Complexe brandsituaties
|
|
|
- Adriaan ten Wolde
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Complexe brandsituaties 1 Inleiding Bij de brandweer krijgt men te maken met talloze verschillende brandsituaties. Men zegt wel eens Elke brand is anders. Toch zijn er veel gelijkenissen te trekken tussen sommige branden. Het is voor de brandweer als organisatie belangrijk om de verschillende types gebouwen in overweging te nemen. Elk gebouw is anders maar toch kunnen er parallellen getrokken worden tussen sommige gebouwen. In een groot aantal gebouwen zal een gelijkaardig brandverloop mogelijk zijn. Deze gebouwen worden hier beschreven onder de noemer standaard brandsituatie. Daarnaast zijn er ook nog gebouwen die radicaal verschillen van de standaard brandsituatie. Hier moeten andere methodes gehanteerd worden omdat de klassieke methodes niet werken of zelfs gevaarlijk zijn. De branden die afwijken van de standaard brandsituatie worden complexe brandsituaties genoemd. 2 Standaard brandsituatie De standaard brandsituatie gaat uit van een brand in een kleine ruimte. Zolang de brand beperkt blijft tot de ruimte waar de brand ontstaan is, is het mogelijk om deze te blussen met één straalpijp. Het vermogen dat de brand ontwikkelt is namelijk kleiner dan het blusvermogen. Natuurlijk zitten hier enkele aannames onder. Er wordt dan uitgegaan van een vrijkomend vermogen van 250 kw/m². Verder wordt er gerekend met 30 m² voor een hoge druk straalpijp en 60 m² met een lage druk straalpijp. Er wordt ook van uit gegaan dat de brandweerman aan de straalpijp goed opgeleid en geoefend is. Voor standaard brandsituaties denken we aan branden in de volgende types gebouwen: Eéngezinswoningen Appartementen Studentenkoten Hotels (Ziekenhuizen) (Rusthuizen) Natuurlijk dient voor deze laatste twee categorieën rekening gehouden te worden met de verminderde zelfredzaamheid van de aanwezigen. Op vlak van brandgedrag zal de brand zich echter gelijkaardig gedragen zolang de brand beperkt blijft tot één ruimte. De brandweer legt minimale middelen vast die dienen uitgestuurd te worden naar een bepaald type incident. In principe zou een uitruk van twee autopompen, één ladderwagen of tankwagen (afhankelijk van het gebied) onder leiding van één officier voldoende moeten zijn om deze standaard branden vlot af te handelen. CFBT-BE/KCCE 1/35 Complexe brandsituaties
2 De aanpak van dit type brand loopt ook volgens de zelfde manier: 1. Afleggen van een aanvalslijn 2. Eerste zoektocht (primary search) 3. Ventilatie 4. Tweede zoektocht (secundary search) 5. Nablussing Natuurlijk biedt dit schema slechts een houvast. In het overgrote deel van de gevallen zal het blussen van de brand de taak zijn die het eerst dient uitgevoerd te worden. Zodra de brand geblust is, is de oorzaak van het probleem opgelost. Daarna kan men beginnen met het behandelen van de symptomen (slachtoffers, rook, nutsleidingen, ). Indien de twee autopompen kort na elkaar ter plaatse komen, kunnen meerdere taken parallel uitgevoerd worden. Het afleggen van een voedingsleiding is bewust niet opgenomen in het lijstje. Voor een standaard brand is dit eigenlijk geen prioriteit. De twee autopompen hebben samen 5000 liter water aan boord. Daarmee zou een standaardbrand moeten kunnen geblust worden. Het is echter aan de leidinggevenden om hierover te beslissen. Als zij willen dan kan dit alsnog uitgevoerd worden. In gebouwen waar mensen aanwezig zijn met verminderde redzaamheid is het mogelijk dat de geproduceerde rook voor grote problemen zorgt. Er zal dan moeten opgeschaald worden om de evacuatie (en eventueel de redding) in goede banen te leiden. 