Instapmodule Niveau A1 Instapmodule ter voorbereiding op Nieuwsrekenen in het S(B)O: Geleid probleemoplossen augustus 2012 www. nieuwsrekenen.nl
Inhoudsopgave Gebruikswijzer... 3 Deel 1: Samen... 4 Deel 2: Proberen... 8 Deel 3: Zelf... 10 Opgavenblad A1... 11 Werkblad Stappenplan... 12 2
Gebruikswijzer Inleiding De instapmodule Geleid probleemoplossen is bedoeld als voorbereiding op het Nieuwsrekenen voor S(B)O. Leerlingen uit het S(B)O hebben meer begeleiding en ondersteuning nodig om de Nieuwsrekenopgaven die voor het regulier basisonderwijs bedoeld zijn, op te lossen. Vandaar dat voor leerlingen uit het S(B)O een aangepaste didactiek ontwikkeld is, waarin het geleid probleemoplossen centraal staat. In de lessen Nieuwsrekenen S(B)O worden leerlingen volgens een vast stramien eerst helemaal bij de hand genomen. Vervolgens wordt toegewerkt naar het steeds zelfstandiger oplossen van toepassingsopgaven. De leerlingen maken gebruik van een Stappenplan waarmee op een gestructureerde manier het oplossen van toepassingsopgaven wordt geoefend. Opbouw De instapmodule maakt de leerlingen geleidelijk aan vertrouwd met de aangepaste didactiek voor Nieuwsrekenen S(B)O. In de instapmodule wordt het Stappenplan geïntroduceerd en leren de leerlingen stap voor stap het plan te gebruiken bij het oplossen van toepassingsopgaven van Nieuwsrekenen. Er is een instapmodule voor de niveaus AA (groep 4), A1 (groep 5) en A2 (groep 6). Drie delen Deze instapmodule bestaat uit drie delen Deel 1: Samen, Deel 2: Proberen, Deel 3: Zelf. Deze driedeling wordt ook gehanteerd in de lessen Nieuwsrekenen S(B)O. In Deel 1: Samen neemt u de stappen van het Stappenplan gezamenlijk met de leerlingen door. De nadruk ligt daarbij op het hardop denkend voordoen door de leerkracht van de stappen van het Stappenplan. In Deel 2: Proberen lopen de leerlingen in tweetallen het Stappenplan door, maar krijgen nog na elke stap feedback van de leerkracht op hun aanpak. In Deel 3: Zelf gaan de leerlingen zelfstandig (alleen of in tweetallen) aan de slag met een toepassingsopgave aan de hand van het Stappenplan. Tijd De instapmodule kan verdeeld worden over twee lessen van ongeveer een half uur. In de eerste les komt Deel 1: Samen aan de orde. In de tweede les behandelt u Deel 2: Proberen en Deel 3: Zelf. Het onderwerp van deze instapmodule is nog algemeen van aard en nog niet, zoals de reguliere Nieuwsrekenlessen, gekoppeld aan het wekelijkse onderwerp van Nieuwsbegrip. Daardoor kunt u op elk willekeurig moment in het schooljaar starten met deze module. Na het doorwerken van deze Instapmodule zijn de leerlingen klaar voor het Nieuwsrekenen S(B)O, waarbij de contexten direct aansluiten op de Nieuwsbegriples PO van de desbetreffende week. 3
Deel 1 : Samen In deel 1 van de instapmodule werken de leerlingen klassikaal met de leerkracht aan de opgave. Doelstelling - De leerlingen leren werken met het Stappenplan. Benodigd materiaal - Voor alle leerlingen een exemplaar van Opgavenblad A1 (zie pagina 11). - Voor alle leerlingen een exemplaar van Werkblad Stappenplan (zie pagina 12). Aandachtspunten - Let bij het arceren van de rekeninformatie in de tekst niet alleen op de getallen, maar ook op rekenbegrippen als groter, kleiner, meer, minder, jaar, dag. En ook op de meer algemene begrippen als ook, bovendien. - Op grond van wat u weet over de leerlingen en op basis van de stof die in de rekenmethode aan bod geweest is, bepaalt u bij stap 2 van het Stappenplan welke manieren of methoden u aan de orde stelt. Dat kan een getallenlijn zijn, of een verhoudingstabel of nog eenvoudiger een tekening. Kennismaken met Nieuwsrekenen Vertel de leerlingen dat ze vandaag gaan beginnen met Nieuwsrekenen. Nieuwsrekenen is rekenen met verhaaltjessommen. Eerst lees je een klein verhaaltje. En soms ook een schema met getallen. Daarna moet je daar rekenvragen over beantwoorden. Het zijn dus geen rijtjes met sommetjes, maar sommetjes die in een verhaaltje verstopt zitten. Voorkennis ophalen over het onderwerp Introduceer het onderwerp van deze les: Wie