informatie uit het profiel kan de gemeente gebruiken ter onderbouwing/actualisering van het lokaal gezondheidsbeleid, hetgeen onder andere tot uitdrukking komt via de nota Lokaal Gezondheidsbeleid, welke in 2007 weer moeten worden opgesteld. Hoe staat het met onze gezondheid? (Gezonde) levensverwachting De levensverwachting voor kinderen die in 2003 in de regio Nijmegen geboren zijn, is 78,4 jaar (mannen 75,9 en vrouwen 80,8). Dat is iets lager dan het gemiddelde van heel Nederland (78,8 jaar). Dat komt ook overeen met de sterfte, welke in de regio Nijmegen iets hoger is dan landelijk. De levensjaren worden niet allemaal in gezondheid doorgebracht. De levensverwachting zonder lichamelijke beperkingen is voor inwoners uit de regio Nijmegen 67,6 jaar (NL: 68,7 jaar) en de levensverwachting in goede geestelijke gezondheid is 66,0 jaar (NL: 68,1 jaar). Op deze onderdelen is de situatie in de regio Nijmegen dus ongunstiger dan gemiddeld in Nederland. Overigens zijn dit uitkomsten die in grote lijnen overeenkomen met de gezondheidsprofielen van 2003. Ook toen bleek dat onze regio op de diverse maten van levensverwachting onder het landelijk gemiddelde uitkwam. Sociaal economische gezondheidsverschillen De sociaal economische status (SES) van mensen is ongelijk verdeeld. De SES van de inwoners van de regio Nijmegen scoort relatief laag, vergeleken met het landelijk gemiddelde. Ook de stad Nijmegen scoort (net als de meeste steden) onder het landelijk gemiddelde. Maar uiteraard bestaan ook binnen Nijmegen grote verschillen in de SES van de inwoners. De gezondheid van mensen blijkt duidelijk samen te hangen met deze sociaal economische verschillen. Op basis van landelijk onderzoek blijkt dat mensen met een lage opleiding gemiddeld bijna vier jaar korter leven en dat de levensverwachting in goede gezondheid (zonder lichamelijke beperkingen) bijna tien jaar korter is dan bij mensen met een hoge opleiding. Ook in Nijmegen spelen dergelijke sociaal economische gezondheidsverschillen een rol. De oorzaak van dergelijke verschillen is complex. Moeilijkere leefomstandigheden, ongezondere leefgewoonten en slechtere woon- en werksituatie spelen een elkaar versterkende rol. Preventie De collectieve preventie draagt, naast de zorg, een aanzienlijke bijdrage aan de volksgezondheid in Nederland. Landelijk wordt gesteld dat er momenteel vooral veel gezondheidswinst te behalen is met gezondheidsbevordering. Het bevorderen van een gezonde leefstijl is dan ook het landelijke hoofdthema voor preventiebeleid (preventienota 'Kiezen voor gezond leven'). Ongezonde leefgewoonten vormen een groot risico voor bijvoorbeeld hart- en vaatziekten, kanker, chronische luchtwegaandoeningen en diabetes (type 2). Ongezond gedrag staat niet op zichzelf, maar hangt sterk samen met de sociale en fysieke omgeving waarin mensen opgroeien, naar school gaan, wonen, werken en recreëren. Wat zijn de belangrijkste ziekten? De 'ziekten' waaraan de meeste levensjaren verloren gaan 2, zijn: coronaire hartziekten, longkanker, beroerte, borstkanker, COPD 3, darmkanker en suïcide. Dit zijn, met uitzondering van suïcide, ziekten die voor een groot deel dezelfde risicofactoren kennen: roken, overgewicht, ongezonde voeding, te weinig bewegen en overmatig alcoholgebruik. Voor de regio en de stad Nijmegen geldt dat de sterfte aan hart- 1 Veelal betreft het reeds eerder gepubliceerd materiaal. 2 Verloren levensjaren: bij dit criterium telt een overlijden van iemand die jong is, zwaarder mee dan een overlijden van iemand die oud is. 3 COPD = Chronic Obstructive Pulmonary Diseases, hieronder vallen de chronische longaandoeningen: longemfyseem en chronische bronchitis. Vroeger werd met name de term CARA gebruikt hieronder valt naast de COPD-ziekten ook astma. pagina 5 van 88
/vaatziekten, longkanker, COPD en darmkanker hoger is dan gemiddeld in Nederland. De sterftekans is echter niet het enige relevante criterium. Ook een niet-dodelijke aandoening kan de kwaliteit van leven ernstig aantasten, evenals een ziekte die men wel overleeft, maar waaraan men duidelijke restverschijnselen overhoudt. De ziekten die de kwaliteit van leven het meest aantasten, zijn: angststoornissen, coronaire hartziekten, depressie, beroerte en artrose. In dit lijstje valt op dat hier de psychische stoornissen een duidelijke plaats innemen. De psychische gezondheid is in de regio Nijmegen iets ongunstiger dan gemiddeld in Nederland. Voor de meeste psychische stoornissen geldt dat een vroegtijdige signalering, gevolgd door een juiste behandeling kan helpen om de ernst van de aandoening onder controle te houden en daarmee de maatschappelijke participatie en de kwaliteit van leven te bevorderen. Bij depressie bestaan er ook mogelijkheden voor preventie. Naast de medisch gedefinieerde psychische stoornissen, bestaan er ook psychosociale problemen. Dit zijn minder vast omschreven problemen met ook een sociale component. Hieronder wordt gerekend: gedragsproblemen, opvoedings problemen en problemen met betrekking tot sociaal contact. Infectieziekten zijn in Nederland niet terug te vinden in bovengenoemde overzichten. Dat was honderd jaar geleden wel anders. Door een actieve inzet door middel van vaccinaties, beschermingsmaatregelen, actieve opsporing en snel handelen bij een uitbraak wordt getracht de huidige gunstige situatie te handhaven, met tot nu toe een positief resultaat. Hoe staat het met onze leefstijl? Een ongezonde leefstijl is een risico voor veel van bovengenoemde ziekten. Tot een ongezonde leefstijl wordt onder andere gerekend: roken, ongezonde voeding, weinig bewegen en overmatig alcoholgebruik en het gebruik van drugs. Ook veilig vrijen valt onder leefstijl. Dat is in belang ter voorkoming van seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA). Overgewicht is een risicofactor voor onder andere hart- /vaatziekten en diabetes (type 2). Overgewicht is op zichzelf geen leefstijlfactor, maar het hangt wel sterk samen met de leefstijlfactoren voeding en bewegen. De leefstijl in de regio Nijmegen lijkt niet veel af te wijken van het Nederlands gemiddelde. Dat is echter geenszins een geruststelling aangezien dat Nederlands gemiddelde voor diverse factoren beslist ongunstig is. De consumptie van groente en fruit daalt. Van de jongeren in Nijmegen eet maar 43% dagelijks groente en 32% eet dagelijks fruit en de helft beweegt te weinig. Eén op de zeven kinderen heeft overgewicht, bij volwassenen is dit twee op de vijf. Alcoholgebruik laat met name bij jongeren een trend zien dat steeds jonger steeds meer gedronken wordt: bijna een kwart van de jongeren van 13-16 jaar geeft aan in de voorgaande maand dronken of aangeschoten te zijn geweest. Het roken laat een licht dalende trend zien, maar toch wordt nog d oor 32% van de volwassenen gerookt. Daarmee blijft roken nog steeds de leefstijlfactor die de grootste bijdrage levert aan de ziektelast. Het veilig vrijen lag in de jaren negentig erg hoog, vanwege de angst voor HIV/Aids. De laatste jaren neemt het veilig vrijen weer af en daarmee gepaard gaand, neemt het aantal SOA toe. Bij seksueel actieve jongeren in de leeftijd tot 17 jaar in Nijmegen ligt het condoomgebruik lager dan gemiddeld in Oost Nederland. Er wordt door de gemeenten/ggd en andere instellingen via diverse kanalen al veel gedaan aan het bevorderen van een gezonde leefstijl. Toch valt er op dit vlak nog veel winst te boeken. In hoofdstuk 5 worden hier nog veel suggesties voor gegeven. Hoe staat het met de omgevingsfactoren? De verkeersveiligheid is in de periode 2001-2005 toegenomen. Het aantal verkeersslachtoffers (ziekenhuisopname of overlijden) is in die jaren in de regio Nijmegen gedaald van 214 (in 2001) naar 151 (in 2005). De meeste slachtoffers zijn tussen de 18-44 jaar. In het buitenmilieu speelt vooral luchtverontreiniging (o.a. NOx, fijnstof, ozon) een grote rol. Dit wordt veroorzaakt door uitstoot van verkeer en industrie. Deels komt die uitstoot van binnen de regio maar een deel komt simpelweg de regio binnenwaaien. Omdat mensen zo'n 70-80% van hun tijd binnenshuis doorbrengen is het binnenmilieu ook van groot belang voor de gezondheid. De laatste jaren is het duidelijk geworden, dat energiebesparende maatregelen zoals isolatie en tochtwering een keerzijde kennen. De noodzakelijke ventilatie is daardoor verminderd. Om die reden is het binnenmilieu vaak sterker vervuild dan het buitenmilieu. Vervuilende facto - ren in het binnenmilieu zijn: CO 2 (zeker in ruimte waar veel mensen bijeen zijn zoals scholen), tabaks - rook, radon (een radioactief gas dat van nature vrijkomt uit de (klei)bodem en uit bouwmaterialen) en vocht (met risico's op schimmel en huisstofmijt hetgeen allergische klachten kan veroorzaken). Verbetering van het binnenmilieu kan bereikt worden door aandacht hiervoor bij (ver)bouw en ventilatiegedrag. pagina 6 van 88
Sociale omgeving Wat betreft sociale relaties zit het bij de jeugd wel goed. De meeste jongeren vinden dat ze voldoende vrienden hebben en ook thuis hebben de meeste jongeren het goed naar hun zin. Bij ouderen, met name boven d e 75 jaar is dit beeld anders. Het sociale netwerk verkleint door verlies aan partner en andere generatiegenoten (familie, vrienden, kennissen). Een teruglopende mobiliteit vermindert dan ook nog de mogelijkheid om zelfstandig naar buiten te gaan. Zestien procent van de Nijmeegse ouderen geeft aan dat ze matig tot ontevreden zijn over hun sociale contacten en 11% is (zeer) ernstig eenzaam. Zorg De vergrijzing maakt dat er in de toekomst meer en andere zorg nodig is. Doordat het aantal ouderen toeneemt, maar ook door de huidige leefstijl en het overgewicht, zal in de komende 20 jaar de ziektelast van chronische ziekten van de oude dag met soms 40% of meer toenemen. Dit vraagt om meer zorg, maar ook om andere zorg, onder andere een verdere verschuiving van genezing naar verzorging. Dertien procent van de ouderen in Nijmegen geeft aan dat ze mantelzorg ontvangen, vooral door de kinderen en de partner. In de praktijk kan dit hoger zijn, omdat veel ouderen de hulp van kinderen of partner als vanzelfsprekend beschouwen. De druk op mantelzorgers zal toenemen. Dit wordt niet alleen veroorzaakt door vergrijzing, maar ook door de WMO, die als uitgangspunt heeft dat iedereen in eerste instantie voor zichzelf en de familie zorgt. Daarnaast kan het potentieel aan mantelzorgers, maar overigens ook aan professionele zorg, afnemen door ontgroening. Ondersteuning van de mantelzorgers wordt daardoor steeds belangrijker. Ook de behoefte aan thuiszorg zal sterk toenemen. Hier dient in de toekomst rekening mee gehouden te worden, ondanks dat het aantal contacten van ouderen met de thuiszorg in de regio iets lager ligt dan in de rest van Oost Nederland. Naast degenen (23%) die contact hebben gehad met de thuiszorg, heeft ook bijna een kwart van de ouderen behoefte aan (nog extra) huishoudelijke hulp. Verder is er ook nog de geestelijke gezondheidszorg. De RIAGG wordt in de regio Nijmegen ongeveer even vaak bezocht als in Nederland. De verslavingszorg daarentegen laat een gunstiger beeld zien voor de maatschappelijke opvang/verslavingszorg-regio Nijmegen. De afgelopen jaren is het aantal cliënten in de regio iets gedaald terwijl landelijk het aantal cliënten is gestegen. Alleen het aantal cocaïne cliënten stijgt, zowel regionaal als landelijk. Deze aantallen geven een indruk en k omen niet overeen met het werkelijk aantal verslaafden. Het aantal ingeschreven cliënten wordt sterk bepaald door het aantal verslaafden dat zich meldt bij een ambulante instelling en aan het beleid van de ambulante instelling. Het geneesmiddelengebruik in de regio is over het algemeen lager (geneesmiddelen op recept) of vergelijkbaar (niet voorgeschreven geneesmiddelen) met Nederland. Toch heeft een kwart van de ouderen in Nijmegen het voorgaande jaar slaap- en/of kalmeringsmiddelen gebruikt. Antidepressiva worden in de regio Nijmegen wel wat vaker gebruikt dan landelijk. Dit laatste bevestigt het beeld dat de regio niet gunstig scoort op het gebied van psychische problematiek. Ten slotte is het hulpmiddelengebruik onder ouderen in de regio Nijmegen hoger dan in de rest van Oost Nederland. Dit geldt zowel voor hulpmiddelen bij het lopen als voor hulpmiddelen bij het vervoer als voor hulpmiddelen bij dagelijkse activiteiten. Met de vergrijzing van de bevolking wordt de vraag hiernaar groter. Demografie De leeftijdsopbouw van Nijmegen wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van een grote studentenpopulatie. Daarnaast heeft de stad in vergelijking met Nederland wat minder ouderen. Mede daardoor zal de vergrijzing in Nijmegen wat minder sterk spelen dan in veel andere gemeenten in de regio. Voor het overige wordt Nijmegen gekenmerkt door een relatief lage sociaal economische status. Specifieke risicogroepen Jeugd Kinderen en jongeren hebben in het algemeen nog weinig te maken met lichamelijke ziekten en aandoeningen. Er kunnen echter in deze levensfase al wel ongezonde leefgewoonten inslijten (weinig bewegen, ongezonde voeding, overmatig alcoholgebruik, roken) die later in het leven, als de gevolgen ervan wel gaan tellen, moeilijk meer te wijzigen zijn. De leve nsstart is echter niet alleen van belang voor de lichamelijk gezondheid. Minstens zo belangrijk is de aandacht voor de psychosociale ontwikkeling pagina 7 van 88
van een kind. Opvoedingsproblemen, gezinsproblemen, (huiselijk) geweld, gebrek aan aandacht en liefde werken door in de rest van het leven. Een multidisciplinaire aanpak biedt hiertoe de beste mogelijkheden. Vanuit het landelijk beleid worden er nieuwe initiatieven ontwikkeld, zoals de Centra voor Jeugd en Gezin. Het is van belang om hier regionaal en lokaal goed invulling aan te geven, aansluitend bij de bestaande situatie en bestaande netwerken. Ouderen Ondanks soms forse beperkingen zijn veel ouderen tevreden met hun leven. Zij zijn soms nog actief op diverse terreinen. Het behoud van de maatschappelijke parti cipatie en zelfredzaamheid is bij deze mensen van groot belang. Hulpmiddelen, woningaanpassingen en passende vervoersmogelijkheden zijn hierbij van groot belang. Naast lichamelijk zijn zeker ook psychosociale problemen van belang bij ouderen. Door verlies van dierbaren en het afhankelijk worden van zorg, kunnen ouderen zich depres - sief of eenzaam gaan voelen. Door de vergrijzing zal het beroep op de zorg sterk toenemen. Een speciaal punt van gemeentelijke aandacht is de mantelzorg. Het is de vraag of de beoogde mantelzorgers het groeiend beroep dat op hen gedaan zal (moeten) worden, aan zal kunnen. Kwetsbare groepen Hieronder verstaan we diegenen die om uiteenlopende oorzaken in onze maatschappij extra kwetsbaar zijn op het vlak van lichamelijke, geestelijke en/of sociale problemen. Een groot deel van de kwetsbare groepen valt onder het werkterrein van de OGGZ. Het gaat dan om dak - en thuislozen, alcoholisten, drugsverslaafden, (ex)-psychiatrische patiënten, straatprostituees, verkommerden/ huisvervuilers, zorgmijders, vereenzaamde ouderen, multi-problem gezinnen en illegalen. Maar ook buiten de directe OGGZ-doelgroep zijn er groepen die extra kwetsbaar zijn: mensen met een lage sociaal-economische status (SES), allochtonen, mensen met een handicap en slachtoffers van huiselijk geweld. Een kenmerk van de kwetsbare groepen is dat de diverse probleemgebieden elkaar kunnen overlappen. Zo hebben bijvoorbeeld veel dak- en thuislozen ook te maken met psychiatrische problematiek, verslaving of zorgmijding. Juist deze overlap blijkt in de praktijk voor problemen te zorgen bij de hulpverlening. Veel van deze kwetsbare groepen zijn in absolute aantallen gezien, relatief klein. Ze verdienen echter de aandacht vanuit de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de gemeente. De omvang van de lage SES-groep is een stuk groter. Dat geldt ook voor de slachtoffers van huiselijk geweld, alhoewel die problematiek (nog) voor een groot deel 'onzichtbaar' is. Aandachtspunten voor de gemeente Nijmegen (uitgebreide versie in hoofdstuk 10) Op basis van de informatie uit dit profiel zijn dertien punten gekozen waarvoor we, om verschillende redenen, extra aandacht van de gemeente vragen bij het opstellen van het gemeentelijk gezondheidsbeleid. De redenen zijn: dat het punt veel bijdraagt aan de (preventie van) belangrijkste ziekten/aandoeningen, dat de tendens zich ontwikkelt in een ongunstige richting, dat het gebaseerd is op wettelijke taken en/of dat de gemeente hierop een maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft. De aandachtspunten voor de gemeente Nijmegen zijn (in willekeurige volgorde): Voldoende bewegen op alle leeftijden Gezonde voeding bij kinderen en volwassenen Overgewicht bij kinderen Alcoholgebruik bij jongeren Roken Veilig vrijen Psychisch welzijn Sociaal Economische Gezondheidsverschillen Vergrijzing Mobiliteit van ouderen Milieu en gezondheid Infectieziektenbestrijding Gezondheidsproblemen bij kwetsbare groepen pagina 8 van 88
Aanbevelingen (uitgebreide versie in hoofdstuk 11) 1. Preventie van gezondheidsproblemen integraal aanpakken met de gemeente als initiator en regisseur. 2. Verminder de sociaal economische gezondheidsverschillen door multidisciplinaire aanpak binnen sociaal zwakkere wijken. 3. Weeg bij alle keuzes en beslissingen met betrekking tot gezondheid en gezondheidsbeleid expliciet af of de maatregel of interventie in voldoende mate bijdraagt aan het verkleinen van de sociaal economische gezondheidsverschillen. 4. Pak preventie van gezondheidsproblematiek, waar dat mogelijk is, samen met andere gemeenten, op regionaal niveau aan. 5. Bevorder de gezonde leefstijl van de bevolking en in het bijzonder die van kinderen en jongeren. Vooral op het gebied van: bewegen en voeding (beide samenhangend met overgewicht), roken, overmatig alcoholgebruik en veilig vrijen. Aan de gemeente(n) de aanbeveling om hierop lokaal of regionaal regie te voeren, overeenkomstig de bovenstaande aanbevelingen. 6. Start op korte termijn met het ontwikkelen van een lokale visie op de vormgeving van het Centrum voor Jeugd en Gezin, waarbij rekening gehouden wordt met de lokale (infra)structuur. 7. Bevorder de vroegtijdige signalering van psychische en psychosociale problemen, zowel onder jongeren als onder ouderen (depressie) 8. Bevorder de maatschappelijke participatie van ouderen 9. Wees voorbereid op de gemeentelijke taak bij een (grootschalige) uitbraak van besmettelijke ziekten (zoals een influenza-pandemie). 10. Bouw de medisch milieukundige zorg om van re -actief naar pro-actief. 11. Initieer en stimuleer de opzet van een OGGZ-monitor. 12. Verbreden of opzetten van wijknetwerken bestaande uit verschillende disciplines (zorg, welzijn en veiligheid) en gericht op diverse kwetsbare groepen. 13. Investeer in het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek. 14. Investeer in outreachend werken bij zorgmijders. pagina 9 van 88
2 Inleiding 2.1 Doel en doelgroep Het primaire doel van het gezondheidsprofiel is om u als gemeente in de regio Nijmegen te voorzien van een zo compleet mogelijk beeld van de gezondheid (en samenhangende factoren) van de bevolking. Daar waar geen informatie op gemeentelijk niveau beschikbaar is, zijn regionale gegevens weergegeven. De informatie in dit profiel kan u als gemeente gebruiken ter onderbouwing/actualisering van het lokaal gezondheidsbeleid, hetgeen onder andere tot uitdrukking komt via de nota lokaal gezondheidsbeleid, welke in 2007 weer moet worden opgesteld. De informatie uit dit profiel kan echter ook gebruikt worden ter onderbouwing van beleid op aanverwante sectoren (onderwijs, jeugdbeleid, WMO, ouderenbeleid, sport en recreatie etc). Hoewel de gemeente de primaire doelgroep vormt is het overduidelijk dat de bijeengebrachte informatie in dit profiel ook voor de GGD zelf en voor andere partijen (zoals aanbieders op het gebied van zorg en welzijn) van belang is. De GGD stelt dit profiel mede op vanuit de wettelijke taak o m inzicht te geven in de gezondheid van de bevolking 4. 2.2 Bronnen De belangrijkste bronnen voor de lokale en regionale gegevens zijn de onderzoeken van de GGD van de afgelopen vier jaar. Dit betreft dan met name: de jongeren -enquête E-MOVO (2003/2004), het ouderenonderzoek (2005/2006), diverse thema-onderzoeken jeugd (mondgezondheid, overgewicht, beweging en voeding) en de quick scan kwetsbare groepen (2006). De jongeren- en ouderenenquête zijn uitgevoerd in een samenwerking tussen de zes GGD'en in Oost Nederland. Voor de volwassenen stond een vergelijkbaar onderzoek gepland voor 2006/2007, maar dat kon helaas niet doorgaan doordat een aantal van de GGD'en zich om organisatorische en personeelstechnische redenen terugtrok. De volwassenenmonitor is nu uitgesteld (waarschijnlijk) tot 2008/2009. Naast eigen onderzoek van de GGD zijn ook gegevens gebruikt van andere bronnen, met name het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Gelderland (ROVG) en enkele andere kleine bronnen. Specifiek voor de gemeente Nijmegen is ook gebruik gemaakt van de Nijmegen Biomedische Studie 5 van 2003. Voor de literatuurgegevens, de landelijke cijfers, regionale vergelijking en verdiepende analyses is dankbaar gebruik gemaakt van drie producten van het RIVM. Dit betreft twee websites: 'Nationaal Kompas Volksgezondheid' en de 'Nationale Atlas Volksgezondheid', en het rapport: Volks gezondheidstoekomstverkenningen (VTV) 2006. De VTV 2006 heeft de onderbouwing gegeven voor de rijkspreventienota: 'Kiezen voor Gezond Leven', welke in oktober 2006 is uitgekomen. 2.3 Toekomstplannen De gezondheidsprofielen in de huidige vorm komen één keer in de vier jaar uit, terwijl de monitoring van de gezondheid van de bevolking een min of meer continu proces is. Zo vindt in het najaar van 2007 weer een nieuwe ronde van de jongeren-enquête (E -MOVO) plaats. Deze gegevens zouden dan pas weer in 2011 in de nieuwe profielen terecht komen. Om dat nadeel weg te nemen gaat de GGD op zoek naar mogelijkheden om de profielinformatie in de toekomst via een website weer te geven. Dit geeft dan de mogelijkheid om steeds de meest actuele gegevens beschikbaar te stellen. De plannen hiertoe zijn nog niet concreet uitgewerkt. Bij enkele andere GGD'en zijn plannen in ontwikkeling voor een geavan - ceerde en interactieve systeem. In afwachting van de evaluatie en kosten/baten -afweging daarvan zal in onze regio vooralsnog gezocht worden naar een eenvoudige vorm. We streven ernaar om de uitkomsten van E-MOVO 2007/2008 al op die wijze te kunnen invoegen. Overigens zullen de uitkomsten van de E-MOVO -onderzoeken ook apart gerapporteerd worden op een vergelijkbare wijze als in 2003/2004. 4 WCPV, artikel 2 lid 2a: Ter verwezenlijking van het bepaalde in het eerste lid draagt de gemeenteraad in ieder geval zorg voor: het verwerven van, op epidemiologische analyse gebaseerd, inzicht in de gezondheidssituatie van de bevolking. Deze taak omvat in ieder geval het eenmaal per vier jaar, voorafgaand aan de opstelling van de nota gemeentelijk gezondheidsbeleid, bedoeld in artikel 3b, op landelijk gelijkvormige wijze verzamelen en analyseren van gegevens omtrent deze gezondheidssituatie. 5 Nijmegen Biomedische Studie is een onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen i.s.m. de GGD en de gemeente Nijmegen. pagina 10 van 88
3 Hoe staat het met onze gezondheid? 3.1 Hoe gezond zijn we? De gezondheid in Nederland is, net als in de ons omringende landen, typerend voor een welvarend land. De kindersterfte is laag en infectieziekten zijn voor een groot deel onder controle. De sterfte is het hoogst aan zogeheten welvaartsziekten als hart-/vaatziekten en kanker. Gezondheid is echter meer dan lichamelijke gezondheid. Bij de oprichting van de World Health Organisation in 1946 is een definitie voor gezondheid vastgesteld, welke nog steeds internationaal het meest gehanteerd wordt: "Gezondheid is een toestand van compleet fysiek, mentaal en sociaal welbevinden en is niet alleen van toepassing op de afwezigheid van ziekte of een handicap." Zo'n breed begrip laat zich niet eenduidig in één maat passen. En het antwoord op de vraag 'Hoe gezond zijn we' is dan ook makkelijker te stellen dan te beantwoorden. Toch is er nationaal en internationaal in toenemende mate behoefte aan het meten, monitoren en vergelijken van gezondheid van de bevolking. In de VTV-2006 staan vele van dergelijke maten beschreven. In deze paragraaf zullen de meest relevante hiervan kort besproken worden. Sommige maten zijn alleen op landelijk niveau beschikbaar, andere maten ook regionaal of lokaal. 3.1.1 Sterfte en levensverwachting In de regio Nijmegen is de totale sterfte 5% hoger dan landelijk (significant). Uitgesplitst naar gemeente zijn er verschillen te zien. De sterfte in Ubbergen, Groesbeek en Nijmegen is hoger dan het landelijke gemiddelde. In Heumen en Mook en Middelaar is de sterfte lager dan landelijk. Doordat gestandaardiseerd is naar leeftijd spelen verschillen in leeftijds opbouw geen rol in de verklaring van de verschillen. Een factor die wel een rol kan spelen is de aanwezigheid in een gemeente van een verpleeghuis met een sterke regionale functie. Dit aspect kan een rol spelen bij de hogere sterfte in Ubbergen. Ook in de jaren 1995-1999 was de sterfte in Nijmegen (en Groesbeek en Ubbergen) boven het landelijk gemiddelde en in Heumen en Mook en Middelaar onder het gemiddelde. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de sterfte per ziekte, uitgesplitst naar gemeenten en vergeleken met landelijke cijfers. In bijlage 1 wordt de betekenis van SMR's nader beschreven. Tabel 1: Totale sterfte, SMR's 6 totaal afgerond op hele getallen (2001-2004) NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch mannen 100% 105% 103% 95% 110% 73% 106% 77% 110% 107% 107% 102% vrouwen 100% 106% 107% 94% 118% 89% 98% 70% 108% 129% 102% 104% Sterfte totaal 100% 105% 105% 95% 114% 81% 102% 74% 109% 118% 104% 104% Bron: GGD Nederland, CBS doodsoorzakenstatistiek Vetgedrukt betekent: significant hoger dan in Nederland. Schuin- en vetgedrukt betekent: significant lager dan in Nederland. De levensverwachting voor kinderen die in 2003 in de regio Nijmegen geboren zijn, is 78,4 jaar (mannen 75,9 en vrouwen 80,8). Dat is iets lager dan het gemiddelde van heel Nederland (78,8 jaar). Deze jaren worden echter niet allemaal in gezondheid doorgebracht. Gemiddeld leeft men in de regio Nijmegen 61,6 jaar in goede ervaren gezondheid en men leeft gemiddeld 67,6 jaar zonder lichamelijke beperkingen. Een ander aspect is de geestelijke gezondheid. Inwoners van de regio Nijmegen leven gemiddeld 66 jaar in goede geestelijke gezondheid. Dit is twee jaar korter dan het Nederlands gemiddelde (zie figuur 1). Ook de levensverwachting zo nder lichamelijke beperkingen ligt in de regio lager dan het landelijk gemiddelde (zie tabel 2). 6 SMR (standardised mortality ratio): een naar leeftijd gestandaardiseerd sterftecijfer. Dit cijfer geeft aan in hoeverre in de betreffende gemeente/regio sterfte vaker (indien SMR groter dan 100) of minder vaak (indien SMR kleiner dan 100) voorkomt dan in Nederland. pagina 11 van 88
Tabel 2: Levensverwachting en gezonde levensverwachting (in jaren) regio Nijmegen heel Nederland totaal mannen vrouwen totaal mannen vrouwen levensverwachting 78,4 75,9 80,8 78,8 76,2 80,9 levensverwachting in goede ervaren gezondheid 61,1 62,1 60,9 62,0 62,2 61,7 levensverwachting zonder lichamelijke beperkingen 67,6 67,7 67,6 68,7 69,0 68,3 levensverwachting in goede geestelijke gezondheid 66,0 68,0 64,2 68,1 68,9 67,1 Bron: Nationale Atlas Volksgezondheid, RIVM Figuur 1: levensverwachting in goede geestelijke gezondheid. 3.1.2 Ervaren gezondheid Ervaren gezondheid, ook wel subjectieve gezondheid of gezondheidsbeleving, weerspiegelt het oordeel over de eigen gezondheid. Ervaren gezondheid is een samenvattende gezondheidsmaat van alle gezondheidsaspecten die relevant zijn voor de persoon in kwestie. Deze onderliggende gezondheids - aspecten variëren per persoon, maar hebben vaak betrekking op zowel de lichamelijke als de geestelijke gezondheid. Voorbeelden zijn ziekten, lichamelijke beperkingen, fitheid, vermoeidheid en depressieve gevoelens. Ook leefstijlfactoren, zoals voeding, roken en lichamelijke activiteit kunnen mede het oordeel over de eigen gezondheid bepalen. Hoe slechter iemand zijn eigen gezondheid ervaart, hoe hoger de kans op overlijden. Dit lijkt een open deur. Maar het is opmerkelijk te zien dat deze enkelvoudige subjectieve vraag een sterkere voorspeller is voor sterftekans dan vele objectievere maten. De jongeren beoordelen hun gezondheid in het algemeen heel positief. Slechts 1 op de 10 jongeren in de regio Nijmegen benoemt de gezondheid als matig (9%) of slecht (1%). In Nijmegen ligt dit iets hoger (samen 12%). Bij de ouderen is dit logi scherwijze hoger. Bijna eenderde van de ouderen beoordeelt de eigen gezondheid als matig of slecht. Tabel 3: per gemeente: oordeel over de eigen gezondheid matig of slecht Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch jongeren 8% 10% 9% 8% 9% 8% 14% 10% 12% 15% 12% 6% ouderen 30% 31% 31% 35% - 25% - - 31% - - 30% - betekent: geen representatief beeld voor de betreffende gemeente bron: jongeren: GGD regio Nijmegen, E-Movo 2003/2004, bij 13-17-jarigen ouderen: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 pagina 12 van 88
3.2 Sociaal economische gezondheidsverschillen Alvorens we spreken over sociaal economische gezondheidsverschillen, staan we even stil bij het begrip sociaal economische status (SES). Hieronder wordt verstaan de positie die iemand inneemt in de sociale hiërarchie. Dit wordt veelal gemeten aan de hand van opleiding, inkomen of beroepsstatus. Uit de VolksgezondheidstoekomstVerkenning 2006 van het RIVM blijkt dat de sociaal economische status van de regio Nijmegen als geheel relatief laag is (zie figuur 2a). Dit komt mede door de SES van de gemeente Nijmegen die (ondanks de aanwezigheid van de universiteit) relatief laag is 7. Figuur 2a: Sociaal economische status per GGD-regio. Uit landelijk onderzoek blijkt dat de gezondheid van mensen met een lage sociaal-economische status (SES) op bijna alle fronten slechter is dan die van de Nederlander met een hoge sociaal-economische status. Zij ervaren hun gezondheid vaak als minder goed en ze hebben vaker chronische aandoeningen en beperkingen. Concreet blijkt dat mensen met een lage sociaal -economische status gemiddeld bijna vier jaar korter leven en dat zij negen tot tien jaar korter doorbrengen in goede gezondheid (zonder lichamelijke beperking) dan mensen met een hoge sociaal-economische status (zie figuur 2). Figuur 2b: levensverwachting (in NL) uitgesplitst naar opleidingsniveau. 7 De SES in steden is vrijwel altijd lager dan gemiddeld. Omdat de stad Nijmegen een relatief groot aandeel heeft in de bevolking van de regio Nijmegen werkt het stadseffect, sterker dan bij vele grotere GGD'en, ook door in het regionale beeld. Overigens is ook de SES in Groesbeek en delen van andere gemeenten relatief laag. pagina 13 van 88
De minder goede gezondheid komt voor een deel door het verhoogd voorkomen van gezondheids - risico's. Landelijk onderzoek toont aan dat personen met een lage SES een minder gezonde leefstijl hebben: zij roken en drinken meer (en zijn ook minder succesvol in pogingen om te stoppen met roken), eten minder groenten en fruit en bewegen minder. Deze groepen verkeren bovendien vaak in moeilijker leefomstandigheden dan welgestelde Nederlanders, zoals minder controle over eigen leven en werk, meer dagelijkse beslommeringen, ongunstige verhouding tussen inspanningen en (materiële) beloning, een zekere sociale uitsluiting en meer ingrijpende levensgebeurtenissen (scheiding, verlies van dierbaren). Ook zijn woon- en werkomstandigheden vaak minder gunstig voor de gezondheid. Gezondheidsverschillen zijn echter ook voor een deel het gevolg van gezondheidsselectie. Juist een slechtere gezondheidstoestand kan ertoe hebben geleid dat iemand tot een lagere SES-groep behoort. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat men door gezondheidsproblemen niet (volledig) kan deelnemen aan het arbeidsproces. Tot slot blijft tot op heden een deel van de samenhang tussen SES en gezondheid onverkla ard. De sociaal economische gezondheidsverschillen concentreren zich vaak op het niveau van buurten. Een 'goedkope' buurt met een slechte kwaliteit van woningen, minder gunstige omgevingskenmerken en gebrekkige voorzieningen selecteert vooral kansarmen, t erwijl kansrijken er juist wegtrekken. Maar ook de slechte kwaliteit van woningen en de lokale omgeving zelf kunnen een ongunstige invloed op de gezondheid hebben, bijvoorbeeld vochtige woningen en hoge niveaus van luchtverontreiniging en lawaai. Bovendien kunnen heersende sociale normen ten aanzien van gezonde gedrag en maatschappelijk verkeer ongunstig uitpakken voor de gezondheid in de buurt. Gezondheidsachterstanden zijn kortom sterk verweven met achterstanden op tal van andere terreinen. De vrijheid om te kiezen voor gezond gedrag is daarom in de praktijk vaak beperkt, vooral voor mensen met een lage sociaal-economische status (VTV2006). Sociaal economische gezondheidsverschillen staan op zich los van verstedelijking. Maar in een stad, zoals Nijmegen, zijn de verschillen vaak, meer dan in kleine gemeenten, sterker zichtbaar door cumulatie in bepaalde wijken. Dit biedt de mogelijkheid voor een wijkgerichte aanpak. In bijlage 2 zijn zoveel mogelijk parameters uit deze profielen uitgesplitst naar stadsdel en. Zeker niet voor alle aspecten was uitsplitsing mogelijk, maar daar waar het wel mogelijk is, ondersteunt het beslist de aanname dat ook in Nijmegen de gezondheid hand in hand gaat met de sociaal economische positie. 3.3 Preventie De collectieve preventie draagt, naast de zorg, een aanzienlijke bijdrage aan de volksgezondheid in Nederland. Vooral bij infectieziekten en hart- en vaatziekten is de sterfte door medische zorg en collectieve preventie in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald. Bij kanker is die bijdrage kleiner geweest. De bijdrage van medische zorg aan de sterftedaling tussen 1970 en 1989 wordt geschat op 25% en die van collectieve preventie op 20%. De winst op de kwaliteit van leven komt hier nog bij. De gemeenten hebben een wettelijke taak in preventie. Ze dienen maatregelen te treffen ter 'bevordering van de volksgezondheid'. Deze maatregelen kunnen worden ingedeeld in: - gezondheidsbescherming (verkeersmaatregelen, bouwvoorschriften); - ziektepreventie (vaccineren en screenen); - gezondheidsbevordering (mensen stimuleren om niet te roken en gezond te eten). Preventiebeleid is erop gericht dat mensen langer in goede gezondheid leven en verschillen in gezondheid tussen sociaal economische milieus te verkleinen. Landelijk wordt gesteld dat er momenteel vooral veel gezondheidswinst te behalen is met gezondheidsbevordering. Het bevorderen van een gezonde leefstijl is dan ook het landelijke hoofdthema voor preventiebeleid (preventienota 'Kiezen voor gezond leven'). Ongezonde leefgewoonten vormen een groot risico voor bijvoorbeeld hart- en vaatziekten, kanker, chronische luchtwegaandoeningen en diabetes (type 2). Ongezond gedrag staat niet op zichzelf, maar hangt sterk samen met de sociale en fysieke omgeving waarin mensen opgroeien, naar school gaan, wonen, werken en recreëren. Daarom is de vrijheid om te kiezen voor gezond gedrag voor veel groepen nog beperkt (zie ook 3.2). Bevorderen van gezond gedrag vergt een intensieve aanpak. Die aanpak is niet alleen gericht op het individu maar ook op de omgeving. Hierbij kunnen het beste verschillende interventiemethoden tegelijkertijd worden ingezet. Vaak wordt gekozen voor een aanpak waarbij voorlichting, omgevingsgerichte maatregelen, wet- en regelgeving en andere pagina 14 van 88
