Onderzoek naar de bestrijding van engerlingen van de rozekever m.b.v. het knoflookpreparaat Pireco en aaltjes (Heterorhabditis bacteriophora) ing. T.B. Prins - HAS KennisTransfer ing. H.J. Vlug - Insect Consultancy s-hertogenbosch, november 2007
Documenttitel: Status: DEFINITIEF Datum: November 2007 Opdrachtgever: Contactpersoon: Branchevereniging Sport en Cultuurtechniek De heer B. (Ben) Moonen Auteur: ing. T.B. (Tjeerd) Prins - HAS KennisTransfer ing. H.J. (Henk) Vlug - Insect Consultancy Onderdelen uit dit rapport, met uitzondering van hoofdstuk 2, mogen worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook, met voorafgaande toestemming van de opdrachtgever. Voor hoofdstuk 2 geldt: Niets uit dit hoofdstuk mag worden gepubliceerd zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur H.J. Vlug Insect Consultancy. HAS KennisTransfer Onderwijsboulevard 221 Postbus 90108 5200 MA s-hertogenbosch Telefoon: 073 692 36 37 Fax: 073 692 36 40
Inhoudsopgave 1. INLEIDING...2 2. BIOLOGIE VAN DE ROZEKEVER...3 2.1 INLEIDING...3 2.2 ROZEKEVER (PHYLLOPERTHA HORTICOLA)...5 3. PROJECTAANPAK EN PROEFOPZET...9 3.1 SELECTIE PROEFLOCATIE...9 3.2 UITZETTEN EN UITVOEREN VAN DE PROEF...11 3.3 RESULTATEN...13 4. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN...16 4.1 CONCLUSIES...16 4.2 DISCUSSIE...16 4.3 AANBEVELINGEN...17 Pag.1
1. Inleiding De branchevereniging Sport en Cultuurtechniek heeft zich tot doel gesteld om kennis te ontwikkelen en informatie uit te wisselen over de aanleg en het onderhoud van buitensportvloeren en terreinen en de hieraan gelieerde producten (zoals graszaden en meststoffen). In de dagelijkse praktijk hebben de aangesloten leden regelmatig te maken met schade aan graszoden die is veroorzaakt door engerlingen. Vele leden maken bij de bestrijding van deze aantastingen gebruik van een knoflookpreparaat. Er is echter onvoldoende bekend of de aanwending van het knoflookpreparaat Pireco ook daadwerkelijk het gewenste effect heeft op de bestrijding van engerlingen. De branchevereniging Sport en Cultuurtechniek heeft samen met de Van de Haar Groep en Barenbrug Holland B.V., HAS KennisTransfer gevraagd een onderzoek uit te voeren naar de bestrijding van engerlingen door gebruik te maken van het knoflookpreparaat Pireco. Het project is in nauw overleg met Henk Vlug van Insect Consultancy uitgevoerd. Het volledige projectteam bestaat uit: - Ben Moonen Branchevereniging Sport en Cultuurtechniek; - Arthur Wolleswinkel Barenbrug Holland; - Eric Pladdet Van de Haar Groep; - Bart van Kollenburg Joh. Vos Capelle; - Henk Vlug Insect Consultancy ; - Stijn Weijermars HAS KennisTransfer ; - Tjeerd Prins HAS KennisTransfer. De doelstelling van het project is als volgt geformuleerd: Op basis van een veldproef dient te worden aangetoond of de bestrijding van engerlingen van de rozekever met het knoflookpreparaat Pireco of met de insecten-parasitaire nematode Heterorhabditis bacteriophora (aaltjes) effectief is. In deze rapportage wordt de levenscyclus van de rozekever beschreven. Vervolgens wordt het beoogde/beredeneerde effect van de uitgevoerde behandelingen toegelicht. Dit wordt gevolgd door uitleg over de proefopzet en uitwerking van de hieruit verkregen gegevens. Het rapport wordt afgesloten met conclusies en aanbevelingen. Pag.2
