Gewone pad Bufo bufo. cd 7, 8



Vergelijkbare documenten
De Heikikker De Heikikker

Mitigatie en compensatieplan rugstreeppad

Amfibieën in de verbindingszone Kaaistoep - Drijflanen in. Tilburg Frank Spikmans & Arnold van Rijsewijk

AMFIBIEËN IN DE ACHTERHOEK DE KNOFLOOKPAD SAMEN WERKEN AAN EEN OPTIMAAL LANDSCHAP

Bureauonderzoek natuurwaarden wijzigingsplan Boekenrode

Het is eind februari en de paddentrek staat weer op beginnen. Wat beweegt al die duizenden padden om massaal de weg op te gaan?

Soortenlijst Flora faunawet. Bestendig beheer gemeentelijke groenvoorziening

Onderzoek naar de waarde van een ponyweide aan de Nemelerbergweg 17a (Zwolle) voor de knoflookpad.

Hoofdstuk 1: Veldkenmerken en voorkomen 3. Hoofdstuk 2: Voedsel en vijanden 4. Hoofdstuk 3: Voortplanting en verwanten 6

Basiscursus amfibieën & reptielen 2007 RAVON Nijmegen

Waterlanders : op weg met Sam de salamander. Poelenproject Herzele ter uitbreiding van de amfibieënpopulatie met als kernsoort de kamsalamander.

AMFIBIEËN IN DE ACHTERHOEK DE BOOMKIKKER SAMEN WERKEN AAN EEN OPTIMAAL LANDSCHAP

LANGENHOLTE: TOPNATUUR

Atlas Amfibieën en Reptielen van de Provincie Vlaams-Brabant. Sam Van de Poel Natuurpunt Studie

Verslag Excursie Kombos Ravon Utrecht

Amfibieën en poelen. Gerlof Hoefsloot

Verslag RAVON Utrecht Excursie Landgoed Den Treek Henschoten 10 april 2010

De Groenzoom Struweelvogels

VAN ERVE NATUURONDERZOEK

Nieuwsbrief 8 van RAVON Afdeling Utrecht juli 2012

Een leefgebied voor de rugstreeppad

Kikkers Boomkikker Hyla arborea

AMFIBIEËN EN REPTIELEN IN HET PLANGEBIED EN OMGEVING VAN DE UITBREIDINGSLOCATIE RENDAC TE SON

Landschappelijke elementen

Monitoring Ecocorridor Zwaluwenberg

Amfibieën. Peter Harrewijn 9 maart 2017 IVN Steilrand

Mees Ruimte & Milieu T.a.v. de heer mr. M.W. van der Hulst Postbus AW Zoetermeer. Ons kenmerk: MEHA Datum: Versie:

Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris

Monitoring en inventarisatie reptielen en amfibieën Loonse en Drunense Duinen / Huis ter Heide

Help mee om achterstallig onderhoud te signaleren!

Naam:_ KIKKERS. pagina 1 van 6

Amfibieën onderzoek Haarlemmermeer

Bosbeheer voor reptielen en amfibieën. Jeroen van Delft

Poelkikker Rana lessonae

Tuinieren voor amfibieën en reptielen

Vuursalamander. Vuursalamander

Grote vos Nymphalis polychloros

AMFIBIEËN IN DE ACHTERHOEK DE KAMSALAMANDER SAMEN WERKEN AAN EEN OPTIMAAL LANDSCHAP

Stand van zaken huisvesting kinderopvang in Nederland

De inhoud. 1. De inleiding. 2. De woordspin. 3. Het uiterlijk van de das. 4. Wat eet de das? 5. Waar wonen dassen? 6. Hoe wordt de das geboren?

1. Status. Groenknolorchis (Liparis loeselii) H Kenschets. 3. Ecologische vereisten. 4. Huidig voorkomen

Kikkers. Inleiding. Kikkers bij ons in de buurt

Onderzoek naar kamsalamander, grote modderkruiper, kleine modderkruiper en bittervoorn in de Oeverlanden langs de Linge

OPKOMST VAN DE HALSBANDPARKIET IN NEDERLAND EN UTRECHT André van Kleunen

Kort verslag kleurringen van Nijlganzen en Grote Canadese Ganzen

Kijk een kikker. Achtergrond informatie bij de lespakketten. Maak kennis met kikkers van Nederland! Kennis maken. Observeren.

Amfibieën. Les 1 Kenmerken amfibieën en de kikker. 1. De leerkracht vertelt dat de les gaat over hoe je amfibieën kunt herkennen.

Verwerkingsles biodiversiteit onderbouw

Toxoplasmose bij de rode eekhoorn, een update

P a r a g r a a f e c o l o g i e N i e u w b o u w w o n i n g S c h a p e n d r i f t t e N o r g

Opvallend in deze figuur is het grote aantal bedrijven met een vergunning voor exact 340 stuks melkvee (200 melkkoeien en 140 stuks jongvee).

12.1 Ekster (Pica pica)

RED DE AMFIBIEËN IN EN ROND DE KERKPOLDER IN DELFT

Biodiversiteit in Zundert Korte samenvatting

Steenuilenwerkgroep Noord-Holland

Inventarisatie natuurwaarden Lelystad Airport

Veldinventarisatie ringslang en levendbarende hagedis A37, omgeving Zwartemeer

Informatie: zoetwaterdiertjes

Limburgs Landschap. natuurboekje van

Voorbereiding post 4. Van ven en veen Groep 3-4

Gewone pad. Teksten en foto s overgenomen van de Hylawerkgroep van Natuurpunt

De Vuursalamander. Wat is een vuursalamander?

