Module 6: Geld; met klinkende munt

Vergelijkbare documenten
Module 10: docentenhandleiding. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 11: docentenhandleiding. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 12: docentenhandleiding. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 13: docentenhandleiding. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 5: docentenhandleiding. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 4: docentenhandreiking. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 7 Antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 5: antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 6. Concept: Ruilen over de tijd. De overheid. Antwoorden. Het nieuwe economieprogramma

Module 4: Antwoorden vwo. nieuwe economie

Module 16: docentenhandleiding. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Module 6. Docentenhandleiding. Concept: Ruilen over de tijd De Overheid. Het nieuwe economieprogramma

Samenvatting Economie H1 t/m H3

Begrippenlijst Economie H10 geld en geldschepping

Vervangende les 2 Wat is geld waard?

Vwo 4. Module 1: Schaarste,geld en handel Domein: Ruil en schaarste

H2 Te veel geld maakt ongelukkig

Module 3: Docentenhandleiding. nieuwe economie

Economie module 1. Hoofdstuk 1: Voor niks gaat de zon op.

WAT IS GELD? Charta = wet Het is een wettelijk betaalmiddel!

Leerlinghandleiding allergie,

13 H11 Logische schakelingen. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

- Alle nuttige economielinks bij elkaar!

De wensen van mensen zijn onbegrensd. Hoe noemen we in de economie deze wensen? BEHOEFTEN. Categorie Vraag & Antwoord

Module 16: antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

2) sparen -> oppotten: chartaal of giraal geld op een betaalrekening. Direct kunnen gebruiken (=liquide). Geen rendement

Module 7 Concept Markt Docentenhandleiding. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Vroeger: directe ruil goederen tegen goederen, nadeel: moeilijk waardeverhouding / ruilverhouding te schatten.

A. Wat is een dynamisch model? CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

UIT geld en banken

Samenvatting Economie Hoofdstuk 3

Geld. Ontstaan van geld

17. Geldbingo. (Afbeelding) Tijdsduur: minuten (filmpje duurt 15 minuten) Soort opdracht: Spel

02 H2 Stoffen om je heen. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

Werkstuk Economie Geld

3 Het Foto Elektrisch Effect. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

[MONEY, MONEY, MONEY,

Ontstaan van geld. Doel: Na deze opdracht weet je hoe geld ontstaan is. Uitleg opdracht. Thema: mini Samenleving

Samenvatting Economie MODULE 1 (H1,H2,H3)

Samenvatting Economie Hoofdstuk 1 t/m 4: monetaire zaken

Module 11: antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

p1 = 20 euro p2 =10 euro Budget = 100 euro Stel budgetvergelijking op en teken budgetlijn Budgetvergelijking: B = 20q q 2 Budgetlijn.

UIT VWO geld en banken

Geld en betalen vmbo12

Module 12: antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

08 Praktische opdrachten. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

11 H9 Syllogismen. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

Geld en economie vmbo-b34

Samenvatting Economie Hoofdstuk 1 en 2

Biblioteca Nacional Aruba

Samenvatting Economie Hoofdstuk 6: Geld en geldtheorie

Samenvatting Economie Module 1 + 2

Examen HAVO. Economie 1

Module 13: antwoorden. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

H2 HET ONTSTAAN VAN GELD

Economie. Boekje Geldzaken Samenvattingen + overige voorbereiding voor de toets. Inhoud:

Samenvatting Economie hoofdstuk 1 & 2

Samenvatting Economie Hoofdstuk 2: Sparen en Beleggen

Het gevoel van welvaart neemt toe naarmate de schaarste wordt teruggedrongen

UITWERKING TOELICHTING OP DE ANTWOORDEN VAN HET EXAMEN 2002-I VAK: ECONOMIE 1,2

Debet Balans per 10 januari Credit Inventaris Eigen vermogen Bank Totaal Totaal

1 H1 De dierenwinkel (1): Biotische en abiotische factoren

Eindexamen economie 1 havo 2000-I

H. DNA-vingerafdrukken. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

Aanpassingen lesbrieven havo

EURO. Vanaf januari 2002 betalen we in Nederland en in veel andere Europese landen met de euro.