gezondheidsbeschermende maatregelen gelijktijdig worden ingezet. Vaak wordt in de praktijk bij een integrale aanpak niet ingezet op één specifiek gezondheidsprobleem maar op verschillende problemen of risicogedragingen tegelijk. Dat gebeurt in verschillende settings: de wijk, de werkplek, de school en de zorg. Deze settings spelen een cruciale rol bij de uitvoering van een effectieve aanpak. Voorwaarde voor een integrale aanpak van preventie is de ondersteuning vanuit het beleid, niet alleen vanuit de volksgezondheidsector zelf, maar ook vanuit andere sectoren, zoals ruimtelijke ordening, transportbeleid, sociaal beleid, jeugdbeleid en onderwijs. We spreken dan over integraal gezondheids - beleid. In de landelijke preventienota 'Kiezen voor gezond leven' wordt gekozen voor vijf speerpunten in preventie. Ten eerste drie leefstijlfactoren: het voorkomen en tegengaan van roken, schadelijk alcoholgebruik en overgewicht (via voeding en bewegen). Dit levert een grote bijdrage aan het beperken van de belangrijkste volksgezondheidsproblemen in Nederland. Daarnaast zijn ook twee ziekten tot speerpunt gekozen: diabetes en depressie. In de bijlage van de preventienota 'Kiezen voor gezond leven' van het ministerie van VWS worden deze speerpunten verder uitgewerkt. Er wordt daarbij nader ingegaan op de bijbehorende gezondheidsproblemen, het preventiebeleid en op de bijbehorende preventieactiviteiten. In de toekomst tenslotte, zullen door vergrijzing onder meer chronische ziekten sterk toenemen. Blijvende aandacht van de overheid voor gezondheidsbevordering kan in de komende jaren de toename in het vóórkomen van chronische ziekten, zoals diabetes, hart- en vaatziekten en longkanker, aanzienlijk verminderen. In hoofdstuk 4 worden de belangrijkste ziekten besproken, waarbij ook steeds wordt aangegeven w at de preventiemogelijkheden zijn. In hoofdstuk 5 wordt nader ingegaan op de leefstijlfactoren en andere gezondheidsdeterminanten en die paragrafen worden afgesloten met een overzicht van wat er nu al aan preventie plaatsvindt en wat er nog meer nodig en w enselijk is. pagina 15 van 88
4 Wat zijn de belangrijkste ziekten en wat weten we ervan? 4.1 Wat zijn de belangrijkste ziekten of aandoeningen? Het antwoord op de bovenstaande vraag hangt nauw samen met de interpretatie van het woord belang - rijk. Oftewel welk criterium kies j e voor het belang van een ziekte of aandoening. De verschillende criteria, geven verschillende uitkomsten: criterium Welke ziekten/aandoeningen komen het meest voor? de belangrijkste ziekten/aandoeningen nek-/rugklachten, eczeem, artrose, coronaire hartziekten, diabetes mellitus Met welke ziekten/aandoeningen komt men het meest bij de huisarts of andere zorgverlener? luchtweginfecties, nek-/rugklachten, sportongevallen, urineweginfecties, privé-ongevallen Wat zijn de belangrijkste doodsoorzaken? Aan welke 'ziekten' gaan de meeste levensjaren 9 verloren? Welke ziekten/aandoeningen tasten de kwaliteit van leven het meest aan? Welke ziekten/aandoeningen veroorzaken de grootste ziektelast 10? coronaire hartziekten, beroerte, longkanker, dementie, COPD 8 coronaire hartziekten, longkanker, beroerte, borstkanker, COPD, darmkanker, suïcide angststoornissen, coronaire hartziekten, depressie, beroerte, artrose coronaire hartziekten, angststoornissen, beroerte, depressie, COPD Welke ziekten/aandoeningen zijn het verstandelijke handicap, dementie, gebitsproblemen, duurst? beroerte, coronaire hartziekten (Bron: Nationaal Kompas Volksgezondheid, RIVM) In bovenstaand overzicht is te zien dat de criteria verschillende uitkomsten geven m.b.t. de belangrijk ste ziekten en aandoeningen, maar een aantal ziekten zien we regelmatig terug. Deze ziekten en aandoe - ning zijn hieronder ingedeeld in hoofdgroepen: hart- en vaatziekten: met name coronaire hartziekten, beroerte kanker: met name longkanker, borstkanker, darmkanker psychische problemen: met name angststoornissen, depressie en demen tie luchtwegaandoeningen: met name COPD aandoeningen van het bewegingstelsel: met name nek-/rugklachten en artrose ongevallen: met name privé-ongevallen en sportletsels diabetes m ellitus In de hiernavolgende paragrafen worden deze ziekten, de oorzaken en de preventiemogelijkheden nader besproken. Als laatste paragraaf worden de infectieziekten besproken. Deze zijn niet het belangrijkste uitgaande van de bovengenoemde criteria. Dat was honderd jaar geleden wel anders. In potentie kunnen de infectieziekten nog steeds de volksgezondheid bedreigen. Met name daarom is de infectieziektebestrijding middels een specifieke wettelijke taak (infectieziektenwet) bij gemeenten neergelegd. Deze taak wordt met name via de GGD uitgevoerd. 8 COPD = Chronic Obstructive Pulmonary Diseases, hieronder vallen de chronische longaandoeningen: longemfyseem en chronische bronchitis. Vroeger werd met name de term CARA gebruikt hieronder valt naast de COPD-ziekten ook astma. 9 Verloren levensjaren: bij dit criterium telt een overlijden van iemand die jong is, zwaarder mee dan een overlijden van iemand die oud is. 10 Bij dit criterium is er een weging van enerzijds de kwaliteit van leven en anderzijds het aantal jaren dat iemand ziek is. pagina 16 van 88
4.2 Hart- en vaatziekten Samengevat Hart - en vaatziekten zijn de belangrijkste oorzaak van sterfte, verloren levensjaren en ziektelast. Sterfte is de laatste decennia sterk gedaald, door verbeterde behandeling en daling roken. Sterfte aan hart-/vaatziekten (totaal) onder mannen is in de regio Nijmegen wat hoger dan landelijk. Risicofactoren zijn: voeding (te veel verzadigd vet, te weinig groente en fruit), overmatig alcoholgebruik, roken, weinig bewegen, overgewicht, hoge bloeddruk, hoog totaalcholesterolgehalte van het bloed, diabetes mellitus. Preventie met name via: leefstijl (roken, voeding, beweging) en vroege opsporing en behandeling van hoge bloeddruk, cholesterol en diabetes. Feiten over hart- en vaatziekten Hart- en vaatziekten zijn onder te verdelen in coronaire hartziekten, beroerte, hartfalen en overige harten vaatziekten. Coronaire hartziekten kenmerken zich door vernauwing in de kransslagaders, die de zuurstofvoorziening van het hart verzorgen: denk hierbij aan het acuut hartinfarct en angina pectoris. Bij beroerte gaat het om een stoornis van de hersenfunctie door onvoldoende doorbloeding. De meest voorkomende vormen hiervan zijn het herseninfarct en hersenbloeding. Een beroerte wordt ook wel CVA (Cerebro Vasculair Accident) genoemd (bron: Hartstichting). Ondanks dat de sterfte de laatste 25 jaar in Nederland sterk gedaald is, staan de coronaire hartziekten en beroerte op plaats 1 en 2 van meest voorkomende doodsoorzaken en 1 en 3 van verloren levens jaren. Een aantal risicofactoren laten een gunstige landelijke trend zien, maar anderen een ongunstige: + daling hoog totaal cholesterol, daling rokers, daling transvetzuren in de voeding toename overgewicht, toename diabetes mellitus, daling groente -, fruit- en vezelconsumptie. Regionale en lokale cijfers Hart- en vaatziekten vormen een veel voorkomende chronische aandoening zoals ook blijkt uit de gegevens van het ouderenonderzoek. Bijna eenderde van de 65-plussers heeft een hoge bloeddruk (door arts vastgesteld). Tabel 4: per gemeente: vóórkomen van aandoeningen van het hart- en vaatstelsel bij ouderen Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch hartinfarct 5% 5% 6% 6% - 3% - - 5% - - 4% beroerte 6% 6% 4% 6% - 5% - - 6% - - 7% andere ernst. hartaand. 9% 9% 11% 13% - 6% - - 9% - - 9% hoge bloeddruk 32% 30% 31% 35% - 28% - - 29% - - 32% - betekent: geen representatief beeld voor de betreffende gemeente bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 (zelfrapportage, naar eigen zeggen door arts vastgestelde aandoening) De sterfte aan hart - en vaatziekten is in Nijmegen (net als in de regio als geheel) significant hoger dan landelijk (tabel 5). Dit komt in Nijmegen door een hogere sterfte onder mannen. In de periode 1995-1999 lag de sterfte aan hart- en vaatziekten in Nijmegen vrijwel gelijk aan het landelijk gemiddelde. In vergelijking met steden in de regio is de situatie in Nijmegen niet ongunstig. Steden als Arnhem, Oss, en Tilburg hebben een hogere sterfte aan hart-/vaatziekte. Eindhoven en Doetinchem hebben vergelijkbare cijfers als Nijmegen en 's -Hertogenbosch en Deventer scoren gunstiger. Tabel 5: Hart- en vaatziekten (HVZ), sterfte (2000-2004) in Nijmegen aantal SMR 11 SMR SMR SMR man vrouw man vrouw totaal regio Nijmegen Hart en vaatziekten algemeen 1105 1148 111% 99% 105% 104% Coronaire hartziekten 426 323 107% 99% 104% 101% Acuut hartinfarct 303 238 107% 99% 104% 101% Overige hartziekten 257 273 106% 84% 93% 94% Hersenvaatletsels (CVA) 225 354 112% 105% 108% 108% Bron: GGD Nederland, CBS doodsoorzakenstatistiek Vetgedruk t betekent: significant hoger dan in Nederland / Schuin- en vetgedrukt betekent: significant lager dan in Nederland. 11 SMR (standardised mortality ratio): een naar leeftijd gestandaardiseerd sterftecijfer. Dit cijfer geeft aan in hoeverre in de gemeente/regio sterfte vaker (SMR groter dan 100) of minder vaak (SMR kleiner dan 100) voorkomt dan in Nederland. pagina 17 van 88
Een vergelijking van de 10 gemeenten in de regio laat zien dat er een duidelijke fluctuatie is tussen de gemeenten. De sterfte aan HVZ is in Groesbeek en Nijmegen significant verhoogd. In Mook en Heumen is het significant verlaagd. Tabel 6: Hart- en vaatziekten (HVZ), SMR's mannen en vrouwen totaal afgerond op hele getallen (2000-2004) NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch totaal HVZ 100% 104% 110% 95% 118% 79% 103% 71% 105% 106% 106% 104% Bron: GGD Nederland, CBS doodsoorzakenstatistiek Vetgedrukt betekent: significant hoger dan in Nederland. Schuin- en vetgedrukt betekent: significant lager dan in Nederland. Preventiemogelijkheden De preventiemogelijkheden richten zich op twee sporen: vroege opsporing van risicofactoren en bevordering gezonde leefstijl. Bij de opsporing en behandeling van risicofactoren gaat het met name om: hoge bloeddruk, diabetes en overgewicht. Hierin is vooral een rol weggelegd voor de (eerstelijns) gezondheidszorg. Diverse fondsen op het gebied van gezondheid (Hartstichting, Diabetesvereniging, Nierstichting) ondersteunen het opstellen van richtlijnen hiervoor. Bij het bevorderen van een gezonde leefstijl gaat het vooral om: niet roken, lage consumptie van verzadigd vet, hoge groente - en fruitconsumptie, geen overmatig alcoholgebruik, voldoende bewegen en voorkómen van overgewicht. In hoofdstuk 5, pagina 36, staat nader beschreven wat in de regio Nijmegen plaatsvindt aan preventieactiviteiten op deze leefstijlfactoren. pagina 18 van 88
4.3 Kanker Samengevat Kanker is de verzamelnaam voor verschillende ziekten met verschillende risicofa ctoren, overlevingskans en behandelmogelijkheden. Meest voorkomende vormen zijn borstkanker, dikkedarmkanker, longkanker en prostaatkanker. Trend (landelijk): alle kankervormen samen vertonen lichte stijging, dit wordt met name veroorzaakt door de vergrijzing. Borstkanker blijft vrij stabiel, dikkedarmkanker kent lichte stijging, longkanker stijgt bij vrouwen en daalt bij mannen. Dit laatste is een weerspiegeling van het rookgedrag in de jaren 1965-1990. Risicofactoren van longkanker zijn grotendeels bekend (met name roken en arbeidsblootstelling), van de overige kankervormen zijn de risicofactoren in (veel) mindere mate bekend. De sterfte aan kanker en de incidentie (aantal nieuwe gevallen) van alle soorten kanker samen, ligt in de regio Nijmegen (net als 4 jaar geleden) iets hoger dan het landelijk gemiddelde. De verhoogde sterfte in de regio betreft dikke darmkanker en longkanker, de verhoogde incidentie betreft luchtwegkanker en borstkanker. Preventiemogelijkheden: voor sommige vormen via vroege opsporing middels bevolkingsonderzoek: momenteel voor borstkanker en baarmoederhalskanker. Er zijn proefprojecten voor screening op dikkedarmkanker. Voor het overige met name via het bevorderen van gezonde leefstijl. Dat is echter een proces van lange adem omdat de periode tussen blootstelling aan risicofactoren en het ontstaan van de ziekte tientallen jaren kan beslaan. Feiten over kanker Kanker is een verzamelnaam voor een aantal verschillende ziektes. Deze ziekten hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat er sprake is van ongeremde celdeling, maar qua risicofactoren, behandeling, overlevingskans en preventiemogelijkheden zijn de aandoeningen verschillend. De kankervormen waar per jaar het hoogst aantal nieuwe gevallen van worden ontdekt (incidentie), zijn in afnemende volgorde: borstkanker, dikkedarmkanker (colon/rectum), longkanker, prostaatkanker, huidkanker, non Hodgkin lymfomen en slokdarmkanker. Aangezien de overlevingskans per kankersoort verschilt, laat de sterfte aan kanker een iets andere volgorde zien. De hoogste sterfte wordt veroorzaakt door longkanker, gevolgd door dikkedarmkanker, borstkanker, prostaatkanker en maagkanker. Trend De landelijke trend is verschillend voor de diverse kankervormen: bij borstkanker is het aantal nieuwe gevallen vrij stabiel en er is een lichte daling in sterfte (door betere behandelingsmogelijkheden). Dikkedarmkanker laat een lichte stijging zien. Bij longkanker is er een stijging bij de vrouwen, maar een lichte maar gestage daling bij de mannen. Deze tegengestelde trend weerspiegelt precies de ontwikkeling in het rookgedrag tussen mannen en vrouwen in de afgelopen decennia. Bij mannen is al langer een (lichte) afname van het percentage rokers gaande, bij vrouwen was er nog lange tijd sprake van een toename van het aantal rokende vrouwen. Risicofactoren Bij longkanker zijn de risicofactoren vrij duidelijk in beeld. Bij de andere vormen verklaren bekende risicofactoren maar een beperkt deel van het ontstaan van de ziekte (zie onderstaande tabel). Borst Risicofactoren Erfelijke factoren, kinderloosheid, eerste zwangerschap op latere leeftijd, eerste menstruatie op jonge leeftijd, late overgang, overgewicht na de overgang, overmatig alcoholgebruik, pilgebruik, hormoongebruik tijdens de overgang. Deze factoren verklaren samen minder dan de helft van alle borstkankergevallen. pagina 19 van 88 Beschermende factoren borstvoeding (?) lichamelijke aktivit. (?) (Dikke) darm Erfelijke factoren, overgewicht, voedingsfactoren: vlees (?), vleeswaren (?). Deze factoren verklaren maar een klein deel van de darmkankergevallen. lichamelijke activiteit, groente, fruit, vezel (?) Long Roken, meeroken, arbeidsblootstelling aan asbest, koolteer, arseen. Roken groente en fruit verklaart 90% van alle longkankergevallen. Prostaat Geen risicofactoren bekend. onbekend Huid Lichte huid, blond/rood haar, blootstelling aan zonlicht, meerdere keren heftig verbrand zijn (zonnebrand) op jonge leeftijd. Deze factoren verklaren maar een deel van de gevallen van huidkanker. onbekend Lymfklier/ beenmerg Risicofactoren grotendeels onbekend. Bekende factoren of vermoedens: radioactieve straling, chemicaliën (benzeen), virussen (Epstein-Barr?), verlaagde afweer, bestrijdingsmiddelen. onbekend Slokdarm Roken, overmatig alcoholgebruik groente en fruit
Na blootste lling aan risicofactoren kan het lange tijd duren voordat de ziekte zich openbaart. Vermindering in blootstelling (bijv. door gezondere leefstijl) zal daardoor pas na tientallen jaren het voorkomen van kanker beïnvloeden. Incidentie en sterfte Als indicatieve maten voor het bepalen hoe vaak kanker in de regio of gemeente voorkomt, gebruiken we twee verschillende begrippen: incidentie en sterfte. Incidentie is het aantal nieuwe gevallen van kanker dat in een bepaalde periode ontstaat. Hier hebben we 5 jaar als periode genomen (1999-2003) zodat we redelijke aantallen kregen. Hierdoor is de fluctuatie van het aantal nieuwe gevallen van kanker over de tijd enigszins ondervangen waardoor uitspraken 'stabieler' en daardoor betrouwbaarder worden. Het aantal nieuwe gevallen van kanker geeft niet weer hoeveel mensen er aan kanker overlijden. Gelukkig genezen er (steeds meer) mensen van kanker. Daarom is als tweede indicatieve maat voor kanker, de sterfte aan kanker meegenomen. Ook hier is telkens de sterfte in 5 jaar (2000-2004) samengenomen om grotere en stabielere cijfers te krijgen. Zowel de incidentie als de sterfte kan in de regio of een gemeente(niet noodzakelijkerwijs allebei) verhoogd, of verlaagd zijn ten opzichte van Nederland. Dit zijn we nagegaan door SIR 's en SMR's te berekenen. Een SIR (standardised incidence ratio) is een naar leeftijd gestandaardiseerd incidentiecijfer. Dit cijfer geeft aan in hoeverre in de gemeente/regio de ziekte vaker (SIR groter dan 100) of minder vaak (SIR kleiner dan 100) voorkomt dan in Nederland. Een SMR is hetzelfde maar dan voor sterfte. Hierbij zijn verschillen in leeftijdsopbouw tussen de gemeente/regio enerzijds en Nederland anderzijds verdisconteerd en spelen dus geen rol meer. Door het berekenen van SIR's en SMR's worden verschillen in incidentie en sterfte ten opzichte van het Nederlands gemiddelde inzichtelijk gemaakt. Afwijkingen van dit Nederlands gemiddelde zijn geen uitzondering. Een landelijke kaart met gemeentelijke kankersterftecijfers laat zien dat grote steden en gemeenten met een lage sociaal economische score in het algemeen wat ongunstigere uitkomsten geven. Maar ook daarnaast zijn er uitschieters naar boven en naar beneden zichtbaar welke niet logisch verklaarbaar zijn. Opmerkingen bij regionale en lokale cijfers Vergelijking sterfte en incidentie aan kanker Verderop in deze paragraaf wordt geregeld geconcludeerd dat de sterfte of incidentie verhoogd of verlaagd is. Soms is de incidentie en sterfte beide verhoogd, soms één van de twee. Wanneer de incidentie (het aantal nieuwe gevallen) verhoogd is, hoeft de sterfte niet noodzakelijkerwijs ook verhoogd te zijn. Hieronder wordt ingegaan op mogelijke verklaringen. Een verhoogde incidentie en een niet verhoogde sterfte Een verhoogde incidentie (aantal nieuw e gevallen) ten opzichte van Nederland hoeft niet automatisch gerelateerd te zijn aan een verhoogde sterfte ten opzichte van in Nederland op datzelfde moment. Tussen het krijgen van kanker en het eventueel overlijden aan kanker zit een bepaalde periode. Dus wanneer in een bepaalde periode tegelijkertijd zowel naar de incidentie als naar de sterfte aan kanker wordt gekeken, zal de op dat moment gevonden sterfte relateren aan de incidentie in het verleden. Een verhoogde incidentie op dat moment kan wel leiden tot een verhoogde sterfte in de toekomst. Vroege signalering door bijvoorbeeld nieuw ingevoerde screeningen of snellere verwijzing voor nader onderzoek kunnen leiden tot het opsporen van meer nieuwe gevallen van kanker die anders (nog) niet ontdekt zouden zijn. Indien een regio, ten opzichte van Nederland, voorloper is op dergelijke vormen van vroege signalering dan zal dit leiden tot een verhoogde incidentie. Het werkelijk aantal gevallen van kanker is dan niet verhoogd, maar wel het gevonden aantal gevallen. Evenzo kan een regionaal of lokaal hoge opkomst (hoger dan landelijk gemiddeld) bij kankerscreeningen zorgen dat er meer gevallen dan elders (vroegtijdig) worden ontdekt. Deze hogere incidentie komt dan doordat er minder onontdekte gevallen zijn. Een verhoogde sterfte en een niet verhoogde incidentie. Een verhoogde sterfte hoeft niet automatisch gerelateerd te zijn aan een verhoogde incidentie. Door bijvoorbeeld verbeterde leefstijlfactoren, kunnen er minder nieuwe kankergevallen ontstaan terwijl tegelijkertijd de sterfte verhoogd kan zijn als gevolg van bijvoorbeeld een slechtere leefstijl in het verleden. pagina 20 van 88
Totale sterfte aan kanker verhoogd terwijl sterfte aan individuele kankertypen niet verhoogd Het kan zijn dat in een gemeente de totale sterfte (of incidentie) aan kanker verhoogd is terwijl de sterfte aan de vier genoemde kankertypen niet verhoogd is. Totaal kanker omvat echter meer dan alleen de hier genoemde kankertypen. Zo kan het gebeuren dat deze niet genoemde kankertypen (samen) zorgen voor een verhoogde totale kankersterfte (of -incidentie). Dezelfde SMR, ene gemeente significant, andere niet Het komt voor dat twee gemeenten dezelfde SMR (of SIR) hebben, terwijl de SMR van de ene gemeente wel significant afwijkt van die van Nederland, en de SMR van de andere gemeente niet. Dit kan verklaard worden doordat kleine gemeenten een relatief sterkere variatie in hun jaarlijks aantal sterfgevallen hebben dan grotere gemeenten. In een kleinere gemeente kan hierdoor niet zo snel geconcludeerd worden dat een SMR of SIR significant afwijkt van de Nederlandse, omdat deze gebaseerd kan zijn op toevalsfluctuaties in de tijd. In een grotere gemeente kan dezelfde SMR of SIR wel significant afwijken van de Nederlandse, omdat de kans kleiner is dat deze sterftecijfers gebaseerd zijn op toevalsfluctuaties. In bijlage 1 wordt de SMR en SIR nader uitgelegd. Regionale en lokale cijfers Incidentie (het aantal nieuwe gevallen) In de regio Nijmegen is het aantal mensen waarbij in de periode 1999-2003 kanker is geconstateerd hoger dan gemiddeld in Nederland. Hierbij is rekening gehouden met verschillen in leeftijdsopbouw. O ok in Nijmegen geldt dat het aantal nieuwe gevallen van kanker hoger is dan gemiddeld in Nederland. Dit geldt voor de drie meest voorkomende kankervormen: dikke darmkanker, longkanker en borstkanker. Bij vrouwen is deze verhoging relatief sterker dan bij mannen. Voor kankerincidentiecijfers is geen vergelijking met 4 jaar geleden of met andere steden beschikbaar. Tabel 7: Kankerincidentie, SIR's 9 (gestandaardiseerde incidentiecijfers in vergelijking met Nederland) Nijmegen (1999-2003) in vergelijking met de regio Nijmegen aantal SIR 12 SIR SIR SIR totaal totaal regio Nijmegen man vrouw man vrouw Nijmegen Kanker totaal 1880 2011 116% 122% 119% 109% Dikke darm kanker 233 256 108% 119% 114% 105% Luchtwegkanker * 350 173 123% 142% 129% 112% Borstkanker - 693-128% 128% 121% Prostaatkanker 310-97% - 97% 92% Bron: Integraal Kankercentrum Oost 2006, CBS Statline, bewerking: GGD Regio Nijmegen *luchtpijp (-vertakkingen) en long Vetgedrukt betekent: significant hoger dan in Nederland. Een vergelijking van de tien gemeenten in de regio laat zien dat de meeste gemeenten boven het Nederlands gemiddelde liggen. Tabel 8: Kankerincidentie, SIR's 9 (gestandaardiseerde incidentiecijfers in vergelijking met Nederland) regionaal en per gemeente, totaal mannen en vrouwen (1999-2003) NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch totaal kanker 100% 109% 107% 93% 114% 112% 112% 114% 119% 102% 103% 106% Bron: Integraal Kankercentrum Oost 2006, CBS Statline, bewerking: GGD Regio Nijmegen * luchtpijp (-vertakkingen) en long vetgedrukt betekent: significant afwijkend van het Nederlands gemiddelde Sterfte Indien alle kankervormen samen worden genomen blijkt de sterfte in de jaren 2000-2004 in de regio Nijmegen en in de stad Nijmegen, net als vier jaar geleden, hoger te liggen dan het landelijk gemiddelde. Dit wordt met name veroorzaakt door een hogere sterfte aan darmkanker en longkanker. Daarentegen is er een verlaagde sterfte aan prostaatkanker. Een vergelijking met andere steden in de omgeving laat zien dat de situatie in Nijmegen ongunstiger is dan steden als Eindhoven, Oss, Doetinchem en Deventer, maar nog iets gunstiger dan Arnhem en Tilburg. 12 SIR (standardised incidence ratio): een naar leeftijd gestandaardiseerd incidentiecijfer. Dit cijfer geeft aan in hoeverre in de gemeente/regio de ziekte vake r (SIR groter dan 100) of minder vaak (SIR kleiner dan 100) voorkomt dan in Nederland. pagina 21 van 88
Tabel 9: Kanker sterfte, SMR's 10 (gestandaardiseerde sterftecijfers in vergelijking met Nederland) (2000-2004) Nijmegen aantal SMR 13 SMR SMR SMR man vrouw man Vrouw totaal Nijmegen totaal regio Nijmegen Kanker totaal 1009 934 110% 115% 113% 107% Dikke darm kanker 110 130 114% 127% 120% 119% Luchtwegkanker* 328 167 118% 141% 125% 107% Borstkanker - 169-107% 107% 106% Prostaatkanker 91-89% - 89% 84% Bron: GGD Nederland, CBS doodsoorzakenstatistiek *luchtpijp (-vertakkingen) en long Vetgedrukt betekent: significant hoger dan in Nederland. Schuin- en vetgedrukt betekent: significant lager dan in Nederland. Bij de andere gemeenten binnen de regio is geen sprake van een significant hogere sterfte aan kanker. Tabel 10: Kanker sterfte, SMR's 10 totaal van mannen en vrouwen afgerond op hele getallen (2000-2004) NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch Kanker totaal 100% 107% 101% 108% 106% 91% 111% 86% 113% 107% 99% 102% Bron: GGD Nederland, CBS doodsoorzakenstatisti ek *luchtpijp (-vertakkingen) en long Vetgedrukt betekent: significant hoger dan in Nederland. Preventiemogelijkheden Voor borstkanker en baarmoederhalskanker bestaat een bevolkingsonderzoek (screening) voor vroege opsporing van deze ziekten. Bij borstkanker geldt dit bevolkingsonderzoek voor vrouwen van 50-75 jaar. De opkomst in de regio Nijmegen is goed te noemen. In 2004-2005 was de opkomst voor het bevolkingsonderzoek borstkanker het laagst in de gemeente Nijmegen (77%), en lag tussen de 80 tot 86% in de omliggende gemeenten. De landelijke opkomst bedroeg van 2000 tot 2002 jaarlijks 79%. Voor baarmoederhalskanker is er een bevolkingsonderzoek (screening) voor vrouwen van 30-60 jaar. De opkomst voor screening op baarmoederhalskanker in de regio Nijmegen is ook goed ten opzichte van Nederland. De opkomst in de regio varieert van 60% in de gemeente Nijmegen tot 68 tot 73% in de omliggende gemeenten. In Nederland steeg de opkomst van 61% in 2000 tot 66% in 2003. De gemeente Nijmegen lijkt een iets lagere opkomst voor de bevolkingsonderzoeken te hebben dan Nederland. Dit komt overeen met de tendens in andere grote steden, waar de opkomst lager is dan in kleinere gemeenten. Voor baarmoederhalskanker bestaat de mogelijkheid dat de vroege opsporing (secundaire preventie) kan worden omgezet in een vaccinatie (primaire preventie), aangezien bij deze vorm van kanker het humaan papillomavirus (HPV) een belangrijke rol speelt en daarvoor is inmiddels een vaccin ontwikkeld. Voor dikkedarmkanker loopt de discussie over een bevolkingsonderzoek. Daarbij wordt de mogelijke gezondheidswinst afgewogen tegen de lichamelijke en mentale belasting voor de cliënt (en uiteraard spelen ook de kosten een rol). Onder vroege opsporing valt ook het gericht onder controle houden van personen met een verhoogde kans op bepaalde kankervormen vanwege erfelijke factoren. Naast deze vroege opsporing is preventie via leefstijlbevordering van belang. Zoals eerder in deze paragraaf al is genoemd gaat het dan om roken, voeding, overmatig alcoholgebruik en lichamelijk activiteit. In hoofdstuk 5, vanaf pagina 36, staat nader beschreven wat in de regio Nijmegen plaatsvindt aan preventie-activitei ten op deze leefstijlfactoren. 13 SMR (standardised mortality ratio): een naar leeftijd gestandaardiseerd sterftecijfer. Dit cijfer geeft aan in hoeverre in de gemeente/regio sterfte vaker (SMR groter dan 100) of minder vaak (SMR kleiner dan 100) voorkomt dan in Nederland. pagina 22 van 88
4.4 Psychische stoornissen / psychosociale problemen Samengevat Psychische stoornissen tasten de kwaliteit van leven sterk aan. Een op de vijf mensen is te beschouwen als psychisch ongezond. Voor zowel de psychische stoornissen als de psychosociale problemen lijkt de trend vrij constant. Er is echter wel een groei in aandacht voor het onderwerp. In de regio Nijmegen en zeker in de gemeente Nijmegen is de psychische gezondheid iets ongunstiger dan landelijk. Voor preventie en vroegsignalering van psychosociale problematiek speelt de Jeugdgezondheids - zorg een belangrijke rol omdat zij laagdrempelig is en een zeer hoog bereik heeft. Bij depressie is het mogelijk om bij aanpak van de eerste signalen middels preventie te voorkomen dat iemand in een depressie belandt. Bij de meeste andere psychische stoornissen is geen daad - werkelijke preventie mogelijk, wel verbetert vroegsignalering en snelle behandeling de kwaliteit van leven. Feiten over psychische stoornissen De belangrijkste psychische stoornissen zijn: dementie, angststoornissen, depressie, schizofrenie, eetstoornissen, afhankelijkheid van alcohol, drugs en andere stoffen (verslaving), verstandelijke handicaps, gedragsstoornissen, ADHD en autisme. Bij psychische stoornissen is de aantasting van de Kwaliteit van Leven groot. Met name bij mensen met ernstiger of complexere stoornissen bestaat de kans op een cumulatie van problemen. Denk daarbij aan werkloosheid, (zelf)verwaarlozing, veroorzaken van overlast en dak-/thuisloosheid (zie meer hierover in paragraaf 9.3, p.68 over kwetsbare groepen). Voor de meeste psychische stoornissen is landelijk geen sprake van een duidelijke toename. Wel is er sprake van meer maatschappelijk aandacht en meer signalering en behandeling. Een uitzondering hierop vormt dementie. Hierbij lijkt landelijk wel sprake van een duidelijke toename. Deze toename wordt voor een deel veroorzaakt door de vergrijzing, maar ook los van de vergrijzing is er sprake van een toename van dementie. Oorzaken Er is nog altijd relatief weinig bekend over de oorzaken van psychische stoornissen. In de meeste gevallen is wel duidelijk dat erfelijke aanleg een rol speelt, soms ook neuro-anatomische of neurochemische factoren. Bij sommige gedragsstoornissen, depressie en eetstoornissen is bekend dat omgevingsfactoren zoals opvoedingsomstandigheden of belastende levensgebeurtenissen een factor van betekenis zijn, maar dan met name bij mensen die door erfelijke en biologische factoren extra kwetsbaar zijn voor het ontstaan van de stoornis. Bij andere stoornissen zoals dementie, schizofrenie, verstandelijke handicaps, ADHD en autisme spelen omgevingsfactoren niet of nauwelijks een rol bij het ontstaan. Wel is het zo dat omgevingsfactoren (zoals opvoeding, gezinsfactoren) mede bepalend kunnen zijn hoe de stoornis zich ontwikkeld. Behandelingsmogelijkheden Voor de meeste stoornissen is er niet zozeer sprake van preventie of genezing. Wel kan juiste behande - ling helpen om de ernst van de aandoening (enigszins) onder controle te houden en daarmee de maatschappelijke participatie en de kwaliteit van leven te bevorderen. Dan moeten de mensen wel de weg naar de hulpverlening inslaan. Dat gebeurt tot nu nog maar naar schatting bij de helft van de mensen die met dergelijke stoornissen te maken hebben. Voor dementie is geen behandeling bekend die de ontwikkeling van dementie daadwerkelijk kan afremmen of stoppen. De huidige behandeling is met name op gericht op het verbeteren van de Kwaliteit van Leven van mensen met dementie (o.a. door psychosociale interventies zoals snoezelen, en initiatieven om mee terug te gaan in de tijd). Feiten over psychosociale problemen Naast de meer medisch gedefinieerde psychische stoornissen, bestaat er ook de veel vagere term: psychosociale problemen. Hieronder worden (voor kinderen en/of volwassenen) problemen verstaan op het vlak van: opvoeding, verwaarlozing, gezin, omgaan met elkaar, angst, pesten, agressie, mishandeling, sociale weerbaarheid, faalangst, slaapproblemen, zorgen maken etc. Dergelijke psychosociale problemen kunnen van voorbijgaande aard zijn, maar indien deze problemen lang aanhouden of verergeren dan kan het gevolgen hebben voor het persoonlijk, sociaal en maatschappelijk functioneren. Denk pagina 23 van 88