Waarnemingen. AIC te Castricum

De grote modderkruiper uitgepeild. Jan Kranenbarg & Arthur de Bruin

Naar een Early Warning System voor de stierkikker in Nederland

Onderzoek rugstreeppad. Hazerswoude-Dorp. In opdracht van Ballast Nedam

Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris

BOETELERVELD. ROUTE 4,3 km

Vogels van riet en ruigte. Baardman Panurus biarmicus

TOELICHTING FLORA- EN FAUNAWET

Beestige bundel van: 1

Resultaten van het kleurringen van Nijlganzen en Grote Canadese Ganzen Frank Majoor & Berend Voslamber

Voorkomen van Bruine Kiekendief (Circus aeruginosus) in Het Verdronken Land Van Saeftinghe Walter Van Kerkhoven

QUICKSCAN EDESEWEG 51 WEKEROM

Slangen van Peninsula Osa, Costa Rica

6 Flora- en fauna quickscan

Bestrijding van de. muskusrat

Alpenwatersalamander Mesotriton alpestris

HET VOORKOMEN VAN DE RUGSTREEPPAD IN HET PLANGEBIED EN DIRECTE OMGEVING VAN DIJKZICHT-ZUID TE ZUILICHEM

Limburgs Landschap. natuurboekje van

d rm Neder wa e landopg

Inleiding In het najaar worden de dagen steeds korter en de nachten steeds langer. Kun je je voorstellen dat je in de maand november naar bed gaat?

een overzicht van beschermde en bedreigde dier- en plantensoorten Ruud, spaar ons mooie Keersopdal!

Naam: REPTIELEN. Vraag 1. Noem vier kenmerken van een reptiel. Vraag 1b. Welke (soorten) reptielen ken je al? pagina 1 van 8

p a h sc d n a L s rg u b im L

Transcriptie:

de amfibieën en reptielen van nederland cd 7, 8 Gewone pad Bufo bufo De gewone pad is een van de algemeenste amfibieën van Nederland. Het is een relatief grote en zwaar gebouwde pad met een wrattige huid. De soort komt in alle provincies voor, maar ontbreekt op de meeste Waddeneilanden. De gewone pad is niet kritisch wat betreft de habitat. De soort kan zich zelfs, als een van de weinige amfibieën, succesvol voortplanten in wateren met hoge visdichtheden. De voorjaarstrek in maart is vaak zo massaal dat er elk jaar veel media-aandacht voor is. Ook het aan land komen van grote aantallen juvenielen ( paddenregens ) kan spectaculair zijn. Beschrijving De gewone pad is een relatief grote, zwaargebouwde pad. De mannetjes worden maximaal 8 cm, de vrouwtjes maximaal 1 cm. Mannetjes worden maximaal circa 6 g, vrouwtjes circa 1 g (Günther & Geiger 1996, Kraan 1982, Nöllert & Nöllert 21). De kleur van de rug is variabel, van beige, licht- of donkerbruin tot bruinrood. De onderzijde kan zowel ongetekend als zwaar gemarmerd zijn en is lichtgrijs tot witachtig. Eventuele aanwezige vlekken zijn grijs. De huid heeft een wrattige structuur. Afhankelijk van de fase (water- of landfase) is de huid respectievelijk soepel en zacht of hard en stevig. De ogen hebben een horizontale pupil met een iris die goudkleurig tot koperrood gekleurd is. Achter de ogen bevinden zich twee grote, naar achteren buitenwaarts wijkende, gifklieren (parotoïden). Het trommelvlies zit schuin achter het oog en is goed zichtbaar. Tussen de tenen aan de achterpoten bevinden zich gereduceerde zwemvliezen. Deze reiken tot voorbij de helft van de langste teen. De voorpoten van mannetjes zijn zwaarder en gespierder dan bij vrouwtjes. Voor een goede omklemming van het vrouwtje tijdens de paring ontwikkelen de mannetjes al gedurende de winter op de binnenste drie tenen paarborstels. Deze zijn ruw, hoornachtig en zwart gekleurd. Juveniele exemplaren zijn qua kleur aanzienlijk donkerder dan volwassen exemplaren en hebben vaak steenrode vlekken. Juvenielen die het land op kruipen zijn overwegend zwart. De larven worden maximaal ruim 3 cm lang en zijn zwart. De staartpunt is afgerond en vertoont geen duidelijke tekening. De staartzoom loopt niet door tot op de rug (Lenders et al. 1993). Eieren van de gewone pad liggen paarsgewijs in een dubbele streng in eisnoeren met een lengte tot 3-4 m. Mannetjes bezitten geen uitwendige kwaakblaas, waardoor hun roep minder krachtig is dan bij vergelijkbare soorten. Het geluid is vrij monotoon en laat zich omschrijven als orrrt.orrt orrt (Diesener & Reichholf 1986). Meestal wordt niet de roep, maar het afweergeluid gehoord. Dit is het geluid dat de mannetjes maken wanneer zij door een ander mannetje vastgepakt worden. De afweerroep klinkt als: urp...urp...urp. Deze afweerroep lijkt enigszins op het geluid van een vrouwelijke meerkoet. Herkenning De gewone pad is eenvoudig van andere paddensoorten te onderscheiden. Verwarring is eigenlijk alleen mogelijk met de rugstreeppad. Het belangrijkste kenmerk van de rugstreeppad, de rugstreep, is bij de gewone pad nooit aanwezig. Daarentegen zijn er wel rugstreeppadden zonder rugstreep. De iris van het oog van de gewone pad is koperrood gekleurd, de iris van een rugstreeppad is geelachtig. De parotoïden van de gewone pad wijken van voor naar achter gezien naar buiten, terwijl de parotoïden van de rugstreeppad parallel lopen. De gewone pad heeft langere achter- Martens & Snep 29. In: Nederlandse Fauna 9: 164-173 4

