Heikikker Rana arvalis
|
|
|
- Leo ten Hart
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 hoofdstuk 8 de soorten Heikikker Rana arvalis De heikikker is een vrij kleine en fijngebouwde kikker met meestal een duidelijke, lichte, brede streep op de rug. Opvallend is de intense blauwkleuring die soms bij mannetjes tijdens de voortplantingstijd optreedt. Het is een laaglandsoort die voornamelijk wordt aangetroffen in hoog- en laagvenen, op heide, in beekdalen, in klei-op-veen- en komkleigebieden en soms ook in uiterwaarden. In al deze gebieden maakt de soort bij voorkeur gebruik van relatief voedselarme wateren, vaak ook met een lage ph. In klei- en veenweidegebieden wordt ook wel voortplanting geconstateerd in meer voedselrijke sloten. Beschrijving De heikikker is een vrij kleine kikker. De volwassen dieren zijn 4,5-6 cm lang en wegen 15-3 g. In Duitsland zijn dieren van maximaal 7,5 cm en 5 g bekend. Er zijn geen duidelijke verschillen in grootte en/of gewicht tussen mannetjes en vrouwtjes, hoewel vrouwtjes met eieren wel aanzienlijk zwaarder zijn. De heikikker heeft relatief korte poten (Arntzen 1981, Bauwens & Claus 1996). De grondkleur varieert van lichtbruin, soms bijna geel, tot diep donkerbruin of grijsachtig (Glandt 26a). De meeste dieren hebben een lichte rugstreep, van de anus tot voorbij de ogen. Bij onderzoek in de Hamert, de Meinweg en de Overasseltse en Hatertse Vennen bleek gemiddeld 8,8% van de dieren tot deze striat a -vorm te behoren (Henk Strijbosch pers. med.). Opvallend zijn de geprononceerde, lichtgekleurde ruglijsten. Door de drie lichtgekleurde strepen (een centrale rugstreep en twee ruglijststrepen) op een donkere grondkleur maakt de heikikker een zeer contrastrijke indruk. Dit wordt versterkt door de lichte streep op de bovenlip die sterk contrasteert met de donkere, vrijwel zwarte slaapvlek (Bauwens & Claus 1996). De keel en de buik zijn zeer licht gekleurd, van lichtgrijs tot bijna geheel wit, soms met enkele vlekjes. In de voortplantingstijd zijn de mannetjes van de vrouwtjes te onderscheiden door de gespierde voorpoten en de paarborstels op de duimen. De meeste mannetjes hebben in de voortplantingstijd een blauwe keel, sommige dieren kunnen zelfs enkele dagen geheel blauw gekleurd zijn, met uitzondering van de buikzijde. Buiten de voortplantingstijd zijn de mannetjes door de zwaardere voorpoten te onderscheiden van de vrouwtjes. Het geluid dat de mannetjes in de voortplantingstijd maken wordt wel omschreven als een geklok dat klinkt als een onder water gehouden fles waaruit de lucht ontsnapt (Foppen 1992). De heikikker legt compacte, relatief stevige eiklompen. De larve heeft twee, soms drie rijen liptandjes op de bovenlip en drie rijen op de onderlip (Arntzen 1981, Van Diepenbeek & Creemers 26, Lenders et al. 1993). In de laatste larvale stadia is vaak al een duidelijke rugstreep aanwezig. Bij juvenielen die juist aan land zijn gegaan, zijn deze rugstreep én de beide zijlijsten vaak al duidelijk zichtbaar. Herkenning Heikikker en bruine kikker lijken sterk op elkaar, wat tot verkeerde determinaties kan leiden. Het betrouwbaarste determinatiekenmerk is de metatarsusknobbel. Deze is bij de heikikker groter, harder en hoger dan die van de bruine kikker. Bij onvolwassen dieren is dit kenmerk lastig te zien. Van boven en van opzij gezien is de snuit van de heikikker spitser dan die van de bruine kikker. Heikikkers hebben bovendien vaak een lichtgekleurde, sterk contrasterende bovenlip. Meestal hebben heikikkers een duidelijke tot voorbij de ogen lopende rugstreep met aan weerszijden donkere banden. Bij bruine kikkers met een rugstreep loopt deze nooit tot voorbij de ogen. Bij zo n 2% van de heikikkers ontbreekt de rugstreep echter geheel en dient goed gekeken te worden naar de overige determinatiekenmerken. De zijlijsten zijn duidelijk lichter gekleurd en vaak geprononceerd. Het oordeksel van de heikikker is relatief kleiner dan bij de bruine kikker en is iets verder van het oog geplaatst. Het geluid van beide soorten is zeer verschillend en cd 13, 14 Amplex. Amplexus. Jong, de & Vos 29. In: Nederlandse Fauna 9:
2 de amfibieën en reptielen van nederland Eiklompen. Eggs. Larve. Larva. Kleur- en patroonvariatie bij heikikkers: Colour and pattern variability in moor frogs: Heikikker met rugstreep. Moor frog with dorsal stripe. Heikikker zonder rugstreep. Moor frog without dorsal stripe. Rozeachtige heikikker. Pinkish moor frog. Blauwachtige heikikker. Blueish moor frog. vormt, gedurende een korte periode in het jaar, een goed determinatiekenmerk. Alleen de roep van de knoflookpad lijkt wat op die van de heikikker. Deze soort is doorgaans echter enkele weken later actief en is bovendien veel zeldzamer. Ook de eieren van heikikker en bruine kikker lijken sterk op elkaar. De klompen van de heikikker zijn relatief klein en compact en bestaan vaak uit minder eieren (Arntzen 1981, Bauwens & Claus 1996, Van der Coelen 1992, Schops 1999). Herkenning van eiklompen is alleen mogelijk voor niet te oude, maar ook niet te verse eiklompen en door ervaren waarnemers; een eiklomp van de bruine kikker glijdt van de hand af, een eiklomp van de heikikker blijft als een bal op de hand liggen. Het onderscheid tussen larven van beide soorten wordt gemaakt op basis van het aantal liptandjes. De heikikkerlarve heeft drie rijtjes liptanden op de onderlip. Op de bovenlip (moeilijker te zien) staan twee of drie rijen liptandjes. De larve van de bruine kikker heeft zowel op de boven- als op de onderlip vier rijen liptandjes. De liptandenformule is echter vooral voor grotere larven geen betrouwbaar kenmerk meer, omdat de liptanden al verdwijnen in de laatste larvale stadia. In de laatste fase van het larvenstadium is vaak al een duidelijke rugstreep aanwezig, die bij de bruine kikker doorgaans ontbreekt. Door onervaren waarnemers worden onvolwassen groene kikkers, in het bijzonder donkere, bruin gekleurde meerkikkers en poelkikkers met duidelijke rugstrepen wel eens met heikikkers verwisseld. Ook in museumcollecties, waarbij de kleuren zijn verdwenen als gevolg van de conserveringsmiddelen, werden enkele verwisselingen tussen heikikker en poelkikker aangetroffen (Raymond Creemers & Jong, de & Vos 29. In: Nederlandse Fauna 9:
3 hoofdstuk 8 de soorten 4 % Jeroen van Delft pers. med.). Door de plaatsing van de ogen boven op de kop en het ontbreken van een duidelijk donkere tot zwarte slaapstreek, onderscheidt de poelkikker zich echter duidelijk van de heikikker. Zie ook de determinatiesleutels heikikker adult (n=597) in Van Diepenbeek & Creemers (26). Biologie Jaarritmiek Na de overwintering beginnen de dieren meteen aan de migratie naar de voortplantingsplaatsen (Arntzen 1981). Günther & Nabrowsky (1996) vermelden meerdere trekkende dieren op 18 februari heikikker man na (grijs; enkele n=178) dagen & vrouw (rood; met n=48) een temperatuur van 9 C en een nachttemperatuur van 3 C. Voesenek & van Rooy (1981) constateerden in de Hamert een aanvang van de voortplantingstrek bij een luchttemperatuur hoger dan 8 C. De minimumtemperatuur bleef in de migratieperiode onder de C. Kennelijk is de maximumtemperatuur van meer belang dan de minimumtemperatuur. Tijdens de meeste jaren verschijnen de dieren in maart op de voortplantingsplaatsen, maar afhankelijk van de weersomstandigheden bruine kikker kan adult dat (n=2828) soms al eind februari zijn. De eerste mannetjes zijn enkele dagen eerder aanwezig dan de eerste vrouwtjes (Günther & Nabrowsky 1996, Onderstal & Schuurmans 1971, Wijnhoven 1971). De paartijd duurt binnen een populatie vaak slechts enkele dagen. In het water vormen de mannetjes koren, die aanvankelijk alleen in de avonduren en s nachts gehoord worden (Feldmann 1981). In de piek van de voortplantingsperiode roepen de mannetjes zowel overdag als s nachts. bruine kikker man (grijs; n=2781) & vrouw (rood; n=1876) Het merendeel van de verse eieren wordt gemeld in maart. De eiklompen blijven enkele weken zichtbaar en worden ook in april nog veel waargenomen. De eiafzet binnen een deelpopulatie voltrekt zich meestal binnen enkele dagen, met name wanneer er in het voorjaar plots een temperatuurstijging plaats vindt. Tijdens de piek van de voortplantingstijd kleuren de mannetjes vaak intens blauw. Vrijwel direct na de eiafzet verlaten de vrouwtjes het water, de mannetjes volgen pas na meerdere dagen (Arntzen 1981, Nöllert & Nöllert 1992). Het aan land gaan van de juvenielen vindt, evenals de eiafzet, gesynchroniseerd plaats. In een populatie verlaten nagenoeg alle juvenielen in enkele dagen het water. In de Nederlandse populaties vindt dit meestal plaats in juni. Elders is het aan land gaan vastgesteld van juni (soms al eind mei) tot in september. Het tijdstip wordt bepaald door klimatologische omstandigheden (geografische ligging). (Arntzen 1981, Günther & Nabrowsky 