2. Biologie van de rozekever 1 2.1 Inleiding Engerlingen zijn de larven van kevers die systematisch behoren tot de orde Coleoptera, suborde Lamellicornia (bladsprietkevers) en in het onderhavige belang tot de familie van de Scarabaeidae. Engerlingen zijn van economisch belang in de land- en tuinbouw, openbaar groen, sportvelden, golfbanen en privé tuinen. Engerlingen spelen een belangrijke rol bij de beschadiging van grasland. Engerlingen van de rozekever (Phyllopertha horticola) en de junikever (Amphimallon solstitialis) worden vaak aangetroffen als beschadigers van golfterreinen, verschillende andere typen van sportvelden en gazons. Regelmatig worden engerlingen van de rozekever aangetroffen als beschadigers van weidegebieden op hoge droge zandgrond. Foto 1: Schade door engerlingen na predatie Engerlingen van meikevers (Melolontha melolontha) zijn vooral het laatste decennium zeer schadelijk geweest, niet alleen in grasland maar ook in boomkwekerijen en particuliere tuinen. Anomala dubia is algemeen op zandgrond, vooral in het zuiden van ons land maar recent ook in het noorden. Andere verwante soorten waarvan de larven soms in grasland gevonden worden zijn de roestbruine bladsprietkever (Serica brunnea) en de sallandkever (Hoplia philanthus). Een op de rozekever in uiterlijk en levenswijze gelijkende soort, is de japanse kever (Popillia japonica) waarvan in de vijftiger jaren gevreesd werd dat deze met diverse transportmiddelen ons land zou kunnen bereiken, vooral met vliegtuigen vanuit Amerika. Deze in Amerika voor grasland zeer schadelijke soort is tot op heden echter nog niet waargenomen in West Europa. Schade als gevolg van mestkevers uit het geslacht Aphodius (zoals Aphodius contaminatus en A. fossor) komt vaak voor in o.a. de Achterhoek, Twente, de Utrechtse heuvelrug en delen van Brabant. Een aantal andere soorten (o.a. Rhizotrogus majalis, Phyllognatus excavatus en Haplidia etrusca) die schadelijk zijn 1 Niets uit dit hoofdstuk mag worden gepubliceerd zonder uitdrukkelijke toestemming van H.J. Vlug. Pag.3
in grasland worden slechts zelden of nooit in Nederland waargenomen. Wel worden ze regelmatig vermeld uit Zuid Europa. Pag.4
2.2 Rozekever (Phyllopertha horticola) Uiterlijke kenmerken De volwassen kever is ongeveer 9 mm lang, heeft een donkere, metaalgroene tot zwarte kop en borststuk en roodbruine dekschilden met een metaalglans. Foto 2: Een volwassen rozekever Voorkomen De rozekever is de meest algemene soort van de bladsprietigen. Ze komt in het gehele land voor op plaatsen waar de omstandigheden geschikt zijn. Aanvankelijk werd gedacht dat de soort uitsluitend voorkwam op hoge droge zandgronden. In de Wieringermeerpolder en in Oostelijk Flevoland werden ze echter massaal geconstateerd in sportvelden op zandgrond. Meldingen van schade komen uit Zuidoost Groningen, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Noordholland, duinstreek, Utrecht, Brabant en Limburg. Schade wordt ook vermeld uit Engeland, Belgie, Duitsland en Denemarken. De meldingen komen vooral van die percelen waar schade is ontstaan door predatie van vogels en zoogdieren. De rozekever komt voor op goed waterdoorlatende zandgronden bij voldoende neerslag en warmtevasthoudend vermogen. De weidegronden in Nederland zijn over het algemeen goed bemest en hebben daardoor een bovenlaag met veel organische stof en een goed watervasthoudend vermogen. Dit zou de oorzaak kunnen zijn van het niet optreden van deze plaag in weidegebieden. In de Achterhoek te Barchem is in 1992 en in mindere mate in 1993 ernstige schade ontstaan door engerlingen van de rozekever op maaiweiden ten behoeve van stalvoedering. Deze weide is gelegen op hoge, sterk verdrogende zandgrond met een goed waterdoorlatend vermogen en weinig organische stof in de bovengrond. In 1993 werden in een weiland met ernstige meikeveraantasting eveneens rozekeverlarven gevonden. Ook in dit geval betrof het een droog perceel. In 2001 en 2002 werden enkele percelen weiland in Hengelo (Gelderse Achterhoek) ernstig aangetast. In 2006 en 2007 enkele weilanden in Ruurlo. Levenswijze De rozekever heeft één generatie per jaar. Onder normale weersomstandigheden komen ze eind mei/begin juni uit de pop. Afhankelijk van de ontwikkeling in het voorgaande jaar overwinteren ze op een diepte van 10-30 cm. Het gedeelte dat in de bovenste 15 cm overwintert heeft in het voorjaar het eerst te maken met de temperatuurssom. Deze was in 2007 al halverwege april bereikt zodat een gedeelte Pag.5
