Prius Touch Pro Handleiding navigatiesysteem
INHOUDSOPGAVE 1 BEKNOPTE HANDLEIDING 9 2 BASISFUNCTIES 29 3 NAVIGATIESYSTEEM 63 4 TELEFOON 147 5 AUDIOSYSTEEM 207 6 SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM 263 7 INFORMATIE 273 8 EXTRA DIENSTEN 285 9 PERIPHERAL MONITORING- SYSTEEM 309 INDEX 365 Vertaling en productie: WK Automotive BV, Oosterhout (NB) WKA-12C210-18012-00 1
Inleiding HANDLEIDING NAVIGATIESYSTEEM In deze handleiding wordt de werking van het navigatiesysteem beschreven. Lees deze handleiding door en volg de aanwijzingen nauwkeurig op, zodat u de mogelijkheden op de juiste wijze kunt benutten. Bewaar deze handleiding altijd in uw auto. De afbeeldingen in dit document wijken mogelijk af van de daadwerkelijke afbeeldingen op het navigatiesysteem, afhankelijk van het bestaan van de functies en/of een contract en de beschikbaarheid van kaartgegevens op het moment van productie van dit document. NAVIGATIESYSTEEM Het navigatiesysteem is één van de technologisch meest geavanceerde accessoires die ooit voor de auto ontwikkeld zijn. Het systeem ontvangt satellietsignalen van het Global Positioning System (GPS) van het ministerie van Defensie van de Verenigde Staten van Amerika. Met behulp van deze signalen en sensoren in de auto kan het systeem de locatie van uw auto berekenen en u helpen bij het vinden van uw bestemming. Het navigatiesysteem is ontworpen om een efficiënte route te bepalen van uw vertrekpunt naar uw bestemming. Daarnaast is het navigatiesysteem ontworpen om u op een efficiënte manier naar een bestemming te brengen, waarvan u de route er naartoe niet kent. De elektronische landkaarten zijn gebaseerd op kaarten van AISIN AW. Zij betrekken hun informatie van NAVTEQ. De berekende routes zijn niet altijd de kortste routes of routes zonder verkeersopstoppingen. Met uw persoonlijke kennis van de situatie ter plaatse of door een stuk van de berekende route af te snijden kunt u soms sneller uw bestemming bereiken. Het navigatiesysteem beschikt over categorieën POI's (nuttige adressen), zoals hotels en restaurants, met behulp waarvan u snel en gemakkelijk uw bestemming kunt selecteren. Als uw bestemming niet via een van deze categorieën geselecteerd kan worden, kunt u de straatnaam of een belangrijk kruispunt in de nabijheid van uw bestemming selecteren, waar het systeem u naartoe kan leiden. Het systeem geeft zowel visuele aanwijzingen met behulp van een op het display getoonde kaart als gesproken aanwijzingen. De gesproken aanwijzingen geven bij het naderen van een verkeersknooppunt de nog af te leggen afstand en de richting die u moet volgen aan. Dankzij deze gesproken aanwijzingen kunt u uw volle aandacht bij het verkeer houden. Houd er rekening mee dat alle actuele navigatiesystemen hun beperkingen hebben en niet onder alle omstandigheden feilloos zullen functioneren. De nauwkeurigheid waarmee de actuele locatie van de auto wordt weergegeven, is afhankelijk van de conditie van de satellieten, de ligging van de wegen, de conditie van de auto en andere omstandigheden. Zie voor meer informatie over de beperkingen van het systeem bladzijde 142 en 143. 2
BELANGRIJKE INFORMATIE OVER DEZE HANDLEIDING Deze handleiding geeft onderwerpen die uit veiligheidsoverwegingen bijzondere aandacht vragen, op de volgende wijze aan. WAARSCHUWING Dit is een waarschuwing tegen iets wat mensen letsel kan toebrengen. U wordt geïnformeerd over wat u moet doen of niet moet doen om het risico voor uzelf en voor anderen te vermijden of te verminderen. OPMERKING Dit is een waarschuwing tegen iets wat schade aan de auto of uitrusting ervan kan veroorzaken. U wordt geïnformeerd over wat u moet doen of niet moet doen om schade aan uw auto en de uitrusting ervan te vermijden of het risico te verminderen. SYMBOLEN IN AFBEELDINGEN Waarschuwingssymbool Dit symbool betekent dat er iets niet mag worden gedaan of mag gebeuren. Pijlen die een handeling aangeven Geeft de handeling aan voor het bedienen van schakelaars en dergelijke (drukken, draaien, enz.). 3
GEBRUIK VAN DEZE HANDLEIDING Nr. Naam Beschrijving Beschrijving bediening Belangrijkste handelingen Verwante handelingen Informatie Er wordt een beschrijving gegeven van de bediening. De stappen van een handeling worden uitgelegd. Er wordt uitleg gegeven over de aanvullende handelingen op de belangrijkste handelingen. Er wordt voor de gebruiker nuttige informatie gegeven. 4
VEILIGHEIDSINSTRUCTIE Houd u aan de volgende instructies om dit systeem zo veilig mogelijk te gebruiken. Het systeem is bedoeld om u te assisteren bij het bereiken van uw bestemming en zal dit, mits goed gebruikt, ook doen. U bent als bestuurder verantwoordelijk voor het veilig functioneren van uw auto en voor de veiligheid van uw passagiers. Gebruik de functies van dit systeem zodanig dat ze geen afleiding vormen en een veilige rit beletten. De veiligheid tijdens het rijden moet altijd als eerste prioriteit gezien worden. Let tijdens het rijden altijd op de verkeersregels. Voordat u het systeem gaat gebruiken, moet u eerst de werking en mogelijkheden goed leren kennen. Lees eerst de volledige handleiding van het navigatiesysteem door om er zeker van te zijn dat u het systeem begrijpt. Laat anderen geen gebruik maken van het systeem tot ze de aanwijzingen in deze handleiding gelezen en begrepen hebben. Uit veiligheidsoverwegingen zijn sommige mogelijkheden niet beschikbaar als de auto rijdt. De toetsen die niet beschikbaar zijn, worden gedimd weergegeven. WAARSCHUWING Wees extra voorzichtig wanneer u het navigatiesysteem tijdens het rijden bedient. Onvoldoende aandacht voor de weg, het verkeer of de weersomstandigheden kan leiden tot een ongeval. Houd u tijdens het rijden aan de verkeersregels en let op de toestand van de weg. Als een verkeerssituatie recentelijk gewijzigd is, kan het routebegeleidingssysteem u van verkeerde informatie voorzien, zoals het advies om een eenrichtingsweg in te rijden. Luister tijdens het rijden zo veel mogelijk naar de stembegeleiding en werp alleen een blik op het scherm als de wegsituatie dit toelaat. Vertrouw echter nooit volledig op de informatie van de stembegeleiding. Gebruik deze alleen als referentie. Het is mogelijk dat u onjuiste, verlate of geen stembegeleiding hoort als het systeem de actuele positie niet kan vaststellen. De gegevens in het systeem zijn soms niet volledig. De wegsituatie, inclusief beperkingen (niet linksaf slaan, straten afgesloten, enz.) kan gewijzigd zijn. Kijk daarom, voordat u een instructie van het systeem gaat opvolgen, of deze handeling veilig en legitiem kan worden uitgevoerd. Dit systeem kan u niet waarschuwen voor zaken als de veiligheid van een gebied, de toestand van het wegdek en de beschikbaarheid van hulpdiensten. Als u niet overtuigd bent van de veiligheid van een bepaald gebied, rijd dit gebied dan niet in. Het systeem ondersteunt de bestuurder, maar vervangt nooit diens persoonlijke beoordeling. Gebruik dit systeem alleen waar dit wettelijk toegestaan is. In sommige landen/provincies is het gebruik van navigatieschermen naast de bestuurder verboden. 5
INHOUDSOPGAVE 1 BEKNOPTE HANDLEIDING 1. BEDIENING NAVIGATIE...10 OVERZICHT TOETSEN EN BEGINSCHERM... 10 VASTLEGGEN VAN THUIS... 12 VASTLEGGEN VAN SNELTOEGANG... 14 WERKING VAN DE ROUTEBEGELEIDING... 16 INSTELLEN VAN THUISADRES ALS BESTEMMING... 17 2. INDEX FUNCTIES...18 INDEX FUNCTIES NAVIGATIESYSTEEM... 18 3. KORTE UITLEG...20 KAARTSCHERM... 20 SCHERM Menu... 22 SCHERM Instellingen... 24 SCHERM Informatie... 26 2 BASISFUNCTIES 1. BASISINFORMATIE...30 OPSTARTSCHERM... 30 TOUCHSCREEN-BEDIENING... 31 INVOEREN VAN LETTERS EN CIJFERS/SCROLLEN... 32 AFSTELLEN SCHERM... 37 BEDIENING KAARTSCHERM... 39 2. CONFIGURATIE...52 ALGEMENE INSTELLINGEN... 52 SPRAAKINSTELLINGEN... 59 3 NAVIGATIESYSTEEM 1. ZOEKEN VAN BESTEMMING... 64 KORTE UITLEG... 64 ZOEKEN VAN BESTEMMING... 66 STARTEN VAN ROUTEBEGELEIDING... 85 2. ROUTEBEGELEIDING... 89 ROUTEBEGELEIDINGSSCHERM... 89 SPECIFIEKE STEMBEGELEIDINGSTERMEN... 93 AFSTAND EN REISTIJD TOT BESTEMMING... 96 ONDERBREKEN EN HERVATTEN VAN DE BEGELEIDING... 97 INVOEREN VAN ROUTE... 98 POI'S TONEN... 105 3. GEHEUGENPUNTEN... 108 INSTELLINGEN GEHEUGENPUNT... 108 4. CONFIGURATIE... 130 NAVIGATIE-INSTELLINGEN... 130 VOERTUIGINSTELLINGEN... 136 5. GPS (GLOBAL POSITIONING SYSTEM)... 142 BEPERKINGEN VAN HET NAVIGATIESYSTEEM... 142 DATABASEVERSIE KAART EN DEKKINGSGEBIED... 145 *: nuttige adressen 6
4 TELEFOON 1. BEDIENING TELEFOON... 148 KORTE UITLEG...148 TELEFOON (HANDSFREE- SYSTEEM VOOR MOBIELE TELEFOON)...151 REGISTREREN VAN EEN Bluetooth -TELEFOON...155 BELLEN MET DE Bluetooth - TELEFOON...159 ONTVANGEN VAN OPROEPEN OP DE Bluetooth -TELEFOON...166 PRATEN VIA DE Bluetooth - TELEFOON...167 BERICHTFUNCTIE Bluetooth - TELEFOON...170 2. CONFIGURATIE... 173 TELEFOONINSTELLINGEN...173 Bluetooth -INSTELLINGEN...196 6 SPRAAKCOMMANDO- SYSTEEM 1. BEDIENING SPRAAKCOMMANDO- SYSTEEM...264 SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM... 264 LIJST MET SPRAAKCOMMANDO'S... 270 7 INFORMATIE 1. INFORMATIEDISPLAY...274 VERKEER... 274 2. CONFIGURATIE...279 INSTELLINGEN VERKEERS- EN PARKEERINFORMATIE... 279 8 EXTRA DIENSTEN 1 2 3 4 5 6 5 AUDIOSYSTEEM 1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM... 208 KORTE UITLEG...208 BASISHANDELINGEN...210 RADIOBEDIENING...214 BEDIENING CD-SPELER...220 BEDIENING VAN USB-GEHEUGEN...229 BEDIENING VAN ipod...235 BEDIENING Bluetooth -AUDIO...240 AFSTANDSBEDIENING AUDIO (STUURWIELTOETSEN)...248 BEDIENINGSTIPS AUDIOSYSTEEM...250 2. CONFIGURATIE... 259 AUDIO-INSTELLINGEN...259 1. EXTRA DIENSTEN...286 OVERZICHT EXTRA DIENSTEN... 286 VEREISTE INSTELLINGEN VOOR GEBRUIK VAN DE DIENSTEN... 289 GEBRUIK VAN EXTRA DIENSTEN... 295 2. CONFIGURATIE...304 INSTELLINGEN ONLINE ZOEKEN... 304 7 8 9 7
INHOUDSOPGAVE 9 PERIPHERAL MONITORING- SYSTEEM 1. INTELLIGENT PARKING ASSIST.310 INLEIDING... 310 PARKEERMANOEUVRES... 312 MODUS AUTOMATISCH INPARKEREN (ACHTERUIT INPARKEREN)... 318 MODUS FILEPARKEREN... 332 WAT TE DOEN ALS DIT SOORT MELDINGEN WORDT WEERGEGEVEN?... 343 MODUS WEERGAVE RIJLIJNEN VOOR NIET-AUTOMATISCH INPARKEREN... 349 VOORZORGSMAATREGELEN VOOR GEBRUIK... 355 INDEX ALFABETISCHE INDEX...366 8
1 BEKNOPTE HANDLEIDING 1 2 1 BEDIENING NAVIGATIE 1. OVERZICHT TOETSEN EN BEGINSCHERM...10 2. VASTLEGGEN VAN THUIS...12 3. VASTLEGGEN VAN SNEL TOEGANG...14 4. WERKING VAN DE ROUTEBEGELEIDING...16 5. INSTELLEN VAN THUISADRES ALS BESTEMMING...17 3 4 5 6 2 INDEX FUNCTIES 1. INDEX FUNCTIES NAVIGATIESYSTEEM...18 7 8 3 KORTE UITLEG 1. KAARTSCHERM...20 9 2. SCHERM Menu...22 3. SCHERM Instellingen...24 4. SCHERM Informatie...26 9
1. BEDIENING NAVIGATIE 1. OVERZICHT TOETSEN EN BEGINSCHERM * 10
1. BEDIENING NAVIGATIE Nr. Naam Functie Bladzijde Toets AUDIO, audiovenster Toets NAV, navigatievenster Druk op de toets AUDIO of kies dit venster om het audioscherm weer te geven. Het audiogedeelte van het scherm kan worden gewijzigd in het scherm voor het brandstofverbruik. (Zie IN- STELLINGEN BEGINSCHERM op bladzijde 56 voor meer informatie over het wisselen van het scherm.) Druk op de toets NAV of kies dit venster om de actuele locatie weer te geven wanneer er al een bestemming is ingesteld. Wanneer er geen bestemming is ingesteld, wordt het scherm Menu weergegeven. 208 20, 22 1 BEKNOPTE HANDLEIDING toets Toets INFO Toets CAR Toets SETUP Klimaatregelingsscherm Kies deze toets om dit scherm (beginscherm) weer te geven. Druk op deze toets om het scherm Informatie weer te geven. Druk op deze toets om het scherm met informatie over het brandstofverbruik weer te geven. Zie de handleiding voor meer informatie. Druk op deze toets om het scherm Instellingen weer te geven. Het klimaatregelingsscherm kan worden weergegeven of verborgen. 26, 274 24, 37, 52, 59, 130, 136, 173, 196, 259, 279, 289, 304 56 *: Houd de AAN/UIT/volumeknop gedurende ten minste 5 seconden ingedrukt om het scherm uit te schakelen en het navigatiesysteem te herstarten. Doe dit wanneer het systeem in de auto zeer traag reageert. 11
1. BEDIENING NAVIGATIE 2. VASTLEGGEN VAN THUIS 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 4 Kies Ja. 2 Kies Bestemming. 5 Er zijn 10 (11 wanneer UK is geselecteerd) verschillende manieren om uw huis te zoeken. (Zie ZOE- KEN VAN BESTEMMING op bladzijde 66.) 3 Kies Thuis. Als er geen thuisadres in het systeem is opgeslagen, kunt u dit opslaan door Thuis te kiezen. 12
1. BEDIENING NAVIGATIE 6 Kies Invoer. 1 Vastleggen van thuis is voltooid. U kunt het thuisadres ook vastleggen door Geheugen te kiezen op het scherm Menu. (Zie VASTLEGGEN VAN THUIS op bladzijde 109.) De naam, de locatie, het telefoonnummer en het icoon kunnen worden gewijzigd. (Zie BEWERKEN VAN THUIS op bladzijde 110.) U kunt de opgeslagen punten gebruiken op het scherm Bestemming. (Zie ZOE- KEN VAN BESTEMMING MET BE- HULP VAN THUIS op bladzijde 68.) BEKNOPTE HANDLEIDING 13
1. BEDIENING NAVIGATIE 3. VASTLEGGEN VAN SNELTOEGANG 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 4 Kies Ja. 2 Kies Bestemming. 5 Er zijn 10 (11 wanneer UK is geselecteerd) verschillende manieren om een sneltoegang te zoeken. (Zie ZOEKEN VAN BE- STEMMING op bladzijde 66.) 3 Kies één van de toetsen voor sneltoegang. U kunt een sneltoegang instellen onder een willekeurige toets voor sneltoegang waaronder nog niets is opgeslagen. 14
1. BEDIENING NAVIGATIE 6 Kies Invoer. 1 Het vastleggen van een sneltoegang is voltooid. U kunt de sneltoegang ook vastleggen door Geheugen te kiezen op het scherm Menu. (Zie VASTLEGGEN VAN SNELTOEGANG op bladzijde 112.) De naam, de locatie, het telefoonnummer en het icoon kunnen worden gewijzigd. (Zie BEWERKEN VAN SNELTOEGANG op bladzijde 112.) U kunt de opgeslagen punten gebruiken op het scherm Bestemming. (Zie ZOE- KEN VAN BESTEMMING MET BE- HULP VAN SNELTOEGANG op bladzijde 69.) BEKNOPTE HANDLEIDING 15
1. BEDIENING NAVIGATIE 4. WERKING VAN DE ROUTEBEGELEIDING 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. Pagina 2 4 Kies Invoer. 2 Kies Bestemming. Het navigatiesysteem gaat op zoek naar de route. 5 Kies Start en rijd weg. 3 Er zijn 13 (14 wanneer UK is geselecteerd) verschillende manieren om bestemmingen te zoeken. (Zie ZOEKEN VAN BESTEMMING op bladzijde 66.) Pagina 1 U kunt ook een andere dan de geadviseerde route selecteren. (Zie STARTEN VAN ROUTEBEGELEIDING op bladzijde 85.) U wordt met behulp van stembegeleiding en het begeleidingsscherm naar uw bestemming geleid. 16
1. BEDIENING NAVIGATIE 5. INSTELLEN VAN THUISADRES ALS BESTEMMING 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 4 Kies Invoer. 1 Het navigatiesysteem gaat op zoek naar de route. 5 Kies Start en rijd weg. BEKNOPTE HANDLEIDING 2 Kies Bestemming. 3 Kies Thuis. U kunt ook een andere dan de geadviseerde route selecteren. (Zie STARTEN VAN ROUTEBEGELEIDING op bladzijde 85.) U wordt met behulp van stembegeleiding en het begeleidingsscherm naar uw bestemming geleid. Thuis kan worden gebruikt als uw thuisadres al is vastgelegd. (Zie VASTLEG- GEN VAN THUIS op bladzijde 109 voor het vastleggen van thuis.) 17
2. INDEX FUNCTIES 1. INDEX FUNCTIES NAVIGATIESYSTEEM Kaart Weergave van kaarten Bladzijde Bekijken van het kaartscherm 20 Weergave van de actuele locatie 39 Bekijken van de kaart van de omgeving van de actuele locatie 40 Wijzigen van de schaal 49 Wijzigen van de kaartrichting 50 Weergave aanvullende informatie 105 Weergave van de geschatte reis-/aankomsttijd tot aan de bestemming 96 Selecteren van de kaartmodus 47 Weergave van verkeersinformatie 274 Zoeken van bestemmingen Bladzijde Zoeken van de bestemming 66 Selecteren van het zoekgebied 66 Selecteren van de karakters van het toetsenbord 33 Bedienen van de kaart met de geselecteerde bestemming 85 Routebegeleiding Voordat u de routebegeleiding start Bladzijde Instellen van de bestemming 85 Bekijken van alternatieve routes 87 Starten van routebegeleiding 85 18
2. INDEX FUNCTIES Voordat u de routebegeleiding start of tijdens de routebegeleiding Bladzijde Bekijken van de route 85 1 Toevoegen van bestemmingen 98 Wijzigen van de route 101 Weergave van de geschatte reis-/aankomsttijd tot aan de bestemming 96 Tijdens routebegeleiding Bladzijde Onderbreken van de routebegeleiding 97 Afstellen van het volume van de routebegeleiding 60 Wissen van de bestemming 100 BEKNOPTE HANDLEIDING Weergave van de gehele route 103 Handige functies Geheugenpunten Bladzijde Vastleggen van geheugenpunten 114 Markeren van iconen op de kaart 115 Informatie Bladzijde Weergave van onderhoud auto 136 Handsfree-systeem (voor mobiele telefoon) Bladzijde Initialisatie van Bluetooth 151 Bellen met een Bluetooth -telefoon 159 Beantwoorden van oproepen op een Bluetooth -telefoon 166 Spraakcommandosysteem Bladzijde Bediening van het systeem met spraakcommando's 264 19
3. KORTE UITLEG 1. KAARTSCHERM Overeenkomstig de ingestelde bestemming wordt er automatisch een route gezocht, wordt er stembegeleiding gegeven en verschijnt het begeleidingsscherm. Druk op de toets NAV, en kies als het scherm Menu wordt weergegeven, om dit scherm weer te geven. 20
3. KORTE UITLEG Nr. Naam Functie Bladzijde Symbool 2D noorden boven, 2D rijrichting naar boven en 3D rijrichting naar boven Nationaliteitsaanduiding Informatie-icoon snelheidslimiet Toets uitzoomen Dit symbool geeft aan of de kaartrichting is ingesteld op noorden boven of rijrichting boven. De kaart met het noorden boven is alleen beschikbaar in 2D. De kaart met de rijrichting naar boven is zowel in 2D als 3D beschikbaar. Als de auto een landsgrens overschrijdt, wordt de nationale vlag van dat land aangegeven. Informatie over de snelheidslimiet kan worden weergegeven. Hiermee kunt u de schaal van de kaart verkleinen. 50 130 49 1 BEKNOPTE HANDLEIDING Toets inzoomen Hiermee kunt u de schaal van de kaart vergroten. 49 Menu Afstand en reistijd tot bestemming Indicator verkeersinformatie GPS-symbool (Global Positioning System) Met dit scherm kunt u o.a. een bestemming invoeren en geheugenpunten vastleggen. Geeft de afstand en de geschatte reis-/aankomsttijd tot de bestemming weer. Dit merkteken verschijnt als er verkeersinformatie wordt ontvangen. Op het moment dat uw auto GPS-signalen ontvangt, wordt dit symbool weergegeven. 22 96 275 142 Schaalindicator Dit cijfer geeft de schaal van de kaart aan. 49 21
3. KORTE UITLEG 2. SCHERM Menu Met dit scherm kunt u o.a. een bestemming invoeren en geheugenpunten vastleggen. Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven, om het menuscherm weer te geven. 22
3. KORTE UITLEG Nr. Naam Functie Bladzijde Bestemming Kaartconfiguratie POI tonen Geheugenpunt Huidige opslaan positie U kunt een van de 13 (14 indien UK is geselecteerd) verschillende methoden kiezen om uw bestemming te zoeken. U kunt kiezen uit verschillende kaartconfiguraties. Hiermee kunt u de POI's instellen die op het scherm moeten worden weergegeven. Voor het bewerken van Geheugenpunten, Thuis, Sneltoegang, Te vermijden gebieden, enz. Met deze toets kunt u de actuele locatie of de cursorpositie als een geheugenpunt opslaan. 64 47 105 108 41 1 BEKNOPTE HANDLEIDING Kaartgegevens Route Begeleiding onderbreken of Begeleiding hervatten Hiermee wordt database-informatie met betrekking tot de databaseversie van de kaart en het dekkingsgebied weergegeven. Hiermee kunt u de route en/of de bestemmingen wijzigen. Bovendien kunt u de functies routeoverzicht en gereden route gebruiken. Onderbreken of hervatten van de routebegeleiding. 145 98 97 23
3. KORTE UITLEG 3. SCHERM Instellingen U kunt de onderwerpen instellen die op het scherm Instellingen worden weergegeven. Druk op de toets SETUP om het scherm Instellingen weer te geven. 24
3. KORTE UITLEG Nr. Naam Functie Bladzijde Algemeen Hiermee kunt u de geselecteerde taal, de instellingen voor de bedieningsgeluiden, enz. wijzigen. 52 1 Spraak Navigatie Weergeven Hiermee kunt u de instellingen voor de stembegeleiding aanpassen. Hiermee hebt u toegang tot de pagina waar u de gemiddelde snelheid, de weergegeven scherminhoud, de categorieën POI-iconen, enz. kunt instellen. Hiermee kunt u het contrast en de helderheid van de schermen instellen, het display uitschakelen, enz. 59 130 37 BEKNOPTE HANDLEIDING Voertuig Hiermee kunt u de gegevens over uw voertuig, zoals onderhoudsinformatie, instellen. 136 Info Hiermee kunt u verkeersinformatie, verkeersvoorspellingsinformatie en parkeerinformatie instellen. 279 Audio Hiermee kunt u geluid, radio en ipod instellen. 259 Bluetooth* Telefoon Hiermee kunt u Bluetooth -telefoons en Bluetooth -audioapparaten instellen. Hiermee kunt u de geluidsinstellingen van de telefoon, de instellingen van het telefoonboek en de berichtinstellingen aanpassen. 196, 290 173 *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 25
3. KORTE UITLEG 4. SCHERM Informatie U kunt dit scherm gebruiken om verkeersinformatie, verkeersvoorspellingsinformatie en parkeerinformatie weer te geven. Druk op de toets INFO om het scherm Informatie weer te geven. 26
3. KORTE UITLEG Nr. Naam Functie Bladzijde Verkeersinformatie Verkeersvoorspelling Parkeerinformatie Informatie met betrekking tot het verkeer in de buurt van de actuele locatie of de cursorpositie die wordt ontvangen van RDS-TMC-zenders*, die met de normale FM-signalen of via TPEG-informatie* wordt meegezonden, kan in een overzicht worden bekeken. Voor het gebied rond de actuele locatie of de cursorpositie kan er verkeersvoorspellingsinformatie worden opgevraagd met behulp van ontvangen TPEG-informatie*. De locatie en de beschikbare plaatsen van een parkeerterrein kunnen worden opgevraagd met behulp van ontvangen TPEG-informatie*. Het parkeerterrein kan ook als bestemming worden ingesteld. 274 276 277 1 BEKNOPTE HANDLEIDING Logo provider informatie Wordt weergegeven wanneer TPEG-informatie wordt ontvangen. *: Kan alleen worden gebruikt wanneer er RDS-TMC- of TPEG-informatie (Transport Protocol Experts Group) wordt ontvangen. Afhankelijk van het land of gebied wordt er mogelijk geen RDS-TMC- en TPEG-informatie ontvangen. 27
3. KORTE UITLEG 28
2 BASISFUNCTIES 1 2 1 BASISINFORMATIE 1. OPSTARTSCHERM...30 2. TOUCHSCREEN-BEDIENING...31 3. INVOEREN VAN LETTERS EN CIJFERS/SCROLLEN...32 4. AFSTELLEN SCHERM...37 INSTELLEN SCHERM... 37 5. BEDIENING KAARTSCHERM...39 WEERGAVE ACTUELE LOCATIE... 39 SCROLLEN... 40 KAARTCONFIGURATIE WIJZIGEN... 47 SCHAAL... 49 ORIËNTATIE KAART EN 3D KAARTMODUS... 50 STANDAARD KAARTICONEN... 51 3 4 5 6 7 8 2 CONFIGURATIE 1. ALGEMENE INSTELLINGEN...52 SCHERMEN VOOR ALGEMENE INSTELLINGEN... 52 9 2. SPRAAKINSTELLINGEN...59 SCHERM SPRAAKINSTELLINGEN... 59 29
1. BASISINFORMATIE 1. OPSTARTSCHERM 1 Wanneer het contact in stand ACC of AAN staat, wordt het opstartscherm weergegeven en treedt het systeem in werking. l Wanneer het navigatiesysteem wordt ingeschakeld op een ander scherm dan het begin- of kaartscherm, wordt het scherm LET OP weergegeven wanneer voor het eerst na het inschakelen naar het beginscherm wordt overgeschakeld. ONDERHOUDSINFORMATIE WAARSCHUWING Wanneer de auto stilstaat en het hybridesysteem in werking is, moet uit veiligheidsoverwegingen altijd de parkeerrem worden ingeschakeld. l Na enkele seconden wordt het scherm LET OP weergegeven. Het systeem informeert u wanneer bepaalde onderdelen vervangen moeten worden en toont dealerinformatie (indien geprogrammeerd) op het scherm. Wanneer de auto een vooraf ingestelde afstand of voorgeschreven datum voor een periodieke onderhoudscontrole bereikt en het navigatiesysteem wordt ingeschakeld, wordt het scherm Informatie weergegeven. l Na ongeveer 5 seconden wordt er automatisch overgeschakeld van het scherm LET OP naar het beginscherm. (Als op een andere toets dan wordt gedrukt, wordt het bij die functie behorende scherm weergegeven.) l Dit scherm verdwijnt wanneer het scherm gedurende een aantal seconden niet wordt bediend. l Kies Deze informatie niet meer weergeven. om te voorkomen dat dit scherm opnieuw verschijnt. l Zie ONDERHOUD op bladzijde 136 voor meer informatie over het vastleggen van onderhoudsinformatie. 30
1. BASISINFORMATIE 2. TOUCHSCREEN-BEDIENING Dit systeem wordt hoofdzakelijk bediend met behulp van de toetsen op het scherm. (In deze handleiding schermtoetsen genoemd.) l Als een schermtoets wordt aangeraakt, klinkt er een pieptoon. (Zie bladzijde 52 voor het instellen van de pieptoon.) OPMERKING Een lichte aanraking is voldoende om de toets te bedienen. Druk niet te hard op het scherm. Bedien het scherm niet met een (bal)pen, vingernagel, scherp en/of hard voorwerp en wrijf hier ook niet mee over het scherm, anders zal het scherm beschadigd raken. Bedien de toetsen op het scherm alleen met uw vinger. Wanneer u het touchscreen afveegt, raden wij u aan dit te doen met een zachte, droge doek die u om uw vinger wikkelt. Gebruik geen chemische reinigingsmiddelen om het touchscreen te reinigen. Oefen ook geen overmatige kracht uit op het scherm. INFORMATIE Als het systeem niet reageert op de aanraking van uw vinger, neem uw vinger dan van het scherm en probeer het nogmaals. Gedimd weergegeven schermtoetsen kunnen niet worden bediend. Raak de schermtoetsen op de juiste wijze met uw vinger aan om het touchscreen te bedienen. Wanneer vocht aan de binnenzijde van het touchscreen condenseert, is het soms lastig om het scherm op de juiste wijze te bedienen. Raak het scherm in dat geval niet aan en bedien het touchscreen niet totdat de condens is verdwenen. Het beeld kan donker zijn en de bewegende beelden kunnen vervormd zijn als het scherm nog koud is. Bij extreem koud weer is het mogelijk dat de kaart niet wordt weergegeven en dat ingevoerde gegevens worden gewist. Ook kan het moeilijker zijn de schermtoetsen te bedienen. Wanneer u het scherm door een polariserende zonnebril bekijkt, verschijnt er mogelijk een regenboogpatroon op het scherm als gevolg van de optische eigenschappen van het scherm. Als dit hinderlijk is, bedien het scherm dan zonder polariserende zonnebril. 2 BASISFUNCTIES 31
1. BASISINFORMATIE 3. INVOEREN VAN LETTERS EN CIJFERS/SCROLLEN Als u zoekt naar een adres of een naam, of als u gegevens wilt invoeren, kunt u de letters en cijfers invoeren via het scherm. KARAKTERS EN SOORT TOET- SENBORD WIJZIGEN 1 Kies. LETTERS EN CIJFERS INVOE- REN. 1 Kies de toetsen om letters of cijfers in te voeren. 2 Kies het gewenste karakter en toetsenbord en kies OK. : Hiermee wist u één karakter. Houd uw vinger op deze toets om meerdere karakters te wissen. l Bij sommige invoerschermen kunnen de letters in hoofdletters en kleine letters worden ingevoerd. l Wijzig de instellingen aan de hand van de procedures op de volgende bladzijden. Icoon Functie Invoeren van kleine letters. Invoeren van hoofdletters. 32
1. BASISINFORMATIE KARAKTERS TOETSENBORD SELECTEREN De karakters A-Z, of kunnen worden geselecteerd. 1 Kies. 2 Kies het gewenste karakter. type INFORMATIE Afhankelijk van de condities waaronder de gegevens worden ingevoerd, is het mogelijk dat de toetsenbordkarakters niet kunnen worden gewijzigd. 2 BASISFUNCTIES A-Z type INVOEREN VAN UMLAUTS 1 Kies. 2 Kies. type 3 Kies de umlauttoetsen om umlauts in te voeren. : Hiermee wist u één umlaut. Houd uw vinger op deze toets om meerdere umlauts te wissen. 33
1. BASISINFORMATIE INVOEREN VAN CIJFERS EN SYM- BOLEN 1 Kies. 2 Kies 0-9-%. SOORT TOETSENBORD SELECTE- REN Het soort toetsenbord kan worden gewijzigd. 1 Kies. 2 Kies de gewenste soort toetsenbord. 3 Kies de toetsen om cijfers of symbolen in te voeren. ABCDE type : Hiermee wist u één cijfer of symbool. Houd uw vinger op deze toets om meerdere cijfers en/of symbolen te wissen., : Kies deze toets om andere symbolen weer te geven. QWERTY type AZERTY type 34
1. BASISINFORMATIE WEERGEVEN VAN DE LIJST 1 Kies Lijst om een adres of naam op te zoeken. SCROLLEN Gebruik, wanneer een lijst wordt weergegeven, de juiste schermtoets om door de lijst te scrollen. 2 l Na het invoeren van een deel van het adres of de naam verschijnt er al een lijst op het scherm. l De lijst wordt automatisch weergegeven wanneer het maximumaantal karakters is ingevoerd of wanneer er 5 of minder overeenkomstige vermeldingen zijn. Icoon Functie Hiermee wordt de volgende of vorige pagina weergegeven. Houd uw vinger op of om door de weergegeven lijst te scrollen. BASISFUNCTIES Dit geeft de positie van het weergegeven scherm weer. INFORMATIE Het aantal overeenkomende onderwerpen wordt aan de rechterkant van het scherm aangegeven. Als het aantal alternatieven groter is dan 9999, verschijnt op het scherm. Als rechts naast de naam van een onderwerp verschijnt, is de volledige naam te lang om te worden weergegeven. Kies om naar het einde van de naam te scrollen. Kies om naar het begin van de naam te gaan. 35
1. BASISINFORMATIE SORTEREN U kunt de volgorde van een lijst die op het scherm wordt weergegeven herschikken. 1 Kies Sorteren. Schermtoets Tarief Ruimte Functie Sorteren van parkeerplaatsen op volgorde van laagste naar hoogste tarief. Sorteren van parkeerplaatsen op volgorde van meeste beschikbare plaatsen. WEERGEVEN VAN DE GROEPSLIJST 2 Kies de gewenste sorteercriteria. Het is mogelijk om alleen de gewenste groepsitems weer te geven in het overzicht van geheugenpunten. 1 Kies Groepslijst. Schermtoets Afstand Datum Categorie Icoon Naam Functie Sorteren op afstand van de actuele positie van de auto. Sorteren op volgorde van datum. Sorteren op volgorde van categorie. Sorteren op volgorde van icoon. Sorteren op naam. l Het overzicht van geheugenpunten dat is geregistreerd in de geselecteerde groep wordt weergegeven. Alle groepen: Hiermee kunt u de weergegeven items sluiten en alle groepen weergeven. 2 Kies de gewenste groep. 36
1. BASISINFORMATIE 4. AFSTELLEN SCHERM Het is mogelijk om het contrast en de helderheid van het scherm en het beeld dat de camera weergeeft aan te passen. U kunt ook het display uitschakelen en/of de dag- of nachtmodus selecteren. Afstellen van de schermweergave 2 INSTELLEN SCHERM AFSTELLEN SCHERMWEER- GAVE EN CAMERA-INSTELLIN- GEN 1 Druk op de toets SETUP. Camera: Hiermee kunt u het beeld dat door de camera wordt weergegeven, afstellen. Afstellen van het beeld dat door de camera wordt weergegeven BASISFUNCTIES 2 Kies Weergeven. Menu Kaart:Hiermee kunt u terugkeren naar de weergave-instellingen voor het scherm. 37
1. BASISINFORMATIE AFSTELLEN VAN CONTRAST EN HELDERHEID Het is mogelijk om het contrast en de helderheid van het scherm aan te passen aan de omstandigheden. Het display kan ook worden uitgeschakeld. 1 Kies of om de gewenste functie te selecteren ( Contrast of Helderheid ). 3 Kies OK nadat u het scherm hebt ingesteld. l Het scherm gaat uit wanneer u Scherm uit kiest. Druk op een willekeurige toets om het scherm Weergeven weer in te schakelen. Het geselecteerde scherm wordt weergegeven. WISSELEN TUSSEN DAG- EN NACHTMODUS Afhankelijk van de stand van de lichtschakelaar staat het scherm in de dagof nachtmodus. 2 Kies de gewenste schermtoets om het contrast en de helderheid af te stellen. 1 Om het scherm zelfs bij ingeschakelde verlichting in de dagmodus te zetten, kiest u Dagmodus voor het regelen van de helderheid en het contrast. Schermtoets Contrast + Contrast - Helderheid + Helderheid - Functie Hiermee neemt het contrast toe. Hiermee neemt het contrast af. Hiermee wordt de helderheid van het scherm vergroot. Hiermee wordt de helderheid van het scherm verminderd. l Wanneer met de dimmer van de dashboardverlichting de helderheid wordt vergroot, schakelt het scherm zelfs als de lichtschakelaar is ingeschakeld niet over in de nachtstand. INFORMATIE Wanneer het scherm in de dagmodus staat wanneer de lichtschakelaar is ingeschakeld, blijft deze instelling opgeslagen in het systeem, ook als het hybridesysteem wordt uitgeschakeld. 38
1. BASISINFORMATIE 5. BEDIENING KAARTSCHERM WEERGAVE ACTUELE LOCATIE Druk op de toets NAV, en kies als het scherm Menu wordt weergegeven, om de actuele locatie weer te geven. Op het scherm verschijnen de actuele locatie en een kaart met de omgeving. INFORMATIE Tijdens het rijden wordt de actuele locatie op het scherm weergegeven en beweegt de kaart. De actuele locatie wordt automatisch vastgelegd als uw auto signalen ontvangt van het GPS (Global Positioning System). Als uw actuele locatie niet correct wordt weergegeven, wordt dit automatisch gecorrigeerd als uw auto signalen ontvangt van het GPS. Nadat de 12V-accu is losgenomen, of bij een nieuwe auto, wordt de actuele locatie mogelijk niet goed weergegeven. De actuele locatie wordt automatisch vastgelegd als uw auto signalen ontvangt van het GPS (Global Positioning System). 2 BASISFUNCTIES l De actuele locatie ( ) wordt weergegeven in het midden of midden onder in het kaartscherm. l Afhankelijk van de schaal van de kaart ( ) verschijnt er onder in het scherm een straatnaam. l Zie bladzijde 133 om de actuele locatie handmatig te corrigeren. 39
1. BASISINFORMATIE SCROLLEN Wanneer u een willekeurig punt op de kaart aanraakt, beweegt dat punt naar het midden van het scherm en wordt het aangegeven met de cursor ( ). l Gebruik de scrollfunctie om het gewenste punt naar het midden van het scherm te bewegen om een ander punt op de kaart dan de actuele locatie te bekijken. l Als u uw vinger onafgebroken op het kaartscherm houdt, zal de kaart in die richting blijven scrollen totdat u uw vinger van het scherm haalt. l Afhankelijk van de schaal van de kaart ( ) wordt voor het punt dat wordt aangewezen een straatnaam, naam van een stad, enz. weergegeven. De afstand van de actuele locatie tot wordt eveneens weergegeven ( ). l Na het verplaatsen van het scherm wordt het scherm vastgezet met de gekozen locatie in het midden, totdat u een andere functie activeert. Het merkteken dat de actuele locatie aangeeft, zal zich blijven verplaatsen langs de werkelijke route en kan van het scherm verdwijnen. Als u kiest, wordt het merkteken dat de actuele locatie aangeeft weer in het midden van het scherm weergegeven en beweegt de kaart mee met de route die u aflegt. l Het merkteken kan tijdens het verplaatsen van de kaart van het scherm verdwijnen. Kies op het scherm om de actuele locatie op het kaartscherm weer te geven. INVOEREN VAN DE CURSOR- POSITIE ALS EEN BESTEM- MING U kunt met de scrollfunctie een specifiek punt op de kaart invoeren als bestemming. 1 Kies Invoer. l Op het scherm verschijnt de kaart met de geselecteerde bestemming en de voorkeursroute. (Zie STARTEN VAN ROUTE- BEGELEIDING op bladzijde 85.) 40
1. BASISINFORMATIE DE CURSORPOSITIE OP- SLAAN ALS GEHEUGENPUNT Het opslaan als geheugenpunt geeft snel toegang tot een specifiek punt. 1 Kies Opslaan. DE CURSORPOSITIE INSTEL- LEN ALS TE VERMIJDEN GEBIED U kunt met de scrollfunctie een specifieke locatie op de kaart instellen als een te vermijden gebied. 2 1 Kies Vermijden. BASISFUNCTIES 2 Dit scherm wordt weergegeven. 2 Kies of om de grootte van het te vermijden gebied te wijzigen. l Het geheugenpunt wordt nu op de kaart aangegeven met het symbool. l Zie WIJZIGEN VAN GEHEUGENPUN- TEN op bladzijde 115 voor het wijzigen van de icoon, de naam, enz. 3 Kies OK. INFORMATIE Er kunnen maximaal 500 geheugenpunten worden opgeslagen. Als u meer dan 500 geheugenpunten wilt opslaan, verschijnt er een foutmelding. 41
1. BASISINFORMATIE INFORMATIE Als een bestemming in het te vermijden gebied ligt of de berekende route onvermijdelijk door het te vermijden gebied loopt, wordt mogelijk een route weergegeven die door dit gebied loopt. Er kunnen 10 te vermijden gebieden worden opgegeven. Als er al 10 gebieden zijn ingevoerd, verschijnt de melding Het is niet mogelijk om aanvullende punten te registreren. Voer de handeling opnieuw uit na verwijdering van één of meer punten.. INFORMATIE POI Wanneer de cursor op een POI-icoon wordt geplaatst, verschijnen aan de bovenzijde van het scherm de naam en de toets Info. 1 Kies Info. INFORMATIE TONEN OVER DE ICOON DIE MET DE CURSOR WORDT AANGEWEZEN 2 Hierna verschijnt op het scherm informatie als de naam, het adres, de locatie en het telefoonnummer. l Plaats de cursor op de icoon om informatie te zien over de icoon. 42
1. BASISINFORMATIE l Als u Invoer kiest, wordt de positie van de cursor opgeslagen als bestemming. l Als er al een bestemming is ingevoerd, worden de toetsen Toevoegen aan en Vervangen weergegeven. Toevoegen aan : Om een bestemming toe te voegen. Vervangen : Om bestaande bestemming(en) te verwijderen en een nieuwe in te stellen. l Kies voor het opslaan van een POI als geheugenpunt de toets Opslaan. (Zie VASTLEGGEN VAN GEHEUGENPUN- TEN op bladzijde 114.) l Als u kiest, kunt u het vastgelegde telefoonnummer bellen. l De gewenste POI kan op het scherm worden getoond. (Zie POI'S TONEN op bladzijde 105.) INFORMATIE GEHEUGENPUNT Wanneer de cursor op een geheugenpunt-icoon wordt geplaatst, verschijnen aan de bovenzijde van het scherm de naam en de toets Info. 1 Kies Info. 2 Hierna verschijnt op het scherm informatie als de naam, het adres, de locatie en het telefoonnummer. 2 BASISFUNCTIES 43
1. BASISINFORMATIE l Als u Invoer kiest, wordt de positie van de cursor opgeslagen als bestemming. l Als er al een bestemming is ingevoerd, worden de toetsen Toevoegen aan en Vervangen weergegeven. Toevoegen aan : Om een bestemming toe te voegen. Vervangen : Om bestaande bestemming(en) te verwijderen en een nieuwe in te stellen. l Kies Bewerken om een geheugenpunt te wijzigen. (Zie WIJZIGEN VAN GEHEUGENPUNTEN op bladzijde 115.) l Kies Wissen om een geheugenpunt te wissen. l Als u kiest, kunt u het vastgelegde telefoonnummer bellen. l Als er gedetailleerde geheugenpuntinformatie of -afbeeldingen in het navigatiesysteem zijn geregistreerd, kies dan Details om de informatie te bekijken. INFORMATIE BESTEMMING Wanneer de cursor op een bestemmingsicoon wordt geplaatst, verschijnen aan de bovenzijde van het scherm de naam en de toets Info. 1 Kies Info. 2 Hierna verschijnt op het scherm informatie als de naam, het adres, de locatie en het telefoonnummer. l Kies Wissen om een bestemming te wissen. Opmerking: Hiermee kunt u gedetailleerde geheugenpuntinformatie bekijken. Afbeelding: Hiermee kunt u geheugenpuntafbeeldingen bekijken. l Als u kiest, kunt u het vastgelegde telefoonnummer bellen. 44
1. BASISINFORMATIE VERKEERSINFORMATIE Wanneer de cursor naar een verkeersinformatie-icoon wijst terwijl een zender met verkeersinformatie wordt ontvangen, worden de verkeersinformatie en Info weergegeven. 1 Kies Info. 2 De verkeersinformatie wordt op het scherm weergegeven. INFORMATIE Ook wanneer er op dat moment geen verkeersinformatie wordt ontvangen, worden de verkeersinformatie en Info nog enige tijd na ontvangst van de verkeersinformatie weergegeven. l Kies Details voor gedetailleerde verkeersinformatie VERKEERSVOORSPELLINGS- INFORMATIE Wanneer de cursor naar een verkeersvoorspellingsicoon wijst terwijl een zender met verkeersinformatie wordt ontvangen, worden de verkeersinformatie en Info weergegeven. 1 Kies Info. 2 BASISFUNCTIES 2 De verkeersvoorspellingsinformatie wordt op het scherm weergegeven. 45
1. BASISINFORMATIE INFORMATIE Ook wanneer er op dat moment geen verkeersvoorspellingsinformatie wordt ontvangen, worden de verkeersvoorspellingsinformatie en Info nog enige tijd na ontvangst van de verkeersvoorspellingsinformatie weergegeven. PARKEERINFORMATIE Wanneer de cursor op een parkeericoon wordt geplaatst, verschijnen aan de bovenzijde van het scherm de naam en de toets Info. 1 Kies Info. l Als u Invoer kiest, wordt de positie van de cursor opgeslagen als bestemming. l Als er al een bestemming is ingevoerd, worden de toetsen Toevoegen aan en Vervangen weergegeven. Toevoegen aan : Om een bestemming toe te voegen. Vervangen : Om bestaande bestemming(en) te verwijderen en een nieuwe in te stellen. l Als u kiest, kunt u het vastgelegde telefoonnummer bellen. l Kies Kaart om de kaart van de omgeving van de parkeericoon weer te geven. l Kies Details voor gedetailleerde parkeerinformatie. 2 Hierna verschijnt op het scherm informatie als de naam, het adres, de locatie en het telefoonnummer. 46
1. BASISINFORMATIE KAARTCONFIGURATIE WIJZIGEN l Afhankelijk van de omstandigheden kunnen bepaalde configuratietoetsen niet worden geselecteerd. U kunt kiezen uit verschillende schermconfiguraties. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. Schermtoets Enkele kaart Dubbele kaart Kompas Functie Weergeven van het enkele kaartscherm. (Zie bladzijde 48.) Weergeven van het dubbele kaartscherm. (Zie bladzijde 48.) Weergeven van het kompasscherm. (Zie bladzijde 49.) 2 BASISFUNCTIES Richtinglijst Weergeven van het scherm met de richtinglijst. (Zie bladzijde 92.) 2 Kies Kaartconfiguratie. Pijl Weergeven van het pijlenscherm. (Zie bladzijde 92.) Kruispunt Weergeven van het begeleidingsscherm voor kruispunten of het begeleidingsscherm voor autosnelwegen. (Zie bladzijde 91.) 3 Kies de gewenste configuratie met behulp van de schermtoetsen. Snelweg Weergeven van autosnelweginformatie. (Zie bladzijde 90.) 47
1. BASISINFORMATIE SCHERMCONFIGURATIES ENKELE KAART Dit is een normaal kaartscherm. RECHTER SCHERM BEWERKEN De rechter kaart kan worden gewijzigd door op een willekeurig punt op de rechter kaart te drukken. 1 Kies de gewenste schermtoets. l Op het scherm wordt een enkele kaart weergegeven. l Als u op een ander scherm Enkele kaart kiest, wordt het enkele kaartscherm weergegeven. DUBBELE KAART Een kaartscherm kan gescheiden worden weergegeven. l Op dit scherm kunt u de volgende procedures uitvoeren. Nr. Functie Wijzigen van de kaartrichting Weergeven van POI-iconen Tonen van verkeersinformatie (zie bladzijde 274.) Wijzigen van de schaal van de kaart 2 Kies na het wijzigen OK. l Hierna verschijnt het scherm met de dubbele kaart weer. l Op dit scherm wordt een dubbele kaart weergegeven. De linker kaart is de hoofdkaart. l Als u op een ander scherm Dubbele kaart kiest, wordt het dubbele kaartscherm weergegeven. 48
1. BASISINFORMATIE KOMPAS De actuele locatie wordt niet aangegeven met een kaart, maar met een kompas. SCHAAL 1 Kies of om de schaal van het kaartscherm te wijzigen. 2 l Op het scherm verschijnt informatie over de bestemming en de actuele locatie en een kompas. l Als u op een ander scherm Kompas kiest, wordt het kompasscherm weergegeven. l De horizontale balk onder aan het scherm en de indicator geven de schaal aan. De schaal loopt van 50 m tot 500 km. l Houd uw vinger op of om de schaal van de kaart te wijzigen. l U kunt de gewenste schaal ook instellen door de balk zelf te selecteren. BASISFUNCTIES INFORMATIE Het merkteken voor de bestemming wordt weergegeven in de richting van de bestemming. Controleer tijdens het rijden de lengte- en breedtecoördinaten en het kompas om er zeker van te zijn dat de auto in de richting van de bestemming rijdt. Wanneer de auto uit het dekkingsgebied rijdt, schakelt het begeleidingsscherm over op het kompasscherm. INFORMATIE De schaal is weergegeven onder het symbool Noorden of Rijrichting links boven in het scherm. Als de schaal maximaal is (500 km), wordt niet weergegeven. Als de schaal minimaal is (50 m), wordt niet weergegeven. 49
1. BASISINFORMATIE ORIËNTATIE KAART EN 3D KAARTMODUS U kunt de oriëntatie van de kaart wijzigen van tussen 2D noorden boven, 2D rijrichting boven en 3D rijrichting boven door de toets links boven in het scherm te kiezen. 1 Kies, of. Noorden boven : Noorden boven Het noorden is altijd boven, onafhankelijk van de bewegingsrichting van de auto. : Rijrichting boven (wanneer in 2D kaartmodus) De rijrichting is altijd naar boven. Het rode pijltje geeft het noorden aan. : Rijrichting boven (wanneer in 3D kaartmodus) De rijrichting is altijd naar boven. Het rode pijltje geeft het noorden aan. l In de 3D kaartmodus is alleen de mogelijkheid voor rijrichting boven beschikbaar. Rijrichting boven 3D 50
1. BASISINFORMATIE STANDAARD KAARTICONEN Icoon Beschrijving Stad met > 1 miljoen inwoners 2 Stad met 500.000 tot 1 miljoen inwoners Stad met 200.000 tot 500.000 inwoners Stad met 100.000 tot 200.000 inwoners BASISFUNCTIES Stad met 20.000 tot 100.000 inwoners Stad met 10.000 tot 20.000 inwoners Stad met < 10.000 inwoners Park/monument Golfbaan Luchthaven Ziekenhuis/polikliniek Winkelcentrum Universiteit/hogeschool Kazerne/legerbasis 51
2. CONFIGURATIE 1. ALGEMENE INSTELLINGEN Instelmogelijkheden voor de taal, de bedieningsgeluiden, enz. 1 Druk op de toets SETUP. SCHERMEN VOOR ALGEMENE INSTELLINGEN 2 Kies Algemeen. l Op dit scherm kunt u de volgende handelingen uitvoeren: 3 Kies de onderwerpen die u wilt instellen. 4 Kies OK. Nr. Functie Kies deze toets om de tijdzone te wijzigen en selecteer Aan of Uit voor zomertijd. (Zie INSTELLINGEN SYSTEEMTIJD op bladzijde 53.) Kies deze toets om de taal te wijzigen. (Zie TAAL SELECTEREN op bladzijde 55.) Kies deze toets om de taal voor spraakherkenning te wijzigen. (Zie EEN TAAL VOOR DE SPRAAK- HERKENNING SELECTEREN op bladzijde 55.) 52
2. CONFIGURATIE Nr. Functie INSTELLINGEN SYSTEEMTIJD Kies deze toets om de instellingen voor het beginscherm te wijzigen. (Zie INSTELLINGEN BEGIN- SCHERM op bladzijde 56.) Kies deze toets om de piepsignalen Aan of Uit te zetten. Kies deze toets om het automatisch veranderen van het scherm Aan of Uit te zetten. Als Aan is geselecteerd, keert het audioscherm automatisch terug naar het vorige scherm (bijvoorbeeld het kaartscherm) als er gedurende 20 seconden geen toetsen worden bediend. Kies deze toets om de toetskleur te wijzigen. (Zie EEN TOETSKLEUR SELECTEREN op bladzijde 56.) Kies deze toets om de eenheid voor afstand te wijzigen. (Zie MEETEEN- HEID op bladzijde 57.) Kies deze toets om persoonlijke gegevens te wissen. (Zie PERSOON- LIJKE GEGEVENS WISSEN op bladzijde 57.) Kies deze toets om programmaversies te updaten. Neem voor meer informatie contact op met uw Toyotadealer of erkende reparateur. Wordt gebruikt om de tijdzone te wijzigen en voor het in- of uitschakelen van zomertijd. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Algemeen op het scherm Instellingen. 3 Kies Systeemtijd. 4 Kies de items die u wilt instellen. l Op dit scherm kunt u de volgende handelingen uitvoeren: 2 BASISFUNCTIES Nr. Functie Kies deze toets om de tijdzone te wijzigen. (Zie TIJDZONE op bladzijde 54.) Kies deze toets om de zomertijd Aan of Uit te zetten. 5 Kies OK. 53
2. CONFIGURATIE TIJDZONE Een tijdzone kan worden geselecteerd en GMT kan worden ingesteld. l Als Andere wordt gekozen, kan de tijdzone handmatig worden ingesteld. Kies + of - om de tijdzone aan te passen en kies vervolgens OK. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Algemeen op het scherm Instellingen. 3 Kies Systeemtijd op het scherm Algemene instellingen. 4 Kies Tijdzone. 6 Kies OK. 5 Kies de gewenste tijdzone. 54
2. CONFIGURATIE TAAL SELECTEREN U kunt de taal wijzigen. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Algemeen op het scherm Instellingen. 3 Kies Taal. EEN TAAL VOOR DE SPRAAK- HERKENNING SELECTEREN U kunt de taal voor de spraakherkenning wijzigen. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Algemeen op het scherm Instellingen. 3 Kies Taal spraakherkenning. 2 BASISFUNCTIES 4 Kies de gewenste schermtoets. 4 Kies de gewenste schermtoets. l Het vorige scherm wordt weergegeven. 5 Kies OK. l Er verschijnt een bericht ter bevestiging. Kies Ja om het instellen te voltooien en terug te keren naar het scherm Algemene instellingen. 5 Kies OK. 55
2. CONFIGURATIE INSTELLINGEN BEGIN- SCHERM Wisselen tussen het audioscherm en het scherm voor het brandstofverbruik, en de weergave van het klimaatscherm kan worden in- en uitgeschakeld. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Algemeen op het scherm Instellingen. EEN TOETSKLEUR SELECTEREN U kunt de kleur van de schermtoetsen wijzigen. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Algemeen op het scherm Instellingen. 3 Kies Toetskleur. 3 Kies Beginscherm. 4 Kies de gewenste schermtoetskleur. l U kunt ook op het Beginscherm komen door op de toets te drukken. 4 Kies de onderwerpen die u wilt instellen. l Het vorige scherm wordt weergegeven. 5 Kies OK. 5 Kies OK. 56
2. CONFIGURATIE MEETEENHEID De meeteenheid kan worden gewijzigd. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Algemeen op het scherm Instellingen. 3 Kies Meeteenheid. PERSOONLIJKE GEGEVENS WISSEN 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Algemeen op het scherm Instellingen. 3 Kies Persoonlijke gegevens wissen. 2 BASISFUNCTIES 4 Kies km of mile. 4 Kies Wissen. 5 Kies OK. l Deze optie is alleen in het Engels beschikbaar. Zie TAAL SELECTE- REN op bladzijde 55 om de taal te wijzigen. 57
2. CONFIGURATIE 5 Kies Ja. l U kunt de volgende persoonlijke gegevens verwijderen of in de beginwaarden terugzetten: Onderhoudsvoorwaarden Uitschakelen onderhoudsinformatie Geheugenpunt Wachtwoordinstellingen voor het opslaan en kopiëren van geheugenpunten Te vermijden gebieden Eerdere punten Routebegeleiding Gereden route Gegevens uit het telefoonboek Gegevens oproepgeschiedenis Gegevens met betrekking tot snelkiezen Bluetooth -telefoongegevens Geluidsinstellingen telefoon Display-instellingen telefoon Instellingen voor meldingen Audio-instellingen Instellingen Bluetooth -audio Instellingen zoekmachine INFORMATIE Deze functie is tijdens het rijden niet beschikbaar. 58
2. CONFIGURATIE 2. SPRAAKINSTELLINGEN De stembegeleiding kan worden ingesteld. 1 Druk op de toets SETUP. SCHERM SPRAAKINSTEL- LINGEN 2 l Op dit scherm kunt u de volgende handelingen uitvoeren: BASISFUNCTIES 2 Kies Spraak. 3 Kies de onderwerpen die u wilt instellen. Nr. Functie U kunt het volume van de stembegeleiding instellen of uitschakelen. (Zie SPRAAKVOLUME op bladzijde 60.) Stembegeleiding kan Aan of Uit worden gezet. Deze instelling kan ook worden gewijzigd via het scherm Snelkoppelingen. (Zie bladzijde 264.) Stembegeleiding tijdens het gebruik van het audiosysteem kan Aan of Uit worden gezet. Stembegeleiding tijdens het routebegeleiding kan Aan of Uit worden gezet. l Kies Standaard om alle in te stellen onderwerpen te resetten. 4 Kies OK. 59
2. CONFIGURATIE SPRAAKVOLUME U kunt het volume van de stembegeleiding instellen of uitschakelen. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Spraak op het scherm Instellingen. 3 Kies een nummer op het scherm om het gewenste volume in te stellen. l Kies Uit om de stembegeleiding uit te schakelen wanneer u dit niet nodig hebt. 4 Kies OK. 60
2. CONFIGURATIE 2 BASISFUNCTIES 61
1 ZOEKEN VAN BESTEMMING 2 ROUTEBEGELEIDING 1. KORTE UITLEG...64 2. ZOEKEN VAN BESTEMMING...66 SELECTEREN VAN HET ZOEKGEBIED... 66 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN THUIS... 68 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN SNELTOEGANG... 69 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Adres... 69 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN POI... 73 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Kaart... 76 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Geheugen... 77 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Vorige... 77 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Kruispunt... 78 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Op-/afrit snelweg... 79 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Coördinaten... 80 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Telefoonnummer... 80 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN POI nabij cursor... 81 ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Postcode in UK... 84 1. ROUTEBEGELEIDINGS- SCHERM... 89 2. SPECIFIEKE STEM- BEGELEIDINGSTERMEN... 93 3. AFSTAND EN REISTIJD TOT BESTEMMING... 96 4. ONDERBREKEN EN HERVATTEN VAN DE BEGELEIDING... 97 5. INVOEREN VAN ROUTE... 98 TOEVOEGEN VAN BESTEMMINGEN... 98 HERSCHIKKEN VAN BESTEMMINGEN... 99 WISSEN VAN BESTEMMINGEN... 100 ZOEKCRITERIUM... 100 INSTELLEN VAN OMLEIDING... 101 WEGVOORKEUR... 102 ROUTEOVERZICHT... 103 GEREDEN ROUTE... 104 6. POI'S TONEN... 105 WEER TE GEVEN POI-ICONEN SELECTEREN... 105 3. STARTEN VAN ROUTEBEGELEIDING...85 62