1996, Nöllert & Nöllert 1992). Meteen hierna trekken de jonge dieren verder het land op. De larven metamorfoseren altijd in het jaar van eiafzet. Er zijn geen gegevens bekend van overwinterende larven. Heikikkers overwinteren op vorstvrije plaatsen op het land van eind oktober tot begin maart (Van der Coelen 1992). In tegenstelling tot de bruine kikker overwintert de heikikker nagenoeg niet in het water (Günther & Nabrowsky 1996). Uit de overwinteringsperiode (november-februari) zijn maar weinig waarnemingen bekend. Legselgrootte, groei en leeftijd Per eiklomp zijn circa 6 tot 3 eieren aanwezig (Arntzen 1981, Belimov & Sedalishchev 1979, Van de Bund 1964). Afhan- 4 % J F M A M J J A heikikker juvenielen (n=72) Adulten (n = 597) 25 J % F M A M J J A S O N D % (n = 178) 4 % 4 % bruine kikker adult (n=2828) % heikikker juvenielen (n=674) 25 % bruine kikker juvenielen (n=3764) 2 4 % % % % bruine kikker man (grijs; n=2781) & vrouw (rood; n=1876) kelijk Jvan Fde temperatuur M A M komen J Jde eieren A S binnen O Nvijf dagen tot J drie F weken M Auit. MVolgroeide J J larven A zijn S ongeveer O N 4-5 D D bruine kikker eieren (grijs; n=6263) en larven (rood; n=4662) cm groot. Na 6-16 weken gaan ze als juvenielen aan land. 4 % eieren De jonge kikkertjes zijn bij het verlaten van het water larven circa 3 1,-1,9 cm groot, en wanneer ze in winterslaap gaan 2,-3,4 cm. 2 Na twee of drie overwinteringen keren heikikkers voor het eerst naar het water terug om er zich voort te planten 1 (Bauwens & Claus 1996, Van Gelder & Oomen 197, Günther & Nabrowsky J 1996, F Schops M A1999). MOp Jbasis J van A waarnemingen S O N van D zeer kleine, baltsende mannetjes (lengte ca. 3 mm) veronderstellen Günther & Nabrowsky (1996) dat sommige mannetjes zich al na één overwintering voortplanten. De veronderstelde maximale leeftijd van heikikkers in de vrije natuur is 1-12 jaar (Günther & Nabrowsky 1996, Nöllert & Nöllert 1992). Voedsel Aangenomen wordt dat heikikkers in onze regio zowel s nachts als overdag foerageren. Het voedsel bestaat uit allerlei kleine ongewervelde dieren: slakken, wormen, spinnen, kevers, vlinders en rupsen (Arntzen 1981, Belimov & Sedalishchev 1979, Bosman et al. 23, Loman 1979). Bosman et al. (23) geven voor de Overasseltse & Hatertse Vennen resultaten uit 74 maagspoelingen. Het voedsel bleek vooral te bestaan uit kevers (19%), spinnen (17%), insectenlarven (16%), vliegen en muggen (7%) en slakken (6%). In twee gebieden in Polen werden 131 magen van heikikkers onderzocht (Mazur 1966). Kevers (42-44%), rupsen (32%), slakken (17%), bladluizen (12%) en wantsen (6%) vormden het voornaamste voedsel. Niet de grootte of de dichtheid waarin potentiële prooidieren voorkomen, maar het gedrag bepaalt of de prooi gepakt wordt of niet. Vooral (n = 48) J F M A M J J A heikikker eieren (grijs; n=943) en larven (rood; n=375) eieren larven 25 % 2 Eieren (n = 943) 15 Larven (n = 375) 1 5 Juvenielen (n = 674) bruine kikker juvenielen (n=3764) J F M A M J J A larven (rood J F M A M J J A Jong, de & Vos 29. In: Nederlandse Fauna 9:
4 de amfibieën en reptielen van nederland snel bewegende prooidieren worden gegeten (Zimka 1966). Overdag komen daarom vliegende insecten veel op het menu voor. Zich langzaam voortbewegende dieren, bijvoorbeeld regenwormen, worden door de heikikker blijkbaar niet snel als prooi herkend. De larven eten net als alle andere kikkeren paddenlarven zowel dierlijk als plantaardig voedsel. Predatoren Op volwassen heikikkers wordt gepredeerd door ringslangen, roofvogels als buizerd en wespendief, uilen, maar ook door blauwe reiger en purperreiger. Ze worden ook gegeten door kleine marterachtigen. Juvenielen worden door tal van vogelsoorten gegeten, maar ook door ringslangen en volwassen groene kikkers. Vooral jonge heikikkers kunnen een belangrijke voedselbron vormen voor adders (Günther & Nabrowsky 1996). De larven worden door verschillende vissoorten gegeten. Ook waterkevers en de larven ervan, libellenlarven en waterwantsen van de geslachten Notonecta, Ranatra en Naucoris treden als predator op. Eieren worden door watersalamanders gegeten, die veel bij de eiklompen worden waargenomen. Onder andere kleine watersalamanders kunnen zich in eiklompen boren en daar de eikernen uit de gelei wegvreten. Ook verschillende eendensoorten kunnen eiklompen opeten en de klompstructuur verstoren. Gedrag Tijdens de koorvorming zijn heikikkers schuw en houden de mannetjes snel op met roepen bij verstoring. Bij hoge temperaturen en in de top van de voortplanting laten echter ook heikikkers veel van hun schuwheid varen. Bij de paring grijpen de mannetjes de vrouwtjes in de oksels vast (axillaire amplex). De heikikker wordt als een zeer schuw dier betiteld (Grossenbacher 1977, Nöllert & Nöllert 1992). Beide laatste auteurs geven aan dat heikikkers vermeende predatoren al op 2 m afstand zien. Heikikkers op het land vluchten vaak in dichte vegetatie. Wanneer ze toch aangeraakt worden kunnen ze zich plat tegen de grond drukken, de voorpoten opheffen en de handen met naar boven wijzende handpalmen op de ogen leggen. Dat lijkt op het bekende afweergedrag van de geelbuikvuurpad. Verplaatsingen Het verbreidingsvermogen van de heikikker is niet zeer groot. Uit telemetrisch onderzoek blijkt dat de dieren in de landhabitat zeer plaatstrouw zijn met een gemiddelde verplaatsing van 32 m per dag (Lutz 1992). Dispersieafstanden worden geschat op 1-3 km (Hartung 1991, Vos & Chardon 1998, Vos et al. 21). Pas gemetamorfoseerde dieren werden in de periode half juli tot half oktober tot op 12 m van het voortplantingswater teruggevangen (Hartung 1991). Het verbreidingsvermogen wordt beïnvloed door de aard van het tussenliggende landschap. Leefgebieden hebben een geringere kans om bezet te zijn naarmate ze dichter bij wegen liggen (Vos & Chardon 1998). Ook de genetische verwantschap tussen populaties neemt af naar mate er meer wegen tussen de leefgebieden liggen (Vos et al. 21). Areaal De heikikker heeft een groot verspreidingsgebied dat zich uitstrekt over grote delen van Eurazië. De Nederlandse en Deense kustlijn vormen de westgrens van het areaal. Het verspreidingsgebied strekt zich tot ver naar het noorden van Europa uit. De noordgrens bevindt zich boven de poolcirkel, met de noordelijkste waarneming in Finland op circa 69ºnb. Hiermee is de heikikker één van de noordelijkst Jong, de & Vos 29. In: Nederlandse Fauna 9:
5 hoofdstuk 8 de soorten voorkomende amfibieën. De soort ontbreekt in Zuid-Europa. De zuidwestgrens van het verspreidingsgebied loopt door het noorden van België, de Franse Elzas, Zuid-Duitsland en Oostenrijk. Schouwen-Duiveland was de meest westelijke vindplaats, totdat Caby et al. (2) een geïsoleerde populatie ontdekten in Noordwest-Frankrijk. Naar het oosten loopt de verspreidingsgrens tussen 45 en 5 nb door Oekraïne. Tot ver in Azië komt de soort in grote delen van Siberië voor. Ook hier overschrijdt de areaalgrens in het noorden regelmatig de poolcirkel. De heikikker is, in tegenstelling tot de bruine kikker, in het grootste deel van zijn verspreidingsgebied een laaglandsoort. In Midden- Europa (Oostenrijk en Tsjechië) komt de heikikker voor tot een hoogte van circa 8 m. Meer naar het oosten (Oekraïne en het Altaigebergte) komt de heikikker tot op grotere hoogten voor (Gasc et al. 1997). Verspreiding in Nederland De heikikker komt voor op zandgronden, hoog- en laagvenen, op heide, in beekdalen, in klei-op-veen en komkleigebieden en ook in de uiterwaarden van de Nederrijn/Lek. De soort is in alle provincies aangetroffen, maar in Flevoland slechts eenmalig op Urk (1945). De zwaartepunten liggen in het Veluws-Drents district (met name het Drentse deel ervan) en in het laagveendistrict. Ook daarbuiten komen echter nog duidelijke concentraties voor, met name in voedselarme, schrale milieus. In de kustregio is de soort alleen aanwezig op Texel en op de kop van Schouwen. Voor 1971 De eerste meldingen van de heikikker in Nederland stammen uit 1877 (Prof. Max Weber, Assel, Veluwe) en 1896 (Eli Heimans, het Soester Ven) (Heimans 1896). Het verspreidingsbeeld voor 1971 is, naar later zal blijken, voor deze soort zeer onvolledig. Uit alle Nederlandse provincies is de soort bekend, maar enige samenhang tussen de verschillende leefgebieden en de belangrijkste verspreidingskernen is moeilijk in het kaartbeeld te herkennen. Uit de kaart komen de zandgronden naar voren als belangrijke gebieden, maar in het westen van Nederland wordt de soort ook aangetroffen op Schouwen, Goeree-Overflakkee, Voorne en Texel. Opvallend zijn ook de geïsoleerde vindplaatsen in Gaasterland en Urk. De waarneming van Urk dateert uit 1945 en is de eerste en tevens laatste waarneming uit Flevoland. Bergmans & Zuiderwijk (1986) gaan uitgebreider in op het ontstaan van de geïsoleerde vindplaatsen Tussen 1971 en 1995 wordt