HOOFDSTUK 17: OEFENINGEN

ECONOMIE. Begrippenlijst H1 VMBO-T2. PINCODE 5 e editie vmbo-kgt onderbouw. Bewerkt door D.R. Hendriks. Sint Ursula Scholengemeenschap, Horn

Antwoorden Lesbrief Waar voor je geld

De spanning tussen de beperkte middelen (tijd en geld) en de oneindige behoeften van de mens = keuzestress.

5 H4 Het ontwerpproces: de ontwerpfase

Samenvatting Hoofdstuk 9 Betalen in binnen- en buitenland

Debet Balans per 9 januari Credit Gebouw Eigen vermogen

Module 14: docentenhandleiding. Experimenteel lesprogramma nieuwe economie

Biblioteca Nacional Aruba

Marketingmix vmbo-b34. CC Naamsvermelding-GelijkDelen 3.0 Nederland licentie.

Vaardigheden - Vergaderen vmbo-b34. CC Naamsvermelding 3.0 Nederland licentie.

Marketingmix vmbo-b34

6,6. Samenvatting door een scholier 768 woorden 3 maart keer beoordeeld. Economie in context. Hoofdstuk Bruto- en nettoloon

Transcriptie:

Module 6: Geld; met klinkende munt Experimenteel lesprogramma nieuwe economie havo UITWERKINGEN

Verantwoording 2010 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op de modules voor Economie berust bij SLO. Voor deze module geldt een Creative Commons Naamsvermelding-Niet-Commercieel- Gelijk delen 3.0 Nederland licentie (http://creativecommons.org/licenses/by-ncsa/3.0/nl/) Aangepaste versies van deze modules mogen alleen verspreid worden indien het colofon vermeld wordt dat het een aangepaste versie betreft, onder vermelding van de naam van de auteur van de wijzingen. Gebruiker mag geen wijziging aanbrengen in de auteursrechtvermelding. SLO en door SLO ingehuurde auteurs hebben bij de ontwikkeling van de modules gebruik gemaakt van materiaal van derden. Bij het verkrijgen van toestemming, het achterhalen en voldoen van de rechten op teksten, illustraties, enz. is de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht. Mochten er desondanks personen of instanties zijn die rechten menen te kunnen doen gelden op tekstgedeeltes, illustraties, enz. van een module, dan worden zij verzocht zich in verbinding te stellen met SLO. De modules zijn met zorg samengesteld en getest. SLO aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor onjuistheden en/of onvolledigheden in de module. Ook aanvaardt SLO geen enkele aansprakelijkheid voor enige schade, voortkomend uit (het gebruik van) deze module. Informatie SLO, VO tweede fase Postbus 2041, 7500 CA Enschede Telefoon (053) 4840 421 Internet: www.economie.slo.nl

Geachte gebruiker U heeft zojuist een bestand geopend met experimenteel lesmateriaal dat is gebruikt in de pilot voor het nieuwe economieprogramma. Dit lesmateriaal kunt u naast uw lesmethode gebruiken om opgaven (of series van opgaven) in te zetten of bijvoorbeeld als toetsmateriaal te gebruiken. Dit materiaal is "in ontwikkeling", dat wil zeggen dat hier aan wordt gewerkt zodat we onze leerlingen beter kunnen bedienen en/of de mogelijkheden van ons programma optimaler kunnen benutten. Wij stellen het dan ook zeer op prijs indien u uw ervaringen met ons zou willen delen. Verbeteringen, aanvullingen, onvolkomenheden, noem maar op. U doet ons en uw collega's in het land hier een groot plezier mee. Vanzelfsprekend stellen wij het ook zeer op prijs indien u ons uw ideeën, toetsen, PTA's, experimenten etc. laat zien. Op de website http://economie.slo.nl treft u meer informatie Inhoud 1. Uitwerkingen 5

