Groep 1 2 (Tal, SLO)
DOELEN GROEP 1 Rekentaal begrijpen Opzeggen van de telrij t/m 10 (12) Telrij opzeggen t/m 10 (akoestisch naar puur tellen) Buurgetallen kennen Vanaf elk willekeurig getal verder tellen Een aantal rangtelwoorden t/m 5 Vanaf verschillende getallen terug kunnen tellen t/m 5 Werken met telbare hoeveelheden t/m 6 (10) Kinderen kunnen een aantal hoeveelheidsbegrippen passief gebruiken zoals: - Veel, weinig, meer, minder, meest, minst - Één meer één minder, evenveel - Samen, bij elkaar, verdelen - Lang, kort, groot, klein, breed, smal, hoog, laag, dik, dun - Voor, achter, erna, ervoor, boven, onder, onder alle - Zwaar, licht, vol, leeg - Niets, geen Tellen (synchroon naar resultatief) van hoeveelheden tot tenminste 6, en kunnen weergeven (bijvoorbeeld door neer te leggen, te tekenen) Kleine schattingen maken t/m 5 Vergelijken en ordenen op: meer/minder, evenveel, minste/meeste Verkort tellen met behulp van vijf-/dubbel-/dobbelsteenstructuur Representeren van hoeveelheden bijvoorbeeld: vingers, dobbelsteenpatronen tot 5 (6)
Cijfersymbolen tot 6 (10) Herkennen en benoemen van getal symbolen t/m 5 / 6 Weten dar getallen verschillende betekenissen en functies hebben In groep 1 is de leerkracht hoofdzakelijk bezig met: omgaan met getallen (getal aspecten) opzeggen van de telrij werken met telbare hoeveelheden de leerlingen komen wel in aanraking met getal symbolen door de gecombineerde kaarten met dobbelsteenpatronen (vinger- en turfbeelden) en getal symbolen. In groep 1 zijn de activiteiten in ieder geval in het getallengebied tot en met 6 (minimaal.)
DOELEN GROEP 2 rekentaal begrijpen opzeggen van de telrij tot 20 (>20) vanaf een gegeven getal verder kunnen tellen tot 20 (>20) buurgetallen kennen t/m 12 (>12) terugtellen vanaf 10 (>) vanaf elk getal sprongen van 2 en 5 herkennen en gebruiken van een aantal rangtelwoorden t/m 10 kunnen omgaan met (de betekenis van) nul in de telrij kunnen redeneren over de telrij in eenvoudige en betekenisvolle probleem/conflictsituaties werken met telbare hoeveelheden t/m 12 een aantal hoeveelheden kennen en actief kunnen toepassen globaal kunnen schatten en tellen (resultatief) én kunnen weergeven (bijvoorbeeld: neerleggen, tekenen) vergelijken en ordenen op meer, minder, evenveel, minste, meeste kleine getal patronen tot tenminste 6 kunnen herkennen, zonder tellen door gebruik te maken van patronen en structuren verkort tellen met behulp van de 5-, dubbel-, of dobbelsteenstructuur (doortellen, door handig te structureren, verkort terugtellen, door samenvoegen, met sprongen) hoeveelheden kunnen representeren met behulp van vingers, dobbelsteenpatronen of turfbeelden t/m 10
hoeveelheden tot en met tenminste 12 kunnen representeren in een beeldgrafiek en kunnen interpreteren kunnen redeneren over hoeveelheden in eenvoudige betekenisvolle probleem/conflictsituaties erbij en eraf situaties en splitsingen kleine erbij en eraf (van 1 en 2) problemen in dagelijkse contexten (handelend) kunnen oplossen onder tenminste 12 eenvoudige splitsingen tot 6 (SLO: tot 10) kunnen oplossen eenvoudige verdeelsituaties (handelend) kunnen oplossen onder tenminste 12 en kunnen vertellen wat het resultaat is verschil kunnen bepalen tussen twee kleine hoeveelheden / getallen werken met getal symbolen tot 10 (20) herkennen en benoemen van getal symbolen t/m 10 volgorde (ordenen) van getal symbolen in de getallenrij herkennen en kunnen leggen (niet schrijven) t/m 10 koppelen van getal symbolen, telwoorden en hoeveelheden t/m 10 representeren van hoeveelheden t/m 10 met een getal symbool en omgekeerd: bij een getal symbool tot en met tenminste 10 de hoeveelheid kunnen weergeven redeneren over de telrij in eenvoudige en betekenisvolle probleem / conflictsituaties betekenissen en functies van getallen kennen