hoofdstuk 8 de soorten poten en grotere zwemvliezen dan de rugstreeppad. Daarnaast is er nog een opvallend verschil aan de tenen van de achterpoten te zien. Bij de gewone pad zijn de gewrichtsknobbeltjes onder de voetzool enkelvoudig, bij de rugstreeppad zijn ze gepaard. Mannetjes van de rugstreeppad hebben een grote uitwendige kwaakblaas en produceren daardoor een veel harder geluid, dat niet alleen in volume, maar ook in lengte verschilt van het geluid van de gewone pad. De roep van de rugstreeppad is een luid, aanhoudend ratelend geluid, terwijl het geluid van de gewone pad uit een serie korte, herhaalde roepen bestaat. Eisnoeren van de gewone pad hebben een dubbel lijkende rij, door spiralisering van twee enkele eisnoeren. Bij ei snoeren van de rugstreeppad is meestal slechts één streng aanwezig (Lenders et al. 1993). Dit kenmerk is in het veld echter niet altijd even bruikbaar. Door uitrekking van de eisnoeren kan verwarring optreden. Op basis van de vorm van de liptandjes kunnen paddenlarven op soort gedetermineerd worden. Grotere larven van de gewone pad zijn van rugstreeppaddenlarven te onderscheiden door het ontbreken van een driehoekig lichtgekleurd vlekje achter de bek (Lenders et al. 1993). Zie ook de determinatiesleutels in Van Diepenbeek & Creemers (26). Mannetje op de uitkijk. Male on the look-out. Mannetjes. Males. Biologie Jaarritmiek De gewone pad kan gedurende het hele jaar worden waargenomen. Alleen tijdens langdurige vorstperioden wordt de soort niet of nauwelijks gezien. Er zijn echter wel waarnemingen van trekkende exemplaren op nog bevroren vennen (eigen waarnemingen). De gewone pad is, vergeleken met de andere soorten amfibieën, reeds vroeg in het voorjaar actief. In warme voorjaren Amplex. Amplexus. Martens & Snep 29. In: Nederlandse Fauna 9: 164-173

Adulten (n = 28.37) (n = 5457) (n = 3287) Eieren (n = 227) Larven (n = 3324) Juvenielen (n = 1929) de amfibieën en reptielen gewone pad van adult nederland (n=2837) rugstreeppad adult (n=5822) gewone pad adult (n=2837) gewone pad adult (n=2837) rugstreeppad adult (n=5822) rugstreeppad adult (n=5822) 3 % gewone pad adult (n=2837) 3 % rugstreeppad adult (n=5822) 3 % 3 3 % 3 2 De omvang van 2de voorjaarstrek kan als gevolg van de sterke 3 2 % 3 2 % 2 afhankelijkheid 2 1 1van het weer per dag behoorlijk verschillen. 2 1 2 Vooral in het begin 1 1 1 van de trekperiode is de avondtemperatuur en luchtvochtigheid 1 J F 1 een M goede A M voorspeller J J Avoor Sde O N D trekactiviteit. In sommige jaren trekt de gehele populatie in J F gewone M pad A man M(grijs; J n=5457) J & Avrouw S(rood; O n=3287) N D rugstreeppad J F Mman A(grijs; Mn=181) J & vrouw J A(rood; Sn=38), O niet Nin atlas D gewone pad man (grijs; n=5457) & vrouw (rood; n=3287) anderhalve week naar rugstreeppad opnemen het voortplantingswater; man vanwege (grijs; onbalans: n=181) & waarnemingskans vrouw (rood; andere n=38), roepende niet in atlas gewone pad man (grijs; n=5457) vrouw (rood; n=3287) rugstreeppad opnemen man vanwege (grijs; mannen>>vrouwen onbalans: n=181) waarnemingskans (rood; n=38), niet in atlas jaren met een meer fluctuerende opnemen vanwege temperatuur mannen>>vrouwen onbalans: waarnemingskans dit en-roependkele weken duren. De opnemen eerste dieren vanwege bij onbalans: het voortplantings- waarnemingskans roepende 3 % 3 % niet atlas opnemen gewone pad man (grijs; n=5457) & vrouw (rood; n=3287) rugstreeppad man (grijs; n=181) & (rood; n=38), niet in atlas 3 % 3 % mannen>>vrouwen mannen>>vrouwen 3 3 2 2 niet in atlas opnemen water zijn meestal mannetjes. Op plaatsen met een hoge 3 % 3 % niet in atlas opnemen 2 2 2 2 1 verkeersdruk vallen 1 in de trekperiode veel slachtoffers niet in atlas opnemen onder 2 1 2 1 1 de padden. 1 1 De piek in het 1 aantal J actieve F Mdieren A tijdens M Jde voortplanting J A S O N D gewone pad (grijs; n=227) & larven (rood; n=3324) ligt in maart en april, waarna rugstreeppad het aantal (grijs; snel n=318) afneemt. & larven De (rood; n=431) J F gewone M pad A M (grijs; J n=227) J A& larven S (rood; O n=3324) N D J F rugstreeppad M A M (grijs; J n=318) J A& larven S (rood; O n=431) N D 4 % gewone pad (grijs; n=227) larven (rood; n=3324) padden verspreiden zich na rugstreeppad april over de (grijs; beschikbare n=318) larven landhabitat en worden dan minder rugstreeppad gemakkelijk (grijs; waargenomen. n=318) & larven (rood; n=431) (rood; n=431) 4 % gewone pad (grijs; n=227) & larven (rood; n=3324) 3 4 larven 3 % larven 4 3 larven 3 % % De worden in maart en april gevonden. Bij latere 3 larven 2 3 larven 2 larven 3 larven mel dingen is het 3 2 bepaald % 2 2 niet uit te sluiten dat verwarring larven 2 1 1 2 1 met eisnoeren 2 van 1 de rugstreeppad is opgetreden. De meeste 1 1 eisnoeren worden tussen vegetatie of rond in het water 1 1 hangende takken afgezet, maar soms ook op een kale bo- J F M gewone A M pad juvenielen J J (n=1929) A S O N D dem. De laatste padden J F verlaten M A rugstreeppad het M voortplantingswater J juvenielen J (n=387) A S O N D gewone pad juvenielen (n=1929) rugstreeppad juvenielen (n=387) gewone pad juvenielen (n=1929) rugstreeppad juvenielen (n=387) uiterlijk in mei en brengen de rest van het jaar door in de 3 % gewone pad juvenielen (n=1929) 3 % rugstreeppad juvenielen (n=387) 3 % landhabitat. 3 % 3 3 2 2 3 % Larven worden 3 vooral % aangetroffen vanaf half april tot en 2 2 2 2 1 met half juni. 1 In juni of juli zijn de meeste juvenielen te 2 1 2 1 1 vinden. Ze verblijven 1 de eerste dagen na de metamorfose 1 op de oever van 1 het J voortplantingswater. F M A M JIn sommige J A Sge- vallen is er sprake van een zo massale aanwezigheid, dat van O N D begint al in de tweede helft van februari de voorjaarstrek een paddenregen wordt gesproken. Lopen langs de oever langzaam op gang te komen, gebruikelijker is echter de eerste van een water is dan niet meer mogelijk zonder jonge pad- helft van maart. Voorwaarde voor de trekactiviteit zijn den te vertrappen. een hoge relatieve luchtvochtigheid (>8%) en een luchttemperatuur Juvenielen en subadulten worden nooit langdurig in het boven 7 C. Neerslag zorgt altijd voor een ver- water aangetroffen. Ook volwassen dieren komen buiten de hoogde activiteit. Sterke activiteit treedt op bij neerslag na voortplantingstijd alleen in warme en droge perioden in het een langere droge periode, en bij relatief warme vochtige water. avonden in het voorjaar. In de zomer is de minimumtemperatuur Soms vertonen padden in het najaar een trekbeweging rich- voor activiteit wat hoger, namelijk 1-12 C. Vanaf ting voortplantingswater. Amplexvorming of eiafzetting 21 C neemt de activiteit geleidelijk af. (Staal 1982). tijdens deze trek is in Nederland niet bekend. In Duitsland Martens & Snep 29. In: Nederlandse Fauna 9: 164-173

