Examen Voorbereiding Voeding Teylingen College Leeuwenhorst 2015/2016
Thema 4 Voeding Begrippenlijst: Begrip Essentiële aminozuren Voedingsvezels Verzadigd vetzuur Onverzadigde vetzuren Essentiële vetzuren Spoorelementen Additieven Darmperistaltiek Mechanische vertering Chemische vertering Emulgeren Galkleurstoffen Amylase Resorptie Darmplooien Poortader Feces Verklaring Aminozuren die in het voedsel voor moeten komen omdat ze niet door het lichaam zelf gevormd kunnen worden. Andere aminozuren kunnen in de lever worden gevormd uit aminozuren met behulp van enzymen. Stoffen (bijv. cellulose) die niet door enzymen uit het verteringsstelsel van de mens worden verteerd. Zorgen voor een goede darmwerking en stoelgang. Een deel van de vezels kan door bacteriën in de darm wel worden afgebroken. Vetzuur met een maximaal aantal waterstofatomen. Bevorderen de afzetting van cholesterol tegen de wand van bloedvaten wat voor vernauwing van bloedvaten kan zorgen. Enkelvoudig (één dubbele binding) of meervoudig (twee of meer dubbele bindingen) onverzadigde vetzuren hebben niet het maximaal aantal waterstofatomen en geen rechte keten. Enkele onverzadigde vetzuren die niet door het lichaam zelf gevormd kunnen worden. Mineralen die in zeer geringe hoeveelheden nodig zijn. Stoffen die worden toegevoegd aan voedsel om de houdbaarheid te verbeteren of de geur, kleur of smaak van het voedsel aan te passen. Het afwisselend samentrekken van de kring- en lengtespieren in het darmkanaal waardoor de voedselbrij wordt voortgeduwd. Vertering door het kauwen met het gebit of kneden en mengen door de darmperistaltiek. Vertering van voedsel door enzymen. Het verdelen van grote vetdruppels in kleine druppeltjes door gal waardoor het oppervlak sterk wordt vergroot en de enzymen de vetdruppels verder kunnen verteren. Afbraakproducten van dode rode bloedcellen, geven bruine kleur aan de ontlasting. Enzym in het speeksel dat zetmeel omzet in maltose (een disacharide) Het opnemen van stoffen uit de darmwand. Dit is een actief proces. Plooien van het darmkanaal met daarop uitstulpingen (darmvlokken) die zorgen voor een groot oppervlak van het darmkanaal. Bloedvat welke vanaf de maag, alvleesklier en de darmen naar de lever loopt. Alle stoffen die door resorptie zijn opgenomen in het bloed komen zo eerst door de lever. Ontlasting. Bestaat uit onverteerde voedselresten, water en bacteriën. 2
Belangrijke feiten: Het lichaam heeft veel verschillende voedingsstoffen nodig. Sommige stoffen kan het lichaam zelf aanmaken uit verschillende stoffen maar andere (essentiële aminozuren, essentiële vetzuren, provitaminen, mineralen) moeten in het voedsel zitten. Eiwitten, koolhydraten (poly- en disachariden) en vetten worden niet door resorptie opgenomen in het bloed. Enzymen breken deze stoffen af tot aminozuren, monosachariden en vetzuren welke wel opgenomen kunnen worden. De poortader vervoerd bloed met opgenomen voedingsstoffen (en eventuele giffen) samen met hormonen uit de alvleesklier naar de lever. In de lever zorgen verscheidene processen voor een eerste buffer voor al deze stoffen. BINAS tabellen: Tabel Informatie 82 C Spijsverteringsorganen 82 E Spijsverteringsenzymen 82 F Spijsverteringssappen 82 G Vertering van vet, koolhydraten en eiwitten Tips: Gebruik voor vragen over de verteringsenzymen altijd de BINAS. Hierin staat per enzym uitgelegd wat het verteerd en welke producten hierbij ontstaan. 3
Examenvragen: TOA stage in HAVO-5 Lana merkt op haar stageschool tijdens haar opleiding tot technisch onderwijs assistent (TOA), dat het klaarzetten van een practicum voor een HAVO-5 klas serieus moet worden aangepakt. Van haar stagebegeleider Erik krijgt zij de verantwoordelijkheid om een drietal practicumexperimenten voor te bereiden. Hierbij wordt gebruik gemaakt van het enzympreparaat pancreatine. Pancreatine wordt geleverd in poedervorm. Het bevat dezelfde enzymen als menselijk alvleessap. Klas H5E doet het practicum het zesde lesuur. Lana maakt een oplossing met een concentratie van 1,0% pancreatine in water, vlak voordat het practicum begint. Tijdens het practicum onderzoeken de leerlingen in een drietal experimenten de werking van pancreatine op de vertering van verschillende voedingsstoffen. Ze beschikken daarbij over: een reagens (= indicator) voor zetmeel (een joodoplossing kleurt met zetmeel blauwzwart); een reagens (= indicator) voor maltose (Fehlings reagens kleurt met maltose steenrood bij 80 º C); een indicator voor zuurgraad (fenolrood is bij ph 8 of hoger rood gekleurd en bij ph 6,6 of lager geel. Fenolrood verkleurt bij verandering van de ph van 8 naar 6,6 van rood naar geel). Lana zet de volgende materialen klaar: reageerbuizen met rekje en viltstift kunststof pipetten 3 ml zetmeeloplossing 0,1% pancreatine-oplossing 1,0% joodoplossing Fehlings reagens waterbad 37 º C waterbad 80 º C veiligheidsbrillen Als practicuminstructie zet Lana het volgende op papier: Vul de reageerbuizen 1 tot en met 4 volgens onderstaande tabel met zetmeeloplossing en pancreatine-oplossing of water. Zet de reageerbuizen 5 minuten in het waterbad van 37 º C. Voeg daarna òf joodoplossing of Fehlings reagens toe volgens de tabel. Zet de buizen met Fehlings reagens 2 minuten in het waterbad van 80 º C. Noteer de resultaten in de laatste kolom van de tabel. 4
