Rekenniveaus op het mbo
|
|
|
- Julia van Veen
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 ] Nederlandse Marieke Buisman Rekenniveaus op het mbo jongeren langs de internationale meetlat
2 Colofon Titel Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Auteurs Marieke Buisman Datum September 2014 Ontwerp Design Crew ISBN/EAN Bestellen Via o.v.v. bestelnummer A00763 / ecbo Expertisecentrum Beroepsonderwijs T Postbus 1585 [email protected] 5200 BP s-hertogenbosch ecbo 2014 Overname van teksten, ideeën en resultaten uit deze publicatie is vrij toegestaan, mits met bronvermelding.
3 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Inhoudsopgave Woord vooraf 5 1 Achtergrond bij het onderzoek 9 2 Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers Nederland vergeleken Rekenvaardigheden en opleidingsniveau Conclusie 39 Literatuur 43 Bijlage 1 47 Bijlage 2 49 Gebruikte afkortingen 53 ecbo 3
4
5 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Woord vooraf Het Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo) is gestart met een project om het niveau van kernvaardigheden in het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) in kaart te brengen. Het gaat daarbij om taalvaardigheden, rekenvaardigheden en probleemoplossend vermogen. Een actueel onderwerp in het licht van de invoering van referentieniveaus voor taal en rekenen in het mbo. Reden voor die invoering is het veronderstelde lage niveau van mbo ers op deze vaardigheidsgebieden. Objectieve gegevens over de volle breedte van het beroepsonderwijs zijn echter nog beperkt. Toch heeft de invoering al tot veel controverse geleid; de eisen zouden te hoog zijn, niet altijd relevant voor de beroepspraktijk of zouden leiden tot een toename van het aantal voortijdig schoolverlaters. Over de verdere invulling van de examens en over de haalbaarheid van de referentieniveaus voor sommige groepen leven de nodige vragen. Een op het mbo gerichte analyse geeft een beeld van het beheersingsniveau van mbo ers op deze kernvaardigheden en draagt daarmee bij aan de discussie. Het meten van kernvaardigheden (ook wel aangeduid als basisvaardigheden) is een belangrijke onderzoekstraditie binnen ecbo. Onlangs werd PIAAC afgerond: Programme for the International Assessment of Adult Competencies. Eerder werkte ecbo mee aan IALS (International Adult Literacy Survey) en ALL (Adult Literacy and Life Skills Survey). Kern van deze onderzoeken is na te gaan hoe het staat met het niveau van taalvaardigheid, rekenvaardigheid en probleemoplossend vermogen van volwassenen. Deze kernvaardigheden zijn belangrijke voorwaarden voor deelname aan de arbeidsmarkt en volwaardige maatschappelijke participatie. Een belangrijk aspect van deze onderzoeken is dat ze in meerdere landen worden uitgevoerd. Hierdoor is internationale vergelijking mogelijk. De resultaten zijn onder andere gerapporteerd in de ecbopublicatie PIAAC: Kernvaardigheden voor werk en leven (Buisman e.a., 2013). In voorliggend rapport concentreren we ons op het niveau van rekenvaardigheden binnen het mbo. Er spelen op dit moment een aantal problemen specifiek voor rekenen op het mbo: het instroomniveau is te laag, de resultaten op de pilotexamens blijven achter, veel docenten zijn niet vakbekwaam op dit terrein en een opleiding tot bevoegd docent rekenen ontbreekt. Het is lastig om het rekenonderwijs goed te organiseren, vanwege een grote variëteit aan studenten met verschillende rekenniveaus. Dit rapport levert een feitelijke basis voor verdere ecbo 5
6 Woord vooraf discussie door het niveau van rekenvaardigheden uitgebreid in kaart te brengen, ook in internationaal vergelijkend perspectief. Het rapport over rekenvaardigheden is het eerste in een reeks. Volgende delen gaan over het niveau van taalvaardigheid en probleemoplossend vermogen in het mbo. Drs. Henny Morshuis Directeur a.i. Expertisecentrum Beroepsonderwijs 6 ecbo
7
8 HOOFDSTUK 01
9 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Achtergrond bij het onderzoek Zorgen over de daling van de prestaties op het gebied van algemene kernvaardigheden (ook wel: basisvaardigheden) en de wens om doorlopende leerlijnen te realiseren, vormen de aanleiding om meer aandacht te besteden aan taal en rekenen in het Nederlandse onderwijs. De hernieuwde aandacht voor taal en rekenen heeft in het bijzonder impact op het middelbaar beroepsonderwijs (mbo), waar de eisen aan beheersingsniveaus van rekenen sinds 2010 in de kwalificatiedossiers zijn opgenomen. Met de invoering van het referentiekader rekenen in 2010 worden de eisen aan rekenvaardigheden voortaan landelijk vastgesteld. Daarnaast worden landelijke taal- en rekenexamens ingevoerd. In het Actieplan Focus op vakmanschap (2011) wordt onder het motto de basis op orde en de lat omhoog een aantal maatregelen, waaronder intensivering en verkorting van opleidingen, voorgesteld die ook op het gebied van rekenen moeten leiden tot betere onderwijsprestaties van mbo ers. Er spelen op dit moment een aantal problemen specifiek voor rekenen op het mbo: het instroomniveau is te laag, de resultaten op de pilotexamens blijven achter, veel docenten zijn niet vakbekwaam en een opleiding tot bevoegd docent rekenen ontbreekt. Het is lastig om het rekenonderwijs goed te organiseren, met een grote variëteit aan studenten met verschillende rekenniveaus. Mbo-instellingen zetten in op het organiseren en aanbieden van rekenlessen, professionalisering van rekendocenten en keuzes voor lesmethoden die op de markt komen. Doel van het intensiveringstraject rekenen in het mbo, dat in opdracht van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) uitgevoerd wordt, is scholen te ondersteunen bij de inhoud en vormgeving van het rekenbeleid in de instellingen (Steunpunt taal en rekenen mbo, 2014). Uit de laatste voortgangsrapportage over de invoering van centrale toetsing en examinering referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen, blijkt dat minder dan de helft van de leerlingen in mbo 2 en mbo 4 een voldoende haalt op de pilotexamens van rekenen. Een relatief grote groep haalt een 4 of 5. Veel leerlingen zitten dus net onder een voldoende. De kwaliteit van de pilotexamens rekenen wordt beschouwd als een van de oorzaken van de onvoldoende resultaten. Op basis van adviezen van de commissie-bosker worden maatregelen overwogen om de kwaliteit van de rekenexamens te verbeteren. Ook wordt gekeken naar mogelijkheden ecbo 9
10 Hoofdstuk 01 Achtergrond bij het onderzoek om tijdelijk de cesuur en/of de zak/slaagregeling aan te passen (CvE, 2014; SLO, 2014). Het gegeven dat de referentiecesuur voor de centrale examens voorlopig nog niet vastgelegd kan worden, betekent dat betrouwbare feiten en cijfers over niveaus van rekenvaardigheid in het mbo ontbreken. Discussie over en beleid rond taal en rekenen worden daarnaast gevoed met feiten en cijfers uit het basis- en voortgezet onderwijs. Op landelijk niveau levert de periodieke peiling van het onderwijsniveau (PPON) inzicht in rekenvaardigheden in het basisonderwijs. Daaruit blijkt dat het niveau van rekenvaardigheden halverwege de basisschool redelijk constant is (Cito, 2012). Uit internationaal vergelijkend onderzoek blijkt dat Nederland in vergelijking met andere landen goed presteert op rekenvaardigheden. Uit TIMSS (Trends in International Mathematics and Science Study) en PISA (Programme for the International Student Assessment) blijkt echter ook dat de rekenniveaus in het basisonderwijs licht dalen en dat het percentage 15-jarigen met zeer zwakke rekenvaardigheden licht toeneemt (OCW, 2012). Om het rekenniveau op het mbo in kaart te brengen, wordt in deze publicatie eveneens gebruikgemaakt van internationaal vergelijkend onderzoek naar taal- en rekenvaardigheden: IALS (International Adult Literacy Survey), ALL (Literacy and Life Skills Survey) en PIAAC (Programme for the International Assessment of Adult Competencies). Deze onderzoeken brengen het niveau van de taal- en rekenvaardigheden van 16- tot en met 65-jarige Nederlanders in beeld aan de hand van cognitieve taal- en rekentesten. Ook wordt een uitgebreide achtergrondvragenlijst afgenomen die informatie verschaft over opleidingsniveau en deelname aan leven lang leren, de positie op de arbeidsmarkt en maatschappelijke participatie. Het PIAAConderzoek is in 24 landen uitgevoerd. In Nederland namen ruim 5000 mensen aan het onderzoek deel. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft een representatieve steekproef onder 16- tot en met 65-jarigen uit de gemeentelijke basisadministratie getrokken. Het responspercentage bedroeg 51%. De gegevens zijn gewogen en vormen een representatief beeld van de Nederlandse beroepsbevolking. Daarnaast kijken we in deze publicatie naar de PISA-resultaten. PISA meet leesvaardigheid en vaardigheden in wiskunde en natuurwetenschappen, onder 15-jarigen in het voortgezet onderwijs. PISA geeft daarmee inzicht in het instroomniveau op het mbo: de prestaties van 15-jarige vmbo ers. In deze publicatie wordt het niveau van rekenvaardigheid onder vmbo- en mbo-opgeleiden in kaart gebracht. Daarbij kijken we zowel naar het niveau van rekenvaardigheden op het mbo het eindniveau als op het vmbo: op het instroomniveau. De niveaus van rekenvaardigheid van vmbo ers en mbo ers worden daarnaast internationaal vergeleken met andere landen die aan de onderzoeken meededen. Kan Nederland zich qua rekenvaardigheden meten met goed presterende landen? 10 ecbo
11 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Afbakening We focussen in deze publicatie op de groep die recent een (v)mbo-opleiding heeft afgerond. We beperken ons tot de jongste leeftijdscohorten 16 tot en met 34-jarigen die een vmboof mbo-opleiding hebben gevolgd. Hierbij gaat het om respondenten met een mbo 2-, 3- of 4- opleiding. Bijna de helft van de respondenten volgt ten tijde van het onderzoek nog onderwijs, zo blijkt uit tabel 1.1. In de meeste gevallen gaat het om een vervolgopleiding in het mbo (n=233), of hoger beroepsonderwijs (hbo) (n=63). Tabel 1.1 Samenstelling van de respondentengroep: hoogst voltooide opleidingsniveau, jarigen Tot en met 34 jaar Waarvan ten tijde van het onderzoek onderwijs volgend Vmbo en mbo 1* Mbo 2, 3 en Totaal * In PIAAC zijn vmbo-bb (basisberoepsgerichte leerweg), vmbo-kb (kaderberoepsgerichte leerweg) en mbo 1 samengenomen. Rekenvaardigheden in PIAAC Rekenvaardigheid wordt in het PIAAC-onderzoek geoperationaliseerd als een actiegerichte of functionele rekenvaardigheid, soms aangeduid als gecijferdheid. Dit verwijst naar het gebruik van wiskunde en rekenen in situaties die in het dagelijks leven voorkomen. Het omvat de kennis en vaardigheden die nodig zijn om op een effectieve manier om te gaan met de wiskundige eisen van alledag. Het gaat dus niet om wiskundige en rekenkundige kennis alleen, maar ook om het vermogen om deze kennis in het dagelijks leven toe te passen. Kortom: rekenvaardigheid in PIAAC richt zich op de mate waarin volwassenen vertrouwd zijn met en betekenis kunnen geven aan getallen in verschillende situaties (Van Groenestijn, 2009). De rekenitems in het PIAAC-onderzoek zijn opgebouwd uit drie dimensies: context, inhoud en cognitieve strategie. In bijlage 2 staan voorbeelden van rekenitems. Context De context bestaat uit verschillende situaties waarbinnen de rekentaken worden uitgevoerd: werk en beroep, gezondheid en veiligheid, consument en economie en opleiding en training. In PIAAC zijn de rekenkundige opgaven ingebed in levensechte situaties. Respondenten wordt bijvoorbeeld gevraagd een BMI (body mass index) uit te rekenen, of de korting te berekenen van een tv die in de uitverkoop wordt aangeboden. Het inbedden van rekenkundige informatie in deze situaties vraagt om een basaal niveau van taalvaardigheid: er wordt geen gebruikgemaakt van kale sommen. In PIAAC wordt wel geprobeerd om de hoeveelheid tekst minimaal en eenvoudig te houden. Ook worden in alle testitems afbeeldingen gebruikt. ecbo 11
