Signalenkaart Kopp Deze kaart is een bewerking door CGG Mandel en Leie Kortrijk en de regionale werkgroep Kopp- Zuid West-Vlaanderen van de kopp-signalenkaart van CGG Vlaams- Brabant Oost Vestiging Leuven. Deze laatste is op zijn beurt aangepast op basis van gelijknamig materiaal origineel ontwikkeld door de Werkgroep Kopp Midden-Limburg in Nederland.
Signalenlijst KOPP Vooraf Deze Signalenlijst Kopp helpt u bij het screenen van gezinnen met een ouder (of beide ouders) met psychische problemen. Aan de hand van deze lijst overloopt u onderwerpen die relevant zijn voor een goede risico-inschatting aangaande de kinderen. Het overrlopen van de Signalenkaart Kopp is uiteraard een momentopname. Je bekomt een inschatting van het risico op basis van de informatie waarover je op dat moment beschikt. Het kan zinvol zijn om na enige tijd, wanneer je bijkomende informatie over de cliënt hebt, de lijst nog een keer te overlopen. Het overlopen van de risicofactoren hoeft niet met de lijst in de hand. Wanneer de hulpverlener de lijst bij gesprekken waarin de kinderen ter sprake komen in zijn achterhoofd houdt is dit even zinvol. Toch kan het overlopen van de lijst, op voorwaarde dat er ook gefocust wordt op wat goed loopt, ouders versterken in hun ouderrol. Bij elk van de te screenen onderwerpen geldt : Negatieve scores betekenen een risicofactor voor het kind. - Veel negatieve scores vereisen een (preventieve) interventie. - De Signalenkaart helpt u bij de interventiekeuze door per onderwerp een overzicht te geven van mogelijke interventies. Positieve scores wijzen over het algemeen op de aanwezigheid van een beschermende factor. - Indien nodig kunt u een dergelijke factor nog versterken. - Indien mogelijk kunt u sluimerende beschermende factoren activeren. Vraagtekens wijzen erop dat u over het onderwerp nog geen duidelijk oordeel kunt vormen. - Probeer in volgende gesprekken meer informatie te verzamelen over deze items om een beter beeld te krijgen op de risico-factoren voor de kinderen.
CHECKEN BIJ DE OUDERS 1. ERKENNING VAN PROBLEMEN. - Is er bij de ouder erkenning van de eigen problematiek. - Is er (h)erkenning, van de psychiatrische problematiek, door de andere ouder. Mogelijke interventie bij veel negatieve scores : - Ziekte-inzicht als aandachtspunt in de gesprekken met ouder en/of partner. 2. INVLOED VAN PROBLEMEN VAN OUDERS OP DE KINDEREN. - Is er kennis van de ouder ivm de invloed van ouder-problemen op het kind. - Is er kennis van de partner over deze invloed. - Is er kennis van ouders over mogelijkheden om kinderen te ondersteunen. - Gebruiken ouders hulpverlenings- en ondersteuningsmogelijkheden, zo ja : bevraag die. - Praten ouders met de kinderen over de problemen. Mogelijke interventie bij veel negatieve scores : - Ouders informatie geven over Kopp. (Vb. Brochures : en hoe gaat het met de kinderen) - Ouders adviseren over hoe te praten met hun kinderen over Kopp. - Indien nodig een gesprek tussen ouders en kind begeleiden. - Aan ouders kinder- en/of jongerenbrochures en/of literatuur aanreiken. - Info geven over ondersteuningsgroepen voor kinderen. 3. GEZINSINTERACTIES. - Hoe is de communicatie binnen het gezin. - Hoe is de relatie tussen de ouders. - Is er stabiliteit in de gezinssituatie. - Is er toegankelijkheid voor derden binnen het gezin. - Bevraag wie die derden zijn. Mogelijke interventies bij veel negatieve scores. - Indien vragen bij de communicatie binnen het gezin en/of de relatie tussen de ouders : deze punten als aandachtspunten in de begeleiding/behandeling opnemen. - Bij vragen rond de stabiliteit van de gezinssituatie : bespreken met de ouders wat de opvangmogelijkheden voor het kind kunnen zijn in (toekomstige) crisissituaties. Indien nodig : bespreken van het inschakelen van gezinszorg.
