VERMIJDINGSGEDRAG ALS OCCASION SETTER

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "VERMIJDINGSGEDRAG ALS OCCASION SETTER"

Transcriptie

1 1 Faculteit Psychologische en Pedagogische Wetenschappen Academiejaar Eerste examenperiode VERMIJDINGSGEDRAG ALS OCCASION SETTER Scriptie neergelegd tot het behalen van de graad van Licentiaat in de Psychologie, Optie Theoretische en Experimentele door Wim De Jonghe Promotor: Prof. Dr. Jan De Houwer Begeleiding: Lic. Mieke Declercq

2 2 Ondergetekende, Wim De Jonghe, geeft toelating tot het raadplegen van de scriptie door derden. Handtekening:

3 3 Woord vooraf Alvorens u, de lezer, begint met het lezen van de scriptie, zou ik van deze gelegenheid gebruik willen maken om een aantal personen te bedanken. Zonder hen zou deze scriptie nooit zijn huidige vorm aangenomen hebben. Een eindresultaat waar ik trots op kan zijn. Vooreerst zou ik mijn promotor Prof. Dr. De Houwer willen bedanken voor mij op weg te helpen in dit interessante onderwerp. In het bijzonder wil ik ook mijn begeleidster Mieke Declercq bedanken voor de vele uren die zij mij met raad en daad heeft bijgestaan. Verder wil ik ook mijn goede vriend en talenknobbel Michaël Temmerman bedanken om mijn scriptie na te lezen en schrijffouten en zinsconstructies aan te passen waar nodig. Ook bedankt aan mijn vriendin Tineke Van Kerschaver, om mij verplicht aan het werk te zetten wanneer ik eigenlijk geen zin had. Het zijn waarschijnlijk die uren die het verschil gemaakt hebben tussen half werk en het eindresultaat. Ten slotte ook bedankt aan alle proefpersonen die de moed hadden om een half uur van hun tijd op te offeren om mij van data te voorzien. Zonder hun inbreng was er helemaal geen scriptie geweest.

4 4 Inhoudsopgave Abstract...1 Inleiding...2 Vermijdingsgedrag...2 De start van het onderzoek naar vermijdingsgedrag...3 De twee-factoren theorie...4 De safety-signal hypothese...6 De species-specific defense reaction theorie...8 De cognitieve theorie van Seligman en Johnston...9 Het integrated expectancy-based model...11 Occasion Setting...13 Kenmerk-positieve en kenmerk-negatieve discriminatie...14 Unieke eigenschappen van negatieve occasion setters...14 Verkregen relationele gelijkheid...16 Vermijdingsgedrag als Occasion Setter...18 Evidentie voor vermijdingsgedrag als negatieve occasion setter...19 Experiment Methode...23 Steekproef...23 Stimuli en materiaal...24 Procedure...24 Resultaten...27 Bespreking...29 Experiment Methode...30 Steekproef...30 Stimuli en materiaal...31 Procedure...31 Resultaten...33 Bespreking...36

5 5 Algemene bespreking...36 Referenties...43

6

7 1 Abstract In studies rond vermijdingsgedrag wordt een waarschuwingssignaal gevolgd door een aversieve onvoorwaardelijke prikkel, tenzij het organisme een bepaalde response stelt. Recent vonden De Houwer, Crombez en Baeyens (2005) evidentie voor een cognitieve theorie van vermijdingsgedrag die stelt dat vermijdingsgedrag zowel functioneel als structureel gelijkend is aan een negatieve occasion setter. Zij toonden aan dat vermijdingsgedrag, net als negatieve occasion setters, de associatie tussen twee stimuli kon moduleren en het tevens de twee unieke kenmerken van negatieve occasion setters bezit: resistentie tegen counterconditionering en selectieve transfer. De huidige scriptie trachtte het onderzoek rond deze nieuwe theorie verder uit te breiden. In twee experimenten, gebaseerd op onderzoek van Honey en Watt (1998), werd nagegaan of een tweede verworven functie van een negatieve occasion eerder zou generaliseren naar een vermijdingsgedrag dan naar een geconditioneerde inhibitor en een geconditioneerde excitator. Dit werd verwacht indien vermijdingsgedrag zou functioneren als een negatieve occasion setter. De resultaten toonden echter aan dat er geen verschil was in generalisatie (Experiment 1) of dat er een grotere generalisatie was naar de geconditioneerde excitator (Experiment 2). Het opzet en de resultaten worden kritisch besproken.

8 2 Inleiding Vermijdingsgedrag Aversieve stimuli controleren vaak onbewust ons gedrag. Zo stellen we soms een bepaald gedrag om ervoor te zorgen dat een bepaalde aversieve gebeurtenis niet voorvalt. Zo zullen we bijvoorbeeld een jas aandoen om niet verkouden te worden, kijken we naar links en rechts aan het zebrapad om een ongeval te vermijden en gaan we lopen van een agressieve hond om niet gebeten te worden. Dergelijke gedragingen noemen we vermijdingsgedrag. De consequentie van het stellen van vermijdingsgedrag is een niet-gebeurtenis, namelijk het vermijden van een aversieve stimulus. Net omdat vermijdingsgedrag een gebeurtenis voorkomt, zijn we ons vaak niet bewust van dit gedrag. Sinds begin vorige eeuw ontstond er binnen de leerpsychologie een grote interesse voor dit onderwerp. Onderzoekers trachtten de mechanismen waarmee en de condities waaronder vermijdingsgedrag geleerd wordt, te ontcijferen. Hoewel reeds veel onderzoek is uitgevoerd naar vermijdingsgedrag, zijn er nog een heleboel onbeantwoorde vragen. Bijvoorbeeld, hoe kan een niet-gebeurtenis een bekrachtiger zijn? Wat houdt vermijdingsgedrag in stand? Waarom is een niet-gebeurtenis een bekrachtiger voor één bepaald vermijdingsgedrag en niet voor een ander (Schwartz, Wasserman, & Robbins, 2002)? Tot op heden vond het meeste experimenteel onderzoek naar vermijdingsgedrag plaats op proefdieren in laboratoria. Er kunnen twee algemene procedures onderscheiden worden: 'discrete-trial gesignaleerde vermijding' en 'vrije-operant vermijding'. Bij discrete-trial gesignaleerde vermijding wordt vermijdingsgedrag aangeleerd via afzonderlijke trials. Op elk van deze trials wordt een externe voorwaardelijke prikkel (VP), die dient als waarschuwingssignaal (Sd, vb. een toon), aangeboden. Wanneer tijdens het Sd het verwachte vermijdingsgedrag gesteld wordt, dan blijft de aanbieding van een aversieve onvoorwaardelijke prikkel (OP, vb. een schok) uit. Indien het vermijdingsgedrag niet gesteld wordt, dan volgt de OP wel. Typisch voor deze procedure is dat proefdieren eerst ontsnappingsgedrag leren. Ontsnappingsgedrag is een reactie op de OP die het ontsnappen aan deze OP inhoudt.

9 3 Dit betekent dat er pas een gedrag gesteld wordt tijdens de aanbieding van de OP. Later gaat dit ontsnappingsgedrag over in echte vermijding, waarbij het gedrag reeds bij de aanbieding van het Sd gesteld wordt (Schwartz, Wasserman, & Robbins, 2002; Domjan, 1998). Bij discrete-trial gesignaleerde vermijding experimenten wordt vaak gebruik gemaakt van de shuttle-box. Deze shuttle-box bestaat uit twee ruimtes en heeft een metalen rooster als vloer. Een proefdier wordt in één van de twee compartimenten geplaatst en moet zich bij de aanbieding van een Sd verplaatsen naar het andere compartiment om zo een elektrische schok te vermijden (Domjan, 1998). Vrije-operant vermijding onderscheidt zich van discrete-trial gesignaleerde vermijding op twee punten. Ten eerste bevat de procedure geen discrete trials. Ten tweede zijn er geen externe signalen aanwezig die als een Sd dienen. De OP wordt volgens een bepaald interval aangeboden (vb. elke 10 seconden). Indien tijdens dit interval het gewenste vermijdingsgedrag gesteld wordt, dan wijzigt het in een ander, langer interval (vb. elke 30 sec). Wordt het vermijdingsgedrag tijdens dit tweede interval niet opnieuw gesteld, dan wordt bij het verlopen ervan de OP opnieuw aangeboden volgens het tijdsverloop van het eerste interval. Als het vermijdingsgedrag wel wordt gesteld tijdens het tweede interval, dan start het tweede interval opnieuw. Vrije-operant vermijding wordt dus gekenmerkt door twee te onderscheiden intervallen. Enerzijds is er het schok-schok interval (S-S) dat de tijd weergeeft tussen de aanbieding van twee aversieve OP's indien er geen vermijdingsgedrag wordt gesteld, anderzijds is er het respons-schok interval (R-S) dat de tijd aangeeft tussen het stellen van het vermijdingsgedrag en het opnieuw aanbiedingen van de OP (Schwartz, Wasserman, & Robbins, 2002; Domjan, 1998). De start van het onderzoek naar vermijdingsgedrag. Vladimir Bechterev (1913) was de eerste die, in het kader van onderzoek naar klassieke conditionering, vermijdingsgedrag onderzocht. In één van zijn experimenten moesten menselijke participanten hun vinger op een metalen plaatje leggen. Na de aanbieding van een Sd werd via dit metalen plaatje een korte elektrische schok aangeboden. Door de schok heften de proefpersonen hun vinger van het plaatje op en na verloop van tijd begonnen zij dit reeds te doen bij de aanbieding van het Sd. Hoewel het experiment van Bechterev gezien werd als een standaard voorbeeld van klassieke conditionering, geldt dit als het

10 4 eerste onderzoek naar vermijdingsgedrag. Het grote verschil met gewone klassieke conditioneringsexperimenten is immers dat participanten in het experiment van Bechterev konden kiezen of zij al dan niet blootgesteld werden aan de aversieve OP (Domjan, 1998). De twee-factoren theorie. Theorievorming binnen het onderzoek naar vermijdingsgedrag heeft zich van in het begin voornamelijk toegespitst op wat de mogelijke bekrachtigers kunnen zijn voor vermijdingsgedrag. De verschillende theorieën die doorheen de jaren geformuleerd werden, steunen vaak op verschillende principes om een antwoord op deze vraag te bieden. Vertrekkend vanuit leertheoretische principes was de twee-factoren theorie van Mowrer (1947) één van de eerste theorieën die een antwoord formuleerde op de vraag naar een mogelijke bekrachtiger voor vermijdingsgedrag. De twee-factoren theorie verklaart vermijdingsgedrag als een samenspel tussen klassieke en operante conditioneringsmechanismen. Allereerst vindt een klassiek Pavloviaans conditioneringsproces plaats: door herhaalde aanbieding van de VP die gevolgd wordt door een OP, zal de VP op zich een geconditioneerde angstreactie gaan uitlokken. Vervolgens is er een operant conditioneringsproces waarbij een vermijdingsrespons, die de VP beëindigt, zorgt voor een reductie in geconditioneerde angst. Concreet stelt de twee-factoren theorie dus dat het beëindigen van een angst-geconditioneerde stimulus (en dan voornamelijk de angstreductie die er mee gepaard gaat) de bekrachtiger is voor vermijdingsgedrag (Mowrer, 1947; Miller, 1951; Seligman & Johnston, 1973). Doorheen de jaren is heel wat evidentie vergaard die de twee-factoren theorie ondersteunt. Aan de hand van 'acquired drive' experimenten trachtte men aan te tonen dat zowel het klassieke als het operante conditioneringsproces een afzonderlijke bijdrage levert aan het tot stand komen van vermijdingsgedrag. In dit type experimenten gebeurt de klassieke conditionering van angst op een VP vooraf, in een situatie waarin vermijdingsgedrag niet wordt bekrachtigd. De VP wordt meermaals gepaard met een aversieve OP. In een volgende fase wordt vermijdingsgedrag, volgend op de aanbieding van de VP, instrumenteel bekrachtigd door de angstuitlokkende VP te beëindigen. De OP wordt niet meer aangeboden. Indien het beëindigen van een angstgeconditioneerde stimulus een voldoende bekrachtiger is, dan zou vermijdingsgedrag geleerd moeten worden (Domjan, 1998). Brown en Jacobs (1949) slaagden erin deze

11 5 predictie van de twee-factoren theorie te bevestigen. De bevinding werd later in vele onderzoeken gerepliceerd (Dinsmoor, 1962; McAllister & McAllister, 1971; Katzev, 1967, 1972). Ondanks het succes kwam de twee-factoren theorie toch onder vuur te liggen (Herrnstein, 1969; Bolles, 1970). Ten eerste bleek het heel moeilijk de VP te specifiëren. Het 'trace-avoidance' paradigma, waarbij de externe VP stopt na een kort vastgelegd interval en vooraf gaat aan vermijdingsgedrag, riep vraagtekens op bij de noodzakelijkheid van de VP. Ondanks het feit dat er geen beëindiging meer is van een angst-geconditioneerde stimulus na het stellen van vermijdingsgedrag, wordt de vermijdingsrespons toch geleerd (vb. Kamin, 1954). Ook vrije-operant vermijding vormde een probleem voor de twee-factoren theorie omdat bij deze procedure er geen externe VP aanwezig is, maar de procedure toch leidt tot een zeer stabiel vermijdingsgedrag (vb. Seligman, 1953). Deze paradigmata zorgden ervoor dat de verzameling van mogelijke VP's moest worden uitgebreid met soms moeilijk te verifiëren stimuli zoals het verstrijken van de tijd sinds het stellen van vermijdingsgedrag en proprioceptieve feedback (Seligman & Johnston, 1973). Een tweede kritiek is dat de geconditioneerde angstreacties waarop de tweefactoren theorie beroep doet soms moeilijk te vatten zijn. Zo stelt de theorie dat het beëindigen van de geconditioneerde angstreactie, uitgelokt door de VP, de bekrachtiger is voor het vermijdingsgedrag. Maar Rescorla en Solomon (1967) merkten echter op dat er nog geen perifere geconditioneerde angstreacties werden vastgesteld die noodzakelijk bleken voor het mediëren van vermijdingsgedrag. Naast het gebrek aan evidentie voor geconditioneerde angstreacties, vormen diezelfde processen eveneens een probleem wanneer men asymptotisch vermijdingsgedrag bekijkt. Geconditioneerde angst zou volgens de theorie recht evenredig moeten zijn met de conditionering van vermijdingsgedrag. Kamin, Brimer en Black (1963) onderzochten in een experiment de hypothese dat indien een VP een angstreactie uitlokt, deze een negatief effect zou hebben op hendeldrukken voor etensbekrachtiging. De onderzoekers trainden een aantal ratten in een eerste fase op hendeldrukken om eten te bekomen. In een tweede fase werden de dieren in een shuttle-box geplaatst waarin zei een elektrische schok moesten leren vermijden die volgende op een auditief Sd. De ratten werden aan het einde van deze tweede trainingsfase opgedeeld in vier groepen, namelijk zij die een schok

12 6 succesvol vermeden op 1 trial, op 3 trials, op 9 trials en op 27 trials. In een derde en laatste fase werden de dieren opnieuw getest op hendeldrukken voor etensbekrachtiging. Ditmaal werd echter het auditief Sd uit de tweede fase op variabele tijdstippen aangeboden. In tegenstelling tot de hypothese bleken de ratten die het vermijdingsgedrag het best geleerd hadden het meest op de hendel te drukken. Dit betekent dus dat de proefdieren die de vermijdingsrespons het best geleerd hadden, het minste angst vertoonden. Ook Mineka (1979) en Mineka en Gino (1980) vonden dat geconditioneerde angstreacties en vermijdingsgedrag niet altijd sterk gecorreleerd zijn en dat een daling in angstreactie niet noodzakelijk leidt tot een daling in vermijdingsgedrag. Een derde en grootste probleem voor de twee-factoren theorie is de weerstand van vermijdingsgedrag tegen uitdoving. De theorie voorspelt immers dat vermijdingsgedrag cyclisch zal verlopen, aangezien de angstreacties Pavloviaans geconditioneerd zijn op VP's. Elke trial waarop de VP succesvol gevolgd wordt door vermijdingsgedrag is eigenlijk een extinctie trial omdat er geen aversieve OP volgt op de angstuitlokkende VP. Hierdoor zou de geconditioneerde angst op de VP moeten afnemen tot het punt waarop geen vermijdingsgedrag meer gesteld wordt en de OP opnieuw wordt aangeboden. Cyclisch vermijdingsgedrag werd in tegenstelling tot persisterend vermijdingsgedrag echter zelden waargenomen in onderzoek. Proefdieren bleken een zeer grote resistentie te ontwikkelen tegen uitdoving en bleven vermijdingsgedrag stellen zonder dat de aversieve OP nog werd aangeboden (Solomon, Kamin, & Wynne, 1953). De safety-signal hypothese. Omdat duidelijk werd dat de twee-factoren theorie op essentiële punten te kort schoot, werd gezocht naar alternatieven. Rond de jaren '70 maakten drie theorieën, elk vertrekkend vanuit verschillende principes, hun opwachting. Deze theorieën waren: de safety-signal hypothese (Gray, 1971), de species-specific defense reaction theorie (vb. Bolles 1970; Bolles 1971) en de cognitieve theorie van Seligman en Johnston (1973). De safety-signal hypothese is net zoals de twee-factoren theorie gefundeerd op een Pavloviaans en instrumenteel leerproces. De theorie vult het klassieke en instrumentele conditioneringsmechanisme wel op een andere wijze in. Algemeen wordt gesteld dat feedback cues van vermijdingsgedrag (vb. proprioceptieve

