3 Nieuwe volken Achtergrondinformatie Volkeren op drift Rond het jaar 400 kwam er geleidelijk een einde aan het Romeinse Rijk. Uit het oosten rukten de Hunnen op, een nomadenvolk dat op zoek was naar nieuwe weidegrond voor hun vee. Onder druk van de opkomst van de Hunnen vielen Goten en Vandalen het Romeinse rijk binnen. Grenstroepen aan de Rijn en in Brittannië werden door Rome teruggeroepen om Italië te verdedigen. Daardoor kwam de noordgrens van het rijk open te liggen en dat bood andere Germanen de kans zich binnen het voormalige rijk te vestigen. Langzamerhand begon het West-Romeinse rijk uiteen te vallen. Rond 445 trokken de Hunnen zelf ook massaal Europa binnen. Ze trokken onder aanvoering van Attila door de Oekraïne en Midden-Europa, waar ze grote verwoestingen aanrichtten, en vielen vervolgens Gallië binnen. Attila werd uiteindelijk in 451 bij Troyes (Frankrijk) verslagen door een leger van Visigoten onder Romeins bevel. Deze woelige periode tussen 400 en 700 wordt traditioneel de tijd van de volksverhuizingen genoemd. Verschillende volkeren en stammen probeerden zich al dan niet met succes binnen de grenzen van het Romeinse Rijk te vestigen, in de hoop op bescherming en/of op zoek naar een beter bestaan. Deze situatie doet enigszins denken aan de migratiestromen naar West-Europa in onze tijd. In het gebied dat wij nu Nederland noemen, leefden na de volksverhuizingen Friezen, Franken en Saksen. De Franken De Franken, oorspronkelijk afkomstig uit het huidige Duitsland en Noord-Nederland, hadden al in de Romeinse tijd geprobeerd zich in het Romeinse rijk te vestigen. Al gauw nadat de Romeinen vertrokken waren, veroverden Franken de castellums en steden in de streek die we nu Brabant en Limburg noemen. In de periode tot 800 veroverden ze het vasteland van West-Europa, met uitzondering van Spanje en Zuid-Italië. Ook de Friezen en Saksen moesten ten slotte de Frankische heerschappij erkennen. De Franken namen veel elementen van de Romeinse cultuur over. Zo bevat zelfs de taal veel Latijnse ingrediënten. De Friezen behielden hun eigen taal. In de slag bij Dorestad in 689 zou de groeiende macht van de Franken zich manifesteren: het leger van de Friese koning Radbod werd verslagen. Vanaf dat moment kwam het rivierengebied sterk onder invloed en bestuur van de Franken. De handelsactiviteiten van de Friezen zouden hierdoor echter niet verminderen, getuige vondsten van Friese munten in Noord- en Oost-Europa uit zelfs de tiende en elfde eeuw. Christendom De christenen hadden het in het Romeinse Rijk aanvankelijk niet gemakkelijk. De Romeinen waren wel verdraagzaam tegenover andere godsdiensten, maar zagen in de groei van het christendom steeds meer een bedreiging van hun macht. Nero vervolgde de christenen op gruwelijke wijze en vanaf Trajanus (110 na Christus) waren er regelmatig grootscheepse excessen. De christenen waren een handige zondebok voor alles wat misging. Maar... het bloed der martelaren was het zaad van de kerk Pas onder keizer Constantijn de Grote (323-337) kregen de christenen in 313 vrijheid van godsdienst en onder keizer Theodosius (378-395) werd het christendom zelfs tot staatsgodsdienst verheven. Een bedenkelijk gevolg was dat nu de nietchristenen de officieel achtergestelde partij werden. Tempels werden gesloten of als christelijke kerk gebruikt. De triomf van het christendom kan overigens niet uitsluitend verklaard worden door de officiële acceptatie die werd geïnitieerd door Constantijn en Theodosius. Het christelijk geloof zelf kende ook elementen die stimulerend werkten. Het monotheïstische karakter van het christendom sprak veel mensen meer aan dan het polytheïsme van de Romeinse en andere godsdiensten. De god van de christenen was bovendien een persoonlijke god, die zich het lot van de mensen aantrok en als redder van de mensheid gezien werd. Bovendien bezaten de christenen, net als de joden, een heilig boek: de Bijbel. Daarin werd door evangelisten getuigd over het leven van Jezus en de apostelen. 29