3 NAVIGATIESYSTEEM 1 3 GEHEUGENPUNTEN 1. INSTELLINGEN GEHEUGENPUNT... 108 INSTELLEN VAN Thuis... 109 INSTELLEN VAN Sneltoegang... 111 INSTELLEN VAN DE Geheugenpunten... 114 INSTELLEN VAN Te vermijden gebied... 120 WISSEN VAN VORIGE BESTEMMINGEN... 125 OPSLAAN OP EEN USB- GEHEUGEN... 125 KOPIËREN VANAF EEN USB- GEHEUGEN... 128 5 GPS (GLOBAL POSITIONING SYSTEM) 1. BEPERKINGEN VAN HET NAVIGATIESYSTEEM...142 2. DATABASEVERSIE KAART EN DEKKINGSGEBIED...145 KAARTINFORMATIE...145 2 3 4 5 6 7 4 CONFIGURATIE 1. NAVIGATIE-INSTELLINGEN... 130 SCHERMEN VOOR NAVIGATIE- INSTELLINGEN... 130 2. VOERTUIGINSTELLINGEN... 136 ONDERHOUD... 136 VOERTUIGAANPASSING... 140 8 9 *: nuttige adressen 63
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING 1. KORTE UITLEG U kunt een bestemming zoeken via het scherm Bestemming. Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven, om het menuscherm weer te geven. Kies vervolgens Bestemming om het scherm Bestemming weer te geven. Nr. Naam Functie Bladzijde Adres POI Online zoeken Vorige U kunt met behulp van de invoertoetsen het huisnummer en de straatnaam invoeren. U kunt een van de POI's selecteren die in de database van het systeem zijn opgeslagen. Het navigatiesysteem kan met behulp van een zoekmachine een bestemming instellen door gebruik te maken van de meest recente gegevens. U kunt kiezen uit een van de 100 laatst ingevoerde bestemmingen of uit eerdere startpunten. 69 73 295 77 64
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING Nr. Naam Functie Bladzijde Geheugen U kunt de gewenste locatie selecteren uit de opgeslagen geheugenpunten. (Zie VASTLEGGEN VAN SNELTOEGANG op bladzijde 112 voor het opslaan van geheugenpunten.) 77 Hiermee kunt u de naam van de op-/afrit invoeren. Kaart Kruispunt Op-/afrit snelweg Postcode in UK Toets zoekgebied U kunt een bestemming instellen door met uw vinger een locatie op het kaartscherm aan te raken. Hiermee kunt u de namen van 2 elkaar kruisende straten invoeren. Dit is handig wanneer u niet het precieze adres, maar alleen de buurt weet. In het Verenigd Koninkrijk kunt u bestemmingen opzoeken met behulp van de postcode. Kies deze schermtoets om het gebied waarin gezocht wordt te wijzigen. 76 78 79 84 66 3 NAVIGATIESYSTEEM POI nabij cursor De bestemming kan worden ingevoerd door het zoekpunt en de categorie POI's te selecteren. 81 sneltoe- Toets gang U kunt één van de 5 toetsen voor sneltoegang selecteren als een bestemming. Om deze functie te kunnen gebruiken, moet u aan de toetsen voor sneltoegang een sneltoegang toewijzen. (Zie VASTLEGGEN VAN SNELTOEGANG op bladzijde 112 voor het vastleggen van een sneltoegang.) 69 Thuis Hiermee kunt u uw thuisadres selecteren zonder telkens het adres in te voeren. Als er geen thuisadres is vastgelegd, wordt een melding weergegeven en verschijnt automatisch het instelscherm. (Zie VASTLEGGEN VAN THUIS op bladzijde 109 voor het vastleggen van thuis) 68 Coördinaten Telefoonnummer Hiermee kunt u de lengte- en breedtegraad invoeren. Hiermee kunt u een bestemming invoeren met behulp van een telefoonnummer. 80 80 65
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING 2. ZOEKEN VAN BESTEMMING 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. SELECTEREN VAN HET ZOEKGEBIED 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies de toets voor het zoekgebied om een kaart van Europa met 37 landen op het scherm te laten verschijnen. 2 Selecteer Bestemming. 3 Dit scherm wordt weergegeven. l Zie DATABASEVERSIE KAART EN DEKKINGSGEBIED op bladzijde 145 voor database-informatie kaart en updates. 4 Druk op de toets van het gebied dat u wilt selecteren. l U kunt een van de 13 (14 indien UK is geselecteerd) verschillende methoden kiezen om uw bestemming te zoeken. (Zie bladzijde 66 t/m 84.) INFORMATIE Tijdens het zoeken naar een bestemming is de reactie van de schermtoetsen mogelijk traag. 5 Kies OK. Het scherm Bestemming wordt weergegeven. 66
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING SELECTEREN VAN HET ZOEK- GEBIED OP HET INVOER- SCHERM Gebruik Adres, POI, Op-/afrit snelweg, Kruispunt of Telefoonnummer om het zoekgebied te wijzigen en een bestemming in een ander gebied in te stellen. 1 Kies de toets voor het zoekgebied op het invoerscherm om een kaart van Europa met 37 landen op het scherm te laten verschijnen. Schermtoets Zoekgebieden A Oostenrijk* 1 AND Andorra B België BG Bulgarije CH Zwitserland* 1 CZ Tsjechië D Duitsland DK Denemarken E Spanje* 2 EST Estland F Frankrijk* 3 FIN Finland 3 NAVIGATIESYSTEEM FL Liechtenstein l Zie DATABASEVERSIE KAART EN DEKKINGSGEBIED op bladzijde 145 voor database-informatie kaart en updates. 2 Druk op de toets van het gebied dat u wilt selecteren. GR Griekenland H Hongarije HR Kroatië I Italië* 4 IRL Ierland ISL IJsland L LT LV MC N NL P PL RO Luxemburg Litouwen Letland Monaco Noorwegen Nederland Portugal Polen Roemenië 67
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING Schermtoets Zoekgebieden ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN THUIS RSM San Marino RU S SK SLO TUR UK UKR V Rusland Zweden Slowakije Slovenië Turkije Verenigd Koninkrijk Oekraïne Vaticaanstad 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies Thuis. * 1 : Inclusief Liechtenstein * 2 : Inclusief Andorra * 3 : Inclusief Andorra en Monaco * 4 : Inclusief San Marino en Vaticaanstad 3 Kies OK. Het vorige scherm wordt weergegeven. l Op het scherm verschijnt de kaart met het geregistreerde thuisadres en de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBEGE- LEIDING op bladzijde 85.) l Om deze functie te kunnen gebruiken, moet u een thuisadres instellen. (Zie bladzijde voor het vastleggen van Thuis109.) INFORMATIE Als er geen thuisadres is vastgelegd, wordt een melding weergegeven en verschijnt automatisch het instelscherm. 68
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN SNELTOE- GANG 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies een van de toetsen voor sneltoegang (1-5) op het scherm Bestemming. l Op het scherm verschijnt de kaart met de locatie van de sneltoegang en de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBE- GELEIDING op bladzijde 85.) l Om deze functie te kunnen gebruiken, moet u aan de toetsen voor sneltoegang (1-5) een sneltoegang toewijzen. (Zie VASTLEGGEN VAN SNELTOEGANG op bladzijde 112.) INFORMATIE Als een sneltoegang niet is vastgelegd, wordt een melding weergegeven ter bevestiging dat het wenselijk is om een sneltoegang in te stellen. ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Adres Er kan op de volgende 2 manieren worden gezocht naar een bestemming met behulp van een adres: (a) Invoeren van een straatnaam (b) Selecteren van de stad waar gezocht moet worden 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies Adres op het scherm Bestemming. 4 Voer de straatnaam in of kies Stad om de stad te selecteren waar gezocht moet worden. l Het karakter van het toetsenbord wordt automatisch aangepast als het zoekgebied wordt gewijzigd. (Zie SELECTE- REN VAN HET ZOEKGEBIED op bladzijde 66.) 3 NAVIGATIESYSTEEM 69
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING INVOEREN VAN EEN STRAAT- NAAM 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies Adres op het scherm Bestemming. 4 Voer de straatnaam in en kies Lijst. 6 Selecteer de gewenste stad of voer deze in. Naam invoeren: Hiermee kunt u de lijst verkleinen, door de naam van de stad in te voeren. l Als het huisnummer van een adres meer dan 1 achtervoegsel heeft, wordt het selectiescherm weergegeven. Kies het gewenste huisnummer. 7 Voer het huisnummer in. 5 Kies de toets van de gezochte straatnaam in de weergegeven lijst. l Als hetzelfde adres in meerdere steden voorkomt, wordt er een scherm weergegeven waarin u de stadsnaam kunt invoeren of selecteren. l Als er een lijst huisnummers op het scherm verschijnt, kunt u een deel van de lijst selecteren. l Op het scherm verschijnt de kaart met de geselecteerde bestemming en de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBE- GELEIDING op bladzijde 85.) 70
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING SELECTEREN VAN DE STAD WAAR GEZOCHT MOET WORDEN 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies Adres op het scherm Bestemming. 4 Kies Stad. INVOEREN VAN DE STADSNAAM 1 Kies Stadsnaam. 2 Voer de stadsnaam in. 3 Kies de toets van de gezochte stad in de weergegeven lijst. 3 NAVIGATIESYSTEEM 5 Kies de gewenste schermtoets. l Op dit scherm kunt u de volgende handelingen uitvoeren: : Hiermee kunt u de geselecteerde bestemming en de wegvoorkeur weergeven. (Zie STARTEN VAN ROUTEBEGE- LEIDING op bladzijde 85.) l Het actuele scherm verandert in het scherm waar de straatnaam kan worden ingevoerd. Na het invoeren van de straatnaam verschijnt mogelijk een scherm waarin het huisnummer kan worden ingevoerd of verschijnt een kaart. Nr. Functie Voer de stadsnaam in Kies een van de 5 dichtstbijzijnde steden Voer de postcode in Annuleer de stadinstelling Kies een van de laatste 5 steden 71
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING SELECTEREN UIT DE 5 DICHTST- BIJZIJNDE STEDEN 3 Kies de toets van de gezochte postcode in de weergegeven lijst. 1 Kies 5 dichtstbijzijnde steden. 2 Kies de toets van de gezochte stad in de weergegeven lijst. l Het actuele scherm verandert in het scherm waar de straatnaam kan worden ingevoerd. Na het invoeren van de straatnaam verschijnt mogelijk een scherm waarin het huisnummer kan worden ingevoerd of verschijnt een kaart. INVOEREN VAN DE POSTCODE l Het actuele scherm verandert in het scherm waar de straatnaam kan worden ingevoerd. Na het invoeren van de straatnaam verschijnt mogelijk een scherm waarin het huisnummer kan worden ingevoerd of verschijnt een kaart. SELECTEREN UIT DE 5 LAATSTE STEDEN 1 Kies de toets van de gezochte stad. 1 Selecteer Postcode. 2 Voer de postcode in. l Als u het navigatiesysteem nog niet gebruikt hebt, verschijnen er geen stadsnamen op het scherm. l Het actuele scherm verandert in het scherm waar de straatnaam kan worden ingevoerd. Na het invoeren van de straatnaam verschijnt mogelijk een scherm waarin het huisnummer kan worden ingevoerd of verschijnt een kaart. 72
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN POI 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies POI op het scherm Bestemming. 4 Voer de naam van de POI in. l Op het scherm verschijnt de kaart met de geselecteerde bestemming en de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBE- GELEIDING op bladzijde 85.) Als dezelfde naam in meerdere steden bestaat, kunt u uw bestemming gemakkelijker opzoeken met de toetsen Stad en Categorie. (Zie SELECTEREN VAN DE STAD WAAR GEZOCHT MOET WORDEN op bladzijde 74 en SELEC- TEREN UIT DE CATEGORIEËN op bladzijde 76.) Als u de naam van een specifiek POI invoert en er meer dan twee adressen zijn met dezelfde naam, verschijnt er een lijst op het scherm. 1 Kies de toets van de gezochte bestemming. 3 NAVIGATIESYSTEEM l Het karakter van het toetsenbord wordt automatisch aangepast als het zoekgebied wordt gewijzigd. (Zie SELECTE- REN VAN HET ZOEKGEBIED op bladzijde 66.) 5 Kies de toets van de gezochte bestemming. l De gewenste POI kan op het scherm worden getoond. (Zie POI'S TONEN op bladzijde 105.) 73
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING SELECTEREN VAN DE STAD WAAR GEZOCHT MOET WOR- DEN 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. INVOEREN VAN DE STADSNAAM 1 Kies Stadsnaam. 2 Voer de stadsnaam in. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies POI op het scherm Bestemming. 4 Kies Stad. 3 Kies de toets van de gezochte stad in de weergegeven lijst. 5 Kies de gewenste schermtoets. l Het actuele scherm verandert in het scherm waar de naam van de POI kan worden ingevoerd. Na het invoeren van de naam van de POI wordt mogelijk het overzicht met POI-namen weergegeven. l Op dit scherm kunt u de volgende handelingen uitvoeren: Nr. Functie Voer de stadsnaam in Kies een van de 5 dichtstbijzijnde steden Voer de postcode in Annuleer de stadinstelling Kies een van de laatste 5 steden 74
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING SELECTEREN UIT DE 5 DICHTST- BIJZIJNDE STEDEN 3 Kies de toets van de gezochte postcode in de weergegeven lijst. 1 Kies 5 dichtstbijzijnde steden. 2 Kies de toets van de gezochte stad. 3 l Het actuele scherm verandert in het scherm waar de naam van de POI kan worden ingevoerd. Na het invoeren van de naam van de POI wordt mogelijk het overzicht met POI-namen weergegeven. INVOEREN VAN DE POSTCODE l Het actuele scherm verandert in het scherm waar de naam van de POI kan worden ingevoerd. Na het invoeren van de naam van de POI wordt mogelijk het overzicht met POI-namen weergegeven. SELECTEREN UIT DE 5 LAATSTE STEDEN 1 Kies de toets van de gezochte stad. NAVIGATIESYSTEEM 1 Selecteer Postcode. 2 Voer de postcode in. l Het actuele scherm verandert in het scherm waar de naam van de POI kan worden ingevoerd. Na het invoeren van de naam van de POI wordt mogelijk het overzicht met POI-namen weergegeven. l Als u het navigatiesysteem nog niet gebruikt hebt, verschijnen er geen stadsnamen op het scherm. 75
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING SELECTEREN UIT DE CATEGORIEËN 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies POI op het scherm Bestemming. 4 Kies Categorie. l Als u de gezochte categorie kiest, verschijnt de POI-lijst. ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Kaart 1 Druk op toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 5 Dit scherm wordt weergegeven. 3 Kies Kaart op het scherm Bestemming. 4 Schuif de kaart naar het gewenste punt op de kaart. l Als de gewenste categorie POI's op het scherm is verschenen, kies dan de naam om een gedetailleerde lijst van de categorie op het scherm weer te geven. l Als de gewenste POI-categorie niet op het scherm is verschenen, kies dan de toets Lijst alle categorieën om alle POI-categorieën weer te geven. 5 Kies Invoer. l Het navigatiesysteem gaat op zoek naar de route. (Zie STARTEN VAN ROUTEBE- GELEIDING op bladzijde 85.) 76
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Geheugen 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies Geheugen op het scherm Bestemming. 4 Kies de toets van het gezochte geheugenpunt. ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Vorige 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies Vorige op het scherm Bestemming. 4 Kies de toets van de gezochte bestemming. 3 NAVIGATIESYSTEEM l Er wordt een lijst van geregistreerde geheugenpunten weergegeven. Externe punten: Locaties die met behulp van een computer zijn gevonden, kunnen als bestemming worden ingesteld. (Zie IM- PORTEREN VAN GEHEUGENPUNTEN op bladzijde 299.) l Op het scherm verschijnt de kaart met de geselecteerde bestemming en de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBE- GELEIDING op bladzijde 85.) l De voorgaande bestemmingen, tot maximaal 100 stuks, worden op het scherm weergegeven. Wissen: Hiermee kunt u de vorige bestemming wissen. (Zie bladzijde 125 voor het wissen van vorige bestemmingen.) l Op het scherm verschijnt de kaart met de geselecteerde bestemming en de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBE- GELEIDING op bladzijde 85.) l U kunt de vorige bestemmingen ook wissen door Vorige punten wissen te kiezen op het scherm Geheugenpunten. (Zie WISSEN VAN VORIGE BESTEMMINGEN op bladzijde 125.) 77
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Kruispunt 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 5 Kies Lijst. 6 Kies de schermtoets van het gewenste onderwerp. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies Kruispunt op de tweede pagina van het scherm Bestemming. 4 Voer de naam in van de twee kruisende straten, vlak bij de bestemming die moet worden gevonden. l Na het invoeren van de twee elkaar kruisende straten, verschijnt de kaart van de bestemming op het scherm met de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBE- GELEIDING op bladzijde 85.) INFORMATIE l Het karakter van het toetsenbord wordt automatisch aangepast als het zoekgebied wordt gewijzigd. (Zie SELECTE- REN VAN HET ZOEKGEBIED op bladzijde 66.) Als dezelfde straten elkaar op meer dan 1 kruispunt kruisen, wijzigt het scherm en geeft dit het menu weer waarin de stadsnaam gekozen kan worden waar de straten kruisen. Kies de stad en de kaart met de geselecteerde bestemming en de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBEGELEIDING op bladzijde 85.) 78
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Op-/afrit snelweg 5 Kies de schermtoets van de gewenste snelweg. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies Op-/afrit snelweg op de tweede pagina van het scherm Bestemming. 4 Voer het snelwegnummer in. 6 U kunt een Oprit of Afrit selecteren. 3 NAVIGATIESYSTEEM l Vul bij het invoeren de complete naam in. l Het karakter van het toetsenbord wordt automatisch aangepast als het zoekgebied wordt gewijzigd. (Zie SELECTE- REN VAN HET ZOEKGEBIED op bladzijde 66.) 7 Kies de schermtoets van de gewenste oprit of afrit. l Op het scherm verschijnt de kaart met de geselecteerde bestemming en de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBE- GELEIDING op bladzijde 85.) 79
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Coördinaten 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies Coördinaten op de tweede pagina van het scherm Bestemming. 4 Voer de breedte- en lengtegraad in. ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Telefoonnummer 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies Telefoonnummer op de tweede pagina van het scherm Bestemming. 4 Voer het telefoonnummer in. 5 Kies na het invoeren van de lengte- en breedtegraad OK. l Als u de toets van het gewenste punt kiest, verschijnt de kaart van de bestemming op het scherm met de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBEGELEI- DING op bladzijde 85.) 5 Kies OK nadat het telefoonnummer is ingevoerd. l Op het scherm verschijnt de kaart met de geselecteerde bestemming en de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBE- GELEIDING op bladzijde 85.) l Als er meer dan 1 bestemming is met hetzelfde telefoonnummer, verschijnt het volgende scherm. 80
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING l Om een geheugenpunt vast te leggen als bestemming met behulp van een telefoonnummer, moet het telefoonnummer eerst zijn opgeslagen. (Zie bladzijde 114.) Nr. Functie Voer het stadscentrum in Voer de actuele locatie als zoekpunt in ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN POI nabij cursor Voer het zoekpunt via het kaartscherm in Voer het zoekpunt in vanaf elke willekeurige bestemming 3 De bestemming kan worden ingevoerd door de categorie POI's te selecteren en door zoekpunten te selecteren. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies POI nabij cursor op de tweede pagina van het scherm Bestemming. 4 Voer het zoekpunt op één van de volgende manieren in: l Het is mogelijk de namen weer te geven van de POI's die zich binnen ongeveer 30 km van het geselecteerde zoekpunt bevinden. INVOEREN VAN HET STADS- CENTRUM 1 Kies Stadscentrum invoeren. 2 Voer de naam van het stadscentrum in. NAVIGATIESYSTEEM l Het karakter van het toetsenbord wordt automatisch aangepast als het zoekgebied wordt gewijzigd. (Zie SELECTE- REN VAN HET ZOEKGEBIED op bladzijde 66.) 81
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING 3 Kies het gezochte stadscentrum. INVOEREN VAN DE ACTUELE LOCATIE ALS ZOEKPUNT 1 Kies Huidige positie. l Het zoekpunt wordt op de actuele locatie ingesteld en het scherm POI nabij cursor wordt weergegeven. 4 Kies een van de pijlen om de kaart in de desbetreffende richting te verplaatsen. Het verplaatsen stopt wanneer u uw vinger van het scherm haalt. INVOEREN VAN HET ZOEK- PUNT VIA HET KAARTSCHERM 1 Kies Kaart. 2 Kies een van de pijlen om de kaart in de desbetreffende richting te verplaatsen. Het verplaatsen stopt wanneer u uw vinger van het scherm haalt. 5 Kies OK. l Het zoekpunt is nu ingevoerd en het scherm POI nabij cursor verschijnt. 3 Kies OK. l Het zoekpunt is nu ingevoerd en het scherm POI nabij cursor verschijnt. 82
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING INVOEREN VAN HET ZOEK- PUNT UIT DE LIJST BESTEM- MINGEN 1 Kies één van de toetsen voor de bestemming aan de onderzijde van het scherm. 2 Kies een van de pijlen om de kaart in de desbetreffende richting te verplaatsen. Het verplaatsen stopt wanneer u uw vinger van het scherm haalt. Lijst: Als de gewenste POI-categorieën al zijn geselecteerd, wordt een POI-lijst weergegeven uit de geselecteerde categorieën. l De icoon van de geselecteerde categorie wordt links boven in het scherm weergegeven. Als de gewenste POI-categorie niet op het scherm is verschenen, kies dan de toets Lijst alle categorieën om alle POI-categorieën weer te geven. 1 Selecteer de gewenste POI-categorieen uit de lijst en kies OK. 3 NAVIGATIESYSTEEM 3 Kies OK. l Het zoekpunt is nu ingevoerd en het scherm POI nabij cursor verschijnt. ZOEKEN VAN POI'S NABIJ HET ZOEKPUNT Wanneer het zoekpunt is ingevoerd, verschijnt het scherm POI nabij cursor. 1 Selecteer de gewenste POI-categorieen. l De icoon van de geselecteerde categorie wordt links boven in het scherm weergegeven. 83
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING Categorie selecteren: Hiermee kunt u terugkeren naar het keuzescherm voor de categorieën POI's. Lijst tonen: Hiermee kunt u de lijst van POI's in de geselecteerde categorieën weergeven. ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN Postcode in UK Zoeken met behulp van postcode is alleen mogelijk wanneer UK als zoekgebied is geselecteerd. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. l Als u de toets van het gewenste onderwerp kiest, verschijnt de kaart van de bestemming op het scherm met de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBE- GELEIDING op bladzijde 85.) l De pijlen die de richting van de POI's aangeven, verschijnen alleen wanneer uw actuele locatie als zoekpunt is ingevoerd. Op route: Als dit controlelampje gaat branden als de toets wordt gekozen, wordt de lijst gezochte onderwerpen langs de route weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies Postcode in UK op de tweede pagina van het scherm Bestemming. 4 Voer de postcode in en kies Lijst. 5 Kies de gewenste postcode. l Op het scherm verschijnt de kaart met de geselecteerde bestemming en de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBE- GELEIDING op bladzijde 85.) 84
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING 3. STARTEN VAN ROUTEBEGELEIDING Na het invoeren van de bestemming, verschijnt de kaart van de bestemming met de wegvoorkeur op het scherm. 3 Kies Start om de routebegeleiding te starten. 1 Kies een van de pijlen om de kaart in de desbetreffende richting te verplaatsen. 3 l Wanneer de schermtoets wordt losgelaten, stopt het verplaatsen. 2 Kies Invoer. l Het systeem zoekt de route en geeft de geadviseerde routes weer. l Als er al een bestemming is ingevoerd, worden de toetsen Toevoegen aan en Vervangen weergegeven. Vervangen : Hiermee kunt u de bestaande bestemmingen wissen en een nieuwe invoeren. Toevoegen aan : Hiermee kunt u een bestemming toevoegen. Wegvoorkeur: Hiermee kunt u de wegvoorkeur wijzigen. (Zie bladzijde 102.) Info: Als deze toets aan de bovenzijde van het scherm verschijnt, kunnen door het kiezen van deze toets onderwerpen als naam, adres en telefoonnummer worden opgeroepen. Nr. * Actuele locatie Bestemming Functie Type route en de afstand Totale afstand Hiermee kunt u de gewenste route kiezen uit drie alternatieven. (Zie bladzijde 87.) Hiermee kunt u de route wijzigen. (Zie bladzijde 98.) Hiermee kunt u de verkeersvoorspellingsinformatie weergeven. (Zie bladzijde 276.) *: Kan alleen worden gebruikt wanneer er TPEG-informatie (Transport Protocol Experts Group) wordt ontvangen. Afhankelijk van het land of gebied wordt er mogelijk geen TPEG-informatie ontvangen. NAVIGATIESYSTEEM 85
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING l De routebegeleiding kan worden onderbroken en worden hervat. (Zie ONDER- BREKEN EN HERVATTEN VAN DE BEGELEIDING op bladzijde 97.) l Wanneer Start wordt gekozen tot een pieptoon te horen is, start de demomodus. Druk op de toets NAV om de demomodus te beëindigen. ROUTE WIJZIGEN VOOR HET STARTEN VAN DE ROUTEBE- GELEIDING WEGVOORKEUR 1 U kunt de wegvoorkeur wijzigen door Wegvoorkeur te kiezen. WAARSCHUWING Houd u tijdens het rijden aan de verkeersregels en let op de toestand van de weg. Als een verkeerssituatie is gewijzigd, kan het routebegeleidingssysteem u van verkeerde informatie voorzien. INFORMATIE Het is mogelijk dat de route voor de terugreis anders is dan de route voor de heenreis. De route naar de bestemming hoeft niet altijd de kortste route of een route zonder verkeersopstoppingen te zijn. Routebegeleiding is soms mogelijk niet beschikbaar als er geen weggegevens zijn van bepaalde locaties. Bij het invoeren van de bestemming op een kaart met een schaal groter dan 1 km, verandert de schaal automatisch naar 1 km. Voer in dit geval de bestemming nogmaals in. Als er een bestemming is ingevoerd die zich niet op een weg bevindt, wordt de auto naar het punt geleidt op een weg die zich het dichtst bij de bestemming bevindt. De weg die het dichtst bij het gekozen punt ligt, wordt als bestemming ingesteld. 2 Selecteer de gewenste wegvoorkeur met behulp van de bijbehorende toets(en). l Bij het zoeken van de route vermijdt het systeem de routes waarvan de indicator uit is. 3 Kies OK nadat u de wegvoorkeur hebt gekozen. l Ook als de indicator Snelwegen toelaten niet brandt, kan het systeem in sommige gevallen niet voorkomen dat de route toch gedeeltelijk via een snelweg voert. 86
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING INFORMATIE Als de bestemming via een veerboot wordt bereikt, geeft het routebegeleidingssysteem een route over water weer. Nadat de auto per boot is verplaatst, wordt de actuele locatie mogelijk niet meer goed weergegeven. Dit wordt automatisch gecorrigeerd als uw auto signalen ontvangt van het GPS (Global Positioning System). Nr. Functie Hiermee kunt u de aanbevolen route weergeven. Deze route wordt weergegeven door een oranje lijn. Hiermee kunt u de alternatieve route weergeven. Deze route wordt weergegeven door een paarse lijn. 3 KIEZEN UIT 3 ROUTES 1 Kies 3 routes om de gewenste route te kiezen uit drie alternatieven. Hiermee kunt u de route weergeven die de kortste afstand vormt naar de ingevoerde bestemming. Deze route wordt weergegeven door een groene lijn. Hiermee kunt u de volgende informatie over elk van de 3 routes weergeven. NAVIGATIESYSTEEM 2 Kies Snel 1, Snel 2 of Kort om de gewenste route te selecteren. 87
1. ZOEKEN VAN BESTEMMING Nr. Functie Totale reistijd Totale afstand Tolweg Snelweg Veerboot Autotrein 88
2. ROUTEBEGELEIDING 1. ROUTEBEGELEIDINGSSCHERM Afhankelijk van de instellingen kunnen tijdens de routebegeleiding verschillende routebegeleidingsschermen worden weergegeven. Nr. LAY-OUT SCHERM Functie Afstand tot de volgende afslag en de richting aangegeven door een pijl Naam van actuele straat Afstand tot de bestemming en reis-/ aankomsttijd Actuele locatie INFORMATIE Wanneer de auto van de begeleidingsroute raakt, wordt de route opnieuw gezocht. Voor sommige gebieden is het wegennet nog niet volledig gedigitaliseerd. De routebegeleiding kiest daarom mogelijk niet de beste weg. Wanneer u uw bestemming hebt bereikt, wordt de naam van de bestemming aan de bovenzijde van het scherm weergegeven. Als u Uit kiest, wordt het scherm gewist. Wanneer het head-updisplay is ingeschakeld, worden de begeleidingspijlen op de voorruit weergegeven. 3 NAVIGATIESYSTEEM Begeleidingsroute 89
2. ROUTEBEGELEIDING TIJDENS RIJDEN OP EEN SNELWEG Tijdens het rijden op een snelweg geeft het volgende scherm de afstand tot het volgende knooppunt/de volgende afrit aan of POI's in de omgeving van de snelwegafrit. INFORMATIE Als Automatische zoom is ingeschakeld, wordt dit scherm niet weergegeven. (Zie bladzijde 130.) WANNEER U EEN SNELWEG- AFRIT OF KNOOPPUNT NADERT Wanneer de auto een afrit of knooppunt nadert, wordt het begeleidingsscherm voor de snelweg weergegeven. Met snelweggegevens via bewegwijzering Nr./ icoo n Functie Actuele locatie POI's dicht bij een snelwegafrit of afslagnummer en naam van het knooppunt Afstand vanaf de actuele locatie tot aan de afrit of het knooppunt Verkeersinformatie-iconen Naam van actuele straat Hiermee kunt u de afstand tot de volgende en de daaropvolgende parkeerplaatsen en de POI's met parkeergelegenheid weergeven. Hiermee kunt u scrollen naar volgende knooppunten en afritten. Hiermee kunt u scrollen naar dichterbij gelegen knooppunten en afritten. Hiermee kunt u de 3 dichtstbijzijnde knooppunten en afritten weergeven. 90
2. ROUTEBEGELEIDING Zonder snelweggegevens via bewegwijzering WANNEER U EEN KRUISPUNT NADERT Wanneer de auto een kruispunt nadert, wordt het begeleidingsscherm voor kruispunten weergegeven. 3 Nr. Functie Naam volgende straat Afstand vanaf de actuele locatie tot aan de afrit of het knooppunt Actuele locatie Nr. Functie Naam volgende straat NAVIGATIESYSTEEM : Hiermee kunt u het begeleidingsscherm voor de snelweg verbergen. Rijbaanbegeleiding l Kies Snelweg of druk op de toets NAV om terug te keren naar het begeleidingsscherm voor de snelweg. Afstand tot het knooppunt Actuele locatie INFORMATIE Als Automatische zoom is ingeschakeld, worden deze schermen niet weergegeven. (Zie bladzijde 130.) : Hiermee kunt u het begeleidingsscherm voor kruispunten verbergen. l Kies Kruispunt of druk op de toets NAV om terug te keren naar het begeleidingsscherm voor kruispunten. INFORMATIE Als Automatische zoom is ingeschakeld, wordt dit scherm niet weergegeven. (Zie bladzijde 130.) 91
2. ROUTEBEGELEIDING ANDERE SCHERMEN ROUTEPLAN U kunt op dit scherm de lijst van afslagen op de begeleidingsroute bekijken. 1 Kies tijdens routebegeleiding Richtinglijst om de richtinglijst weer te geven. PIJLENSCHERM U kunt op dit scherm informatie over de volgende afslag op de begeleidingsroute bekijken. 1 Kies tijdens routebegeleiding Pijl om het pijlenscherm weer te geven. Nr. Functie Nr. Functie Naam volgende straat of bestemming Richting afslag Afstand tussen afslagen Naam van actuele straat Afslagnummer of straatnaam Richting afslag Afstand tot volgende afslag Naam van actuele straat 92
2. ROUTEBEGELEIDING 2. SPECIFIEKE STEMBEGELEIDINGSTERMEN De stembegeleiding geeft verscheidene meldingen wanneer u een kruispunt of andere plekken waar het nodig is om de auto van richting te veranderen, nadert. 5 km 400 m 60 3 l Omkeren wordt als volgt aangegeven. Nr. Stembegeleiding Gedurende 5 km deze weg volgen. Nr. Stembegeleiding 600 meter verder, keren. Dadelijk keren. NAVIGATIESYSTEEM 400 meter verder, bij de rotonde naar rechts. Neem de 3de afrit. Bij de rotonde naar rechts. Neem de derde afslag. Dadelijk afrit. INFORMATIE Zelfs als de gewone straat en de snelweg een gelijk verloop hebben, wordt er stembegeleiding gegeven op het punt waarop ze van elkaar afwijken. 93
2. ROUTEBEGELEIDING Bern Nr. Stembegeleiding Nr. Stembegeleiding U nadert uw bestemming. of De routebegeleiding zal verderop beëindigd worden. 1 kilometer verder, rechts houden. Rechts houden, dan 500 meter verder rechts houden, richting Bern. U bent op uw bestemming aangekomen. De routebegeleiding wordt nu beëindigd. of Uw bestemming is nabij. De routebegeleiding wordt nu beëindigd. l Als een gesproken aanwijzing niet te horen is, druk dan op de toets NAV terwijl het scherm met de actuele locatie wordt weergegeven om de aanwijzing nogmaals te horen. l Zie SPRAAKVOLUME op bladzijde 60 om het volume van de stembegeleiding te wijzigen. INFORMATIE Stembegeleiding wordt mogelijk eerder of later weergegeven. Het is mogelijk dat u geen stembegeleiding hoort of dat er geen vergroot kruispunt wordt weergegeven als het systeem de actuele locatie niet kan vaststellen. 94
2. ROUTEBEGELEIDING DE ROUTE INCLUSIEF IPD-WEGEN * WAARSCHUWING Houd u tijdens het rijden aan de verkeersregels en let op de verkeerssituatie, vooral op IPD-wegen. De routebegeleiding beschikt niet altijd over de meest recente informatie over verkeerssituaties, zoals de rijrichting van eenrichtingswegen. 3 l Nadat de route is berekend, zal het systeem u meedelen of er IPD-wegen in de berekening zijn opgenomen. l Het gedeelte van de route dat bestaat uit IPD-wegen is in lichtblauw aangegeven. Nr. Stembegeleiding Het is mogelijk dat niet alle verkeersregels gekend zijn op weg naar de bestemming. (startpunt) NAVIGATIESYSTEEM 400 m verder, naar links. Volgende straat naar links. Leef alle verkeersregels na. *: Het gebied met IPD-wegen. l IPD-wegen zijn wegen die nog niet volledig zijn gedigitaliseerd. De geometrie, de naam en de administratieve code zijn echter al bekend. 95
2. ROUTEBEGELEIDING 3. AFSTAND EN REISTIJD TOT BESTEMMING Tijdens het rijden op de route worden de afstand en de geschatte reistijd tot de bestemming weergegeven. Als de auto de route niet volgt, worden de afstand tot en de richting van de bestemming weergegeven. Tijdens het rijden op een route waarlangs meerdere bestemmingen liggen, worden op het scherm de afstand en de geschatte reistijd tot elk van die bestemmingen aangegeven. 1 Kies de met de pijl aangegeven schermtoets. Icoon Functie Geschatte reistijd wordt weergegeven. Geschatte aankomsttijd wordt weergegeven. Hiermee kunt u de geschatte aankomsttijd weergeven. Hiermee kunt u de geschatte reistijd weergeven. Weergegeven tijdens het niet volgen van de aanbevolen route. De richting van de bestemming wordt aangegeven met een pijl. 2 Kies de nummertoets om de gewenste bestemming weer te geven. INFORMATIE Als de auto de geadviseerde route volgt, wordt de afstand gemeten langs de route. De reis-/aankomsttijd wordt berekend op basis van de ingevoerde informatie over de rijsnelheid. (Zie GEMIDDELDE SNELHEID op bladzijde 131.) Als de auto de geadviseerde route niet volgt, is de afstand de lineaire afstand tussen de huidige locatie en de bestemming. l De afstand, de geschatte reistijd en de geschatte aankomsttijd vanaf de actuele locatie tot de geselecteerde bestemming worden weergegeven. 96
2. ROUTEBEGELEIDING 4. ONDERBREKEN EN HERVATTEN VAN DE BEGELEIDING ONDERBREKEN VAN BEGELEIDING 1 Druk op de toets NAV. HERVATTEN VAN DE BEGELEIDING 1 Druk op de toets NAV. 2 Kies Menu op het kaartscherm. 3 Kies Begeleiding hervatten. 3 2 Kies Menu. l Het systeem keert terug naar het kaartscherm, waarop de actuele locatie wordt weergegeven. NAVIGATIESYSTEEM 3 Kies Begeleiding onderbreken. l Op het scherm wordt de kaart met de actuele locatie weergegeven zonder routebegeleiding. 97
2. ROUTEBEGELEIDING 5. INVOEREN VAN ROUTE l Op dit scherm kunt u de volgende handelingen uitvoeren: Er kunnen omstandigheden voor omleidingen en route worden ingevoerd en bestemmingen worden toegevoegd. Nr. Functie Bladzijde 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Route. Om zoekcriteria in te stellen Om omleidingen in te stellen Om wegvoorkeuren in te stellen Om bestemmingen toe te voegen Om bestemmingen te wissen Om bestemmingen te herschikken Om het routeoverzicht weer te geven Om gereden route in te stellen 100 101 102 98 100 99 103 104 3 Voer de handelingen uit aan de hand van de procedures op de volgende bladzijden. TOEVOEGEN VAN BESTEM- MINGEN Er kunnen bestemmingen worden toegevoegd en routes kunnen nogmaals worden gezocht. 1 Druk op de toets NAV. 2 Kies Menu op het kaartscherm. 3 Kies Route op het scherm Menu. 98
2. ROUTEBEGELEIDING 4 Kies Toevoegen. 4 Kies Herschikken. 5 Voeg een extra bestemming toe op dezelfde manier als bij het zoeken van een bestemming. (Zie ZOEKEN VAN BESTEMMING op bladzijde 66.) 6 Kies de gewenste toets Hier bestemming toevoegen om de nieuwe bestemming aan de route toe te voegen. 5 Kies de gewenste bestemming en kies Omhoog of Omlaag om de volgorde van aankomst te wijzigen. 3 NAVIGATIESYSTEEM l Het scherm Routeoverzicht wordt weergegeven. (Zie ROUTEOVERZICHT op bladzijde 103.) 6 Kies OK nadat u de bestemmingen hebt geselecteerd. l De route wordt opnieuw bepaald en de gehele route verschijnt op het scherm. HERSCHIKKEN VAN BESTEMMINGEN Als er meerdere bestemmingen zijn geselecteerd, kunt u de volgorde waarin de bestemmingen worden aangedaan wijzigen. 1 Druk op de toets NAV. 2 Kies Menu op het kaartscherm. 3 Kies Route op het scherm Menu. 99
2. ROUTEBEGELEIDING WISSEN VAN BESTEMMIN- GEN U kunt een al ingevoerde bestemming wissen. 1 Druk op de toets NAV. 2 Kies Menu op het kaartscherm. 3 Kies Route op het scherm Menu. 4 Kies Wissen. 6 Kies Ja om de bestemming(en) te wissen. l Als u Ja selecteert, worden de gegevens definitief gewist. Als er meerdere bestemmingen zijn ingevoerd, berekent het systeem indien nodig opnieuw de route(s) voor de ingevoerde bestemming(en). l Als u Nee kiest, wordt het vorige scherm weergegeven. ZOEKCRITERIUM U kunt de zoekcriteria vaststellen voor de route naar uw bestemming. 1 Druk op de toets NAV. 2 Kies Menu op het kaartscherm. 3 Kies Route op het scherm Menu. l Als er meer dan één bestemming is opgeslagen, verschijnt er een lijst op het scherm. 5 Kies de te wissen bestemming. 4 Kies Zoekcriterium. Alles wissen: Hiermee kunt u alle bestemmingen in de lijst wissen. l Er verschijnt een scherm waarin u gevraagd wordt uw opdracht te bevestigen. 100
2. ROUTEBEGELEIDING 5 Kies Snel, Snel 1, Snel 2 of Kort en vervolgens OK. INSTELLEN VAN OMLEIDING U kunt tijdens de routebegeleiding een route instellen waarmee u een vertraging, veroorzaakt door wegwerkzaamheden, een ongeval, enz. kunt omzeilen. 1 Druk op de toets NAV. 3 6 De complete route van startpunt tot aan de bestemming wordt getoond. 2 Kies Menu op het kaartscherm. 3 Kies Route op het scherm Menu. 4 Kies Omleiding. NAVIGATIESYSTEEM Nr. Functie Om een route te wijzigen. (Zie bladzijde 98.) Hiermee kunt u de begeleiding starten. 5 Kies de gewenste omleidingsafstand met behulp van de schermtoetsen. 101
2. ROUTEBEGELEIDING 1 km, 3 km of 5 km : Kies een van deze toetsen om het berekenen van de omleiding te starten. Na de omleiding keert het systeem weer terug naar de ingestelde route. Hele route: Hiermee kan het systeem een geheel nieuwe route naar de bestemming berekenen. Om file heen: Kies deze toets om ervoor te zorgen dat bij het berekenen van de omleiding rekening wordt gehouden met de ontvangen informatie over verkeersopstoppingen. INFORMATIE WEGVOORKEUR U kunt aangeven over wat voor soort wegen de route die berekend wordt, moet leiden. 1 Druk op de toets NAV. 2 Kies Menu op het kaartscherm. 3 Kies Route op het scherm Menu. 4 Kies Wegvoorkeur om de omstandigheden weer te geven die kunnen worden geselecteerd wanneer het systeem de route naar de bestemming bepaalt. Op de afbeelding is een voorbeeld te zien van een omleiding die het systeem berekent bij een file. Hier wordt aangegeven waar de file, veroorzaakt door een aanrijding, wegwerkzaamheden, enz. staat. De door het systeem voorgestelde omleiding. Als uw auto op de snelweg rijdt, is de afstand die omgereden wordt in te stellen op 5, 15 en 25 km (of 5, 15 en 25 mijl indien de eenheid in mijlen is). Het kan voorkomen dat het systeem geen omleidingsroute kan weergeven. Dit is afhankelijk van de gekozen afstand en de aanwezigheid van wegen in de omgeving. 102
2. ROUTEBEGELEIDING 5 Selecteer de gewenste wegvoorkeur met behulp van de bijbehorende toets(en). 5 De complete route vanaf de actuele locatie van de auto tot aan de bestemming wordt getoond. 3 l Bij het zoeken van de route vermijdt het systeem de routes waarvan de indicator uit is. 6 Kies OK nadat u de wegvoorkeur hebt geselecteerd. ROUTEOVERZICHT 1 Druk op de toets NAV. 2 Kies Menu op het kaartscherm. 3 Kies Route op het scherm Menu. 4 Kies Routeoverzicht. Nr. Functie Kies deze toets om een overzicht van de afslagen tot de bestemming weer te geven. Hiermee kunt u de route wijzigen. (Zie bladzijde 98.) Hiermee kunt u de begeleiding starten. RICHTINGLIJST 1 Kies of om naar de vorige of volgende pagina van het wegenoverzicht te gaan. Houd uw vinger op of om door het wegenoverzicht te scrollen. NAVIGATIESYSTEEM 103
2. ROUTEBEGELEIDING : Dit merkteken geeft aan welke richting u op moet bij een kruising. KAART: Het geselecteerde punt wordt op de kaart weergegeven. STARTEN VAN VASTLEGGEN VAN DE GEREDEN ROUTE 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Route op het scherm Menu. 3 Kies Route tracé starten. INFORMATIE Niet alle wegnamen verschijnen echter in de lijst. Als een weg van naam verandert zonder dat er een andere richting wordt ingeslagen (bijv. als een weg door twee of meer steden heen loopt), verschijnt een eventuele andere naam niet in de lijst. De straatnamen worden, samen met de afstand tot de volgende afslag, op volgorde vanaf het startpunt weergegeven. GEREDEN ROUTE U kunt de gereden route tot maximaal 200 km opslaan en de route op het scherm terugzien. BEËINDIGEN VAN VAST- LEGGEN VAN DE GEREDEN ROUTE 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Route op het scherm Menu. 3 Kies Route tracé stoppen. INFORMATIE Deze optie is beschikbaar op de kaart met een grotere schaal dan 50 km. l Als u Ja kiest, wordt het opnemen beëindigd en blijft de gereden route op het scherm staan. l Als u Nee kiest, wordt het opnemen beëindigd en de gereden route gewist. 104
2. ROUTEBEGELEIDING 6. POI'S TONEN POI-iconen, zoals voor tankstations en restaurants, kunnen op het scherm worden weergegeven. Hun locatie kan ook als bestemming worden ingesteld en voor routebegeleiding worden gebruikt. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. WEER TE GEVEN POI- ICONEN SELECTEREN U kunt maximaal 5 categorieën iconen op het kaartscherm weergeven. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies POI tonen op het scherm Menu. 3 3 Kies de gewenste categorie POI's om POI-iconen op de kaart weer te geven. NAVIGATIESYSTEEM 2 Kies POI tonen. 3 Op het scherm verschijnt een lijst met een beperkt aantal POI's. l Als u de gewenste categorie POI's selecteert en vervolgens OK kiest, worden de geselecteerde POI-iconen op het kaartscherm weergegeven. l Kies Alles uit om de POI-iconen op het kaartscherm uit te schakelen. Andere POI's: Kies deze toets als de gewenste categorieën POI niet kunnen worden gevonden in het beknopte overzicht. Lijst nabije POI's: Kies deze toets om de dichtstbijzijnde POI's te zoeken. Selecteer vervolgens één van de categorieën. Het systeem geeft een overzicht van de gekozen nuttige adressen die zich binnen een afstand van 30 km van de locatie van de auto bevinden. (Zie bladzijde 107.) l Zie bladzijde 132 om het weergegeven POI-overzicht te wijzigen. 105
2. ROUTEBEGELEIDING ANDERE WEER TE GEVEN POI- ICONEN SELECTEREN 1 Kies Andere POI's. l Wanneer u in het beknopte of complete overzicht een categorie POI's kiest, worden op het scherm de iconen van deze locaties op het kaartscherm weergegeven. 2 Kies de gewenste POI-categorieën. l Kies de toets van de gewenste POI-categorie in de lijst. De icoon van de geselecteerde categorie wordt links boven in het scherm weergegeven. Als u de gewenste categorie POI's selecteert en vervolgens OK kiest, worden de geselecteerde POI-iconen op het kaartscherm weergegeven. Kies Meer om naar het keuzescherm voor de POI-categorieën terug te keren. l De icoon van de geselecteerde categorie wordt links boven in het scherm weergegeven. l Als u de gewenste categorie POI's selecteert en vervolgens OK kiest, worden de geselecteerde POI-iconen op het kaartscherm weergegeven. l Als de gewenste POI-categorie niet op het scherm is verschenen, kies dan de toets Lijst alle categorieën om alle POI-categorieën weer te geven. 106
2. ROUTEBEGELEIDING LIJST NABIJE POI'S WEERGEVEN POI's die binnen 30 km van de actuele locatie liggen, verschijnen vanuit de geselecteerde categorieën. 1 Selecteer Lijst nabije POI's. INVOEREN VAN EEN POI ALS BESTEMMING U kunt een van de POI-iconen op het scherm selecteren als bestemming en gebruiken voor de routebegeleiding. 1 Kies de gewenste POI-icoon om deze als bestemming in te stellen. 3 2 Kies de schermtoets van de gewenste POI. l De geselecteerde POI's worden op het kaartscherm weergegeven. Op route: Als dit controlelampje gaat branden als de toets wordt gekozen, wordt de lijst gezochte onderwerpen langs de route weergegeven. l De kaart op het scherm wijzigt, waarbij de icoon in het midden van het scherm verschijnt. De icoon overlapt nu de cursor. De afstand vanaf uw actuele locatie wordt nu op het scherm weergegeven. De afstand is gemeten in een rechte lijn vanaf de actuele locatie van de auto naar het POI. 2 Kies Invoer als de gewenste POI de cursor overlapt. l Op het scherm verschijnt de kaart met de geselecteerde bestemming en de wegvoorkeur. (Zie STARTEN VAN ROUTEBE- GELEIDING op bladzijde 85.) NAVIGATIESYSTEEM 107
3. GEHEUGENPUNTEN 1. INSTELLINGEN GEHEUGENPUNT U kunt punten of gebieden op de kaart opslaan. U kunt de opgeslagen punten gebruiken op het scherm Bestemming. (Zie ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN THUIS op bladzijde 68, ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN SNELTOEGANG op bladzijde 69 en ZOEKEN VAN BE- STEMMING MET BEHULP VAN Geheugen op bladzijde 77.) De te vermijden gebieden worden vermeden wanneer het systeem een route zoekt. 3 Kies de onderwerpen die u wilt instellen. l Op dit scherm kunt u de volgende handelingen uitvoeren: Nr. Functie Bladzijde 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt. Kies deze toets om thuis in te stellen. Kies deze toets om de geheugenpunten in te stellen. Kies deze toets om sneltoegang in te stellen. Kies deze toets om de te vermijden gebieden in te stellen. Kies deze toets om vorige bestemmingen te wissen. Kies deze toets om te kopieren vanaf een USB-geheugen. Kies deze toets om op te slaan op een USB-geheugen. 109 114 111 120 125 128 125 108
3. GEHEUGENPUNTEN INSTELLEN VAN Thuis Als het thuisadres is vastgelegd, kan deze informatie worden opgeroepen door Thuis te kiezen op het scherm Bestemming. (Zie ZOEKEN VAN BE- STEMMING MET BEHULP VAN THUIS op bladzijde 68.) 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Thuis. Nr. Functie Bladzijde Vastleggen van thuis 109 Bewerken van thuis 110 Wissen van thuis 111 VASTLEGGEN VAN THUIS 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Thuis op het scherm Geheugenpunt. 4 Kies Registreren. 3 NAVIGATIESYSTEEM 4 Kies de gewenste schermtoets. 109
3. GEHEUGENPUNTEN 5 Kies de gewenste schermtoets en voer de locatie op dezelfde manier in als bij het zoeken naar een bestemming. (Zie ZOEKEN VAN BESTEMMING op bladzijde 66.) 5 Kies de toets die u wilt wijzigen. Nr. Functie Bladzijde l Wanneer het vastleggen van het thuisadres is voltooid, wordt het scherm Thuis weergegeven. 6 Kies OK. l Zie BEWERKEN VAN THUIS op bladzijde 110 voor het bewerken van de opgeslagen informatie. BEWERKEN VAN THUIS 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Thuis op het scherm Geheugenpunt. 4 Kies Bewerken. 6 Kies OK. Voor het wijzigen van de thuisicoon die u op de kaart wilt weergeven. Voor het wijzigen van de naam van het thuisadres. De naam kan op de kaart worden weergegeven. Hiermee gaat de indicator branden, waarna de opgeslagen naam boven in het kaartscherm wordt weergegeven. Voor het wijzigen van gegevens over een locatie. Voor het wijzigen van het telefoonnummer van het thuisadres. 116 117 117 117 118 110
3. GEHEUGENPUNTEN WISSEN VAN THUIS 3 Kies Sneltoegang. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Thuis op het scherm Geheugenpunt. 4 Kies Wissen. 4 Kies de gewenste schermtoets. 3 NAVIGATIESYSTEEM 5 Kies Ja om het thuisadres te wissen en kies Nee om het wissen te annuleren. INSTELLEN VAN Sneltoegang Als een sneltoegang is vastgelegd, kan deze informatie worden opgeroepen met behulp van de sneltoegangstoetsen op het scherm Bestemming. (Zie ZOEKEN VAN BESTEMMING MET BEHULP VAN SNELTOEGANG op bladzijde 69.) 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. Nr. Functie Vastleggen van sneltoegang Bladzijde 112 Bewerken van sneltoegang 112 Wissen van sneltoegang 113 111
3. GEHEUGENPUNTEN VASTLEGGEN VAN SNELTOE- GANG 6 Kies een positie voor deze sneltoegang. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Sneltoegang op het scherm Geheugenpunt. 4 Kies Registreren. l Wanneer het vastleggen van een sneltoegang is voltooid, wordt het scherm Sneltoegang weergegeven. 7 Kies OK. l Zie BEWERKEN VAN SNELTOE- GANG op bladzijde 112 voor het bewerken van de opgeslagen informatie. 5 Kies de gewenste schermtoets en voer de locatie op dezelfde manier in als bij het zoeken naar een bestemming. (Zie ZOEKEN VAN BESTEMMING op bladzijde 66.) BEWERKEN VAN SNELTOE- GANG 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Sneltoegang op het scherm Geheugenpunt. 4 Kies Bewerken. 112
3. GEHEUGENPUNTEN 5 Kies de schermtoets van de gewenste sneltoegang. WISSEN VAN SNELTOEGANG 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 6 Kies de toets die u wilt wijzigen. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Sneltoegang op het scherm Geheugenpunt. 4 Kies Wissen. 3 NAVIGATIESYSTEEM Nr. Functie Bladzijde 5 Kies de te wissen sneltoegang. Voor het wijzigen van iconen die u op de kaart wilt weergeven. 116 Voor het wijzigen van de naam van de sneltoegang. De namen kunnen op de kaart worden weergegeven. Hiermee gaat de indicator branden, waarna de opgeslagen naam boven in het kaartscherm wordt weergegeven. Voor het wijzigen van gegevens over een locatie. 117 117 117 Schermtoets Alles selecteren Alles deselecteren Functie Hiermee kunt u alle sneltoegangen in de lijst selecteren. Hiermee kunt u alle sneltoegangen in de lijst deselecteren. 7 Kies OK. Voor het wijzigen van een telefoonnummer. 118 6 Kies Wissen. 7 Kies Ja om de sneltoegang te wissen en kies Nee om het wissen te annuleren. 113
3. GEHEUGENPUNTEN U kunt punten of gebieden op de kaart opslaan. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Geheugenpunten. VASTLEGGEN VAN GEHEU- GENPUNTEN 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Geheugenpunten op het scherm Geheugenpunt. 4 Kies Registreren. 4 Kies de gewenste schermtoets. 5 Kies de gewenste schermtoets en voer de locatie op dezelfde manier in als bij het zoeken naar een bestemming. (Zie ZOEKEN VAN BESTEMMING op bladzijde 66.) Nr. Functie INSTELLEN VAN DE Geheugenpunten Bladzijde Vastleggen van geheugenpunten Wijzigen van geheugenpunten Wissen van geheugenpunten Vastleggen van externe punten 114 115 120 299 l Wanneer u locaties vastlegt die als bestemming zijn ingevoerd met behulp van een online zoekactie, kies dan Vorige. l Nadat het geheugenpunt is vastgelegd, wordt het scherm Geheugenpunten weergegeven. 6 Kies OK. 114
3. GEHEUGENPUNTEN l Zie WIJZIGEN VAN GEHEUGENPUN- TEN op bladzijde 115 voor het bewerken van de opgeslagen informatie. 5 Kies de toets van het gezochte geheugenpunt. INFORMATIE Er kunnen maximaal 500 geheugenpunten worden opgeslagen. Geheugenpunten die zijn vastgelegd met behulp van Postcode in UK kunnen niet worden opgeslagen op een USB-geheugen. WIJZIGEN VAN GEHEUGEN- PUNTEN Van de opgeslagen geheugenpunten kunt u de icoon, de naam, de locatie, het telefoonnummer en/of de groep wijzigen. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Geheugenpunten op het scherm Geheugenpunt. 4 Kies Bewerken. 6 Kies de toets die u wilt wijzigen. Nr. Functie Voor het wijzigen van de icoon die u op de kaart wilt weergeven. Voor het wijzigen van de naam van een geheugenpunt. De namen kunnen op de kaart worden weergegeven. Bladzijde 116 117 3 NAVIGATIESYSTEEM Hiermee gaat de indicator branden, waarna de opgeslagen naam boven in het kaartscherm wordt weergegeven. Voor het wijzigen van gegevens over een locatie. Voor het wijzigen van het telefoonnummer. Voor het vastleggen van een groep. 117 117 118 118 7 Kies OK. 115
3. GEHEUGENPUNTEN WIJZIGEN VAN Markering 1 Kies Markeren. GELUIDSICONEN Er kan voor sommige geheugenpunten een geluid worden ingesteld. Wanneer de auto het geheugenpunt nadert, klinkt het gekozen geluid. 1 Kies het tabblad Met geluid op het scherm Icoon veranderen. 2 Kies de gewenste geluidsicoon. 2 Kies de gewenste icoon. l U kunt naar de vorige of volgende pagina gaan met behulp van de toetsen Pagina 1, Pagina 2 of Met geluid. l Wanneer u Bel (met richting) kiest, verschijnt het volgende scherm. 3 Kies of om de richting in te stellen. Kies OK. INFORMATIE De bel maakt alleen geluid als uw auto het geheugenpunt nadert vanuit de ingestelde richting. 116