eet er gezond?. Wat weten de leerlingen al van het onderwerp? Laat de leerlingen voorbeelden geven van gezond en ongezond eten. Wat eten ze zelf veel of graag? Is dat gezond of niet? Vraag hoeveel fruit elke leerling meestal per dag eet. Maak op het digibord drie kolommen met meestal 0, meestal 1 en meestal 2 of meer stukken fruit. Laat leerlingen een kruisje zetten in de kolom van meestal 0, 1 of 2 stukken fruit. Bepaal samen bij welke kolom de meeste leerlingen horen en trek samen verdere conclusies. Laat vervolgens het Nieuwsbegripfilmpje zien, dat hoort bij dit onderwerp. Zie www.nieuwsbegrip.nl (archief, week 42, 2011, niveau A Wie eet er gezond? ). Als u geen abonnement heeft op Nieuwsbegrip kunt u overwegen een ander filmpje op te zoeken over dit onderwerp. Stel eventueel nog een aantal vragen over het Nieuwsbegripfilmpje: Waarin hapt Pepijn in het filmpje? Hoe heette het broodje dat heeft gewonnen bij 'De beste schoollunch van Nederland'? Wat voor project bedacht de School met de Bijbel in Sint Annaland? 4
Introductie Stappenplan Nieuwsrekenen S(B)O Laat het Werkblad Stappenplan op het digibord zien. Vertel wat het doel van het Stappenplan is en wat de pictogrammen betekenen. De pictogrammen staan voor de drie stappen die je moet nemen om tot een oplossing van een rekenvraag van Nieuwsrekenen te komen. Noem de stappen, wijs op de pictogrammen en geef een korte toelichting. Stap 1: Ik begrijp het verhaaltje en de rekenvraag Stap 2: Ik bedenk hoe ik de rekenvraag oplos Stap 3: Ik beantwoord de rekenvraag Stap 1: Ik begrijp het verhaaltje en de rekenvraag U laat het opgavenblad op het bord zien (zorg ervoor dat de rekenopgaven nog even bedekt zijn en dat alleen de tekst en het schema te zien zijn) terwijl het papieren Opgavenblad (zie pagina 11) en het Werkblad Stappenplan (zie pagina 12) worden uitgedeeld. Op het Opgavenblad staan de tekst en de bijbehorende rekenvragen. Laat de leerlingen op het Werkblad Stappenplan hun naam invullen en een kruisje zetten bij Samen. Ook op het Opgavenblad moeten ze hun naam zetten. Tekst en bijbehorend schema lezen Geef iedere leerling een ongearceerde tekst en een markeerstift. U leest de tekst voor terwijl de leerlingen met u meelezen. Tijdens het lezen geeft u hardop denkend aan wat u te binnen schiet tijdens het lezen. Bijvoorbeeld bij het woord opscheplepels merkt u op dat dit grote lepels zijn waarmee je groente of aardappelen uit de pan of een schaal schept. Kijk hierna met de leerlingen naar het schema dat onder de tekst staat. Lees de kopjes boven de kolommen en licht hardop denkend toe hoe je het schema moet lezen en welke informatie je uit het schema kunt halen. Tekst arceren In de teksten van Nieuwsrekenen staan ook altijd woorden en zinnen die te maken hebben met rekenen. Geef hardop denkend aan welke zinnen, begrippen en woorden dat zijn en markeer ze op het bord. Begin met de getallen en arceer ze: 12, drie, vier, twee, 4. Merk op dat opvalt dat getallen dus in cijfers maar ook in letters kunnen staan. Leg dan uit dat u nog eens goed naar elk getal gaat kijken om te snappen wat het voor getal is. Het gaat bij de getallen over jaren, aantallen opscheplepels en stuks fruit. Die woorden arceert u dus ook. Vervolgens vraagt u zich hardop af of er misschien nog andere woorden in staan die met rekenen te maken hebben. Arceer die woorden direct met het woord dat erachter staat. Dus in de eerste zin vertelt u dat u het woord weinig ziet staan. U onderstreept te weinig groente. Loop zo de hele tekst door geef steeds aan waarom u die woordjes onderstreept. Zie voorbeeld hierna. De rekenbegrippen in het schema hoeven niet gearceerd te worden. Het hele schema heeft met rekenen te maken. 5