Via de verhalen in de Bijbel maakten de gelovigen kennis met de grondslagen van het christendom. Ook konden ze er in moeilijke tijden steun uit putten. Andere elementen die veel mensen aanspraken waren de hoop op een beter leven na de dood en het gegeven dat meester en slaaf voor de god van de christenen gelijk waren. Het afwijzen van slavernij in het aardse bestaan was in die tijd echter nog ondenkbaar, ook bij de christenen. Verder droeg ook de goede infrastructuur van het Romeinse Rijk toe aan een snelle verspreiding van deze nieuwe godsdienst. Christendom in de lage landen Dankzij hun contacten met de Romeinen waren de Franken meer dan andere Germaanse stammen met het christendom in contact gekomen. Onder de gebieden die zij veroverden waren ook streken waarin het merendeel van de bevolking de oude goden had ingeruild voor het nieuwe geloof. In die gebieden had de kerk al een belangrijke positie. Door zich met drieduizend van zijn krijgers te laten dopen, verzekerde de Frankische koning Clovis (481-511) zich van de steun van de kerk bij de verdere opbouw van zijn Frankische rijk. In 695 werd Willibrord door de paus benoemd tot bisschop der Friezen. Hij had als standplaats de stad Utrecht, waar hij twee kerken liet bouwen. In die tijd werden veel Germaanse gewoonten verchristelijkt. Zo werd het lentefeest omgevormd tot Pasen en het feest van de zonnewende, het lichtfeest, werd Kerstmis. Om de heidenen te intimideren werden hier en daar, onder toeziend oog van Frankische soldaten, heilige bomen omgehakt. Na verloop van tijd ontstonden overal kloosters, georganiseerd in bepaalde orden. Sommige daarvan bestaan nog steeds, zoals de Benedictijnen, Augustijnen en Dominicanen. Deze kloosters waren destijds veel meer dan alleen religieuze leefgemeenschappen. Eeuwenlang waren het centra van cultuur en wetenschap: er werd onderwijs gegeven, er werden boeken overgeschreven, kruidentuinen onderhouden, zieken verzorgd en nog veel meer. Ook waren kloosters sociaal-economisch van groot belang. Ze speelden een belangrijke rol bij landontginningen, dijkenbouw, boerenbedrijven, nieuwe vindingen, enzovoort. Karel werd leenheer, door allerlei graven en hoge ambtenaren grond in leen te geven. In ruil hiervoor moest de leenman belasting betalen en Karel bijstaan in tijden van oorlog en die tijden waren er nogal eens. Het leenstelsel wordt ook wel feodalisme genoemd (feodum = leen). Het was de bedoeling dat het leen na de dood van de leenman weer terugging naar de leenheer. Later kwam daar in de praktijk vaak niets van terecht, bijvoorbeeld in het geval van zwakke leenheren. De erfgenamen beschouwden zich steeds meer als eigenaar van het leen. Rond het hof van Karel te Aken groepeerde zich een kring van begaafde monniken en priesters met grote aandacht voor de prestaties van de Grieken en Romeinen. Niet voor niets wordt deze periode aangeduid met de term Karolingische renaissance. Veel kloosters kregen bloeiende kloosterscholen. Karel bestuurde zijn rijk al rondreizend langs zijn vele paltsen (= versterkte paleizen) waaronder die in Nijmegen. Tijdens de aanwezigheid van het hof werden de door de omliggende boerderijen als belasting aangevoerde producten geconsumeerd. Op de door Karel beheerde paltsen werden nieuwe landbouwmethoden ontwikkeld, er werden proeven gedaan met nieuwe gewassen en groenten en er werden betere landbouwwerktuigen ontwikkeld. De keizer stierf in 814 en werd in zijn palts te Aken begraven. 30 Karel de Grote Het christendom bevorderde de sociale integratie tussen de oude machthebbers, de Romeinen, en de nieuwe machthebbers, de Franken. Mede daardoor konden de opvolgers van Clovis een machtig rijk vestigen. Paus Leo III bevestigde deze macht door Karel de Grote in de kerstnacht van het jaar 800 in de Sint-Pieter te Rome tot keizer te kronen. Hiermee werd Karel erkend als de officiële erfgenaam van het christelijke Rome in het westen. (In het oosten lag het Byzantijnse rijk.) Overigens was Karel niet echt gecharmeerd van deze pauselijke actie, mede omdat de paus zich hiermee als kerkelijk vorst boven Karel als wereldlijk vorst probeerde te stellen.
