Onderwijsmonitor Cijfers en analyses
|
|
|
- Emmanuel Robert de Jong
- 8 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Cijfers en analyses Afdeling Onderzoek en Statistiek mei 2008
2 Inhoudsopgave (vervolg) Inhoudsopgave 1 Samenvatting 5 2 Inleiding 11 3 Kinderopvang en peuterspeelzaal Inleiding Aanbod Gebruik en bereik Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: taalstimulering Prestatieafspraken 19 4 Primair onderwijs Inleiding Aanbod en gebruik: basisonderwijs en speciaal onderwijs Aanbod en gebruik: ontwikkeling basisscholen en basisscholieren Onderwijsprestaties en achterstandindicatoren: vertraging Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: citoscores Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: schooladviezen Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: verzuim Open Wijk Scholen Prestatieafspraken 44 5 Voortgezet Onderwijs Onderwijssoorten Aanbod en gebruik: Nijmeegse scholen voor voortgezet onderwijs Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: onderwijsniveau s Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: vertraging Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: slaagresultaten Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: schooluitval en verzuim Prestatieafspraken 61 6 Middelbaar beroepsonderwijs Inleiding Aanbod en gebruik: Nijmeegse MBO-scholen en hun leerlingen 65
3 6.3 Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: voortijdig schoolverlaten 68 7 Hoger beroepsonderwijs en universiteit Ontwikkeling studenten Woonplaats studenten in het hoger onderwijs 77 8 Bijlage: afkortingenlijst 81
4
5 Samenvatting 1 Samenvatting De prestaties in het Nijmeegse onderwijs zijn heel behoorlijk: Cito-scores liggen meestal iets boven het landelijk gemiddelde, de Open WijkScholen bieden een breed onderwijsen activiteitenprogramma, de helft van de leerlingen van het voortgezet onderwijs gaat naar havo of vwo. Daarnaast is er echter ook veel variatie tussen scholen en wijken: in aandelen gewichtsleerlingen, groei of krimp en onderwijsprestaties. Het opleidingsniveau van de ouders is een belangrijke factor in de onderwijsprestaties van kinderen. In stond ongeveer 5% van de jarigen als voortijdig schoolverlater geregistreerd. De uitval bij het MBO (11%) is daarbij duidelijk hoger dan die in het voortgezet onderwijs (bijna 2%). Het gebruik van kinderopvang neemt toe. Meer dan 4 van de 5 kleuters doen mee aan een vorm van reguliere opvang. Overzicht hoofdconclusies In het onderstaande schema staan de belangrijkste conclusies over de Nijmeegse onderwijssituatie bij elkaar. In het vervolg van deze samenvatting worden die conclusies toegelicht. kinderopvang primair onderwijs voortgezet onderwijs middelbaar beroeps onderwijs hoger onderwijs positief neutraal negatief toenemend aanbod toenemend gebruik meestal goede prestaties op citoscore afnemend aantal gewichtsleerlingen OWS: ruim aanbod op juiste plaats veel deelname aan havo/vwo minder voortijdig schoolverlaten dan landelijk helft VSV-ers herplaatst naar werk of opleiding bij bekende doelgroep veel gebruik VVE, maar niet op genoeg dagdelen verandering in spreiding basisscholieren zorgt voor groei en krimp scholen helft van scholieren op Nijmeegse scholen komt uit regio 7% leerlingen in aanraking met leerplicht 1 op jarigen bezoekt MBO aantal studenten nog steeds stijgend Figuur 1 Samenvatting belangrijkste conclusies en ontwikkelingen per onderwijsvorm 14% 2- en 3-jarigen niet bereikt doelgroep niet volledig in beeld relatief veel kinderen naar S(B)O clustering achterstandsindicatoren 30% leerlingen gaat naar verder weg gelegen school sommige scholen kampen met terugloop belangstelling vooral op LWOO/VMBO voortijdig schoolverlaten (3-4%) 11% voortijdig schoolverlaters bij ROC, vergelijkbaar met landelijk cijfer 5
6 Cijfers en analyses Kinderopvang Toenemend aanbod en gebruik Het gebruik in Nijmegen van verschillende voorzieningen van kinderopvang neemt gestaag toe. Dit is ook mogelijk doordat het aanbod groeit. Kinderdagverblijf en peuterspeelzaal zijn elkaar aanvullende voorzieningen. De meeste kinderen gaan of naar de een òf naar de ander. Gebruik van beide tegelijk komt maar incidenteel voor. In de sociaal-economisch sterkere wijken ligt de nadruk op gebruik van kinderdagverblijven (tot 60-70% van de kinderen). In de sociaal-economische zwakkere wijken gaat de meerderheid juist naar een peuterspeelzaal. absoluut gebruik relatief gebruik kinderdagverblijf (als % 0-3) % 34% 36% peuterspeelzaal (als % 2-3) % 50% 52% BSO (als % basisgeneratie) % 11% 14% Figuur 2 Gebruik opvangvoorzieningen, bron: opgave voorzieningen Samen bereiken kinderdagverblijf en peuterspeelzaal rond 85% van alle 2- en 3- jarigen. De ongeveer 500 peuters die buiten het zicht van deze instellingen zijn, zijn voor de helft nog erg jong, tussen 2 en 2 ½ jaar, en stromen mogelijk nog in. Veel doelgroepkinderen bereikt met taalstimulering en voor- en vroegschoolse educatie Door het aanbieden van voorschoolse educatie op peuterspeelzalen en kinderdagverblijven streven we ernaar mogelijke achterstanden al voor de entree op de basisschool te verkleinen. Een moeilijkheid hierbij is dat we geen goed overzicht hebben van alle doelgroepkinderen in de voorschoolse leeftijd in Nijmegen. Daarom kunnen we slechts indicaties geven van de mate waarin deze groep bereikt wordt: Onder kinderen met een mogelijke onderwijs/taalachterstand is de deelname aan taalstimuleringsprojecten bij de peuterspeelzalen groot % van de peuters uit Dukenburg en Nijmegen-West, en ook meer dan de helft van de peuters met een Marokkaanse of Turkse achtergrond doet mee aan taalstimulering Bijna alle kinderen van wie bekend is dat ze tot de doelgroep behoren, doen mee aan programma s voor voor- en vroegschoolse educatie, vaak echter niet op zoveel dagdelen als gewenst. Primair onderwijs In Nijmegen gaan relatief veel kinderen naar Speciaal (Basis) Onderwijs Van alle kinderen die in Nijmegen het basisonderwijs, speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs bezoeken gaat ongeveer 90% naar het reguliere basisonderwijs. In heel Nederland ligt aan aandeel voor het reguliere basisonderwijs 2-3% hoger. In Nijmegen gaan zowel meer kinderen naar het speciaal basisonderwijs als naar het speciaal onderwijs. Net als landelijk is in Nijmegen wel de trend zichtbaar dat het bezoek aan het SBO daalt, terwijl dat aan het SO toeneemt. Steeds minder gewichtsleerlingen Leerlingen van wie de ouders een (zeer) laag opleidingsniveau hebben krijgen een leerlinggewicht. Om de mogelijke onderwijsachterstand van deze kinderen te bestrijden
7 Samenvatting krijgen scholen voor hen extra middelen ter beschikking. Het aandeel gewichtsleerlingen neemt, in Nijmegen en in Nederland, al jaren af. In het schooljaar 2007/2008 heeft 22% van de leerlingen een gewicht, tegenover 30% in 2001/2002. Deze daling is deels reëel, deels het gevolg van een verandering in definitie. In Nijmegen zijn er iets meer leerlingen met een gewicht dan in Nederland als geheel. De gewichtsleerlingen zijn niet gelijkmatig verdeeld over de stad. Vooral bij scholen in Dukenburg, West en Zuid zijn vaak hoge aandelen gewichtsleerlingen te vinden. Figuur 3 Aandeel gewichtsleerlingen per basisschool, 2007/2008 Groeiende en krimpende scholen Het aantal kinderen in de basisschoolleeftijd in Nijmegen is al jarenlang constant, ruim Door demografische processen verschuift de verdeling over de stad van deze groep wel. Zo is het aantal 4-12-jarigen in de nieuwbouwwijk Nijmegen-Noord de laatste jaren flink gegroeid, terwijl het aantal kinderen in Lindenholt, Oud-West en Midden juist afnam. Dit heeft natuurlijk gevolgen voor het leerlingaantal op de verschillende Nijmeegse basisscholen. Op 14 van de 41 scholen is de laatste 6 jaar het leerlingaantal met minstens 10% teruggelopen, op 4 scholen zelfs met meer dan 25%. Bij deze 4 scholen is zowel sprake van zowel het teruglopen van het aantal kinderen in het voedingsgebied als het teruglopen van de belangstelling onder die kinderen voor de school. Citoscore meestal iets boven landelijk niveau De meeste jaren ligt de Cito-score in Nijmegen (rond 535/536)iets hoger dan het Nederlandse gemiddelde (534/535). De Cito-score heeft een sterke relatie met het leerlinggewicht en daarmee met het onderwijsniveau van de ouders. Leerlingen zonder gewicht scoren gemiddeld wel 10 punten hoger dan leerlingen met een gewicht. 7
8 Cijfers en analyses Ook volgens de onderwijsinspectie doen de Nijmeegse basisscholen het over het algemeen goed. Op de jaarlijks door hen gepubliceerde lijst van zeer zwakke scholen komen geen scholen uit Nijmegen voor geen gew icht gew icht Figuur 4 Cito-scores van Nijmeegse leerlingen met en zonder gewicht, bron: groep 8 bestanden Samenhang van achterstandsindicatoren In de Nijmeegse aandachtswijken is sprake van een concentratie/ een samenhangend cluster van achterstandsindicatoren: De scholen in deze wijken hebben vaak hoge aandelen leerlingen met een leerlinggewicht. Omdat het leerlinggewicht sterk samenhangt met de prestaties in de Cito-test scoren deze scholen, zoals te verwachten is, vaak laag in deze toets. De doorstroming naar het middelbaar onderwijs is bijgevolg ook veel meer op VMBO gericht en minder op havo/vwo Het voorbijloopgedrag, het gegeven dat ouders en kinderen voor een verder weggelegen school kiezen, doet zich hier sterker dan gemiddeld voor. De OpenWijkScholen, waarin voorzieningen op gebied van onderwijs, zorg en welzijn zijn geïntegreerd, staan juist in deze wijken. Op de OpenWijkscholen zit een kwart van alle Nijmeegse kinderen, maar 2/3 van de gewichtsleerlingen. Voortgezet Onderwijs Voortgezet Onderwijs functioneert regionaal In Nijmegen zijn 13 scholen voor voortgezet onderwijs. Het studiejaar 2007/2008 hebben zich een paar belangrijke veranderingen voorgedaan. Vier scholen/ schoolonderdelen zijn gefuseerd tot het Mondial College, en in Nijmegen-Noord is een nieuwe school van start gegaan: het Citadelcollege. Samen tellen de Nijmeegse middelbare scholen zo n leerlingen. Ongeveer de helft van die leerlingen komt van buiten Nijmegen Veel leerlingen op havo/vwo Van de Nijmeegse scholieren in het reguliere voortgezet onderwijs gaat ruim de helft naar havo/vwo. In Nederland als geheel ligt dit aandeel rond de 45%. Tussen de wijken en stadsdelen zijn er duidelijke verschillen in aandeel leerlingen dat naar havo/vwo gaat. Het spreidingspatroon is logischerwijs vergelijkbaar met dat van
9 Samenvatting de achterstandsindicatoren uit het basisonderwijs: hoge scores in Oost en Midden, lage scores in West, Zuid, Dukenburg en Lindenholt. Onder niet-westerse leerlingen is het aandeel dat naar havo/vwo gaat lager dan gemiddeld: rond de 30%. 9 van 10 eindexamenkandidaten slagen Zo n 90% van de eindexamenkandidaten slaagt voor hun eindexamenkandidaten. VWO-ers doen het het best, havo-scholieren scoren relatief het slechts. Nijmegen zit daarmee ongeveer op het Nederlandse niveau, iets aan de bovenkant. Nijmegen 05/06 04/05 05/06 06/07 Nederland G4 ov. grote st. VMBO 93% 89% 89% HAVO 89% 87% 85% VWO 92% 94% 95% Figuur 5 Slaagresultaten Nijmeegse scholieren op Nijmeegse scholen, bron: VO-bestand en CBS Opvallend is dat er geen grote variatie tussen de Nijmeegse stadsdelen in slaagpercentages bestaat. In de aandachtswijken is de doorstroming naar lagere onderwijsniveaus dus wel bovengemiddeld, maar eenmaal daar op school presteren de leerlingen vergelijkbaar met die in de rest van Nijmegen. Schooluitval beperkt Ongeveer leerlingen van het voortgezet onderwijs, 7-8% van alle Nijmeegse leerlingen, komt jaarlijks in aanraking met de leerplichtambtenaar, voornamelijk vanwege verzuim, spijbelen en te laat komen. De daadwerkelijke schooluitval, het voortijdig schoolverlaten op de Nijmeegse VOscholen is veel lager: 1,4%. Dat is minder dan het landelijk gemiddelde (2%). Op VMBO-scholen is het aandeel voortijdig schoolverlaters hoger dan op de havo- en VWOafdelingen. Middelbaar Beroeps Onderwijs Twee scholen voor MBO In Nijmegen zijn er twee instellingen voor Middelbaar Beroeps Onderwijs. Het ROC, met meer dan leerlingen, en de Helicon-opleiding, waar bijna 1000 studenten een studie in de Landbouwsector volgen. Een kwart van de studenten aan de MBOinstellingen woont in Nijmegen. 11% MBO-ers verlaat school voortijdig Van de scholieren op het MBO verlaat 11% de school zonder startkwalificatie, dwz een diploma op minstens niveau 2. Op het ROC is het percentage schoolverlaters veel hoger dan op de Helicon. De schooluitval is het grootst op de lagere schoolniveaus. Helicon heeft geen opleiding op niveau 1, waardoor de uitval gunstig beïnvloed wordt. De totale uitval op het ROC ligt iets boven het landelijk gemiddelde. Dat komt omdat deze school relatief veel leerlingen op de lage niveaus heeft. Per niveau vergeleken is de ROC-uitval vergelijkbaar met de landelijke cijfers. De helft van de VSV-ers die in bekend was bij het Regionaal Meld- en Coördinatiecentrum werd naar werk of opleiding teruggeleid. 9
10 Cijfers en analyses VSV-ers als % ll ROC niveau ,8% niveau ,9% niveau ,6% niveau ,0% totaal ,5% Helicon niveau 1 -- niveau ,3% niveau 3 4 2,7% niveau 4 5 2,0% 22 4,3% MBO landelijk 9,4% Figuur 6 Aantal VSV-ers, absoluut en als % alle leerlingen, , bron: CFI-rapportage MBO, regio 14 Hoger Onderwijs Toenemende studentenaantallen Het aantal mensen dat aan de Radboud Universiteit of de Hogeschool Arnhem Nijmegen studeert groeit nog steeds. In het studiejaar 2006/2007 waren dat er meer dan De helft van de RU-studenten en 20% van de HBO-ers woont in Nijmegen. Centrum en Oost zijn bij hen populaire woongebieden.
11 Inleiding 2 Inleiding Vierde Onderwijsmonitor Om de paar jaar publiceren we in Nijmegen een Onderwijsmonitor. Na de Onderwijsmonitor 2005 is dit de vierde in de reeks. In de Monitor geven we periodiek een beeld van de stand van zaken en de ontwikkelingen over allerlei vormen van onderwijs: kinderopvang en peuterspeelzaal werk (hoofdstuk 3) primair onderwijs (basisonderwijs en speciaal onderwijs, hoofdstuk 4) voortgezet onderwijs (hoofdstuk 5) middelbaar beroeps onderwijs (hoofdstuk 6) hoger beroepsonderwijs en wetenschappelijk onderwijs (hoofdstuk 7) Thema s in de onderwijsmonitor Per onderwijsvorm gaan we in op de volgende thema s: aanbod Welk aanbod is er in Nijmegen? gebruik en bereik Hoeveel kinderen maken gebruik van de verschillende onderwijsvoorzieningen, wat zijn kenmerken van gebruikers, naar leeftijd, woonplek, herkomst etc.? onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren Op veel manieren kun je een beeld geven van de onderwijsprestaties en groepen die daarin achterblijven. In deze monitor kijken we o.a. naar onderwijsniveaus die leerlingen halen, slaagresultaten, leervertraging en schooluitval. prestatieafspraken Via het Onderwijs Achterstanden Beleid probeert de gemeente de ontwikkelingskansen voor jeugdigen te optimaliseren. De gemeente werkt daarvoor samen met de aanbieders op gebied van kinderopvang, basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Tussen gemeente en aanbieders zijn daarvoor prestatieafspraken gemaakt voor de periode Begin 2008 hebben alle aanbieders voor het eerst gerapporteerd in hoeverre zij deze gestelde doelen in het jaar 06/07 gerealiseerd hebben. Hoofdpunten uit deze meldingen komen in de Onderwijsmonitor aan bod. Cijfers en analyses Ieder hoofdstuk bestaat uit een aantal overzichtstabellen en een analyse. In de analyse kijken we naar ontwikkelingen en naar verschillen binnen Nijmegen. Waar mogelijk vergelijken we de situatie in Nijmegen met die in Nederland als geheel. Bronnen voor de onderwijsmonitor Voor de onderwijsmonitor zijn vele bronnen gebruikt: gemeentelijk leerplichtadministratie administraties van instellingen voor kinderopvang schooladministraties gemeentelijk basisadministratie (GBA, bevolkingsregister) jaarverslagen Leerplicht rapportages van het Regionale Meld en Coördinatiecentrum rapportages en site van de Centrale Financiële Instellingen (CFI) gegevens van het CBS verantwoordingsverslagen van subsidies 11
12 Cijfers en analyses
13 Kinderopvang en peuterspeelzaal 3 Kinderopvang en peuterspeelzaal Het gebruik van voorzieningen voor kinderopvang neemt steeds verder toe. Kinderdagopvang en peuterspeelzaal bieden daarbij een complementair aanbod:kinderen uit wijken of groepen die weinig gebruik maken van het kinderdagverblijf gaan relatief veel naar de peuterspeelzaal en omgekeerd. In totaal bezoekt zo n 80% van de 2-3 jarigen een van deze twee. Een kwart van de 2-3-jarigen neemt daar deel aan een programma voor taalstimulering. 14% van de basisschoolleerlingen gaat naar de buitenschoolse opvang. Per wijk kan het gebruik varieren van enkele procenten tot rond de 30%. 3.2 Inleiding Het aanbod op het gebied van kinderopvang wordt steeds diverser. In Nijmegen is er één grote aanbieder (KION). Daarnaast komen er steeds meer, soms kleine, soms wat grotere (commerciële) aanbieders. Het wordt daardoor steeds moeilijker om een compleet overzicht te bieden van het aanbod en gebruik van deze voorziening: door de versnipperdheid van het aanbod kan het gebeuren dat niet alle aanbieders bij de gemeente in beeld zijn. En niet alle aanbieders zijn bereid inzicht te bieden in de omvang en het gebruik van hun voorziening. Daarom is het beeld dat in dit hoofdstuk geschetst wordt een ondergrens. Het betreft het aanbod en gebruik voor zover bekend bij de gemeente. In dit hoofdstuk komen verschillende vormen van kinderopvang aan de orde: kinderdagverblijven Kinderdagverblijven bieden in principe de hele dag opvang voor kinderen van 0-3 jaar, terwijl hun ouders werken, studeren of andere bezigheden hebben. peuterspeelzalen Voor de 2-3 jarigen zijn er peuterspeelzalen. De peuterspeelzalen (PSZ) zijn vooral gericht op de ontwikkeling van de peuters. Een kind bezoekt meestal 2 of 3 keer per week gedurende enkele uren een peuterspeelzaal buitenschoolse opvang Voor kinderen die de basisschool bezoeken is er de buitenschoolse opvang (BSO), waar ze na schooltijd (en soms ook voor school) en in de vakantie terecht kunnen voor opvang terwijl hun ouders werken. Naast de besproken vormen van opvang bestaan er ook nog verschillende gastouderbureaus, die opvang aan huis voor (meestal) 0-12 jarigen kinderen organiseren. Vanwege een gebrek aan gegevens worden die in dit hoofdstuk niet behandeld. De situatie die in dit hoofdstuk beschreven wordt is die van begin/voorjaar Aanbod Capaciteit over het algemeen toegenomen In vergelijking tot een paar jaar geleden is de capaciteit van de kinderopvangvoorzieningen over het algemeen toegenomen: 13
14 Cijfers en analyses In Nijmegen zijn 33 kinderdagverblijven. Daarvan worden er 17 geëxploiteerd door het KION, de rest door andere instellingen of particulieren. Het aantal kinderdagverblijven is de laatste jaren niet veranderd. De capaciteit, het aantal kinderen dat kan worden opgevangen wanneer ze de volledige week zouden komen, is wel gestegen. Omdat kinderen over het algemeen niet een volle week naar de opvang gaan is het aantal kinderen dat gebruik kan maken van de voorziening groter dan de capaciteit. In Nijmegen zijn er in peuterspeelzalen. Bijna alle speelzalen vallen onder het KION. Slechts één peuterspeelzaal (Belhamel bij de Klokkenberg) staat los van het KION. In vergelijking tot 2 jaar geleden is het aantal peuterspeelzalen iets afgenomen. Vooral aan de westkant van de stad (Dukenburg en Lindenholt) zijn er wat peuterspeelzalen gesloten. Het aantal jonge kinderen nam daar ook af. In Nijmegen-Noord is er juist een peuterspeelzaal bijgekomen. De capaciteit van de peuterspeelzalen is wat lastiger aan te geven omdat die tamelijk flexibel is. In een locatie kunnen relatief makkelijk groepen starten of vervallen. Het aantal voorzieningen voor buitenschoolse opvang is de laatste jaren gegroeid van 18 naar 21. Sommige BSO s hebben meerdere vestigingen waardoor het aantal locaties waar een BSO is wat groter is. De capaciteit is nog veel sterker gegroeid. Net als voor de kinderdagverblijven geldt dat het aantal kinderen dat opgevangen kan worden groter is dan de capaciteit omdat bijna geen enkel kind de volledige week komt. aantal voorzieningen capaciteit kinderdagverblif peuterspeelzaal buitenschoolse opvang Figuur 7 Aantal en capaciteit voorzieningen, Spreiding over stad De kinderdagverblijven zitten niet precies gelijkmatig verspreid over de wijken. Dit is ook niet noodzakelijk: soms zoeken ouders een dagverblijf in de buurt van of onderweg naar hun werk. In bijna iedere wijk van Nijmegen is er minstens één peuterspeelzaal. De enige wijken zonder peuterspeelzaal zijn het Centrum, de Kwakkenberg, Groenewoud en Lankforst. In lang niet iedere wijk van Nijmegen zit een BSO. Gevolg hiervan is dat er veel taxivervoer (nodig) is om voor kinderen die niet in de buurt van een BSO op school zitten toch buitenschoolse opvang te verzorgen.