3. GEHEUGENPUNTEN WIJZIGEN VAN Naam 1 Kies Naam. 2 Voer de naam in met behulp van de alfanumerieke toetsen. WEERGEVEN VAN NAMEN VAN GEHEUGENPUNTEN U kunt aangeven of de naam van het geheugenpunt zichtbaar moet zijn op de kaart. 1 Kies Naam tonen voor het weergeven van de naam van een geheugenpunt. De indicator gaat branden. Kies nogmaals Naam tonen voor het verbergen van de namen van geheugenpunten. De indicator dooft. 3 NAVIGATIESYSTEEM l Er kunnen maximaal 70 karakters worden ingevoerd. 3 Kies OK. l Het vorige scherm wordt weergegeven. WIJZIGEN VAN Locatie 1 Kies Locatie. 117
3. GEHEUGENPUNTEN 2 Druk op de één van de acht pijltoetsen om de cursor naar de gewenste positie op de kaart te bewegen. INSTELLEN OF WIJZIGEN VAN Groep U kunt groepen voor geheugenpunten instellen en wijzigen. 1 Kies Groep. 3 Kies OK. l Het vorige scherm wordt weergegeven. WIJZIGEN VAN Tel.nr. (TELEFOON- NUMMER) 1 Kies Tel.nr. 2 Kies de groep waaronder u het geheugenpunt wilt vastleggen. 2 Voer het nummer in met behulp van de cijfertoetsen. 3 Kies OK. l Het vorige scherm wordt weergegeven. Een nieuwe groep vastleggen 1 Kies Nieuwe groep. 3 Kies OK. l Het vorige scherm wordt weergegeven. 118
3. GEHEUGENPUNTEN 2 Voer de groepsnaam in. 4 Kies OK. l Het scherm Geheugenpunten bewerken wordt weergegeven. Een groep wissen 1 Kies Wissen. 3 Kies OK. l Het scherm Geheugenpunten bewerken wordt weergegeven. Een groepsnaam wijzigen 1 Kies de groep die u wilt wijzigen. 2 Kies de groep die u wilt wissen. 3 NAVIGATIESYSTEEM 2 Kies Naam bewerken. Schermtoets Alles selecteren Alles deselecteren Functie Hiermee kunt u alle groepen selecteren. Hiermee kunt u de selectie annuleren. 3 Kies wissen. 3 Voer de groepsnaam in. 4 Kies Ja om de groep(en) te wissen en kies Nee om het wissen te annuleren. 119
3. GEHEUGENPUNTEN WISSEN VAN GEHEUGENPUN- TEN 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Geheugenpunten op het scherm Geheugenpunt. 4 Kies Wissen. 6 Kies Wissen. 7 Kies Ja om de geheugenpunt(en) te wissen en kies Nee om het wissen te annuleren. INSTELLEN VAN Te vermijden gebied Plaatsen waar u niet langs wilt rijden om files of wegopbrekingen te omzeilen, kunt u opgeven als te vermijden gebieden. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 5 Kies het geheugenpunt dat u wilt wissen. 3 Kies Te vermijden gebied. Schermtoets Alles selecteren Alles deselecteren Functie Hiermee kunt u alle geheugenpunten in het systeem selecteren. Hiermee kunt u de selectie annuleren. 120
3. GEHEUGENPUNTEN 4 Kies de gewenste schermtoets. 5 Kies de gewenste schermtoets en voer het te vermijden punt op dezelfde manier in als bij het zoeken naar een bestemming of roep de kaart op van het gebied dat u wilt vermijden. (Zie ZOE- KEN VAN BESTEMMING op bladzijde 66.) 3 Nr. Functie Vastleggen van te vermijden gebieden Wijzigen van te vermijden gebieden Wissen van te vermijden gebieden Bladzijde 121 122 124 6 Schuif de kaart naar het gewenste punt op de kaart. NAVIGATIESYSTEEM VASTLEGGEN VAN TE VERMIJDEN GEBIEDEN 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Te vermijden gebied op het scherm Geheugenpunt. 7 Kies Invoer. 8 Kies of om de grootte van het te vermijden gebied te wijzigen. 4 Kies Registreren. 121
3. GEHEUGENPUNTEN 9 Kies OK. l Als het registreren van een te vermijden gebied is voltooid, wordt het scherm Te vermijden gebied bewerken weergegeven. INFORMATIE Als een bestemming in het te vermijden gebied ligt of de berekende route onvermijdelijk door het te vermijden gebied loopt, wordt mogelijk een route weergegeven die door dit gebied loopt. U kunt maximaal 10 locaties vastleggen als te vermijden gebied. 5 Kies het te vermijden gebied. 6 Kies de toets die u wilt wijzigen. WIJZIGEN VAN TE VERMIJDEN GEBIEDEN U kunt de naam, de locatie en/of de grootte van een geregistreerd gebied wijzigen. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Te vermijden gebied op het scherm Geheugenpunt. 4 Kies Bewerken. Nr. Functie Voor het in- en uitschakelen van de functie te vermijden gebied. Wanneer de indicator brandt, is de functie te vermijden gebied ingeschakeld. Voor het wijzigen van de naam van het te vermijden gebied. De naam kan op de kaart worden weergegeven. (Zie bladzijde 123.) Hiermee gaat de indicator branden, waarna de opgeslagen naam boven in het kaartscherm wordt weergegeven. (Zie bladzijde 123.) Voor het wijzigen van de locatie. (Zie bladzijde 123.) Voor het wijzigen van de omvang van het gebied. (Zie bladzijde 124.) 7 Kies OK. 122
3. GEHEUGENPUNTEN WIJZIGEN VAN Naam 1 Kies Naam. 1 Kies Naam tonen om de naam van het te vermijden gebied weer te geven. De indicator gaat branden. Kies nogmaals Naam tonen om de naam van het te vermijden gebied te verbergen. De indicator dooft. 3 2 Voer de naam in met behulp van de alfanumerieke toetsen. WIJZIGEN VAN Locatie 1 Kies Locatie. NAVIGATIESYSTEEM l Er kunnen maximaal 70 karakters worden ingevoerd. 3 Kies OK. l Het vorige scherm wordt weergegeven. WEERGEVEN VAN DE NAMEN VAN DE TE VERMIJDEN GEBIEDEN De naam van een te vermijden gebied kan op de kaart worden weergegeven. 2 Druk op één van de acht pijltoetsen om de cursor naar de gewenste positie op het kaartscherm te bewegen. 3 Kies OK. l Het vorige scherm wordt weergegeven. 123
3. GEHEUGENPUNTEN WIJZIGEN Omvang gebied 4 Kies Wissen. 1 Kies Grootte gebied. 5 Kies het te wissen gebied. 2 Kies of om de grootte van het te vermijden gebied te wijzigen. 3 Kies OK. l Het vorige scherm wordt weergegeven. WISSEN VAN TE VERMIJDEN GEBIEDEN Schermtoets Alles selecteren Alles deselecteren Functie Hiermee kunt u alle te vermijden gebieden in het systeem selecteren. Hiermee kunt u alle te vermijden gebieden in het systeem deselecteren. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 6 Kies Wissen. 7 Kies Ja om het gebied (de gebieden) te wissen en kies Nee om het wissen te annuleren. 3 Kies Te vermijden gebied op het scherm Geheugenpunt. 124
3. GEHEUGENPUNTEN WISSEN VAN VORIGE BESTEMMINGEN U kunt vorige bestemmingen wissen. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Vorige punten wissen. 4 Kies de te wissen vorige bestemming. 5 Kies Wissen. 6 Kies Ja om de bestemming(en) te wissen en kies Nee om het wissen te annuleren. OPSLAAN OP EEN USB- GEHEUGEN Geheugenpunten die in het navigatiesysteem zijn vastgelegd, kunnen worden gekopieerd naar een USBgeheugen. U moet eerst een wachtwoord instellen om gegevens op te kunnen slaan. (Zie blz. 127 voor instructies voor het instellen van een wachtwoord.) l Het exporteren van gegevens over geheugenpunten is uitsluitend bedoeld voor het opslaan voor eigen gebruik en verspreiding of gebruik in andere systemen is streng verboden. 1 Open het consolevak. 3 NAVIGATIESYSTEEM Schermtoets Alles selecteren Alles deselecteren Functie Selecteer alle vorige bestemmingen in het systeem. Deselecteer alle vorige bestemmingen in het systeem. 125
3. GEHEUGENPUNTEN 2 Open het klepje en sluit het USB-geheugen aan. 8 Voer het wachtwoord in en kies OK. 9 Wanneer het opslaan start, wordt dit scherm weergegeven. l Als het USB-geheugen niet is ingeschakeld, schakel dit dan alsnog in. 3 Sluit het consolevak. 4 Druk op toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 5 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 6 Kies Back-up naar USB. 7 Kies Back-up starten. l Kies Annuleren om deze functie te annuleren. l Wanneer het opslaan is voltooid, verschijnt het scherm Back-up naar USB weer. INFORMATIE In de volgende gevallen kan het geheugenpunt niet worden opgeslagen op een USB-geheugen: Wanneer het geheugenpunt is vastgelegd met behulp van Postcode in UK Wanneer het geheugenpunt is vastgelegd met behulp van extra diensten 126
3. GEHEUGENPUNTEN INSTELLEN VAN WACHT- WOORD Wanneer u eenmaal een wachtwoord hebt ingesteld, wordt deze niet alleen opgevraagd voor het opslaan van gegevens, maar ook wanneer u geheugenpunten vanaf een USB-geheugen naar het navigatiesysteem wil kopiëren. INSTELLEN VAN EEN WACHT- WOORD 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt op het scherm Menu. 3 Kies Back-up naar USB op het scherm Geheugenpunt. 4 Kies Wachtwoord instellen. 6 Voer ter bevestiging het wachtwoord nogmaals in. l Wanneer het instellen van het wachtwoord is voltooid, verschijnt het scherm Back-up naar USB weer. INFORMATIE Indien u uw wachtwoord bent vergeten: U moet de persoonlijke gegevens initialiseren met behulp van Persoonlijke gegevens wissen. (Zie PERSOON- LIJKE GEGEVENS WISSEN op bladzijde 57.) Neem contact op met uw Toyota-dealer of erkende reparateur. 3 NAVIGATIESYSTEEM 5 Voer een wachtwoord in en kies OK. 127
3. GEHEUGENPUNTEN KOPIËREN VANAF EEN USB- GEHEUGEN Opgeslagen geheugenpunten kunnen met behulp van een USB-geheugen worden gedownload naar het navigatiesysteem. 3 Sluit het consolevak. 4 Druk op toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 5 Kies Geheugen op het scherm Menu. 6 Kies Kopie van USB. 1 Open het consolevak. 2 Open het klepje en sluit het USB-geheugen aan. l Als er een wachtwoord is ingesteld, voer dit dan in. Zie blz. 127 voor instructies voor het instellen van een wachtwoord. l Wanneer er meerdere geheugenpunten zijn opgeslagen op het USB-geheugen, worden de volgende opties weergegeven. l Selecteer de geheugenpunten die u wilt kopiëren en kies Start. l Als het USB-geheugen niet is ingeschakeld, schakel dit dan alsnog in. 128
3. GEHEUGENPUNTEN 7 Wanneer het kopiëren vanaf een USBgeheugen is begonnen, verschijnt het volgende scherm. 3 l Kies Annuleren om deze functie te annuleren. l Wanneer het registreren is voltooid, verschijnt het scherm Geheugenpunt weer. INFORMATIE Geheugenpunten buiten het gegevensbereik van de kaart kunnen niet worden geregistreerd. Er kunnen maximaal 500 geheugenpunten worden opgeslagen. Wanneer er 21 of meer geheugenpunten zijn opgeslagen op een USB-geheugen, worden er slechts 20 geheugenpunten gelijktijdig weergegeven. Geheugenpunten die worden gekopieerd vanaf een USB-geheugen worden van het USB-geheugen gewist. Als er geheugenpunten worden opgeslagen die dezelfde naam hebben als reeds opgeslagen geheugenpunten, dan worden deze mogelijk niet door het systeem bijgewerkt. NAVIGATIESYSTEEM 129
4. CONFIGURATIE 1. NAVIGATIE-INSTELLINGEN Instelmogelijkheden voor de gemiddelde snelheid, de weergegeven scherminhoud, de categorieën POI-iconen, enz. SCHERMEN VOOR NAVIGA- TIE-INSTELLINGEN 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Navigatie. l Op dit scherm kunt u de volgende handelingen uitvoeren: Nr. Functie 3 Kies de onderwerpen die u wilt instellen. 4 Kies OK. U kunt geavanceerde instellingen voor online zoeken instellen. (Zie INSTELLINGEN ONLINE ZOEKEN op bladzijde 304.) Kies deze toets om de (constante) snelheid in te stellen. (Zie GEMID- DELDE SNELHEID op bladzijde 131.) Kies deze toets om de weergave van de categorieën POI-iconen in te stellen. (Zie POI-CATEGORIEËN WIJZIGEN (POI-ICONEN SELEC- TEREN) op bladzijde 132.) 130
4. CONFIGURATIE Nr. Functie GEMIDDELDE SNELHEID Aan of Uit kan worden geselecteerd voor het weergeven van 3D-bezienswaardigheden. De snelheidslimiet van de weg waar u op dat moment rijdt, kan Aan of Uit worden gezet. De functie waarmee de schaal van de kaart wordt vergroot wanneer de auto een begeleidingspunt nadert, kan Aan en Uit worden gezet. Aan of Uit kan worden geselecteerd voor het weergeven van waarschuwingsmeldingen wanneer verkeersof seizoensbeperkingen van toepassing zijn op de route. Kies deze toets om de weergave van pop-upberichten Aan of Uit te zetten. (Zie POP-UPBERICHT op bladzijde 133.) Kies deze toets om de actuele locatie van de auto handmatig te corrigeren. U kunt tevens foute berekeningen van de afstand corrigeren die veroorzaakt zijn door het vervangen van banden. (Zie IJKING NA VERVANGING VAN BANDEN op bladzijde 135.) l Kies Standaard om alle in te stellen items te resetten. U kunt de snelheid instellen die wordt gebruikt bij het berekenen van de geschatte reis-/aankomsttijd. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Navigatie op het scherm Instellingen. 3 Kies Gemiddelde snelheid. 4 Kies of om de gemiddelde rijsnelheid in te stellen voor Stedelijke weg, Landweg (Provinciale weg) en Snelweg. l Kies Standaard om terug te gaan naar de standaardinstellingen. l Kies Houd rekening met verkeersinfo om instellingen te gebruiken die zijn gebaseerd op verkeersinformatie. 5 Kies OK als het instellen van de gewenste snelheden is voltooid. 3 NAVIGATIESYSTEEM 131
4. CONFIGURATIE INFORMATIE De weergegeven tijd tot het bereiken van de bestemming is een schatting op basis van de geselecteerde snelheden en de actuele positie van de auto in relatie tot de berekende route. Deze tijd is echter sterk afhankelijk van de verkeerssituatie zoals files, wegwerkzaamheden, enz. De benodigde tijd tot uw bestemming kan worden weergegeven tot een maximum van 99 uur en 59 minuten. 4 Kies de categorie die u wilt wijzigen. 5 Kies de gewenste groep. POI-CATEGORIEËN WIJZIGEN (POI-ICONEN SELECTEREN) Selecteer maximaal 6 POI-iconen die u op het kaartscherm wilt weergeven. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Navigatie op het scherm Instellingen. 3 Kies POI-iconen selecteren. l Als de gewenste POI-categorie niet op het scherm is verschenen, kies dan de toets Lijst alle categorieën om alle POI-categorieën weer te geven. 6 Selecteer de gewenste categorie. l Hierna verschijnt de eerste pagina van het scherm Categorie veranderen weer. 7 Kies OK. 132
4. CONFIGURATIE POP-UPBERICHT Wanneer Pop-upbericht is ingeschakeld, wordt pop-upinformatie weergegeven. Deze melding verschijnt wanneer wordt overgeschakeld naar het dubbele kaartscherm. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Navigatie op het scherm Instellingen. 3 3 Selecteer Pop-upbericht. 4 Kies Aan of Uit. 5 Kies OK. l Wanneer Pop-upbericht is uitgeschakeld, worden de volgende berichten niet weergegeven. Dit bericht verschijnt wanneer POI-iconen op de kaart worden weergegeven en de schaal groter is dan 1 km. ACTUELE POSITIE/IJKING NA VERVANGING VAN BANDEN U kunt de actuele locatie handmatig corrigeren. U kunt tevens foute berekeningen van de afstand corrigeren die veroorzaakt zijn door het vervangen van banden. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Navigatie op het scherm Instellingen. 3 Kies IJking. NAVIGATIESYSTEEM 133
4. CONFIGURATIE 4 Kies de gewenste schermtoets. 2 Druk op de één van de acht pijltoetsen om de cursor naar de gewenste positie op de kaart te bewegen. l Zie BEPERKINGEN VAN HET NAVI- GATIESYSTEEM op bladzijde 142 voor meer informatie over de nauwkeurigheid van de weergave van de actuele locatie. VASTLEGGEN POSITIE/RICHTING Tijdens het rijden wordt de actuele locatie automatisch gecorrigeerd als uw auto signalen ontvangt van het GPS (Global Positioning System). Als het systeem door slechte ontvangst geen signalen van het GPS ontvangt, kan de actuele locatie ook handmatig worden gecorrigeerd. 1 Kies Positie/Richting. 3 Kies OK. 4 Kies of om de positie van de cursor te wijzigen. 5 Kies OK. l De kaart wordt nu weergegeven. 134
4. CONFIGURATIE IJKING NA VERVANGING VAN BANDEN De ijkfunctie wordt gebruikt na het vervangen van de banden. Hiermee worden rekenfouten als gevolg van eventuele verschillen in omtrek tussen de oude en de nieuwe banden gecompenseerd. 1 Kies voor de ijkingsprocedure de toets Banden wisselen. 3 NAVIGATIESYSTEEM l Er verschijnt een boodschap op het scherm en de snelle ijking wordt automatisch gestart. Enkele seconden later wordt de kaart weergegeven. INFORMATIE Als deze procedure na het vervangen van de banden niet wordt uitgevoerd, kan het zijn dat de actuele locatie niet correct wordt weergegeven. 135
4. CONFIGURATIE 2. VOERTUIGINSTELLINGEN ONDERHOUD 4 Kies de gewenste schermtoets. Wanneer het navigatiesysteem is ingeschakeld, geeft het scherm Informatie weer wanneer een onderdeel vervangen moet worden. (Zie bladzijde 30.) 1 Druk op de toets SETUP. l Onderhoudsinformatie instellen (Zie bladzijde 137.) l Dealer instellen (Zie bladzijde 138.) 2 Kies Voertuig. 3 Kies Onderhoud. 136
4. CONFIGURATIE INSTELLINGEN ONDER- HOUDSINFORMATIE 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Voertuig op het scherm Instellingen. 3 Kies Onderhoud op het scherm Voertuiginstellingen. 4 Kies de gewenste schermtoets. l De kleur van de toets verandert in oranje als uw auto aan onderhoud toe is. Schermtoets MOTOROLIE Functie Vervang motorolie Schermtoets REMVLOEI- STOF AT-VLOEI- STOF SERVICE Vervang vloeistof LUCHTFIL- TER PERSOON- LIJK Alles wissen Reset alles Dealer instellen Vervang remvloeistof transmissie- Functie Periodiek onderhoud Vervang luchtfilter U kunt nieuwe informatieonderwerpen aanmaken naast de al bestaande. Alle ingevoerde condities wissen. Voor het resetten na het uitvoeren van de controle/vervanging. Kies deze toets om dealerinformatie te registreren. (Zie DEALERINSTELLIN- GEN op bladzijde 138.) 3 NAVIGATIESYSTEEM OLIEFILTER OMWISSE- LEN BAND BATTERIJ Vervang motoroliefilter Wissel wielen Vervang banden Vervang 12V-accu Herinnering Wanneer u deze schermtoets kiest, gaat de indicator branden. Het systeem geeft onderhoudsinformatie weer op het scherm Informatie. (Zie bladzijde 30.) REMBLOK RUITENWIS- SER Vervang ruitenwisserbladen KOELVLOEI- STOF Vervang remblokken Vervang koelvloeistof motor en koelvloeistof inverter 137
4. CONFIGURATIE 5 Voer de voorwaarden in. DEALERINSTELLINGEN Nr. Functie Hiermee kunt u de datum voor de volgende onderhoudsbeurt invoeren. Hiermee kunt u de afstand tot de volgende onderhoudsbeurt invoeren. Hiermee kunt u de voorwaarden voor datum en afstand wissen. Hiermee kunt u de voorwaarden voor datum en afstand resetten. Er kan dealerinformatie in het systeem worden opgeslagen. Als de dealerinformatie is opgeslagen, is routebegeleiding naar de dealer beschikbaar. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Voertuig op het scherm Instellingen. 3 Kies Onderhoud op het scherm Voertuiginstellingen. 4 Kies Dealer instellen. 6 Kies OK. l Hierna verschijnt het onderhoudsscherm weer. INFORMATIE Zie het onderhoudsboekje van Toyota, het garantieboekje van Toyota en de handleiding voor meer informatie betreffende het onderhoudsschema. Afhankelijk van uw rijgedrag en de wegcondities kan er een verschil optreden tussen de ingevoerde gegevens en de werkelijke datum of gereden afstand. 5 Als de dealer niet is opgeslagen, voert u de locatie van de dealer op dezelfde manier in als bij het zoeken naar een bestemming. (Zie ZOEKEN VAN BE- STEMMING op bladzijde 66.) l Wanneer het instellen van de dealer is voltooid, wordt het scherm Dealer instellen weergegeven. 138
4. CONFIGURATIE 6 Kies de toets die u wilt wijzigen. BEWERKEN VAN Dealer OF Contactpersoon 1 Kies Dealer of Contact. 3 Nr. Functie Hiermee kunt de naam van een dealer invoeren. (Zie bladzijde 139.) Hiermee kunt de naam van een contactpersoon invoeren. (Zie bladzijde 139.) Hiermee kunt u de locatie instellen. (Zie bladzijde 139.) 2 Voer de naam in met behulp van de alfanumerieke toetsen. NAVIGATIESYSTEEM Hiermee kunt u het telefoonnummer instellen. (Zie bladzijde 140.) Hiermee kunt u de dealerinformatie die op het scherm wordt weergegeven wissen. Hiermee kunt u de weergegeven dealer als een bestemming instellen. (Zie STARTEN VAN ROUTE- BEGELEIDING op bladzijde 85.) l Er kunnen maximaal 70 karakters worden ingevoerd voor Dealer en 24 karakters voor Contact. 3 Kies OK. l Het vorige scherm wordt weergegeven. BEWERKEN VAN Locatie 1 Kies Locatie. 139
4. CONFIGURATIE 2 Druk op de één van de acht pijltoetsen om de cursor naar de gewenste positie op de kaart te bewegen. VOERTUIGAANPASSING De voertuiginstellingen kunnen worden gewijzigd. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Voertuig op het scherm Instellingen. 3 Kies Voertuigaanpassing. 3 Kies OK. l Het vorige scherm wordt weergegeven. BEWERKEN VAN Telefoonnummer 1 Kies Telefoonnummer. 2 Voer het nummer in met behulp van de cijfertoetsen. 4 Kies de items die u wilt instellen. l Zie de handleiding van de auto voor een overzicht van de instellingen die kunnen worden gewijzigd. 5 Kies OK nadat u de instellingen hebt gewijzigd. Er verschijnt een melding dat de instellingen worden opgeslagen. Voer geen andere handelingen uit zolang deze melding wordt weergegeven. 3 Kies OK. l Het vorige scherm wordt weergegeven. 140
4. CONFIGURATIE WAARSCHUWING Zorg er tijdens het aanpassen voor dat de auto en omgeving goed geventileerd zijn. Als er geen afdoende ventilatie is, kunnen uitlaatgassen zich verzamelen en de auto binnendringen. Uitlaatgassen bestaan o.a. uit koolmonoxide (CO). Inademing ervan kan schadelijk en zelfs dodelijk zijn. 3 INFORMATIE Voer het aanpassen uit als het hybridesysteem in werking is, om te voorkomen dat de 12V-accu ontladen raakt. NAVIGATIESYSTEEM 141
5. GPS (GLOBAL POSITIONING SYSTEM) 1. BEPERKINGEN VAN HET NAVIGATIESYSTEEM Dit navigatiesysteem bepaalt de actuele locatie aan de hand van signalen van satellieten, diverse voertuigsignalen, kaartgegevens, enz. Toch kan het gebeuren dat de actuele locatie niet accuraat wordt weergegeven, afhankelijk van de toestand van de satellieten, het wegennet, de toestand van de auto en andere omstandigheden. Het GPS (Global Positioning System), ontwikkeld en beheerd door het ministerie van Defensie van de Verenigde Staten van Amerika, bepaalt de voertuigpositie door gebruik te maken van ten minste 4 satellieten en in enkele gevallen van 3 satellieten. Het systeem heeft een bepaalde mate van onnauwkeurigheid. In de meeste gevallen compenseert het systeem deze onnauwkeurigheid automatisch, maar sporadisch kan het voorkomen dat het tot op een afstand van maximaal 100 meter onnauwkeurig is. In het algemeen zullen fouten binnen enkele seconden worden gecorrigeerd. Als de auto signalen ontvangt van de satellieten, verschijnt het GPS-merkteken links boven in het beeldscherm. Het GPS-signaal kan fysiek belemmerd worden, waardoor de positie van de auto op het kaartscherm onjuist wordt weergegeven. Het doorgeven van signalen kan gehinderd worden door tunnels, grote gebouwen, vrachtwagens of zelfs door voorwerpen die op het dashboard liggen. Ook kan het voorkomen dat de satellieten geen signalen uitzenden wegens onderhoud of reparaties. Ook als het navigatiesysteem de juiste GPS-signalen ontvangt, kan het in sommige omstandigheden voorkomen dat de actuele locatie niet wordt weergegeven of dat er onvolledige informatie wordt verstrekt. OPMERKING Het aanbrengen van folie op de ruiten kan het doorgeven van GPS-signalen belemmeren. De meeste folies bevatten metaaldeeltjes die de ontvangst van GPS-signalen door de antenne in het dashboard kunnen storen. Wij adviseren daarom om geen folie aan te brengen in auto's die zijn uitgerust met een navigatiesysteem. 142
5. GPS (GLOBAL POSITIONING SYSTEM) l De actuele locatie wordt in de volgende situaties mogelijk niet juist weergegeven: Bij het rijden over een Y-vormige weg waarvan de wegen dicht bij elkaar liggen. Bij het rijden over een kronkelige weg. Bij het rijden over een glad wegdek zoals op zand, grind, sneeuw, enz. Bij het rijden over een lange rechte weg. Als de snelweg parallel loopt met een ventweg. Nadat de auto per boot verplaatst is of is gesleept. Als de positie op een lange route gezocht moet worden tijdens het rijden met hoge snelheid. Als gereden wordt zonder dat de ijking van de actuele locatie correct is uitgevoerd. Nadat de auto vaak heen en weer gereden is of omgekeerd is op een plateau, bijvoorbeeld in een parkeergarage. Bij het verlaten van een overdekte parkeerplaats of een parkeergarage. Als een dakdrager is geplaatst. Tijdens het rijden met sneeuwkettingen. Als de banden versleten zijn. Na het vervangen van een of meerdere banden. Bij het gebruik van grotere of kleinere banden dan volgens de specificaties is voorgeschreven. Als de bandenspanning niet in orde is. l Als het systeem geen signalen van het GPS ontvangt, kan de actuele locatie ook handmatig worden gecorrigeerd. Zie bladzijde 133 voor meer informatie over de handmatige correctie van de actuele locatie. l Onjuiste routebegeleiding kan voorkomen in de volgende situaties: Tijdens afslaan op een andere kruising dan volgens de routebegeleiding wordt geadviseerd. Als u meer dan één bestemming hebt ingevoerd maar een van de bestemmingen overslaat, zal het systeem automatisch een route berekenen om terug te keren naar de bestemming van de vorige route. Bij het afslaan op een kruispunt waarvoor geen routebegeleiding wordt gegeven. Bij het passeren van een kruispunt waarbij geen routebegeleiding wordt gegeven. Tijdens het automatisch herberekenen van de route kan de routebegeleiding mogelijk de volgende afslag links of rechts niet aangegeven. Het kan veel tijd kosten om de route opnieuw te bepalen als met hoge snelheid wordt gereden. Tijdens het automatisch herberekenen van de route kan een omleidingsroute weergegeven worden. Na het automatisch herberekenen van de route kan dezelfde route weergegeven worden. Er kan ten onrechte worden weergegeven of aangekondigd dat er gekeerd moet worden. Een locatie kan meerdere namen hebben en het systeem noemt een of meerdere van deze namen. Wanneer er geen route kan worden gezocht. Als de route naar uw bestemming over onverharde wegen en door steegjes voert, kan het voorkomen dat het systeem geen route kan berekenen. Het kan voorkomen dat uw bestemming aan de tegenovergestelde zijde van de straat wordt weergegeven. Als een verkeerssituatie (tijdelijk) gewijzigd is, zoals een afgesloten weggedeelte waar u niet mag inrijden. De weginformatie en de kaarten die zijn opgeslagen in het geheugen van het navigatiesysteem kunnen verouderd of niet compleet zijn. 3 NAVIGATIESYSTEEM 143
5. GPS (GLOBAL POSITIONING SYSTEM) l Voer na het vervangen van de banden de procedure IJKING NA VERVAN- GING VAN BANDEN uit. (Zie bladzijde 135.) INFORMATIE Bij de berekeningen van dit navigatiesysteem speelt de maat van de banden een belangrijke rol en daarom moeten de banden voldoen aan de fabrieksspecificaties voor de auto. Het monteren van banden met andere dan de voorgeschreven afmetingen kan leiden tot een onjuiste weergave van de actuele locatie. De bandenspanning heeft eveneens invloed op de diameter van de banden; zorg er daarom voor dat de bandenspanning van alle banden van uw auto in orde is. 144
5. GPS (GLOBAL POSITIONING SYSTEM) 2. DATABASEVERSIE KAART EN DEKKINGSGEBIED KAARTINFORMATIE Dekkingsgebieden en juridische informatie kunnen worden weergegeven en kaartgegevens kunnen worden bijgewerkt. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. INFORMATIE Updates van kaartgegevens zijn tegen betaling beschikbaar. Raadpleeg een Toyota-dealer of erkende reparateur voor meer informatie. Op het scherm Kaartgegevens worden Kaartversie en ID kaartupdate weergegeven. Deze gegevens zijn nodig voor het updaten van de kaartgegevens. 3 NAVIGATIESYSTEEM 2 Kies Kaartgegevens. 3 Het scherm Kaartgegevens wordt weergegeven. 145
5. GPS (GLOBAL POSITIONING SYSTEM) JURIDISCHE INFORMATIE Er kan juridische informatie met betrekking tot de kaartgegevens worden weergegeven. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Kaartgegevens op het scherm Menu. 3 Kies Juridische info. DEKKINGSGEBIED Het dekkingsgebied van de kaart kan worden weergegeven. 1 Druk op de toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Kaartgegevens op het scherm Menu. 3 Kies Dekkingsgebied. l Het scherm Juridische info wordt weergegeven. l Het scherm Dekkingsgebied wordt weergegeven. 146
4 TELEFOON 1 1 BEDIENING TELEFOON 1. KORTE UITLEG... 148 2. TELEFOON (HANDSFREE- SYSTEEM VOOR MOBIELE TELEFOON)... 151 GEBRUIK VAN DE TELEFOON- TOETSEN... 152 GEBRUIK VAN DE STUURWIEL- TOETSEN... 153 OVER HET TELEFOONBOEK IN DIT SYSTEEM... 154 WANNEER U DE AUTO VERKOOPT OF WEGDOET... 154 3. REGISTREREN VAN EEN Bluetooth -TELEFOON... 155 VERBINDING MAKEN MET EEN Bluetooth -TELEFOON... 157 OPNIEUW VERBINDING MAKEN MET DE Bluetooth -TELEFOON... 158 4. BELLEN MET DE Bluetooth - TELEFOON... 159 VIA INTOETSEN NUMMER... 159 VIA TELEFOONBOEK... 159 VIA SNELKIEZEN... 161 VIA OPROEPGESCHIEDENIS... 162 VIA SPRAAKHERKENNING... 163 BELLEN VIA EEN SMS/MMS... 165 VIA POI... 165 5. ONTVANGEN VAN OPROEPEN OP DE Bluetooth - TELEFOON...166 6. PRATEN VIA DE Bluetooth - TELEFOON...167 ALS U 0-9 KIEST... 168 WISSELGESPREK... 169 7. BERICHTFUNCTIE Bluetooth - TELEFOON...170 BEKIJKEN VAN BERICHTEN... 170 BEANTWOORDEN (SNEL ANTWOORDEN)... 171 MELDING NIEUW BERICHT... 172 2 CONFIGURATIE 1. TELEFOONINSTELLINGEN...173 GELUIDSINSTELLINGEN TELEFOON... 173 TELEFOONBOEK... 175 INSTELLINGEN VOOR BERICHTEN... 189 WEERGAVE-INSTELLINGEN TELEFOON... 193 2. Bluetooth -INSTELLINGEN...196 GEREGISTREERDE APPARATEN... 196 SELECTEREN VAN EEN Bluetooth - TELEFOON... 200 SELECTEREN VAN DRAAGBARE SPELER... 202 GEDETAILLEERDE Bluetooth - INSTELLINGEN... 203 2 3 4 5 6 7 8 9 *: nuttige adressen 147
1. BEDIENING TELEFOON 1. KORTE UITLEG Bluetooth -telefoons kunnen worden bediend via het scherm van het navigatiesysteem. Druk op de toets of de toets op het stuurwiel om het scherm voor handsfree-bediening weer te geven. 148
1. BEDIENING TELEFOON Nr. Naam Functie De kwaliteit van de Bluetooth - verbinding Hoe ver de batterij geladen is Het gedeelte voor ontvangst Geen verbinding Goed In het dashboard is een antenne voor de Bluetooth -verbinding ingebouwd. In de volgende gevallen kan het zijn dat de Bluetooth - verbinding niet goed is en de Bluetooth -telefoon niet functioneert: De mobiele telefoon wordt afgeschermd door bepaalde voorwerpen (hij ligt bijvoorbeeld achter de stoel, in het dashboardkastje of in het opbergvak in de middenconsole). De mobiele telefoon maakt contact met of is afgeschermd door metaal. Leg de Bluetooth -telefoon op een plaats waar de Bluetooth -verbinding goed is. Wanneer de mobiele telefoon niet is aangesloten, wordt Geen verbinding weergegeven. Leeg Vol Dit wordt niet weergegeven als er geen Bluetooth -telefoon is aangesloten. De aangegeven hoeveelheid komt niet altijd overeen met de hoeveelheid die uw mobiele telefoon aangeeft. Afhankelijk van de telefoon die u hebt, wordt mogelijk niet aangegeven hoe ver de batterij geladen is. Het systeem beschikt niet over een oplaadfunctie. Rm wordt weergegeven wanneer u niet via het netwerk van uw eigen telefoonaanbieder belt. Afhankelijk van de telefoon die u hebt, wordt het ontvangstgebied mogelijk niet weergegeven. 4 TELEFOON De ontvangstkwaliteit Slecht Uitstekend De kwaliteit van de ontvangst komt niet altijd overeen met de aangegeven kwaliteit van de ontvangst op uw telefoon. Afhankelijk van de telefoon die u hebt, wordt de kwaliteit van de ontvangst mogelijk niet weergegeven. Als de telefoon zich buiten het ontvangstgebied of op een plaats waar geen radiogolven kunnen komen bevindt, wordt de melding Geen ontvangst weergegeven. 149
1. BEDIENING TELEFOON Nr. Naam Functie toets Toets SETUP Druk op deze toets om het scherm voor handsfree-bediening weer te geven. Druk op deze toets om het scherm Instellingen weer te geven. Kies Telefoon of Bluetooth* op het scherm Instellingen om het instellingenscherm voor handsfree weer te geven. *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 150
1. BEDIENING TELEFOON 2. TELEFOON (HANDSFREE-SYSTEEM VOOR MOBIELE TELEFOON) Dankzij het handsfree-systeem kunt u bellen en gebeld worden zonder dat u uw handen van het stuurwiel hoeft te nemen. Dit systeem ondersteunt Bluetooth. Bluetooth is een draadloos datasysteem waarmee mobiele telefoons kunnen worden gebruikt zonder dat er een kabel is aangesloten of de telefoon in een houder is geplaatst. In dit hoofdstuk wordt de bediening van de telefoon uitgelegd. l Zie TELEFOONINSTELLINGEN op bladzijde 173 en Bluetooth -INSTEL- LINGEN op bladzijde 196 voor het registreren en instellen van de telefoon. WAARSCHUWING Gebruik uw mobiele telefoon alleen als dit veilig en wettelijk toegestaan is. Hetzelfde geldt voor het tot stand brengen van een Bluetooth -verbinding tussen uw telefoon en het systeem in de auto. OPMERKING Laat uw mobiele telefoon niet achter in de auto. De temperatuur in de auto kan hoog oplopen waardoor de telefoon beschadigd kan raken. INFORMATIE Als uw mobiele telefoon geen Bluetooth ondersteunt, werkt het systeem niet. Onder de volgende omstandigheden werkt het systeem mogelijk niet: De mobiele telefoon is uitgeschakeld. De actuele locatie ligt buiten het communicatiegebied. De mobiele telefoon is niet aangesloten. De batterij van de mobiele telefoon is bijna leeg. Wanneer u gelijktijdig gebruikmaakt van Bluetooth -audio en het handsfree-systeem, kunnen de volgende problemen optreden: De Bluetooth -verbinding wordt mogelijk verbroken. Bij het afspelen van audio via Bluetooth kan ruis hoorbaar zijn. Dit systeem ondersteunt de volgende specificaties: Bluetooth Specificatie Versie 1.1 of hoger (Aanbevolen: versie 2.1 + EDR of hoger) Profielen HFP (Handsfree Profiel) Versie 1.0 of hoger (Aanbevolen: Versie 1.5 of hoger) OPP (Object Push Profiel) Versie 1.1 of hoger PBAP (Phone Book Access Profiel) Versie 1.0 of hoger MAP (Message Access Profiel) Versie 1.0 of hoger DUN (Dial-Up netwerkprofiel) Versie 1.1 of hoger* *: Dit profiel is nodig wanneer u gebruikmaakt van extra diensten. (Zie EXTRA DIENSTEN op bladzijde 286.) 4 TELEFOON 151
1. BEDIENING TELEFOON INFORMATIE Als uw mobiele telefoon geen HFP-profiel ondersteunt, kunt u hem niet als Bluetooth -telefoon invoeren. Bovendien kunt u in dat geval geen gebruikmaken van het OPP-, PBAP-, MAP- of DUN-profiel. Als de versie van de aangesloten Bluetooth -telefoon ouder is dan aanbevolen of niet-compatibel is, kan deze functie mogelijk niet worden gebruikt. GEBRUIK VAN DE TELE- FOONTOETSEN Door op de telefoontoetsen te drukken, kunt u een oproep ontvangen of beëindigen zonder uw handen van het stuur te nemen. Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. l U kunt de microfoon gebruiken om via de telefoon te praten. Type A Type B 152
1. BEDIENING TELEFOON INFORMATIE De stem van de gesprekspartner is te horen via de luidsprekers voor. Het geluid van het audiosysteem wordt uitgeschakeld tijdens telefoongesprekken of wanneer spraakcommando's voor het handsfree-systeem worden gebruikt. Wacht met praten tot de gesprekspartner is uitgepraat. Als beide partijen tegelijkertijd praten, hoort de gesprekspartner mogelijk niet wat er wordt gezegd. (Dit duidt niet op een storing.) Stel het belvolume niet te hoog in. Anders is de stem van de gesprekspartner mogelijk buiten de auto hoorbaar of kan er echo ontstaan. Spreek altijd duidelijk in de richting van de microfoon. In de volgende gevallen hoort de gesprekspartner u mogelijk niet goed: Er wordt op een slecht wegdek gereden. (Waardoor de auto overmatig lawaai maakt.) Er wordt met hoge snelheid gereden. Het dak of de ruiten zijn geopend. De ventilatieroosters zijn op de microfoon gericht. De aanjager maakt veel geluid. De geluidskwaliteit wordt negatief beïnvloed als gevolg van de telefoon en/of het netwerk dat wordt gebruikt. GEBRUIK VAN DE STUUR- WIELTOETSEN Bedieningstoetsen volume l Druk op de zijde + voor een hoger volume. l Druk op de zijde - voor een lager volume. 4 TELEFOON 153
1. BEDIENING TELEFOON OVER HET TELEFOONBOEK IN DIT SYSTEEM l De volgende gegevens worden voor elke geregistreerde telefoon opgeslagen. Wanneer een andere telefoon is aangesloten, kunnen de volgende geregistreerde gegevens niet worden gelezen: Gegevens uit het telefoonboek Gegevens oproepgeschiedenis Gegevens snelkiezen Gegevens afbeelding Berichten Berichten voor snel antwoorden Alle telefooninstellingen INFORMATIE Als u de registratie van de telefoon wist, worden de bovenstaande gegevens ook gewist. WANNEER U DE AUTO VERKOOPT OF WEGDOET Wanneer u het handsfree-systeem gebruikt, wordt een groot aantal persoonlijke gegevens geregistreerd. Initialiseer de gegevens wanneer u de auto verkoopt of wegdoet. (Zie PER- SOONLIJKE GEGEVENS WISSEN op bladzijde 57.) l U kunt de volgende gegevens in het systeem initialiseren: Gegevens uit het telefoonboek Gegevens oproepgeschiedenis Gegevens snelkiezen Gegevens afbeelding Alle telefooninstellingen Instellingen voor berichten INFORMATIE De gegevens en instellingen worden bij het initialiseren gewist. Let dus goed op wanneer u de gegevens initialiseert. 154
1. BEDIENING TELEFOON 3. REGISTREREN VAN EEN Bluetooth -TELEFOON Om het handsfree-systeem te kunnen gebruiken, moet u een telefoon in het systeem registreren. Zodra de telefoon is geregistreerd, kunt u handsfree bellen. Als de Bluetooth -telefoon nog niet is geregistreerd, moet u dit eerst doen volgens de onderstaande procedure. l Wanneer er al 5 Bluetooth -apparaten zijn geregistreerd, moet er een geregistreerd apparaat worden gewist. Zie Wanneer er al 5 Bluetooth -apparaten zijn geregistreerd op bladzijde 156 3 Voer, als dit scherm wordt weergegeven, het op het scherm weergegeven wachtwoord in de telefoon in. l Zie REGISTREREN VAN EEN Bluetooth -APPARAAT op bladzijde 197 voor het registreren van extra apparaten. 4 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Ja om een telefoon te registreren. l Raadpleeg de meegeleverde handleiding voor meer informatie over het invoeren van het wachtwoord in het Bluetooth - apparaat. l Voor Bluetooth -telefoons die SSP-compatibel (Secure Simple Pairing) zijn, is geen wachtwoord nodig. Afhankelijk van het type Bluetooth -telefoon dat wordt aangesloten, wordt er mogelijk een registratiebevestiging weergegeven op het scherm van de Bluetooth -telefoon. Bedien de Bluetooth -telefoon overeenkomstig het bevestigingsbericht. l Kies Annuleren om het registreren te annuleren. l Als de te registreren Bluetooth -telefoon een Bluetooth -audiofunctie heeft, kan deze tegelijkertijd worden geregistreerd. TELEFOON 155
1. BEDIENING TELEFOON 4 Dit scherm wordt weergegeven wanneer het registreren is voltooid. Wanneer er al 5 Bluetooth -apparaten zijn geregistreerd 1 Wanneer er al 5 Bluetooth -apparaten zijn geregistreerd, moet er een geregistreerd apparaat worden gewist. Kies Ja om een of meerdere apparaten te verwijderen. 2 Kies het apparaat dat u wilt wissen en kies Verwijderen. l Wanneer u dezelfde telefoon wilt gebruiken, is het niet nodig deze nogmaals te registreren. Wanneer dit scherm verschijnt, volgt u de aanwijzingen op het scherm om het opnieuw te proberen. 3 Kies Ja. Als de te registreren Bluetooth -telefoon een Bluetooth -audiofunctie heeft Wanneer een ander Bluetooth -apparaat is aangesloten l Als de te registreren Bluetooth -telefoon een Bluetooth -audiofunctie heeft, kan deze tegelijkertijd automatisch worden geregistreerd en verschijnt dit scherm mogelijk. Als dit scherm wordt weergegeven, kies dan Ja om verbinding te maken met de audiofunctie of kies Nee om het maken van verbinding te annuleren. l Wanneer een ander Bluetooth -apparaat is aangesloten, verschijnt dit scherm. l Kies Ja om het Bluetooth -apparaat los te koppelen. 156
1. BEDIENING TELEFOON VERBINDING MAKEN MET EEN Bluetooth -TELEFOON AUTOMATISCH Wanneer een telefoon wordt geregistreerd, wordt automatisch verbinden ingeschakeld. Schakel deze optie altijd in en plaats de Bluetooth -telefoon op een zodanige locatie dat er een verbinding tot stand kan worden gebracht. l Zie WIJZIGEN VAN Bluetooth* aan/-uitknop op bladzijde 204 voor automatisch verbinding maken. l Wanneer het contact in de stand ACC of AAN staat, zoekt het systeem naar een zich in de buurt bevindende geregistreerde mobiele telefoon. l Het systeem zal verbinding maken met de telefoon waar de laatste keer verbinding mee werd gemaakt, indien deze zich in de buurt bevindt. Wanneer Telefoonstatus weergeven Aan staat, wordt de status van de verbinding weergegeven. (Zie INSTELLINGEN WEERGAVE STATUS VERBINDING Bluetooth -APPARAAT op bladzijde 206.) l Dit scherm verschijnt als er voor het eerst verbinding wordt gemaakt met de Bluetooth -telefoon nadat het contact in de stand ACC of AAN is gezet. INFORMATIE Tijdens het afspelen van muziek via het Bluetooth -audiosysteem kan het verbinding maken met een mobiele telefoon langer duren dan normaal. HANDMATIG Wanneer de automatische verbinding is mislukt of de Bluetooth* aan/-uitknop is uitgeschakeld, dient u handmatig verbinding te maken met Bluetooth. 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Telefoon verbinden. 4 TELEFOON *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 157
1. BEDIENING TELEFOON 3 Kies de schermtoets van de gewenste telefoonverbinding. Wanneer er verbinding is gemaakt met een telefoon tijdens het afspelen van Bluetooth -audio l Wanneer de toestelnaam van de mobiele telefoon niet is gevonden, worden Toestel 1 tot Toestel 5 weergegeven in de volgorde waarin de telefoons zijn geregistreerd. 4 Dit scherm wordt weergegeven. l Dit scherm wordt weergegeven en Bluetooth -audio wordt tijdelijk onderbroken. OPNIEUW VERBINDING MAKEN MET DE Bluetooth - TELEFOON 5 Dit scherm wordt weergegeven wanneer er verbinding is gemaakt. l U kunt nu uw Bluetooth -telefoon gebruiken. Als de verbinding met de Bluetooth - telefoon wegvalt als gevolg van een slechte ontvangst van het Bluetooth - netwerk wanneer het contact in stand ACC of AAN staat, probeert het systeem automatisch opnieuw verbinding te maken met de Bluetooth -telefoon. Wanneer Telefoonstatus weergeven Aan staat, wordt de status van de verbinding weergegeven. l Als de verbinding met de Bluetooth -telefoon met opzet wordt verbroken (bijvoorbeeld wanneer u de telefoon uitzet), gebeurt dit niet. Maak opnieuw handmatig verbinding met de Bluetooth -telefoon. 158
1. BEDIENING TELEFOON 4. BELLEN MET DE Bluetooth -TELEFOON Nadat een Bluetooth -telefoon is geregistreerd, kunt u handsfree bellen. Er zijn 7 verschillende manieren om te bellen. Deze staan hieronder omschreven. VIA INTOETSEN NUMMER U kunt bellen door het telefoonnummer in te voeren. 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Voer met behulp van de cijfertoetsen het gewenste telefoonnummer in. VIA TELEFOONBOEK U kunt bellen met behulp van de gegevens uit het telefoonboek die zijn overgezet vanaf de geregistreerde mobiele telefoon. Het telefoonboek wijzigt afhankelijk van de aangesloten telefoon. In elk telefoonboek kunnen gegevens voor maximaal 1.000 personen (maximaal 3 nummers per persoon) worden geregistreerd. 1 Kies Contacten. 4 TELEFOON l Elke keer dat u de toets kiest, wordt het laatst ingevoerde cijfer gewist. 3 Kies of druk op de toets op het stuurwiel. 2 Selecteer de gewenste gegevens uit de lijst. 1/3, 2/3, 3/3 : Kies deze schermtoets om te wisselen tussen Latijnse, Cyrillische en Griekse karakters. 159
1. BEDIENING TELEFOON 3 Selecteer het gewenste nummer uit de lijst. PBAP-compatibele modellen 4 Kies of druk op de toets op het stuurwiel. Niet-PBAP-compatibele maar wel OPPcompatibele modellen WANNEER HET TELEFOON- BOEK LEEG IS 1 Kies Contacten. 2 Kies Ja of Overbrengen om het telefoonboek van de aangesloten telefoon automatisch over te brengen. l Kies Handmatig om het telefoonboek handmatig over te brengen. (Zie OVER- BRENGEN VAN EEN TELEFOONNUM- MER op bladzijde 176.) l Kies Nee of Annuleren om het overbrengen te annuleren. l Indien uw mobiele telefoon noch PBAPnoch OPP-compatibel is, kunt u het telefoonboek niet overbrengen. 3 Breng de gegevens uit het telefoonboek over naar het systeem met behulp van de Bluetooth -telefoon. l Afhankelijk van het type mobiele telefoon is mogelijk OBEX-autorisatie nodig bij het overbrengen van de telefoonboekgegevens. Voer 1234 in de Bluetooth -telefoon in. l Tijdens het overbrengen van de gegevens verschijnt dit scherm. Kies Annuleren om deze functie te annuleren. 160
1. BEDIENING TELEFOON 4 Wanneer de data-overdracht vanaf een niet-pbap-compatibel maar wel OPP-compatibel model is voltooid, wordt Gereed op het scherm weergegeven. Kies Gereed. VIA SNELKIEZEN U kunt iemand opbellen met behulp van een geregistreerd telefoonnummer uit een telefoonboek. (Zie IN- VOEREN VAN DE SNELKIESNUMMERS op bladzijde 184 voor het invoeren van het snelkiesnummer.) 1 Kies Snelkiesnummers. 4 TELEFOON 2 Kies het nummer dat u wilt bellen. l U kunt de weer te geven lijst wijzigen door het tabblad Snelkiesnr. 1, Snelkiesnr. 2 of Snelkiesnr. 3 te kiezen. 161
1. BEDIENING TELEFOON VIA OPROEPGESCHIEDENIS U KUNT BELLEN VIA OPROEP- GESCHIEDENIS, DAT 4 FUNC- TIES HEEFT 3 Kies of druk op de toets op het stuurwiel. Alle: alle oproepen (gemist, inkomend of uitgaand) Gemist: gemiste oproepen Inkomend: ontvangen oproepen Uitgaand: gekozen nummers 1 Kies Oproepgeschiedenis. 2 Selecteer de gewenste gegevens uit de lijst. l U kunt de weer te geven lijst wijzigen door het tabblad Alle, Gemist, Inkomend of Uitgaand te kiezen. 162
1. BEDIENING TELEFOON U KUNT HET LAATSTE NUM- MER VAN DE OPROEPGE- SCHIEDENIS BELLEN 1 Druk op de toets op het stuurwiel om het scherm Telefoon weer te geven. 2 Druk op de toets op het stuurwiel om het scherm Oproepgeschiedenis weer te geven. VIA SPRAAKHERKENNING U kunt bellen door een spraakcommando te geven. (Zie SPRAAKCOM- MANDOSYSTEEM op bladzijde 264 voor meer informatie over de werking en commando's van de spraakherkenning.) 3 Druk op de toets op het stuurwiel om het laatste item van de oproepgeschiedenis te kiezen. 4 4 Kies of druk op de toets op het stuurwiel om het laatste nummer in de oproepgeschiedenis te bellen. l Wanneer u via het telefoonboek belt, wordt de naam (indien geregistreerd) weergegeven. l Wanneer u vaker hetzelfde nummer belt, wordt alleen de meest recente keer in de lijst opgeslagen. l Wanneer een oproep wordt ontvangen van een nummer dat in het telefoonboek is geregistreerd, dan worden de naam en het nummer weergegeven. l Ook de oproepen via nummers waarvan de nummerweergave is uitgeschakeld worden in het systeem opgeslagen. TELEFOON 163
1. BEDIENING TELEFOON VOORBEELD SPRAAKCOM- MANDO: BEL NAAM 1 Druk op de spraaktoets. l Bel <naam> wordt weergegeven in het scherm Snelkoppelingen. l Wanneer Bel <naam> gedimd wordt weergegeven op het scherm Snelkoppelingen, kan de spraakherkenning van het telefoonboek niet worden gebruikt. Controleer de Bluetooth -verbinding en of de contacten zijn overgebracht naar het navigatiesysteem. 2 Noem de naam van een geregistreerd contact. l Doe hetzelfde als op het scherm wordt weergegeven, Bel <naam>, zeg Bel en noem de naam van een contact. Bijvoorbeeld: Bel, John Smith of Bel, Mary Davis, Mobiel l Mogelijk worden korte of afgekorte namen in het telefoonboek niet herkent. Wijzig de namen in het telefoonboek in volledige namen. l Soms verschijnt er een bevestigingsscherm voor een spraakherkenningsresultaat. Zeg ter bevestiging van het resultaat Ja of Nee. l Wanneer het systeem meerdere namen in het telefoonboek vindt, wordt er een kandidatenlijst met namen op het scherm weergegeven. Als de gewenste naam niet bovenaan in het scherm wordt weergegeven, noem dan het nummer van de naam op de kandidatenlijst (1e en 2e) om een naam uit die lijst te selecteren. l Wanneer er in het telefoonboek meerdere telefoonnummers zijn geregistreerd voor een contact, wordt er een kandidatenlijst weergegeven. Als het gewenste telefoonnummer niet bovenaan in het scherm wordt weergegeven, noem dan het gewenste telefoonnummer op de kandidatenlijst (1e en 2e) om een telefoonnummer uit die lijst te selecteren. 3 Zeg Bel om het telefoonnummer te bellen. VOORBEELD SPRAAKCOM- MANDO: BEL NUMMER 1 Druk op de spraaktoets. l Bel <nummer> wordt weergegeven in het scherm Snelkoppelingen. l Wanneer Bel <nummer> gedimd wordt weergegeven op het scherm Snelkoppelingen, kan de spraakherkenning van het telefoonnummer niet worden gebruikt. Controleer de Bluetooth -verbinding. 2 Noem het telefoonnummer. l Doe hetzelfde als op het scherm wordt weergegeven, Bel <nummer>, zeg Bel en noem het telefoonnummer. l Noem het telefoonnummer cijfer voor cijfer op. Als het telefoonnummer bijvoorbeeld 2345678 is: Zeg twee drie vier vijf zes zeven acht Zeg niet drieëntwintig vijfenveertig zevenenzestig acht l Het systeem kan geen aanvullende nummers herkennen. Noem daarom zonder onderbreking het volledige nummer. l Wanneer het systeem meerdere telefoonnummers vindt, wordt er een kandidatenlijst met telefoonnummers op het scherm weergegeven. Als het gewenste telefoonnummer niet bovenaan in het scherm wordt weergegeven, noem dan het gewenste telefoonnummer op de kandidatenlijst (1e en 2e) om een telefoonnummer uit die lijst te selecteren. 3 Zeg Bel om het telefoonnummer te bellen. 164
1. BEDIENING TELEFOON BELLEN VIA EEN SMS/MMS U kunt bellen naar het telefoonnummer van iemand die een sms (Short Message Service)/mms (Multimedia Messaging Service) heeft gestuurd. 1 Kies Berichten. VIA POI U kunt iemand opbellen door te kiezen wanneer dit op het scherm van het navigatiesysteem verschijnt. (Zie INFORMATIE TONEN OVER DE ICOON DIE MET DE CURSOR WORDT AANGEWEZEN op bladzijde 42.) 4 l Wanneer Bericht overbrengen Uit staat, verschijnt er een bevestigingsscherm. Kies Ja. 2 Kies het tabblad SMS/MMS en kies vervolgens het gewenste ontvangen bericht uit de lijst. TELEFOON l Afhankelijk van de mobiele telefoon die u hebt, wijkt de weergave van het tabblad mogelijk af. 3 Kies of druk op de toets op het stuurwiel. 165
1. BEDIENING TELEFOON 5. ONTVANGEN VAN OPROEPEN OP DE Bluetooth -TELEFOON Wanneer er een oproep wordt ontvangen, wordt dit scherm weergegeven en klinkt er een geluidssignaal. 1 Kies of druk op de toets op het stuurwiel om via de telefoon te praten. De oproep niet beantwoorden: Kies of druk op de toets op het stuurwiel. Het volume van de ontvangen oproep instellen: Kies - of +, draai aan de knop AAN/UIT/volumeknop of gebruik de volumetoetsen op het stuurwiel. INFORMATIE Afhankelijk van de mobiele telefoon die u hebt, wordt bij een internationale oproep de naam of het nummer van de gesprekspartner mogelijk niet juist weergegeven. 166
1. BEDIENING TELEFOON 6. PRATEN VIA DE Bluetooth -TELEFOON Als u via de telefoon aan het praten bent, wordt dit scherm weergegeven. De hieronder aangegeven handelingen kunnen op dit scherm worden uitgevoerd. Instellen van het volume van de gesprekspartner: Kies - of +, draai aan de AAN/UIT/volumeknop of gebruik de volumetoetsen op het stuurwiel. De telefoon ophangen: Kies of druk op de toets op het stuurwiel. Uw stemgeluid uitschakelen: Kies Dempen. Nummers invoeren: Kies 0-9. Doorsturen van een gesprek: Kies Handset mode om van handsfree bellen over te schakelen naar bellen met de mobiele telefoon. Kies Handsfree mode om van bellen met de mobiele telefoon over te schakelen naar handsfree bellen. INFORMATIE Als u overschakelt van bellen met uw mobiele telefoon naar handsfree bellen, verschijnt het handsfree-scherm en kunt u dit gebruiken. U kunt schakelen tussen bellen met uw mobiele telefoon en handsfree bellen door de mobiele telefoon zelf te bedienen. Afhankelijk van de mobiele telefoon die u hebt, wijken de wijze van doorschakelen en de bediening mogelijk af. Raadpleeg de bij uw mobiele telefoon geleverde handleiding voor meer informatie over de bediening van de telefoon. 4 TELEFOON 167
1. BEDIENING TELEFOON ALS U 0-9 KIEST INVOEREN VAN EEN NUMMER 1 Toets het gewenste nummer in. DOORKIESCODE Als u een nummer uit het telefoonboek belt waaraan een doorkiescode is toegevoegd, verschijnt dit scherm. (Als er geen doorkiescode is toegevoegd, worden Zenden en Wissen niet weergegeven.) Dit kan tijdens het rijden worden bediend. 1 Controleer het nummer dat op het scherm wordt weergegeven en kies Zenden. De doorkiescode wordt verzonden. De telefoon ophangen: Kies of druk op de toets op het stuurwiel. l Wanneer u Wissen kiest, wordt deze functie afgesloten en verschijnt het scherm voor een normaal telefoonnummer. De telefoon ophangen: Kies of druk op de toets op het stuurwiel. 168