daarbij aan relationele problemen, suboptimale prestaties op school of werk, schooluitval, werkloosheid en criminaliteit. Ook kan het alsnog leiden tot een psychische stoornis zoals depressie, angststoornissen of gedragsstoornissen. Vanwege de diversiteit van de problemen is er geen eenduidige oorzaak te benoemen. Kenmerkend is wel een disbalans tussen draagkracht en draaglast. De draagkracht varieert van mens tot mens. Voor mensen in een lage sociaal economische positie is relatief vaker sprake van een beperkte draagkracht en een hoge draaglast. Echter ook in 'hogere milieus' kan er sprake zijn van een dergelijke disbalans, als bijvoorbeeld de verwachtingen waaraan men geacht wordt te voldoen, (te) hoog gespannen zijn. Regionale en lokale cijfers De psychische gezondheid in de regio Nijmegen is, over het geheel genomen, wat ongunstiger dan in de rest van Nederland. Dit blijkt onder andere uit het jongeren- en ouderenonderzoek. Tevens is de levensverwachting in goede geestelijke gezondheid lager dan in Nederland en is het gebruik van antide pressiva hoger dan in Nederland. In gezondheidsenquêtes is het moeilijk om concreet naar psychische stoornissen te vragen. Gangbaar is daarom om middels een getoetste vragenset het psychisch welzijn na te vragen. Een veelgebruikt instrument daarvoor is de MHI-5 waarin vragen zijn gesteld over zenuwachtigheid, rustig voelen, neerslachtigheid, gelukkig voelen en in de put zitten. De uitkomsten van de regionale/lokale gezondheidsonderzoeken laat zien dat de psychische gezondheid niet zoveel verschilt tussen de diverse leeftijdsgroepen. In de regio is ongeveer één op de vijf inwoners psychische ongezond te noemen. Bij de meesten is dit in lichte of matige mate, maar bij 2,3% van de jongeren en 2,8% van de ouderen is er sprake van ernstige psychische ongezondh eid. In Nijmegen is deze situatie iets ongunstiger dan in de regio. Tabel 11: per gemeente: psychische ongezondheid (MHI-5) Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch psychisch ongezond jongeren 16% 18% 17% 14% 12% 18% 27% 16% 20% 24% 14% 12% volwassenen - - - - - - - - 20% - - - ouderen 18% 21% 23% 21% - 16% - - 23% - - 21% ernstig psychisch ongezond jongeren 1,5% 2,3% 2,3% 2,4% 0,5% 1,4% 0,9% 3,0% 3,0% 3,6% 0,4% 1,9% volwassenen - - - - - - - - 1,9% - - - ouderen 2% 2,8% 3,2% 2,7% - 0,9% - - 3,3% - - 2,5% - betekent: geen (representatief) beeld voor de betreffende gemeente bron: jongeren: GGD regio Nijmegen, E-Movo 2003/2004, bij 13-17-jarigen volwassenen: Radboud Universiteit ism GGD en gemeente Nijmegen: Nijmegen Biomedische Studie 2003 ouderen: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 Bij de jongeren- en de ouderenenquête is gevraagd naar psychosociale problemen die hun dag en nacht bezighouden. Bij de jongeren in de regio heeft een op de vijf zo'n probleem; bij de ouderen is het een kwart. De aard van de problemen verschilt duidelijk. Bij de jongeren gaat het over: de situatie thuis, schoolprestaties, verkering/relaties, 'mezelf (hoe ik ben)', 'keuzes die ik moet maken' en 'mijn uiterlijk'. Bij ouderen heeft het probleem vooral te maken met de lichamelijk gezondheid, zorg om de kinderen, zorg om de partner en overlijden van een naaste. Eénderde van de jongeren in de regio wordt wel eens gepest. Bij 5% gebeurt dit zelfs wekelijks. Zelfdoding (suïcide) komt bij jongeren in de leeftijd van 12 t/m 17 jaar erg weinig voor. Dat neemt niet weg dat ze er wel over nadenken. Achttien procent van de jongeren in de regio geeft aan dat ze er in het afgelopen jaar wel eens serieus over na heeft gedacht om een eind aan hun leven te maken. Zeven procent heeft aangegeven dat ze ooit wel eens een poging heeft ondernomen. In hoeverre het hier om daadwerkelijke pogingen gaat is onduidelijk, het is echter wel als uiting van psychische nood te beschouwen. In Nijmegen liggen deze percentages redelijk vergelijkbaar aan het regionaal gemiddelde. Op basis van een standaard vragenset over eenzaamheid, blijkt dat één op de tien ouderen in de regio te beschouwen is als (zeer) ernstig eenzaam (paragraaf 6.3.1). En bijna een kwart van d e ouderen gebruikt wel eens slaap- of kalmeringsmiddelen. De helft hiervan doet dit al minstens 4 jaar. pagina 24 van 88
Tabel 12: per gemeente: psychosociale problemen bij jongeren Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch probleem hebben dat je dag en 16% 19% 17% 16% 15% 17% 15% 18% 22% 23% 18% 15% nacht bezig houdt wekelijks gepest worden 5% 5% 5% 5% 6% 5% 4% 5% 5% 5% 5% 5% suïcidegedachten in laatste 12 maanden 17% 18% 20% 20% 17% 15% 24% 16% 19% 21% 15% 17% psychische nood 14 ('suïcidepoging') - 7% 10% 9% 5% 5% 6% 4% 8% 8% 4% 6% bron: GGD regio Nijmegen, E-Movo 2003/2004, bij 13-17-jarigen Tabel 13: per gemeente: psychosociale problemen bij ouderen Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch probleem hebben dat u dag en nacht bezig houdt 19% 24% 23% 21% - 21% - - 25% - - 22% (zeer) ernstig eenzaam 6% 10% 11% 9% - 7% - - 11% - - 9% gebruikt (wel eens) slaap- of kalmeringsmiddelen 24% 23% 22% 26% - 17% - - 24% - - 23% - betekent: geen representatief beeld voor de betreffende gemeente bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 Het aantal personen dat zelfmoord pleegt in de regio Nijmegen wisselt sterk per jaar. Gemiddeld over meerdere jaren is het aantal suïcides in de regio Nijmegen vergelijkbaar met de rest van het land. Door de lage aantallen is uitsplitsing naar gemeente niet betrouwbaar. Tabel 14: Totaal aantal suïcides in de regio Nijmegen per jaar 2000 2001 2002 2003 2004 2005 aantal suïcides 29 33 * 40 27 38 *geen betrouwbare gegevens beschikbaar Bron: GGD regio Nijmegen Inwoners van de regio Nijmegen brengen gemiddeld 66 jaar door in goede geestelijke gezondheid (vrouwen 64 jaar en mannen 68 jaar). Dat is korter dan gemiddeld in Nederland. In Nederland is de levensverwachting in goede geestelijke gezondheid 68 jaar (vrouwen 67 jaar en mannen 69 jaar) (zie ook par. 3.1.2). Mogelijk samenhangend hiermee blijkt dat het gebruik van antidepressiva in de regio Nijmegen wat hoger ligt dan landelijk (zie ook paragraaf 7.6). Preventiemogelijkheden Wat betreft de psychische stoornissen zijn alleen voor depressie concrete preventiemogelijkheden bekend. Er worden in toenemende mate goede resultaten geboekt met cursussen bij mensen met vroege symptomen van depressie. Naast groepscursussen bieden tegenwoordig ook internetcursussen bemoedigende resultaten. Met name vanwege deze preventiemogelijkheden wordt depressie genoemd als speerpunt in de landelijke preventienota. De uitvoering van het preventieprogramma depressie legt men primair in handen van het Trimbos -instituut en de GGZ-instellingen. Naast de preventie van depressie is voor de andere psychische stoornissen vroege opsporing van belang. Bij volwassen kan die vroegsignalering een probleem zijn. De drempel om naar de huisarts te gaan met klachten van puur psychische aard, is vaak groot. Huisartsen spelen een belangrijke rol in het vroegsignaleren van psychische klachten/stoornissen, ook bij patiënten die dit slechts impliciet noemen. Bij kinderen speelt de Jeugdgezondheidszorg (JGZ) een belangrijke rol bij preventie en vroegsignalering van zowel psychosociale problemen alsook psychische stoornissen. Doordat de JGZ kinderen vanaf 0 jaar tot in het voortgezet onderwijs (ook op het Speciaal Onderwijs) op een aantal vaste momenten ziet, middels een laagdrempelig contact, biedt dit veel mogelijkheid voor vroegsignalering. Vroegsignalering binnen de JGZ richt zich op het onderkennen van opgroei- en opvoedproblemen in een zo vroeg mogelijk stadium. Ook heeft de JGZ de expertise om psychische problemen te signaleren zoals contactstoornissen, gedragsproblemen en eetproblemen. Middels individuele advisering, kortdurende begeleiding of verwijzing wordt getracht om de problemen bij te sturen. Daarnaast zijn er specifieke samenwerkings - verbanden (zorgadviesteams, School en Hulp) en projecten (Kijk op Kleintjes) gericht op het begeleiden, verminderen en voorkomen van psychosociale problematiek. 14 In E-MOVO is de vraag gesteld of de jongere wel eens een poging heeft ondernomen om een eind aan het leven te maken. Het is niet waarschijnlijk dat al deze gemelde pogingen daadwerkelijk de bedoeling hadden om het leven te beëindigen. Het is wel te beschouwen als een uiting van psychische nood. pagina 25 van 88
4.5 Luchtwegaandoeningen Samengevat: COPD 15 is vijfde doodsoorzaak in Nederland en verantwoordelijk voor aanzienlijke aantasting van de kwaliteit van leven, veelal bij ouderen. Astma neemt sterk toe bij kinderen, oorzaken niet volledig bekend. Sterfte aan COPD in regio Nijmegen hoger dan landelijk. Risicofactoren voor astma: erfelijke factoren en de blootstelling aan prikkelende stoffen (zoals rook) en allergenen (o.a. via huisstof, huisdieren, stuifmeel etc). Preventie luchtwegaandoeningen via rookpreventie en verbetering luchtkwaliteit (binnen en buiten). Feiten over luchtwegaandoeningen Luchtwegaandoeningen betreft een breed begrip. Hieronder vallen: infecties van de bovenste luchtwegen (met name verkoudheden), infecties van de onderste luchtwegen (longontsteking en acute bronchitis), influenza, astma (chronische luchtwegontsteking, optredend middels aanvallen) en COPD (chronische bronchitis en emfyseem, komt vooral voor bij personen vanaf 50 jaar). Influenza wordt nader beschreven in paragraaf 4.9, pagina 33 bij de infectieziekten. Astma laat landelijk een duidelijke stijging zien, met name bij kinderen. Deze stijging hangt sterk samen met de toegenomen mate van allergie bij kinderen. De precieze oorzaak daarvan is niet duidelijk. De verklaring wordt onder andere gezocht in de welvaartsstijging waardoor kinderen in hun vroege leven minder worden blootgesteld aan infecties. COPD vertoont qua trend een verschillend beeld voor mannen en vrouwen. Bij mannen is er sinds 1980 sprake van een stabiel aantal met een daling in de laatste paar jaar. Voor vrouwen was er vanaf 1980 sprake van een stijgend aantal met een stabilisatie in de laatste paar jaar. Deze trend van COPD volgt (met enige vertraging) de trend van het rookgedrag van mannen en vrouwen. Roken vormt dan ook de belangrijkste risicofactor voor het ontstaan van COPD. N aast roken spelen ook erfelijke factoren en luchtverontreiniging (o.a. door passief roken) een rol. Regionale en lokale cijfers In het ouderenonderzoek heeft ruim 1 op de 10 ouderen in de regio Nijmegen aangegeven dat ze last hebben van astma of COPD. Tabel 15: per gemeente: vóórkomen van luchtwegaandoeningen (astma of COPD) bij de ouderen Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch luchtwegaandoeningen 12% 11% 10% 10% - 9% - - 11% - - 12% - betekent: geen representatief beeld voor de betreffende gemeente bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 (zelfrapportage) De sterfte aan COPD is in Nijmegen, net als vier jaar geleden, duidelijk hoger dan gemiddeld in Nederland, zeker onder vrouwen. Tabel 16: luchtwegaandoeningen, sterfte (2000-2004) Nijmegen aantal SMR 16 SMR SMR man vrouw man vrouw totaal COPD 5 195 Bron: GGD Nederland, CBS doodsoorzakenstatistiek 166 115% 142% 126% Vetgedrukt betekent: significant hoger dan in Nederland. Sterfte aan COPD komt het meeste voor in Groesbeek, gevolgd door Nijmegen (tabel 17). In beide gemeenten is de sterfte hieraan significant hoger dan in de rest van het land. In de rest van de gemeenten wijken de sterftecijfers niet significant af van landelijk, terwijl dit misschien wel zo lijkt. Dit is niet significant omdat het absoluut aantal sterfgevallen aan COPD laag is. Dit leidt zeker in kleinere gemeenten al snel tot relatief grote toevalsfluctuaties (zie ook uitleg over sterftecijfers in bijlage 1). 15 COPD = Chronic Obstructive Pulmonary Disease, ofwel: chronische obstructieve longziekte. 16 SMR (standardised mortality ratio): een naar leeftijd gestandaardiseerd sterftecijfer. Dit cijfer geeft aan in hoeverre in de gemeente/regio sterfte vaker (SMR groter dan 100) of minder vaak (SMR kleiner dan 100) voorkomt dan in Nederland. pagina 26 van 88
Tabel 17: luchtwegaandoeningen, afgeronde SMR's (sterfte 2000-2004) NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch COPD 100% 118% 118% x 144% x x x 126% x 85% 104% Bron: GGD Nederland, CBS doodsoorzakenstatistiek Vetgedrukt betekent: significant hoger dan in Nederland. x betekent: vanwege de lage aantallen is de niet SMR betrouwbaar uit te rekenen. Preventiemogelijkheden De preventiemogelijkheden voor de acute ontstekingen aan de luchtwegen zijn beperkt. Ook voor astma zijn de primaire preventiemogelijkheden vooralsnog beperkt: borstvoeding lijkt een beschermend effect te hebben. Voor mensen die astma hebben heeft het zin om blootstelling aan prikkelende stoffen of allergenen zoveel mogelijk te vermijden, woningsanering kan hierbij nodig zijn. De preventie voor COPD ligt met name in het verminderen van roken en verbetering binnen - en buitenmilieu. Zie meer over roken in paragraaf 5.4 op pagina 44. pagina 27 van 88
4.6 Aandoeningen van het bewegingsstelsel Samengevat Rug- en nekklachten zijn de meest voorkomende aandoening, ook artrose komt veel voor, vooral bij ouderen. Oorzaken van de aandoeningen aan het bewegingsapparaat zijn slechts deels bekend. Voor meeste aandoeningen is trend vrij constant, osteoporose bij vrouwen neemt toe. Preventiemogelijkheden zijn beperkt: vroege opsporing houdingsafwijkingen, voorkomen overgewicht en bevorderen lichamelijke activiteit. Feiten over aandoeningen van het bewegingsapparaat De meest voorkomende aandoeningen aan het bewegingsapparaat betreffen: nek- en rugklachten, artrose (gewrichtsslijtage), osteoporose (botontkalking), reumatoïde artritis (chronische gewrichtsontstekingen) en heupfracturen. Voor de meeste van de genoemde aandoeningen zijn de oorzaken niet, of maar ten dele bekend. Bij artrose is overbelasting (door overgewicht, arbeid of intensieve sport) een risicofactor en bij osteoporose zijn lichamelijke activiteit, voldoende inname van vitamine D en calcium beschermende factoren. Artrose, osteoporose en heupfracturen komen met name voor bij mensen vanaf 50 jaar. Er is voor de meeste bovengenoemde aandoeningen sprake van een gelijkblijvende trend. Echter doordat artrose, osteoporose en heupfracturen met name bij ouderen voorkomen, zullen de absolute aantallen vanwege de vergrijzing sterk stijgen. Regionale en lokale cijfers 41% van de ouderen in de regio Nijmegen heeft aandoeningen van het bewegingsstelsel, die door een arts zijn vastgesteld. Verhoudingsgewijs meer bij vrouwen dan bij mannen. Bijna eenderde van de ouderen heeft te maken met artrose. Tabel 18: per gemeente: vóórkomen van aandoeningen van het bewegingsstelsel door een arts vastgesteld Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch aandoening rug 13% 13% 13% 15% - 10% - - 13% - - 13% aandoening nek/schouder 10% 11% 9% 13% - 9% - - 11% - - 14% artrose 30% 30% 28% 32% - 30% - - 30% - - 30% reuma 9% 10% 12% 12% - 9% - - 10% - - 9% aandoening arm/ hand 7% 9% 8% 8% - 7% - - 9% - - 13% totaal bewegingsapparaat - 41% 41% 41% - 40% - - 42% - - 42% bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 Mede door bovengenoemde aandoeningen heeft ruim een kwart van de ouderen te maken met mobiliteitsbeperkingen. Bij ouderen vanaf 75 jaar is dit zelfs 42%. Tabel 19: per gemeente: mobiliteitsbeperkingen bij ouderen Oost NL regio Beun Drut Heum Nijm Wijch 1 of meer van onderstaande beperkingen 27% 27% 29% 29% 16% 29% 25% kan niet een voorwerp van 5 kg over 10 meter dragen 20% 21% 22% 20% 11% 23% 19% kan niet buigen en iets van de grond pakken 13% 14% 15% 17% 10% 15% 12% kan niet 400 m. aan een stuk lopen 19% 17% 20% 20% 10% 18% 16% bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 Preventiemogelijkheden De preventiemogelijkheden zijn beperkt, met name doordat de oorzaken nog onduidelijk of niet beïnvloedbaar zijn. Wel is het van belang om al op jonge leeftijd eventuele houdingsafwijkingen te signaleren, omdat dit rugklachten voor de toekomst kan voorkómen. Daarom besteedt de Jeugdgezondheids - zorg met name bij kinderen rond de groeispurt structureel aandacht aan de lichaamshouding. Een risicofactor voor artrose is overbelasting. Arbo-maatregelen hebben er al voor gezorgd dat de zware lichamelijk arbeid aan striktere regels is gebonden. Overbelasting door ernstig overgewicht leent zich voor preventie. Bevordering van lichamelijke activiteit en gezonde voeding is gunstig ter preventie van osteoporose. Zie voor deze preventiemogelijkheden hoofdstuk 5, vanaf pagina 36, pagina 28 van 88
4.7 Ongevallen Samengevat Privé -ongevallen en sportongevallen leiden relatief vaak tot huisartsbezoek. Verkeersongevallen zijn belangrijkste doodsoorzaak bij jongeren van 15-24 jaar. Trend is in gunstige richting. Nederland neemt binnen Europa een gunstige positie in. In regio Nijmegen sterfte aan accidentele val 14 hoger dan in Nederland Privé -ongevallen veel bij kinderen en bij ouderen, sportongevallen en verkeersongevallen juist veel bij jong volwassenen (meer mannen dan vrouwen). Preventie via diverse kanalen: wetgeving, beschermende maatregelen, informatie en voorlichting over ongevalsrisico's en bevordering verantwoordelijke gedrag. Feiten over ongevallen Ongevallen worden onderverdeeld in vier groepen: arbeidsongevallen, sportongevallen/blessures, verkeersongevallen en privé-ongevallen. Sport- en privé-ongevallen komen het meeste voor en nemen ieder ongeveer 40% voor hun rekening van de ongevallen waarvoor men medische behandelingen nodig heeft. Het aantal verkeersongevallen ligt met 14% een stuk lager en arbeidsongevallen nog lag er (8%). De sterfte aan ongevallen laten een ander beeld zien. Zo komen sportongevallen veel voor, maar ze leiden zelden tot de dood. Van de dodelijke ongevallen komt tweederde door een privé-ongeval en 30% door een verkeersongeval. Het aantal ongevallen laat een licht dalende trend zien. Binnen Europa neemt Nederland een gunstige plaats in wat betreft het aantal ongevallen. De risicogroepen en -factoren verschillen duidelijk tussen het type ongeval. Privé-ongevallen komen het meest voor bij kinderen (meer bij jongens dan bij meisjes) en bij ouderen (meer bij vrouwen), het gaat dan vaak om een val of 'contact met een voorwerp'. Privé-ongevallen bij volwassenen houden vaak verband met doe -het-zelfaktiviteiten en tuinieren. Sportongevallen komen het meest voor bij contactsporten (veldvoetbal, zaalvoetbal, hockey) en risicosporten zoals paardrijden, skaten en schaatsen. Bij verkeersongevallen speelt gebruik van alcohol, drugs of slaap-/kalmeringsmiddelen een rol. Jongens in de leeftijd van 15 tot 24 jaar zijn oververtegenwoordigd bij de verkeersongevallen. In deze leeftijdsgroep zijn verkeersongevallen de belangrijkste doodsoorzaak. Regionale en lokale cijfers In het ouderenonderzoek is navraag gedaan over valincidenten. Eén op de vijf ouderen is in de 3 maanden voorafgaand aan het onderzoek gevallen. Eenderde van hen (7% van alle ouderen) heeft bij de val letsel opgelopen. Het is niet apart nagevraagd in hoeverre deze valpartijen plaatsvonden tijdens sportuitoefening of verkeersdeelname. Wel is bekend dat de helft van de genoemde valpartijen bij de oude - ren in of om huis plaats vond. Tabel 20: per gemeente: vóórkomen van valincidenten in 3 maanden voorafgaand aan onderzoek Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch gevallen in voorg. 3 mnd 18% 20% 18% 21% - 16% - - 20% - - 20% letsel opgelopen door de val 6% 7% 5% 7% - 5% - - 7% - - 7% bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 Verkeersongevallen In de regio Nijmegen waren in 2005 151 verkeersslachtoffers (doden en ziekenhuisopnamen). Hiervan zijn 10 slachtoffers overleden. In de loop van de jaren neemt het aantal slachtoffers in de regio af van 214 in 2001 tot 151 in 2005. De meeste slachtoffers vallen in de leeftijdscategorie van 18-44 jarigen. Meer informatie over verkeersongevallen (ook per gemeente) staat in paragraaf 6.1 (p.53) over verkeers veiligheid. Sterfte aan ongevallen in totaal en aan accidentele val 17 In de regio Nijmegen is de sterfte aan ongevallen (totaal), vergelijkbaar met de rest van Nederland. De sterfte aan een accidentele val (onderdeel van 'ongevallen totaal') is in de regio bijna een kwart hoger 17 Een accidentele val is een ongeval waarbij een persoon onopzettelijk valt, struikelt of uitglijdt. pagina 29 van 88
dan in de rest van het land, vooral onder vrouwen. Dit is vooral te verklaren door de gemeente Nijmegen waar de sterfte aan accidentele val het hoogste is. Verder zijn er, vanwege de lage aantallen, per gemeente geen betrouwbare uitspraken over sterfte aan accidentele val te doen. Tabel 21: ongevallen, sterfte (2000-2004) Hele regio Nijmegen aantal SMR 18 SMR SMR man vrouw man vrouw totaal Ongevallen totaal 162 165 96% 114% 104% accidentele val 74 128 122% 125% 124% Bron: GGD Nederland, CBS doodsoorzakenstatistiek Vetgedrukt betekent: significant hoger dan in Nederland. Tabel 22: ongevallen, afgeronde SMR's(sterfte 2000-2004) NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch Ongevallen totaal 100% 104% x x x x x x 105% x x 97% Bron: GGD Nederland, CBS doodsoorzakenstatistiek x betekent: vanwege de lage aantallen is de niet SMR betrouwbaar uit te rekenen. Preventiemogelijkheden De preventiemogelijkheden liggen op diverse terreinen: wetgeving en handhaving: met name op het vlak van de verkeersveiligheid en de arbeidsveiligheid is hiermee veel winst gehaald (autogordels, valhelm, 30 km zones, controles op rijden onder invloed, vele arbo-eisen etc). beschermende maatregelen: veiligere auto's, fietshelmen, beschermingsmiddelen voor sporters, achteruitkijkspiegel voor (oudere) fietsers, rollators, traphekjes etc. informatie en voorlichting: bijvoorbeeld informatie over kinderveiligheid via de Jeugdgezondheids - zorg (consultatiebureaus), maar ook informatie over de risico's van verkeersdeelname onder invloed van alcohol, drugs of medicijnen. De Stichting Onderwijs en Milieu (SOM) werkt samen met scholen Voortgezet Onderwijs aan de preventie van ongevallen onder nieuwe brugklassers door het verkennen en oefenen van de nieuwe schoolroute. 18 SMR (standardised mortality ratio): een naar leeftijd gestandaardiseerd sterftecijfer. Dit cijfer geeft aan in hoeverre in de gemeente/regio sterfte vaker (SMR groter dan 100) of minder vaak (SMR kleiner dan 100) voorkomt dan in Nederland. pagina 30 van 88
4.8 Diabetes Mellitus Samengevat Diabetes belangrijke chronische aandoening, met complicaties op het vlak van hart -/vaatziekten. Eén op de acht ouderen meldt dat door een arts diabetes bij hen is vastgesteld, daarnaast waarschijnlijk ook nog een deel waarbij het nog niet gediagnosticeerd is. Duidelijk toename van diabetes type 2. Oorzaken diabetes type 1 niet goed bekend, risicofactoren bij diabetes type 2: onvoldoende lichamelijke activiteit, ongezonde voeding, overgewicht. Preventie via bevordering lichamelijke activiteit en gezonde voeding en vermindering overgewicht; daarnaast actieve opsporing van diabetes in de huisartspraktijk bij mensen uit de risicogroepen. Feiten over diabetes mellitus Er zijn twee typen diabetes (ofwel suikerziekte): type 1 en type 2. Type 2 is de meest voorkomende vorm (90% van alle diabetes-gevallen) en wordt ook wel ouderdomsdiabetes genoemd, omdat deze vorm met name bij ouderen voorkomt. Behandeling bestaat uit leefstijladviezen (voldoende bewegen, gezondheid eten), orale geneesmiddelen en zonodig spuiten van insuline. Type 1 diabetes ontstaat meestal al op jonge leeftijd. Dit is in het algemeen een ernstiger vorm en het dagelijks spuiten van insuline is vrijwel altijd nodig. Zowel bij type 1- als type 2-diabetes zorgen met name de complicaties voor een aantasting van de Kwaliteit van Leven. De complicaties betreffen o.a.: vermoeidheid en hartvaatziekten als gevolg van verminderde doorbloeding van: hart, hersenen, ledematen, ogen of nieren. De oorzaken van type 1 diabetes zijn nog nauwelijks bekend. In ieder geval speelt erfelijke aanleg een rol. Voor type 2 diabetes zijn de oorzaken en risicofactoren duidelijker in beeld: overgewicht, lichamelijke inactiviteit en ongezonde voeding. De klachten bij diabetes type 2 zijn in het algemeen vaag en kunnen al langere tijd bestaan voordat de persoon in kwestie ermee naar de huisarts gaat. De omvang van deze groep 'onbekende diabeten' is onbekend. Actieve opsporing is van belang omdat ook al bij deze 'onbekende diabeten' sprake kan zijn van risicovolle complicaties met betrekking tot de hart- en bloedvaten. De Gezondheidsraad heeft echter geadviseerd om vooralsnog af te zien van een algehele screening in de bevolking. Zij adviseren vooralsnog een actievere opsporing door huisartsen bij risicogroepen (met name mensen met overgewicht). Er is de laatste jaren een duidelijke toe name van het aantal mensen met diabetes, van type 1 maar in meerdere mate van type 2. De oorzaak van de toename van type 1-diabetes is onduidelijk. De toename van type 2-diabetes wordt verklaard door een toename van overgewicht en inactiviteit. Daarnaast speelt de vergrijzing duidelijk een rol. Buitenlands onderzoek laat zien dat type 2 (dus ouderdom -)diabetes ook al gevonden wordt bij kinderen en jong volwassenen. In vrijwel alle gevallen gaat het dan om kinderen en jongeren met ernstig overgewicht. Dat is een nieuwe ontwikkeling. In Nederland zijn daar nog geen harde gegevens voor, maar het lijkt nu nog slechts sporadisch voor te komen. Men gaat er wel vanuit dat een toename van het overgewicht ook in Nederland zal kunnen gaan leiden tot 'ouderdomsdiabetes' bij kinderen. Regionale en lokale cijfers Dertien procent van de ouderen geeft aan dat bij hen sprake is van diabetes mellitus. De gemeente Beuningen laat een relatief iets hoger cijfer zien. Het is echter niet zonder meer te zeggen dat dit ongunstig is. Het zou namelijk ook zo kunnen zijn dat er in Beuningen sprake is van een hogere mate van opsporing van voorheen onbekende diabetes. Tabel 23: per gemeente: vóórkomen van diabetes mellitus bij ouderen, door een arts vastgesteld Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch diabetes 14% 13% 18% 13% - 12% - - 11% - - 14% bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 In onderstaande tabellen is het aantal personen dat aan diabetes overleden is, weergegeven. Deze cijfers geven wel een indruk van de sterfte aan diabetes mellitus, maar zijn niet erg betrouwbaar. De hoogte van de cijfers is namelijk sterk afhankelijk van de wijze waarop artsen deze doodsoorzaak registreren en de wijze waarop het CBS met de gegevens omgaat. Veel patiënten met diabetes pagina 31 van 88
overlijden bijvoorbeeld aan complicaties als hart- en vaatziekten. De arts vermeldt dan hart-en vaatziekten als doodsoorzaak en het CBS codeert deze mensen als overleden aan hart- en vaatziekten. De sterfte aan diabetes lijkt in de regio ongeveer even hoog als in de rest van het land te zijn. In de kleinere gemeenten is het aantal sterfgevallen aan diabetes dusdanig laag dat hier, om hierboven genoemde redenen, niet veel uitspraken over gedaan kunnen worden. Het lijkt er wel op dat de sterfte aan diabetes het hoogst is in West Maas en Waal en het laagst in Heumen. Tabel 24: diabetes, sterfte (2000-2004) Hele regio Nijmegen aantal SMR 19 SMR SMR man vrouw man vrouw totaal Diabetes 130 199 95% 98% 97% Bron: GGD Nederland, CBS doodsoorzakenstatistiek Preventiemogelijkheden Primaire preventie door bevordering van bewegen, gezonde voeding en (daarmee) terugdringing overgewicht (zie hiervoor ook paragrafen 5.1 t/m 5.3, vanaf p. 5). Secundaire preventie door vroege opsporing bij risicogroepen (overgewicht) via de huisartspraktijk. 19 SMR (standardised mortality ratio): een naar leeftijd gestandaardiseerd sterftecijfer. Dit cijfer geeft aan in hoeverre in de gemeente/regio sterfte vaker (SMR groter dan 100) of minder vaak (SMR kleiner dan 100) voorkomt dan in Nederland. pagina 32 van 88
4.9 Infectieziekten Samengevat Infectieziekten omvat een grote en diverse groep aan ziekten met verschillende vorm van o verdracht, verschillende besmettelijkheid en verschillend qua ernst en verloop. Maagdarminfecties komen zeer veel voor, maar de ernst is meestal beperkt. Tuberculose wordt niet snel herkend door artsen, waardoor een besmettelijke patiënt veel infecties kan veroorzaken. Bij tuberculose is therapietrouw van belang, mede door het risico op resistentieontwikkeling. Dit vraagt veelal om intensieve begeleiding van de patiënt. Dat wordt bemoeilijkt doordat een deel van de risicogroep geen langdurig vaste verblijfplaats heeft (asielzoekers, dak- /thuislozen, illegalen). Hepatitis B herbergt, met name ook vanwege het chronisch dragerschap, een collectief gezondheids risico. Gerichte vaccinatie van risicogroepen biedt mogelijkheden. Het aantal gevallen van SOA nemen de laatste jaren weer toe. Dit duidt op een toename van het onveilig vrijen. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat de angst voor HIV/AIDS is verminderd vanwege de verbeterde behandelingsmogelijkheden voor HIV/AIDS waardoor HIV/AIDS niet meer als l evensbedreigende ziekte wordt ervaren. Sterfte aan influenza (echte griep) daalt, maar blijvend risico op ernstige epidemie door mogelijkheid van ontstaan van nieuwe subtypen van het influenzavirus. Preventie-mogelijkheden zijn divers: vaccinatie (via het Rijksvaccinatieprogramma en voor risicogroepen), hygiëne (maagdarminfecties), beschermingsmaatregelen (voedselveiligheid, veilig vrijen), vroege opsporing (bron- en contactopsporing) en snel handelen bij daadwerkelijke uitbraak. Feiten over infectieziekten Infectieziekten betreft een grote groep aan diverse ziekten, welke gemeen hebben dat de ziekten in het algemeen als besmettelijk of overdraagbaar worden beschouwd (aanhoesten, faecaal-oraal, bloedbloed-, bloed-spermacontact etc). Met name vanwege het overdraagbare karakter speelt bij infectieziekten de openbare gezondheid een rol. Om die reden geeft de Infectieziektenwet 1999 specifieke taken aan de gemeente op het vlak van monitoren en bestrijden van infectieziekten. In deze paragraaf beperken we ons tot de meest relevante infectieziekten. Infecties maagdarmkanaal (gastro-enteritis ofwel buikgriep). Naast luchtweginfecties (zie paragraaf 4.5) is dit een van de meest voorkomende aandoeningen met naar schatting 4,5 miljoen g evallen per jaar. Besmetting ontstaat door contact met micro-organismen (of hun toxinen) via voedsel, water of via een besmet persoon. Er zijn velerlei veroorzakers zoals Salmonella, Campylobacter, E-Coli, rotavirussen, norovirus. Bij gezonde personen verloopt een infectie vrijwel altijd zonder nadere problemen. Bij kleine kinderen, hoogbejaarden of andere personen met een verzwakte weerstand kunnen dergelijke infecties wel tot complicaties leiden. De sterfte als gevolg van gastro-enteritis is evenwel gering. Tuberculose: dit is een ernstige infectieziekte die langdurig kan zijn. De ziekte wordt veroorzaakt door de tuberkelbacterie. Tuberculose komt weinig voor in Nederland. Hierdoor herkennen artsen het ziektebeeld niet of erg laat, zodat een besmettelijke patiënt veel infecties kan veroorzaken. De ziekte kan leiden tot aantasting van diverse organen en structuren, waaronder longen, hersenvliezen, lymfeklieren, skelet, gewrichten, nieren en darmen. Onbehandeld leidt de ziekte veelal tot een vroegtijdige dood. De behandeling vraagt een langdurige therapietrouw. Gezien de risicogroepen (alcohol- en drugsverslaafden, dak- en thuislozen, (illegale) immigranten en gedetineerden) gaat deze therapietrouw niet vanzelf en vergt het een intensieve begeleiding. De therapietrouw is extra van belang omdat een afgebroken behandeling kan leiden tot resistentie van de tuberkelbacterie. Hepatitis B: dit is een infectie die wordt veroorzaakt door het hepatitis-b-virus (HBV). Het virus nestelt zich in de levercellen van het lichaam. Hepatitis B is zeer besmettelijk. Hepatitis B wordt wel tot de SOA gerekend vanwege de seksueel overdraagbaarheid, maar er zijn ook nadere vormen van overdracht: via bloedtransfusies, tijdens de bevalling, door prikaccidenten bij werkers in de gezondheidszorg, door gemeenschappelijk gebruik van naalden door druggebruikers. Ook intensieve contacten in het gezin kunnen de ziekte overdragen. Vooral jonge kinderen kunnen de ziekte krijgen via wondjes, tondeuses, uitwisselen van tandenborstels en door het bijten op een vinger. Ook door aanbrengen van piercings kunnen mensen besmet raken. Complicaties van een hepatitis-b-infectie zijn verstoring en uitval van leverfuncties, levercelkanker, hoge bloeddruk van de poortader en besmettelijk dragerschap. Chronische dragers blijven besmettelijk en hebben een ver- pagina 33 van 88