15 Kinderopvang en peuterspeelzaal Figuur 8 Spreiding en grootte (aantal deelnemers) voorzieningen voor kinderopvang, Gebruik en bereik In hoofdzaak Nijmeegse gebruikers Peuterspeelzalen en buitenschoolse opvang in Nijmegen worden bijna alleen gebruikt door kinderen die ook in Nijmegen wonen: resp. 98 en 94% van de kinderen komt uit de eigen plaats. Op de kinderdagverblijven komt 13% van de kinderen van buiten Nijmegen. Het zal hier vaak gaan om kinderen van wie de ouders in Nijmegen werken. gebruikers Nijm. gebruikers kinderdagverblijf peuterspeelzaal buitenschoolse opvang Figuur 9 Totaal gebruik en gebruik door Nijmeegse kinderen, voorjaar
16 Cijfers en analyses Wanneer we het in het vervolg over gebruik van kinderopvang hebben bedoelen we steeds het gebruik van de Nijmeegse voorzieningen door Nijmeegse kinderen. Gebruik is toegenomen Het aantal kinderen uit Nijmegen dat in 2007 gebruik maakt 1 van een van de voorzieningen voor kinderopvang is absoluut en relatief gezien groter dan de voorgaande jaren. Dit is natuurlijk ook mogelijk doordat het aanbod aan deze voorzieningen groter is geworden. absoluut gebruik relatief gebruik kinderdagverblijf (als % 0-3) % 34% 36% peuterspeelzaal (als % 2-3) % 50% 52% BSO (als % basisgeneratie) % 11% 14% Figuur 10 Nijmeegse kinderen op Nijmeegse kinderdagverblijf, peuterspeelzaal en BSO, stand per februari In totaal 86% van 2- en 3-jarigen bereikt met kinderdagverblijf en peuterspeelzaal In Figuur 10 is per opvangvoorziening aangegeven hoeveel kinderen die bezoeken. Het is echter ook interessant te weten hoeveel van de Nijmeegse kinderen geen vorm van kinderopvang bezoeken. Dat is het beste te bekijken voor de groep 2- en 3 jarigen. Deze kinderen kunnen zowel naar de peuterspeelzaal (leeftijdscategorie 2- en 3) als naar het kinderdagverblijf (voor leeftijd 0 t/m 3). Een klein deel van hen bezoekt beide. geen bezoek 14% PSZ/KDV 4% alleen PSZ 48% alleen KDV 34% Figuur 11 Bezoek kinderopvang door 2- en 3-jarigen, 2007 Van alle Nijmeegse 2- en 3-jarigen gaat 86% naar de peuterspeelzaal en/of het kinderdagverblijf. 14%, rond de 500 kinderen, gaat naar geen van beide voorzieningen. Bijna de helft van deze groep bestaat uit erg jonge peuters (tussen de 2 en 2½jaar oud). Het is goed mogelijk dat een deel van hen nog gebruik gaat maken van peuterspeelzaal. Minstens 250, wat oudere, peuters lijkt echter definitief buiten het zicht van de opvanginstellingen te vallen. 1 In 2007 zijn gebruiksgegevens bekend van 28 van de 33 KDV, 37 van de 38 PSZ en 19 van de 21 BSO
17 Kinderopvang en peuterspeelzaal Gebruik varieert per groep en gebied In Figuur 10 is te zien hoe het totale gebruik in Nijmegen van kinderopvang is. Binnen de stad is er echter sprake van een grote verscheidenheid aan deelname: Tussen wijken zie je grote verschillen. Het aandeel dat de peuterspeelzaal bezoekt varieert van minder dan 20 tot meer dan 70%. Het aandeel dat naar het kinderdagverblijf gaat schommelt tussen 10 en bijna 70%. Peuterspeelzaal en kinderdagverblijf lijken daarbij op twee communicerende vaten: waar weinig kinderen naar het kinderdagverblijf gaan, gaan er veel naar de peuterspeelzaal en omgekeerd. In sociaal-economisch sterke wijken (Oost, Hazenkamp) gaan kinderen vaak naar het kinderdagverblijf en weinig naar de peuterspeelzaal. In sociaal-economisch gezien wat zwakkere wijken (Dukenburg, Lindenholt, Hatert, Neerbosch) gaan kinderen juist vaak naar de peuterspeelzaal en weinig naar het kinderdagverblijf. Opvallend is dat in de wijken van de Biezen en Nije Veld dit patroon niet voor komt, daar is zowel gebruik van kinderdagverblijf als peuterspeelzaal gemiddeld. De schommelingen in het gezamenlijke bereik van kinderdagverblijf en peuterspeelzaal zijn veel minder groot: in alle wijken gaat 75-95% van de kinderen (2- en 3-jarigen) naar een van deze twee vormen van kinderopvang. Figuur 12 Gebruik peuterspeelzaal en kinderdagverblijf 2- en 3-jarigen, maart 2007 Ook het gebruik van de BSO verschilt sterk tussen wijken. Wijken met een hoog gebruik zijn Altrade, Groenewoud, Hazenkamp, Heijendaal, Oosterhout en Lent (rond de 25%). Relatief weinig gebruik van de BSO wordt gemaakt in Nije Veld, Hatert, Biezen, Wolfskuil, Dukenburg (behalve Weezenhof) en Lindenholt: onder de 10%. Marokkaanse en Turkse kinderen gaan erg weinig naar kinderdagverblijf of BSO, ze gaan echter wel bovengemiddeld vaak naar de peuterspeelzaal. Surinaamse kinderen gaan wat minder dan gemiddeld naar kinderdagverblijf of BSO, Antilliaanse kinderen bezoeken BSO en KDV gemiddeld. 17
18 Cijfers en analyses ongeveer 70% van de kinderen is autochtoon. Daarom lijken de scores van de autochtone kinderen natuurlijk erg op die van alle kinderen bij elkaar. Wel bezoeken autochtone kinderen de peuterspeelzaal wat minder dan gemiddeld het gebruik onder zowel de westerse- als de overig-niet-westerse kinderen van de opvangvoorzieningen wijkt niet veel of van het Nijmeegse gemiddelde. Alleen de deelname aan kinderdagverblijf van niet-westerse kinderen is aan de lage kant. bereik PSZ bereik KDV bereik BSO autochtoon 45% 38% 15% Surinaams 45% 17% 8% Antil/Arub 37% 33% 14% Turks 68% 12% 3% Marokkaans 66% 8% 3% westers 48% 32% 12% niet-westers 50% 21% 10% totaal 52% 36% 14% Figuur 13 Gebruik van kinderopvangvoorzieningen per etnische groep 2, februari Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: taalstimulering Veel peuterspeelzalen en enkele kinderdagverblijven hebben een programma voor taalstimulering. Kinderen die op taalgebied niet zo sterk zijn, vaak kinderen van allochtone ouders, krijgen zo extra hulp voor taalontwikkeling. In totaal neemt een kwart van alle 2- en 3 jarigen in Nijmegen deel aan zo n programma. Zoals te verwachten en bedoeld is de deelname het hoogst onder groepen die ook sterk vertegenwoordigd zijn in het peuterspeelzaalgebruik: meer dan de helft van de Turkse en Marokkaanse peuters neemt deel aan taalstimulering in de wijken in Dukenburg (met uitzondering van de Weezenhof) neemt rond de 70% van de kinderen deel aan taalstimulering, in Nije Veld, Hatert, Wolfskuil en Neerbosch rond de 50%. autochtoon 16% Surinaams 28% Antil/Arub 28% Turks 57% Marokkaans 54% westers 23% niet-westers 36% Total 25% Figuur 14 Deelname 2-3 jarigen aan taalstimulering, feb 2007 (als % totale groep 2-3 in Nijmegen) 2 In de Onderwijsmonitor gaan we uit van de CBS-definitie van etniciteit. Globaal betekent dit dat mensen die zelf geboren zijn in, of van wie een van de ouders geboren is in landen buiten Europa, Noord-Amerika en Australië een niet-westerse etniciteit heeft
19 Kinderopvang en peuterspeelzaal In vergelijking tot 2006 en 2005 doen er iets minder kinderen mee aan de taalstimulering (toen bijna 30%). Vooral in Lindenholt is het gebruik afgenomen. Mogelijk is de sluiting van een peuterspeelzaal in Lindenholt hier de verklaring voor. 3.6 Prestatieafspraken Afspraken Veel van de prestatieafspraken met het KION in het kader van het onderwijsachterstandenbeleid zijn organisatorisch van karakter: groepsgrootte, kindvolgsysteem, overdracht naar primair onderwijs. Eén van de prestatieafspraken kan goed in deze Onderwijsmonitor behandeld worden: het voornemen om doelgroepkinderen van 2 en 3 jaar oud te bereiken met een programma voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE). Dit voornemen is als volgt uitgewerkt: 303 kinderen die volgens de gewichtregeling primair onderwijs (PO) een leerlinggewicht hebben (d.i. ouders hebben met een (zeer) lage opleiding) volgen een VVE-programma, gedurende drie dagdelen per week het KION hanteert zelf een indeling in aandachtsgroepen die ruimer is dan de POregeling. Zo horen ook kinderen met een problematische thuissituatie, een andere thuistaal of een problematische taalontwikkeling tot de KION-doelgroep. Het streven is van de kinderen uit de KION-doelgroep (waaronder de kinderen uit de POdoelgroep) er 600 te bereiken met een VVE-programma. Doelgroepkinderen onder 2- en 3-jarigen Het KION heeft intensieve VVE-programma s op 20 peuterspeelzalen en 2 kinderdagverblijven en lichtere VVE-programma s op 8 peuterspeelzalen en 1 kinderdagverblijf. In totaal zijn er in Nijmegen zo n 3300 kinderen van 2 en 3 jaar oud. In najaar 2007 heeft het KION bij de helft van hen (kinderen van de peuterspeelzalen en de 3 bij VVE betrokken kinderdagverblijven) een PO- en KIONgewicht vastgesteld. 14% 50% 10% alleen KIONdoelgroep PO/KION-doelgroep geen doelgr. niet getoetst 26% Figuur 15 Toetsing 2- en 3-jarigen naar doelgroep, KION najaar 2007 Van de getoetste kinderen hoorde ruim de helft tot geen enkele doelgroep. 20% van de getoetste kinderen (dwz minimaal 10% van alle kinderen) hoorde volgens de POnormen tot de doelgroep. Gebruik je niet de strenge PO-normen, maar de bredere KION- 19
20 Cijfers en analyses normen dan hoort ongeveer de helft van de getoetste kinderen (minimaal een kwart van alle kinderen) tot de doelgroep. De niet-getoetste kinderen zitten voor het grootste deel op een kinderdagverblijf. Gezien de ervaring in de 3 wel getoetste kinderdagverblijven zal het aandeel POdoelgroepkinderen hier duidelijk lager zal zijn dan bij de wel getoetste groep. Hoe dat is onder de kinderen die noch peuterspeelzaal, noch kinderdagverblijf bezoeken (17% van alle 2-3 jarigen) is niet te zeggen. Bijna alle kinderen die volgens de toets tot de PO of KION-doelgroep horen gingen naar een peuterspeelzaal of kinderdagverblijf waar een VVE-programma is. Net iets meer dan de helft ging minstens drie dagdelen, de minimum deelnametijd die in de prestatieafspraken is bepaald. In absolute termen zaten najaar en 3-jarigen uit de KION-doelgroep op een VVE-opvang, waarvan 390 minstens 3 dagdelen. In de PO-doelgroep bezochten 312 kinderen een VVE-opvang, waarvan 183 minimaal 3 dagdelen. Hoewel dus de deelname van kinderen van wie bekend is dat zij een PO-gewicht hebben aan de VVE-programma s groot is, wordt de gewenste intensiteit (303 minstens drie dagdelen) niet gehaald. Conclusie Het totale aantal doelgroepkinderen is onbekend. Vooral de 14% van de 2- en 3- jarigen die noch kinderdagverblijf, noch peuterspeelzaal bezoeken vormen een black-box Van de wel bekende doelgroepkinderen doet bijna 100% mee aan een VVEprogramma, 50-60% van hen gaat drie dagdelen per week. De doelstelling 303 doelgroepkinderen minstens drie dagdelen aan een VVE-programma te laten deelnemen wordt niet gehaald. De doelstelling 600 KION-doelgroepkinderen deel te laten nemen aan een VVEprogramma wordt ruim gehaald: 781.
21 Kinderopvang en peuterspeelzaal Tabel 1Kencijfers kinderdagverblijven naar wijk (maart 2007) 3 stadsdelen wijken populatie aantal aantal 0-3 jr perc. 0-3 j. kdv plaatsen in opvang gebruikers Centrum Benedenstad % Stadscentrum % Oost Bottendaal % Galgenveld % Altrade % Hunnerberg % Hengstdal % Kwakkenberg % Groenewoud % Ooyse Schependom % Oud-West Biezen % Wolfskuil % Nieuw-West Hees % Heseveld % Neerbosch-Oost % Haven- en industrieterrein % Midden Nije Veld % Hazenkamp % Goffert % St. Anna % Heijendaal % Zuid Hatertse Hei % Grootstal % Hatert % Brakkenstein % Dukenburg Tolhuis % Zwanenveld % Meijhorst % Lankforst % Aldenhof % Malvert % Weezenhof % Staddijk % Lindenholt t Acker % De Kamp % t Broek % Westkanaaldijk % Neerbosch-West % Noord Oosterhout % Ressen % Lent % Nijmegen % 3 Van 5 van de 33 kinderdagverblijven zijn geen gebruiksgegevens bekend 21
22 Cijfers en analyses Tabel 2 Kerncijfers peuterspeelzalen naar wijk (maart 2007) 4 stadsdelen wijken 2-3 jarigen aantal perc. populatie gebruikers gebruik PSZ Centrum Benedenstad % Stadscentrum % Oost Bottendaal % Galgenveld % Altrade % Hunnerberg % Hengstdal % Kwakkenberg % Groenewoud % Ooyse Schependom % Oud-West Biezen % Wolfskuil % Nieuw-West Hees % Heseveld % Neerbosch-Oost % Haven- en industrieterrein % Midden Nije Veld % Hazenkamp % Goffert % St. Anna % Heijendaal % Zuid Hatertse Hei % Grootstal % Hatert % Brakkenstein % Dukenburg Tolhuis % Zwanenveld % Meijhorst % Lankforst % Aldenhof % Malvert % Weezenhof % Staddijk % Lindenholt t Acker % De Kamp % t Broek % Westkanaaldijk 1 0 0% Neerbosch-West 0 0 Noord Oosterhout % Ressen 5 0 0% Lent % Nijmegen % 4 Betreft uitsluitend Kion-peuterspeelzalen, Nijmegen heeft één peuterspeelzaal (Hunnerberg) die niet bij het Kion hoort
23 Kinderopvang en peuterspeelzaal Tabel 3 Deelname door kinderen van 2-3 jaar aan KDV- en/of PSZ (maart 2007) stadsdelen wijken populatie gebruikers gebruikers gebruikers gebruikers perc. 2 en 3 j. alleen kdv+psz alleen en/of taalstim. kdv psz kdv/psz Centrum Benedenstad 23 22% 9% 52% 83% 0% Centrum 33 24% 6% 42% 73% 3% Oost Bottendaal 58 52% 10% 29% 91% 2% Galgenveld 92 63% 3% 26% 92% 9% Altrade 95 69% 3% 23% 96% 0% Hunnerberg 32 81% 3% 16% 100% 9% Hengstdal % 4% 33% 98% 5% Kwakkenberg 17 59% 0% 18% 76% 0% Groenewoud 28 54% 11% 25% 89% 14% Ooyse Schependom 5 60% 0% 80% 140% 0% Oud-West Biezen % 1% 50% 81% 39% Wolfskuil % 1% 56% 84% 57% Nieuw-West Hees 61 52% 0% 41% 93% 7% Heseveld % 7% 46% 95% 35% Neerbosch Oost % 1% 59% 77% 51% Haven- en industrieterrein 4 0% 0% 75% 75% 0% Midden Nije Veld % 2% 58% 85% 52% Hazenkamp % 4% 35% 94% 7% Goffert 40 23% 3% 50% 75% 45% St. Anna 70 59% 10% 29% 97% 0% Heijendaal 13 77% 0% 31% 108% 8% Zuid Hatertse Hei % 4% 47% 95% 5% Grootstal 98 29% 2% 51% 82% 32% Hatert % 2% 62% 85% 49% Brakkenstein 64 39% 3% 45% 88% 3% Dukenburg Tolhuis 78 13% 1% 72% 86% 73% Zwanenveld 95 12% 1% 68% 81% 68% Meijhorst 75 13% 1% 59% 73% 69% Lankforst 52 17% 8% 60% 85% 75% Aldenhof 59 20% 2% 69% 92% 69% Malvert 54 20% 2% 63% 85% 70% Weezenhof 68 32% 7% 54% 94% 0% Staddijk 5 0% 0% 160% 160% 160% Lindenholt t Acker % 5% 66% 87% 23% De Kamp % 1% 66% 77% 4% t Broek % 3% 59% 86% 5% Westkanaaldijk 1 0% 0% 0% 0% 0% Neerbosch West 0 Noord Oosterhout % 4% 35% 78% 1% Ressen 5 40% 0% 0% 40% 0% Lent % 7% 37% 85% 0% Nijmegen % 4% 48% 86% 25% 23
24 Cijfers en analyses Tabel 4 Kencijfers buitenschoolse opvang naar wijk (maart 2007) 5 stadsdelen wijken basis- aantal aantal % basisgen. generatie plaatsen gebruikers in opvang Centrum Benedenstad % Centrum % Oost Bottendaal % Galgenveld % Altrade % Hunnerberg % Hengstdal % Kwakkenberg % Groenewoud % Ooyse Schependom % Oud-West Biezen % Wolfskuil % Nieuw-West Hees % Heseveld % Neerbosch Oost % Haven- en industrieterrein % Midden Nije Veld % Hazenkamp % Goffert % St. Anna % Heijendaal % Zuid Hatertse Hei % Grootstal % Hatert % Brakkenstein % Dukenburg Tolhuis % Zwanenveld % Meijhorst % Lankforst % Aldenhof % Malvert % Weezenhof % Staddijk % Lindenholt t Acker % De Kamp % t Broek % Westkanaaldijk % Neerbosch West % Oosterhout % Ressen % Lent % Nijmegen % 5 basisgeneratie is het aantal kinderen 4-11 jaar + 30% van de 12-jarigen capaciteit is het aantal kinderen dat geplaatst kan worden wanneer zij een volledige week komen Van 19 van de 21 BSO's in Nijmegen zijn gebruiksgegevens bekend