12 Hoofdstuk 01 Achtergrond bij het onderzoek Inhoud Daarnaast worden vier inhoudelijke rekentaken onderscheiden: Getal en hoeveelheid omvat relatief eenvoudige berekeningen met hele getallen, percentages en breuken. Dimensie en vorm richt zich op geometrie en meetkunde. Algebra is van belang bij patroon, verandering en relaties. Statistiek staat centraal binnen data en kans. Cognitieve strategieën In PIAAC worden tot slot drie cognitieve strategieën onderscheiden: Lokaliseren en herkennen van rekenkundige informatie. Handelen en gebruiken omvat het gebruik van wiskundige procedures, regels, meetinstrumenten en formules. Interpreteren, evalueren en analyseren richt zich op betekenisgeving van wiskundige informatie: het kunnen analyseren van een probleem, evalueren van een oplossing en deze mogelijk herzien. Beheersingsniveaus Er zijn in het PIAAC-onderzoek voor rekenen vijf beheersingsniveaus gedefinieerd, in oplopende mate van moeilijkheid. Mensen worden ingedeeld op een rekenniveau aan de hand van scores op een rekentest: 0 tot 500 punten. De OECD (Organisation for Economic Co-operation and Development) definieerde in het PIAAC-onderzoek geen benchmarkniveau: het niveau van vaardigheden dat mensen in staat stelt om volwaardig op het werk en in de maatschappij te kunnen functioneren. In eerdere vergelijkbare onderzoeken IALS en ALL wordt niveau 3 beschouwd als het niveau dat nodig is om in de kenniseconomie en de moderne samenleving volwaardig te kunnen participeren (Statistics Canada, 2011). Respondenten met een score op niveau 1 beschikken over zeer zwakke vaardigheden en zijn laaggecijferd. Deze groep is in staat in een vertrouwde context eenvoudige berekeningen, zoals tellen of sorteren, uit te voeren met hele getallen of bedragen en met eenvoudige percentages als 50%. Laaggecijferden hebben moeite met berekeningen die meer dan één stap vergen en maten of schattingen bevatten. Niveau en 3 onderscheidt zich met name van niveau 2 door de mate van complexiteit. Taken op niveau 2 zijn duidelijk afgebakend en spelen zich meestal af in vertrouwde contexten met weinig afleidende informatie. Taken zijn in een of twee stappen uit te voeren. Het uitvoeren van rekenkundige taken op niveau 3 daarentegen, vergt meerdere stappen waarbij de keuze voor oplossingsstrategieën vrij is en soms informatie uit verschillende bronnen figuren, tabellen moet worden gecombineerd. 12 ecbo
13 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Respondenten op niveau 4 en 5 beschikken over zeer hoge excellente vaardigheden. Zij zijn in staat complexe rekenvraagstukken op te lossen in onbekende contexten. Taken omvatten meerdere stappen, abstracte mathematische ideeën en vragen om een analyse van complexe redenaties over gegevens, statistiek, ruimtelijke relaties en verandering. Omdat relatief weinig mensen op het hoogste niveau van vaardigheden, niveau 5, presteren, worden niveau 4 en 5 in de analyses samengevoegd. In het overzicht in bijlage 1 staat de betekenis van de verschillende rekenniveaus plus de scores. PIAAC, PISA en het referentiekader rekenen Internationaal vergelijkende onderzoeken zoals PISA en PIAAC zijn in de eerste plaats opgezet om de vaardigheden van de bevolking van landen ten opzichte van elkaar in kaart te brengen: hoe presteren Nederlandse jongeren en volwassenen op taal en rekenen in vergelijking met andere landen? Daarnaast kunnen we op basis van PIAAC uitspraken doen over het niveau van rekenvaardigheden van groepen respondenten zoals mbo-afgestudeerden. Het is niet mogelijk om op basis van PISA en PIAAC uitspraken te doen over individuele taal- en rekenprestaties zoals bij de referentietoetsen. Dat type onderzoek is te kosten-/tijdsintensief om op internationale schaal uit te voeren. PISA en PIAAC meten dan ook geen individuele prestaties en zijn niet gericht op het testen van een onderwijscurriculum. Beide onderzoeken geven een algemeen beeld van het niveau van rekenvaardigheid van mbo-opgeleide (jong)volwassenen. De Nederlandse referentieniveaus geven daarentegen het niveau aan dat aan het eind van de opleiding behaald moet worden. Ondanks de verschillen is het interessant te kijken hoe deze zich tot elkaar verhouden. In hoeverre zijn de rekenniveaus in PIAAC en PISA te vergelijken met de Nederlandse referentieniveaus? We vergelijken op drie onderdelen: de inhoudelijke domeinen, de doelgroep en de niveau-indeling. Inhoudelijke domeinen In tabel 1.2 worden de inhoudelijke domeinen weergegeven. De domeinen van PIAAC en PISA worden grotendeels op vergelijkbare wijze gedefinieerd (zie Evans e.a., 2009 voor een uitgebreide beschrijving). Ook de overkoepelende definitie van rekenvaardigheden is vergelijkbaar tussen deze twee onderzoeken: beide hanteren een actiegeoriënteerde of functionele opvatting over vaardigheden en richten zich op het gebruik van kennis en vaardigheden om problemen op te lossen en betekenis te geven aan de wereld om hen heen. Zowel de PISAals PIAAC-items zijn opgebouwd uit drie onderdelen: context, inhoud en cognitieve strategieën. Inhoudelijk zijn de verschillen tussen het referentiekader enerzijds en PIAAC en PISA anderzijds echter groter. Kansberekening en statistiek worden bijvoorbeeld niet als afzonderlijk domein genoemd in het referentiekader, dit is wel het geval in PISA en PIAAC. Het referentiekader is daarnaast meer verfijnd uitgewerkt. De vier domeinen in het referentiekader worden opgesplitst in drie ecbo 13
14 Hoofdstuk 01 Achtergrond bij het onderzoek aspecten: notatie, taal en betekenis, met elkaar in verband brengen en gebruiken. Binnen elk van deze aspecten worden daarnaast drie competentiegebieden onderscheiden: paraat hebben, functioneel gebruik en weten waarom (zie voor een uitgebreide vergelijking Van den Broek, 2013). Tabel 1.2 Inhoudelijke domeinen, PIAAC, Pisa en referentiekader PIAAC PISA Referentiekader Getal en hoeveelheid Hoeveelheid Bewerking en getallen Dimensie en vorm Ruimte en vorm Meten en meetkunde Patroon, verandering en relaties Verandering en relaties Verbanden Data en kans Onzekerheid Verhoudingen: decimalen, breuken, procenten Doelgroep Ook de doelgroepen van de twee studies en het referentiekader rekenen verschillen van elkaar, zie tabel 1.3. Binnen de referentieniveaus wordt gedifferentieerd naar leeftijdsgroepen en naar opleidingsniveau: over welke rekenvaardigheden moet een 12-jarige (einde basisschool), 16-jarige (voorgezet onderwijs) en 18-jarige (mbo) beschikken? PISA focust op de vaardigheden van 15-jarigen in het voortgezet onderwijs. In PIAAC worden de vaardighedenniveaus van de potentiële beroepsbevolking van 16 tot en met 65 jaar in kaart gebracht, een grote groep daarvan heeft het onderwijs al geruime tijd verlaten. Omdat de doelpopulatie van PIAAC heterogener is, omvat deze studie ook toetsopgaven die een zeer laag opleidingsniveau veronderstellen, zoals bij ouderen met een hoogst afgeronde opleiding op basisschoolniveau. De eenvoudige toetsopgaven in PISA zijn dan ook complexer dan de eenvoudige opgaven in PIAAC (OECD, 2013). Tabel 1.3 Doelgroepen PIAAC, PISA en referentiekader PIAAC PISA Referentiekader Leeftijd jaar 15 jaar jaar Opleidingsniveau Primair onderwijs Voortgezet onderwijs Middelbaar beroepsonderwijs Hoger beroepsonderwijs Wetenschappelijk onderwijs Voortgezet onderwijs Primair onderwijs Voortgezet onderwijs Middelbaar beroepsonderwijs 14 ecbo
15 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Niveau-indeling Tot slot kijken we naar de niveau-indelingen van PIAAC, PISA en het referentiekader. In tabel 1.4 worden de referentieniveaus voor rekenen en de niveaus van PIAAC en PISA per onderwijssoort naast elkaar gezet. Per opleiding wordt weergegeven welk referentieniveau verwacht wordt van een leerling en op welk PIAAC-niveau de gemiddelde jarige scoort. Zo wordt inzichtelijk gemaakt hoe de referentieniveaus en de PIAAC-niveaus zich globaal tot elkaar verhouden. Het maatschappelijk wenselijke niveau van functionele gecijferdheid wordt in het referentiekader vastgesteld op 2F. In de nationale PISA-rapportage wordt niveau 4 aangeduid als ondergrens voor volwaardige participatie in de maatschappij. Zoals eerder aangegeven, wordt in PIAAC geen benchmarkniveau gehanteerd. In eerdere onderzoeken IALS en ALL werd niveau 3 als minimum gesteld. Tabel 1.4 Referentieniveau Rekenen en rekenniveaus PIAAC en PISA Hoogst voltooide opleidingsniveau Referentieniveau rekenen Rekenniveau in PIAAC, jarigen Rekenniveau in PISA 2012 Primair onderwijs 1F 2 Vmbo basisberoeps Vmbo kaderberoeps Vmbo gemengde en theoretische leerweg 2F* Mbo 1 Mbo 2 en 3 Mbo 4 2F** 3F Havo 3F 3 5 Vwo 3F 3 5 Hbo 3 Wo 4 * In de rekentoets wordt voor vmbo 2F aangehouden, maar voor de basisberoepsgerichte leerweg wordt een andere normering gehanteerd. ** De commissie-bosker constateerde dat operationalisering van 2F en 3F in toetsen en examens aangepast moet worden. Daarnaast kan de referentiecesuur nog niet worden vastgesteld. PIAAC en het referentiekader Het referentiekader heeft als doel om fundamentele minimumniveaus vast te leggen. Het geeft aan wat elke leerling in het vmbo of mbo moet kennen en kunnen op het gebied van rekenen en wiskunde om een diploma te kunnen halen. Het uitgangspunt van de niveau-indeling in PIAAC is anders van aard: het gaat hierbij niet om het niveau dat iemand zou moeten behalen, maar om het feitelijk vastgestelde niveau van een (sub)groep. PIAAC meet welk niveau van rekenvaardigheden personen met een afgeronde vmbo- of mbo-opleiding beheersen. ecbo 15