3 Algemene principes 3.1 Betere verkenning Een korte eerste verkenning om de inzet te starten dient gevolgd te worden door een grotere verkenning. Dit kan eventueel een taak zijn voor een onderofficier aangevuld met één of meerdere brandweerlui. Als bij de aankomst van de tweede autopomp blijkt dat de de eerste autopomp de zaak onder controle lijkt te hebben, dan wordt een uitgebreide verkenning de taak van de tweede autopomp. Zij moeten nagaan of er niets over het hoofd gezien wordt. Hetzelfde geldt eigenlijk bij een zeer grote brand als de eerste autopomp bezig is met een andere activiteit dan de verkenning. Hier kan een goede reden voor zijn. Denk aan een scenario waarbij een groot bedrijfspand volledig in brand staat. Aan de voorzijde is de woning van de zaakvoerder. Deze staat onder de rook en de bewoners zitten vast op de eerste verdieping. Aangezien er toch meer middelen nodig zijn om de brand te beïnvloeden, kan de bevelvoerder van de eerste autopomp na het zenden van een opschalingsbericht inzetten op de redding van die mensen. De bevelvoerder van de tweede autopomp zal dan een grondige verkenning moeten doen (eventueel samen met de officier) om een plan van aanpak op te maken. De doelstelling van de verkenning is het krijgen van een goede kijk op de brand. Zijn er flanken die nog niet afgedekt zijn omdat nog niemand gezien heeft dat de brand langs daar CFBT-BE/KCCE 2/35 Complexe brandsituaties
3 kan uitbreiden? Zijn er aanwezigen die hulp nodig hebben van de brandweer? Het is belangrijk dat deze informatie bij de leider van de operaties terecht komt. Bij echt grote incidenten kan hiervoor een officier worden ingeschakeld. Hij of zij zal dan continu overal rondlopen om enerzijds informatie te verzamelen maar er anderzijds voor te zorgen dat er overal veilig gewerkt wordt. Een continue 360 verkenning en de kubusgedachte zullen hierbij handige tools zijn. 3.2 Meer middelen Bij branden in grotere panden zal het dikwijls nodig zijn om meer brandweerlui ter plaatse te sturen. Wanneer de brand zich hoger, verder of dieper van de ingang bevindt, zal er eenvoudigweg meer personeel nodig zijn om de aanvalslijn(en) af te leggen. Omwille van de inzetdiepte zullen er grotere risico s zijn. Soms zal er vanop een grotere afstand aangevallen dienen te worden. Hierdoor zal de efficiëntie van de aanval afnemen en zal er een hoger debiet nodig zijn voor hetzelfde bluseffect. Dit resulteert in meerdere aanvalslijnen voor hetzelfde bluseffect. In een standaard brandsituatie zal de brand zich meestal op een beperkte afstand van de inkomdeur bevinden. Dit betekent dat de afstand beperkt is die overbrugd dient te worden terwijl de brandweerlui werken met perslucht en in verminderde zichtbaarheid. Doordat deze afstand kort is, kunnen twee brandweerlui relatief snel een aanvalslijn Ø 45 mm afleggen. Dit is niet langer het geval als deze lijn bestaat uit meerdere slanglengtes vanaf het drieverdeelstuk. Een oplossing hiervoor bestaat uit het afleggen van een droge leiding. Dit is echter geen goede oplossing want als er iets fout gaat, heeft de ploeg geen water om tussen te komen. Daarnaast is het mogelijk dat de platte slang ergens onder komt te zitten. Dit obstakel zal ervoor zorgen dat de slang niet vult wanneer ze onder druk wordt gezet. De manier om dit op te lossen is door meer personeel in te zetten voor het afleggen van die leiding. Als er vijf mensen worden ingezet om één lijn van 45 mm te doen vorderen, dan gaat dit sneller dan wanneer het met twee mensen dient te gebeuren. Als er vijf meter tussen elke persoon zit, dan bevindt de achterste persoon zich 20 meter achter de lansdrager. De laatste twee personen kunnen zich dan vlot naar achter bewegen om slang bij te trekken. Het nadeel van deze optie is dat één autopomp slechts één taak tegelijk kan uitvoeren. De ideale positie voor de onderofficier is dan vijf meter achter de lansdrager. Van daaruit kan hij zowel de lansdrager aansturen als de rest van zijn ploeg die slang dient bij te halen. Officieren dienen te beseffen dat er bij deze werkwijze twee autopompen nodig zijn om het werk van één autopomp in de standaard brandsituatie te doen. In België is het stilaan de standaard dat elke autopomp beschikt over één warmtebeeldcamera. Bij branden in complexe gebouwen kan dit wel eens te weinig blijken. Als de bemanning gebruikt wordt om twee aanvalsploegen te vormen, dan heeft eigenlijk elk van deze aanvalsploegen een warmtebeeldcamera nodig. 3.3 Betere commandovoering Een complexe brandsituatie vereist een betere commandovoering dan een standaard brand. Dit is het geval omwille van verschillende factoren: CFBT-BE/KCCE 3/35 Complexe brandsituaties