1. BEDIENING TELEFOON INFORMATIE De doorkiescode bestaat uit een letter (p of w) en de code zelf, en wordt achter het telefoonnummer weergegeven. (bijv. 056133w0123p#1 ) Wanneer wachtfunctiecode p wordt gebruikt, worden na 2 seconden wachten de gegevens tot de volgende wachtfunctiecode automatisch verzonden. Wanneer wachtfunctiecode w wordt gebruikt, worden de gegevens tot de volgende wachtfunctiecode automatisch verzonden na bediening door de gebruiker. U kunt dit doen voor bijvoorbeeld uw antwoordapparaat of de telefoonservice van uw bank. U kunt het telefoonnummer en het codenummer in het telefoonboek opslaan. WISSELGESPREK Wanneer u tijdens een telefoongesprek door iemand anders wordt gebeld, wordt dit scherm weergegeven. 1 Kies of druk op de toets op het stuurwiel om met de derde persoon te praten. l Kies of druk op de toets op het stuurwiel om de oproep te weigeren. l Telkens wanneer wordt gekozen of de toets op het stuurwiel wordt ingedrukt, wordt er overgeschakeld naar de gesprekspartner die in de wacht staat. INFORMATIE Als uw mobiele telefoon HFP-versie 1.5 niet ondersteunt, kan deze functie niet worden gebruikt. 4 TELEFOON 169
1. BEDIENING TELEFOON 7. BERICHTFUNCTIE Bluetooth -TELEFOON Ontvangen berichten kunnen via de aangesloten Bluetooth -telefoon worden doorgestuurd, zodat u via het navigatiesysteem deze kunt bekijken en beantwoorden (snel beantwoorden). 4 U kunt berichten bekijken. BEKIJKEN VAN BERICHTEN 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Berichten. l Wanneer Bericht overbrengen Uit staat, verschijnt er een bevestigingsscherm. Kies Ja. 3 Kies de schermtoets van het gewenste bericht. l Berichten worden weergegeven in de geregistreerde map voor e-mailadressen van de desbetreffende aangesloten Bluetooth -telefoon. Kies het tabblad van de map die u wilt weergeven. l Kies Vorige of Volgende om het vorige of volgende bericht weer te geven. l Er kunnen alleen op de aangesloten Bluetooth -telefoon ontvangen berichten worden weergegeven. 5 Kies Afspelen om het voorlezen van het bericht te starten. Kies Stoppen om de functie te stoppen. l Kies - of +, draai aan de knop AAN/UIT/ volumeknop of gebruik de volumetoetsen op het stuurwiel om het voorleesvolume voor berichten in te stellen. l Wanneer het ontvangen bericht een e- mail is en Leesstatus bericht op telefoon updaten Aan staat, kunnen Markeren als ongelezen of Markeren als gelezen worden geselecteerd. Kies Markeren als ongelezen om e-mails die op de Bluetooth -telefoon zijn gelezen te markeren als ongelezen. Kies Markeren als gelezen om e-mails die niet op de Bluetooth -telefoon zijn gelezen te markeren als gelezen. (Zie INSTELLINGEN VOOR BERICHTEN op bladzijde 189.) l Wat betreft sms/mms, wanneer u kiest of op de toets op het stuurwiel drukt, wordt de afzender gebeld. (Zie bladzijde 165.) l Kies Antwoorden om het bericht te beantwoorden. 170
1. BEDIENING TELEFOON BEANTWOORDEN (SNEL ANTWOORDEN) 1 Kies Antwoorden. BEWERKEN VAN ANT- WOORDSJABLONEN 1 U kunt antwoordsjablonen bewerken wanneer de auto stilstaat. Kies Bewerken. 2 Kies de schermtoets van het gewenste bericht. 2 Kies de schermtoets van het gewenste bericht. 4 TELEFOON 3 Kies Zenden. l Tijdens het verzenden van het bericht wordt er een berichtverzendingsscherm weergegeven. 4 Dit scherm wordt weergegeven wanneer de berichtoverdracht is mislukt. 3 Kies na het wijzigen OK. l Kies Opnieuw proberen om nogmaals te proberen het bericht te verzenden of kies Annuleren om te annuleren. 171
1. BEDIENING TELEFOON 4 Kies. MELDING NIEUW BERICHT Als Nieuw inkomend bericht en Spraakmelding nieuw bericht Aan staan, wordt er op het scherm een melding weergegeven en is er een gesproken melding te horen wanneer er een nieuw bericht wordt ontvangen. (Zie INSTELLINGEN VOOR BERICHTEN op bladzijde 189.) 1 Kies Lezen om het bericht te bekijken. l Het scherm Berichten wordt weergegeven. l Wanneer Automatisch bericht uitlezen Aan staat, wordt het bericht automatisch voorgelezen. (Zie INSTELLINGEN VOOR BERICHTEN op bladzijde 189.) l Wanneer u kiest of op de toets op het stuurwiel drukt, wordt de afzender van de sms/mms gebeld. (Zie bladzijde 165.) l Kies Negeren of om het bericht later te bekijken. 172
2. CONFIGURATIE 1. TELEFOONINSTELLINGEN Het telefoonboek kan worden bewerkt. De instellingen voor volume, weergave en berichten kunnen ook worden gewijzigd. 1 Druk op de toets SETUP. GELUIDSINSTELLINGEN TELEFOON Het gespreks- en het beltoonvolume kunnen worden ingesteld. Er kan een beltoon worden geselecteerd. 1 Kies Geluidsinstellingen. 4 2 Kies Telefoon. 2 Wijzig de instellingen aan de hand van de procedures op de volgende bladzijden. TELEFOON 3 Wijzig de instellingen aan de hand van de procedures op de volgende bladzijden. 3 Kies OK wanneer alle instellingen zijn voltooid. INFORMATIE Het systeem verhoogt automatisch het volume wanneer de snelheid hoger ligt dan 80 km/h. 173
2. CONFIGURATIE INSTELLEN VAN GESPREKS- VOLUME 1 Kies Oproep volume op het scherm Geluidsinstellingen. 2 Kies - of + om het gespreksvolume in te stellen. INSTELLINGEN BELTOON 1 Kies Beltoon op het scherm Geluidsinstellingen. 2 Kies de schermtoets van de gewenste beltoon. 3 Kies OK. INSTELLINGEN BELTOON- VOLUME 1 Kies Beltoonvolume op het scherm Geluidsinstellingen. 2 Kies - of + om het beltoonvolume in te stellen. l U kunt de beltonen horen door de schermtoetsen te kiezen. 3 Kies OK. INITIALISEREN VAN DE INSTELLINGEN De instellingen kunnen worden geïnitialiseerd. 1 Kies Standaard op het scherm Geluidsinstellingen. 2 Kies Ja. 3 Kies OK. 174
2. CONFIGURATIE TELEFOONBOEK De oproepgeschiedenis kan worden gewist en de instellingen voor het telefoonboek en snelkiesnummers kunnen worden gewijzigd. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Telefoon op het scherm Instellingen. 3 Kies Telefoonboek. INSTELLEN VAN HET TELE- FOONBOEK Het telefoonboek kan vanaf een Bluetooth -telefoon naar het systeem worden overgebracht. Het telefoonboek kan worden aangevuld, bewerkt en gewist. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Telefoon op het scherm Instellingen. 4 3 Kies Telefoonboek op het scherm Telefooninstellingen. 4 Kies Contacten beheren. TELEFOON 4 Wijzig de instellingen aan de hand van de procedures op de volgende bladzijden. 5 Wijzig de instellingen aan de hand van de procedures op de volgende bladzijden. INFORMATIE Voor elke geregistreerde telefoon apart worden telefoonboekgegevens beheerd. Wanneer een telefoon is aangesloten, kunnen de gegevens van een andere telefoon niet worden gelezen. 175
2. CONFIGURATIE HET SCHERM Contacten KAN OOK WORDEN WEERGEGEVEN 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Contacten op het scherm Telefoon. 3 Kies Opties. 4 Kies Contacten beheren. OVERBRENGEN VAN EEN TELE- FOONNUMMER U kunt de telefoonnummers in uw Bluetooth -telefoon overbrengen naar het systeem. In het systeem kunnen maximaal 5 telefoonboeken worden beheerd. In elk telefoonboek kunnen gegevens voor maximaal 1.000 personen (maximaal 3 nummers per persoon) worden geregistreerd. De wijze van bedienen verschilt tussen Bluetooth -telefoons die PBAP-compatibel zijn en de telefoons die niet- PBAP-compatibel maar wel OPP-compatibel zijn. Indien uw mobiele telefoon noch PBAP- noch OPP-compatibel is, kunt u het telefoonboek niet overbrengen. PBAP-compatibele Bluetooth -telefoons 1 Kies Contacten overbrengen. 2 Kies Telefoonboek updaten. 176
2. CONFIGURATIE 3 Breng de gegevens uit het telefoonboek over naar het systeem met behulp van de Bluetooth -telefoon. l Afhankelijk van het type mobiele telefoon is deze handeling mogelijk niet nodig. l Afhankelijk van het type mobiele telefoon is mogelijk OBEX-autorisatie nodig bij het overbrengen van de telefoonboekgegevens. Voer 1234 in de Bluetooth -telefoon in. 2 Kies Automatisch telefoonboek downloaden om het telefoonboek van een aangesloten mobiele telefoon over te brengen. Kies Oproepgeschiedenis automatisch downloaden om de oproepgeschiedenis van een aangesloten telefoon over te brengen. 4 l Tijdens het overbrengen van de gegevens verschijnt dit scherm. Kies Annuleren om deze functie te annuleren. l Als tijdens het overbrengen van de telefoonboekgegevens een ander Bluetooth - apparaat is aangesloten, moet afhankelijk van de telefoon het aangesloten Bluetooth -apparaat mogelijk worden losgekoppeld. Instellingen voor automatisch overbrengen van gegevens bij PBAP-compatibele modellen 3 Kies Aan. 4 Kies OK. TELEFOON Wanneer een PBAP-compatibele telefoon wordt aangesloten, kunnen de telefoonboekgegevens van de telefoon automatisch worden overgebracht. 1 Kies Contacten overbrengen. 177
2. CONFIGURATIE Niet-PBAP-compatibele maar wel OPPcompatibele Bluetooth -telefoons 1 Kies Contacten overbrengen. 3 Breng de gegevens uit het telefoonboek over naar het systeem met behulp van de Bluetooth -telefoon. l Afhankelijk van het type mobiele telefoon is mogelijk OBEX-autorisatie nodig bij het overbrengen van de telefoonboekgegevens. Voer 1234 in de Bluetooth -telefoon in. 2 Kies Contacten vervangen of Contacten toevoegen. l Als het telefoonboek gegevens bevat, wordt dit scherm weergegeven. l Tijdens het overbrengen van de gegevens verschijnt dit scherm. Kies Annuleren om deze functie te annuleren. Als u Contacten toevoegen hebt gekozen en zich tijdens het overbrengen van de gegevens een onderbreking voordoet, worden de tot dat moment overgebrachte telefoonboekgegevens in het systeem opgeslagen. Dit is niet het geval wanneer u Annuleren kiest. 4 Wanneer het overbrengen is voltooid, wordt Gereed op het scherm weergegeven. Kies Gereed. 178
2. CONFIGURATIE Wanneer een ander Bluetooth -apparaat is aangesloten 4 Dit scherm wordt weergegeven. De volgende handelingen worden op dezelfde manier uitgevoerd als vanaf het scherm Instellingen. l Wanneer er verbinding is met een ander Bluetooth -apparaat, verschijnt dit scherm. l Kies Ja om dit los te koppelen. Vanuit het scherm Contacten Telefoonboeken van niet-pbap-compatibele maar wel OPP-compatibele telefoons kunnen ook worden overgebracht vanuit het scherm Contacten. 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Contacten op het scherm Telefoon. 3 Kies Overbrengen. REGISTREREN VAN GEGEVENS UIT HET TELEFOONBOEK De gegevens uit het telefoonboek kunnen worden geregistreerd. U kunt maximaal 3 nummers per persoon registreren. Er kunnen voor PBAP-compatibele Bluetooth -telefoons geen nieuwe telefoonboekgegevens worden toegevoegd. 1 Kies Nieuw contact. 4 TELEFOON 179
2. CONFIGURATIE 2 Gebruik het toetsenbord om de naam in te voeren en kies OK. 5 Wanneer er in totaal twee of minder nummers zijn geregistreerd voor een contact, wordt dit scherm weergegeven. 3 Voer het telefoonnummer in en kies OK. l Kies Ja om een nummer aan deze contactpersoon toe te voegen. BEWERKEN VAN GEGEVENS UIT HET TELEFOONBOEK l Als u een doorkiescode wilt gebruiken na het telefoonnummer, dan moet u de doorkiescode ook invoeren. 4 Selecteer het telefoontype. Het telefoonnummer kan afzonderlijk worden geregistreerd onder Telefoonnr. 1, Telefoonnr. 2 en Telefoonnr. 3. Er kunnen voor PBAP-compatibele Bluetooth -telefoons geen telefoonboeken worden bewerkt via het navigatiesysteem. 1 Kies Contacten bewerken. 180
2. CONFIGURATIE 2 Kies de gegevens die u wilt bewerken. HET SCHERM Contact bewerken KAN OOK WORDEN WEERGEGE- VEN Vanuit het scherm Contactgegevens 1/3, 2/3, 3/3 : Kies deze schermtoets om te wisselen tussen Latijnse, Cyrillische en Griekse karakters. 3 Kies de gewenste naam of het gewenste telefoonnummer. 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Contacten op het scherm Telefoon. 3 Kies de gewenste gegevens uit de lijst op het scherm Contacten. 4 Kies Opties. 4 TELEFOON 4 Bewerk de naam of het telefoonnummer. (Zie REGISTREREN VAN GE- GEVENS UIT HET TELEFOONBOEK op bladzijde 179.) 5 Kies na het wijzigen OK. 5 Kies Contact bewerken. 181
2. CONFIGURATIE Vanuit het scherm Oproepgeschiedenis 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Oproepgeschiedenis op het scherm Telefoon. 3 Selecteer het gewenste nummer uit de lijst op het scherm Oproepgeschiedenis. 4 Kies Contact toevoegen of Contact updaten. VERWIJDEREN VAN GEGEVENS UIT HET TELEFOONBOEK De gegevens kunnen worden verwijderd. Verwijder alle persoonlijke gegevens uit het systeem wanneer u de auto verkoopt of wegdoet. Verwijder bij PBAP-compatibele telefoons de telefoonboekgegevens nadat u Automatisch telefoonboek downloaden Uit hebt gezet. (Zie Instellingen voor automatisch overbrengen van gegevens bij PBAP-compatibele modellen op bladzijde 177.) 1 Kies Contacten wissen. 5 Dit scherm wordt weergegeven als u Contact updaten hebt gekozen. Selecteer de gewenste gegevens uit de lijst. 2 Kies de gewenste gegevens of Alles selecteren en vervolgens OK. 1/3, 2/3, 3/3 : Kies deze schermtoets om te wisselen tussen Latijnse, Cyrillische en Griekse karakters. l U kunt meerdere gegevens selecteren en deze tegelijkertijd verwijderen. 3 Kies Ja. 182
2. CONFIGURATIE ALTERNATIEVE METHODE VOOR VERWIJDEREN VAN GEGEVENS UIT HET TELEFOONBOEK Niet-PBAP-compatibele maar wel OPPcompatibele modellen 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Contacten op het scherm Telefoon. 3 Kies de gewenste gegevens uit de lijst op het scherm Contacten. 4 Kies Opties. INSTELLEN VAN SNELKIES- NUMMERS U kunt snelkiesnummers registreren en verwijderen. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Telefoon op het scherm Instellingen. 3 Kies Telefoonboek op het scherm Telefooninstellingen. 4 Kies Snelkiesnummers beheren. 4 TELEFOON 5 Kies Contact wissen. 5 Wijzig de instellingen aan de hand van de procedures op de volgende bladzijden. 6 Kies Ja. INFORMATIE Als u een Bluetooth -telefoon verwijdert, worden tegelijkertijd ook de gegevens uit het telefoonboek verwijderd. 183
2. CONFIGURATIE HET SCHERM Snelkiezen KAN OOK WORDEN WEERGEGEVEN Vanuit het scherm Snelkiezen 4 Kies Snelkiesnummers beheren. 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Snelkiesnummers op het scherm Telefoon. 3 Kies Opties. INVOEREN VAN DE SNELKIES- NUMMERS Snelkiesnummers kunnen worden geregistreerd door het gewenste nummer uit het telefoonboek te selecteren. U kunt maximaal 18 nummers per telefoon registreren als snelkiesnummer. Vanuit het scherm Contacten 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 1 Kies Nieuw snelkiesnummer. 2 Kies Contacten op het scherm Telefoon. 3 Kies Opties. 2 Kies de gegevens die u wilt registreren. 184
2. CONFIGURATIE 1/3, 2/3, 3/3 : Kies deze schermtoets om te wisselen tussen Latijnse, Cyrillische en Griekse karakters. 6 Dit scherm wordt weergegeven wanneer dit is voltooid. 3 Kies het gewenste telefoonnummer. 4 Kies de gewenste locatie van het snelkiesnummer. HET SNELKIESNUMMER KAN OOK WORDEN GEREGISTREERD Vanuit het scherm Snelkiezen 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Snelkiesnummers op het scherm Telefoon. 3 Kies (nieuw toevoegen). 4 TELEFOON 5 Als u een locatie kiest die al in gebruik is, wordt dit scherm weergegeven. 4 Kies Ja om een nieuw snelkiesnummer in te stellen. l Kies Ja om te vervangen. 185
2. CONFIGURATIE 5 Kies de gegevens die u wilt registreren. 5 Kies Snelkiesnummer instellen. 6 Kies het gewenste telefoonnummer. 6 Dit scherm wordt weergegeven. Vanuit het scherm Contactgegevens 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. l De volgende handelingen worden op dezelfde manier uitgevoerd als vanaf het scherm Instellingen. 2 Kies Contacten op het scherm Telefoon. 3 Kies de gewenste gegevens uit de lijst op het scherm Contacten. 4 Kies Opties. 186
2. CONFIGURATIE VERWIJDEREN VAN HET SNEL- KIESNUMMER Het snelkiesnummer kan worden verwijderd. 1 Kies Snelkiesnummers wissen. VERWIJDEREN VAN OPROEP- GESCHIEDENIS De oproepgeschiedenis kan worden verwijderd. Verwijder bij PBAP-compatibele telefoons de oproepgeschiedenis nadat u Oproepgeschiedenis automatisch downloaden Uit hebt gezet. (Zie Instellingen voor automatisch overbrengen van gegevens bij PBAP-compatibele modellen op bladzijde 177.) 1 Kies Oproepgeschiedenis wissen. 4 2 Kies de gewenste gegevens of Alles selecteren om alle gegevens te wissen en kies vervolgens OK. TELEFOON 2 Kies de oproepen die u wilt verwijderen. l U kunt meerdere gegevens selecteren en deze tegelijkertijd verwijderen. 3 Kies Ja. 187
2. CONFIGURATIE 3 Kies de gewenste gegevens of Alles selecteren om alle gegevens te wissen en kies vervolgens OK. 4 Dit scherm wordt weergegeven. l U kunt meerdere gegevens selecteren en deze tegelijkertijd verwijderen. 4 Kies Ja. DE OPROEPGESCHIEDENIS KAN OOK WORDEN VERWIJDERD 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Oproepgeschiedenis op het scherm Telefoon. 3 Kies Wissen. l De volgende handelingen worden op dezelfde manier uitgevoerd als vanaf het scherm Instellingen. l Andere oproepgeschiedenis kan op dezelfde wijze worden behandeld. Wissen nadat de oproepgeschiedenis is weergegeven 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Oproepgeschiedenis op het scherm Telefoon. 3 Kies de oproepen die u wilt verwijderen. 188
2. CONFIGURATIE 4 Kies Wissen. 4 Wijzig de instellingen aan de hand van de procedures op de volgende bladzijden. 5 Kies Ja. INSTELLINGEN VOOR BERICHTEN 5 Kies OK nadat alle instellingen zijn voltooid. 4 De instellingen voor berichten kunnen worden gewijzigd. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Telefoon op het scherm Instellingen. 3 Kies Berichtinstellingen. HET SCHERM Berichtinstellingen KAN OOK WORDEN WEERGEGEVEN 1 Druk op de toets of de toets op het stuurwiel. 2 Kies Berichten op het scherm Telefoon. TELEFOON 3 Kies Opties. 189
2. CONFIGURATIE SCHERM VOOR Berichtinstellingen l Op dit scherm kunt u de volgende functies bedienen. Nr. Functie Kies deze toets om berichtoverdracht vanaf mobiele telefoons Aan of Uit te zetten. Kies deze toets om de weergave van meldingen voor nieuwe berichten Aan of Uit te zetten. Kies deze toets om gesproken meldingen voor nieuwe berichten Aan of Uit te zetten. Kies deze toets om het volume voor meldingen voor nieuwe berichten in te stellen. (Zie INSTELLINGEN VOLU- ME MELDING NIEUW BERICHT op bladzijde 191.) Kies deze toets om een toon voor gesproken meldingen voor nieuwe berichten te selecteren. (Zie INSTELLINGEN TOON SPRAAK- MELDING NIEUW BERICHT op bladzijde 191.) Kies deze toets om de automatische voorleesfunctie voor berichten Aan of Uit te zetten. Kies deze toets om het voorleesvolume voor berichten in te stellen. (Zie INSTELLINGEN VOLUME BERICHT UITLEZEN op bladzijde 192.) Kies deze toets om de updatefunctie voor de leesstatus van gelezen en ongelezen berichten op de mobiele telefoon Aan of Uit te zetten. Kies deze toets om Bewerken van de snelle antwoord-berichten te bewerken. (Zie BEWERKEN VAN ANT- WOORDSJABLONEN op bladzijde 192.) 190
2. CONFIGURATIE INSTELLINGEN VOLUME MELDING NIEUW BERICHT Het volume voor meldingen voor nieuwe berichten kan worden ingesteld. 1 Kies Volume melding nieuw bericht. INSTELLINGEN TOON SPRAAKMELDING NIEUW BERICHT U kunt een toon voor gesproken meldingen voor nieuwe berichten selecteren. 1 Kies Toon spraakmelding nieuw bericht. 4 2 Kies - of + om het volume voor meldingen voor nieuwe berichten in te stellen. 2 Kies de gewenste toon voor gesproken meldingen voor nieuwe berichten. TELEFOON 3 Kies OK. INFORMATIE Het systeem verhoogt automatisch het volume wanneer de snelheid hoger wordt dan 80 km/h. l U kunt de tonen voor gesproken meldingen voor nieuwe berichten horen door de schermtoetsen te kiezen. 3 Kies OK. 191
2. CONFIGURATIE INSTELLINGEN VOLUME BERICHT UITLEZEN Het volume voor het voorlezen van berichten kan worden ingesteld. 1 Kies Volume bericht uitlezen. BEWERKEN VAN ANTWOORDSJABLONEN U kunt antwoordsjablonen bewerken. Er zijn al 15 berichten opgeslagen. 1 Kies Bewerken van de snelle antwoord-berichten. 2 Kies - of + om het voorleesvolume voor berichten in te stellen. 2 Kies de schermtoets van het gewenste bericht. 3 Kies OK. INFORMATIE Het systeem verhoogt automatisch het volume wanneer de snelheid hoger wordt dan 80 km/h. 3 Gebruik het toetsenbord om het bericht te bewerken. 4 Kies OK. 192
2. CONFIGURATIE INITIALISEREN VAN DE INSTELLINGEN De instellingen kunnen worden geïnitialiseerd. 4 Wijzig de instellingen aan de hand van de procedures op de volgende bladzijden. 1 Kies Standaard. 5 Kies OK nadat alle instellingen zijn voltooid. 4 2 Kies Ja. WEERGAVE-INSTELLINGEN TELEFOON SCHERM VOOR Weergaveinstellingen telefoon TELEFOON De weergave-instellingen voor de telefoon kunnen worden gewijzigd. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Telefoon op het scherm Instellingen. 3 Kies Weergave-instellingen telefoon. l Op dit scherm kunt u de volgende functies bedienen. 193
2. CONFIGURATIE Nr. Functie Hiermee kunt u de weergave van inkomende oproepen wijzigen. (Zie WEERGAVE VAN ONTVANGEN OPROEP op bladzijde 194.) Hiermee kunt u voor PBAP-compatibele telefoons de weergave van de voltooiingsmelding voor het automatisch overbrengen van het telefoonboek Aan of Uit zetten. Hiermee kunt u voor PBAP-compatibele telefoons de weergave van de voltooiingsmelding voor het automatisch overbrengen van de oproepgeschiedenis Aan of Uit zetten. Hiermee kunt u voor PBAP-compatibele telefoons de weergave van afbeeldingen tijdens gesprekken Aan of Uit zetten. Hiermee kunt u voor PBAP-compatibele telefoons de oriëntatie van afbeeldingen tijdens gesprekken instellen. (Zie DRAAIEN VAN AF- BEELDING CONTACT op bladzijde 195.) WEERGAVE VAN ONTVANGEN OPROEP U kunt het type weergave van ontvangen oproepen selecteren. 1 Kies Weergavemodus van inkomende oproep. 2 Kies Volledig scherm of Afrollen. 3 Kies OK. 194
2. CONFIGURATIE Schermtoets Volledig scherm Functie Wanneer u een gesprek ontvangt, wordt het handsfree-scherm weergegeven en kunt u de telefoon bedienen via het scherm. 2 Kies de gewenste oriëntatie van de afbeelding die u wilt weergeven. Afrollen De melding verschijnt aan de bovenzijde van het scherm en kan alleen worden bediend via de stuurwieltoetsen. DRAAIEN VAN AFBEELDING CONTACT Wanneer voor PBAP-compatibele telefoons Afbeelding contact voor inkomende oproepen Aan staat, worden afbeeldingen die zijn opgeslagen onder telefoonnummers in het telefoonboek van de mobiele telefoon overgebracht en weergegeven tijdens het ontvangen gesprek. De oriëntatie van de afbeelding kan worden ingesteld. 1 Kies Afbeelding contact draaien. 3 Kies OK. INFORMATIE Afhankelijk van het type telefoon is deze functie mogelijk niet beschikbaar, zelfs wanneer de telefoon PBAP-compatibel is. INITIALISEREN VAN DE INSTELLINGEN De instellingen kunnen worden geïnitialiseerd. 1 Kies Standaard. 4 TELEFOON 2 Kies Ja. 195
2. CONFIGURATIE 2. Bluetooth -INSTELLINGEN Er kan een Bluetooth -apparaat worden ingesteld. 1 Druk op de toets SETUP. GEREGISTREERDE APPARATEN Er kan een Bluetooth -apparaat worden geregistreerd, verwijderd of ingesteld. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Bluetooth* op het scherm Instellingen. 3 Kies Geregistreerde toestellen. 2 Kies Bluetooth *. 3 Wijzig de instellingen aan de hand van de procedures op de volgende bladzijden. 4 Wijzig de instellingen aan de hand van de procedures op de volgende bladzijden. *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 196
2. CONFIGURATIE REGISTREREN VAN EEN Bluetooth -APPARAAT Bluetooth -apparaten die compatibel zijn met telefoons (HFP) en draagbare spelers (AVP) kunnen gelijktijdig worden geregistreerd. Er kunnen telefoons (HFP) en draagbare spelers (AVP) (maximaal 5) worden geregistreerd. 1 Kies Nieuw toevoegen om een Bluetooth -apparaat in het systeem te registreren. l Raadpleeg de meegeleverde handleiding voor meer informatie over het invoeren van de wachtwoordcode in het Bluetooth -toestel. l Bij Bluetooth -apparaten die SSP-compatibel (Secure Simple Pairing) zijn is geen wachtwoord nodig. Afhankelijk van het type Bluetooth -telefoon dat wordt aangesloten, wordt er mogelijk een registratiebevestiging weergegeven op het scherm van de Bluetooth -telefoon. Bedien de Bluetooth -telefoon overeenkomstig het bevestigingsbericht. l Kies Annuleren om het registreren te annuleren. 3 Dit scherm wordt weergegeven wanneer er verbinding is gemaakt. 4 TELEFOON l Wanneer er al 5 Bluetooth -apparaten zijn geregistreerd, moet er een geregistreerd apparaat worden gewist. Zie Wanneer er al 5 Bluetooth -apparaten zijn geregistreerd op bladzijde 198. 2 Voer, als dit scherm wordt weergegeven, het op het scherm weergegeven wachtwoord in op het Bluetooth -apparaat. l Wanneer u dezelfde telefoon wilt gebruiken is het niet nodig deze nogmaals te registreren. 197
2. CONFIGURATIE l Wanneer dit scherm verschijnt, volgt u de aanwijzingen op het scherm om het opnieuw te proberen. 2 Kies het gewenste apparaat of Alles selecteren om alle apparaten te verwijderen en kies vervolgens OK. l Wanneer er verbinding is met een ander Bluetooth -apparaat, verschijnt dit scherm. l Kies Ja om het Bluet ooth -apparaat los te koppelen. Wanneer er al 5 Bluetooth -apparaten zijn geregistreerd 1 Wanneer er al 5 Bluetooth -apparaten zijn geregistreerd, moet er een geregistreerd apparaat worden verwijderd. Kies Ja om een of meerdere apparaten te verwijderen. 2 Kies het apparaat dat u wilt wissen en kies Verwijderen. 3 Kies Ja. VERWIJDEREN VAN EEN Bluetooth -APPARAAT 1 Kies Verwijderen. l U kunt meerdere apparaten selecteren en deze tegelijkertijd verwijderen. 3 Kies Ja. INFORMATIE Als u een Bluetooth -telefoon verwijdert, worden tegelijkertijd ook de gegevens uit het telefoonboek verwijderd. BEWERKEN VAN HET Bluetooth -APPARAAT De informatie van het Bluetooth -apparaat kan op het scherm worden weergegeven. U kunt de weergegeven informatie ook bewerken. Toestelnaam: De naam van het Bluetooth -apparaat die op het scherm wordt weergegeven. U kunt de naam wijzigen in een naam van uw keuze. Zelfs als u de naam van het apparaat wijzigt, verandert de in uw Bluetooth - apparaat geregistreerde naam niet. 198
2. CONFIGURATIE Adres toestel: Elk apparaat heeft een uniek adres. Dit kan niet worden gewijzigd. Als er twee Bluetooth -apparaten met dezelfde naam zijn geregistreerd, kunnen de apparaten worden onderscheiden door het adres van het apparaat. Mijn telefoonnr.: Het telefoonnummer van de Bluetooth -telefoon wordt op het scherm weergegeven. Afhankelijk van de telefoon die u hebt, wordt het telefoonnummer mogelijk niet weergegeven. Profielen: Het compatibiliteitsprofiel van het Bluetooth -apparaat wordt op het scherm weergegeven. Verbinding maken met draagbare speler vanaf: Er zijn twee verbindingsmogelijkheden beschikbaar voor draagbare spelers: Voertuig en Draagbare speler. WIJZIGEN VAN EEN TOESTEL- NAAM 1 Kies Gegevens. 2 Kies het apparaat dat u wilt bewerken. 4 TELEFOON 3 Kies Toestelnaam. 4 Gebruik het toetsenbord om de toestelnaam in te voeren en kies OK. 5 Bevestig de toestelnaam en kies OK. 199
2. CONFIGURATIE INSTELLEN VERBINDINGS- METHODE DRAAGBARE SPELER 1 Kies Verbinding maken met draagbare speler vanaf. 2 Kies de gewenste verbindingsmethode. SELECTEREN VAN EEN Bluetooth -TELEFOON Als er meerdere Bluetooth -telefoons zijn geregistreerd, moet u de telefoon selecteren waarmee u verbinding wilt maken. Er kan uit maximaal 5 geregistreerde Bluetooth -apparaten worden geselecteerd (er kunnen telefoons (HFP) en draagbare spelers (AVP) (maximaal 5) worden geregistreerd). Hoewel er maximaal 5 Bluetooth -telefoons in het systeem kunnen worden geregistreerd, kan er slechts één Bluetooth -telefoon tegelijk worden gebruikt. 1 Druk op de toets SETUP. Voertuig: Hiermee verbindt u het audiosysteem met de draagbare speler. Draagbare speler: Hiermee verbindt u de draagbare speler met het audiosysteem. l Welke verbindingsmethode de beste is, Voertuig of Draagbare speler, is afhankelijk van de draagbare speler. Raadpleeg hiervoor de handleiding van de draagbare speler. 3 Kies OK. 2 Kies Bluetooth* op het scherm Instellingen. 3 Kies Telefoon verbinden. 4 Kies de telefoon die u wilt verbinden. *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 200
2. CONFIGURATIE l De indicator van de geselecteerde Bluetooth -telefoon gaat branden. l Als de gewenste Bluetooth -telefoon niet in de lijst staat, kies dan Nieuw toevoegen om de telefoon te registreren. (Zie bladzijde 197.) l Op de schermtoets van de Bluetooth - telefoon die op dat moment is aangesloten staat een Bluetooth -merkteken. Als u de schermtoets kiest van de Bluetooth -telefoon die op dat moment is aangesloten, kan de Bluetooth -telefoon worden losgekoppeld. Kies Ja om los te koppelen. 5 Dit scherm wordt weergegeven. Wanneer er verbinding wordt gemaakt met een telefoon tijdens het afspelen van Bluetooth -audio l Dit scherm wordt weergegeven en Bluetooth -audio wordt tijdelijk onderbroken. Wanneer een ander Bluetooth -apparaat wordt aangesloten l Wanneer er verbinding is met een ander Bluetooth -apparaat, verschijnt dit scherm. Kies Ja om het Bluetooth -apparaat los te koppelen. 4 TELEFOON 6 Als de melding met het resultaat in beeld verschijnt, kunt u de Bluetooth - telefoon gebruiken. 201
2. CONFIGURATIE SELECTEREN VAN DRAAG- BARE SPELER Als er meerdere draagbare spelers zijn geregistreerd, moet u de draagbare speler selecteren waarmee u verbinding wilt maken. Er kan uit maximaal 5 geregistreerde Bluetooth -apparaten worden geselecteerd (er kunnen telefoons (HFP) en draagbare spelers (AVP) (maximaal 5) worden geregistreerd). Hoewel er 5 draagbare spelers in het systeem kunnen worden ingevoerd, kan er slechts één draagbare speler tegelijk worden gebruikt. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Bluetooth* op het scherm Instellingen. 3 Kies Draagbare speler aansluiten. 4 Kies de draagbare speler waarmee u verbinding wilt maken. l De indicator van de geselecteerde draagbare speler gaat branden. l Als de gewenste draagbare speler niet in de lijst staat, kies dan Nieuw toevoegen om de draagbare speler te registreren. (Zie bladzijde 197.) l Op de schermtoets van de draagbare speler die op dat moment is aangesloten staat een Bluetooth -merkteken. Als u de schermtoets kiest van de draagbare speler die op dat moment is aangesloten, kan de draagbare speler worden losgekoppeld. Kies Ja om los te koppelen. 5 Dit scherm wordt weergegeven. *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 202
2. CONFIGURATIE 6 Als de melding met het resultaat in beeld verschijnt, kunt u de draagbare speler gebruiken. GEDETAILLEERDE Bluetooth -INSTELLINGEN Wanneer er verbinding is met een ander Bluetooth -apparaat l Wanneer er verbinding is met een ander Bluetooth -apparaat, verschijnt dit scherm. Kies Ja om dit los te koppelen. De Bluetooth -instellingen kunnen worden bevestigd en gewijzigd. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Bluetooth* op het scherm Instellingen. 3 Kies Gedetailleerde Bluetooth* instellingen. 4 TELEFOON 4 Dit scherm wordt weergegeven. *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 203
2. CONFIGURATIE l De volgende onderwerpen worden weergegeven: Schermtoets/ Onderwerp Toestelnaam Wachtwoord Adres toestel Profielen Informatie Deze naam wordt op het apparaat weergegeven wanneer dit is aangesloten. U kunt de naam wijzigen in een naam van uw keuze. Het wachtwoord dat werd ingesteld toen het Bluetooth -apparaat werd geregistreerd, kan worden gewijzigd. Elk apparaat heeft een uniek adres. Dit kan niet worden gewijzigd. Het compatibiliteitsprofiel van het Bluetooth -apparaat wordt op het scherm weergegeven. (Zie bladzijde 151 en 240.) WIJZIGEN VAN Bluetooth* aan/-uitknop De status van de weergave van Bluetooth* aan/-uitknop is als volgt. Als de Bluetooth* aan/-uitknop Aan staat: Er wordt automatisch verbinding gemaakt met het Bluetooth -apparaat wanneer het contact in stand ACC of AAN staat. Als de Bluetooth* aan/-uitknop Uit staat: De verbinding met het Bluetooth -apparaat wordt verbroken en het systeem maakt de volgende keer geen verbinding. l Het automatisch verbinding maken via de Bluetooth* aan/-uitknop kan in en uit worden geschakeld. Aan: Automatisch verbinding maken is ingeschakeld. Uit: Automatisch verbinding maken is uitgeschakeld. 1 Kies Bluetooth* aan/-uitknop. l Raadpleeg de volgende pagina's als u de instellingen wilt wijzigen. l Kies na het wijzigen van de instellingen OK. WIJZIGEN VAN DE Bluetooth - INSTELLINGEN De Bluetooth -instellingen kunnen worden gewijzigd aan de hand van de volgende procedures. *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 204
2. CONFIGURATIE 2 Kies Aan of Uit. BEWERKEN VAN WACHTWOORD 1 Kies Wachtwoord. 3 Kies OK. l Wanneer de status van de Bluetooth* aan/-uitknop wordt gewijzigd van Uit naar Aan, zal de Bluetooth -verbinding tot stand worden gebracht. 2 Voer een wachtwoord in en kies OK. 4 BEWERKEN VAN TOESTELNAAM 1 Kies Toestelnaam. TELEFOON 3 Kies OK. 2 Gebruik het toetsenbord om de toestelnaam in te voeren en kies OK. 3 Kies OK. *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 205
2. CONFIGURATIE INSTELLINGEN WEERGAVE STATUS VERBINDING Bluetooth - APPARAAT Als de Bluetooth* aan/-uitknop Aan staat en het contact in stand ACC of AAN staat, wordt de status van de verbinding van de Bluetooth -telefoon en de draagbare speler weergegeven. (Zie WIJZIGEN VAN Bluetooth* aan/- uitknop op bladzijde 204.) 1 Kies Telefoonstatus weergeven of Status van de draagbare speler weergeven. INITIALISEREN VAN DE Bluetooth -INSTELLINGEN De instellingen kunnen worden geïnitialiseerd. 1 Kies Standaard. 2 Kies Ja. l Wanneer de status van de Bluetooth* aan/-uitknop wordt gewijzigd van Uit naar Aan, zal de Bluetooth -verbinding tot stand worden gebracht. *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 2 Kies Aan. 3 Kies OK. 206
5 AUDIOSYSTEEM 1 1 BEDIENING AUDIOSYSTEEM 1. KORTE UITLEG... 208 2. BASISHANDELINGEN... 210 SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM... 210 IN- EN UITSCHAKELEN VAN HET SYSTEEM... 210 ANDERE FUNCTIES SELECTEREN.. 211 CD-SPELER... 212 AUX-AANSLUITING... 212 USB-AANSLUITING... 213 3. RADIOBEDIENING... 214 LUISTEREN NAAR DE RADIO... 214 VASTLEGGEN VAN EEN RADIO- ZENDER IN HET GEHEUGEN... 214 AFSTEMMEN OP EEN RADIOZENDER... 215 RDS (RADIO DATA SYSTEEM)... 215 LUISTEREN NAAR DAB... 217 4. BEDIENING CD-SPELER... 220 PLAATSEN VAN EEN DISC... 220 UITWERPEN VAN EEN DISC... 220 AFSPELEN VAN EEN DISC... 221 AFSPELEN VAN EEN AUDIO-DISC... 221 AFSPELEN VAN EEN MP3/WMA-DISC... 224 ALS DE SPELER NIET CORRECT WERKT... 228 5. BEDIENING VAN USB- GEHEUGEN...229 AANSLUITEN VAN EEN USB- GEHEUGEN... 229 AFSPELEN VAN EEN USB- GEHEUGEN... 230 6. BEDIENING VAN ipod...235 AANSLUITEN VAN ipod... 235 AFSPELEN VAN EEN ipod... 236 7. BEDIENING Bluetooth -AUDIO..240 VERBINDING MAKEN MET EEN Bluetooth -AUDIOSPELER... 242 AFSPELEN VAN Bluetooth -AUDIO.. 243 8. AFSTANDSBEDIENING AUDIO (STUURWIELTOETSEN)...248 9. BEDIENINGSTIPS AUDIOSYSTEEM...250 RADIO-ONTVANGST... 250 ipod... 251 USB-GEHEUGEN... 252 GEBRUIK EN ONDERHOUD VAN CD-SPELER EN DISCS... 252 MP3/WMA-BESTANDEN... 255 CD-R EN CD-RW... 257 BEGRIPPEN... 257 2 CONFIGURATIE 1. AUDIO-INSTELLINGEN...259 AUDIO-INSTELLINGEN... 259 GELUIDSINSTELLINGEN... 259 RADIO-INSTELLINGEN... 261 ipod-instellingen... 262 207 2 3 4 5 6 7 8 9
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM 1. KORTE UITLEG Het kiezen van bijvoorbeeld een voorkeuzezender gebeurt via het scherm. Druk op de toets AUDIO om het audioscherm weer te geven. 208
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM Nr. Naam Functie Bladzijde Tab functiemenu Kies de gewenste audiomodus met behulp van de schermtoetsen. 211 Scherm functiemenu Bedien de geselecteerde audiomodus met behulp van de schermtoetsen. 211 Knop Tune/Scroll Draai aan de knop om een hogere of lagere golflengte te kiezen, om naar het volgende of vorige muziekstuk te gaan, enz. Druk op de knop om een optie in het scherm muziekstuk/bestand of album/ map te selecteren. 214, 221, 224, 225, 232, 237, 244, 245 Toets CLOSE Druk op deze toets om een CD te plaatsen of uit te werpen. 212, 220 Toets SETUP Toets AUDIO Druk op deze toets om het scherm Instellingen weer te geven. Druk op deze toets om het audioscherm weer te geven. 259 210 5 Toets USB AUX Toets DISC Druk op deze toets om de Bluetooth -audiospeler, de AUX-aansluiting, het USB-geheugen of de ipod in te schakelen. Druk op deze toets om de CD-speler in te schakelen. 211, 230, 236, 243 211, 221 AUDIOSYSTEEM Toets FM Druk op deze toets om een FM-zender te kiezen. 211, 214 Toets AM DAB Toets SEEK/ TRACK AAN/UIT/ volumeknop Druk op deze toets om een AM- of DAB-zender te kiezen. Druk op de toets of om een radiozender te zoeken of om een gewenst muziekstuk of bestand te beluisteren. Druk op deze knop om het audiosysteem in of uit te schakelen. Draai aan de knop om het volume te regelen. 211, 214, 217 215, 221, 224, 232, 237, 244, 245 210 209
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM 2. BASISHANDELINGEN In dit deel worden een aantal basishandelingen uitgelegd die betrekking hebben op uw audiosysteem. Het kan voorkomen dat niet alle genoemde onderwerpen op uw systeem van toepassing zijn. Uw audiosysteem werkt wanneer het contact in stand ACC of AAN staat. IN- EN UITSCHAKELEN VAN HET SYSTEEM OPMERKING Laat het audiosysteem niet langer ingeschakeld dan nodig is wanneer het hybridesysteem is uitgeschakeld, om te voorkomen dat de 12V-accu ontladen raakt. SPRAAKCOMMANDO- SYSTEEM Druk op deze toets om het spraakcommandosysteem te bedienen. Toets AUDIO: Druk op deze toets om de schermtoetsen van het audiosysteem weer te geven (audiomodus). AAN/UIT/volumeknop: Druk op deze knop om het audiosysteem in of uit te schakelen. Draai aan deze knop om het volume te regelen. Het systeem zal de laatst ingestelde modus activeren. l Er kan een functie worden geselecteerd die ervoor zorgt dat het systeem van het audioscherm automatisch terugkeert naar het vorige scherm. Zie voor meer informatie bladzijde 52. l Zie bladzijde 264 en 270 voor de bediening van het spraakcommandosysteem en de lijst met commando's. 210
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM ANDERE FUNCTIES SELEC- TEREN Gebruik van de audiotoetsen 1 Druk op de toets AM DAB, FM, DISC of USB AUX. Gebruik van de tabs van het audiofunctiemenu 1 Druk op de toets AUDIO. 2 Kies de gewenste tab. Gebruik van de toets AUDIO 1 Telkens wanneer op de toets AUDIO wordt gedrukt, wordt de audiomodus gewijzigd. l De audiomodus wijzigt in deze volgorde: AM, FM, DAB, DISC, USB, ipod, BT audio en AUX l Er worden maximaal 3 tabs weergegeven op het scherm. Kies of aan weerszijden van de tabs op het scherm om de tabs van de vorige of volgende bladzijde weer te geven. l Kies de gewenste audiomodus met of en selecteer vervolgens de tab van die audiomodus. INFORMATIE Als er geen disc is geplaatst, kan de CDspeler niet worden ingeschakeld. De CD-speler kan worden uitgeschakeld door de disc uit te werpen. Wanneer de audiomodus is geselecteerd, worden de bijbehorende schermtoetsen op het scherm weergegeven. Schermtoetsen die gedimd worden weergegeven, kunnen niet worden bediend. Als het systeem niet reageert op de aanraking van een schermtoets, neem uw vinger dan van het scherm en probeer het nogmaals. Verwijder vingerafdrukken van het scherm met een brillendoekje. Gebruik geen chemische reinigingsmiddelen om het scherm te reinigen. 5 AUDIOSYSTEEM 211
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM CD-SPELER 1 Druk op de toets CLOSE en plaats de disc voorzichtig, met het label aan de bovenzijde. OPMERKING Probeer nooit de CD-speler te demonteren of onderdelen te smeren. Plaats alleen discs in de invoeropening. AUX-AANSLUITING U kunt genieten van het geluid van draagbare audiospelers die op de AUX-aansluiting kunnen worden aangesloten. Zie de handleiding voor meer informatie. 1 Druk herhaaldelijk op de toets USB AUX om naar de AUX-modus te gaan en druk op de toets AUDIO om het audiobedieningsscherm weer te geven. l Zie ANDERE FUNCTIES SELECTEREN op bladzijde 211 voor de andere bedieningsmethoden. INFORMATIE Als er geen draagbare audiospeler op de AUX-aansluiting is aangesloten, zal de tab gedimd worden weergegeven. INFORMATIE De speler is uitsluitend ontworpen voor het gebruik van 12 cm discs. 212
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM USB-AANSLUITING Op de USB-aansluiting kan een USBgeheugen/iPod worden aangesloten. Zie AANSLUITEN VAN EEN USB- GEHEUGEN op bladzijde 229 en AANSLUITEN VAN ipod op bladzijde 235 voor meer informatie. 1 Druk op de toets USB AUX en druk op de toets AUDIO om het audiobedieningsscherm weer te geven. l Zie ANDERE FUNCTIES SELECTEREN op bladzijde 211 voor de andere bedieningsmethoden. INFORMATIE Als er geen USB-geheugen/iPod op de USB-aansluiting is aangesloten, zal de tab gedimd worden weergegeven. 5 AUDIOSYSTEEM 213
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM 3. RADIOBEDIENING LUISTEREN NAAR DE RADIO RADIOZENDER SELECTEREN 1 Druk herhaaldelijk op de toets AM DAB of FM om naar een andere modus te gaan en druk op de toets AUDIO om het audiobedieningsscherm weer te geven. INFORMATIE De radio zal automatisch overgaan op stereo-ontvangst als een stereo-uitzending wordt ontvangen. Als een stereo-uitzending zwak wordt en gaat storen, zal de mate waarin de kanalen gescheiden worden automatisch worden verminderd tot het laagste ruisniveau bereikt is. Wanneer de ontvangst erg zwak wordt, zal de radio op mono-ontvangst overgaan. VASTLEGGEN VAN EEN RADIOZENDER IN HET GEHEUGEN l Zie ANDERE FUNCTIES SELECTEREN op bladzijde 211 voor de andere bedieningsmethoden. HOGERE OF LAGERE GOLF- LENGTE KIEZEN 1 Draai de knop naar rechts om een hogere golflengte te kiezen of naar links om een lagere golflengte te kiezen. Voor elke radiomodus kunnen maximaal 6 voorkeuzezenders worden opgeslagen. 1 Stem af op de gewenste radiozender. 2 Houd een van de schermtoetsen (1-6) ingedrukt tot u een piepsignaal hoort. De frequentie is nu vastgelegd onder de schermtoets. De frequentie van de radiozender wordt weergegeven in de schermtoets. l Het wijzigen van een voorkeuzezender gebeurt op dezelfde manier. 214
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM AFSTEMMEN OP EEN RADIO- ZENDER Met een van de hierna beschreven methodes kan worden afgestemd op een radiozender. Afstemmen op voorkeuzezenders: Kies een van de voorkeuzezenders op het scherm om de gewenste zender te selecteren. De schermtoets wordt verlicht en de zenderfrequentie verschijnt op het scherm. Afstemmen met de zoekfunctie: Druk op de toets of van SEEK/TRACK. De radio begint nu de ingestelde band af te zoeken tot een zender wordt ontvangen. Telkens wanneer op de toets wordt gedrukt, wordt automatisch naar de volgende radiozender gezocht. WEERGEVEN VAN DE ZENDERLIJST 1 Kies Zenderlijst om de lijst met beschikbare FM-zenders weer te geven. RDS (RADIO DATA SYSTEEM) AF-FUNCTIE (ALTERNATIEVE FREQUENTIE) Als een radiozender is gekozen, wordt automatisch de frequentie gekozen met de beste ontvangst. TA-FUNCTIE (VERKEERS- MELDING) De tuner zoekt automatisch een radiozender die regelmatig verkeersinformatie uitzendt en naar die zender wordt overgeschakeld zodra er verkeersinformatie wordt uitgezonden. BIJ FM-ONTVANGST Op het scherm verschijnt de melding TP. 5 AUDIOSYSTEEM l Als er geen FM-zenders in de lijst zijn opgenomen, kunt u niet van zender veranderen. De frequentie waarop werd afgestemd voordat u de Zenderlijst opriep, wordt aangehouden. 215
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM INFORMATIE Wanneer de TA-functie AAN staat, gaat de radio op zoek naar een radiozender met verkeersinformatie. Zodra een radiozender met verkeersinformatie wordt gevonden, zal de naam van die radiozender op het scherm verschijnen. Zodra een radiozender met verkeersinformatie wordt ontvangen, zal de radio automatisch overschakelen naar de radiozender met verkeersinformatie. Zodra de verkeersinformatie is afgelopen, keert het systeem weer terug naar de oorspronkelijke weergave. Als de AFmodus is ingeschakeld, zal de radio aan de hand van de AF-lijst een radiozender met verkeersinformatie zoeken. EON (Enhanced Other Network): Als het RDS-station (met EON-gegevens) waarnaar u luistert geen verkeersinformatie uitzendt terwijl de radio in de TA-modus (verkeersmelding) staat, zal de radio aan de hand van de EON AF-lijst automatisch overschakelen naar een radiozender met verkeersinformatie. Zodra de verkeersinformatie is afgelopen, zal de radio automatisch terugkeren naar het programma waarnaar u oorspronkelijk luisterde. BIJ HET AFLUISTEREN VAN EEN DISC Er wordt gezocht naar een radiozender die verkeersinformatie uitzendt en de melding TP verschijnt op het scherm. INFORMATIE Als er verkeersinformatie wordt uitgezonden, wordt het afspelen van de disc automatisch onderbroken en wordt de verkeersinformatie doorgegeven. Zodra de verkeersinformatie is afgelopen, keert het systeem weer terug naar de oorspronkelijke weergave. TA VOL-FUNCTIE (GELUIDSSTERKTE VERKEERS- INFORMATIE) Het volume waarmee de verkeersinformatie wordt doorgegeven, wordt in het geheugen opgeslagen. INFORMATIE De volgende keer dat er verkeersinformatie wordt ontvangen, vergelijkt het systeem het op dat moment ingestelde volume met het opgeslagen volume. Het systeem kiest vervolgens automatisch het hoogste volume. Het bereik van het volumegeheugen is echter beperkt. Als het eerder gekozen volume lager is dan het minimum, dan wordt dit minimum gehanteerd. 216
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM LUISTEREN NAAR DAB SELECTEREN VAN DAB 1 Druk herhaaldelijk op de toets AM DAB om naar de DAB-modus te gaan en druk op de toets AUDIO om het audiobedieningsscherm weer te geven. VASTLEGGEN VAN EEN SERVICE IN HET GEHEUGEN Er kunnen maximaal 6 services worden opgeslagen. 1 Kies de gewenste service. 2 Houd een van de schermtoetsen (1-6) ingedrukt tot u een piepsignaal hoort. 5 l Zie ANDERE FUNCTIES SELECTEREN op bladzijde 211 voor de andere bedieningsmethoden. l Kies Voorkeurzenders in het scherm Servicelijst als het scherm Voorkeurzenders niet wordt weergegeven. l De service wordt opgeslagen onder de schermtoets. De naam van de service wordt weergegeven in de schermtoets. l Het wijzigen van een voorkeurzender gebeurt op dezelfde manier. AUDIOSYSTEEM 217
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM SELECTEREN VAN EEN KANAAL Met een van de hierna beschreven methodes kan het gewenste kanaal worden geselecteerd. l Druk op de toets of van SEEK/ TRACK. WEERGEVEN VAN DE SERVICE- LIJST 1 Kies Servicelijst om de lijst met beschikbare DAB-services weer te geven. l Druk op of op het scherm. SELECTEREN VAN EEN SER- VICE Met een van de hierna beschreven methodes kan de gewenste service worden geselecteerd. l Draai aan de knop Tune/Scroll. l Kies een van de services uit de servicelijst die wordt weergegeven op het scherm. l Kies een van de voorkeurzenders uit de voorkeurzenders die worden weergegeven op het scherm. TIME SHIFT-BEDIENING De service waarnaar op dat moment wordt geluisterd, kan worden teruggespoeld en opnieuw worden beluisterd. 1 Kies Time shift. INFORMATIE De schermtoets wordt verlicht en de naam van de service verschijnt op het scherm. l -0 00 wordt op het scherm weergegeven. 218
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM 2 Draai aan de knop Tune/Scroll om de gewenste tijd in te stellen. l De tijd kan worden ingesteld met intervallen van 10 seconden. l De time shift-modus wordt uitgeschakeld wanneer Time shift opnieuw wordt ingedrukt terwijl de time shift-modus is ingeschakeld, of wanneer -0 00 gedurende 6 seconden op het scherm wordt weergegeven zonder dat het systeem wordt bediend. INFORMATIE De momenten waarop afspelen mogelijk is, zijn afhankelijk van de bitrate van het DAB-kanaal dat moet worden opgenomen, de grootte van het geheugen van de DAB-eenheid en het moment waarop de ontvangst van het programma begon. 5 AUDIOSYSTEEM 219
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM 4. BEDIENING CD-SPELER PLAATSEN VAN EEN DISC Het contact staat in stand ACC of AAN. 1 Druk op de toets CLOSE om het display omlaag te schuiven. UITWERPEN VAN EEN DISC 1 Druk op de toets CLOSE om het display omlaag te schuiven. l Het display schuift omlaag, waardoor de disc-opening wordt geopend. 2 Plaats een disc in de invoeropening. l Wanneer op de toets CLOSE wordt gedrukt, wordt de disc automatisch uitgeworpen. 2 Druk op de toets CLOSE om het display te sluiten. WAARSCHUWING l De disc wordt automatisch geladen nadat deze is geplaatst. 3 Druk op de toets CLOSE. l Het display schuift omhoog, waardoor de disc-opening wordt gesloten. l Druk op DISC om de geplaatste disc uit te werpen. Plaats geen voorwerpen op het geopende display. Deze kunnen bij een ongeval of bij hard remmen door de auto slingeren en de inzittenden letsel toebrengen. Houd het display tijdens het rijden gesloten, om letsel te voorkomen bij een ongeval of plotseling remmen. Zorg ervoor dat tijdens het bewegen van het display uw vingers niet bekneld raken. U kunt hierdoor letsel oplopen. 220
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM OPMERKING Houd het display niet tegen als het beweegt. Hierdoor kan het audiosysteem beschadigd raken. AFSPELEN VAN EEN AUDIO- DISC 1 Kies de tab DISC. INFORMATIE Onder zeer koude weersomstandigheden kan het scherm traag reageren en kunnen de werkingsgeluiden toenemen. Als een disc wordt geplaatst met het label aan de onderzijde, kan de disc niet worden afgespeeld. AFSPELEN VAN EEN DISC 1 Druk op de toets DISC en druk op de toets AUDIO om het audiobedieningsscherm weer te geven. l Wanneer er CD-TEXT-informatie beschikbaar is, worden de titel van de CD en de naam van de artiest weergegeven waarnaar u op dat moment luistert. :Kies deze toets om het muziekstuk te onderbreken. :Kies deze toets om het afspelen van het muziekstuk te hervatten. KIEZEN VAN EEN MUZIEK- STUK AAN DE BOVENZIJDE VAN HET AUDIOSCHERM 5 AUDIOSYSTEEM l Zie ANDERE FUNCTIES SELECTEREN op bladzijde 211 voor de andere bedieningsmethoden. 221
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM, : Kies deze toets om vooruit of terug te spoelen naar het volgende/vorige muziekstuk. Toets SEEK/TRACK: Druk herhaaldelijk op of van de toets SEEK/TRACK, tot het nummer van het gewenste muziekstuk op het scherm verschijnt. De speler begint het geselecteerde muziekstuk af te spelen. Knop Tune/Scroll: Draai de knop rechtsom of linksom om vooruit te spoelen naar het gewenste muziekstuk. OP HET SCHERM MET DE MUZIEK- STUKLIJST 1 Kies de schermtoets met de naam van het muziekstuk om de muziekstuklijst van de CD weer te geven., : Kies deze toets om 5 nummers omhoog of omlaag te gaan in de lijst. Als u een van deze schermtoetsen kiest terwijl het eerste/laatste item in de lijst wordt weergegeven, wordt de laatste/eerste pagina weergegeven. Toets SEEK/TRACK: Druk op of van de toets SEEK/TRACK om een voor een door de lijst met muziekstukken te scrollen. Knop Tune/Scroll: Draai de knop rechtsom of linksom om versneld door de lijst met muziekstukken te scrollen. Druk op de knop om het gewenste muziekstuk te kiezen., : Als rechts naast de naam van een onderwerp verschijnt, is de volledige naam te lang om op het scherm te worden weergegeven. Kies om naar het einde van de naam te scrollen. Kies om naar het begin van de naam te gaan. 2 Kies het gewenste muziekstuk. De speler begint het geselecteerde muziekstuk af te spelen. 222
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM VOORUIT- OF TERUGSPOELEN 1 Houd of van de toets SEEK/ TRACK ingedrukt om de disc versneld vooruit of terug te spoelen. WILLEKEURIGE VOLGORDE Muziekstukken of albums kunnen automatisch in willekeurige volgorde worden geselecteerd. MUZIEKSTUKKEN VAN EEN DISC IN WILLEKEURIGE VOLGORDE AFSPELEN 1 Kies RAND terwijl de disc wordt afgespeeld. l Wanneer u de toets loslaat, wordt het afspelen vanaf die positie hervat. 5 HERHALEN Het muziekstuk waarnaar u op een bepaald moment luistert, kan worden herhaald. EEN MUZIEKSTUK HERHALEN 1 Kies RPT terwijl het muziekstuk wordt afgespeeld. l Zodra de melding RAND op het scherm verschijnt, selecteert het systeem een willekeurig muziekstuk van de disc waarnaar op dat moment wordt geluisterd. Kies opnieuw RAND om deze functie te annuleren. INFORMATIE Als een CD-TEXT-disc is geplaatst, worden de titel van de disc en van het muziekstuk weergegeven. Er kunnen maximaal 32 karakters worden weergegeven. AUDIOSYSTEEM l Op het scherm verschijnt de melding RPT. Aan het einde van het muziekstuk zal de speler het muziekstuk automatisch herhalen. Druk opnieuw op RPT om deze functie te annuleren. 223