25 Primair onderwijs 4 Primair onderwijs Het aantal leerlingen in het primair onderwijs is al jarenlang stabiel. Van deze kinderen bezoekt 93 % een reguliere basisschool, 7% gaat naar het Speciaal (Basis) Onderwijs. Het aandeel gewichtsleerlingen bedraagt in het schooljaar 07/08 22% en daalt gestaag. Er zijn daarbij grote verschillen over de stad en scholen. Er is een sterke concentratie van achterstandskenmerken zichtbaar: veel gewichtsleerlingen, lage onderwijsniveaus van ouders, lage citoscoren, lage schooladviezen, wijken met sociaal-economische achterstand vallen samen. Juist hier zijn de OpenWijkScholen actief. 30% van de Nijmeegse scholieren bezoekt een basisschool die duidelijk verder weg ligt dan de dichtsbijzijnde school. Dit voorbijloopgedrag doet zich vooral voor bij scholen in achterstandswijken, met veel gewichtsleerlingen en met sterke signatuur. 4.1 Inleiding Het primair onderwijs omvat verschillende schoolsoorten: in omvang het belangrijkst is het basisonderwijs (BO), voor kinderen van 4 tot ongeveer 12 jaar het speciaal basisonderwijs (SBO), voor kinderen met leer- en opvoedingsproblemen het speciaal onderwijs, voor kinderen met een handicap of onderwijsbeperking die niet onder het SBO valt (chronisch zieke kinderen, kinderen met spraak- of taalproblemen, kinderen met psychiatrische aandoeningen, zeer moeilijk lerende kinderen, kinderen met gedragsstoornissen). Er zijn zowel scholen voor SO (voor kinderen van 4 tot ongeveer 20 jaar) als scholen voor VSO (voortgezet speciaal onderwijs), alleen voor oudere kinderen. Ook zijn er scholengemeenschappen voor SO en VSO samen. Het onderscheid tussen de verschillende onderwijssoorten wordt steeds minder scherp. Zo bestaat sinds 2003 het rugzakje. Hiermee kunnen kinderen ipv het SO het reguliere BO bezoeken, waarbij dan extra middelen voor begeleiding ter beschikking staan. In dit hoofdstuk beperken we ons in principe tot de kinderen in de basisgeneratie 6, globaal gesproken de groep tussen 4 en 12 jaar. De kinderen uit het SO die ouder zijn dan 12 en de kinderen uit het VSO komen in het hoofdstuk over voortgezet onderwijs aan de orde. 4.2 Aanbod en gebruik: basisonderwijs en speciaal onderwijs 93% van de kinderen bezoekt reguliere basisschool Er zijn verschillende manieren om de Nijmeegse basisschooljeugd in beeld te brengen: via bevolkingsregistratie: Een eerste invalshoek is te kijken naar alle kinderen die in Nijmegen wonen en volgens de leeftijdsdefinitie tot de basisgeneratie behoren. Van deze kinderen zijn in het bevolkingsbestand gegevens als adres, leeftijd, geslacht en etniciteit bekend. 6 binnen het bevolkingsbestand wordt de groep 4-11-jarigen + 30% van de 12- jarigen als basisgeneratie gedefinieerd 25
26 Cijfers en analyses Via leerplichtadministratie: Het leerplichtbestand gaat uit van de kinderen die ingeschreven staan in het bevolkingsregister. Van ieder kind worden gegevens schoolbezoek vastgelegd. Via gegevens van scholen: Uit de administraties van de Nijmeegse (basis)scholen blijkt hoeveel kinderen de scholen in Nijmegen bezoeken, waar die kinderen wonen, of het gewichtsleerlingen betreft etc. In grote lijnen gaat het bij deze drie bronnen/bestanden steeds om dezelfde kinderen. Er zijn echter ook verschillen. Sommige kinderen zijn wel bekend bij Leerplicht/GBA, maar niet bij de Nijmeegse scholen: dat betreft kinderen uit Nijmegen die een school buiten de plaats bezoeken. Soms komen ook kinderen van buiten naar een Nijmeegse school. Dan komen ze wel voor in de schoolbestanden, maar niet in de Leerplicht- en Bevolkingsadministratie. Dit intergemeentelijk schoolverkeer komt vooral voor bij speciaal onderwijs en bij basisonderwijs met een speciaal karakter (bv. vrije school, gereformeerde school). basisgeneratie leerlingen Nijmeegse leerlingen volgens Leerplicht volgens GBA basisscholen BO SBO SO t/m 12 jaar ,1% 3,8% 3,1% ,2% 3,8% 3,0% ,0% 3,6% 3,3% ,0% 3,6% 3,3% Figuur 16 Verhouding onderwijssoorten binnen Nijmeegse basisgeneratie, Bron: GBA, CFI-telling, Leerplicht In Nijmegen wonen ongeveer kinderen die tot de basisgeneratie behoren. Van hen bezoekt 93% een reguliere basisschool. De rest is vrij gelijkmatig verdeeld over het SBO en het SO. Al jarenlang is het de trend dat het aantal en aandeel kinderen dat naar het SO gaat (licht) stijgt, terwijl bij het bezoek aan het SBO zich een lichte daling voordoet. Ook de laatste paar jaar is dat nog enigszins zichtbaar in de Nijmeegse cijfers. Bezoek aan Speciaal (Basis) Onderwijs groter in aandachtswijken Niet in alle groeperingen is het aandeel kinderen dat het reguliere cq speciaal (basis) onderwijs bezoekt gelijk. Er is een groot verschil tussen sociaal-economisch sterke en economisch zwakkere wijken (aandachtswijken 7 ). Leerlingen in de basisschoolleeftijd die in de aandachtswijken wonen gaan voor bijna 10% naar speciaal (basis)onderwijs, in de overige wijken 4%. Zowel het speciaal onderwijs als het speciaal basisonderwijs wordt meer bezocht in de aandachtswijken. 7 Hier worden onder aandachtswijken verstaan de wijken die, op aangeven van de afdeling Wijkmanagement in de Stadspeiling 2007 zo zijn benoemd: Benedenstad, Stadscentrum, Nije Veld, Grootstal, Hatertse Hei, Hatert, Biezen, Wolfskuil, Heseveld, Neerbosch-Oost, Tolhuis, Zwanenveld, Meijhorst, Aldenhof, Malvert, t Acker, de Kamp
27 Primair onderwijs Ook onder (niet-westerse) allochtonen is het bezoek aan SBO en SO hoger dan onder autochtone en westerse kinderen. Dit hangt natuurlijk sterk samen met de vorige constatering: een niet-westerse etniciteit gaat vaak samen met een zwakke sociaaleconomische positie en een woning in een aandachtswijk. BO SBO SO t/m 12 aandachtswijk 90,2% 5,4% 4,4% rest stad 96,2% 1,6% 2,2% autochtoon 93,6% 3,4% 3,0% Surinaams 89,5% 6,5% 3,9% Antil/Arub 89,8% 6,7% 3,5% Turks 89,7% 5,0% 5,3% Marokkaans 92,8% 5,1% 2,1% westers 93,9% 2,5% 3,6% niet-westers 91,3% 3,8% 4,9% totaal 93,0% 3,6% 3,3% Figuur 17 Bezoek BO, SBO en SO per categorie, schooljaar 2007/2008, Leerplicht In Nijmegen meer leerlingen naar S(B)O dan landelijk In de cijfers die het CBS voor Nederland als geheel publiceert is geen onderscheid gemaakt naar de leeftijd van leerlingen in het SO (jonger of ouder dan 12). Om een vergelijking met Nederland te kunnen maken moeten we de Nijmeegse cijfers die tot nu toe genoemd zijn aanvullen met die van leerlingen van het SO ouder dan 12 en van het VSO. Dat is in Figuur 18 gebeurd. Dan blijkt dat in Nijmegen meer kinderen naar het SBO, en vooral naar het SO gaan, dan landelijk. De trend dat het aandeel SBO daalt en het aandeel SO stijgt, is in Nijmegen en Nederland vergelijkbaar. Gegevens van andere steden zijn niet bekend, zodat we niet kunnen vaststellen of het relatief grote aandeel S(B)O-leerlingen misschien een stedelijk verschijnsel is. Dit is een redelijke veronderstelling omdat in steden meer dan gemiddeld achterstands/ gewichtsleerlingen wonen die vaker naar het S(B)O gaan (zie ook Figuur 17). BO SBO SO totaal Nijm. Nederl. Nijm. Nederl. Nijm. Nederl ,3% 93,7% 3,7% 3,1% 4,9% 3,1% ,1% 93,6% 3,7% 3,0% 5,2% 3,4% ,6% 93,5% 3,5% 2,8% 5,9% 3,7% ,0% 3,5% 6,5% Figuur 18 Verdeling over schoolsoorten, Nijmegen en Nederland Scholen in het speciaal onderwijs en speciaal basisonderwijs Zoals in Figuur 16 te zien is bezoeken 453 Nijmeegse kinderen het SBO en 414 kinderen t/m 12 jaar het SO. De leerlingen van het SBO zitten bijna allemaal op een van de twee Nijmeegse vestigingen van het SBO, in de Goffert of Lindenholt. In het SO is de spreiding breder. Binnen Nijmegen zijn er vier scholen voor SO ( t Driespan, Martinus van Beek, Tarcisius 27
28 Cijfers en analyses en Talita Koemi 8 ). Daarnaast hebben twee SO-scholen nevenvestigingen in Nijmegen (de Brouwerij/Ackjon en het Peadologisch Instituut). Ongeveer de helft van de Nijmeegse kinderen die SO volgen zit op een van deze Nijmeegse scholen. Daarnaast zijn er direct aan de Nijmeegse stadsgrenzen nog een viertal scholen voor SO (St. Maartenschool, Beuk en Berk, Mgr. Terwindt en het Peadologisch Instituut) die veel Nijmeegse kinderen onderwijzen. Een klein gedeelde van de SO-leerlingen, nog geen 10%, bezoekt een school wat verder weg. Speciaal Basis Onderwijs SBO Nijmegen, locatie de Goffert 278 SBO Nijmegen, locatie Lindenholt 152 SBO buiten Nijmegen 23 totaal 453 Speciaal Onderwijs 't Driespan 29 Talita Koemi School voor SO en VSO 64 Tarcisiusschool 13 Martinus van Beekschool 76 St. Maarten/Terwindt/Berk en Beuk/Peadologis 196 elders 36 totaal 414 Figuur 19 Nijmeegse leerlingen SBO en SO (t/m 12 jaar), 2007/2008, bron: Leerplicht De Nijmeegse scholen voor SO ontvangen ook veel leerlingen van buiten Nijmegen. Alleen op Talita Koemi is het aandeel leerlingen van buiten de gemeente laag (13%), bij de andere drie scholen komt de helft tot driekwart van de leerlingen van buiten Nijmegen Goffert Lindenholt Driespan Talita Koemi Tarcisius M. van Beek 02/03 03/04 04/05 05/06 06/07 Figuur 20 Ontwikkeling leerlingaantallen Nijmeegse scholen voor S(B)O, CFI 8 Tarcisius en Talita Koemi hebben ook leerlingen in de leeftijd jaar, in dit hoofdstuk zijn alleen de leerlingen t/m 12 jaar betrokken
29 Primair onderwijs De leerlingaantallen op de Nijmeegse S(B)O-scholen zijn vrij stabiel. Alleen de Martinus van Beekschool heeft de laatste leerjaren een stijging doorgemaakt (van 230 naar 256 leerlingen) 4.3 Aanbod en gebruik: ontwikkeling basisscholen en basisscholieren Sinds nieuwe basisscholen In Nijmegen zijn er 41 basisscholen. De nieuwste scholen zijn de Oversteek en het Talent. Deze scholen staan in het nieuwbouwgebied de Waalsprong en zijn in het begin van deze eeuw geopend. In bijna alle Nijmeegse wijken staat een basisschool. Alleen de wijken Centrum, Groenewoud, Heyendaal en Kwakkenberg hebben geen school binnen de wijkgrenzen. Aantal leerlingen constant, toch veel veranderingen Zoals ook in de vorige paragraaf al te zien was is het aantal kinderen in de basisgeneratie in Nijmegen en het aantal leerlingen op de Nijmeegse basisscholen in totaliteit al een aantal jaar behoorlijk constant. Binnen de totale groep zijn er echter behoorlijke verschuivingen. Per school, per stadsdeel kunnen de ontwikkelingen behoorlijk uiteenlopen. De basisgeneratie in Nijmegen is nu ongeveer gelijk aan die in In Lindenholt, Oud-West en Midden nam het aantal basisschoolkinderen echter met ruim 10% af, terwijl in Nijmegen-Noord het aantal kinderen in de basisschoolleeftijd juist verdubbelde N-Centrum N-Oost N-Oud-West N-Nieuw-West N-Midden N-Zuid Dukenburg Lindenholt N-Noord totaal N-Centrum N-Oost N-Oud-West N-Nieuw-West N-Midden N-Zuid Dukenburg Lindenholt N-Noord totaal Figuur 21 Basisgeneratie per 1-1 naar woonstadsdeel, absoluut en als index (2002=100), GBA Zulke schommelingen hebben hun weerslag op het aantal leerlingen op de verschillende basisscholen. 29
30 Cijfers en analyses groei 25%+ Talent, Oversteek, Dukendonck, Hidaya, Akker groei 10-25% Driemaster, Prins Claus stabiel overige basisscholen afname 10-25% Vossenburcht, Nutsschool, Buut, Lindenhoeve, Aldenhove Aquamarijn, Wieken, Meijboom, Wingerd,Kampus afname 25+% Bloemberg, Klumpert, Michiel de Ruyter, Groot Nijeveld Figuur 22 Ontwikkeling leerlingaantal op Nijmeegse basisscholen, tot Van de 41 Nijmeegse basisscholen zijn er 5 flink gegroeid. Voor het Talent en de Oversteek was dat logisch: zij liggen in het nieuwbouwgebied Waalsprong. In het voedingsgebied van de Dukendonck was in deze 5 jaar sprake van een toevallige toename van het aantal kinderen in de basisschoolleeftijd. Hidaya, de islamitische basisschool, was in 2002/2003 erg klein. Een groei die absoluut gezien niet zo groot is springt er daarom procentueel gezien wel uit. Bovendien is Hidaya in deze periode naar een andere wijk verhuisd wat bij kan hebben gedragen aan de groei. Bij t Akker is er sprake van een dubbele verklaring. Het aantal basisschoolkinderen in wijken die gericht zijn op t Akker groeide. Daarnaast nam ook de belangstelling, het aandeel van de kinderen in het verzorgingsgebied dat naar deze school gaat, toe. Bij de scholen die te maken hadden met een sterke afname (Bloemberg, Klumpert en Michiel de Ruyter, Groot Nijeveld) is er ook steeds sprake van zo n dubbele oorzaak: het aantal kinderen in het verzorgingsgebied nam af, maar ook de belangstelling voor de school liep terug. Aandeel gewichtsleerlingen loopt terug Voor leerlingen met een verhoogd risico op onderwijsachterstanden ontvangen basisscholen extra formatie. Dit gebeurt via de gewichtenregeling. Tot het schooljaar werd het gewicht bepaald door het onderwijs- en beroepsniveau van de ouders (laag) en de etniciteit van de kinderen. Het gewicht van niet-westerse kinderen met ouders met een laag opleidingsniveau was hoger dan dat van autochtone kinderen met ouders met een laag opleidingsniveau. Omdat bleek dat etniciteit een veel minder belangrijke indicator van mogelijke onderwijsachterstand is dan opleidingsniveau van de ouders is de gewichtsregeling aangepast. Voortaan wordt alleen nog naar het opleidingsniveau gekeken 9. Deze nieuwe regeling wordt stapsgewijs ingevoerd: ieder jaar worden de nieuwe leerlingen + 1 of 2 oudere leerjaren beoordeeld. Zo zullen na ongeveer 4 jaar alle leerlingen een gewicht volgens de nieuwe regeling hebben. Tot die tijd lopen de twee regelingen door elkaar heen. In deze overgangsperiode kunnen we voor analysedoeleinden alleen een onderscheid maken tussen leerlingen die wel en leerlingen die geen gewicht hebben en niet naar de zwaarte van het gewicht kijken. In het jaar had 22% van de leerlingen een gewicht. Dit aandeel is al een aantal jaar aan het zakken. Er komen vooral steeds minder autochtone kinderen met ouders met een lage opleiding. 9 Als gevolg hiervan is ook de gewichtsbepaling van allochtone kinderen enigszins veranderd. In de oude situatie kregen zij een leerlinggewicht wanneer één van hun ouders een laag opleidingsniveau had. Nu moeten, net als bij autochtone leerlingen, beide ouders een laag opleidingsniveau hebben.
31 Primair onderwijs Nijmegen Nederland 21 grotere G4 gemeenten % % 26% 31% 55% % 25% 30% 53% % 24% 28% 51% % 23% 27% 50% % 21% 25% 45% % Figuur 23 % gewichtsleerlingen, Nijmegen en Nederland, bron: CFI Ook in (de rest van) Nederland zakt het aandeel gewichtsleerlingen. In vergelijking tot Nederland als geheel zijn er in Nijmegen relatief veel leerlingen met een gewicht. Dit is een algemeen stedelijk kenmerk. Kijk je naar de cijfers van 21 grotere gemeenten (G25- G4) dan scoort Nijmegen vergelijkbaar, het aandeel gewichtsleerlingen is in de 21 gemeenten zelfs nog een fractie hoger dan in Nijmegen. De vier grote steden hebben nog veel meer gewichtsleerlingen op hun basisscholen. Gewichtsleerlingen ongelijk gespreid over de stad De gewichtsleerlingen zijn niet gelijkmatig gespreid over de stad. Op scholen in de aandachtswijken is het aandeel gewichtsleerlingen 5x zo hoog als op scholen in de overige wijken. Kijk je op schoolniveau dan zie je dat op 6 basisscholen meer dan 60% van de kinderen met een leerlinggewicht heeft, op 11 scholen 30-60%. Hieronder zijn vooral scholen in Oud-West, delen van Dukenburg, Neerbosch-Oost, Hatert en Nije Veld. Daarentegen zijn er ook 15 basisscholen met nauwelijks of geen gewichtsleerlingen. op scholen in totaal aandachtswijken overige wijken % 57% 12% % 57% 11% % 55% 10% % 54% 10% % 53% 10% % 51% 9% % 47% 8% Figuur 24 Aandeel gewichtsleerlingen Nijmeegse basisscholen, bron: CFI Vaak zal een hoog of juist laag aandeel gewichtsleerlingen een afspiegeling zijn van de bevolking in de wijk waar de school staat. Je ziet de meeste groene bolletjes in de sociaal-economisch sterkere wijken aan de oost- en noordkant van de stad. Het is echter moeilijk dat met cijfers te staven. Per school is wel het totale aantal gewichtsleerlingen dat de school bezoekt bekend, maar we weten niet van iedere Nijmeegse leerling afzonderlijk wat het gewicht is. Daarom is het niet mogelijk vast te stellen hoe groot het aandeel gewichtsleerlingen is dat in een bepaalde wijk woont. Alleen van de leerlingen in groep 8 weten we zowel het woonadres als het gewicht. Dit zijn er echter te weinig om per wijk uitspraken te kunnen doen. 31
32 Cijfers en analyses Figuur 25 Aandeel gewichtsleerlingen per basisschool , bron CFI Om toch indicatief te beoordelen of het aandeel gewichtsleerlingen op een school een redelijke afspiegeling is van het aandeel gewichtsleerlingen in de omliggende wijk hebben we de gegevens van drie jaargangen groep 8 samengevoegd. Op basis daarvan lijkt het percentage gewichtsleerlingen op de basisscholen in Nije Veld, Biezen, Wolfskuil, Heseveld, Neerbosch-Oost, Lankforst en Aldenhof duidelijk hoger dan in de omliggende wijk. Scholieren met een niet-westerse achtergrond Er is een sterke samenhang tussen het aandeel gewichtsleerlingen en het aandeel leerlingen met een niet-westerse achtergrond op de Nijmeegse basisscholen. Juist nietwesterse kinderen hebben vaak een leerlinggewicht, omdat hun ouders een lage of geen opleiding (ongeveer driekwart, tegen 20% van de autochtone kinderen/ouders). Beide bevindingen zijn uitingen van de sociaal-economische segregatie tussen Nijmeegse wijken.