hoogde kans op levercirrose en leverkanker. Bij volwassen die Hepatitis B doormaken blijft ongeveer 10% chronisch drager. Bij kinderen ligt dit percentage veel hoger. HIV/AIDS: Het humane immuundeficiëntievirus (HIV) behoort tot de groep van retrovirussen en is de veroorzaker van AIDS (Acquired Immune Deficiency Syndrome). HIV breekt het immuunsysteem af. Nieuwe behandelmethoden remmen het HIV en geven daardoor uitstel aan het ontstaan van AIDS. AIDS wordt gekenmerkt door een opeenvolging van zogenoemde opportunistische infecties en kwaadaardige tumoren. De overdracht van HIV vindt met name plaats via bloed-bloed of bloedsperma contact. Mannen die seks hebben met mannen vormen de belangrijkste risicogroep, maar het wordt ook regelmatig bij heteroseksuelen gevonden. Dan is het vaak een gevolg van contact(en) met personen afkomstig uit gebieden waar HIV veel voorkomt (zoals Afrikaanse landen ten zuiden van de Sahara). Ook injecterende drugsgebruikers lopen g evaar op infectie met HIV door het gemeenschappelijk gebruik van spuiten, naalden en andere attributen die bij het toedienen van de drugs worden gehanteerd. SOA (Seksueel Overdraagbare Aandoeningen): de meest voorkomende zijn: chlamydia, gonorroe, syfilis, genitale wratten en herpes genitalis. Ook de eerdergenoemde HIV/AIDS en hepatitis B kunnen tot de SOA gerekend worden. De uitingsvorm is verschillend en soms kan iemand een aandoening hebben zonder symptomen (met name bij Chlamydia). Juist in deze gevallen is overdracht naar anderen een extra groot risico. Dit gegeven rechtvaardigt een actief opsporingsbeleid aangezien Clamydia bij meisjes/vrouwen complicaties als onvruchtbaarheid kan veroorzaken. In de jaren negentig daalde het aantal SOA aanzienlijk. D it had te maken met de angst voor AIDS en daardoor een grotere mate van veilig vrijen. De laatste jaren is er echter weer een duidelijke toename van het aantal SOA-gevallen door onder andere een toename van onveilig seksueel gedrag. Dit hangt samen met de afgenomen angst voor HIV door het beschikbaar komen van een verbeterde therapie. Door een actiever testbeleid wordt meer getest op soa, wat ook een verklaring is voor de toename van gevonden SOA. Influenza (ofwel 'echte griep'). De sterfte aan influenza daalt. Dit is met name het gevolg van de goed ingeburgerde 'griepprik' welke wordt aangeboden aan risicogroepen. Er blijft echter alertheid geboden vanwege de mogelijkheid van ontstaan van nieuwe subtypen van het influenzavirus, waarvoor dan aanvankelijk nog geen vaccinatie beschikbaar zal zijn. Om een dergelijke situatie enigszins het hoofd te kunnen bieden zijn nationaal en regionaal draaiboeken ontwikkeld. In het kader van het risico op het ontstaan van nieuwe subtypen wordt ook de Aviaire Influenza (vogelgriep) goed gevolgd en ook voor een eventuele uitbraak daarvan liggen draaiboeken klaar. Meldingsplichtige infectieziekten. Volgens de infectieziektenwet is er een lijst van infectieziekten, waarvan de medisch behandelaar die deze ziekte constateert verplicht is om hier melding van te maken bij de GGD, met als doel om zo goed te kunnen signaleren en adequaat in te springen als dat nodig is. De meeste meldingsplichtige ziekten zijn tamelijk bijzonder. De meest voorkomenden zijn: kinkhoest, hepatitis B, hepatitis C en hepatitis A. Reizigersziekten. Reizigers/vakantiegangers kunnen, zeker bij verre bestemming te maken krijgen met risico's op infectieziekten die in Nederland niet of nauwelijks voorkomen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan: malaria, gele koorts, hepatitis A. Vaccinaties, profylaxe en beschermende maatregelen (zoals antimuggenmiddel, klamboe, voedselhygiëne) kunnen dit risico aanzienlijk verminderen. Regionale en lokale cijfers Tuberculose In 2005 waren er in de regio Nijmegen 19 patiënten met actieve tuberculose gediagnosticeerd. Bij zeven van deze patiënten was het noodzakelijk om de medicatie onder volledige supervisie van de sociaal verpleegkundige te laten innemen. Bij twee patiënten was er sprake van een resistente tuberkelbacterie. Naast de bovengenoemde actieve tbc werd bij 36 mensen een latente tbc-infectie vastgesteld. In de jaren 2000 t/m 2004 samen zijn in de regio Nijmegen 10 mensen overleden ten gevolge van tuberculose. Rijksvaccinatieprogramma De vaccinatiegraad voor de vaccinaties van het Rijksvaccinatieprogramma ligt hoog: 97-98%. Er is geen groot verschil tussen de gemeenten. pagina 34 van 88
Tabel 25: per gemeente: vacccinatiegraad uit het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) NL regio Beun Drut Groes Heu Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch vaccinaties uit het RVP (DKTP,BMR, Hib,MenC) bron: LVE 96% 97-98% 98-99% 99% 97-99% 98-99% 97-100% 97-98% 96-97% 97% 97-98% 99-100% Algemeen Volgens de CBS-doodsoorzakenstatistiek zijn in de jaren 2000 t/m 2004 192 personen uit de regio Nijmegen overleden ten gevolge van infectieuze of parasitaire ziekten 20 (excl. infecties van het ademhalingsstelsel). Deze sterfte is significant hoger dan gemiddeld in Nederland (daarbij is rekening gehouden met verschillen in leeftijdsopbouw etc). Het betreft echter een samenvoeging van diverse niet nader gespecificeerde ziekten, waardoor de uitkomst moeilijk te duiden is. Regionale en lokale cijfers over veilig vrijen, staan in het volgende hoofdstuk in paragraaf 5.7, (pagina 50) over relaties en seksualiteit. Preventiemogelijkheden Vaccinatie: via het Rijksvaccinatieprogramma (RVP) wordt gevaccineerd tegen: difterie, kinkhoest, tetanus en polio (dktp), infectie met Haemophilus Influenzae type B (Hib), bof, mazelen en rodehond (bmr), meningokokken C infecties (Men C) en voor risicokinderen ook hepatitis B (Hep B). Invoering van het RVP vanaf 1957 heeft in Nederland geleid tot het vrijwel verdwijnen van de meeste infectieziekten waartegen wordt ingeënt. Destijds vormden zij de belangrijkste ziekte- en doodsoorzaken bij kinderen. Nu wordt de sterfte aan infectieziekten bij kinderen en jongeren voornamelijk veroorzaakt door ziekten waartegen (nog) niet wordt gevaccineerd of (nog) niet kan worden gevaccineerd (zoals tegen m eningococcen B -infecties). De vaccinatiegraad in Nederland ligt boven de 95 procent. Naast vaccinaties uit het RVP bestaat er ook de succesvolle vaccinatie tegen influenza (griepprik) bij ouderen en specifieke risicogroepen en vaccinaties tegen diverse andere ziekten zoals hepatitis B en tuberculose bij risicogroepen (zoals: reizigers, werkers in de gezondheidszorg, mensen met risicovolle seksuele contacten, druggebruikers). Hygiënemaatregelen: hieronder vallen wettelijke eisen aan drinkwater- en aan zwemwaterkwaliteit, specifieke hygiëne-inspecties (bij kindercentra, instellingen en grootschalige evenementen) en algemene huishoudelijk hygiene-adviezen m.b.t. de maaltijdbereiding en sanitaire hygiëne. Beschermingsmaatregelen: denk aan veilig vrijen, condoomgebruik maar ook advisering aan reizigers (anti -muggenmiddel, klamboe, voedselhygiëne etc). in paragraaf 5.7, (pagina 50) staat meer over preventiemogelijkheden rond veilig vrijen. Actieve opsporing: via screening van risicogroepen (zoals bij tuberculose, SOA, HIV, hepatitis B) en bij gevonden ziekte ook vervolgens bron- en contactonderzoek. Hiertoe moet men soms actief op zoek naar de risicogroepen. Ook het aanbieden van de (anonieme) SOA-poli val t hieronder. Snel handelen bij uitbraak: Indien een uitbraak van een infectieziekte plaatsvindt dan kan snel en efficiënt handelen de omvang van de uitbraak beperkt houden. Hiertoe liggen protocollen en draaiboeken klaar voor zowel kleine uitbraken (zoals voedselinfecties of scabiës in instellingen) tot grote uitbraken zoals een influenza-pandemie. 20 Dit betreft de ICD-10 categorieën A00 t/m B99. pagina 35 van 88
5 Hoe staat het met onze leefstijl en met andere gezondheidsdeterminanten? Van diverse factoren is bekend dat deze een (oorzakelijk) verband hebben met het onts taan van bepaalde ziekten. Veel van deze determinanten hebben te maken met de leefstijl van mensen. Daarom is het beïnvloeden van dergelijke leefstijlfactoren een belangrijk aandachtspunt bij ziektepreventie. Daarbij moet echter wel in acht genomen worden dat gezondheidsgevolgen van een ongezonde leefstijl zich vaak pas op langere termijn uiten. Dit is goed terug te zien in de huidige longkankersterfte. Bij mannen is sprake van een daling van de sterfte, hetgeen direct samenhang met een sterke daling van het rookgedrag in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. In die periode was er bij vrouwen juist sprake van een stijging van het rookgedrag (inhaalgedrag). En ook dat zien we nu terug in de stijging van de longkankersterfte bij vrouwen. Evenzo zal de huidige toename van overgewicht bij jongeren zich pas over jaren uiten in een stijging van het aantal volwassenen met diabetes. Preventie vraagt dus om een vooruitziende blik en een lange adem. 5.1 Bewegen Samengevat: Lichamelijke activiteit bevordert de kwaliteit van leven en beschermt tegen tal van ziekten zoals coronaire hartziekten, diabetes mellitus type 2, beroerte en osteoporose. Lichamelijke inactiviteit is in Nederland jaarlijks naar schatting verantwoordelijk voor 6% van het totaal aantal sterfgevallen. Het percentage Nederlanders dat voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen blijft na jarenlange daling nu stabiel. In de regio Nijmegen voldoet de helft van de volwassenen aan de beweegnorm, bij jongeren van 12-17 jaar voldoet maar 22% aan de jeugd-beweegnorm. Deze cijfers zijn vrijwel gelijk aan de landelijke cijfers. Allochtonen, 75-plussers en 12-18 jarigen zijn relatief vaak inactief. Bij mensen met een lage Sociaal Economische Status is de sportdeelname relatief laag. Gemeenten hebben een duidelijke rol in het stimuleren van de lichamelijke activiteit. Onder andere door zorg te dragen voor voldoende: speelplaatsen, gemeentelijke sport- en actieve recreatievoorzieningen en verkeersveiligheid. Feiten over bewegen en gezondheid Lichamelijke activiteit is meer dan alleen sporten. Bewegen tijdens de dagelijkse verplichtingen levert de grootste bijdrage aan de lichamelijke activiteit. Het gaat dan om fietsen/wandelen naar werk of school, lichamelijk actief werk en huishoudelijk werk thuis. Wandelen en fietsen zijn de belangrijkste vormen van bewegen in de vrije tijd. De relatief beperkte bijdrage van sport komt doordat dit zich bij veel mensen beperkt tot 1 of 2 keer per week. Sport is wel de belangrijkste bron van intensief bewegen. Bewegen en gezondheid Matig intensieve activiteit heeft een gunstig effect op de gezondheid, mits deze regelmatig wordt verricht. Onvoldoende lichamelijke activiteit verhoogt de kans op vroegtijdig overlijden en kan het risico op het ontstaan van ziekten verhogen. Het betreft ziekten zoals coronaire hartziekten (CHZ), diabetes mellitus (suikerziekte), beroerte (CVA), osteoporose (botontkalking), dikke darmkanker en borstkanker. Intensieve activiteit, zoals hardlopen of voetballen, verbetert bovendien de conditie van hart en longen. Een tekort aan lichamelijke activiteit is in Nederland jaarlijks verantwoordelijk voor naar schatting ruim 8.000 sterfgevallen (ofwel circa 6% van totaal aantal sterfgevallen). Rol van de omgeving Met name bij jongeren en ouderen is de sociale omgeving van invloed op het beweeggedrag. Denk daarbij aan sociale veiligheid en het beweeggedrag mensen met een voorbeeldfunctie (ouders, vrienden etc). Verder kan de fysieke omgeving, zoals de woonwijk en de gemeentelijke infrastructuur, mede bep alend zijn voor de lichamelijke activiteit. Denk daarbij aan toereikend aanbod van speelplaatsen in de directe woonomgeving, verkeersveiligheid, aanbod van voldoende gemeentelijke sport- en groenvoorzieningen. Trend Vanaf 1975 is een daling te zien in lichamelijke activiteit, de laatste vijf jaar is er echter sprake van een stabilisatie. Er is in de periode vanaf 1975 een stijging te zien in de zittende vrije tijdsbesteding: TV- pagina 36 van 88
kijken en computeren. Er is evenwel ook een stijging te zien in het sporten, het duidelijkst bij mensen vanaf 35 jaar. Risicogroepen Allochtonen: zowel vanwege minder bewegen alsook vanwege minder sporten Mensen met een lage sociaal economische status (SES): omdat ze minder sporten. De mensen met een lage SES die geen werk hebben (werkloos, arbeidsongeschikt) vormen tevens een risicogroep vanwege minder bewegen. Jongeren van 12-18 jaar: vanwege het teruglopen van het dagelijks bewegen, hierdoor voldoen veel jongeren niet aan de jeugd-beweegnorm. Ouderen vanaf 75 jaar: door teruglopen van het bewegen. Dit komt zowel door lichamelijk beperkingen, ervaren onveiligheid en terugloop van sociale en maatschappelijke participatie. Landelijke cijfers Naarmate de leeftijd stijgt neemt de mate van beweging af. De Nederlandse Norm Gezond Bewegen 21 is 'strenger' voor kinderen en jongeren dan voor volwassenen en ouderen. Hierdoor wordt verklaard dat bij de jongeren slechts 25% voldoet aan de beweegnorm. Bij de volwassenen is dit de helft en bij de ouderen voldoet 70% aan de beweegnorm. Het percentage mensen dat zeer inactief is (op geen enkele dag een half uur beweging), bedraagt 8% in de zomer en 12% in de winter. Met het stijgen van de leeftijd neemt het percentage mensen dat geheel geen intensieve activiteiten doet toe (deels samenhangend met lichamelijke beperkingen). Regionale en lokale gegevens: Jeugd Slechts 22% van de jeugd in de regio Nijmegen voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen voor jongeren (dagelijks een uur matig intensief bewegen). Eénderde van de jongeren voldoet in rede - lijke mate aan de norm en bijna de helft beweegt beslist onvoldoende. Het beeld is daarmee vergelijk - baar met landelijke cijfers. Het beperkt bewegen zit niet zozeer in het georganiseerd sporten, want ruim driekwart van de jongeren geeft aan dat ze sporten bij een club of vereniging. De helft sport daar echter minder dan 3 uur per week. In onderstaande tabel is te zien dat het sporten in de gemeente Nijmegen wel iets lager ligt dan in de regio. Het alledaagse bewegen, zoals het dagelijks fietsen naar school zet de meeste zoden aan de dijk; met name voor die jongeren die wat verder van school af wonen. Voor Nijmegen valt het percentage jongeren op dat niet sport bij een club of vereniging. Dat is duidelijk hoger dan bij de andere gemeenten in de regio. Tabel 26:Jeugd (klas 2 en klas 4 Voortgezet Onderwijs) per gemeente: bewegen en sporten Oost NL regio Beun Drut Groe. Heu. Mill. Mook Nijm Ubb Wmw Wijch voldoet niet aan beweegnorm - 79% 76% 84% 77% 78% 74% 74% 80% 78% 76% 79% beweegt beslist onvoldoende 48% 47% 40% 48% 39% 37% 48% 37% 52% 39% 40% 51% sport niet bij vereniging/club 25% 26% 25% 24% 27% 19% 19% 23% 32% 22% 27% 18% bron: jongeren: GGD regio Nijmegen, E-Movo 2003/2004, bij 13-17-jarigen Volwassenen Ruim de helft (53%) van de volwassenen in de regio Nijmegen voldoet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen. Dat is vrijwel gelijk aan het gemiddelde van Nederland (52%). (Bron: CBS-Statline). De sportdeelname bij volwassenen in Nijmegen is hoger dan in veel vergelijkbare steden. Ruim de helft (56%) van de volwassenen heeft aangegeven wekelijks aan sport te doen. Ruim een kwart is daadwerkelijk lid van een sportclub of - vereniging. De overigen sporters doen dit ongeorganiseerd zoals fitnessen, fietsen, hardlopen en wandelen. (Bron: Stads monitor, gemeente Nijmegen 2005). Ouderen Omdat de vragenset om de beweegnorm vast te stellen zeer omvangrijk is en in mindere mate geschikt voor ouderen, is in het ouderenonderzoek navraag gedaan naar de meest relevante vormen van bewegen bij ouderen. Drie op de vijf ouderen in de regio wandelt regelmatig (dagelijks of wekelijks), bijna de helft fietst regelmatig en 17% resp. 15% doen aan ouderensport of reguliere sport. Eén op de tien 21 Nederlandse Norm Gezond Bewegen (samengevat): Jeugd: dagelijks een uur matig intensieve lichamelijke activiteit Volwassen (incl. ouderen): minimaal 5 dagen per week een half uur matig intensieve lichamelijke activiteit. (Bij mensen vanaf 55 jr is de norm van welke mate van activiteit 'matig intensief' genoemd wordt, lager). pagina 37 van 88
ouderen lijkt zeer inactief te zijn. Zij wandelen of fietsen zelden of nooit en ze doen niet aan enige vorm van sport. In Nijmegen is elke vorm van bewegen bij ouderen wat lager dan in de regio en in Oost Nederland (zie tabel). De lagere score wat betreft het fietsen zal zeker ook te maken hebben met de grotere verkeersintensiteit in een stad. pagina 38 van 88
Tabel 27: per gemeente: bewegen bij ouderen Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch regelmatig wandelen 59% 62% 60% 60% - 68% - - 62% - - 60% regelmatig fietsen 57% 47% 54% 57% - 63% - - 41% - - 59% deelname ouderensport 16% 17% 17% 20% - 20% - - 16% - - 21% deelname overig sport 16% 15% 13% 15% - 25% - - 14% - - 17% zelden of nooit een van - 11% 12% 11% - 7% - - 13% - - 10% bovenstaande activiteiten bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 Wat doen gemeenten in de regio Nijmegen aan stimulering lichamelijke activiteit? Per gemeente: Faciliteren/subsidiëren speelplaatsen, sport- en bewegingsvoorzieningen Creëren van veilige fietsroutes en actieve recreatievoorzieningen Sport- en beweegstimulering via de gemeenten (afdelingen Sport & Recreatie) In diverse gemeenten: BOS-projecten (stimulans in samenwerking Buurt Onderwijs Sport). Nijmegen in Beweging. Hierin participeren naast gemeente en GGD ook andere partijen: UMC Sint Radboud, Stichting Zevenheuvelenloop, St. Maartenskliniek, Tandem, Zorggroep Zuid-Gelderland, Gelderse Sportfederatie en het NIGZ (Nationaal Instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie). Via de GGD: Individuele advisering van ouders en jeugdigen via preventieve gezondheidsonderzoeken JGZ 0-19: bewegen, waaronder navraag naar lidmaatschap van een sportclub, is een vast onderdeel hiervan. Aanbod Gezondheidsbevordering via het overgewichtpreventie project 'Wikken en (Be)Wegen' op diverse basisscholen met aandacht voor voeding en bewegen. Nijmegen in Beweging: samenhangend preventieaanbod voeding en bewegen via diverse partners aan 4-12 jarigen en hun ouders in Waterkwartier, Wolfskuil, Heseveld. Incidenteel voorlichting op peuterspeelzalen en kinderdagverblijven over voeding en beweging. Wat zou er nog meer gedaan kunnen worden? Enkele voorbeelden: Aanbod gezondheidsbevordering over voeding en beweging voor ouders van 0-4 jarigen en ouders van 4-12 jarigen. Aanbod gezondheidsbevordering over voeding en beweging voor het Voortgezet Onderwijs en ROC. Vakdocenten voor de gymlessen in het basisonderwijs. Op (risico)scholen met een eigen gymzaal 'gym -extra' organiseren om zo op een laagdrempelige manier kinderen aan het bewegen te krijgen. Vrij toegankelijke speelterreinen creëren voor de leeftijdsgroep 12+, zo mogelijk met begeleiding van een sportinstructeur op vaste tijdstippen. Aanbod gezondheidsbevordering voeding en beweging ouderen ism andere partijen (zoals Stichtingen Welzijn Ouderen). Structuur opzetten die zorgt voor mee r cohesie en samenwerking tussen de diverse aanbieders o waardoor meer effectief op wijkniveau ingezet kan worden op het stimuleren van bewegen o waardoor beweeggedrag kan beklijven en er doorgeleiding is naar bijv.sportclubs. pagina 39 van 88
5.2 Voeding Samengevat: Ongezonde voeding is belangrijke risicofactor voor o.a. hart- en vaatziekten, diabetes type 2 en een aantal kankervormen De meeste Nederlanders voldoen niet aan de 'Richtlijnen Goede Voeding': bij jongeren nog minder dan bij ouderen. In de regio Nijmegen is dat in vergelijkbare mate het geval. De consumptie van groente en fruit laat een ongunstige trend zien. De consumptie van verzadigd vet laat een gunstige trend zien. Risicogroepen: jongeren, allochtonen, lage sociaal economische groepen, zorgbehoevende oude - ren. Preventie nodig via interventies gericht op het voedselaanbod en het koop-/eetgedrag. Feiten over voeding en gezondheid Voeding heeft op diverse manieren een verband met de gezondheid. Teveel eten (in combinatie met te weinig bewegen) leidt tot overgewicht met de bijbehorende gezondheidsrisico's (zie meer hierover in de volgende paragraaf) Te weinig eten komt in Nederland alleen nog voor bij specifieke groepen, zoals zwangeren, bepaalde groepen ouderen, chronisch zieken en verslaafden. De ondervoeding heeft dan veelal met name te maken met een tekort aan essentiële voedingsstoffen zoals vitaminen en sporeelementen. Een ongezond voedingspatroon is onder andere een belangrijke risicofactor voor hart- en vaatziekten, voor diabetes mellitus type 2 en voor osteoporose. Het risico op hart- en vaatziekten hangt vooral samen met een voeding die rijk is aan verzadigde vetzuren en transvetzuren en arm is aan vis, groenten en fruit. Het risico op longkanker, slokdarmkanker, maagkanker en kanker in hoofd- en hals - gebied is hoger bij een voedingspatroon met weinig groente- en fruit. Het risico op darmkanker is waarschijnlijk hoger met een voeding die rijk is aan vleeswaren en arm aan melk (calcium). Osteoporose (botontkalking) komt meer voor bij een voeding die arm is aa n calcium en vitamine D. De inname van voldoende voedingsvezel verkleint de kans op obstipatie en dikke darmkanker. Trend De inname van verzadigd vet voldoet nog lang niet bij iedereen aan de norm, maar de trend gaat in de goede richting, onder andere door een toename van gezonde vetten in industrieel bereide producten. De inname van groente- en fruit laat al lange tijd een daling zien. De norm van 200 gram groente en 2 stuks fruit per dag wordt maar door één op de vijf Nederlanders gehaald. Bij de jongeren voldoet maar een zeer laag percentage aan die norm, hoe ouder men wordt hoe beter men groente en fruit eet, maar ook bij de ouderen voldoet minder dan de helft aan de norm en de landelijke trend ontwikkelt zich nog verder in een dalende richting. Dit wordt mede veroorzaakt door de mate waarin men gemaksvoedsel gebruikt. De hoeveelheid groente daarin voldoet vaak niet aan de norm. Risicogroepen Bij allochtonen, lage sociaal-economische groepen en niet-zelfstandig wonende zorgbehoevende ouderen is het aand eel mensen 'dat niet voldoet aan bepaalde voedingsaanbevelingen' relatief groot. Verder zijn er signalen dat bepaalde groepen niet aan de voor hen specifieke aanbevolen hoeveelheden voldoen, zoals bijvoorbeeld zwangeren ten aanzien van bepaalde vitamines. Regionale en lokale gegevens: Jeugd De meeste jongeren voldoen niet aan het advies om dagelijks groente en fruit te eten. Niet meer dan 40% eet dagelijks groente en slechts 31% eet dagelijks fruit. Dertien procent eet zelfs minder dan 2 keer per week fruit. Ouderen Bij ouderen ligt het dagelijks groente eten duidelijk hoger dan bij de jongeren: 80% van de ouderen eet dagelijks groente. Maar omdat velen geen 200 gram per dag eten, blijkt dat toch maar 43% van de ouderen voldoet aan de voedingsnorm voor groente 22. Wat betreft het fruit eten blijkt dat bijna twee keer zo veel ouderen als jongeren dagelijks fruit eten. Maar liefst 61% van de ouderen eet dagelijks fruit. 22 Bij de jongeren is de hoeveelheid groente per dag niet nagevraagd, omdat er vanuit wordt gegaan dat dit zeker voor jongeren, moeilijk betrouwbaar in te schatten is. pagina 40 van 88
Daarnaast ontbijt 95% van de ouderen minimaal 5 keer per week en 90% van de ouderen eet 6 of 7 keer per week een warme maaltijd. Tabel 28: per gemeente: voeding Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch Eet niet dagelijks groente jongeren 62% 60% 68% 67% 67% 59% 68% 52% 57% 51% 69% 59% ouderen - 20% 24% 14% - 14% - - 20% - - 24% Voldoet niet aan voedingsnorm voor groente ouderen 61% 57% 58% 57% - 54% - - 58% - - 60% Eet niet dagelijks fruit jongeren 70% 69% 71% 76% 70% 73% 72% 58% 68% 62% 70% 69% ouderen - 39% 40% 39% - 35% - - 40% - - 43% Minder dan 5 keer per week ontbijten jongeren 21% 22% 20% 21% 22% 16% 20% 21% 26% 24% 25% 19% ouderen 4% 5% 3% 3% - 5% - - 6% - - 7% Minder dan 6 keer per week een warme maaltijd eten jongeren - 6% 7% 7% 5% 7% 1% 2% 7% 1% 6% 5% ouderen - 10% 9% 4% - 5% - - 13% - - 11% bron: jongeren: GGD regio Nijmegen, E-Movo 2003/2004, bij 13-17-jarigen ouderen: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 Wat doen gemeenten in de regio Nijmegen aan stimulering gezonde voeding? Via de GGD: Individuele advisering ouders en jeugdigen via de onderzoeken JGZ 0-19, voeding is een vast onderwerp Aanbod Gezondheidsbevordering via het overgewichtpreventie project 'Wikken en (Be)Wegen' op diverse basisscholen met aandacht voor voeding en bewegen. Samenhangend preventieaanbod (NIB) voeding en bewegen via diverse partners aan 4-12 jarigen en hun ouders in Waterkwartier, Wolfskuil, Heseveld. Incidenteel voorlichting op peuterspeelzalen en kinderdagverblijven over voeding en beweging. Wat zou er nog meer gedaan kunnen worden? Enkele voorbeelden: Aanbod gezondheidsbevordering over voeding en beweging voor ouders van 0-4 jarigen en ouders van 4-12 jarigen. Aandacht voor gezond tractatie- en overblijfbeleid op basisscholen. Aanbod gezondheidsbevordering over voeding en beweging voor het Voortgezet Onderwijs en ROC, waaronder aandacht voor gezond kantinebeleid. Aanbod gezondheidsbevordering voeding en beweging ouderen ism andere partijen (zoals Stichtingen Welzijn Ouderen). Aandacht voor eetproblemen 12+ pagina 41 van 88
5.3 Overgewicht Samengevat: (Ernstig) overgewicht hangt samen met tal van chronische aandoeningen: waaronder diabetes, harten vaatziekten en artrose. In de afgelopen decennia is sprake van een sterkte stijging van het overgewicht. Wel lijkt er momenteel sprake te zijn van enige stabilisatie. In Nederland heeft momenteel bijna de helft van de volwassen bevolking overgewicht. Bij 1 op de 10 mensen is sprake van ernstig overgewicht (obesitas). In de regio Nijmegen is het overgewicht bij volwassen iets lager dan het landelijk gemiddelde. Bij de kinderen ligt het wel vergelijkbaar. Risicogroepen zijn allochtonen en mensen met een lage opleiding. Overgewicht is op zichzelf geen leefstijlfactor, maar het is te beïnvloeden via de reeds besproken leefstijlfactoren: beweging en voeding. De aandacht voor overgewicht moet niet doorschieten in een slankheidsideaal dat mogelijke risico's kan hebben in relatie tot het ontstaan van eetstoornissen. Mede daarom dient qua preventie de nadruk te liggen op de positieve aspecten van gezonde voeding en voldoende bewegen en niet op negatieve aspecten van dik zijn. Feiten over overgewicht en gezondheid Overgewicht en met name ernstig overgewicht (obesitas) hangen samen met tal van chronische aandoeningen, zoals hart- en vaatziekten en diabetes mellitus type 2 (suikerziekte). Ook hebben mensen met ernstig overgewicht vaker last van verschillende vormen van kanker en van aandoeningen aan het bewegingsapparaat (bijvoorbeeld artrose) en de ademhalingsorganen. Overgewicht hangt bovendien samen met lichamelijke beperkingen en een slechtere kwaliteit van leven. Bij vrouwen met ernstig overgewicht komen ook menstruatiestoornissen en onvruchtbaarheid vaker voor. Naast overgewicht, kan ook ondergewicht een gezondheidsrisico zijn. Ondergewicht kan een gevolg zijn van onderliggende fysieke gezondheidsproblemen, maar het kan ook een gevolg zijn van eetstoornissen zoals anorexia nervosa. Trend In de periode 1981-2003 is het percentage mensen met ernstig overgewicht in Nederland sterk toe - genomen. Een stijging in het vóórkomen van ernstig overgewicht is te zien bij alle leeftijdscategorieën. Ook bij kinderen vanaf 4 jaar is een sterke toename van overgewicht en obesitas te zien. De verwachting is dat dit het overgewicht in de toekomst zal blijven toenemen. Risicogroepen Bij mannen en vrouwen met een laag(ste) opleidingsniveau is het percentage personen met obesitas bijna drie keer zo hoog als bij mensen met een hoge opleiding. Bij kinderen van Turkse en Marokkaanse herkomst ligt het percentage met overgewicht (matig en ernstig) duidelijk hoger dan bij kinderen van Nederlandse herkomst. Regionale en lokale gegevens: Uit recent GGD-onderzoek is gebleken dat 14% van de kinderen in de regio Nijmegen overgewicht heeft: 11% matig overgewicht en 3% ernstig overgewicht (tabel 29). Dit is vergelijkbaar met landelijke cijfers. Voor de gemeente Nijmegen liggen de cijfers iets hoger. De overgewichtcijfers voor de volwassenen zijn voor de regio Nijmegen iets gunstiger dan het landelijk gemiddelde. In de regio Nijmegen heeft 41% van de volwassenen overgewicht, tegenover 45% landelijk. Wat betreft obesitas heeft de regio Nijmegen 7% tegenover 10% landelijk. Ook bij ouderen is overgewicht een steeds groter probleem aan het worden. Meer dan de helft van de ouderen heeft overgewicht, bij 43% is sprake van matig overgewicht en 14% heeft obesitas. pagina 42 van 88
Tabel 29: per gemeente: overgewicht NL Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch Overgewicht (matig en ernstig) kinderen 5-14 jr 15% - 14% 11% 12% 15% 9% 17% 13% 15% 12% 14% 13% volwassenen 45% - 41% 39% ouderen - 59% 57% 61% 63% - 59% - - 56% - - 57% Obesitas (=ernstig overgewicht) kinderen 5-14 jr 3% - 3% 3% 2% 4% 1% 3% 3% 4% 2% 3% 2% volwassenen 10% - 7% 9,4% ouderen - 14% 14% 16% 12% - 12% - - 15% - - 12% Bron: kinderen: GGD regio Nijmegen, (JGZ-registratie 2005/2006) volwassenen: regiocijfer: CBS-Statline 2000-2003, (zelfrapportage); Nijmegen: Nijmegen BIomedische Studie 2003 ouderen: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 (zelfrapportage) Wat doen gemeenten in de regio Nijmegen aan overgewicht? Per gemeente: faciliteren sport en lichamelijke activiteit (zie bij paragraaf 5.1: 'bewegen') In diverse gemeenten: BOS-projecten. In gemeente Nijmegen ook het project : Nijmegen in Beweging (zie hiervoor vorige paragrafen over bewegen en voeding). Via de GGD: Het volgen van de groei met aandacht voor overgewicht (of ondergewicht) tijdens de onderzoeken van de JGZ 0-19 en waar nodig adviseren, controleren of verwijzen. Individuele advisering jeugdigen over overgewicht, voeding en beweging via de onderzoeken van JGZ 0-19. Het divers aanbod op het gebied van voeding en bewegen zoals het preventieprogramma Wikken en (Be)Wegen (zie bij de voorgaande twee paragrafen). Wat zou er nog meer gedaan kunnen worden? Naast de diverse voorbeelden die in de paragrafen over bewegen en voeding genoemd zijn, valt ook nog te denken aan: Aanbod 0-4 jarigenzorg uitbereiden. Denk aan: ouders inzicht geven in gezonde en ongezonde func ties van eten: niet troosten met snoep en lekkers, eten niet als zoethoudertje gebruiken, samen genieten van een goede maaltijd (eten heeft een belangrijke sociale functie), grazen voorkomen. Aanbod voor kinderen die nog niet te dik zijn, maar wel daarnaar toe neigen en voor kinderen met matig overgewicht. Denk aan: onder leiding van diëtiste / fysiotherapeut / pedagoog voorlichten over voeding en bewegen. De risicogroepen zoals allochtonen en sociaal zwakkeren actief benaderen voor opvoedingsondersteuning en voedingsvoorlichting ( bijv. koffieochtenden). Activiteiten binnen school en in de buurt baseren op interesse van de betreffende bevolking. pagina 43 van 88
5.4 Roken Samengevat: gezondheidsrisico's: (sterk) verhoogd risico op o.a. longkanker, COPD en hart-/vaatziekten. Het percentage rokers is dalende. Landelijke cijfers van 2004 laten zien dat ruim een kwart van de Nederlanders rookt (mannen 31%, vrouwen 25%). Onder jongeren daalt het percentage rokers veel minder duidelijk. Risicogroep: mensen met een lage opleiding Preventiemogelijkheid: een combinatie van wetgeving, handhaving, voorlichting en begeleiding lijkt het meest effectief. Feiten over roken en gezondheid Roken is bij mensen boven de 20 jaar verantwoordelijk voor een groot deel van de sterfte aan longkanker, maar ook voor sterfte aan andere vormen van kanker en COPD (chronische obstructieve longziekten). Verder is ongeveer 30% van de sterfte aan coronaire hartziekten en 14% van de sterfte aan beroerte te wijten aan roken. Tevens zijn er duidelijke a anwijzingen dat roken van de moeder tijdens de zwangerschap en na de geboorte het risico vergroot op zuigelingensterfte en wiegendood. Passief roken (regelmatig in de rook van anderen zitten) vergroot bij volwassenen de kans op longkanker. Trend Na een langdurige daling van het percentage rokers (vooral bij mannen) en een stabilisatie in de negentiger jaren (op circa 33%), is het percentage rokers de laatste jaren weer gedaald naar 28% in 2004. Het percentage volwassenen dat rookt is het hoogst tussen de vijfendertig en vijfenvijftig jaar. Bij jongeren is het percentage rokers al langere tijd stabiel, hoewel het de laatste jaren iets lijkt te dalen. Lange tijd is er in het rookpreventiebeleid weinig verbetering zichtbaar geweest. Sinds 2002 hebben diverse ontwikkelingen in de preventie van roken bijgedragen aan het doorbreken van deze impasse. Sindsdien zijn op basis van de laatste Tabakswet de reclame en sponsoring verder aan banden gelegd, de verkoop aan jongeren onder de 16 jaar beperkt en de rookverboden voor het openbaar vervoer en de werkplek aangescherpt. Mede onder invloed van Europese regelgeving zijn tabaksfabrikanten verplicht om duidelijker en meer gevarieerde gezondheidswaarschuwingen op de sigarettenpakjes te vermelden. Tegelijkertijd maakt de overheid door een sterke verhoging van het budget extra activiteiten mogelijk op het gebied van voorlichting en hulpverlening. Risicogroepen Bij mensen met alleen lager onderwijs is het percentage rokers ruim anderhalf keer zo groot als bij mensen met een hbo - of universitaire opleiding. De verschillen in het percentage rokers tussen de opleidingsniveaus zijn de afgelopen tien jaar groter geworden. Regionale en lokale gegevens: Jeugd Eén op de veertien jongeren in klas 2 van het Voortgezet Onderwijs (13,14 jaar) rookt regelmatig (dagelijks of wekelijks). Opvallend maar moeilijk verklaarbaar is dat er duidelijke verschillen zijn tussen de gemeenten: van 2% tot 12%. In klas 4 wordt door 1 op de 5 jongeren regelmatig gerookt. Ook hier zijn grote verschillen te zien: van 13% tot 32%. De cijfers van Nijmegen zijn geheel gelijk aan de regio. Volwassenen: op basis van gegevens van het CBS blijkt dat het roken bij volwassen in de regio Nijmegen vrijwel gelijk is aan het gemiddelde in Nederland. Tabel 30: per gemeente: roken NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch Roken jongeren klas2 VO - 7% 6% 3% 3% 7% 10% 2% 7% 5% 12% 7% jongeren klas 4 VO - 19% 22% 24% 19% 15% 20% 15% 19% 32% 13% 15% volwassenen 32% 32% Zwaar roken volwassenen 8,5% 7,5% bron: jongeren: GGD regio Nijmegen, E-Movo 2003/2004, bij 13-17-jarigen volwassenen: CBS Statline (2001-2004) Wat doen gemeenten in de regio Nijmegen aan rookpreventie? pagina 44 van 88