16 Hoofdstuk 01 Achtergrond bij het onderzoek Toch zijn er ook inhoudelijke overeenkomsten. Bij de ontwikkeling van de rekenexamens voor niveau 3F is gebruikgemaakt van het conceptuele raamwerk dat is ontwikkeld voor de voorloper van PIAAC: de Adult Literacy and Life Skills Survey (Houtkoop, Allen e.a., 2012). Daarbij geldt dat niveau 3 uit het ALL-onderzoek deels vergelijkbaar is met 3F (Syllabuscommissie rekenen 3F mbo, 2010). Ook in het PIAAC-onderzoek vormt dit raamwerk de basis voor de rekenopgaven. Zowel binnen het referentieniveau als binnen ALL en PIAAC geldt dat niveau 3(F) zich vooral van 2(F) onderscheidt door de mate van complexiteit: helderheid van de probleemomschrijving, afleidende informatie, moeilijkheidsgraad van de numerieke of meetkundige bewerkingen en het aantal stappen dat moet worden gezet om een rekenkundig probleem op te lossen (zie Gal, Van Groenestijn e.a., 2003). Taken op niveau 2 zijn duidelijk afgebakend en spelen zich meestal af in vertrouwde contexten met weinig afleidende informatie. Het uitvoeren van rekenkundige taken op niveau 3 daarentegen, vergt meerdere stappen waarbij de keuze voor oplossingsstrategieën vrij is en soms informatie uit verschillende bronnen moet worden gecombineerd. PIAAC en PISA Alhoewel de inhoudelijke concepten enige overlap kennen, zijn de niveaus en schalen die in PIAAC en PISA worden gebruikt niet vergelijkbaar. In PISA zijn zes vaardigheidsniveaus gedefinieerd, waarbij de gemiddelde score wordt gesteld op 500 punten. Er is sprake van een relatieve normering: hoe goed Nederland presteert in het PISA onderzoek is gebaseerd op de positie van Nederland ten opzichte van andere landen. PIAAC kent daarentegen vijf niveaus en geen vastgesteld gemiddelde. Ondanks de genoemde verschillen heeft de OECD in kaart gebracht of de scores op PIAAC en PISA overeenkomen. Er zijn (nog) geen gegevens beschikbaar van respondenten die zowel aan het PISA als aan het PIAAC-onderzoek hebben deelgenomen. Maar de doelpopulatie van PIAAC 16- tot en met 65-jarigen omvat ook de leeftijdscohorten die tussen 2000 en 2009 aan PISA hebben deelgenomen. Leerlingen die in 2003 aan het PISA-onderzoek meededen, waren in 2012 tussen 23 en 24 jaar en behoren daarmee tot de PIAAC-doelgroep. Door de scores van 15-jarigen uit het PISA-onderzoek met de scores van 24-jarigen uit PIAAC te vergelijken, wordt nagegaan of er een verband bestaat tussen PISA en PIAAC. In figuur 1.1 worden deze scores weergegeven. Uit de figuur blijkt dat er een redelijk sterk verband tussen beide onderzoeken bestaat: de meeste landen die bovengemiddelde prestaties laten zien in PISA, scoren ook bovengemiddeld in PIAAC. Hetzelfde geldt voor landen die lage gemiddelde prestaties laten zien: Italië en Spanje scoren in zowel PISA als PIAAC aan de onderkant van de vaardighedenverdeling. Dat wijst erop dat rekenvaardigheden op 15-jarige leeftijd een goede voorspeller zijn van rekenvaardigheden van (jong)volwassenen en dat deze vaardigheden vooral tijdens het initiële onderwijs worden opgedaan (OECD, 2013). 16 ecbo
17 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Figuur 1.1 Gemiddelde score op rekenvaardigheden van 15-jarigen in PISA 2003 en jarigen in PIAAC 2012 PIAAC-score Bovengemiddeld in PISA 2003 Benedengemiddeld in PIAAC Bovengemiddeld in PISA 2003 Bovengemiddeld in PIAAC PISA-score Benedengemiddeld in PISA 2003 Benedengemiddeld in PIAAC 2012 Benedengemiddeld in PISA 2003 Bovengemiddeld in PIAAC 2012 Australië Canada Denemarken Duitsland Finland Ierland Italië Japan Nederland Noorwegen Oostenrijk Polen Slowakije Spanje Tsjechië Verenigde Staten Zweden Zuid-Korea Mogelijkheden en beperkingen van de PIAAC-data In deze publicatie schetsen we aan de hand van PIAAC-gegevens een beeld van rekenniveaus van mbo-afgestudeerden in Nederland, en kunnen we deze niveaus internationaal vergelijken: hoe presteren Nederlandse mbo ers ten opzichte van mbo ers in de landen om ons heen? Omdat dit type onderzoek periodiek wordt herhaald, kunnen de uitkomsten daarnaast inzicht geven in ontwikkelingen in de tijd. Er zijn echter ook beperkingen te noemen. Het PIAAC-onderzoek is vooral bedoeld om een vergelijking tussen landen mogelijk te maken en de vaardigheden van groepen mensen binnen landen met elkaar te vergelijken. Een probleem bij de interpretatie van de resultaten is dat de scores relatief zijn. Nederland scoort goed ten opzichte van andere landen, maar de groep deelnemende landen is zeer divers qua omvang en ontwikkeling. Het onderzoek is daarnaast niet geschikt voor evaluaties of effectmetingen van specifieke beleidsinterventies en geeft geen inzicht in de effecten van onderwijsleerprocessen. Dit omdat dit type onderzoek niet in staat is om oorzaak-gevolgrelaties tussen specifieke beleidsinterventies en veranderingen in vaardighedenniveaus te identificeren. Met andere woorden: verschillen tussen landen of tussen groepen binnen landen kunnen wel beschreven, maar niet verklaard worden. Daarvoor is longitudinaal onderzoek nodig. Tot slot is de niveau-indeling in het PIAAConderzoek niet een-op-een vergelijkbaar met de niveaus in het referentiekader rekenen, ook daarvoor is verder onderzoek nodig. ecbo 17
18 HOOFDSTUK 02
19 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers In dit hoofdstuk gaan we verder in op rekenniveaus in Nederland in het algemeen en onder (jong)volwassenen met een mbo-opleiding in het bijzonder. We brengen het gemiddelde niveau en de spreiding de verdeling van rekenvaardigheden op basis van gegevens uit het PIAAConderzoek in kaart. Ook kijken we naar verschillen tussen mannen en vrouwen en verschillen tussen mensen met een bol-opleiding (beroepsopleidende leerweg) en een bbl-opleiding (beroepsgerichte leerweg). Tot slot komt het instroomniveau de rekenvaardigheden van (jong)volwassenen met een vmbo achtergrond aan bod. 2.1 Nederland vergeleken In deze paragraaf geven we een eerste beeld van rekenvaardigheden in Nederland in het algemeen: hoe scoort Nederland ten opzichte van andere landen? In figuur 2.1 wordt de positie van Nederlandse jongeren op rekenvaardigheid in vergelijking met andere landen weergegeven. Nederland presteert zeer goed en neemt samen met Japan en België een gedeelde tweede plaats in, achter Finland. Nederland heeft in vergelijking met andere landen een hoge gemiddelde score op rekenvaardigheden. Uit figuur 2.2 blijkt dat daarnaast veel jongeren beschikken over excellente rekenvaardigheden. Nederland neemt hier met 21% een gedeelde tweede plaats in. Ook aan de onderkant van de vaardighedenverdeling scoren Nederlandse jongeren goed: 9% van de 16- tot en met 34-jarigen is laaggecijferd. Dat ligt ruim onder het OECD-gemiddelde. ecbo 19
20 Hoofdstuk 02 Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers Figuur 2.1 Vergelijking van rekenvaardigheden tussen landen, gemiddelde score jarigen Finland Japan Nederland Vlaanderen Tsjechië Zweden Estland Zuid-Korea Oostenrijk Denemarken Duitsland Slowakije Noorwegen OECDgemiddelde Australië Canada Polen Frankrijk Ierland Verenigd Koninkrijk Italië Spanje Verenigde Staten Geen significante verschillen Scoort significant hoger dan Nederland Scoort significant lager dan Nederland 20 ecbo
21 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Figuur 2.2 Percentage jarigen met excellente rekenvaardigheden, niveau 4 en 5 Finland Nederland Vlaanderen Zweden Japan Denemarken Noorwegen Duitsland Oostenrijk Tsjechië Canada Estland Australië OECDgemiddelde Slowakije Verenigd Koninkrijk Polen Zuid-Korea Frankrijk Verenigde Staten Ierland Italië Spanje Geen significante verschillen Scoort significant hoger dan Nederland Scoort significant lager dan Nederland ecbo 21
22 Hoofdstuk 02 Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers Figuur 2.3 Percentage jarige laaggecijferden, niveau 1 Verenigde Staten Italië Verenigd Koninkrijk Spanje Ierland Frankrijk Canada Polen Australië Duitsland OECDgemiddelde Noorwegen Denemarken Slowakije Zweden Oostenrijk Estland Tsjechië Nederland Vlaanderen Finland Zuid-Korea Japan Geen significante verschillen Scoort significant hoger dan Nederland Scoort significant lager dan Nederland 22 ecbo
23 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat In de figuren 2.2 en 2.3 worden hoge en lage vaardigheden afgebakend door vaardighedenniveaus: een meting van persoonlijke scores en prestaties afgezet tegen een gestandaardiseerde norm. Op internationaal niveau zijn vijf vaardigheidsniveaus vastgesteld voor rekenvaardigheden. De scores van respondenten vallen binnen een van deze vier of vijf vaardigheidsniveaus en zijn in een oplopende graad van moeilijkheid gedefinieerd. Nadeel van deze benadering is dat het om relatief grote groepen mensen gaat. Met behulp van percentielscores kan de onder- en bovenkant van de vaardighedenverdeling nauwkeuriger in kaart worden gebracht. Kunnen de 1% of 5% best presterende jongvolwassenen in Nederland zich meten met jongeren in andere landen? Om de prestaties van Nederland te vergelijken, zetten we de positie van Nederland af ten opzichte van Finland en Japan: de twee landen in het PIAAC-onderzoek die zowel aan de onderkant als aan de bovenkant van de vaardighedenverdeling het best presteren. We kijken naar de scores op rekenvaardigheden op het 1e, 5e, 95e en 99e percentiel. Wat rekenvaardigheden betreft, kan Nederland zich internationaal meten met de top 1% en top 5%: alleen Finland scoort significant beter. De prestaties van zowel Nederland als Finland zijn aan de onderkant echter lager dan die van Japan. Het verschil met Nederland op het 1e percentiel (de laagst presterende 1%) is bijna 40 scorepunten. Figuur 2.4 Spreiding van rekenvaardigheden, percentielscores van Nederland vergeleken met Finland en Japan, jarigen 1e 450 5e Percentiel 25e 50e 75e 95e 99e 400 Rekenvaardigheden Japan Nederland Finland ecbo 23
24 Hoofdstuk 02 Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers 2.2 Rekenvaardigheden en opleidingsniveau In internationaal opzicht presteren Nederlandse jongeren dus goed op het gebied van rekenen met hoge gemiddelde scores. We vinden relatief weinig laaggecijferde jongeren en Nederland kan goed meekomen met de beste landen. Hoe staat het echter met de rekenvaardigheden van jongeren met een mbo-diploma op zak? Allereerst kijken we naar de ontwikkeling van rekenvaardigheden per onderwijsniveau. We vergelijken de gemiddelde scores op rekenvaardigheden van het ALL-onderzoek uit 2007 met het PIAAC-onderzoek uit Figuur 2.5 Trends in rekenvaardigheden naar onderwijsniveau, jarigen 2007 (ALL) 2012 (PIAAC) Gemiddelde score rekenvaardigheden Vmbo Mbo Havo/vwo Hbo Wo In de eerste plaats zien we dat het niveau van rekenvaardigheden op het mbo en vmbo licht is gedaald: een daling van 7 punten voor het vmbo en 5 voor het mbo. Alleen op het vmbo is deze daling significant (zie tabel 2.1). Op havo/vwo, hbo en wo zien we daarentegen een stijging. Deze is alleen significant voor havo/vwo. Daarnaast valt op dat de verschillen in rekenvaardigheden tussen mbo en hbo zijn toegenomen van 25 punten in 2007 naar 32 punten in 2012 (zie figuur 2.5). 24 ecbo