Mogelijke interventies bij veel negatieve scores (vervolg) - Bij zorgen ivm de toegankelijkheid van het gezin : ouders stimuleren met derden over de problematiek te praten. Ouders stimuleren een sociaal netwerk te onderhouden en/of uit te bouwen voor zichzelf en voor hun kinderen. Indien nodig en mogelijk : inschakelen van de buurtwerking. 4. OUDERROL CLIENT. - Emotionele betrokkenheid. - Liefdevolle omgang. - Invoelend vermogen. - Geduld. - Het kunnen bieden van structuur. - Het kunnen geven van leiding. - Het kunnen rekening houden met leeftijdsgebonden mogelijkheden en beperktheden van de kinderen. - Is de cliënt een goed identificatieobject. - Is er continuïteit in het bieden van zorg. - Is de ouder voorspelbaar in zijn gedrag. - Is er een positieve betrokkenheid tov het kind. - Heeft de ouder voldoende ouderlijke vaardigheden. - Kan de ouder probleemoplossend denken en handelen. 5. OUDERROL ANDERE OUDER. - De mate van zich goed voelen bij de ander. - De beschikbaarheid voor de kinderen. - Het kunnen aanbieden van structuur. - Is de ouder een goed identificatieobject. - Kan de ouder continuïteit bieden in de zorg. - Worden er (compenserende) activiteiten aangeboden. - Is er een positieve betrokkenheid tov het kind. - Heeft de ouder voldoende ouderlijke vaardigheden. - Kan de ouder probleemoplossend denken en handelen. Mogelijke interventies bij veel negatieve scores bij vraag 4, maar een voldoende aantal positieve scores bij vraag 5. - Bespreken van het aanbieden van opvoedingsondersteuning. Mogelijke interventies bij veel negatieve scores bij vraag 4, én bij vraag 5. - Bespreken van het aanbieden van opvoedingsondersteuning.
Mogelijke interventies bij veel negatieve scores bij vraag 4, én bij vraag 5 (vervolg) - Nagaan en bespreken in welke mate er compensatie kan zijn van die dingen die minder goed lopen door derden. - Bespreken hoe, via de uitbouw van een sociaal netwerk, omgevingssteun kan ingeschakeld worden. - Bespreken van verwijzing, naargelang de situatie naar : Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Ondersteunende instanties zoals : thuisbegeleiding, dagcentra,.. Diensten voor gezinshulp. Comité voor Bijzondere Jeugdzorg. Naschoolse opvang door derden 6. PEDAGOGISCHE VAARDIGHEDEN VAN DE OUDER MET PSYCHISCHE PROBLEMEN (KOPP). - Kan de ouder structuur bieden. - Kan de ouder leiding geven. - Kan de ouder rekening houden met leeftijdsgebonden mogelijkheden en beperkingen van het kind. - Wat zijn de pedagogische vaardigheden van de ouder. - Kan de ouder in dit kader probleemoplossend denken en handelen. - Kan de ouder begrenzen. - Is de ouder consequent. 7. PEDAGOGISCHE VAARDIGHEDEN VAN DE ANDERE OUDER. - Kan de ouder structuur bieden. - Kan de ouder leiding geven. - Kan de ouder rekening houden met leeftijdsgebonden mogelijkheden en beperkingen van het kind. - Wat zijn de pedagogische vaardigheden van de ouder. - Kan de ouder in dit kader probleemoplossend denken en handelen. - Kan de ouder begrenzen. - Is de ouder consequent Mogelijke interventies bij veel negatieve scores bij vraag 6, maar een voldoende aantal positieve scores bij vraag 7. - Bespreken van het aanbieden van opvoedingsondersteuning. Mogelijke interventies bij veel negatieve scores bij vraag 6, én bij vraag 7. - Bespreken van het aanbieden van opvoedingsondersteuning. - Nagaan en bespreken in welke mate er compensatie kan zijn van die dingen die minder goed lopen door derden.