1 Iedereen op de been Leskern Het Romeinse Rijk komt geleidelijk ten einde. Opgejaagd door de Hunnen dringen Germaanse stammen vanuit het oosten op. Er is sprake van een grote volksverhuizing. Daarna wonen er in het gebied dat nu Nederland heet Friezen, Franken en Saksen. Lesdoelen De leerlingen kunnen vertellen waardoor er een einde kwam aan het Romeinse Rijk. Ze kunnen verklaren waarom veel volkeren naar andere gebieden trokken om er zich te vestigen. Ze kunnen de drie volken noemen die na de volksverhuizing in Nederland woonden. Ze kunnen globaal op een kaart aangeven waar deze volken leefden. 1 introductie 5 minuten 2 lezen en bespreken 20 minuten 3 opdrachten maken en bespreken 25 minuten 1 leerlingenboek bladzijde 32-34 2 werkboek bladzijde 20 en 21 3 kopieerblad Lastige woorden 3, blad 1 Neem met de taalzwakke kinderen van tevoren de begrippen van de woordenlijst door. Zorg voor een kaart van Europa. Romeinse Rijk, Friezen, Franken, Saksen, volksverhuizing, handelsstad Historische namen Hunnen, Attila, Radbod, Noviomagus, Dorestad, Grote Volksverhuizing 1 Introductie Praat met de kinderen kort over het begrip verhuizen. Wanneer verhuizen mensen? En wanneer verhuizen er grote groepen mensen? (oorlog, natuurramp, hongersnood) Als grote groepen mensen naar een ander gebied trekken, noemen we dat wel een volksverhuizing. Dit begrip wordt ook wel eens grappig bedoeld, bijvoorbeeld: Tijdens de grote vakantie vindt er een hele volksverhuizing plaats. Kijk met de kinderen naar de titel van de les. Wat betekent deze titel? Bekijk ook de tijdbalk boven de les. In welke tijd vond er een volksverhuizing plaats? (400 tot 700 na Chr.) Vertel de kinderen dat deze les gaat over de Grote Volksverhuizing. En vooral over het gebied dat nu Nederland heet. 2 Teksten lezen De kinderen lezen de teksten op bladzijde 32-34 vervolgens zelfstandig. Wijs hun erop dat ze de afbeeldingen goed bekijken, omdat ook daarin informatie is te vinden. 3 Opdrachten maken en bespreken De kinderen maken de opdrachten op bladzijde 20 en 21 van het werkboek zelfstandig. Ze kunnen de antwoorden zelf nakijken met het antwoordenboekje. Bespreek de antwoorden eventueel samen. Laat bij opdracht 3 enkele kinderen hun brief voorlezen. Opdracht 4: Laat de kinderen verschillen noemen met de wielen van nu. Hoe lang denken ze dat zo n houten wiel meeging? Opdracht 7: De Friezen woonden vroeger in een veel groter gebied dan het tegenwoordige Friesland. Bij opdracht 12 zijn ook andere antwoorden mogelijk. Extra activiteiten 1 Reizen in vroegere tijden Kijk met de kinderen nog eens naar afbeelding 2. Laat hen vertellen hoe de Romeinen reisden. Alles ging te voet, met paarden en met houten karren. Hoeveel kilometer denken ze dat de Romeinen per dag konden afleggen? Hoe lang zou het geduurd hebben voor ze in Rome waren? Hoe lang duurt dat tegenwoordig? Kijk hiervoor op internet of in een afstandstabel in een agenda of atlas. 2 Woordzoeker maken De kinderen maken een woordzoeker met daarin zoveel mogelijk woorden uit deze les, zoals: Hunnen, fakkels, Attila, roof, vuur, Rome, volksverhuizing, Romeinen, castellum, keizer. Laat de kinderen eerst een stramien maken en daarna de woorden invullen. In de overgebleven vakjes vullen ze de letters van een zelfverzonnen woord of zin in. De puzzels kunnen onderling uitgewisseld worden. Maak dan een kopie van de lege puzzels met de bijbehorende omschrijvingen van de in te vullen woorden. 31
