Geleidelijk ontstane sportblessures in Nederland Blessurecijfers Samenvatting In 2013 liepen sporters 1,4 miljoen blessures op die geleidelijk ontstonden. Dat is bijna een derde (31%) van de 4,5 miljoen sportblessures in Nederland in 2013. Het aantal geleidelijk ontstane blessures is in de periode 2006-2013 met bijna de helft toegenomen. De toename vond vooral de laatste jaren plaats, in de periode 2011-2013 met 35 procent, maar loopt in de pas met de recente toename van acuut ontstane blessures. Sporttakken met een groot aantal geleidelijk ontstane blessures in 2013 zijn hardlopen, fitness en veldvoetbal. De meerderheid van de geleidelijk ontstane blessures wordt opgelopen door mannen, vooral in de leeftijdsgroep 25-34 jaar. Ook de kans op een geleidelijk ontstane blessure (aantal blessures per 1.000 uur sport) is voor mannen groter dan voor vrouwen. Het aandeel geleidelijk ontstane blessures neemt grofweg toe met de stijgende leeftijd. Bijna een derde deel van alle geleidelijk ontstane blessures in 2013 was een knieblessure. Ook geleidelijk ontstane schouderblessures komen veel voor. Bijna de helft van geblesseerden typeert de blessure als "spier/peesletsel". Bron: Ongevallen en Bewegen in Nederland 2006-2013, VeiligheidNL; Blessure Informatie Systeem (BIS), hardlopen, profvoetbal, tennis: TNO Leiden Geleidelijk ontstane blessures in Nederland In 2013 liepen sporters 1,4 miljoen blessures op die geleidelijk ontstonden. Dat is bijna een derde (31%) van de 4,5 miljoen sportblessures in Nederland in 2013. Voor vier op de tien (39%) geleidelijk ontstane blessures bleek medische behandeling noodzakelijk. Fysiotherapeuten behandelden de meeste geleidelijk ontstane blessures (tabel 1). Tabel 1 Geleidelijk ontstane blessures in 2013 Aantal Behandelingen Geleidelijk ontstane blessures 1.400.000 Medisch behandeld 540.000 Fysiotherapeut 440.000 3.100.000 Huisarts 140.000 180.000 Aantal geleidelijk ontstane blessures neemt toe Het aantal geleidelijk ontstane blessures is in de periode 2006-2013 met bijna de helft toegenomen (figuur 1). De toename vond vooral de laatste jaren plaats, in de periode 2011-2013 met een derde. Relatief gezien liep de toename gelijk op met de toename van acuut ontstane sportblessures (figuur 2, geïndexeerd). Alleen in 2013 is er een duidelijk verschil: het aantal geleidelijk ontstane sportblessures steeg, terwijl het aantal acuut ontstane blessures in 2013 licht daalde t.o.v. 2012. Dit is deels een gevolg van de forse stijging van het aantal hardloopblessures in recente jaren, een sport met een relatief hoog aandeel geleidelijk ontstane blessures. In 2012 en 2013 nam het aantal hardlopers in Nederland sterk toe, wat logischerwijs leidde tot een toename van het totaal aantal blessures door hardlopen. Opvallend is echter ook de stijging in het aantal geleidelijk ontstane blessures tijdens veldvoetbal in 2013.
Figuur 1 Trend in het aantal geleidelijk ontstane sportblessures 1.600.000 1.400.000 1.200.000 1.000.000 800.000 600.000 400.000 200.000 0 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 Bron: Ongevallen en Bewegen in Nederland 2006-2013, VeiligheidNL Figuur 2 Trend: geleidelijk vs. acuut ontstane sportblessures; geïndexeerd (2006=100) 160 140 120 Geleidelijk ontstane blessures Plotseling ontstaan 100 80 60 40 20 0 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 Bron: Ongevallen en Bewegen in Nederland 2006-2013, VeiligheidNL Veel geleidelijk ontstane blessures bij hardlopen en fitness Op het totaal van sportblessures in Nederland (4,5 miljoen) was in 2013 een derde deel (31%) een geleidelijk ontstane blessure. Sporttakken met een groot aantal geleidelijk ontstane blessures zijn hardlopen, fitness en veldvoetbal (tabel 2). De belangrijkste sporttakken met een relatief groot aandeel geleidelijk ontstane blessures zijn hardlopen en gymnastiek/turnen, maar ook fitness en tennis kennen een relatief groot deel geleidelijk ontstane blessures.