het verspreidingsbeeld van de heikikker in belangrijke mate gecompleteerd. Op uurhokbasis lijkt de soort algemeen voor te komen, maar schijn bedriegt. Populaties in beekdalen en in laagveen staan dan al onder grote druk en in de jaren 7 en 8 zorgt verdroging en verzuring van voortplantingswateren voor een gestage achteruitgang. Datgene wat aangetroffen wordt is waarschijnlijk nog maar een fractie van wat er eerder in deze gebieden voorkwam. Veel populaties verdwijnen dan ook al snel na 197. Uit Groningen is de soort bekend uit het Westerkwartier, Zuidoost-Groningen en rond het Schildmeer. In Friesland ligt het zwaartepunt voornamelijk in de grensgebieden met Drenthe, Groningen en Overijssel. Ook ten noorden van Heerenveen is de soort aangetroffen rond de Deelen en rond Eernewoude. Uit het westen van Friesland komen in deze periode geen waarnemingen, maar dit is te wijten aan geringe inventarisatie-inspanningen. De heikikker blijkt in het Veluws-Drents district bepaald niet zeldzaam. De soort is hier bekend uit vrijwel alle natuurterreinen met heide en hoogveen. Ook in het oostelijke en noordelijke deel van Overijssel en in de Achterhoek komt de soort veel voor, evenals op de Utrechtse Heuvelrug. De Gelderse Vallei, de westelijke Betuwe en de Eempolders (De Jong 1988) zijn in deze periode nog goed bezet. In de laagveengebieden op de grens van Zuid-Holland en het westen van Utrecht wordt de soort in deze periode in lage dichtheden aangetroffen. De laagveenpolders in het zuidoostelijke deel van Zuid-Holland (Alblasserwaard, maar met name ook in de Vijfheerenlanden; Priester & Van der Velde 1973) en enkele aansluitende uurhokken op de grens met Gelderland (westelijke Betuwe) lijken de meeste aaneengesloten kilometer- en uurhokken van Nederland te Amplex. Amplexus. Jong, de & Vos 29. In: Nederlandse Fauna 9:
6 de amfibieën en reptielen van nederland natuurlijke populaties uitgezette, maar zich handhavende populaties Bezette km-hokken per uurhok: of meer natuurlijke populaties uitgezette, maar zich handhavende populaties Bezette km-hokken per uurhok: of meer Aantal uurhokken: < Aantal kilometerhokken: < bevatten. In de Bommelerwaard wordt in deze periode de heikikker voor het eerst aangetoond. In Zuid-Holland lijkt de soort verdwenen op Voorne en Goeree. Uit Zeeland komen alle waarnemingen van de vroongronden op Schouwen. In Noord-Brabant en Limburg bezet de soort vennen en hoogvenen, soms is de soort echter ook nog te vinden in restanten van beekdalgraslanden en in het noorden van Noord-Brabant in (laagveen)- moerasjes op de overgang van zand naar klei (Van Erve 25, Foppen 1992, Sanders 1986). De heikikker blijkt algemeen voor te komen in de Peelregio. Ten zuiden van de Meinweg is de soort bepaald niet algemeen. Vindplaatsen zijn hier het Haeselaarsbroek, de Brunssumerheide en er is een volledig geïsoleerde vondst van twee exemplaren in 1974 op een hellingheide bij Berg en Terblijt. Deze hellingheide is later bos geworden en de heikikkers zijn hier nooit meer waargenomen (Van Delft & Creemers 28) In grote delen van het verspreidingsgebied wordt pas in deze periode de achteruitgang van de heikikker duidelijk. De waarnemingen uit deze periode zijn voornamelijk verricht in gebieden die al eerder in kaart zijn gebracht. Binnen deze gebieden wordt vooral op een fijner schaalniveau achteruitgang van de soort geconstateerd. Op uurhokniveau zijn de veranderingen wat minder duidelijk, maar de soort lijkt in diverse regio s achteruit te gaan. In Friesland vindt in 22 en 23 een intensieve inventarisatie plaats die de verspreiding van de soort goed in kaart brengt (Van den Bogert 25). De heikikker komt hier voor in hoogveen, laagveen, beekdalen, op heides en op een aantal voor Nederland unieke habitats (stuwwallen aan de IJsselmeerkust, Mieden en buitendijkse gebieden). Interessant is met name de vestiging van heikikkers in buitendijkse gebieden in het IJsselmeer. De dichtheden in de buitendijkse gebieden, op de stuwwallen en in de Mieden zijn echter laag ten opzichte van hoogveen, laagveen en heide. In Midden-Groningen worden kleine relictpopulaties aangetoond en de soort is nog op diverse plaatsen in het Westerkwartier, Gorecht en Westerwolde aanwezig. Vooral in Westerwolde is sprake van grotere aantallen dieren (Felix & Hoogerwerf 2, Hoogerwerf & Luijten 1999, Luijten 1995, 24). Met uitzondering van de geschikt geworden buitendijkse Friese vindplaatsen moeten alle andere nieuwe vindplaatsen en herontdekkingen gezien worden als relictpopulaties die eerder over het hoofd zijn gezien. De hoogste concentraties bezette kilometerhokken zijn aanwezig in Friesland en Drenthe en in delen van Zuid- Holland en aangrenzend Utrecht en Gelderland. Drentse voorbeelden van belangrijke gebieden voor de heikikker zijn het Bargerveen, Dwingelderveld, Drents-Friese Wold en Fochteloërveen. In Friesland liggen concentraties van vindplaatsen rond de grens met Overijssel en Drenthe, onder meer in het Fochteloërveen, het Drents-Friese Wold, de Alde Feanen en Rottige Meenthe. In de meeste andere provincies is de soort tamelijk wijd verbreid, maar zijn de leefgebieden relatief klein en versnipperd. Van de minder dicht bezette provincies herbergt Noord-Brabant de meeste bezette kilometerhokken (Van Delft & Creemers 28). De belangrijkste leefgebieden liggen in het zuidoosten van de provincie, bijvoorbeeld Groote Heide, Strabrechtse Heide, Groote Peel en Deurnesepeel (Van Jong, de & Vos 29. In: Nederlandse Fauna 9:
7 hoofdstuk 8 de soorten Alle waarnemingen voor t/m t/m 27 uitgezette, maar zich handhavende populaties 1971 t/m 1995 uitgezette, maar zich handhavende populaties 1996 t/m 27 Verandering in aantal bezette km-hokken (stijging ; daling ) met twee of meer dichtheidsklassen met één dichtheidsklasse geen verandering met één dichtheidsklasse met twee of meer dichtheidsklassen of uitgesatorven Erve 25). Beide Peelreservaten verbinden de Brabantse populaties met die in Limburg. Naast de Limburgse Peelgebieden zijn de Maasduinen en de Meinweg van bijzonder belang. Ten zuiden van de Meinweg is de soort na 1995 niet meer waargenomen (laatste waarneming Brunssummerheide 1995). In Gelderland is de soort aanwezig op de Veluwe, maar uit veel kilometerhokken lijkt de soort verdwenen. Nabij het Gelderse Culemborg komt de heikikker nog steeds in de uiterwaarden tot voortplanting. De aantallen nemen af door het ongeschikt raken van de voortplantingshabitats door verlanding en verbossing (Theo de Jong pers. med.). In de Achterhoek is de soort vooral aanwezig nabij de grens met Overijssel en Duitsland (Spitzen-Van der Sluijs et al. 27b). Verspreid over grote delen van Overijssel worden heikikkers gevonden, maar de dichtheden lijken gering, mogelijk als gevolg van geringe inventarisatie-inspanningen. Net als in Gelderland worden ook in Overijssel de uiterwaarden van de IJssel niet bezet. In Utrecht is de soort wel aanwezig in het rivierengebied en wel langs de Lek. In het Zuidhollands-Utrechts grensgebied van de Vijfheerenlanden en de Alblasserwaard komt de soort nog steeds vrij algemeen voor (Van Eekelen et al. 26). Ook in het grensgebied tussen Utrecht en Noord-Holland (het Gooi) is de heikikker aanwezig. De heikikker is verdwenen van het grootste deel van de hogere gronden van de Utrechtse Heuvelrug en delen van de Eempolders en Gelderse Vallei. De kleinste aantallen bezette kilometerhokken liggen in Groningen, Noord-Holland en Zeeland (Van Delft & Creemers 28). De belangrijkste Groningse vindplaatsen en de enige vindplaats in Zeeland zijn reeds genoemd. Voor Noord-Holland kunnen het Naardermeer en de Oostelijke Vechtplassen nog als belangrijke vindplaatsen genoemd worden. De dieren op Texel zijn aanwezig in de duinen en in slootjes op het eiland (Van Laar 25). Begeleidende soorten De meest karakteristieke begeleiders van de heikikker zijn twee reptielen, levendbarende hagedis en adder. Deze worden gevolgd door de poelkikker. De verspreiding van deze soorten concentreert zich voor een belangrijk deel in (vochtige) heidegebieden, vennen en hoogveen. De ringslang en rugstreeppad komen eveneens in deze habitats voor, maar begeleiden de heikikker ook in veel laagveen- en/of poldergebieden. Habitat Hoewel de soort in het oosten van zijn verspreidingsgebied bekend is van steppen en halfwoestijnen (Kazachstan), bestaat de typische habitat in West-Europa uit vochtige gebieden: hoog- en laagvenen, moerassen en overstromingsgebieden (uiterwaarden). In zijn gehele verspreidingsgebied heeft de soort een voorkeur voor relatief voedselarm water. Vaak, maar niet noodzakelijk, gaat dit gepaard met een lage ph (4,5-6,). Meestal is er sprake van enige veenvorming, maar ook in gebieden met klei op veen komt de soort voor. Een analyse van de bodemtypen waarop de heikikker in Nederland is aangetroffen laat duidelijk zien dat venige gronden en zand (exclusief de duinen) met respectievelijk 11,4% en 7,6% een relatief hoog aandeel bezette kilometerhokken omvatten. Zandige bodems zijn veel algemener in Begeleidende soorten Alledaagse begeleiders Trefkans (%) bruine kikker 65 groene kikker onbepaald 59 gewone pad 57 kleine watersalamander 44 levendbarende hagedis 43 bastaardkikker 25 adder 21 poelkikker 18 ringslang 17 rugstreeppad 15 Karakteristieke begeleiders Gedeelde Overlap hokken (%) levendbarende hagedis adder poelkikker bruine kikker kleine watersalamander groene kikker onbepaald gewone pad bastaardkikker ringslang rugstreeppad Jong, de & Vos 29. In: Nederlandse Fauna 9:
8 de amfibieën en reptielen van nederland Landhabitat (n = 1329) Waterhabitat (n = 92) Voortplantingshabitat van heikikker: ven gedomineerd door pijpenstrootje, Balloërveld (dr). Breeding habitat of moorfrog: heathland pool dominated by Molinia caerulea, Balloërveld, province of Drenthe % 6 % 4 2 stad & dorp groot open water ruderaal groot lijnv. water infrastructuur beek & bron agrarisch gebied sloot & wetering halfnatuurlijk grasland poel & klein water Nederland dan venige gronden en daarom herbergen ze in absolute zin de meeste bezette kilometerhokken (7,9%). Gebieden met rivierklei zijn veel minder goed bezet. Op zeeklei en mergel en löss is de heikikker praktisch afwezig (Van Delft & Creemers 28). In het ravon-databestand t/m 25 zijn 1329 van de waarnemingen voorzien van een landhabitatcodering (9%). Hieruit blijkt een zeer duidelijke voorkeur voor de landschapstypen heide, hoogveen, laagveen en halfnatuurlijk grasland. Ook wordt de soort gemeld uit bos en struweel, een belangrijke habitat voor de populaties uit de Vijfheerenlanden en het Kromme Rijngebied. De heikikker is duidelijk een cultuurvliedende soort die nauwelijks wordt aangetroffen in te intensief gebruikt agrarisch landschap, rond infrastructuur en bebouwing. Uit de duinen zijn enkele bos & struweel klein, riv.begel. water duinen ven heide hoogveen laagveen heikikker overige amfibieën populaties bekend, maar van die waarnemingen zijn er slechts enkele van een habitatcodering voorzien. Van de waarnemingen zijn er 92 voorzien van een waterhabitatcodering (6%). De heikikker blijkt, in vergelijking tot bijvoorbeeld de bruine kikker, een vennensoort bij uitstek. Daarnaast komt de soort voor in kleine geïsoleerde wateren en in sloten (in laagveen, klei-op-veen en komkleigebieden). In rivierbegeleidende wateren (kleiputjes) wordt de soort alleen langs de Nederrijn/Lek aangetroffen. De waterhabitat bestaat uit ondiep, zonbeschenen water. Heidevennen en wateren in hoog- en laagveen zijn, gemeten naar populatiegrootte, de belangrijkste voortplantingswateren. Daarnaast wordt de heikikker aangetroffen in sloten en kleine wateren die meestal voedselarm of matig voedselrijk water bevatten (Bergmans & Zuiderwijk 1986, Hartung 1991, Nöllert 1987). In het rivierengebied is de soort afhankelijk van laagdynamische moerasachtige situaties zoals rabatten, sterk verlande kleiputjes en binnendijkse wateren. In de Eempolders (ut) wordt de soort aangetroffen in 1-2 m brede sloten met tenger fonteinkruid, drijvend fonteinkruid, smalle waterpest, kikkerbeet en puntkroos. De oevers zijn in het voorjaar begroeid met een lage, wat schrale vegetatie. In de zomer raakt deze vegetatie overgroeid met veel waterpeper, perzikkruid en grassen als mannagras en liesgras. De geconstateerde dichtheden zijn echter laag (De Jong 1988). Voor de Vijfheerenlanden worden ook diverse fonteinkruiden genoemd en in de uiterwaarden onder meer gewoon blaasjeskruid. Voedselrijke sloten met krooslagen worden gemeden (Priester & van der Velde 1973). Het voortplantingswater bevindt zich vaak aan de rand van heideterrreinen en schrale graslanden. Zo worden met name ook natte dotterbloem- en blauwgraslanden en schrale graslanden in het algemeen als belangrijke habitats genoemd (Van den Bogert 25). In laagveengebieden maakt de heikikker vooral gebruik van diverse verlandingsstadia. In oude, extensief beheerde graslandreservaten in Midden-Groningen komen nog steeds relictpopulaties voor in greppels en sloten (Luijten 24). Ook in delen van Utrecht wordt de soort in lage dichtheden aangetroffen in oude graslandgebieden met een ongestoord reliëf en oude perceelgrenzen (Theo de Jong & Fabrice Ott burg pers. med.). Ondanks de voorkeur voor relatief zure, voedselarme milieus beschimmelen de eieren in te zuur water (ph<4). Op Texel zijn heikikkers ook in brak water aangetroffen en zelfs buitendijks (Van Laar 25). Buiten de voortplantingsperiode houdt de heikikker zich op in vochtige hoge, dichte vegetaties, zoals vochtige heide, pijpenstrootjevegetatie, kruidenrijk vochtig grasland en in mindere mate in loofbos (Loman 1978, Strijbosch 1979). De landhabitat bevindt zich in de onmiddellijke omgeving van het voortplantingswater tot op een afstand van 3 m (Hellbernd 1987). In het agrarische gebied heeft de heikikker een duidelijke voorkeur voor verwilderde greppels met water, houtwallen met sloten die af en toe water voeren en extensief weiland en elzenbosjes. Verplaatsingen vinden onder andere via slootranden plaats (Hartung 1991, Lutz 1992). Bij droogte wordt de voorkeur voor de waterhoudende greppels groter. Dieren zijn zeer inactief gedurende perioden van droogte, waardoor ze relatief weinig in de landhabitat worden aangetroffen. Bij droogte zoeken de dieren al snel vochtige plaatsen op. Bij langdurige droogte zoeken ze schuilplaatsen op Jong, de & Vos 29. In: Nederlandse Fauna 9:
9 hoofdstuk 8 de soorten (Arntzen 1981). In de Eempolders komen heikikkers vooral voor in ongemaaide graslanden en in door vee vertrapte natte slootoevers waar door een hoogopgaande vegetatie een vochtig microklimaat is ontstaan (De Jong 1988). In de verspreiding in de Vijfheerenlanden en de Alblasserwaard komt een relatie naar voren met veengronden. Klei-op-veen wordt ook gebruikt maar hoe dikker de kleilaag hoe minder groot de kans op heikikkers wordt (van Eekelen et al. 26). In het Kromme Rijngebied werden heikikkers vooral aangetroffen in hakhout, grienden en langs slootkanten; In het hakhout en in grienden waren dit voornamelijk jonge dieren en langs de slootkant vooral adulten (De Jong 2b, 21). Trend Lange termijn De heikikker staat niet op de Rode Lijst. De soort is ten opzichte van de referentieperiode (de periode voor 195) weliswaar met 29% afgenomen, maar is met een bezetting van 25,5% van alle Nederlandse atlasblokken net iets te algemeen om opgenomen te kunnen worden op de Rode Lijst. Deze soort heeft sterk te lijden gehad van de grootschalige ontginningen van heiden en hoogveen. De intensivering van de landbouw en de daarmee gepaard gaande verdroging in met name beekdalen en het veenweidegebied heeft de soort vervolgens grotendeels teruggedrongen tot de huidige natuurreservaten (Van Delft & Creemers 28). Van Gelder & Oomen (197) vermelden een flinke populatieafname onder invloed van droogte. Door te sterke verzuring zijn tal van vennen vooral in de jaren 8 en 9 ongeschikt geworden voor voortplanting van de heikikker. De eieren beschimmelden massaal (Bellemakers et al. 1991, Bellemakers & Van Dam 1992, Leuven et al. 1986) (zie ook hoofdstuk 11). Recente ontwikkeling De trend van de heikikker binnen de amfibieënmonitoring ( ) is stabiel (goverse et al. 28). Uit genetisch onderzoek aan de heikikker in Drenthe blijkt dat de genetische verwantschap tussen populaties afneemt met de afstand tussen de populaties, maar ook met de hoeveelheid wegen die zich tussen de populaties bevinden (Vos et al. 21). Versnippering vormt dus nog altijd een bedreiging voor deze soort, zelfs in Drenthe waar de heikikker toch veel en grote populaties heeft. Daarnaast vormen grootschalig uitgevoerde beheermaatregelen zoals plaggen, maaien en te intensieve begrazing een reële bedreiging (Jonkers 1995). De recente sterke afname van verzurende depositie en de daardoor veroorzaakte significante toename van de ph in veel vennen is ongetwijfeld gunstig voor de heikikker (Van Dam & Mertens 24, Grontmij/AquaSense & Alterra 25). index Bescherming en beheer Wettelijke status en beleid Rode Lijst (27): thans niet bedreigd Flora- en faunawet: zwaar beschermde soort (tabel 3) Habitatrichtlijn: diersoort van communautair belang die strenge bescherming behoeft (bijlage 4) Conventie van Bern: strikt beschermde soort (bijlage 2) Voor de heikikker is in Noord-Brabant een provinciaal soortbeschermingsplan opgesteld (Van der Winden & Smit 1996, van eekelen et al. 27). De heikikker zal waarschijnlijk profiteren van het geconstateerde herstel van de ph in vennen. Ook de ingezette vernattingsmaatregelen in veel natuurgebieden op de hoge zandgronden zullen naar verwachting een positief effect op de soort hebben, mits deze nog aanwezig is. Het herstel van verbindingen