tabel 1 buis zetmeel- oplossing pancreatineoplossing water reagens/indicator verwarmen resultaat 1 5 ml 1 ml 2 5 ml 1 ml 3 5 ml 1 ml 4 5 ml 1 ml 3 druppels joodoplossing 3 druppels joodoplossing 5 druppels Fehlings reagens 5 druppels Fehlings reagens niet niet 2 minuten bij 80 º C 2 minuten bij 80 º C Na het uitvoeren van het experiment is door de leerlingen het resultaat in de laatste kolom van tabel 1 ingevuld: buis 1: blauwzwart buis 2: geen kleuring buis 3: steenrood buis 4: geen kleuring 2pt Lana verwacht dat de leerlingen na uitvoering van het experiment een juiste conclusie uit de resultaten trekken. 64. Welke conclusie is dat? A Pancreatine breekt bij 37 C zetmeel af tot maltose. B Pancreatine breekt bij 80 C zetmeel af tot maltose. C Pancreatine wordt bij 37 C niet gekleurd door de joodoplossing, maar bij 80 C wel door Fehlings reagens. D Pancreatine wordt door de joodoplossing niet, maar door Fehlings reagens wel gekleurd. De onderzoeksvraag voor het volgende experiment door de leerlingen luidt: Werkt pancreatine sneller in een zuur milieu (ph=5) of in een neutraal milieu (ph=7) op de vertering van zetmeel? De leerlingen beschikken over een reageerbuizenrek met vier genummerde reageerbuizen. Met een 0,1% pancreatine-oplossing wordt de invloed van gal op de vertering van vet in volle melk onderzocht. Lana heeft de zuurgraad van de volle melk op ph 8 gebracht. De leerlingen moeten reageerbuizen vullen volgens tabel 2. 5
tabel 2 buis volle melk fenolrood gal water pancreatine- oplossing 0,1% resultaten 1 2 ml 1 druppel 1 ml 1 ml 2 2 ml 1 druppel 1 ml 1 ml 3 2 ml 1 druppel 1 ml 1 ml Als resultaat noteert een leerling het volgende: De inhoud van buis 1 verkleurt na 10 minuten naar geel. De inhoud van buis 2 verkleurt na 30 minuten naar geel. De inhoud van buis 3 is na 30 minuten rood gebleven. 2pt 65. Welke verteringsproducten veroorzaken de verkleuring van fenolrood tijdens dit experiment? 66. Leg uit welke functie gal heeft en welke functie pancreas-enzymen hebben bij het verteren van vet. Lana moet van haar stagebegeleider Erik zelf een experiment bedenken om de vertering van een van de andere voedingsstoffen uit volle melk te onderzoeken met de pancreatineoplossing. 67. Welke voedingsstof uit volle melk is hiervoor bruikbaar? 6
Eerst een kopje koffie Niet iedereen heeft evenveel nachtrust nodig. Onderzoek naar de slaapbehoefte bij tweelingen heeft aangetoond dat hierbij erfelijke factoren meespelen. Voor het tweelingenonderzoek werden resultaten van eeneiige en twee-eiige tweelingen met elkaar vergeleken. Hieruit trok men de conclusie dat de behoefte aan nachtrust erfelijk is. Als je wakker bent hoopt de stof adenosine zich op in de hersenen. Adenosine is een stof die betrokken is bij het regelen van de hoeveelheid slaap. Adenosine bindt zich aan het membraan van hersencellen die betrokken zijn bij de slaapregulatie. Hoe hoger de concentratie adenosine, hoe groter het slaaptekort en hoe slaperiger een persoon zich voelt. Een Zwitserse onderzoeksgroep heeft een gen gevonden dat een belangrijke rol lijkt te vervullen in de verschillen in slaapbehoefte bij mensen. De Zwitserse onderzoekers vonden in een groep van 4329 personen bij 119 personen een mutantgen voor het enzym adenosine deaminase (ADA). Deze heterozygote personen maken minder ADA. ADA breekt adenosine af. Slaaponderzoek wees uit dat er verschillen waren in de slaapbehoefte tussen personen die homozygoot en heterozygoot waren voor het ADA-gen. De onderzoekers onderzochten ook de rol van cafeïne op de slaperigheid. Cafeïne verstoort de werking van adenosine, waardoor mensen minder snel slaperig worden. De werking van koffie wordt wel eens onderschat. Zelfs als een persoon slechts één kopje koffie in de ochtend drinkt, is s avonds nog cafeïne in het speeksel van de proefpersoon aan te tonen. 68. Noem twee bestanddelen van speeksel en noem de functie van die bestanddelen. 7
Examenvragen Voeding Opdracht TOA stage in HAVO-5 - Blz. 94 + 95 2pt 2pt 64. A 65. Vetzuren 66. Uit het antwoord moet blijken dat: * Gal zorgt voor het emulgeren/voor oppervlaktevergroting van het substraat (en daardoor verloopt de vertering sneller in aanwezigheid van pancreatine). * pancreactine de vetten in melk verteert. 67. (melk)eiwit(ten)/proteïnen Opdracht Eerst een kopje koffie - Blz. 96 68. * Amylase: functie afbraak zetmeel / maltose * Slijm: functie glad / glijbaar maken voedsel * Water: functie vloeibaar maken voedsel * Lysozym: functie antibacteriële werking - Indien twee juiste bestanddelen met hun functie =. - Indien minder dan twee juiste bestanddelen met juiste functie = 0pt. 8