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM AFSPELEN VAN EEN MP3/ WMA-DISC 1 Kies de tab DISC. OP HET SCHERM MET DE MAPPENLIJST 1 Kies de schermtoets met de naam van de map om het volgende scherm met de mappenlijst weer te geven. l De namen van het bestand, de map en de artiest en het icoon van de disc waarnaar op dat moment wordt geluisterd, worden weergegeven op het scherm. : Kies deze toets om het bestand te onderbreken. : Kies deze toets om het afspelen van het bestand te hervatten. KIEZEN VAN EEN MAP AAN DE BOVENZIJDE VAN HET AUDIOSCHERM, : Kies deze toets om vooruit of terug te spoelen naar de volgende/vorige map. 2 Kies het gewenste mapnummer om de lijst met bestanden in de map weer te geven. Kies het nummer van het gewenste bestand uit de lijst met bestanden., : Kies deze toets om 5 mappen omhoog of omlaag te gaan in de lijst. Als u een van deze schermtoetsen kiest terwijl het eerste/laatste item in de lijst wordt weergegeven, wordt de laatste/eerste pagina weergegeven. Toets SEEK/TRACK: Druk op of van de toets SEEK/TRACK om een voor een door de lijst met mappen te scrollen. Knop Tune/Scroll: Draai de knop rechtsom of linksom om versneld door de lijst met mappen te scrollen. Druk op de knop om de gewenste map te kiezen., : Als rechts naast de naam van een onderwerp verschijnt, is de volledige naam te lang om op het scherm te worden weergegeven. Kies om naar het einde van de naam te scrollen. Kies om naar het begin van de naam te gaan. 224
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM VOORUIT- OF TERUGSPOELEN VAN EEN BESTAND 1 Houd of van de toets SEEK/ TRACK ingedrukt om het bestand versneld vooruit of terug te spoelen. KIEZEN VAN HET GEWENSTE BESTAND AAN DE BOVENZIJDE VAN HET AUDIOSCHERM l Wanneer u de toets loslaat, wordt het afspelen vanaf die positie hervat., : Kies deze toets om vooruit of terug te spoelen naar het volgende/vorige bestand. Toets SEEK/TRACK: Druk herhaaldelijk op of van de toets SEEK/TRACK, tot het nummer van het gewenste bestand op het scherm verschijnt. De speler begint het geselecteerde bestand af te spelen. Knop Tune/Scroll: Draai de knop rechtsom of linksom om vooruit te spoelen naar het gewenste bestand. 5 AUDIOSYSTEEM 225
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM OP HET SCHERM MET DE BESTANDENLIJST 1 Kies de schermtoets met de naam van het bestand om het volgende scherm met de bestandenlijst weer te geven. VOORUIT- OF TERUGSPOELEN VAN EEN BESTAND 1 Houd of van de toets SEEK/ TRACK ingedrukt om het bestand versneld vooruit of terug te spoelen. 2 Kies het nummer van het gewenste bestand. De speler begint het geselecteerde bestand af te spelen., : Kies deze toets om 5 bestanden omhoog of omlaag te gaan in de lijst. Als u een van deze schermtoetsen kiest terwijl het eerste/laatste item in de lijst wordt weergegeven, wordt de laatste/eerste pagina weergegeven. Toets SEEK/TRACK: Druk op of van de toets SEEK/TRACK om een voor een door de lijst met bestanden te scrollen. Knop Tune/Scroll: Draai de knop rechtsom of linksom om versneld door de lijst met bestanden te scrollen. Druk op de knop om het gewenste bestand te kiezen., : Als rechts naast de naam van een onderwerp verschijnt, is de volledige naam te lang om op het scherm te worden weergegeven. Kies om naar het einde van de naam te scrollen. Kies om naar het begin van de naam te gaan. l Wanneer u de toets loslaat, wordt het afspelen vanaf die positie hervat. HERHALEN Het bestand of de map waarnaar op dat moment wordt geluisterd, kan worden herhaald. EEN BESTAND HERHALEN 1 Kies RPT terwijl het bestand wordt afgespeeld. l Telkens wanneer op RPT wordt gedrukt, wijzigt de modus als volgt: 226
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM Wanneer RAND is uitgeschakeld: bestand herhalen map herhalen UIT Wanneer RAND is ingeschakeld: bestand herhalen UIT l Op het scherm verschijnt de melding RPT. Aan het einde van het bestand zal de speler het bestand automatisch herhalen. Druk herhaaldelijk op RPT totdat de functie Herhalen is uitgeschakeld. EEN MAP HERHALEN 1 Druk herhaaldelijk op RPT totdat FLD.RPT op het scherm verschijnt. l Aan het einde van de map zal de speler automatisch teruggaan naar het begin van de map en de map opnieuw afspelen. Druk opnieuw op RPT om deze functie te annuleren. WILLEKEURIGE VOLGORDE Bestanden of mappen kunnen automatisch en in willekeurige volgorde worden geselecteerd. WILLEKEURIG AFSPELEN VAN BESTANDEN IN EEN MAP 1 Kies RAND terwijl de disc wordt afgespeeld. l Telkens wanneer op RAND wordt gedrukt, wijzigt de modus als volgt: willekeurige volgorde (1 map in willekeurige volgorde) map in willekeurige volgorde (1 disc in willekeurige volgorde) UIT l Zodra de melding RAND op het scherm verschijnt, selecteert het systeem een willekeurig bestand uit de map waarnaar op dat moment wordt geluisterd. Druk herhaaldelijk op RAND totdat de functie Willekeurige volgorde is uitgeschakeld. WILLEKEURIG AFSPELEN VAN BESTANDEN IN ALLE MAPPEN VAN EEN DISC 1 Druk herhaaldelijk op RAND totdat de melding FLD.RAND op het scherm verschijnt. l Zodra de melding FLD.RAND op het scherm verschijnt, selecteert het systeem een willekeurig bestand uit alle mappen. Kies opnieuw RAND om deze functie te annuleren. INFORMATIE Als een bestand wordt overgeslagen of als het systeem niet goed werkt, kies dan RAND om het systeem te resetten. 5 AUDIOSYSTEEM 227
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM ALS DE SPELER NIET COR- RECT WERKT Als de speler of een ander aangesloten apparaat niet correct werkt, worden de volgende meldingen op het audiosysteem weergegeven. Deze staan hieronder omschreven. Als Geen schijf gevonden op het display verschijnt: Dit geeft aan dat er geen disc aanwezig is in de CD-speler. Als de aanduiding DISC controleren op het display verschijnt: Dit geeft aan dat de disc vuil, beschadigd of verkeerd geplaatst is. Reinig de disc of plaats de disc op de juiste wijze. De melding DISC controleren verschijnt ook wanneer een disc is geplaatst die niet kan worden afgespeeld. Zie BEDIENINGSTIPS AUDIO- SYSTEEM op bladzijde 250 voor discs die geschikt zijn voor deze speler. Als de melding DISC fout op het display verschijnt: De volgende oorzaken zijn mogelijk. Er is een storing in het systeem. Verwijder de disc. De CD-wisselaar is te warm door een erg hoge omgevingstemperatuur. Verwijder de disc en laat de speler afkoelen. Als de aanduiding Geen muziekbestanden gevonden. op het display verschijnt: Dit geeft aan dat er geen afspeelbare gegevens op de disc staan. Als de storing niet kan worden verholpen: Neem contact op met een Toyotadealer of erkende reparateur. INFORMATIE Als een MP3/WMA-disc uitsluitend CD- DA-bestanden bevat, kunnen de CD- DA-bestanden worden afgespeeld. Als een MP3/WMA-disc CD-DA-bestanden en andere bestanden bevat, kunnen alleen de MP3/WMA-bestanden worden afgespeeld. 228
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM 5. BEDIENING VAN USB-GEHEUGEN Door een USB-geheugen aan te sluiten kan uw muziek via de luidsprekers van de auto worden weergegeven. WAARSCHUWING AANSLUITEN VAN EEN USB- GEHEUGEN 1 Open het consolevak. Bedien de draagbare speler niet tijdens het rijden en sluit het USB-geheugen ook niet aan tijdens het rijden. OPMERKING Afhankelijk van de vorm en het formaat van het USB-geheugen dat op het systeem is aangesloten, is het mogelijk dat het consolevak niet goed gesloten kan worden. Probeer in dat geval de consolevak niet met kracht te sluiten; het USBgeheugen of de aansluiting kunnen dan beschadigd raken. Laat uw draagbare speler niet achter in de auto. Met name de hoge temperaturen in de auto kunnen de speler beschadigen. Oefen geen overmatige druk uit op de draagbare speler wanneer deze aangesloten is omdat anders de speler of de aansluiting beschadigd kan raken. Steek geen vreemde voorwerpen in de aansluiting omdat de draagbare speler of de aansluiting hierdoor beschadigd kan raken. 2 Open het klepje en sluit het USB-geheugen aan. l Als het USB-geheugen niet is ingeschakeld, schakel dit dan alsnog in. 3 Sluit het consolevak. 5 AUDIOSYSTEEM 229
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM AFSPELEN VAN EEN USB- GEHEUGEN Map-modus AFSPELEN EN ONDERBRE- KEN VAN EEN USB-GEHEU- GEN 1 Als er al een USB-geheugen is aangesloten, druk dan herhaaldelijk op de toets USB AUX om naar de USB-geheugenmodus te gaan en druk op de toets AUDIO om het audiobedieningsscherm weer te geven. INFORMATIE Als er tag-informatie beschikbaar is, worden de namen het bestand/de map gewijzigd in de namen van het muziekstuk/het album. : Kies deze toets om de muziek af te spelen. : Kies deze toets om de muziek te onderbreken. l Kies om het afspelen van de muziek te hervatten. l Zie ANDERE FUNCTIES SELECTEREN op bladzijde 211 voor de andere bedieningsmethoden. Tag-modus INFORMATIE Als een USB-geheugen is aangesloten en de audiobron is gewijzigd naar afspeelmodus voor USB, zal het USBgeheugen beginnen met het afspelen van het eerste bestand in de eerste map. Als hetzelfde apparaat wordt verwijderd en weer aangesloten (en de inhoud ervan niet is veranderd), zal het USB-geheugen het afspelen hervatten vanaf het punt waar het geheugen is geëindigd. Afhankelijk van het USB-geheugen dat op het systeem is aangesloten, zijn bepaalde functies mogelijkerwijs niet beschikbaar. 230
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM KIEZEN VAN GEWENSTE MAP/ ALBUM 2 Kies de gewenste tab en kies de gewenste map, artiest of album. AAN DE BOVENZIJDE VAN HET USB-SCHERM, : Kies deze toets om vooruit of terug te spoelen naar de volgende/vorige map of het volgende/vorige album. KIEZEN VAN GEWENSTE MAP, ARTIEST OF ALBUM 1 Kies de gewenste schermtoets van de gewenste map of het gewenste album. l Met de karakterschermtoetsen, ABC, DEF enz., kunt u direct naar lijstvermeldingen springen die met dezelfde letter beginnen als de karakterschermtoets. Telkens wanneer op dezelfde karakterschermtoets wordt gedrukt, wordt de lijst die begint met die letter weergegeven. 1/3, 2/3, 3/3 : Kies deze schermtoets om te wisselen tussen Latijnse, Cyrillische en Griekse karakters., : Kies deze toets om 5 mappen/artiesten/albums omhoog of omlaag te gaan in de lijst. Als u een van deze schermtoetsen kiest terwijl het eerste/laatste item in de lijst wordt weergegeven, wordt de laatste/eerste pagina weergegeven., : Als rechts naast de naam van een onderwerp verschijnt, is de volledige naam te lang om op het scherm te worden weergegeven. Kies om naar het einde van de naam te scrollen. Kies om naar het begin van de naam te gaan. 5 AUDIOSYSTEEM 231
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM KIEZEN VAN GEWENSTE BESTAND/MUZIEKSTUK AAN DE BOVENZIJDE VAN HET USB-SCHERM OP HET SCHERM MET DE BESTANDEN-/MUZIEKSTUKLIJST 1 Kies de schermtoets met de naam van het bestand/muziekstuk om het volgende scherm met de bestanden-/muziekstuklijst weer te geven., : Kies deze toets om vooruit of terug te spoelen naar het volgende/vorige bestand/muziekstuk. Toets SEEK/TRACK: Druk herhaaldelijk op of van de toets SEEK/TRACK, tot het nummer van het gewenste bestand/ muziekstuk op het scherm verschijnt. De speler begint het geselecteerde bestand/ muziekstuk af te spelen. Knop Tune/Scroll: Draai de knop rechtsom of linksom om vooruit te spoelen naar het gewenste bestand/muziekstuk. 2 Kies het nummer van het gewenste bestand/muziekstuk. De speler begint het geselecteerde bestand/muziekstuk af te spelen., : Kies deze toets om 5 bestanden/ muziekstukken omhoog of omlaag te gaan in de lijst. Als u een van deze schermtoetsen kiest terwijl het eerste/laatste item in de lijst wordt weergegeven, wordt de laatste/eerste pagina weergegeven. Toets SEEK/TRACK: Druk op of van de toets SEEK/TRACK om een voor een door de lijst met bestanden/muziekstukken te scrollen. Knop Tune/Scroll: Draai de knop rechtsom of linksom om versneld door de lijst met bestanden/muziekstukken te scrollen. Druk op de knop om het gewenste bestand/muziekstuk te kiezen., : Als rechts naast de naam van een onderwerp verschijnt, is de volledige naam te lang om op het scherm te worden weergegeven. Kies om naar het einde van de naam te scrollen. Kies om naar het begin van de naam te gaan. 232
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM VOORUIT- OF TERUGSPOELEN VAN EEN BESTAND/MUZIEKSTUK 1 Houd of van de toets SEEK/ TRACK ingedrukt om het bestand/muziekstuk versneld vooruit of terug te spoelen. HERHALEN Het bestand of de map waarnaar op dat moment wordt geluisterd, kan worden herhaald. EEN BESTAND/MUZIEKSTUK HERHALEN 1 Kies RPT terwijl het bestand/muziekstuk wordt afgespeeld. 5 l Wanneer u de toets loslaat, wordt het afspelen vanaf die positie hervat. l Telkens wanneer op RPT wordt gedrukt, wijzigt de modus als volgt: Wanneer RAND is uitgeschakeld: l bestand/muziekstuk herhalen map/ album herhalen UIT Wanneer RAND is ingeschakeld: l bestand/muziekstuk herhalen UIT l Op het scherm verschijnt de melding RPT. Aan het einde van het bestand/muziekstuk zal de speler het bestand/muziekstuk automatisch herhalen. Druk herhaaldelijk op RPT totdat de functie Herhalen is uitgeschakeld. AUDIOSYSTEEM 233
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM EEN MAP/ALBUM HERHALEN 1 Druk herhaaldelijk op RPT totdat FLD.RPT op het scherm verschijnt. l Aan het einde van de map/het album zal de speler automatisch teruggaan naar het begin van de map/het album en de map/ het album opnieuw afspelen. Druk opnieuw op RPT om deze functie te annuleren. WILLEKEURIGE VOLGORDE AFSPELEN VAN ALLE MAPPEN/ ALBUMS IN WILLEKEURIGE VOLGORDE 1 Druk herhaaldelijk op RAND totdat de melding FLD.RAND op het scherm verschijnt. l Zodra de melding FLD.RAND/ALB.RAND op het scherm verschijnt, selecteert het systeem een willekeurig bestand uit alle mappen of albums. Kies opnieuw RAND om deze functie te annuleren. Bestanden of mappen kunnen automatisch en in willekeurige volgorde worden geselecteerd. AFSPELEN VAN BESTANDEN/ MUZIEKSTUKKEN IN WILLE- KEURIGE VOLGORDE 1 Kies RAND terwijl het bestand of het muziekstuk wordt afgespeeld. l Telkens wanneer op RAND wordt gedrukt, wijzigt de modus als volgt: willekeurige volgorde (1 map/album in willekeurige volgorde) map/album in willekeurige volgorde (alle mappen/ albums in willekeurige volgorde) UIT l Zodra de melding RAND op het scherm verschijnt, selecteert het systeem een willekeurig bestand/muziekstuk uit de map/ het album waarnaar op dat moment wordt geluisterd. Druk herhaaldelijk op RAND totdat de functie Willekeurige volgorde is uitgeschakeld. 234
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM 6. BEDIENING VAN ipod Door een ipod aan te sluiten kan uw muziek via de luidsprekers van de auto worden weergegeven. AANSLUITEN VAN ipod 1 Open het consolevak. WAARSCHUWING Bedien de speler niet tijdens het rijden en sluit de ipod ook niet aan tijdens het rijden. OPMERKING Afhankelijk van de vorm en het formaat van de ipod die op het systeem is aangesloten, is het mogelijk dat het consolevak niet goed gesloten kan worden. Probeer in dat geval de consolevak niet met kracht te sluiten; de ipod of de aansluiting kunnen dan beschadigd raken. Laat uw draagbare speler niet achter in de auto. Met name de hoge temperaturen in de auto kunnen de speler beschadigen. Oefen geen overmatige druk uit op de draagbare speler wanneer deze aangesloten is omdat anders de speler of de aansluiting beschadigd kan raken. Steek geen vreemde voorwerpen in de aansluiting omdat de draagbare speler of de aansluiting hierdoor beschadigd kan raken. 2 Open het klepje en sluit de ipod aan met de ipod-kabel. l Als de ipod niet is ingeschakeld, schakel deze dan alsnog in. 3 Sluit het consolevak. 5 AUDIOSYSTEEM INFORMATIE Wanneer een ipod is aangesloten met een originele ipod-kabel, zal de batterij van de ipod worden opgeladen. 235
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM AFSPELEN VAN EEN ipod AFSPELEN EN ONDERBRE- KEN VAN ipod 1 Als er al een ipod is aangesloten, druk dan herhaaldelijk op de toets USB AUX om naar de ipod-modus te gaan en druk op de toets AUDIO om het audiobedieningsscherm weer te geven. l Zie ANDERE FUNCTIES SELECTEREN op bladzijde 211 voor de andere bedieningsmethoden. INFORMATIE Wanneer de ipod die is aangesloten op het systeem beschikt over ipod-video, kan het systeem het geluid alleen weergegeven als u Video kiest op het scherm ipod. Afhankelijk van de ipod is het geluid van de video mogelijk niet hoorbaar. Afhankelijk van de ipod en de muziekstukken in de ipod kan de albumhoes worden weergegeven. Deze functie kan Aan of Uit worden gezet. Zie ipod- INSTELLINGEN op bladzijde 262. Het kan even duren om de albumhoes weer te geven en de ipod kan niet worden bediend zolang de albumhoes nog niet volledig wordt weergegeven. Er kunnen alleen albumhoezen worden weergegeven die opgeslagen zijn in JPEG-formaat. Als een ipod is aangesloten en de audiobron is gewijzigd naar de ipodafspeelmodus, zal de ipod verdergaan met afspelen vanaf het punt waar de speler is geëindigd. Afhankelijk van de ipod die op het systeem is aangesloten, zijn bepaalde functies mogelijk niet beschikbaar. : Kies deze toets om de muziek af te spelen. : Kies deze toets om de muziek te onderbreken. l Kies om het afspelen van de muziek te hervatten. 236
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM SELECTEREN VAN EEN AFSPEELMODUS 1 Kies Bladeren. KIEZEN VAN EEN MUZIEK- STUK AAN DE BOVENZIJDE VAN HET ipod-scherm 2 Kies de gewenste afspeelmodus. 1/3, 2/3, 3/3 : Kies deze schermtoets om te wisselen tussen Latijnse, Cyrillische en Griekse karakters., : Kies deze toets om vooruit of terug te spoelen naar het volgende/vorige muziekstuk. Toets SEEK/TRACK: Druk herhaaldelijk op of van de toets SEEK/TRACK, tot het nummer van het gewenste muziekstuk op het scherm verschijnt. De speler begint het geselecteerde muziekstuk af te spelen. Knop Tune/Scroll: Draai de knop rechtsom of linksom om vooruit te spoelen naar het gewenste muziekstuk. OP HET SCHERM MET DE MUZIEK- STUKLIJST 1 Kies de schermtoets met de naam van het muziekstuk om het scherm met de muziekstuklijst weer te geven. 5 AUDIOSYSTEEM 237
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM 2 Kies het gewenste muziekstuk. De speler begint het geselecteerde muziekstuk af te spelen., : Kies deze toets om 5 nummers omhoog of omlaag te gaan in de lijst. Als u een van deze schermtoetsen kiest terwijl het eerste/laatste item in de lijst wordt weergegeven, wordt de laatste/eerste pagina weergegeven. Toets SEEK/TRACK: Druk op of van de toets SEEK/TRACK om een voor een door de lijst met muziekstukken te scrollen. Knop Tune/Scroll: Draai de knop rechtsom of linksom om versneld door de lijst met muziekstukken te scrollen. Druk op de knop om het gewenste muziekstuk te kiezen., : Als rechts naast de naam van een onderwerp verschijnt, is de volledige naam te lang om op het scherm te worden weergegeven. Kies om naar het einde van de naam te scrollen. Kies om naar het begin van de naam te gaan. VOORUIT- OF TERUGSPOELEN VAN DE SPELER 1 Houd of van de toets SEEK/ TRACK ingedrukt om de speler versneld vooruit of terug te spoelen. l Wanneer u de toets loslaat, wordt het afspelen vanaf die positie hervat. 238
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM HERHALEN Het muziekstuk waarnaar u op een bepaald moment luistert, kan worden herhaald. 1 Kies RPT terwijl het muziekstuk wordt afgespeeld. WILLEKEURIGE VOLGORDE Muziekstukken of albums kunnen automatisch in willekeurige volgorde worden geselecteerd. AFSPELEN VAN MUZIEKSTUKKEN IN WILLEKEURIGE VOLGORDE 1 Kies RAND terwijl het muziekstuk wordt afgespeeld. l Op het scherm verschijnt de melding RPT. Aan het einde van het muziekstuk zal de speler het muziekstuk automatisch herhalen. Druk opnieuw op RPT om deze functie te annuleren. l Telkens wanneer op RAND wordt gedrukt, wijzigt de modus als volgt: muziekstuk in willekeurige volgorde album in willekeurige volgorde UIT l Zodra de melding RAND op het scherm verschijnt, selecteert het systeem een willekeurig muziekstuk uit alle albums op de ipod. Druk tweemaal op RAND om deze functie te annuleren. AFSPELEN VAN ALBUMS IN WILLEKEURIGE VOLGORDE 1 Druk herhaaldelijk op RAND totdat de melding ALB.RAND op het scherm verschijnt. l Zodra de melding ALB.RAND op het scherm verschijnt, selecteert het systeem een willekeurig album uit alle albums op de ipod. Kies opnieuw RAND om deze functie te annuleren. 5 AUDIOSYSTEEM 239
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM 7. BEDIENING Bluetooth -AUDIO Het Bluetooth -audiosysteem maakt het mogelijk om muziek die wordt afgespeeld op een draagbare speler draadloos weer te geven via de luidsprekers van de auto. Dit audiosysteem ondersteunt Bluetooth, een draadloos communicatiesysteem waarmee muziek op een draagbare speler kan worden afgespeeld zonder dat een kabelverbinding nodig is. Als uw draagbare speler Bluetooth niet ondersteunt, werkt het Bluetooth -audiosysteem niet. Bluetooth is een handelsmerk van Bluetooth SIG. Inc. WAARSCHUWING Bedien de speler niet en verbind hem niet met het Bluetooth -audiosysteem terwijl u rijdt. OPMERKING Laat uw draagbare speler niet achter in de auto. Met name de hoge temperaturen in de auto kunnen de speler beschadigen. INFORMATIE Onder de volgende omstandigheden werkt het systeem mogelijk niet: De draagbare speler is uitgeschakeld. De draagbare speler is niet aangesloten. De batterij van de draagbare speler is bijna leeg. Wanneer het Bluetooth -audiosysteem in werking is, kan het even duren voordat de verbinding met de telefoon tot stand is gekomen. Draagbare spelers moeten voldoen aan de volgende specificaties om verbinding te kunnen maken met het Bluetooth - audiosysteem. Sommige functies zijn mogelijk echter beperkt beschikbaar, afhankelijk van het type draagbare speler. Bluetooth -specificatie Versie 1.1 of hoger (Aanbevolen: Versie 2.1 + EDR of hoger) Profiel A2DP (Advanced Audio Distribution Profile) Versie 1.0 of hoger (Aanbevolen: Versie 1.2 of hoger) AVRCP (Audio/Video Remote Control Profile) Versie 1.0 of hoger (Aanbevolen: Versie 1.4 of hoger) 240
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM De kwaliteit van de Bluetooth -verbinding wordt als volgt weergegeven: : Geeft aan dat de Bluetooth -verbinding uitstekend is. : Geeft aan dat de Bluetooth -verbinding slecht is, waardoor de geluidskwaliteit mogelijk verslechtert. : Geeft aan dat er geen Bluetooth - verbinding is. Geeft aan hoe vol de batterij nog is. Leeg Vol INFORMATIE De resterende lading wordt niet weergegeven terwijl het Bluetooth -apparaat verbinding maakt. De resterende lading komt niet altijd overeen met de hoeveelheid die uw draagbare speler aangeeft. Het systeem beschikt niet over een oplaadfunctie. In het dashboard is een antenne voor de Bluetooth -verbinding ingebouwd. In de volgende gevallen is de Bluetooth -verbinding mogelijk niet goed en werkt het systeem mogelijk niet als er een met Bluetooth draagbare speler wordt gebruikt: De draagbare speler wordt afgeschermd door bepaalde voorwerpen (de draagbare speler ligt bijvoorbeeld achter een stoel, in het dashboardkastje of in het opbergvak in de middenconsole). De draagbare speler maakt contact met of is afgeschermd door metaal. Leg de Bluetooth draagbare speler op een plaats waar de Bluetooth -verbinding goed is. 5 AUDIOSYSTEEM l De informatie van de draagbare speler wordt geregistreerd als de draagbare speler verbinding maakt met het Bluetooth -audiosysteem. Verwijder de Bluetooth -audioinformatie uit het systeem wanneer u de auto verkoopt of wegdoet. (Zie VERWIJDEREN VAN EEN Bluetooth -APPARAAT op bladzijde 198.) 241
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM VERBINDING MAKEN MET EEN Bluetooth - AUDIOSPELER Om het Bluetooth -audiosysteem te kunnen gebruiken, moet u een draagbare speler in het systeem registreren. Zodra de draagbare speler is geregistreerd, kunt u naar de muziek luisteren. Zodra de draagbare speler is geregistreerd, kunt u via het navigatiesysteem naar de muziek luisteren. (Zie REGIS- TREREN VAN EEN Bluetooth -AP- PARAAT op bladzijde 197.) INFORMATIE Raadpleeg de handleiding die bij de draagbare speler is geleverd voor meer informatie over de bediening van de draagbare speler. WANNEER Bluetooth* aan/-uitknop IS UITGESCHAKELD Verbind de draagbare speler handmatig overeenkomstig de volgende procedure. 1 Kies Verbinden. 2 Kies de gewenste draagbare speler. WANNEER Bluetooth* aan/- uitknop IS INGESCHAKELD l De draagbare speler maakt in de volgende gevallen automatisch verbinding: Het contact staat in stand ACC of AAN. De Bluetooth* aan/-uitknop wordt ingeschakeld. De verbinding met de draagbare speler is om welke reden dan ook verbroken. 3 Dit scherm wordt weergegeven wanneer er verbinding is gemaakt. U kunt de draagbare speler nu gebruiken. *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 242
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM INFORMATIE Als u Draagbare speler aansluiten kiest in het scherm Bluetooth*, wordt ook de Bluetooth -audiospeler aangesloten. (Zie bladzijde 202.) Wanneer de draagbare spelers niet zijn geregistreerd, wordt het registratiescherm weergegeven. Het registreren gaat op dezelfde manier als het registreren van een telefoon. (Zie bladzijde 155.) Wanneer de draagbare speler wordt geselecteerd die op dat moment is aangesloten, verschijnt een scherm waarop wordt bevestigd dat de verbinding met die speler wordt verbroken. (Zie bladzijde 203.) Als de verbinding niet meteen tot stand komt, wordt er een bevestigingsscherm weergegeven om de verbindingsmethode te wijzigen Als de verbinding ook na 2 of meer pogingen niet tot stand komt, wordt een melding weergegeven. Wanneer deze melding wordt weergegeven: probeer het opnieuw. OPNIEUW AANSLUITEN VAN DE DRAAGBARE SPELER Als de verbinding met de draagbare speler wegvalt als gevolg van een slechte ontvangst van het Bluetooth - netwerk wanneer het contact in stand ACC of AAN staat, probeert het systeem automatisch opnieuw verbinding te maken met de draagbare speler. l Als de verbinding met het Bluetooth - apparaat met opzet wordt verbroken, bijvoorbeeld wanneer u het apparaat uitzet, gebeurt dit niet. Sluit de draagbare speler handmatig opnieuw aan. *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. AFSPELEN VAN Bluetooth - AUDIO AFSPELEN EN ONDERBRE- KEN VAN Bluetooth -AUDIO 1 Als er al een Bluetooth -audiospeler is aangesloten, druk dan herhaaldelijk op de toets USB AUX om naar de Bluetooth -audiomodus te gaan en druk op de toets AUDIO om het audiobedieningsscherm weer te geven. l Zie ANDERE FUNCTIES SELECTEREN op bladzijde 211 voor de andere bedieningsmethoden. : Kies deze toets om de muziek af te spelen. : Kies deze toets om de muziek te onderbreken. l Kies om het afspelen van de muziek te hervatten. 5 AUDIOSYSTEEM 243
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM l Afhankelijk van het type draagbare speler dat met het systeem verbonden is, kunt u het afspelen van de muziek ook hervatten door te kiezen. Omgekeerd kunt u het afspelen onderbreken door te kiezen. 3 Kies de schermtoets met de naam van het gewenste muziekstuk. KIEZEN VAN GEWENSTE MUZIEKSTUK/MAP/ALBUM AAN DE BOVENZIJDE VAN HET AUDIOSCHERM, : Kies deze toets om vooruit of terug te spoelen naar de volgende/vorige map of het volgende/vorige album. OP HET SCHERM MET DE AFSPEELLIJST 1 Kies de schermtoets met de albumnaam om het scherm met de afspeellijst weer te geven., : Kies deze toets om 5 muziekstukken/mappen omhoog of omlaag te gaan in de lijst. Als u een van deze schermtoetsen kiest terwijl het eerste/laatste item in de lijst wordt weergegeven, wordt de laatste/ eerste pagina weergegeven. Toets SEEK/TRACK: Druk op of van de toets SEEK/TRACK om een voor een door de lijst met muziekstukken/mappen te scrollen. Knop Tune/Scroll: Draai de knop rechtsom of linksom om versneld door de lijst met muziekstukken/mappen te scrollen. Druk op de knop om het gewenste muziekstuk/ de gewenste map te kiezen., : Als rechts naast de naam van een onderwerp verschijnt, is de volledige naam te lang om op het scherm te worden weergegeven. Kies om naar het einde van de naam te scrollen. Kies om naar het begin van de naam te gaan. 2 Kies de gewenste schermtoets. l Kies de schermtoets met de mapnaam om het scherm met de muziekstuklijst weer te geven. 244
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM VOORUIT- OF TERUGSPOELEN VAN EEN MUZIEKSTUK 1 Houd of van de toets SEEK/ TRACK ingedrukt om het muziekstuk versneld vooruit of terug te spoelen. KIEZEN VAN EEN MUZIEK- STUK AAN DE BOVENZIJDE VAN HET AUDIOSCHERM l Wanneer u de toets loslaat, wordt het afspelen vanaf die positie hervat. INFORMATIE Afhankelijk van de draagbare speler die is aangesloten op het systeem zijn sommige functies mogelijk niet beschikbaar. Sommige titels worden mogelijk niet weergegeven afhankelijk van het type draagbare speler., : Kies deze toets om vooruit of terug te spoelen naar het volgende/vorige muziekstuk. Toets SEEK/TRACK: Druk herhaaldelijk op of van de toets SEEK/TRACK, tot het nummer van het gewenste muziekstuk op het scherm verschijnt. De speler begint het geselecteerde muziekstuk af te spelen. Knop Tune/Scroll: Draai de knop rechtsom of linksom om vooruit te spoelen naar het gewenste muziekstuk. OP HET SCHERM MET DE MUZIEK- STUKLIJST 1 Kies de schermtoets met de naam van het muziekstuk om het scherm met de muziekstuklijst weer te geven. 5 AUDIOSYSTEEM 245
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM 2 Kies het gewenste muziekstuk. De speler begint het geselecteerde muziekstuk af te spelen., : Kies deze toets om 5 nummers omhoog of omlaag te gaan in de lijst. Als u een van deze schermtoetsen kiest terwijl het eerste/laatste item in de lijst wordt weergegeven, wordt de laatste/eerste pagina weergegeven. Toets SEEK/TRACK: Druk op of van de toets SEEK/TRACK om een voor een door de lijst met muziekstukken te scrollen. Knop Tune/Scroll: Draai de knop rechtsom of linksom om versneld door de lijst met muziekstukken te scrollen. Druk op de knop om het gewenste muziekstuk te kiezen., : Als rechts naast de naam van een onderwerp verschijnt, is de volledige naam te lang om op het scherm te worden weergegeven. Kies om naar het einde van de naam te scrollen. Kies om naar het begin van de naam te gaan. INFORMATIE Afhankelijk van de draagbare speler die is aangesloten op het systeem zijn sommige functies mogelijk niet beschikbaar. VOORUIT- OF TERUGSPOELEN VAN EEN MUZIEKSTUK 1 Houd of van de toets SEEK/ TRACK ingedrukt om het muziekstuk versneld vooruit of terug te spoelen. l Wanneer u de toets loslaat, wordt het afspelen vanaf die positie hervat. HERHALEN Het muziekstuk of het album waarnaar u op dat moment luistert, kan worden herhaald. EEN MUZIEKSTUK HERHALEN 1 Kies RPT terwijl het muziekstuk wordt afgespeeld. 246
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM l Telkens wanneer op RPT wordt gedrukt, wijzigt de modus als volgt: muziekstuk herhalen album herhalen UIT l Op het scherm verschijnt de melding RPT. Aan het einde van het muziekstuk zal de speler het muziekstuk automatisch herhalen. Druk herhaaldelijk op RPT totdat de functie Herhalen is uitgeschakeld. HERHALEN VAN EEN ALBUM 1 Druk herhaaldelijk op RPT totdat ALB.RPT op het scherm verschijnt. l Aan het einde van het album wordt automatisch teruggegaan naar het begin van dat album en wordt het opnieuw afgespeeld. Druk opnieuw op RPT om deze functie te annuleren. WILLEKEURIGE VOLGORDE Muziekstukken of albums kunnen automatisch in willekeurige volgorde worden geselecteerd. DE NUMMERS VAN EEN ALBUM IN WILLEKEURIGE VOLGORDE AF- SPELEN 1 Kies RAND terwijl het muziekstuk wordt afgespeeld. l Telkens wanneer op RAND wordt gedrukt, wijzigt de modus als volgt: album in willekeurige volgorde alle muziekstukken in willekeurige volgorde UIT l Zodra de melding RAND op het scherm verschijnt, selecteert het systeem een willekeurig muziekstuk van het album waarnaar op dat moment wordt geluisterd. Druk herhaaldelijk op RAND totdat de functie Willekeurige volgorde is uitgeschakeld. DE NUMMERS VAN ALLE ALBUMS IN WILLEKEURIGE VOLGORDE AF- SPELEN 1 Druk herhaaldelijk op RAND totdat de melding ALB.RAND op het scherm verschijnt. l Zodra de melding ALB.RAND op het scherm verschijnt, selecteert het systeem een willekeurig muziekstuk uit alle albums op het Bluetooth -apparaat. Kies opnieuw RAND om deze functie te annuleren. INFORMATIE Afhankelijk van de draagbare speler die is aangesloten op het systeem zijn sommige functies mogelijk niet beschikbaar. 5 AUDIOSYSTEEM 247
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM 8. AFSTANDSBEDIENING AUDIO (STUURWIELTOETSEN) U kunt sommige onderdelen van het audio-/videosysteem met de toetsen op het stuur instellen. Nr. Toets Bedieningstoetsen volume Toets MODE toets Bedieningstoetsen volume l Druk op de zijde + voor een hogere geluidssterkte. Zolang u de toets ingedrukt houdt, neemt de geluidssterkte toe. l Druk op de zijde - voor een lagere geluidssterkte. Zolang u de toets ingedrukt houdt, neemt de geluidssterkte af. ToetsMODE l Druk op toets MODE om een audiomodus te selecteren. Elke keer als de toets wordt ingedrukt, verandert de modus volgens een volgorde als de gewenste modus klaar is voor gebruik. l Druk op de toets MODE om het audiosysteem in te schakelen. l Houd toets MODE ingedrukt om het geluid van de actuele weergave in/uit te schakelen. Toets Radio Een voorkeuzezender selecteren: Druk kort op de toets of. Herhaal dit om de volgende zender te selecteren. Een radiozender zoeken: Houd de toets of ingedrukt totdat u een pieptoon hoort. Herhaal dit om de volgende zender te zoeken. Als u een van deze toetsen indrukt tijdens het zoeken, wordt het zoeken geannuleerd. l Een frequentie zoeken: houd de toets ingedrukt totdat u een pieptoon hoort. Als u de toets loslaat, begint de radio omhoog of omlaag te zoeken naar een zender. Herhaal dit om de volgende zender te zoeken. 248
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM DAB Een service selecteren: Druk snel op de toets of. Herhaal dit om de volgende service te selecteren. Een radiozender selecteren: Houd de toets of ingedrukt totdat u een pieptoon hoort. Herhaal dit om de volgende zender te zoeken. Als u een van deze toetsen indrukt tijdens het zoeken, wordt het zoeken geannuleerd. CD-speler l Gebruik de toets of om in beide richtingen een muziekstuk, bestand of map over te slaan. Het gewenste muziekstuk of bestand selecteren: Druk kort op de toets of tot het gewenste muziekstuk of bestand is geselecteerd. Druk eenmaal kort op van de toets om terug te keren naar het begin van het huidige muziekstuk of bestand. Een map selecteren: Houd de toets of ingedrukt tot u een pieptoon hoort om naar de volgende of vorige map te gaan. Herhaal dit totdat de gewenste map geselecteerd is. Bluetooth audiospeler l Gebruik toets of om naar een volgend of vorig nummer of album te gaan. Een nummer selecteren: Druk kort op de toets of tot het gewenste nummer is geselecteerd. Om het actuele nummer opnieuw vanaf het begin af te spelen, drukt u een keer kort op toets. Een album selecteren: Houd toets of ingedrukt tot u een pieptoon hoort om naar het volgende of vorige album te gaan. Herhaal dit totdat het gewenste album geselecteerd is. USB-geheugen/iPod l Gebruik toets of om naar een volgend(e) of vorig(e) bestand, nummer, map of album te gaan. Een bestand of nummer selecteren: Druk op toets of tot het gewenste bestand of nummer is geselecteerd. Om het actuele bestand of nummer opnieuw vanaf het begin af te spelen, drukt u een keer kort op toets. Een map of album selecteren (alleen USB-geheugen): Houd toets of ingedrukt tot u een pieptoon hoort om naar een volgend(e) of vorig(e) map of album te gaan. Herhaal dit totdat de gewenste map of het gewenste album geselecteerd is. 5 AUDIOSYSTEEM 249
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM 9. BEDIENINGSTIPS AUDIOSYSTEEM OPMERKING Om een goede werking van het audiosysteem te waarborgen: Let erop dat er geen vloeistoffen over het audiosysteem worden gemorst. Plaats geen andere voorwerpen dan geschikte discs in de sleuf. Het gebruik van een mobiele telefoon in of nabij de auto kan een geluid veroorzaken via de luidsprekers van de auto. Dit duidt echter niet op een storing. RADIO-ONTVANGST Doorgaans duiden problemen met de radio-ontvangst niet op storingen in de radio, maar zijn zij het gevolg van omstandigheden buiten de auto. Een nabijgelegen gebouw of het terrein kan de FM-ontvangst bijvoorbeeld storen. Elektrische leidingen of telefoonkabels kunnen de AM-signalen storen. En radiosignalen hebben natuurlijk maar een beperkt bereik. Hoe verder u zich van de radiozender bevindt, hoe zwakker het signaal is. Bovendien veranderen tijdens het rijden voortdurend de omstandigheden voor ontvangst. De volgende veelvoorkomende problemen met de ontvangst duiden mogelijk niet op storingen in de radio. FM Zwakker wordende of verschuivende zenders: Over het algemeen bedraagt het bereik van een FM-zender ongeveer 40 km. Wanneer u eenmaal buiten dit bereik komt, hoort u mogelijk fluctuaties, die toenemen naarmate de afstand tot de radiozender toeneemt. Dit gaat vaak gepaard met vervorming. Reflectievervorming: FM-signalen zijn reflecterend, waardoor 2 signalen tegelijkertijd de antenne kunnen bereiken. Wanneer dit gebeurt, schakelen de signalen elkaar uit, waardoor een kortstondige flutter of achteruitgang van de ontvangst ontstaat. Atmosferische storing en flutter: Dit treedt op als signalen worden geblokkeerd door gebouwen, bomen of andere grote objecten. De atmosferische storingen en flutters worden mogelijk minder wanneer u het basniveau verhoogt. Wisselen van zender: Als het FM-signaal waar u naar luistert onderbroken of zwak is en er een andere sterke zender dichtbij is op de frequentieband, stemt de radio mogelijk af op die zender totdat het oorspronkelijke signaal weer kan worden opgepikt. 250
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM AM Verzwakken: AM-golven worden, 's nachts in het bijzonder, weerkaatst door de atmosfeer. Deze gereflecteerde signalen kunnen botsen met de signalen die direct vanaf de radiozender worden ontvangen, waardoor de zender beurtelings sterk en zwak klinkt. Interferentie: Als 2 radiostations een dicht bij elkaar gelegen frequentie hebben, kunnen deze elkaar storen. Atmosferische storing: De AM-band is erg gevoelig voor invloeden van buitenaf, zoals hoogspanningskabels, onweer en elektromotoren. Hierdoor ontstaat ruis. ipod l Made for ipod" (gemaakt voor ipod) Made for iphone (gemaakt voor iphone) houdt in dat een elektronische accessoire speciaal is ontworpen voor de ipod respectievelijk iphone en dat de ontwikkelaar garandeert dat het product aan de prestatienormen van Apple voldoet. l Apple is niet verantwoordelijk voor de werking van dit apparaat noch voor de naleving van de veiligheid en regelgeving. Het gebruik van deze accessoire in combinatie met een ipod of iphone heeft mogelijk een negatieve invloed op de ontvangst. l iphone, ipod, ipod classic, ipod nano en ipod touch zijn handelsmerken van Apple Inc., geregistreerd in de VS en andere landen. 5 AUDIOSYSTEEM 251
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM COMPATIBELE MODELLEN De volgende ipod, ipod nano, ipod classic, ipod touch en iphone apparaten kunnen in combinatie met dit systeem worden gebruikt. Gemaakt voor ipod touch (4e generatie) ipod touch (3e generatie) ipod touch (2e generatie) ipod touch (1e generatie) ipod classic ipod met video ipod nano (6e generatie) ipod nano (5e generatie) ipod nano (4e generatie) ipod nano (3e generatie) ipod nano (2e generatie) ipod nano (1e generatie) iphone 4 iphone 3GS iphone 3G iphone Afhankelijk van de verschillen tussen modellen, softwareversies, enz., zijn sommige van de genoemde modellen mogelijk niet compatibel met dit systeem. USB-GEHEUGEN l USB-geheugens die gebruikt kunnen worden voor het afspelen van MP3- en WMAbestanden. USB-communicatie: USB 2.0 FS (12 MBPS) Bestandsformaat: FAT 16/32 Klasse: massaopslag GEBRUIK EN ONDERHOUD VAN CD-SPELER EN DISCS l Deze CD-speler is uitsluitend ontworpen voor het gebruik van 12 cm discs. l De CD-speler werkt mogelijk niet wanneer deze is blootgesteld aan extreem hoge temperaturen. Maak op warme dagen gebruik van het airconditioningssysteem om het interieur van de auto af te koelen alvorens de speler te gebruiken. l Door schokken en trillingen kan de CDspeler overslaan. l Wanneer er vocht in de CD-speler terechtkomt, kunnen er mogelijk geen discs worden afgespeeld. Verwijder de disc uit de speler en laat het vocht opdrogen. 252
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM WAARSCHUWING Transparante discs CD-spelers maken gebruik van onzichtbare laserstralen, die schadelijk kunnen zijn bij uittreding uit de speler. Gebruik de speler daarom alleen zoals in de gebruiksaanwijzing staat aangegeven. CD-SPELER Kwalitatief inferieure discs Audio-CD's 5 l Gebruik alleen discs met bovenstaand merk. De volgende producten zijn mogelijk niet afspeelbaar. SACD dts CD CD met kopieerbeveiliging Video-CD Discs met speciale vorm Discs met een label AUDIOSYSTEEM 253
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM OPMERKING Gebruik geen speciaal gevormde, transparante, inferieure of gelabelde discs zoals in de afbeeldingen aangegeven. Door gebruik van dergelijke discs kan de CD-speler beschadigd raken of kan de disc mogelijk niet uitgeworpen worden. Dit systeem is niet ontworpen voor het gebruik van DualDiscs. Gebruik van DualDiscs kan de speler beschadigen. Gebruik geen discs met beschermring. Door gebruik van dergelijke discs kan de CD-speler beschadigd raken of kan de disc mogelijk niet uitgeworpen worden. Schoonmaken van een disc: Veeg deze met een zachte, pluisvrije en licht vochtige doek schoon. Veeg vanuit het midden naar de zijkanten, niet in een rondgaande beweging. Droog de disc af met een zachte, niet-pluizende doek. Gebruik geen reinigingsdoekjes voor platen, omdat deze een antistatische stof bevatten. Goed Fout l Ga voorzichtig met discs om, vooral bij het invoeren. Houd een disc aan de randen vast en buig de disc niet. Voorkom vingerafdrukken op een disc, vooral op de glimmende zijde. l Vuil, krassen, slingering, gaatjes en andere beschadigingen kunnen de oorzaak zijn van het overslaan van de disc of het herhalen van een deel van een nummer. (Gaatjes zijn te constateren door de disc tegen het licht te houden.) l Verwijder een disc uit de speler wanneer u deze niet gebruikt. Berg ze op in hun opbergdoosjes, uit de buurt van vocht, warmte en direct zonlicht. 254
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM MP3/WMA-BESTANDEN l MP3 (MPEG Audio Layer 3) en WMA (Windows Media Audio) zijn standaarden voor audiocompressie. l De MP3/WMA-speler speelt MP3 en WMA-bestanden af op CD-ROM, CD-R en CD-RW. l Het apparaat speelt opnames af die compatibel zijn met ISO 9660 niveau 1 en niveau 2 en met het bestandssysteem Romeo en Joliet. l Voeg de desbetreffende bestandsextensie (.mp3 of.wma) toe wanneer u een MP3 of WMA-bestand een naam geeft. l De MP3/WMA-speler geeft bestanden met de bestandsextensies.mp3 of.wma weer als MP3 of WMA-bestanden. Gebruik de desbetreffende bestandsextensie om storingen bij de weergave te voorkomen. l De MP3/WMA-speler speelt alleen de eerste sessie af bij multisessie CD's. l MP3 speler: MP3-bestanden zijn compatibel met ID3-tags versie 1.0, versie 1.1, versie 2.2 en versie 2.3-formaat. Het apparaat geeft in andere formaten geen titel van de disc of van het muziekstuk of de naam van de artiest weer. l USB-geheugen: MP3-bestanden zijn compatibel met ID3 Tag versie 1.0, versie 1.1, versie 2.2, versie 2.3 en versie 2.4-formaat. Het apparaat geeft in andere formaten geen titel van het muziekstuk of de naam van de artiest weer. l WMA-bestanden kunnen een WMA-tag bevatten die op dezelfde manier wordt gebruikt als een ID3-tag. WMA-tags bevatten informatie zoals de titel van een nummer en de naam van de artiest. l De optie voor verliesvrije weergave is alleen beschikbaar wanneer u MP3/WMAbestanden afspeelt die zijn opgenomen op 32, 44,1 of 48 khz. BEMONSTERINGS- FREQUENTIES l MP3-bestanden voor MP3-speler: MPEG 1 LAYER 3 32, 44,1, 48 khz MPEG 2 LSF LAYER 3 16, 22,05, 24 khz MP3-bestanden voor USB-geheugen: MPEG 1 AUDIO LAYER 2, 3 32, 44,1, 48 khz MPEG 2 AUDIO LAYER 2, 3 16, 22,05, 24 khz WMA-bestanden voor WMA-speler: Versie 7, 8, 9 CBR 32, 44,1, 48 khz WMA-bestanden voor USB-geheugen: Versie 9 HIGH PROFILE 32, 44,1, 48 khz l De geluidskwaliteit van MP3/WMAbestanden neemt over het algemeen toe bij hogere bitrates. Voor een redelijke geluidskwaliteit adviseren wij u discs te gebruiken die zijn opgenomen met een bitrate van ten minste 128 kbps. AFSPEELBARE BITRATES l MP3-bestanden voor MP3-speler: MPEG1 LAYER3 32-320 kbps MPEG2 LSF LAYER3 8-160 kbps MP3-bestanden voor USB-geheugen: MPEG 1 AUDIO LAYER 2, 3 32-320 kbps MPEG 2 AUDIO LAYER 2, 3 8-160 kbps WMA-bestanden voor WMA-speler: Versie 7, 8 CBR 48-192 kbps Versie 9 CBR 48-320 kbps WMA-bestanden voor USB-geheugen: Versie 9 HIGH PROFILE 32-320 kbps, VBR (Variable Bit Rate) 5 AUDIOSYSTEEM 255
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM l De MP3/WMA-speler speelt geen MP3/ WMA-bestanden af van discs die zijn opgenomen met gegevensoverdracht via packet writing (UDF-formaat). Discs moeten worden opgenomen met pre-mastering -software en niet met packet-write - software. l M3u-afspeellijsten zijn niet compatibel met de audiospeler. l De formaten MP3i (MP3 interactive) en MP3PRO zijn niet compatibel met de audiospeler. l De speler is compatibel met VBR (Variabele Bit-Rate). l Wanneer u bestanden die zijn opgenomen als VBR-bestanden (Variabele Bit-Rate) afspeelt, wordt tijdens het vooruit- of terugspoelen de afspeeltijd niet juist weergegeven. l U kunt alleen mappen controleren die MP3/WMA-bestanden bevatten. l U kunt MP3/WMA-bestanden afspelen in mappen tot maximaal 8 lagen. Wanneer u echter discs gebruikt die vele lagen mappen bevatten, begint de weergave mogelijk met enige vertraging. Daarom raden wij u aan om niet meer dan twee lagen mappen op een disc te zetten. l De afspeelvolgorde van de disc met de hierboven getoonde structuur is als volgt: 001.mp3 002.wma... 006.mp3 l MP3/WMA-speler: U kunt maximaal 192 mappen of 255 bestanden op een disc afspelen. l USB-geheugen: U kunt maximaal 3000 mappen, 255 bestanden per map of 9999 bestanden op het geheugen afspelen. l De volgorde verandert afhankelijk van de gebruikte PC- en MP3/WMA-codeersoftware. 001.mp3 002.wma Map 1 003.mp3 Map 2 004.mp3 005.wma Map 3 006.mp3 256
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM CD-R EN CD-RW l U kunt geen CD-R/CD-RW's afspelen die niet zijn gefinaliseerd (een proces waardoor discs op een conventionele CD-speler kunnen worden afgespeeld). l Mogelijk kunnen CD-R/CD-RW's die op een CD-recorder of PC zijn opgenomen door CD-eigenschappen, krassen of vuil op de CD, of vuil en condens op de lens van het apparaat niet worden afgespeeld. l Afhankelijk van de instellingen van de applicaties en de omgeving, kunnen CD's die op een PC zijn opgenomen mogelijk niet worden afgespeeld. Neem CD's op met het juiste formaat. (Neem contact op met de producent van de desbetreffende applicatie voor meer informatie.) l CD-R/CD-RW's raken mogelijk beschadigd door directe blootstelling aan zonlicht, hoge temperaturen of andere omstandigheden voor opbergen. Beschadigde discs worden mogelijk niet afgespeeld. l Als u een CD-RW in een MP3/WMA-speler plaatst, duurt het wat langer dan bij conventionele CD's of CD-R's voor de CD wordt afgespeeld. l U kunt geen opnames op CD-R/CD-RW's afspelen met het DDCD-systeem (Double Density CD). BEGRIPPEN PACKET WRITING l Dit is een algemene benaming voor het on-demand opslaan van gegevens op een CD-R, enz., op dezelfde manier waarop gegevens op een diskette of harde schijf worden opgeslagen. ID3 TAG l Dit is een methode om informatie die gerelateerd is aan een muziekstuk in een MP3-bestand vast te leggen. Deze informatie kan de titel van het muziekstuk, de naam van de artiest, de titel van het album, het muziekgenre, het productiejaar, commentaar of andere gegevens bevatten. Met behulp van software met opties voor het bewerken van ID3-tags kunt u de inhoud van de tags onbeperkt wijzigen. De tags bestaan uit een beperkt aantal karakters. U kunt de informatie zien wanneer het nummer wordt afgespeeld. WMA-TAG l WMA-bestanden kunnen een WMA-tag bevatten die op dezelfde manier wordt gebruikt als een ID3-tag. WMA-tags bevatten informatie zoals de titel van een nummer en de naam van de artiest. 5 AUDIOSYSTEEM 257
1. BEDIENING AUDIOSYSTEEM ISO 9660-FORMAAT l Dit is de internationale standaard voor het opmaken van CD-ROM-mappen en - bestanden. Voor het ISO 9660-formaat zijn er twee verschillende niveaus. l Niveau 1: De bestandsnaam is in formaat 8.3 (bestandsnaam van 8 karakters, bestandsextensie van 3 karakters. Bestandsnamen dienen te worden samengesteld uit hoofdletters en cijfers van 1- byte. Het symbool _ mag ook worden gebruikt.) l Niveau 2: De bestandsnaam kan uit maximaal 31 karakters bestaan (inclusief het scheidingsteken. en de bestandsextensie). Elke map moet minder dan 8 hiërarchieën bevatten. m3u l Afspeellijsten die met WINAMP-software zijn gemaakt, hebben een bestandsextensie voor afspeellijsten (.m3u). MP3 l MP3 is een standaard voor audiocompressie die door een werkgroep (MPEG) van de ISO (International Standard Organization) is bepaald. MP3 comprimeert audiogegevens tot ongeveer 1/10 van het formaat van conventionele discs. WMA l WMA (Windows Media Audio) is een formaat voor audiocompressie ontwikkeld door Microsoft. Dit formaat comprimeert bestanden tot een formaat dat kleiner is dan MP3-bestanden. De formaten voor het decoderen van WMA-bestanden zijn versie 7, 8 en 9. 258
2. CONFIGURATIE 1. AUDIO-INSTELLINGEN AUDIO-INSTELLINGEN De details van het geluid, de radio en de ipod kunnen worden ingesteld middels onderstaande procedure. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Audio. GELUIDSINSTELLINGEN De geluidsverdeling kan worden ingesteld. DSP-REGELING 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Audio op het scherm Instellingen. 3 Kies Geluidsinstellingen. 5 3 Kies de audio-instelling die u wilt aanpassen. 4 Kies het tabblad DSP om het volgende scherm weer te geven. AUDIOSYSTEEM 5 Kies de items die u wilt instellen. 6 Kies OK. 259
2. CONFIGURATIE AUTOMATISCHE GELUIDS- REGELING (ASL) Het systeem stelt de geluidssterkte en de toonregeling optimaal af afhankelijk van de rijsnelheid om te compenseren voor het toenemende autogeluid. 1 Kies Automatische geluidsregeling. 2 Kies Aan of Uit. SURROUND-FUNCTIE Deze functie kan een ruimtelijk gevoel creëren. 1 Kies Surround. 2 Kies Aan of Uit. l De surround-functie wordt ingeschakeld. GELUIDSVERDELING Het is ook belangrijk het geluid goed over de aanwezige luidsprekers te verdelen. Stel de geluidsverdeling linksrechts en voor-achter goed af. Houd er rekening mee dat, als u luistert naar een stereoweergave, het wijzigen van de geluidsverdeling links-rechts ervoor zorgt dat de geluidssterkte van één groep van geluiden toeneemt en die van een andere afneemt. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Audio op het scherm Instellingen. 3 Kies het tabblad Klank om het volgende scherm weer te geven. TOON TOONREGELING EN GELUIDS- VERDELING De geluidskwaliteit wordt bepaald door de instellingen van de hoge tonen, het middengebied en de lage tonen. Het is zelfs zo dat verschillende muzieksoorten en praatprogramma's beter klinken door deze instellingen daaraan aan te passen. 260
2. CONFIGURATIE 4 Kies de gewenste schermtoets. RADIO-INSTELLINGEN Schermtoets Hoog + of - Midden + of - Bass + of - Functie Instellen van de hoge tonen. Instellen van de weergave van het middengebied. Instellen van de lage tonen. De radio-instellingen kunnen gedetailleerd worden ingesteld. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Audio op het scherm Instellingen. 3 Kies Radio-instellingen. Voor of Achter L of R 5 Kies OK. Hiermee kunt u de geluidsverdeling tussen de voor- en achterluidsprekers instellen. Hiermee kunt u de geluidsverdeling tussen de luidsprekers links en rechts instellen. INFORMATIE U kunt de toon van iedere modus (zoals AM, FM en CD-speler) instellen. 4 Kies het item dat u wilt instellen en kies vervolgens de schermtoets ernaast om de instelling te wijzigen. 5 AUDIOSYSTEEM 261