tussen sterk versnipperde populaties en het vergroten van de leefgebieden in het kader van de Ecologische Hoofdstructuur zijn goede maatregelen om de bezettingsgraad van leefgebieden en de omvang van populaties te doen toenemen. Ook zal dit de genetische uitwisseling tussen populaties bevorderen, wat belangrijk is voor de genetische variatie. De soort is gebaat bij een kleinschalig en gefaseerd (heide)- beheer, zoals dat ook voor reptielen wordt aanbevolen. Overbegrazing dient te worden vermeden, omdat hiermee het vochtige microklimaat verloren gaat (Stumpel 24). In nieuwe poelen worden zelden heikikkers aangetroffen. Het is ook geen typische soort van veedrinkpoelen (Creemers et al. 2, Lenders 25c, Van der Sluis & Bugter 2, Stumpel & Van der Voet 1995). Wateren die nabij kernpopulaties van deze soort worden aangelegd kunnen echter na jaren, als er begroeide en moerassige delen in de poel zijn ontstaan, wel bezet raken (Lenders 25c, Jeroen van Delft pers. med.). In het rivierengebied dienen voortplantingswateren hun laagdynamische karakter te behouden en het beheer dient gefaseerd uitgevoerd te worden. In het veenweidegebied en verwante habitats zijn vooral de oude, niet verkavelde en enigszins verwaarloosde (schraal)graslanden met slootjes, Belangrijke landhabitat van heikikker: pitrus-weiland, Meerstad (gr). Important terrestrial habitat of moorfrog: grassland overgrown with Juncus effusus, Meerstad, province of Groningen. Monitoringtrend (n = 174) Stabiel (p<,1) Jong, de & Vos 29. In: Nederlandse Fauna 9:
10 de amfibieën en reptielen van nederland Juveniel. Juvenile. plas-drassituaties en petgaten van groot belang. Een extensief beheer waarbij voldoende ruigte en verlandingsvegetatie gehandhaafd blijft is hier essentieel (Van den Bogert 25, Luijten 24). Om weer voldoende verlanding in de grote laagveenmoerassen op gang te brengen zijn ingrijpende maatregelen nodig. Herstel van natuurlijke kwelstromen en het conserveren van gebiedseigen water zijn noodzakelijk om tot herstel van laagveenvegetaties te komen. Als water ingelaten moet worden, moet dat voorgezuiverd worden (Lamers et al. 21). Het graven van grote petgaten en kleinere nieuwe wateren zoals ondiepe slootjes en laagtes in laagvenen is kansrijk. In Friese laagveengebieden is eiafzet vastgesteld in verlandende petgaten, plasjes in elzenmoerasbosjes en in ondiep water in veenmosrietland (Van den Bogert 25). Ook afgesloten en langzaam dichtgroeiende sloten worden gebruikt (de Wieden, Nieuwkoop). In de Nieuwkoopse Plassen zijn na het afplaggen van verruigd rietland op grote schaal eiafzettende heikikkers waargenomen, die gebruik maakten van de ontstane ondiepe plassen (Tim van den Broek pers. med.). Zie met betrekking tot beheer voor de heikikker ook Van Delft & Creemers (28). Inventarisatie De beste tijd om heikikkers te inventariseren is vroeg in het voorjaar tijdens de voortplantingsperiode. Hoewel de koorroep van de heikikker zeer zacht is, is deze goed waar te nemen wanneer men het voortplantingswater dicht genoeg nadert. De roep is goed te onderscheiden van die van andere soorten. Zeker bij slecht toegankelijke voortplantingswateren, zoals moerassen, is de inventarisatie op geluid effectief. Gedurende de piek van de voortplantingsperiode roepen de mannetjes zowel overdag als s nachts. Daarna roepen ze voornamelijk s nachts, mits het niet te sterk afkoelt. Eiklompen zijn eenvoudig te tellen, maar kunnen verwisseld worden met eiklompen van bruine kikkers. Ook het bemonsteren van larven met een schepnet is effectief, waarbij met een loep het aantal rijen liptandjes geteld kan worden. Na de voortplantingsperiode kan op het land gezocht worden naar juvenielen en adulten, maar deze methode is niet betrouwbaar om aantalschattingen te doen. Hierbij kan het best gezocht worden op vochtige beschutte plekken (in greppels, onder pollen van pijpenstrootje, langs slootkanten, langs grienden e.d.) bij voorkeur met regenachtig weer. Bijzonderheden Een van de opvallendste kenmerken van de heikikker is de blauwkleuring van de mannetjes tijdens de voortplantingsperiode. Verder is de heikikker in vergelijking met bijvoorbeeld de bruine kikker een zeer schuwe soort, die bij de nadering van het voortplantingswater als eerste de koorroep afbreekt en zich onder water laat zakken. Uit literatuuronderzoek (Westphal 1986) komt naar voren dat de heikikker in sommige delen van Oost-Europa mogelijk meer dag- dan nachtactief is (Jastrzebski 1968, Sura 1981, Zimka 1966). Arntzen (1981) vermoedt echter dat de heikikker in onze streken vooral s nachts actief is terwijl Nöllert & Nöllert (1992) aangeven dat de soort in de voortplantingstijd overdag en s nachts actief is, maar buiten de voortplantingstijd alleen s nachts. Belimov & Sedalishchev (1979) en Bauwens & Claus (1996) vermelden dat de heikikker zowel s nachts als overdag actief is. In de monografie van Glandt (26a) is aanvullende informatie over de heikikker te vinden. Theo H. de Jong & Claire C. Vos summary Moor frog Rana arvalis Distribution: The moor frog has been found in all provinces. There is however only a single, unconfirmed record from the province of Flevoland, on the small former island of Urk (1945), where this frog is now considered to be extinct. Concentrations are present on inland sandy and peaty soils. Hotspots for occurrence are the sandy soils in the north, east, centre and south, the raised bogs in these sandy areas, and the peat bogs and polders in the northern and western parts of the Netherlands. Coastal dune populations are present on the Wadden Sea island of Texel (province of Noord-Holland) and on the island of Schouwen-Duiveland in the province of Zeeland. Status: The moor frog is listed on the Red List as not threatened. It is strictly protected under Dutch legislation, the Bern Convention (Annex ii) and the Habitats Directive (Annex iv). The range of the moor frog decreased by 27.4% since 195. This decrease is caused by habitat loss due to cultivation of heathlands and raised bogs, combined with the intensification of agricultural practices and lowering of ground water levels in particularly brook valleys, fen meadows and polders. The moor frog can be encouraged by careful and small scale habitat management which promotes marshy, low dynamic areas. The recent substantial decrease of the acidity of many moorland pools will most probably have a positive effect. Hydrological restoration in many nature reserves might also have a positive effect. The construction of ponds does not seem to be an effective conservation measure for the moor frog in the Netherlands. Remarks: The Netherlands has one of the westernmost populations of the species (Schouwen-Duiveland, province of Zeeland). Jong, de & Vos 29. In: Nederlandse Fauna 9:
De Heikikker De Heikikker
De Heikikker Brabant Water beheert 2200 hectare grond waarvan 1500 hectare natuurgebied. Hiermee zijn wij een van de grootgrondbezitters in Noord-Brabant. In deze natuurgebieden liggen ook de waterwingebieden
Poelkikker Rana lessonae
Poelkikker Rana lessonae De poelkikker is een kleine, gedrongen kikker. De meeste exemplaren zijn grasgroen gekleurd. De poelkikker komt vooral voor in wat voedselarmere wateren op de zandgronden, met
1. Status. Groenknolorchis (Liparis loeselii) H Kenschets. 3. Ecologische vereisten. 4. Huidig voorkomen
Dit profiel dient gelezen, geïnterpreteerd en gebruikt te worden in combinatie met de leeswijzer, waarin de noodzakelijke uitleg van de verschillende paragrafen vermeld is. Groenknolorchis (Liparis loeselii)
Heikikker Rana arvalis
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland Soortenstandaard Heikikker Rana arvalis Heikikker Rana arvalis Soortenstandaard Maart 2014 Inhoud Inleiding 3 Deel 1 De heikikker 5 1 Ecologische informatie over
VAN ERVE NATUURONDERZOEK
ONDERZOEK KAMSALAMANDER IN DELEN VAN NATUURGEBIED DE BRAND Juni 2014 VAN ERVE NATUURONDERZOEK ONDERZOEK KAMSALAMANDER IN DELEN VAN NATUURGEBIED DE BRAND Inleiding Het natuurgebied De Brand is aangewezen
Veldinventarisatie ringslang en levendbarende hagedis A37, omgeving Zwartemeer
Veldinventarisatie ringslang en levendbarende hagedis A37, omgeving Zwartemeer Veldinventarisatie in opdracht van Advies- en Ingenieursbureau Oranjewoud Opgesteld door Stichting RAVON R.P.J.H. Struijk
Verslag RAVON Utrecht Excursie Landgoed Den Treek Henschoten 10 april 2010
Verslag RAVON Utrecht Excursie Landgoed Den Treek Henschoten 10 april 2010 Inleiding Op 10 april is een excursie gehouden op landgoed Den Treek Henschoten vanuit Ravon Utrecht. Doel van deze excursie was
OPDRACHT NEDERLAND: EEN LICHT LAND IN DE WERELD
OPDRACHT In het kader van de vijfde Nacht van de Nacht op 24 oktober 2009, is een onderzoek uitgevoerd naar wat het donkerste gebied van Nederland en ook wat het donkerste gebied van elke provincie is.