25 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Tabel 2.1 Trends naar onderwijsniveau, jarigen, rekenvaardigheden 2007 (ALL) 2012 (PIAAC) Verschil Vmbo en mbo ,7* Mbo (2/3/4) ,8 Havo/vwo ,6* Hbo ,4 Wo ,1 * Significant verschil (p=0.05). Hoeveel leerlingen presteren op de laagste en hoogste niveaus? Aan de hand van figuur 2.6a brengen we de verschillen in rekenprestaties op het mbo verder in kaart. Voor elk onderwijstype worden de niveauverschillen weergegeven: het percentage mensen dat over zeer lage niveau 1 tot zeer hoge niveau 4/5 rekenvaardigheden beschikt. Daarbij wordt niveau 3 als demarcatielijn, de 0-lijn op de x-as, gebruikt tussen hoge niveaus van vaardigheden niveau 3, 4 en 5 en lage niveaus van rekenvaardigheden: niveau 1 en 2. 60% van de mensen met een vmbo-diploma scoort onder niveau 3. Dit geldt eveneens voor ruim 46% van de mbo-afgestudeerden, zie figuur 2.6a. Daarnaast kijken we naar de verschillen tussen de hoogste en laagste rekenniveaus. 9% van de mbo ers beschikt over zeer zwakke rekenvaardigheden. Zij kunnen als laaggecijferd worden aangemerkt. Rekenvaardigheden op dit niveau beperken zich tot eenvoudige rekenkundige handelingen: tellen en rangschikken van getallen met hele cijfers of begrijpen van eenvoudige percentages zoals 50%. Het gaat om taken in een vertrouwde context die in één stap kunnen worden opgelost, met weinig tekstuele informatie. In de beeldvorming en discussie rond taal- en rekenvaardigheden op het mbo wordt vaak gefocust op deze onderkant. Tegenover deze groep aan de onderkant staat echter zo n 10% van de mbo ers die op de hoogste niveaus van rekenvaardigheden presteren. Het mbo kent daarmee (iets) meer excellente rekenaars dan laaggecijferden. Wat excellente rekenvaardigheden betreft, blijft het mbo echter ruim achter bij het havo, waar ruim een kwart van de jongeren over excellente rekenvaardigheden beschikt. Op havo/vwo zijn vrijwel geen laaggecijferden te vinden. Het mbo bedient een meer diverse groep dan havo en vwo. Het gaat om leerlingen die over zeer zwakke rekenvaardigheden beschikken en bijvoorbeeld moeite hebben met het gebruik van percentages en breuken of eenvoudige rekenkundige problemen die meer dan een stap omvatten. Maar ook om leerlingen die in staat zijn om te werken met abstracte wiskundige ecbo 25
26 Hoofdstuk 02 Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers begrippen, zoals rekenen met formules en over complexe redeneer- en interpretatievaardigheden beschikken. Dit is het gevolg van de diverse doelgroepen die het mbo bedient: van mbo 2 tot doorstromers naar het hbo. Als we kijken naar de middengroep niveau 2 en 3 van rekenvaardigheden, dan vallen twee aspecten op. In de eerste plaats presteert ongeveer 1 op de 3 mbo ers op niveau 2. Dat wil zeggen: onder het gemiddelde rekenniveau van mbo-opgeleiden. Dit geldt in veel mindere mate voor de havo/vwo ers: hier presteert 1 op de 6 op niveau 2. Daar staat tegenover dat de groep mbo-opgeleiden op niveau 3 het gemiddelde én gewenste rekenniveau de grootste groep vormt: 44%. Uit figuur 2.6a blijkt dat de verschillen in rekenvaardigheden tussen mbo 2, 3 en 4 en algemeen vormend onderwijs (havo/vwo) vooral te verklaren zijn door meer mensen op relatief lage niveaus van rekenen vooral op niveau 2 in het mbo en minder mensen op de allerhoogste niveaus: niveau 4. Daarbij moet echter worden opgemerkt dat het aandeel mbo ers met de grootste deficiënties in rekenvaardigheden, kleiner is dan de groep excellente rekenaars. Figuur 2.6a Niveaus van rekenvaardigheden naar opleidingstype, jarigen 100% 80% 60% 40% 20% 0% 20% 40% 60% 80% 100% Lager onderwijs Vmbo en mbo 1 Mbo 2, 3 en 4 Havo Vwo Hbo Wo Niveau 1 Niveau 2 Niveau 3 Niveau 4 26 ecbo
27 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Op basis van PIAAC is een verdere uitsplitsing naar mbo-niveaus niet mogelijk, maar wel relevant. Bijvoorbeeld omdat referentieniveau 3F zowel op mbo 4 als op het havo van toepassing is: mbo 4-afgestudeerden en havisten worden geacht hetzelfde eindniveau te behalen. Bij de ontwikkeling van de rekenexamens voor niveau 3F is gebruikgemaakt van het conceptuele raamwerk dat is ontwikkeld voor de voorloper van PIAAC: de Adult Literacy and Life Skills Survey (Houtkoop, Allen e.a., 2012). Daarbij geldt dat niveau 3 uit het ALL-onderzoek deels vergelijkbaar is met 3F (Syllabuscommissie rekenen 3F mbo, 2010). Ook in het PIAAC-onderzoek vormt dit raamwerk de basis voor de rekenopgaven. Zowel binnen het referentieniveau als binnen ALL en PIAAC geldt dat niveau 3(F) zich vooral van 2(F) onderscheidt door de mate van complexiteit. Taken op niveau 2 zijn duidelijk afgebakend en spelen zich meestal af in vertrouwde contexten met weinig afleidende informatie. Taken zijn in één of twee stappen uit te voeren. Het uitvoeren van rekenkundige taken op niveau 3 daarentegen, vergt meerdere stappen waarbij de keuze voor oplossingsstrategieën vrij is en soms informatie uit verschillende bronnen figuren, tabellen moet worden gecombineerd. In figuur 2.6b worden de niveaus van rekenvaardigheden van mbo 4-afgestudeerden en havisten uit het ALL-onderzoek vergeleken. Niet verrassend zijn de verschillen in rekenvaardigheden tussen mbo 4 en havo kleiner dan tussen mbo niveaus 2, 3 en 4 en havo. Ook blijkt dat iets meer dan 80% van de havisten over minimaal niveau 3 van rekenvaardigheden beschikt, tegenover 65% van de mbo 4-afgestudeerden. Figuur 2.6b Niveaus van rekenvaardigheden, mbo 4 en havo, jarigen, ALL-onderzoek 100% 80% 60% 40% 20% 0% 20% 40% 60% 80% 100% Mbo 4 Havo Niveau 1 Niveau 2 Niveau 3 Niveau 4 ecbo 27
28 Hoofdstuk 02 Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers Instroom uit het vmbo Een van de zorgen rond rekenonderwijs in het middelbaar beroepsonderwijs is dat studenten die het mbo binnenkomen nog niet op het gewenste instroomniveau blijken te zitten (Steunpunt taal en rekenen mbo, 2014). Het PISA-onderzoek verschaft meer informatie over het niveau van rekenvaardigheden van vmbo ers. Hieruit blijkt dat 13% van alle 15-jarigen uit het PISA-onderzoek beschikt over zeer zwakke wiskundevaardigheden. Kijken we specifiek naar het vmbo, dan beschikt ruim 60% van de bb ers over zwakke rekenvaardigheden (niveaus <1 en 1). De vaardigheden van deze groep beperken zich tot het kunnen uitvoeren van herkenbare taken en routineprocedures in vertrouwde contexten. Dat geldt eveneens voor bijna een derde van de kb ers en 9% van de tl ers. Deze groep stroomt met een (te) laag niveau van rekenvaardigheden het mbo binnen. Het percentage 15-jarigen met zeer zwakke rekenprestaties is in de afgelopen jaren bovendien toegenomen (Cito, 2013). Tabel 2.2 Niveaus van wiskundevaardigheden van 15-jarigen, naar opleidingstype (PISA) Opleidingstype < Pro 46,2 43,5 10,2 0,1 0,0 0,0 0,0 Vmbo leerjaar 2 17,0 39,5 29,1 13,4 1,0 0,0 0,0 Vmbo-bb 16,4 44,6 32,9 5,7 0,3 0,0 0,0 Vmbo-kb 4,6 27,5 45,1 20,7 2,2 0,0 0,0 Vmbo-gl/tl 1,6 7,7 28,0 44,7 16,5 1,4 0,1 Hbo 0,1 0,3 7,3 31,3 42,0 17,0 2,0 Vwo 0,0 0,2 1,0 9,1 33,9 40,3 15,4 Bron: Cito, ecbo
29 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Bijleren binnen de beroepskolom Uit voorgaande cijfers blijkt dat veel studenten die vanuit het vmbo doorstromen naar het mbo nog over onvoldoende rekenvaardigheden beschikken. Rekenonderwijs gericht op alleen onderhouden van vaardigheden is dan onvoldoende. Er moeten in het mbo rekenvaardigheden worden bijgeleerd om deficiënties weg te kunnen werken. Neemt het niveau van rekenvaardigheden toe in de leerroute van vmbo naar mbo, of ligt de nadruk op het onderhouden van skills? We kijken naar de aansluiting binnen de verschillende onderwijsstromen in Nederland. In tabel 2.3 geven we de verschillen in gemiddelde scores tussen aansluitende onderwijstypen in de onderwijskolom weer. Tabel 2.3 Gemiddelde rekenvaardigheidsscores per onderwijskolom, jarigen Vmbo Mbo Verschil Sign. (p=0,05) 265,42 278,60 13,18 0,0001* Havo Hbo Verschil 307,9 311,02 3,12 0,2352 Vwo Wo Verschil 319,92 326,69 6,77 0,2142 * Significant verschil. Bron: Buisman, Allen e.a., De verschillen in gemiddelde rekenvaardigheden zijn het grootst tussen vmbo en mbo: het gaat hier om een significante toevoeging van rekenvaardigheden op het mbo. Het lijkt erop dat er in het middelbaar beroepsonderwijs rekenvaardigheden worden bijgeleerd. In het hoger onderwijs worden deze vaardigheden daarentegen vooral onderhouden. De verschillen tussen vwo en wo en havo en hbo zijn niet significant: dat wijst op een lage toevoeging van kernvaardigheden op het hoger (beroeps)onderwijs. Daarbij moet echter worden opgemerkt dat 1 op de 3 hbo ers afkomstig is van het mbo. Deze groep stroomt met een lager gemiddeld niveau van rekenvaardigheden in op het hbo dan havisten. Er zijn dan ook zorgen over het niveau van taal- en rekenvaardigheden van mbo ers die doorstromen naar het hbo. Er zijn aanwijzingen dat hbo-studenten komend van havo en mbo van elkaar verschillen. Uit onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat mbo ers op het hbo in vergelijking met havisten over het algemeen meer praktijkervaring hebben opgedaan en een duidelijker beroepsbeeld hebben, maar minder ervaring hebben met zelfstandig werken en meer behoefte aan begeleiding hebben (Van Bragt e.a., 2008, 2011; Groeneveld e.a., 2010). Daarnaast hebben mbo ers het in het eerste jaar van het hbo moeilijker en vallen ze eerder uit. Wanneer zij echter de opleiding vervolgen, behalen zij iets vaker het hbo-diploma dan havisten (HBO-raad, 2010). ecbo 29
30 Hoofdstuk 02 Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers In het PIAAC-onderzoek vinden we eveneens verschillen tussen deze groepen. Hbo-studenten met een mbo-vooropleiding scoren gemiddeld 13 punten lager op rekenvaardigheden dan hbo ers afkomstig van het havo. Deze verschillen zijn echter wel kleiner dan de verschillen tussen afgestudeerde havisten en mbo ers in het algemeen: 29 punten. Mbo ers die doorstromen naar het hbo, hebben gemiddeld een wat hoger niveau van rekenvaardigheid dan mbo ers die niet doorstromen naar het hbo. Verschillen tussen algemeen vormend en beroepsonderwijs Voorgaande cijfers laten duidelijke verschillen zien in rekenvaardigheidsniveaus tussen het (voorbereidend) middelbaar beroepsonderwijs aan de ene kant en het secundair algemeen vormend onderwijs (havo/vwo) aan de andere kant. Vergeleken met andere landen zijn de Nederlandse verschillen tussen secundair algemeen vormend en beroepsonderwijs dan ook groot. Het in Nederland gevonden verschil in rekenvaardigheden is het grootst van alle onderzochte PIAAC-landen. De verschillen tussen algemeen vormend en beroepsonderwijs zijn het grootst in landen waar vroeg in de onderwijsloopbaan wordt geselecteerd, zoals in Duitsland, Tsjechië en Slowakije. 30 ecbo
31 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Figuur 2.7 Verschil in gemiddelde score op rekenvaardigheden tussen algemeen vormend onderwijs en beroepsonderwijs, ISCED 3 en 4, jarigen Nederland Duitsland Tsjechië Slowakije Finland Estland Polen Denemarken Oostenrijk Noorwegen Spanje OECDgemiddelde Zuid-Korea Verenigde Staten Zweden Verenigd Koninkrijk Ierland Japan Canada Bron: Buisman, Allen e.a., Toch presteren Nederlandse mbo ers goed in vergelijking met hun internationale evenknieën en nemen ze na Japan, Zweden, Finland en Oostenrijk de vijfde positie in op rekenvaardigheid. Nederlanders die secundair algemeen vormend onderwijs havo of vwo hebben gevolgd, scoren echter internationaal nóg beter op rekenvaardigheid: hun scores zijn de hoogste van alle aan PIAAC-deelnemende landen. Samenvattend kunnen we stellen dat de verschillen tussen algemeen vormend en middelbaar beroepsonderwijs groot zijn en dat deze verschillen tot de grootste van alle onderzochte landen behoren. Toch presteren beide onderwijstypen internationaal vergelijkend goed en kunnen zowel mbo ers als avo ers zich tot de best presterenden onder de in PIAAC-onderzochte landen rekenen. ecbo 31