EINDDOELEN TELLEN EN GETALBEGRIP GROEP 1 2 (TAL, SLO) JANUARI / JUNI Einddoelen groep 1 januari Einddoelen groep 1 juni Einddoelen groep 2 januari Einddoelen groep 2 juni rekentaal begrijpen rekentaal begrijpen rekentaal begrijpen rekentaal begrijpen een aantal hoeveelheidsbegrippen passief kennen opzeggen van de telrij t/m 5 (10) buurgetallen t/m 5 synchroon tellen tot 5 (6) vergelijken, ordenen, schatten op meer / minder/ evenveel / minste / meeste t/m 5 aantal cijfer symbolen herkennen opzeggen van de telrij t/m 10 van akoestisch naar puur tellen buurgetallen kennen vanaf een gegeven getal verder tellen vanaf verschillende getallen terug kunnen tellen t/m 5 herkennen van een aantal rangtelwoorden t/m tenminste 5 werken met telbare hoeveelheden hoeveelheidsbegrippen passief kunnen gebruiken tellen (synchroon resultatief) van hoeveelheden tot tenminste 6, en kunnen weergeven (bijvoorbeeld: neerleggen, tekenen) kleine schattingen maken tot 5 (6) vergelijken, ordenen, schatten op meer / minder / evenveel / minste / meeste t/m 6 (8) verkort tellen d.m.v. vijf opzeggen van de telrij t/m 12 (15) telrij opzeggen en vanaf elk getal verder kunnen tellen tot 12 (15) buurgetallen t/m/ 8 (10) benoemen terug kunnen tellen vanuit getallen tot 6 (8) herkennen en gebruiken van rangtelwoorden t/m 6 (8) weten wat er met nul bedoeld wordt kunnen redeneren over de telrij in eenvoudige en betekenisvolle probleem/conflictsituaties sprongen van 2 werken met hoeveelheden t/m 8 (10) hoeveelheidsbegrippen passief kunnen toepassen hoeveelheden tot tenminste 8 (10) kunnen tellen (resultatief) en kunnen weergeven opzeggen van de telrij t/m 20 (>20) telrij opzeggen en vanaf elk getal verder kunnen tellen buurgetallen t/m/ 12 (20) benoemen terug kunnen tellen vanuit getallen tot 10 (>) herkennen en gebruiken van rangtelwoorden t/m 10 sprongen van 2 en 5 kunnen omgaan met (de betekenis van) nul in de telrij situaties kunnen redeneren over de telrij in eenvoudige en betekenisvolle probleem/conflictsituaties werken met hoeveelheden t/m 12 hoeveelheidsbegrippen herkennen en actief kunnen toepassen globaal kunnen schatten en tellen t/m 12 (resultatief) én
dobbelsteen -, dubbelstructuur Representeren van getallen bv. vingers, dobbelsteenpatronen tot 5 (6) Cijfersymbolen tot 6 Herkennen en benoemen van getal symbolen t/m 5 (6) Betekenis en functies van getallen (neerleggen, tekenen) vergelijken en ordenen op: meer/minder, evenveel, minste/meeste t/m 8 (10) getal-patronen/structuren/t/m 6 herkennen verkort kunnen tellen van hoeveelheden onder tenminste 6 (8) door gebruik te maken van patronen en structuren (5 -, dubbel of dobbelsteenstructuur) hoeveelheden tot en met tenminste 8 kunnen representeren in een beeldgrafiek en kunnen interpreteren representeren van hoeveelheden t/m 6 bv. vingers, turven. Kunnen redeneren over kleine hoeveelheden in eenvoudige betekenisvolle probleem/conflictsituaties kunnen weergeven (neerleggen, tekenen) vergelijken en ordenen op: meer/minder, evenveel, minste/meeste getalpatronen/structuren t/m 6 herkenneen verkort tellen m.b.v. de 5-, dubbel- of dobbelsteenstructuur (doortellen, door handig te structureren, verkort terugtellen, samenvoegen, met sprongen) hoeveelheden tot en met tenminste 12 kunnen representeren in een beeldgrafiek en kunnen interpreteren representeren van hoeveelheden t/m 10 bv. vingers, turven kunnen redeneren over hoeveelheden in eenvoudige betekenisvolle probleem/conflictsituaties Erbij en eraf van 1 of 2 Eenvoudige splits problemen handelend kunnen oplossen t/m 6 Eenvoudige verdeelsituaties (handelend) kunnen oplossen erbij en eraf van 1 of 2 eenvoudige optel en aftrekproblemen tot 12.
onder tenminste 6 (8) Getal symbolen t/m 10 (20) Herkennen en benoemen van getal symbolen t/m 6 (8) Volgorden (ordenen) van getal symbolen in de getallenrij herkennen en kunnen leggen (niet schrijven) t/m 6 (8) Koppelen van getal symbolen, telwoorden en hoeveelheden t/m 6 (8) Representeren van hoeveelheden t/m 6 met een getal symbool en omgekeerd: bij een getal symbool t/m tenminste 6 (8) de hoeveelheid kunnen weergeven Betekenis en functies van getallen Splitsingen tot 6 (SLO tot 10) eenvoudige splitsproblemen kunnen oplossen onder 10 eenvoudige verdeelsituaties (handelend) kunnen oplossen onder tenminste 12 en kunnen vertellen wat het resultaat is verschil kunnen bepalen tussen twee kleine hoeveelheden / getallen getal symbolen t/m 10 (20) herkennen en benoemen van getal symbolen t/m 10 (20) Volgorden (ordenen) van getal symbolen in de getallenrij herkennen en kunnen leggen (niet schrijven) t/m 10 (20) Koppelen van getal symbolen, telwoorden en hoeveelheden t/m 10 Representeren van hoeveelheden t/m 10 met een getal symbool en omgekeerd: bij een getal symbool t/m 10 de hoeveelheid kunnen weergeven Verschil bepalen tussen twee kleine getallen Betekenis en functies van getallen