4 Er worden meer mensen ingezet. Het gebouw is complexer zodat de beeldvorming moeilijker verloopt. Dikwijls opereren de mensen verder van de commandopost. Er zijn meer risico s en een grotere kans op veel slachtoffers. De interventie wordt dikwijls multidisciplinair. Omwille van deze factoren zal er meer dan één officier nodig zijn om een dergelijke interventie aan te sturen. Het is belangrijk dat er een duidelijke taakverdeling is tussen de officieren. Deze taakverdeling kan ook op verschillende manieren bepaald worden: Op basis van een functie: aanval, Search & Rescue, logistiek, LVO Op basis van een plaats bij de indeling in sectoren (alfa, bravo, charlie, delta). Door het aantal officieren te verhogen en een strakke commandostructuur te gebruiken wordt geprobeerd om het incident beter beheersbaar te maken. Deze structuur moet ertoe leiden dat de span of control beperkt blijft. Bij complexe incidenten is dit nog belangrijker dan bij een woningbrand. De meeste officieren hebben heel wat ervaring met kleinere branden en kunnen daardoor een hogere aantal eenheden aansturen. Er zijn echter nog hulpmiddelen die ervoor zullen zorgen dat de interventie vlotter verloopt. De officieren kunnen een schets maken van de situatie op een whiteboard. Dit laat toe om een beter beeld te krijgen van de interventie. Op deze schets kan de plaats van de ingezette ploegen worden aangeduid. Als er van het gebouw een interventieplan beschikbaar is, dan kunnen deze plannen gebruikt worden om er notities op te nemen. Een logboek is een tweede hulpmiddel. In zo n logboek wordt genoteerd welke beslissingen worden genomen, welke acties worden ingezet en welke gebeurtenissen plaatsgrijpen. Telkens wordt vermeld met welk tijdstip dit overeenstemt. Het logboek zal helpen om een goed beeld van de interventie te construeren. Als (onder)officieren afgelost worden, dan dient de overdracht face to face te gebeuren. De afgaande leidinggevende geeft dan toelichting bij de situatie. Dit is een uitgebreid CANrapport. Hetzelfde gebeurt wanneer opgeschaald wordt en er een (hogere) officier ter plaatse komt die het bevel overneemt. De (onder)officier die tot dan de functie van LVO bekleedde, zal dan uitvoerig informatie geven. Het is belangrijk dat het aantal wissels van de LVO beperkt blijft. Bij elke wissel gaat namelijk een deel informatie verloren. In sommige organisaties is het niet per definitie zo dat de hogere officier die ter plaatse komt het bevel direct zal overnemen. Hij kan een andere deeltaak op zich nemen of hij kan op de achtergrond volgen en advies geven waar nodig. Tijdens dergelijke interventies wordt een goed incident command system (ICS) erg belangrijk. De LVO zal de verschillende eenheden aansturen eventueel via sectorcommandanten. Het is belangrijk dat er voldoende discipline is. Eenheden dienen CFBT-BE/KCCE 4/35 Complexe brandsituaties
5 zich eerst aan te melden. Ze krijgen vervolgens hun opdracht toegewezen. Nadat de opdracht vervuld is, stellen ze zich terug beschikbaar van de LVO. 3.4 Beperking inzetdiepte Bij branden in complexe gebouwen durft het al eens voorvallen dat brandweerlui een lange vordering moeten doen onder moeilijke omstandigheden. Lange vorderingen kenmerken zich door een hoge fysieke en mentale belasting. Vorderen doorheen een met rook gevulde ruimte is één ding, er in slagen om ook terug te keren is een ander paar mouwen. Een goede oplossing hiervoor is het beperken van de inzetdiepte van het personeel. In veruit de meeste gebouwen zal een vordering van 40 m doorheen een met rook gevulde ruimte voldoende zijn om de brand te bereiken. Een uitzondering hierop wordt gevormd