Via de gemeente: Tabakswet: Rookverbod openbare ruimten en werkplek. Via de Grift (nu nieuwe naam: IrisZorg): Effectieve voorlichting aan leerlingen in het Voortgezet Onderwijs 23 : Gezonde School en Genotmiddelen. Via de GGD: Via de consultatiebureaus aandacht voor het rookgedrag van de ouders via het landelijk programma: Roken, niet waar de kleine bij is. Er wordt een folder uitgedeeld en er wordt individueel advies gegeven. Effectieve voorlichting aan leerlingen in groep 8 van het basisonderwijs via onder andere gastlessen Bij het preventieprogramma wordt het materiaal van de Gezonde school en Genotmiddelen van het Trimbosinstituut gebruikt. Hiervan maken in het schooljaar 2006/2007 tussen de 50 en 70 basisscholen gebruik. Deelname scholen aan actie Tegengif van Stivoro zeker 6 scholen doen daaraan mee. In deel van het Voortgezet Onderwijs: voorlichting met als rode draad: sociale weerbaarheid ("nee", durven zeggen, parapluproject). Individuele advisering jeugdigen via de contacten van de afdeling JGZ, bijvoorbeeld via het preventief gezondheidsonderzoek in klas 2 op het Voortgezet Onderwijs. Op verzoek van school: advisering bij invoering Rookvrije school. Op aanvraag: ouderavonden over beginnend rookgedrag en de invloed van ouders. Desgevraagd informatieverstrekking via het PIP (Publieks Informatie Punt). In de regio Nijmegen worden non-commerciële 'stoppen met roken-cursussen' georganiseerd door Thuiszorg, UMC St Radboud en Canisius samen. Wat zou er nog meer gedaan kunnen worden? Uitvoering van de leeflijn tabakspreventie (Stivoro 2006): effectieve interventies voor inwoners van -12 maanden tot 65+: Preventie rokende zwangeren i.s.m. verloskundigen/ziekenhuizen. Ondersteuning stoppen met roken voor jonge rokers (15-19 jaar) i.s.m. JGZ en scholen. Preventie roken (accent op stoppen met roken) volwassenen uit achterstandsgroepen. Preventie rokers met depressieverleden. Preventie roken verstandelijk gehandicapten i.s.m. instellingen. Rookpreventie sportverenigingen gericht op tegengaan meeroken door jeugd. 23 Volgens afspraken tussen de GGD en de Grift verzorgt de GGD de gezondheidsbevordering over genotmiddelen in het basisonderwijs en de Grift in het Voortgezet Onderwijs. pagina 45 van 88
5.5 Alcohol Samengevat: Overmatig alcoholgebruik kent diverse gezondheidsrisico's: verhoogde kans op diverse kankervormen, schadelijke effecten aan lever, nieren en centraal zenuwstelsel, verhoogde bloeddruk, verkeersongevallen, agressie. Bij jongeren is sprake van een duidelijke stijging in alcoholgebruik, zeker ook bij jonge meisjes (12-14 jr). Risicogroepen: jongeren en ouderen. Preventiemogelijkheid voor via brede interventiemix van wetgeving/omgevingsbeïnvloeding (verkooppunten, leeftijdsgrenzen, accijns, reclame) en voorlichting/informatie. Ook vroegsignalering van probleemdrinken is van groot belang. Feiten over alcohol en gezondheid Hoewel matig alcoholgebruik beschermt tegen coronaire hartziekten en beroerte, zijn de schadelijke gevolgen van een overmatig alcoholgebruik talrijk. Zo behoort alcoholverslaving ofwel alcoholafhanke - lijkheid tot de top -10 van gezondheidsproblemen. Overmatig alcoholgebruik verhoogt het risico op verschillende vormen van kanker en heeft negatieve effecten op diverse organen en systemen van het menselijk lichaam, zoals lever, nieren, centraal zenuwstelsel, immuunsysteem en hart en bloedvaten (bloeddruk). Ook heeft overmatig alcoholgebruik een nadelige invloed op de vruchtbaarheid en bij zwangere vrouwen op de ontwikkeling van het (ongeboren) kind. Daarnaast dient het risico genoemd van alcoholgebruik in combinatie met verkeersdeelname en de ontremmende rol van alcohol waardoor er een groter risico is op agressie en op (achteraf) ongewenst en onveilig seksueel contact. In paragraaf 9.3.2, p.69, wordt nader ingegaan op problemen bij mensen die sterk afhankelijk zijn van alcohol (alcoholisten). Trend Onder volwassenen is het percentage overmatig drinkende mannen en vrouwen de laatste jaren niet veel veranderd (mannen 14%, vrouwen 10%). Bij jongeren en zeker bij jonge meisjes van twaalf tot en met veertien jaar is de laatste jaren een duidelijke toename in alcoholgebruik te signaleren. Risicogroepen Jongeren zijn extra gevoelig voor de risico's van alcoholgebruik, zowel lichamelijk als psychisch en sociaal. Alcoholgebruik laat geen duidelijk verschil zien naar sociaal economische status. Er is wel een duidelijk verschil naar etniciteit. Autochtone Nederlanders drinken duidelijk meer dan mensen met een Marokkaanse en Turkse herkomst. Ook ouderen zijn te beschouwen als risicogroep. Fysiologische veranderingen maken hen gevoeliger voor het effect van alcohol. Te hoog alcoholgebruik brengt extra risico op vallen met zich mee. Regionale en lokale gegevens: Jeugd Bijna driekwart van de jongeren van 13-16 jaar drinkt wel eens alcohol. Breezers en andere mixdrankjes zijn favoriet, bier komt op plaats twee. Als de jongeren drinken dan is dit vooral in het weekend, zowel thuis als uit. Indien men drinkt op een weekenddag, dan drinkt 21% daarbij 5 glazen of meer. Een kwart van de jongeren geeft aan in de voorgaande maand dronken of aangeschoten te zijn geweest. Volgens de meeste jongeren staan hun ouders niet negatief tegenover het feit dat hun kind alcohol gebruikt. Het alcoholgebruik bij jongeren ligt in Nijmegen lager dan gemiddeld in de regio. pagina 46 van 88
Tabel 31: per gemeente: alcoholgebruik door de jeugd in het voorgezet onderwijs regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch drinkt wel eens alcohol als men drinkt, drinkt op weekenddag 5 gl. of meer klas 2 61% 69% 72% 76% 57% 65% 57% 51% 70% 71% 64% klas 4 85% 87% 92% 86% 89% 89% 87% 81% 91% 89% 87% klas 2 6% 7% 8% 7% 5% 11% 0% 4% 9% 12% 5% klas 4 36% 42% 35% 46% 39% 38% 40% 30% 50% 40% 38% in voorgaande klas 2 12% 16% 8% 18% 10% 11% 4% 10% 24% 20% 10% maand dronken of aangeschoten klas 4 39% 42% 45% 48% 38% 40% 38% 36% 59% 34% 40% bron: GGD regio Nijmegen, E-Movo 2003/2004, bij 13-17-jarigen Volwassenen In de regio Nijmegen drinkt 85% van de volwassenen wel eens alcohol. Een op de vijf volwassenen is te beschouwen als een 'drinker'. Hieronder wordt verstaan: het drinken van gemiddeld 3 glazen alcohol per dag (voor mannen) of 2 glazen per dag (voor vrouwen) ofwel minimaal 1 keer per week 6 glazen of meer drinken (bron CBS-Statline). Ouderen Driekwart van de ouderen geeft aan wel eens alcohol te drinken. Van de ouderen die alcohol drinken wordt in de meeste gevallen aangegeven dat het daarbij om wijn gaat. Op de tweede plaats komt bier en als derde wordt jenever genoemd. Gemiddeld behoort 7,5% van de ouderen tot de categorie zware drinker. Een man is een zware drinker wanneer hij minimaal 1 dag per week 6 of meer glazen alcohol per dag drinkt. Voor vrouwen is de maat voor zwaar alcoholgebruik minimaal 1 dag per week 4 glazen alcohol per dag. Tabel 32: per gemeente: alcoholgebruik door ouderen Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch drinkt wel eens alcohol 71% 75% 74% 71% - 79% - - 75% - - 75% zware drinkers 5% 7,5% 8,0% 6,4% - 6,1% - - 8,2% - - 8,1% bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 Wat doen gemeenten in de regio Nijmegen aan preventie overmatig alcoholgebruik? Per gemeente: Handhaving horecawet en openbare orde. Advisering via Jongeren Informatie Punten (indien aanwezig). Via de IrisZorg (voorheen de Grift): Alcohol en drugsinformatiecursus voor het welzijnswerk en de gezondheidszorg, waaronder (ambulant) jongerenwerk, GGZ, LVG, (jeugd)hulpverlening, huisartsen en ouderenzorg. Instructie verantwoord alcoholgebruik aan barvrijwilligers van het sociaal cultureel werk, studentenverenigingen en (sport)verenigingen. Schoolprogramma's voor het Voortgezet (speciaal) Onderwijs 'Gezonde School en Genotmiddelen' en 'Onder invloed onderweg'. Deze programma's worden binnen het parapluprogramma aangebo - den, maar desgewenst ook los. Cursussen over genotmiddelen, gokken & internet/gamen en probleemsignalering en begeleiding voor het ROC. Programma gericht op uitgaanspubliek, waaronder cursussen voor horecabedrijven. Voorlichting en informatie aan ouders, zoals ouderavonden, cursussen 'Alcohol, drugs en pubers', homeparty's (voorlichting bij ouders thuis) en module in de cursus 'Beter omgaan met pubers'. Voorlichting en informatie aan het algemeen publiek en meer specifiek aan jongeren, bijvoorbeeld voorlichting binnen het jongerenwerk en scholen, voorlichting via internet, e -mailbeantwoording aan kinderen van alcoholafhankelijke ouder en informatieverspreiding over alcohol. Alcoholcampagnes gericht op jongeren, studente n en ouders Via de GGD: Effectieve voorlichting aan leerlingen in groep 8 van het basisonderwijs via onder andere gastlessen Bij het preventieprogramma wordt het materiaal van de Gezonde school en Genotmiddelen van het pagina 47 van 88
Trimbosinstituut gebruikt. Hiervan maken in het schooljaar 2006/2007 tussen de 50 en 70 basisscholen gebruik. In deel van het Voortgezet Onderwijs: voorlichting met als rode draad: sociale weerbaarheid ("nee", durven zeggen, parapluproject). Individuele advisering jeugdigen via de contacte n van de afdeling JGZ, onder andere via het preventief gezondheidsonderzoek in klas 2 op het Voortgezet Onderwijs. Desgevraagd informatieverstrekking via het PublieksInformatie Punt. Wat zou er nog meer gedaan kunnen worden? Horecaconvenanten afsluiten. (Aanpassing van) regelgeving ten aanzien van sluitingstijden, alcoholreclame, promotende alcoholacties (bijv. happy hours). Structurele samenwerking door diverse partners t.a.v. alcoholpreventie (d.w.z. regelgeving, voorlich - ting en handhaving, maar ook vroegsignalering). Regionale afstemming t.a.v. Regelgeving, voorlichting en handhaving in het kader van preventie van overmatig alcoholgebruik. pagina 48 van 88
5.6 Drugs Samengevat: Cannabis relatief onschuldig; harddrugs zijn meestal geestelijk en/of lichamelijk sterk verslavend Cannabisgebruik is onder middelbare scholieren niet verder gestegen Druggebruik vooral hoog onder 16-25 jarigen. Harddruggebruik vaak in combinatie met uitgaan. Preventie gericht op wet- en regelgeving en voorlichting. Feiten over drugsgebruik en gezondheid Cannabisproducten (hasj, marihuana/wiet) zijn in vergelijking met de gezondheidsrisico s van alcoholgebruik en roken relatief onschuldig. Dat komt mede doordat de meeste gebruikers niet heel frequent gebruiken. Cannabis heeft geen sterk verslavend effect. Indien de frequentie van het gebruik toeneemt, nemen ook de risico's toe. Cannabisgebruik kan mogelijk leiden tot: Vermindering van het reactie- en concentratievermogen en het korte termijn geheugen, waardoor school- en werkprestaties en verkeersgedrag nadelig beïnvloed kunnen worden. Psychosen, vooral bij mensen die hier aanleg voor hebben en frequente gebruikers zijn. Harddrugs (heroïne, cocaïne, amfetamine, XTC, etc.) zijn schadelijker voor de gezondheid dan canna - bis. Harddrugs zijn vaak verslavend, sommige drugs zowel lichamelijk als geestelijk (zoals heroïne) en andere waarschijnlijk alleen geestelijk (zoals cocaïne). De verslavingsrisico's van XTC zijn vermoedelijk relatief gering, maar hierbij bestaat het risico van oververhitting. Er zijn aanwijzingen dat XTC schadelijk kan zijn voor de hersenen. Mogelijke gevolgen van excessief drugsgebruik zijn naast vergiftiging ook het gelijktijdig met de drugverslaving optreden van psychische stoornissen. Daarnaast kunnen gebruikers door het intraveneus toedienen van drugs bloedvergiftiging en infecties (zoals HIV) oplopen, en door het roken van drugs longaandoeningen. Uit landelijk onderzoek onder personen vanaf 12 jaar blijkt dat 17% ooit cannabisproducten heeft gebruikt. Bij de harddrugs blijken cocaïne en XTC de meest gebruikte middelen te zijn (2,9% van de bevolking vanaf 12 jaar heeft deze middelen wel eens gebruikt), amfetaminen volgen hier kort op (met 2,6%). Heroïne wordt een stuk minder gebruikt (0,4%). Harddruggebruik is gerelateerd a an het uitgaansleven (zeker XTC maar ook cocaïne en amfetaminen). Cocaïne wordt echter ook wel thuis gebruikt. Cannabis wordt naast het uitgaan ook veel thuis of op straat met vrienden gebruikt. Vanwege de verslavende werking bestaat het risico dat het druggebruik een steeds dominantere rol gaat spelen in het leven. Er ontstaan dan risico's als: schooluitval, werkloosheid, criminaliteit, verlies sociale contacten en marginalisering (zie ook paragraaf 9.3.3, pagina 70). Bij de drugsverslaafden zijn (gekookte) cocaïne en heroïne de meest gebruikte middelen. Trend Na een stijging vanaf 1988 is het actuele cannabisgebruik onder jongens van 12 tot 19 jaar tussen 1996 en 2003 gedaald. Bij meisjes in die leeftijdscategorie bleef het cannabisgebruik stabiel. Bij de totale bevolking is het harddruggebruik in 2001 hoger dan in 1997. Ook het gebruik van een aantal harddrugs lag in 2001 hoger dan in het peiljaar 1997. Het harddrugsgebruik onder scholieren vertoonde tot 1996 een stijgende lijn, maar is sindsdien, afhankelijk van het type drug, licht gedaald of gestabiliseerd. Het gebruik van cocaïne laat echter al langere tijd een stijgende lijn zien. Regionale en lokale gegevens Jeugd De gegevens van de jeugd uit klas 2 en klas 4 in het voortgezet onderwijs laten zien dat met name jongeren uit klas 4 wel enige ervaring hebben met cannabis-gebruik. Het recent gebruik van harddrugs ligt een stuk lager. De cijfers voor Nijmegen liggen vrijwel gelijk aan het regionale gemiddelde. Tabel 33: per gemeente: drugsgebruik door de jeugd in het voorgezet onderwijs regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch recent hasj of wiet klas 2 5% 6% 1% 1% 6% 5% 9% 6% 2% 8% 2% gebruikt klas 4 16% 17% 19% 13% 17% 6% 11% 18% 21% 10% 13% recent harddrugs klas 2 1% 2% 0% 2% 1% 2% 2% 1% 2% 3% 2% gebruikt klas 4 4% 3% 3% 8% 7% 3% 4% 4% 6% 4% 3% bron: GGD regio Nijmegen, E-Movo 2003/2004, bij 13-17-jarigen pagina 49 van 88
Wat doen gemeenten in de regio Nijmegen aan preventie druggebruik? Per gemeente: Wet- en regelgeving. Handhavingsbeleid. Advisering via Jongeren Informatie Punten (indien aanwezig). Via IrisZorg (voorheen de Grift): Alcohol en drugsinformatiecursus voor het welzijnswerk en de gezondheidszorg, waaronder (ambulant) jon gerenwerk, GGZ, LVG, (jeugd)hulpverlening, huisartsen en ouderenzorg Schoolprogramma's voor het Voortgezet (speciaal) Onderwijs 'Gezonde School en Genotmiddelen' en 'Onder invloed onderweg'. Deze programma's worden binnen het parapluprogramma aange - boden, maar desgewenst ook los. Cursussen over genotmiddelen, gokken & internet/gamen en probleemsignalering en begeleiding bij problemen met genotmiddelen, gokken & internet/gamen voor het ROC Programma gericht op uitgaanspubliek, waaronder cursussen voor horecabedrijven Cursus aan coffeeshoppersoneel Voorlichting en informatie aan ouders, zoals ouderavonden, cursussen 'Alcohol, drugs en pubers', homeparty's (voorlichting bij ouders thuis) en module in de cursus 'Beter omgaan met pubers' Voorlichting en informatie aan het algemeen publiek en meer specifiek aan jongeren, bijvoorbeeld voorlichting binnen het jongerenwerk, scholen en op straat, voorlichting via internet en informatieverspreiding over drugs (o.a. via horeca en coffeeshops) Drugscampagnes gericht op jongeren en ouders Via de GGD: In deel van het Voortgezet Onderwijs: voorlichting met als rode draad: sociale weerbaarheid ("nee", durven zeggen, parapluproject). Individuele advisering jeugdigen via de contacten van de afdeling JGZ, indien het onderwerp aan de orde komt, bijvoorbeeld via het preventief gezondheidsonderzoek in klas 2 op het Voortgezet Onderwijs of via spreekuurcontacten. Desgevraagd informatieverstrekking via het Publieks InformatiePunt. Wat zou er nog meer gedaan kunnen worden? Structurele samenwerking door diverse partners t.a.v. drugspreventie (d.w.z. regelgeving, voorlichting en handhaving, maar ook vroegsignalering). Regionale afstemming t.a.v. Regelgeving, voorlichting en handhaving in het kader van preventie van (overmatig) drugsgebruik. pagina 50 van 88
5.7 Veilig vrijen Samengevat Onveilig vrijen leidt tot hoger risico op seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) en HIV. Jong-volwassenen vormen grootste risicogroep voor onveilig vrijen. In regio Nijmegen vrijen meer jongeren zonder condoom dan gemiddeld in Nederland. Preventie SOA: promotie veilig vrijen en vroege opsporing van soa. Feiten over veilig vrijen Van onveilig vrijen ofwel seksueel risicogedrag is sprake als men onbeschermde geslachtsgemeenschap of anale seks heeft met seksueel ervare n personen en/of met personen die intraveneus drugs gebruik(t)en. Door dergelijk risicogedrag kunnen ziekteverwekkers worden overgedragen en kunnen seksueel overdraagbare aandoeningen (soa) ontstaan. Voorbeelden van soa zijn aids (hiv-virus), chlamydia, syfilis, gonorroe en herpes. Verder kan men via seksueel contact besmet raken met het humaan papillomavirus, dat mede een bepalende factor is voor het ontstaan van baarmoederhalskanker. Uit recent onderzoek onder jongeren en jongvolwassenen (15-35 jaar) blijkt dat van de mensen met losse partners in het afgelopen half jaar iets meer dan de helft (51% van de mannen en 65% van de vrouwen) niet altijd een condoom gebruikten bij het vrijen. Dit betekent dat binnen de totale groep 15- tot 35-jarigen 7% van de mannen en 6% van de vrouwen potentieel seksueel risicogedrag vertoont. Trend Harde cijfers ontbreken, maar de toename van het aantal SOA in Nederland is een sterke aanwijzing dat het veilig vrijen afneemt. Risicogroepen Binnen de groep laagopgeleide jongeren hebben relatief meer 12- tot 17-jarigen ervaring met vrijwel alle vormen van seks met een partner dan binnen de groep hoogopgeleide jongeren. Van de jongeren met seksuele ervaring heeft bovendien een groter percentage van de laagopgeleiden vier of meer verschillende sekspartners gehad. Het condoomgebruik bij seks met de laatste partner verschilt nauwelijks tussen hoog- en laagopgeleide jongeren. Bij preventieactiviteiten verdienen de laagopgeleide jongeren dan ook niet vanwege een slechter beschermings gedrag extra aandacht, maar vanwege hun seksuele ervaring en aantal sekspartners. Regionale en lokale gegevens Jeugd De regionale bron is het E-MOVO -onderzoek. Voor een groot deel van deze doelgroep is onveilig vrijen nog niet concreet aan de orde omdat m en nog geen geslachtsgemeenschap heeft. Achttien procent van de jongeren van klas 2 en klas 4 van het voorgezet onderwijs heeft ervaring met geslachtsgemeenschap, bij de helft hiervan betreft het nog geen regelmatig seksueel contact. Uit de cijfers (zie onderstaande tabel) blijkt dat het condoomgebruik geen automatisme is. Eenderde van de jongeren gebruikt slechts 'soms' tot 'nooit' een condoom. Omdat de risico's het grootst zijn bij mensen met meerdere seksuele partners, is het condoomgebruik apart genoemd voor de jongeren die hebben aangegeven in hun leven met drie of meer partners geslachtsgemeenschap te hebben gehad. Opvallend is dat juist bij deze groep, waarbij het risico hoger is, het condoomgebruik nog veel te wensen overlaat. De redenen die de jongeren noemen om geen condoom te gebruiken zijn: pilgebruik, vaste verkering, we vertrouw(d)en elkaar, geen condooms bij ons, teveel gedronken. De jongeren zelf zijn in meerderheid van mening dat ze geen risico op een SOA lopen. Dat geldt ook voor de jongeren die meerdere seksuele partners hebben (gehad) en zonder condoom vrijen. In de regio Nijmegen vrijen jongeren onveiliger dan gemiddeld in Nederland. Het percentage seksueel actieve jongeren dat altijd een condoom gebruikt is in de regio Nijmegen lager dan gemiddeld in Nederland. pagina 51 van 88
Tabel 34: condoomgebruik bij de seksueel actieve jongeren (13-17 jr) Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch bij alle seksueel actieve jongeren gebruikt altijd een condoom gebruikt soms tot nooit een condoom 55% 46% 47% 48% 52% 43% 77% 39% 46% 50% 33% 49% bij jongeren met 3 of meer seksuele partners ooit gebruikt altijd een condoom - 33% 27% 40% 31% 40% 23% 39% 31% 33% 36% 32% - 31% 30% * * * * * 32% * * 29% gebruikt soms tot nooit - 38% 30% * * * * * 35% * * 38% een condoom * betekent: het aantal jongeren met 3 of meer seksuele partners ooit, is te klein om er verantwoorde uitspraken over te doen bron: GGD regio Nijmegen, E-Movo 2003/2004, bij 13-17-jarigen Wat doen gemeenten in de regio Nijmegen aan informatie SOA en promotie veilig vrijen? Per gemeente: Advisering via Jongeren Informatie Punten (indien aanwezig) Via de GGD: Diverse voorlichtingsprojecten over SOA/HIV-preventie richting de diverse risicogroepen zoals jongeren en mannen die seks hebben met mannen. Anonieme SOA/HIV voorlichting zowel telefonisch als mondeling. Anonieme SOA-poli. Adviesbezoeken bij seksinrichtingen. Advies en onderzoeken bij straatprostituees. In deel van het Voortgezet Onderwijs het lesprogramma: Lang Leve de Liefde, Loverboys en de module 'sociale weerbaarheid' (parapluproject). Individuele advisering jeugdigen via de contacten van de afdeling JGZ, indien de jongere hierover wil praten, bijvoorbeeld via het preventief gezondheidsonderzoek in klas 2 op het Voortgezet Onderwijs of via spreekuurcontacten. Desgevraagd informatieverstrekking en ondersteuning intermediairs via het Publieks Informatie Punt (PIP). Wat zou er nog meer gedaan kunnen worden? Landelijk onderzoek naar samenhang van preventieactiviteiten op het gebied van soa met andere onderwerpen op het gebied van seksualiteit volgen en mogelijk concretiseren in de regio. Samen met de Grift preventie via het uitgaansleven (dan combinatie middelengebruik en veilig vrijen). pagina 52 van 88
6 Hoe staat het met de omgevingsfactoren? 6.1 Verkeersveiligheid In de regio Nijmegen waren in 2005 151 verkeersslachtoffers (doden en ziekenhuisopnamen). Hiervan zijn 10 slachtoffers overleden. Ruim de helft van de verkeersslachtoffers in de regio viel in de gemeente Nijmegen. In de loop van de jaren neemt het aantal slachtoffers in de regio af van 214 in 2001 tot 151 in 2005. De meeste slachtoffers vallen in de leeftijdscategorie van 18-44 jarigen. De cijfers per gemeente zijn over het algemeen dusdanig laag dat het niet meer dan een indruk geeft. Overigens betreffen het hier verkeersslachtoffers die op het grondgebied van de gemeente zijn gevallen, deze slachtoffers zijn dus niet altijd inwoner van de betreffende gemeente. Tabel 35: Aantal geregistreerde doden en ziekenhuisopnamen door verkeersongevallen per gemeente in de regio Nijmegen, 2001-2005 gemeente 2001 2002 2003 2004 2005 gemiddeld per 10.000 inwoners** Beuningen 18 30 14 17 11 7 Druten 4 5 12 3 5 3 Groesbeek 18 6 7 11 5 5 Heumen 13 9 7 7 5 5 Millingen a/d Rijn 0 0 0 0 0 Mook en Middelaar 4 3 4 1 1 3 Nijmegen 97 128 81 71 81 6 Ubbergen 13 7 10 5 6 9 West Maas en Waal 25 9 19 14 27 10 Wijchen 22 18 15 13 10 4 Regio Nijmegen 214 215 169 142 151 6 bron: ROVG ** gebaseerd op inwoneraantallen 2005 In tabel 34 is het aantal doden en ziekenhuisopnamen weergegeven die plaatsgevonden hebben op het grondgebied van de betreffende gemeente. Om een indruk te geven van het aantal slachtoffers in relatie tot de bevolking, wordt in de laatste kolom het aantal slachtoffers gerelateerd aan het aantal inwoners. Een gemeente met een groot oppervlak met veel wegen en relatief weinig inwoners, kan hierdoor dan ook hoog scoren. Mogelijk is dit een verklaring voor de relatief hoge score van de gemeente West Maas en Waal. Figuur 3 Figuur 4 180 160 140 120 100 80 60 40 20 0 aantal geregistreerde doden en ziekenhuisopnamen in de regio Nijmegen* naar leeftijd 0-4 jr 5-11 jr 12-15 16-17 18-24 25-34 35-44 45-54 55-64 65-74 75 jr jr jr jr jr jr leeftijdscategorie jr jr jr e.o. aantal 250 200 150 100 50 0 ontwikkeling aantal geregistreerde doden en ziekenhuisopnamen in de regio Nijmegen* 2001 2002 2003 2004 2005 jaar bron: ROVG pagina 53 van 88
Verreweg de meeste ongevallen vinden plaats met een personenauto (figuur 5). Ongevallen met een personenauto vinden vooral plaats in de leeftijdscategorie van 25-34 jaar en 18-24 jaar. De meeste ongevallen met een bromfiets vinden plaats onder 16-17 jarigen. Ongevallen met de fiets zijn wat gelijkmatiger verdeeld over de verschillende leeftijdscategorieën. Figuur 5 Geregistreerde doden en ziekenhuisopnamen in de regio Nijmegen* naar vervoerswijze Overig Voetganger Fiets Snorfiets Bromfiets Motor/scooter Bestelauto Personenauto 0 50 100 150 200 250 300 350 * exclusief Mook en Middelaar bron: ROVG Onveilig rijgedrag (te hard rijden, geen beveiligingsmiddel als helm of autogordel gebruiken en rijden onder invloed) komt het meest voor onder jonge bestuurders, vooral onder mannen. Op andere leeftijden spelen weer andere veiligheidsissues zoals het gebruik van kinderzitjes door ouders van jonge kinderen. En onder ouderen gaat de invloed van medicijngebruik op de rijvaardigheid een grotere rol spelen. 6.2 Fysieke omgeving / milieu 6.2.1 Buitenmilieu/luchtverontreiniging In de milieubelasting van de buitenlucht zijn een aantal componenten voor de gezondheid van bijzonder belang. Dit zijn NOx, (stikstofoxiden), fijnstof en ozon. NOx en fijn stof veroorzaken zelf in hoge concentraties gezondheidsschade, maar ze zijn ook een indicator voor andere gezondheidsschadelijke stoffen in de lucht, vooral veroorzaakt door verkeer. NOx NOx ontstaan door verbranding en worden met name door (vracht)verkeer worden uitgestoten, zijn in hogere blootstellingconcentratie verantwoordelijk voor de afname van de longfuncti e. De locale uitstoot wordt opgeteld bij niet onaanzienlijke buitenlandse emissies. Ondanks steeds striktere wetgeving zijn aanzienlijke reducties in de uitstoot van stikstofoxiden en koolwaterstoffen op Europees niveau nog beperkt en in de nabije toekomst zijn deze voor met name stikstofverbindingen ook niet te verwachten. Naar verwachting zal de locale concentratie van deze component de komende jaren nog wel afnemen door het gebruik van steeds schonere verbrandingsmotoren en toenemend katalysatorgebruik, hoewel de toename in mobiliteit deze tendens mogelijk tegenwerkt. Fijnstof Fijnstof, ook wel PM10 genoemd naar de maximale grootte van de meest voorkomende stofdeeltjes, heeft eveneens negatieve effecten op de luchtwegen, leidend tot verhoogde sterfte en een toename in het aantal ziekenhuisopnamen van vooral ouderen. Uit Nederlands onderzoek (2002) blijkt, dat wonen binnen 50 m. van een drukke stadsweg of binnen 100 m. van een snelweg het overlijdensrisico aan hart-vaatziekten of longaandoeningen verdubbelt. Kinderen op scholen nabij snelwegen met veel pagina 54 van 88
vrachtverkeer hebben vaker last van luchtwegklachten en allergie. Er is een verband aangetoond tussen intensiteit van vrachtverkeer en verminderde longfunctie bij kinderen, die binnen 300 meter van een snelweg wonen. Recent onderzoek onder jeugdigen van 12-18 jaar laat zien, dat wonen langs een snelweg ook de ontwikkeling van longen en longfunctie blijvend kan schaden. Recent internationaal onderzoek laat zien, dat PM 2.5, een kleinere deeltjesgrootte, onderdeel uitmakend van de genoemde PM 10 een nog ongunstiger effect op de longfunctie zou hebben. Fijnstof ontstaat o.m. door verbranding. Dieselmotoren in het verkeer vormen daarbij een grote bron, maar ook zeezout b.v. in de kuststreek is zo'n bron. Het risico van fijnstofuitstoot in het verkeer wordt vooral gevormd door stoffen als PAK, die aan deze fijnstofdeeltjes gekoppeld zitten. Het zal duidelijk zijn dat in tegenstelling daarmee genoemd zeezout weinig tot niet schadelijk voor de gezondheid zal zijn. Gemiddeld bedroeg in Nederland de concentratie fijnstof 20-30 µg/m 3. 24 (MNP 2005). Dit wordt de achtergrondconcentratie genoemd. Sinds 1992 wordt fijnstof systematisch gemeten in het Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit (LML). De resultaten van deze metingen bevestigen een jaarlijkse daling in de concentratie fijnstof van enkele µg/m 3 /jaar. In het zuiden van Nederland is de hoeveelheid fijnstof gemiddeld wat hoger dan in de rest van het land. Dit is deels te verklaren door de hogere uitstoot in bevolkings- en industriecentra. Lokale bronnen, weer vooral het verkeer, dragen bij tot de (veel) hogere locale concentratie. Een hogere locale concentratie is met name het geval langs drukke snelwegen. Ook de stad Nijmegen kent dit probleem bij haar uitvalswegen. Wat betekent dit nu voor de gezondheid? Algemeen wordt aangenomen, dat chronische blootstelling aan fijnstof de levensverwachting bekort. In onderstaande afbeelding is de mate van levensduurverkorting zichtbaar gemaakt. Figuur 6: De verkorting van de levensverwachting door blootstelling aan fijnstof in Europa 2010 Verkorting levensverwachting voor PM 2.5 in maanden Op grond van het op Europese wetgeving gebaseerde Besluit Luchtkwaliteit 2001 dienen effectieve maatregelen genomen te worden om deze hoge locale concentraties in de komende jaren terug te 24 µg = microgram = eenmiljoenste gr am pagina 55 van 88
dringen. In een aantal gevallen heeft deze wetgeving afgelopen jaren soms geleid tot stilleggen van bouwprojecten door uitspraken van de Raad van State. Inmiddels heeft de rijksoverheid voor die gevallen een salderingsmethode ontwikkeld. Deze houdt in dat een bv. door bouwactiviteiten verslechterende luchtkwaliteit in één gebied minstens gecompenseerd moet worden door maatregelen, die in andere gebieden de kwaliteit aantoonbaar verbeteren. Ozon De blootstelling aan ozon sterk afhankelijk van mooie zomers. De mate waarin mensen worden blootgesteld aan hoge concentraties ozon die met zomersmog gepaard gaan, is sterk afhankelijk van de weersomstandigheden. Door de sterke fluctuaties in de weersomstandigheden per jaar, is over de afgelopen tien jaar geen duidelijke trend waar te nemen. De invoering van de driewegkatalysator en een programma om de uitstoot van koolwaterstoffen te bestrijden hebben nog geen aanwijsbaar effect gehad op het aantal dagen van zomersmog. Ook in de komende jaren zullen episoden van zomersmog met mogelijke gezondheidsschade via de werking van ozon nog een hardnekkig probleem blijven. Niet-chemische belasting Naast belasting met stoffen, waaronder ook geurhinder is te rekenen, is ook niet-chemische belasting van het milieu van belang. Geluidshinder is daar een van, naast stralenbelasting. Geluidshinder Geluidshinder is een persistent probleem in Nederland, mede veroorzaakt door de zeer hoge bevolkingsdichtheid. Vooral wegverkeer, maar ook burengerucht staan al jaren op de eerste, resp. tweede plaats als veroorzakers. Dat zal in deze regio niet anders zijn, bevestigd door het meest recente Nijmeegse Milieu-gedragsonderzoek (2005) 25. De effecten van geluid op de gezondheid zijn vermoedelijk indirect, waaronder zeer waarschijnlijk bloeddrukverhoging. Overige effecten zijn b.v. slaapverstoring. Deze geluidsbelasting wordt door weg-, rail - en luchtverkeer veroorzaakt. In steden en langs snelwegen wordt deze norm al snel (royaal) overschreden. Gemiddeld in Nederland heeft 30% van het landoppervlak een hogere belasting dan de hiervoor gehanteerde richtwaarde van 50 db(a). Stralingsbelasting Stralenbelasting, ook wel EM-(elektromagnetische) belasting genoemd, is een veelbesproken onderwerp. Daarbij gaat het om hoogspanningsinrichtingen, maar ook GSM/UMTS -telefonie. Zelfs de belas - ting binnenshuis aan de straling van het lichtnet wordt door sommigen als risicovol gezien. Er zijn echter geen cijfers beschikbaar die iets over de niveaus van deze belasting van de bevolking in de regio kunnen zeggen, noch is er overtuigend bewijs van gezondheidsschade, die veroorzaakt wordt door blootstelling aan deze vormen van straling. 6.2.2 Binnenmilieu Naast de buitenlucht is de kwaliteit van de binnenlucht, het binnenmilieu, voor de gezondheid belangrijk Gemiddeld genomen brengen personen 70-80% van hun tijd binnenshuis door. De laatste jaren is het duidelijk geworden, dat energiebesparende maatregelen als isolatie en tochtwering, die ook sterk door de overheid gepropageerd zijn, een keerzijde kennen. Noodzakelijke ventilatie van de binnenlucht staat daarmee vaak op gespannen voet. Om die reden is het binnenmilieu vaak sterker vervuild dan het buitenmilieu, waar door toenemend strenge milieumaatregelen een grote verbetering zichtbaa r wordt in vergelijking met de vorige decennia. Scholen Uit recent Nederlands onderzoek blijkt dat 80% van het binnenklimaat in scholen niet voldoet aan voor deze ruimten gehanteerde CO2-richtlijn. Gevolgen zijn gezondheidsklachten bij leerlingen en docenten en verminderde leerprestaties van leerlingen. Om deze ontwikkeling te keren worden in toenemende 25 In het onderzoek wordt aangegeven dat ruim de helft van de adressen in Nijmegen vrijwel dagelijks hinder ondervindt van geluid. Verontrustend is dat dit getal duidelijk is toegenomen de afgelopen 5 jaar. Naar verwachting zal dit\ probleem ook de komende jaren hardnekkig blijven, zonder veel uitzicht op verbetering. pagina 56 van 88