hoofdstuk 8 de soorten is amplexvorming en trek in het najaar (half augustus) wel waargenomen (G. Martens pers. med.). Doordat de invloed van temperatuurswisselingen bij de trek naar de overwinteringsplaatsen een minder grote rol speelt is er van geconcentreerde migratie geen sprake. Deze najaarstrek is meer gelijkmatig en gespreid en daardoor minder opvallend. Ook deze trek eist echter veel verkeersslachtoffers. Vanaf de tweede helft van oktober, bij luchttemperaturen onder de 1 C, wordt de activiteit van de dieren beduidend minder. Het tijdstip waarop padden gaan overwinteren is afhankelijk van de temperatuur en valt meestal tussen half oktober en half november. Onderzoek met gezenderde padden heeft aangetoond dat ze zich tijdens de winterrust ook verticaal in de bodem verplaatsen met de op en neer gaande bodemtemperatuur (Bosch & Starmans 1982). Op deze wijze voorkomen ze bevriezing. meldt een gewone pad, die 36 jaar in een tuin woonde tot hij slachtoffer werd van een raaf. Onder meer natuurlijke omstandigheden kunnen padden zeker meer dan tien jaar oud worden. De gemiddelde leeftijd van mannetjes en vrouwtjes in een populatie in Noorwegen was respectievelijk 8,2 en 9,8 larve hand Legselgrootte, groei en leeftijd De eisnoeren van de gewone pad bevatten 2 tot 6. De ontwikkeling van ei naar larf voltrekt zich in ongeveer een week tot tien dagen (Arntzen 1981), waarna het gewoonlijk nog twee tot drie maanden duurt voordat de larven de metamorfose tot juveniel voltooien. In voedselarme en beschaduwde wateren kan de ontwikkelingstijd tot een volgroeide larf enkele maanden langer duren. De larven leven eerst in vaak zeer dichte scholen, later solitair. Overwintering van larven is niet bekend. Pas nadat jonge padden geslachtsrijp zijn, gaan ze voor het eerst terug naar het water. Mannetjes hebben dan minstens twee maal overwinterd en vrouwtjes minimaal drie keer (Hemelaar 1981). Gewone padden kunnen oud worden. Klingelhöffer (1955) Eisnoer. Eggs. hand Larve. Larva. Larven. Larvae. Martens & Snep 29. In: Nederlandse Fauna 9: 164-173