2 Een nieuw geloof Leskern Deze les gaat over de kenmerken en verspreiding van het christendom. Deze godsdienst krijgt voet aan de grond in Rome, en weet zich van daaruit over het Romeinse Rijk te verspreiden. Dit gebeurt door predikers als Bonifatius en Willibrord. Zij trekken in onze gebieden rond. Lesdoelen De leerlingen kunnen de belangrijkste kenmerken van het christendom noemen. Ze weten wat het begrip kerstening inhoudt. Ze kunnen vertellen wat de rol van Clovis en predikers zoals Willibrord bij de kerstening was. 1 introductie: voorleesverhaal 10 minuten 2 verhaal bespreken 5 minuten 3 lezen en bespreken 15 minuten 4 opdrachten maken en bespreken 20 minuten 1 leerlingenboek bladzijde 35-37 2 werkboek bladzijde 22 3 kopieerblad Lastige woorden 3, blad 2 Neem met de taalzwakke kinderen van tevoren de begrippen van de woordenlijst door. christenen, bijbel, volgeling, kerstening, prediker Historische namen Christus, Clovis, Bonifatius, Willibrord 1 Introductie: voorleesverhaal Grijp kort terug op het feit dat de Germanen meerdere goden kenden. Weten de kinderen nog welke dat waren? Lees het verhaal Een nieuwe god op de volgende bladzijde voor. Laat de kinderen tijdens het voorlezen de afbeelding op bladzijde 35 bekijken. Stel daarna de volgende vragen over het verhaal: Waarom heeft Bonifatius juist de plek van de heilige eik gekozen om over het nieuwe geloof te vertellen? Zou het gemakkelijk zijn geweest om de Germanen te bekeren tot het geloof in één god? Waarom denk je dat? Wat zei Bonifatius over zijn god? Wat is het grote verschil met de Germaanse goden? Waar ligt Reims? Laat dit in een atlas opzoeken. 3 Lezen en bespreken Lees vervolgens samen de teksten op bladzijde 36 en 37. Bekijk en bespreek de afbeeldingen. 4 Opdrachten maken en bespreken De kinderen kunnen de opdrachten op bladzijde 22 van het werkboek zelfstandig maken. Ze kunnen de antwoorden zelf nakijken met het antwoordenboekje. Bespreek de antwoorden eventueel samen. Opdracht 2: Ook nu worden kinderen (baby s) en volwassenen die christen willen worden gedoopt. Hebben de kinderen wel eens een doop meegemaakt? Zien de kinderen bij opdracht 5 de ware reden van de bekering van Clovis? Wat vinden ze daarvan? Extra activiteiten 1 Internet Wie waren Bonifatius en Willibrord? Waar zijn ze geweest? Wat hebben ze gedaan? Laat twee groepjes kinderen op internet zoeken op bijvoorbeeld de site van schooltv met de zoekwoorden Bonifatius en Willibrord. Daarna vertellen ze iets over deze predikers aan de rest van de groep. 2 Oude tradities In opdracht 6 wordt naar oude gebruiken gevraagd. Kennen de kinderen er nog meer, bijvoorbeeld rondom geboorte, trouwen, sterven? 3 Godsdiensten Praat met de kinderen over godsdiensten. Welke religies kennen ze? Hebben ze zelf een godsdienst? Zo ja, welke? Wie kan daar iets over vertellen? Wat merk je van een godsdienst? (mensen bidden, gaan naar de kerk/de moskee/de synagoge/de tempel, kleden zich anders dan andere mensen, enzovoort) Wat doen mensen in een kerk, moskee,...? 32 2 Verhaal bespreken Bekijk de afbeelding op bladzijde 35 samen met de kinderen. Welk fragment uit het verhaal is hier afgebeeld? Stel enkele vragen over de afbeelding of laat de kinderen verwoorden wat ze zien.