mate regionale en provinciale projecten opgezet, waarin bewustwording en ventilatiegedrag centraal staat. Woningen De belangrijkste vervuiler van het overige binnenmilieu is het roken van tabaksproducten. Daarnaast is ook radon van belang, een radioactief gas dat van nature vrijkomt uit de (klei)bodem en uit bouwmaterialen. Tabaksrook en radon veroorzaken beide longkanker. Gebrek aan ventilatie veroorzaakt naast een slechte binnenmilieukwaliteit ook vochtproblemen. Vocht veroorzaakt schimmel en creëert een milieu, waarin huisstofmijten goed gedijen. Beiden zijn oorzaak van allergische klachten van luchtwegen en/of slijmvliezen. Bouwvoorschriften zijn maar ten dele in staat de negatieve gevolgen van ongewenste blootstellingen in het binnenmilieu te voorkomen. Maar problemen in het binnenmilieu zijn ook toe te schrijven aan "verkeerd" gedrag, naast bouwwijze uit het verleden en bouwfouten. Maatregelen die een gedragsbeïnvloeding beogen, zijn er echter niet veel afgezien van voorlichting ter verbetering van ventilatiegedrag. Regionale en lokale gegevens: Ouderen Het binnenmilieu van de ouderen in de regio Nijmegen komt overeen met de landelijke gegevens. Ook landelijk is ongeveer 15% van de woningen vochtig. Daarnaast heeft 8% van de ouderen in de regio last van schimmel, een kwart van kou en/of tocht en bijna één op de drie ouderen heeft last van beslagen ramen. Tabel 36: bij ouderen: overlast in de woning d oor: Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch vochtplekken 16% 15% 12% 15% - 13% - - 16% - - 15% schimmel 8% 8% 5% 8% - 7% - - 8% - - 8% kou/tocht 26% 25% 20% 21% - 18% - - 29% - - 28% beslagen ramen 28% 29% 25% 26% - 25% - - 31% - - 32% bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 6.3 Sociale omgeving 6.3.1 Sociale relaties /eenzaamheid De sociale relaties bij de jongeren zijn in het algemeen goed te noemen. De meeste jongeren hebben het thuis goed naar hun zin en kunnen redelijk tot goed praten met hun ouders over zaken die hen bezig houden. Eveneens vindt de grote meerderheid van de jongeren dat ze voldoende vrienden hebben. (bron: GGD regio Nijmegen, E -Movo 2003/2004, bij 13-17-jarigen). Bij de ouderen is het beeld anders. Een groot deel van de ouderen in de leeftijd van 65 tot 75 jaar is sociaal (zeer) actief, maar zeker bij ouderen boven de 75 jaar is sprake van verkleining van het sociale netwerk door verlies aan partner en andere generatiegenoten (familie, vrienden, kennissen). Een teruglopende mobiliteit vermindert dan ook nog de mogelijkheid om zelfstandig naar buiten te gaan. Veertien procent van de ouderen in de regio Nijmegen geeft aan dat ze matig tot ontevreden zijn over hun sociale contacten en 10% is (zeer) ernstig eenzaam. Tabel 37 : per gemeente: sociale relaties en eenzaamheid onder ouderen. Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch (vrijwel) dagelijks contact met familie, vrienden of buren matig tevreden of ontevreden over de contacten 69% 70% 63% 74% - 72% - - 70% - - 69% 10% 14% 14% 12% - 9% - - 16% - - 10% matig tot ernstig eenzaam 50% 60% 59% 55% - 51% - - 63% - - 53% (zeer) ernstig eenzaam 6% 10% 11% 9% - 6% - - 11% - - 10% bron: GGD regio Nijmegen,, ouderenonderzoek 2005/2006 pagina 57 van 88
6.3.2 Leefbaarheid woonbuurt Jeugd Een grote meerderheid van de jongeren in de regio vindt het prettig wonen in hun buurt. Evenwel geeft ruim de helft aan jongerenvoorzieningen in de buurt te missen. Eenderde vindt dat er vervelende groepjes jongeren in de buu rt zijn, die het voor anderen verpesten. De jongeren in de regio geven als rapportcijfer voor hun buurt gemiddeld een 7,2. Voor Nijmegen zijn de uitkomsten iets ongunstiger. Tabel 38: per gemeente: leefbaarheid woonbuurt beoordeeld door de jeugd Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch buurt (helemaal) niet prettig vinden gemis aan (extra) jongerenplek in de buurt gemis aan (extra) activiteit in de buurt Vervelende groepjes jongeren verpesten het voor anderen - 10% 9% 10% 6% 10% 2% 9% 12% 8% 10% 7% 58% 58% 61% 62% 53% 50% 55% 61% 62% 48% 63% 50% 57% 57% 60% 67% 48% 57% 47% 48% 57% 45% 65% 57% - 33% 32% 32% 32% 25% 28% 34% 37% 28% 27% 28% gemiddeld rapportcijfer voor - 7,2 7,4 6,9 7,5 7,4 7,4 7,1 7,1 7,3 7,2 7,3 de buurt bron: GGD regio Nijmegen, E-Movo 2003/2004, bij 13-17-jarigen Ouderen Een grote meerderheid van de ouderen is (zeer) tevreden met de buurt waar ze wonen. Om de gemeente leefbaar te houden/maken geeft ruim een kwart van de ouderen aan dat de gemeente aandacht m oet besteden aan de sociale veiligheid. In Nijmegen is dit ruim eenderde. Ook de verkeersveiligheid en respect voor ouderen vinden de ouderen punten waar aandacht aan moet worden besteed. Ruim één op de vijf ouderen heeft daarnaast behoefte aan een informatiewinkel voor advies en voorlichting. In Nijmegen ligt dit hoger (26%). Tabel 39: per gemeente: wensen over de woonbuurt beoordeelt door ouderen Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch sociale veiligheid (veilig gevoel op stra at) 20% 28% 25% 19% - 21% - - 34% - - 29% verkeersveiligheid 27% 23% 22% 35% - 21% - - 23% - - 21% respect voor ouderen 21% 23% 19% 25% - 15% - - 25% - - 26% informatiewinkel voor 20% 21% 21% 15% - 16% - - 26% - - 14% advies en voorlichting bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 pagina 58 van 88
7 Zorg Gezondheidszorg lijkt soms vooral gezien te worden als kostenpost. Maar zorg is ook deel van onze welvaart. Niet alleen heeft de toename van welvaart gezorgd voor een betere gezondheid, maar andersom is onze betere gezondheid ook een onderdeel van welvaart. Naast de gezondheidszorg levert ook de collectieve preventie een aanzienlijke bijdrage aan de volksgezondheid in Nederland. Vooral bij infectieziekten en hart- en vaatziekten is de sterfte door medische zorg en collectieve preventie in de afgelopen decennia aanzienlijk gedaald. Bij kanker is die bijdrage kleiner geweest. De bijdrage van medische zorg aan de sterftedaling tussen 1970 en 1989 wordt geschat op 25% en die van collectieve preventie op 20%. De winst op de kwaliteit van leven komt hier nog bij. Door vergrijzing in de toekomst meer en andere zorg nodig Een belangrijke drijvende kracht achter toekomstige ontwikkelingen in gezondheid en zorg is de demografische opbouw van de bevolking. In 2010 bereiken de eerste babyboomers de 65-jarige leeftijd. Deze vergrijzingsgolf gaat nog even door om zo rond 2040 zijn hoogtepunt te bereiken. Omdat de meeste ziekten vooral bij ouderen voorkomen, zal de ziektelast toenemen en daarmee ook het zorggebruik. In de komende 20 jaar zal hierdoor, maar ook door de huidige leefstijl en het overgewicht, de ziektelast van chronische ziekten van de oude dag met soms 40% of meer toenemen. Dit vraagt om meer zorg, maar ook om andere zorg, onder andere een verdere verschuiving van genezing naar verzorging. Preventie en zorg gescheiden circuits In landen als Nederland waarin de financiering van de gezondheidszorg het karakter van een sociale verzekering heeft, is preventie vaak meer gescheiden van de zorg dan in landen waar de overheid de gehele gezondheidszorg financiert. Dit kan vooral de preventie binnen de zorg negatief beïnvloeden. Het is onduidelijk wat het effect van het nieuwe zorgstelsel op deze scheiding is. Zorgverzekeraars en zorgverleners zullen in ieder geval voldoende prikkels moeten krijgen om ( evidence-based ) preventieactiviteiten binnen en buiten de zorg te ontwikkelen Zorg: niet alleen uitgaven, ook veel productie van gezondheid Vergrijzing is niet alleen een kostenpost, maar vooral ook een overwinning van de gezondheidszorg. Sinds de jaren tachtig is de levensverwachting zonder beperkingen met 6 tot 7 jaar toegenomen, ondanks een toename van het aantal chronisch zieken. Dit is waarschijnlijk te danken aan de gunstige invloed van medische hulpmiddelen en technologie, variërend van gehoorapparaten, heupprotheses tot staaroperaties. Hierdoor ervaren chronisch zieken minder beperkingen of kunnen zij daar beter mee omgaan. Minder beperkingen betekent grotere zelfredzaamheid, meer deelname aan de samenleving, en uiteindelijk minder beroep op langdurige zorg. 7.1 Openbare geestelijke gezondheidszorg Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ) omvat alle activiteiten op het terrein van de geestelijke volksgezondheid die worden uitgevoerd niet op geleide van een vrijwillige individuele hulpvraag. De doelgroep van OGGZ wordt gevormd door zorgmijders en sociaal kwetsbaren. Het gaat om circa 1% van de bevolking (dus ongeveer 3200 personen in de regio Nijmegen). In paragraaf 9.3 wordt nader ingegaan op kwetsbare groepen waaronder zorgmijders en sociaal kwetsbaren. Onder OGGZ wordt in ieder geval het volgende verstaan: het signaleren en bestrijden van risicofactoren op het gebied van de OGGZ het bereiken en begeleiden van kwetsbare personen en risicogroepen het functioneren als meldpunt voor signalen van crisis of dreiging van crisis bij kwetsbare personen en risicogroepen het tot stand brengen van afspraken tussen betrokken organisaties over de uitvoering van de OGGZ het bieden van psychosociale hulp bij rampen Deze taken zijn per 1 januari 2007, met uitzondering van de psychosociale hulp bij rampen, vanuit de Wet Collectieve Preventie Volksgezondheid (WCPV) naar de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) overgeheveld. pagina 59 van 88
In de regio Nijmegen zijn de afspraken met betrekking tot de OGGZ vastgelegd in de regiovisie Maatschappelijke Zorg, iedereen doet hieraan mee. 7.2 Mantelzorg Het verlenen van mantelzorg is niet evenredig verdeeld in de levensloop. In de middenfase van de levensloop (ongeveer 30 tot 60 jaar) bieden mensen, vooral vrouwen, de meeste zorg, zowel voor de eigen kinderen als voor zieke naasten. Het aandeel ouderen dat informele zorg (mantelzorg) gaf, steeg tussen 1991 en 2003, terwijl het aandeel jongeren daalde. Participatie op de arbeidsmarkt heeft geen invloed op het al dan niet geven van mantelzorg. Wel is de samenstelling veranderd. Van de mantelzorgers is een steeds groter deel (in deeltijd) gaan werken. Vooral mensen met lichamelijke beperkingen en/of chronische aandoeningen maken gebruik van mantelzorg. Ook Marokkaanse en Turkse 55- plussers doen vaak een beroep op mantelzorg. Om de taak van mantelzorgers draagbaar te houden, is een goede afstemming met professionele zorgverleners en welzijnsorganisaties onmisbaar. Helemaal nu in de WMO het uitgangspunt wordt dat iedereen in eerste instantie verantwoordelijk is voor zichzelf en zijn familie. De druk op mantelzorgers zal hierdoor nog groter worden. Ondersteuning van de mantelzorgers wordt daardoor steeds belangrijker Regionale en lokale cijfers Ouderen Eéntiende d eel van de 65 -plussers in de regio Nijmegen verleent mantelzorg. Dit gebeurt vooral ten behoeve van de partner en buren/vrienden/kennissen. Eenderde van de mantelzorgers verleent 1-5 uur mantelzorg per week, eenderde 6-10 uur de overigen meer dan 10 uur. Ook is altijd nog ruim één op de vijf ouderen daarmee meer dan 20 uur per week kwijt. De mantelzorg bestaat voor het grootste deel uit gezelschap en troost, hulp in de huishouding, begeleiding en/of vervoer en het regelen van geldzaken en/of administratie. Gemiddeld geeft één op de vijf mantelzorgers aan behoefte te hebben aan hulp/ondersteuning, mannen wat meer dan vrouwen. Vijftien procent voelt zich tamelijk zwaar belast, 3% zeer zwaar en 2% overbelast. Twaalf procent van de ouderen geeft aan mantelzorg t e ontvangen. Deze mantelzorg wordt dan vooral verleend door de kinderen en de partner. In de praktijk kan dit hoger zijn, omdat veel ouderen de hulp van kinderen of partner als vanzelfsprekend beschouwen. Het percentage ouderen dat mantelzorg verleent of ontvangt is in de regio Nijmegen vergelijkbaar met heel Oost Nederland. Tabel 40: mantelzorg verlenen en ontvangen in het jaar voorafgaand aan het onderzoek door ouderen Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch mantelzorg verlenen 10% 11% 8% 8% - 11% - - 12% - - 9% mantelzorg ontvangen 12% 12% 11% 13% - 8% - - 13% - - 12% bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 7.3 Thuiszorg In de regio Nijmegen hebben iets minder 65 plussers het afgelopen jaar contact gehad met de thuiszorg (22%) dan in heel Oost Nederland (27%). Met de leeftijd neemt dit percentage in de regio Nijmegen sterk toe; van de 65-75 jarigen heeft 9% contact gehad met de thuiszorg; van de 75-plussers is dit al 38%. Verder blijken vrouwen twee keer zo vaak contact te hebben gehad met de thuiszorg dan mannen. Wanneer gevraagd wordt naar de behoefte blijkt 23% van de ouderen in de regio Nijmegen behoefte te hebben aan (nog extra) huishoudelijke hulp. Tabel 41: per gemeente: percentage ouderen dat het afgelopen jaar contact heeft gehad met thuiszorg Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch thuiszorg 27% 22% 21% 21% - 14% - - 23% - - 21% bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 pagina 60 van 88
7.4 Verzorging en verpleging Minder dan 10% van de 65-plussers in de regio heeft het afgelopen jaar gebruik gemaakt van professionele verzorging en/of verpleging. Dit is vergelijkbaar met heel Oost Nederland. In het gebruik van professionele verzorging is er een verschil tussen de leeftijdscategorieën (ho ger gebruik door hogere leeftijdscategorieën). In het gebruik van professionele verpleging is dit verschil niet te zien. Tabel 42: per gemeente: gebruik van professionele hulp bij persoonlijke verzorging/verpleging door ouderen in het jaar voorafgaand aan het onderzoek Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch verzorging 8% 7% 8% 7% - 4% - - 8% - - 6% verpleging 9% 9% 8% 10% - 7% - - 10% - - 7% bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 Gemiddeld geeft 5% van de 65 -plussers in de regio aan behoefte te hebben aan extra professionele zorg. Wel geven bijna driemaal zoveel ouderen in de hoogste leeftijdsklasse als in de jongste groep dit aan. Eenderde hiervan heeft behoefte aan persoonlijke verzorging, 7% van de gevallen heeft behoefte aan verpleging en 11% heeft behoefte aan dagopvang/-dagverpleging. In totaal wachten 629 inwoners van 75 jaar en ouder in de AWBZ regio Nijmegen op verzorging en verpleging (dit is 23 op de 10.000 75-plussers). Verreweg het grootste deel betreft dit ouderen met somatische ziekten/aandoeningen (534). In de regio Nijmegen zijn de wachtlijsten vergelijkbaar en in sommige gevallen korter dan gemiddeld landelijk wordt gevonden. Dit geldt voor zowel somatische ziekten/aandoeningen als voor psychiatrische ziekten/aandoeningen en zowel voor verpleging met, als voor verpleging zonder verblijf (1 januari 2005). 7.5 Huisartsenzorg en tandartsbezoek Bijna negen op de tien 65 -plussers heeft in het jaar voorafgaand aan het onderzoek contact gehad met de huisarts. Mogelijk is dit aantal zo hoog omdat veel ouderen de griepprik gaan halen in het najaar. Het huisartsbezoek in heel Oost Nederland is vergelijkbaar met de regio Nijmegen. Er zijn gemiddeld 1986 inwoners per huisarts in Gelderland. In de regio Nijmegen varieert dit van minder dan 1750 inwoners per huisarts (Beuningen, Nijmegen, Groesbeek en Heumen), tussen de 1750 en 2000 (Wijchen en Ubbergen), tussen de 2250-2500 (West Maas en Waal). In Druten en in Millingen aan de Rijn is het aantal inwoners per huisarts het hoogst. Hier heeft iedere huisarts gemiddeld meer dan 2500 inwoners per huisarts (1-1-2003, sociale atlas Gelderland). Ook het tandartsbezoek ligt hoog; 64% van de 65 -plussers heeft in het jaar voorafgaand aan het onderzoek nog een bezoek gebracht aan de tandarts. Dit is ook hoger dan in de rest van Oost Nederland waar 57% het laatste jaar een tandarts heeft bezocht. Tabel 43: ouderen: bezoek aan huisarts en tandarts in het jaar voorafgaand aan het onderzoek Oost regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch NL huisarts 87% 88% 95% 87% - 89% - - 87% - - 89% tandarts 57% 64% 57% 63% - 72% - - 63% - - 64% bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 7.6 Geestelijke gezondheidszorg Verslavingszorg In de mo/vb regio 26 Nijmegen is er een gunstige ontwikkeling gaande. Hier is het totaal aantal ingeschreven cliënten over de periode 2001-2005 met 3% afgenomen ten opzichte van 1996-2000. Dit is een aanzienlijk gunstiger beeld dan gemiddeld in Nederland. Het totaal aantal ingeschreven cliënten, 26 mo/vb regio is het werkgebied van de maatschappelijke opvang en het verslavingsbeleid pagina 61 van 88
dat hulp vraagt bij de ambulante verslavingszorg is in diezelfde periode in Nederland met gemiddeld 15% toegenomen. In onderstaande tabel wordt de toe- of afname uitgesplitst per verslavend middel weergegeven. Het betreft hier ingeschreven cliënten van de ambulante verslavingszorg. Het aantal ingeschreven cliënten wordt sterk bepaald door het aantal verslaafden dat zich meldt bij een ambulante instelling en aan het beleid van de ambulante instelling. Het aantal cliënten bij een ambulante instelling komt dus niet overeen met het werkelijk aantal verslaafden. Wat wel opvalt uit onderstaande tabel is dat, naast de relatief gunstige ontwikkelingen in de regio, het aantal cocaïne cliënten zowel landelijk als regionaal toeneemt. Tabel 44: afname (-) of toename (+) van aantal ingeschreven cliënten bij de ambulante verslavingszorg over de periode 2001-2005 ten opzichte van 1996-2000 Nederland regio Nijmegen Totaal +15% -3% Alcohol +22% -3% Cannabis +46% +4% Cocaïne +78% +81% Gokken -32% -46% Opiaten -3% -15% Bron: zorgatlas In onderstaande tabel is het aantal ingeschreven cliënten in 2005 weergegeven. De hier gepresenteerde gegevens zeggen uitsluitend iets over de cliënten van De Grift (Iriszorg) (zoals hierboven beschreven). De omvang van problematisch middelengebruik is vele malen groter dan hier gepresenteerd. Naast genoemde verslavingen is er ook nog gokverslaving. Hier hebben we echter geen lokale cijfers van beschikbaar. Tabel 45: Aantal cliënten ingeschreven in 2005 bij De Grift (nu IrisZorg) alcohol, cannabis en drugs naar gemeente regio GGD Nijmegen regio Nijmegen Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch Alcohol 528 29 16 16 6 10 12 377 10 13 39 Cannabis 118 5 1 2 - - 1 98 1 3 7 Drugs 439 20 14 18 4 2 3 355 3 5 15 Bron: Iriszorg N.B. De bovengenoemde aantallen zijn cliënten die waren ingeschreven met als eerste of hoofdproblematiek alcohol, cannabis of drugs. Dit betekent dat er meer cliënten dan bovengenoemd behandeld zijn voor de problematieken alcohol, cannabis en drugs. Ambulante geestelijke gezondheidszorg In de GGD regio Nijmegen heeft tussen de1,5-2,1% van de inwoners van 4 jaar en ouder het afgelopen jaar een RIAGG bezocht. Dit wijkt niet significant af van Nederland waar gemiddeld 1,4% van de inwoners van 4 jaar en ouder het afgelopen jaar een RIAGG bezocht heeft. 7.7 Geneesmiddelengebruik Ouderen Bijna een kwart van de ouderen heeft het afgelopen jaar slaap- en/of kalmeringsmiddelen gebruikt. Het gebruik neemt toe bij een hogere leeftijd. Ook blijkt dat ongeveer drie keer zo veel vrouwen als mannen slaap- en/of kalmeringsmiddelen gebruiken. Elf procent van de ouderen gebruikt (bijna) dagelijks slaapen/of kalmeringsmiddelen. Tabel 46: per gemeente: gebruik van slaap- en/of kalmeringsmiddelen door ouderen in het jaar voorafgaand aan het onderzoek Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch slaap-/kalmeringsmiddelen 24% 23% 22% 26% - 17% - - 24% - - 23% bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 Over de gehele regionale bevolking gezien was het gebruik van geneesmiddelen op recept in de periode 2000-2003 significant iets lager dan gemiddeld in Nederland. In de regio gebruikte gemiddeld tussen de 30 en 32% de afgelopen twee weken een geneesmiddel op recept en in Nederland was dit 35%. Het gebruik van niet voorgeschreven geneesmiddelen was vergelijkbaar met Nederland. Wanneer gekeken wordt naar de afzonderlijke voorgeschreven geneesmiddelen (zoals antibiotica, astma/copd middelen) blijkt het gebruik ook vergelijkbaar met Nederland te zijn met een trend naar iets gunstiger pagina 62 van 88
(gegevens van 2000). Alleen het gebruik van antidepressiva is wat ongunstiger in de regio Nijmegen (bron: zorgatlas, gegevens van 2000). 7.8 Hulpmiddelengebruik Het hulpmiddelengebruik onder ouderen in de regio Nijmegen is hog er dan in de rest van Oost- Nederland. Dit geldt zowel voor hulpmiddelen bij het lopen als bij het vervoer als bij dagelijkse activiteiten (ADL). Zo is het percentage ouderen dat een hulpmiddel nodig heeft bij dagelijkse activiteiten in de regio Nijmegen 34% tegenover 21% van de ouderen in Oost Nederland (zie onderstaande tabel). Dit betreffen vooral een aangepast bed, hulpmiddelen bij het horen en personenalarmering. Van de ouderen in de regio Nijmegen heeft 2% behoefte aan hulpmiddelen bij het lopen (en heeft deze nog niet). Ook 2% heeft behoefte aan hulpmiddelen bij het vervoer. 7% van de ouderen heeft behoefte aan hulpmiddelen bij dagelijkse activiteiten, waarbij het meeste behoefte is aan hulpmiddelen bij het horen Tabel 47: per gemeente: gebruik van hulpmiddelen bij het lopen, vervoer en/of dagelijkse verrichtingen (ADL) door ouderen hulpmiddelen Oost NL regio Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch bij : lopen* 12% 19% 21% 21% - 13% - - 21% - - 18% vervoer** 4% 8% 10% 9% - 6% - - 8% - - 5% ADL*** 21% 34% 31% 38% - 29% - - 36% - - 32% bron: GGD regio Nijmegen, ouderenonderzoek 2005/2006 * hulpmiddelen bij het lopen: stok, looprekje, rollator **vervoer: rolstoel, scootmobiel ***ADL: algemene dagelijkse activiteiten. Bijvoorbeeld aangepast bed, hulpmiddelen bij het horen, personenalarmering, papegaai, aankleedhulpmiddel pagina 63 van 88
8 Demografie 8.1 Bevolkingsopbouw 2005 Gezondheid, ziekte en sterfte hangen sterk samen met de leeftijdsopbouw in een gemeente. In onderstaande figuur wordt de leeftijdsopbouw van Nijmegen vergeleken met die van Nederland. Wat direct opvalt is de piek bij de twintigers, uiteraard een direct gevolg van de studentenpopulatie. Daarnaast is zichtbaar dat er relatief weinig ouderen zijn. Figuur 7: Bevolkingsopbouw Nijmegen en Nederland 2005 Nijmegen 2005 Nederland 2005 90 tot 95 jaar 75 tot 80 jaar 60 tot 65 jaar 45 tot 50 jaar 30 tot 35 jaar vrouw man 15 tot 20 jaar Jonger dan 5 jaar 15 10 5 0 5 10 % 10 5 0 5 10 % Bron: CBS 8.2 Bevolkingsprognose en prognose aantal mensen met beperking of chronische ziekte Diverse instanties houden zich bezig met het opstellen van prognoses. Een vergelijking laat zien dat prognoses onderling nogal kunnen verschillen. Daarom moeten onderstaande gegevens vooral worden gezien als indicaties. In onderstaande tabel is 2005 telkens per gemeente op 100% gezet. Dat betekent bijvoorbeeld dat in Nederland (103%) de bevolking in 2020 3% hoger zal zijn dan in 2005. In Nijmegen zal de bevolking naar verwachting de komende jaren groeien, in vrijwel elke leeftijdsgroep. Tabel 48: per gemeente: Bevolkingsprognose 2005-2020 per leeftijdscategorie Toename 2005- Neder Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch 2020 land * totale bevolking 103% 102% 110% 100% 99% 96% 98% 108% 100% 107% 99% 0-14 jaar 92% 79% 101% 81% 78% 73% 81% 106% 83% 94% 76% 15-29 jaar 107% 114% 121% 111% 120% 111% 145% 106% 117% 121% 107% 30-44 jaar 79% 71% 78% 70% 64% 61% 57% 93% 71% 78% 67% 45-64 jaar 111% 113% 117% 104% 105% 108% 92% 115% 99% 111% 110% 65-74 jaar 150% 185% 157% 146% 140% 168% 132% 143% 146% 160% 174% 75 jaar en ouder 126% 162% 170% 136% 192% 126% 196% 115% 128% 133% 158% bron: provincie Gelderland *bron: ABF Primos Vergrijzing Van 2005 tot 2020 zal in bijna alle gemeenten een vergrijzing van de bevolking plaatsvinden. Dat bete - kent dat het aandeel 65-plussers in de totale bevolking van deze gemeenten in 2020 toegenomen zal zijn. Zo zal naar verwachting in Nijmegen dit aandeel stijgen 13% in 2005 naar 16% in 2020 stijgen (zie onderstaande tabel). pagina 64 van 88
Ontgroening In de meeste gemeenten zal sprake zijn van ontgroening. In Nijmegen blijft het aandeel jongeren naar verwachting gelijk. Toch zal in deze gemeenten het absoluut aantal jongeren stijgen omdat hier de totale bevolking groeit (zie vorige tabel). In Beuningen zal de sterkste ontgroening plaatsvinden. Tabel 49: per gemeente: ontgroening en vergrijzing 2005-2020; aandeel jongeren 2005-2020 en aandeel ouderen 2005-2020 NL Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch *** Aandeel 0-19 jarigen in bevolking* 24-22% 28-22% 26-26% 23-20% 27-24% 26-21% - 21-21% 22-20% 25-23% 26-22% Aandeel 14-19% 11-19% 11-17% 18-26% 14-22% 13-21% 16-24% 13-16% 18-25% 15-20% 12-20% 65+-ers in bevolking** bron: provincie Gelderland *ontgroening: verandering van het aandeel 0-19 jarigen (ten opzichte van de totale bevolking) van 2005 naar 2020 ** vergrijzing: stijging van het aandeel 65+-ers (ten opzichte van de totale bevolking) van 2005 naar 2020 ***bron: ABF primos. Hieruit is de ontgroening niet te berekenen Prognose aantal mensen met een beperking of chronische ziekte In onderstaande tabel wordt het cijfer van 2005 als index gebruikt en op 100% gezet. Het getal van Nijmegen bij dementie: 123% betekent dus dat naar verwachting het aantal mensen met dementie in het jaar 2020 23% hoger zal liggen dan in 2005 (ofwel op de 100 dementerenden in 2005, zijn er 123 dementerenden in 2020) De gemeenten Beuningen, Druten, Heumen en Wijchen krijgen te maken met de grootste toename. Dit heeft direkt te maken met de vergrijzing Tabel 50: per gemeente: prognose 2005-2020 m.b.t. het aantal mensen met een beperking of chronische ziekte Toename 2005-2020* Beun Drut Groes Heum Mill. Nijm Ubb WMW Wijch lichamelijke beperking 144% 141% 105% 135% 125% 121% 119% 128% 147% zich verplaatsen 146% 144% 105% 138% 127% 122% 120% 130% 149% persoonlijke verzorging 145% 143% 105% 136% 126% 122% 120% 130% 147% huishoudelijke taken 144% 141% 104% 136% 124% 120% 119% 127% 146% chronische ziekte, ernstig beperkt 142% 137% 109% 128% 127% 125% 121% 128% 147% dementie 173% 167% 107% 167% 141% 123% 128% 140% 166% Bron: GIDZ * Gegevens van de gemeente Mook en Middelaar ontbreken helaas omdat de bron Gelders is. 8.3 Sociaal-maatschappelijke indicatoren In deze paragraaf beschouwen we etniciteit, aandeel éénoudergezinnen, uitkeringsgerechtigden en het inkomensniveau. Het aandeel niet-westerse allochtonen is alleen in Nijmegen (iets) hoger dan het Nederlands gemiddelde. De grootste groep niet-westerse allochtonen in de regio (en in Nijmegen) betreft mensen van Turkse herkomst. Naast Nijmegen zijn er ook in Druten relatief veel inwoners van Turkse herkomst, iets meer dan gemiddeld in Nederland. In de overige gemeenten ligt het percentage niet-westerse allochtonen laag. pagina 65 van 88
Tabel 52: per gemeente: percentage Niet-westerse allochtonen* NL % Beun % Drut % Groes % Heum % Mill. % Mook % Nijm % Ubb % WMW % Niet westerse allochtonen totaal 10,3 3,4 5,4 2,0 2,7 1,5 2,7 12,1 2,1 1,3 4,1 % Turken 2,2 0,4 2,8 0,2 0,1 0,0 0,1 3,2 0,2 0,0 0,6 % Marokkanen 1,9 0,2 0,2 0,1 0,1 0,0 0,1 2,0 0,1 0,1 0,4 % Surinamers 2,0 0,6 0,4 0,2 0,3 0,4 0,2 0,9 0,2 0,2 0,7 bron: Nationale atlas (RIVM) * allochtonen: personen van wie ten minste één ouder in het buitenland is geboren. Hierbij kan onderscheid worden. gemaakt tussen personen die zelf in het buitenland zijn geboren (eerste generatie) en personen die in Nederland zijn geboren (tweede generatie). Wijch % Nijmegen heeft het hoogste percentage éénoudergezinnen (3,4%). West Maas en Waal en Ubbergen hebben de laagste percentages éénoudergezinnen. Tabel 51: per gemeente: aantal en percentage éénoudergezinnen van het totaal aantal inwoners NL Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch absoluut aantal 452.370 601 353 378 387 140 160 5432 179 302 915 % van aantal inwoners 2,8% 2,4% 2,0% 2,0% 2,3% 2,4% 2,0% 3,4% 1,9% 1,6% 2,3% bron: CBS statline Het percentage uitkeringsgerechtingen is in het algemeen ni et hoog in de regio Nijmegen. Vooral de gemeenten Mook en Middelaar en West Maas en Waal kennen relatief weinig uitkeringsgerechtigden. Alleen in Nijmegen ligt dit percentage met 5,7% boven het landelijke gemiddelde van 3,1%. Tabel 53: per gemeente: percentage uitkeringsgerechtigden NL % Beun % Drut % Groes % Heum % Mill. % Mook % Nijm % Ubb % WMW % Wijch % % uitkerings-gerechtigden 3,1 1,6 1,4 1,7 1,5 1,5 1,1 5,7 2,0 1,1 1,5 Bron: Nationale atlas (RIVM) Het gemiddeld besteedbaar inkomen is het hoogs t in Mook en Middelaar. Hier is het inkomensgemiddelde, net als in Heumen en Ubbergen, hoger dan gemiddeld in Nederland. Tabel 54: per gemeente: gemiddeld besteedbaar inkomen per inwoner in 2002 (x1000 euro) en percentage huishoudens met lage, midden en hoge inkomens NL Beun Drut Groes Heum Mill. Mook Nijm Ubb WMW Wijch Gemiddeld besteedbaar inkomen 12,9 12,7 12,4 12,4 13,2 12,0 14,0 12,5 13,3 12,7 12,5 Percentage lage inkomens* 40 31,6 33,7 37,7 29,2 35,8 31,8 50,6 38,6 34,8 33,4 Percentage midden inkomens* 40 42,2 43,5 41,3 42,0 44,4 40,1 34,6 41,5 40,1 43,1 Percentage hoogste inkomens* 20 26,2 22,8 21,0 28,9 19,8 28,1 14,8 19,9 25,1 23,6 bron: Nationale atlas (RIVM) *lage inkomens: minder dan 22.600 euro; midden inkomens: 22.600-41.500 euro; hoogste inkomens: meer dan 41.500 euro pagina 66 van 88
8.4 Sociaal economische status per postcodegebied Een overzicht van de sociaal economische score per postcodegebied, maakt duidelijk dat de Sociaal Economische Status in grote delen van Nijmegen laag is. Helaas komt de indeling in postcodegebied niet overeen met de door Nijmegen gehanteerde stadsdelen. Enige indicatie geeft het echter wel. Binnen deze postcodegebieden kunnen er uiteraard nog grote verschillen zijn in sociaal economische statusscore. Bovendien wil een hoge statusscore niet zeggen dat alle aspecten van gezondheid en welzijn in dat gebied gunstig zijn. Evenzo betekent een lage score niet dat alle aspecten ongunstig zijn. Tabel 55: Sociaal economische statusscore per 4-cijferig postcode gebied in 2006 Indicatieve naam van het SCP Gemeente Postcode postcode gebied Statusscore Bevolking Nijmegen 6546 'T ACKER laag 10060 6521 ALTRADE midden-hoog 6405 6512 BOTTENDAAL gemiddeld 4625 6524 GALGENVELD hoog 6775 6532 GOFFERT OOST laag 5730 6534 GOFFERT WEST laag 3370 6535 HATERT zeer laag 6835 6533 HATERTSE HEI laag 10665 HAVEN- EN INDUSTRIETERREIN zeer laag 7020 6541 6531 HAZENKAMP laag 10485 6542 HEES zeer laag 6845 6525 HEIJENDAAL gemiddeld 8715 6543 HESEVELD laag 7180 6523 KWAKKENBERG midden-laag 8190 6538 LANKFORST zeer laag 9960 6663 LENT-WEST hoog 4065 6537 MEIJHORST zeer laag 9990 6545 NEERBOSCH-WEST laag 5865 6544 NEERBOSCH zeer laag 5965 6511 NIJMEGEN CENTRUM zeer laag 8495 6522 OOIJSE SCHEPENDOM zeer hoog 4495 6679 OOSTERHOUT OOST zeer hoog 2645 6683 RESSEN zeer hoog 85 6536 WEEZENHOF hoog 3740 bron: sociaal cultureel planbureau, RIVM Achtergrond en details bij de berekening van SES-scoren Voor elk vierpositie postcodegebied is een SES-score (sociaal economische status) berekend. Deze score is berekend over 2006. Er wordt een viertal variabelen gebruikt. het gaat om: - gemiddeld inkomen; - percentage huishoudens met een laag inkomen; - percentage inwoners zonder betaalde baan; - percentage huishoudens met gemiddeld een lage opleiding Op deze gegevens is een principale componentenanalyse losgelaten en het resultaat is per vierpositie postcodegebied een score van ongeveer -4 tot ongeveer +4. Deze score is ingedeeld in zeven groepen oplopend van lage (7) naar hoge (1) status. Bron: Roedig A (RIVM), Zwakhals SLN (RIVM). Achtergrond en details bij de berekening van SES-scoren. In: Volksgezondheid Toekomst Verkenning, Nationale Atlas Volksgezondheid. Bilthoven: RIVM, <http://www.zorgatlas.nl> Beïnvloedende factoren\ Sociale omgeving\ Sociaal -economische status, 11 december 2006. > pagina 67 van 88
9 Specifieke risicogroepen 9.1 Jeugd De eerste levensfase in het leven is ontzettend belangrijk, ook als het gaat om de gezondheid. Met de lichamelijk gezondheid is het in de jeugd in het algemeen goed gesteld. Er kunnen echter in deze levensfase al wel ongezonde leefgewoonten inslijten, die later in het leven, als de gevolgen ervan wel gaan tellen, moeilijk meer te wijzigen zijn. Positief geformuleerd kan gesteld worden dat kinderen gezonde leefgewoonten die ze in hun jeugd meekrijgen, ook meenemen in de rest van hun leven. De levensstart is echter niet alleen van belang voor de lichamelijk gezondheid. Minstens zo belangrijk is de aandacht voor de psychosociale ontwikkeling van een kind. Opvoedingsproblemen, gezinsproblemen, huiselijk geweld, gebrek aan aandacht en liefde werken door in de rest van het leven. Het kan kinderen in een negatieve spiraal brengen. Juist daarom is het een maatschappelijk taak om te zorgen voor omstandigheden waarin kinderen veilig en verantwoord kunnen opgroeien en zich ontwikkelen. Dit geldt op velerlei terreinen: het creëren van (veilige) speelruimte, het volgen en begeleiden van ouders via de jeugdgezondheidszorg, het tijdig signaleren van problemen en deze adequaat kunnen verwijzen en aanpakken, zorg dragen voor goed onderwijs en voorkomen van schooluitval. Een multidisciplinaire aanpak, zoals in de landelijke 'operatie Jong', biedt hiertoe de beste mogelijkheden. Vanuit het landelijk beleid worden er nieuwe initiatieven ontwikkeld, zoals de Centra voor Jeugd en Gezin. Het is van belang om hier regionaal en lokaal goed invulling aan te geven, aansluitend bij de bestaande situatie en bestaande netwerken. 9.2 Ouderen Het grootste deel van de ouderen heeft, in tegenstelling tot jongeren, te maken met een of meerdere ziekten of aandoeningen. Dit betekent echter niet dat ze allemaal inactief thuis of in een verzorgingshuis zitten. Veel ouderen zijn nog actief op diverse terreinen. Preventie in deze levensfase is dan ook niet alleen gericht op het voorkomen van ziekten of aandoeningen, maar ook op het verbeteren van de zelfredzaamheid en het vermogen om deel te nemen aan de samenleving (de maatschappelijke participa - tie). Het gebruik van hulpmiddelen en medische technologieën biedt mensen met chronische aandoeningen steeds meer mogelijkheden om zelfstandig te kunnen blijven functioneren. Andere mogelijkheden om de zelfredzaamheid te verhogen zijn aanpassingen in de omgeving zoals woningaanpassingen en passende vervoersmogelijkheden. De ouderdom ook een levensfase met naast lichamelijk zeker ook psychosociale problemen. Met name ouderen die dierbaren verliezen en minder mobiel worden en afhankelijk worden van zorg kunnen zich depressief of eenzaam gaan voelen. Terwijl het behoudt van sociale contacten voor het welzijn van deze ouderen van groot belang is, bestaat juist bij depressiviteit het risico dat het sociaal netwerk verder verkleint. De genoemde afhankelijkheid van zorg is ook op zich een punt van aandacht. Alleen al door de vergrijzing (zie paragraaf 8.2) zal het beroep op de zorg sterk toenemen. Een speciaal punt van gemeentelijke aandacht is de mantelzorg. Uit het ouderenonderzoek blijkt dat veel ouderen het tamelijk vanzelfsprekend lijken te vinden dat hun kinderen hen zullen helpen bij allerlei taken en zaken. Ook vanuit de WMO wordt een duidelijk beroep gedaan op de 'omgeving' van hulpbehoevende burgers. Het is de vraag of de beoogde mantelzorgers dit allemaal zullen doen of kunnen doen. 9.3 Kwetsbare groepen Vanuit de rijksoverheid is de laatste jaren steeds meer de nadruk gelegd op gezondheid als eigen verantwoordelijkheid. Burgers zijn zelf verantwoordelijk voor de keuzes die ze maken qua gezond of ongezond gedrag (leefstijl), en de mate waarin men zich voor de financiële gevolgen wil verzekeren. Deze aanname van gezondheid als keuze van autonome burgers vraagt om een forse nuancering als je de focus richt op kwetsbare groepen. Hieronder verstaan we diegenen die om uiteenlopende oorzaken in onze maatschappij extra kwetsbaar zijn op het vlak van lichamelijke, geestelijke en/of sociale problemen (VTV 2006). In 2006 heeft de GGD regio Nijmegen de gezondheidsproblemen bij deze groepen in kaart gebracht d oor literatuurstudie aangevuld met informatie uit interviews met personen die betrokken zijn bij deze groepen. De groepen die in het onderzoek aan bod kwamen zijn: dak- en thuis- pagina 68 van 88