Tabel 2 Sporttakken met het grootste aantal geleidelijk ontstane blessures Geleidelijk ontstaan Plotseling ontstaan Totaal Aandeel geleidelijk ontstaan Aantal % Aantal % Aantal % % Hardlopen 390.000 28 350.000 11 740.000 16 52 Aerobics/fitness/conditietraining 220.000 16 280.000 9 500.000 11 43 Veldvoetbal 190.000 14 660.000 21 850.000 19 22 Tennis 68.000 5 91.000 3 160.000 4 42 Volleybal 50.000 4 160.000 5 210.000 5 24 Gymnastiek/turnen * 4 * 1 * 2 52 Overig 420.000 30 1.500.000 47 1.900.000 42 22 Onbekend * <1 86.000 3 92.000 2 7 Totaal 1.400.000 100 3.100.000 100 4.500.000 100 31 * Onvoldoende gegevens voor een betrouwbare schatting Tabel 3 geeft een vergelijking weer tussen de incidentie (het aantal blessures dat jaarlijks ontstaat) en de prevalentie (het aantal blessures waarvan op een bepaald moment hinder wordt ondervonden) van geleidelijk ontstane blessures, uitgesplitst naar de belangrijkste sporttakken. De verhouding tussen de incidentie en de prevalentie laat zien hoe lang blessures gemiddeld hinder geven. Is bijvoorbeeld de prevalentie de helft van de incidentie, dan is er gemiddeld een half jaar hinder. Gezien hun relatief lagere aandeel in de prevalentie t.o.v. de incidentie, kan geconcludeerd worden dat geleidelijk ontstane blessures bij hardlopen en fitness iets minder lang hinder geven dan bij sporten als volleybal en tennis. Tabel 3 Incidentie en prevalentie van geleidelijk ontstane blessures, naar sporttak Incidentie Prevalentie Aantal % Aantal % Hardlopen 390.000 28 81.000 20 Aerobics/fitness/conditietraining 220.000 16 49.000 12 Veldvoetbal 190.000 14 60.000 15 Tennis 68.000 5 31.000 8 Volleybal 50.000 4 27.000 7 Gymnastiek/turnen * 4 * 4 Totaal 1.400.000 100 400.000 100 * Onvoldoende gegevens voor een betrouwbare schatting Kans op geleidelijk ontstane blessure groot bij mannen en sporters ouder dan 25 jaar De meerderheid van de geleidelijk ontstane blessures wordt opgelopen door mannen (61%, 850.000). Vooral in de leeftijdsgroep 25-34 jaar zijn mannen fors in de meerderheid (figuur 3). Deels wordt dit veroorzaakt doordat mannen iets meer tijd besteden aan sport dan vrouwen. Echter, ook de kans op een geleidelijk ontstane blessure (aantal blessures per 1.000 uur sport) is voor mannen (0,66) groter dan voor vrouwen (0,52). In figuur 4 is te zien dat mannen in de leeftijdsgroep 25-34 jaar de grootste kans hebben op een geleidelijk ontstane blessure. Bij de 35-44 jarige sporters hebben vrouwen een grotere kans geleidelijk een blessure op te lopen. Het aantal blessures bij 0-14 jarigen en de leeftijdsgroep van 65 jaar en ouder is waarschijnlijk ondervertegenwoordigd, omdat deze respondenten telefonisch zijn ondervraagd en niet via een
internetenquête. Om die reden zijn deze leeftijdsgroepen uit de grafieken weggelaten. Het aandeel geleidelijk ontstane blessures op het totaal aantal blessures neemt grofweg toe met de stijgende leeftijd (figuur 5). Figuur 3 250.000 200.000 Aantal geleidelijk ontstane blessures 2013, naar leeftijd en geslacht Man Vrouw 150.000 100.000 50.000 0 14-24 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-65 jaar Figuur 4 1,40 1,20 Kans op een geleidelijk ontstane blessure 2013, naar leeftijd en geslacht Man Vrouw 1,00 0,80 0,60 0,40 0,20 0,00 15-24 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-64 jaar Figuur 5 70% Aandeel geleidelijk ontstane blessures, per leeftijdscategorie 60% 50% 40% 30% 20% 10% 0% 15-24 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 45-54 jaar 55-64 jaar