Nadat u de tekst en het schema uitgebreid besproken heeft, vertelt u hardop denkend dat u nu het verhaaltje en het schema begrepen heeft en een kruisje kunt zetten op het Werkblad Stappenplan bij het verhaaltje en het schema. Na het bespreken van de tekst en het schema kunnen de leerlingen misschien zelf een paar rekenvragen bedenken. Deze hoeven niet uitgerekend te worden. Eventueel schrijft u een paar leuke vragen op het bord. De eerste rekenvraag Op het bord laat u opgave 1 zien en leest deze voor: Hoeveel aardappelen moeten wij met onze klas samen eten? Ze willen dus weten hoeveel aardappelen wij met zijn allen per dag moeten eten om gezond te eten. Wijs daarbij de leerlingen aan en uzelf. We snappen nu de rekenvraag en zetten dus een kruisje op het Werkblad Stappenplan. 6
Stap 2: Ik bedenk hoe ik de rekenvraag oplos Wijs op het pictogram en stel nog eens vast: in stap 2 gaan we bekijken hoe we deze rekenvraag kunnen oplossen. Herhaal nog eens de rekenvraag. U vertelt dat u vooral naar het schema gaat kijken om achter de oplossing te komen. Leg uit dat er vaak meer manieren zijn om tot een oplossing te komen. U zegt bijvoorbeeld: in ieder geval ga ik in het overzicht kijken hoeveel aardappelen één kind moet eten. Ik moet ook weten hoeveel kinderen er in de groep zitten. Daarna bekijk ik hoeveel aardappelen alle kinderen uit de groep samen per dag moeten eten. Maar dan ben ik er nog niet want ik moet ook weten hoeveel aardappelen ikzelf per dag moet eten en dat moet er dan nog bij. U heeft bijvoorbeeld 15 kinderen in de klas. Op het bord op het Werkblad Stappenplan bij stap 2 schrijft u: De leerlingen tekenen of noteren hun eigen oplossingsmanier op het Werkblad Stappenplan bij stap 2. Stap 3: Ik beantwoord de rekenvraag Wijs op het derde pictogram. Deze gaat over het beantwoorden van de rekenvraag. Stel vast dat dit nu eigenlijk niet zo moeilijk meer is. U leest de rekenvraag nog een keer op en wijst op de berekening op het bord. Het antwoord is: 20 + 10 + 4 = 34. Schrijf nu het antwoord op het bord. Doe dat in de context van het verhaal: 34 aardappelen per dag. Vertel de leerlingen dat het antwoord op een Nieuwsrekenopgave nooit alleen een getal kan zijn. Daarna schrijven de leerlingen het antwoord bij opgave 1 op het Opgavenblad. 7
Deel 2: Proberen In deel 2 van de instapmodule werken de leerlingen in tweetallen onder begeleiding van de leerkracht. Doelstellingen - De leerlingen leren zelfstandiger werken met het Stappenplan. - De leerlingen bedenken in tweetallen oplossingen voor een nieuwe rekenvraag binnen een bekende context en kijken na iedere stap samen met de leerkracht terug hoe het ging. Benodigd materiaal - Voor alle leerlingen Opgavenblad A1 (is al gebruikt in Deel 1: Samen). - Voor alle leerlingen een exemplaar van Werkblad Stappenplan (zie pagina 12). Aandachtspunt - De werkvorm denken-delen-uitwisselen is mogelijk nieuw voor de leerlingen. Besteed extra aandacht aan een goede uitleg van deze werkvorm of oefen de werkvorm eerst bij een andere les. Stap 1: Ik begrijp het verhaaltje en de rekenvraag De leerlingen pakken hun Opgavenblad en u deelt een nieuw Werkblad Stappenplan uit. Laat de leerlingen hun naam invullen en een kruisje zetten bij Proberen. Vraag of vertel de leerlingen wat ze moeten doen bij Stap 1. Laat de leerlingen samen de tekst nog eens lezen. Ze kruisen bij stap 1 aan dat ze het verhaaltje hebben begrepen. Vervolgens doen ze hetzelfde met het schema en de rekenvraag, dus opgave 2. Vraag aan de tweetallen hoe het gegaan is. Wat was gemakkelijk, wat was moeilijk? Waar hadden ze nog hulp bij nodig? Hebben ze de nieuwe rekenvraag goed begrepen? Stap 2: Ik bedenk hoe ik de rekenvraag oplos Attendeer de leerlingen op stap 2. Wijs hen erop dat er verschillende manieren zijn om de rekenvraag aan te pakken. Laat de leerlingen volgens de werkvorm denken-delen-uitwisselen in tweetallen bedenken hoe zij de rekenvraag zouden oplossen. Ze bedenken dan eerst individueel een aanpak (denken). Ze noteren of tekenen hun aanpak bij Stap 2 op het Werkblad Stappenplan. Ze vertellen hun aanpak vervolgens aan elkaar. En eventueel passen ze hun eigen aanpak aan (delen). Inventariseer welke aanpakken de tweetallen gevonden hebben (uitwisselen). Benadruk dat er verschillende manieren kunnen zijn en dat deze allemaal goed kunnen zijn. Maar soms is de ene manier handiger of sneller dan de andere manier. Vraag tot slot hoe het ging: wat was makkelijk, wat was moeilijk? Waar hadden ze nog hulp bij nodig? 8