de amfibieën en reptielen van nederland jaar (Krasowski & Eeken 1983). In Zwitserland waren de meeste zich voortplantende mannetjes 8-1 jaar oud, vrouwtjes 11-12 jaar (Claessen & Van Gool 1983). Voedsel Gewone padden jagen op zicht. Ze eten voornamelijk ongewervelde dieren. In de Overasseltse en Hatertse Vennen bestond het voedsel hoofdzakelijk uit mieren, kevers en insectenlarven (Bosman et al. 23). In een andere studie worden naaktslakken, huisjesslakken, regenwormen, spinnen, duizendpoten, springstaarten, kevers, mieren, vliegen en vooral harige rupsen of rupsen van bloeddropjes (vlinderfamilie Zygaenidae) vermeld (Daemen 1974). Ook jonge salamanders, kikkertjes, padjes en jonge hazelwormen worden incidenteel gegeten. Onder lantaarnpalen zijn s nachts vaak gewone padden te vinden. Ze eten daar waarschijnlijk insecten die tegen de lamp zijn gevlogen en op de grond vallen (Creemers 1992). Tot voor kort werd aangenomen dat gewone padden tijdens de voorjaarstrek en de voortplanting niet eten. Bij voedselonderzoek in Nederland bleek echter dat de magen wel degelijk prooien kunnen bevatten (Bosman et al. 23). De larven van de gewone pad eten algen, hogere planten, dierlijk voedsel, schimmels en detritus (Nöllert & Nöllert 21). Predatoren Door de aanwezigheid van gifstoffen in de huid van gewone padden, in hun larven en in hun is deze soort relatief ongevoelig voor predatie en vindt er zelfs succesvolle voortplanting plaats in visvijvers. Tijdens de paddentrek worden soms tientallen gedode gewone padden rond het voortplantingswater aangetroffen. Kraaiachtigen, zoals eksters (Denton & Beebee 1994), zijn hiervoor verantwoordelijk. Ze draaien de volwassen padden om en eten het spierweefsel, terwijl ze de huid en gifklieren vermijden. Padden worden ook gegeten door de ringslang. Ook allerlei watervogels en roofvogels, zoals buizerd en uilen, prederen gewone padden. Resten van padden zijn dan ook te vinden in braakballen van uilen en andere vogels (Engelmann et al. 1986). Ook lijsterachtigen prederen kleinere (juveniele) gewone padden. Onder de zoogdieren zijn het onder meer egel, vos, bunzing, das en bruine rat die gewone padden eten (Goszczynski et al. 2). Bunzingen zijn in staat padden de huid af te stropen, om ze vervolgens op te eten. Op paddenlarven wordt nauwelijks gepredeerd door vissen, maar wel door geelgerande waterroofkevers en hun larven en door libellenlarven en wantsen. Watersalamanders eten vaak wel amfibieënlarven maar nauwelijks of geen paddenlarven (Glandt 1984, Reading 199). In het voorjaar en in de winter worden in het veld regelmatig glimmende geleihoopjes, het zogenaamde sterrenschot, aangetroffen. Het zijn de zweleiwitten, die de normaal gesproken omgeven en beschermen. Na het eten van vrouwtjes met braken predatoren deze zweleiwitten uit. Gedrag Mannetjes zijn tijdens de voorjaarstrek zeer sterk gericht op het zoeken naar een vrouwtje. Hierdoor zijn trekkende vrouwtjes vaak al voor het bereiken van de voortplantingsplek voorzien van een mannetje. Het mannetje laat zich vervolgens op de rug van het vrouwtje naar het water vervoeren. Alle mogelijke partners worden vastgepakt. Dit kunnen dus ook andere mannetjes zijn, die dan middels een afweerroep laten weten dat er een verkeerde keuze is gemaakt. Ook andere amfibieën, zoals groene en bruine kikkers, worden regelmatig het slachtoffer van de paringsdrift van de gewone pad. Om ervoor te zorgen dat passerende vrouwtjes worden opgemerkt, zoeken mannetjes open plekken, zoals bospaden, in de omgeving van het voortplantingswater op. Ze richten zich daarbij zover mogelijk op om de omgeving goed te kunnen overzien. Gewone padden vertonen soms een doeltreffende afweer tegen de ringslang. Ze richten zich hoog op de poten op, waardoor ze groter lijken, en blazen zichzelf zodanig op, dat ze te groot lijken om opgegeten te worden. Wanneer een larve van de gewone pad beschadigd wordt, Juveniel. Juvenile. Mannetjes kunnen zelfs een gestrekte vinger voor een partner aanzien. Males may even consider a stretched finger as a potential mate. Martens & Snep 29. In: Nederlandse Fauna 9: 164-173 8

hoofdstuk 8 de soorten scheidt deze uit klieren uit de rughuid stoffen af die een vluchtreactie van de andere larven opwekken. Ook schoolvorming van de larven kan als een overlevingsstrategie beschouwd worden (Nöllert & Nöllert 21). Bij zeer hoge dichtheden aan larven kunnen grote, langgerekte scholen ontstaan. Daarbij volgen de larven allemaal dezelfde beweging langs de oever. Verplaatsingen Gewone padden kunnen bij het trekken van de overwinteringsplaats naar de voortplantingswateren een afstand van enkele kilometers afleggen. De gemiddelde snelheid van padden tijdens deze voorjaarstrek is 3 m/h (Aarts & Staal 1981). Hierbij wordt meestal de kortste route genomen, waarbij barrières als wegen niet vermeden worden. De soort is bepaald geen pionier. In de eerste drie jaar na aanleg worden poelen nauwelijks gebruikt voor voortplanting. In een tweetal poelenonderzoeken worden opvallend lage bezettingspercentages van onder de 15% gemeld voor nieuw aangelegde poelen (Van Buggenum 1996, Stumpel & Van der Voet 1998). Voor een optimaal gebied als de Meinweg daarentegen wordt een bezettingspercentage van bijna 57% voor nieuw aangelegde poelen gemeld (Lenders 25b). Areaal Het areaal van de gewone pad strekt zich uit over bijna geheel Europa (m.u.v. Ierland en IJsland), van Scandinavië (in Finland zelfs tot binnen de poolcirkel) tot in Noord-Afrika en in oostelijke richting tot in Japan. De gewone pad ontbreekt op vrijwel alle eilanden in de Middellandse Zee. De soort is in zijn gehele verspreidingsgebied algemeen. Gewone padden komen zowel in lager gelegen streken als bergachtige gebieden voor, van zeeniveau tot op 23 m in de Alpen en 25 m op het Iberisch Schiereiland (Gasc et al. 1997). Verspreiding in Nederland In Nederland komt de gewone pad in alle provincies voor. Op veel plaatsen is de soort algemeen. Alleen uit Noordwest-Friesland en van de Waddeneilanden (met uitzondering van Terschelling) zijn geen recente noch historische waarnemingen bekend. In grote delen van Friesland, Groningen en Noord-Holland (met name de Wieringermeer) lijkt de soort schaars of zelfs geheel te ontbreken. Voor 1971 Waarnemingen aan de gewone pad van voor 1971 zijn relatief schaars. Wel zijn er van de soort in de buurt van steden (vermoedelijk als gevolg van hogere waarnemersactiviteit) vaak meer waarnemingen dan in de dunbevolkte gebieden. Opvallend is dat meldingen van gewone padden op de Wadden eilanden beperkt blijven tot Terschelling. De eerste waarnemingen van dit eiland dateren van 1946. Mogelijk betreft het een (on)opzettelijke introductie. De waarnemingen geven bepaald geen representatief beeld van de verspreiding van de gewone pad in deze periode. Het enige dat kan worden afgeleid is dat de dichtheid in zeekleigebieden in Laag-Nederland en dan vooral in het noordelijk deel (kop van Noord-Holland, zeekleigebieden in Friesland en Groningen) ook toen al vrij laag was. Ook in de nog jonge polders van Flevoland wordt de soort nauwelijks gemeld. 1971-1995 In deze periode is het aantal waarnemingen duidelijk toegenomen ten opzichte van de voorgaande periode. Door de toegenomen inventarisatie-inspanningen is voor het eerst sprake van een min of meer landsdekkend beeld van de verspreiding van de gewone pad. Wat opvalt is dat de soort in het noorden van Nederland vooral in de hogere delen wordt gezien. Waarnemingen uit de zeeklei- en veengebieden in Friesland en Groningen blijven schaars. De soort blijft op de Waddeneilanden alleen bekend van Terschelling. De meldingen van andere Waddeneilanden zijn al eerder door Bergmans & Zuiderwijk (1986) uitgebreid behandeld en afgekeurd. Er zijn ook enkele meldingen bekend van Texel uit de jaren 1979-1985 (Bergmans & Zuiderwijk 1986), maar de soort is hier geïntroduceerd (Van Laar 25). Bovendien blijkt de gewone pad zich op langere termijn niet te hebben gehandhaafd. Wat opvalt in Midden-Nederland is de kolonisatie van Flevoland, waarbij waarnemingen afkomstig zijn uit alle delen van de provincie. Drenthe is in deze periode goed onderzocht. In Overijssel zijn niet veel waarnemingen bekend, maar dit is vooral een gevolg van de lage inventarisatie-inspanningen in grote delen van deze provincie. Gelderland, Utrecht en delen van Noord- en Zuid-Holland en Zeeland zijn goed bezet. In de verspreiding in Noord- Brabant en Limburg zitten enkele hiaten in West-Brabant en het noordelijke Peelgebied, die vooral het gevolg zijn van een lage inventarisatie-inspanning. 1996-27 In de laatste periode is het aantal waarnemingen verder toegenomen. Het ontbreken van waarnemingen van de gewone pad in het noordelijke deel van het zeeklei/veendistrict (Friesland en Groningen) betekent dan ook mogelijk dat de soort daar werkelijk slechts sporadisch en in lage dichtheden voorkomt. In de andere delen van Groningen en Friesland komt de soort wel algemeen voor, waarbij Terschelling opnieuw het enige Waddeneiland is waar de soort wordt gezien. De eerdere waarnemingen op Texel zijn na 1985 niet meer bevestigd. In Noord-Holland zijn de meeste meldingen Martens & Snep 29. In: Nederlandse Fauna 9: 164-173