32 Hoofdstuk 02 Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers Figuur 2.8 Gemiddelde rekenscores algemeen vormend en middelbaar beroepsonderwijs, jarigen Japan Zweden Finland Oostenrijk Nederland Tsjechië Duitsland Denemarken Noorwegen Canada Australië Estland OECDgemiddelde Slowakije Verenigde Staten Ierland Frankrijk Spanje Beroepsonderwijs Algemeen vormend onderwijs De landen zijn echter niet een-op-een te vergelijken: elk land kent zijn eigen onderwijssysteem en varieert in de mate van beroepsgerichte oriëntering binnen het onderwijs. De OECD onderscheidt drie categorieën: 1 Landen met een algemeen vormend onderwijssysteem (avo): meer dan 60% van de leerlingen volgt algemeen vormend onderwijs. 2 Landen met een schoolgebaseerd beroepsgericht onderwijssysteem: meer dan 40% van de leerlingen volgt een beroepsopleiding in de school (bol) of in een bedrijf (bbl), minder dan 20% van de leerlingen leert binnen een bedrijf. 3 Landen met een gemengd beroepsgericht systeem (duaal): meer dan 40% van de leerlingen volgt een beroepsopleiding in de school of in een bedrijf, meer dan 20% van de leerlingen leert binnen een bedrijf. 32 ecbo
33 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Tabel 2.4 Gemiddelde scores op rekenvaardigheid, naar onderwijssysteem, jarigen Land Rekenvaardigheid (gem. score) Onderwijsoriëntatie Finland 294 Schoolgebaseerd beroepsonderwijs Japan 291 Algemeen vormend onderwijs Nederland 289 Duaal beroepsonderwijs Vlaanderen 289 Schoolgebaseerd beroepsonderwijs Zweden 283 Schoolgebaseerd beroepsonderwijs Oostenrijk 281 Duaal beroepsonderwijs Estland 281 Algemeen vormend onderwijs Zuid-Korea 281 Algemeen vormend onderwijs Denemarken 280 Duaal beroepsonderwijs Duitsland 279 Duaal beroepsonderwijs Noorwegen 278 Schoolgebaseerd beroepsonderwijs Slowakije 278 Duaal beroepsonderwijs Tsjechië 276 Duaal beroepsonderwijs OECD-gemiddelde 276 Australië 273 Schoolgebaseerd beroepsonderwijs Canada 273 Algemeen vormend onderwijs Polen 270 Schoolgebaseerd beroepsonderwijs Frankrijk 267 Schoolgebaseerd beroepsonderwijs Cyprus 265 Algemeen vormend onderwijs Verenigd Koninkrijk 262 Algemeen vormend onderwijs Ierland 262 Algemeen vormend onderwijs Italië 258 Schoolgebaseerd beroepsonderwijs Spanje 257 Schoolgebaseerd beroepsonderwijs Verenigde Staten 255 Algemeen vormend onderwijs In tabel 2.4 wordt de gemiddelde score van de beroepsbevolking op rekenvaardigheden weergegeven, plus de mate van beroepsgerichtheid van het onderwijssysteem. Opvallend is dat met uitzondering van Japan, Zuid-Korea en Estland landen met een beroepsgericht onderwijssysteem beter presteren op rekenvaardigheden dan landen met een algemeen vormend onderwijssysteem. 10 van de 13 landen die boven het OECD-gemiddelde presteren, kennen een beroepsgericht onderwijssysteem. Bovendien presteren alle landen met een duaal systeem, waaronder ecbo 33
34 Hoofdstuk 02 Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers Nederland, boven het OECD-gemiddelde. Ondanks de goede prestaties van landen met duaal beroepsonderwijs, zien we in Nederland duidelijke verschillen in rekenvaardigheden tussen bbl ers en bol-deelnemers. Jongvolwassenen met een afgeronde bbl-opleiding scoren met een gemiddelde van 266 punten lager dan boldeelnemers: 280 punten. Dat betekent dat bbl ers in het PIAAC-onderzoek gemiddeld een rekenniveau lager presteren dan bol-deelnemers: niveau 2 versus niveau 3, zie figuur 2.9. Figuur 2.9 Gemiddelde score op rekenvaardigheden, bol en bbl, jarigen Mbo -bbl Mbo-bol Herkomst In figuur 2.10 worden de verschillen in gemiddelde scores in het Nederlandse onderwijs op rekenvaardigheid naar etnische achtergrond weergegeven. Voor alle onderwijsniveaus geldt dat allochtone afgestudeerden een lagere gemiddelde rekenscore hebben dan autochtonen. De verschillen tussen autochtone en allochtone afgestudeerden zijn het grootst op het vmbo 24 punten en het mbo: 23 punten. Daarnaast valt op dat allochtone mbo ers gemiddeld over lagere rekenvaardigheden beschikken dan autochtone vmbo ers. Dit illustreert dat het mbo met een veel grotere spreiding in vaardigheden wordt geconfronteerd dan havo/vwo. 34 ecbo
35 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Figuur 2.10 Gemiddelde scores op rekenvaardigheid naar etniciteit, jarigen Vmbo Mbo Havo/vwo Hbo Wo Allochtoon Autochtoon Rekenvaardigheden en genderverschillen In verschillende (internationale) onderzoeken komen duidelijke genderverschillen in rekenvaardigheden naar voren: in veel landen waaronder Nederland presteren mannen gemiddeld beter op rekenvaardigheden dan vrouwen. Uit het PISA-onderzoek blijkt dat jongens op 15-jarige leeftijd beter op wiskunde scoren dan meisjes (Cito, 2013). Deze genderverschillen zijn ook onder volwassenen nog steeds zichtbaar. In figuur 2.11 worden de verschillen in rekenscores tussen mannen en vrouwen weergegeven voor een aantal landen die aan PIAAC meededen. Opvallend is dat mannen beter scoren op rekenvaardigheden in alle ons omringende landen. De verschillen in rekenscores tussen mannen en vrouwen in Nederland zijn ten opzichte van andere landen echter groot. Mannen scoren gemiddeld 16 punten hoger op deze vaardigheid dan vrouwen. Finland kent de kleinste genderverschillen in rekenvaardigheid: 10 punten. ecbo 35
36 Hoofdstuk 02 Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers Figuur 2.11 Verschil in gemiddelde score op rekenvaardigheden tussen mannen en vrouwen in referentielanden, jarigen Duitsland Nederland Vlaanderen Verenigd Koninkrijk Verenigde Staten Zweden Japan OECDgemiddelde Finland Figuur 2.12 Gemiddelde score op rekenvaardigehden van mannen en vrouwen, jarigen Vmbo Mbo Havo Vwo Hbo Wo Vrouw Man Voor alle onderwijstypen in Nederland geldt dat mannen gemiddeld hoger scoren op rekenvaardigheden dan vrouwen. De meest wiskundevaardige volwassen zijn mannen die een woopleiding hebben afgerond. Op vwo-niveau ontlopen de gemiddelde scores van mannen en vrouwen elkaar het minst. De verschillen tussen mannen en vrouwen op het mbo zijn iets kleiner dan gemiddeld. Vrouwen zijn hier echter wel oververtegenwoordigd onder de lage rekenniveaus in PIAAC: bijna de helft 49% van de vrouwen met een afgeronde mbo-opleiding scoort op niveau 1 of 2, tegenover bijna een derde 32% van de mannen. Genderverschillen zijn al in vroeg in de schoolloopbaan zichtbaar: uit onderzoek naar reken- 36 ecbo
37 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat vaardigheden van basisschoolleerlingen blijkt dat jongens in groep 4 en 5 beter presteren op rekenen dan meisjes (Cito 2012; Meelissen & Drent, 2007). In het PISA-onderzoek presteren 15-jarige jongens beter dan meisjes in wiskunde (Cito, 2013). In de voorganger van PIAAC, het ALL-onderzoek, is gevraagd naar de ervaringen van volwassenen met reken- en wiskundeonderwijs. Het gaat om vragen over rekenonderwijs op het voortgezet onderwijs. Voor mbo ers heeft dit betrekking op rekenen op het vmbo. Vond je rekenen leuk op school, haalde je goede cijfers, kon je de uitleg van leraren volgen en begreep je waar de wiskundeles over ging? De resultaten zijn weergegeven in figuur Figuur 2.13 Ervaringen van volwassenen met een mbo-diploma met rekenen en wiskunde-onderwijs op school, naar geslacht in %*, jarigen (ALL-onderzoek) 100% 80% 60% 40% 20% 0% Ik begreep waar de les over ging Ik haalde goede cijfers in rekenen/wiskunde Ik vond rekenen/ wiskunde leuk Leraren gingen vaak te snel met uitleg Ik ontving bijles voor rekenen/wiskunde op school Vrouwen Mannen * % respondenten dat het eens tot zeer eens is met stellingen over ervaring met rekenen en wiskundeonderwijs op school. De verschillen tussen mannen en vrouwen komen duidelijk naar voren: mannen die een mboopleiding hebben afgerond, vonden wiskunde op de middelbare school gemiddeld leuker, haalden vaker goede cijfers en geven vaker aan goed mee te kunnen tijdens de wiskundeles dan vrouwen. De verschillen tussen mannen en vrouwen zijn het geringst in het volgen van bijles: vrouwen schatten hun eigen rekenvaardigheden lager in, maar namen niet veel vaker deel aan ondersteunend rekenonderwijs. Hoe zijn deze verschillen te verklaren? Uit internationaal vergelijkend onderzoek op basis van PISA en TIMSS blijkt dat 15-jarige jongens meer vertrouwen hebben in hun rekenvaardigheden dan meisjes, ongeacht hun daadwerkelijke rekenniveau (Else-Quest, Hyde & Linn, 2010). Zelfs als jongens niet beter op rekenen/wiskunde presteren dan meisjes, hebben ze wel meer zelfvertrouwen als het om deze vaardigheden gaat. Zelfvertrouwen hangt dan ook positief samen met rekenen en wiskundeprestaties. Mogelijk ligt er dan ook een affectieve component aan dit genderverschil ten grondslag: mannen en vrouwen verschillen in houdingen, emoties en denkbeelden ten opzichte van hun rekenvaardigheden. In het ALL-onderzoek is daarom ecbo 37
38 Hoofdstuk 02 Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers gevraagd naar vertrouwen in de eigen rekenvaardigheden en rekenangst: angst om rekenvaardigheden in alledaagse situaties te gebruiken. Ook wanneer er gecontroleerd wordt voor het daadwerkelijke niveau van rekenvaardigheden, blijft het verschil tussen mannen en vrouwen zichtbaar. Nederlandse vrouwen hebben bij een gelijk niveau van rekenvaardigheden als dat van mannen een grotere kans om rekenangst te rapporteren (Statistics Canada, 2011). Figuur 2.14 Genderverschillen en rekenangst*, jarigen 0,6 0,4 0,2 0 0,2 0,4 0,6 0,8 1,0 1,2 1,4 1,6 1,8 2,0 Verenigde Staten Hongarije Bermuda Canada Italië Noorwegen Nieuw-Zeeland Nederland Zwitserland Mannen rapporteren vaker rekenangst Vrouwen rapporteren vaker rekenangst * Logistische regressieanalyse met odds ratios: kans voor mannen en vrouwen op het rapporteren van angst voor het uitvoeren van berekeningen, na controle voor rekenvaardigheden. Bron: Statistics Canada, Studierichting Tot slot kijken we naar rekenvaardigheden in de vier mbo-sectoren Techniek, Landbouw, Zorg & welzijn en Economie. Binnen de mbo-sectoren vinden we duidelijk verschillen in gemiddelde rekenvaardigheden: mbo-techniek afgestudeerden behoren tot de beste rekenaars en de laagste gemiddelde scores vinden we in de sector Zorg & welzijn. Afgestudeerden uit deze sector presteren gemiddeld een rekenniveau lager dan mbo-technici: niveau 2 versus niveau 3 in het PIAAC-onderzoek. Ook de verschillen tussen Techniek en Economie zijn relatief groot. Bij studiekeuze spelen specifieke etnische en gendervoorkeuren een duidelijke rol. Allochtone mannen zijn ondervertegenwoordigd in technische mbo-opleidingen en binnen het groen onderwijs en kiezen vaker voor een opleiding in de sector Economie. Autochtone vrouwen zijn oververtegenwoordigd in mbo-zorgopleidingen, terwijl allochtone vrouwen vooral kiezen voor een economisch administratieve opleiding of voor een welzijnsopleiding. Daarnaast zijn 38 ecbo