Stap 3: Ik beantwoord de rekenvraag Kijk met de leerlingen naar stap 3. Laat de tweetallen hun antwoord opschrijven bij stap 3 van het Werkblad Stappenplan. Bespreek de antwoorden en let erop dat de antwoorden vertaald zijn naar de context: 70 stukken fruit per week. Het antwoord kan nooit alleen een getal zijn. Hierna schrijven de leerlingen het antwoord op het Opgavenblad bij opgave 2. Vraag tot slot hoe het ging: wat was makkelijk, wat was moeilijk? Waar hadden de leerlingen nog hulp bij nodig? Breng daarbij ook in wat u zelf heeft gezien en opgemerkt tijdens het rondlopen langs de tweetallen. 9
Deel 3: Zelf In deel 3 van de instapmodule werken de leerlingen alleen of in tweetallen. Doelstellingen - De leerlingen werken zelfstandig (alleen of in tweetallen) met het Stappenplan. - De leerlingen bedenken zelfstandig een oplossing voor een nieuwe rekenvraag binnen een bekende context. Benodigd materiaal - Voor alle leerlingen Opgavenblad A1 (is al gebruikt in Deel 1: Samen en Deel 2: Proberen). - Voor alle leerlingen een exemplaar van Werkblad Stappenplan (zie pagina 12). De leerlingen pakken hun Opgavenblad en krijgen een nieuw Werkblad Stappenplan. Laat de leerlingen hun naam invullen en een kruisje zetten bij Zelf. Bespreek de werkwijze tijdens deze les. De leerlingen werken zelfstandig (individueel of in tweetallen) aan de nieuwe rekenvraag: opgave 3 bij de context Wie eet er gezond? Loop samen met de leerlingen nog even de stappen van Stappenplan door aan de hand van het Werkblad Stappenplan. Vervolgens gaan de leerlingen aan de slag met opgave 3. Terwijl de leerlingen aan het werk zijn loopt u rond. Ter afronding van de les inventariseert u de aanpakken en antwoorden van de leerlingen en bespreekt die nog even kort. Let erop dat de antwoorden vertaald zijn naar de context: 14 opscheplepels groente per dag. Het antwoord is nooit alleen een getal. Evalueer ook de manier van (samen)werken en het zelfstandig werken met het Werkblad Stappenplan: - Hoe vond je het om op deze manier (samen) te rekenen? - Wat vond je makkelijk gaan? - Wat vond je moeilijk? - Waar heb je nog hulp bij nodig? - Wat heb je geleerd vandaag? - Wat hebben we geleerd voor de volgende les? 10
OPGAVENBLAD A1 NAAM: Gezond eten Nederlanders eten niet gezond. Ze eten te weinig groente en te weinig fruit. En er zitten te veel vetten in het eten. Hierdoor zijn veel Nederlanders te dik. Dit komt uit een groot voedselonderzoek. Niet genoeg groente en fruit Bijna alle kinderen tot 12 jaar eten niet genoeg groente. Ze moeten eigenlijk drie opscheplepels groente per dag eten. Ook kinderen vanaf 12 jaar en volwassenen eten te weinig groente. Ze moeten vier opscheplepels per dag eten. Veel Nederlanders eten ook te weinig fruit. Als je gezond wilt leven, moet je eigenlijk twee stuks fruit per dag eten. 4-12 jaar Vanaf 12 jaar Wat heb je nodig? Je weet vast dat het belangrijk is om gezond te eten. Maar weet je ook wat je elke dag nodig hebt? Je kunt dat lezen in het overzicht hiernaast. Brood Aardappelen, rijst, pasta Groente Fruit Zuivel Vlees 4 sneetjes 2 aardappelen of 2 opscheplepels rijst of pasta 3 groentelepels 2 vruchten halve liter melk + 1 plak kaas 75 gram 6 sneetjes 4 aardappelen of 4 opscheplepels rijst of pasta 4 groentelepels 2 vruchten halve liter melk + 1 plak kaas 100 gram Olie en vet 20 gram 25 gram Drinken één of anderhalve liter anderhalve liter Bron: www.voedingscentrum.nl Hoeveel aardappelen moeten wij met onze klas per dag samen eten? Een vader, een moeder en drie kinderen van 7, 8 en 10 jaar willen gezond eten. Hoeveel stukken fruit moeten ze dan voor deze week kopen? Hoeveel opscheplepels groente moeten een moeder, een vader en twee kinderen van 6 en 11 jaar samen per dag eten? 11
WERKBLAD STAPPENPLAN NAAM: SAMEN PROBEREN ZELF Stap 1 Ik begrijp het verhaaltje en de rekenvraag het verhaaltje het schema de rekenvraag Stap 2 Ik bedenk hoe ik de rekenvraag oplos Stap 3 Ik beantwoord de rekenvraag 12