de amfibieën en reptielen van nederland 1971-1995 natuurlijke populaties uitgezette, maar zich handhavende populaties Bezette km-hokken per uurhok: 1-2 3-5 6-1 11-15 16 of meer 1996-27 natuurlijke populaties uitgezette, maar zich handhavende populaties Bezette km-hokken per uurhok: 1-2 3-5 6-1 11-15 16 of meer Begeleidende soorten Alledaagse begeleiders Trefkans (%) bruine kikker 68 groene kikker onbepaald 54 kleine watersalamander 45 bastaardkikker 22 levendbarende hagedis 16 heikikker 14 rugstreeppad 11 Alpenwatersalamander 9 kamsalamander 9 poelkikker 9 ringslang 8 Karakteristieke begeleiders Gedeelde Overlap hokken (%) bruine kikker 5148 48 groene kikker onbepaald 484 37 kleine watersalamander 3418 37 bastaardkikker 1644 2 levendbarende hagedis 1242 14 heikikker 172 13 rugstreeppad 833 1 en ruderale terreintjes. De soort ontbreekt alleen op plaatsen waar geen voortplantingswateren voorhanden zijn, in geheel open landschap en in wateren met een te hoog zoutgehalte. De gewone pad is een generalist die geen speciale eisen stelt aan bodem- en landschapstypen. De soort kan op vrijwel elk bodemtype en in elk landschap worden aangetroffen, van het zeeklei-, laagveen- en duinlandschap in Laag-Nederland tot het zand- en heuvellandschap in Hoog-Nederland en Zuid-Limburg. In het ravon-databestand t/m 25 zijn 5968 van de 44.869 waarnemingen voorzien van een landhabitatcodering (13%). Infrastructuur (wegen en dijken) springt er uit als het landschapstype met veel waarnemingen. De soort wordt vaak gericht op dat soort locaties gezocht en is er in grote aantallen en gemakkelijk waarneembaar. Daarnaast zijn de waarnemingen verdeeld over alle landschapstypen. De gewone pad komt ook veelvuldig voor in dorpen en steden. Van de 44.869 waarnemingen zijn er 375 voorzien van een waterhabitatcodering (8%). De soort wordt vooral gemeld uit kleine wateren en sloten en weteringen. In kleine en zure wateren (poelen resp. (verzuurde) vennen) lijkt de soort ondervertegenwoordigd te zijn. Als voortplantingshabitat is vrijwel elk niet verzuurd of brak water geschikt. De gewone pad is een van de weinige amfibieën die nauwelijks last heeft van predatie door vissen. Daardoor komt de pad voor op allerlei plaatsen waar andere amfibieën niet tot voortplanting komen. In stedelijke gebieden kunnen steile beschoeiingen van water een belemmering voor padden vormen. Ze komen wel in het water, maar ze komen er nooit meer uit en verdrinken. Een oplosafkomstig uit de duinen, het Gooi en rond Amsterdam. In Flevoland wordt de soort bijna overal waargenomen; de inventarisatieactiviteit is hier met name in 24 en 25 sterk toegenomen. Overijssel blijft relatief slecht onderzocht; de schijnbaar nieuw ontdekte uurhokken waren ongetwijfeld ook in het verleden door gewone padden bezet. Alleen het Vechtdal, het IJsseldal en Twente zijn in deze periode goed onderzocht. Op de noordelijke Veluwe worden minder gewone padden gemeld dan in de voorgaande periode, maar dit is met zekerheid een inventarisatie-effect. In het gehele rivierengebied is de gewone pad zeer algemeen en kan in vrijwel elk kilometerhok worden aangetroffen. In Noord-Brabant blijkt de soort met name in het noorden (langs de Maas) algemener dan voorheen bekend was. Voor Zeeland liggen de zwaartepunten in Zeeuws-Vlaanderen en op Walcheren. Het verspreidingsbeeld van de gewone pad in Limburg wordt in deze periode nog wat beter in beeld gebracht. Begeleidende soorten Alle amfibieën- en reptielensoorten kunnen gezamenlijk met de gewone pad worden aangetroffen. De bruine kikker is op tweederde van alle vindplaatsen van de gewone pad waargenomen. De belangrijkste karakteristieke begeleiders zijn kleine watersalamander, bruine kikker, bastaardkikker en groene kikkers. Ook zij hebben een zeer ruime verspreiding in Nederland en een ruime habitatkeuze. Habitat De gewone pad komt in vele habitats voor en heeft een voorkeur voor kleinschalig, gevarieerd landschap. Ze schuwen de mens niet en komen voor in tuinen, parken Martens & Snep 29. In: Nederlandse Fauna 9: 164-173