13 7 feedback) via een klassiek Pavloviaans conditioneringsproces, geconditioneerde inhibitoren worden. Dit zijn stimuli met een negatieve relatie ten opzichte van een andere stimulus of gebeurtenis. Via een instrumenteel conditioneringsproces zijn ze de positieve bekrachtigers voor vermijdingsgedrag, daar waar de twee-factoren theorie vermijdingsgedrag verklaart in termen van negatieve bekrachtiging (i.e. het wegnemen van angst; Domjan, 1998). Trials waarop een VP (vb. een toon) gecombineerd wordt met een aversieve OP en men geen vermijdingsgedrag stelt, leiden tot de conditionering van een angstreactie op de VP. Wanneer vermijdingsgedrag wel gesteld wordt en de aversieve OP bijgevolg afwezig is, dan gaat dit in tegen wat verwacht wordt (i.e. de aanbieding van de OP). Zo ontwikkelen de feedback cues van het vermijdingsgedrag geconditioneerde inhibitorische eigenschappen. Hun aanwezigheid is een signaal voor de afwezigheid van de OP en ze onderdrukken de geconditioneerde angstreactie. Dit is in essentie wat het Rescorla-Wagner model (Rescorla & Wagner, 1972) voorspelt (Lovibond, 2006). Dit model stelt dat leren gebeurt wanneer er een discrepantie is tussen wat verwacht wordt en wat effectief gebeurt. Indien een gebeurtenis echter voldoet aan de verwachtingen dan zal er niet geleerd worden. Morris (1974, 1975) en Weisman en Litner (1972) brachten in hun onderzoeken evidentie aan voor de safetysignal hypothese. Zij vonden dat, wanneer een externe stimulus (vb. een toon) gecombineerd werd met de feedback cues van vermijdingsgedrag, deze externe stimulus geconditioneerde inhibitorische eigenschappen ontwikkelde. D'Amato, Fazzaro en Etkin (1968) toonden op hun beurt aan dat vermijdingsleren vergemakkelijkt wordt wanneer de interne proprioceptieve feedback saillant wordt gemaakt door deze eveneens te combineren met een externe stimulus. De kracht van de safety-signal hypothese schuilt in het feit dat het rekenschap kan geven voor zaken die de twee-factoren theorie niet kan verklaren (Lovibond, 2006). Ten eerste vormt de afname in angst die gepaard gaat met asymptotisch vermijdingsgedrag geen probleem. De daling is het gevolg van actieve inhibitie door de feedback cues. Ten tweede kan de theorie de resistentie van vermijdingsgedrag tegen uitdoving verklaren. Omdat leren gebeurt doordat er een discrepantie is tussen wat verwacht wordt en wat gebeurt (Rescorla & Wagner, 1972), treedt er geen uitdoving op wanneer vermijdingsgedrag wordt gesteld. De verwachting dat er geen aversieve OP zal aangeboden worden, wordt niet ontkracht. Hierdoor treedt geen leren op en zal

14 8 bijgevolg het vermijdingsgedrag gesteld blijven worden. Anders gesteld zorgt een inhibitorische stimulus (i.e. het vermijdingsgedrag) ervoor dat een excitatorische stimulus (i.e. de VP) niet uitdooft en dus de verwachting dat de aversieve OP zal komen ook niet uitdooft. Ondanks het vermogen een theoretisch verklaring te bieden voor enkele grote vragen binnen het onderzoek naar vermijdingsgedrag, kreeg de safety-signal hypothese ook te maken met moeilijk verklaarbare bevindingen. Zo bleek responsblokkering effectief te zijn voor het uitdoven van vermijding (vb. Baum, 1970), maar kon de theorie hier geen rekenschap voor geven. Bij responsblokkering wordt het voor het proefdier onmogelijk gemaakt een vermijdingsrespons te stellen maar wordt de aversieve OP toch niet aangeboden. Indien vermijdingsgedrag enkel in stand wordt gehouden door positieve bekrachtiging van feedback cues, dan is het moeilijk in te zien hoe responsblokkering kan leiden tot uitdoving. Zowel de respons, als de feedback cues zijn geheel afwezig tijdens de blokkeringsfase en het lijkt dus weinig plausibel dat hun positief bekrachtigende eigenschappen hierdoor gewijzigd zouden worden (Seligman & Johnston, 1973; Lovibond, 2006). De species-specific defense reaction theorie. De species-specific defense reaction theorie (Bolles 1970; Bolles 1971) of kortweg SSDR steunt voornamelijk op biologische principes. Twee stellingen vormen het fundament van de SSDR. Ten eerste wordt gesteld dat dieren een hiërarchisch georganiseerd aantal defensieve gedragingen bezitten. Twee alom gekende voorbeelden zijn bijvoorbeeld vechten en vluchten. Ten tweede zou via een klassiek conditioneringsproces een Sd een bedreiging gaan vormen voor dieren. Wanneer deze dan met het Sd geconfronteerd worden, zullen ze één van de defensieve gedragingen stellen, te beginnen bij hetgeen het hoogst zit in de hiërarchie voor de gegeven situatie. Vertrekkend vanuit deze twee stellingen zou een proefdier in de eerste fase van vermijdingsleren het meest dominante vermijdingsgedrag voor die situatie moeten stellen. Indien dit niet het gewenste gedrag is en toch een aversieve OP volgt, dan wordt dit vermijdingsgedrag als het ware bestraft door de aversieve OP en wordt overgegaan op een andere defensieve reactie. In tegenstelling tot de andere theorieën van vermijdingsgedrag stelt de SSDR dus niet dat vermijdingsgedrag geleerd wordt door positieve of negatieve bekrachtiging, maar wel door bestraffing van

15 9 incorrect gedrag (Domjan, 1998; Schwartz, Wasserman, & Robbins, 2002). Een logische en eenvoudig testbare hypothese die de SSDR opwierp, was dat sommige vermijdingsgedragingen makkelijker en sneller geleerd zouden worden dan anderen. Indien het verwachte vermijdingsgedrag hoog in de hiërarchie van het dier zit, dan zou dit beter geleerd moeten worden. Bolles (1969) toonde dit aan in een experiment waarin ratten veel sneller leerden een aversieve stimulus te vermijden door in een rad te lopen dan door op hun achterste poten te gaan staan. Ondanks zijn vermogen om vermijdingsleren in de vroege fases beter te begrijpen, bleek de SSDR te beperkt en bleef hij eveneens niet gespaard van problematische bevindingen. Zo bleek immers dat bestraffing niet noodzakelijk leidt tot het onderdrukken van ongewenst vermijdingsgedrag (Bolles & Riley, 1973; Walters & Glazer, 1971). De cognitieve theorie van Seligman en Johnston. De cognitieve theorie van Seligman en Johnston (1973) omvat twee essentiële elementen: een cognitieve component en een emotionele component. Het samenspel tussen deze twee is de kern voor de verklaring van vermijdingsleren. De cognitieve component bestaat uit twee hypothetische constructen. Enerzijds zijn er de verwachtingen die men heeft over de gevolgen van een bepaalde actie of gedrag. Er is sprake van twee verwachtingen. Ten eerste is er de veronderstelling dat indien binnen een bepaalde tijdsspanne een gedrag wordt gesteld, een aversieve stimulus eerder niet dan wel zal aangeboden worden. Ten tweede is er de verwachting dat indien er binnen een bepaalde tijdsspanne geen respons wordt gesteld, een aversieve stimulus eerder wel dan niet zal aangeboden worden. Deze verwachtingen zullen versterken indien ze bevestigd worden en verzwakken indien ze ontkracht worden. Anderzijds is er de voorkeur voor een bepaalde uitkomst van gedrag in een gegeven situatie. De emotionele component stelt dat angst klassiek geconditioneerd wordt op een VP door deze te paren met een aversieve OP en dat deze angstreactie uitdooft wanneer de VP niet meer gepaard gaat met de aversieve OP. Belangrijk is dat de emotionele component in tegenstelling tot andere theorieën niet stelt dat een reductie in angst een bekrachtiger is voor vermijdingsgedrag. De angstreactie speelt enkel een rol in het uitlokken van gedrag. Op basis van de theorie wordt vermijdingsgedrag dan als volgt verklaard: doordat de VP angst uitlokt door zijn paring met een aversieve OP, gaat deze aanzetten tot het stellen van vermijdingsgedrag.

16 10 Door het stellen van vermijdingsgedrag en de daaropvolgende afwezigheid van de aversieve OP worden er twee verwachtingen gevormd: enerzijds de verwachting dat het stellen van vermijdingsgedrag leidt tot het vermijden van de aversieve OP, anderzijds dat het niet stellen van hetzelfde gedrag leidt tot het aanbieden van de aversieve OP. Aangezien er een voorkeur is voor het niet ontvangen van een aversieve OP, zal het vermijdingsgedrag gesteld worden. De cognitieve theorie van Seligman en Johnston (1973) slaagt er op elegante wijze in een verklaring te bieden voor een heel scala van bevindingen in het onderzoek naar vermijdingsleren. Het leren van vermijdingsgedrag en de snelheid waarmee dit gebeurt, is een functie van zowel de cognitieve als de emotionele component. Vermijdingsgedrag wordt enkel geleerd indien initieel de voorkeur voor het niet ontvangen van een aversieve OP primeert boven het wel ontvangen van deze OP. De snelheid waarmee vermijdingsgedrag geleerd wordt, is bepaald door de plaats van het gedrag in de hiërarchie van de defensieve reacties (i.e. zoals gesteld door de SSDR), maar ook door de angst die uitgelokt wordt door de VP. Hoe meer angst de VP uitlokt, hoe sneller vermijdingsgedrag geleerd wordt. Een asymptotische prestatie van vermijdingsgedrag wordt geleidelijk aan bereikt doordat de verwachtingen die men heeft over het al dan niet stellen van het gedrag steeds bevestigd worden en hierdoor steeds in sterkte toenemen. De resistentie van vermijdingsgedrag tegen uitdoving die voor andere theorieën, zoals de twee-factoren theorie, een probleem stelde, is enerzijds het gevolg van het steeds opnieuw bevestigen en nooit ontkrachten van bestaande verwachtingen en anderzijds van het prefereren geen aversieve OP te ontvangen (Lovibond, 2006; Seligman & Johnston, 1973). Het niet meer aanbieden van een aversieve OP leidt maar zeer moeilijk tot uitdoving van vermijdingsgedrag omdat de verwachting dat het niet ontvangen van de aversieve OP, indien men een vermijdingsrespons stelt, steeds opnieuw bevestigd wordt. Vermijdingsgedrag zal immers altijd gesteld worden wanneer men geconfronteerd wordt met de VP aangezien men verwacht dat de OP zal volgen indien geen vermijdingsgedrag gesteld wordt en omdat men de afwezigheid van de OP prefereert. Tot slot verklaart de theorie het feit dat de angst afneemt wanneer de prestatie van vermijdingsgedrag een piek bereikt als een gevolg van pure Pavloviaanse uitdoving. Omdat angstreductie geen bekrachtiger is voor het vermijdingsgedrag, heeft het verdwijnen van de geconditioneerde angst geen

17 11 effect op het stellen van het gedrag. De Pavloviaanse component heeft weinig invloed op de instrumentele component. Hoewel de cognitieve theorie van Seligman en Johnston (1973) een theoretische verklaring verschaft voor een groot aantal bevindingen, zijn er toch enkele punten die de nodige bedenkingen opwerpen. Zo is net het feit dat de Pavloviaanse en de instrumentele componenten zeer onafhankelijk zijn van elkaar mogelijk een probleem (Lovibond, 2006). Hierdoor kan de theorie enkel die daling in angst verklaren die te wijten is aan Pavloviaanse uitdoving en is het moeilijk om te bepalen waarom angst terugkeert bij responsblokkering. Een andere heikel punt, opgemerkt door Seligman en Johnston zelf (Seligman & Johnston, 1973), heeft betrekking op het vormen van verwachtingen bij de cognitieve component. Het is zo dat het louter aanbieden van actie-gevolg relaties niet voldoende is om deze te leren en verwachtingen te ontwikkelen. D'Amato, Fazzaro en Etkin (1968) toonden aan dat wanneer vermijdingsgedrag gevolgd wordt door een externe stimulus, het gedrag sneller aangeleerd wordt. Dit wijst erop dat aandacht waarschijnlijk een essentiële component is. De theorie zelf implementeert geen theoretisch aandachtsmechanisme om hieraan tegemoet te komen (Seligman en Johnston, 1973). Het integrated expectancy-based model (Lovibond, 2006). Na de jaren '70 viel het onderzoek naar vermijdingsgedrag grotendeels stil en volgde er een periode van gedaalde interesse voor het onderwerp. Recent flakkerde de aandacht weer op en ontwikkelde Lovibond (2006) een 'integrated expectancy-based model' voor vermijdingsgedrag. Deze theorie vertrekt net zoals de cognitieve theorie van Seligman en Johnston (1973) vanuit cognitieve principes. Hij is primair gebaseerd op het concept van verwachting. Nieuw aan deze theorie is dat er gefocust wordt op vermijdingsgedrag bij mensen. Het 'integrated expectancy-based model van Lovibond (2006) gaat er zoals vele andere theorieën over vermijdingsgedrag vanuit dat er zowel Pavloviaanse als instrumentele processen een rol spelen. Opmerkelijk is wel dat binnen deze visie op vermijdingsleren men stelt dat de Pavloviaanse en instrumentele processen steunen op die cognitieve processen die ook een rol spelen bij hogere-orde redeneertaken. Dit idee komt naar voor in de vier basisprincipes die de theorie vorm geven. Ten eerste wordt een angstreactie Pavloviaans geconditioneerd door het leren van de relatie tussen een

18 12 VP en een aversieve OP. Wanneer de VP, die als waarschuwingssignaal optreedt, aangeboden wordt, dan activeert deze de verwachting van een aversie OP waardoor een angstreactie optreedt. Ten tweede wordt vermijdingsgedrag verworven via instrumenteel leren doordat men de relatie leert tussen het vermijdingsgedrag en het afwezig zijn van de verwachte aversieve OP. Doordat men de gevolgen van het al dan niet stellen van vermijdingsgedrag gaat afwegen tegenover elkaar, wordt het vermijdingsgedrag gesteld. Net zoals bij de safety-signal theorie verwerft het vermijdingsgedrag hier geconditioneerde inhibitorische eigenschappen. Verschillend is echter dat deze inhibitorische eigenschappen, die de afwezigheid van de aversieve OP aankondigen, niet werken via feedback cues, zoals proprioceptieve feedback, maar wel via een representatie die men heeft van het vermijdingsgedrag. Ten derde en essentieel in de theorie is dat zowel het Pavloviaans als het instrumenteel leren gerepresenteerd wordt als propositionele kennis. Hierdoor is deze kennis onder meer toegankelijk voor redeneerprocessen. Ten slotte hebben verwachtingen over de aanbieding van een aversieve OP de functie van mediator bij de interactie tussen vermijdingsgedrag en angst. Op basis van deze vier kernprincipes is het mogelijk rekenschap te geven voor de belangrijkste bevindingen binnen het onderzoek naar vermijdingsgedrag. Vooreerst slaagt de theorie erin de persistentie van vermijdingsgedrag ondanks het niet meer aanbieden van de aversieve OP te verklaren. Omwille van de verwachting dat het stellen van vermijdingsgedrag leidt tot geen aanbieding van de aversieve OP, zal vermijdingsgedrag blijven gesteld worden en kan de verwachting dat het niet stellen van vermijdingsgedrag leidt tot het aanbieden van de aversieve OP niet ontkracht worden. Vervolgens kan de theorie, in tegenstelling tot de cognitieve theorie van Seligman en Johnston (1973) volledig rekenschap geven voor de daling in angst wanneer vermijdingsgedrag asymptotisch wordt en voor de terugkeer van deze angst indien de mogelijkheid tot het stellen van vermijdingsgedrag verhinderd wordt. Daar waar Seligman en Johnston (1973) hiervoor beroep doen op pure Pavloviaanse uitdoving, vertrekt het 'integrated expectancy-based model' vanuit een centrale representatie die men heeft over vermijdingsgedrag en zijn relaties. Angst neemt af naarmate vermijdingsgedrag beter wordt geleerd omdat men verwacht dat de aversieve OP niet zal optreden omdat men vermijdingsgedrag kan stellen. De plotse terugkeer van deze angst bij responsblokkering komt er omwille van de verwachtingen die men heeft

19 13 gevormd over de relaties tussen de VP, het vermijdingsgedrag en de aversieve OP. Doordat deze verwachtingen gerepresenteerd zijn als propositionele kennis, weet men dat het niet stellen van vermijdingsgedrag zal leiden tot aanbieding van de aversieve OP. Vermijdingsgedrag kan dus de verwachting dat een aversieve OP zal aangeboden worden niet inhiberen waardoor angst opnieuw optreedt. Lovibond, Saunders, Brady & Mitchell (submitted) ontwikkelden een nieuwe procedure om vermijdingsgedrag en het 'integrated expectancy-based model' te testen bij mensen. Deze procedure laat toe dat participanten de mate waarin zij een aversieve OP verwachten, kunnen aangeven. De resultaten toonden aan dat angst, gemeten via elektrodermale responsen en de verwachting van een aversieve OP het laagst waren bij het einde van het vermijdingsleren op trials waarop de aversieve OP kon vermeden worden. Ook werd gevonden dat de angstreactie en de verwachting van een aversieve OP onmiddellijk terugkeerden bij responsblokkering. Recent ontwikkelden De Houwer, Crombez en Baeyens (2005) ook een nieuw cognitief, op verwachtingen gebaseerd model van vermijdingsgedrag. Hoewel het model een cognitieve theorie is, slaat hij een hele andere weg in dan de cognitieve theorie van Seligman en Johnston (1973) en het 'integrated expectancy-based model' van Lovibond (2006). Het kernidee is immers dat vermijdingsgedrag niet functioneert als een geconditioneerde inhibitor in de relatie tussen de VP en de aversieve OP, maar als een negatieve occasion setter. Om de cognitieve theorie van De Houwer et al. (2005) grondig te begrijpen, is het noodzakelijk een goed zicht te hebben op wat occasion setting is en het onderzoek hieromtrent. Occasion Setting Een occasion setter is een stimulus of kenmerk (vb. een toon, een lichtje,...) dat in staat is de ambiguïteit van een andere stimulus, de doelstimulus, op te helderen. Een doelstimulus of VP is ambigue wanneer het soms wel en soms niet bekrachtigd wordt door een OP. Ross en Holland (1981) toonden aan dat een stimulus X niet altijd functioneert als een excitator, maar dat X in sommige gevallen eerder een andere excitatorische associatie mogelijk maakt. Ze vonden in een voedsel conditionering