Veel geleidelijk ontstane knie- en schouderblessures Van alle geleidelijk ontstane blessures is twee derde deel (64%) een blessure aan het been of de heup, en bij de helft daarvan een geleidelijk ontstane knieblessure (29%, 410.000; tabel 4). Ook geleidelijk ontstane schouderblessures komen veel voor. Ter vergelijking is in tabel 4 ook de incidentie van acuut ontstane blessures weergegeven. Opvallend is dat 42 procent van alle knieblessures in 2013 geleidelijk is ontstaan. Ook geleidelijk ontstane blessures aan de elleboog (53%), schouderblessures (49%) en vooral achillespeesblessures (76%) maakten een groot deel uit van het totaal aan blessures aan deze lichaamsdelen. Tabel 4 Incidentie van sportblessures: blessurelocaties met de meeste geleidelijk ontstane blessures, naar geleidelijk/acuut ontstaan Geleidelijk ontstaan Acuut Totaal Aandeel geleidelijk Aantal % Aantal % Aantal % % knie 410.000 29 560.000 18 970.000 21 42 schouder 190.000 13 200.000 6 380.000 9 49 onderbeen/kuit 93.000 7 220.000 7 320.000 7 29 bovenbeen 90.000 7 210.000 7 300.000 7 30 voet/hiel/tenen 90.000 6 170.000 6 260.000 6 34 rug 69.000 5 240.000 8 310.000 7 22 achillespees * 5 * <1 * 2 76 elleboog * 4 * 1 * 2 53 enkel 48.000 3 630.000 20 680.000 15 7 Overig/geen opgave 100.000 8 400.000 13 510.000 11 21 Totaal 1.400.000 100 3.200.000 100 4.500.000 100 31 * onvoldoende gegevens voor een betrouwbare schatting De meeste geblesseerden (48%) typeren hun blessure als "spier/peesletsel", veelal aan de schouder (130.000) of de knie (110.000). Veel respondenten (31%) typeren hun blessure simpelweg als "overbelasting", vaak aan de knie (160.000). Daarnaast geeft een betrekkelijk kleine groep (6%) kraakbeen- of meniscusletsel aan als soort blessure. In tabel 5 worden het aantal blessures dat jaarlijks ontstaat (de incidentie) vergeleken met het aantal blessures waarvan op enig moment hinder wordt ondervonden (de prevalentie). Bijna een derde van de geblesseerde sporters (31%) met een geleidelijk ontstane blessure heeft op enig moment last van een knieblessure. De prioriteit van de preventie van knieblessures wordt hierdoor extra benadrukt.
Tabel 5 Incidentie en prevalentie van geleidelijk ontstane blessures, naar geblesseerd lichaamsdeel Incidentie Prevalentie Aantal % Aantal % knie 410.000 29 120.000 31 schouder 190.000 13 50.000 13 onderbeen/kuit 93.000 7 15.000 4 bovenbeen 90.000 7 16.000 4 voet/hiel/tenen 90.000 6 30.000 8 rug 69.000 5 28.000 7 achillespees * 5 * 4 elleboog * 4 * 3 enkel 48.000 3 24.000 6 Overig/geen opgave 100.000 8 79.000 20 Totaal 1.400.000 100 400.000 100 * onvoldoende gegevens voor een betrouwbare schatting Om te bepalen welke geleidelijk ontstane blessures prioriteit verdienen in de preventie van blessures binnen specifieke sporttakken, is het belangrijk te weten welke geleidelijk ontstane blessures binnen die sporttakken veel voorkomen (tabel 6). Hierbij is specifiek gekeken naar de sporttakken die in tabel 2 genoemd zijn als sporten met een groot aantal, dan wel een groot aandeel geleidelijk ontstane blessures. Vanwege de onderliggende n-getallen zijn de in tabel 6 weergegeven percentages gebaseerd op gegevens over de periode 2006-2013. Bij het uitoefenen van fitness, tennis en volleybal lopen sporters voornamelijk geleidelijk ontstane schouderblessures op, en in mindere mate knieblessures. Bij