5 Toets Een nieuwe god Doel De Mogen kinderen we laten naar hun de boom kennis gaan? en inzicht vragen zien in Wido de en leerstof Freda. van Vader tijd weet van meteen Jagers en welke boeren boom en zijn Grieken kinderen en bedoelen: Romeinen. de heilige eik aan de rand van het moeras. En hij weet ook waarom zij daarheen willen: vandaag komt de prediker. Hij 1 heet samenvatting Bonifatius maken hij is een priester 20 minuten van de 2 christenen. toets maken Bonifatius en zijn volgelingen 20 minutengelo- ven toets in bespreken maar één god en daar kan 10 vader minuten zich 3 niets bij voorstellen. Eén god kan toch niet al het werk doen van Wodan, Donar, Tyr, Freya en 1 leerlingenboek bladzijde 14-21 de andere goden? Nee, van dat nieuwe geloof 2 kopieerblad Toets 2, blad 1 en blad 2 wil vader niets weten en daarom antwoordt hij: 3 samenvatting werkboek bladzijde 19 4 Nee, kopieerblad daar komt Samenvatting niets van in. 2, blad 1 en blad 2 Wido en Freda zijn teleurgesteld. Ze hebben al veel over het nieuwe geloof gehoord en ze willen Geef die de rare kinderen christenen als voorbereiding wel eens met op eigen de ogen toets zien. één of Maar enkele als dagen vader van nee tevoren zegt, de heeft tegenspreken samenvatting weinig van het kopieerblad zin. Mogen mee we naar wel in het huis bos om gaan te leren. spelen? vragen ze. Dat mag en even Doet later u na lopen de toets Wido de verdiepingsopdrachten en Freda tussen de bomen. van les 6? De Lees lucht dan is donker vast wat en de ze kinderen ruiken dat er thuis moeten voorbereiden voor de verdiepingsopdrachten. Dan hebben ze ruim de tijd regen komt. Tussen de struiken door lopen ze naar de rivier. Daar grazen vaak herten. Eén om materiaal te verzamelen en mee te van de herten heeft een jong. Elke dag gaan ze nemen, zoals een schoenendoos voor even opdracht kijken 4. of het er is. Om de herten niet te laten schrikken, sluipen ze van boom tot boom. En jawel, daar zien ze het jong en zijn moeder. alle Het sleutelbegrippen is Freya die ervoor uit les zorgt 1, 2, dat 3 en er 4. jonge dieren worden geboren, weet Freda. Zou de god van de christenen ook voor jonge dieren zorgen? vraagt ze. Ze is heel nieuwsgierig en Wido ook. Als we langs de rivier lopen, komen we vanzelf bij de heilige eik, zegt hij. Freda knikt, want gewoon van een afstandje staan kijken, dat kan toch zeker geen kwaad? 1 Samenvatting maken De kinderen lopen langs de rivier. Het is nog Laat de kinderen zelfstandig de samenvatting in het werkboek een heel maken. eind, Ze maar mogen uiteindelijk daarbij het zien leerlingenboek ze de eik gebruiken. in de verte. Lees daarna Hij is duidelijk samen met te de herkennen, kinderen de want samenvatting rondom de door, stam zodat hangen ieder kind schedels zijn antwoorden van ossen. kan controleren. De eik is een Geef heel de bijzondere kinderen de boom. gelegenheid De mannen om vragen uit te hun stellen. dorp Eventueel komen er vat bijeen u de lesstof voor ze nog op even jacht samen. gaan en voor ze gaan vechten. Dan leggen ze speerpunten neer om Tyr gunstig te stemmen. De samenvatting Of ze slachten van er het een kopieerblad lam om Freya kunt te u als bedanken voor meegeven de goede of samen oogst. met Toen de kinderen één van door- de dor- huiswerk lezen. U kunt hem ook op een ander tijdstip door pelingen laatst een pot graan van een ander kinderen laten leren als voorbereiding op de toets. had gestolen, bespraken alle andere mannen onder de eik welke straf hij moest krijgen. 2 Toets Nu staan maken er twee vreemde mannen onder de Deel de toets uit. De kinderen maken de toets zelfstandig. U vindt de antwoorden op bladzijde xx. U bent in principe vrij om zelf een normering bij de toets te kiezen. Daarbij kunt u de volgende normering als boom. leidraad Ze dragen gebruiken. een lang wit gewaad, en om hun hals hangt een ketting van dikke kralen Goede met een antwoorden groot kruis eraan. Beheersing Eén van de mannen 9-10 is aan het woord. Dat moet goed Bonifatius zijn. In 6-8 zijn handen heeft hij een groot voldoende boek waar hij uit minder voorleest. dan Wido 6 schrikt, want onvoldoende vader zegt dat alleen mensen met kwade bedoelingen boeken kunnen lezen. Zou vader dan toch gelijk hebben? Toets Zou bespreken Bonifatius misschien door boze gees- 3 Het bespreken van de toets doet u op een later tijdsstip, ten zijn gestuurd? Maar dan zouden er toch wanneer u de toets hebt nagekeken. geen mannen uit hun dorp om de vreemdelingen heen staan? Besteed aandacht aan zaken die u bij het nakijken zijn opgevallen. Onze god Geef is een ook goede aan hoe god, u de zegt antwoorden Bonifatius. hebt gewaardeerd. Hij zorgt voor Ga iedereen. in op die zaken Of je rijk waar bent veel of kinderen arm. nog problemen Of je in hem mee gelooft hebben. of niet. Laat de Hij kinderen straft de ook mensen zelf aan