20 14 experiment dat de wijze waarop een kenmerk X de voorwaardelijke respons beïnvloedt, afhankelijk is van hoe het in combinatie met een VP wordt aanboden. Indien een kenmerk X tegelijk wordt aangeboden met een tweede stimulus (A), die op zichzelf niet bekrachtigd wordt (i.e. XA+/A-), dan ontwikkelt kenmerk X een rechtstreekse excitatorische associatie met de OP. Kenmerk X verwerft daarentegen modulatorische eigenschappen indien het seriëel wordt aangeboden met stimulus A (i.e. X A+/A-). Rescorla (1985) slaagde erin via een aantal autoshaping experimenten eveneens evidentie aan te reiken voor negatieve modulatorische processen (i.e. X A-/A+). Hiermee werd de basis voor het onderzoek naar modulatorische mechanismen bij Pavloviaanse conditionering gelegd en toonden deze bevindingen aan dat er een onderscheid moest gemaakt worden tussen geconditioneerde excitatoren en inhibitoren en positieve en negatieve occasion setters op basis van de wijze waarop de voorwaardelijke respons beïnvloed wordt. Kenmerk-positieve en kenmerk-negatieve discriminatie. Binnen het onderzoek rond occasion setting maakt men een belangrijk onderscheid tussen kenmerk-positieve discriminatie (KP) en kenmerk-negatieve discriminatie (KN). Bij KP discriminatie wordt een VP gevolgd door een OP indien een andere stimulus X de VP voorafgaat (X VP+). Is stimulus X niet aanwezig, dan wordt de VP niet bekrachtigd (VP-). Bij KN discriminatie daarentegen wordt een VP niet bekrachtigd indien stimulus X de VP voorafgaat (X VP-). De OP volgt enkel op de VP indien stimulus X afwezig is (VP +). Stimulus X zal na KP discriminatietraining of KN discriminatietraining in staat zijn de voorwaardelijke respons op de VP te moduleren. Dit is de essentie van occasion setting. Een positieve occasion setter X zorgt ervoor dat de voorwaardelijke respons vaker wordt gesteld op een VP wanneer X aanwezig dan wanneer X afwezig is. Voor een negatieve occasion setter Y geldt het tegenovergestelde. Indien de VP door Y vergezeld wordt, dan zal de voorwaardelijke respons minder gesteld worden dan wanneer Y afwezig is. Unieke eigenschappen van negatieve occasion setters. Doorheen de jaren van onderzoek naar occasion setting is men erin geslaagd enkele unieke eigenschappen van occasion setters aan te tonen. Ten eerste zijn occasion setters ongevoelig voor

21 15 counterconditionering. In de beginjaren van het onderzoek werd veel aandacht besteed aan de rol van simpele excitatie en inhibitie bij occasion setting. Voor dit onderzoek werd beroep gedaan op procedures zoals het exciteren van een kenmerk voor occasion setting training en het exciteren of uitdoven van een kenmerk na occasion setting training (Schwartzentruber, 1995). Onder meer Rescorla (1986) slaagde erin aan te tonen dat het uitdoven van een kenmerk via niet-bekrachtigde trials na KP discriminatie training, geen effect had op de modulatorische eigenschappen van het kenmerk. Deze resultaten steunden de veronderstelling dat positieve occasion setting niet simpelweg het gevolg is van excitatie training en dat occasion setting niet afhankelijk is van de directe associatie tussen een kenmerk en een OP. Voor negatieve occasion setting werd eveneens aangetoond dat het onafhankelijk lijkt te zijn van een directe associatie tussen de occasion setter en de OP. Zo vond Holland (1984) bij KN discriminatie dat postexcitatie training de inhibitie eigenschappen van een geconditioneerde inhibitor verstoort, maar deze van een negatieve occasion setter vrijwel niet beïnvloedt. In het onderzoek kregen ratten ofwel samengestelde KN discriminatie training (XA-/A+) of seriële KN discriminatie training (X A-/A+). Na deze trainingsfase werd stimulus X geëxciteerd (X+ trials). In de testfase bleek dat bij samengestelde aanbieding van stimulus X en target A (XA) de excitatie een nefast effect had op de mate waarin X de geconditioneerde respons kon onderdrukken. Dit bleek uit het feit dat hoewel tijdens de leerfase de geconditioneerde respons zwakker was op XA trials dan op A trials, deze geconditioneerde respons sterker was op XA trials dan op A trials na de excitatie van X. Indien X echter seriëel werd aangeboden (X A) en dus getraind werd als occasion setter, dan bleek de counterconditionering van X geen effect te hebben op de mate waarin X de geconditioneerde respons moduleerde. Hoewel in de testfase de geconditioneerde respons sterk was op zowel de aanbieding van stimulus X en stimulus A alleen, was de geconditioneerde respons op X A trials nog steeds even zwak als in de leerfase. De directe associatie tussen een occasion setter X en de OP lijkt dus geen invloed te hebben op de modulatorische eigenschappen van X. Occasion setters zijn dus immuun voor counterconditionering. Een tweede unieke eigenschap betreft de selectieve transfer van de modulatorische eigenschappen van een occasion setter. Selectieve transfer betekent dat de eigenschappen van occasion setters beter transfereren naar VP's die ook occasion

22 16 setting training hebben ondergaan dan naar andere stimuli. Bonardi en Hall (1994) toonden deze selectieve transfer aan door te demonstreren dat de modulatorische eigenschappen van een occasion setter beter transfereerden naar stimuli die ook occasion setting training hadden ondergaan dan naar cues die eerst geconditioneerd en daarna uitgedoofd werden. In het onderzoek werden ratten getraind op twee occasion setting discriminaties (X Α+/Α, Y Β+/Β ). Tegelijk werd een derde stimulus, C, in een eerste fase van het onderzoek steeds bekrachtigd. In een tweede fase werd C echter niet meer bekrachtigd waardoor hij uitdoofde. Na de trainingsfases werd nagegaan in welke mate de modulatorische eigenschappen van X transfereerden naar stimulus B en C. De resultaten gaven duidelijk aan dat de transfer veel groter was naar stimulus B, welke eveneens occasion setting discriminatie had ondergaan, dan naar stimulus C. De selectieve transfer is echter onvolledig. Modulatie bij transfer blijkt zwakker dan bij de associatie tussen de oorspronkelijke VP en de OP. Onder meer Bonardi (1996) toonde in een onderzoek met duiven aan dat modulatie onvolledig transfereert. De dieren werden getraind op twee lichtjes (A en B) die dienden als VP's. Licht A werd bekrachtigd indien het voorafgegaan werd door een toon (X). Licht B werd bekrachtigd indien het voorafgegaan werd door een flikkerlicht (Y). Beide lichtjes werden niet bekrachtigd indien ze alleen werden aangeboden (i.e. A-/X Α+ en B-/ Y Β+). Nadat de dieren deze discriminaties geleerd hadden, volgde er een testfase. Er werd getest op drie types trials: 'gelijke' trials, 'verschillende' trials en 'alleen' trials. Op 'gelijke' trial werden stimulus A en B voorafgegaan door hun eigen occasion setter, respectievelijk kenmerk X en Y (i.e. X A, Y B). Op 'verschillende' trials werden stimulus A en B voorafgegaan door de verkeerde occasion setter (i.e. X B, Y A). Op 'alleen' trials tenslotte werden stimulus A en B zonder occasion setter aangeboden (i.e. A, B). Uit de resultaten bleek ten eerste dat er transfer optrad. De duiven stelden meer geconditioneerde responsen op 'verschillende' trials dan op 'alleen' trials. Ten tweede was deze transfer onvolledig. Er werden significant meer geconditioneerde responsen gesteld op 'gelijke' trials dan op 'verschillende' trials. Verkregen relationele gelijkheid. Wanneer stimuli tijdens een trainingsfase een gelijkaardig bekrachtigingsschema ondergaan, dan is de kans groot dat zij als meer

23 17 gelijk worden beschouwd dan voor de trainingsfase. Honey en Hall (1989) toonden dit aan in een onderzoek met ratten. Drie stimuli (A, B en C) werden in een eerste leerfase aan twee groepen ratten aangeboden. In de eerste groep werden stimulus A en B bekrachtigd maar stimulus C niet. In de tweede groep werden stimulus A en B niet bekrachtigd en werd stimulus C wel bekrachtigd. In een tweede leerfase werd stimulus B gepaard met een schok wat voor een onderdrukking van de geconditioneerde respons zorgde. In een afsluitende testfase werd de generalisatie van deze onderdrukking nagegaan. Zowel in de eerste als in de tweede groep bleek de generalisatie groter te zijn naar stimulus A dan naar stimulus C. Generalisatie was dus groter wanneer een stimulus dezelfde training had gekregen. Dit effect is gekend als 'acquired equivalence'. In een onderzoek van Honey en Watt (1998) met als doel evidentie te vinden voor ofwel een configurationele visie ofwel een occasion setting visie op discriminatieleren, maakten de onderzoekers gebruik van dit effect. In het experiment kregen ratten in een eerste trainingsfase vier verschillende auditieve stimuli aangeboden (A, B, C en D). De helft van de aanbiedingen van elke stimulus werd gevolgd door een visuele stimulus X, de andere helft door een visuele stimulus Y. Zo ontstonden er acht samengestelde stimuli waarvan er vier gevolgd werden door de aanbieding van voedsel (AX+, BX+, CY+ en DY+) en vier niet gevolgd werden door de aanbieding van voedsel (AY-, BY-, CX- en DX-). Een configurationele visie op discriminatieleren veronderstelt dat de discriminaties tussen welke combinatie van stimuli gevolgd wordt door voedsel en welke combinatie niet gevolgd wordt door voedsel, geleerd wordt doordat de combinatie van twee stimuli (vb. A en X) leidt tot het vormen van één representatie (AX). Deze representatie wordt dan geassocieerd met de gebeurtenis die erop volgt (i.e. OP of geen OP). Een occasion setting visie veronderstelt dat de discriminaties geleerd worden doordat één stimulus (vb. A) de associatie tussen twee andere stimuli (vb. X en OP) moduleert. In een tweede leerfase werden twee stimuli, A en C, geherconditioneerd. Stimulus A werd gepaard met een schok, stimulus C werd gepaard met geen gebeurtenis. In een afsluitende testfase werd gekeken in welke mate de onderdrukking van de geconditioneerde respons ten gevolge van paring van stimulus A met een schok generaliseerde naar stimulus B en D. Op basis van het 'acquired equivalence' effect veronderstelden Honey en Watt (1998) dat indien de configurationele visie correct was, er geen verschil zou zijn in generalisatie van deze onderdrukking bij stimulus B en D.

24 18 Dit omdat de configurationele representaties die stimulus B bevatten (BX en BY) en deze die stimulus D bevatten (DX en DY) even gelijkend waren op de representaties die stimulus A bevatten (AX en AY) en waarop onderdrukking werd verwacht (i.e. omwille van de paring van A met een schok). Indien een occasion setting visie correct was dan werd er wel een verschil in generalisatie van onderdrukking verwacht op basis van 'acquired equivalence'. Stimulus B is dan immers meer gelijkend aan stimulus A dan stimulus D is aan stimulus A omdat beide dezelfde associaties moduleerden. Zowel stimulus A als stimulus B moduleerden beide de X-OP en de Y-niet OP associaties. Stimulus D daarentegen moduleerde net de omgekeerde associaties, namelijk X-niet OP en Y-OP. Uit de resultaten bleek dat er differentiatie was in de mate van generalisatie van onderdrukking. De generalisatie was veel meer uitgesproken tussen stimulus A en B dan tussen stimulus A en D. Deze resultaten boden steun voor een occasion setting visie op discriminatieleren en suggereerden dat stimuli meer gelijkend worden wanneer ze dezelfde associaties moduleren. Dit proces heet 'acquired relational equivalence'. De resultaten tonen eveneens aan dat er generalisatie van functie optreedt tussen occasion setters. Stimulus A verwierf immers in de tweede leerfase een tweede functie bovenop zijn modulatorische functie, namelijk het voorspellen van een tweede, aversieve OP. Deze tweede functie generaliseerde gedeeltelijk naar een andere occasion setter die dezelfde associaties activeerde. Deze bevinding is belangrijk en nuttig met oog op het verifiëeren van de theoretische verklaring van vermijdingsgedrag die stelt dat vermijdingsgedrag mogelijks functioneert als een negatieve occasion setter (De Houwer et al., 2005). Vermijdingsgedrag als Occasion Setter Recent ontwikkelden De Houwer et al. (2005) dus een nieuw cognitief, op verwachtingen gebaseerd model van vermijdingsgedrag. De onderzoekers stellen dat vermijdingsgedrag op zijn minst op sommige momenten kan functioneren als een negatieve occasion setter. Op structureel niveau is er immers een grote overeenkomst tussen vermijdingsleren en negatieve occasion setting. Beide omvatten een kenmerknegatieve discriminatie waarbij een VP enkel gevolgd wordt door een OP indien hij niet vergezeld wordt van een kenmerk X (i.e. X VP-/VP+). Het enige verschil is dat bij

25 19 vermijdingsleren het kenmerk X een gedrag is en bij negatieve occasion setting een stimulus. Op functioneel niveau geeft een negatieve occasion setter X aan dat een VP enkel gevolgd wordt door een OP indien X afwezig is. Is X aanwezig, dan wordt de VP immers niet gevolgd door de OP. Indien vermijdingsgedrag effectief als negatieve occasion setter kan functioneren, dan betekent dit dat er geleerd wordt dat vermijdingsgedrag de relatie bepaalt tussen een VP en een aversieve OP. Aangezien de OP aversief is en het stellen van vermijdingsgedrag de aversieve OP voorkomt, zal het vermijdingsgedrag gesteld worden. Daar waar vermijdingsgedrag als geconditioneerde inhibitor (zoals bijvoorbeeld voorgesteld door de theorie van Lovibond) de angstreactie uitgelokt door de VP of door de verwachtingen die men heeft over de relatie tussen de VP en de aversieve OP direct gaat onderdrukken, doet vermijdingsgedrag dat functioneert als een negatieve occasion setter dit door de sterkte van de associatie tussen de VP en de aversieve OP te moduleren (Lovibond, 2006). De nadruk ligt dus vooral op de VP-OP relatie en niet op de vermijdingsgedrag-op relatie. Vermijdingsgedrag verwerft hier dus een signaalfunctie die aangeeft dat er geen aversieve OP zal volgen op de VP terwijl een geconditioneerde inhibitor eerder rechtstreeks de aversieve OP voorkomt. Evidentie voor vermijdingsgedrag als negatieve occasion setter. Om te kunnen bewijzen dat vermijdingsgedrag kan functioneren als een negatieve occasion setter moet men enerzijds kunnen aantonen dat vermijdingsgedrag net als een negatieve occasion setter in staat is de voorwaardelijke respons te beïnvloeden en dus getrainde modulatie vertoont. Anderzijds moet ook aangetoond worden dat vermijdingsgedrag de twee unieke kenmerken van occasion setters bezit, zijnde resistentie tegen counterconditionering en selectieve transfer. De Houwer et al. (2005) onderzochten dit bij mensen aan de hand van een experimenteel opzet bestaande uit drie leerfases en één testfase. Het opzet van het experiment is weergegeven in Tabel 1. In een eerste leerfase werden twee Sd s, A en B, op elke trial gevolgd door een OP (i.e. A+ en B+ trials). Een derde stimulus, C, werd maar op de helft van de trials gevolgd door de OP (i.e. C+ en C- trials). In een tweede leerfase werden de Sd s A en B opnieuw aangeboden. Nu hadden de participanten echter de mogelijkheid een gedrag te stellen om de aanbieding

26 20 van de OP te vermijden. Na de aanbieding van stimulus A was toets R1 beschikbaar. Als deze toets werd ingedrukt, dan werd de OP vermeden (i.e. A R1- trials). Na de presentatie van stimulus B was toets R2 beschikbaar. Ook hier betekende het indrukken van de toets het uitblijven van de aanbieding van de OP (i.e. B R2- trials). De mogelijkheid tot het stellen van vermijdingsgedrag zorgde ervoor dat getrainde modulatie kon worden nagegaan. Indien vermijdingsgedrag getrainde modulatie zou vertonen dan impliceerde dit dat respons R1 bij stimulus A en respons R2 bij stimulus B ervoor zou zorgen dat participanten het minder waarschijnlijk achtten dat de OP zou worden aangeboden ten opzichte van situaties waarop stimulus A en B zonder respectievelijk respons R1 en R2 aangeboden werden. De aanbieding van stimulus C was gelijk aan deze in de eerste leerfase. De aanbieding van stimulus C had tot doel selectieve transfer na te gaan. Stimuli A en B hadden in tegenstelling tot stimulus C al occasion setting discriminatie ondergaan in de tweede leerfase. Indien de vermijdingsresponsen functioneren als een negatieve occasion setter, dan werd enerzijds verwacht dat vermijdingsgedrag R1 de geconditioneerde respons op stimulus B (die ook in occasion setting training betrokken is) in hogere mate zou moduleren dan de geconditioneerde respons op stimulus C (die niet in een occasion setting training betrokken is). Anderzijds werd verwacht dat vermijdingsgedrag R2 de geconditioneerde respons op stimulus A in hogere mate zou moduleren dan de geconditioneerde respons op stimulus C. Tevens werd nagegaan of deze selectieve transfer van modulatie onvolledig was. Indien dit het geval was dan werd verwacht dat vermijdingsgedrag R1 de geconditioneerde respons op stimulus B in mindere mate zou moduleren dan de geconditioneerde respons op stimulus A en dat vermijdingsgedrag R2 de geconditioneerde respons op stimulus A in mindere mate zou moduleren dan de geconditioneerde respons op stimulus B. In een derde en laatste leerfase werden alle types van trials uit de eerste twee leerfases opnieuw aangeboden en waren er counterconditionering trials waarbij de participanten verplicht werden om R1 in te drukken. Hierna volgde dan consequent de aanbieding van de OP (i.e., R1+ trials). Deze trials zorgden er immers voor dat respons R1 een directe excitatorische relatie ontwikkelde met de OP. Indien respons R1 zou functioneren als een negatieve occasion setter, dan zou deze directe associatie geen effect gehad mogen hebben op de modulatorische eigenschappen van respons R1. In de afsluitende testfase, werden 11