hoofdstuk 8 de soorten Alle waarnemingen voor 1971 1971 t/m 1995 1996 t/m 27 uitgezette, maar zich handhavende populaties 1971 t/m 1995 uitgezette, maar zich handhavende populaties 1996 t/m 27 sing daarvoor is de aanleg van natuurlijke oevers, uittreedplaatsen of diervriendelijke beschoeiing. In het rivierengebied zijn vrijwel alle daar aanwezige wateren (poelen, oude strangen, kolken, kleiputten en sloten) belangrijk als voortplantingswater, mits ze maar niet te jong zijn (Creemers 1994a). In Limburg werden gewone padden veelal aangetroffen in de wat grotere poelen (Van Buggenum 1996). Zowel de leeftijd van de poel (vier jaar of ouder), diepte (>1 m) en ph (8-11) zijn belangrijke karakteristieken (Stumpel & Van der Voet 25). Als zomer- en winterhabitat zijn de meest uiteenlopende habitats geschikt. De soort wordt gevonden in bosgebieden, stadsranden en parken, landgoederen, heiden, venen, moerassen en overhoekjes. Eigenlijk is vrijwel elke habitat met een gevarieerde vegetatiestructuur, of met allerlei structuur biedende rommel die dienst kan doen als schuilplaats, geschikt. Deze zomerhabitat kan in de directe omgeving van het voortplantingswater liggen. In de herfst trekken de padden van hieruit terug naar hun overwinteringsplaatsen. Of de zomer- en winterhabitat dezelfde zijn hangt af van de aard van het terrein. Aangezien gewone padden ondergronds overwinteren, zullen ze in een gebied met een hoge grondwaterstand doorgaans naar hogere gronden trekken om te overwinteren. Ze gebruiken dan bijvoorbeeld dijken, terpen of erven van boerderijen. Langs de binnenduinrand overwinteren ze in de duinen, maar kunnen ze de achter de duinen gelegen polder gebruiken als zomerhabitat. In andere delen van hun verspreidingsgebied overwinteren ze doorgaans in relatief droge bossen, in dijklichamen, op erven en in kelders of maken gebruik van overhoekjes in agrarische landschappen of natuurlijk beheerde tuinen in het stedelijk gebied. In uiterwaarden overwinteren gewone padden op zowel hoogwatervrije plaatsen als in de delen die frequent overstromen. Winterhabitats zijn wilgenbos en struweel en grazige vegetaties op zandige bodems en ruigten. Als zomerhabitat worden in uiterwaarden vooral wilgenbos, grazige vegetaties en gewone pad (n=5968) 6 % ruigten gebruikt (Bosman, 1994). donker: verdeling van overige amfibieën over habitats wit: verdeling van de soort over habitats donker: verdeling van overige amfibieën over habitats wit: verdeling van de soort over habitats 45 6 % 3 45 15 3 15 6 % 45 6 % 3 45 15 3 15 stad & dorp stad & dorp groot open groot water open water ruderaal ruderaal groot lijnv. groot water lijnv. water infrastructuur infrastructuur beek & bron beek & bron gewone pad (n=5968) agrarisch agrarisch gebied gebied halfnatuurlijk halfnatuurlijk grasland grasland bos & struweel bos & struweel gewone pad (n=375) gewone pad (n=375) sloot & wetering sloot & wetering poel & klein poel water & klein water klein, riv.begel. klein, riv.begel. water water Martens & Snep 29. In: Nederlandse Fauna 9: 164-173 duinen duinen ven ven heide heide hoogveen hoogveen laagveen laagveen gewone pad overige amfibieën gewone pad overige amfibieën Aantal uurhokken: <1971 1971-1995 1996-27 455 1248 1219 Aantal kilometerhokken: <1971 1971-1995 1996-27 62 7846 6388 Landhabitat (n = 5968) Waterhabitat (n = 375)