het niet, woord maar over beloont de opdrachten. ze juist als Wat ze iets vonden goeds ze lastig? Welke doen. opdrachten waren gemakkelijk? Hoe hebben ze Dat geredeneerd? zal wel! roept Willen één ze van iets de vertellen dorpelingen. over het gebruik van Wat vuur moet door je de dan jagers? doen? Waren Een gevecht de pictogrammen voor hem moeilijk? winnen? En roept hoe zit een het ander. met de Onze uitroep god van is Tom tegen over dierenbeulen? vechten, zegt Bonifatius. De mannen beginnen nu door elkaar te roepen. Een god die tegen vechten is, dat is een belediging voor Wodan en Tyr. Die vinden vechten eervol en zorgen ervoor dat de sterkste mannen winnen! Je wilt onze boom hebben, roept een dorpeling. Wij mogen hier zeker niet meer komen, roept een ander. Bonifatius blijft heel rustig. Wij hebben geen kwade bedoelingen, zegt hij. Wij komen in vrede. Wido en Freda horen het aan. Ze weten niet wat ze ervan moeten denken. De lucht wordt steeds donkerder en dreigender en opeens begint het te regenen. Ze schrikken ervan. We gaan naar huis, fluistert Wido. De kinderen lopen terug langs de rivier. Het gaat steeds harder regenen en ze beginnen te rennen. Opeens zien ze een flits en er klinkt een harde donderslag. Hollen! gilt Freda en ze zet het op een lopen. Ze rennen tussen de bomen door en struikelen over boomstronken. Ze stoppen niet voordat ze thuis zijn. Ik denk dat Bonifatius Donar kwaad heeft gemaakt, zegt Wido. 33
3 Leven in een klooster Leskern Deze les gaat over leven en werken in een klooster in de vroege middeleeuwen. Kloosters vervullen in een bepaald gebied een belangrijke culturele en sociale rol. Er wordt onderwijs gegeven en er worden zieken verpleegd. De kloosterlingen bestuderen boeken en schrijven ze over. Ze leggen dijken aan en bedrijven landbouw. Lesdoelen De leerlingen kunnen beschrijven hoe het leven in een klooster was. Ze kunnen enkele activiteiten noemen die in/ door een klooster werden uitgeoefend. Ze kunnen verklaren waarom ziekenhuizen vaak ontstaan zijn uit kloosters. 1 introductie 5 minuten 2 lezen en bespreken 20 minuten 3 opdrachten maken en bespreken 25 minuten 1 leerlingenboek bladzijde 38-40 2 werkboek bladzijde 23 en 24 3 kopieerblad Lastige woorden 3, blad 3 Neem met de taalzwakke kinderen van tevoren de begrippen van de woordenlijst door. Zorg eventueel voor een cd met gregoriaans gezang voor de introductie. Of zoek op internet een muziekfragment met de zoekwoorden digischool gregoriaans. Zorg eventueel voor inkt en kroontjespennen (of veren van ganzen, zwanen of eenden) voor de extra activiteit. monnik, monnikenwerk, kruidentuin, kloosterling, non, klooster, bidden, bijbel, perkament, gasthuis 2 Teksten lezen De kinderen lezen de teksten op bladzijde 38-40 zelfstandig. Wijs hun erop dat ze de afbeeldingen goed bekijken, omdat ze daar ook informatie in kunnen vinden. 3 Opdrachten maken en bespreken De kinderen maken de opdrachten op bladzijde 23 en 24 van het werkboek zelfstandig. Ze kunnen de antwoorden zelf nakijken met het antwoordenboekje. Bespreek de antwoorden eventueel samen. Bij opdracht 2: Vertel de kinderen dat men vroeger veelal bier dronk, omdat men wist dat bier gezonder was dan water. (De reden, namelijk dat het water vol ziektekiemen zat, kende men toen nog niet. Bier wordt tijdens het brouwen verhit, waardoor ziektekiemen gedood worden.) Wat hebben de kinderen bij opdracht 7 bedacht? Praat even over de verschillende antwoorden. Bij opdracht 10: In die tijd gingen alleen jongens van welgestelde ouders (edelen) naar school. Extra activiteiten 1 Monnikenwerk De kinderen ervaren wat voor monnikenwerk het is om een boek over te schrijven en de afbeeldingen na te tekenen. U kunt hiertoe zelf een gedeelte van een middeleeuwse tekst zoeken. Zoek bijvoorbeeld op internet via Google met de woorden middeleeuwse handschriften. Laat de kinderen een stukje overschrijven en/of een plaatje natekenen met inkt en kroontjespen. Of laat in plaats van de kroontjespen een veer met scherpe punt gebruiken: dat maakt het natuurlijk helemaal echt. 2 Geneeskrachtige kruiden Laat een groepje kinderen op internet onderzoek doen naar geneeskrachtige kruiden. Ze zoeken vijf verschillende planten met een geneeskrachtige werking. Welke hebben ze gevonden en voor welke kwalen werden/worden deze planten gebruikt? De kinderen vertellen erover aan de rest van de klas. 3 Een etiket voor kloosterbier Ook nu nog wordt er in sommige kloosters bier gebrouwen. De kinderen ontwerpen een etiket voor kloosterbier. Ze verzinnen een toepasselijke naam en maken er een tekening bij. 34 1 Introductie Laat de kinderen een kort fragment van gregoriaans gezang horen. Vertel dat de monniken in de kloosters zo zongen tijdens de mis (= de gebedsdienst). Vertel dat monniken in kloosters leefden en dat de les van vandaag daarover gaat.