27 21 situaties beschreven die verband hielden met wat geleerd werd in de leerfases. Participanten moesten op een schaal van 0 (zeer onwaarschijnlijk) tot 100 (zeer waarschijnlijk) aangeven hoe waarschijnlijk zij het achtten dat de OP zou aangeboden worden. Tabel 1. Het experimenteel opzet van de studie van De Houwer et al. (2005). Leerfase 1 Leerfase 2 Leerfase 3 Testfase A-OP A-R1-OPafw A-OP A? B-OP B-R2-OPafw B-OP B? C-OP C-OP A-R1-OPafw C? C-OPafw C-OPafw B-R2-OPafw AR1? C-OP BR1? C-OPafw CR1? R1-OP AR2? BR2? CR2? R1? R2? Aan de hand van de ratings uit de testfase was het voor De Houwer et al. (2005) mogelijk getrainde modulatie, resistentie tegen counterconditionering en onvolledige, selectieve transfer na te gaan bij vermijdingsgedrag. Als eerste werd gekeken naar getrainde modulatie. De resultaten toonden aan dat de verwachtingen dat de OP aanwezig zou zijn in situaties waarbij stimulus A gevolgd werd door vermijdingsgedrag R1 en situaties waarbij stimulus B gevolgd werd door vermijdingsgedrag R2 significant lager lagen dan situaties waarbij stimulus A en B niet gevolgd werden door het respectievelijke vermijdingsgedrag. Er werd dus getrainde modulatie gevonden. Vervolgens werd nagegaan of deze getrainde modulatie resistent was tegen counterconditionering. Er werd in de resultaten geen significant verschil gevonden tussen het verschil in verwachting van aanbieding van de OP na A+ en A R1- trials en het verschil na B+ en B R2- trials. Ondanks de directe excitatorische associatie die werd aangebracht tussen respons R1 en de OP (i.e. de R1+ trials in de derde

28 22 leerfase) werd er dus geen significant verschil gevonden in de modulatie van de twee vermijdingsresponsen. Dit resultaat toont aan dat de getrainde modulatie resistentie vertoonde tegen counterconditionering. Als laatste werd onvolledige, selectieve transfer van modulatie nagegaan. Dat er transfer optrad bleek uit het feit dat de verwachting dat de OP aanwezig zou zijn in situaties waarbij stimulus A gevolgd werd door vermijdingsgedrag R2 en situaties waarbij stimulus B gevolgd werd door vermijdingsgedrag R1 significant lager lagen dan situaties waarbij stimulus A en B niet gevolgd werden door het vermijdingsgedrag. Aangezien deze verwachting toch significant groter was dan de OP verwachting bekomen bij het nagaan van getrainde modulatie, werd aangetoond dat de transfer onvolledig was. De selectiviteit van de transfer bleek uit het feit dat een relatieve index, berekend voor de transfer van modulatie van vermijdingresponsen R1 en R2 naar stimulus C significant lager was dan dezelfde index voor de transfer van vermijdingsresponsen R1 en R2 naar respectievelijk stimulus B en A. Experiment 1 Het doel van deze scriptie was extra evidentie te vergaren ter ondersteuning van de theorie van De Houwer et al. (2005) over vermijdingsgedrag. In een eerste experiment werd dit gedaan door te kijken of vermijdingsgedrag een door empirisch onderzoek vastgestelde eigenschap van occasion setters vertoonde. In het basisartikel (De Houwer et al., 2005) slaagden de auteurs er reeds in aan te tonen dat vermijdingsgedrag een associatie tussen twee stimuli kan moduleren. Ook bleek dat vermijdingsgedrag de twee unieke kenmerken van occasion setters vertoonde, namelijk resistentie tegen counterconditionering en selectieve transfer van modulatie. Voor de huidige scriptie werd beroep gedaan op de bevinding dat de mate van generalisatie groter is tussen stimuli die dezelfde associaties activeren dan tussen stimuli die andere associaties activeren (Honey & Watt, 1998). In een eerste experiment werden twee verschillende waarschuwingssignalen A en B in een eerste leerfase consequent gevolgd door de OP. In een tweede leerfase kon de OP na waarschuwingssignaal A vermeden worden door vermijdingsgedrag R1 te stellen. Na waarschuwingssignaal B was de OP afwezig wanneer de stimulus occasion

29 23 setter S aanwezig was. Verder werd in de tweede leerfase een gedrag R2 consequent gevolgd door het uitblijven van de OP wat ervoor zorgde dat R2 functioneerde als een geconditioneerde inhibitor. Ook werd een gedrag R3 steeds gevolgd door de aanbieding van de aversieve OP zodat R3 functioneerde als een geconditioneerde excitator. In een derde en laatste leerfase verwierf de negatieve occasion setter stimulus S een tweede functie, namelijk het signaleren van een tweede aversieve OP. In een afsluitende testfase op computer werd nagegaan in welke mate proefpersonen de relaties tussen de responsen en stimuli geleerd hadden. In een andere afsluitende testfase op antwoordformulieren werd nagegaan in welke mate de nieuwe functie van S generaliseerde naar de gedragingen R1, R2 en R3. Tabel 2 bevat een overzicht van het opzet. Op basis van Honey en Watt (1998), welke aantoonden dat er grotere generalisatie plaatsvindt tussen stimuli die dezelfde associaties activeren dan tussen stimuli die andere associaties activeren, werd verwacht dat indien vermijdingsgedrag R1 als een negatieve occasion setter functioneerde, de generalisatie van S naar R1 het grootst zou zijn. De negatieve occasion setter S en het vermijdingsgedrag R1 activeren immers beide een VP-OP associatie in tegenstelling tot de geconditioneerde inhibitor R2 en geconditioneerde excitator R3. R2 en R3 activeren enkel de representatie van de OP. Tabel 2. Het experimenteel opzet van Experiment 1. Fase 1 Fase 2 Fase 3 Testfase1 Testfase2 A-OP1 B-OP1 A-OP1 B-OP1 A-R1-OP1afw S:B-OP1afw R2-OP1afw R3-OP1 S-OP2 R1-OP2? R2-OP2? R3-OP2? A? B? AR1? S:B? R2? R3? Methode Steekproef. Dertig participanten namen deel aan het onderzoek in ruil voor een financiële vergoeding van 4 plus een variabel bedrag tot maximaal 4. Allen hadden

30 24 een normaal of gecorrigeerd zicht en een goed gehoor. Allen konden manueel antwoorden. Stimuli en materiaal. Het experiment werd in Inquisit 2.0 geprogrammeerd en werd op een Acer laptop afgenomen. De VP's in de eerste twee leerfases van het experiment waren twee nonsens tekens A en B. De OP in de eerste twee leerfases van het experiment was een rode X die vergezeld werd door tien tonen van afnemende frequentie van elk 100 ms. De OP ging gepaard met geldverlies. De aanbieding van witte ruis diende als OP in de derde leerfase van het experiment. Hiermee ging geen geldverlies gepaard. De toon S diende in de tweede leerfase van het experiment als negatieve occasion setter. De stimuli werden in het midden van het scherm in een wit kader van 20 cm 13 cm aangeboden. Bovenin dit kader werd een tweede kader gemaakt van 9 cm 1,5 cm. Hierin werd informatie aangeboden over de mogelijkheid tot het maken van een respons. Een derde kader van 5 cm 1,5 cm werd onderaan het basiskader getekend. Hierin verscheen een blauw, groen of geel horizontaal balkje ( cm) nadat de participant een valide respons had gegeven. Dit balkje diende als responsbevestiging. Een vermijdingsrespons kon gesteld worden via drie toetsen op het klavier van de computer, namelijk toetsen D, K en B. Elke toets ging gepaard met een bepaalde kleur (geel, groen en blauw). In de twee afsluitende testfases werd enerzijds gebruik gemaakt van drie antwoordformulieren, één voor respectievelijk toets D, K en B. Particpanten moesten op een VAS schaal aangeven in welke mate ze de witte ruis (dus OP2) verwachten na het indrukken van de blauwe, groene en gele toets. Anderzijds moesten de participanten op computer waarschijnlijkheidsoordelen en zekerheidsoordelen geven op een schaal van 0 (zeer onwaarschijnlijk/zeer onzeker) tot 100 (zeer waarschijnlijk/zeer zeker) en dit gebeurde via de cijfers op het toetsenbord. Procedure. Proefpersonen namen individueel deel aan het experiment na het tekenen van het informed consent. Het onderzoek gebeurde op computer. Het experiment begon met het aanbieden van de instructies. Deze werden grondig gelezen en samen met de proefleider overlopen alvorens te starten. Proefpersonen werden

31 25 verteld dat ze een beginkrediet kregen van 8 en iedere keer een rode X op het scherm verscheen er 0.25 van dit krediet zou afgaan. Het was dus de bedoeling om de rode X zo veel mogelijk te vermijden. Dit kon door gebruik te maken van bepaalde toetsen. De respons (i.e. het drukken op een bepaalde toets) werd over participanten gecontrabalanceerd. Proefpersonen werden ook soms verplicht om een bepaalde toets in te drukken. Ten slotte werd de proefpersonen meegedeeld dat op het einde van het experiment een testfase plaats zou vinden waarin ze moesten aangeven wat ze geleerd hadden over de verschillende toetsen en over de omstandigheden waaronder de rode X al dan niet werd aangeboden. Na het lezen van de instructies maakten de participanten eerst een aantal proeftrials samen met de proefleider. In deze proeftrials werden geen stimuli aangeboden en de enige mogelijke respons was de spatiebalk. De eerste leerfase bevatte vier trials waarop stimulus A en de OP gepaard gingen (A+ trials) en vier trials waarop stimulus B en de OP gepaard gingen (B+ trials). Welk nonsens teken gekoppeld was aan stimulus A of B was gecontrabalanceerd. Op alle trials verscheen de VP 1,500 ms na het verschijnen van de kader in het midden van het scherm en bleef gedurende 2,000 ms staan. De OP kwam 3,000 ms na het verdwijnen van de VP op het scherm en bleef daar gedurende 1,500 ms. Tegelijk met de aanbieding van de OP werden tien tonen van afnemende frequentie van 100 ms elk aangeboden. Deze tonen werden toegevoegd opdat de participanten zich maximaal bewust zouden zijn van de aanwezigheid van de OP. Het intertrial interval bedroeg 5,000 ms en de trials werden voor elke participant at random aangeboden. In deze eerste leerfase was geen respons mogelijk. De tweede leerfase bestond uit 20 trials. Er waren twee trials waarop stimulus A en de OP gepaard gingen (A+ trials) en twee trials waarop stimulus B en de OP gepaard gingen (B+ trials). Deze trials waren identiek aan de trials uit de eerste leerfase. Verder waren er vier trials waarop stimulus A aangeboden werd en toets R1 beschikbaar was (AR1- trials). Op vier andere trials verscheen stimulus B met de negatieve occasion setter (S:B- trials). De negatieve occasion setter was de toon S. Op de acht resterende trials moesten de participanten op vier ervan op toets R2 drukken waarop de OP afwezig was (R2- trials). Op de vier andere trials moest op toets R3 gedrukt worden waarop de OP aanwezig was (R3+ trials). Welke toetsen (i.e. de gele, groene of blauwe) overeenkwamen met R1, R2 en R3 was gecontrabalanceerd. In tegenstelling tot in de

32 26 eerste fase kon op sommige trials waarop stimulus A verscheen dus een vermijdingsgedrag gesteld worden. Onmiddellijk na de aanbieding van stimulus A verscheen dan de boodschap De [kleur van R1] toets is beschikbaar en bleef staan voor 2,000 ms. Indien de toets gedurende deze periode werd ingedrukt dan verscheen onderaan in het kleine kader voor 1,000 ms een balkje in de overeenkomstige kleur van de toets en eindigde de trial zonder aanbieding van de OP (er verscheen toen de boodschap: krediet ongewijzigd; net zoals bij de aanbieding van de OP de boodschap: je verliest 0.25 eurocent op het scherm kwam). Wanneer de toets niet, of te laat werd ingedrukt, of wanneer een verkeerde toets werd ingedrukt, dan verscheen het balkje niet en eindigde de trial zoals in de eerste leerfase met de aanbieding van de OP. Vier van de trials waarop stimulus B aangeboden werd, verschilden van deze in de eerste leerfase omdat na de aanbieding van de stimulus een toon van 500 ms (i.e. toon S) aangeboden werd. Deze toon fungeerde als een negatieve occasion setter en signaleerde de komende afwezigheid van de OP. De trial eindigde dan ook zonder het aanbieden van de OP. Op de overige acht trials waarop stimulus A en B niet werden aangeboden, waren er vier waarop de boodschap Druk op de [kleur van R2] toets verscheen. Op de overige vier trials verscheen de boodschap Druk op de [kleur van R3] toets. De boodschap bleef op het scherm staan tot de correcte toets werd ingedrukt. Wanneer de correcte toets dan werd ingedrukt, verscheen onderaan in het kleine kader gedurende 1,000 ms de responsbevestiging in de overeenkomstige kleur van de toets. De trial eindigde dan zoals een OP afwezige trial voor de R2- trials en als een OP aanwezige trial voor de R3+ trials. In de derde leerfase verwierf de negatieve occasion setter een signaalfunctie. Er werden vier trials aangeboden waarop de toon S na 1,500 ms voor 500 ms werd aangeboden. Na 3,000 ms volgde dan de aanbieding van ruis (witte ruis die aan 85 db werd aangeboden). Na de drie leerfases volgde een eerste testfase. De proefpersonen kregen drie antwoordformulieren, één voor respectievelijk de gele, groene en blauwe toets. Participanten werd gevraagd om op een lijn van 100 mm met links het label zeer onwaarschijnlijk en rechts het label zeer waarschijnlijk aan te geven hoe waarschijnlijk het hen leek dat respectievelijk R1, R2 en R3 gevolgd zouden worden door de witte ruis uit de derde leerfase. Voor elke respons stond bovenaan de

33 27 beschrijving Hoe waarschijnlijk is het dat de witte ruis komt nadat je op de [kleur van een toets] hebt gedrukt?. Na de eerste testfase volgde de tweede testfase. Deze was opnieuw op computer. Instructies verschenen op het scherm met uitleg over de tweede testfase. Participanten moesten op een schaal van 0 (zeer onwaarschijnlijk) tot 100 (zeer waarschijnlijk) aangeven hoe waarschijnlijk zij het achtten dat de rode X zou verschijnen na een bepaalde beschreven situatie. Er werd geen feedback gegeven over de correctheid van het antwoord. Na het ingeven van hun oordeel werd de participanten gevraagd aan te geven hoe zeker ze waren van hun gegeven antwoord. Dit gebeurde op een schaal van 0 (zeer onzeker) tot 100 (zeer zeker). Elke participant kreeg zes situaties aangeboden. Voor elke situatie verscheen bovenaan een beschrijving. Indien enkel een stimulus aanwezig was in de situatie dan luidde de beschrijving Als je [het symbool A of B] ziet en je drukt geen toets in, hoe waarschijnlijk is het dan dat er een rode X volgt?. Als er enkel een respons aanwezig was, luidde de beschrijving Als er geen vorm wordt aangeboden en je de [kleur van een toets] toets indrukt, hoe waarschijnlijk is het dan dat er een rode X volgt?. Indien zowel een stimulus als een respons aanwezig waren, luidde de beschrijving Als je [het symbool A of B] ziet en je drukt de [kleur van een toets] toets in, hoe waarschijnlijk is het dan dat er een rode X volgt?. Als een stimulus en de toon S aanwezig was, dan luidde de beschrijving Als je [het symbool A of B] ziet en je hoort de toon, hoe waarschijnlijk is het dan dat er een rode X volgt?. De beschrijving en schaal verdwenen nadat de participanten hun oordeel hadden ingegeven. De volgende beschrijving startte 500 ms later. De volgorde van de situaties werd at random bepaald per participant. Resultaten Het onderzoek bevatte één binnen-subject factor (respons) met drie niveaus (vermijdingsgedrag R1, geconditioneerde inhibitor R2 en geconditioneerde excitator R3). Elke participant had één waarschijnlijkheidsscore per niveau van de factor respons. Deze waarschijnlijkheidsscores kwamen overeen met de mate waarin de participanten verwachtten dat de witte ruis na respectievelijk respons R1, R2 en R3 kwam. Een multivariate repeated measures ANOVA werd uitgevoerd. Hierna werden eveneens

34 28 geplande vergelijkingen tussen de drie niveaus van de factor uitgevoerd. Voor alle analyses werd het significantieniveau van alfa op.05 gezet. De repeated measures ANOVA toonde geen significant effect van de factor respons aan, F(2, 28) = 1.36, p =.27. Dit betekent dat de witte ruis niet significant méér verwacht werd na één van de drie responsen. Gemiddelden en standaarddeviaties zijn terug te vinden in Tabel 3. Om de resultaten nader te analyseren werden geplande vergelijkingen uitgevoerd tussen de drie niveaus van de factor respons. De eerste geplande vergelijking tussen vermijdingsgedrag R1 en de geconditioneerde inhibitor R2 was niet significant, F < 1. Er werd dus niet meer ruis verwacht na R2 dan na R1. De tweede geplande vergelijking tussen de geconditioneerde inhibitor R2 en de geconditioneerde excitator R3 was eveneens niet significant, F(2, 28) = 1.52, p =.23. Er werd dus niet meer ruis verwacht na R3 dan na R2. De derde en laatste geplande vergelijking tussen het vermijdingsgedrag R1 en de geconditioneerde excitator R3 was ook niet significant, F(2, 28) = 2.75, p =.11. Er was dus ook geen verschil in de mate waarin de witte ruis werd verwacht na R1 en R3. Algemeen kan dus gesteld worden dat geen van de drie respons types een grotere verwachting van witte ruis opwekte. Tabel 3. De gemiddelde verwachting van de witte ruis afhankelijk van type respons in Experiment 1. Gemiddelde Standaarddeviatie Vermijdingsgedrag R Geconditioneerde inhibitor R Geconditioneerde excitator R De ratings van de tweede testfase werden ook geanalyseerd. Elke participant kreeg zes experimentele situaties voorgelegd en moest voor elk één waarschijnlijkheidsoordeel en één zekerheidsoordeel geven. De ratings zijn weergegeven in Tabel 4. Om na te gaan of de negatieve occasion setter en het vermijdingsgedrag getrainde modulatie vertoonden, werd een modulatie index berekend. Deze bestaat uit het gemiddelde van het verschil tussen de verwachting van de OP op A en AR1- trials (i.e. trials waarop geen (A+) en trials waarop wel (AR1-) vermijdingsgedrag gesteld wordt) en de verwachting van de OP op B en S:B- trials (i.e.