van de kevers reeds toen rondvloog. De tweede vlucht van de dieper overwinterende exemplaren was zoals normaal rond begin juni. In 2007 werden enkele uitzonderlijk late engerlingen in oktober gevonden die zich nog in het begin eerste stadium bevonden. Als de kevers uit hun pophuid gekropen zijn, duurt het een aantal dagen voordat ze volledig uitgekleurd zijn. Daarna komen ze naar de oppervlakte en de vliegactiviteit begint, afhankelijk van de weersgesteldheid, doch uitsluitend bij warm zonnig weer tussen 10.00 en 12.00 uur. De vluchtperiode en de paring strekt zich normaal uit over drie weken. De vrouwtjes zijn alleen bovengronds op het gras aan te treffen tijdens de paring, daarna graven ze zich op dezelfde plaats in om eieren te leggen. De mannetjes blijven altijd bovengronds en vliegen massaal, ze kruipen echter bij ongunstige weersomstandigheden onder de beschutting van het plantendek. Als de vrouwtjes ongeveer 80% van de eieren hebben gelegd komen ze naar boven en hebben een rijpingsvraat op omringende bomen en struiken. Van hier af vliegen ze in rechte lijn ver weg, soms vele honderden meters. Op een geschikte plaats leggen ze de rest van de eieren. Dit zorgt voor de verspreiding van de soort en uitwisseling van genen. Vrouwtjes leggen gemiddeld 35 eieren. Dit hangt af van de gunstige bodemomstandigheden van het jaar waarin de larve zich ontwikkeld heeft en van de kwaliteit van de grasmat. In 2007 waren de omstandigheden gunstig voor de ontwikkeling. Een groot deel van de vlucht vond vroeg plaats en de hieruit komende engerlingen hadden voldoende tijd om zich volledig te ontwikkelen, mede geholpen door het natte weer in de zomer. In droge zomers gaan veel eieren en kleine larven verloren door verdroging. Door het feit dat de meeste eieren op dezelfde plaats gelegd worden kan de populatie zich langdurig op dezelfde plaats handhaven. Globaal kan gesteld worden dat een beginaantasting in jaar 1 onopgemerkt blijft. In jaar 2 zal slechts een klein plekje enige lichte geelverkleuring te zien geven. In jaar 3 is de verkleuring sterker en uitgebreider en kan de eerste predatieschade (secundaire schade) plaatsvinden. In het vierde jaar zal de schade zo ernstig zijn dat men besluit er iets aan te doen. Meestal te laat. De bestrijding dient in het tweede of derde jaar plaats te vinden op het juiste moment. Een matig werkende bestrijding zal de ontwikkeling van de engerlingen vertragen maar niet het areaal verkleinen. Dat zal resulteren in een uitgebreide aantasting die als verrassing plotseling over een groot deel van het areaal te zien is. Foto 3: Links een engerling (L2) van de rozekever ; Rechts een engerling (L3) van de junikever. Pag.6
De eieren hebben een ontwikkelingsperiode nodig van vier weken. Dit betekent dat de eerste larven in het begin van juli kunnen worden verwacht. De larven vreten aanvankelijk aan de kleine graswortels op de diepte waar ze zijn uitgekomen. Na de eerste vervelling kruipen de larven van het tweede stadium omhoog en vreten dan de grotere wortels nabij de oppervlakte. De larven hebben drie ontwikkelingsstadia. Zoals bij alle insectenlarven spreekt men van L1, L2 en L3 waarbij de L voor larvestadium staat. Het derde stadium gaat na het legen van de darminhoud in diapauze, een rusttoestand voor de verpopping. Deze zijn te herkennen aan de geheel roomwitte kleur. Ze kruipen 20 à 30 cm diep weg. De eerste diapauze-larven zijn medio oktober te vinden; enkele larven gaan pas eind november of begin december in diapauze. Verwacht wordt dat in 2007 de diapauzelarven eerder te vinden zullen zijn. De overwinterende larven worden ook wel praepupa genoemd. De poppen kunnen tegen het einde van april worden aangetroffen op dezelfde diepte als de overwinterende larven. De