33 Primair onderwijs nietwest autocht./west gewicht geen gewicht Figuur 26 Leerlingen groep 8, naar etnische afkomst en gewicht, gemiddelde , , In heel Nijmegen heeft 21% van de basisscholieren een niet-westerse etniciteit. Per school varieert dat van een paar procent tot meer dan 60%. Deels is dat ook heel logisch: het aandeel niet-westerse inwoners varieert tussen de wijken behoorlijk. Daarom bekijken we in Figuur 27 niet alleen het aandeel niet-westerse leerlingen per school, maar vergelijken we dat ook met het aandeel kinderen met niet-westerse herkomst dat in het gebied rond de basisschool woont. in vergelijking tot cirkel 600 meter rond school aandeel niet-westers onder scholieren ongeveer gelijk meer veel meer totaal t/m 20% % % % 2 2 totaal Figuur 27 Aandeel niet-westerse leerlingen in vergelijking tot aandeel niet-westerse kinderen in cirkel 600 meter rond school 10, Bron: Leerplichtbestand gemeente Nijmegen Op 10 van de Nijmeegse basisscholen is meer dan 40% van de leerlingen niet-westers van herkomst. Bij twee daarvan is dat een aardige afspiegeling van de buurtbevolking. Bij de andere 8 is er sprake van een oververtegenwoordiging van etnische groepen, bij 5 zelfs van een sterke oververtegenwoordiging (de Wieken, Groot Nijeveld, Bloemberg, Michiel de Ruyter en de Nutsschool Lankforst). Voorbijloopgedrag : 30% scholieren bezoekt verder weg gelegen school Een relatief hoog aandeel gewichtsleerlingen en/of niet-westerse leerlingen is vaak het gevolg van voorbijloopgedrag : ouders kiezen voor een andere school die een stuk verder weg is vanwege kenmerken of beeldvorming van de wijkschool. Voor heel 10 meer betekent dat het aandeel niet-westers onder de leerlingen 20 tot 40% hoger is dan onder de kinderen in het omliggend gebied, veel meer dat het aandeel op school meer dan 40% hoger is. 33
34 Cijfers en analyses Nijmegen geldt dat ongeveer 30% van de basisschoolleerlingen een school bezoekt die meer dan 300 meter verder van huis ligt dan de dichtstbijzijnde basisschool. absoluut relatief naar dichtstbijzijnd % max. 300 m verder % meer dan 300m verder % Figuur 28 woon-schoolafstand basisonderwijs, Bron: Leerplichtbestand gemeente Nijmegen Bij 10 van de Nijmeegse basisscholen (Hidaya, Michiel de Ruyter, de Wieken, Zonnewende, Groot Nijeveld, Kleine Wereld, Montessori Dukenburg, Aldenhove, Sint Nicolaas, Nutsschool Lankforst) zie je dat het aandeel voorbijlopers veel hoger is dan dit gemiddelde. Daarbij zijn de volgende patronen te herkennen: Scholen in aandachtswijken hebben vaker te maken met een hoog aandeel voorbijlopers. Niet in alle wijken/bij alle scholen speelt dit echter even sterk, zo is bv. in Neerbosch-Oost, bij het Octaaf juist sprake van een laag percentage voorbijlopers. Hiermee samenhangend hebben ook scholen met een hoog aandeel gewichtsleerlingen en leerlingen van niet-westerse herkomst vaker een hoog aandeel voorbijlopers. Scholen met een uitgesproken karakter (islamitisch basisonderwijs, montessorionderwijs) hebben vaker een hoog percentage voorbijlopers Maak je onderscheid naar het voorbijloopgedrag bij de verschillende etnische groepen dan zijn de verschillen op het eerste gezicht eigenlijk verrassend klein: van de autochtone basisschoolkinderen gaat 30% minstens 300 meter verder dan nodig is, 47% bezoekt de meest dichtbije school. Onder de niet-westerse kinderen is dat 27 resp. 57%. autocht. westers niet-west totaal naar dichtstbijzijnd max. 300 m verder meer dan 300m verder autocht. westers niet-west totaal naar dichtstbijzijnd 47% 49% 57% 49% max. 300 m verder 22% 17% 15% 21% meer dan 300m verder 30% 33% 27% 30% Figuur 29 Woon-schoolafstand naar etniciteit, Kijk je echter naar de wijken waar veel niet-westerse kinderen wonen dan zijn de verschillen soms wel degelijk groot. Vooral in Nije Veld, Hatert, Wolfskuil, Heseveld, Meijhorst en Aldenhof gaat een veel groter deel van de autochtone dan van de nietwesterse kinderen naar een veel verder weg gelegen school. Een opvallende tegenbeweging is te zien in de Malvert. Daar lopen juist de nietwesterse kinderen de wijkschool (Montessori Dukenburg) voorbij om vooral naar de
35 Primair onderwijs Nutsschool Lankforst te gaan. Dat is ook de verklaring voor het feit dat op die school een veel hoger percentage niet-westerse kinderen zit dan het aandeel onder de dichtbij wonende kinderen. autocht/west niet-westers Nije Veld 48% 30% Grootstal 54% 42% Hatert 43% 22% Biezen 45% 30% Wolfskuil 66% 40% Heseveld 56% 31% Neerbosch-Oost 28% 16% Tolhuis 28% 13% Zwanenveld 35% 32% Meijhorst 40% 22% Aldenhof 54% 28% Malvert 27% 60% t Acker 19% 28% De Kamp 9% 12% t Broek 18% 18% Figuur 30 % basisscholieren dat school minstens 300 meter verder dan dichtstbijzijnde school bezoekt, naar etniciteit voor wijken met veel niet-westerse kinderen, Onderwijsprestaties en achterstandindicatoren: vertraging 2 tot 3% leerlingen loopt vertraging op Leerlingen uit groep 8 worden als vertraagde leerling beschouwd wanneer ze op 31 december van het schooljaar 13 jaar of ouder zijn. Leerlingen kunnen vertraging oplopen doordat ze een schooljaar over doen of doordat ze op latere leeftijd het basisonderwijs instromen. Dit laatste komt vooral bij allochtone nieuwkomers voor. Het percentage vertraagde leerlingen heeft de afgelopen jaren geschommeld. Tussen 2000 en 2007 lag het percentage meestal tussen 2 en 4%, met een uitschieter in het jaar , toen het 4,5 % was. De laatste jaren lijkt er sprake van een dalende lijn en ligt het percentage vertraging tussen de 2-3% Figuur 31 Percentage vertraagde scholieren in groep 8, bron: groep 8-bestanden 35
36 Cijfers en analyses In Figuur 32 is te zien dat het percentage vertraagden van groep tot groep, van gebied tot gebied flink kan variëren. Ook door de tijd heen zijn er behoorlijke schommelingen. Dat wordt ook in de hand gewerkt doordat het soms om kleine groepjes gaat waar de prestaties van enkele leerlingen procentueel uitgedrukt flink doortikken aantal ll% vertraagde % vertraagde leerlingen groep 8 leerlingen N-Centrum 22 4,5% 0,0% 0,0% N-Oost 233 1,3% 0,4% 0,5% N-Oud-West 107 5,6% 6,8% 10,7% N-Nieuw-West 187 4,3% 0,0% 6,9% N-Midden 189 0,0% 2,1% 1,9% N-Zuid 218 0,9% 3,4% 2,6% Dukenburg 217 2,8% 2,9% 3,5% Lindenholt 188 2,7% 4,2% 2,6% N-Noord 82 0,0% 3,1% 0,0% Nederlands ,2% 1,5% Surinaams 23 0,0% 0,0% Antil/Arub 22 4,5% 0,0% Turks 90 5,6% 5,5% Marokkaans 59 3,4% 5,5% westers 98 7,1% 3,8% niet-westers 97 3,1% 7,6% geen gewicht 812 0,9% 1,1% 1,2% gewicht 320 6,9% 6,1% 7,9% onbekend 317 0,6% 1,1% 0,0% totaal ,1% 2,6% 3,3% Figuur 32 % vertraagde scholieren per gebied/groep, bron: groep 8-bestanden Tamelijk constante gegevens zijn: het aandeel vertraagden in Oud-West ligt altijd flink boven het gemiddelde het percentage vertraagden onder autochtone kinderen is op alle peilmomenten ruim onder het stedelijk gemiddelde kinderen met een leerlinggewicht lopen veel vaker vertraging op dan kinderen zonder gewicht. 4.5 Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: citoscores Opleidingsniveau ouders heeft veel invloed op Citoscore In groep 8 maken leerlingen de Citotoets. De citoscore geeft een indicatie van de vaardigheden van leerlingen op gebied van taal, rekenen en informatieverwerking Niet alle scholen nemen deel aan de citotoets, van niet alle scholen die deelgenomen hebben zijn de citoscores bij de gemeente bekend. Voor de meeste leerjaren is van 80-90% van de leerlingen van groep 8 de citoscore bekend. Het ontbreken van scores kan invloed hebben op de gemiddelde uitslagen. Betreffen de scholen zonder scores scholen die over het algemeen hoge, of juist wat lagere citoresultaten boeken? Dat maakt dat je voor
37 Primair onderwijs Een belangrijk gegeven is dat het opleidingsniveau van de ouders een duidelijke relatie heeft met de Citoscore van hun kinderen. Leerlingen met een leerlinggewicht (gekregen omdat één of beide ouders een laag opleidingsniveau heeft) scoren gemiddeld een stuk lager op de Citotoets dan leerlingen zonder gewicht: leerlingen zonder gewicht halen Citoscores van 538, 539 gemiddeld, leerlingen met een gewicht scoren gemiddeld tussen de 525 en geen gew icht gew icht Figuur 33 Gemiddelde citoscore Nijmeegse leerlingen naar gewicht, bron: groep8 bestanden De variatie in Cito-scores tussen stadsdelen, wijken, etnische groepen en scholen is voor een groot deel terug te voeren op de grote of juist beperkte aanwezigheid van gewichtsleerlingen. In Figuur 34 is te zien dat kinderen met een niet-westerse achtergrond en een leerlinggewicht net zo hoog, zelfs nog een fractie beter scoren op de Cito dan autochtone kinderen met een leerlinggewicht. Bij de leerlingen zonder gewicht halen kinderen uit niet-westerse groepen wel iets lagere scores dan de autochtone kinderen, maar de verschillen zijn niet groot. De over het geheel genomen lage gemiddelde citoscore van niet-westerse kinderen wordt vooral verklaard door het grote aandeel van hen dat een leerlinggewicht heeft. vergelijkingen (door de tijd, tussen verschillende groepen) altijd enig voorbehoud moet maken: de uitkomsten van de vergelijkingen kunnen gekleurd worden door het ontbreken van gegevens. Toch geven de uitslagen van de Cito over het algemeen een redelijk beeld van de cognitieve prestaties van de leerlingen. 37
38 Cijfers en analyses gewicht geen gewicht gemiddeld ned/westers niet-westers Figuur 34 Citoscore Nijmeegse leerlingen, naar gewicht en etnische achtergrond, gemiddelde tot 06-07, bron: groep 8 bestanden Naar stadsdeel en wijk geanalyseerd is eenzelfde patroon zichtbaar: de verschillen binnen een stadsdeel tussen gewichtsleerlingen en leerlingen zonder gewicht zijn groter dan die tussen de gemiddelde scores van de stadsdelen N-Centrum N-Oost N-Oud-West N-Nieuw-West N-Midden N-Zuid Dukenburg Lindenholt N-Noord geen gew icht w el gew icht gemiddeld Figuur 35 Gemiddelde citoscores per stadsdeel, totaal en voor leerlingen met en zonder gewicht, gemiddelde tot Bron groep 8 bestanden De leerlingen zonder gewicht vormen een diverse groep: zowel leerlingen met ouders met een universitaire opleiding als kinderen met ouders die net boven de laagste opleidingsklasse zitten vallen in deze categorie. De samenstelling van de groep leerlingen zonder gewicht is in sociaal-ecomisch sterke wijken waarschijnlijk gunstiger dan in wat minder sterke wijken. De cito-uitslagen van leerlingen zonder gewicht zijn in Midden en Oost daarom hoger dan in bv. Zuid of Dukenburg.
39 Primair onderwijs Op scholen waar weinig gewichtsleerlingen zitten scoren zowel de gewichtsleerlingen als de leerlingen zonder gewicht wat hogere citouitslagen (529) dan op scholen waar minstens 25% van de leerlingen een gewicht heeft (526). Ook hier geldt echter dat de verschillen op één school tussen leerlingen met en zonder gewicht veel groter zijn dan de verschillen tussen gewichtsleerlingen op scholen met veel of weinig gewichtsleerlingen leerlingsamenstelling score score ll. school gew. ll zonder gew. min. 75% zonder gewicht 529,1 539, % zonder gewicht 525,1 532,9 overig 526,8 535,5 Figuur 36 Citoscores leerlingen met en zonder gewicht, naar samenstelling schoolpopulatie, gemiddelde tot Citoscores in Nijmegen meestal iets boven landelijk gemiddelde De scores in Nijmegen de afgelopen 10 jaar liggen meestal rond de 535. Hiermee scoren de Nijmeegse leerlingen iets boven het landelijke gemiddelde. Juist het laatste jaar is de Nijmeegse score echter net onder het Nederlandse cijfer gedoken. De scores in de vier grote steden liggen een stuk onder de Nijmeegse en Nederlandse uitslagen. Ook hier geldt dat de totaalscore van deze steden gedrukt wordt door het grote aandeel gewichtsleerlingen dat daar op de scholen zit ' nijmegen Nederland G4 Figuur 37 Citoscores Nijmegen en Nederland, bron: groep8-bestanden en Cito: Terugblik en resultaten 2007 In Figuur 38 vergelijken we de citoscores van leerlingen per gewichtsklasse in Nijmegen en Nederland. Daaruit blijkt voor de jaren en het volgende: gewone leerlingen (zonder ouders met een lage opleiding, categorie 1) scoren in Nijmegen iets hoger dan gewone leerlingen in Nederland. leerlingen met een gewicht 1.25 (autochtone kinderen met ouders met lage opleiding) scoren in Nijmegen een stuk lager dan de 1.25 leerlingen landelijk. 39
40 Cijfers en analyses De cito-uitslagen binnen deze groep zijn in de twee jaren die we hier bekijken duidelijk lager dan in de jaren daarvoor (in 02/03, 03/04 en 04/05 waren de toetsuitkomsten resp , en 529). Is hier sprake van een toevallige dip of van een trend? Het is nog vroeg om deze vraag te beantwoorden. de citoscores van leerlingen met gewicht 1.9 (allochtone kinderen met ouders met een lage opleiding) liggen in Nijmegen ook iets onder het landelijke niveau, maar hier zijn de verschillen kleiner. Deze groep is op de Nijmeegse basisscholen relatief sterk aanwezig. scores leerlingen groep Nijmegen nederland Nijmegen Nederland geen gewicht 538,4 536,8 538,1 536, ,3 529,7 523,2 529, ,0 528,4 526,1 528,5 onbekend 536,9 535,8 537,8 535,8 totaal 534,8 535,0 534,6 535,1 samenstelling leerlingen groep Nijmegen nederland Nijmegen Nederland geen gewicht 65,4% 65,6% 63,1% 65,2% ,2% 10,3% 10,1% 9,5% ,1% 11,0% 15,0% 10,6% onbekend 6,0% 12,8% 10,7% 14,3% Figuur 38 Citoscores per gewicht, Nijmegen en Nederland, bron: groep 8 bestanden en Cito: Terugblik en resultaten 2007 Onderwijsinspectie: geen zeer zwakke scholen in Nijmegen De Onderwijsinspectie publiceert jaarlijks een lijst met zeer zwakke scholen. Daarbij baseert ze zich zowel op onderwijsresultaten/eindopbrengsten en op de kwaliteit van het onderwijsleerproces. In Nijmegen zijn er geen zeer zwakke scholen. 4.6 Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: schooladviezen Patroon schooladviezen volgt dat van citoscores In groep 8 krijgen de leerlingen van het basisonderwijs een schooladvies. De leerkracht geeft aan welke vorm van middelbaar onderwijs het beste aansluit bij de leerling.
41 Primair onderwijs aantal advies groep 8 geg/bekend VSO/praktijk VMBO b/k/g VMBO -t VMBO-t/havo havo havo/vwo vwo N-Centrum % 5% 5% 16% 11% 53% 5% N-Oost % 8% 11% 15% 13% 22% 30% N-Oud-West % 40% 11% 16% 9% 11% 10% N-Nieuw-West % 29% 15% 16% 18% 9% 13% N-Midden % 17% 7% 12% 18% 16% 30% N-Zuid % 32% 7% 7% 17% 14% 20% Dukenburg % 35% 19% 9% 11% 12% 12% Lindenholt % 31% 25% 6% 17% 6% 14% N-Noord % 14% 12% 19% 14% 17% 23% % 12% 13% 12% 18% 18% 26% 1, % 68% 13% 6% 6% 2% 2% 1, % 49% 18% 11% 9% 4% 4% onbekend % 22% 11% 16% 13% 17% 20% Nijmegen % 25% 13% 12% 15% 14% 19% Figuur 39 Advies groep Bijna de helft van de Nijmeegse groep-8 kinderen krijgt een advies op minimaal havo of vwo niveau. Een kwart krijgt een advies voor VMBO-t of VMBO-t/havo. Het resterende kwart krijgt advies naar het VMBO-b/k/g te gaan In de stadsdelen Oud-West, Zuid, Dukenburg, Lindenholt en ook wel Nieuw- West is het aandeel van de leerlingen dat een advies op lager niveau krijgt (VMBO-b/k/g) duidelijk hoger dan in de overige stadsdelen Leerlingen met een gewicht krijgen advies op lager niveau dan leerlingen zonder gewicht. Voor autochtone kinderen (gewicht 1,25) is dat, net als bij de citoscore, nog uitgesprokener dan voor allochtone kinderen (gewicht 1,9). De uitslagen per groep schommelen soms door de tijd maar dit patroon is steeds zichtbaar. 4.7 Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: verzuim Verzuim komt in basisonderwijs maar weinig voor Het aantal meldingen uit het basisonderwijs bij leerplicht is maar beperkt: in het schooljaar 2005/ , in het jaar 2006/ Omdat over sommige kinderen meer dan 1 melding behandeld wordt is het aantal kinderen nog kleiner. Dat betekent dat jaarlijks ongeveer 2% van de basisschoolleerlingen in aanraking komt met een leerplichtambtenaar. Bij het speciaal onderwijs is het aantal meldingen natuurlijk veel kleiner, omdat minder kinderen dit schooltype bezoeken. Procentueel gezien is het verzuim daar wel groter. 41
42 Cijfers en analyses 2005/2006 meldingen kinderen als % leerlingen basisonderwijs ,9% SBO ,2% SO ,1% 2006/2007 meldingen kinderen als % leerlingen basisonderwijs ,6% SBO ,5% SO ,2% Figuur 40 Door Leerplicht behandelde meldingen De meest voorkomend oorzaak voor een melding is spijbelen van de leerling. Ook luxeverzuim (vrijstelling om enige tijd van school weg te blijven bv. in verband met lange reis/familiebezoek) is een belangrijke contactreden. overig luxeverzuim tijdelijke vrijstelling geen school thuisgehouden ziekmelden gezinssituatie spijbelen Figuur 41 Reden van contact bij melding basisscholieren, Open Wijk Scholen In Nijmegen staan 12 OpenWijkScholen (OWS). Op een OpenWijkSchool worden voorzieningen op gebied van onderwijs, zorg en welzijn geïntegreerd. De OpenWijkSchool richt zich daarbij niet alleen op kinderen, maar ook op hun ouders en wijkbewoners. Bij de 12 OpenWijkScholen zijn 14 basisscholen betrokken. In de eerste helft van 2007 is een evaluatie van de OpenWijkScholen uitgevoerd 12. De belangrijkste conclusies uit die evaluatie vermelden we hier kort. OpenWijkSchool is heel gericht instrument De Nijmeegse OpenWijkScholen staan allemaal in aandachtswijken. Juist hier kunnen kinderen, ouders en wijkbewoners immers extra ondersteuning gebruiken. 12 Evaluatie OpenWijkScholen 2007, gemeente Nijmegen, afdeling Onderzoek en Statistiek
43 Primair onderwijs Ongeveer een kwart van alle Nijmeegse kinderen zit op een OWS. Van de gewichtsleerlingen echter 2/3. De ondersteuning van de OWS komt dus heel gericht terecht bij kinderen die dit het best kunnen gebruiken. overig scholen OWS gew ichtll overige ll Figuur 42 Leerlingen naar leerlinggewicht en bezoek OWS, 2006/2007 OWS leveren een belangrijke bijdrage aan ontwikkeling kinderen De meeste OpenWijkScholen bieden een breed programma aan activiteiten voor kinderen. Activiteiten hebben zowel tijdens schooluren als daarna plaats. Er zijn vier kernthema s (Sport en Bewegen, Zorg en Welzijn, Taal en Educatie en Cultuur) waarbinnen de scholen zelf accenten leggen. De deelname van kinderen aan de activiteiten is over het algemeen goed en enthousiast. Scholen werken zowel aan de cognitieve als de sociaal-emotionele ontwikkeling van leerlingen. De resultaten op het cognitieve vlak (citoscores, doorverwijzing naar voortgezet onderwijs) zijn het makkelijkst te meten. Op OpenWijkScholen zijn deze leerresultaten over het algemeen laag, maar in lijn met de samenstelling van de schoolpopulatie. Omdat er op de OWS zoveel gewichtsleerlingen zitten, die gemiddeld lager scoren, is ook de totaal score voor deze scholen laag. Er is door de jaren heen geen duidelijke ontwikkeling (stijgend of dalend) in de citoscores die op de OWS gehaald worden. Alle OpenWijkScholen zitten in zorgnetwerken, die proberen door vroegsignalering leerlingen met problemen tijd een goede zorg te bieden. Aandachtspunten Het leerlingaantal op de OpenWijkScholen loopt achteruit. Deels is dat een gevolg van de demografische ontwikkeling in de wijken waar de OWS staan: daar neemt het aantal kinderen af. Maar daarnaast is er bij een aantal van de OWS sprake van een verminderende belangstelling: het brede programma dat de scholen bieden weegt voor sommige ouder niet op tegen de eenzijdige samenstelling van de leerlingpopulatie. De uitkomsten van de evaluatie lijken veel op die van de OWS-evaluatie die in 2003 is uitgevoerd, er is weinig ontwikkeling. Op praktisch gebied hebben de OWS vaak met de nodige problemen te kampen. Bij twee OWS is er een groot huisvestingsprobleem. Voor de OWS Willemskwartier 43
44 Cijfers en analyses staat er nieuwbouw op stapel, maar voor de ruimtelijke problemen van OWS Zwanenveld is nog geen definitieve oplossing gevonden. Daarnaast is de regeling van het beheer al vanaf het begin van de OWS een probleem. Vooral bij het organiseren van activiteiten buiten schooltijd doet het gemis van een beheerder zich voelen. Tenslotte vormt het uitvallen of ontbreken van medewerkers soms een struikelblok bij het goed uitvoeren van de programma s. 4.9 Prestatieafspraken Voor het primair onderwijs is het gemeentelijke OnderwijsAchterstandenBeleid gericht op 20 basisscholen. Dat zijn alle basisscholen die bij de OpenWijkScholen horen (Groot Nijeveld, Octaaf, de Wieken, Bloemberg, Dukendonk, Michiel de Ruyter, Aldenhove, Aquamarijn, Klumpert, Lindenhoeve, Meiboom, Prins Maurits, de Vossenburcht en de Zonnewende) en daarnaast nog 6 scholen (Hidaya, de Kleine Wereld, de Muze, Nutsschool Lankforst, Kampus en Wingerd). Gemiddeld heeft 47% van de leerlingen van de OAB-scholen een leerlinggewicht. Per school varieert het aandeel gewichtsleerlingen van rond de 30% (scholen in Lindenholt) tot meer dan driekwart (Oud-West, Meiboom, Klumpert, Groot Nijeveld). Alleen de Muze heeft veel minder gewichtsleerlingen, nog geen 10%. Deze school is opgenomen in het OAB omdat hier het onderwijs voor de kinderen uit het OenI-centrum (voorheen asielzoekerscentrum) wordt verzorgd. Op de scholen die niet tot het OAB-beleid horen is gemiddeld 7% van de leerlingen gewichtsleerling. Per school loopt het aandeel gewichtsleerlingen uiteen van niets tot rond de 20%. De OAB-scholen krijgen extra gemeentelijk geld ter beschikking en willen ook extraprestaties leveren. Tussen de schoolbesturen en de gemeenten zijn daarvoor prestatieafspraken gemaakt. Het OAB-beleid betreft de periode De eerste rapportage door de scholen over de afspraken beslaat het schooljaar 2006/2007. Deze rapportage beslaat de OAB-scholen excl. de Muze. De hierna genoemde resultaten betreffen dus 19 scholen. 4- en 5-jarigen doen standaard mee aan VVE-programma s Op de 19 OAB-scholen zitten in totaal ( ) ruim en 5-jarigen. Volgens opgave van de scholen hebben 513 kinderen van 4- en 5 jaar een leerlinggewicht, 48% van alle leerlingen in deze leeftijd. Alle (doelgroep)leerlingen van 4 en 5 jaar doen mee aan een VVE-programma. De scholen gebruiken daarvoor 5 verschillende programma s. Vier van die programma s staan op de keuzelijst van het ministerie. Het vijfde programma, dat voor ruim een derde van de kinderen wordt gebruikt voldoet niet volledig aan de gestelde normen. Deze methode (Schatkist) heeft overigens wel een grote overlap met methoden die wel op de keuzelijst staan. In totaliteit wordt de prestatieafspraak 70% van de jonge doelgroepkinderen te bereiken met een erkend VVE-programma niet helemaal gehaald gehaald. Doelgroepkinderen krijgen een breed OnderwijsAchterstandenAanbod Bijna de helft van de kinderen op de OAB-scholen hoort tot de doelgroep. In het schooljaar waren dat ongeveer 2400 kinderen. Op de 21 niet-oab-scholen zaten bij elkaar nog zo n 600 doelgroepkinderen.