35 29 trials waarop er geen (B+) en trials waarop er wel (S:B-) een negatieve occasion setter wordt aangeboden). De index wordt dan mathematisch weergegeven door de volgende formule: [(A-AR1) + (B-S:B)]/2. Een enkelvoudige sample t-test toonde aan dat de modulatie index significant groter was dan nul, M = 53.17, SD = 32.4, t(29) = 8.99, p < Dit betekent dat de negatieve occasion setter en het vermijdingsgedrag in staat waren de associatie tussen een VP en een OP te moduleren. Om na te gaan of de participanten effectief de aangeboden relaties tussen stimuli en responsen geleerd hadden, werden de ratings verder geanalyseerd. Voor de waarschijnlijkheidsoordelen werden criteria van 15 procent en 85 procent gebruikt (dus wanneer de contingentie perfect was, werden alle beoordelingen tussen 85 en 100 als correct beschouwd). Uit de analyse bleek dat volgens deze criteria er slecht vier proefpersonen waren die de zes relaties tussen de aangeboden stimuli in het experiment geleerd hadden. Tabel 4. De gemiddelde verwachting van de rode X voor de 6 verschillende situaties uit testfase 2 in Experiment 1. Testfase 2 Gemiddelde Standaarddeviatie A? B? AR1? S:B? R2? R3? Bespreking De getrainde modulatie index toonde aan dat de toon S en de respons R1 in staat waren de associatie tussen een VP en een OP te moduleren. De resultaten van het experiment zijn echter duidelijk. Noch de omnibus test, noch de verschillende geplande vergelijkingen geven significante resultaten weer. Dit betekent dat de witte ruis niet significant méér verwacht werd na één van de drie responsen. Dit gaat in tegen de hypothese die stelde dat de witte ruis meer zou verwacht worden na het

36 30 vermijdingsgedrag. De resultaten suggereren dat er geen generalisatie optreedt van een tweede verworven functie van een negatieve occasion setter naar vermijdingsgedrag. Dit staat in schril contrast met de verwachting dat, indien vermijdingsgedrag functioneert als een negatieve occasion setter, er ten eerste generalisatie zou optreden van deze tweede verworven functie en ten tweede dat deze generalisatie groter zou zijn naar vermijdingsgedrag dan naar andere responsen (R2 en R3). De analyse van de ratings op de zes voorgelegde experimentele situaties uit de tweede testfase van het experiment toonden echter aan dat het voorbarig is sterke conclusies te trekken op basis van het huidige experiment. Op basis van een 15 procent en een 85 procent criteria slaagden slechts vier proefpersonen erin de zes relaties tussen de aangeboden stimuli te leren. Gezien het extreem lage percentage participanten dat effectief de cruciale relaties had geleerd, kan dus niet besloten worden dat er effectief geen generalisatie optreedt van een tweede verworven functie van een negatieve occasion setter naar een vermijdingsgedrag. Experiment 2 Doordat in het eerste experiment een zeer groot percentage proefpersonen er niet in slaagde de cruciale relaties tussen de stimuli en responsen te leren, werd een tweede experiment ontworpen. Dit experiment had hetzelfde design als Experiment 1, maar er werd gebruik gemaakt van een leercriterium (zie ook Declercq & De Houwer, in press a). Hierbij moesten participanten na iedere leerfase de situaties uit die leerfase beoordelen. Afhankelijk van hun prestatie op deze ratingfase besloot de proefleider of de participant de volgende leerfase kon doolopen of eerst de vorige leerfase opnieuw moest doorlopen. De bedoeling van dit leercriterium was om participanten enerzijds meer te motiveren en anderzijds er voor te zorgen dat de basiscontingenties effectief geleerd werden. Methode Steekproef. Dertig participanten namen deel aan het onderzoek in ruil voor een

37 31 financiële vergoeding van 4 plus een variabel bedrag tot maximaal 4. Allen hadden een normaal of gecorrigeerd zicht en een goed gehoor. Allen konden manueel antwoorden. De participanten hadden niet deelgenomen aan het vorige experiment. Stimuli en materiaal. Het experiment werd in Affect 4.0 geprogrammeerd en werd op een Acer laptop afgenomen. In het tweede experiment waren de VP's in de eerste twee leerfases twee geometrische figuren: een vierkant en een driehoek.voor het overige waren de stimuli en het materiaal gelijk aan dit in Experiment 1. Procedure. Het overlopen van de instructies en het maken van oefentrials gebeurde op identieke wijze als in Experiment 1. Het enige verschil was dat de proefpersonen werd medegedeeld dat ook na de eerste twee leerfases een testfase volgde en dat indien de vragen in deze twee testfases niet correct beantwoord werden de voorafgaande leerfase opnieuw moest doorlopen worden. De eerste leerfase van het onderzoek was gelijk aan deze uit Experiment 1. Na deze eerste leerfase volgde de eerste testfase. Instructies verschenen op het scherm met uitleg over de eerste testfase. Participanten moesten op een schaal van 0 (zeer onwaarschijnlijk) tot 100 (zeer waarschijnlijk) aangeven hoe waarschijnlijk zij het achtten dat de de rode X zou verschijnen na een bepaalde beschreven situatie. Er werden twee situaties aangeboden en er werd feedback gegeven door de proefleider over de correctheid van het antwoord. Voor elke situatie verscheen bovenaan het scherm een beschrijving. Deze luidde als volgt: Als je [de geometrische figuur vierkant of driehoek] ziet en je drukt geen toets in, hoe waarschijnlijk is het dan dat er een rode X volgt?. De beschrijving en schaal verdwenen nadat de participanten hun oordeel hadden ingegeven. De volgende beschrijving startte 500 ms later. De volgorde van de situaties werd at random bepaald per participant. Indien de participanten beide situaties niet correct beoordeelden dan moesten zij de eerste leerfase opnieuw doorlopen. De tweede leerfase was identiek aan deze uit het eerste experiment. Na de tweede leerfase volgde de tweede testfase. Instructies verschenen op het scherm met uitleg over de tweede testfase. Participanten moesten opnieuw op een schaal van 0 (zeer onwaarschijnlijk) tot 100 (zeer waarschijnlijk) aangeven hoe waarschijnlijk zij het achtten dat de rode X zou verschijnen na een bepaalde beschreven situatie. Ditmaal

38 32 werden er zes situaties beschreven en werd er weer feedback gegeven door de proefleider over de correctheid van het antwoord. Voor elke situatie verscheen bovenaan het scherm een beschrijving. Indien enkel een stimulus aanwezig was in de situatie dan luidde de beschrijving Als er een [de geometrische figuur vierkant of driehoek] verschijnt en je hoort geen geluid en je drukt geen toets in, hoe waarschijnlijk is het dan dat er een rode X volgt?. Als er enkel een respons aanwezig was, luidde de beschrijving Als er geen vorm verschijnt en je drukt op de [kleur van een toets] toets, hoe waarschijnlijk is het dan dat er een rode X volgt?. Indien zowel een stimulus als een respons aanwezig waren, luidde de beschrijving Als er een [de geometrische figuur vierkant of driehoek] verschijnt en je drukt op de [kleur van een toets] toets, hoe waarschijnlijk is het dan dat er een rode X volgt?. Als een stimulus en de toon S aanwezig waren, dan luidde de beschrijving Als er een [de geometrische figuur vierkant of driehoek] verschijnt en je hoort het geluid, hoe waarschijnlijk is het dan dat er een rode X volgt?. De beschrijving en schaal verdwenen nadat de participanten hun oordeel hadden ingegeven. De volgende beschrijving startte 500 ms later. De volgorde van de situaties werd at random bepaald per participant. Indien de participanten de zes situaties niet correct beoordeelden dan moesten zij de tweede leerfase opnieuw doorlopen. De derde leerfase was opnieuw identiek aan deze uit Experiment 1. Na de derde leerfase volgden nog twee afsluitende testfases (de derde en de vierde testfase). De derde testfase op drie antwoordformulieren was gelijk aan de afsluitende testfase op antwoordformulieren in Experiment 1. Na de derde testfase volgde de vierde en laatste testfase. Deze was opnieuw op de computer. Instructies verschenen op het scherm met uitleg over de vierde testfase. Participanten moesten op een schaal van 0 (zeer onwaarschijnlijk) tot 100 (zeer waarschijnlijk) aangeven hoe waarschijnlijk zij het achtten dat de rode X zou verschijnen na een bepaalde beschreven situatie. Er werd ditmaal geen feedback gegeven over de correctheid van het antwoord. Elke participant kreeg 14 situaties beschreven. Zes van de situaties beschreven werkelijk aangeboden relaties tussen responsen en stimuli in het experiment. Voor deze ratings werd opnieuw gebruik gemaakt van een 15 procent en 85 procent criteria. De overige acht situaties beschreven fictieve situaties. Deze beschrijvingen hadden geen correct antwoord. Voor elke situatie verscheen bovenaan het scherm een beschrijving. De zes reële situaties

39 33 waren gelijk aan deze uit de tweede testfase. De fictieve situaties peilden naar hypothetische relaties tussen responsen en stimuli. Indien er enkel een respons aanwezig was in de beschrijving, dan luidde deze Als er geen vorm verschijnt en je drukt op de [kleur van de toets die nooit zonder stimulus moest ingedrukt worden] toets, hoe waarschijnlijk is het dan dat er een rode X volgt?. Indien zowel een stimulus als een respons aanwezig waren, luidde de beschrijving Als er een [de geometrische figuur vierkant of driehoek] verschijnt en je drukt op de [kleur van een toets die niet als vermijdingsgedrag functioneerde] toets, hoe waarschijnlijk is het dan dat er een rode X volgt?. Als een stimulus en de toon S aanwezig waren, dan luidde de beschrijving Als er een [de geometrische figuur vierkant of driehoek die niet in combinatie met toon S aangeboden werd] verschijnt en je hoort het geluid, hoe waarschijnlijk is het dan dat er een rode X volgt?. Indien enkel de toon S aanwezig was, dan was de beschrijving Als er geen vorm verschijnt en je hoort het geluid, hoe waarschijnlijk is het dan dat de rode X komt? De beschrijving en schaal verdwenen nadat de participanten hun oordeel hadden ingegeven. De volgende beschrijving startte 500 ms later. De volgorde van de situaties werd at random bepaald per participant. Resultaten Het onderzoek bevatte één binnen-subject factor (respons) met drie niveaus (vermijdingsgedrag R1, geconditioneerde inhibitor R2 en geconditioneerde excitator R3). Elke participant had één waarschijnlijkheidsscores per niveau van de factor respons. Deze waarschijnlijkheidsscores kwamen overeen met de mate waarin de participanten verwachtten dat de witte ruis na respectievelijk respons R1, R2 en R3 kwam. Een multivariate repeated measures ANOVA werd uitgevoerd. Hierna werden eveneens geplande vergelijkingen tussen de drie niveaus van de factor uitgevoerd. Voor alle analyses werd het significantieniveau van alfa op.05 gezet. De repeated measures ANOVA toonde een significant effect van de factor respons aan, F(2, 28) = 10.43, p <.001. Dit betekent dat er een verschil was in de mate waarin de witte ruis verwacht werd na de verschillende responsen. Gemiddelden en standaarddeviaties zijn terug te vinden in Tabel 5. Om de resultaten nader te analyseren werden geplande vergelijkingen uitgevoerd tussen de drie niveaus van de factor

40 34 respons. De eerste geplande vergelijking tussen vermijdingsgedrag R1 en de geconditioneerde inhibitor R2 was niet significant, F(1, 29) = 2.59, p =.12. Er werd dus niet meer ruis verwacht na R2 dan na R1. De tweede geplande vergelijking tussen de geconditioneerde inhibitor R2 en de geconditioneerde excitator R3 was wel significant, F(1, 29) = 21.60, p <.001. Er werd dus significant meer ruis verwacht na R3 dan na R2. De derde en laatste geplande vergelijking tussen het vermijdingsgedrag R1 en de geconditioneerde excitator R3 was eveneens significant, F(1, 29) = 15.65, p <.001. De witte ruis werd significant meer verwacht na de geconditioneerde excitator R3 dan na het vermijdingsgedrag R1. Tabel 5. De gemiddelde verwachting van de witte ruis afhankelijk van type respons in Experiment 2. Gemiddelde Standaarddeviatie Vermijdingsgedrag R Geconditioneerde inhibitor R Geconditioneerde excitator R De ratings van de vierde testfase werden eveneens geanalyseerd. Deze van de eerste en tweede testfase werden niet nader bekeken aangezien participanten per definitie alle situaties correct beoordeeld hadden. Indien er in deze testfases een fout werd gemaakt moesten zij immers de voorafgaande leerfase opnieuw doorlopen tot de testfase volledig correct werd opgelost. In de vierde testfase kreeg elke participant 14 experimentele situaties voorgelegd en had voor elk één waarschijnlijkheidsoordeel. De gemiddelde ratings en standaarddeviaties zijn weergegeven in Tabel 6. Om na te gaan of de negatieve occasion setter en het vermijdingsgedrag getrainde modulatie vertoonden, werd net als in het eerste experiment een modulatie index berekend. Een enkelvoudige sample t-test toonde aan dat de modulatie index significant groter was dan nul, M = 76.83, SD = 24.15, t(29) = 17.43, p < Dit betekent dat de negatieve occasion setter en het vermijdingsgedrag in staat waren de associatie tussen een VP en een OP te moduleren. Naast getrainde modulatie werd ook transfer van modulatie nagegaan. Hiertoe werd een transfer index berekend. Deze bestaat uit het gemiddelde van het verschil tussen de verwachting van de OP op A en S:A trials (i.e. een hypothetische

41 35 situatie waarbij stimulus A gevolgd wordt door de negatieve occasion setter) en de verwachting van de OP op B en BR1 trials (i.e. een hypothetische situatie waarbij stimulus B gevolgd wordt door het vermijdingsgedrag). De index wordt dan mathematisch weergegeven door de volgende formule: [(A-S:A) + (B-BR1)]/2. Een enkelvoudige sample t-test toonde aan dat de transfer index significant groter was dan nul, M = 54.40, SD = 27.06, t(29) = 11.03, p < Dit betekent dat de modulatorische eigenschappen van de negatieve occasion setter en het vermijdingsgedrag naar elkaar transfereerden. Net als bij De Houwer et al. (2005) was de transfer van modulatie niet perfect. Een t-test met afhankelijke groepen wees uit dat de modulatie index significant groter was dan de transfer index, t(29) = 6,31, p < Tabel 6. De gemiddelde verwachting van de rode X voor de 6 reële situaties uit testfase 4 in Experiment 2. Testfase 4 Gemiddelde Standaarddeviatie A? B? AR1? S:B? R2? R3? AR2? AR3? BR2? BR3? S? R1? S:A? BR1? Om na te gaan of de participanten op het einde van het experiment nog steeds de relaties geleerd hadden, werden de ratings op de zes reële situaties uit de vierde testfase verder geanalyseerd. Voor de waarschijnlijkheidsoordelen werden opnieuw criteria van

42 36 15 procent en 85 procent gebruikt. Uit de analyse bleek dat volgens deze criteria er 13 proefpersonen waren die op het einde van het experiment de zes relaties tussen de aangeboden stimuli onthouden hadden. Bespreking Net als in het eerste experiment toonde de getrainde modulatie index aan dat de toon S en de respons R1 in staat waren de associatie tussen een VP en een OP te moduleren. Ook was er onvolledige transfer van modulatorische eigenschappen. De resultaten gaan echter duidelijk in tegen de gestelde hypothese. De witte ruis werd significant meer verwacht na de geconditioneerde excitator R3 dan na het vermijdingsgedrag R1. De resultaten suggereren dat er effectief generalisatie plaatsvindt van een tweede verworven functie van een negatieve occasion setter. De generalisatie treedt echter op tussen de negatieve occasion setter en een geconditioneerde excitator en niet tussen de negatieve occasion setter en een vermijdingsgedrag. Deze resultaten verlenen dus geen steun aan de visie van De Houwer et al. (2005) die stelt dat vermijdingsgedrag functioneert als een negatieve occasion setter. Daar waar in het eerste experiment de resultaten in twijfel konden getrokken worden gezien het extreem lage aantal participanten dat de relaties tussen de stimuli geleerd had, is dit in het tweede experiment anders. In de tweede testfase werden de zes cruciale verbanden tussen de stimuli en responsen getest. Indien participanten niet alle relaties correct beoordeelden, moesten zij de voorafgaande leerfase opnieuw doorlopen. Alle proefpersonen hadden dus per definitie, alvorens de derde testfase af te leggen, alle noodzakelijke verbanden geleerd. Dit verhoogt de betrouwbaarheid van de resultaten aanzienlijk. Het feit dat op het einde van het experiment slechts 13 participanten zich de verbanden correct herinnerden, trekt deze verhoogde betrouwbaarheid enigszins opnieuw in twijfel. Algemene bespreking Het doel van de huidige scriptie was het onderzoek rond de cognitieve theorie van