39 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat allochtone leerlingen oververtegenwoordigd in de lagere mbo-niveaus. (Van Esch & Petit, 2012; De Koning, Gelderblom & Gravesteijn, 2010). Omdat er duidelijke verschillen bestaan in rekenvaardigheden tussen mannen en vrouwen en autochtonen en allochtonen, toont figuur 2.15 het niveau van rekenvaardigheden per studierichting voor en na correctie voor etniciteit en geslacht. Ook na deze correctie vinden we de beste rekenaars in de studierichting Techniek. De verschillen tussen Zorg & welzijn en Economie enerzijds en Techniek anderzijds zijn na correctie echter kleiner geworden. De oververtegenwoordiging van deze groepen in de zorgsector en de sector Economie, kan het lagere niveau van rekenvaardigheden in deze sectoren deels verklaren. Figuur 2.15 Gemiddelde score op rekenvaardigheden naar mbo-sector, voor en na controle op geslacht, jarigen Rekenvaardigheden Rekenvaardigheden na controle op geslacht en etniciteit Zorg & welzijn Landbouw Economie Techniek 2.3 Conclusie Uit internationaal onderzoek naar kennis en vaardigheden blijkt dat Nederlandse jarigen in vergelijking met andere landen een hoge gemiddelde score op rekenvaardigheden hebben. De best presterende Nederlandse jongeren kunnen zich daarnaast goed meten met de best presterende jongeren uit de toplanden uit het PIAAC-onderzoek Japan en Finland en in Nederland vinden we relatief weinig achterblijvers. Ondanks deze goede rekenprestaties zien we grote verschillen tussen groepen. Vrouwen blijven duidelijk achter bij de rekenprestaties van mannen. Dat geldt eveneens voor de rekenprestaties van allochtonen ten opzichte van autochtonen. Het verschil tussen middelbaar beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs is in Nederland het grootst van alle in PIAAC-onderzochte landen. En de kloof tussen ecbo 39
40 Hoofdstuk 02 Rekenvaardigheden in Nederland: feiten en cijfers mbo ers en hbo ers neemt toe. In dit onderzoek werd gefocust op de rekenvaardigheden van mensen met een mbo-achtergrond. Ook mbo ers scoren internationaal gezien bovengemiddeld. 65% van de mbo-4 afgestudeerden presteert op niveau 3 in het PIAAC-onderzoek. Op basis van dit onderzoek is het niet mogelijk om een een-op-een vergelijking maken tussen de referentieniveaus en de rekenniveaus in PIAAC. Maar PIAAC-niveau 3 kent inhoudelijke overeenkomsten met referentieniveau 3F: dit referentieniveau is gebaseerd op de conceptuele raamwerken van ALL en PIAAC. Niveau 3 wordt als benchmark beschouwd om volwaardig in het werkende en maatschappelijke leven te kunnen functioneren. De verschillen in rekenvaardigheden tussen mbo ers zijn echter relatief groot: 9% van de mbo ers beschikt over zeer zwakke rekenvaardigheden. Daarentegen kan 1 op de 10 mbo ers tot de groep met excellente rekenvaardigheden worden gerekend. Deze verschillen in rekenvaardigheden zijn op het mbo groter dan op havo/vwo. Het mbo kent vooral minder mensen op niveau 4/5 de excellenten en meer deelnemers op het relatief lage niveau 2: een derde van de mbo ers kan tot dit niveau gerekend worden. Het grootste verschil in de lagere rekenniveaus zit daarmee niet aan de absolute onderkant, maar één niveau daarboven. Dat neemt niet weg dat ook de onderkant van rekenvaardigheden niveau 1 op het mbo extra aandacht behoeft. Het gaat om een relatief kleine groep, maar omdat deze mbo ers twee niveaus onder het gemiddelde en gewenste niveau presteren, zal een aanzienlijke inspanning moeten worden geleverd om de rekenvaardigheden van deze groep te verbeteren. En omdat uit PISA-resultaten blijkt dat het percentage vmbo ers met zeer zwakke rekenvaardigheden de afgelopen jaren (licht) is toegenomen, kunnen we verwachten dat leerlingen met een te laag niveau van rekenvaardigheden het mbo blijven instromen. Al met al wijst de diversiteit in het instroomniveau op de noodzaak van een divers rekenaanbod: er zal moeten worden geïnvesteerd in reparatieonderwijs aan de onderkant. Om excellentie te stimuleren, zal echter ook uitdagend rekenonderwijs verzorgd moeten worden voor de mbo ers die over (zeer) goede rekenvaardigheden beschikken. Daarnaast zullen de vaardigheden van die groep die al over een voldoende rekenniveau beschikt, onderhouden moeten worden. Nader onderzoek is nodig om de beheersingsniveaus zoals gemeten in PIAAC en PISA te kunnen vergelijken met de referentieniveaus zoals deze nu voor het mbo en de overige onderwijsniveaus zijn vastgesteld. Mede omdat hiermee de referentieniveaus in internationaal perspectief kunnen worden geplaatst. 40 ecbo
41
42
43 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Literatuur Bosker, R. & Vorde, R. van der (2014). Advies over de uitwerking van referentieniveaus 2F en 3F voor rekenen in toetsen en examens. Enschede: SLO. Bragt, C. van, Bakx, A., Bergen, T. & Croon, M. (2011). Looking for students personal characteristics predicting study outcome. Higher Education, 61, Broek, J. van den (2013). Rapport PISA-PIAAC. Een vergelijking van resultaten en raamwerken. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Buisman, M., Allen, J., Fouarge, D., Houtkoop, W. & Velden, R. van der (2013). PIAAC: Kernvaardigheden voor werk en leven. Resultaten van de Nederlandse Survey s-hertogenbosch: Expertisecentrum Beroepsonderwijs. Cito (2010). Resultaten PISA Praktische kennis en vaardigheden van 15-jarigen. Arnhem: Cito. Cito (2012). Balans van het reken-wiskundeonderwijs halverwege de basisschool 5. PPON-reeks nummer 47. Arnhem: Cito. Cito (2013). Resultaten PISA Praktische kennis en vaardigheden van 15-jarigen. Arnhem: Cito. CvE (2014). Tussenrapportage centraal ontwikkelde examens mbo en rekentoets vo Utrecht: College voor Examens Else-Quest, N.M., Shibley Hyde, J. & Linn, M.C. (2010). Cross-National Patterns of Gender Differences in Mathematics: A Meta-Analysis. Psychological Bulletin, Vol 136 (1). ecbo 43
44 Literatuur Esch, W. van & Petit, R. (2012). Keuze met kleur. Quickscan studie- en beroepskeuze van niet-westerse allochtonen op het (v)mbo. s-hertogenbosch: Expertisecentrum Beroepsonderwijs. Evans, J., Close, S., & Maguire, T. The new international adult numeracy survey: The design of PIAAC. Proceedings ALM 16 Gal, I., Groenestijn, M. van, Manly, M., Schmitt, M.J. & Tout, D. (2003). Adult numeracy and its assessment in the ALL-survey: a conceptual framework and pilot results. Ottawa: Statistics Canada. Groenestijn, M. van (2009). Gecijferdheid. Utrecht: Hogeschool Utrecht. Groeneveld, M., Benschop, M. & Olvers, D. (2010). Kenmerkend vmbo, mbo, havo en vwo. Hilversum: Hiteq. HBO-raad (2010). Feiten en cijfers. Afgestudeerden en uitvallers in het hoger beroepsonderwijs. Den Haag: HBO-raad. Houtkoop, W., Allen, J., Buisman, M., Fouarge, D. & Velden, R. van der (2012). Kernvaardigheden in Nederland: Rapportage van de Adult Literacy and Life Skills Survey. s-hertogenbosch/utrecht: Expertisecentrum Beroepsonderwijs. Koning, J. de, Gelderblom, A. & Gravesteijn, J. (2010). Techniek: Exact goed? Het keuzeproces van allochtone en autochtone leerlingen in het (v)mbo verklaard. Rotterdam: SEOR. Meerlissen, M.R.M. & Drent, M. (2007). TIMSS 2007 Nederland. Trends in exacte vakken in het basisonderwijs. Enschede: Universiteit Twente. Min. OCW (2011). Actieplan mbo Focus op Vakmanschap Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Min. OCW (2012). Trends in beeld Zicht op onderwijs, cultuur en wetenschap. Den Haag: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. OECD (2013). OECD Skills Outlook 2013: First Results from the Survey of Adult Skills. Paris: OECD Publishing. SLO (2014). Onderweg naar rekenen 2F. Werken aan rekenvaardigheid in het vmbo. Enschede: Nationaal Expertisecentrum Leerplanontwikkeling. 44 ecbo
45 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Statistics Canada (2011). Literacy for Life: Further Results from the Adult Literacy and Life Skills Survey. Paris: OECD Publishing. Steunpunt taal en rekenen mbo (2014). Over rekenen gesproken; startrapportage intensiveringstraject rekenen mbo. Ede: Steunpunt Taal en Rekenen. Syllabuscommissie rekenen 3F mbo (2010). Verantwoordingsdocument bij concept-syllabus COE rekenen 3F voor mbo-4. Utrecht: College voor Examens. ecbo 45
46 BIJLAGE 01
47 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Bijlage 1 Tabel B1.1 Vijf moeilijkheidsniveaus van rekenvaardigheden Niveau 1 Score Niveau 2 Score Niveau 3 Score Niveau 4 Score Niveau 5 Score Taken op dit niveau vragen van de respondent begrip van eenvoudige rekenkundige concepten door simpele taken uit te voeren in concrete, vertrouwde contexten, met een expliciete mathematische inhoud en weinig tekst. Taken bestaan uit eenvoudige handelingen met één stap zoals tellen, sorteren van data, uitvoeren van eenvoudige mathematische handelingen of het begrijpen van eenvoudige en veelgebruikte percentages zoals 50%. Taken op dit niveau zijn redelijk eenvoudig en gaan over het identificeren en begrijpen van eenvoudige mathematische concepten in bekende contexten, waar de mathematische inhoud expliciet en visueel aanwezig is, met weinig afleiders. Taken omvatten meestal processen met één of twee stappen en schattingen met gehele getallen, standaardpercentages en breuken, interpreteren van eenvoudige grafische en ruimtelijke afbeeldingen en het verrichten van eenvoudige metingen. Taken op dit niveau vragen de respondent om te laten zien dat hij mathematische informatie begrijpt die is weergegeven in verschillende vormen, zoals cijfers, symbolen, kaarten, grafieken, teksten en tekeningen. De vereiste vaardigheden hebben betrekking op getals- en ruimtebegrip, kennis van mathematische patronen en relaties en het vermogen om verhoudingen, gegevens en statistische informatie te interpreteren in relatief eenvoudige teksten waarin afleiders aanwezig kunnen zijn. Taken omvatten meestal het uitvoeren van een aantal processen om de gestelde problemen op te lossen. Taken op dit niveau vragen van de respondent om begrip van een breed spectrum van mathematische informatie van meer abstracte aard en weergegeven op verschillende manieren, onder andere in teksten van toenemende complexiteit en contexten waarmee men niet vertrouwd is. Deze taken omvatten het nemen van meerdere stappen om oplossingen te vinden en vragen om meer complexe redeneer- en interpretatievaardigheden, zoals het begrijpen van en werken met verhoudingen en formules en het formuleren van verklaringen of antwoorden. Taken op dit niveau vragen van de respondent om complexe representaties en abstracte en formele mathematische en statistische ideeën te begrijpen, die opgenomen kunnen zijn in complexe teksten. Respondenten moeten soms verschillende typen van mathematische informatie integreren, conclusies trekken, of met mathematische rechtvaardigingen voor hun antwoorden komen. ecbo 47
48 BIJLAGE 02
49 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Bijlage 2 Figuur B2.1 Voorbeeldopgaven rekenvaardigheden PIAAC Moeilijkheidsgraad: Niveau 3 Inhoud: Dimensie en vorm Cognitieve strategie: Interpreteren, evalueren en analyseren Eenheid 2 - Vraag 1/1 Bekijk de illustratie en de vier mogelijke weergaven van een doos voordat die in elkaar wordt gevouwen. Klik om de onderstaande vraag te beantwoorden. Welke van de weergaven komt het meest overeen met de in elkaar gevouwen doos in de illustratie? 12 cm 15 cm (Diagrammen niet op schaal) 15 cm 15 cm 12 cm 12 cm A B C D ecbo 49