45 Primair onderwijs Een van de prestatiedoelen van het OAB-beleid is het de helft van de doelgroepkinderen op de OAB-scholen te bereiken met een breed ontwikkelingsstimuleringsprogramma. Volgens de rapportage over het schooljaar worden daarvoor allerlei middelen en programma s gebruikt: taalspeelgroepen, project Boekenpret, bezoek aan bibliotheek, inzet van extra personeel (remedial teaching, klassenassistenten, taalondersteuners, klassenverkleining etc). Van de OAB-scholen geven er 13 aan hiermee alle (doelgroep)kinderen te bereiken, De overige scholen geven aan hiermee de helft van de (doelgroep)kinderen een OABaanbod te kunnen doen. De prestatie-afspraak (50% van de doelgroepkinderen krijgt aanbod) is hiermee royaal gehaald. Deelname eindtoets op alle scholen Een van de prestatieafspraken is dat in groep 8 bij alle leerlingen een eindtoets wordt afgenomen. De cito-toets is de meest gebruikte eindtoets, maar ook andere eindtoetsen zijn mogelijk (bv. schooleindtoets of Eduforcetoets). De gemeente verzamelt elk jaar de citoscores van de groep 8 leerlingen. Volgens opgave van de scholen hebben in het jaar 2007/ van de 41 Nijmeegse basisscholen, waaronder alle OAB-scholen, deelgenomen aan de cito-toets. aantal scholen % leerlingen in cito OAB-scholen, deelname Cito 20 85% overige scholen, deelname Cito 18 89% overige scholen, geen deelname Cito 3 Figuur 43 Deelname citotoets groep 8, , groep 8-bestand Niet alle leerlingen op de scholen waar de Cito-toets werd afgenomen deden echter mee aan de toets. Op de OAB-scholen ging het om 15% die niet meedeed, of de overige scholen 11%. Leerlingen die korter dan 2 jaar in Nederland zijn en daarom te weinig taalvaardig doen niet mee aan de Cito-toets. Ook leerlingen die naar het LWOO gaan doen vaak niet mee aan de Citotoets omdat er voor hen andere toetsen beschikbaar zijn (citoniveautoets of drempeltoets). Zorgleerlingen Leerlingen van basisscholen kunnen op verschillende manieren extra zorg nodig hebben/krijgen: individuele leerlijn Op basis van inzicht in de capaciteiten van leerlingen wordt een van het gangbare niveau afwijkend (meestal lager) einddoel voor de leerling gekozen en een programma opgesteld om dat einddoel te bereiken leerlinggebonden financiering ( rugzakje ) Kinderen met een handicap kunnen terecht in het speciaal onderwijs, of in het reguliere basisonderwijs, waarbij vanuit hun leerlinggebonden budget (rugzakje) extra faciliteiten gefinancierd kunnen worden. zittenblijvers kleutergroepverlening Kinderen die wat leeftijd betreft door kunnen naar groep 3 blijven toch nog een jaar in de kleutergroep. 45
46 Cijfers en analyses individuele leerlijn 82 1,9% leerlinggebonden financiering 28 0,7% zittenblijven gr ,6% kleutergroepverlenging 69 1,6% aantal leerlingen Figuur 44 Zorgleerlingen, volgens opgave prestatieafspraken 2006/2007 In Figuur 44 is de opgave van de OAB-scholen weergegeven van het aantal zorgleerlingen in de verschillende categorieën dat bij hen op school zit. Dubbeltellingen (een kind heeft een rugzakje en is blijven zitten) zijn mogelijk.
47 Primair onderwijs Tabel 5 Basisscholen, geordend naar wijk, en leerlingen 13 stadsdeel wijk school leerlingen % uit eigen wijk % allocht. % gewichtsll Centrum Benedenstad Petrus Canisius % 39% 13% 13% 28% 9% Oost Bottendaal De Driemaster % 63% 30% 24% 27% 17% Galgenveld Klein Heyendaal % 40% 3% 6% 0% 0% Montessori Heyendaalseweg % 32% 7% 8% 3% 1% Vrije School Meander % 6% 7% 4% 0% 0% Altrade Abibakr 67 2% 92% 79% Hunnerberg De Buut % 11% 1% 3% De Klokkenberg % 21% 7% 8% 13% 7% De Sterredans % 19% 7% 7% 10% 2% Hengstdal De Muze % 56% 14% 13% 20% 9% Oud-West Biezen Aquamarijn % 74% 32% 33% 86% 63% Wolfskuil Michiel de Ruyterschool % 79% 52% 48% 94% 79% De Wieken % 73% 68% 66% 100% 82% Nieuw-West Hees De Lanteerne % 33% 10% 10% 15% 11% Heseveld De Zonnewende % 57% 38% 43% 67% 54% Neerbosch-Oost Het Octaaf % 95% 48% 51% 65% 54% Midden Nije Veld Groot Nijeveld % 68% 92% 81% Hazenkamp De Hazesprong % 53% 8% 6% 15% 7% Nijmeegse Schoolvereniging % 52% 5% 9% 0% 0% Goffert Sint Nicolaasschool % 28% 5% 4% 18% 14% St. Anna De Akker % 26% 6% 8% 12% 11% Zuid Hatertse Hei Hidaya 105 6% 94% 58% Grootstal De Kleine Wereld % 79% 28% 24% 40% 34% Hatert De Klumpert % 96% 52% 61% 98% 84% De Vossenburcht % 89% 28% 35% 53% 35% Brakkenstein Brakkenstein % 86% 2% 6% 0% 5% Dukenburg Tolhuis De Dukendonck % 82% 25% 31% 46% 31% Zwanenveld Prins Mauritsschool % 93% 24% 29% 61% 42% Meijhorst De Meiboom % 84% 59% 56% 71% 71% Lankforst Nutsschool Lankforst % 29% 33% 46% 47% 36% Aldenhof De Aldenhove % 82% 43% 47% 66% 58% Malvert Montessori Dukenburg % 25% 20% 20% 0% 21% Weezenhof Prins Clausschool % 61% 14% 14% 0% 3% Lindenholt t Acker De Bloemberg % 64% 29% 52% 52% 50% De Lindenhoeve % 77% 16% 23% 35% 45% De Kamp Kampus % 86% 34% 25% 32% 28% De Luithorst % 79% 22% 22% 21% 22% t Broek Montessori Lindenholt % 53% 12% 20% 6% 13% De Wingerd % 55% 9% 14% 33% 27% Noord Oosterhout De Oversteek % 99% 13% 10% 9% 2% Lent De Geldershof Lent % 99% 3% 5% 8% 8% Het Talent % 95% 0% 9% 7% 6% Nijmegen % 61% 20% 21% 30% 22% 13 Aantallen leerlingen en % gewichtsleerlingen ontleend aan Integrale Leerlingtellingen, zijn inclusief buitenleerlingen. % uit eigen wijk en % niet-westers allochtonen betreft alleen Nijmeegse leerlingen, ontleend aan bestand leerplicht 47
48 Cijfers en analyses Tabel 6Aandeel niet-westerse allochtonen, onder leerlingen en in straal 600 meter rond school, 2006/ stadsdeel wijk school % niet-westers op school in cirkel verschil Centrum Benedenstad Petrus Canisius 12% 18% 6% Oost Bottendaal De Driemaster 24% 20% -4% Galgenveld Klein Heyendaal 5% 8% 3% Montessori Heyendaalseweg 9% 10% 0% Vrije School Meander 4% 8% 4% Hunnerberg De Buut niet te bepalen De Klokkenberg 7% 6% -1% De Sterredans 7% 5% -2% Hengstdal De Muze 11% 10% -1% Oud-West Biezen Aquamarijn 33% 21% -12% Wolfskuil Michiel de Ruyterschool 50% 34% -16% De Wieken 70% 42% -28% Nieuw-West Hees De Lanteerne 10% 26% 15% Heseveld De Zonnewende 42% 33% -9% Neerbosch-Oost Het Octaaf 52% 46% -6% Midden Nije Veld Groot Nijeveld 64% 27% -37% Hazenkamp De Hazesprong 6% 3% -3% Nijmeegse Schoolvereniging 8% 3% -5% Goffert Sint Nicolaasschool 4% 4% 0% St. Anna De Akker 7% 2% -5% Zuid Hatertse Hei Hidaya Grootstal De Kleine Wereld 26% 18% -7% Hatert De Klumpert 59% 48% -11% De Vossenburcht 36% 35% -1% Brakkenstein Brakkenstein 5% 5% 1% Dukenburg Tolhuis De Dukendonck 29% 26% -4% Zwanenveld Prins Mauritsschool 29% 23% -6% Meijhorst De Meiboom 60% 48% -12% Lankforst Nutsschool Lankforst 46% 32% -14% Aldenhof De Aldenhove 45% 44% -2% Malvert Montessori Dukenburg 21% 36% 15% Weezenhof Prins Clausschool 13% 22% 9% Lindenholt t Acker De Bloemberg 45% 23% -22% De Lindenhoeve 24% 23% -1% De Kamp Kampus 25% 22% -4% De Luithorst 23% 21% -2% t Broek Montessori Lindenholt 18% 22% 3% De Wingerd 14% 21% 7% Noord Oosterhout De Oversteek 11% 12% 1% Lent De Geldershof Lent 6% 5% -1% Het Talent 7% 7% -1% 14 op basis van leerplichtbestand, incl. instromende 4-jarigen
49 Primair onderwijs Tabel 7 Wijken, naar aantal leerlingen, aandeel allochtonen, aandeel in eigen wijk naar school, aandeel dat basisschool bezoekt minstens 300 meter verder dan dichtstbijzijnde school 15 aantal leerlingen % allochtone in eigen wijk naar school >300m leerlingen naar school dan dichtstbijzijnde school 2006/ totaal aut/west. allocht. Centrum Benedenstad % 15% 75% 78% 30% 27% 43% Stadscentrum % 24% 0% 0% 54% 50% 69% Oost Bottendaal % 16% 87% 84% 16% 16% 17% Galgenveld % 7% 79% 84% 28% 29% 24% Altrade % 6% 0% 0% 31% 32% 28% Hunnerberg % 9% 88% 83% 41% 41% 43% Hengstdal % 14% 39% 40% 30% 31% 28% Kwakkenberg % 3% 0% 0% 33% 48% 0% Groenewoud % 4% 0% 0% 33% 34% 25% Ooyse Schependom % 0% 0% 0% 0% 0% 0% Oud-West Biezen % 23% 61% 54% 42% 45% 30% Wolfskuil % 48% 55% 52% 54% 66% 40% Nieuw-West Hees % 4% 79% 81% 45% 45% 50% Heseveld % 31% 31% 32% 48% 56% 31% Neerbosch-Oost % 43% 66% 69% 23% 28% 16% Haven- en industrieterrein % 11% 0% 0% 0% 0% 0% Midden Nije Veld % 45% 0% 0% 40% 48% 30% Hazenkamp % 4% 90% 91% 26% 26% 12% Goffert % 12% 37% 40% 41% 42% 32% St. Anna % 3% 37% 42% 18% 18% 14% Heijendaal % 2% 0% 0% 21% 21% 0% Zuid Hatertse Hei % 11% 0% 0% 52% 52% 59% Grootstal % 19% 48% 46% 51% 54% 42% Hatert % 39% 78% 70% 35% 43% 22% Brakkenstein % 5% 71% 75% 26% 27% 18% Dukenburg Tolhuis % 29% 75% 75% 25% 28% 13% Zwanenveld % 30% 57% 60% 34% 35% 32% Meijhorst % 52% 67% 59% 30% 40% 22% Lankforst % 27% 75% 68% 33% 36% 21% Aldenhof % 33% 59% 50% 45% 54% 28% Malvert % 52% 28% 32% 44% 27% 60% Weezenhof % 9% 82% 84% 14% 14% 15% Vogelzang 0 0 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% Staddijk % 0% 0% 0% 0% 0% 0% Lindenholt t Acker % 21% 44% 39% 21% 19% 28% De Kamp % 23% 89% 89% 10% 9% 12% t Broek % 19% 76% 82% 18% 18% 18% Kerkenbos 2 0 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% Westkanaaldijk 0 0 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% Neerbosch-West % 0% 0% 0% 0% 0% 0% Bijsterhuizen 0 2 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% Noord Oosterhout % 9% 99% 97% 3% 3% 0% Ressen 4 9 0% 0% 0% 0% 0% 0% 0% Lent % 7% 97% 95% 18% 17% 29% Nijmegen % 21% 60% 60% 30% 31% 27% 15 Ontleend aan Leerplichtbestand, inclusief Nijmeegse leerlingen op basisscholen buiten Nijmegen. Bij berekening % in eigen wijk naar school zijn leerlingen van de Buut en Groot Nijeveld buiten de berekening gehouden, deze scholen hebben vestigingen in twee wijken. 49
50 Cijfers en analyses Tabel 8 Citoscores 16 aantal leerlingen groep 8 aantal deelnemers cito gemiddelde citoscore gemiddelde over laatste drie schooljaren N-Centrum ,5 538,8 537,7 541,6 539,2 539,5 N-Oost ,6 540,5 537,7 540,6 539,0 539,2 N-Oud-West ,3 529,4 530,7 528,1 531,6 530,2 N-Nieuw-West ,9 535,1 535,9 535,1 535,0 535,3 N-Midden ,8 538,5 537,5 538,1 538,6 538,1 N-Zuid ,1 533,0 537,3 532,7 534,0 534,4 Dukenburg ,2 534,6 532,5 532,2 530,3 531,6 Lindenholt ,8 534,1 533,6 535,0 530,8 533,1 N-Noord ,4 537,6 535,4 533,3 538,4 535,8 onbekend ,5 537,0 0,0 544,0 537,5 539,7 totaal ,6 535,6 535,3 534,8 534,6 534,9 autochtoon ,3 537,3 536,7 536,3 536,5 536,5 surinaams ,1 530,5 530,6 532,4 534,4 532,5 antilliaans ,9 531,1 529,3 529,8 524,6 528,0 turks ,2 528,3 529,1 526,8 526,3 527,3 marokkaans ,2 526,0 527,4 527,2 525,4 526,6 westers ,2 536,2 533,7 534,4 532,9 533,8 ov. niet-westers ,8 531,5 534,7 534,2 532,8 533,8 onbekend ,0 539,5 0,0 544,0 540,0 542,0 totaal ,6 535,6 535,3 534,8 534,6 534,9 gewicht ,8 539,3 538,0 538,4 538,1 538,2 gewicht 1, ,8 527,3 529,0 525,1 523,7 525,8 gewicht 1, ,4 527,7 530,5 527,0 526,1 527,7 onbekend ,3 540,2 533,0 536,9 537,8 536,1 totaal ,6 535,6 535,3 534,8 534,6 534,9 jongens aut/west ,7 536,7 537,6 537,0 537,2 537,3 jongens all ,8 530,6 530,4 530,4 529,7 530,2 jongens totaal ,1 535,5 536,1 535,7 535,7 535,8 meisjes aut/west ,7 537,8 535,2 535,3 535,2 535,2 meisjes all ,8 528,5 531,6 529,6 527,9 529,5 meisjes totaal ,1 535,7 534,5 534,0 533,5 533,9 totaal ,6 535,6 535,3 534,8 534,6 534,9 16 Per jaar doen er meestal 2 of 3 scholen niet mee aan de citotoets. Van de scholen die wel meedoen zijn niet altijd de scores beschikbaar. Daardoor varieert het aantal kinderen met een bekende citoscore behoorlijk. Dit kan gevolgen hebben voor de gemiddelde citoscore.