4 Karel de Grote Leskern Karel de Grote maakt het Frankische rijk groter en sterker. Hij verdeelt zijn rijk in gouwen (provincies). Ook zorgt hij voor een betere rechtspraak en voert hij voor de landbouw het drieslagstelsel in. Lesdoelen De leerlingen kunnen vertellen hoe het rijk van Karel de Grote werd bestuurd. Ze kunnen enkele belangrijke dingen noemen die Karel heeft gedaan. 1 introductie 5 minuten 2 lezen en bespreken 20 minuten 3 opdrachten maken en bespreken 25 minuten 1 leerlingenboek bladzijde 41-43 2 werkboek bladzijde 25 en 26 3 kopieerblad Lastige woorden 3, blad 4 Geef de kinderen als voorbereiding op de toets één of meer dagen van tevoren de samenvatting van het kopieerblad mee naar huis om te leren. Neem met de taalzwakke kinderen van tevoren de begrippen van de woordenlijst door. gouw, gouwgraaf, palts, drieslagstelsel, landbouw, leenman, leenheer, belasting, rechtspraak Historische namen Karel de Grote 2 Lezen en bespreken Lees met de leerlingen de tekst op bladzijde 41-43. Bekijk en bespreek de afbeeldingen samen, als u dat nog niet gedaan hebt. 3 Opdrachten maken en bespreken De kinderen kunnen de opdrachten op bladzijde 25 en 26 van het werkboek zelfstandig maken. Ze kunnen de antwoorden zelf nakijken met het antwoordenboekje. Bespreek de antwoorden eventueel samen. Bij opdracht 4 zou ook kunnen staan recht spreken. Bij opdracht 7: Kunnen de kinderen bedenken waarom de onderdanen van Karel de Grote hem belasting moesten betalen? En in deze tijd: Waarom moeten de bewoners van Nederland belasting betalen aan de Nederlandse regering? Bij opdracht 12 zien de kinderen dat machtige mannen ook groot worden afgebeeld. Extra activiteiten 1 Karel ende Elegast Vertel de kinderen dat er over machtige koningen en keizers altijd verhalen werden verteld en geschreven. Zo ook over Karel de Grote. Vertel de kinderen over Karel ende Elegast (de naam van een zwarte ridder). Kijk voor informatie op internet: zoek bij literatuurgeschiedenis naar Karel ende Elegast. Lees ook een stukje in het middeleeuws voor. De mensen spraken en schreven toen heel anders dan nu! 2 Stripverhaal over Karel de Grote De kinderen werken in tweetallen. Elk tweetal tekent een gebeurtenis of een activiteit uit het leven van Karel de Grote, bijvoorbeeld een gevecht tijdens een oorlog, zijn kroning tot keizer, een bespreking van Karel met een gouwgraaf, Karel op zijn palts in Nijmegen of Karel met zijn vrouw en kinderen. Onder aan elke tekening kan een kort stuk tekst worden geschreven. Als de tekeningen klaar zijn, hangen de kinderen deze in de juiste volgorde naast elkaar op. 1 Introductie Over wie gaat deze les? (Karel de Grote) Vertel dat de mensen in de middeleeuwen geen achternaam hadden. Men gaf elkaar wel bijnamen, ook om precies aan te duiden wie men bedoelde. Zo heette de moeder van Karel Bertha met de grote voeten. En Karel kreeg later in zijn leven de bijnaam de Grote. Waarschijnlijk was dat omdat hij zo n goede en machtige koning was. Sommige mensen zeggen dat hij, zeker voor die tijd, nogal lang was, maar dat weten we niet zeker. Kijk ook met de kinderen naar de tijdbalk boven aan de eerste les, zodat ze kunnen zien wanneer Karel de Grote leefde. 35