poppen liggen in een holte in de grond en zijn beschermd tegen vocht door een licht gesponnen cocon. Populatiedynamiek Als voorbeeld een populatieontwikkeling zonder natuurlijke sterfteoorzaken: Een vrouwtje legt gemiddeld 34 eieren die zich ontwikkelen tot 34 engerlingen. Bij een sexratio van 1:1 zal de productie van nakomelingen na 1 jaar 17 vrouwtjes en 17 mannetjes opleveren. Deze produceren op hun beurt weer 17 vrouwtjes hetgeen in het tweede jaar neerkomt op 578 engerlingen. In het derde jaar worden dit er 9826 etc. Bij een (zeer lage) beginpopulatie van 10 per m² betekent dit dus 98.000 engerlingen per m² in het derde jaar. Het is duidelijk dat er sprake moet zijn van natuurlijke sterfte. Een aantal bekende sterftefactoren zijn: - Kevers worden opgegeten door vogels en spitsmuizen. Soms worden ze gevangen door roofvliegen uit de familie van de Asiliidae. - Eieren worden gepredeerd door roofkevers en hun larven uit de families van de loopkevers (Carabidae) en de kortschildkevers (Staphilinidae). - Eieren gaan door uitdroging verloren. - Kleine engerlingen (L1) worden gepredeerd door bovengenoemde keverfamilies en hun larven. - Engerlingen in het L1 gaan door uitdroging verloren. - Engerlingen in het L2 worden gepredeerd door matig grote soorten uit bovengenoemde keverfamilies. - Engerlingen in het L3 worden gepredeerd door grote soorten uit bovengenoemde keverfamilies. L3 wordt ook gepredeerd door veldmuizen, spitsmuizen, vogels, vossen, dassen, egels, mollen en wilde zwijnen. - Engerlingen in het L3 worden geparasiteerd door de dolkwesp Tiphia femorata en door een sluipvlieg uit het geslacht Megascelia. - Engerlingen in L2 en L3 worden geparasiteerd door natuurlijk voorkomende insecten-parasitaire nematoden (aaltjes) en schimmels (Beauveria en Metarhizium). Pag.7
Populaties kunnen zich goed ontwikkelen onder een aantal omstandigheden: - Een goed waterdoorlatende lichte zandgrond - Een regenrijke zomer en voorzomer - Hoge bodemtemperaturen - Goede kwaliteit van het voedsel (goed wortelmassa producerende grassen) - Goede bemesting van het gras - Goede verzorging van de grasmat - Monocultuur van gras - Regelmatig maaien (kort gras herbergt weinig roofkevers) - Niet te vast getreden areaal - Afwezigheid van predatoren door chemische bestrijding Pag.8
3. Projectaanpak en proefopzet Het project is in de volgende twee fasen uitgevoerd: Fase 1: Fase 2: Selectie proeflocatie Uitzetten en uitvoeren proef Voor fase 1 van het project is het projectteam tweemaal bij elkaar gekomen voor gezamenlijk overleg over de meest geschikte proeflocatie. Tijdens fase 2 is een deel van het projectteam (Henk, Eric, Arthur en Tjeerd) bij elkaar gekomen om het proefveld voor te bemonsteren op de aanwezigheid van engerlingen. In de volgende paragrafen worden de twee afzonderlijke fasen kort omschreven. 3.1 Selectie proeflocatie Voor het goed uitvoeren van de proef is het essentieel om te kunnen beschikken over een proeflocatie waarin een aanzienlijke aantasting van engerlingen van de rozekever kan worden voorzien. In overleg is besproken dat er een keuze gemaakt diende te worden uit de locaties Papendal, Wageningen of Renkum. Met name de laatste twee locaties bleken minder geschikt in verband met mogelijke vernieling of diefstal van de vallen. Een andere mogelijke locatie in Wolfheze bleek ongeschikt. Op de overgebleven proeflocatie op Papendal zijn in mei vallen geplaatst om vluchtgegevens van de rozekevers te vergaren. Op basis van de vluchtgegevens en de bereidheid van de terreinbeheerder om aan de proef mee te werken, is na overleg met het projectteam Papendal als meest geschikte proeflocatie gekozen. Pag.9
Foto 4: Proeflocatie honkbalveld te Papendal Foto 5: Proefveld uitgezet Pag.10