43 37 vermijdingsgedrag van De Houwer et al. (2005) uit te breiden. De auteurs stelden in hun theorie dat vermijdingsgedrag zowel structureel als functioneel gelijkend is aan negatieve occasion setters. In hun onderzoek toonden zij aan dat vermijdingsgedrag enerzijds in staat was de associatie tussen een VP en een aversieve OP te moduleren en anderzijds dat het de twee specifieke kenmerken van negatieve occasion setters vertoonde, namelijk resistentie tegen counterconditionering en selectieve transfer. Voor het onderzoek in deze scriptie werd beroep gedaan op bevindingen van Honey en Watt (1998). Zij toonden in hun experimenten aan dat er generalisatie optrad van verworven functies tussen twee stimuli die een gelijkaardige occasion setting training hadden ondergaan. Wanneer na een identieke eerste trainingfase één van de twee occasion setters, naast zijn modulatorische functie, een tweede functie verwierf, dan transfereerde deze eigenschap meer naar de stimulus die een gelijkaardige trainingsfase had ondergaan dan naar een stimulus uit een andere trainingsfase. Vertrekkend vanuit de cognitieve theorie over vermijdingsgedrag van De Houwer et al. (2005) werd op basis van het onderzoek van Honey en Watt (1998) de hypothese gesteld dat indien vermijdingsgedrag functioneert als een negatieve occasion setter, er generalisatie zou moeten optreden van een tweede verworven functie van een negatieve occasion setter naar een vermijdingsgedrag toe. Deze generalisatie zou significant groter moeten zijn tussen een negatieve occasion setter en een vermijdingsgedrag dan tussen een negatieve occasion setter en een ander gedrag of een andere stimulus (die niet in occasion setting training betrokken waren). In een eerste experiment, gebaseerd op het opzet van De Houwer et al. (2005) werden in één trainingsfase een negatieve occasion setter, een vermijdingsgedrag, een geconditioneerde inhibitor en een geconditioneerde excitator getraind. In een andere trainingsfase verwierf de negatieve occasion setter stimulus een tweede, signalisatiefunctie. De resultaten toonden echter geen significant grotere generalisatie aan van de nieuwe functie naar het vermijdingsgedrag, dan naar de andere twee responsen. Omdat uit analyse van de ratings op de waarschijnlijkheidsoordelen bleek dat slechts vier participanten de cruciale relaties in het experiment geleerd hadden, werd een tweede experiment uitgevoerd. In dit tweede onderzoek werd gebruik gemaakt van een leercriterium (zie Declercq & De Houwer, in press a) om participanten aan te sporen de cruciale relaties tussen de stimuli beter te begrijpen. Voor het overige was het

44 38 opzet van het tweede experiment identiek aan het eerste. De resultaten gingen opnieuw in tegen de gestelde hypothese. Er werd een significant grotere generalisatie gevonden van de tweede verworven functie naar de geconditioneerde excitator. Uit de analyse van de ratings op de waarschijnlijkheidsoordelen bleek dat het leercriterium het aantal participanten dat de cruciale relaties geleerd had, optrok naar 13. De resultaten staan in schril contrast met de gestelde hypothese. Een conclusie die men zou kunnen trekken, is dat vermijdingsgedrag in de experimenten in de huidige scriptie niet functioneerde als een negatieve occasion setter. Bijgevolg bieden de resultaten geen steun aan de cognitieve theorie van vermijdingsgedrag van De Houwer et al. (2005). Deze conclusie lijkt echter veel te voorbarig. De oorzaak voor de discrepantie tussen de gestelde hypothese en de bekomen resultaten moet waarschijnlijk eerder gezien worden als het gevolg van het opzet van de experimenten, dan als tegenevidentie voor de theorie van De Houwer et al. (2005). Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de generalisatie van een tweede verworven functie van een negatieve occasion setter niet optreedt bij menselijke participanten. Dit in tegenstelling tot bij de ratten die als proefdieren dienden in het originele experiment van Honey en Watt (1998). Ook is het aannemelijk dat de generalisatie niet optrad omdat het opzet licht afwijkend was van dit van Honey en Watt (1998) omdat er een evenwicht werd gezocht tussen dit opzet en het opzet van het onderzoek van De Houwer et al. (2005). Daar waar in het oorspronkelijke onderzoek van Honey en Watt (1998) de twee occasion setters waartussen de generalisatie optrad de associatie moduleerden tussen exact dezelfde VP en aversieve OP, moduleerde de negatieve occasion setter en het vermijdingsgedrag in de huidige experimenten een lichtjes andere relatie. De aversieve OP in de associaties was steeds dezelfde, maar de VP was verschillend. Deze wijziging kan er toe geleid hebben dat de associaties die gemoduleerd werden door het vermijdingsgedrag en de negatieve occasion setter niet sterk genoeg op elkaar geleken. Verder is het enerzijds mogelijk dat de aversieve OP (het geldverlies) niet echt als aversief ervaren werd en dat hierdoor de vermijdingsrespons niet geïnterpreteerd werd als een vermijdingsgedrag en anderzijds dat de negatieve occasion setter niet ervaren werd als een occasion setter omwille van het feit dat hij na de VP aangeboden werd en niet ervoor. Hoewel deze twee opmerkingen niet uit te sluiten zijn, heeft vroeger onderzoek reeds aangetoond dat het gebruik van een neutrale OP aanleiding gaf tot gelijkaardige resultaten als wanneer

45 39 een aversieve OP gebruikt werd (De Houwer et al., 2005) en dat een stimulus kan functioneren als een negatieve occasion setter wanneer deze na de VP werd aangeboden in plaats van ervoor (Declercq & De Houwer, in press b).toekomstig onderzoek zou dus het opnieuw uitvoeren van het experiment kunnen inhouden met enkele aanpassingen op basis van de voorgaande opmerkingen. Zo zou het goed zijn de negatieve occasion setter en het vermijdingsgedrag exact dezelfde associaties te laten moduleren en de aversieve OP sterker te maken. Een groter probleem met het opzet dan de voorgaande kritieken is dat het in beide experimenten onmogelijk was na te gaan of de negatieve occasion setter stimulus en de vermijdingsrespons echt functioneerden als negatieve occasion setters. Aan de hand van de waarschijnlijkheidsoordelen was het mogelijk na te gaan of de negatieve occasion setter stimulus en de vermijdingsrespons modulatorische eigenschappen vertoonden, maar dit is geen unieke eigenschap van negatieve occasion setters. Deze modulatorische eigenschappen houden in dat een occasion setter in staat is de reacties op een VP te moduleren doordat participanten, in het geval van een negatieve occasion setter, leren dat bij de aanwezigheid van de occasion setter stimulus er geen OP zal aangeboden worden en bij de afwezigheid er wel een OP zal aangeboden worden. Zoals eerder opgemerkt is deze modulatorische eigenschap echter niet uniek en kunnen andere stimuli eveneens reacties op een VP moduleren. Zo kunnen de reacties op een VP ook gemoduleerd worden door de VP samen met nieuwe stimuli aan te bieden (Declercq & De Houwer, in press b). In de uitgevoerde experimenten in de scriptie was het echter niet mogelijk die twee eigenschappen na te gaan die uniek zijn voor negatieve occasion setters. Deze eigenschappen zijn resistentie tegen counterconditionering en selectieve transfer. Omdat in het experimentele opzet van beide experimenten geen trials waren opgenomen die een afzonderlijke positieve excitatorische relatie trainden tussen de negatieve occasion setter stimulus en de aversieve OP en de vermijdingsrespons en de aversieve OP, was het onmogelijk na te gaan of er resistentie tegen counterconditionering optrad. Doordat er geen stimulus was opgenomen die soms wel en soms niet gevolgd werd door de aversieve OP was het eveneens niet mogelijk selectieve transfer na te gaan. Aangezien deze twee unieke eigenschappen de enige bruikbare criteria zijn om na te gaan of een stimulus of gedrag functioneert als een negatieve occasion setter (Declercq & De Houwer, in press b), is het onmogelijk

46 40 sluitende conclusies te trekken over de verkregen resultaten. Deze types trials werden voornamelijk uit het opzet weggelaten om enerzijds de experimenten niet te gecompliceerd te maken voor de participanten en anderzijds omdat dezelfde trainingstrials voor de negatieve occasion setter en het vermijdingsgedrag werden gebruikt als in het onderzoek van De Houwer et al. (2005). Daar waar het naar toekomstig onderzoek eventueel mogelijk is het opzet van de experimenten aan te passen om selectieve transfer na te gaan door een vierde respons op te nemen die in de helft van de gevallen bekrachtigd wordt en in de andere helft niet, ligt dit voor het nagaan van counterconditionering veel moeilijker. Het opzet laat niet echt toe trials toe te voegen waarin een excitatorische relatie wordt getraind tussen de negatieve occasion setter en de aversieve OP. Aangezien er reeds een excitatorische relatie getraind wordt tussen de negatieve occasion setter en de witte ruis, zou het toevoegen van nog een excitatorische relatie ervoor zorgen dat de negatieve occasion setter nog een derde functie verwerft. Dit zou er op zijn minst voor zorgen dat de training die de negatieve occasion setter en het vermijdingsgedrag doorlopen, niet meer sterk op elkaar gelijken. En de gelijkenis tussen beide trainingen is voor de gestelde onderzoeksvraag echter een cruciale voorwaarde. Een ander mogelijk gevolg van het ontbreken van counterconditioneringstrials in het experimenteel opzet is het feit dat participanten de negatieve occasion setter (en dus ook misschien het vermijdingsgedrag) zijn gaan ervaren als een gewone geconditioneerde inhibitor.dit zou betekenen dat de proefpersonen de afwezigheid van de aversieve OP bij de aanbieding van de negatieve occasion setter niet toeschreven aan het feit dat de occasion setter de relatie tussen een VP en OP moduleerde, maar aan het feit dat de occasion setter stimulus een rechtstreekse inhibitorische relatie had met de OP. Echter, indien participanten de negatieve occasion setter interpreteerden als een geconditioneerde inhibitor, is het vreemd dat de generalisatie van de tweede verworven functie dan niet het grootst was naar de andere getrainde geconditioneerde inhibitor. Een mogelijke verklaring hiervoor, en voor de resultaten, die aanneemt dat de negatieve occasion setter en het vermijdingsgedrag werden geïnterpreteerd als geconditioneerde inhibitors is zeer hypothetisch. Indien zowel de negatieve occasion setter als het vermijdingsgedrag gezien werden als een geconditioneerde inhibitor, dan is het waarschijnlijk dat de geconditioneerde excitator meer saillant was in de tweede

47 41 trainingsfase omdat dit de enige respons was die gevolgd werd door de aversieve OP. Aangezien de negatieve occasion setter in de daaropvolgende trainingsfase een excitatorische relatie verkreeg met een tweede aversieve OP en de geconditioneerde excitator uit de tweede leerfase opvallend was, is het niet onwaarschijnlijk dat participanten de komst van de tweede aversieve OP meer verwachten na de geconditioneerde excitator dan na de andere stimuli of responsen. De twee situaties zijn immers het meest gelijkend op elkaar. Hoewel deze verklaring in lijn is met het integrated expectancy-based model van Lovibond (2006), omdat vermijdingsgedrag voorgesteld wordt als een geconditioneerde inhibitor, is ze zeer moeilijk hard te maken. Ten eerste hebben we geen data over de feiten waarop participanten zich baseerden om een inschatting te maken van na welke respons het het meest waarschijnlijk was dat de tweede aversieve OP zou aangeboden worden. Ten tweede is het zo dat indien enkel de resultaten van de participanten die in het tweede experiment de cruciale relaties geleerd hadden, geanalyseerd werden, er geen significante resultaten meer werden gevonden. Dit betekent dat de witte ruis ook niet meer significant werd verwacht na de geconditioneerde excitator en stelt dus vragen bij de voorgaande verklaring van de generalisatie in termen van saillantie en gelijkenis. Een onderzoek dat eventueel meer duidelijkheid zou kunnen scheppen over de verkregen resultaten zou kunnen nagaan of de significant grotere generalisatie van de tweede verworven functie van de negatieve occasion setter naar de geconditioneerde excitator simpelweg te wijten is aan het feit dat de negatieve occasion setter stimulus in de derde trainingsfase en de geconditioneerde excitator in de tweede trainingsfase gevolgd werden door een aversieve OP terwijl dit niet het geval was voor het vermijdingsgedrag en de geconditioneerde inhibitor. Indien de gelijkenis op basis van het al dan niet aanbieden van de aversieve OP de oorzaak zou zijn van de resultaten, dan betekent dit eerder dat het opzet zich niet goed leent tot het nagaan van de onderzoeksvraag bij menselijke participanten, dan dat dit betekent dat vermijdingsgedrag niet als negatieve occasion setter kan functioneren. Een manier om deze mogelijkheid na te gaan zou zijn het experiment over te doen en de tweede aversieve OP (de witte ruis) te vervangen door een OP met een positieve valentie. Dit zou betekenen dat de negatieve occasion setter stimulus in de derde trainingsfase van het experiment een excitatorische relatie ontwikkeld met een OP met een positieve

48 42 valentie. Als participanten het vermijden van de eerste aversieve OP (het geldverlies) in de tweede trainingsfase ervaren als iets positief, dan zou er een grotere generalisatie kunnen optreden naar het vermijdingsgedrag en de geconditioneerde inhibitor dan naar de geconditioneerde excitator. Indien dit het geval zou zijn dan zou dus blijken dat proefpersonen hun oordeel baseerden op de gelijkenis tussen de valentie van de uitkomsten en kan dus op basis van het opzet geen antwoord gegeven worden op de gestelde onderzoeksvraag. Als conclusie kan dus gesteld worden dat de resultaten de hypothese niet bevestigden. Mogelijke tekortkomingen van het opzet maken het echter onmogelijk sterke conclusies te trekken uit de uitgevoerde experimenten. Voor toekomstig onderzoek naar de cognitieve theorie van De Houwer et al. (2005) lijkt het huidige opzet niet geschikt.

49 43 Referenties Baum, M. (1970). Extinction of avoidance responding through response prevention (flooding). Psychological Bulletin, 74, Bechterev, V. M. (1913). La psychologie objective. Paris: Alcan. Bolles, R. C. (1969). Avoidance and escape learning: Simultaneous acquisition of different responses. Journal of Comparative and Physiological Psychology, 68, Bolles, R. C. (1970). Species-specific defense reactions and avoidance learning. Psychological Review, 71, Bolles, R. C. (1971). Species-specific defense reactions. In F. R. Brush (Ed.), Aversive conditioning and learning (pp ). New York: Academic Press. Bolles, R. C., & Riley, A. L. (1973). Freezing as an avoidance respons: another look at the operant-respondent disctinction. Learning and motivation, 4, Bonardi, C. (1998). Conditional Learning: an associative analysis. In N. A. Schmajuk, & P. C. Holland (Eds.), Occasion setting: associative learning and cognition in animals (pp ). Washington, D. C.: American Psychological Association. Bonardi, C., & Hall, G. (1994). Occasion-setting training renders stimuli more similar: acquired equivalence between the targets of feature-positive discriminations. Quarterly journal of Experimental Psychology, 47B, Brown, J. S., & Jacobs, A. (1949). The role of fear in the motivation and acquisition of responses. Journal of Experimental psychology, 39, D'Amato, M. R., Fazzaro, J., & Etkin, M. (1968). Anticipatory responding and avoidance discrimination as factors in avoidance conditioning. Journal of Comparative and Physiological Psychology, 77, Declercq, M., & De Houwer, J. (in press a). Evidence for an expectancy-based theory of avoidance behavior. Quarterly Journal of Experimental Psychology Declercq, M., & De Houwer, J. (in press b). Evidence for the interchangeability of an avoidance behavior and a negative occasion setter. Learning & Behavior. De Houwer, J., Crombez, G., & Baeyens, F. (2005). Avoidance behavior can function as a negative occasion setter. Journal of Experimental Psychology: Animal Behavior Processes, 31,

50 44 Dinsmoor, J. A. (1962). Variable-interval escape from stimuli accompanied by shock. Journal of the Experimental Analysis of Behavior, 5, Domjan, M. (1998). The principles of learning and behavior (4 th ed.). Pacific Grove: Brooks/Cole Publishing Company. Gray, J. A. (1971). The psychology of fear and stress. New York: McGraw-Hill. Herrnstein, R. J. (1969). Method and theory in the study of avoidance. Psychological Review, 76, Holland, P. C. (1983). Occasion setting in Pavlovian feature positive discriminations. In M. L. Commons, R. J. Herrnstein, & A. R. Wagner (Eds.), Quantitative analysis of behavior: discrimination processes, 10, Holland, P. C. (1984). Differential effect of reinforcement of an inhibitory feature after serial and simultaneous feature negative discrimination training. Journal of Experimental Psychology: Animal Behavior Processes, 10, Holland, P. C. (1989). Transfer of negative occasion setting and conditioned inhibition across conditioned and unconditioned stimuli. Journal of Experimental Psychology: Animal Behavior Processes, 15, Holland, P. C. (1992). Occasion setting in Pavlovian conditioning. Psychological Learning & Motivation, 28, Honey, R. C., & Hall, G. (1989). The acquired equivalence and distinctiveness of cues. Journal of Experimental psychology: Animal Behavior Processes, 16, Honey, R. C., & Watt, A. (1998). Acquired relational equivalence: implications for the nature of associative structures. Journal of Experimental psychology: Animal Behavior Processes, 24, Kamin, L. J. (1954). Traumatic avoidance learning: the effects of CS-US interval with a trace-conditioning procedure. Journal of Comparative and Physiological Psychology, 47, Kamin, L. J., Brimer, C. J., & Black, A. H. (1963). Conditioned suppression as a monitor of fear of the CS in the course of avoidance training. Journal of Comparative and Physiological Psychology, 56, Katzev, R. D. (1967). Extinguishing avoidance responses as a function of delayed warning signal termination. Journal of Experimental Psychology, 75, Katzev, R. D. (1972). What is both necessary and sufficient to maintain avoidance