51 Primair onderwijs Tabel 9 Schooladviezen aan leerlingen groep 8, aandeel advies lager dan vmbo-t/havo gemiddelde over aantal leerlingen groep 8 % advies < vmbo-t/havo laatste drie schooljaren N-Centrum % 35% 40% 22% 11% 25% N-Oost % 22% 24% 23% 20% 22% N-Oud-West % 65% 54% 68% 54% 59% N-Nieuw-West % 54% 48% 50% 44% 47% N-Midden % 32% 36% 27% 24% 29% N-Zuid % 52% 49% 50% 43% 47% Dukenburg % 49% 51% 54% 56% 54% Lindenholt % 51% 47% 50% 56% 51% N-Noord % 31% 35% 48% 26% 36% autochtoon % 36% 35% 38% 32% 35% surinaams % 77% 69% 62% 42% 56% antilliaans % 68% 72% 63% 65% 67% turks % 75% 71% 69% 76% 72% marokkaans % 80% 86% 81% 70% 79% westers % 41% 45% 47% 48% 47% niet-westers % 58% 41% 51% 48% 46% gewicht % 29% 27% 30% 26% 27% gewicht 1, % 79% 76% 84% 83% 81% gewicht 1, % 75% 72% 74% 72% 73% jongens autocht % 39% 34% 38% 31% 34% jongens allocht % 65% 69% 64% 56% 63% meisjes autocht % 34% 39% 39% 36% 38% meisjes allocht % 72% 58% 64% 67% 63% totaal % 43% 42% 44% 39% 42% 51
52 Cijfers en analyses
53 Voortgezet Onderwijs 5 Voortgezet Onderwijs De Voortgezet-Onderwijs-scholen in Nijmegen hebben een regionale functie: ongeveer de helft van de leerlingen komt van buiten Nijmegen. De Nijmeegse scholieren volgen relatief vaak onderwijs op havo/vwo-niveau. Kinderen uit achterstandsgebieden gaan vaker naar lagere schooltypes dan de rest van de scholieren. Daar zijn hun prestaties, slaagresultaten, vertraging, etc., vaak bijna gelijk aan die van scholieren uit andere groepen. De meeste schooluitval doet zich voor bij leerlingen van het LWOO/VMBO. 5.1 Onderwijssoorten In het voortgezet onderwijs zijn er sinds 1998 de volgende onderwijstypen: het praktijkonderwijs bedoeld voor leerlingen voor wie het gezien hun capaciteiten niet mogelijk is een diploma te halen. Leidt niet toe naar vervolgonderwijs maar naar de arbeidsmarkt. Voorbereidend Middelbaar Beroeps Onderwijs (VMBO) Het VMBO is er op vier niveaus/leerwegen. De basisberoepsgerichte, de kaderberoepsgerichte, de gemengde en de theoretische leerweg. Alle vier de niveaus geven toegang tot het middelbaar beroepsonderwijs. Vanuit de theoretische leerweg kan ook doorgestroomd worden naar de havo. Het VMBO-t kan wel vergeleken worden met de oude mavo. Het VMBO heeft vier leerjaren. Voor leerlingen met achterstanden of gedrags- en motivatieproblemen is er op alle niveaus het leerwegondersteunend onderwijs (LWOO). HAVO De havo heeft vijf leerjaren en geeft toegang tot het HBO VWO Het VWO heeft zes leerjaren. Met een VWO-diploma kunnen leerlingen door naar de universiteit. Binnen het VWO kan nog onderscheid gemaakt worden tussen atheneum of gymnasium. voortgezet speciaal onderwijs Voortgezet onderwijs is bestemd voor kinderen met een handicap of gedragsstoring. Het is niet bedoeld voor kinderen met leermoeilijkheden. Voor hen is het praktijkonderwijs of het LWOO. 5.2 Aanbod en gebruik: Nijmeegse scholen voor voortgezet onderwijs 13 Scholen voor voortgezet onderwijs In Nijmegen zijn 13 scholen voor (gewoon) voortgezet onderwijs. Sommige scholen hebben één locatie, andere hebben meer locaties, waar ze vaak uiteenlopende vormen van onderwijs aanbieden (Canisius, Kandinsky, Mondial, Montessori). In het studiejaar 2007/2008 hebben zich een paar belangrijke veranderingen in het scholenaanbod voorgedaan: het MondialCollege is ontstaan, uit een fusie van het Lindenholtcollege en de VMBOafdeling van het Dominicuscollege, de Technische School Jonkerbosch en de Nijmeegse (VMBO)vestiging van het Maaswaalcollege. in de nieuwbouwwijk Nijmegen Noord is een middelbare school van start gegaan: het Citadelcollege 53
54 Cijfers en analyses schoolnaam onderwijstype leerlingen locatie Canisius College vmbo, havo, vwo 2029 Berg en Dalseweg, Goffertweg, Akkerlaan Kandinsky College vmbo, havo, vwo 1749 Malderburchtstraat, Hatertseweg, Jorisschool Nijmeegse Scholengemeenschap Groenewoud VMBO-t, havo, vwo 1786 van Cranenborchstraat Dominicus College havo, vwo 754 Energieweg Mondial College vmbo, havo, vwo 2064 Dennenstraat, Leuvensbroek, Hatertseweg, Streekweg Citadel College vmbo, havo, vwo 77 Dijkstraat Lent Stedelijk Gymnasium gymnasium 1386 Kronenburgersingel Stedelijke Scholen Gemeenschap Nijmegen vmbo-t, havo, vwo 1372 Ijsbeerstraat Montessori College vmbo, havo, vwo 1472 Kwakkenberg, Vlierestraat, Berg en Dalseweg Karel de Grote College vmbo, havo, vwo 649 Wilhelminasingel Groenschool vmbo 454 Marga Klompelaan Joannes praktijkonderwijs 145 Celebesstraat Zonnegaard praktijkonderwijs 174 Veldstraat Figuur 45 Nijmeegse VO scholen, 2007/2008, ILT-telling Samen hebben de scholen in het studiejaar 2007/2008 zo n leerlingen. Dat is ongeveer 1000 leerlingen meer dan in het begin van de 21 ste eeuw. Door fusies is het niet mogelijk een precies verloop van het leerlingaantal per school te geven. Toch kunnen wel groeiende en krimpende scholen worden onderscheiden: het Kandinsky College, het Canisius College en het Karel de Grote College (vrije school) zijn de laatste 7 a 8 jaar behoorlijk in leerlingaantal gegroeid het Dominicus College en de Technische School Jonkerbosch namen, in de jaren voor de fusie, af in leerlingaantal. Voortgezet onderwijs functioneert regionaal De scholen voor voortgezet onderwijs in Nijmegen hebben een regionale functie: ongeveer de helft van de kinderen die deze scholen bezoeken woont buiten Nijmegen. De trek van Nijmeegse scholieren naar een school buiten de stad is veel kleiner. Slechts 500 Nijmeegse leerlingen, nog geen 10% van alle leerlingen van het reguliere voortgezet onderwijs, bezoeken een school buiten de stad. Dan gaat het met name om scholen in de directe omgeving: vooral het Notre Dame, maar ook wel het Maas-Waal of OverBetuweCollege Nijmeegse ll Nijmegen ll Nijm. scholen elders Figuur 46 School- cq, woonplaats van Nijmeegse leerlingen en leerlingen die Nijmeegse scholen bezoeken, VO en leerplichtbestand
55 Voortgezet Onderwijs 4 Scholen voor Speciaal (Voortgezet) Onderwijs Naast het gewone voorgezet onderwijs zijn er in Nijmegen ook 4 scholen voor speciaal voortgezet onderwijs. Op twee daarvan (Tarcisius en Talita Koemi) wordt les gegeven aan zowel kinderen uit de basisschoolleeftijd als aan 12+-ers. De scholen de Marwindt en Kristallis (incl. locatie Hunnerberg) hebben alleen kinderen ouder dan 12 op school. Samen hebben deze scholen 600 leerlingen (in de VO-leeftijd). Vooral bij de Kristallis Scholengroep is het leerlingaantal de laatste jaren gestegen Tarcisiusschool Talita Koemi School Kristallis Scholengroep VSO De Marwindt Figuur 47 Aantal leerlingen (12+) op Nijmeegse VSO scholen, bron: cfi Volgens de leerplichtbestanden komt ook op het speciaal (voorgezet) onderwijs ongeveer de helft van de leerlingen uit Nijmegen. In totaal zijn er volgens deze bestanden jaarlijks 350 tot 400 Nijmeegse kinderen die speciaal (voorgezet) onderwijs volgen. Ongeveer een kwart van hen gaat naar scholen buiten Nijmegen, maar blijft vaak wel in de regio (de Kom in Druten, Werkenrode in Groesbeek). 5.3 Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: onderwijsniveau s Onderwijsniveau meten in 3 e leerjaar Het niveau van de opleiding die scholieren volgen kun je het beste in het derde leerjaar vaststellen. In de eerste twee leerjaren zitten veel leerlingen in brugklassen, waarin nog geen uitsplitsing naar niveau gemaakt is. Het VMBO telt slechts 4 leerjaren zodat leerjaren 5 of hoger niet bruikbaar zijn. Ook niveaugegevens uit het 4 e leerjaar zijn al lastiger te interpreteren omdat daar leerlingen bij zijn die overgestapt zijn van VMBOt-4 naar havo-4. Bij vergelijkingen van leerlingniveau (tussen Nijmegen en Nederland, tussen stadsdelen etc.) is het belangrijk goed te letten over welke totale groep leerlingen gesproken wordt: minimaal gaat het om de groep leerlingen in het standaard voortgezet onderwijs (vmbo/havo/vwo). Soms maar niet altijd worden leerlingen uit het praktijkonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs ook meegenomen. 55
56 Cijfers en analyses In Nijmegen gaan veel leerlingen haar havo/vwo Ruim de helft van de Nijmeegse leerlingen in het derde leerjaar naar havo of vwo. Dat is hoog, vergeleken met de situatie in Nederland: daar gaat ongeveer 45% naar havo/vwo. Zoals ook voor het basisonderwijs geldt, heeft de aanwezigheid van veel gewichtskinderen een drukkende invloed op de onderwijsprestatie. Het landelijk gemiddelde wordt gedrukt door het cijfer van de 4 grote steden, waar relatief veel van deze gewichtskinderen wonen. Maar ook in verhouding tot steden met een vergelijkbare omvang is de deelname aan havo/vwo in Nijmegen hoog Nijmegen Nederland G4 gr.steden excl G4 04/05 52% 44% 40% 44% 05/06 50% 45% 40% 45% 06/07 53% 44% 07/08 55% Figuur 48 Deelname Nijmeegse leerlingen 3 e leerjaar vmbo/havo/vwo aan havo/vwo, bron: CBS en VObestand Verschillen tussen stadsdelen Gemiddeld genomen volgen de Nijmeegse scholieren onderwijs op tamelijk hoog niveau. Daarbij is er veel variatie tussen de stadsdelen, zoals in de onderstaande figuur te zien is: vooral in Oost, maar ook in Midden en Noord gaan er veel leerlingen naar havo/vwo in Oud en Nieuw-West en Dukenburg is de deelname aan havo/vwo juist ruim onder het gemiddelde. Op wijkniveau kunnen de verschillen wat meer uiteenlopen: van meer dan 80% naar havo/vwo (Galgenveld, Groenewoud, Heyendaal) tot minder dan 30% (Nije Veld, Hatert, Biezen, Zwanenveld). VSO praktijk VMBO tot -t VMBO-t havo/vwo N-Centrum 7% 3% 31% 17% 41% 29 N-Oost 5% 1% 14% 9% 70% 301 N-Oud-West 8% 6% 42% 14% 30% 118 N-Nieuw-West 7% 4% 30% 16% 44% 152 N-Midden 5% 2% 21% 12% 60% 210 N-Zuid 4% 3% 37% 15% 42% 239 Dukenburg 5% 4% 31% 17% 43% 235 Lindenholt 6% 2% 33% 16% 44% 259 N-Noord 2% 0% 24% 13% 61% 87 5% 3% 28% 14% 50% 1630 Figuur 49 Schoolniveau 3e-klassers incl. VSO/praktijkonderwijs, 2007/2008, per woonstadsdeel, bron: VObestand+leerplicht Jongens wat meer aanwezig in lagere schoolniveaus Jongens zijn sterker vertegenwoordigd op VMBO-scholen, meisjes op havo- en vwoscholen. Dit beeld is in Nederland als geheel heel stabiel: op VMBO is 53% van de leerlingen jongen, op de havo 49% en op het vwo 46%.
57 Voortgezet Onderwijs Ook in Nijmegen is dit patroon te zien, hoewel er door de jaren heen wel wat schommelingen zijn. De oververtegenwoordiging van meisjes op het vwo en van jongens op het VMBO(t) is het duidelijkst. Op de havo was in drie van de 4 bekeken leerjaren het aandeel jongens hoger dan landelijk. 04/05 05/06 06/07 07/08 VMBO excl t 54% 52% 57% 51% VMBO-t 56% 52% 51% 55% havo/vwo 46% 49% 47% havo 52% 54% 46% 50% vwo 42% 49% 48% 48% Figuur 50 % jongens in 3e klas VO, naar onderwijsniveau, Nijmeegse leerlingen op Nijmeegse scholen, bron: VO-bestand Allochtonen nog steeds op achterstand Autochtone en westerse scholieren nemen veel meer deel aan havo/vwo dan scholieren uit de overige etnische groepen. Vooral de Marokkaanse kinderen, en ook wel de Turkse kinderen, scoren ver onder het gemiddelde. VSO/SO/PRO rest VMBO VMBO-t havo/vwo autochtoon 7% 23% 14% 56% 1137 Sur/Ant 23% 36% 14% 27% 56 Turks 11% 50% 16% 23% 108 Marokkaans 7% 61% 20% 13% 56 westers 6% 30% 17% 48% 127 niet-westers 7% 33% 9% 51% 127 8% 28% 14% 50% 1611 Figuur 51 Schoolniveau 3e-klassers, 2007/2008, naar etniciteit, bron: VObestand+ leerplicht Dit patroon is door de jaren heen vrij constant. Door de kleine aantallen scholieren in de verschillende etnische groepen doen zich wel schommelingen voor in het aandeel dat naar havo/vwo gaat, maar van een stijgende lijn is geen sprake. 5.4 Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: vertraging Leeftijdsachterstand Leerlingen uit leerjaar 4 worden als vertraagde leerlingen beschouwd als ze op 31 december 17 jaar of ouder zijn. Vertraging kan veroorzaakt worden door zittenblijven op het voortgezet onderwijs maar ook doordat leerlingen al ouder dan gemiddeld zijn wanneer ze het voortgezet onderwijs instromen. Aandeel vertraagde leerlingen gedaald Het aandeel vertraagde leerlingen in het 4 e leerjaar is schommelt. Toch is er globaal gesproken een daling te signaleren. In de jaren 2002/2003 tot 2004/2005 lag het vertragingspercentage rond de 13%. In het schooljaar 2007/2008 is het nog maar 10%. 57
58 Cijfers en analyses 16% 14% 12% 10% 8% 6% 4% 2% 0% 2002/ / / / / /2008 Figuur 52 Percentage vertraagde Nijmeegse leerlingen in leerjaar 4, VO-bestand Verschillen tussen stadsdelen beperkt Bij de meeste analyses komt een tamelijk stabiel achterstandpatroon naar voren: in de stadsdelen Oud-West en Dukenburg, en ook wel Zuid, Lindenholt en Nieuw-West liggen de schoolprestaties ondergemiddeld. Hoewel het percentage leerlingen met vertraging wel verschilt tussen de stadsdelen is dit patroon hier veel minder duidelijk. De kinderen uit de genoemde stadsdelen stromen gemiddeld genomen door naar lagere schoolniveaus, maar eenmaal daar aangekomen presteren ze niet opvallend slechter dan scholieren in de rest van Nijmegen. 07/08 04/05 07/08 04/05 aantal % vert. % vert. aantal % vert. % vert. VMBO excl -t % 13% N-Centrum 30 10% 4% VMBO-t % 11% N-Oost 273 8% 11% havo % 18% N-Oud-West % 14% vwo 427 3% 3% N-Nieuw-West 149 9% 18% N-Midden % 11% autochtoon % 11% N-Zuid 230 7% 15% Surinaams 16 0% 21% Dukenburg % 11% Antil/Arub 32 16% 17% Lindenholt % 15% Turks 89 13% 18% N-Noord 72 7% 10% Marokkaans 73 18% 19% westers % 12% M % 15% niet-westers % 24% V 801 9% 10% Figuur 53 Vertraagde Nijmeegse leerlingen in leerjaar 4, VO-bestand totaal % 13% Niet-westerse scholieren hebben vaker vertraging Scholieren met een niet-westerse achtergrond hebben vaker vertraging dan scholieren met een autochtone/westerse achtergrond. Deze vertraging is vaak al opgelopen voor leerlingen het voortgezet onderwijs binnenkomen. Voor een deel van deze kinderen kan de vertraging liggen aan een op de basisschool weg te werken taalachterstand.
59 Voortgezet Onderwijs 5.5 Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: slaagresultaten 9 van de 10 eindexamenleerlingen slagen voor hun examen In Figuur 54 is te zien dat jaarlijks zo n 90% van de Nijmeegse eindexamenkandidaten slaagt voor hun examen. De slaagpercentages voor havo liggen daarbij steeds wat lager dan die voor vwo en vmbo. Dit beeld is niet alleen bij de Nijmeegse scholieren, maar ook in Nederland als geheel te zien. De resultaten in Nijmegen zijn vergelijkbaar met de landelijke uitkomsten. In de landelijke cijfers is opvallend dat de slaagcijfers bij het VMBO in grote steden een stuk lager zijn dan gemiddeld. Dat geldt heel sterk in de grote vier, maar is ook duidelijk zichtbaar bij de overige grote steden. In Nijmegen echter zijn de slaagresultaten op het vmbo niet noemenswaardig lager dan landelijk. Nijmegen 05/06 04/05 05/06 06/07 Nederland G4 ov. grote st. VMBO 93% 89% 89% HAVO 89% 87% 85% VWO 92% 94% 95% Figuur 54 Examenresultaten naar onderwijsniveau, Nijmeegse leerlingen en Nederland, bron: VO-bestand en CBS Slechts kleine verschillen tussen deelgroepen Net als bij vertraging zijn er bij slaagresultaten slechts beperkte verschillen tussen stadsdelen. % geslaagden aantal kand N-Centrum 90% 96% 95% 19 N-Oost 93% 92% 93% 242 N-Oud-West 91% 83% 87% 131 N-Nieuw-West 89% 89% 87% 118 N-Midden 94% 91% 89% 179 N-Zuid 92% 89% 88% 235 Dukenburg 90% 89% 87% 261 Lindenholt 92% 89% 92% 220 N-Noord 93% 98% 91% 69 autochtoon 94% 92% 90% 1073 Sur/Ant. 87% 78% 93% 41 Turks 81% 73% 74% 101 Marokkaans 82% 88% 88% 68 westers 90% 91% 93% 112 niet-westers 84% 88% 91% 79 Nijmegen 92% 90% 89% 1474 Figuur 55 Slaagresultaten Nijmeegse leerlingen, bron: VO-bestand Er zijn wel wat afwijkingen maar daar valt geen duidelijke lijn in te ontwaren. De cijfers schommelen over de drie bekeken jaren en bovendien zijn de deelgroepen soms (zeer) beperkt van omvang. 59
60 Cijfers en analyses Bij etnische groepen gaat het per groep ook vaak om een beperkt aantal examenkandidaten. Hierdoor is het nog moeilijker een trend te onderscheiden. Groepsgrootte en slagingspercentages in ogenschouw genomen kun je eigenlijk alleen zeggen dat de slaagresultaten van Turkse leerlingen wat achter lijken te blijven. 5.6 Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: schooluitval en verzuim 7-8% VO-leerlingen in aanraking met Bureau Leerplicht Jaarlijks behandelt de afdeling Leerplicht meldingen die betrekking hebben op leerlingen van het voortgezet onderwijs. Daarbij zijn leerlingen betrokken. Bij een totaal aantal voortgezet onderwijs volgende Nijmeegse leerlingen van ongeveer 7500 betekent dat dat jaarlijks 7 tot 8% van de leerlingen uit het VO contact heeft met Bureau Leerplicht. 2005/ /2007 meldingen personen Figuur 56 Contacten leerplicht in voortgezet onderwijs, meldingen en betrokken personen, bron: leerplichtbestanden Verreweg de meeste meldingen (65 tot 85%) hebben te maken met verzuim/spijbelen /te laat komen. De afhandeling bestaat dan ook vooral uit het weer terug leiden van de leerlingen naar hun school (ongeveer 65%). Daarnaast worden er ook leerlingen naar een andere school geleid, of wordt er proces verbaal opgemaakt. Op LWOO en VMBO relatief veel voortijdig schoolverlaten In heel Nederland verlaat per jaar zo n 2% van de VO-leerlingen hun school zonder startkwalificatie (diploma op havo/vwo of mbo-niveau). Bij het Leerweg ondersteunend onderwijs, en ook wel bij het overige VMBO, zijn de percentages het hoogst. Arnhem/Nijm Nijm. scholen landelijk brugklas 0,5 0,3 0,6 LWOO 4,9 4,9 4,8 VMBO 2,8 2,5 3,1 havo 1,2 1,8 1,6 vwo 0,4 0,5 0,6 totaal 1,7 1,4 2 Figuur 57 Voortijdig schoolverlaters, , als % van leerlingen, bron: CFI-rapportage Het aandeel leerlingen dat in de regio Arnhem/Nijmegen woont en naar school gaat en voortijdig het onderwijs verlaat ligt onder het landelijk gemiddelde (1,7% tegenover 2%). Op de Nijmeegse VO-scholen is het percentage zelfs nog iets lager: 1,4%, 180 scholieren. Hierbij is niet bekend of de voortijdig schoolverlaters Nijmeegse scholieren zijn of scholieren uit de regio. In het algemeen is op de Nijmeegse scholen ongeveer de helft van de leerlingen afkomstig uit Nijmegen, de helft van daarbuiten. Als deze verhouding ook geldt voor de VSV-ers zouden in het schooljaar 2005/2006 zo n 90 tot 100 Nijmeegse middelbare scholieren voortijdig de school verlaten hebben.