50 Bijlage 2 Figuur B2.2 Voorbeeldopgaven rekenvaardigheden PIAAC Moeilijkheidsgraad: Niveau 4 De verdeling van de bevolking van Mexico naar totaal aantal jaren behaalde scholing, per geslacht van 1960 tot Inhoud: Data en kansberekening Mannen Vrouwen Cognitieve strategie: Interpreteren, evalueren en analyseren Eenheid 4 - Vraag 1/2 De twee diagrammen geven het opleidingsniveau weer van mannen en vrouwen in Mexco van 1960 tot Gebruik het uitklapmenu om het antwoord op de onderstaande vraag te selecteren. 100% 80% 60% 40% 20% 100% 80% 60% 40% 20% Ongeveer welk percentage mannen in Mexico had in 1970 meer dan 6 jaar scholing? 0% 0% Geen scholing Tot en met 6 jaar scholing Meer dan 6 jaar scholing 50 ecbo
51
52
53 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Gebruikte afkortingen ALL Avo Bb Bbl BMI Bol CBS CvE Ecbo Gl Hbo IALS Kb Mbo ROA TIMSS Tl OCW OECD PIAAC PISA PPON Vmbo Vo Wo Adult Literacy and Life Skills Survey Algemeen vormend onderwijs Basisberoepsgerichte leerweg Beroepsbegeleidende leerweg Body mass index Beroepsopleidende leerweg Centraal Bureau voor de Statistiek College voor Examens Expertisecentrum Beroepsonderwijs Gemengde leerweg Hoger beroepsonderwijs International Adult Literacy Survey Kaderberoepsgerichte leerweg Middelbaar beroepsonderwijs Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt Trends in International Mathematics and Science Study Theoretische leerweg Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap Organisation for Economic Co-operation and Development Programme for the International Assessment of Adult Competencies Programme for International Student Assessment Periodieke peiling van het onderwijsniveau Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs Voortgezet onderwijs Wetenschappelijk onderwijs ecbo 53
54 54 ecbo
55
56 Rekenniveaus op het mbo Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat Zorgen over de daling van de prestaties op het gebied van algemene kernvaardigheden en de wens om doorlopende leerlijnen te realiseren, vormen de aanleiding om meer aandacht te besteden aan taal en rekenen in het Nederlandse onderwijs. In Rekenniveaus op het mbo: Nederlandse jongeren langs de internationale meetlat wordt het rekenniveau op het middelbaar beroepsonderwijs in kaart gebracht. Daarvoor is gebruikgemaakt van het PIAAConderzoek: internationaal vergelijkend onderzoek naar taal- en rekenvaardigheden. Hoe presteren Nederlandse mbo ers ten opzichte van mbo ers in de landen om ons heen? Omdat dit type onderzoek periodiek wordt herhaald, kunnen de uitkomsten ook inzicht geven in ontwikkelingen in de tijd. Het Expertisecentrum Beroepsonderwijs (ecbo) ontwikkelt, verzamelt en verspreidt wetenschappelijke en praktijkgerichte kennis over het beroepsonderwijs. Resultaten van onderzoek delen wij met het bve-veld: via workshops, publicaties en lezingen. Zo willen wij een bijdrage leveren aan de kennisinfrastructuur van de sector beroepsonderwijs en volwasseneneducatie. s-hertogenbosch Postbus BP s-hertogenbosch T
Ecbo-donderdagmiddaglezing. Rekenniveaus op het mbo. Marieke Buisman
Ecbo-donderdagmiddaglezing Rekenniveaus op het mbo Marieke Buisman Veel te doen om rekenen op het mbo Zorgen over: Hoge eisen Laag instroomniveau Tegenvallende prestaties op pilotexamens Internationaal
PIAAC: Kernvaardigheden voor Werk en Leven Resultaten van de Nederlandse survey Willem Houtkoop
PIAAC: Kernvaardigheden voor Werk en Leven Resultaten van de Nederlandse survey 2012 Willem Houtkoop Opzet Achtergrond bij PIAAC Prestaties van NL internationaal vergeleken Laaggeletterdheid in Nederland
Taalniveaus op het mbo
] De Annemarie Groot, Willem Houtkoop, Paul Steehouder en Marieke Buisman Taalniveaus op het mbo leesvaardigheid van Nederlandse mbo ers in (inter)nationaal perspectief Colofon Titel Taalniveaus op het
Laaggeletterdheid en werk Resultaten van het PIAAC onderzoek
Laaggeletterdheid en werk Resultaten van het PIAAC onderzoek Bijeenkomst O&O Platform Naar een aanpak van laaggeletterdheid op de werkvloer 14 oktober 2013 Willem Houtkoop ([email protected]) KENMERKEN
PIAAC 2012: de belangrijkste resultaten. www.piaac.nl. Marieke Buisman, Jim Allen, Didier Fouarge, Willem Houtkoop en Rolf van der Velden
PIAAC 2012: de belangrijkste resultaten Marieke Buisman, Jim Allen, Didier Fouarge, Willem Houtkoop en Rolf van der Velden www.piaac.nl Colofon Inhoudsopgave Titel Auteurs Marieke Buisman, Jim Allen, Didier
Datum 08 oktober 2013 Aanbieding van de rapporten PIAAC: Kernvaardigheden voor Werk en Leven en OECD Skills Outlook 2013
>Retouradres Postbus 16375 2500 BJ Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG.. Kennis IPC 5200 Rijnstraat 50 Den Haag Postbus 16375 2500 BJ Den Haag
filmpje bewindslieden (http://www.taalenrekenen.nl/)
SLO oktober 2009 filmpje bewindslieden (http://www.taalenrekenen.nl/) Achtergrond Nederland heeft een goed onderwijssysteem. Maar, er is maatschappelijke zorg over de kwaliteit van het reken- en taalonderwijs.
5. Onderwijs en schoolkleur
5. Onderwijs en schoolkleur Niet-westerse allochtonen verlaten het Nederlandse onderwijssysteem gemiddeld met een lager onderwijsniveau dan autochtone leerlingen. Al in het basisonderwijs lopen allochtone
toetsresultaten vmbo en mbo in de regio Den Haag oktober 2011
TAAL EN REKENEN VAN BELANG toetsresultaten vmbo en mbo in de regio Den Haag oktober 2011 INHOUD Inleiding... 5 Hoofdstuk 1 Resultaten VMBO in de regio Den Haag... 7 1.1 Totaal overzicht van de afgenomen
Referentieniveaus uitgelegd. 1S - rekenen Vaardigheden referentieniveau 1S rekenen. 1F - rekenen Vaardigheden referentieniveau 1F rekenen
Referentieniveaus uitgelegd De beschrijvingen zijn gebaseerd op het Referentiekader taal en rekenen'. In 'Referentieniveaus uitgelegd' zijn de niveaus voor de verschillende sectoren goed zichtbaar. Door
Europese vergelijking systemen van volwasseneneducatie en aanpak laaggeletterdheid
Europese vergelijking systemen van volwasseneneducatie en aanpak laaggeletterdheid Dr. Maurice de Greef Prof. dr. Mien Segers 06-2016 Maastricht University, Educational Research & Development (ERD) School
PIAAC: KERNVAARDIGHEDEN VOOR WERK EN LEVEN
PIAAC: KERNVAARDIGHEDEN VOOR WERK EN LEVEN RESULTATEN VAN DE NEDERLANDSE SURVEY 2012 Marieke Buisman, Jim Allen, Didier Fouarge, Willem Houtkoop en Rolf van der Velden www.piaac.nl Colofon Titel PIAAC:
REKENEN IN HET MBO. Rekenles lastige opgave. Ingrid Christoffels & Annemarie Groot, Expertisecentrum Beroepsonderwijs.
REKENEN IN HET MBO Rekenles lastige opgave Auteurs Ingrid Christoffels & Annemarie Groot, Expertisecentrum Beroepsonderwijs november 2014 Voor welk beroep je ook leert, rekenen hoort erbij. Om het diploma
CvE-bijlage bij rapportage 2012-2013 invoering centrale toetsing en examinering referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen
CvE-bijlage bij rapportage 2012-2013 invoering centrale toetsing en examinering referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen In dit document geeft het College voor Examens gegevens rondom de resultaten
PIAAC: KERNVAARDIGHEDEN VOOR WERK EN LEVEN
PIAAC: KERNVAARDIGHEDEN VOOR WERK EN LEVEN RESULTATEN VAN DE NEDERLANDSE SURVEY 2012 Marieke Buisman, Jim Allen, Didier Fouarge, Willem Houtkoop en Rolf van der Velden www.piaac.nl Inhoudsopgave Inhoudsopgave
Rotterdam, februari 2013 Betreft: Verandering invoering nieuwe eisen m.b.t. Nederlands en rekenen. Geachte ouders/verzorgers en leerlingen,
Postbus 57613 3008 BP Rotterdam Aan de ouders/verzorgers en leerlingen van CSG Calvijn Rotterdam, februari 2013 Betreft: Verandering invoering nieuwe eisen m.b.t. Nederlands en rekenen Bezoekadres Centrale
Opleidingsniveau stijgt
Opleidingsniveau stijgt Grote doorstroom naar hogere niveaus Meer leerlingen vanuit vmbo naar havo Grote groep mbo ers naar het hbo 10 Jongens groeien gedurende hun onderwijsloopbaan Jongens na een diploma
Digitale grenzen en mogelijkheden van laaggeletterden en laagopgeleiden
Digitale grenzen en mogelijkheden van laaggeletterden en laagopgeleiden Presentatie voor We leren altijd!, 10 jaar ETV.nl 5 maart 2014 Willem Houtkoop ([email protected] Waar hebben we het over Verschillende
Tweede meting: een indicatie van leerprestaties in termen van het referentiekader
Cito Primair onderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs Meting taal en rekenen 2010 Tweede meting: een indicatie van leerprestaties in termen van het referentiekader Meting taal en rekenen
TIMSS-2011: Nederland in TIMSS-2011: Rekenprestaties van leerlingen in groep 6 van het basisonderwijs in de afgelopen 16 jaar
TIMSS-2011: Nederland in TIMSS-2011: Rekenprestaties van leerlingen in groep 6 van het basisonderwijs in de afgelopen 16 jaar Martina R.M. Meelissen Marjolein Drent Annemiek Punter Vakgroep Onderwijskunde
Samenvatting Resultaten PISA-2006
Samenvatting Resultaten PISA-2006 Praktische kennis en vaardigheden van 15-jarigen Nederlandse uitkomsten van het OESO Programme for International Student Assessment (PISA) 2006 uitgevoerd door Cito, Arnhem
Marieke Buisman en Willem Houtkoop. Laaggeletterdheid in kaart
Marieke Buisman en Willem Houtkoop ] Laaggeletterdheid in kaart Colofon Titel Laaggeletterdheid in kaart Auteurs Marieke Buisman en Willem Houtkoop Datum April 2014 Ontwerp Design Crew ISBN/EAN 978-94-6052-079-2
Onderwerp Vooronderzoek en vrije afnames van diagnostische toetsen taal en rekenen Resultaten mbo. Kenmerk. Datum november 2009
Onderwerp Vooronderzoek en vrije afnames van diagnostische toetsen taal en rekenen Resultaten mbo Kenmerk Datum november 2009 Stichting Cito Instituut voor Toetsontwikkeling / KvK 09103470 1 Inleiding
Stromen door het onderwijs
Stromen door het onderwijs Vanuit het derde leerjaar van het vo 2003/2004 Erik Fleur DUO/IP Juni 2013 1. Inleiding In schooljaar 2003/2004 zaten bijna 200 duizend leerlingen in het derde leerjaar van het
Sociaal kapitaal: slagboom of hefboom? Samenvatting. Wil van Esch, Régina Petit, Jan Neuvel en Sjoerd Karsten
Sociaal kapitaal: slagboom of hefboom? Samenvatting Wil van Esch, Régina Petit, Jan Neuvel en Sjoerd Karsten Colofon Titel Auteurs Tekstbewerking Uitgave Ontwerp Vormgeving Bestellen Sociaal kapitaal in
Voortgangsrapportage Onderwijs en Opleiding 2010 Beschrijving prestaties Nederland en andere lidstaten op EU benchmarks
ANNEX Voortgangsrapportage Onderwijs en Opleiding 21 Beschrijving prestaties Nederland en andere lidstaten op EU benchmarks 1. Deelname voor- en vroegschoolse educatie (VVE) De Nederlandse waarde voor
FACTSHEET. Toptalenten VO in het vervolgonderwijs
FACTSHEET Toptalenten VO in het vervolgonderwijs De onderwijsprestaties van Nederlandse leerlingen zijn gemiddeld genomen hoog, maar er blijft ruimte voor verbetering. Deze factsheet geeft inzicht in de
Het LOVS rekenen-wiskunde van het Cito
Het LOVS rekenen-wiskunde van het Cito - de invloed van contexten in groep 3, 4 en 5 - Marian Hickendorff & Jan Janssen Universiteit Leiden / Cito Arnhem 1 inleiding en methode De LOVS-toetsen rekenen-wiskunde
PIAAC IN FOCUS 1: IS ONDERWIJS WEL EEN HEFBOOM VOOR HET WEGWERKEN VAN HET GELETTERDHEIDSDEFICIT?
PIAAC IN FOCUS 1: IS ONDERWIJS WEL EEN HEFBOOM VOOR HET WEGWERKEN VAN HET GELETTERDHEIDSDEFICIT? Samenvatting Volwassenen met een lage sociaal-economische status behalen gemiddeld een lager geletterdheidsniveau
MBO Conferentie Het 2F-, 2ER- en 2A-examen: welke student laat ik wanneer opgaan voor welk examen?