Help mee om achterstallig onderhoud te signaleren!
www.poelen.nu Help mee om achterstallig onderhoud te signaleren! Frank Spikmans Rheden 31 mei 2018 Inhoud Poelen als leefgebied voor amfibieën Amfibieën (in Rheden) Poelen aanleg & beheren www.poelen.nu
AMFIBIEËN IN DE ACHTERHOEK DE BOOMKIKKER SAMEN WERKEN AAN EEN OPTIMAAL LANDSCHAP
AMFIBIEËN IN DE ACHTERHOEK DE BOOMKIKKER SAMEN WERKEN AAN EEN OPTIMAAL LANDSCHAP 1 2 BOOMKIKKER De Achterhoek is voor de boomkikker momenteel het belangrijkste gebied in Nederland. In de jaren 80 van de
Mitigatie en compensatieplan rugstreeppad
Mitigatie en compensatieplan rugstreeppad Mitigatie en compensatieplan rugstreeppad Auteur Opdrachtgever Projectnummer Ingen foto omslag T. Ursinus In den Eng Investment 11.148 december 2011 Voortplantingswater
Amfibieën en poelen. Gerlof Hoefsloot
Amfibieën en poelen Gerlof Hoefsloot Inhoud presentatie Functie van een poel: vroeger en nu Hoe werkt een poel? Wat bepaalt een goede ecologische situatie Soorten amfibieën Beheer van amfibieënpoelen,
Amfibieën in de verbindingszone Kaaistoep - Drijflanen in. Tilburg Frank Spikmans & Arnold van Rijsewijk
Amfibieën in de verbindingszone Kaaistoep - Drijflanen in Tilburg 2015 Frank Spikmans & Arnold van Rijsewijk Amfibieën in de verbindingszone Kaaistoep Drijflanen in Tilburg 2015 Frank Spikmans & Arnold van
De Groenzoom Struweelvogels
De Groenzoom Struweelvogels 1 Inhoudsopgave Zanglijster Struweelvogels - Zanglijster 3 - Roodborsttapuit 4 - Kneu 5 - Blauwborst 6 - Patrijs 7 - Rietzanger 8 Zanglijster - Lichte borst met pijlpuntige
Indeling lezing. Herstel van leefgebieden voor de gladde slang. Ringslang. Gladde slang. Adder
Indeling lezing Herstel van leefgebieden voor de gladde slang De gladde slang; uiterlijk, verspreiding en habitat Beheer Monitoring Jeroen van Delft Bladel, 13 september 2013 2/31 Ringslang Slanke bruine
AMFIBIEËN EN REPTIELEN IN HET PLANGEBIED EN OMGEVING VAN DE UITBREIDINGSLOCATIE RENDAC TE SON
AMFIBIEËN EN REPTIELEN IN HET PLANGEBIED EN OMGEVING VAN DE UITBREIDINGSLOCATIE RENDAC TE SON AMFIBIEËN EN REPTIELEN IN HET PLANGEBIED EN OMGEVING VAN DE UITBREIDINGSLOCATIE RENDAC TE SON juni 2007 In
Verslag Excursie Kombos 28 5 2011 Ravon Utrecht
Verslag Excursie Kombos 28 5 2011 Ravon Utrecht Op zaterdag 28 mei 2011 is er vanuit RAVON Utrecht een excursie georganiseerd naar het Kombos te Maarsbergen. Het doel van de excursie was om deelnemers
AMFIBIEËN IN DE ACHTERHOEK DE KAMSALAMANDER SAMEN WERKEN AAN EEN OPTIMAAL LANDSCHAP
AMFIBIEËN IN DE ACHTERHOEK DE KAMSALAMANDER SAMEN WERKEN AAN EEN OPTIMAAL LANDSCHAP 1 2 KAMSALAMANDER De Achterhoek is één van de gebieden met de ruimste verspreiding van de kamsalamander in Nederland.
Bermenplan Assen. Definitief
Definitief Opdrachtgever: Opdrachtgever: Gemeente Assen Gemeente Mevrouw Assen ing. M. van Lommel Mevrouw M. Postbus van Lommel 30018 Noordersingel 940033 RA Assen 9401 JW T Assen 0592-366911 F 0592-366595
De grote modderkruiper uitgepeild. Jan Kranenbarg & Arthur de Bruin
De grote modderkruiper uitgepeild Jan Kranenbarg & Arthur de Bruin Karakteristieken grote modderkruiper Lang flexibel lichaam (max lengte circa 30 cm) Darm ademhaling, larven hebben uitwendige kieuwen
Onderzoek naar de waarde van een ponyweide aan de Nemelerbergweg 17a (Zwolle) voor de knoflookpad.
Onderzoek naar de waarde van een ponyweide aan de Nemelerbergweg 17a (Zwolle) voor de knoflookpad. REPTIELEN AMFIBIEËN VISSEN ONDERZOEK NEDERLAND Onderzoek naar de waarde van een ponyweide aan de Nemelerbergweg
Gewone pad Bufo bufo. cd 7, 8
de amfibieën en reptielen van nederland cd 7, 8 Gewone pad Bufo bufo De gewone pad is een van de algemeenste amfibieën van Nederland. Het is een relatief grote en zwaar gebouwde pad met een wrattige huid.