door industriële gebouwen waar de afstanden kunnen oplopen tot 60 of zelfs 90 meter. In tunnels en speciale gebouwen zoals stations kan deze afstand zelfs nog hoger oplopen. In de meeste gebouwen dient dan ook gestreefd te worden naar een maximale inzetdiepte van 40 meter. Dat zijn twee slanglengtes. In dergelijke gebouwen is er waarschijnlijk een kortere aanvalsweg als de brandhaard na 40 meter vorderen niet is gevonden. De bovenstaande vuistregel dient met gezond verstand te worden toegepast. Veel hangt ook af van de hoeveelheid rook die er hangt, van de temperatuur van deze rook, het verwachte vermogen van de brand, Interventieplannen of plannen van de gebouwen kunnen een grote hulp zijn om te bepalen langs waar de aanvalsploegen kunnen binnendringen. 3.5 Firefighter accountability Voornamelijk in het Verenigd Koninkrijk heeft men aandacht besteed aan de bovenstaande problematiek. Opvolging van persluchtdragers is er een wettelijke verplichting. In tegenstelling tot PAR (het houden van een appel nadat er zich iets heeft voorgedaan) is firefighter accountability een actief systeem. Het wordt bij de start van de brandinterventie opgestart en het blijft gedurende de volledige interventie van kracht Hoe? Als firefighter accountability letterlijk vertaald wordt, dan zou het boekhouding van brandweermensen kunnen zijn. Het komt er op neer dat iemand bijhoudt wie het gebouw of het geteisterde gedeelte van het gebouw heeft betreden. Er zal genoteerd worden wanneer dit gebeurd is en hoeveel druk er in de ademluchtfles was. Dit kan gebeuren met pen en papier. Er zijn echter ook een aantal tools beschikbaar. Een eenvoudige versie is het plotbord. Dit bord is voorzien van plaats om de namen van de brandweermensen die binnen gegaan zijn te noteren. Daarnaast zijn er verschillende klokjes op het bord gemonteerd. CFBT-BE/KCCE 5/35 Complexe brandsituaties
6 Per ploeg van persluchtdragers die het pand betreedt, wordt een klokje geactiveerd. Standaard bedraagt de inzettijd 45 minuten. Dit stemt overeen met de werkduur van een brandweerman die 40 liter per minuut verbruikt als hij een persluchtfles van 6,8 liter gebruikt die gevuld is tot 300 bar. Het klokje telt af. Het systeem is zo ingesteld dat een alarm weerklinkt als de tijd voor de terugtocht is aangebroken. Dit systeem kan gecombineerd worden met sleutels. Voor elke ploeg die binnengaat worden sleutels van een bepaalde kleur aan het plotbord gehangen. In sommige korpsen heeft iedereen zijn eigen sleutel. Bij de start van de inzet laten de brandweerlui hun sleutel dan achter. Een goedkopere manier om dit te doen is de velcro s gebruiken waarmee de naam op de interventiekledij bevestigd is. Brandweermensen verwijderen dan de velcro met hun naam en deze wordt gebruikt als tag. Figuur 1 Het plotbord met onderaan sleutels voor drie verschillende ploegen. Bovenaan zijn drie klokjes voor elk van deze ploegen. (Foto: Karel Lambert) Een meer modern systeem is het digitale plotbord. Een voorbeeld hiervan is het Merlin systeem van de firma Draeger. Dit bord werkt met digitale tags die bevestigd zitten aan de digitale manometer van de persluchttoestellen. Bij de start van de inzet halen de brandweermensen de sleutel uit de digitale manometer. Ze kunnen deze voorlopig achterlaten bij de chauffeur-pompbedienaar. In het begin van de interventie heeft deze immers geen tijd om zich bezig te houden met het plotten van het personeel. Figuur 2 Een foto van de PSS Merlin in gebruik. Vijf bandweerlui hebben de sleutel van hun persluchttoestel ingeplugd. De persluchtcoördinator heeft hun namen met stift op het bord geschreven. De klokjes geven weer hoe lang ze al binnen zijn. (Foto: Jean-Claude Vantorre) Zodra iemand de achtergelaten sleutels in het Merlin bord steekt, zal het bord contact maken met de verschillende digitale manometers. De resterende druk van de verschillende toestellen zal vervolgens verschijnen op het plotbord. Hiertoe maakt het Merlin systeem gebruik van radiotransmissie. In sommige korpsen wordt zelfs gewerkt met repeaters om het radiosignaal te versterken zodat het systeem ook kan gebruikt worden in diepe ondergrondse parkings, e.d. Door te werken met een plotbord worden de persluchtdragers continu opgevolgd. Het is voor een leidinggevende ook mogelijk om snel de situatie te analyseren door CFBT-BE/KCCE 6/35 Complexe brandsituaties