51 45 responding in the shuttle box? Quarterly Journal of Experimental Psychology, 24, Lovibond, P. F. (2006). Fear and avoidance: An integrated expectancy model. In M. G. Craske, D. Hermans, & D. Vansteenwegen (Eds.), Fear and learning: from basic science to clinical implication. Washington, D. C.: American Psychological Association. Lovibond, P. F., Saunders, J. C., Brady, A., & Mitchell, C. J. (submitted). Evidence for expectancy as a mediator of avoidance and anxiety in a laboratory model of human avoidance learning. Manuscript under review. McAllister, W. R., & McAllister, D. E. (1971). Behavioral measurement of fear. In F. R. Brush (Ed.), Aversive conditioning and learning (pp ). New York: Academic Press. Miller, N. E. (1951). Learnable drives and rewards. In S. S. Stevens (Ed.), Handbook of experimental psychology. New York: Wiley. Mineka, S. (1979). The role of fear in theories of avoidance learning, flooding and extinction. Psychological Bulletin, 86, Mineka, S., & Gino, A. (1980). Dissociation between conditioned emotional response and extended avoidance performance. Learning and Motivation, 11, Morris, R. G. M. (1974). Pavlovian conditioned inhibition of fear during shuttlebox avoidance behavior. Learning and Motivation, 5, Morris, R. G. M. (1975). Preconditioning of reinforcing properties to an exteroceptive feedback stimulus. Learning and Motivation, 6, Mowrer, O. H. (1947). On the dual nature of learning: A reinterpretation of conditioning and problem-solving. Harvard Educational Review, 17, Rescorla, R. A. (1985). Conditioned inhibition and facilitation. In R.R. Miller & N. E. Spear (Eds.) Information processing in animals: Conditioned inhibition (pp ). Hillsdale, N.J.: Erlbaum. Rescorla, R. A. (1986). Extinction of facilitation. Journal of Experimental Psychology: Animal Behavior Processes, 12, Rescorla, R. A., & Solomon, R. L. (1967). Two-process learning theory: relations between Pavlovian conditioning and instrumental learning. Psychological Review, 74,

52 46 Rescorla, R. A., & Wagner, A. R. (1972). A theory of Pavlovian conditioning: variations in the effectiveness of reinforcement and nonreinforcement. In A. H. Black & W. F. Prokasy (Eds.), Classical conditioning II: current research and theory (pp ). New York: Appleton-Century-Crofts. Ross, R. T. (1983). Relationships between the determinant of performance in serial feature positive discriminations. Journal of Experimantal Psychology: Animal Behavior Processes, 9, Ross, R. T., & Holland, P. C. (1981). Conditioning of simultaneous and serial featurepositive discriminations. Animal Learning & Behavior, 9, Schwartz, B., Wasserman, E. A., & Robbins S. J. (2002). Psychology of learning and behavior (5 th ed.). New York: W. W. Norton & Company, Inc. Schwartzentruber, D. (1995). Modulatory mechanisms in Pavlovian conditioning. Animal Learning & Behavior, 23, Seligman, M. E. P. (1953). Two temporal parameters of the maintenance of avoidance behavior in the white rat. Journal of Comparative and Physiological Psychology, 46, Seligman, M. E. P., & Johnston J. C. (1973). A cognitive theory of avoidance learning. In F. S. MacGuigan and D. B. Lumsden (Ed.), Contemporary approaches to conditioning and learning. Washington, D. C.: Winston. Solomon, R. L., Kamin, L. J., & Wynne, L. C. (1953). Traumatic avoidance learning: the outcomes of several extinction procedures with dogs. Journal of Abnormal and Social Psychology, 48, Walters, G. C., & Glazer, R. D. (1971). Punishment of instinctive behavior in the Mongolian gerbil. Journal of Comparative and Physiological Psychology, 75, Weisman, R. G., & Litner, J. S. (1972). The role of Pavlovian events in avoidance training. In R. A. Boakes & M. S. Halliday (Eds.), Inhibition and learning. London: Academic Press.

HOOFDSTUK 6; CONDITIONERING EN LEREN.

HOOFDSTUK 6; CONDITIONERING EN LEREN. HOOFDSTUK 6; CONDITIONERING EN LEREN. TERUGBLIK OP DE THEMA S Biologische factoren zijn cruciaal bij veel aspecten van het leren. Zo zorgt de biologie van een dier ervoor dat sommige relaties in de omgeving

Nadere informatie

Fear Memory Uncovered: Prediction Error as the Key to Memory Plasticity D. Sevenster

Fear Memory Uncovered: Prediction Error as the Key to Memory Plasticity D. Sevenster Fear Memory Uncovered: Prediction Error as the Key to Memory Plasticity D. Sevenster Samenvatting Angststoornissen zijn een van de meest voorkomende psychiatrische stoornissen. Hoewel de meest gangbare

Nadere informatie

LA KOL 12-13 Bijeenkomst 4

LA KOL 12-13 Bijeenkomst 4 LA KOL 12-13 Bijeenkomst 4 Terugblik bijeenkomst 3: 4: cognitieve ontwikkeling - ontwikkeling/leren/rijpen - geheugen - vormen van leren Opdrachten: - Deskundigen verdiepen - lezen H7 - Presentatie materialen

Nadere informatie

Seksuele inhibitie en excitatie: een verkennende studie van factoren die samenhangen met variatie in excitatie en inhibitie

Seksuele inhibitie en excitatie: een verkennende studie van factoren die samenhangen met variatie in excitatie en inhibitie Seksuele inhibitie en excitatie: een verkennende studie van factoren die samenhangen met variatie in excitatie en inhibitie Wouter Pinxten (contact: [email protected]) Prof. Dr. John Lievens Achtergrond

Nadere informatie

Samenvatting. Synchronisatie met fractal ritmes: Complexiteit matching bij statistische structuur

Samenvatting. Synchronisatie met fractal ritmes: Complexiteit matching bij statistische structuur Samenvatting Synchronisatie met fractal ritmes: Complexiteit matching bij statistische structuur De uitvoering van dagelijkse fysieke activiteiten is sterk variabel. Deze variabiliteit kan worden beschreven

Nadere informatie

Dynamics, Models, and Mechanisms of the Cognitive Flexibility of Preschoolers B.M.C.W. van Bers

Dynamics, Models, and Mechanisms of the Cognitive Flexibility of Preschoolers B.M.C.W. van Bers Dynamics, Models, and Mechanisms of the Cognitive Flexibility of Preschoolers B.M.C.W. van Bers Introductie Flexibiliteit is een belangrijke eigenschap in de huidige snel veranderende maatschappij. In

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting. Verschillende vormen van het visuele korte termijn geheugen en de interactie met aandacht

Nederlandse samenvatting. Verschillende vormen van het visuele korte termijn geheugen en de interactie met aandacht Nederlandse samenvatting Verschillende vormen van het visuele korte termijn geheugen en de interactie met aandacht 222 Elke keer dat je naar iets of iemand op zoek bent, bijvoorbeeld wanneer je op een

Nadere informatie

Samenvatting Impliciet leren van kunstmatige grammatica s: Effecten van de complexiteit en het nut van de structuur

Samenvatting Impliciet leren van kunstmatige grammatica s: Effecten van de complexiteit en het nut van de structuur Samenvatting Impliciet leren van kunstmatige grammatica s: Effecten van de complexiteit en het nut van de structuur Hoewel kinderen die leren praten geen moeite lijken te doen om de regels van hun moedertaal

Nadere informatie

How Do Children Read Words? A Focus on Reading Processes M. van den Boer

How Do Children Read Words? A Focus on Reading Processes M. van den Boer How Do Children Read Words? A Focus on Reading Processes M. van den Boer Samenvatting Leesvaardigheid is van groot belang in onze geletterde maatschappij. In veel wetenschappelijke studies zijn dan ook

Nadere informatie

Samenvatting. Audiovisuele aandacht in de ruimte

Samenvatting. Audiovisuele aandacht in de ruimte Samenvatting Audiovisuele aandacht in de ruimte Theoretisch kader Tijdens het uitvoeren van een visuele taak, zoals het lezen van een boek, kan onze aandacht getrokken worden naar de locatie van een onverwacht

Nadere informatie

Perseverative cognition: The impact of worry on health. Nederlandse samenvatting

Perseverative cognition: The impact of worry on health. Nederlandse samenvatting Perseverative cognition: The impact of worry on health Nederlandse samenvatting Nederlandse samenvatting Perseveratieve cognitie: de invloed van piekeren op gezondheid Iedereen maakt zich wel eens zorgen.

Nadere informatie

Question 6 Multiple Choice

Question 6 Multiple Choice Question 1 Multiple Choice Het onderzoek van Strack e.a. (1988) waarin mensen op verschillende manieren een pen vasthielden terwijl ze cartoons beoordeelden toont aan dat: Question 2 Multiple Choice mensen

Nadere informatie

Happy Pup, Happy Dog!

Happy Pup, Happy Dog! Happy Pup, Happy Dog! De gevoelige periode voor gedragsorganisatie wordt verdeeld in drie fasen: -Fase 1: 0-3 weken Aanvankelijk bestaat de comfortkit van een puppy gewoonlijk uit zijn moeder, zijn nestgenootjes

Nadere informatie

SAMENVATTING (Summary in Dutch)

SAMENVATTING (Summary in Dutch) SAMENVATTING (Summary in Dutch) Taal speelt een belangrijke rol in ons dagelijks leven. Het is een van de meest centrale aspecten bij de interactie tussen mensen. Ons taalgebruik wordt beïnvloed door onze

Nadere informatie

Theorie! Cognitive Bias Modification! Resultaten onderzoek!

Theorie! Cognitive Bias Modification! Resultaten onderzoek! Cognitive Bias Modification Resultaten onderzoek December 2013 Jules Reijnen Ron Jacobs Theorie Cognitive Bias Modification (CBM) is een recent onderzoeksgebied dat zich richt op de vertekening (bias)

Nadere informatie

het laagste niveau van psychologisch functioneren direct voordat de eerste bestraling begint. Zowel angstgevoelens als depressieve symptomen en

het laagste niveau van psychologisch functioneren direct voordat de eerste bestraling begint. Zowel angstgevoelens als depressieve symptomen en Samenvatting In de laatste 20 jaar is er veel onderzoek gedaan naar de psychosociale gevolgen van kanker. Een goede zaak want aandacht voor kanker, een ziekte waar iedereen in zijn of haar leven wel eens

Nadere informatie

Samenvatting. Exploratieve bewegingen in haptische waarneming. Deel I: de precisie van haptische waarneming

Samenvatting. Exploratieve bewegingen in haptische waarneming. Deel I: de precisie van haptische waarneming Exploratieve bewegingen in haptische waarneming Haptische waarneming is de vorm van actieve tastwaarneming waarbij de waarnemer de eigenschappen van een object waarneemt door het object met zijn of haar

Nadere informatie

Samenvatting (Dutch)

Samenvatting (Dutch) Samenvatting (Dutch) 162 Hier zal een korte samenvatting gegeven worden van de resultaten van het onderzoek gepresenteerd in dit proefschrift. Affect, Gemoedstoestand en Informatieverwerking Om te overleven

Nadere informatie

SAMENVATTING bijlage Hoofdstuk 1 104

SAMENVATTING bijlage Hoofdstuk 1 104 Samenvatting 103 De bipolaire stoornis, ook wel manisch depressieve stoornis genoemd, is gekenmerkt door extreme stemmingswisselingen, waarbij recidiverende episoden van depressie, manie en hypomanie,

Nadere informatie

Samenvatting. Samenvatting

Samenvatting. Samenvatting Samenvatting 10 Samenvatting Samenvatting Hoe snel word je boos als iemand je provoceert? Het traditionele antwoord op deze vraag is dat het afhangt van je individuele neiging om boos te worden. Als je

Nadere informatie

GT diagnostiek Analyse van klassiek geconditioneerd gedrag Analyse van operant geconditioneerd gedrag DSM-IV Evidence based behandelingen

GT diagnostiek Analyse van klassiek geconditioneerd gedrag Analyse van operant geconditioneerd gedrag DSM-IV Evidence based behandelingen Samenvatting *('5$*67+(5$3,(LQ92*(/9/8&+7 Wegbereiders Gedragstherapie Pavlov Watson Skinner Belangrijke Gedragstherapeuten Wolpe Emmelkamp Beck GT diagnostiek Analyse van klassiek geconditioneerd gedrag

Nadere informatie

Geven en ontvangen van steun in de context van een chronische ziekte.

Geven en ontvangen van steun in de context van een chronische ziekte. Een chronische en progressieve aandoening zoals multiple sclerose (MS) heeft vaak grote consequenties voor het leven van patiënten en hun intieme partners. Naast het omgaan met de fysieke beperkingen van

Nadere informatie

DUTCH SUMMARY NEDERLANDSE SAMENVATTING

DUTCH SUMMARY NEDERLANDSE SAMENVATTING NEDERLANDSE SAMENVATTING 205 Het is niet zonder reden dat autoriteiten wereldwijd aandacht besteden aan programma s en interventies om mensen meer te laten bewegen. Sportactiviteiten van gemiddelde tot

Nadere informatie

MANTELZORG, GOED GEVOEL

MANTELZORG, GOED GEVOEL UITKOMSTEN ONDERZOEK: MANTELZORG, GOED GEVOEL Inhoud: Theorie & Vragen Methode Theoretische achtergrond: Mantelzorgers zijn iets minder gelukkig dan de rest van de bevolking (CBS, 2016). Mantelzorg brengt

Nadere informatie

De Obsessief-Compulsieve stoornis: behandeling in de praktijk. 2013 Universitair Ziekenhuis Gent

De Obsessief-Compulsieve stoornis: behandeling in de praktijk. 2013 Universitair Ziekenhuis Gent De Obsessief-Compulsieve stoornis: behandeling in de praktijk Dr. Leyman Lemke Deswarte Annelies 2013 Universitair Ziekenhuis Gent Inhoud workshop Kapstok: Het neurotische lussenmodel (NLM) (R. Schacht

Nadere informatie

Determinanten van Leiderschap-Succes: Ontwikkeling van een Integratief. Model van Persoonlijkheid, Overtuigingen, Gedrag, en Diversiteit

Determinanten van Leiderschap-Succes: Ontwikkeling van een Integratief. Model van Persoonlijkheid, Overtuigingen, Gedrag, en Diversiteit SAMENVATTING Determinanten van Leiderschap-Succes: Ontwikkeling van een Integratief Model van Persoonlijkheid, Overtuigingen, Gedrag, en Diversiteit Leiders zijn belangrijke leden van organisaties. De

Nadere informatie

Samenvatting. Gezond zijn of je gezond voelen: veranderingen in het oordeel van ouderen over de eigen gezondheid Samenvatting

Samenvatting. Gezond zijn of je gezond voelen: veranderingen in het oordeel van ouderen over de eigen gezondheid Samenvatting Samenvatting Gezond zijn of je gezond voelen: veranderingen in het oordeel van ouderen over de eigen gezondheid 2 2 3 4 5 6 7 8 Samenvatting 161 162 In de meeste Westerse landen neemt de levensverwachting

Nadere informatie

Samenvatting. Spatiële affectieve Simon benadering

Samenvatting. Spatiële affectieve Simon benadering Samenvatting In de loop van de laatste decennia zijn steeds meer wetenschappers ervan overtuigd geraakt dat angst een belangrijke cognitieve component omvat. Ze menen dat structurele afwijkingen in de

Nadere informatie

De sociale psychologie van waargenomen rechtvaardigheid en de rol van onzekerheid

De sociale psychologie van waargenomen rechtvaardigheid en de rol van onzekerheid Kees van den Bos De sociale psychologie van waargenomen rechtvaardigheid en de rol van onzekerheid In deze bijdrage wordt sociaal-psychologisch onderzoek naar sociale rechtvaardigheid besproken. Sociaal-psychologen

Nadere informatie

Alcoholgebruik, misbruik & afhankelijkheid

Alcoholgebruik, misbruik & afhankelijkheid ALCOHOLGEBRUIK: BEWUST OVERWOGEN OF ONBEWUST OVERKOMEN? Impliciete en expliciete processen bij alcoholgebruik en implicaties voor interventies Katrijn Houben [email protected] Alcoholgebruik,

Nadere informatie

Block 1: Basic emotions, Brain structures and Stress.

Block 1: Basic emotions, Brain structures and Stress. Block 1: Basic emotions, Brain structures and Stress. Vraag 1 (10 punten) A. Wat is het Circuit van Papez en welke hersenstructuren maken hier deel van uit? (5 punten) B. Welke extra hersenstructuren zijn

Nadere informatie

Werkt confrontatie met eigen vooroordelen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt?

Werkt confrontatie met eigen vooroordelen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt? Werkt confrontatie met eigen vooroordelen tegen discriminatie op de arbeidsmarkt? Februari 2016 SEPTEMBER 2016 ONDERZOEK NAAR DE PLAUSIBILITEIT VAN TRAININGEN GERICHT OP BEWUSTWORDING VAN VOOROORDELEN

Nadere informatie

Samenvatting SAMENVATTING

Samenvatting SAMENVATTING SAMENVATTING Introductie Dit proefschrift geeft het theoretische en experimentele werk weer rondom de auditieve en cognitieve mechanismen van het top-down herstel van gedegradeerde spraak. In het dagelijks

Nadere informatie

Samenvatting. Mensen creëren hun eigen, soms illusionaire, visie over henzelf en de wereld

Samenvatting. Mensen creëren hun eigen, soms illusionaire, visie over henzelf en de wereld Samenvatting Mensen creëren hun eigen, soms illusionaire, visie over henzelf en de wereld om hen heen. Zo hebben vele mensen een natuurlijke neiging om zichzelf als bijzonder positief te beschouwen (bijv,

Nadere informatie

Frustratietolerantie-training bij stotterende kleuters

Frustratietolerantie-training bij stotterende kleuters Frustratietolerantie-training bij stotterende kleuters Bettie Smets 36 STE VVL CONGRES 20 MAART 2015 FLANDERS EXPO, GENT frustratietolerantie drempel van verdraagzaamheid voor prikkels die een aversieve

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch) Het managen van weerstand van consumenten tegen innovaties

Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch) Het managen van weerstand van consumenten tegen innovaties Nederlandse samenvatting (Summary in Dutch) Het managen van weerstand van consumenten tegen innovaties De afgelopen decennia zijn er veel nieuwe technologische producten en diensten geïntroduceerd op de

Nadere informatie

- Mensen gaan meer variëteit kiezen bij hun consumptiekeuzes wanneer ze weten dat hun gedrag nauwkeurig publiekelijk zal onderzocht worden.