BOETELERVELD. ROUTE 4,3 km
BOETELERVELD ROUTE 4,3 km 20 17 Weten hoe een groot deel van Salland er tot eind 19e eeuw uitzag? Wandel dan eens door het Boetelerveld bij Raalte. Ervaar rust, ruimte en openheid in dit enig overgebleven
AMFIBIEËN IN DE ACHTERHOEK DE KNOFLOOKPAD SAMEN WERKEN AAN EEN OPTIMAAL LANDSCHAP
AMFIBIEËN IN DE ACHTERHOEK DE KNOFLOOKPAD SAMEN WERKEN AAN EEN OPTIMAAL LANDSCHAP 1 2 KNOFLOOKPAD De knoflookpad is één van de meest bedreigde amfibie soorten in Nederland. Er zijn landelijk nog 40 restpopulaties
Bosbeheer voor reptielen en amfibieën. Jeroen van Delft
Bosbeheer voor reptielen en amfibieën Jeroen van Delft Opbouw lezing Habitateisen herpetofauna Gesloten bos Open plekken en brede bermen Randen, mantels en zomen Dood hout Water in en bij het bos Steilkanten,
Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis) H1042. 1. Status:
Gevlekte witsnuitlibel (Leucorrhinia pectoralis) H1042 1. Status: Dit profiel dient gelezen, geïnterpreteerd en gebruikt te worden in combinatie met de leeswijzer, waarin de noodzakelijke uitleg van de
Onderzoek naar kamsalamander, grote modderkruiper, kleine modderkruiper en bittervoorn in de Oeverlanden langs de Linge
Onderzoek naar kamsalamander, grote modderkruiper, kleine modderkruiper en bittervoorn in de Oeverlanden langs de Linge REPTIELEN AMFIBIEËN VISSEN ONDERZOEK NEDERLAND Onderzoek naar kamsalamander, grote
Toxoplasmose bij de rode eekhoorn, een update
Toxoplasmose bij de rode eekhoorn, een update In 2014 werden in de zomer en herfst enkele honderden dode eekhoorns gemeld. Er kwamen zelfs berichten dat eekhoorns dood uit de boom vielen. Onderzoek dat
Hoofdstuk 1: Veldkenmerken en voorkomen 3. Hoofdstuk 2: Voedsel en vijanden 4. Hoofdstuk 3: Voortplanting en verwanten 6
Inhoudsopgave Inhoudsopgave 1 Literatuurlijst 1 Inleiding 2 Hoofdstuk 1: Veldkenmerken en voorkomen 3 Hoofdstuk 2: Voedsel en vijanden 4 Hoofdstuk 3: Voortplanting en verwanten 6 Hoofdstuk 4: Verzorging
LANGENHOLTE: TOPNATUUR
LANGENHOLTE: TOPNATUUR ROUTE 18 km 20 19 Een prachtige fietstocht langs de uiterwaarden van de Vecht en 'Buitenlanden Langenholten', een nat en ruig natuurgebied waar in het voorjaar wilde kievietsbloemen
Sedimentatie in Harderwijker Bocht ten gevolge van de strekdam bij Strand Horst Noord
Sedimentatie in Harderwijker Bocht ten gevolge van de strekdam bij Strand Horst Noord In het gebied tussen de strekdammen bij Strand Horst Noord en de bebouwing van Harderwijk ligt een klein natuurgebied
Basiscursus amfibieën & reptielen 2007 RAVON Nijmegen
Basiscursus amfibieën & reptielen 2007 RAVON Nijmegen soortherkenning amfibieën salamanders: 1 familie 2 geslachten, 5 soorten landsalamanders 1. vuursalamander watersalamanders 2. kleine watersalamander
d rm Neder wa e landopg
Opgewarmd Nederland deel Plant en dier: blijven, komen, weggaan of... Soorten, verspreiding en klimaat Kleine beestjes: sterk in beweging Libellen: voordeel van een warmer klimaat Dagvlinders: extra onder
Bijlage 3: Notitie Aanvullend onderzoek vissen wijzigingsplannen N359, knooppunten Winsum, Húns-Leons en Hilaard
Bijlage 3: Notitie Aanvullend onderzoek vissen wijzigingsplannen N359, knooppunten Winsum, Húns-Leons en Hilaard Notitie aanvullend onderzoek vissen - aanpassingen kruisingen N359 De provincie Fryslân
Rapportage: Eric Verkaik Veldwerk: Elmar Prins. Quickscan. Spankerenseweg 20 Dieren
Rapportage: Eric Verkaik Veldwerk: Elmar Prins Quickscan Spankerenseweg 20 Dieren februari 2011 Inhoudsopgave 1 Inleiding... 2 2 Gegevens plangebied... 2 3 Methode... 3 4 Resultaten... 3 4.1 Bureaustudie...
Bureauonderzoek natuurwaarden wijzigingsplan Boekenrode
Bureauonderzoek natuurwaarden wijzigingsplan Boekenrode Natuurwaardenkaart Voor het inventariseren van de natuurwaarden van Heemstede zijn in het rapport Natuurwaardenkaart van Heemstede Waardering van
Amfibieën. Peter Harrewijn 9 maart 2017 IVN Steilrand
Amfibieën Peter Harrewijn 9 maart 2017 IVN Steilrand Inhoud Welkom / voorstellen Reptiel/amfibie? Padden / kikkers / salamanders / exoten Ziekten / plagen Poelen Wetgeving Beheer Vragen Peter Harrewijn
Drukbegrazing en Chopperen als Alternatieven voor Plaggen van Natte heide
Drukbegrazing en Chopperen als Alternatieven voor Plaggen van Natte heide Effecten op middellange termijn: Fauna De Vlinderstichting Stichting Bargerveen B-Ware Experimenteel onderzoek Abiotiek: ph, buffercapaciteit,
Soortenlijst Flora faunawet. Bestendig beheer gemeentelijke groenvoorziening
Soortenlijst Flora faunawet Bestendig beheer gemeentelijke groenvoorziening 25 beschermde soorten zie soortenlijst t.b.v. F&F wet pag. 2: Deze 25 herkennen tijdens het examen. pag 3 t/m 7: Één of enkele
Landschappelijke elementen
Welkomstkaarten voor Landschappelijke elementen Gaan voor groen! Behoud en herstel van landschappelijke elementen? Geweldig! Landschappelijke elementen zijn van culturele en historische waarde. Maar ze
Grasland en Heide. Hoofdstuk 2.2 en 2.4
Grasland en Heide Hoofdstuk 2.2 en 2.4 Planning Grasland Voedselweb opdracht Heide Voedselweb opdracht Grasland Grasland is een gebied van enige omvang met een vegetatie die gedomineerd wordt door grassen
HET VOORKOMEN VAN DE RUGSTREEPPAD IN HET PLANGEBIED EN DIRECTE OMGEVING VAN DIJKZICHT-ZUID TE ZUILICHEM
HET VOORKOMEN VAN DE RUGSTREEPPAD IN HET PLANGEBIED EN DIRECTE OMGEVING VAN DIJKZICHT-ZUID TE ZUILICHEM HET VOORKOMEN VAN DE RUGSTREEPPAD IN HET PLANGEBIED EN DIRECTE OMGEVING VAN DIJKZICHT-ZUID TE ZUILICHEM
Alpenwatersalamander Mesotriton alpestris
Alpenwatersalamander Mesotriton alpestris voorheen Triturus alpestris Vrouwtje. Female. Mannetje. Male. De Alpenwatersalamander is met zijn ongevlekte, feloranje buik en donkere bovenzijde gemakkelijk
Insecten in grasbermen: kansen, maar geen wonderen. Jinze Noordijk, Theo Zeegers EIS Kenniscentrum Insecten (Naturalis)
Insecten in grasbermen: kansen, maar geen wonderen Jinze Noordijk, Theo Zeegers EIS Kenniscentrum Insecten (Naturalis) Variatie in bermen grazige berm op klei berm met heide berm met bomen Schrale berm
Monitoring en inventarisatie reptielen en amfibieën Loonse en Drunense Duinen / Huis ter Heide
Monitoring en inventarisatie reptielen en amfibieën Loonse en Drunense Duinen / Huis ter Heide 2010 Mark Klerks November 2010 Inleiding: Het jaar 2010 kwam maar langzaam op gang. Vooral het voorjaar was
Flora- en faunawet. Gedragscode Bestendig beheer groenvoorziening
Flora- en faunawet De Flora- en faunawet (Ffwet) is in april 2002 in werking getreden. De wet beschermt alle in het wild levende flora en fauna in Nederland. Bij het uitvoeren van werkzaamheden moet altijd
Argusvlinder Lasiommata megera
Argusvlinder Lasiommata megera Angelique Belfroid Mijn eerste ervaring met de Argusvlinder was een aantal jaren geleden in de Vlietepolder op Noord-Beveland. Terwijl ik over de onverharde weg liep, vlogen
Kleine schorseneer aan het infuus voortgang herstelplan in Drenthe
Kleine schorseneer aan het infuus voortgang herstelplan in Drenthe WFD-dag, 28 februari 2015 Edwin Dijkhuis Dit project wordt uitgevoerd en mogelijk gemaakt door: Foto: Peter Meininger Portret: Kleine
BMP Needse Achterveld 2006
BMP Needse Achterveld 2006 Ook in 2006 is er elke 2 weken geteld in het Achterveld. Op deze manier proberen we vast te stellen hoeveel vogels van elk soort hier broeden. In het najaar van 2005 is het Achterveld
Biodiversiteit in Zundert Korte samenvatting
Biodiversiteit in Zundert Korte samenvatting Wij hopen dat het rapport "Biodiversiteit in Zundert" en deze korte samenvatting u zullen inspireren tot het nemen van maatregelen om de biodiversiteit in Zundert
Vlinders van de Habitatrichtlijn,
Indicator 20 september 2018 U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link [1] bekijken. Van de vijf Habitatrichtlijnsoorten
Kevers van de Habitatrichtlijn,
Indicator 19 juni 2012 U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link [1] bekijken. Het oorspronkelijke areaal van
Ruimtelijke onderbouwing Flora en fauna De Monarch I, II, III en IV