1. Uitwerkingen Opdracht 1: a. 29.356,91 dollar b. Beide. c. De stabiele waarde van goud. d. Het woord gulden, gouden tientje. Opdracht 2: a. Ruilmiddel b. Rekenmiddel c. Ruilmiddel d. Oppotmiddel Opdracht 3: a. Indirecte ruil b. Oppotmiddel, niemand wil het bewaren Opdracht 4: a. Schelpen: kan, als er niet te veel van zijn Verse vis: moeilijk want bederfelijk Zout: kan, als er niet te veel van is Steen: kan, maar lastig te delen en te vervoeren Metaal: kan, maar gewicht en gehalte controleren Vee: kan, maar moeilijk te delen en te vervoeren Sigaretten: kan, maar er zijn niet-rokers die dat niet zullen aannemen. Opdracht 5: a. Intrinsieke waarde van de schelp is erg laag. b. Intrinsieke waarde in mogelijk hoger dan 2 cent. c. Nominale waarde is hoger. d. Nominale waarde is veel hoger.,intrinsieke waarde is eigenlijk nul e. Nominale waarde is nog veel hoger Opdracht 6: a. Van gouden tientje was intrinsieke waarde veel hoger b. Om de intrinsieke waarde zo laag mogelijk te houden

Opdracht 7: a. Wisselkosten vervallen b. Specialisten werken goedkoper dus lagere prijzen en met hetzelfde bedrag kun je meer kopen c. Bruggen op biljetten, nationale symbolen op de munt d. Heel veel trucjes met inkt en papier en informatie voor winkeliers. e. Het is in kleine stukjes te verdelen... Opdracht 8: a. Die met minder goud betaal je mee... b. Er wordt minder geld gebruikt, minder transacties etc.... c. De munt met minder goud ook nominaal in waarde verlagen. Opdracht 9: Mensen gaan met zilver betalen... Opdracht 10: a. Van Gogh, Rembrandt, verdrag van Europa, Manhattan,... b. Onbekendheid met de herkomst / echtheid ervan. c. Verzamelaarwaarde is hoger dan nominale waarde. Opdracht 11: a. 20% b. 500 = 20% en dus is 100% = 2.500 Opdracht 12: a. 3.700 b. 5.500 / 0,30-6.000 = 12.333 Opdracht 13: Gebruik van pinpassen etc. Opdracht 14: a. ABN-AMRO, Rabobank, Postbank, ING b. DNB c. ECB (en daarmee ook de ESCB) d. Ja, je moet er vertrouwen in hebben. e. Inflatie Opdracht 15: De kas was leeg.

Opdracht 16: a. ((Kas + tegoed bij CB)/rekening courant tegoed) x 100% b. (6.000 / 17.800) x 100% = 33,7% c. 6.000-25% van 17.800 = 1.550 d. 6.000 / 0,25-17.800 = 6.200 Opdracht 17: a. 2.440 b. Debiteur Hoekstra + 600 en de Rek. courant tegoeden + 600. Opdracht 18: a. Ze zijn bang dat de bank binnen korte tijd geen geld meer in kas heeft. b. Ze vertrouwen het geld niet meer. Papier geld is fiduciair geld. Men moet er op vertrouwen dat men met het geld dat men krijgt weer goederen kan kopen. Dat ieder ander het weer aanneemt. Opdracht 19: a. Niet algemeen aanvaard, alleen in kleine kring b. Geen registratie productie, belasting ontduiking,... Opdracht 20: a. Indirect, als je de suiker als ruilmiddel ziet en niet op eet. b. Er werd Nederlands geld gemaakt zonder Nederlands toezicht. Opdracht 21: a. Vertrouwen in de peso was weg. b. De DM was waardevaster. Opdracht 22: a. Ja, de winkelier moet vertrouwen dat er ook weer mee kan betalen. b. Sneller, gemakkelijker, veiliger. Opdracht 23: a. Stelend personeel b. Algemeen begeerd, lang mee gaan, op te delen c. Hoeveelheid was in korte tijd te vergroten d. Ja, je ruilde echte koopkracht voor plastic... e. Chipper,...

Opdracht 24: a. zie blz 4 b. ruilmiddel, rekeneenheid, oppotmiddel c. Algemeen aanvaard ruilmiddel. d. zie blz 6 e. zie blz 7 f. Bad money always drives out good money g. zie blz 7 h. zie blz 12 i. Munten en bankbiljetten j. zie blz 15