3.2 Uitzetten en uitvoeren van de proef Na de vaststelling van de proeflocatie is een gewarde proef in vijfvoud uitgezet met vijf objecten: A: Pireco (); B: Pireco (vertidrain & ) ; C: Aaltjes (); D: Blanco (water); E: Blanco (water & vertidrain). Om de gelijkmatige waterinfiltratie te verbeteren, waardoor water en voedingsstoffen optimaal worden opgenomen, is bij alle objecten gebruik gemaakt van een dispatch waterverdeler. De proefveldjes van 2*2 meter zijn uitgezet met tussenrijen van 1 meter. In figuur 1 is met kruisjes aangegeven waar er is bemonsterd (zie ook foto 4 en 5). xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx A B C D E xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx B C D E A xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx C D E A xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx B xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx D E A xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx B xxxxx xxxxx C xxxxx xxxxx E xxxxx xxxxx A xxxxx xxxxx xxxxx xxxxx B C D xxxxx xxxxx xxxxx Figuur 1: Schematische voorstelling proefveld Pag.11
Uitgangspunten voor het project: Tijdstip aanleg en behandeling is bepaald aan de hand van de vluchtgegevens van de rozekever. Alle behandelingen zijn uitgevoerd op basis van 800 liter water per hectare. Bij alle objecten is gebruik gemaakt van een dispatch waterverdeler (dosering: 2,5 liter per hectare). Om verstoring van het proefveld te voorkomen, is geen nulmeting uitgevoerd. Toepassing nematoden s avonds of bij bewolkt weer, vanwege de gevoeligheid van aaltjes voor UV-licht. Vooraf veldjes beregenen (door terreinbeheerder). Na behandeling kort beregenen (door terreinbeheerder). Gedurende zes weken grond vochtig houden (door terreinbeheerder). De Pireco I en II is aangebracht met een rugspuit (dosering: 30 liter per hectare). Het vertidrainen is uitgevoerd door de beheerder. De aaltjes zijn aangebracht met de nematodenspuit van Insect Consultancy (dosering: 500.000 aaltjes per vierkante meter). Per veldje zijn twee stukken van 100*20 cm (8 cm diep) uitgestoken en onderzocht op engerlingen. De aanwezige engerlingen zijn vervolgens geteld. De engerlingen bevinden zich in ontwikkelingsstadium L3. Tijdens de looptijd van de proef is voldoende neerslag gevallen. Hierdoor heeft beregening door de terreinbeheerder niet plaats gevonden. Het juiste moment van behandeling en het bemonsteren van de proefveldjes is in onderling overleg vastgesteld. Op 26 juni 2007 is het proefveld uitgezet en zijn de behandelingen uitgevoerd. Een maand later, op 27 juli 2007, is een behandeling met Pireco II in de objecten A en B uitgevoerd, conform de voorschriften van de producent. Op 28 augustus is het proefveld bemonsterd op de aanwezigheid van engerlingen. In de volgende paragraaf worden de resultaten hiervan behandeld. Foto 6: Bemonstering proefveld Foto 7: Proefveld na bemonstering Pag.12
3.3 Resultaten Voor de bemonstering van het proefveld zijn de afzonderlijke velden genummerd (zie figuur in bijlage 1). De bemonstering van het proefveld heeft de volgende resultaten opgeleverd: Tabel 1: Aantal engerlingen per monster Veld + bovenste onderste object monster* monster* 2 A 1 0 8 A 8 0 14 A 1 7 20 A 3 0 21 A 2 7 3 B 6 0 9 B 8 10 15 B 4 5 16 B 2 3 22 B 9 6 Veld + bovenste onderste object monster* monster* 5 D 3 6 6 D 0 1 12 D 3 3 18 D 4 4 24 D 3 2 1 E 1 0 7 E 2 1 13 E 2 2 19 E 1 3 25 E 0 7 4 C 4 0 10 C 0 0 11 C 0 0 17 C 0 0 23 C 0 0 A: Pireco () B: Pireco (vertidrain& ) C: Aaltjes () D: Blanco (water) E: Blanco (water & vertidrain) * In elk vak is bovenin en onderin het vak bemonsterd. Hiermee werd inzicht verkregen in de mate van spreiding binnen een vak (zie ook figuur 1). Vervolgens zijn de aantallen opgeteld (zie tabel 2) Opgeteld levert dit de volgende totale aantallen engerlingen per object (behandeling) op: Tabel 2: behandeling Pireco, alleen Pireco, vertidrain Totaal aantal engerlingen per behandeling 1 e monster 2 e monster 3 e monster 4 e monster 5 e monster 1 8 8 3 9 6 18 9 5 15 Totaal gemidde ld 29 5.8 53 10.6 aaltjes 4 0 0 0 0 4 0.8 water, alleen 29 5.8 9 1 6 8 5 water, 19 3.8 1 3 4 4 7 vertidrain Zie ook figuur 2 Box-plot, waarin bij elke behandeling: - het dikke streepje het gemiddelde (50% percentiel) aangeeft; - de onderkant van de grijze box het 25% percentiel aangeeft; - de bovenkant van de grijze box het 75% percentiel aangeeft; - het onderste dunne streepje de laagste waarneming aangeeft; Pag.13