2. CONFIGURATIE Nr. Functie De tuner zoekt automatisch een radiozender die regelmatig verkeersinformatie uitzendt en naar die zender wordt overgeschakeld zodra er verkeersinformatie wordt uitgezonden. Als een radiozender is gekozen, wordt automatisch de frequentie gekozen met de beste ontvangst. Om over te schakelen naar een zender binnen het netwerk van regionale zenders. Er wordt automatisch een frequentie gekozen met een betere ontvangst wanneer deze verslechtert. ipod-instellingen De albumhoes-instellingen kunnen gedetailleerd worden ingesteld. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Audio op het scherm Instellingen. 3 Kies ipod-instellingen. 5 Kies OK. 4 Kies Albumhoes weergeven om de gewenste instelling te selecteren. 5 Kies OK. 262
6 SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM 1 2 1 BEDIENING SPRAAK- COMMANDOSYSTEEM 1. SPRAAKCOMMANDO- SYSTEEM...264 STUURWIELTOETSEN VOOR HET SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM... 264 BEDIENING SPRAAKCOMMANDO SYSTEEM... 264 2. LIJST MET SPRAAK- COMMANDO'S...270 3 4 5 6 7 8 9 263
1. BEDIENING SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM 1. SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM Dankzij het spraakcommandosysteem kunt u de navigatie-, audio- en handsfree-systemen bedienen via spraakcommando's. De bedieningsprocedures voor de spraakcommando's op het scherm Snelkoppelingen worden hier uitgelegd. INFORMATIE Commando's die niet worden weergegeven op het scherm Snelkoppelingen kunnen worden gebruikt via het scherm Hoofdmenu. BEDIENING SPRAAKCOM- MANDOSYSTEEM 1 Druk op de spraaktoets. l Nadat het scherm Snelkoppelingen verschenen is, start de stembegeleiding. l De stembegeleiding voor het spraakcommandosysteem kan worden overgeslagen door op de spraaktoets te drukken. 2 Spreek na het piepsignaal het gewenste commando uit. STUURWIELTOETSEN VOOR HET SPRAAKCOMMANDO- SYSTEEM l Spraakcommando's zijn aangegeven met Spraaktoets l Druk op de spraaktoets om het spraakcommandosysteem te starten. l Houd de spraaktoets ingedrukt om de stemherkenning uit te schakelen.. Enkele veelgebruikte commando's worden weergegeven op het scherm. l Met het spraakcommando Volgende pagina of Vorige pagina of door het kiezen van Volgende pag./vorige pag., worden de commando's op de achterliggende pagina weergegeven. l Met het spraakcommando Hoofdmenu of door het kiezen van Hoofdmenu in het scherm Snelkoppelingen, wordt het scherm Hoofdmenu weergegeven. l In plaats van de naast de commando's kunnen geregistreerde POI's, geregistreerde namen in het telefoonboek, enz. uitgesproken worden. (Zie bladzijde 270.) Bijvoorbeeld: Zeg Zoek alle restaurants in de buurt, Bel John, enz. 264
1. BEDIENING SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM l Als u het commando Help geeft, komt de stembegeleiding met voorbeelden van commando's en bedieningsmethoden. 3 Spreek het commando uit dat op het scherm wordt weergegeven. l Als dit niet het gewenste resultaat oplevert of als er geen opties beschikbaar zijn, doe dan het volgende om terug te keren naar het voorgaande scherm. Zeg Ga terug Kies Ga terug l Kies Annuleren of houd de spraaktoets ingedrukt om de stemherkenning uit te schakelen. INFORMATIE Als het navigatiesysteem niet reageert of het bevestigingsscherm niet verschijnt, druk dan op de spraaktoets en probeer het nogmaals. Als een spraakcommando niet binnen 6 seconden herkend wordt, zegt de stembegeleiding Pardon? (Op het scherm verschijnt de melding Commando niet herkend) en de ontvangst van spraakcommando's wordt opnieuw gestart. Als een spraakcommando twee keer achter elkaar niet herkend wordt, zegt de stembegeleiding Pauze. Druk op de spraaktoets om de spraakherkenning te hervatten. Houd de spraaktoets ingedrukt om de stemherkenning uit te schakelen. Hierdoor wordt de spraakherkenning onderbroken. Kies Annuleren of Ga terug. De spraakherkenning prompt kan aan en uit worden gezet door de toets Stem prompts te bedienen. Deze instelling kan ook worden gewijzigd via het scherm Spraakinstellingen. (Zie bladzijde 59.) Als de toets Stem prompts wordt bediend, wordt de spraakherkenning tijdelijk uitgeschakeld. Druk nogmaals op de spraaktoets. De stembegeleiding kan worden uitgeschakeld door de spraakherkennings prompts uit te schakelen. Gebruik deze instelling als u direct na het indrukken van de spraaktoets en het horen van een piepsignaal een spraakcommando wilt geven. 6 SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM 265
1. BEDIENING SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM Type A Type B MICROFOON U hoeft niet direct in de microfoon te spreken wanneer u een commando geeft. INFORMATIE Wacht op het bevestigingspiepsignaal alvorens een commando uit te spreken. Spraakcommando's worden mogelijk niet herkend als: Er te snel wordt gesproken. Er te zacht of te luid wordt gesproken. Het dak of de ruiten zijn geopend. Inzittenden met elkaar aan het praten zijn als het commando wordt gegeven. De airconditioning in een hoge stand staat. De ventilatieroosters op de microfoon zijn gericht. Onder de volgende omstandigheden kan het zijn dat het systeem het commando niet herkent en dat het gebruik van spraakcommando's onmogelijk is: Het commando is onjuist of onduidelijk. Houd er rekening mee dat het systeem moeite kan hebben met het herkennen van bepaalde woorden, accenten of spraakprofielen. Er is veel achtergrondgeluid, zoals windgeruis. 266
1. BEDIENING SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM VOORBEELD SPRAAKCOM- MANDO: ZOEKEN VAN EEN ROUTE NAAR UW HUIS 1 Druk op de spraaktoets. 2 Zeg Naar huis. l Er verschijnt een bevestigingsscherm met de herkende resultaten. 3 Zeg Ja of kies Ja. l Het systeem begint een route naar uw huis te zoeken. l Als het spraakcommando is herkend, wordt de kaart met de omgeving van het thuisadres weergegeven en begint de routebegeleiding naar huis. l Als er geen thuisadres is geregistreerd, zegt de stembegeleiding Uw thuisadres is niet ingesteld.. Probeer het nogmaals na het registreren van uw thuisadres. (Zie bladzijde 109.) VOORBEELD SPRAAKCOM- MANDO: ZOEKEN VAN BE- STEMMING MET BEHULP VAN ADRES Gebruik de officiële taal van het land waarin de bestemming zich bevindt. Het zoeken van een bestemming aan de hand van het adres met behulp van een spraakcommando kan alleen worden uitgevoerd in landen die een van de volgende 6 talen als officiële taal hebben. Nederlands Frans Duits Italiaans Spaans UK Engels Zie EEN TAAL VOOR DE SPRAAK- HERKENNING SELECTEREN op bladzijde 55 voor het wijzigen van de taal voor spraakherkenning. 1 Druk op de spraaktoets. 2 Zeg Adres invoeren. l De landen waarin gezocht kan worden zijn beperkt tot die landen waarin de taal die gesproken wordt een van de talen is die het spraakherkenningsysteem herkent. l Sommige gebieden kunnen niet worden herkend door het spraakherkenningsysteem. 6 SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM 267
1. BEDIENING SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM 3 Zeg <naam stad> of <naam stad en straatnaam>. l Noem de naam van de gewenste stad of de naam van de stad en de straatnaam die bij het geselecteerde land horen op de plaats van de <>. l U hoeft niet eerst de naam van de stad te noemen maar u kunt in één keer de naam van de stad en de straatnaam noemen. l Als in één keer de naam van de stad en de straatnaam genoemd zijn en de straatnaam niet uniek is, selecteert u het juiste nummer in de weergegeven adreslijst. 4 Zeg <straatnaam>. l Noem de volledige straatnaam die bij het geselecteerde land hoort op de plaats van de <>. l Noem de straatnaam als bij stap 3 alleen de naam van de stad is genoemd. l Als de straatnaam niet uniek is, selecteert u het juiste nummer in de weergegeven adreslijst. 5 Zeg <huisnummer>. l Noem het gewenste huisnummer op de plaats van de <>. l Het is ook mogelijk alleen de nummers te noemen. Bijvoorbeeld 1, 2, 3, 4, enz. (Het noemen van hoofdtelwoorden heeft geen effect.) l Het invoeren van huisnummers kan worden overgeslagen. 6 Zeg Invoer. l Er wordt een kaart weergegeven waarop het geselecteerde adres te zien is. Zeg Invoer om het weergegeven punt als bestemming in te stellen. l Als er meerdere punten bestaan, kan het volgende punt worden weergegeven door Volgende te zeggen INFORMATIE Om het land waarin gezocht wordt te wijzigen, zegt u Wijzig land als het scherm wordt weergegeven voor de invoer van de naam van de stad. Hierna verschijnt het scherm waarin het land kan worden ingegeven. De voorwaarden voor het herkennen van huisnummers door het spraakherkenningsysteem staan hieronder: Getallen: 10 cijfers of minder Hoofdtelwoorden worden niet herkend. Getallen worden alleen herkend als de cijfers een voor een worden uitgesproken. 268
1. BEDIENING SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM VOORBEELD SPRAAKCOM- MANDO: ZOEKEN VAN EEN MUZIEKSTUK MET BEHULP VAN ARTIESTENNAAM OF ALBUMNAAM 1 Druk op de spraaktoets. l Artiest afspelen <naam> en Album afspelen <naam> worden weergegeven in het scherm Snelkoppelingen. 2 Zeg Artiest afspelen <naam> of Album afspelen <naam>. l Noem op de plaats van de <> de gewenste artiestennaam of albumnaam. l Er verschijnt een bevestigingsscherm met de herkende resultaten. Als er meerdere passende resultaten worden gevonden, wordt een selectiescherm weergegeven. l Als het commando Artiest afspelen <naam> wordt gebruikt voor het afspelen van muziek, wordt met een willekeurig muziekstuk begonnen. Zie voor andere functies dan het afspelen van muziek het deel AUDIOSYSTEEM in deze handleiding. 3 Zeg Ja of kies Ja. INFORMATIE Om muziekstukken te kunnen zoeken en afspelen, moet een usb-stick of een ipod op het systeem aangesloten zijn. (Zie BEDIENING VAN USB-GEHEU- GEN op bladzijde 229 en BEDIENING VAN ipod op bladzijde 235.) Als er een usb-stick of een ipod wordt aangesloten, worden er herkenningsdata aangemaakt, zodat muziekstukken opgezocht kunnen worden met behulp van spraakcommando's. De herkenningsdata worden bijgewerkt onder de volgende omstandigheden: Als de data op de usb-stick of de ipod gewijzigd zijn. Als de taal voor de spraakherkenning gewijzigd is. (Zie bladzijde 55.) Tijdens het aanmaken of wijzigen van de herkenningsdata kan er niet met een spraakcommando naar een muziekstuk gezocht worden. Als Muziek afspelen gedimd wordt weergegeven in het scherm Snelkoppelingen, kan er geen muziekstuk worden gezocht met een spraakcommando. In dat geval moet het muziekdatabestand op de usb-stick of de ipod worden verkleind en moeten de herkenningsdata worden bijgewerkt om het zoeken met behulp van een spraakcommando weer mogelijk te maken. 6 SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM l Het systeem begint met het afspelen van muziek. 269
1. BEDIENING SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM 2. LIJST MET SPRAAKCOMMANDO'S De herkenbare spraakcommando's en de bijbehorende acties staan hieronder. l Alle commando's staan vermeld in de tabel. l Voor apparaten die niet in de auto gemonteerd zijn, worden de bijbehorende commando's niet op het scherm Snelkoppelingen weergegeven. Ook kunnen, afhankelijk van de omstandigheden, andere commando's niet worden weergegeven in het scherm Snelkoppelingen. l De beschikbare functies zijn afhankelijk van het geplaatste navigatiesysteem. l U kunt de taal voor de spraakherkenning wijzigen. (Zie TAAL SELECTEREN op bladzijde 55.) Bestemming instellen Commando Zoek <POI-categorie> in de buurt Adres invoeren Actie Voor de weergave van een lijst met <POI-categorie> in de buurt van de actuele positie. Voor het invoeren van een bestemming door een adres te noemen. Snelkoppelingen O O Naar huis Voor het weergeven van de route naar huis. O *: Bijvoorbeeld: Alle restaurants, ziekenhuizen, enz. Gebruik telefoon (Zie VIA SPRAAKHERKENNING op bladzijde 163.) Bel <naam> Bel <nummer> Commando Actie Voor het bellen van iemand die in het telefoonboek staat. Bijvoorbeeld: Zeg Bel John Smith, Bel John Smith mobiel, enz. Voor het bellen door het telefoonnummer op te noemen. Bijvoorbeeld: Zeg Bel 0123456789, enz. Snelkoppelingen O O 270
1. BEDIENING SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM Muziek afspelen Commando Artiest afspelen <naam> Album afspelen <naam> Actie Afspelen van muziekstukken van de geselecteerde artiest. Bijvoorbeeld: Zeg Artiest afspelen <XXXXX>* Afspelen van muziekstukken van het geselecteerde album. Bijvoorbeeld: Zeg Album afspelen <XXXXX> Snelkoppelingen O O *: Noem op de plaats van de <> de gewenste artiestennaam of albumnaam. 6 SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM 271
1. BEDIENING SPRAAKCOMMANDOSYSTEEM 272
7 INFORMATIE 1 2 1 INFORMATIEDISPLAY 1. VERKEER...274 VERKEERSINFORMATIE... 274 VERKEERSVOORSPELLINGS- INFORMATIE... 276 PARKEERINFORMATIE... 277 3 4 2 CONFIGURATIE 1. INSTELLINGEN VERKEERS- EN PARKEERINFORMATIE...279 SCHERM VERKEERS- INSTELLINGEN... 279 5 6 7 8 9 273
1. INFORMATIEDISPLAY 1. VERKEER U kunt verkeersinformatie, verkeersvoorspellingsinformatie en parkeerinformatie opvragen. 1 Druk op toets INFO. VERKEERSPROBLEMEN WEERGEVEN De verkeersproblemen in de buurt van de actuele locatie of de cursorpositie kunnen in een lijst worden weergegeven. 1 Druk op toets INFO. 2 Kies Verkeersinformatie. 2 Dit scherm wordt weergegeven. l Op het scherm verschijnt een overzicht van de verkeersinformatie en het land van waaruit deze wordt ontvangen. 3 Kies de gewenste verkeersinformatie. VERKEERSINFORMATIE Dit systeem kan verkeersinformatie ontvangen van RDS-TMC-zenders*, die met de normale FM-signalen of via TPEG-informatie* wordt meegezonden. Met deze informatie kan de bestuurder verkeersopstoppingen vermijden. *: Kan alleen worden gebruikt wanneer er RDS-TMC- of TPEG-informatie (Transport Protocol Experts Group) wordt ontvangen. Afhankelijk van het land of gebied wordt er mogelijk geen RDS- TMC- en TPEG-informatie ontvangen. Huidige weg: voor het weergeven van verkeersproblemen op de weg waarop u zich bevindt. 274
1. INFORMATIEDISPLAY 4 De verkeersinformatie wordt op het scherm weergegeven. SCHERMEN VERKEERSINFOR- MATIE Op de kaart wordt verkeersinformatie zoals files, ongevallen en wegafsluitingen weergegeven. (Zie bladzijde 274 voor het instellen van de verkeersinformatie-iconen op het scherm.) Op de kaart Kies Details voor gedetailleerde informatie over het verkeersprobleem. Op het autosnelwegscherm Kies Kaart om het verkeersprobleem op de kaart weer te geven. 7 INFORMATIE 275
1. INFORMATIEDISPLAY Nr. Naam Functie Verkeersinformatieicoon Verkeersinformatiepijl Indicator verkeersinformatie De iconen worden weergegeven op de kaart. Kies de desbetreffende toets op het scherm om de gewenste informatie te tonen. De verkeersinformatie wordt gegeven in de vorm van pijlen langs de route. De kleur van de pijl staat voor specifieke informatie over de weg. Rood geeft een normale verkeersdoorstroming aan. Oranje geeft files aan. Blauw geeft een wegafsluiting, een ongeval, enz. aan. Deze indicator licht op als er verkeersinformatie ontvangen wordt. VERKEERSVOORSPEL- LINGSINFORMATIE Voor het gebied rond de actuele locatie of de cursorpositie kan er verkeersvoorspellingsinformatie worden opgevraagd. 1 Druk op toets INFO. 2 Kies Verkeersvoorspelling. 3 Schuif de kaart naar het punt waarvoor u verkeersvoorspellingsinformatie wilt weergeven. l De tijd van de verkeersvoorspellingsinformatie kan in stappen van 15 minuten worden weergegeven. + : Ga 15 minuten vooruit in de tijd. - : Ga 15 minuten terug in de tijd. 276
1. INFORMATIEDISPLAY PARKEERINFORMATIE De locatie en de beschikbare plaatsen van parkeerplaatsen kunnen worden opgevraagd. De parkeerplaatsen kunnen ook als bestemming worden ingesteld. 1 Druk op toets INFO. 2 Kies Parkeerinformatie. Nr. Informatie/functie Naam parkeerplaats Afstand vanaf actuele locatie Sorteren Parkeerplaats zoeken 3 Kies de gewenste parkeerplaats. l Het parkeerinformatiescherm wordt weergegeven. Zie PARKEERINFORMATIE op bladzijde 46 voor meer informatie. 7 INFORMATIE 277
1. INFORMATIEDISPLAY SORTEREN 1 Kies Sorteren. PARKEERPLAATS ZOEKEN 1 Kies Zoekgebied. 2 Kies de gewenste sorteercriteria. 2 Kies de locatie waarvandaan u wilt zoeken of het gebied waarbinnen u wilt zoeken. Nr. Functie Sorteren op afstand vanaf de actuele positie. Sorteren van parkeerplaatsen op volgorde van meest beschikbare plaatsen. Sorteren op naam. Nr. Functie Zoeken in de buurt van de actuele locatie. Zoeken in de buurt van de ingestelde bestemming. De straal van het zoekgebied rond de ingestelde locatie kan worden ingesteld. 278
2. CONFIGURATIE 1. INSTELLINGEN VERKEERS- EN PARKEERINFORMATIE Instelmogelijkheden voor de weergave van verkeersinformatie-iconen, te ontvangen verkeerszenders, parkeerinformatie-iconen, enz.) 1 Druk op de toets SETUP. SCHERM VERKEERSINSTEL- LINGEN Verkeersinformatie 2 Kies Info. Parkeerinformatie-icoon 7 3 Kies de onderwerpen die u wilt instellen. INFORMATIE 279
2. CONFIGURATIE l Op dit scherm vindt u de volgende functies. Nr. Functie Voor stembegeleiding bij verkeersinformatie kan Aan of Uit worden geselecteerd. De weergave van het verkeersinformatie-icoon kan worden ingesteld. (Zie VERKEERSINFO TONEN op bladzijde 280.) De functie voor het vermijden van verkeersproblemen kan worden ingesteld op Auto of Handmatig. (Zie VERKEERSPROBLEMEN VER- MIJDEN op bladzijde 281.) Bij het zoeken naar een route kan het zoeken naar een alternatieve route, waarbij werkelijke files, enz. worden vermeden, Aan of Uit worden gezet. Bij het zoeken naar een route kan het zoeken naar een alternatieve route, waarbij voorspelde files, enz. worden vermeden, Aan of Uit worden gezet. U kunt automatisch of handmatig zoeken naar verkeerszenders. (Zie VERKEERSSTATION SE- LECTEREN op bladzijde 282.) De ontvangst van verkeersinformatie kan worden ingesteld op automatisch of op enkel RDS- TMC-verkeersinformatie. (Zie SERVICE VOOR VERKEERS- INFO SELECTEREN op bladzijde 283.) VERKEERSINFO TONEN De weergave van het verkeersinformatie-icoon kan worden ingesteld. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Info op het scherm Instellingen. 3 Kies Verkeer op het scherm Informatie-instellingen. 4 Kies Verkeersinfo tonen. 5 Kies de iconen die u op de kaart wilt weergeven met de desbetreffende toets. Alles aan: Alle iconen in de verkeersinformatie selecteren. Alles uit: Alle geselecteerde iconen wissen. Het weergeven van parkeericonen kan Aan of Uit worden gezet. 280
2. CONFIGURATIE 6 Kies OK. l De geselecteerde iconen worden weergegeven op de kaart. l Zie VERKEERSINFORMATIE op bladzijde 45 voor meer informatie over verkeersinformatie-iconen. VERKEERSPROBLEMEN VERMIJDEN Auto: Het systeem schakelt automatisch over op een nieuwe route. Handmatig: Als het systeem een nieuwe route berekend heeft, wordt gevraagd of u de nieuwe route op het scherm wilt accepteren. 6 Kies OK. Als Handmatig is geselecteerd De functie voor het vermijden van verkeersproblemen kan worden ingesteld op Auto of Handmatig. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Info op het scherm Instellingen. 3 Kies Verkeer op het scherm Informatie-instellingen. 4 Kies Verkeersgebeurtenissen vermijden. l Wanneer het navigatiesysteem een nieuwe route berekend heeft, verschijnt de melding Verkeersinformatie veranderd. Wilt u de alternatieve route zien?. Kies Ja om de nieuwe route weer te geven. 7 INFORMATIE 5 Kies Auto of Handmatig. l Kies Ja om van de actuele route over te schakelen naar de alternatieve route. 281
2. CONFIGURATIE VERKEERSSTATION SELECTEREN 6 Kies de gewenste verkeerszender. Als Handmatig is geselecteerd, moet er naar verkeerszenders worden gezocht voordat u deze in het geheugen kunt opslaan. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Info op het scherm Instellingen. 3 Kies Verkeer op het scherm Informatie-instellingen. 7 Kies OK. l Kies Zoeken om nogmaals naar verkeerszenders te zoeken. 4 Kies FM verkeerszender. 5 Kies Handmatig. l Op het scherm Verkeerszender selecteren verschijnt een overzicht van de verkeerszenders en het land waarin deze kunnen worden ontvangen. 282
2. CONFIGURATIE SERVICE VOOR VERKEERSINFO SELECTEREN De ontvangst van verkeersinformatie kan worden ingesteld op automatisch of op enkel RDS-TMC-verkeersinformatie. 1 Druk op de toets SETUP. 2 Kies Info op het scherm Instellingen. 3 Kies Verkeer op het scherm Informatie-instellingen. 4 Kies Service voor verkeersinfo selecteren. 7 5 Kies Auto of Alleen TMC. INFORMATIE Auto: De RDS-TMC- of TPEG-informatie wordt automatisch gerangschikt en ontvangen. Wanneer beide worden ontvangen, krijgt de TPEG-informatie voorrang. Alleen TMC: Er wordt alleen RDS-TMCinformatie ontvangen. 6 Kies OK. 283
2. CONFIGURATIE 284
8 EXTRA DIENSTEN 1 2 1 EXTRA DIENSTEN 1. OVERZICHT EXTRA DIENSTEN...286 VÓÓR GEBRUIK VAN EXTRA DIENSTEN... 288 2. VEREISTE INSTELLINGEN VOOR GEBRUIK VAN DE DIENSTEN...289 EEN ACCOUNT VOOR DE PORTALSITE AANMAKEN... 289 EEN Bluetooth DUN-COMPATIBELE TELEFOON INSTELLEN... 290 INSTELLEN VAN EEN BLUETOOTH DUN-PROFIEL... 292 3. GEBRUIK VAN EXTRA DIENSTEN...295 ONLINE ZOEKEN... 295 IMPORTEREN VAN GEHEUGENPUNTEN... 299 3 4 5 6 7 8 9 2 CONFIGURATIE 1. INSTELLINGEN ONLINE ZOEKEN...304 SCHERMEN INSTELLINGEN ONLINE ZOEKEN... 304 285
1. EXTRA DIENSTEN 1. OVERZICHT EXTRA DIENSTEN De volgende diensten zijn beschikbaar wanneer u met een mobiele telefoon het navigatiesysteem via internet verbindt met de portalsite van Toyota. l Online zoeken: Nieuwe etablissementen, zoals restaurants, bars, enz., die niet in het navigatiesysteem zijn geregistreerd, kunnen als bestemming worden ingesteld. l Geheugenpunten importeren: Etablissementen die met behulp van een computer zijn gevonden, kunnen als bestemming worden ingesteld en worden opgeslagen als geheugenpunten. Online zoeken Nr. Naam Bediening Navigatie Toyota Voer een trefwoord in. Het trefwoord wordt naar de zoekmachine verzonden, de resultaten worden ontvangen en vervolgens naar het navigatiesysteem gestuurd. 286
1. EXTRA DIENSTEN Geheugenpunten importeren: Downloaden via een mobiele telefoon Geheugenpunten importeren: Downloaden van een USB-geheugen Nr. Naam Bediening Uw pc en de portalsite van Toyota* Toyota Ga naar de portalsite en zoek POI's. De POI's worden bij Toyota opgeslagen. 8 USB-geheugen Navigatie De POI's worden op een USB-geheugen opgeslagen. De POI's worden via internet gedownload naar het navigatiesysteem. De POI's worden via het USB-geheugen gedownload naar het navigatiesysteem. *: Raadpleeg www.my.toyota.eu voor meer informatie over de portalsite van Toyota. EXTRA DIENSTEN 287
1. EXTRA DIENSTEN VÓÓR GEBRUIK VAN EXTRA DIENSTEN l Om deze dienst te kunnen gebruiken zijn een Bluetooth DUN-compatibele mobiele telefoon met voldoende netwerkbereik en een SIM-kaart met een contract waarmee toegang tot internet mogelijk is vereist. l Voordat u de extra diensten gaat gebruiken, moet u eerst met een pc naar de portalsite van Toyota gaan en een account aanmaken. Bij het aanmaken van een account is een 'identificatie van het navigatiesysteem' vereist. (Zie blz. 289 voor meer informatie over het controleren van de IDENTIFICATIECODE VAN HET NAVI- GATIESYSTEEM.) l Mogelijk zijn er aan het gebruik van de extra diensten extra kosten verbonden, afhankelijk van uw telefoonabonnement. l Wanneer uw mobiele telefoon niet via het netwerk van uw eigen telefoonaanbieder werkt, zullen de kosten hoger zijn. INFORMATIE Dit systeem ondersteunt de volgende specificaties: Bluetooth Specificatie Versie 1.1 of hoger (Aanbevolen: Versie 2.1 + EDR of hoger) Profielen HFP (Handsfree Profiel) Versie 1.0 of hoger (Aanbevolen: Versie 1.5 of hoger) OPP (Object Push Profile) Versie 1.1 of hoger PBAP (Profiel voor toegang tot telefoonboek) Versie 1.0 of hoger DUN (netwerkinbelprofiel) Versie 1.1 of hoger Als uw mobiele telefoon geen HFP ondersteunt, kunt u deze niet als Bluetooth DUN-compatibele telefoon registreren en kunt u geen gebruik maken van DUN-, OPP- of PBAP-profielen. Als de versie van de aangesloten Bluetooth DUN-compatibele telefoon ouder is dan aanbevolen of incompatibel is, kan deze functie mogelijk niet worden gebruikt. Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 288
1. EXTRA DIENSTEN 2. VEREISTE INSTELLINGEN VOOR GEBRUIK VAN DE DIENSTEN EEN ACCOUNT VOOR DE PORTALSITE AANMAKEN Voordat u de extra diensten kunt gebruiken, moet u eerst met een pc naar de portalsite van Toyota (www.my.toyota.eu) gaan en een account aanmaken. Een 'identificatiecode van het navigatiesysteem' is vereist bij het aanmaken van een account. Controleer de identificatie voordat u naar de portalsite van Toyota gaat. 3 Kies Online zoeken. 4 De 'Identificatie voor navigatie' wordt onder aan de tweede bladzijde van het scherm Instellingen online zoeken weergegeven. IDENTIFICATIE NAVIGATIE- SYSTEEM CONTROLEREN 1 Druk op toets SETUP. 8 2 Kies Navigatie. EXTRA DIENSTEN 289
1. EXTRA DIENSTEN EEN Bluetooth DUN- COMPATIBELE TELEFOON INSTELLEN Voordat u het Bluetooth DUN-profiel kunt instellen, moet er een Bluetooth DUN-compatibele telefoon worden geregistreerd in het systeem in de auto. Hieronder wordt uitgelegd hoe u een mobiele telefoon registreert. l Wanneer er reeds 5 Bluetooth -toestellen zijn geregistreerd, moet er een geregistreerd toestel worden gewist. Raadpleeg Wanneer reeds 5 Bluetooth -toestellen zijn geregistreerd op bladzijde 291. 5 Voer, als dit scherm wordt weergegeven, de op het scherm weergegeven toegangscode in op het Bluetooth - toestel. 1 Druk op toets SETUP. 2 Kies Bluetooth*. 3 Kies Geregistreerde toestellen. 4 Kies Nieuw toevoegen. l Raadpleeg de meegeleverde handleiding voor meer informatie over het invoeren van de wachtwoordcode in het Bluetooth -toestel. l Bij Bluetooth -toestellen die SSP-compatibel (Secure Simple Pairing) zijn is geen toegangscode nodig. Afhankelijk van het type Bluetooth DUN-compatibele telefoon dat wordt aangesloten, wordt er mogelijk een registratiebevestiging weergegeven op het scherm Bluetooth* verbinden. Bedien de Bluetooth DUNcompatibele telefoon overeenkomstig het bevestigingsmelding. l Om het registreren te annuleren kiest u Annuleren. *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 290
1. EXTRA DIENSTEN 6 Dit scherm wordt weergegeven wanneer er verbinding is gemaakt. Wanneer er verbinding is met een ander Bluetooth -toestel l Wanneer u dezelfde telefoon wilt gebruiken is het niet nodig deze nogmaals te registreren. Wanneer dit scherm verschijnt, volgt u de aanwijzingen op het scherm om het opnieuw te proberen. l Wanneer er verbinding is met een ander Bluetooth -toestel, verschijnt dit scherm. l Om het Bluetooth -toestel los te koppelen kiest u Ja. Wanneer er reeds 5 Bluetooth -toestellen zijn geregistreerd 1 Wanneer er reeds 5 Bluetooth -toestellen zijn geregistreerd, moet er een geregistreerd toestel worden gewist. Kies Ja om een of meerdere toestellen te verwijderen. 2 Kies het apparaat dat u wilt wissen en kies Verwijderen. 3 Kies Ja. 8 EXTRA DIENSTEN 291
1. EXTRA DIENSTEN INSTELLEN VAN EEN BLUETOOTH DUN-PROFIEL 4 Kies Ja wanneer u al een portalaccount heeft aangemaakt. Na het aanmaken van een account op de portalsite van Toyota moet er middels Bluetooth DUN verbinding worden gemaakt tussen de telefoon en de navigatie-unit. 1 Druk op toets SETUP. 2 Kies Bluetooth*. l Wanneer er nog geen portalaccount is aangemaakt, kies dan Nee, waarna de volgende melding wordt weergegeven. 3 Kies Communicatie-instellingen. l Een portalaccount is een account voor de website die Toyota voor haar klanten heeft gemaakt. 5 Kies Land. *: Bluetooth is een geregistreerd handelsmerk van Bluetooth SIG, Inc. 292
1. EXTRA DIENSTEN 6 Kies de juiste schermknop om het land van uw mobiele-netwerkprovider te selecteren en kies OK. l Het vorige scherm wordt weergegeven. 7 Kies Provider op het scherm Communicatie-instellingen. 8 Selecteer uw mobiele-netwerkprovider. l Voor het uitvoeren van een communicatietest verschijnt er een bevestigingsscherm op basis van de instellingen voor online zoeken. (Zie blz. 304 voor meer informatie over de INSTELLIN- GEN ONLINE ZOEKEN.) l Wanneer u met een mobiele telefoon naar de portalsite van Toyota gaat, moet u uw gebruikersnaam en wachtwoord invullen. (Zie blz. 294 voor meer informatie over het invoeren van een gebruikersnaam en wachtwoord.) 10Wanneer er succesvol verbinding is gemaakt met de mobiele telefoon, verschijnt er Succesvolle dataverbinding op het scherm. De functie online zoeken en geheugenpunten importeren is nu beschikbaar. 9 Kies OK op het scherm Communicatie-instellingen. l Wanneer voor land en/of mobiele-netwerkprovider Andere is geselecteerd, wordt het scherm Detailinstellingen weergegeven. (Zie blz. 294 voor meer informatie over de Detailinstellingen.) l Het systeem stelt automatisch de details van de mobiele-netwerkprovider in en voert een communicatietest uit. l Wanneer het instellen niet automatisch kan worden uitgevoerd, wordt het scherm Detailinstellingen weergegeven. (Zie blz. 294 voor meer informatie over de Detailinstellingen.) 8 EXTRA DIENSTEN 293
1. EXTRA DIENSTEN SCHERM Detailinstellingen Wanneer in het navigatiesysteem geen informatie over het land of de geselecteerde mobiele-netwerkprovider is ingesteld, of wanneer u Andere heeft ingesteld bij het land of de mobiele-netwerkprovider, verschijnt het scherm Detailinstellingen. Neem contact op met uw mobiele-netwerkprovider voor de contractinformatie die moet worden ingevoerd op het scherm Detailinstellingen. INVOEREN VAN GEBRUIKERS- NAAM EN WACHTWOORD VAN DE PORTALSITE 1 Kies Gebruikersnaam en voer de naam in. 2 Kies Wachtwoord en voer het wachtwoord in. 3 Kies OK. l Voer Gebruikersnaam (voor APN), Wachtwoord (voor APN), APN, DNS1, DNS2, Bel nummer en Script in. l Wanneer u slechts één DNS heeft, voer deze dan in bij DNS 1. l Wanneer u bij Script meer dan een item wilt invoeren, scheid deze items dan met een puntkomma (;). 294
1. EXTRA DIENSTEN 3. GEBRUIK VAN EXTRA DIENSTEN ONLINE ZOEKEN Nieuwe etablissementen, zoals restaurants, bars, enz., die niet in het navigatiesysteem zijn geregistreerd, kunnen als bestemming worden ingesteld. Om online te kunnen zoeken moet de mobiele telefoon geregistreerd zijn. (Zie blz. 290 voor het registreren van een mobiele telefoon.) 1 Druk op toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 3 Kies Online zoeken. 4 Voer een trefwoord in of selecteer een locatie. Scherm Toets/icoon Functie 2 Kies Bestemming. Wat Voer om een bestemming in te voeren een trefwoord in zoals de naam van het etablissement of de winkel. 8 Waar Verklein het zoekbereik door een adres in te voeren, eerdere bestemmingen te doorzoeken, de kaart in te stellen of opgeslagen bestemmingen te doorzoeken. Er kan worden gezocht door alleen de zoekgeschiedenis te gebruiken. (Zie bladzijde 298.) EXTRA DIENSTEN Kies deze schermtoets om in de omgeving van de actuele locatie te zoeken en kies Zoeken. 295
1. EXTRA DIENSTEN 5 Kies Zoeken. 6 Kies het gewenste punt uit de weergegeven lijst. 7 Hierna verschijnt op het scherm informatie als de naam, het adres, de locatie en het telefoonnummer van het etablissement. l Bij het online zoeken worden maximaal 20 items weergegeven. l Wanneer een karakter wordt ingevoerd dat niet wordt ondersteund door het navigatiesysteem, wordt er een lege lijst weergegeven. l In de lijst met zoekresultaten verschijnt mogelijk een advertentiescherm. Vorige: Naar de vorige pagina. Volgende: Naar de volgende pagina met zoekresultaten, indien van toepassing. Wanneer er geen resultaten meer zijn, wordt het volgende scherm weergegeven. 8 Kies Invoer. l Als er al een bestemming is ingevoerd, worden Toevoegen en Vervangen weergegeven. Toevoegen : Voeg een bestemming toe. Vervangen : Wis de ingestelde bestemmingen en stel een nieuwe bestemming in. l Als u kiest, kunt u het vastgelegde telefoonnummer bellen. Detail: Geef meer informatie over het etablissement. Meer downloaden: Hiermee kunt u tot 20 nieuwe items zoeken. Opnieuw zoeken: Voer een nieuwe zoekopdracht uit. 9 Het navigatiesysteem gaat op zoek naar de route. (Zie STARTEN VAN ROUTEBEGELEIDING op bladzijde 85.) 296
1. EXTRA DIENSTEN INFORMATIE Wanneer u via Online zoeken een etablissement heeft gevonden en dit een keer als bestemming heeft ingesteld, kan het als geheugenpunt worden opgeslagen. Zie VASTLEGGEN VAN GEHEUGENPUNTEN op bladzijde 114 voor meer informatie over het opslaan van geheugenpunten. SELECTEREN VAN EEN ONLINE ZOEKGEBIED 1 Kies Waar Nr. INVOEREN VAN EEN ADRES 1 Kies Adres. Functie Voer een adres in Selecteer een eerdere bestemming Stel de kaart in Zoeken vanaf opgeslagen bestemmingen. 2 Voer de straatnaam of plaatsnaam in. (Zie voor meer informatie blz. 69.) 2 Dit scherm wordt weergegeven. 3 Kies een van de pijlen om de kaart in de desbetreffende richting te verplaatsen. 8 EXTRA DIENSTEN 4 Kies Invoer. l Het zoekpunt is nu ingesteld en het scherm Online zoeken verschijnt. 297
1. EXTRA DIENSTEN SELECTEREN VAN VORIGE BESTEMMINGEN 1 Kies Vorige bestemmingen. ZOEKEN VANAF OPGESLA- GEN BESTEMMINGEN 1 Kies de gewenste bestemming. 2 Kies de schermtoets van de gewenste bestemming. l Het zoekpunt is nu ingesteld en het scherm Online zoeken verschijnt. l Het zoekpunt is nu ingesteld en het scherm Online zoeken verschijnt. INSTELLEN VAN KAARTINSTEL- LINGEN SELECTEREN VAN EEN VORIG ZOEKPUNT 1 Kies. 1 Kies Kaart. 2 Kies een van de pijlen om de kaart in de desbetreffende richting te verplaatsen. 2 Kies de schermtoets van de gewenste zoekpunt. 3 Kies OK. l Het zoekpunt is nu ingesteld en het scherm Online zoeken verschijnt. l Het zoekpunt is nu ingesteld en het scherm Online zoeken verschijnt. 298
1. EXTRA DIENSTEN VERWIJDEREN VAN VORIGE ZOEKPUNTEN Het vorige zoekpunt kan worden verwijderd. 1 Kies Wissen. 2 Selecteer de gewenste vorige punten en kies Wissen. Alles selecteren: Selecteer alle vorige punten in het systeem. Alles deselecteren: Annuleer alle geselecteerde punten. 3 Om het punt te wissen, kiest u Ja. Om het wissen te annuleren, kiest u Nee. IMPORTEREN VAN GEHEU- GENPUNTEN POI's die u heeft gevonden via de portalsite van Toyota kunnen worden gedownload naar het navigatiesysteem en worden ingesteld als bestemming of worden opgeslagen als geheugenpunten. Er zijn 2 methodes voor het downloaden van POI's naar het navigatiesysteem: (a)na het opslaan van de POI's bij Toyota kunnen ze worden gedownload via uw Bluetooth -telefoon. (b)download de POI's naar een USBgeheugen na het opslaan van de POI's bij Toyota. De POI's kan vervolgens worden gedownload van het USB-geheugen. Beide procedures voor het downloaden van POI's naar het navigatiesysteem worden in de auto uitgevoerd. Ga voor meer informatie over het zoeken naar POI's op de portalsite en het downloaden van POI's naar een USBgeheugen naar www.my.toyota.eu. 8 EXTRA DIENSTEN 299
1. EXTRA DIENSTEN DOWNLOADEN VIA EEN MOBIELE TELEFOON 4 Kies Externe punten. Hieronder wordt uitgelegd hoe u een bestemming kunt instellen en geheugenpunten kunt downloaden in het navigatiesysteem na het zoeken naar POI's op de portalsite. INSTELLEN VAN EEN EXTERN PUNT ALS BESTEMMING Voor toegang tot de portalsite via internet moet de mobiele telefoon geregistreerd zijn in het navigatiesysteem. (Zie 290 voor meer informatie over het registreren van een mobiele telefoon.) l Als de externe punten succesvol zijn gedownload, verschijnt er Geheugenpunten opgeslagen. op het scherm. 5 Kies de schermtoets van het gewenste geheugenpunt. 1 Druk op toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Bestemming op het scherm Menu. 3 Kies Geheugen. l Op het scherm verschijnt de kaart met de geselecteerde bestemming en de voorkeursroute. (Zie STARTEN VAN ROUTE- BEGELEIDING op bladzijde 85.) 300
1. EXTRA DIENSTEN INFORMATIE Wanneer het downloaden is voltooid, worden de geheugenpunten die zin opgeslagen op de portalsite van Toyota automatisch gewist. Wanneer Automatisch geheugenpunt downloaden staat ingesteld op Ja, worden de externe punten automatisch gedownload. (Zie bladzijde 304.) Wanneer u naar een scherm van een geheugenpunt gaat voordat het automatisch downloaden van het geheugenpunt begint, wordt het automatisch downloaden van het geheugenpunt geannuleerd. Als er geheugenpunten worden opgeslagen die dezelfde naam hebben als reeds opgeslagen geheugenpunten, dan worden deze mogelijk niet door het systeem bijgewerkt. INSTELLEN VAN EEN EXTERN PUNT ALS GEHEUGENPUNT Voor toegang tot de portalsite via internet moet de mobiele telefoon geregistreerd zijn in het navigatiesysteem. (Zie 290 voor meer informatie over het registreren van een mobiele telefoon.) 3 Kies Geheugenpunten. 4 Kies Externe punten. l Als de externe punten succesvol zijn gedownload, verschijnt er Geheugenpunten succesvol gedownload. op het scherm. l Zie WIJZIGEN VAN GEHEUGENPUN- TEN op bladzijde 115 voor het bewerken van de opgeslagen informatie. 8 1 Druk op toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 2 Kies Geheugenpunt. EXTRA DIENSTEN 301
1. EXTRA DIENSTEN INFORMATIE Wanneer het downloaden is voltooid, worden de geheugenpunten die zijn opgeslagen op de portalsite van Toyota automatisch gewist. Wanneer Automatisch geheugenpunt downloaden staat ingesteld op Ja, worden de externe punten automatisch gedownload. (Zie bladzijde 304.) Wanneer u naar een scherm van een geheugenpunt gaat voordat het automatisch downloaden van het geheugenpunt begint, wordt het automatisch downloaden van het geheugenpunt geannuleerd. Als er geheugenpunten worden opgeslagen die dezelfde naam hebben als reeds opgeslagen geheugenpunten, dan worden deze mogelijk niet door het systeem bijgewerkt. PROCEDURE VOOR HET DOWNWLOADEN VAN GEHEU- GENPUNTEN VAN EEN USB- GEHEUGEN 1 Open het consolevak. 2 Open het klepje en sluit het USB-geheugen aan. l Als het USB-geheugen niet is ingeschakeld, schakel dit dan alsnog in. 3 Sluit het consolevak. 4 Druk op toets NAV, en kies Menu als het kaartscherm wordt weergegeven. 5 Kies Geheugen op het scherm Menu. 302
1. EXTRA DIENSTEN 6 Kies Kopie van USB. l Als er een wachtwoord is ingesteld, voer dit dan in. Zie blz. 127 voor instructies voor het instellen van een wachtwoord. l Wanneer er meerdere geheugenpunten zijn opgeslagen op het USB-geheugen, worden de volgende opties weergegeven. l Selecteer de geheugenpunten die u wilt registreren en kies Start. 7 Wanneer het kopiëren vanaf een USBgeheugen is begonnen, verschijnt het volgende scherm. INFORMATIE Geheugenpunten buiten het gegevensbereik van de kaart kunnen niet worden geregistreerd. Er kunnen maximaal 500 geheugenpunten worden opgeslagen. Wanneer er 21 of meer geheugenpunten zijn opgeslagen op een USB-geheugen, worden er slechts 20 geheugenpunten gelijktijdig weergegeven. Geheugenpunten die worden gekopieerd vanaf een USB-geheugen worden van het USB-geheugen gewist. Geheugenpunten die u via de portalsite vindt, kunnen alleen op dat moment worden geregistreerd in het geregistreerde navigatiesysteem. In sommige gevallen kunnen er mogelijk geen geheugenpunten worden geïmporteerd. In dat geval wordt er Toestel IDfout weergegeven. Als er geheugenpunten worden opgeslagen die dezelfde naam hebben als reeds opgeslagen geheugenpunten, dan worden deze mogelijk niet door het systeem bijgewerkt. 8 EXTRA DIENSTEN l Kies Annuleren om te annuleren. l Wanneer het registreren is voltooid, verschijnt het scherm Geheugenpunt weer. 303
2. CONFIGURATIE 1. INSTELLINGEN ONLINE ZOEKEN De volgende geavanceerde instellingen voor online zoeken kunnen worden ingesteld. 4 Kies de onderwerpen die u wilt instellen. 1 Druk op toets SETUP. 5 Kies Opslaan. 2 Kies Navigatie. SCHERMEN INSTELLINGEN ONLINE ZOEKEN 3 Kies Online zoeken. l Op dit scherm kunt u de volgende handelingen uitvoeren: 304
2. CONFIGURATIE Nr. Functie Nr. Functie Het synchroniseren van de navigatiesysteeminstellingen Waarschuwing kosten, Automatisch geheugenpunt downloaden, Waarschuwing roaming en Wachtwoord opslaan kan in of uit worden geschakeld door Ja of Nee te selecteren. De weergave van het kostenwaarschuwingsscherm tijdens het verbinden kan worden in of uitgeschakeld door Ja of Nee te selecteren. Het automatisch downloaden van POI's bij het opstarten van het navigatiesysteem kan worden in of uitgeschakeld door Ja of Nee te selecteren. Voor het automatisch downloaden van POI's moet het automatisch verbinden van uw mobiele telefoon zijn ingeschakeld. Wanneer verbinding wordt gemaakt in een roaming-gebied, kan de weergave van de roamingwaarschuwing worden in- of uitgeschakeld door Ja of Nee te selecteren. Bij het verbinding maken met de portalsite kunnen de vereiste gebruikersnaam en het wachtwoord worden opgeslagen door Ja of Nee te selecteren. Wanneer Ja wordt geselecteerd, is het voortaan niet meer nodig de gebruikersnaam en het wachtwoord in te voeren wanneer u de portalsite bezoekt. Selecteer de gewenste zoekmachine. (Zie ZOEKMACHINE SE- LECTEREN op bladzijde 305.) Wis de online zoekgeschiedenis. (Zie ZOEKGESCHIEDENIS WISSEN op bladzijde 306.) Wanneer een andere gebruiker gebruik maakt van het navigatiesysteem, kunnen de gebruikersnaam en het wachtwoord worden gewijzigd. (Zie GEBRUIKERS- NAAM EN WACHTWOORD WIJZIGEN op bladzijde 307.) Wis uw gebruikersnaam en wachtwoord van de portalsite uit het navigatiesysteem. (Zie GE- BRUIKERSNAAM EN WACHT- WOORD WISSEN op bladzijde 307.) l Kies Standaard om alle in te stellen items te resetten. ZOEKMACHINE SELECTEREN U kunt de door u gewenste zoekmachine instellen. Voordat u een nieuwe zoekmachine kunt gebruiken, dient u de gebruiksvoorwaarden op de portalsite van Toyota te lezen en te accepteren. Afhankelijk van de omstandigheden kunnen bepaalde zoekmachines niet worden geselecteerd. 1 Druk op toets SETUP. 2 Kies Navigatie op het scherm Instellingen. 8 EXTRA DIENSTEN 305
2. CONFIGURATIE 3 Kies Online zoeken op het scherm Navigatie-instellingen. 4 Kies Zoekmachine selecteren. ZOEKGESCHIEDENIS WISSEN De zoekgeschiedenis kan gewist worden. 1 Druk op toets SETUP. 2 Kies Navigatie op het scherm Instellingen. 3 Kies Online zoeken op het scherm Navigatie-instellingen. 5 Kies de gewenste zoekmachine. 4 Kies Zoekgeschiedenis wissen. 6 Kies Opslaan. 5 Kies Ja om de zoekopdracht(en) te wissen en kies Nee om het wissen te annuleren. 306
2. CONFIGURATIE GEBRUIKERSNAAM EN WACHTWOORD WIJZIGEN De gebruikersnaam en het wachtwoord kunnen worden gewijzigd. 1 Druk op toets SETUP. 2 Kies Navigatie op het scherm Instellingen. 3 Kies Online zoeken op het scherm Navigatie-instellingen. 4 Kies Gebruikersnaam en wachtwoord wijzigen. GEBRUIKERSNAAM EN WACHTWOORD WISSEN De ingestelde gebruikersnaam en wachtwoord kunnen worden gewist. 1 Druk op toets SETUP. 2 Kies Navigatie op het scherm Instellingen. 3 Kies Online zoeken op het scherm Navigatie-instellingen. 4 Kies Gebruikersnaam en wachtwoord wissen. Er verschijnt een bevestigingsscherm. 5 Voer de gewenste gebruikersnaam en wachtwoord in. 5 Kies Ja om het wachtwoord te wissen en kies Nee om het wissen te annuleren. 8 6 Kies OK. l Het systeem maakt verbinding met Toyota om de nieuwe gebruikersnaam en wachtwoord toe te passen op het navigatiesysteem. EXTRA DIENSTEN 307
2. CONFIGURATIE 308
9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM 1 1 INTELLIGENT PARKING ASSIST 1. INLEIDING... 310 INTELLIGENT PARKING ASSIST... 310 PRE-SUPPORT-SCHAKELAAR... 311 2. PARKEERMANOEUVRES... 312 PARKEERMANOEUVRES... 312 3. MODUS AUTOMATISCH INPARKEREN (ACHTERUIT INPARKEREN)... 318 MODUS AUTOMATISCH INPARKEREN (ACHTERUIT INPARKEREN)... 318 PRE-SUPPORT-FUNCTIE... 318 Snelinstelfunctie... 319 WERKINGSPROCEDURE... 321 TIPS VOOR HET INSTELLEN VAN DE BEOOGDE PARKEERPOSITIE... 329 4. MODUS FILEPARKEREN... 332 MODUS FILEPARKEREN... 332 PRE-SUPPORT-FUNCTIE... 332 WERKINGSPROCEDURE... 333 TIPS VOOR HET INSTELLEN VAN DE BEOOGDE PARKEERPOSITIE... 340 5. WAT TE DOEN ALS DIT SOORT MELDINGEN WORDT WEERGEGEVEN?...343 WAT TE DOEN ALS DIT SOORT MELDINGEN WORDT WEERGEGEVEN?... 343 WANNEER HET KADER IN DE ONDERSTEUNINGSMODUS IN ROOD WORDT WEERGEGEVEN... 348 6. MODUS WEERGAVE RIJLIJNEN VOOR NIET-AUTOMATISCH INPARKEREN...349 VOORBEELD VAN GEBRUIK VAN HET SYSTEEM VOOR PARKEREN (ACHTERUIT INPARKEREN)... 349 VOORBEELD VAN GEBRUIK VAN HET SYSTEEM VOOR FILEPARKEREN... 354 7. VOORZORGSMAATREGELEN VOOR GEBRUIK...355 VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET RIJDEN... 355 GEBIED DAT OP HET SCHERM WORDT WEERGEGEVEN... 356 DE INTELLIGENT PARKING ASSIST-CAMERA... 358 VERSCHILLEN TUSSEN DE SCHERMWEERGAVE EN DE WERKELIJKE WEG... 359 WANNEER ER EEN DRIEDIMENSIONAAL OBJECT IN DE BUURT IS... 361 SENSOR... 362 HET SYSTEEM INITIALISEREN... 364 309 2 3 4 5 6 7 8 9
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST 1. INLEIDING INTELLIGENT PARKING ASSIST De Intelligent Parking Assist helpt u bij het achteruit inparkeren met behulp van rijlijnen die worden weergegeven op een beeld van wat er achter de auto te zien is en door de positie van het stuurwiel bij het achteruitrijden zo te regelen dat de auto in de op het scherm weergegeven positie geparkeerd kan worden. Het systeem schakelt niet automatisch de achteruit in en regelt ook niet de snelheid waarmee wordt achteruitgereden. l Omdat het systeem alleen helpt bij het inparkeren op een van tevoren bepaalde positie, kan het voorkomen dat het systeem niet altijd juist werkt. Een juiste werking is afhankelijk van factoren als de conditie van de weg en de auto en van de afstand tot de beoogde parkeerpositie. TAAL SELECTEREN Zie TAAL SELECTEREN op bladzijde 55 voor de procedure met betrekking tot het selecteren van een taal. Wanneer u een taal hebt geselecteerd, zal de Intelligent Parking Assist in die taal aanwijzingen geven totdat u een andere taal selecteert. De Intelligent Parking Assist is geen automatisch parkeersysteem. Het is een systeem dat u helpt bij het achteruit inparkeren. WAARSCHUWING Controleer bij het achteruitrijden altijd de omgeving van de auto en rijd langzaam achteruit, waarbij u de snelheid regelt door het rempedaal in te trappen. Als het erop lijkt dat u een auto, een obstakel of een persoon gaat raken, trap dan het rempedaal in om de auto tot stilstand te brengen en schakel het systeem uit door aan te raken op het scherm. Afhankelijk van de eigenschappen van de cameralens kan de afstand of de positie van mensen of obstakels die op het scherm getoond worden, afwijken van de actuele situatie. 310
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST PRE-SUPPORT- SCHAKELAAR Met deze schakelaar kunt u de Pre- Support-functie in- en uitschakelen en tussen de stand fileparkeren en de stand achteruit inparkeren schakelen. l De weergave op het scherm wijzigt als volgt wanneer de Pre-Support-schakelaar wordt ingedrukt terwijl het contact AAN staat, de rijsnelheid lager dan 15 km/h is en de selectiehendel in een andere stand dan P of R staat: Pre-Support-functie UIT (navigatiescherm, enz.) Pre-Support-scherm stand fileparkeren Pre-Support-scherm stand achteruit inparkeren Pre-Support-functie UIT (navigatiescherm, enz.) l Als de Pre-Support-functie niet gebruikt kan worden, klinker er twee piepsignalen. 311 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST 2. PARKEERMANOEUVRES PARKEERMANOEUVRES De gegeven instructies zijn slechts voorbeelden. Wanneer en in welke mate er bij het parkeren aan het stuurwiel moet worden gedraaid, is afhankelijk van de verkeerssituatie, het wegdek, de staat van de auto, enz. Houd hier rekening mee wanneer u gebruik maakt van de Intelligent Parking Assist. Controleer voordat u de auto parkeert tevens of er voldoende parkeerruimte is voor uw auto. INSCHAKELEN VAN DE INTEL- LIGENT PARKING ASSIST 1 Zet om de Intelligent Park Assist te activeren de selectiehendel in stand R wanneer het contact AAN staat en de achterklep volledig is gesloten. l Als u de selectiehendel in een andere stand dan R zet, wordt op het display het vorige scherm weergegeven. Het kiezen van een andere functie van het navigatiesysteem resulteert in de weergave van weer een ander scherm. l Zelfs als de selectiehendel in stand R staat, kunt u een andere functiemodus selecteren, zoals de navigatie- of de audiomodus. WAARSCHUWING De positie van de rijlijnen op het scherm kan afhankelijk van de omstandigheden waarin de auto zich bevindt (aantal passagiers, hoeveelheid bagage, enz.) variëren. Controleer voordat u gaat parkeren eerst de omgeving van de auto en kijk ook in de spiegels. 312
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST Nr. Functie Toets Selecteren Met deze toets kunt u overschakelen tussen de Parking Assist-functie en de functie weergave van de parkeerrijlijnen. De geselecteerde functie blijft ingeschakeld zelfs als het hybridesysteem wordt uitgeschakeld en vervolgens weer wordt ingeschakeld. De Parking Assist-functie helpt de bestuurder bij het inparkeren door automatisch het stuurwiel te regelen bij het achteruitrijden om de auto op de beoogde positie, die op het scherm is ingesteld, te kunnen parkeren. De functie weergave van de parkeerrijlijnen biedt de bestuurder hulp bij het achteruitrijden door beelden weer te geven van wat er zich achter de auto bevindt. Als de Parking Assist-functie is geselecteerd, wordt de selectietoets verlicht. Camera-oriëntatielijnen Als de rand van de bumper die wordt weergegeven op het scherm niet overeenkomt met de camera-oriëntatielijnen, dan is de camera mogelijk niet goed uitgelijnd. Laat de auto controleren door een Toyota-dealer of erkende reparateur. STANDEN VAN DE PARKING ASSIST-FUNCTIE De Parking Assist-functie heeft een stand automatisch inparkeren en een stand fileparkeren. Gebruik elke stand al naar gelang uw behoefte. Op het scherm worden de rijlijnen weergegeven. Nr. Functie Toets Selecteren Met deze toets kunt u overschakelen tussen de Parking Assist-functie en de functie weergave van de parkeerrijlijnen. Als de Parking Assist-functie is geselecteerd, wordt de selectietoets verlicht. Voertuigbreedtelijnen Deze lijnen geven de geschatte breedte van de auto weer. Rijlijnen geschatte koers Deze lijnen geven de geschatte koers van de auto bij het achteruitrijden aan. De lijnen bewegen synchroon met het stuurwiel. 313 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST Nr. Functie INFORMATIE Afstandslijn (geel) De lijn beweegt, tezamen met de rijlijnen voor de geschatte koers, synchroon met het stuurwiel. Deze lijn geeft een positie op de grond aan op ongeveer 1 meter achter de achterbumper van de auto. Wanneer het stuurwiel wordt verdraaid, ontstaan er mogelijk afwijkingen in de afstand. Afstandslijn (rood) De lijn beweegt, tezamen met de rijlijnen voor de geschatte koers, synchroon met het stuurwiel. Deze lijn geeft een positie op de grond aan op ongeveer 0,5 meter achter de achterbumper van de auto. Wanneer het stuurwiel wordt gedraaid, ontstaan er mogelijk afwijkingen in de afstand. Afstandslijn (blauw) De lijn geeft een positie op de grond aan op ongeveer 0,5 meter achter de achterbumper van de auto. Toets modus fileparkeren Met deze toets kunt u de modus fileparkeren aanzetten. Zie MODUS FILEPARKEREN op bladzijde 332 voor meer informatie. De rijlijnen, toetsen en camera-oriëntatielijnen worden niet weergegeven als de achterklep is geopend. Om deze weer te geven, dient u de achterklep volledig te sluiten. INTELLIGENT PARKING ASSIST BUITEN GEBRUIK STELLEN In de modus automatisch inparkeren of fileparkeren zal in het volgende geval de stembegeleiding de boodschap De assistentie is geannuleerd geven, wordt er een melding weergegeven en wordt het systeem buiten gebruik gesteld. Zie bladzijde 343 voor de weergegeven meldingen. Na de volgende handelingen l Verdraaien van het stuurwiel l Intrappen van het gaspedaal l Het in een andere stand dan stand R zetten van de selectiehendel l Activeren van de parkeerrem l Overschakelen naar een ander scherm Toets modus automatisch inparkeren Met deze toets kunt u de modus automatisch inparkeren aanzetten. Zie MODUS AUTOMATISCH IN- PARKEREN (ACHTERUIT INPAR- KEREN) op bladzijde 318 voor meer informatie. 314