de amfibieën en reptielen van nederland Habitat van gewone pad, matig voedselrijk ven, Weert (li). Habitat of common toad, mesotrophic heathland pool, Weert, province of Limburg. monitoringtrend rugstreeppad (N=125) matige afname (p<.1) Habitat van gewone pad, voedselrijk water in uiterwaard, Rhenen (ut). Habitat of common toad, eutrophic water in floodplain of the Rhine, Rhenen, province of Utrecht. 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 monitoringtrend geelbuikvuurpad (N=5) sterke toename (p<.1) Trend Lange termijn De gewone pad staat niet op de Rode Lijst. De soort is ten opzichte van de referentieperiode (de periode voor 195) min of meer stabiel gebleven (Van Delft et al. 27). Voor zover er achteruitgang heeft plaatsgevonden is dat vooral in populatiegroottes en niet zozeer in verspreiding. Ontginningen en de intensivering van de landbouw, het verdwijnen van monitoringtrend vroedmeesterpad (N=136) matige toename (p<.5) geschikte voortplantingswateren en een toename van bebouwing en wegen heeft voor kleinere populaties 2 gezorgd. 15 Recente ontwikkeling 1 De trend van de gewone pad binnen de amfibieënmonitoring 5(1997-27) is een matige toename (goverse et al. 28). De soort profiteert van de aanleg van poelen, natuurontwikkeling 1997 en 1998 de 1999 aanleg 2van 21 faunapassages 22 23 24 en amfibieëntunnels. monitoringtrend gewone pad 25 26 27 (N=868) index 16 matige toename (p<.1) aanleg van parken of ander gebruiksgroen rekening wordt gehouden met de aanleg van enkele eenvoudige amfibievriendelijke voorzieningen. Daarbij gaat het onder meer om lage beschoeiingen of halfnatuurlijke oevers, uittreedplaatsen, duikers, rommelhoekjes en waarnodig afzettingen en tunnels. Als gevolg van het drukke verkeer sterven jaarlijks vele dieren. Naast de verkeersfrequentie is ook de gereden snelheid van groot belang voor het percentage padden dat kan overleven. In sommige gevallen kan deze verkeerssterfte tot het uitsterven van een lokale populatie leiden. Paddenoverzet acties en goed aangelegde paddentunnels zijn efficiënte maatregelen om de gewone pad hiervoor te behoeden. (Prudon & Creemers 25, Scholte 1982, Vos & Chardon 1994). 12 index 8 Monitoringtrend (n = 868) Matige toename (p<,1) 4 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 1997 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 monitoringtrend boomkikker (N=42) sterke toename (p<.1) monitoringtrend heikikker (N=174) stabiel (p<.1) monitoringtrend Alpenwatersalamander (N=237) matige toename (p<.1) 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 index 16 Bescherming en beheer 12 8 Wettelijke status en beleid Rode Lijst (27): thans niet bedreigd 4 Flora- en faunawet: licht beschermde soort (tabel 1) Habitatrichtlijn: monitoringtrend bruine kikker (N=985) Conventie van Bern: matige toename beschermde (p<.1) soort (bijlage 3) 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 1997 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 2 Voor 16 het behoud van een duurzame populatie van deze soort in Nederland zijn speciale maatregelen niet noodzakelijk. De gangbare maatregelen, die ten behoeve van am- 12 8 fibieën worden genomen, bieden ook goede kansen voor 4 de gewone pad. Het is bij uitstek een soort, die kan leven te midden van groene stadswijken en in dorpen, mits bij de index 1997 1998 1999 2 21 22 23 24 25 26 27 monitoringtrend kamsalamander (N=222) matige toename (p<.5) 16 monitoringtrend poelkikker (N=354) stabiel (p<.1) Martens & Snep 29. In: Nederlandse Fauna 9: 164-173 index 12 8

hoofdstuk 8 de soorten Een relatief nieuwe methode is het zoeken naar sporen. Padden laten soms goed herkenbare loopsporen achter in zand of slijk (Van Diepenbeek 1999, 2). Het is ook mogelijk gebruik te maken van stempels voor het verzamelen van loopsporen, bijvoorbeeld bij wildpassages en tunnels (Brandjes et al. 2). Ten slotte kunnen padden worden waargenomen aan de hand van prooiresten, sterrenschot, braakballen en afgestroopte velletjes (zie predatoren ). De eisnoeren kunnen in heldere wateren eenvoudig waargenomen worden. De gitzwarte larven vallen gemakkelijk op tussen de begroeiing en een kale bodem. Ze kunnen ook gevangen worden met schepnet en amfibieënfuik. Bijzonderheden Gewone padden worden regelmatig geïnfecteerd door de vlieg Lucilia bufonivora (zie hoofdstuk 5). Albinisme is bij de gewone pad beschreven voor larven (Topper & Van Laar 1994) en vier maal voor adulten (In den Bosch 199, Van der Coelen 1992, Janssen 1997, Van Laar 1992). In het Roelofsven (Overasseltse en Hatertse Vennen) werd in 1995 een adulte gewone pad gevangen met halve achterpoten. Deze misvorming is waarschijnlijk een gevolg van een in het larvale stadium aangebrachte verwonding door de achtogige bloedzuiger Erpobdella octoculata (Van Gelder & Strijbosch 1995, Viertel & Veith 1992). Inventarisatie In het vroege voorjaar kunnen gewone padden s avonds en s nachts gemakkelijk in de directe omgeving van voortplantingswateren worden waargenomen. De voorkeur voor mannetjes om open plekken op te zoeken, maakt het opsporen gemakkelijk. Met behulp van een zaklamp zijn de dieren zowel op het land als in het water snel te onderscheiden van andere actieve soorten als bruine kikker en heikikker. Op stille avonden in de voortplantingsperiode zijn de geluiden van gewone padden soms al op tientallen meters van het voortplantingswater te horen. Met een hoofd- of zaklamp is het mogelijk de oogreflecties van padden op onoverzichtelijke plaatsen waar te nemen, zowel op het land als in het water. De karakteristieke houding op het land (opgericht) en in het water (eveneens opgericht of wijdbeens drijvend) maakt determinatie eenvoudig. Buiten de voortplantings periode zijn gewone padden in de landhabitat onder allerlei schuilplaatsen als hout en afval te vinden. Een effectieve manier om waarnemingen te verzamelen is te zoeken naar verkeersslachtoffers langs dijk- en bosrandweggetjes tijdens de trekperiode. De ingegraven emmers en schermen, die bij paddenoverzetacties worden ge bruikt, bieden ook een uitgelezen kans om te soort te inventariseren of zelfs diepgaander ecologisch onderzoek te verrichten. Op dergelijke plaatsen kan jarenlang veel informatie worden verzameld. Gertjan Martens & Robbert Snep summary Common toad Bufo bufo Distribution: The common toad is one of the most common amphibians in the Netherlands, present in all provinces. Only on most Wadden Sea islands populations are lacking and the species seems to be rare in some regions with sea clay soils. Status: The common toad is listed on the Red List as not threatened. It has a low level of protection under Dutch legislation and is listed on the Bern Convention (Annex iii). The range of the common toad in the Netherlands has been more or less stable since 195. Where there has been a decline, this is mostly a decline in numbers, not in distribution. Reclamation of land, intensification of agricultural practices, the loss of ponds, combined with lowering of the water levels and urban development will definitely have had some effects. Special management for this species is not necessary. Recent pond creation schemes, hydrological restoration and agricultural land being transformed into nature have led to local and regional increases. The construction of wildlife passages under and over roads, has decreased high mortality during migration. Remarks: Infections of common toads by the fly Lucilia bufonivora are quite often found in the Netherlands. Martens & Snep 29. In: Nederlandse Fauna 9: 164-173 3