- het bovenste dunne streepje de hoogste waarneming aangeeft; - de symbolen * en waarnemingen aangeven die binnen die behandeling opvallend afwijken. 20 aantal engerlingen 15 10 25E 5 4C 1E 0 Pireco, alleen Pireco, vertidrain aaltjes water, alleen water, vertidrain Figuur 2: Box-plot Deze resultaten zijn vervolgens aan de hand van een variantie-analyse statistisch geanalyseerd. Hierbij wordt gekeken of er tussen de behandelingen significante verschillen zijn of dat eventuele verschillen op zuivere toeval berusten. Statistische analyse toont aan dat er sprake is van significante verschillen (significantie 0,005, zie tabel 3). Tabel 3: Toets op significante verschillen aantal engerlingen Sum of Squar es Between 255,3 Groups 60 Within 250,4 Groups 00 Total 505,7 60 df ANOVA Mean Square F Sig. 4 63,840 5,099,005 20 12,520 24 Pag.14
Tabel 4: Analyse welke verschillen significant zijn Multiple Comparisons Dependent Variable: aantal engerlingen / LSD (Least Significant Difference) Mean Difference (I) behandeling (J) behandeling (I-J) Significance Pireco, alleen Pireco, vertidrain -4,800(*),044 aaltjes 5,000(*),037 water, alleen,000 1,000 water, vertidrain 2,000,382 Pireco, vertidrain Pireco, alleen 4,800(*),044 aaltjes 9,800(*),000 water, alleen 4,800(*),044 water, vertidrain 6,800(*),006 aaltjes Pireco, alleen -5,000(*),037 Pireco, vertidrain -9,800(*),000 water, alleen -5,000(*),037 water, vertidrain -3,000,195 water, alleen Pireco, alleen,000 1,000 Pireco, vertidrain -4,800(*),044 aaltjes 5,000(*),037 water, vertidrain 2,000,382 water, vertidrain Pireco, alleen -2,000,382 Pireco, vertidrain -6,800(*),006 aaltjes 3,000,195 water, alleen -2,000,382 * The mean difference is significant at the.05 level. Bovenstaand nader onderzoek (tabel 4) leidt tot de volgende abc-classificatie: Tabel 5: abc-classificatie behandeling gemiddeld abcclassificatie aaltjes 0.8 a water, vertidrain 3.8 ab Pireco, alleen 5.8 b water, alleen 5.8 b Pireco, vertidrain 10.6 c Toelichting: - Indien twee behandelingen een letter gemeen hebben, is er geen onderling significant verschil. - Indien twee behandelingen geen letter gemeen hebben, is er wèl een onderling significant verschil. Pag.15
4. Conclusies en aanbevelingen In dit hoofdstuk worden de conclusies uit de veldproef en discussiepunten beschreven. Vervolgens worden aanbevelingen gedaan voor het vervolg. 4.1 Conclusies Op grond van de veldproef kan geconcludeerd worden dat: - Pireco met vertidrain significant slechter scoort dan alle andere behandelingen; - Aaltjes significant beter scoren dan Pireco; - Aaltjes ook significant beter scoren dan water, alleen. Een aantal van de significanties ligt net onder de drempelwaarde 0,05. Door de beperkte aantasting op het proefveld is een beperkt inzicht over de mate van aantasting over het totale proefvak. Om deze reden moeten de resultaten met de nodige zorgvuldigheid worden geintrepreteerd. De doelstelling van het project was als volgt geformuleerd: Op basis van een veldproef dient te worden aangetoond of de bestrijding van engerlingen van de rozekever met het knoflookpreparaat Pireco of met de insectenparasitaire nematode Heterorhabditis bacteriophora (aaltjes) effectief is. Conclusie: - Niet is aangetoond dat bestrijding van engerlingen van de rozekever met het knoflookpreparaat Pireco in deze veldproef effectief is. - De effectiviteit van de bestrijding van engerlingen van de rozekever met de insecten-parasitaire nematode Heterorhabditis bacteriophora (aaltjes) is met deze veldproef wel aangetoond. 