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST In de volgende situatie l Als de auto naar voren glijdt of tot stilstand komt nadat u uw voet van het rempedaal gehaald hebt l Als de snelheid waarmee achteruitgereden wordt te hoog is l Als de normale assistentie niet kan worden gegeven als gevolg van versleten banden of een te lage bandenspanning l Als de beoogde parkeerpositie niet bevestigd is op het scherm voordat er achteruitgereden wordt l Als niet gereageerd is op de waarschuwingsmeldingen die op het scherm verschenen zijn voordat er achteruitgereden wordt l Als er een storing is in het systeem l Als de thermische beveiliging van het systeem in werking treedt Als het systeem uitgeschakeld wordt tijdens het achteruitrijden, pak dan het stuurwiel stevig vast en trap het rempedaal in om de auto tot stilstand te brengen. Het hele systeem is uitgeschakeld zodat u opnieuw kunt beginnen vanaf het begin. Draai het stuurwiel zoals u dat normaal zou doen als u besluit handmatig te gaan inparkeren. STANDEN VAN DE FUNCTIE WEERGAVE VAN DE PARKEERRIJLIJNEN De functie weergave van parkeerrijlijnen beschikt over de volgende twee modi. Gebruik elke modus al naar gelang uw behoefte. BEGELEIDINGSMODUS GESCHATTE KOERS Op het scherm worden de rijlijnen weergegeven. Nr. Functie Toets Selecteren Met deze toets kunt u overschakelen tussen de Parking Assist-functie en de functie weergave van de parkeerrijlijnen. Als de Parking Assist-functie is geselecteerd, wordt de selectietoets verlicht. Voertuigbreedtelijnen Deze lijnen geven de geschatte breedte van de auto weer. 315 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST Nr. Functie Rijlijnen geschatte koers Deze lijnen geven de geschatte koers van de auto bij het achteruitrijden aan. De lijnen bewegen synchroon met het stuurwiel. PARKING ASSIST-HULPRIJLIJN- WEERGAVE Op het scherm worden de rijlijnen weergegeven. Afstandslijn (geel) De lijn beweegt, tezamen met de rijlijnen voor de geschatte koers, synchroon met het stuurwiel. Deze lijn geeft een positie op de grond aan op ongeveer 1 meter achter de achterbumper van de auto. Wanneer het stuurwiel wordt verdraaid, ontstaan er mogelijk afwijkingen. Afstandslijn (rood) De lijn beweegt, tezamen met de rijlijnen voor de geschatte koers, synchroon met het stuurwiel. Deze lijn geeft een positie op de grond aan op ongeveer 0,5 meter achter de achterbumper van de auto. Wanneer het stuurwiel wordt verdraaid, ontstaan er mogelijk afwijkingen. Afstandslijn (blauw) De lijn geeft een positie op de grond aan op ongeveer 0,5 meter achter de achterbumper van de auto. Schermtoets Parking Assist-hulprijlijnweergavemodus Met deze toets schakelt u de Parking Assist-hulprijlijnweergavemodus in. Nr. Functie Toets Selecteren Met deze toets kunt u overschakelen tussen de Parking Assist-functie en de functie weergave van de parkeerrijlijnen. Als de Parking Assist-functie is geselecteerd, wordt de selectietoets verlicht. Voertuigbreedtelijnen Deze lijnen geven de geschatte breedte van de auto weer. Parking Assist-hulprijlijnen Deze lijnen geven de punten aan waar u het stuurwiel volledig dient te draaien. Deze lijnen geven ook een geschatte koers van de auto aan wanneer het stuurwiel iets gedraaid wordt tijdens het achteruitrijden. Afstandslijn Deze lijn geeft een positie op de grond aan op ongeveer 0,5 meter achter de achterbumper van de auto. Schermtoets modus wissen koerslijnen Met deze toets kunt u de modus voor het wissen van de koerslijnen inschakelen. 316
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST MODUS WISSEN KOERSLIJNEN Op het scherm worden de rijlijnen weergegeven. Nr. Functie Toets Selecteren Met deze toets kunt u overschakelen tussen de Parking Assist-functie en de functie weergave van de parkeerrijlijnen. Als de Parking Assist-functie is geselecteerd, wordt de selectietoets verlicht. Afstandslijn Deze lijn geeft een positie op de grond aan op ongeveer 0,5 meter achter de achterbumper van de auto. Schermtoets begeleidingsmodus geschatte koers Met deze toets kunt u de begeleidingsmodus geschatte koers inschakelen. 9 INFORMATIE De rijlijnen en toetsen worden niet weergegeven als de achterklep is geopend. Om deze weer te geven, dient u de achterklep volledig te sluiten. 317 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST 3. MODUS AUTOMATISCH INPARKEREN (ACHTERUIT INPARKEREN) MODUS AUTOMATISCH INPARKEREN (ACHTERUIT INPARKEREN) De stand automatisch inparkeren helpt de bestuurder bij het loodrecht op de rijrichting inparkeren door automatisch het stuurwiel te regelen bij het achteruitrijden om de auto op de beoogde positie te kunnen parkeren. Deze modus kan worden gebruikt wanneer de ondersteuningsmodus AAN is. PRE-SUPPORT-FUNCTIE De Pre-Support-functie kan worden gebruikt wanneer er een andere auto naast de beoogde parkeerruimte geparkeerd staat. Deze functie maakt voor de parkeerbegeleiding gebruik van een geluidssignaal. l Als de parkeerplaats te krap is, wordt er geen begeleiding gegeven. Direct naast een geparkeerde auto parkeren Druk tweemaal op de Pre-Supportschakelaar Herkennen van een parkeerruimte Positioneer de auto dusdanig dat het stuurwiel kan worden gedraaid Positioneer de auto om achteruit te rijden Tussen twee voertuigen parkeren Druk tweemaal op de Pre-Supportschakelaar Herkennen van een parkeerruimte Positioneer de auto dusdanig dat het stuurwiel kan worden gedraaid Positioneer de auto om achteruit te rijden 318
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST INFORMATIE Rijd zo langzaam mogelijk (met een snelheid waarbij de auto ineens stilgezet kan worden), zodat het Pre-Supportsysteem nauwkeurig geactiveerd kan worden. Als er maar een auto geparkeerd staat, kan het Pre-Support-systeem niet worden gebruikt om aan de rechterzijde van de auto te parkeren. De functie kan niet worden gebruikt als de selectiehendel in stand P of R staat of als de rijsnelheid hoger is dan 15 km/ h. Er kan alleen assistentie worden gegeven als de sensoren aan beide zijden van de voorbumper een parkeerruimte signaleren die groot genoeg is om de auto te parkeren. De parkeerassistentie en het zoeken zullen pas stoppen als de rijsnelheid hoger is dan 15 km/h of als de functie wordt uitgeschakeld door de Pre-Support-schakelaar in te drukken. Snelinstelfunctie De snelinstelfunctie kan worden gebruikt als de Pre-Support-functie niet in gebruik is. Als de parkeerruimte uit een wit kader bestaat, kan de snelinstelfunctie worden gebruikt om de parkeermanoeuvre te starten zonder de beoogde parkeerpositie aan te passen. Deze functie heeft de volgende kenmerken: 1. Wanneer stand R is ingeschakeld en een wit parkeerruimtekader is gesignaleerd, dan kan de beoogde parkeerpositie nauwkeurig worden aangepast. 2. Als onder de condities die bij 1 hierboven worden beschreven een wit parkeerruimtekader niet is gesignaleerd: door het stuurwiel in de richting van de gewenste parkeerruimte te draaien, kan een wit parkeerruimtekader in die richting worden gesignaleerd en worden ingesteld als de beoogde parkeerpositie. 9 319 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST INFORMATIE De snelinstelfunctie zal in de volgende gevallen niet werken: Wanneer de ondersteuningsmodus UIT is Wanneer de Pre-Support-functie is ingeschakeld Bij fileparkeren Onder de volgende omstandigheden wordt het parkeerruimtekader mogelijk niet op de weg gesignaleerd en werkt de snelinstelfunctie mogelijk niet: De parkeerruimte heeft geen wit kader (omheinde of afgezette parkeerruimtes, enz.) De lijnen zijn vervaagd of vuil, waardoor ze slecht zichtbaar zijn. Het wegdek heeft een lichte kleur, waardoor er weinig contrast met de witte lijnen is. (Gele verflijnen op betonnen wegdekken, enz.) De lijnen waarmee de parkeerruimte aangegeven is, hebben een andere kleur dan wit (geel, enz.). Er is te weinig licht, bijvoorbeeld 's avonds en 's nachts of omdat de parkeerplaats overdekt is. Tijdens of na een regenbui, wanneer het wegdek nat is en het licht reflecteert of als er plassen op het wegdek gevormd zijn. Als er direct zonlicht op de camera valt, bijvoorbeeld als de zon 's ochtends of 's middags laag staat. Als de parkeerruimte bedekt is met sneeuw of pekel. Als er markeringen of onderhoudsmerktekens op het wegdek zijn aangebracht. Als de kleur of de helderheid van het wegdek niet overal gelijk is. Als er warm of koud water op de camera terecht is gekomen of als de lens beslagen is. Als er vuil of waterdruppels op de lens aanwezig is/zijn. INFORMATIE Onder de volgende omstandigheden wordt de beoogde parkeerruimte mogelijk verkeerd herkend: Er zijn belemmeringen als onderhoudswerkzaamheden, wegmarkeringen, paaltjes, enz. Tijdens of na een regenbui, wanneer het wegdek nat is en het licht reflecteert of als er plassen op het wegdek gevormd zijn. Als de kleur of de helderheid van het wegdek niet overal gelijk is. De parkeerruimte bevindt zich op een helling Een geparkeerd voertuig zorgt voor een ongewenst effect (schaduw, grille, treeplank, enz. van een geparkeerd voertuig) De lijnen zijn vervaagd of vuil, waardoor ze slecht zichtbaar zijn. Zelfs in situaties waarbij de snelinstelfunctie niet gebruikt kan worden (bijvoorbeeld wanneer het parkeerruimtekader ontbreekt of lastig te signaleren is), kan de beoogde parkeerpositie nog steeds worden ingesteld door de toets van de modus automatisch inparkeren te kiezen. 320
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST WERKINGSPROCEDURE WAARSCHUWING Controleer bij het achteruitrijden altijd de omgeving van de auto en rijd langzaam achteruit, waarbij u de snelheid regelt door het rempedaal in te trappen. Als het erop lijkt dat u een auto, een obstakel of een persoon gaat raken, trap dan het rempedaal in om de auto tot stilstand te brengen en schakel het systeem uit door te kiezen op het scherm. WANNEER DE PRE-SUPPORT- FUNCTIE IN WERKING IS 1 Controleer of de schakelaar van de ondersteuningsmodus AAN is. 2 Druk de Pre-Support-schakelaar tweemaal in wanneer de rijsnelheid lager is dan 15 km/h en de auto vlak naast de parkeerruimte is. Controleer of de weergave overgeschakeld is naar het scherm Achteruit inparkeermodus. Omdat het systeem alleen helpt bij het inparkeren op een van tevoren bepaalde positie, kan het voorkomen dat het systeem niet altijd juist werkt. Een juiste werking is afhankelijk van factoren als de conditie van de weg en de auto en van de afstand tot de beoogde parkeerpositie. Houd daar rekening mee bij gebruik van het systeem. Als er tijdens het manoeuvreren een melding verschijnt, volg dan de procedures zoals deze beschreven staan in WAT TE DOEN ALS DIT SOORT MEL- DINGEN WORDT WEERGEGEVEN? op bladzijde 343. De hier getoonde afbeeldingen geven de procedure voor het fileparkeren aan de rechterzijde van de weg weer. Voer het fileparkeren aan de linkerzijde uit door in alle stappen links door rechts te vervangen en andersom. De wijze van bedienen is afhankelijk van of de Pre-Support-functie is ingeschakeld. Druk tweemaal op de Pre-Supportschakelaar Signaleringsgebied sensoren l Iedere keer als de Pre-Support-schakelaar wordt ingedrukt, wijzigt de modus. l Als de selectiehendel in stand P staat of als de rijsnelheid 15 km/h of hoger is, klinken er twee piepsignalen wanneer de Pre- Support-schakelaar wordt ingedrukt en zal de weergave op het display niet wijzigen. (Als stand R is ingeschakeld, zal de weergave op het display niet wijzigen.) 321 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST 3 Zet de auto voorzichtig loodrecht op en zo dicht mogelijk in de buurt van de geparkeerde auto. l Rijdt de auto zo langzaam mogelijk naar voren, zodat het stuurwiel kan worden verdraaid zodra het geluidssignaal klinkt. l Om de begeleidingsfunctie te annuleren, drukt u eenmaal op de Pre-Support-schakelaar om de Pre-Support-functie uit te schakelen. 4 Zodra het geluidssignaal klinkt, draait u het stuurwiel ten minste een halve slag en rijdt u vooruit. l Het geluidssignaal klinkt wanneer het midden van de parkeerruimte direct naast de auto te zien is. 5 Zet, wanneer er twee geluidssignalen klinken, de auto stil en draai het stuurwiel recht. 322
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST l Rijdt de auto zo langzaam mogelijk naar voren nadat u het stuurwiel hebt verdraaid, zodat de auto kan worden stilgezet zodra de twee geluidssignalen klinken. l De geluidssignalen zullen niet klinken als de auto niet in een juiste positie voor het achteruitrijden komt na verdraaiing van het stuurwiel. Als de auto wordt stilgezet en de selectiehendel in stand R wordt gezet voordat de geluidssignalen hebben geklonken, dan wordt het scherm bij stap 6 van WANNEER DE PRE-SUPPORT- FUNCTIE NIET IN GEBRUIK IS op bladzijde 323 weergegeven. 6 Zet de selectiehendel in stand R. l Werking nadat stand R is ingeschakeld: Zie stap 7 van WANNEER DE PRE- SUPPORT-FUNCTIE NIET IN GEBRUIK IS op bladzijde 323. 3 Zet de auto stil op een positie waarin u het midden van de parkeerruimte rechts naast u kunt zien. Als er slechts één voertuig aan één zijde van de parkeerruimte is geparkeerd of twee voertuigen aan beide zijden van de parkeerruimte zijn geparkeerd Zet de auto stil op een positie waarin u het midden van de parkeerruimte naast u precies kunt zien voordat u het stuurwiel draait. WANNEER DE PRE-SUPPORT- FUNCTIE NIET IN GEBRUIK IS 1 Controleer of de schakelaar van de ondersteuningsmodus AAN is. 2 Zet de auto voorzichtig loodrecht op en zo dicht mogelijk bij de parkeerruimte. l Wanneer u de auto loodrecht op de parkeerruimte zet, kan de parkeerhoek gemakkelijker bepaald worden. l Om het instellen van de beoogde parkeerpositie te vergemakkelijken, signaleren de sensoren aan de voorzijde de voertuigen aan de linker- en rechterzijde van de parkeerruimte en beoordelen de beschikbare ruimte. 9 323 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST Als er geen voertuigen of kleine voertuigen aan weerszijden van de gewenste parkeerruimte zijn geparkeerd. Rijd de auto naar een positie waarin u het midden van de parkeerruimte naast u precies kunt zien, draai het stuurwiel in de rechtuitstand en breng de auto tot stilstand. 4 Zet uw auto zo neer dat u de parkeerruimte in kunt rijden en breng de auto vervolgens tot stilstand met het stuurwiel in de rechtuitstand. l Zet uw auto zo neer dat de hoek waaronder de auto de beoogde parkeerruimte inrijdt zo groot mogelijk is. Dit om nauwkeuriger te kunnen parkeren. l Door de auto op deze positie tot stilstand te brengen, kunt u het parkeervak het beste zien en kunt u de beoogde parkeerpositie gemakkelijker instellen. l Controleer of het stuurwiel in de rechtuitstand staat als u de auto tot stilstand brengt. Als dat niet het geval is, kan de locatie van het parkeervak niet worden vastgesteld. l Als u niet voor de parkeerruimte stopt, zal het systeem de hoek van de auto naast het beoogde parkeervak als referentiepunt nemen en de beoogde parkeerruimte (blauw of rood kader) weergeven in de positie die gebruikt is bij de laatste keer dat de modus automatisch inparkeren ingeschakeld was. 5 Zet de selectiehendel in stand R. 6 Voer de volgende handeling uit. Als er een parkeerpositie is herkend door de snelinstelfunctie. Controleer of het blauwe kader samenvalt met de ruimte waarin u wilt parkeren en kies OK. l Nadat u OK hebt gekozen: Ga naar stap 8 l Wijzigen van de parkeerpositie: Kies en dan, ga vervolgens naar stap 7 324
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST OPMERKING Als het blauwe kader over een geparkeerde auto ligt, als er een waarschuwingsvlag zichtbaar is of als de beoogde parkeerpositie om een andere reden verkeerd is herkend, kies dan om te annuleren en de parkeerpositie te wijzigen. Als er met behulp van de snelinstelfunctie geen parkeerpositie is herkend. Draai het stuurwiel in de richting waarin u wilt parkeren. Zie het gedeelte WAARSCHUWING van stap 7 voor de waarschuwingsvlag en het blauwe kader. l Als er een beoogde parkeerpositie kan worden herkend, schakelt de weergave over naar het scherm dat getoond wordt bij Als er een parkeerpositie is herkend door de snelinstelfunctie. (Zie blz. 324.) l Als geen parkeerpositie wordt herkend en de weergave verandert niet, raak dan aan en ga vervolgens naar stap 7. 9 325 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST 7 Gebruik de pijl om het blauwe kader samen te laten vallen met de gewenste parkeerruimte en kies dan OK. l U kunt het blauwe kader ook verplaatsen door het scherm aan te raken (het gedeelte naast de pijl). l Er zijn trucs om het blauwe kader te laten samenvallen. Zie TIPS VOOR HET INSTELLEN VAN DE BEOOGDE PAR- KEERPOSITIE op bladzijde 329. l Als de oriëntatie van het kader tegengesteld is aan die van de beoogde parkeerruimte: Kies. l Gedeelten waarin u niet kunt parkeren zijn aangegeven in rood. WAARSCHUWING De waarschuwingsvlag dient slechts ter indicatie. Zorg dat u de omgeving rond de auto zelf controleert en rijd voorzichtig achteruit. Controleer altijd of er geen obstakels binnen het blauwe kader of tussen uw auto en de parkeerruimte aanwezig zijn en of de waarschuwingsvlag geen geparkeerde voertuigen of muren overlapt. Als er obstakels in het blauwe kader of tussen uw auto en de parkeerruimte aanwezig zijn of als de waarschuwingsvlag een geparkeerde auto of muur overlapt, bestaat er kans op een aanrijding. Gebruik in dat geval de functie automatisch inparkeren niet. l Als het kader in rood wordt weergegeven, kunt u de functie automatisch inparkeren niet gebruiken om op die parkeerplaats te gaan parkeren. Zie WANNEER HET KADER IN DE ONDERSTEUNINGSMO- DUS IN ROOD WORDT WEERGEGE- VEN op bladzijde 348. l Wanneer het blauwe kader wordt weergegeven en u niet OK hebt gekozen, verschijnt de melding Parkeerpositie is niet ingesteld op het scherm zodra u achteruit begint te rijden. Als u verder gaat met achteruitrijden, klinkt er een waarschuwingssignaal en wordt het systeem uitgeschakeld. Als het kader rood is, werkt het begeleidingssysteem niet, ook niet als u begint met achteruitrijden. l In sommige gevallen, als het beeld vervormd wordt, komt het blauwe kader niet overeen met de parkeerruimtelijnen op het wegdek. Probeer het kader dan zo in te stellen dat de waarschuwingsvlag geen geparkeerde auto's of obstakels overlapt. 326
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST WAARSCHUWING Als er niveauverschillen in de weg tussen uw huidige positie en de beoogde parkeerruimte aanwezig zijn, is het niet mogelijk de locatie juist in te stellen, doordat het beeld vertekend kan zijn. Gebruik in dat geval de functie automatisch inparkeren niet. Als het rode kader, dat aangeeft dat een bepaalde plaats ongeschikt is om te parkeren, de lijnen van de parkeerruimte overlapt, kunt u daar niet parkeren omdat het systeem oordeelt dat er te weinig ruimte is. Stel een positie in waarin de lijnen van de parkeerruimte niet worden overlapt door het rode kader. 8 Ga achter het stuurwiel zitten op dezelfde manier als u zou doen wanneer u normaal achteruit zou rijden en leg uw handen op het stuurwiel zonder druk uit te oefenen. Controleer altijd de omgeving rondom de auto en rijd langzaam achteruit, waarbij u de rijsnelheid regelt door het rempedaal in te trappen. l Wanneer u kiest, wordt de assistentie afgebroken. l Als u te hard achteruitrijdt, klinkt er een waarschuwingssignaal en wordt de melding Snelheid is te hoog. weergegeven. Als u met ongewijzigde snelheid door blijft rijden, wordt het systeem uitgeschakeld. Verlaag uw snelheid zo ver dat het waarschuwingssignaal niet langer hoorbaar is. l Het blauwe kader op het scherm heeft ongeveer dezelfde afmetingen als uw auto. (Het blauwe kader bij het instellen van de beoogde parkeerpositie heeft de afmetingen van een normale parkeerruimte.) 9 327 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST WAARSCHUWING Controleer bij het achteruitrijden altijd de omgeving van de auto en rijd langzaam achteruit, waarbij u de snelheid regelt door het rempedaal in te trappen. Als het erop lijkt dat u een auto, een obstakel of een persoon gaat raken, trap dan het rempedaal in om de auto tot stilstand te brengen en schakel het systeem uit door te kiezen op het scherm. 9 Als de auto bijna op de beoogde positie staat, geeft de stembegeleiding een melding en wordt de stand automatisch inparkeren uitgeschakeld. l Uit veiligheidsoverwegingen wordt deze melding door de stembegeleiding gegeven net voordat de auto op de beoogde positie staat. Op dat moment wordt de systeemregeling beëindigd; pak daarom het stuurwiel stevig vast en parkeer de auto op de gewenste plaats, waarbij u de snelheid regelt met het rempedaal. l Gebruik de afstandslijn als referentie en houd de voor- en achterzijde van de auto tijdens het achteruitrijden in de gaten. Gebruik tevens de spiegels. 328
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST TIPS VOOR HET INSTELLEN VAN DE BEOOGDE PAR- KEERPOSITIE Nuttige informatie over het instellen van de beoogde parkeerpositie (blauw kader) DE WEERGAVEPOSITIE VAN HET BLAUWE KADER Het systeem bepaalt de basispositie van het blauwe kader aan de hand van de positie van de parkeerruimte die door de sensoren aan de voorzijde wordt gesignaleerd of de positie van de auto op het moment dat deze tot stilstand is gekomen en aan de hand van de witte lijnen die de parkeerruimte afbakenen in het beeld van de camera om de locatie van de parkeerruimte te herkennen. De sensoren aan de voorzijde bepalen de locatie van de parkeerruimte en signaleren de witte lijnen. In de volgende situaties kunnen de sensoren aan de voorzijde de locatie van de parkeerruimte niet bepalen, of kunnen de lijnen die de locatie aangeven mogelijk afwijken. l Er staat een voertuig geparkeerd op de achterste lijn van de parkeerruimte of de sensoren kunnen door de vorm, enz. een geparkeerd voertuig niet herkennen. l De sensoren kunnen een paaltje of een muur naast de parkeerruimte niet signaleren. l De sensoren signaleren een voetganger of een object naast de parkeerruimte. INFORMATIE Als er geen voertuigen geparkeerd zijn aan weerszijden van de beoogde parkeerruimte wanneer u uw auto tot stilstand brengt, wordt de locatie van de parkeerruimte bij benadering bepaald en worden de witte lijnen gesignaleerd. Daarom maakt het stoppen voor de parkeerruimte het signaleren van de witte lijnen van de beoogde parkeerruimte eenvoudiger. Het is niet altijd mogelijk om de juiste positie van de witte lijnen van de parkeerruimte te signaleren; dit is afhankelijk van de vorm van de lijnen. In de volgende omstandigheden is het misschien niet mogelijk de juiste positie van de witte lijnen op het wegdek te bepalen: De lijnen zijn vervaagd of vuil, waardoor ze slecht zichtbaar zijn. Het wegdek heeft een lichte kleur, waardoor er weinig contrast met de witte lijnen is. De lijnen waarmee de parkeerruimte aangegeven is, hebben een andere kleur dan wit (geel, enz.). Er is te weinig licht, bijvoorbeeld 's avonds en 's nachts of omdat de parkeerplaats overdekt is. Tijdens of na een regenbui, wanneer het wegdek nat is en het licht reflecteert of als er plassen op het wegdek gevormd zijn. Als er direct zonlicht op de camera valt, bijvoorbeeld als de zon 's ochtends of 's middags laag staat. Als de parkeerruimte bedekt is met sneeuw of pekel. Als er markeringen of onderhoudsmerktekens op het wegdek zijn aangebracht. Als de kleur of de helderheid van het wegdek niet overal gelijk is. Als er warm of koud water op de camera terecht is gekomen of als de lens beslagen is. Als er vuil of waterdruppels op de lens aanwezig is/zijn. 329 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST Als het punt waarop u de auto tot stilstand gebracht hebt goed kan worden bepaald, dan geeft het blauwe kader de positie van de parkeerruimte nauwkeurig aan. Als de witte lijnen die het parkeervak begrenzen niet goed kunnen worden bepaald, dan komt de positie van het blauwe kader niet overeen met de parkeerruimte, ook al hebt u de auto op de juiste positie tot stilstand gebracht. Stel in dat geval de stoppositie handmatig bij. SAMEN LATEN VALLEN VAN HET BLAUWE KADER Er zijn twee manieren om het blauwe kader te laten samenvallen met de parkeerruimte; met behulp van de pijlen op het scherm of door het scherm aan te raken op andere punten dan bij de pijlen. MET BEHULP VAN DE PIJLEN OP HET SCHERM Door de op het scherm weergegeven pijlen aan te raken, kunt u het blauwe kader verplaatsen. 330
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST DIRECT AANRAKEN VAN HET BEOOGDE PUNT Door het punt aan te raken waar u het kader naartoe wilt bewegen, kunt u het blauwe kader verplaatsen. 1 Raak de voorzijde van de plaats die u wilt verplaatsen aan. ALS DE PARKEERRUIMTE EN HET BLAUWE KADER NIET OVEREENKOMEN Als de lijnen die het parkeervak begrenzen breder zijn dan het blauwe kader moet u het kader zo verplaatsen dat het verschil tussen het kader en de parkeerruimtelijnen aan beide zijden gelijk is. 2 Het kader wordt verplaatst zoals aangegeven. INFORMATIE Als u de volgende gedeeltes aanraakt, zal het blauwe kader niet verplaatst worden: Het gedeelte rond de pijlen. Het gedeelte op het scherm rond de onderste schermtoets. Gedeeltes die te ver weg liggen om te parkeren (9,5 m) achter en/of links of rechts van de actuele locatie. 331 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST 4. MODUS FILEPARKEREN MODUS FILEPARKEREN De modus fileparkeren helpt de bestuurder bij het inparkeren door automatisch het stuurwiel te regelen bij het achteruitrijden om de auto op de beoogde positie te kunnen parkeren. Deze modus kan worden gebruikt wanneer de ondersteuningsmodus AAN is. TUSSEN TWEE VOERTUIGEN PARKEREN PRE-SUPPORT-FUNCTIE De Pre-Support-functie kan worden gebruikt wanneer er een ruimte is tussen twee geparkeerde voertuigen. Als er een parkeerruimte wordt gesignaleerd, informeert deze functie de bestuurder met behulp van een geluidssignaal wanneer de auto in de juiste positie staat om achteruit te gaan rijden, en loodst de auto naar een positie vanaf waar assistentie kan worden gegeven. l Als de parkeerplaats te krap is, wordt er geen assistentie gegeven. Druk eenmaal op de Pre-Supportschakelaar Herkennen van een parkeerruimte Positioneer de auto om achteruit te rijden 332
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST INFORMATIE Rijd zo langzaam mogelijk (met een snelheid waarbij de auto ineens stilgezet kan worden), zodat het Pre-Supportsysteem nauwkeurig geactiveerd kan worden. Het Pre-Support-systeem kan niet worden gebruikt als er maar een auto geparkeerd staat. WERKINGSPROCEDURE WAARSCHUWING Controleer bij het achteruitrijden altijd de omgeving van de auto en rijd langzaam achteruit, waarbij u de snelheid regelt door het rempedaal in te trappen. Als het erop lijkt dat u een auto, een obstakel of een persoon gaat raken, trap dan het rempedaal in om de auto tot stilstand te brengen en schakel het systeem uit door te kiezen op het scherm. De functie kan niet worden gebruikt als de selectiehendel in stand P of R staat of als de rijsnelheid hoger is dan 15 km/ h. Er kan alleen assistentie worden gegeven als de sensoren aan beide zijden van de voorbumper een parkeerruimte signaleren die groot genoeg is om de auto te parkeren. De parkeerassistentie en het zoeken zullen pas stoppen als de rijsnelheid hoger is dan 15 km/h of als de functie wordt uitgeschakeld door de Pre-Support-schakelaar in te drukken. Omdat het systeem alleen helpt bij het inparkeren op een van tevoren bepaalde positie, kan het voorkomen dat het systeem niet altijd juist werkt. Een juiste werking is afhankelijk van factoren als de conditie van de weg en de auto en van de afstand tot de beoogde parkeerpositie. Houd daar rekening mee bij gebruik van het systeem. Als er tijdens het manoeuvreren een melding verschijnt, volg dan de procedures zoals deze beschreven staan in WAT TE DOEN ALS DIT SOORT MEL- DINGEN WORDT WEERGEGEVEN? op bladzijde 343. De hier getoonde afbeeldingen geven de procedure voor het fileparkeren aan de rechterzijde van de weg weer. Voer het fileparkeren aan de linkerzijde uit door in alle stappen links door rechts te vervangen en andersom. De wijze van bedienen is afhankelijk van of de Pre-Support-functie is ingeschakeld. 333 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST WANNEER DE PRE-SUPPORT- FUNCTIE IN WERKING IS 1 Controleer of de schakelaar van de ondersteuningsmodus AAN is. 2 Druk de Pre-Support-schakelaar eenmaal in wanneer de rijsnelheid lager is dan 15 km/h en de auto vlak naast de parkeerruimte is. Controleer of de weergave overgeschakeld is naar het scherm Modus fileparkeren. Druk eenmaal op de Pre-Supportschakelaar Signaleringsgebied sensoren l Iedere keer als de Pre-Support-schakelaar wordt ingedrukt, wijzigt de modus. l Als de selectiehendel in stand P staat of als de rijsnelheid 15 km/h of hoger is, klinken er twee piepsignalen wanneer de Pre- Support-schakelaar wordt ingedrukt en zal de weergave op het scherm niet wijzigen. (Als stand R is ingeschakeld, zal de weergave op het scherm niet wijzigen.) 3 Zet de auto zo, dat deze parallel aan de weg (of de stoeprand) staat en op ongeveer 1 m van de geparkeerde auto en rijd dan recht vooruit. 334
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST Ongeveer 1 m (3 ft.) Gewenste parkeerpositie l Er klinken twee geluidssignalen wanneer de auto een positie bereikt vanaf waar de voorzijde van de voorste geparkeerde auto vanaf de zijkant te zien is. l Om de begeleidingsfunctie te annuleren, drukt u tweemaal op de Pre-Supportschakelaar om de Pre-Support-functie uit te schakelen. 4 Zet de auto stil wanneer er twee geluidssignalen klinken. l Rijdt de auto zo langzaam mogelijk naar voren, zodat de auto kan worden stilgezet zodra de twee geluidssignalen klinken. l De geluidssignalen zullen niet klinken als de auto niet in een juiste positie voor het achteruitrijden komt. Als de auto wordt stilgezet en de selectiehendel in stand R wordt gezet voordat de geluidssignalen hebben geklonken, dan wordt het scherm bij stap 5 van WANNEER DE PRE-SUP- PORT-FUNCTIE NIET IN GEBRUIK IS op bladzijde 336 weergegeven. 5 Zet de selectiehendel in stand R. l Werking nadat stand R is ingeschakeld: Zie stap 6 van WANNEER DE PRE- SUPPORT-FUNCTIE NIET IN GEBRUIK IS op bladzijde 336. 9 335 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST WANNEER DE PRE-SUPPORT- FUNCTIE NIET IN GEBRUIK IS 1 Controleer of de schakelaar van de ondersteuningsmodus AAN is. 3 Rijd zover naar voren dat u de voorzijde van de auto waarachter u wilt parkeren naast u ziet, met het stuurwiel in de rechtuitstand, en breng de auto tot stilstand. 2 Zet de auto parallel aan de weg (of de stoeprand) en ongeveer 1 m naast de geparkeerde auto. Ongeveer 1 m (3 ft.) Gewenste parkeerpositie l Om het instellen van de beoogde parkeerruimte te vergemakkelijken, signaleren de sensoren aan de voorzijde de voertuigen aan weerszijden van het parkeervak en beoordelen de beschikbare ruimte. l Als er zich geen geparkeerde auto voor de lege parkeerruimte bevindt, zal het systeem de beoogde parkeerpositie (blauw of rood kader) weergeven in de positie die gebruikt is bij de laatste keer dat de modus fileparkeren was ingeschakeld. 336
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST WAARSCHUWING Zorg ervoor dat u de auto parallel aan de weg of stoeprand tot stilstand brengt. Als de auto niet parallel staat, bestaat de kans dat het achterwiel de stoeprand raakt. Als het ernaar uitziet dat de auto de stoeprand zal raken of de stoep op zal rijden, breng de auto dan tot stilstand door het rempedaal in te trappen en kies op het scherm om het systeem uit te schakelen. 6 Gebruik de pijl zo om het blauwe kader samen te laten vallen met de beoogde parkeerruimte en kies OK. l U kunt het blauwe kader ook verplaatsen door het scherm aan te raken (het gedeelte naast de pijlen). l Er zijn trucs om het blauwe kader te laten samenvallen. Zie TIPS VOOR HET INSTELLEN VAN DE BEOOGDE PAR- KEERPOSITIE op bladzijde 340. l Als de oriëntatie van het kader tegengesteld is aan die van de beoogde parkeerruimte: Kies. 4 Zet de selectiehendel in stand R. 5 Kies op het scherm. l Als het kader in rood wordt weergegeven, kunt u de stand fileparkeren niet gebruiken om op die parkeerplaats te gaan parkeren. Zie WANNEER HET KADER IN DE ONDERSTEUNINGSMODUS IN ROOD WORDT WEERGEGEVEN op bladzijde 348. l Wanneer het blauwe kader wordt weergegeven en u niet OK hebt gekozen, verschijnt de melding Parkeerpositie is niet ingesteld op het scherm zodra u achteruit begint te rijden. Als u verder gaat met achteruitrijden, dan hoort u een waarschuwingssignaal en wordt het systeem buiten werking gesteld. Als het kader rood is, dan is er geen begeleiding, ook niet als u begint met achteruitrijden. l In sommige gevallen, als het beeld vervormd wordt, komt het blauwe kader niet overeen met de parkeerruimtelijnen op het wegdek. Gebruik in dat geval de waarschuwingsvlag en de blauwe verlengde rijlijnen om de beoogde parkeerpositie in te stellen. 337 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST WAARSCHUWING De waarschuwingsvlag dient slechts ter indicatie. Zorg dat u de omgeving rond de auto zelf controleert en rijd voorzichtig achteruit. Controleer altijd of er geen obstakels binnen het blauwe kader of tussen uw auto en de parkeerruimte aanwezig zijn en of de waarschuwingsvlag en de verlengde rijlijn geen geparkeerde auto of muur overlappen. Als er obstakels in het blauwe kader of tussen uw auto en de parkeerruimte aanwezig zijn of als de waarschuwingsvlag of de verlengde rijlijn een geparkeerde auto of muur overlappen, bestaat er kans op een aanrijding. Gebruik in dat geval de stand fileparkeren niet. Hetzelfde geldt als het blauwe kader de stoeprand overlapt. Als er niveauverschillen in de weg tussen uw huidige positie en de beoogde parkeerruimte aanwezig zijn, is het niet mogelijk de locatie juist in te stellen, doordat het beeld vertekend kan zijn. Gebruik in dat geval de stand fileparkeren niet. Als er via de snelinstelfunctie naar het scherm van de modus automatisch inparkeren op bladzijde 323 is overgeschakeld wanneer stand R is ingeschakeld (net als in stap 4 van WANNEER DE PRE-SUPPORT-FUNCTIE NIET IN GEBRUIK IS, kies dan om te annuleren. 7 Ga achter het stuurwiel zitten op dezelfde manier als u zou doen wanneer u normaal achteruit zou rijden en leg uw handen op het stuurwiel zonder druk uit te oefenen. Controleer altijd de omgeving rondom de auto en rijd langzaam achteruit, waarbij u de rijsnelheid regelt door het rempedaal in te trappen. l Wanneer u kiest, wordt de assistentie afgebroken. l Als u te hard achteruitrijdt, klinkt er een waarschuwingssignaal en wordt de melding Snelheid is te hoog. weergegeven. Als u met ongewijzigde snelheid door blijft rijden, wordt het systeem uitgeschakeld. Verlaag uw snelheid zo ver dat het waarschuwingssignaal niet langer hoorbaar is. l Het blauwe kader op het scherm heeft ongeveer dezelfde afmetingen als uw auto. (Het blauwe kader bij het instellen van de beoogde parkeerpositie heeft de afmetingen van een normale parkeerruimte.) 338
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST WAARSCHUWING Controleer bij het achteruitrijden altijd de omgeving van de auto en rijd langzaam achteruit, waarbij u de snelheid regelt door het rempedaal in te trappen. Als een aanrijding onvermijdelijk lijkt, trap dan het rempedaal in om de auto tot stilstand te brengen en stel het systeem buiten gebruik door aan te raken op het scherm. 8 Als de auto bijna op de beoogde positie staat, geeft de stembegeleiding een melding en wordt de stand fileparkeren uitgeschakeld. l Uit veiligheidsoverwegingen wordt deze melding door de stembegeleiding gegeven net voordat de auto op de beoogde positie staat. Op dat moment wordt de systeemregeling beëindigd; pak daarom het stuurwiel stevig vast en parkeer de auto op de gewenste plaats, waarbij u de snelheid regelt met het rempedaal. l Gebruik de afstandslijn als referentie en houd de voor- en achterzijde van de auto tijdens het achteruitrijden in de gaten. Gebruik tevens de spiegels. 339 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST TIPS VOOR HET INSTELLEN VAN DE BEOOGDE PAR- KEERPOSITIE Nuttige informatie over het instellen van de beoogde parkeerpositie (blauw kader) MET BEHULP VAN DE PIJLEN OP HET SCHERM Door de op het scherm weergegeven pijlen aan te raken, kunt u het blauwe kader verplaatsen. l Door eerst de links-rechtsuitlijning uit te voeren, wordt de volgende uitlijning vereenvoudigd. SAMEN LATEN VALLEN VAN HET BLAUWE KADER Er zijn twee manieren om het blauwe kader te laten samenvallen met de parkeerruimte; met behulp van de pijlen op het scherm of door het scherm aan te raken op andere punten dan bij de pijlen. 340
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST DIRECT AANRAKEN VAN HET BEOOGDE PUNT Door het punt aan te raken waar u het kader naartoe wilt bewegen, kunt u het blauwe kader verplaatsen. OP EEN HELLEND WEGDEK De positie die de Parking Assist aangeeft, beweegt links of rechts van de ingestelde parkeerpositie. 1 Raak de voorzijde van de plaats die u wilt verplaatsen aan. 2 Het kader wordt verplaatst zoals aangegeven. INFORMATIE Als u de volgende gedeeltes aanraakt, zal het blauwe kader niet verplaatst worden: Het gedeelte rond de pijlen. Het gedeelte op het scherm rond de onderste schermtoets. Gedeeltes die te ver weg liggen om te parkeren, 10,5 m of meer achter en/of 5,0 m of meer links of rechts van de huidige positie. 341 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST Als u in dat geval de waarschuwingsvlag laat samenvallen met de achterzijde van de auto waarachter u wilt parkeren en de blauwe verlengde rijlijn met de onderzijde van het achterwiel van deze auto bij het instellen van de beoogde parkeerpositie, dan zal de linkerkant van uw auto globaal in lijn liggen met de linkerkant van de auto waarachter u geparkeerd hebt als de parkeermanoeuvre voltooid is. (Als u fileparkeert aan de andere zijde van de weg, zullen links en rechts omgedraaid worden.) WAARSCHUWING Als de geparkeerde auto waarachter u wilt parkeren erg smal is, of dicht tegen de stoeprand aan geparkeerd staat, kan de positie waarin het systeem de auto wil parkeren erg dicht tegen de stoeprand aan komen te liggen. Als het erop lijkt dat u de stoeprand gaat raken of oprijden, trap dan het rempedaal in om de auto tot stilstand te brengen en stel het systeem buiten gebruik door aan te raken op het scherm. Smal 342
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST 5. WAT TE DOEN ALS DIT SOORT MELDINGEN WORDT WEERGEGEVEN? WAT TE DOEN ALS DIT SOORT MELDINGEN WORDT WEERGE- GEVEN? Melding Oorzaak Wat te doen! Controleer IPA-systeem. Laat uw auto controleren door een dealer.! Gebruik op een horizontaal oppervlak.! Systeem kan onder huidige condities niet ondersteunen. Er is een storing in het systeem aanwezig. De auto is naar voren gerold op een hellende weg. De auto beweegt ook niet als u uw voet van het rempedaal haalt. Als deze melding alleen wordt weergegeven als het systeem in werking is, is de kans groot dat de banden versleten zijn of dat de bandenspanning niet in orde is. Als de melding continu wordt weergegeven, is er hoogstwaarschijnlijk een storing in het systeem aanwezig. Laat uw auto controleren door een Toyota-dealer of erkende reparateur. Gebruik onder die omstandigheden het systeem niet. Controleer de banden op slijtage en controleer de bandenspanning. Zet het contact UIT en vervolgens weer AAN. Laat de auto controleren door een Toyotadealer of erkende reparateur als de melding nog steeds wordt weergegeven. De auto is geslipt of de wielen zijn geblokkeerd geweest. Gebruik het systeem niet op een glad wegdek zoals bijvoorbeeld op een besneeuwde weg. 9 343 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST Melding Oorzaak Wat te doen! IPA nu niet beschikbaar.! Deactiveer parkeerrem.! Er wordt te veel kracht uitgeoefend op het stuurwiel. Stuurwiel staat niet in rechtuitstand. Draai het stuurwiel naar LINKS (of RECHTS).! Parkeerpositie is niet ingesteld. Het systeem is tijdelijk oververhit. Er is een storing in het stembegeleidingssysteem aanwezig. Het hybridesysteem is niet gestart. De parkeerrem is geactiveerd. U oefent te veel kracht uit op het stuurwiel. Het stuurwiel staat niet in de rechtuitstand. U bent achteruit gaan rijden zonder dat u OK hebt gekozen. Zet het contact UIT en vervolgens weer AAN. Wacht enkele ogenblikken voor het systeem opnieuw te gebruiken. Laat uw auto controleren door een Toyota-dealer of erkende reparateur. Zet het contact AAN en start het hybridesysteem. Laat de auto controleren door een Toyota-dealer of erkende reparateur als de melding nog steeds wordt weergegeven. Deactiveer de parkeerrem. Houd het stuurwiel minder stevig vast. Zet het stuurwiel in de rechtuitstand. Breng de auto tot stilstand en kies OK.! Snelheid is te hoog. De snelheid waarmee u achteruitrijdt, is te hoog. Verlaag uw snelheid door het rempedaal in te trappen zo ver dat het waarschuwingssignaal niet langer hoorbaar is. Het systeem wordt uitgeschakeld als u te snel achteruitrijdt. 344
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST Melding Oorzaak Wat te doen! Ondersteuning is geannuleerd door gebruiker.! Gaspedaal is ingetrapt.! Begeleiding niet beschikbaar.! Systeem niet gereed. U hebt het stuurwiel verdraaid of het gaspedaal ingetrapt tijdens het automatisch inparkeren. U hebt het gaspedaal ingetrapt tijdens het instellen van de beoogde parkeerpositie. Er is een storing in het systeem opgetreden. Het systeem is uitgeschakeld, start vanaf het begin. Trap het gaspedaal niet in. Laat de auto controleren door een Toyota-dealer of erkende reparateur. Breng uw auto naar een Toyota-dealer of erkende reparateur.! Reinig parkeersensor. Bij zeer koud weer of wanneer de sensoren zijn verontreinigd. Laat de auto controleren door een Toyota-dealer of erkende reparateur. Ga iets achteruit en begin opnieuw. Er kon geen parkeerpositie worden herkend. De ruimte is niet groot genoeg om de begeleiding te gebruiken. De auto staat te ver weg van de parkeerruimte. De sensor heeft geen mogelijke parkeerruimte gesignaleerd. De sensor heeft een kleine parkeerruimte gesignaleerd en een parkeermanoeuvre door de Intelligent Parking Assist kan niet worden uitgevoerd. Rijd vanaf deze positie recht achteruit totdat er twee piepsignalen klinken. Gebruik de Pre-Support-functie op een plek met parkeerruimtes. Gebruik de Pre-Support-functie op een plek met meer parkeerruimte. 9 345 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST Melding Oorzaak Wat te doen IPA is op deze plaats niet beschikbaar.! De begeleiding is geannuleerd. De achterklep is geopend. Gebruik de Rear View Monitor niet wanneer de achterklep niet volledig is gesloten. De snelinstelfunctie kan vanaf deze plaats niet worden gebruikt. De snelheid waarmee de auto vooruitrijdt is te hoog. De achterklep is geopend. Rijd naar een plaats waar parkeerbegeleiding mogelijk is. Verlaag de snelheid nog iets verder en gebruik de Pre-Support-functie. Sluit de achterklep volledig. 346
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST MELDINGEN EN STEMBEGELEIDING Bij de modus fileparkeren en de modus automatisch inparkeren worden de volgende weergegeven meldingen vergezeld van stembegeleiding tijdens het instellen van de parkeerpositie en de stuurwielregeling. (Soms is er geen stembegeleiding, afhankelijk van de weergegeven melding.) Melding Tijdens instellen Stembegeleiding (geluidssignaal) Tijdens regeling van stuurbewegingen! Controleer IPA-systeem. Laat uw auto controleren door een dealer.! Systeem kan onder huidige condities niet ondersteunen.! IPA nu niet beschikbaar.! Deactiveer parkeerrem. (Een geluidssignaal) (Een geluidssignaal) (Een geluidssignaal) (Twee piepsignalen) De assistentie is geannuleerd. (Twee piepsignalen) De assistentie is geannuleerd. (Twee piepsignalen) De assistentie is geannuleerd. (Twee piepsignalen) De assistentie is geannuleerd.! Parkeerpositie is niet ingesteld. (Een geluidssignaal)! Snelheid is te hoog. (Diverse piepsignalen en vervolgens twee piepsignalen) De assistentie is geannuleerd.! Ondersteuning is geannuleerd door gebruiker. (Twee piepsignalen) De assistentie is geannuleerd. 9 Neem voor het aanpassen van het volume contact op met een Toyota-dealer of erkende reparateur. 347 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST WANNEER HET KADER IN DE ONDERSTEUNINGSMODUS IN ROOD WORDT WEERGE- GEVEN Als het kader rood wordt en de melding Pas het kader aan het doel aan wordt weergegeven terwijl u de beoogde parkeerpositie instelt, dan kunt u de ondersteuningsmodus niet gebruiken. Verplaats in deze situatie de beoogde parkeerpositie of verplaats de auto. Het kader kan in rood worden weergegeven, afhankelijk van de positie en hoek van de auto wanneer de selectiehendel in stand R staat. Verder zal de kleur van het kader van blauw in rood veranderen als u het kader verplaatst naar een ongeschikte positie voor parkeren met behulp van de ondersteuningsmodus. 348
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST 6. MODUS WEERGAVE RIJLIJNEN VOOR NIET-AUTOMATISCH INPARKEREN VOORBEELD VAN GEBRUIK VAN HET SYSTEEM VOOR PARKEREN (ACHTERUIT INPARKEREN) BEGELEIDINGSMODUS GESCHATTE KOERS Het volgende voorbeeld beschrijft de procedure voor het parkeren in een parkeerruimte aan de linkerzijde. Voer het parkeren aan de rechterzijde uit door in alle stappen rechts door links te vervangen en andersom. 1 Zet de selectiehendel in stand R. l Als het systeem aan staat in de ondersteuningsmodus: Kies op het scherm. l Als het systeem niet in de weergave voor de rijlijnen van de geschatte koers staat. Druk op of op het scherm. 2 Rijd achteruit de parkeerruimte in terwijl u op het scherm en in de spiegels kijkt. 3 Draai het stuur dusdanig dat de rijlijnen voor de geschatte koers zich binnen de parkeerruimte bevinden en rijd voorzichtig achteruit. 9 4 Draai, wanneer de auto zich in de parkeerruimte bevindt, het stuurwiel zodanig dat de tussenruimtes aan de linkeren rechterzijde van de voertuigbreedtelijnen en de zijlijnen van de parkeerruimte gelijk zijn. Rijd voorzichtig achteruit. 349 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST 5 Draai het stuurwiel zodanig dat de voertuigbreedtereferentielijnen evenwijdig komen te liggen aan de zijlijnen van de parkeerruimte. Zet het stuurwiel, wanneer de lijnen evenwijdig liggen, in de rechtuitstand en rijd voorzichtig achteruit. l Zelfs als de afstandslijnen en de lijnen van de parkeerruimte op het scherm evenwijdig lijken te liggen, dan is dat in werkelijkheid niet altijd het geval. 350
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST l Zelfs als zich maar één zijde van de parkeerruimte een lijn bevindt en de voertuigbreedtereferentielijnen en de rechter- of linkerzijde van de parkeerruimte op het scherm evenwijdig lijken te zijn, is dat in werkelijkheid niet altijd het geval. PARKING ASSIST- HULPRIJLIJNWEERGAVE Het volgende voorbeeld beschrijft de procedure voor het parkeren in een parkeerruimte aan de linkerzijde. Voer het parkeren aan de rechterzijde uit door in alle stappen rechts door links te vervangen en andersom. INFORMATIE De rijlijnen en toetsen worden niet weergegeven als de achterklep is geopend. Om deze weer te geven, dient u de achterklep volledig te sluiten. 1 Zet de selectiehendel in stand R. l Als het systeem aan staat in de ondersteuningsmodus: Kies op het scherm. l Als het systeem niet in de weergave voor de Parking Assist-hulprijlijnen staat. Druk op of op het scherm. 2 Rijd achteruit de parkeerruimte in terwijl u op het scherm en in de spiegels kijkt. 351 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST 3 Rijd achteruit tot de Parking Assist-hulprijlijnen de linkerhoek van de parkeerruimte raken. Breng de auto tot stilstand en draai het stuurwiel geheel naar rechts en rijd achteruit tot de auto evenwijdig met het naastgelegen parkeervak staat. l Het punt waarop het stuurwiel gedraaid moet worden, is afhankelijk van de breedte van de parkeerruimte. 4 Draai, wanneer de auto zich in de parkeerruimte bevindt, het stuurwiel zodanig dat de tussenruimtes aan de linkeren rechterzijde van de voertuigbreedtelijnen en de zijlijnen van de parkeerruimte gelijk zijn. Rijd voorzichtig achteruit. 352
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST 5 Draai het stuurwiel zodanig dat de voertuigbreedtereferentielijnen evenwijdig komen te liggen aan de zijlijnen van de parkeerruimte. Zet het stuurwiel, wanneer de lijnen evenwijdig liggen, in de rechtuitstand en rijd voorzichtig achteruit. l Zelfs als de afstandslijnen en de lijnen van de parkeerruimte op het scherm evenwijdig lijken te liggen, dan is dat in werkelijkheid niet altijd het geval. l Zelfs als zich maar één zijde van de parkeerruimte een lijn bevindt en de voertuigbreedtereferentielijnen en de rechter- of linkerzijde van de parkeerruimte op het scherm evenwijdig lijken te zijn, is dat in werkelijkheid niet altijd het geval. INFORMATIE De rijlijnen en toetsen worden niet weergegeven als de achterklep is geopend. Om deze weer te geven, dient u de achterklep volledig te sluiten. 9 353 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST VOORBEELD VAN GEBRUIK VAN HET SYSTEEM VOOR FILEPARKEREN Het volgende voorbeeld geeft de procedure voor het fileparkeren aan de rechterzijde van de weg weer. Voer het fileparkeren aan de linkerzijde uit door in alle stappen links door rechts te vervangen en andersom. 1 Zet de selectiehendel in stand R. Gewenste parkeerpositie 2 Rijd achteruit tot de rijlijnen van de Parking Assist Monitor de hoek van het gewenste parkeervak raken. Draai het stuurwiel geheel naar links en rijd voorzichtig achteruit. 3 Zet op het moment dat de auto evenwijdig staat met de stoeprand het stuurwiel recht en rijd voorzichtig achteruit. OPMERKING Vergeet bij het achteruitrijden niet de voorzijde te controleren en rijd langzaam achteruit om te voorkomen dat de geparkeerde auto geraakt wordt door de voorste hoek van uw auto. 354