Freark? MBO Conferentie Het 2F-, 2ER- en 2A-examen: welke student laat ik wanneer opgaan voor welk examen? 15-11-2017 Ronde 2: 13:45 15:15 Freark van der Kooi Ik wil mijn leerlingen nog beter begeleiden
Het LOVS rekenen-wiskunde van het Cito
cursusboek2009.book Page 131 Thursday, March 30, 2017 3:23 PM Het LOVS rekenen-wiskunde van het Cito - de invloed van contexten in groep 3, 4 en 5 - Universiteit Leiden / Cito Arnhem 1 inleiding en methode
PIRLS-2011. Het leesniveau in Nederland. Ludo Verhoeven. In samenwerking met Andrea Netten en Mienke Droop
PIRLS-2011 Het leesniveau in Nederland Ludo Verhoeven In samenwerking met Andrea Netten en Mienke Droop Presentatie PIRLS-feiten Internationale ranglijst Leesdoelen, begripsprocessen en referentiepunten
Product Informatie Blad - Rekentoets
Product Informatie Blad - Rekentoets PIB240-2010-Rekentoets Context In opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft de commissie Meijerink onderzoek gedaan naar wat leerlingen
Welke routes doorlopen leerlingen in het onderwijs?
Welke routes doorlopen leerlingen in het onderwijs? Wendy Jenje-Heijdel Na het examen in het voortgezet onderwijs staan leerlingen voor de keuze voor vervolgonderwijs. De meest gangbare routes lopen van
Erratum Jaarboek onderwijs 2008
Centraal Bureau voor de Statistiek Erratum 13 december 2007 Erratum Jaarboek onderwijs 2008 Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, is een aantal zaken niet juist vermeld. Onze
Taal en Rekenen - Wat gebeurt er allemaal? Btg MEI 23 april 2010. Rianne Reichardt
Taal en Rekenen - Wat gebeurt er allemaal? Btg MEI 23 april 2010 Rianne Reichardt Wet- en regelgeving Taal- en rekenniveau omhoog Invoering referentiekader Meijerink Invoering centrale examinering taal
Schriftelijke en digitale (laag)geletterdheid
Schriftelijke en digitale (laag)geletterdheid Presentatie voor landelijke dag laaggeletterdheid en digitale vaardigheden 13 november 2014 Willem Houtkoop ([email protected] Vooruitblik Laaggeletterden
Referentiekaders. Doorlopende leerlijn Taal en Rekenen (Meijerink) 2. Station en de referentiekaders 6
Referentiekaders Doorlopende leerlijn Taal en Rekenen (Meijerink) 2 Station en de referentiekaders 6 1 Doorlopende leerlijnen Taal en Rekenen (Commissie Meijerink) Een beknopte samenvatting/ de belangrijkste
Hoofdstuk 8 Kenmerken van de thuisomgeving
Hoofdstuk 8 Kenmerken van de thuisomgeving De relatie tussen leesvaardigheid en de ervaringen die een kind thuis opdoet is in eerder wetenschappelijk onderzoek aangetoond: ouders hebben een grote invloed
Enkele rekenexperts, docenten en andere betrokkenen. Rekentoetswijzercommissie voortgezet onderwijs. Expertmeeting rekentoetsen vo
Uitnodiging Aan Enkele rekenexperts, docenten en andere betrokkenen Van Rekentoetswijzercommissie voortgezet onderwijs Datum 16 maart 2011 Agenda Expertmeeting rekentoetsen vo Datum overleg 12 april 2011
Van mbo en havo naar hbo
Van mbo en havo naar hbo Dick Takkenberg en Rob Kapel Studenten die naar het hbo gaan, komen vooral van het mbo en de havo. In het algemeen blijven mbo ers die een opleiding in een bepaald vak- of studiegebied
Resultaten instaptoetsen Rekenen en Nederlands 2010 Rapportage aan de Profijtscholen
Resultaten instaptoetsen Rekenen en Nederlands 2010 Rapportage aan de Profijtscholen Rapportage: Analyse en tabellen: 4 Februari 2011 Mariëlle Verhoef Mike van der Leest Inleiding Het Graafschap College
Muiswerk: Taal en rekenen op z n best!
Artikel 7 Door: Eric Robbers en Stefan Robbers Muiswerk: Taal en rekenen op z n best! 1.Inleiding Er zijn zorgen over het niveau van het onderwijs, zowel binnen het onderwijs als ook daarbuiten. Binnen
Product Informatie Blad - Taaltoets
Product Informatie Blad - Taaltoets PIB150-2010-Taaltoets Context In opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft de Commissie Meijerink onderzoek gedaan naar wat leerlingen
Factsheet. Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014. Werkloosheid stijgt naar 24% Definities. Nummer 6 juni 2014
Nummer 6 juni 2014 Monitor jeugdwerkloosheid Amsterdam 2014 Factsheet Ondanks eerste tekenen dat de economie weer aantrekt blijft de werkloosheid. Negen procent van de Amsterdamse beroepsbevolking is werkloos
Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 2016
1 Monitor Jeugdwerkloosheid Amsterdam over 20 Fact sheet april 20 De totale werkloosheid onder Amsterdamse jongeren is het afgelopen jaar vrijwel gelijk gebleven aan 2015. Van de 14.000 Amsterdamse jongeren
15-jarigen: wiskundige bollebozen?
15-jarigen: wiskundige bollebozen? De Vlaamse resultaten van PISA 2000 In 2000 werden wereldwijd 15-jarigen getest op hun leesvaardigheid en hun wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid. Uit de resultaten
Martin van Reeuwijk CvTE
REKENEN IN MBO ENTREE REKENEXAMENS 2A, 2ER, 2F Martin van Reeuwijk CvTE REKENEN IN MBO ENTREE Diversiteit in instroom Uitstroom en doorstroom Drie rekenexamens 2F, 2A, 2ER Welk examen voor wie? Eén syllabus
ROA Fact Sheet. Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt 2012 Feiten en cijfers. Research Centre for Education and the Labour Market ROA
Research Centre for Education and the Labour Market ROA Schoolverlaters tussen onderwijs en arbeidsmarkt 2012 Feiten en cijfers ROA Fact Sheet ROA-F-2013/2 Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt
Drentse Onderwijsmonitor 2014
Drentse Onderwijsmonitor 2014 9 de editie Imke Oosting CMO Groningen Wat is de Drentse onderwijsmonitor? In beeld brengen van onderwijspositie en prestaties van Drentse leerlingen Van basisschool tot en
Rekenen en gecijferdheid in het MBO
Rekenen en gecijferdheid in het MBO Waarom, wat en hoe? Landelijke bijeenkomst Clusters Zorg & AG, Welzijn, Cultuur en Onderwijs Beelden van rekenen Trends Taal en Rekenen Eind 20 e eeuw Verbreding onderwijsprogramma
Verbeteren van de slechte schoolresultaten voor wiskunde en wetenschap blijft uitdaging voor Europa
EUROPESE COMMISSIE - PERSBERICHT Verbeteren van de slechte schoolresultaten voor wiskunde en wetenschap blijft uitdaging voor Europa Brussel, 16 november 2011 Beleidsmakers moeten scholen beter ondersteunen
Datum 24 september 2014 Gevolgen van de referentieniveaus taal voor de normering van de centrale examens Nederlands 2015
> Retouradres Postbus 35 3500 AH Utrecht De scholen voor voortgezet onderwijs, t.a.v. de directeur, de examensecretaris en de docenten Nederlands Bureau van het CvTE Muntstraat 7 352 ET Utrecht Postbus
Domeinbeschrijving rekenen
Domeinbeschrijving rekenen Discussiestuk ten dienste van de Expertgroep Doorlopende Leerlijnen Rekenen en Taal auteur: Jan van de Craats 11 december 2007 Inleiding Dit document bevat een beschrijving van
Verbanden 1. Doelgroep Verbanden 1
Verbanden 1 Rekenen en Wiskunde Verbanden 1 bestrijkt de basisvaardigheden van Verbanden: de verschillende grafische presentaties, zoals tabel, rooster, staafdiagram, cirkeldiagram en grafiek. Doelgroep
Met een startkwalificatie betere kansen op de arbeidsmarkt
Met een startkwalificatie betere kansen op de arbeidsmarkt Ingrid Beckers en Tanja Traag Van alle jongeren die in 24 niet meer op school zaten, had 6 procent een startkwalificatie, wat inhoudt dat ze minimaal
Bijlagen bij hoofdstuk 5 Minderheden in het onderwijs Mérove Gijsberts (SCP) en Marijke Hartgers (CBS)
Jaarrapport Integratie Sociaal en Cultureel Planbureau / Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum / Centraal Bureau voor de Statistiek september, 2005 Bijlagen bij hoofdstuk 5 Minderheden in
DOORSTROOM VAN VMBO NAAR HAVO Onderzoek onder ruim vmbo-scholieren naar hun intentie om voor de havo te kiezen
DOORSTROOM VAN VMBO NAAR HAVO Onderzoek onder ruim 20.000 vmbo-scholieren naar hun intentie om voor de havo te kiezen Februari 2019 Surrounded by Talent 2 INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding 3 2. Onderzoeksvragen
Samenvatting. Doorstroomatlas vmbo. De onderwijsloopbanen van vmbo ers in kaart gebracht
Samenvatting Doorstroomatlas vmbo De onderwijsloopbanen van vmbo ers in kaart gebracht Samenvatting Doorstroomatlas vmbo De onderwijsloopbanen van vmbo ers in kaart gebracht 2012 Alle rechten voorbehouden.
LelyStadsGeluiden. De mening van de jongeren gepeild. School en werk 2007
LelyStadsGeluiden De mening van de jongeren gepeild School en werk 007 In 007 hebben.37 jongeren meegewerkt aan de jongerenenquête. Het onderzoek had als doel om in kaart te brengen wat jongeren doen,
Rekenconferentie Je kunt rekenen op de rekendocent 6 december 2011
Rekenen in het mbo: Stand van zaken regelgeving Rekenconferentie Je kunt rekenen op de rekendocent 6 december 2011 Rianne Reichardt Onderwerpen Algemene regelgeving Rekenen in het mbo Invoering referentieniveaus
Analyse rekenalgebraïsche. vaardigheden in de onderbouw van het havo/vwo. ReAL Leerlijnen van rekenen naar algebra
Analyse rekenalgebraïsche vaardigheden in de onderbouw van het havo/vwo. ReAL Leerlijnen van rekenen naar algebra SLO nationaal expertisecentrum voor leerplanontwikkeling Wiskunde in de onderbouw van het
Product Informatie Blad - Rekentoets
Product Informatie Blad - Rekentoets PIB240-2010-Rekentoets Context In opdracht van het Ministeriee van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft de commissie Meijerink onderzoek gedaan naar wat leerlingen
INSIGHT Rekentoets. Witboek Insight rekentoets. Tijd voor rekenen! 1
INSIGHT Rekentoets Witboek Insight rekentoets Tijd voor rekenen! 1 Colofon Titel: Uitgave door: Adres: Witboek Insight Rekentoets AMN b.v. Arnhem De Wetstraat 1 6814 AN Arnhem Tel. 026-3557333 [email protected]
Uitleg van de figuren PO 1
Uitleg van de figuren PO 1 Uitleg van de figuren - PO In dit document worden de verschillende figuren nader toegelicht die in het NCO rapport Waar blijven uw oud-leerlingen? worden getoond. Voor ieder
67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk
ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 28 oktober 67,3% van de 20-64-jarigen aan het werk Tegen 2020 moet 75% van de Europeanen van 20 tot en met 64 jaar aan het werk zijn.
Jongeren op de arbeidsmarkt
Jongeren op de arbeidsmarkt Tanja Traag In 23 was 11 procent van alle jongeren werkloos. Jongeren die geen onderwijs meer volgen, hebben een andere positie op de arbeidsmarkt dan jongeren die wel een opleiding
PIAAC IN FOCUS 2: MATTHEÜSEFFECT IN LEVENSLANG LEREN? DE RESULTATEN VAN PIAAC
PIAAC IN FOCUS 2: MATTHEÜSEFFECT IN LEVENSLANG LEREN? DE RESULTATEN VAN PIAAC Samenvatting - In Vlaanderen participeert zeven op tien (69%) van de hooggeschoolden aan levenslang leren. Onder de laaggeschoolden
TOELICHTING ADDENDUM 2A VO EN MBO
TOELICHTING ADDENDUM 2A VO EN MBO Verantwoording: 2016 College voor Toetsen en Examens, Utrecht. Alle rechten voorbehouden. Alles uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd
Resultaten TIMSS Wiskunde & wetenschappen 4 e leerjaar in internationaal perspectief
Resultaten TIMSS 2015 Wiskunde & wetenschappen 4 e leerjaar in internationaal perspectief 29 november 2016 Toetsen wiskunde 2 Inhoudelijk domein: Meetkundige vormen en metingen Cognitief domein: Toepassen