lozen, alcoholisten, drugsverslaafden, (ex)-psychiatrische patiënten, straatpr ostituees, verkommerden/ huisvervuilers, zorgmijders multi -problem gezinnen, illegalen, mensen met een lage sociaaleconomische status, allochtonen, mensen met een handicap en slachtoffers van huiselijk geweld. Een kenmerk van deze kwetsbare groepen is dat de diverse probleemgebieden elkaar kunnen overlappen. Zo hebben bijvoorbeeld veel dak- en thuislozen ook te maken met psychiatrische problematiek, verslaving of zorgmijding. Gevolg is dat ook de gezondheidsproblemen en knelpunten overlap vertonen. Het complete rapport is verkrijgbaar bij de GGD (de Groot, 2006). In deze paragraaf volgt een beknopte samenvatting. N.B. uiteraard is het zo dat de genoemde gezondheidsproblemen en de knelpunten niet van toepassing zijn op alle personen uit de betreffende kwetsbare groep. Het is echter wel zo dat de genoemde punten kenmerkend zijn voor de kwetsbare groep of er anderszins beduidend vaker voorkomen dan gemiddeld. 9.3.1 Dak - en thuislozen Het aantal daklozen is moeilijk te tellen omdat niet iedere dakloze geregistreerd staat bij de hulpverleningsinstanties. Naar schatting zijn er zo'n 2000 dak- en thuislozen in Gelderland. Dakloosheid komt voor 90% door huurschuld, veelal ontstaan door achterliggende sociale en psychiatrische problematiek. Gezondheidsproblemen bij dak - en thuislozen zijn van lichamelijk aard (zoals onbehandelde luchtweginfecties, huid/been/voetproblemen) maar veelal ook van psychische aard. Ook speelt bij diverse daklozen verslavingsproblematiek een grote rol. Ze missen vaak een probleemoplossend verm ogen en er is veelal een gebrek aan voldoende sociale vaardigheden. Bij veel zwerfjongeren spelen factoren een rol als: zwakbegaafdheid, autistische stoornis of verslavingsproblematiek. Knelpunten in de zorg en opvang voor dak- en thuislozen: Meervoudige problematiek waar de maatschappelijke opvang onvoldoende op is toegerust, te veel differentiatie in de opvang kan leiden tot uitsluiting. Niet bereikbare dak en thuislozen. Toename in schuldenproblematiek, huisuitzettingen zonder vangnet vooraf of achteraf. Wachtlijsten voor crisisopvang van moeilijk plaatsbare daklozen vanwege bijkomende overlast. Hospitalisering bij langdurige dakloosheid en een verstopte opvang. Waar de (centrum)gemeente enerzijds zorg draagt voor een voldoende voorzieningsniveau kan er anderzijds vrees zijn voor aanzuigende werking van een uitgebreide sociale infrastructuur. Ontbreken van sociaal pension / beschermde woonopvang. Aanbevelingen m.b.t. dak - en thuislozen Optimaliseren van afstemming en coördinatie tussen verschillende hulpverleningsinstanties en werken aan eenduidig registratiesysteem. Accepteren dat niet alle mensen in staat zijn om geheel zelfstandig te wonen. Investeren in vertrouwensrelatie met cliënt is noodzakelijk om zorgmijdende zwervenden te bereiken. Bij tienermoedergezinnen staat het belang van het kind voorop en moet de moeder geholpen worden aan praktische zaken als veiligheid, huisvesting, uitkering en verzekeringen en moet er gewerkt worden aan een sociaal netwerk (met de vader, familie en vrienden) dat ste un kan geven aan moeder en kind. Aanstaande moeders zijn bang om het kind te verliezen. Een outreachende houding is van belang bij zorgmijdende moeders. 9.3.2 Alcoholisten Gezondheidsproblemen bij mensen die (ernstig) afhankelijk zijn van alcohol zijn heel divers. Lichamelijk: ontstekingen genezen langzamer, longen functioneren minder goed, slechte coördinatie van spieren en zintuigen, verminderd libido, schadelijke effecten op hart en vaten, hersenen, pancreas en lever, gevoelloosheid in de benen, ondervoeding, verhoogde kans op epilepsie en kanker. Psychisch: slapeloosheid, somberheid, nervositeit, overspannenheid, prikkelbaarheid, stemmingswisselingen, agressie en vergeetachtigheid. Op lange termijn kan de ziekte van Korsakov ontstaan. Op sociaal vlak is er veelal sprake van ruzies, verstoorde sociale relaties, problemen met werk en opleiding, ziekteverzuim en financiële problemen. Dit kan escaleren tot huisuitzetting en/of justitiële problemen. pagina 69 van 88
Naast problemen voor de alcoholist zelf, kan alcoholisme ook problemen voor anderen opleveren. Enerzijds voor de directe omgeving van de alcoholist, anderzijds via verkeersdeelname of agressie. Knelpunten m.b.t. alcoholafhankelijkheid Alcoholgebruik is maatschappelijk zeer geaccepteerd. De grens met problematisch gebruik wordt maatschappelijk slecht onderkend. Alcoholisten (en hun gezinsleden) erkennen vaak lange tijd het probleem niet en/of kunnen de schijn ophouden dat alles goed gaat. Alcoholisten kloppen niet, of erg laat aan bij de hulpverlening. Aanbevelingen m.b.t. alcoholafhankelijkheid Laagdrempelige outreachende hulpverlening. Benut de nieuwe methoden tot anonieme hulpverlening (denk met name aan internet). Outreachende bemoeizorg. 9.3.3 Drugsverslaafden In deze paragraaf beperken we ons tot de druggebruikers die in zo'n mate afhankelijk zijn van deze middelen dat het in hun leven een (zeer) dominante rol speelt. In paragraaf 5.6, pagina 49, staat infor - matie over drugs in het algemeen. Bij de drugsverslaafden zijn (gekookte) cocaïne en heroïne de meest gebruikte middelen. De lichamelijke problemen bij drugsverslaafden hangen samen met de toedieningswijze. Drugsverslaafden die intraveneus spuiten lopen kans op huidaandoeningen en infectieziekten welke via gebruikte naalden overgedragen kunnen worden zoals hepatitis B, hepatitis C en HIV. Maar ook bij de niet-spuitende verslaafden zijn er risico's, welke veelal samenhangen met de ongezonde leefstijl, waardoor er onder andere sprake is van weerstandsvermindering en een grotere kans op tuberculose en andere infecties. Psychiatrische verschijnselen zoals angst en paranoia komen veel voor. Cocaïnegebruikers kunnen moeite hebben met het onder controle houden van de agressie. Knelpunten bij zorg voor drugsverslaafden Multiproblematiek: naast verslaving aan harddrugs is er bijna altijd ook sprake van andere proble - men zoals werkloosheid, psychiatrische problemen, dak-/thuisloosheid etc. Bij multiproblematiek is het drugsgebruik vaak een reden tot uitsluiting of verwijdering van de opvang. Stigmatisering, dit verergert de marginalisering. Criminaliteit om de dure verslaving te kunnen bekostigen Verslaafden kun je niet dwingen om af te kicken Aanbevelingen m.b.t. drugsverslaafden outreachende bemoeizorg; zo nodig rechtelijke machtiging; Omdat mensen vaak niet alleen een drugsprobleem hebben, maar ook problemen op andere levensterreinen, is een sterke samenwerking tussen verschillende partijen noodzakelijk. Dit zou niet belemmerd mogen worden door verschil in financiële stromen. 9.3.4 (Ex) psychiatrische patiënten We beperken ons tot (semi) zelfstandig wonende personen die psychiatrische stoornissen hebben of hebben gehad welke nog effect hebben op hun capaciteit om op psychologisch, sociaal, beroeps of interpersoonlijk niveau te functioneren. We onderscheiden de stemmingsstoornis (b.v. depressie), angststoornis (b.v. paniekstoornis), psychotische stoornis (b.v. schizofrenie), cognitieve stoornis (b.v. Alzheimer), ontwikkelingsstoornis (b.v. ADHD), persoonlijkheidsstoornis (b.v. borderliner) en overige stoornissen (b.v. anorexia). Psychiatrische stoornissen beïnvloeden de kwaliteit van leven nadelig. Concentratieproblemen, slaapstoornissen, vermijdingsgedrag, moeite met sociale contacten, zich minder vitaal voelen, impulsivi teit, verslaving, slechte zelfzorg, zelfverwonding, uithongering en zelfdoding, wisselende relaties en vriend - schappen, moeite met sociale contacten, financiële problemen, vermijden van situaties en hulp. Vooral mensen met een stemmingsstoornis, een paniekstoornis, schizofrenie en eetstoornis ondervinden een ernstige vermindering in kwaliteit van leven. pagina 70 van 88
Knelpunten bij de zorg voor (ex)psychiatrische patiënten Mensen hebben moeite met het aanvragen en gebruiken van beschikbare voorzieningen (bijv. uitkering, schuldhulpverlening, verzekeringen), omdat men het onvoldoende overziet. Zorgmijding door stoornis, beperkte mogelijkheid om patiënten tegen hun zin op te nemen. Te weinig (laagdrempelige) werkervaringsplaatsen. Stigmatisering: niemand zit te springen om een psychiatrisch patiënt als buur of als werknemer. Overlast. Mantelzorg is veelal beperkt. Aanbevelingen m.b.t. de zorg voor (ex)psychiatrische patiënten Betere regeling gedwongen opnamen. Begeleid wonen trajecten. 9.3.5 Straatprostituees Prostituees en zeker straatprostituees behoren tot de sociaal kwetsbaren. Het zelfbeeld is veelal laag en veel vrouwen/meisjes hebben te maken met psychische problemen al dan niet samenhangend met andere problemen zoals: verslaving, financiële problemen, gewelddadige vriend, loverboy, incestverleden. Vanwege het werk lopen ze een groot risico op SOA en HIV bij onveilige seks. De Cirkel en de GGD doen veel om de vrouwen te ondersteunen en te helpen sterker in de schoenen te staan. Vrouwen ondersteunen ook elkaar. De GGD houdt een wekelijks avondspreekuur in de tippelzone. De GGD doet SOA-onderzoek, geeft voorlichting en biedt een vangnet voor medische zorg. Ook bij seksinrichtingen zoals clubs, privéhuizen en raamprostitutie geeft de GGD voorlichting en voert SOAonderzoek uit. Het aantal besmettingen is afgenomen, mede dankzij de voorlichting en verminderd gebruik van drugs via naalden. Knelpunt m.b.t. de zorg aan (straat)prostituees De hulpverlening en de GGD bereiken niet alle vrouwen die als prostituee werkzaam zijn. Een onbekend aantal zal gemist worden omdat zij zich, al dan niet gedwongen, onttrekken aan de zorg (zorgmijders). Te denken is daarbij aan illegale en/of gedwongen prostitutie. Aanbevelingen m.b.t. (straat)prostituees Handhaven van de hulpverlening (Cirkel), het GGD -prostitutiespreekuur en de bezoeken aan seksinrichtingen door de GGD. Nauwere samenwerking tussen het Meldpunt Bijzondere Zorg en de prostitutiehulpverlening. Waar mogelijk toeleiden naar zorg 9.3.6 Verkommerden/huisvervuilers Een moeilijk waarneembare groep die om wat voor reden dan ook ontoereikende zorg krijgt en/of niet of onvoldoende in de eigen bestaansvoorwaarden kan voorzien. Het gaat bij de verkommerden en verloederden niet alleen om de zichtbare groep op straat, maar ook om de onzichtbar e groep mensen die in hun woning een marginaal bestaan leidt. Deze mensen kunnen al dan niet ernstige en langdurige psychische stoornissen en/of verslavingsproblemen of een combinatie van deze kenmerken hebben. Gezondheidsproblemen: vervuild leven, slechte zelfzorg, verslavingsproblematiek, psychiatrische stoornis, zorgmijdend, brand- of instortingsgevaar door stapelen van 'rommel' en sociale uitsluiting. Knelpunten m.b.t. de zorg voor verkommerden/huisvervuilers: hulpweigering; veelal geen dwang mogelijk tot het aanvaarden van de noodzakelijke hulp; opvangproblemen vanwege de meervoudigheid van de problematiek; onvoldoende duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden en bevoegdheden tussen diverse betrokkenen instellingen; cliënten worden vaak heen en weer verwezen tussen verschillende hulpverleningsinstellingen hoog recidive gehalte. pagina 71 van 88
Aanbevelingen m.b.t. de zorg voor verkommerden/huisvervuilers: Een intensief zorgaanbod met het aanbieden van outreachende zorg. Woningbouwverenigingen spelen een belangrijke signalerende rol. Er is een intensieve samenwerking nodig tussen gemeentelijke afdelingen: openbare orde en vei ligheid, bouwen en wonen en andere partijen zoals woningbouwcorporaties en zorg- en welzijnsinstellingen Outreachend werken. Aanpak van schulden. 9.3.7 Zorgmijders Zorgmijders zijn mensen die geen hulp zoeken, maar eigenlijk wel nodig hebben. Hierbij kan het gaan om zorgmijden doordat het vertrouwen in de hulpverlening is geschonden. Zorgmijden komt ook voor door het zich niet kunnen houden aan afspraken, door achterliggende psychopathologie of verstandelijke beperking. Hierbij is sprake van zorgwekkende zorgmijding. Zorgmijders vertonen vaak overlap met een aantal van de reeds eerder genoemde groepen. Ze hebben veelal te maken met psychosociale problemen, slechte zelfzorg, financiële problemen en isolement. Knelpunten m.b.t. de zorg voor zorgmijders: Met name diegenen die overlast veroorzaken of door hun gedrag opvallen komen bij de netwerken in beeld. Hulpverleners veronderstellen dat er ook een groep mensen is die onder de definitie zorgwekkende zorgmijders valt, die zij niet in beeld krijgen. Problemen van zorgwekkende zorgmijder zijn te meervoudig van aard en daardoor moeilijk te passen binnen reguliere voorzieningen zoals thuiszorg en ziekenhuizen. Helderheid ontbreekt binnen het netwerk van hulpverleners over de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de partners. Zowel kwantitatief als kwalitatief schiet de hulpverlening tekort. Het uitwisselen van gegevens over zorgwekkende zorgmijders tussen hulpverleners onderling en tussen hulpverlening en politie stuit op juridische belemmeringen, en belemmeringen i.v.m. met verschillende registratiesystemen. Verschillen in financieringsstromen beïnvloeden ten nadele de samenwerking tussen de netwerkpartners. Aanbevelingen m.b.t. de zorg voor zorgmijders: Heroverweging moet plaatsvinden door de overheid over de asielfunctie zoals deze vroeger door de psychiatrische ziekenhuizen werd vervuld. Bij verwijzing buiten het netwerk (bijvoorbeeld algemeen ziekenhuis) dienen de ontvangende instanties en hulpverleners door de verwijzers goed te worden voorbereid en eventueel begeleid. Politie en zorgsector zouden gezamenlijk tot een oplossing moeten komen om een efficiënt en toegankelijk registratiesysteem op te zetten met als gezamenlijk doel tijdige en adequate hulpverlening. Het financieringsstelsel dient zodanig te worden aangepast dat bijvoorbeeld de inspanningen ter voorbereiding van hulpverlening en tot behoud van contact, en de intensiteit van het hulpverlenend contact, betrokken worden bij de vergoedingsnorm. 9.3.8 Multiproblem gezinnen In de kinder- en jeugdzorg valt steeds vaker de term multiproblem gezin. Het gaat hierbij om gezinnen waarin, naast de kindproblematiek, ook andere problematieken aan de orde zijn die vragen om een reactie. Kenmerkend is dat er sprake is van meerdere probleemgebieden, met veelal intergenerationeel bepaalde opvoedingsproblemen, waarin ouders hun ouderrol niet (optimaal) vervullen en veelal gering pedagogisch besef hebben. Van de gezinnen in Nederland kan naar schatting 0,5 tot 1% tot een multiproblem gezin gerekend worden. Er kunnen problemen of achterstanden zijn op financieel gebied (schulden, onvoldoende inkomen); wonen (ongeschikte huisvesting; achterstallig onderhoud van de woning) en arbeid (geen participatie in het arbeidsproces). Er kan sprake zijn van psychosociale problemen. Hierbij kan het gaan om problemen van het individu (bijvoorbeeld verslaving, psychiatrische problematiek), problemen van het gezinssysteem (bijvoorbeeld verstoorde ouder-kind -relaties, gezagsvacuüm, problemen tussen de ouders pagina 72 van 88
onderling, incest, mishandeling en verwaarlozing), en/of problemen binnen het netwerk van het gezin (bijvoorbeeld het ontbreken van een ondersteunend netwerk, verstoorde relaties in de omgeving). De problemen hebben vaak een transgenerationeel karakter, wat betekent dat (een deel van) de problemen wortelt in de problemen van voorgaande generaties en wordt overgedragen op de volgende generatie (bijvoorbeeld: mishandelende ouders zijn zelf vroeger mishandeld). De betrokken gezinsleden krijgen geen of onvoldoende greep op de situatie waardoor een patroon ontstaat van recidiverende crisissituaties. Knelpunten m.b.t. de zorg voor multi -problem gezinnen: wantrouwen in hulpverlenende instanties; geen passend hulpaanbod, door versnippering van hulpverlening en financiering weinig steun uit de omgeving door een beperkt sociaal netwerk men vraagt moeilijk om hulp door: o passiviteit, zaken niet zelf aanpakken o onvoldoende inzicht in eigen problemen o op een inadequate wijze voor zichzelf op te komen, b.v. door agressief gedrag. o psychiatrische problematiek (depressiviteit) en/of verslavingsproblematiek. o geen gerichte hulpvraag / geen inzicht in eigen problemen o moeite met het nakomen van afspraken o stigmatisering door de omgeving geheimhouding van de problemen (zoals huiselijk geweld). ernstige problematiek op meerdere leefgebieden. Men heeft regelmatig te maken met problemen die plotseling weer de kop opsteken en waarbij acute inzet gewenst is, omdat men zelf (nog) niet het vermogen heeft deze problemen adequaat te kunnen hanteren. Aanbevelingen m.b.t. de zorg voor multi-problem gezinnen:: versterken van de lokale zorgnetwerken; suggestie: trajectregisseur die verantwoordelijk is voor de samenwerking tussen hulpverleners; borg de materiële hulpverlening (budgetten, stabilisatie trajecten, bewindvoering). 9.3.9 Illegalen Illegalen zijn mensen zonder verblijfstatus. de helft van de illegalen is afkomstig uit Turkije of Marokko. Verder komen er illegalen uit het Nabije en Verre oosten en Afrika, maar er zijn ook steeds meer Europese illegalen vanuit Zuid Europa en het voormalige Oostblok. Illegalen zijn vaak dakloos of wonen bij familie,vrienden en kennissen. Gezondheidsproblemen die bij illegalen relatief veel worden gesignaleerd zijn: infectieziekten, COPD, klachten aan het bewegingsapparaat, psychische stoornissen. Knelpunten m.b.t. de zorg voor illegalen: Illegalen zijn niet verzekerd, men zoekt daarom niet of erg laat om hulp. Het koppelingsfonds vergoedt noodzakelijke medische zorg voor illegalen, maar bij veel zorgverleners is dit nog onvol - doende bekend. Voor niet medisch noodzakelijke hulp kunnen illegalen vaak niet terecht, omdat ze dit zelf moeten betalen. Vooral bij chronisch zieken en gehandicapten zorgt dit voor soms schrijnende problemen. Taalproblemen kunnen een goede hulpverlening belemmeren. Er is voor deze groep meestal geen opvang mogelijk in dak- en thuislozenopvang. Aanbevelingen op gemeentelijk niveau afspraken maken hoe om te gaan met schrijnende gevallen; meer bekendheid geven aan het koppelingsfonds. 9.3.10 Mensen met een lage sociaal-economische status Zoals in paragraaf 3.2, p.13 uitgebreider staat beschreven, leven mensen met een lage sociaaleconomische status gemiddeld bijna vier jaar korter en zij brengen tien jaar minder lang door in goede gezondheid dan mensen met een hoge sociaal-economische status. Ze hebben meer chronische pagina 73 van 88
aandoeningen zoals diabetes, COPD en rugklachten. Ze hebben meer psychosociale klachten zoals eenzaamheid, depressie, isolement. De oorzaak hiervan is complex. Factoren die meespelen zijn: ongunstige woonomgeving, ongunstiger arbeidsomstandigheden, ongezonde levensstijl, stress door eventuele persoonlijke problemen (financiën, gezinsproblemen etc) en minder kennis en vaardigheden om ongezonde situaties te veranderen. Knelpunten bij mensen met een lage SES De gezondheidsproblemen zijn onderdeel van een veel complexer, hardnekkig maa tschappelijk probleem, met daarin tevens een politiek element. Financiële beperkingen belemmeren gezond gedrag. Ongezonde woon- en omgevingsfactoren zijn moeilijk te substantieel te veranderen. Risico op verdere marginalisering. Het is een moeilijk bereikbare doelgroep voor preventieve voorlichting. Men weet de weg tot de juiste, beschikbare zorg soms moeilijk te vinden. De capaciteiten om prioriteiten te stellen, kinderen op te voeden en het leven te organiseren zijn soms beperkt. Aanbevelingen m.b.t. mensen met een lage SES Buurtgericht werken Houdt rekening met de mate van begrip en het lage zelfbeeld van de mensen met een lage SES. Houdt voorlichtingsprogramma's basaal en benadruk niet wat ze fout doen. Versterk de mogelijkheden van de laagdrempelige voorzieningen zoals peuterspeelzalen en kinderdagverblijven, vanuit oogmerk van vroegsignalering. Zorg juist ook in buurten met een veel bewoners met een lage SES, voor ruimte om voldoende te bewegen, sporten en spelen. Inloopspreekuren voor materiële hulp verlening als opstap naar vertrouwen ter bespreking van psycho sociale problematiek. 9.3.11 Allochtonen Allochtonen zijn personen die in Nederland wonen waarvan tenminste 1 ouder in het buitenland is geboren. Ze zijn hier door het koloniale verleden, arbeidsmigratie, huwelijksmigratie en asiel verzoek. Allochtonen hebben gemiddelde genomen een gezondheidsachterstand t.o.v. autochtonen. Overgewicht, diabetes en hart- en vaatziekten komen vaker voor bij allochtonen. Naast gezondheidproblemen zijn er nog maatschappelijk problemen zoals taalachterstand, meer vroegtijdig schoolverlaten, gemiddeld lage sociaal economische status, meer criminaliteit bij bepaalde groepen, verminderde maatschappelijke acceptatie. Knelpunten m.b.t. de gezondheidszorg voor allochtonen: communicatieproblemen door taalachterstand en culturele verschillen langere consultduur culturele opvattingen over ziekte en gezondheid verschillen allochtonen zijn veelal minder gericht op preventie. Aanbevelingen Bevorderen van diversiteitsbeleid onder andere in zorg en onderwijs; Voorlichting onder allochtonen heeft nut wanneer deze betrekking heeft op een duidelijk afgebakend onderwerp en plaats vindt in een duidelijk afgebakende gemeenschap. Hiertoe zouden ook zelforganisaties en belangenorganisaties van allochtonen geactiveerd moeten worden. 9.3.12 Mensen met een handicap De term gehandicapte duidt op elke persoon die niet in staat is om zelf in te staan voor het vervullen van alle of bepaalde noden van het normale sociale of individuele leven, wegens een al dan niet aangeboren deficiëntie op fysiek of mentaal gebied. We beperken ons hier tot mensen die (semi)zelfstandig wonen, aangezien zij duidelijker tot de verantwoordelijkheid van de gemeente behoren. pagina 74 van 88
Algemene gezondheidsproblemen bij mensen met een lichamelijke handicap Lichamelijke gevolgen zijn gerelateerd aan de handicap. Bij rolstoelgebruikers en bedlegerige gehandicapten komt vaak decubitus (doorligplekken voor). Verder is er sprake van moeite met acceptatie van de handicap, stigmatisatie, eenzaamheid, ontevredenheid over de kwaliteit van het leven, onzekerheid m.b.t. de toekomst. en beperkte participatie in de maatschappij door onvoldoende mogelijkheden op gebied van werk, sport en vrijetijdsbesteding. Algemene gezondheidsproblemen bij mensen met een verstandelijke handicap Moeite met voor zichzelf zorgen en instaan voor eigen veiligheid. Problemen met het opvoeden van kinderen. Verstandelijk gehandicapten hebben moeite met complexe en onverwachtse situaties en hebben hulp nodig bij complexe vaardigheden als conflicthantering. Ze kunnen niet adequaat omgaan met onverwachtse situaties. Ze hebben moeite met participatie en integratie in de samenleving, door stigmatisatie en sociale problemen. Knelpunten voor gehandicapten lichamelijk gehandicapten: mobiliteitsproblemen: openbaar vervoer onvoldoende toegankelijk, het Valys kilometertegoed is beperkt en nog ontoereikende toegang van de openbare ruimte; wet en regelgeving is ingewikkeld en onoverzichtelijk. Zelfstandig wonende verstandelijk gehandi capten behoren tot de sociaal zeer kwetsbaren. Ze zijn kwetsbaar voor: misbruik, loverboys en/of criminaliteit. Aanbevelingen m.b.t. de zorg/voorzieningen voor gehandicapten Verbeter de vervoersmogelijkheden van lichamelijk gehandicapten. Richt maatjesprojecten op voor mensen met een handicap, zodat gehandicapten beter worden opgenomen in hun buurt. Maak indicatiestelling verstandelijk gehandicapten realistischer. Sommigen willen wel graag zelfstandig wonen, maar kunnen dat niet. In die gevallen zal een duurdere opvangmogelijkheid geïndiceerd moeten worden ter bescherming van de cliënt. Wees alert bij verstandelijk gehandicapten om opvoedingsondersteuning aan te bieden. Een goede voorlichting op het gebied van vriendschappen en relaties is belangrijk voor verstandelijk gehandicapten. Zorg voor borging van de financiën bij verstandelijke gehandicapten met financiële problemen. 9.3.13 Slachtoffers van huiselijk geweld Huiselijk geweld is geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is/wordt gepleegd ongeacht de plaats waar het geweld wordt gepleegd. Het geweld betreft geestelijke of lichamelijke aantasting van iemands persoonlijke integriteit. De huiselijke kring bestaat uit (ex)partners, gezinsleden, familieleden en huisvrienden. Huiselijk geweld is de meest voorkomende vorm van geweld in de Nederlandse samenleving. Van alle vrouwen en mannen tussen de 18-70 jaar is 45% ooit slachtoffer geweest van huiselijk geweld, als kind, partner of ouder. Uit een onderzoek uitgevoerd in 1997 bleek dat 12% van de slachtoffers melding heeft gedaan bij de politie. In de helft van die gevallen volgde uiteindelijk een aangifte. De gevolgen van huiselijk geweld zijn voor de betrokkenen zelf en voor de samenleving als geheel verstrekkend. Bij circa 80 vrouwen, 50 kinderen en 20 mannen leidt dit tot de dood. Huiselijk geweld heeft vaak negatieve gevolgen voor de gezondheid op lange en korte termijn. Kinderen die "slechts " getuigen zijn van geweld tussen hun ouders hebben een verhoogd risico om op latere leeftijd zelf gewelddadig te zijn (drie keer zo hoog). Uit onderzoek in Nederland onder TBS patiënten bleek dat 80% van hen als kind verwaarloosd, mishandeld of seksueel misbruikt is. Vrouwen, kinderen en ouderen zijn extra kwetsbaar voor huiselijk geweld. Knelpunten m.b.t. de zorg voor slachtoffers van huiselijk geweld zijn: Uit schaamte en schuldgevoel wordt nauwelijks hulp gezocht bij huiselijk geweld. Bij escalerend geweld wordt onvoldoende aangifte gedaan bij de politie. In dat geval is de toeleiding van de pleger naar hulp heel moeizaam. Redenen voor het niet doen van aangifte zijn: - angst voor geweld en voor verlies van (het contact met) de dader; en - de familieband met /genegenheid voor de dader. pagina 75 van 88
Als aan de kant van de dader niets verandert (daderhulp/justitie) vervalt men vaak in herhaling. Zorgmijders, vrouwen met verslavingsproblemen, ernstige psychische problemen en gedragsproblemen, of zonder verblijfstatus kunnen buiten de boot vallen. Opvanginstellingen hanteren verschillende regels en exclusiecriteria. Aanbevelingen m.b.t. de zorg voor slachtoffers van huiselijk geweld Hulpverleners moeten actiever signaleren, deskundigheidsbevordering zou daartoe nodig kunnen zijn. Hulpverlenende instellingen moeten meer outreachend werken om de gezinssys temen waarbinnen geweld voorkomt, in de zorg te krijgen. Er moet systeembenadering plaatsvinden gericht op gedragsverandering. Er is qua signalering en begeleiding extra aandacht nodig voor kinderen. Instellingen kunnen zich beraden over hun mogelijke rol m.b.t. toeleiding naar strafrechtelijke vervolging; pagina 76 van 88
10 Aandachtspunten vanuit de gezondheidsprofielen In dit gezondheidsprofiel zijn veel gezondheidsgerelateerde gegevens opgenomen. Tezamen schetsen ze een beeld van de gezondheid van de bevolking in de gemeente Nijmegen en de regio. In de nota lokaal gezondheidsbeleid zal het nodig zijn om keuzes te maken. Om die keuzes gemakkelijker te maken worden in dit hoofdstuk aandachtspunten geformuleerd. Deze aandachtspunten starten bij het landelijk niveau met de preventienota 2006. Daarin stelt het ministerie van VWS landelijke speerpunten op, waarbij men er vanuit gaat dat deze speerpunten mede lokaal ingevuld worden. Daarnaast worden de aandachtspunten genoemd die vanuit de hier voorliggende gezondheidsprofielen naar voren komen. Enerzijds zijn dit aandachtspunten die voor de gehele regio gelden en derhalve ook goed in de regionale samenwerkingsverbanden kunnen worden aangepakt. Anderzijds worden eventuele specifieke lokale aandachtspunten genoemd. Door het b enoemen van de aandachtspunten op nationaal, regionaal en lokaal niveau willen we de gemeente een handreiking doen om zicht te krijgen op de onderwerpen die extra aandacht verdienen. Tot slot staan er ook aanbevelingen geformuleerd met suggesties hoe de aandachtspunten aan te pakken zouden zijn. Het feitelijk maken van keuzes en stellen van de prioriteiten is een stap die de gemeente vervolgens zelf vorm dient te geven en zijn neerslag krijgt in de nota lokaal gezond heidsbeleid. 10.1 Wat zijn de landelijke aandachtspunten? Uit analyse van de Volksgezondheidsverkenningen (VTV) van het RIVM blijkt dat de leefstijlfactoren: roken, overmatig alcoholgebruik, voeding, bewegen en daarmee samenhangend overgewicht, verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de 'verl oren levensjaren'. Daarnaast blijkt dat psychische stoornissen verantwoordelijk zijn voor een groot deel van het verlies aan kwaliteit van leven. Het is dan ook niet verbazingwekkend dat deze items terug komen in de speerpunten die in de landelijke preventienota 'Kiezen voor gezond leven' van het ministerie van VWS worden benoemd: roken; schadelijk alcoholgebruik; overgewicht (bewegen en voeding); diabetes; depressie. De landelijke nota stelt dat bovenstaande speerpunten alleen effectief aangepakt kunnen worden indien er een betere afstemming is tussen rijksbeleid en lokaal beleid. De nota stelt dat de prioriteiten van het rijk door gemeenten moeten worden gebruikt bij het opstellen van hun gemeentelijke nota's lokaal gezondheidsbeleid, die in 2007 klaar m oeten zijn. Dit klinkt wat bevoogdend. In de praktijk hoeft dit echter geen probleem te zijn, aangezien de meeste van de landelijke speerpunten ook lokaal/regionaal van belang zullen zijn, gebaseerd op de lokale en regionale gegevens van de gezondheid. Met deze speerpunten uit deze preventienota is het verhaal nog niet compleet. In een gezamenlijke reactie op 29 januari van de VNG en GGD Nederland op de preventienota stellen zij dat de preventienota alleen te beperkt is als landelijk beleidskader voor het lokaal gezondheidsbeleid. De WCPV bestrijkt een breder terrein met onder meer taken als infectieziektebestrijding, technische hygiënezorg, medische milieukunde en jeugdgezondheidszorg. Verder zijn VNG en GGD Nederland van mening dat het Rijk sterker moet inzetten op een integrale aanpak van gezondheidsproblemen en dat er specifieke aandacht nodig is voor de bestrijding van sociaal economische gezondheidsverschillen. Tot slot kan nog opgemerkt worden dat er ook vanuit de WMO taakvelden zijn die sterk met gezondheid te maken hebben, met name de openbare geestelijke gezondheidzorg (OGGZ) en preventieve ondersteuning jeugd. 10.2 Wat zijn regionale aandachtspunten? De belangrijkste bronnen voor de regionale aandachtspunten zijn de onderzoeken van de GGD van de afgelopen vier jaar (de jongeren-enquête E-MOVO, het ouderenonderzoek, diverse thema-onderzoeken jeugd en de quick scan kwetsbare groepen). Voor de volwassenen heeft de GGD in de voorgaande periode geen monitor uitgevoerd, maar er zijn wel cijfers uit andere bronnen (o.a. CBS, ROVG en voor Nijmegen ook de Biomedische Studie en de Stadspeiling). pagina 77 van 88