4.2 Discussie Het knoflookpreparaat Pireco is door middel van vertidrainen aangebracht. Normaliter wordt hiervoor een injectiemachine gebruikt. Voor toepassing op dit specifieke (kleine) proefveld is de injectiemachine niet geschikt. Het effect van beide methoden is echter nagenoeg gelijk. Ze bevorderen overigens de omstandigheden voor engerlingen ten gunste doordat de bodem luchtiger wordt. Op een aantal plaatsen zijn dode engerlingen gevonden die waren aangetast door aaltjes. Op die plaatsen heeft echter geen behandeling met aaltjes plaatsgevonden. Op het proefveld hebben waarschijnlijk bewegingen (verslepen van doelen of gronddeeltjes aan noppen van voetbalschoenen) plaatsgevonden, waardoor aaltjes zijn verspreid over andere delen van het proefveld. Hierdoor is de proef enigszins verstoord, maar dit heeft geen gevolgen voor uitspraken over de effectiviteit van het knoflookpreparaat Pireco. Het is zelfs zo dat hierdoor de werkelijke aantallen engerlingen in de betreffende objecten mogelijk lager uitgevallen zijn. Pag.16
Er is aan het begin van het project geen nulmeting uitgevoerd. Bij kleine proefvelden zou een nulmeting de proef namelijk verstoren, omdat engerlingen na in contact te zijn gekomen met de menselijke huid doodgaan. Tussentijds is wel op een aantal plaatsen voorbemonsterd om de aanwezigheid van engerlingen aan te tonen. Een derde behandeling met Pireco is niet uitgevoerd, omdat de larven zich reeds in ontwikkelingsstadium L3 bevonden. Wanneer er te lang wordt gewacht met bemonsteren is de kans groot dat de larven in diapauze gaan (zie hoofdstuk 2). De larven kruipen 20 à 30 cm diep weg en zullen dan niet meer bij de bemonstering (tot 8 cm diepte) worden teruggevonden. Volgens de fabrikant zal de werking van Pireco pas echt zichtbaar zijn na drie jaar. Over een periode van drie jaar kunnen echter geen statistisch onderbouwde uitspraken worden gedaan. Het betreft immers telkens andere omstandigheden en een andere populatie. Daarnaast blijkt uit ervaringen van terreinbeheerders en hoofdgreenkeepers dat aantastingen door engerlingen vaak over het sportveld of de baan wandelen. De aantasting wordt dus meestal niet op dezelfde plek aangetroffen als het voorgaande jaar. Het is verrassend dat het project geen significant verschil laat zien tussen de behandeling met aaltjes en de behandeling met water, vertidrain. Mogelijke oorzaak hiervan zijn de eerder genoemde bewegingen die op het proefveld hebben plaatsgevonden, waardoor aaltjes mogelijk naar anders behandelde proefveldjes zijn versleept. 4.3 Aanbevelingen Het is aan te bevelen om als eerste onderzoek te laten doen naar de opname van moleculen uit Pireco in de grasplant. Vervolgens dient onderzocht te worden in hoeverre de grasplant na behandeling van Pireco nog aantrekkelijk is voor engerlingen. Als derde stap zou een veldproef de effectiviteit van Pireco moeten aantonen. Op basis van de conclusies kan in ieder geval worden gesteld dat het onderzoek richting geeft. Om stellige uitspraken te kunnen doen is een nader onderzoek noodzakelijk. Er wordt daarom aanbevolen om voor een nader onderzoek: - Te kiezen voor een groter proefveld om de aantastingspreiding te minimaliseren; - Een viertal behandelingen uit te voeren, allen met dispatch waterverdeler: Water; Aaltjes; Pireco, met behulp van de injectiemachine; Pireco, door middel van. Pag.17
Het wordt tevens aanbevolen te kiezen voor een proefveldvergoeding. Op deze wijze wordt de kans op verstoringen voorkomen. Zo kan namelijk vereist worden geen andere activiteiten plaats te laten vinden op de proeflocatie. Pag.18
Bijlage 1 Uitgezet proefveld met nummering Pag.19