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST 7. VOORZORGSMAATREGELEN VOOR GEBRUIK VOORZORGSMAAT- REGELEN VOOR HET RIJDEN WAARSCHUWING Vertrouw tijdens het achteruitrijden nooit uitsluitend op de Intelligent Parking Assist. Controleer altijd zelf of de weg achter de auto vrij is. Wees voorzichtig, net als bij het achteruitrijden met elke andere auto. Kijk niet alleen naar het scherm bij het achteruitrijden. Het beeld op het scherm kan afwijken van de werkelijke situatie. De weergegeven afstanden tussen objecten en vlakke oppervlakken kunnen afwijken van de werkelijke situatie. Als u alleen naar het scherm kijkt bij het achteruitrijden, kan een aanrijding het gevolg zijn. Controleer voordat u achteruit gaat rijden eerst de omgeving van de auto en kijk ook in de spiegels. Rijd langzaam achteruit en regel de snelheid met behulp van het rempedaal. Als het erop lijkt dat u een auto, een obstakel of een persoon gaat raken, trap dan het rempedaal in om de auto tot stilstand te brengen en schakel het systeem uit door aan te raken op het scherm. Gebruik het systeem uitsluitend op een horizontaal wegdek. Let op de volgende punten omdat het stuurwiel in de modus fileparkeren en de modus automatisch inparkeren automatisch wordt gedraaid: Houd kleding als stropdassen, sjaals en mouwen uit de buurt van het stuurwiel om te voorkomen dat ze bekneld raken. Houd ook kinderen uit de buurt van het stuurwiel. Pas op dat u uzelf tijdens het draaien van het stuurwiel niet bezeert als u lange nagels hebt. Als er een probleem optreedt, breng dan de auto tot stilstand en schakel het systeem uit door op het scherm aan te raken. WAARSCHUWING Controleer voor met parkeren te beginnen of het parkeervak groot genoeg is voor de auto. Gebruik het systeem onder de volgende omstandigheden niet: Buiten parkeervakken Op een onverhard wegdek, zoals grind of zand Op parkeerterreinen met onregelmatig gevormde parkeervakken of hoogteverschillen Op een wegdek dat bedekt is met ijs of sneeuw of anderszins glad is Op asfalt dat door hoge buitentemperaturen zacht geworden is Als er obstakels in de beoogde parkeerruimte (binnen het blauwe kader) of tussen de auto en de parkeerruimte aanwezig zijn Als er tijdens het parkeren veel andere auto's of voetgangers passeren Op plaatsen die niet geschikt zijn om te parkeren (te krappe ruimtes, steile rotsen, enz.) Als het beeld slecht te zien is door vuil, direct zonlicht, schaduw of sneeuw op de cameralens Als er sneeuwkettingen worden gebruikt of het reservewiel gemonteerd is Gebruik het systeem niet als de achterklep niet geheel gesloten is. 355 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST WAARSCHUWING Gebruik geen andere banden onder de auto dan door de fabrikant is voorgeschreven omdat anders een juiste werking van het systeem niet gegarandeerd kan worden. Als u andere banden gebruikt, kunnen er fouten optreden bij het weergeven van de positie van de lijnen en kaders op het scherm. Neem contact op met een Toyota-dealer of erkende reparateur als u de banden onder uw auto wilt vervangen. Onder de volgende omstandigheden kan het voorkomen dat het automatisch inparkeren op de ingestelde positie niet lukt: Als de banden extreem ver versleten zijn of als de bandenspanning te laag is Als de auto abnormaal zwaar belast is Als een zijde van de auto veel zwaarder belast is dan de andere zijde, waardoor de auto naar een kant gaat overhellen Als de banden een stoeprand hebben geraakt waardoor de wieluitlijning niet meer juist is Raadpleeg een Toyota-dealer of erkende reparateur als er een groot verschil is tussen de ingestelde parkeerruimte en de positie van de auto in situaties anders dan de bovenstaande situaties. Controleer met eigen ogen de omgeving van de auto, aangezien het weergegeven beeld vaag of donker kan worden, en bewegende beelden vertekend weergegeven worden of niet geheel zichtbaar zijn wanneer de buitentemperatuur laag is. Controleer voordat u achteruit gaat rijden eerst de omgeving van de auto en kijk ook in de spiegels. GEBIED DAT OP HET SCHERM WORDT WEERGEGEVEN Het beeld dat op het scherm wordt weergegeven is slechts een benadering. Hoeken bumper INFORMATIE Het gebied dat op het scherm wordt weergegeven, kan variëren als gevolg van de positie van de auto of de wegcondities. Het bereik van de camera is beperkt. De camera kan geen objecten signaleren die zich te dicht bij de hoeken van de bumper of onder de bumper bevinden. De camera is voorzien van een speciale lens. De afstand op het beeld op het scherm wijkt af van de werkelijke afstand. 356
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST INFORMATIE In de volgende gevallen kunnen de beelden op het scherm moeilijk te zien zijn, ook als het systeem naar behoren functioneert: In het donker (bijvoorbeeld 's nachts) Als de temperatuur in de buurt van de lens extreem hoog of laag is Als er waterdruppels op de lens aanwezig zijn of als de luchtvochtigheid hoog is (bijvoorbeeld bij regen) Als er verontreinigingen (bijv. sneeuw of modder) op de camera aanwezig zijn Als er krassen of vuil op de lens aanwezig zijn Als de zon of koplampen van andere auto's rechtstreeks op de lens van de camera schijnt/schijnen Als er een heldere lichtbundel (bijv. zonlicht dat gereflecteerd wordt door de carrosserie) opgevangen wordt door de camera, kan het smear-effect*, een bijzondere eigenschap van de CCD-camera, optreden. INFORMATIE Als de camera wordt gebruikt bij fluorescerend licht, natriumlampen, kwiklampen enz., kan het lijken alsof de verlichting en de verlichte gebieden knipperen. Als er een antenne van een zender in de buurt van de camera gemonteerd wordt, kan het beeld op het scherm beïnvloed worden door de elektromagnetische golven, waardoor het systeem misschien niet juist functioneert. Plaats daarom geen antenne in de buurt van de camera. De manier waarop de beeldkwaliteit van het systeem voor automatisch inparkeren wordt ingesteld, is hetzelfde als voor het navigatiesysteem. 9 *: Smear-effect Een verschijnsel dat zich voordoet als een heldere lichtbundel (bijv. zonlicht dat door de carrosserie gereflecteerd wordt) wordt opgevangen door de camera; als het opgevangen beeld door de camera wordt doorgestuurd, verschijnt de lichtbron op het scherm met een verticale streep boven en onder de lichtbron. 357 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST DE INTELLIGENT PARKING ASSIST-CAMERA De Intelligent Parking Assist-camera bevindt zich op de achterklep. WAARSCHUWING Als u de volgende voorzorgsmaatregelen niet in acht neemt, werkt de Intelligent Parking Assist mogelijk niet juist, wat tot een aanrijding kan leiden: Als de achterzijde van de auto aan schokken wordt blootgesteld, kan de stand van de camera veranderen. Laat de positie en de montagehoek van de camera controleren door een Toyotadealer of erkende reparateur. De camera is waterdicht afgesloten. Verwijder, demonteer of wijzig hem daarom niet. Anders kan hij onjuist gaan werken. Als u de cameralens reinigt met een harde borstel of schuurmiddel, kunt u de lens beschadigen, waardoor de beeldkwaliteit in negatieve zin wordt beïnvloed. Zorg ervoor dat er geen organische oplosmiddelen, autowas, ruitenreiniger of lak op de camera terechtkomt. Verwijder dergelijke stoffen zo snel mogelijk van de lens. Bij een snelle temperatuurverandering, bijvoorbeeld wanneer bij koud weer heet water op de auto terechtkomt, kan het zijn dat het systeem niet goed werkt. Als de camera bij een aanrijding geraakt is, of als de oriëntatielijnen van de camera niet in lijn liggen met de bumper, is het waarschijnlijk dat de positie van de camera of de hoek waaronder de camera gemonteerd is, gewijzigd is. Neem zo snel mogelijk contact op met een Toyota-dealer of erkende reparateur. Als de cameralens vuil is, kan deze geen duidelijk beeld overbrengen. Als zich water, sneeuw of modder op de lens bevindt, spoel dit dan af met water en droog de lens af met een zachte doek. Reinig de lens als deze erg vuil is met een mild schoonmaakmiddel en spoel hem af. 358
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST OPMERKING Raadpleeg een Toyota-dealer of erkende reparateur wanneer de banden van uw auto vervangen moeten worden. Als de banden worden vervangen, worden de rijlijnen op het scherm mogelijk anders weergegeven. Sla niet tegen de camera en onderwerp deze niet aan heftige schokken omdat dit de positie en de montagehoek kan veranderen. Stel de camera of de omgeving van de camera tijdens het wassen van de auto niet bloot aan sterke waterstralen. Hierdoor kunnen storingen optreden in de camera. VERSCHILLEN TUSSEN DE SCHERMWEERGAVE EN DE WERKELIJKE WEG In de volgende gevallen is er sprake van een foutmarge tussen de rijlijnen op het scherm en de werkelijke afstand/koers op de weg. WANNEER DE WEG ACHTER DE AUTO STEIL OMHOOG LOOPT 9 Objecten lijken zich verder van de auto te bevinden dan in werkelijkheid het geval is. 359 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST WANNEER DE WEG ACHTER DE AUTO STEIL OMLAAG LOOPT WANNEER EEN DEEL VAN DE AUTO ENIGSZINS IN DE VEREN ZAKT DOOR HET AANTAL PASSAGIERS OF DE VERDE- LING VAN DE BAGAGE Er is sprake van een foutmarge tussen de ingestelde beoogde parkeerpositie, de rijlijnen op het scherm en de werkelijke afstand/koers op de weg. Objecten lijken zich dichter bij de auto te bevinden dan in werkelijkheid het geval is. 360
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST WANNEER ER EEN DRIE- DIMENSIONAAL OBJECT IN DE BUURT IS De begeleiding op het scherm stelt een plat vlak (weg, enz.) als doel in. Wanneer er een driedimensionaal object in de buurt is dat uitsteekt (een obstakel zoals een vrachtwagen), neem dan de volgende voorzorgsmaatregelen in acht en let er op dat u niet tegen het object botst BEGELEIDINGSMODUS GESCHATTE KOERS De rijlijnen voor de geschatte koers worden in een plat vlak weergegeven (zoals bijvoorbeeld de weg). Het is niet mogelijk om de positie van driedimensionale objecten (zoals auto's) te bepalen met behulp van de rijlijnen voor de geschatte koers. In het bovenstaande geval lijkt de vrachtwagen buiten de rijlijnen voor de geschatte koers te vallen en de auto lijkt de vrachtwagen niet te raken. Wanneer u echter een loodrechte lijn vanaf de achterzijde van de vrachtwagen naar beneden trekt, valt deze lijn binnen de rijlijnen voor de geschatte koers. In werkelijkheid zal de auto de vrachtwagen mogelijk raken als u op deze manier achteruitrijdt. Controleer op dezelfde manier het gebied achter en rondom de auto visueel wanneer de rijlijnen voor de geschatte koers langs een object of obstakel lopen. 9 De breedte van de truck 361 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST AFSTANDSLIJN De afstand die op het scherm verschijnt tussen driedimensionale voorwerpen (zoals auto's) en platte oppervlakken (zoals de weg) en de werkelijke afstand verschillen als volgt. Ong. 1 m (3 ft.) l De afstand die op het scherm verschijnt tussen driedimensionale objecten (zoals auto's) en platte oppervlakken (zoals de weg) en de werkelijke afstand verschillen als volgt. In werkelijkheid = < ( en zijn even ver weg; is verder weg dan en ). Op het scherm lijkt de situatie echter < < te zijn. Op het scherm lijkt het alsof de vrachtwagen ongeveer 1 m (3 ft.) verderop staat geparkeerd. Wanneer u echter in werkelijkheid tot punt achteruitrijdt, raakt u de vrachtwagen. SENSOR Sensoren aan beide uiteinden van de voorbumper signaleren parkeerruimtes, waardoor het herkennen van een parkeerpositie eenvoudiger wordt. 362
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST SENSORDETECTIEGEBIED IN MODUS AUTOMATISCH ACHTERUIT INPARKEREN SENSORDETECTIEGEBIED IN MODUS FILEPARKEREN WAARSCHUWING In de volgende situaties werkt een sensor mogelijk niet goed: Wanneer de sensor bedekt is met ijs, sneeuw of modder. (Sensor werkt weer normaal nadat de verontreiniging verwijderd is.) Wanneer de sensor bevroren is. (Sensor werkt weer normaal nadat deze op temperatuur is.) Vooral bij lage temperaturen kunnen bevroren sensoren een geparkeerd voertuig mogelijk niet signaleren. Als de sensor door iets bedekt wordt. Wanneer de auto schuin staat. Bij extreem warm of koud weer. Bij het rijden over een hobbelig wegdek, op hellingen, grindwegen of gras. Wanneer onderdelen die ultrasone golven uitzenden zoals een claxon, een motor, de luchtdrukremmen van een vrachtwagens, enz. in de buurt van uw auto gebruikt worden. Wanneer er door zware regenval of een andere oorzaak te veel water op uw auto terechtkomt. Wanneer een radioantenne gemonteerd is. Wanneer de sensor zich te dicht in de buurt van een geparkeerd voertuig bevindt. Als de bumper of sensor een sterke schok ondergaat. Plaats geen accessoires voor de sensoren. 363 9 PERIPHERAL MONITORING-SYSTEEM
1. INTELLIGENT PARKING ASSIST HET SYSTEEM INITIALISE- REN Zorg dat u het systeem in de volgende situaties initialiseert. l De 12V-accu is losgenomen en weer aangesloten. l Het voortgangsscherm voor de initialisatie van het systeem wordt weergegeven wanneer de selectiehendel in stand R wordt gezet (door een lage accuspanning, enz.). INFORMATIE Het helpscherm verschijnt wanneer u kiest. Volg de aanwijzingen op het display en voer de correctie van het systeem uit op de volgende manier. De correctie is voltooid wanneer het oorspronkelijke scherm weer wordt weergegeven. Als het bovenstaande scherm niet verdwijnt, laat de auto dan nakijken door een Toyota-dealer of erkende reparateur. CORRIGEREN Draai, wanneer de auto stilstaat, het stuurwiel helemaal naar links en vervolgens helemaal naar rechts. (In welke volgorde dit gebeurt is niet belangrijk.) De correctie is voltooid wanneer het oorspronkelijke scherm weer wordt weergegeven. OPMERKING Als het bovenstaande scherm niet verdwijnt, laat de auto dan nakijken door een Toyota-dealer of erkende reparateur. 364
INDEX 1 2 3 4 5 6 7 8 9 365
ALFABETISCHE INDEX ALFABETISCHE INDEX A AAN/UIT/volumeknop... 208 Afstand en reistijd tot bestemming... 96 Afstandsbediening audio (stuurwieltoetsen)... 248 Algemene instellingen... 52 Schermen voor algemene instellingen... 52 Audio-instellingen... 259 Geluidsinstellingen... 259 ipod-instellingen... 262 Radio-instellingen... 261 Audiosysteem... 207 B Basisfuncties... 29 Basishandelingen... 210 Andere functies selecteren... 211 AUX-aansluiting... 212 CD-speler... 212 In- en uitschakelen van het systeem... 210 Spraakcommandosysteem... 210 USB-aansluiting... 213 Basisinformatie... 30 Bediening Bluetooth -audio... 240 Afspelen van Bluetooth -audio... 243 Verbinding maken met een Bluetooth -audiospeler... 242 Bediening kaartscherm... 39 Kaartconfiguratie wijzigen... 47 Oriëntatie kaart en 3d kaartmodus... 50 Schaal... 49 Scrollen... 40 Standaard kaarticonen... 51 Weergave actuele locatie... 39 Bediening navigatie... 10 Bediening radio... 214 Afstemmen op een radiozender... 215 Luisteren naar DAB... 217 Luisteren naar de radio... 214 RDS (Radio Data System)... 215 Vastleggen van een radiozender in het geheugen... 214 Bediening telefoon... 148 Bediening van de CD-speler... 220 Afspelen van een audiodisc... 221 Afspelen van een disc... 221 Afspelen van een MP3/WMA-disc... 224 Als de speler niet correct werkt... 228 Plaatsen van een disc... 220 Uitwerpen van een disc... 220 Bediening van ipod... 235 Aansluiten van ipod... 235 Afspelen van een ipod... 236 Bediening van USB-geheugen... 229 Aansluiten van een USB-geheugen... 229 Afspelen van een USB-geheugen... 230 Bedieningstips audio-/videosysteem ipod... 251 Bedieningstips audiosysteem... 250 Begrippen... 257 CD-R en CD-RW... 257 Gebruik en onderhoud van CD-speler en disc... 252 MP3/WMA-bestanden... 255 Radio-ontvangst... 250 USB-geheugen... 252 Beknopte handleiding... 9 366
Bellen met de Bluetooth -telefoon... 159 Bellen via een sms/mms... 165 Via intoetsen nummer... 159 Via oproepgeschiedenis... 162 Via POI... 165 Via snelkiezen... 161 Via spraakherkenning... 163 Via telefoonboek... 159 Beperkingen van het navigatiesysteem... 142 Berichtfunctie Bluetooth -telefoon... 170 Beantwoorden (snel antwoorden)... 171 Bekijken van berichten... 170 Melding nieuw bericht... 172 Bluetooth... 240 Bluetooth -instellingen... 196 Gedetailleerde Bluetooth -instellingen... 203 Geregistreerde apparaten... 196 Selecteren van draagbare speler... 202 Selecteren van een Bluetooth -telefoon... 200 C Camera van de Intelligent Parking Assist... 358 Configuratie... 52, 130, 173, 259, 279, 304 Contrast... 37 D Databaseversie kaart en dekkingsgebied Kaartinformatie... 145 Databaseversie kaart en dekkingsgebied... 145 E Extra diensten... 285, 286 G Gebruik van extra diensten... 295 Importeren van geheugenpunten... 299 Online zoeken... 295 Geheugenpunten... 108 GPS (Global Positioning System)... 142 H Helderheid... 37 I Index functies navigatiesysteem... 18 Index systeemfuncties... 18 Informatie... 273 Informatiedisplay... 274 Inleiding... 310 Intelligent Parking Assist... 310 Pre-Support-schakelaar... 311 Instellen scherm... 37 Instellen scherm... 37 Instellen van thuisadres als bestemming... 17 Instellingen geheugenpunt... 108 Instellen van de geheugenpunten... 114 Instellen van sneltoegang... 111 Instellen van te vermijden gebied... 120 Instellen van thuis... 109 Kopiëren vanaf een USB-geheugen... 128 Opslaan op een USB-geheugen... 125 Wissen van vorige bestemmingen... 125 Instellingen online zoeken... 304 Schermen instellingen online zoeken... 304 Instellingen verkeers- en parkeerinformatie... 279 Scherm voor verkeersinstellingen... 279 Intelligent Parking Assist... 310 367
ALFABETISCHE INDEX Invoeren van de route... 98 Gereden route... 104 Herschikken van bestemmingen... 99 Instellen van omleiding... 101 Routeoverzicht... 103 Toevoegen van bestemmingen... 98 Wegvoorkeur... 102 Wissen van bestemmingen... 100 Zoekcriterium... 100 Invoeren van letters en cijfers/scrollen... 32 K Kaartscherm... 20 Knop Tune/Scroll... 208 Korte uitleg... 20, 64, 148, 208 L Lijst met commando's... 270 M Modus automatisch inparkeren (achteruit inparkeren)... 318 Modus automatisch inparkeren (achteruit inparkeren)... 318 Pre-Support-functie... 318 Snelinstelfunctie... 319 Tips voor het instellen van de beoogde parkeerpositie... 329 Werkingsprocedure... 321 Modus fileparkeren... 332 Modus fileparkeren... 332 Pre-Support-functie... 332 Tips voor het instellen van de beoogde parkeerpositie... 340 Werkingsprocedure... 333 N Navigatie-instellingen... 130 Scherm voor navigatie-instellingen... 130 Navigatiesysteem... 63 Noorden boven... 50 O Onderbreken en hervatten van de begeleiding... 97 Ontvangen van oproepen op de Bluetooth -telefoon... 166 Opstartscherm... 30 Optie weergave rijlijnen voor niet-automatisch inparkeren... 349 Voorbeeld van gebruik van het systeem voor fileparkeren... 354 Voorbeeld van gebruik van het systeem voor parkeren (achteruit inparkeren)... 349 Overzicht extra diensten... 286 Vóór gebruik van extra diensten... 288 Overzicht toetsen en beginscherm... 10 P Parkeermanoeuvres... 312 Parkeermanoeuvres... 312 Peripheral monitoring-systeem... 309 Persoonlijke gegevens wissen... 57 Praten via de Bluetooth -telefoon... 167 Als u 0-9 kiest... 168 Wisselgesprek... 169 368
R Registreren van een Bluetooth -telefoon... 155 Opnieuw verbinding maken met de Bluetooth -telefoon... 158 Verbinding maken met een Bluetooth -telefoon... 157 Rijrichting naar boven... 50 Routebegeleiding... 89 Routebegeleidingsscherm... 89 S Scherm Informatie... 26 Scherm Menu... 22 Scherm Instellingen... 24 Specifieke stembegeleidingstermen... 93 Spraakcommandosysteem... 263, 264 Bediening spraakcommandosysteem... 264 Stuurwieltoetsen voor het spraakcommandosysteem... 264 Spraakinstellingen... 59 Scherm voor spraakinstellingen... 59 Spraakvolume... 60 Starten van routebegeleiding... 85 T Taal... 55 Telefoon (handsfree-systeem voor mobiele telefoon)... 151 Gebruik van de stuurwieltoetsen... 153 Gebruik van de telefoontoetsen... 152 Over het telefoonboek in dit systeem... 154 Wanneer u de auto verkoopt of wegdoet... 154 Telefoon... 147 Telefooninstellingen... 173 Geluidsinstellingen telefoon... 173 Instellingen voor berichten... 189 Telefoonboek... 175 Weergave-instellingen telefoon... 193 Telefoontoets... 148 Tijdzone... 54 Toets AM DAB... 208 Toets AUDIO... 10, 208 Toets CAR... 10 Toets CLOSE... 208 Toets DISC... 208 Toets FM... 208 Toets INFO... 274 Toets inzoomen... 20 Toets NAV... 10 Toets SEEK/TRACK... 208 Toets SETUP... 10, 208 Toets THUIS... 10 Toets uitzoomen... 20 Toets USB AUX... 208 Touchscreen-bediening... 31 U USB-aansluiting... 213 V Vastleggen actuele locatie... 143 Vastleggen van sneltoegang... 14 Vastleggen van thuis... 12 Vereiste instellingen voor gebruik van de diensten... 289 Account voor de portalsite aanmaken... 289 Bluetooth DUN-compatibele telefoon instellen... 290 Instellen van een Bluetooth DUN-profiel... 292 369
ALFABETISCHE INDEX Verkeer... 274 Parkeerinformatie... 277 Verkeersinformatie... 274 Verkeersvoorspellingsinformatie... 276 Voertuiginstellingen... 136 Onderhoud... 136 Voertuigaanpassing... 140 Voorzorgsmaatregelen voor gebruik... 355 Camera van de Intelligent Parking Assist... 358 Gebied dat op het scherm wordt weergegeven... 356 Sensor... 362 Systeem initialiseren... 364 Verschillen tussen de schermweergave en de werkelijke weg... 359 Voorzorgsmaatregelen tijdens het rijden... 355 Wanneer er een driedimensionaal object in de buurt is... 361 Z Zoeken van bestemming... 64, 66 Met behulp van adres... 69 Met behulp van coördinaten... 80 Met behulp van geheugen... 77 Met behulp van kaart... 76 Met behulp van kruispunt... 78 Met behulp van op-/afrit snelweg... 79 Met behulp van POI... 73 Met behulp van POI nabij cursor... 81 Met behulp van postcode in UK... 84 Met behulp van sneltoegang... 69 Met behulp van telefoonnummer... 80 Met behulp van thuis... 68 Met behulp van vorige... 77 Selecteren van het zoekgebied... 66 W Wat te doen als dit soort meldingen verschijnt... 343 Als het kader in de Assist-functie in rood wordt weergegeven... 348 Weergeven van POI-iconen... 105 Weer te geven POI-iconen selecteren... 105 Werking van de routebegeleiding... 16 370
371
Database-informatie kaart en updates Dit systeem maakt gebruik van de kaarten van AISIN AW. VOORWAARDEN EINDGEBRUIKER De data (hierna te noemen Data) worden ter beschikking gesteld voor uw eigen gebruik, zijn slechts bestemd voor intern gebruik en mogen niet worden doorverkocht. Ze zijn auteursrechtelijk beschermd en onderhevig aan de volgende bepalingen waar u aan de ene kant, en AISIN AW Co., LTD. ( AW") en haar licentieverleners aan de andere kant mee hebben ingestemd. 2010* NAVTEQ. Alle rechten voorbehouden. Oorspronkelijke publicatiedatum Bepalingen Alleen voor eigen gebruik. U stemt ermee in deze Data en de navigatieproducten van AW slechts te gebruiken voor persoonlijke, niet-commerciële doeleinden waarvoor u een licentie hebt, en niet voor zakelijke dienstverlening, timesharing en dergelijke. Derhalve, maar binnen de beperkingen omschreven in de volgende alinea's, mag u de Data alleen indien nodig voor uw eigen gebruik kopiëren om ze (i) te bekijken en (ii) te bewaren, op voorwaarde dat u eventuele copyright-meldingen niet verwijdert en de Data op geen enkele manier wijzigt. U stemt erin toe geen enkel deel van de Data te verveelvoudigen, kopiëren, veranderen, decompileren of disassembleren, noch afgeleide producten te maken of aan reverse engineering te onderwerpen. Ook mag het in geen enkele vorm en voor geen enkel doel worden overgedragen of gedistribueerd, behalve voor zover toegestaan op grond van dwingend recht. Beperkingen. Behoudens waar u door AW een licentie voor is verleend, en zonder beperking van de voorgaande alinea, mag u niet (a) de Data gebruiken met enig product, systeem of toepassing geplaatst in of op enige andere wijze verbonden met of in communicatie staand met auto's, welke in staat zijn tot navigeren, plaatsbepalen, gegevens verzenden, realtime routebegeleiding, fleetmanagement of vergelijkbare toepassingen; of (b) met of in communicatie met enige plaatsbepalingsapparatuur of enige draagbare of draadloze elektronische apparatuut of computers, waaronder zonder uitsluiting mobiele telefoons, palmtops en handheldcomputers, pagers of PDA's. Waarschuwing. Het is mogelijk dat de Data onjuiste of onvolledige informatie bevatten als gevolg van het verloop van de tijd, gewijzigde omstandigheden, de gebruikte bronnen en vanwege de aard van het vergaren van uitgebreide geografische gegevens, die elk tot onjuiste uitkomsten kunnen leiden. Geen garantie. De Data worden aan u verstrekt zoals ze zijn", en u stemt erin toe ze op eigen risico te gebruiken. AW en zijn licentieverleners (en hun licentieverleners en leveranciers) verlenen geen enkele vorm van garantie, expliciet of impliciet, die zich als gevolg van wettelijkheden of anderszins voordoen, inclusief, maar niet beperkt tot, inhoud, kwaliteit, nauwkeurigheid, volledigheid, effectiviteit, betrouwbaarheid, geschiktheid voor een bepaald doel, bruikbaarheid, gebruik of resultaten die op basis van de Data worden verkregen, of dat de Data of server ononderbroken of storingsvrij zullen zijn. 372
Disclaimer met betrekking tot garantie: AW EN ZIJN LICENTIEVERLENERS (IN- CLUSIEF HUN LICENTIEVERLENERS EN LEVERANCIERS) GEVEN GEEN ENKELE VORM VAN GARANTIE, EX- PLICIET OF IMPLICIET, MET BETREK- KING TOT KWALITEIT, PRESTATIES, VERKOOPBAARHEID, GESCHIKT- HEID VOOR EEN BEPAALD DOEL OF NIET-INBREUK. In sommige staten, gebiedsdelen of landen zijn bepaalde uitsluitingen van garantie niet toegestaan, dus mogelijk is bovenstaande uitsluiting niet op u van toepassing. Disclaimer met betrekking tot aansprakelijkheid: AW EN ZIJN LICENTIEVER- LENERS (INCLUSIEF HUN LICENTIE- VERLENERS EN LEVERANCIERS) ZIJN NIET AANSPRAKELIJK: MET BETREK- KING TOT EVENTUELE CLAIMS, EISEN OF ACTIES, ONGEACHT DE AARD VAN DE REDEN VAN DE CLAIM, EIS OF ACTIE OP AANVOERING VAN EVENTUEEL VERLIES, LETSEL OF SCHADE, DIRECT OF INDIRECT, WAT MOGELIJK HET RESULTAAT IS VAN HET GEBRUIK OF BEZIT VAN DE IN- FORMATIE; OF VOOR EVENTUEEL VERLIES VAN WINST, INKOMSTEN, CONTRACTEN OF SPAARGELDEN, OF EVENTUELE ANDERE DIRECTE, IN- DIRECTE, INCIDENTELE, SPECIALE OF RESULTERENDE SCHADE ALS GE- VOLG VAN UW GEBRUIK VAN OF ONVERMOGEN TOT GEBRUIK VAN DEZE INFORMATIE, EVENTUELE FOU- TEN IN DE INFORMATIE, OF DE SCHENDING VAN DEZE BEPALIN- GEN, HETZIJ IN EEN ONRECHTMATI- GE DAADSACTIE, HETZIJ IN EEN CONTRACTUELE ACTIE, HETZIJ GE- BASEERD OP EEN GARANTIE, OOK AL WAS AW OF WAREN ZIJN LICEN- TIEVERLENERS OP DE HOOGTE GE- STELD VAN DE MOGELIJKHEID VAN ZULKE SCHADE. In sommige staten, gebiedsdelen en landen zijn bepaalde uitsluitingen van garantie of schadevergoeding niet toegestaan, dus mogelijk is bovenstaande niet op u van toepassing. Regulering export. U stemt toe geen enkel deel van de aan u geleverde Data of enig product daarvan te exporteren, behalve overeenkomstig met, en tezamen met alle daarmee gepaard gaande licenties en goedkeuringen, de van toepassing zijnde wetgeving met betrekking tot export. Totale overeenkomst. Deze bepalingen vormen de totale overeenkomst tussen AW (en zijn licentieverleners, inclusief hun licentieverleners en leveranciers) en u met betrekking tot het onderwerp hiervan, en vervangen volledig alle geschreven of mondelinge overeenkomsten die eerder tussen ons bestonden met betrekking tot dit onderwerp. Toepasselijk recht. Bovenstaande bepalingen vallen onder het Nederlands recht, zonder (i) de collisierechtelijke/ i.p.r.- principes te laten gelden, of (ii) de United Nations Convention for Contracts for the International Sale of Goods, welke expliciet uitgesloten is. U stemt toe eventuele geschillen, claims en acties als gevolg van of voortkomend uit de aan u geleverde Data voor te leggen aan de Nederlandse rechtspraak. 373
Open bron-licentie Dit product maakt gebruik van de volgende open bron-software. T-Kernel This Product uses the Source Code of T-Kernel under T-License granted by the T-Engine Forum (www.t-engine.org). C Library This product includes software developed by the University of California, Berkeley and its contributors. This product includes software developed by the University of California, Lawrence Berkeley Laboratory. Copyright 1982, 1985, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1982, 1986, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1982, 1986, 1989, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. UNIX System Laboratories, Inc. All or some portions of this file are derived from material licensed to the University of California by American Telephone and Telegraph Co. or Unix System Laboratories, Inc. and are reproduced herein with the permission of UNIX System Laboratories, Inc. Copyright 1982, 1986, 1991, 1993, 1994 The Regents of the University of California. All rights reserved. UNIX System Laboratories, Inc. All or some portions of this file are derived from material licensed to the University of California by American Telephone and Telegraph Co. or Unix System Laboratories, Inc. and are reproduced herein with the permission of UNIX System Laboratories, Inc. Copyright 1983, 1990, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. UNIX System Laboratories, Inc. All or some portions of this file are derived from material licensed to the University of California by American Telephone and Telegraph Co. or Unix System Laboratories, Inc. and are reproduced herein with the permission of UNIX System Laboratories, Inc. Copyright 1983, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1987, 1991, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1987, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1988 Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1988 University of Utah. Copyright 1992, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. This code is derived from software contributed to Berkeley by the Systems Programming Group of the University of Utah Computer Science Department and Ralph Campbell. 374
Copyright 1988, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1988, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. This code is derived from software contributed to Berkeley by Arthur David Olson of the National Cancer Institute. Copyright 1989 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1989 The Regents of the University of California. All rights reserved. UNIX System Laboratories, Inc. All or some portions of this file are derived from material licensed to the University of California by American Telephone and Telegraph Co. or Unix System Laboratories, Inc. and are reproduced herein with the permission of UNIX System Laboratories, Inc. Copyright 1989, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1989, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. UNIX System Laboratories, Inc. All or some portions of this file are derived from material licensed to the University of California by American Telephone and Telegraph Co. or Unix System Laboratories, Inc. and are reproduced herein with the permission of UNIX System Laboratories, Inc. Copyright 1990, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. This code is derived from software contributed to Berkeley by Chris Torek. Copyright 1991, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1991, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. This code is derived from software contributed to Berkeley by Berkeley Software Design, Inc. Copyright 1992, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1992, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. This code is derived from software contributed to Berkeley by Ralph Campbell. Copyright 1992, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. UNIX System Laboratories, Inc. All or some portions of this file are derived from material licensed to the University of California by American Telephone and Telegraph Co. or Unix System Laboratories, Inc. and are reproduced herein with the permission of UNIX System Laboratories, Inc. Copyright 1992, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. 375
This software was developed by the Computer Systems Engineering group at Lawrence Berkeley Laboratory under DARPA contract BG 91-66 and contributed to Berkeley. All advertising materials mentioning features or use of this software must display the following acknowledgement: This product includes software developed by the University of California, Lawrence Berkeley Laboratory. Copyright 1992, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. This code is derived from software contributed to Berkeley by Ralph Campbell. This file is derived from the MIPS RISC Architecture book by Gerry Kane. Copyright 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1994 The Regents of the University of California. All rights reserved. This code is derived from software contributed to Berkeley by Andrew Hume of AT&T Bell Laboratories. Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 1. Redistributions of source code must retain the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. 3. All advertising materials mentioning features or use of this software must display the following acknowledgement: This product includes software developed by the University of California, Berkeley and its contributors. 4. Neither the name of the University nor the names of its contributors may be used to endorse or promote products derived from this software without specific prior written permission. 376
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE REGENTS AND CONTRIBUTORS AS IS AND ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE REGENTS OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. Copyright 1982, 1986 Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1983, 1990, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 1. Redistributions of source code must retain the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. 3. All advertising materials mentioning features or use of this software must display the following acknowledgement: This product includes software developed by the University of California, Berkeley and its contributors. 4. Neither the name of the University nor the names of its contributors may be used to endorse or promote products derived from this software without specific prior written permission. 377
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE REGENTS AND CONTRIBUTORS AS IS AND ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE REGENTS OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. Portions Copyright 1993 by Digital Equipment Corporation. Permission to use, copy, modify, and distribute this software for any purpose with or without fee is hereby granted, provided that the above copyright notice and this permission notice appear in all copies, and that the name of Digital Equipment Corporation not be used in advertising or publicity pertaining to distribution of the document or software without specific, written prior permission. THE SOFTWARE IS PROVIDED AS IS AND DIGITAL EQUIPMENT CORP. DISCLAIMS ALL WARRANTIES WITH REGARD TO THIS SOFTWARE, INCLUDING ALL IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS. IN NO EVENT SHALL DIGITAL EQUIPMENT CORPORATION BE LIABLE FOR ANY SPECIAL, DIRECT, INDIRECT, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES OR ANY DAMAGES WHATSOEVER RESULTING FROM LOSS OF USE, DATA OR PROFITS, WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT, NEGLIGENCE OR OTHER TORTIOUS ACTION, ARISING OUT OF OR IN CONNECTION WITH THE USE OR PERFORMANCE OF THIS SOFTWARE. 378
Copyright 1982, 1986, 1990, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1983, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1990, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 1. Redistributions of source code must retain the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. 3. Neither the name of the University nor the names of its contributors may be used to endorse or promote products derived from this software without specific prior written permission. THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE REGENTS AND CONTRIBUTORS AS IS AND ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE REGENTS OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. This product includes software developed by the NetBSD Foundation, Inc. and its contributors. Copyright 1996 The NetBSD Foundation, Inc. All rights reserved. 379
This code is derived from software contributed to The NetBSD Foundation by J.T. Conklin. Copyright 1997 The NetBSD Foundation, Inc. All rights reserved. This code is derived from software contributed to The NetBSD Foundation by Klaus Klein. Copyright 1997, 1998 The NetBSD Foundation, Inc. All rights reserved. Copyright 1997,98 The NetBSD Foundation, Inc. All rights reserved. This code is derived from software contributed to The NetBSD Foundation by J.T. Conklin. Copyright 1997, 1998 The NetBSD Foundation, Inc. All rights reserved. This code was contributed to The NetBSD Foundation by Klaus Klein. Copyright 1998 The NetBSD Foundation, Inc. All rights reserved. This code is derived from software contributed to The NetBSD Foundation by Klaus Klein. Copyright 1998, 2000 The NetBSD Foundation, Inc. All rights reserved. This code is derived from software contributed to The NetBSD Foundation by Klaus J. Klein. Copyright 1999, 2000 The NetBSD Foundation, Inc. All rights reserved. This code is derived from software contributed to The NetBSD Foundation by Julian Coleman. Copyright 2000 The NetBSD Foundation, Inc. All rights reserved. This code is derived from software contributed to The NetBSD Foundation by Dieter Baron and Thomas Klausner. Copyright 2000, 2001 The NetBSD Foundation, Inc. All rights reserved. This code is derived from software contributed to The NetBSD Foundation by Jun-ichiro itojun Hagino and by Klaus Klein. Copyright 2001 The NetBSD Foundation, Inc. All rights reserved. This code is derived from software contributed to The NetBSD Foundation by Klaus Klein. Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 1. Redistributions of source code must retain the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. 3. All advertising materials mentioning features or use of this software must display the following acknowledgement: This product includes software developed by the NetBSD Foundation, Inc. and its contributors. 380
4. Neither the name of The NetBSD Foundation nor the names of its contributors may be used to endorse or promote products derived from this software without specific prior written permission. THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE NETBSD FOUNDATION, INC. AND CONTRIBUTORS AS IS AND ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE FOUNDATION OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. This product includes software developed by Christos Zoulas. Copyright 1997 Christos Zoulas. All rights reserved. Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 1. Redistributions of source code must retain the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. 3. All advertising materials mentioning features or use of this software must display the following acknowledgement: This product includes software developed by Christos Zoulas. 4. The name of the author may not be used to endorse or promote products derived from this software without specific prior written permission. 381
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE AUTHOR AS IS AND ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE AUTHOR BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. This product includes software developed by Winning Strategies, Inc. Copyright 1994 Winning Strategies, Inc. All rights reserved. Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 1. Redistributions of source code must retain the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. 3. All advertising materials mentioning features or use of this software must display the following acknowledgement: This product includes software developed by Winning Strategies, Inc. 4. The name of the author may not be used to endorse or promote products derived from this software without specific prior written permission. 382
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE AUTHOR AS IS AND ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE AUTHOR BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. Copyright 1995, 1996, 1997, and 1998 WIDE Project. All rights reserved. Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 1. Redistributions of source code must retain the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. 3. Neither the name of the project nor the names of its contributors may be used to endorse or promote products derived from this software without specific prior written permission. 383
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE PROJECT AND CONTRIBUTORS AS IS AND ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE PROJECT OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. Copyright 1999 Citrus Project, All rights reserved. Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 1. Redistributions of source code must retain the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE AUTHOR AND CONTRIBUTORS AS IS AND ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE AUTHOR OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. 384
Copyright 1995 Carnegie-Mellon University. All rights reserved. Author: Chris G. Demetriou Copyright 1995, 1996 Carnegie- Mellon University. All rights reserved. Author: Chris G. Demetriou Permission to use, copy, modify and distribute this software and its documentation is hereby granted, provided that both the copyright notice and this permission notice appear in all copies of the software, derivative works or modified versions, and any portions thereof, and that both notices appear in supporting documentation. CARNEGIE MELLON ALLOWS FREE USE OF THIS SOFTWARE IN ITS AS IS CONDITION. CARNEGIE MELLON DISCLAIMS ANY LIABILITY OF ANY KIND FOR ANY DAMAGES WHATSOEVER RESULTING FROM THE USE OF THIS SOFTWARE. Carnegie Mellon requests users of this software to return to Software Distribution Coordinator or Software.Distribution@CS.CMU.EDU School of Computer Science Carnegie Mellon University Pittsburgh PA 15213-3890 any improvements or extensions that they make and grant Carnegie the rights to redistribute these changes. TCP/IP, Socket Library This product includes software developed by the University of California, Berkeley and its contributors. Copyright 1980, 1983, 1988, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1983, 1987, 1989 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1983, 1989, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1985, 1988, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1985, 1993 The Regents of the University of California. All rights reserved. Copyright 1989, 1993, 1995 The Regents of the University of California. All rights reserved. 385
Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 1. Redistributions of source code must retain the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. 3. All advertising materials mentioning features or use of this software must display the following acknowledgement: This product includes software developed by the University of California, Berkeley and its contributors. 4. Neither the name of the University nor the names of its contributors may be used to endorse or promote products derived from this software without specific prior written permission. THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE REGENTS AND CONTRIBUTORS AS IS AND ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE REGENTS OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. Copyright 2004 by Internet Systems Consortium, Inc. ( ISC ) Portions Copyright 1996-1999 by Internet Software Consortium. Permission to use, copy, modify, and distribute this software for any purpose with or without fee is hereby granted, provided that the above copyright notice and this permission notice appear in all copies. 386
THE SOFTWARE IS PROVIDED AS IS AND ISC DISCLAIMS ALL WARRANTIES WITH REGARD TO THIS SOFTWARE INCLUDING ALL IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS. IN NO EVENT SHALL ISC BE LIABLE FOR ANY SPECIAL, DIRECT, INDIRECT, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES OR ANY DAMAGES WHATSOEVER RESULTING FROM LOSS OF USE, DATA OR PROFITS, WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT, NEGLIGENCE OR OTHER TORTIOUS ACTION, ARISING OUT OF OR IN CONNECTION WITH THE USE OR PERFORMANCE OF THIS SOFTWARE. Portions Copyright 1993 by Digital Equipment Corporation. Permission to use, copy, modify, and distribute this software for any purpose with or without fee is hereby granted, provided that the above copyright notice and this permission notice appear in all copies, and that the name of Digital Equipment Corporation not be used in advertising or publicity pertaining to distribution of the document or software without specific, written prior permission. THE SOFTWARE IS PROVIDED AS IS AND DIGITAL EQUIPMENT CORP. DISCLAIMS ALL WARRANTIES WITH REGARD TO THIS SOFTWARE, INCLUDING ALL IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS. IN NO EVENT SHALL DIGITAL EQUIPMENT CORPORATION BE LIABLE FOR ANY SPECIAL, DIRECT, INDIRECT, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES OR ANY DAMAGES WHATSOEVER RESULTING FROM LOSS OF USE, DATA OR PROFITS, WHETHER IN AN ACTION OF CONTRACT, NEGLIGENCE OR OTHER TORTIOUS ACTION, ARISING OUT OF OR IN CONNECTION WITH THE USE OR PERFORMANCE OF THIS SOFTWARE. This product includes software developed by WIDE Project and its contributors. Portions Copyright 1995, 1996, 1997, and 1998 WIDE Project. All rights reserved. Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 1. Redistributions of source code must retain the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. 387
3. All advertising materials mentioning features or use of this software must display the following acknowledgement: This product includes software developed by WIDE Project and its contributors. 4. Neither the name of the project nor the names of its contributors may be used to endorse or promote products derived from this software without specific prior written permission. THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE PROJECT AND CONTRIBUTORS AS IS AND ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE PROJECT OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. Copyright 1988 Stephen Deering. Copyright 1982, 1986 Regents of the University of California. All rights reserved. Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 1. Redistributions of source code must retain the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. 3. [rescinded 22 July 1999] 4. Neither the name of the University nor the names of its contributors may be used to endorse or promote products derived from this software without specific prior written permission. 388
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE REGENTS AND CONTRIBUTORS AS IS AND ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE REGENTS OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. Copyright 1982, 1986, 1988 Regents of the University of California. All rights reserved. Redistribution and use in source and binary forms are permitted provided that the above copyright notice and this paragraph are duplicated in all such forms and that any documentation and other materials related to such distribution and use acknowledge that the software was developed by the University of California, Berkeley. The name of the University may not be used to endorse or promote products derived from this software without specific prior written permission. THIS SOFTWARE IS PROVIDED AS IS AND WITHOUT ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, WITHOUT LIMITATION, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE. Rights, responsibilities and use of this software are controlled by the agreement found in the LICENSE.H file distributed with this source code. LICENSE.H may not be removed from this distribution, modified, enhanced nor references to it omitted. Copyright 1983 by the Massachusetts Institute of Technology Copyright 1984 by the Massachusetts Institute of Technology Copyright 1984, 1985 by the Massachusetts Institute of Technology Copyright 1990 by NetPort Software Copyright 1990-1993 by NetPort Software. Copyright 1990-1994 by NetPort Software. Copyright 1990-1996 by NetPort Software. 389
Copyright 1990-1997 by NetPort Software. Copyright 1993 by NetPort Software Copyright 1986 by Carnegie Mellon All Rights Reserved Permission to use, copy, modify, and distribute this software and its documentation for any purpose and without fee is hereby granted, provided that the above copyright notice appear in all copies and that both that copyright notice and this permission notice appear in supporting documentation, and that the name of CMU not be used in advertising or publicity pertaining to distribution of the software without specific, written prior permission. OpenSSL This product includes software developed by the OpenSSL Project for use in the OpenSSL Toolkit. (http://www.openssl.org/) This product includes cryptographic software written by Eric Young (eay@cryptsoft.com). This product includes software written by Tim Hudson (tjh@cryptsoft.com). OpenSSL License Copyright 1998-2008 The OpenSSL Project. All rights reserved. Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 1. Redistributions of source code must retain the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. 3. All advertising materials mentioning features or use of this software must display the following acknowledgment: This product includes software developed by the OpenSSL Project for use in the OpenSSL Toolkit. (http://www.openssl.org/) 4. The names OpenSSL Toolkit and OpenSSL Project must not be used to endorse or promote products derived from this software without prior written permission. For written permission, please contact openssl-core@openssl.org. 5. Products derived from this software may not be called OpenSSL nor may OpenSSL appear in their names without prior written permission of the OpenSSL Project. 6. Redistributions of any form whatsoever must retain the following acknowledgment: This product includes software developed by the OpenSSL Project for use in the OpenSSL Toolkit (http://www.openssl.org/) 390
THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY THE OpenSSL PROJECT AS IS AND ANY EXPRESSED OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE OpenSSL PROJECT OR ITS CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. This product includes cryptographic software written by Eric Young (eay@cryptsoft.com). This product includes software written by Tim Hudson (tjh@cryptsoft.com). Original SSLeay License Copyright 1995-1998 Eric Young (eay@cryptsoft.com) All rights reserved. This package is an SSL implementation written by Eric Young (eay@cryptsoft.com). The implementation was written so as to conform with Netscapes SSL. This library is free for commercial and noncommercial use as long as the following conditions are aheared to. The following conditions apply to all code found in this distribution, be it the RC4, RSA, lhash, DES, etc., code; not just the SSL code. The SSL documentation included with this distribution is covered by the same copyright terms except that the holder is Tim Hudson (tjh@cryptsoft.com). Copyright remains Eric Young s, and as such any Copyright notices in the code are not to be removed. If this package is used in a product, Eric Young should be given attribution as the author of the parts of the library used. This can be in the form of a textual message at program startup or in documentation (online or textual) provided with the package. Redistribution and use in source and binary forms, with or without modification, are permitted provided that the following conditions are met: 391
1. Redistributions of source code must retain the copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer. 2. Redistributions in binary form must reproduce the above copyright notice, this list of conditions and the following disclaimer in the documentation and/or other materials provided with the distribution. 3. All advertising materials mentioning features or use of this software must display the following acknowledgement: This product includes cryptographic software written by Eric Young (eay@cryptsoft.com) The word cryptographic can be left out if the rouines from the library being used are not cryptographic related :-). 4. If you include any Windows specific code (or a derivative thereof) from the apps directory (application code) you must include an acknowledgement: This product includes software written by Tim Hudson (tjh@cryptsoft.com) THIS SOFTWARE IS PROVIDED BY ERIC YOUNG AS IS AND ANY EXPRESS OR IMPLIED WARRANTIES, INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, THE IMPLIED WARRANTIES OF MERCHANTABILITY AND FITNESS FOR A PARTICULAR PURPOSE ARE DISCLAIMED. IN NO EVENT SHALL THE AUTHOR OR CONTRIBUTORS BE LIABLE FOR ANY DIRECT, INDIRECT, INCIDENTAL, SPECIAL, EXEMPLARY, OR CONSEQUENTIAL DAMAGES (INCLUDING, BUT NOT LIMITED TO, PROCUREMENT OF SUBSTITUTE GOODS OR SERVICES; LOSS OF USE, DATA, OR PROFITS; OR BUSINESS INTERRUPTION) HOWEVER CAUSED AND ON ANY THEORY OF LIABILITY, WHETHER IN CONTRACT, STRICT LIABILITY, OR TORT (INCLUDING NEGLIGENCE OR OTHERWISE) ARISING IN ANY WAY OUT OF THE USE OF THIS SOFTWARE, EVEN IF ADVISED OF THE POSSIBILITY OF SUCH DAMAGE. The licence and distribution terms for any publically available version or derivative of this code cannot be changed. i.e. this code cannot simply be copied and put under another distribution licence [including the GNU Public Licence. 392
393
03-2012 08545-18012-00