5 Toets Doel De kinderen laten hun kennis en inzicht zien in de leerstof van de tijd van Monniken en ridders. 1 samenvatting maken en leren 20 minuten 2 toets maken 20 minuten 3 toets bespreken 10 minuten 1 leerlingenboek bladzijde 32-43 2 kopieerblad Toets 3, blad 1 en 2 3 samenvatting werkboek bladzijde 27 4 kopieerblad Samenvatting 3, blad 1 en 2 Goede antwoorden Beheersing 9-10 goed 6-8 voldoende minder dan 6 onvoldoende 3 Toets bespreken Het bespreken van de toets doet u op een later tijdstip, wanneer u de toets hebt nagekeken. Besteed aandacht aan zaken die u bij het nakijken zijn opgevallen. Geef ook aan hoe u de antwoorden hebt gewaardeerd. Ga in op die zaken waar veel kinderen nog problemen mee hebben. Laat de kinderen ook aan het woord over de opdrachten. Wat vonden ze lastig? De tijdbalk? Welke opdrachten waren gemakkelijk? Hoe hebben ze geredeneerd? Willen ze iets vragen over koning Clovis? En wat vonden ze van opdracht 10? Geef de kinderen als voorbereiding op de toets één of meer dagen van tevoren de samenvatting van het kopieerblad mee naar huis om te leren. Bereid ook de verdiepingsopdrachten van de volgende les voor. Voor opdracht 4 hebben kinderen aardappels en een scherp mesje nodig. alle sleutelbegrippen uit les 1, 2, 3 en 4 1 Samenvatting maken en leren Laat de kinderen zelfstandig de samenvatting in het werkboek maken. Ze mogen daarbij het leerlingenboek gebruiken. Lees daarna samen met de kinderen de samenvatting door, zodat ieder kind zijn antwoorden kan controleren. Geef hun de gelegenheid om vragen te stellen. Eventueel vat u de lesstof nog even samen. De samenvatting van het kopieerblad kunt u als huiswerk meegeven of samen met de kinderen doorlezen. U kunt hem ook op een ander tijdstip door de kinderen laten leren als voorbereiding op de toets. 2 Toets maken Deel de toets uit. De kinderen maken de toets zelfstandig. U vindt de antwoorden op het kopieerblad Antwoorden toets 3, blad 1 en 2. U bent in principe vrij om een normering bij de toets te kiezen. Daarbij kunt u de volgende normering als leidraad gebruiken. 36
6 Themales en herhaling Doel A Kinderen die de toets goed of voldoende maakten, verdiepen hun kennis en inzicht met behulp van een verdiepingsopdracht uit de terugblikles (volg de aanwijzingen onder A). B Na de herhalingsles tonen de kinderen die de toets onvoldoende maakten alsnog hun kennis van en inzicht in de tijd van Monniken en ridders (volg de aanwijzingen onder B). 1A verdiepingsopdracht maken 1B herhalingsopdrachten maken 60 minuten 25 minuten 1A leerlingenboek themales bladzijde 44-45 1A kopieerblad Verdiepingsopdrachten 3.1 t/m 3.4 1B kopieerblad Herhaling 3 1B leerlingenboek bladzijde 32-43 1B kopieerblad Samenvatting 3, blad 1 en 2 1A Lezen en opdracht kiezen Laat de kinderen goed naar de afbeeldingen kijken en lees de teksten. Herinneren ze zich de onderwerpen uit de laatste twee hoofdstukken nog? Vertel de kinderen dat ze naar aanleiding van een afbeelding een verdiepingsopdracht mogen maken. U kunt vertelt kort welke vier opdrachten er zijn. De kinderen kiezen vervolgens een opdracht en gaan daarmee zelfstandig aan de slag. De aanwijzingen daarvoor vinden ze bij de opdracht. Daarna hebt u gelegenheid om met de kinderen die de toets onvoldoende hebben gemaakt de herhalingsopdrachten door te nemen. U kunt er ook voor kiezen om dit op een ander tijdstip te doen. 1B Herhalingsopdrachten maken De kinderen die de toets onvoldoende hebben gemaakt, maken de herhalingsopdrachten. Ze hebben daarbij het leerlingenboek nodig. Daarna nemen ze de samenvatting nog een keer door. Vervolgens controleert u of de kinderen de stof nu wel voldoende beheersen. Stel hun mondeling nog enkele vragen of neem de toets nog een keer af. Hierna kunnen ook deze kinderen met een korte verdiepingsopdracht aan de gang gaan. 37