Notitie Contactpersoon ing. M.M. (Margaret) Konings Datum 18 juli 2012 Ruimtelijke onderbouwing Flora en fauna De Monarch I, II, III en IV Algemeen In opdracht van Monarch heeft Tauw in 2011 en 2012 onderzoek
Herintroductie bever,
Indicator 20 december 2013 U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link [1] bekijken. Dankzij herintroducties vanaf
HET VOORKOMEN VAN DE RUGSTREEPPAD IN HET PLANGEBIED EN DIRECTE OMGEVING WATERHOVEN OOST TE ALBLASSERDAM
HET VOORKOMEN VAN DE RUGSTREEPPAD IN HET PLANGEBIED EN DIRECTE OMGEVING WATERHOVEN OOST TE ALBLASSERDAM HET VOORKOMEN VAN DE RUGSTREEPPAD IN HET PLANGEBIED EN DIRECTE OMGEVING WATERHOVEN OOST TE ALBLASSERDAM
Monitoring Ecocorridor Zwaluwenberg
Monitoring Ecocorridor Zwaluwenberg Nieuwsbrief Versie: oktober 2014 Inhoud 1. Inleiding 2. Zoogdieren 3. Herpetofauna 4. Vlinders 5. Overig 6. Colofon Wat dragen de ecoducten bij de Zwaluwenberg bij aan
Drasland. Groot Wilnis-Vinkeveen
Groot Wilnis-Vinkeveen Drasland in de Zouweboezem, provincie Zuid-Holland Bron: provincie Utrecht Drasland Drasland is niet bemest kruidenrijk hooiland dat maximaal 30 cm boven het oppervlaktewaterpeil
Mees Ruimte & Milieu T.a.v. de heer mr. M.W. van der Hulst Postbus AW Zoetermeer. Ons kenmerk: MEHA Datum: Versie:
Mees Ruimte & Milieu T.a.v. de heer mr. M.W. van der Hulst Postbus 854 2700 AW Zoetermeer Ons kenmerk: MEHA151056 Datum: Versie: 1 oktober 2015 Definitief Behandeld door: Mevr. M. Boer MSc Betreft: Resultaten
Dodaars (Tachybaptus ruficollis) (A004) 1. Status: 2. Kenschets. 3. Bijdrage van gebieden
Dodaars (Tachybaptus ruficollis) (A004) 1. Status: Niet in Bijlage I genoemde en geregeld voorkomende trekvogel zoals bedoeld in artikel 4. 2 van de Vogelrichtlijn. Voor Natura 2000 relevant als broedvogel
Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2008
Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2008 REPTIELEN AMFIBIEËN VISSEN ONDERZOEK NEDERLAND Verspreidingsonderzoek reptielen en amfibieën 2008 Een rapportage van RAVON In opdracht van het ministerie
Nieuwsbrief 14 van RAVON Afdeling Utrecht mei 2013
Nieuwsbrief 14 van RAVON Afdeling Utrecht mei 2013 Contactpersoon RAVON Utrecht Wim de Wild Couwenhoven 7221 3703 HW Zeist [email protected] tel. 030-6963771 RAVON Utrecht verstuurt onregelmatig een
Vogels van riet en ruigte. Baardman Panurus biarmicus
Groen: Werkzaamheden mogelijk. Oranje: Werkzaamheden mogelijk: ja, mits na overleg met ecoloog en eventuele mitigerende maatregelen. Rood: Werkzaamheden mogelijk: nee, tenzij toestemming van de ecoloog
Naar een Early Warning System voor de stierkikker in Nederland
Naar een Early Warning System voor de stierkikker in Nederland Jeroen van Delft Wilbert Bosman Stichting RAVON Indeling Theorie inleiding problematiek de soort doel aanpak en verdeling hokken hygiëne Veld
Tuinieren voor amfibieën en reptielen
Tuinieren voor amfibieën en reptielen Hoe maak ik mijn tuin aantrekkelijk voor salamanders, kikkers, padden, hagedissen en (ring)slangen? Edo van Uchelen Bij het werken in de tuin of de heemtuin kom je
Joost Meijer, Amsterdam, 2015
Deelrapport Kohnstamm Instituut over doorstroom vmbo-mbo t.b.v. NRO-project 405-14-580-002 Joost Meijer, Amsterdam, 2015 Inleiding De doorstroom van vmbo naar mbo in de groene sector is lager dan de doorstroom
een overzicht van beschermde en bedreigde dier- en plantensoorten Ruud, spaar ons mooie Keersopdal!
een overzicht van beschermde en bedreigde dier- en plantensoorten Ruud, spaar ons mooie Keersopdal! 2 VOORWOORD De laatste jaren is er door het waterschap De Dommel en door Staatsbosbeheer stevig geïnvesteerd
Vinpootsalamander Lissotriton helveticus
de amfibieën en reptielen van nederland Mannetje. Male. Achterpoten van mannetje. Hindlegs of male. Vinpootsalamander Lissotriton helveticus voorheen Triturus helveticus De vinpootsalamander is de kleinste
Notitie tbv. werkgroep praktisch natuur beheer Beheer Staatsbosbeheer. Onderhoud van deze twee poelen door wg pn ivn nijmegen
Notitie tbv. werkgroep praktisch natuur beheer Beheer Staatsbosbeheer. Onderhoud van deze twee poelen door wg pn ivn nijmegen 1. Poel in Alverna praktisch natuurbeheer Bezoek #) aan de poel in het gebied
Knoflookpad Pelobates fuscus
de amfibieën en reptielen van nederland cd 5, 6 Mannetje. Male. Knoflookpad Pelobates fuscus De knoflookpad dankt zijn naam aan de lichte geur van knoflook die de dieren kunnen afgeven. De soort heeft
Een leefgebied voor de rugstreeppad
Een leefgebied voor de rugstreeppad Landschapsbeheer Flevoland 1 De rugstreeppad in de Noordoostpolder Op zwoele avonden klinkt in het Noordoostpolder vanuit poelen en sloten de luidruchtige roep van de
Gierzwaluw. Boomleeuwerik. Witte kwikstaart. Nachtzwaluw
Boomleeuwerik Leeft in droge, schrale heidevelden met losse boompjes en boomgroepen. Broedt ook in jonge aanplant van naaldbos (spar of den). Gierzwaluw Broedt onder daken van oudere gebouwen in Roermond.
Quick scan ecologie Grote Sloot te Burgerbrug
Quick scan ecologie Grote Sloot te Burgerbrug Quick scan ecologie Grote Sloot te Burgerbrug Auteur Opdrachtgever Projectnummer Ingen foto omslag P.J.H. van der Linden N. Hemmers Bureau Buitenweg 13.143
Steenuilenwerkgroep Noord-Holland
Steenuilenwerkgroep Noord-Holland Bescherm de steenuil met behulp van de steenuilenwerkgroep Noord-Holland De steenuil is een kleine bruine uil met een wit vlekkenpatroon. Zoals op de foto te zien is,
Waterlanders : op weg met Sam de salamander. Poelenproject Herzele ter uitbreiding van de amfibieënpopulatie met als kernsoort de kamsalamander.
Waterlanders : op weg met Sam de salamander Poelenproject Herzele ter uitbreiding van de amfibieënpopulatie met als kernsoort de kamsalamander. 1 De kamsalamander... Hallo, Ik ben Sam, de salamander met
Weiteveen/Zwartemeer, 6/7 mei 2015 OPZET MONITORING MUGGEN EN DAZEN BIJ BUFFERZONES BARGERVEEN: ZWARTEMEER EN WEITEVEEN 2015
Weiteveen/Zwartemeer, 6/7 mei 2015 OPZET MONITORING MUGGEN EN DAZEN BIJ BUFFERZONES BARGERVEEN: ZWARTEMEER EN WEITEVEEN 2015 plankaart OPZET MONITORING MUGGEN EN DAZEN BIJ BUFFERZONES BARGERVEEN: ZWARTEMEER
Kikkers Boomkikker Hyla arborea
de amfibieën en reptielen van nederland cd 11, 12 Kikkers Boomkikker Hyla arborea De boomkikker is een van de kleinere soorten kikkers in Nederland en de enige soort die veel klimt. Door de heldergroene
Groene glazenmaker in de provincie Groningen
Groene glazenmaker in de provincie Groningen Groene glazenmaker in de provincie Groningen Groene glazenmaker in de provincie Groningen Tekst: Albert Vliegenthart Met medewerking van: Herman de Heer, Henk
Atlas Amfibieën en Reptielen van de Provincie Vlaams-Brabant. Sam Van de Poel Natuurpunt Studie
Atlas Amfibieën en Reptielen van de Provincie Vlaams-Brabant Sam Van de Poel Natuurpunt Studie Atlas Amfibieën en Reptielen van de Provincie Vlaams-Brabant 32.260 waarnemingen Periode # UTM hokken Databank
Het is eind februari en de paddentrek staat weer op beginnen. Wat beweegt al die duizenden padden om massaal de weg op te gaan?
paddentrek Paddentrek Het is eind februari en de paddentrek staat weer op beginnen. Wat beweegt al die duizenden padden om massaal de weg op te gaan? Wat ze beweegt? De voortplanting, en dat is een heel
De Peelvenen. Hoogveenherstel op het randje. Gert-Jan van Duinen en vele anderen
De Peelvenen Hoogveenherstel op het randje Gert-Jan van Duinen en vele anderen 1. Op de grens van Brabant en Limburg 2. Ontstaan rondom de Peelrandbreuk De Verheven Peel op de Peelhorst: hoog en nat De
Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris
de amfibieën en reptielen van nederland Kleine watersalamander Lissotriton vulgaris voorheen Triturus vulgaris De kleine watersalamander is de algemeenste watersalamander van Nederland die alleen in gebieden
Ecologisch onderzoek ten behoeve van het bestemmingsplan voor een terrein ten zuiden van Harmelen
Ecologisch onderzoek ten behoeve van het bestemmingsplan voor een terrein ten zuiden van Harmelen - notitie - Oktober 2010 W 511 Natuur-Wetenschappelijk Centrum Noorderelsweg 4a 3329 KH Dordrecht 078-6213921