De aandachtspunten die voor alle gemeenten in de regio gelden, staan hieronder genoemd en kort toegelicht. Overgewicht bij kinderen De ervaringen van de Jeugdgezondheidszorg en de uitkomsten van beide thema-onderzoeken naar overgewicht laten zien dat dit onderwerp ook in onze regio aandacht verdient. De constatering dat veel ouders de mate van overgewicht bij hun kind onderschatten, geeft aan dat zij zich niet zomaar aangesproken zullen voelen door algemene adviezen en dat vraagt om een specifieke aanpak. (Zie meer over overgewicht in paragraaf 5.3, p. 42). Voeding bij kinderen en volwassenen Het gaat hierbij ook, maar niet alleen, om voeding in relatie tot overgewicht. Ook voor kinderen en volwassenen met een normaal gewicht is gezondheidswinst te bereiken door gezondere voeding. Zo blijkt uit E -MOVO dat de consumptie van groente en fruit in ieder geval bij de jo ngeren, veel verbetering behoeft. (Zie meer over voeding in paragraaf 5.2, p.40). Alcoholgebruik bij jongeren Het E-MOVO-onderzoek maakt duidelijk dat dit ook in onze regio een belangrijk aandachtspunt is. Bij de relatief jonge groep van 13-14-jarigen is dronken of aangeschoten zijn geen uitzondering. Ook hier spelen de ouders weer een rol, want zij tolereren in veel gevallen het alcoholgebruik van hun kinderen, ook bij kinderen onder de 16 jaar. (Zie meer over alcoholgebruik in paragraaf 5.5, p.46). Onvoldoende bewegen (alle leeftijden) De mate van bewegen is in de regio Nijmegen niet ongunstiger dan gemiddeld in Nederland, maar dat maakt het onderwerp niet minder belangrijk. Bovendien is dit een punt waar juist gemeenten duidelijke mogelijkheden hebben. Niet alleen via het gezondheidsbeleid, maar juist ook via het flankerend beleid: (ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer, sport en recreatie). (Zie meer over bewegen in paragraaf 5.1, p. 36). Roken Voor roken geldt dat er landelijk, na vele jaren van stabilisatie, nu weer een verdergaande lichte daling is te zien. Het lijkt erop dat de regio Nijmegen deze landelijke trend volgt. Dat zou je doen denken dat er wel even een pas op de plaats gemaakt kan worden. Maar omdat roken nog altijd de leefstijlfactor is die het meest bijdraagt aan de ziektelast (21%), heeft roken terecht een prominente plaats behouden in het landelijk beleid. Voor de regio Nijmegen is er nog een bijkomende reden om roken op de agenda te houden. Hoewel uit CBS-onderzoek blijkt dat het percentage rokers in de regio Nijmegen vergelijkbaar is met de landelijke cijfers, geldt dat de sterfte aan roken-gerelateerde aandoeningen zoals hart- en vaatziekten, longkanker en COPD in de regio Nijmegen hoger is dan het Nederlands gemiddelde. (Zie meer over roken in paragraaf 5.4, p.44). Veilig vrijen Na een daling van het aantal seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) in de jaren negentig is er de laatste jaren landelijk weer sprake van een stijging. Het E-MOVO onderzoek laat zien dat het condoomgebruik bij (seksueel actieve) jongeren in de regio Nijmegen lager ligt dan gemiddeld in Oost-Nederland. Door veilig vrijen kunnen besmettingen met SOA zoals chlamydia, gonorroe, syfilis, genitale wratten, herpes genitalis maar ook HIV/AIDS en hepatitis B worden voorkomen. Met name van chlamydia is bekend dat deze aandoening symptoomloos kan verlopen, terwijl er in die tijd wel sprake kan zijn van overdracht van de aandoening. Bij vrouwen kan chlamydia onvruchtbaarheid veroorzaken. (Zie meer over veilig vrijen in paragraaf 5.7, p.51). Psychisch welzijn Vanuit CBS-onderzoek blijkt dat de psychische gezondheid in de regio Nijmegen lager is dan het landelijk gemiddelde. Ook uit E-MOVO en het ouderenonderzoek blijkt dat het psychisch welzijn een blijvend punt van aandacht dient te zijn. Het gaat dan onder andere om psychosociale problemen, depressie en eenzaamheid. Ook een deel van de opvoedingsproblemen bij kinderen hangt samen met psychosociale problemen. (Zie meer over psychisch welzijn in paragraaf 4.4, p.23). Mobiliteit van ouderen Hoe ouder mensen worden, hoe groter de kans dat men te maken krijgt met een teruggang in de lichamelijke mobiliteit: deels door val-incidenten, deels door natuurlijke ouderdomsprocessen. Uit het ouderenonderzoek blijkt dat een beperkte mobiliteit sterk samenhangt met een teruglopende maatschappelijke participatie en eenzaamheid. Met de komst van de WMO is de rol van de gemeente op dit punt alleen maar groter geworden. (Zie meer over ouderen in paragraaf 9.2, p.68.). Gezondheidsproblemen bij kwetsbare groepen Onder kwetsbare groepen wordt onder andere verstaan: verslaafden, (ex) -psychiatrisch patiënten, huisvervuilers, dak- en thuislozen, illegalen/uitgeprocedeerde asielzoekers en anderen. Deze groepen pagina 78 van 88
verdienen niet zozeer de aandacht vanwege de grote aantallen, maar wel door het feit dat deze mensen, door verschillende oorzaken, onvoldoende voor zichzelf en hun gezondheid kunnen zorgen. Veel van deze groepen vallen onder de OGGZ (Openbare Geestelijke Gezondheidszorg) en daarmee onder de WMO. Een kwetsbare groep van wat grotere omvang betreft de mensen met een lage sociaal economische status. Uit vrijwel alle regionale en landelijke onderzoeken blijkt dat gezondheidsproblemen en -risico's in verhoogde mate voorkomen bij mensen met een lage opleiding en/of een laag inkomen. Er wordt dan ook gesproken over sociaal economische gezondheidsverschillen. (Zie meer over sociaal economische gezondheidsverschillen en kwetsbare groepen in paragraaf 3.2, p. 13 en in paragraaf 9.3, p.68). Milieu en gezondheid Dat er een verband bestaat tussen milieufactoren en gezondheid is onbetwist. Schattingen van het RIVM geven aan dat milieufactoren (met name luchtverontreining) verantwoordelijk zijn voor 2-5% van de ziektelast. In de beleving van burgers is dit risico meestal groter. Dat hangt samen met het feit dat blootstelling aan ongezonde milieufactoren zoals luchtverontreiniging buiten de eigen invloedsfeer ligt. Je leefstijl (roken, drinken, eten en bewegen) heb je zelf in de hand. Voor de luchtkwaliteit van je woonomgeving geldt dat nauwelijks. De bewaking van de kwaliteit van het leefmilieu is bij uitstek een taak voor de overheid: Europees, landelijk, provinciaal, maar zeker ook regionaal en lokaal. Infectieziektebestrijding Infectieziektebestrijding is een taak die tamelijk onzichtbaar is, tot het 'fout gaat'. Uitbraken van legionella, nieuwe ziekten zoals SARS, het opduiken van voor mensen besmettelijke varianten van de vogel - griep en de dreiging van een wereldwijde influenzapandemie brengen infectieziekten soms ineens, tijdelijk, in de belangstelling. Maar ook op het vlak van de minder media-genieke infectieziekten (zoals TBC, hepatitis B, SOA) blijft het van groot volksgezondheidsbelang om een kwalitatief goede infectieziektenbestrijding uit te voeren. Diabetes staat niet als regionaal aandachtspunt genoemd. De preventie ervan staat indirect wel genoemd, aangezien overgewicht de belangrijkste beïnvloedbare factor is bij het ontstaan van diabetes. Op het gebied van vroege opsporing is mogelijk nog winst te boeken, maar de aansturing daarvan loopt met name via het rijksbeleid. 10.3 Wat zijn de specifieke aandachtspunten voor de gemeente Nijmegen? De bovengenoemde regionale aandachtspunten zijn allemaal ook van belang voor de gemeente Nijmegen. Veel van deze punten zijn zelfs in Nijmegen nog ongunstiger dan gemiddeld in de regio en van de kwetsbare groepen zijn een aantal groepen met name in de stad te vinden. De enige uitzondering vormt het alcoholgebruik bij de jeugd. Daarin is de situatie in Nijmegen iets gunstiger dan gemiddeld, maar op zich nog zorgwekkend genoeg om een punt van aandacht te zijn. De eerdergenoemde Sociaal Economische Gezondheidsverschillen spelen in Nijmegen heel duidelijk een rol. Met name in een stad zijn dergelijke gezondheidsverschillen duidelijk herkenbaar, met name daar waar de sociaal economische achterstand verbonden is met de wijk waarin men woont. Vrijwel alle bovengenoemde aandachtspunten (m.u.v. van het alcoholgebruik) zien we vaker terug in de wijken met een lage sociaal economische status. De gemeente Nijmegen had dit onderwerp al genoemd staan in de nota lokaal gezondheidsbeleid 2003, maar dit punt vraagt om structurelere invulling. Samenvattend zijn de aandachtspunten voor de gemeente Nijmegen: (in willekeurige volgorde): Voldoende bewegen Gezonde voeding bij kinderen en volwassenen Overgewicht bij kinderen Alcoholgebruik bij jongeren Roken Veilig vrijen Psychisch welzijn Sociaal Economische Gezondheidsverschillen Vergrijzing Mobiliteit van ouderen Milieu en gezondheid Infectieziektenbestrijding Gezondheidsproblemen bij kwetsbare groepen pagina 79 van 88
11 Aanbevelingen Algemeen / sociaal economische gezondheidsverschillen 1. Preventie van gezondheidsproblemen integraal aanpakken met de gemeente als initiator en regisseur. Onderbouwing en uitwerking Voor veel onderwerpen geldt dat er binnen de gemeentelijke organisatie, de gemeente en de regio meerdere partijen een rol spelen bij de aanpak ervan. Een integrale aanpak waarin de diverse partijen hun kennis kunnen bundelen is beslist de moeite waard. Hierdoor krijg je: breder draagvlak verhoging van de kwaliteit en effectiviteit betere mogelijkheid tot structurele inbedding. Aanbevolen wordt dat de gemeente een initiërende en regisserende rol vervult. Dit kan door: het samenbrengen van partijen, zorgen voor een gemeenschappelijk analyse, vervolgens doen opstellen van een gezamenlijk plan van aanpak waarin de uitvoerende taken goed op elkaar zijn afgestemd. De regierol van de gemeente in het lokale gezondheidsbeleid is die van 'visionaire regisseur': de regisseur die het plan helpt te schrijven maar voor de uitvoering afhankelijk is van anderen. Het innemen van een neutrale positie en het beschikbaar stellen van middelen zal hierbij helpen. 2. Verminder de sociaal economische gezondheidsverschillen door multidisciplinaire aanpak binnen sociaal zwakkere wijken. Onderbouwing en uitwerking Ook uit onderzoek in Nijmegen blijkt dat (gezondheids)problemen zich concentreren bij mensen met een lage sociaal economische achter grond/laag opleidingsniveau. In Nijmegen concentreert zich dat in de aanpakwijken. Dat pleit, aansluitend bij aanbeveling 1, voor een integrale en multidisciplinaire aanpak, zo mogelijk wijkgericht. Dit kan plaatsvinden via bestaande structuren zoals wijknetwerken of via nieuw op te richten structuren, zoals de toekomstige Centra voor Jeugd en Gezin (zie ook aanbeveling 6). Het is aan te bevelen om met deze multidisciplinaire aanpak te beginnen in een wijk waar dit het hardste nodig is. Een inperking in thema's lijkt noodzakelijk te zijn. 3. Weeg bij alle keuzes en beslissingen met betrekking tot gezondheid en gezondheids - beleid expliciet af of de maatregel of interventie in voldoende mate bijdraagt aan het verkleinen van de sociaal economische gezondheidsverschillen. 4. Pak preventie van gezondheidsproblematiek, waar dat mogelijk is, samen met andere gemeenten, op regionaal niveau aan. Onderbouwing en uitwerking Aangezien veel gezondheidsproblemen (ook) op regionaal niveau spelen, kan het efficiënt werken als de gemeenten deze zoveel mogelijk gezamenlijk aanpakken. Hierbij kunnen gemeenten taken onderling verdelen. Het ambtelijk en bestuurlijk overleg Zorg en Welzijn enerzijds en Onderwijs en Jeugd anderzijds zouden hierin een rol kunnen spelen. Leefstijl 5. Bevorder de gezonde leefstijl van de bevolking, vooral op het gebied van: bewegen en voeding (beide samenhangend met overgewicht), roken, overmatig alcoholgebruik en veilig vrijen. Kinderen en jongeren verdienen hierbij specifieke aandacht. Aan de gemeente(n) de aanbeveling om hierop lokaal regie te voeren. Onderbouwing en uitwerking Wanneer gekeken wordt naar de sterfte aan bepaalde aandoeningen blijkt Nijmegen op een aantal punten ongunstig te scoren. Zo is in Nijmegen de sterfte aan hart- en vaatziekten, totaal kanker, longkanker, dikke darmkanker en COPD hoger dan gemiddeld in Nederland. De preventiemogelijkheden van deze aandoeningen richten zich op het bevorderen van een gezonde leefstijl. Hierbij zijn vooral de volgende gebieden van belang: bewegen en voeding (beide samenhangend met overgewicht), roken en overmatig alcoholgebruik. Deze factoren worden door het RIVM genoemd als verantwoordelijk voor een groot deel van de 'verloren pagina 80 van 88
levensjaren'. In Nijmegen is de leefstijl over het algemeen vergelijkbaar met (ofwel even slecht als) de rest van Nederland. Ook de leefstijlfactor 'veilig vrijen' vraagt om blijvende aandacht. Een nadere onderbouwing van het belang van deze leefstijlfactoren staat in paragraaf 10.2 in het voorgaa nde hoofdstuk. De expliciete aandacht die voor de kinderen en jongeren wordt gevraagd, is ingegeven door een te verwachten hoger rendement. De methode 'Gezonde School' biedt mogelijkheden voor een multidisciplinaire aanpak in/via het onderwijs. Geadviseer d wordt om bij het formuleren van de plannen aandacht te geven aan de drie peilers: regelgeving, beleidsvoornemens en effectieve interventies. Daarnaast geldt het advies om een intensieve benadering van leefstijlthema's met name te richten op risicogroepen, zoals mensen met een lage sociaal economische status. Realiseer echter daarnaast een basisaanbod voor iedereen. Een integrale benadering van de leefstijlfactoren maakt het mogelijk om meer focus te leggen op onderliggende structurele belemmeringen, zoals opvoedingszwakte van ouders. Jeugd 6. Start op korte termijn met het ontwikkelen van een lokale visie op de vormgeving van het Centrum voor Jeugd en Gezin, waarbij rekening gehouden wordt met de lokale (infra)structuur voor het jeugdbeleid. Onderbouwing en uitwerking Binnen de op te richten Centra voor Jeugd en Gezin worden gezondheidsrisico's multidisciplinair en geïntegreerd benaderd. Uitgangspunten vanuit de JGZ daarbij zijn: monitoring en screening van alle kinderen, want alle kinderen behoren potenti eel tot de risicogroep bijzondere aandacht voor geregistreerde risicokinderen en -gezinnen het aanbieden van lichte hulp en opvoedingsondersteuning toepassen van practice based en evidence based interventies. Houdt daarbij rekening met : taken/functies (monitoring, voegsignalering, lichte hulp, opvoedingsondersteuning, preventie/gezondheidsbevordering, afstemming, sluitende keten) professionaliteit en integrale aanpak. Psychisch welzijn 7. Bevorder de vroegtijdige signalering van psychische en psychosociale problemen, zowel onder jongeren als onder ouderen (depressie) Onderbouwing en uitwerking In de regio Nijmegen is de psychische gezondheid wat ongunstiger dan gemiddeld in de rest van Nederland. Zo blijken inwoners van de regio Nijmegen gemiddeld 66 jaar i n goede geestelijke gezondheid door te brengen terwijl dat landelijk gemiddeld 68 jaar is. Extra aandacht voor psychosociale problematiek in de regio Nijmegen is dan ook op z n plaats. Enerzijds kan het dan gaan om preventie van depressie, anderzijds om vroegsignalering van andere psychische of psychosociale problemen. Voor depressie bestaan er preventiemaatregelen. Bij de meeste andere psychische stoornissen en bij psychosociale problemen is het van groot belang om de problemen vroegtijdig te signaleren. Hier geldt een regierol voor de gemeente: samenbrengen van betrokken partijen en samen een plan van aanpak opstellen. Ouderen 8. Bevorder de maatschappelijke participatie van ouderen Onderbouwing en uitwerking Uit het ouderenonderzoek is af te leiden dat het verminderen van de maatschappelijke participatie een groot effect heeft op het welbevinden van de oudere. Afname van maatschappelijke participatie wordt veroorzaakt door een vermindering van de mobiliteit, al dan niet in combinatie met een verkleinend sociaal netwerk. Natuurlijke ouderdomsprocessen maar ook valincidenten zijn verantwoordelijk voor de vermindering van de mobiliteit. In de regio Nijmegen blijkt sterfte aan valincidenten hoger te zijn dan landelijk. Dit kan een aanwijzing zijn dat valincidenten ook vaker voorkomen in de regio. Een 'oplossing' is grofweg drieledig: pagina 81 van 88
a. preventie van afname lichamelijke mobiliteit (voorkómen overgewicht, stimuleren bewegen voor ouderen, valpreventie) b. zorgen voor voldoende laagdrempelige vervoersmogelijkheden voor ouderen zodat ouderen nog zelf naar voorzieningen toe kunnen en hun sociaal netwerk in stand kunnen houden; c. het sociale netwerk versterken en voorzieningen (dichter) bij de ouderen brengen. Binnen gemeenten zijn diverse partijen actief op het vlak van wel zijn en voorzieningen voor ouderen. Het verdient aanbeveling om met deze betrokkenen de mogelijkheden tot verbetering/in stand houding van de maatschappelijke participatie van ouderen op elkaar af te stemmen. Gemeenten hebben hier een initiërende taak. Dit kan plaatsvinden via bestaand afstemmingsoverleg of via speciaal te organiseren overleg. Infectieziekten 9. Wees voorbereid op de gemeentelijke taak bij een (grootschalige) uitbraak van besmettelijke ziekten (zoals een influenza -pandemie). Onderbouwing en uitwerking Bij een (grootschalige) uitbraak van een besmettelijke ziekte (bijv. influenzapandemie, SARS, legionella) ligt de kerntaak bij GGD, GHOR en/of het landelijk outbreak managementteam. Gemeenten spelen echter ook een rol. Te denken is aan: communicatie richting burgers, locaties voor massavaccinaties, openbare orde en veiligheid en eventuele dwingende maatregelen van de burgemeester. Milieu en gezondheid 10. Bouw de medisch milieukundige zorg om van re-actief naar pro-actief. Onderbouwing en uitwerking Bij re-actief handelen bestaat het risico dat in een te laat stadium de medisch milieukundige aspecten worden bekeken. Bouwplannen zijn dan mogelijk al gerealiseerd of anderszins in een vergevorderd stadium waarin wijzigingen niet zonder grote conseque nties kunnen worden doorgevoerd. Hieronder staan voorbeelden van een pro-actieve aanpak genoemd. a. Hanteren van de gezondheidseffectscreening (GES) dit is een instrument waarmee een schatting gemaakt wordt van de gezondheidseffecten bij grootschalige ver-/nieuwbouw. Het instrument moet al bij de planvorming wordt ingezet. De GES is opgezet als aanvulling op de milieu-effectrapportage(mer). b. Verbeter de luchtkwaliteit van scholen door onderzoek en advies. Uit landelijk onderzoek blijkt dat bij 80% van de scholen de luchtkwaliteit niet voldoet aan de CO 2 -norm. Om dit aan te pakken gaat eind 2007 een (provinciale) project van start: 'Verbetering binnenmilieu van scholen'. De hierbij noodzakelijke financiële bijdrage wordt in dit geval grotendeels door de provincie voor haar rekening genomen. Het is echter wel mogelijk dat scholen voor een structurele oplossing van het probleem investeringen moeten doen die hun budgetten te boven gaan en die hulp van gemeenten behoeven. c. Ontwikkel een plan hoe de gezondheid van kwetsbare groepen gewaarborgd kan worden in het geval van klimatologisch extreme omstandigheden, zoals hitte. Door de extreem warme zomer van 2006 was er in Nederland een duidelijke oversterfte bij kwetsbare groepen, met name bij lichamelijk zwakkeren zoals zieken en ouderen. Het zou goed zijn om een plan te ontwikkelen om in de toekomst beter op dit soort situaties te zijn voorbereid. Samenwerking met de GHOR op dit terrein ligt daartoe voor de hand. d. Benoem in iedere gemeente één accountmanager voor afstemming met betrekking tot milieu en gezondheid. Momenteel zijn bij gemeenten drie afdelingen met steeds wisselende inbreng betrokken bij milieuzaken met mogelijke gezondheidkundige consequenties: afd. Milieu, afd. Welzijn en Zorg en de afd. Ruimtelijke Ordening. Omwille van een sterkere verankering van de medisch milieukundige zorg bij gemeenten zou het goed zijn als er van gemeentewege één 'accountmanager' zou zijn voor alle zaken rond milieu en gezondheid. Kwetsbare groepen In paragraaf 9.3, p.68 staan de problemen en knelpunten van de diverse kwetsbare groepen beschreven. Elke subparagraaf eindigt met aanbevelingen gericht op die kwetsbare groep. Hieronder worden met name groepsoverstijgende aanbevelingen opgenomen. 11. Initieer en stimuleer de opzet van een OGGZ-monitor. De omvang van de kwetsbare groepen, de (gezondheids) problemen bij deze groepen en de concentraties van de problemen zijn momenteel onvoldoende in beeld. De opzet van een pagina 82 van 88
OGGZ-monitor is van belang om onderbouwing te geven aan de te stellen prioriteiten en om de ontwikkelingen te kunnen volgen. 12. Verbreden of opzetten van wijknetwerken bestaande uit verschillende disciplines (zorg, welzijn en veiligheid) en gericht op diverse kwetsbare groepen. De huidig bestaande netwerken richten zich meestal op één doelgroep. Vanwege de overlap tussen groepen is het beter om een netwerk in te richten voor meerdere groepen. Het gaat om netwerken en samenwerking op wijkniveau. Het moeten netwerken zijn die kunnen sturen en die bevoegdheden hebben. Het netwerk moet zich richten op problemen in de wijk. 13. Investeer in het tegengaan van armoede- en schuldenproblematiek Armoede c.q. gebrek aan geld leidt tot marginalisering en veelal schuldenproblemen. Er moet geïnvesteerd worden in het tegengaan van de armoedeproblematiek. Zorg voor materiële en immateriële hulpverlening. Maak een keten van goede schuldhulpverlening die begint met vroegtijdige, laagdrempelige screening en met het bepalen wat mensen aa n voorzieningen nodig hebben en koppel die keten aan zorg en veiligheid. 14. Investeer in outreachend werken bij zorgmijders Het zorgmijdend karakter van veel van de kwetsbare groepen maakt het noodzakelijk om ook outreachend te werken. pagina 83 van 88
Begrippen- en afkortingenlijst CBS E-MOVO IKO incidentie Nijmegen Biomedische Studie OGGZ prevalentie ROVG SCP SEGV SES significant SIR SMR SOA WMO COPD verloren levensjaren ziektelast Centraal Bureau voor de Statistiek Electronische Monitor en Voorlichting ofwel de electronische jongeren-enquête in klas 2 en 4 van het Voortgezet Onderwijs met daaraan gekoppeld advies-op-maat. Integraal Kankercentrum Oost het aantal nieuwe gevallen per tijdseenheid Dit is een onderzoek van de Radboud Universiteit Nijmegen in samenwerking met de gemeente Nijmegen en de GGD regio Nijmegen. Onderdeel van het onderzoek was een gezondheidsen quête (2003) bij de volwassen bevolking van de gemeente Nijmegen. Openbare Geestelijke Gezondheidszorg de mate waarin iets voorkomt op een bepaald moment Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Gelderland Sociaal Cultureel Planbureau Sociaal Economische Gezondheidsverschillen Sociaal Economische Status : de positie die iemand inneemt in de sociale hiërarchie, gemeten aan de hand van opleiding, inkomen of beroepsstatus. (statistisch) significant wil zeggen dat uit statistische analyse blijkt dat de kans klein is dat een gevonden verschil op toeval berust. Wij werken met de veel gehanteerde grens van p<0,05 ofwel de kans op toeval is kleiner dan 5%. Standardized Incidence Ratio: maat voor vergelijking van i ncidentie, waarbij rekening is gehouden met verschillen naar leeftijd en geslacht. Een SIR boven de 1 (of in onze weergave boven 100%) wil zeggen dat de incidentie hoger is dan in de standaard - populatie (is Nederland). Een SIR onder de 1 (of 100%) wil zeg gen dat de incidentie lager is dan in de standaardpopulatie. Standardized Mortality Ratio: maat voor vergelijking van sterfte, waarbij rekening is gehouden met verschillen naar leeftijd en geslacht. Een SMR boven de 1 (of in onze weergave boven 100%) wil zeggen dat de sterfte hoger is dan in de standaardpopulatie (is Nederland). Een SMR onder de 1 (of 100%) wil zeggen dat de sterfte lager is dan in de standaardpopulatie. Seksueel Overdraagbare Aandoening(en) Wet Maatschappelijk Ondersteuning Chronic Obstructive Pulmonary Diseases, hieronder vallen de chronische longaandoeningen: longemfyseem en chronische bronchitis. Vroeger werd met name de term CARA gebruikt hieronder valt naast de COPD-ziekten ook astma. Dit is een criterium om de impact van sterfte vast te stellen. Het aantal verloren levensjaren wordt berekend als het verschil tussen de leeftijd waarop iemand (aan een aandoening) overlijdt en de levensverwachting die die persoon gemiddeld nog zou hebben, zonder die aandoening. Dit is een criterium om de ernst/impact van een ziekte of aandoening vast te stellen. Bij dit criterium telt de kwaliteit van leven en het aantal jaren dat iemand ziek is mee. pagina 84 van 88
Bijlage 1: berekening sterfte- en incidentiecijfers Sterfte en berekening van sterftecijfers en van incidentiecijfers (SMR en SIR) De berekening van sterfte en incidentie vindt op dezelfde wijze plaats. Daar waar hieronder sterfte staat kan ook incidentie (aantal nieuwe gevallen) worden gelezen en daar waar SMR staat kan ook SIR worden gelezen. SMR (gestandaardiseerde mortaliteitsratio) Een SMR wordt uitgerekend door het geregistreerd aantal sterfgevallen (aan een bepaalde aandoening, in een bepaalde tijd) in een gemeente te vergelijken met het aantal sterfgevallen dat je in die gemeente zou verwachten op basis van de landelijke sterftecijfers. Bij het uitrekenen van het verwachte aantal sterfgevallen wordt dan rekening gehouden met eventuele verschillen in leeftijdsopbouw tussen de gemeentelijke bevolking en de Nederlandse bevolking. De SMR wordt in dit rapport uitgedrukt in procenten. Een SMR van 100% houdt dan in 'exact gelijk aan het Nederlands gemiddelde'. Een SMR boven de 100% betekent een sterfte die hoger ligt dan het gemiddelde in Nederland. Evenzo betekent een SMR onder de 100% een sterfte die lager ligt dan in heel Nederland. Minimum aantal Hoe kleiner het aantal sterfgevallen, hoe onbetrouwbaarder de uitkomst van de SMR. Daarom wordt als vuistregel een minimum aantal van 30 sterf tegevallen gehanteerd. Indien het verwachte aantal sterftegevallen kleiner is dan deze 30, dan wordt geen SMR bepaald. Betrouwbaarheid Het aantal sterfgevallen fluctueert in de tijd. Hoe kleiner de gemeente, hoe sterker het effect van dergelijke fluctuaties. Daarom is het van belang om bij het hanteren van de SMR ook een mate van betrouwbaarheid aan te kunnen geven. Daartoe worden bij de berekening van de SMR ook betrouwbaarheidsgrenzen berekend. Indien de SMR van een gemeente binnen deze grenzen valt, dan wordt gesteld dat deze SMR niet significant afwijkt van het gemiddelde van Nederland. Indien de SMR buiten deze grenzen valt dan wordt gesteld dat de sterfte significant lager ofwel hoger ligt dan het landelijk gemiddelde. Hoe kleiner het aantal sterfgevallen, hoe breder de grenzen, ofwel hoe minder snel verschillen significant te noemen zijn. Significantie Indien in het rapport staat dat de sterfte significant hoger respectievelijk lager is dan het landelijk gemiddelde dan houdt dit in dat het aantal s terfgevallen (aan die aandoening), in die betreffende periode, daadwerkelijk hoger resp. lager te noemen is dan het Nederlands gemiddelde. Significantie zegt uiteraard niets over de oorzaken. pagina 85 van 88
Bijlage 2: Uitsplitsingen naar stadsdeel Toelichting bij de uitsplitsing naar stadsdelen Hieronder staat in een uitgebreide tabel met gegevens uitgesplitst naar de Nijmeegse stadsdelen. 27 Het betreft informatie uit E-MOVO 2003/2004 (GGD -onderzoek bij jongeren), de Nijmegen Biomedische Studie 2003 (Universiteitsonderzoek bij volwassenen) en het GGD -ouderenonderzoek 2005/2006. Bij het lezen van deze uitkomsten moet rekening gehouden worden met de beperkingen van dergelijke uitsplitsingen. Van enkele stadsdelen is het aantal respondenten beperkt (in de tabel hieronder staat het aantal respondenten weergegeven). Dit houdt in dat enkele respondenten meer of minder met een bepaald antwoord, percentueel al grote verschuivingen laten zien. Ook is het zo dat de representativiteit per stadsdeel kleiner is dan voor de gehele gemeente. Derhalve hebben de onderstaande cijfers niet de hardheid van de cijfers elders in het rapport. Het nut van dergelijke uitsplitsingen wat betreft de items over de omgevingsfactoren zijn vooral signalerend en toetsend: "Is de tevredenheid in bepaalde stadsdelen minder en sluit dit ook aan bij de ervaringen en ideeën die er over een stadsdeel zijn?". Bovendien kunnen de cijfers ondersteunend zijn bij de keuze van de locaties van eventuele actie of interventie. Indien je bijvoorbeeld laagdrempelige sportvoorzieningen wilt bedenken. Ontwikkeling zo'n idee dan bij voorkeur met en in een wijk waar dit het hardste nodig is. Tabel 1: responspercentage en het aantal respondenten per stadsdeel E-MOVO (jongeren) NBS (volwassenen) ouderenonderzoek (ouderen) Stadscentrum 20 525 68 Oud Oost 201 1904 250 Oud West 151 689 102 Nieuw West 149 964 193 Midden Zuid 149 1168 180 Zuidrand 232 1522 380 Dukenburg 286 1476 288 Lindenholt 272 673 60 Waalsprong 57 450 40 Stadsdeel onbekend 112 2 - heel Nijmegen 1.629 9373 1587 responspercentage 90% 52% 70% Tabel 2: Gezondheidsaspecten uitgesplitst naar stadsdeel heel Stadscentrum Oud Oud Nieuw Midden Zuid- Duken- Linden- Nijm. Nijmegen Oost West West Zuid rand burg holt Noord % % % % % % % % % % Ervaren gezondheid jongeren 12 0 13 15 11 9 12 16 12 11 matig of slecht ouderen 31 18 28 50 29 27 35 30 36 20 Oordeel gezondheid matig/slecht Hart - en vaatziekten (incl hoge bloeddruk) Luchtwegaandoening Diabetes Aandoening bewegingsapparaat gevallen in voorgaande 3 mnd volwass 7 3 5 11 7 6 9 8 8 3 ouderen 39 27 39 38 42 44 42 42 42 28 ouderen 11 9 8 21 11 10 13 10 16 2 volwass 13 12 11 17 14 13 15 12 15 14 volwass 3,9 2,2 2,3 5,4 4,5 3,3 5,8 5,3 3,7 2,5 ouderen 11 10 9 18 13 12 10 11 17 9 ouderen 34 31 38 47 38 36 39 33 31 38 ouderen 20 12 23 28 13 17 23 18 15 25 27 Het betreft de 'oude' indeling in stadsdelen. Omdat het om beschikbare informatie gaat is het helaas niet (goed) mogelijk om de gegevens om te zetten in de nieuwe indeling. pagina 86 van 88
Tabel 3: Psychisch welzijn uitgesplitst naar stadsdeel heel Stadscentrum Oud Oud Nieuw Midden Zuid- Duken- Linden- Nijm. Nijmegen Oost West West Zuid rand burg holt Noord % % % % % % % % % % psychisch ongezond (licht t/m ernstig) ernstig psychisch ongezond jongeren 20 16 25 26 21 12 19 23 17 25 volwass 20 16 19 26 21 17 22 24 20 14 ouderen 26 24 21 30 24 19 24 21 23 26 jongeren 3 5 3 3 3 2 3 4 3 4 volwass 2 1 2 3 3 1 3 2 2 1 ouderen 3 4 3 12 4 1 3 2 2 0 probleem dat je dag jongeren 22 10 24 28 23 14 22 24 25 18 en nacht bezig houdt ouderen 25 22 21 31 25 27 26 28 28 17 wekelijks gepest worden heel vaak suïcidegedachten (in 12 mnd) jongeren 5 0 6 6 5 5 7 6 4 7 jongeren 4 0 4 5 4 2 6 3 5 0 Tabel 4: Bewegen, voeding en overgewicht uitgesplitst naar stadsdeel heel Stadscentrum Oud Oud Nieuw Midden Zuid- Duken- Linden- Nijm. Nijmegen Oost West West Zuid rand burg holt Noord % % % % % % % % % % gaat niet (te voet of) per fiets naar school weinig tot nooit fietsen jongeren 12 5 5 20 19 5 9 16 14 7 volwass 20 20 15 23 23 14 23 29 23 12 ouderen 59 80 58 67 62 51 56 65 58 38 weinig tot nooit volwass 16 16 13 19 20 12 17 18 19 15 wandelen ouderen 38 34 35 41 42 33 38 39 43 26 sport niet bij een vereniging of -club doet niet aan sport is nauwelijks tot licht lichamelijk actief tijdens het werk beweegt onvoldoende (volgens de norm) niet dagelijks groente eten niet dagelijks fruit eten hooguit 1 keer per week fruit eten jongeren 32 35 17 36 37 21 34 37 36 25 volwass 40 30 32 46 45 31 47 49 46 32 ouderen 75 77 78 87 75 72 76 71 70 71 volwass 56 63 62 54 53 60 52 50 50 59 jongeren 52 60 53 55 47 52 54 53 53 53 jongeren 57 20 41 65 64 41 60 65 61 70 volwass 29 37 25 35 30 21 27 30 34 28 ouderen 6 3 8 13 3 6 6 6 12 0 jongeren 68 50 61 71 72 70 68 68 69 75 volwass 50 59 52 55 49 41 46 49 55 49 ouderen 40 44 37 40 35 36 41 43 53 30 jongeren 12 0 11 16 16 7 13 13 11 14 overgewicht (matig tot ernstig) jongeren* 15 18 8 25 20 8 16 18 18 9 volwass 39 29 30 40 41 31 45 50 47 45 ouderen 56 61 48 64 53 48 58 59 63 55 ernstig overgewicht jongeren* 4 8 3 8 6 2 4 4 5 1 volwass 9 6 6 12 10 5 10 12 15 12 ouderen 15 15 12 16 11 14 15 18 9 20 * De basis van de overgewichtgegevens bij de jongeren is niet E-MOVO, maar de meetgegevens van de afdeling Jeugdgezondheidzorg. Daarmee is dit gegeven betrouwbaarder dan de gegevens van de volwassenen en ouderen. Die zijn namelijk gebaseerd op de lengte en gewicht, zoals deze door de respondent is ingevuld. pagina 87 van 88
Tabel 5: Genotmiddelen uitgesplitst naar stadsdeel regelmatig roken drinkt wel eens jongeren 67 55 73 63 66 68 61 67 69 75 alcohol volwass 82 90 89 76 77 89 78 77 76 89 in voorafg. maand dronken/aangesch. jongeren 23 35 24 20 21 21 22 23 27 26 mannen >3 gl. p.d. volwas 25 41 32 25 21 24 20 20 21 21 vrouwen > 2 gl.p.d. ouderen 10 25 12 2 9 12 11 7 10 12 recent (4wkn) gebruik hasj/wiet jongeren 12 11 13 12 10 9 11 15 13 10 harddrugs jongeren 2 0 4 2 2 1 3 3 3 2 voelt zich somsonveilig ouderen 26 27 21 29 33 20 23 26 26 20 buurt (zeer) onprettig ontevreden over woonbuurt jongeren 12 0 9 19 12 6 14 15 12 14 volwass 7 4 2 14 9 4 5 9 11 2 ouderen 10 4 5 20 13 5 11 12 21 8 ernstig eenzaam ouderen 11 9 8 14 8 10 13 11 14 12 matig/ernstig ontevr. volwass 7 5 5 9 8 6 7 8 11 6 over sociaal contact ouderen 16 18 14 20 14 18 14 18 17 18 het thuis niet leuk vinden jongeren 10 0 11 11 9 5 9 12 12 4 heel Nijmegen Stadscentrum Oud Oost Oud West Nieuw West Midden Zuid Zuidrand Dukenburg Lindenholt Nijm. Noord % % % % % % % % % % jongeren 13 5 10 13 14 10 14 18 15 9 volwass 26 35 27 29 24 20 26 28 29 18 Tabel 6: Omgevingsfactoren: milieu en sociale omgeving, uitgesplitst naar stadsdeel heel Nijmegen Stadscentrum Oud Oost Oud West Nieuw West Midden Zuid Zuidrand Dukenburg Lindenholt Nijm. Noord % % % % % % % % % % BINNENMILIEU vochtplekken ouderen 16 15 19 20 9 14 14 22 13 25 schimmel ouderen 8 11 9 15 6 6 7 12 4 13 kou/tocht ouderen 29 30 30 40 21 24 30 33 18 28 beslagen ramen ouderen 31 25 30 42 27 27 38 29 27 30 Tabel 7: Zorgaspecten uitgesplitst naar stadsdeel heel Nijmegen Stadscentrum Oud Oost Oud West Nieuw West Midden Zuid Zuidrand Dukenburg Lindenholt Nijm. Noord % % % % % % % % % % mantelzorg verlenen ouderen 9 5 11 5 10 9 6 9 16 16 mantelzorg ontvangen ouderen 13 10 15 16 11 13 14 11 6 7 contact met huisarts in voorgaande 3 mnd volwass 42 39 39 44 43 38 46 46 46 37 in voorg. jaar contact met huisarts ouderen 86 88 89 85 82 89 56 85 85 87 met tandarts ouderen 63 65 69 42 55 67 64 64 70 73 met thuiszorg ouderen 23 14 21 31 21 15 28 20 16 18 gebruik professionele: verzorging ouderen 8 4 10 11 8 7 8 4 5 4 verpleging ouderen 10 5 11 9 11 7 13 9 8 5 huidig gebruik slaap- /kalmeringsmiddelen ouderen 24 29 23 24 26 23 24 22 32 5 hulpmidd. nodig bij: lopen ouderen 20 18 23 29 23 13 21 15 16 15 vervoer ouderen 8 8 6 9 6 8 7 8 9 5 dagelijks verrichtingen ouderen 33 27 35 37 34 35 32 33 27 31 pagina 88 van 88