Mogelijke interventies bij veel negatieve scores bij vraag 6, én bij vraag 7 (vervolg) - Bespreken hoe, via de uitbouw van een sociaal netwerk, omgevingssteun kan ingeschakeld worden. - Bespreken van verwijzing, naargelang de situatie naar : Centrum Geestelijke Gezondheidszorg Ondersteunende instanties zoals : thuisbegeleiding, dagcentra,.. Diensten voor gezinshulp. Comité voor Bijzondere Jeugdzorg. Naschoolse opvang door derden
CHECKEN PER KIND : 1. ZICHT VAN HET KIND OP DE PROBLEMEN. - Beschikt het kind over de juiste, op zijn leeftijd afgestemde, informatie over de problemen. - Heeft het kind zicht op de mogelijke invloed van de problemen op hemzelf. Mogelijke interventie bij veel negatieve scores : - Informatie aanreiken door middel van kinder- en of jongerenbrochures. Deze info door kind met zijn ouder laten doornemen en deze info met het kind zelf doornemen. - Literatuur aanbieden. Deze samen met ouder en kind doornemen. 2. ONDERSTEUNING VAN HET KIND DOOR : - Broers en zussen. - Familie. - Vrienden en/of kennissen van de ouders. - Directe omgeving (buren). - Eigen vrienden en vriendinnen. - Leerkrachten. - Vrijetijdsbesteding. - Hulpverlening. - Voor het kind belangrijke derden. Peilen wie die zijn. Mogelijke interventie bij veel negatieve scores : - Via gesprekken het kind en zijn ouders stimuleren om steun te zoeken. - In overleg met de ouders afspreken wie kan ingeschakeld worden als steunfiguren. - Kinder- en jeugdbrochures, literatuur aanreiken en samen doornemen. - Voor + 14ers deelname aan ondersteuningsgroepen (Similes) bespreken stimuleren. - Voor kinderen tussen 9 en 13 jaar een deelname aan een ondersteuningsgroep (binnen CGG) bespreken en voorstellen. 3. COPINGVAARDIGHEDEN VAN HET KIND. Nagaan of het kind : - Uiting kan geven aan zijn gevoelens. - In staat is aandacht, hulp of info te vragen. - Grenzen kan stellen. - Afstand kan nemen. - Kan omgaan met diverse reacties uit de omgeving. - Compenserende activiteiten kan ondernemen.
4. SPECIFIEKE REACTIES VAN HET KIND. Nagaan of het kind : - Zich schuldig voelt over de situatie. - Zich schaamt over de situatie. - Lijdt onder een negatief zelfbeeld. - Lijdt onder een te sterke verantwoordelijkheidsgevoel. - De dingen die gebeuren niet binnen de juiste context kan plaatsen en daardoor heel wat onbeantwoorde vragen heeft. - Andere specifieke reacties heeft op de situatie. Mogelijke interventie bij veel negatieve scores op vraag 3 & 4. : In overleg met de ouders het kind, ter preventie, doorverwijzen naar het kinderteam van het CGG met als doel : - Via gesprek met het kind aandacht geven aan betreffende problemen. - Samen de beschikbare informatie bronnen voor kinderen door te nemen. - Ondersteuning te bieden aan het kind via bijeenkomsten voor kinderen. - Indien wenselijk nadere screening via CBCL. 5. NIET-SPECIFIEKE REACTIES VAN HET KIND. Nagaan of het kind last heeft van : - Slaapproblemen. - Eetstoornissen. - Gedragsstoornissen. - Angststoornissen. - Depressiviteit. - Gespannenheid. - Concentratiestoornissen. - Psychosomatische klachten. - Verminderde schoolprestaties. - Bedplassen. - Andere. Mogelijke interventie bij veel negatieve scores op vraag 5 : In overleg met de ouders doorverwijzen naar het kinderteam van CGG met als doel : - Via gesprek met het kind aandacht geven aan betreffende problemen. - Samen de beschikbare informatie bronnen voor kinderen door te nemen. - Ondersteuning te bieden aan het kind via bijeenkomsten voor kinderen. - Indien wenselijk nadere screening via CBCL. - Intensievere therapie.
Draaglast BIJLAGE 1 Draagkracht Risicofactoren (-) Beschermende factoren (+) Microsysteem kindfactoren handicap laag zelfbeeld hoge intelligentie positief zelfbeeld ouderfactoren ziekte/verslaving trauma s niet opvoedingscompetent stabiele persoonlijkheid goede gezondheid positieve jeugdervaringen opvoedingscompetentie gezinsfactoren echtscheiding/ruzies affectieve gezinsrelatie Mesosysteem sociale factoren sociaal isolement conflicten weinig sociale bindingen sociale steun steun familie/vrienden goede sociale bindingen armoede gebrekkige opleiding Macrosysteem sociaal-economische gezinsfactoren goed inkomen opleiding minderheidsgroep andere subculturele normen en waarden werkloosheid discriminatie culturele factoren maatschappelijke factoren meerderheid normen en waarden in overeenstemming met de dominante cultuur stabiel economisch klimaat tolerante samenleving