tennis is uiteraard de tenniselleboog een probleem. Bij veldvoetbal, hardlopen en gymnastiek/turnen lopen sporters voornamelijk geleidelijk ontstane knieblessures op. Tabel 6 Sporttak Geleidelijk ontstane blessures 2006-2013, naar sporttak en lichaamsdeel Geblesseerd lichaamsdeel Fitness Schouder (25%), knie (18%), rug (11%) Gymnastiek/turnen Knie (25%; n=9) Hardlopen Knie (37%), onderbeen (17%), achillespees (11%), voet/hiel/tenen (7%) Tennis Schouder (26%), elleboog (20%), knie (13%; n=15) Veldvoetbal Knie (29%), bovenbeen (12%; n=16) Volleybal Schouder (34%), knie (20%; n=13) Bron: Ongevallen en Bewegen in Nederland 2006-2013, VeiligheidNL In het Blessure Informatie Systeem (BIS, TNO) is sporters gevraagd naar hun idee over de oorzaak van hun blessure. Bij hardlopen was ongeveer de helft van de blessures geleidelijk ontstaan. De ondervraagde hardlopers wijten hun geleidelijk ontstane blessures vooral aan een verkeerde (te snelle) trainingsopbouw en aan bepaalde oefenvormen, zoals heuveltraining (33%). Daarnaast werden vermoeidheid (18%), verkeerd schoeisel (16%) en een onvoldoende warming-up (13%) genoemd. Opvallend is dat de aangegeven oorzaken nauwelijks verschillen met die van de plotseling ontstane hardloopblessures. Onderzoek onder profvoetballers wees uit dat bij deze sporters het aantal plotseling ontstane blessures twee keer zo groot was als het aantal blessures dat geleidelijk ontstond. De ondervraagde tennissers gaven aan dat 41 procent van de blessures geleidelijk was ontstaan. De tenniselleboog was met 9 procent de meest voorkomende tennisblessure.
Toelichting bronnen letselgegevens Bij het samenstellen van deze factsheet is gebruik gemaakt van verschillende gegevensbronnen, die hieronder kort beschreven zijn. Meer informatie over deze bronnen is te vinden op de website www.veiligheid.nl. Het enquêteonderzoek Ongevallen en Bewegen in Nederland (OBiN) is een continue enquête, waarbij jaarlijks ruim 10.000 Nederlanders worden ondervraagd over letsel en blessures, sportdeelname en bewegen. Uit deze databron zijn de volgende gegevens afkomstig: totaal aantal blessures, medisch behandelde blessures, huisartsbehandelingen, fysiotherapiebehandelingen en sportdeelname. De gegevens afkomstig uit OBiN betreffen het jaar 2013, tenzij anders aangegeven. Het Blessure Informatie Systeem (BIS) van het TNO bestaat uit meerdere onderzoeken naar blessures bij verschillende sporten. Voor dit factsheet is gebruik gemaakt van de onderzoeken naar hardloop- en tennisblessures en het onderzoek naar blessures bij profvoetballers. Meer cijfers VeiligheidNL beschikt over veel meer cijfers over letsels en ongevallen. Per onderwerp of doelgroep staan de belangrijkste ongevalscijfers beschreven in factsheets zoals deze. U kunt de factsheets gratis downloaden op www.veiligheid.nl. Heeft u interesse in bepaalde cijfers of een specifieke analyse? VeiligheidNL levert u deze graag. Ga hiervoor naar www.veiligheid.nl/onderzoek/cijfers-aanvragen. Bij de samenstelling van deze publicatie is de grootst mogelijke zorgvuldigheid in acht genomen. VeiligheidNL aanvaardt echter geen verantwoordelijkheid voor eventuele, in deze uitgave voorkomende, onjuistheden of onvolkomenheden. Overname van tekst of gedeelten van tekst is toegestaan, mits met de juiste bronvermelding. Indien tekst gebruikt wordt voor commerciële doelstellingen dient altijd vooraf schriftelijke toestemming verkregen te zijn.