61 Voortgezet Onderwijs 5.7 Prestatieafspraken Bereik doelgroepkinderen met OAB-aanbod Tussen scholen en gemeente is de afspraak gemaakt dat jaarlijks 40% van de kinderen uit de doelgroep bereikt wordt met een OnderwijsAchterstandenBeleid-programma. Een goed overzicht van het aantal doelgroepkinderen in Nijmegen, en het aantal doelgroepkinderen dat op Nijmeegse scholen zit is er echter niet. Op basis van de schooladviezen aan de leerlingen van groep 8 is wel een indruk te krijgen van het aandeel doelgroepkinderen per schooltype. In Figuur 58 is te zien dat de instroom in de schooltypes tot maximaal VMBO-t voor meer dan de helft doelgroepkinderen betreft, de instroom VMB)-t/havo rond een kwart en op havo/vwo rond 10%. Voor ieder adviesniveau geldt dat het aandeel doelgroepkinderen gezakt is, net als in het basisonderwijs als geheel. <vmbo-t/havo vmbo-t/havo havo/vwo 2003/ % 27% 13% 2004/ % 24% 11% 2005/ % 26% 9% 2006/ % 22% 8% Figuur 58 % doelgroepleerlingen in groep 8 per schooladvies, bron: groep 8 bestanden Nijmeegse basisscholen Naast Nijmeegse kinderen zitten er ook, ongeveer net zo veel, kinderen uit de regio op de Nijmeegse VO-scholen. Het is een landelijk beeld dat in steden meer doelgroepkinderen wonen dan in kleinere gemeenten. Dat zou een reden kunnen zijn om in de regionale instroom wat minder doelgroepkinderen te verwachten. Voor het schooljaar 2006/2007 hebben de Nijmeegse VO-scholen voor het eerst gerapporteerd welke OAB-programma s zij inzetten. Het gros van deze programma s is gericht op leerlingen van het VMBO, waar het aandeel doelgroepleerlingen ook het grootst is. Voor zover scholen verslag doen van het bereik van deze programma s melden zij dat 80 tot 100% van de doelgroepleerlingen op het VMBO meedoen aan deze OAB-programma s. Internationale Schakelklas Voor leerlingen met een grote taalachterstand (voornamelijk nieuwkomers) is er een internationale schakelklas voor het leren van de taal met als doel doorstroming naar passend onderwijs. De afspraak is een aanbod voor 60 leerlingen te bieden. In de leerjaren 2006/2007 en 2007/2008 volgden resp. 56 en 52 leerlingen (op de peildatum 1 oktober) onderwijs in deze schakelklas. Ongeveer 2/3 van de leerlingen woont in Nijmegen, de rest buiten de stad. Nijmegen elders totaal 2006/ / Figuur 59 Aantal leerlinge Internationale Schakelklas per 1-10, bron: VO-bestanden 61
62 Cijfers en analyses Allochtone leerlingen in 3 havo/vwo In de prestatieafspraken is vastgelegd het percentage leerlingen in 3 havo/vwo met een niet-westerse achtergrond te vergroten. Dit gegeven is alleen te monitoren voor leerlingen die in Nijmegen wonen. De VOscholen zelf houden niet bij wat de etnische achtergrond van hun leerlingen is. In de bestanden die zij voor analyse aan de gemeente geven kan alleen voor de Nijmeegse leerlingen vanuit de bevolkingsadministratie etniciteit worden toegevoegd. aandeel leerl 3e lj aantal leerlingen 3e lj % niet westers % niet westers dat havo/vwo bezoekt totaal op havo/vwo autocht/west niet-west autocht/west niet-west ,1% 13,5% 55,2% 32,1% ,3% 13,2% 53,2% 30,4% ,8% 11,6% 58,1% 27,4% ,5% 13,4% 57,0% 34,4% Figuur 60 Nijmeegse leerlingen op Nijmeegse VO-scholen, 3e leerjaar, naar onderwijsniveau en etniciteit, VObestand Van de ongeveer 1500 Nijmeegse kinderen die in de derde klas van de Nijmeegse VOscholen zitten heeft de laatste 4 schooljaren steeds ruim 21% een niet-westerse achtergrond. Onder de leerlingen die havo/vwo doen is dat aandeel een stuk lager. Rond de 30% van de niet-westerse leerlingen gaat naar havo/vwo tegenover meer dan de helft van de autochtone en westerse leerlingen. 100% resultaat Het streven van gemeente en scholen is dat alle leerlingen met een diploma van school gaan en, voor zover dat diploma geen startkwalificatie is, doorstromen naar het ROC. In de paragrafen 5.5 en 5.6 zijn deze onderwerpen aan de orde gekomen. Op het VMBO heeft in 2006/ % van de eindexamenleerlingen het diploma gehaald. Het voortijdigschoolverlaten is op het LWOO 4,9% en op de rest van het VMBO 1,8% (schooljaar 2005/2006). Over doorstroming naar het ROC zijn geen cijfers bekend.
63 Voortgezet Onderwijs Tabel 10 Leerlingen wonen in Nijmegen, in het 3e leerjaar VO en VSO, naar onderwijstype en wijk, stadsdelen wijken aantal ll % vso % pro % vmbo, % vmbo-t % havo % vwo % havo/vwo excl. brugklas vmbo-t Centrum Benedenstad Stadscentrum Oost Bottendaal Galgenveld Altrade Hunnerberg Hengstdal Kwakkenberg Groenewoud Ooyse Schependom Oud-West Biezen Wolfskuil Nieuw-West Hees Heseveld Neerbosch-Oost Midden Nije Veld Hazenkamp Goffert St. Anna Heijndaal Zuid Hatertse Hei Grootstal Hatert Brakkenstein Dukenburg Tolhuis Zwanenveld Meijhorst Lankforst Aldenhof Malvert Weezenhof Lindenholt t Acker De Kamp t Broek Neerbosch-West Noord Oosterhout Lent Nijmegen Bron: VO bestand, gegevens VO-scholen in Nijmegen en directe omgeving. Voor VSO, waar geen strikte indeling in leerjaren is, is uitgegaan van de 15-jarigen volgens het leerplichtbestand. 63
64 Cijfers en analyses
65 Middelbaar beroepsonderwijs 6 Middelbaar beroepsonderwijs 6.1 Inleiding In Nijmegen zijn twee instellingen voor middelbaar beroepsonderwijs: het Regionaal Opleidingen Centrum Nijmegen (ROC), waar opleidingen zijn in de sectoren Economie, Techniek en Zorg en Welzijn. Helicon Opleidingen, waar opleidingen in de sector Landbouw gegeven worden. Binnen het MBO wordt onderwijs gegeven in twee leerwegen en vier niveaus. De twee leerwegen zijn de beroepsbegeleidende leerweg (BBL, veel praktijk, minstens 60% stage) en de beroepsopleidende leerweg (BOL, meer theoretisch, 20-60% stage). Naar niveau wordt het volgende (opklimmende) onderscheid gemaakt: niveau 1: assistentenopleiding niveau 2: basisberoepsopleiding niveau 3: vakopleiding niveau 4: middenkader- en specialistenopleidingen. Een opleiding op minimaal niveau 2 is de ondergrens voor een startkwalificatie op de arbeidsmarkt. Beide leerwegen kunnen op ieder niveau gedaan worden 6.2 Aanbod en gebruik: Nijmeegse MBO-scholen en hun leerlingen Kwart van MBO-studenten woont in Nijmegen Het ROC is de grootste Nijmeegse instelling op MBO-gebied. De school heeft in het studiejaar 2007/2008 ongeveer leerlingen die een MBO-opleiding volgen. Daarnaast studeren er een kleine 1000 leerlingen aan de Helicon. Het aantal leerlingen aan de Nijmeegse MBO-instellingen is sinds het begin van de eeuw toegenomen, in het leerjaar waren er rond de studerenden. Van de studenten wonen er ongeveer 2700, een kwart in Nijmegen. Ook het aantal Nijmeegse MBO leerlingen is gestegen, vooral in de eerste jaren van deze eeuw. Sinds het studiejaar 2004/2005 ligt het aantal studenten uit Nijmegen op een constant niveau. leerlingen totaal Nijmeegse leerlingen buitenleerlingen abs verdeling % BOL abs verdeling % BOL abs verdeling % BOL sectoren sectoren sectoren Economie % 58% % 85% % 49% landbouw 845 7% 92% 88 3% 94% 757 8% 91% Re-integratie en Educatie 118 1% 97% 82 3% 100% 36 0% 89% Techniek % 36% % 53% % 32% Zorg en Welzijn % 55% % 72% % 49% totaal % 54% % 74% % 48% Figuur 61 Studenten MBO (ROC en Helicon), studiejaar 2007/2008, bron: MBO-bestand De studenten zijn tamelijk gelijkmatig gespreid over de sectoren Economie, Techniek en Zorg en Welzijn. Naar de sector Landbouw en de sector Re-integratie en Educatie (middelbaar onderwijs voor volwassenen) gaan maar een klein aandeel van de studenten. 65
66 Cijfers en analyses De Nijmeegse studenten zijn iets meer georiënteerd op de sector Zorg en Welzijn, de studenten van buiten de plaats op de sectoren Landbouw en Techniek. Nijmeegse leerlingen volgen vooral de theoretische Beroepsopleidende Leerweg In Figuur 61 is ook te zien dat de Nijmeegse leerlingen vooral de theoretische BOLopleiding volgen: bijna drie kwart. Onder studenten van buiten Nijmegen is de verdeling over de meer praktisch BBL- en meer theoretische BOL-opleiding ongeveer gelijk. Maar weinig leerlingen op niveau 1 Het aandeel MBO-studenten dat een opleiding volgt op niveau 1 (te laag voor een arbeidsmarktkwalificatie) is maar laag: 4%. Onder de Nijmeegse scholieren ligt dat aandeel iets hoger dan onder de leerlingen van buiten de stad. niv. 1 niv. 2 niv. 3 niv. 4 Nijmegen 7% 28% 30% 34% 2725 elders 3% 24% 29% 45% % 25% 29% 42% Figuur 62 Niveau MBO-studenten, naar woonplaats, , bron: MBO-bestand Veel 17- en 18-jarigen Op het MBO komen vooral veel leerlingen die daarvoor VMBO gevolgd hebben. Op het moment dat zij aan het MBO beginnen zijn ze meestal 17, soms 16 jaar oud. De opleidingen duren meestal 2 tot 3 jaar. Het aantal studenten van 19 jaar en ouder is dan ook al kleiner dan het aantal 17- en 18-jarigen jaar % 25% 20% 15% 10% 5% 0% absoluut als % bevolking Figuur 63 Nijmeegse leerlingen MBO, naar leeftijd absoluut en als % bevolking, 07-08, bron: MBO-bestand In Figuur 63 is ook weergegeven hoe groot het aandeel is dat de MBO-studenten van de Nijmeegse bevolking uitmaken. Dat is het hoogst onder de 17-jarigen (bijna 30%). Dat komt niet alleen doordat veel studenten van het MBO 17 jaar oud zijn, maar ook omdat in de leeftijdsjaren daarboven veel instroom in Nijmegen is van (RU)-studenten die de percenteerbasis (het aantal personen van een bepaalde leeftijd dat in Nijmegen
67 Middelbaar beroepsonderwijs woont) verhogen. Het percentage leerlingen dat naar het MBO gaat wordt daardoor vanzelf lager. De laatste 5 jaar is het percentage Nijmegenaren dat een MBO-opleiding volgt tamelijk stabiel geweest jaar 14,0% 15,4% 13,0% 14,6% 17 26,6% 29,9% 26,8% 28,5% 18 21,5% 23,0% 20,1% 20,4% 19 15,1% 13,6% 13,5% 13,2% Figuur 64 Tijdreeks aandeel Nijmegenaren dat MBO volgt Verschillen tussen wijken Het MBO is vooral een vervolgopleiding na het VMBO. Het is dan ook begrijpelijk dat variaties in de deelname aan het VMBO ook terug te vinden zijn in de deelname van het MBO: N-Centrum N-Oost N-Oud-West N-Nieuw -West N-Midden N-Zuid Dukenburg Lindenholt N-Noord autochtoon Surinaams Antil/Arub Turks Marokkaans w esters niet-w esters 0% 10% 20% 30% 40% 50% Figuur 65 Deelname jarigen aan MBO per deelgroep In Nijmegen-Centrum en -Oost gaat minder dan 10% van de jarigen naar het MBO, in Dukenburg en Lindenholt meer dan een kwart. Op wijkniveau kunnen de verschillen nog verder oplopen. De hoogste percentages deelname zijn te vinden in Aldenhof, Malvert en t Acker (meer dan 35%). 67
68 Cijfers en analyses Ook bij Turkse, Marokkaanse en Surinaamse kinderen ligt het bezoek aan het MBO ruim boven het gemiddelde. 6.3 Onderwijsprestaties en achterstandsindicatoren: voortijdig schoolverlaten Een deel van de scholieren verlaat het onderwijs zonder een startkwalificatie (diploma op havo niveau of MBO-2 niveau). Gemeenten en onderwijsinstellingen samen proberen dit voortijdig schoolverlaten door registratie en melding goed in beeld te brengen. Doel is om de voortijdig schoolverlaters via verwijzing en begeleiding naar werk en/of school terug te leiden. In de regio Nijmegen (Nijmegen en 7 omliggende gemeenten) werkt daarvoor een RMC (regionaal meld- en coördinatiepunt) trajectbureau. Scholen, gemeenten en leerlingen zelf kunnen daar melding maken van voortijdig schoolverlaten waarna een traject naar startkwalificatie stapt. Op twee manieren wordt er verslag gedaan van voortijdig schoolverlaten, in de RMCeffectrapporage en in de CFI-rapportage Voortijdig SchoolVerlaten. Kort gezegd geeft de RMC-rapportage aan welke gevallen van voortijdig schoolverlaten bekend zijn bij de behandelende instanties en hoe die aangepakt worden terwijl de CFI-rapportage schetst hoeveel VSV-ers er in totaal zijn. Door deze verschillende invalshoeken en de verschillende regio s die de rapportages beslaan zijn de uitkomsten niet vergelijkbaar. RMC-effectrapportage het RMC regio Nijmegen heeft al enkele keren een jaarverslag uitgebracht (RMCeffectrapportage). Daarin komen zaken aan de orde als: hoeveel meldingen zijn er bij het trajectbureau binnen gekomen, wie heeft die meldingen gedaan, wat voor oude meldingen liggen er nog, wat is er gebeurd om de betreffende leerlingen naar werk of school te leiden. Onderscheid naar de herkomst van leerlingen (VO of MBO) wordt er maar beperkt gemaakt. Hoewel er al meerdere jaarverslagen zijn is er geen inhoudelijk zinvolle tijdreeks uit samen te stellen. Administratieve procedures en wijze waarop schoolverlaten gemeld wordt zijn door de jaren heen aan zoveel wijzigingen onderhevig geweest dat werkelijke ontwikkelingen in voortijdig schoolverlaten door deze administratieve schommelingen worden ondergesneeuwd. CFI -rapportage Voortijdig SchoolVerlaten Het CFI (Centrale Financiële Instelling) maakt op basis van de landelijk door de IB (Informatie Beheer) Groep beheerde leerlinggegevens ook een overzicht van het voortijdig schoolverlaten. Dat is voor het schooljaar 2005/2006 voor het eerste verschenen. Hiervoor is een bestandsvergelijking gemaakt. Uitgegaan wordt van het aantal leerlingen aan het begin van het studiejaar. Vervolgens wordt gekeken welke leerlingen een jaar later niet meer ingeschreven staan bij een onderwijsinstelling, en of deze verdwenen leerlingen in de tussentijd een diploma/startkwalificatie hebben behaald. De CFI-rapportage gaat dus over nieuwe gevallen, die gerelateerd worden aan de school waarop de leerlingen zaten. De rapportage betreft de regio Arnhem/Nijmegen, een eens zo groot gebied dus als de RMC-effectrapportage. RMC-effectrapportage: meer meldingen maar minder oude gevallen In de RMC-regio Nijmegen waren er in het schooljaar 2006/2007 bijna gevallen van voortijdig schoolverlaten in behandeling. Meer dan in het jaar daarvoor. De stijging was zeer sterk bij de nieuwe gevallen. Het is echter niet zo dat het werkelijke aantal
69 Middelbaar beroepsonderwijs VSV-ers in dit schooljaar dramatisch is toegenomen. De stijging wordt veroorzaakt door een veel betere meldingsprocedure vanuit het MBO. De cijfers van het jaar komen in de buurt van het werkelijke aantal uitvallers, terwijl de cijfers uit eerdere jaren een onderschatting waren. Gunstig is dat het aantal oude gevallen, meldingen die nog open staan uit het vorige schooljaar, juist is afgenomen. Aangemelde jongeren worden nu sneller teruggeleid naar opleidingen. oud nieuw totaal 2006/ / Illustratie 66: aantal meldingen bij RMC Bron: RMC-rapportage RMC-effectrapportage: in werden 788 Nijmeegse jongeren bij het trajectbureau gemeld Van de nieuwe meldingen uit 2006/2007 betroffen er 788 Nijmeegse scholieren vanuit het VO of MBO. Dat betekent dat ongeveer 5% van de jarigen in Nijmegen voortijdig schoolverlater was. In de omliggende gemeenten ligt dit aandeel op hetzelfde niveau. VSV als % Nijmegen 784 4,9% Beuningen 108 6,4% Groesbeek 56 5,1% Heumen 33 3,4% Millingen 17 4,8% Mook 11 2,9% Ubbergen 20 4,6% Wijchen 83 3,4% Figuur 67 Aantal VSV-ers per gemeente, , absoluut en als % jarigen Zo n vergelijking is echter niet helemaal eerlijk. In Nijmegen zijn er erg veel inwoners in deze leeftijdsklasse, door de trek van studenten naar de stad. Deze groep heeft per definitie een startkwalificatie en zal dus nooit VSV-er kunnen zijn. Bij een vergelijkbare schooluitval zou het uitvalpercentage in Nijmegen dus lager moeten zijn dan in de regio. Een gelijk percentage zou dan op een relatief ongunstige situatie wijzen. Daar staat tegenover dat het aantal VSV-ers dat gemeld wordt ook afhankelijk is van de inspanning die de gemeentes doen om VSV-ers op te sporen. De gemeenten Nijmegen en Beuningen zijn in deze RMC-regio het actiefst. RMC-effectrapportage: in verliet 11% van leerlingen van Nijmeegse MBOscholen voortijdig de school In Figuur 67 wordt het aantal schoolverlaters gekoppeld aan het aantal jongeren tussen de 17 en 22 jaar oud. Eigenlijk zou je de uitval willen relateren aan het aantal jongeren dat begonnen is aan de opleiding die met een startkwalificatie moet worden afgerond. Een benadering daarvan is te kijken naar het schoolverlaten per school. Sinds het jaar 2006/2007 is de melding van het ROC Nijmegen aan het RMC sluitend. De uitvalcijfers voor dit studiejaar geven voor deze opleiding dus een reëel beeld. 69
70 Cijfers en analyses In dit studiejaar zijn er door het ROC-Nijmegen en het Helicon 545 gevallen van voortijdig schoolverlaten door leerlingen uit de RMC-regio gemeld. Het aantal ingeschreven studenten uit die regio bedroeg in bijna Dat betekent dat 11% van de regionale leerlingen het ROC of Helicon voortijdig verliet. RMC-effectrapportage: helft VSV-ers in herplaatst naar opleiding of werk In totaal waren er in bijna 1500 VSV-ers uit Nijmegen en de omliggende gemeenten bekend bij het RMC. De helft van hen is teruggeplaatst op een opleiding (33%) of heeft nu werk (18%). Maar er is ook een grote groep, bijna 30%, waarvoor herplaatsing nog niet rond is en/of van wie niet bekend is wat ze nu doen. opleiding 33% werk 18% (zorg)traject 10% startkwal. 3% overig 6% nog niet afgehandeld 29% totaal 1487 Figuur 68 Herplaatsing VSV-ers, RMC effectrapportage CFI-rapportage: VSV vooral bij lagere opleidingsniveaus Uit de CFI-rapportage 2005/2006 blijkt dat ongeveer 500 scholieren van de Nijmeegse MBO-instellingen en wonend in de regio Arnhem/Nijmegen na een jaar geen opleiding meer volgen noch een startkwalificatie behaald hebben. Vooral op niveau 1 is het aandeel VSV-ers hoog. Een diploma op niveau 1 is geen startkwalificatie dus zelf wanneer een leerling het diploma haalt geldt hij/zij als VSV-er wanneer hij geen verdere opleiding gaat doen. De Helicon heeft een veel lager percentage VSV-ers dan het ROC. Dit wordt deels verklaard door het feit dat er op de Helicon geen opleidingen op niveau 1 zijn, zodat dat niet voor VSV-ers kan zorgen. VSV-ers als % ll ROC niveau ,8% niveau ,9% niveau ,6% niveau ,0% totaal ,5% Helicon niveau 1 -- niveau ,3% niveau 3 4 2,7% niveau 4 5 2,0% 22 4,3% MBO landelijk 9,4% Figuur 69 Aantal VSV-ers, absoluut en als % alle leerlingen, , bron: CFI-rapportage MBO, regio 14
71 Middelbaar beroepsonderwijs Het % voortijdig schoolverlaten op het ROC ligt iets boven het landelijk gemiddelde (9,4). Dat komt echter vooral door de manier waarop de ROC-leerlingen over de niveaus verdeeld zijn. Per niveau bekeken is de uitval op het ROC gelijk aan het landelijke cijfer. 71
72 Cijfers en analyses Tabel 11 Studenten ROC en Helicon die in Nijmegen wonen naar woonwijk, aantal MBO-ers als % staddeel wijk MBO-stud bev Centrum Benedenstad ,6% Stadscentrum ,2% Oost Bottendaal ,8% Galgenveld ,7% Altrade ,0% Hunnerberg ,8% Hengstdal ,1% Kwakkenberg ,6% Groenewoud ,0% Ooyse Schependom ,1% Oud-West Biezen ,9% Wolfskuil ,3% Nieuw-West Hees ,0% Heseveld ,0% Neerbosch-Oost ,2% Haven- en industriete 7 1 5,6% Midden Nije Veld ,6% Hazenkamp ,3% Goffert ,6% St. Anna ,1% Heijendaal 8 2 2,9% Zuid Hatertse Hei ,4% Grootstal ,5% Hatert ,3% Brakkenstein ,9% Dukenburg Tolhuis ,0% Zwanenveld ,7% Meijhorst ,2% Lankforst ,9% Aldenhof ,4% Malvert ,6% Weezenhof ,2% Staddijk ,0% Lindenholt t Acker ,7% De Kamp ,9% t Broek ,3% Kerkenbos 0 0 0,0% Neerbosch-West ,1% Noord Oosterhout ,9% Ressen 0 0 0,0% Lent ,7% Nijmegen ,4%
73 Middelbaar beroepsonderwijs 73
74 Cijfers en analyses
75 Hoger beroepsonderwijs en universiteit 7 Hoger beroepsonderwijs en universiteit Het aantal studenten aan Nijmeegse instellingen voor hoger onderwijs neemt nog steeds toe. In het studiejaar studeerden er meer dan mensen aan de Radboud Universiteit en Hogeschool Arnhem Nijmegen. Ruim van hen, vooral studenten van de RU, wonen ook in Nijmegen. Vooral de wijken in Centrum en Oost zijn populaire woongebieden voor de studenten. 7.1 Ontwikkeling studenten In Nijmegen zijn twee instellingen voor hoger onderwijs: de Radboud Universiteit en de Hogeschool Arnhem Nijmegen. De HAN heeft zowel vestigingen in Nijmegen als in Arnhem. In dit hoofdstuk presenteren we gegevens die alleen betrekking hebben op de studenten van de Nijmeegse locaties. Flinke groei aantal opleidingvolgenden Het aantal studenten in het hoger onderwijs neemt al jarenlang toe HBO WO Figuur 70 Studentenaantallen RU en HAN, bron: opgave instellingen De groei is de afgelopen jaren het sterkst geweest bij de HAN, waar het aantal studenten op Nijmeegse locaties tussen 2002 en 2006 toenam met ongeveer 2/3, van bijna 9000 tot een kleine In dezelfde tijd groeide het aantal studenten aan de RU met ruim 10%, van naar Ook in Nederland als geheel steeg in die periode het aantal studenten aan HBO en WO. Het marktaandeel van de RU bleef ongeveer gelijk: van alle WO-studenten studeert door de jaren heen 8% aan de Radboud Universiteit. Het aandeel studenten aan de HAN, locatie Nijmegen is wel groter geworden: van bijna 3% in naar bijna 4% in
76 Cijfers en analyses 10% 8% 6% 4% 2% 0% WO HBO Figuur 71 Aandeel van studenten aan Nijmeegse instellingen onder totaal aantal opleidingvolgenden in Nederland, bron: CBS en opgave instellingen Groei geconcentreerd Bij de HAN is de faculteit Gezondheid verreweg de grootste afdeling. Hier, en bij de faculteit Economie, is de groei de afgelopen jaren geconcentreerd. Bij de Radbouduniversiteit zijn de studenten veel gelijkmatiger over de faculteiten (A, B en C) verdeeld. De toename van het aantal RU studenten komt bijna volledig voor rekening van de A- en B-faculteiten. Hogeschool Arnhem Nijmegen Radboud Universiteit gezondheid economie educatie techniek A-fac. B-fac. C-fac. overig Figuur 72 Studentenaantallen naar studierichting Veel vrouwen onder studenten Aan de Nijmeegse instellingen voor hoger onderwijs studeren vooral veel vrouwen. Aan de HAN is 70% van de studenten vrouw, aan de RU meer dan 60%. Dit is duidelijk meer dan landelijk. In heel Nederland is bij WO de sekseverhouding ongeveer fifty/fifty. Bij het HBO is er sprake van een licht overwicht van de vrouwen.