- Mensen gaan meer variëteit kiezen bij hun consumptiekeuzes wanneer ze weten dat hun gedrag nauwkeurig publiekelijk zal onderzocht worden. Abstract: - 3 experimenten - Mensen gaan meer variëteit kiezen bij hun consumptiekeuzes wanneer ze weten dat hun gedrag nauwkeurig publiekelijk zal onderzocht worden. - Studie 1&2: consumenten verwachten

Nadere informatie

Samenvatting. Over het gebruik van visuele informatie in het reiken bij baby s

Samenvatting. Over het gebruik van visuele informatie in het reiken bij baby s Samenvatting Over het gebruik van visuele informatie in het reiken bij baby s 166 Het doel van dit proefschrift was inzicht te krijgen in de vroege ontwikkeling van het gebruik van visuele informatie voor

Nadere informatie

Neurocognitive Processes and the Prediction of Addictive Behaviors in Late Adolescence O. Korucuoğlu

Neurocognitive Processes and the Prediction of Addictive Behaviors in Late Adolescence O. Korucuoğlu Neurocognitive Processes and the Prediction of Addictive Behaviors in Late Adolescence O. Korucuoğlu Nederlandse Samenvatting De adolescentie is levensfase waarin de neiging om nieuwe ervaringen op te

Nadere informatie

Mathilde Descheemaeker Adriaan Spruyt Dirk Hermans

Mathilde Descheemaeker Adriaan Spruyt Dirk Hermans Mathilde Descheemaeker Adriaan Spruyt Dirk Hermans Experimentele psychopathologie Op zoek naar de psychologische processen die een rol spelen bij het ontstaan, in stand houden en terugval van psychopathologie

Nadere informatie

NEDERLANDSE SAMENVATTING

NEDERLANDSE SAMENVATTING NEDERLANDSE SAMENVATTING Wat verandert er in het zenuwstelsel als een dier iets leert? Hoe worden herinneringen opgeslagen in de hersenen? Hieraan ten grondslag ligt het vermogen van het zenuwstelsel om

Nadere informatie

WORD IK SLIMMER DOOR TE BEWEGEN?

WORD IK SLIMMER DOOR TE BEWEGEN? WORD IK SLIMMER DOOR TE BEWEGEN? HET EFFECT VAN BEWEGEN OP ONZE COGNITIEVE VERMOGENS Prof. Eric Kerckhofs Neurologische Revalidatie & Revalidatiepsychologie [email protected] 28-11-17 1 DE CENTRALE VRAAGSTELLING

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting Bij de ontwikkeling van metabole ziekten zoals overgewicht, type 2 diabetes en Anorexia Nervosa spelen omgevingsfactoren zoals dieet en fysieke activiteit een belangrijke rol. Er zijn echter grote individuele

Nadere informatie

8.2. Onderdelen van het klassieke experimentele ontwerp

8.2. Onderdelen van het klassieke experimentele ontwerp Deel 3: Kwantitatieve methoden Hoofdstuk 8: Experimentele ontwerpen 8.1. Inleiding Basisidee: twee situaties nl. situatie 1 met manipulatie en situatie 2 zonder manipulatie en je kijkt naar het effect

Nadere informatie

2) De voornaamste en meest frequente manier waarop vooruitgang gemaakt wordt in de

2) De voornaamste en meest frequente manier waarop vooruitgang gemaakt wordt in de Proefexamen wetenschappelijke methoden 1) Een intervalschaal is: a) Een absolute schaal van afstanden b) Een absolute schaal van rangordeningen c) Een verhoudingsschaal van afstanden d) Een verhoudingsschaal

Nadere informatie

Drs. D. van der Veen, UMCG

Drs. D. van der Veen, UMCG De beste exposure bedenk je samen van analyse naar expertise 10 maart 2017 Date van der Veen, klinische psycholoog en behandelcoördinator Afdeling Angst en Dwang UCP, Groningen Disclosure belangen spreker

Nadere informatie

Motiveren om te leren

Motiveren om te leren Motiveren om te leren Een succesvol opleidingsbeleid is afhankelijk van verschillende factoren. De keuze van een goede opleidingsaanbieder speelt een rol, net zoals een grondige behoeftedetectie en de

Nadere informatie

A. Business en Management Onderzoek

A. Business en Management Onderzoek A. Business en Management Onderzoek Concepten definiëren Een concept (concept) is een algemeen geaccepteerde verzameling van betekenissen of kenmerken die geassocieerd worden met gebeurtenissen, situaties

Nadere informatie

Het effect van doelstellingen

Het effect van doelstellingen Het effect van doelstellingen Inleiding Goalsetting of het stellen van doelen is een van de meest populaire motivatietechnieken om de prestatie te bevorderen. In eerste instantie werd er vooral onderzoek

Nadere informatie

Challenging Emotional Memory M.G.N. Bos

Challenging Emotional Memory M.G.N. Bos Challenging Emotional Memory M.G.N. Bos 144 De geboorte van je kind, je trouwdag, maar ook het verlies van een geliefde en fysieke mishandeling zijn enkele voorbeelden van emotionele ervaringen die iedereen

Nadere informatie

Samenvatting. (Summary in Dutch)

Samenvatting. (Summary in Dutch) (Summary in Dutch) Impulsieve keuzes voor aantrekkelijke opties zijn doorgaans geen verstandige keuzes op de lange termijn (Hofmann, Friese, & Wiers, 2008; Metcalfe & Mischel, 1999). Wanneer mensen zich

Nadere informatie

Factsheet: De beleving van een vroege eerste geslachtsgemeenschap

Factsheet: De beleving van een vroege eerste geslachtsgemeenschap Factsheet: De beleving van een vroege eerste geslachtsgemeenschap Katrien Symons (contact: [email protected]) Prof. Dr. Mieke Van Houtte Dr. Hans Vermeersch ACHTERGROND Een vroege eerste geslachtsgemeenschap

Nadere informatie

Nederlandse samenvatting

Nederlandse samenvatting 169 Nederlandse samenvatting Het vakgebied internationale bedrijfskunde houdt zich bezig met de vraagstukken en de analyse van problemen op organisatieniveau die voortkomen uit grensoverschrijdende activiteiten.

Nadere informatie

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving

Onderzoeksopzet. Marktonderzoek Klantbeleving Onderzoeksopzet Marktonderzoek Klantbeleving Utrecht, september 2009 1. Inleiding De beleving van de klant ten opzichte van dienstverlening wordt een steeds belangrijker onderwerp in het ontwikkelen van

Nadere informatie

Behandeling na seksueel trauma bij kinderen: STEPS, TF-CBT of EMDR?

Behandeling na seksueel trauma bij kinderen: STEPS, TF-CBT of EMDR? Behandeling na seksueel trauma bij kinderen: STEPS, TF-CBT of EMDR? Renee Beer, klinisch psycholoog, Traumacentrum De Bascule Iva Bicanic, klinisch psycholoog i.o., Landelijk Psychotraumacentrum UMC Utrecht

Nadere informatie

hoofdstuk 2 een vergelijkbaar sekseverschil laat zien voor buitenrelationeel seksueel gedrag: het hebben van seksuele contacten buiten de vaste

hoofdstuk 2 een vergelijkbaar sekseverschil laat zien voor buitenrelationeel seksueel gedrag: het hebben van seksuele contacten buiten de vaste Samenvatting Mensen zijn in het algemeen geneigd om consensus voor hun eigen gedrag waar te nemen. Met andere woorden, mensen denken dat hun eigen gedrag relatief vaak voorkomt. Dit verschijnsel staat

Nadere informatie

73 SAMENVATTING In dit proefschrift wordt een empirische toetsing van de machtafstandstheorie (Mulder, 1972, 1977) beschreven. In grote lijnen stelt deze theorie dat mensen macht prettig vinden, en dat

Nadere informatie

Motivatie: presteren? Of toch maar leren?

Motivatie: presteren? Of toch maar leren? Arjan van Dam Motivatie: presteren? Of toch maar leren? Een van de lastigste opgaven van managers is werken met medewerkers die niet gemotiveerd zijn. Op zoek naar de oorzaken van het gebrek aan motivatie,

Nadere informatie

Het belangrijkste doel van de studie in hoofdstuk 3 was om onafhankelijke effecten van visuele preview en spellinguitspraak op het leren spellen van

Het belangrijkste doel van de studie in hoofdstuk 3 was om onafhankelijke effecten van visuele preview en spellinguitspraak op het leren spellen van Samenvatting Het is niet eenvoudig om te leren spellen. Om een woord te kunnen spellen moet een ingewikkeld proces worden doorlopen. Als een kind een bepaald woord nooit eerder gelezen of gespeld heeft,

Nadere informatie

Onderzoek naar vrijwilligerswerk in de sport voor jongeren die leven in maatschappelijk kwetsbare situaties. Kansen tot ontwikkeling?

Onderzoek naar vrijwilligerswerk in de sport voor jongeren die leven in maatschappelijk kwetsbare situaties. Kansen tot ontwikkeling? Onderzoek naar vrijwilligerswerk in de sport voor jongeren die leven in maatschappelijk kwetsbare situaties. Kansen tot ontwikkeling? Doctoraatproefschrift Evi Buelens, onderzoeksgroep Sport & Society,

Nadere informatie

JONG GELEERD, OUD GEDAAN

JONG GELEERD, OUD GEDAAN JONG GELEERD, OUD GEDAAN DICK STAAL INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding 2. Hoe leert de hond 3. Hoe leren we de hond de betekenis van Goed zo, braaf en Nee 4. Op welke wijze worden correcties gegeven 5. De zwaarte

Nadere informatie

Proefschrift. Cannabis use, cognitive functioning and behaviour problems. Merel Griffith - Lendering. Samenvatting

Proefschrift. Cannabis use, cognitive functioning and behaviour problems. Merel Griffith - Lendering. Samenvatting Proefschrift Cannabis use, cognitive functioning and behaviour problems Merel Griffith - Lendering Samenvatting Het gebruik van cannabis is gerelateerd aan een breed scala van psychische problemen, waaronder

Nadere informatie

Opgave 3 De gewapende overval

Opgave 3 De gewapende overval Opgave 3 De gewapende overval 12 maximumscore 2 een argumentatie dat het idee van vrije wil als bovennatuurlijke kracht in het kader van vrije wil als bewuste aansturing voor veel mensen aantrekkelijk

Nadere informatie

hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5

hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Hoofdstuk 5 SAMENVATTING 117 Pas kortgeleden is aangetoond dat ADHD niet uitdooft, maar ook bij ouderen voorkomt en nadelige gevolgen kan hebben voor de patiënt en zijn omgeving. Er is echter weinig bekend over de

Nadere informatie

Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz

Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz Moral Misfits. The Role of Moral Judgments and Emotions in Derogating Other Groups C. Wirtz Mensen die als afwijkend worden gezien zijn vaak het slachtoffer van vooroordelen, sociale uitsluiting, en discriminatie.

Nadere informatie

Hersenontwikkeling tijdens adolescentie

Hersenontwikkeling tijdens adolescentie Hersenontwikkeling tijdens adolescentie Een longitudinale tweelingstudie naar de ontwikkeling van hersenstructuur en de relatie met hormoonspiegels en intelligentie ALGEMENE INTRODUCTIE Adolescentie is

Nadere informatie

SAMENVATTING. Het onderzoek binnen deze thesis bespreekt twee onderwerpen. Het eerste onderwerp, dat

SAMENVATTING. Het onderzoek binnen deze thesis bespreekt twee onderwerpen. Het eerste onderwerp, dat SAMENVATTING Het onderzoek binnen deze thesis bespreekt twee onderwerpen. Het eerste onderwerp, dat beschreven wordt in de hoofdstukken 2 tot en met 6, heeft betrekking op de prestaties van leerlingen

Nadere informatie

uitdoving effecten van cue exposure therapie naar situaties en omgevingen uit het leven van de ex-roker. Dat wil zeggen, in de therapiekamer ervaart

uitdoving effecten van cue exposure therapie naar situaties en omgevingen uit het leven van de ex-roker. Dat wil zeggen, in de therapiekamer ervaart Samenvatting Stoppen met roken is helemaal niet moeilijk en vele rokers stoppen dan ook zeer regelmatig met hun slechte gewoonte. Het volhouden nadat men eenmaal gestopt is, blijkt echter veel moeilijker.

Nadere informatie

Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4. Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4

Hoofdstuk 2 Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4. Hoofdstuk 3 Hoofdstuk 4 Samenvatting SAMENVATTING 189 Depressie is een veelvoorkomende psychische stoornis die een hoge ziektelast veroorzaakt voor zowel de samenleving als het individu. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)

Nadere informatie

samenvatting 127 Samenvatting

samenvatting 127 Samenvatting 127 Samenvatting 128 129 De ziekte van Bechterew, in het Latijn: Spondylitis Ankylopoëtica (SA), is een chronische, inflammatoire reumatische aandoening die zich vooral manifesteert in de onderrug en wervelkolom.

Nadere informatie

Dit demonstratieproject werd medegefinancierd door Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling: Europa investeert in zijn platteland

Dit demonstratieproject werd medegefinancierd door Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling: Europa investeert in zijn platteland Beste lezer, In het kader van het ADLO Demonstratieproject Optimalisatie van het houden van intacte beren en immunocastraten bezorgen we u graag een zesde en laatste nummer van onze nieuwsbrief ivm de

Nadere informatie

Onderzoek heeft aangetoond dat een hoge mate van herstelbehoefte een voorspellende factor is voor ziekteverzuim. Daarom is in de NL-SH ook de relatie

Onderzoek heeft aangetoond dat een hoge mate van herstelbehoefte een voorspellende factor is voor ziekteverzuim. Daarom is in de NL-SH ook de relatie Samenvatting Gehoor en de relatie met psychosociale gezondheid, werkgerelateerde variabelen en zorggebruik. De Nationale Longitudinale Studie naar Horen Slechthorendheid is een veelvoorkomende chronische

Nadere informatie

Bijlage 1: het wetenschappelijk denk- en handelingsproces in het basisonderwijs 1

Bijlage 1: het wetenschappelijk denk- en handelingsproces in het basisonderwijs 1 Bijlage 1: het wetenschappelijk denk- en handelingsproces in het basisonderwijs 1 Bijlage 1: Het wetenschappelijk denk- en handelingsproces in het basisonderwijs: Stadium van het instructie model Oriëntatiefase

Nadere informatie

Samenvatting Dit proefschrift beschrijft een aantal onderzoeken op het gebied van gehechtheid en psychosociaal functioneren in de volwassenheid. In hoofdstuk 1 wordt een overzicht gegeven van de gehechtheidstheorie.

Nadere informatie

De invloed van Vertrouwen, Relatietevredenheid en Commitment op Customer retention

De invloed van Vertrouwen, Relatietevredenheid en Commitment op Customer retention De invloed van Vertrouwen, Relatietevredenheid en Commitment op Customer retention Samenvatting Wesley Brandes MSc Introductie Het succes van CRM is volgens Bauer, Grether en Leach (2002) afhankelijk van

Nadere informatie

Cognitieve flexibiliteitstaken bij autismespectrumstoornissen:

Cognitieve flexibiliteitstaken bij autismespectrumstoornissen: Cognitieve flexibiliteitstaken bij autismespectrumstoornissen: Kritische bespreking en klinische implicaties Lien Van Eylen VCKJPP 22 september 2011 Overzicht Neuropsychologische taken o Betrouwbaarheid

Nadere informatie

Meldpunt Vossenschade: een overzicht voor 2012

Meldpunt Vossenschade: een overzicht voor 2012 Pagina 1 van 5 Meldpunt Vossenschade: een overzicht voor 2012 Inleiding Sinds 2007 beschikt de over een meldpunt Vossenschade. Om dit meldpunt meer bekendheid te geven voor heel Vlaanderen werd in januari

Nadere informatie

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals

Omdat uit eerdere studies is gebleken dat de prevalentie, ontwikkeling en manifestatie van gedragsproblemen samenhangt met persoonskenmerken zoals Gedragsproblemen komen veel voor onder kinderen en adolescenten. Als deze problemen ernstig zijn en zich herhaaldelijk voordoen, kunnen ze een negatieve invloed hebben op het dagelijks functioneren van

Nadere informatie

Samenvatting (Summary in Dutch)

Samenvatting (Summary in Dutch) Samenvatting (Summary in Dutch) * 132 Baby s die te vroeg geboren worden (bij een zwangerschapsduur korter dan 37 weken) hebben een verhoogd risico op zowel ernstige ontwikkelingproblemen (zoals mentale

Nadere informatie

1 Conclusie en discussie 1

1 Conclusie en discussie 1 1 Conclusie en discussie 1 De gevolgtrekkingen uit de resultaten en een revisie op het onderzoek In dit hoofdstuk staan de conclusies en discussie centraal. Allereerst komt een korte terugblik aan bod,

Nadere informatie

Bio (EEG) feedback. Reflecties vanuit de klinische praktijk. Kannercyclus 09-05-2011 Dr. EWM (Lisette) Verhoeven

Bio (EEG) feedback. Reflecties vanuit de klinische praktijk. Kannercyclus 09-05-2011 Dr. EWM (Lisette) Verhoeven Bio (EEG) feedback Reflecties vanuit de klinische praktijk Kannercyclus 09-05-2011 Dr. EWM (Lisette) Verhoeven Neurofeedback -Een vraag uit de spreekkamer- Minimaal 1500 Literatuur 2008 literatuur search

Nadere informatie