77 Hoger beroepsonderwijs en universiteit Nederland HBO Nijmegen Nederland WO Nijmegen 0% 20% 40% 60% 80% 100% man vrouw Figuur 73 Verhouding man/vrouw onder HBO/WO-studenten, 2006/ Woonplaats studenten in het hoger onderwijs Helft RU-studenten en 20% HBO-ers woont in Nijmegen Niet iedereen die een opleiding volgt aan de RU of HAN woont ook in Nijmegen. Vooral in het HBO is het ook gewoon vanuit een andere woonplaats een opleiding te volgen. Van de studenten aan de RU woont ongeveer de helft in Nijmegen, van die aan de HAN 20%. In absolute termen betekent dat dat ruim van de opleidingvolgenden in Nijmegen wonen of omgekeerd, dat Nijmegenaren, 7% van de totale bevolking, een opleiding aan RU of HAN volgen. WO HBO % 22% % 21% % 20% % 21% % 20% Figuur 74 Aandeel studenten dat in Nijmegen woont Veel studenten in Centrum en Oost Vooral in de stadsdelen Centrum en Oost is het aandeel dat studenten in de totale bevolking uitmaken hoog. Kijk je op wijkniveau dan zie je nog sterkere concentraties: In de wijken Stadscentrum, Bottendaal, Galgenveld, Kwakkenberg, Groenewoud en Heyendaal vormen de studenten meer dan 15% van de bevolking. Deze concentratie van studenten heeft meerdere oorzaken: vaak hebben deze wijken woonmilieus die studenten aanspreken in een paar van deze wijken is veel woonruimte-aanbod van de Stichting Studenten Huisvesting ook de particuliere voorraad leent zich in deze over het algemeen wat oudere wijken redelijk goed voor het kamergewijs verhuren van panden. 77
78 Cijfers en analyses Nijmegen-Centrum 17% Nijmegen-Oost 13% Nijmegen-Oud-West 6% Nijmegen-Nieuw-West 5% Nijmegen-Midden 9% Nijmegen-Zuid 5% Dukenburg 2% Lindenholt 2% Nijmegen-Noord 2% Totaal 7% Figuur 75 Aandeel studenten per stadsdeel,
79 Hoger beroepsonderwijs en universiteit Tabel 12 Nijmeegse HAN- en RadboudUniversiteit-studenten naar woonwijk (06-07) stadsdelen wijken HAN Radboud aantal studenten Universiteit HAN + Radboud Universiteit als % van de bevolking Centrum Benedenstad Stadscentrum Oost Bottendaal Galgenveld Altrade Hunnerberg Hengstdal Kwakkenberg Groenewoud Ooyse Schependom Oud-West Biezen Wolfskuil Nieuw-West Hees Heseveld Neerbosch-Oost Haven- en industrieterrein Midden Nije Veld Hazenkamp Goffert St. Anna Heijndaal Zuid Hatertse Hei Grootstal Hatert Brakkenstein Dukenburg Tolhuis Zwanenveld Meijhorst Lankforst Aldenhof Malvert Weezenhof Lindenholt t Acker De Kamp t Broek Kerkenbos Neerbosch-West Noord Oosterhout Ressen Lent Nijmegen
80 Cijfers en analyses
81 Bijlage: afkortingenlijst 8 Bijlage: afkortingenlijst BBL BO BOL BSO CBS CFI GBA HAN KDV KION LWOO OAB OWS PO PSZ RMC ROC RU SBO VBMO-k VMBO-b Beroepsbegeleidende Leerweg op MBO Basisonderwijs Beroepsopleidende Leerweg op MBO Buiten Schoolse Opvang Centraal Bureau voor de Statistiek Centrale Financiële Instellingen Gemeentelijke Basisadministratie (burgerlijke stand) Hogeschool Arnhem Nijmegen Kinderdagverblijf Kinderopvang Nijmegen Leerwegondersteunend Onderwijs Onderwijs Achterstanden Beleid Open Wijk School Primair Onderwijs Peuterspeelzaal Regionaal Meld en Coördinatiecentrum voor voortijdig schoolverlaten Regionaal Opleidingen Centrum (MBO) Radboud Universiteit Speciaal Basis Onderwijs Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs, kaderberoepsgerichte leerweg Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs, basisberoepsgerichte leerweg VMBO-g Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs, gemengde leerweg VMBO-t Voorbereidend Middelbaar Beroepsonderwijs, theoretische leerweg VO VSO VSV VVE Voortgezet Onderwijs Voortgezet Speciaal Onderwijs Voortijdig School Verlaten Voor- en vroegschoolse Educatie 81
Monitor gebruik voorschoolse voorzieningen door 0-4 jarigen
Monitor gebruik voorschoolse voorzieningen door 0-4 jarigen Monitor gebruik voorschoolse voorzieningen door 0-4 jarigen Datum: maart 2016 Colofon Gemeente Nijmegen Onderzoek en Statistiek contactpersoon:
Van de tweejarigen zit het merendeel op een VVE-speelzaal, bij de driejarigen zit het grootste deel op een niet-vve-speelzaal (zie figuur 1).
1 Deelname van peuters aan voorschoolse educatie In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de deelname van Leidse peuters aan VVE (voor- en vroegschoolse educatie). In Leiden wordt in het kader van
BELEIDSNOTITIE DE BEREIKBAARHEID EN SPREIDING VAN DE NIJMEEGSE BASISSCHOLEN 28 APRIL 2003 EN DE SAMENSTELLING VAN DE SCHOOLPOPULATIES
BELEIDSNOTITIE 28 APRIL 2003 DE BEREIKBAARHEID EN SPREIDING VAN DE NIJMEEGSE BASISSCHOLEN EN DE SAMENSTELLING VAN DE SCHOOLPOPULATIES 1 DE BEREIKBAARHEID EN SPREIDING VAN DE NIJMEEGSE BASISSCHOLEN EN DE
Onderwijs. Hoofdstuk 10. 10.1 Inleiding
Hoofdstuk 10 Onderwijs 10.1 Inleiding Leiden kennisstad heeft een hoog opgeleide bevolking en herbergt binnen haar grenzen veel onderwijsinstellingen. In dit hoofdstuk gaat het zowel om de opleiding die
1 Deelname peuters aan voor- en vroegschoolse educatie Peuters op VVE- en niet-vve-speelzalen Gewichten en etniciteit peuters 3
Inhoudsopgave 1 Deelname peuters aan voor- en vroegschoolse educatie 2 1.1 Peuters op VVE- en niet-vve-speelzalen 2 1.2 Gewichten en etniciteit peuters 3 1.2.1 Gewichtenpeuters op 1 januari 2008 3 1.2.2
Stadsmonitor. -thema Onderwijs- Modules. Datum: 21-01-2014. Stadsmonitor -thema Onderwijs- 1
Stadsmonitor -thema Onderwijs- Modules Aanbod en deelname onderwijs 2 Kwaliteit 11 Ontwikkelen en benutten van talenten bij iedereen 14 Bijlage: Bronnen 23 Datum: 21-01-2014 Gemeente Nijmegen Onderzoek
Onderwijs. Kerncijfers
Kerncijfers 205 Onderwijs. Kerncijfers.2 Voor- en vroegschoolse educatie.3 Primair onderwijs.4 Speciaal basisonderwijs en speciaal onderwijs.5 Voortgezet onderwijs. Middelbaar beroepsonderwijs.7 Verzuim,
5. Onderwijs en schoolkleur
5. Onderwijs en schoolkleur Niet-westerse allochtonen verlaten het Nederlandse onderwijssysteem gemiddeld met een lager onderwijsniveau dan autochtone leerlingen. Al in het basisonderwijs lopen allochtone
Factsheet Passend Onderwijs
Factsheet Passend Onderwijs November 2010 Inleiding Deze factsheet geeft feiten en cijfers over het passend onderwijs in Nederland. De factsheet is een vervolg op de Factsheet Passend onderwijs van januari
Feitenkaart VVE-monitor Rotterdam 2012 Onderzoek peuterspeelzalen en kinderdagverblijven
Feitenkaart VVE-monitor Rotterdam 2012 Onderzoek peuterspeelzalen en kinderdagverblijven 1 Onderzoek en Business Intelligence Deze feitenkaart bevat de resultaten van de jaarlijkse Oktobertelling onder
Voortijdig schoolverlaters en Citotoets-gegevens,
, Toelichting bij geleverde maatwerktabellen 2006/2007 en 2007/2008* Levering: 17 februari 2010 De maatwerktabel over voortijdig schoolverlaters 2006/2007 bevat gegevens over het voortgezet onderwijs (vo)
Erratum Jaarboek onderwijs 2008
Centraal Bureau voor de Statistiek Erratum 13 december 2007 Erratum Jaarboek onderwijs 2008 Ondanks de zorgvuldigheid waarmee deze publicatie is samengesteld, is een aantal zaken niet juist vermeld. Onze
Onderwijsmonitor 2011
Onderwijsmonitor 211 Hendrik-Ido-Ambacht De gemeente Hendrik-Ido-Ambacht heeft behoefte aan informatie voor het voeren van hun onderwijsbeleid. Het Onderzoekcentrum Drechtsteden (OCD) voorziet via deze
Stromen door het onderwijs
Stromen door het onderwijs Vanuit het derde leerjaar van het vo 2003/2004 Erik Fleur DUO/IP Juni 2013 1. Inleiding In schooljaar 2003/2004 zaten bijna 200 duizend leerlingen in het derde leerjaar van het
Studenten aan lerarenopleidingen
Studenten aan lerarenopleidingen Factsheet januari 219 In de afgelopen vijf jaar is het aantal Amsterdamse studenten dat een lerarenopleiding volgt met ruim 9% afgenomen. Deze daling is het sterkst voor
7. Deelname en slagen in het hoger onderwijs
7. Deelname en slagen in het hoger onderwijs Vergeleken met autochtonen is de participatie in het hoger onderwijs van niet-westerse allochtonen ruim twee keer zo laag. Tussen studiejaar 1995/ 96 en 21/
Steeds meer niet-westerse allochtonen in het voltijd hoger onderwijs
Steeds meer niet-westerse allochtonen in het voltijd hoger onderwijs Esther van Kralingen Tussen studiejaar 1995/ 96 en 21/ 2 is het aandeel van de niet-westerse allochtonen dat in het hoger onderwijs
Drentse Onderwijsmonitor
Drentse Onderwijsmonitor Feitenbladen Gemeente Midden- Kerncijfers uit de periode 2009-2014 Drentse Onderwijsmonitor 2014 Primair onderwijs Onlangs verscheen de 9 de editie van de Drentse Onderwijsmonitor.
Scholen in de Randstad sterk gekleurd
Scholen in de Randstad sterk gekleurd Marijke Hartgers Autochtone en niet-westers allochtone leerlingen zijn niet gelijk over de Nederlandse schoolvestigingen verdeeld. Dat komt vooral doordat niet-westerse
Feitenkaart vve-monitor Rotterdam 2015
April 2016 Feitenkaart vve-monitor Rotterdam 2015 Onderzoek peuterspeelzalen en kinderdagverblijven 1 Deze feitenkaart bevat de resultaten van de jaarlijkse oktobertelling onder alle Rotterdamse peuterspeelzalen
Figuur 1: Aantal gediplomeerde studenten lerarenopleidingen studiejaar 2004-2008 (bronnen: hbo-raad en vsnu, bewerkt door sbo)
Aantal gediplomeerden aan de lerarenopleidingen in Nederland Ondanks huidige en verwachte lerarentekorten is er geen sprake van een substantiële groei van aantal gediplomeerden aan de verschillende lerarenopleidingen.
Onderwijsmonitor 2011
Onderwijsmonitor 211 Dordrecht De gemeente Dordrecht heeft behoefte aan informatie voor het voeren van hun onderwijsbeleid. Het Onderzoekcentrum Drechtsteden (OCD) voorziet via deze factsheet in die behoefte.
Onder- en overadvisering in beeld 2006/ /2009 Gemeente Helmond
Onder- en overadvisering in beeld 6/7-8/9 Gemeente Helmond November 9 Mevrouw drs. Marian Calis OCGH Advies Samenvatting Een goede aansluiting tussen het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs is in
Dordtse jeugd in cijfers
Dordtse jeugd in cijfers stand van zaken en ontwikkelingen kerncijfers Hoe staat het met de jeugd in? Hoeveel kinderen groeien op in een bijstandsgezin? Hoeveel jongeren zijn werkloos en welk aandeel heeft
Onderzoek doelgroepbereik VVE
Onderzoek doelgroepbereik VVE Nulmeting Beleidsinformatie en Onderzoek Sector Control Samenstelling: Drs. C. Hogervorst BiO-rapport nr. 1203 December 2014 2 Inhoud 1. Inleiding 5 2. Resultaten 6 2.1. Omvang
Drentse Onderwijs monitor
Drentse Onderwijs monitor Feitenbladen Gemeente Assen Kern cijfers uit de periode 2010-2015 OM_Assen-DEF.indd 1 18-05-16 11:13 Drentse Onderwijsmonitor 2015 Primair onderwijs Onlangs verscheen de 10 de
Drentse Onderwijs monitor
Drentse Onderwijs monitor Feitenbladen Gemeente Kern cijfers uit de periode 2010-2015 OM_-DEF.indd 1 18-05-16 11:15 Drentse Onderwijsmonitor 2015 Primair onderwijs Onlangs verscheen de 10 de editie van
Opleidingsniveau stijgt
Opleidingsniveau stijgt Grote doorstroom naar hogere niveaus Meer leerlingen vanuit vmbo naar havo Grote groep mbo ers naar het hbo 10 Jongens groeien gedurende hun onderwijsloopbaan Jongens na een diploma
Demografische Verkenning 2012
Demografische Verkenning 2012 Demografische Verkenning 2012 Datum: augustus 2012 Colofon Gemeente Nijmegen Afdeling Onderzoek en Statistiek contactpersoon: Jenny Zonneveld tel.: (024) 329 98 89 e-mailadres:
Drentse Onderwijsmonitor
Drentse Onderwijsmonitor Feitenbladen Kerncijfers uit de periode 20-20 Drentse Onderwijsmonitor 20 Feitenblad Onlangs verscheen de de editie van de Drentse Onderwijsmonitor. Dit rapport brengt de onderwijspositie
Allochtonen op de arbeidsmarkt 2009-2010
FORUM Maart Monitor Allochtonen op de arbeidsmarkt 9-8e monitor: effecten van de economische crisis In steeg de totale werkloosheid in Nederland met % naar 26 duizend personen. Het werkloosheidspercentage
Drentse Onderwijsmonitor 2014
Drentse Onderwijsmonitor 2014 9 de editie Imke Oosting CMO Groningen Wat is de Drentse onderwijsmonitor? In beeld brengen van onderwijspositie en prestaties van Drentse leerlingen Van basisschool tot en
Drentse Onderwijsmonitor
Drentse Onderwijsmonitor Feitenbladen Gemeente Kerncijfers uit de periode 2009-2014 Drentse Onderwijsmonitor 2014 Primair onderwijs Onlangs verscheen de 9 de editie van de Drentse Onderwijsmonitor. Dit
Uitleg van de figuren PO 1
Uitleg van de figuren PO 1 Uitleg van de figuren - PO In dit document worden de verschillende figuren nader toegelicht die in het NCO rapport Waar blijven uw oud-leerlingen? worden getoond. Voor ieder
Segregatie in het onderwijs
Segregatie in het onderwijs Wat maakt middelbare scholen aantrekkelijk voor verschillende groepen leerlingen? Lotje Cohen 25 november 2010 25 november 2010 Segregatie in het onderwijs 2 In dit onderzoek
/ aant. % aant. % aant. % aant. % aant. % aant. % ,3 5 3,3 8 5, , ,7 153
Inhoudsopgave 1 Leerlingpopulatie... 3 1.1 Gewogen gewichten... 3 1.2 Land van herkomst... 4 2 Schoolresultaten... 5 2.1 Instroom in de kleuterbouw... 5 2.1.1 Uitstroom naar het Speciaal basisonderwijs
Factsheets. Voortijdig Schoolverlaten
Factsheets Voortijdig Schoolverlaten Februari 2007 Inleiding Deze factsheets behoren bij de brief kenmerk BVE/INI/2007/3891 en presenteren een weergave van de nu bekende feiten en getallen over de groep