7 even naar het bord te komen kijken. Zeker in situaties waarbij binnen meerdere ploegen ingezet zijn op verschillende locaties biedt dit een meerwaarde Wie? Hierboven werd al even aangestipt dat niemand tijd heeft om zich bezig te houden met het opvolgen van de persluchtdragers in het begin van de interventie. Er zijn immers andere prioriteiten. Het is echter belangrijk dat er op een later moment iemand aangesteld wordt die dit opvolgt. In het Verenigd Koninkrijk wordt dit de BA entry officer genoemd. Dragers van een persluchttoestel (breathing apparatus) moeten zich bij de ingang van het gebouw (the entry point) melden vooraleer ze binnen gaan. Meestal is het een bevelvoerder die zich hiermee bezig houdt. In België wordt dit ook al eens de persluchtcoördinator genoemd. In sommige korpsen wordt deze functie aangeduid met een fluo hesje met daarop de letters PC. Vooral bij grotere interventies waarbij meerdere persluchtploegen worden ingezet is een opvolging van de persluchtdragers erg belangrijk. Wanneer een tiental mensen in het gebouw aanwezig zijn terwijl er iets misloopt, zal er geen duidelijkheid zijn over het feit of iedereen veilig is. Meestal is dan vooraf al niet geweten wie er allemaal binnen zit. Als het gebouw dan snel ontruimd wordt, bestaat de kans dat er niet onmiddellijk wordt opgemerkt dat iemand nog binnen gebleven is. In het verleden is het meermaals voorgevallen dat een brandweerman binnen achterbleef terwijl zijn ploegleden dat niet direct door hadden. In dergelijke gevallen wordt veel kostbare tijd verloren. Dikwijls realiseerde de interventieleider zich pas dat er iemand ontbreekt als het al te laat is. Binnen het systeem van firefighter accountability wordt iedereen geregistreerd die naar binnen gaat. Deze registratie kan eventueel met enige vertraging gebeuren. Het is dan bijvoorbeeld de bevelvoerder van de tweede ploeg of een extra bevelvoerder die deze taak op zich neemt. Hij zal zich naar de chauffeur van de eerste autopomp begeven om te vragen wie er al binnen is. Hij zal eveneens proberen in te schatten hoe lang ze al binnen zijn. Het is echter belangrijk dat de naam van alle brandweermensen binnen gekend is. Op het moment dat persluchtdragers het gebouw verlaten dienen ze zich te melden bij de persluchtcoördinator. Hij zal aanduiden dat zij het gebouw veilig verlaten hebben. De persluchtdragers dienen dit te doen als ze het gebouw verlaten na de inzet maar indien ze zich onverwachts moeten terugtrekken, is dit extra belangrijk. De kans dat er op zo n moment iemand achterblijft is immers groter. Indien er problemen zijn met persluchtdragers, neemt de persluchtcoördinator contact met de LVO. Het is erg belangrijk dat deze direct weet dat één of meerdere van zijn mensen in de problemen zit of dreigt te komen. De LVO zal hoogstwaarschijnlijk dienen op te schalen om te beantwoorden aan de nieuwe noden op het terrein Procedure Opdat een dergelijke aanpak succesvol zou zijn, is het belangrijk dat er tijdens elke interventie aan persluchtopvolging wordt gedaan. Bij de meeste branden zal dit er op neer komen dat de ploegen die naar binnen gaan hun namen achterlaten bij de chauffeur van CFBT-BE/KCCE 7/35 Complexe brandsituaties
8 de eerste autopomp. Ze dienen die ook systematisch terug op te halen als ze terug buiten komen. Dit is dan een vorm van afmelden. Door het op deze manier te doen, worden brandweerlui gewend aan het feit dat ze ergens hun naam dienen achter te laten als ze binnen ingezet worden. Op deze manier wordt gegarandeerd dat een persluchtcoördinator bij het begin van zijn activiteiten bij de chauffeur alle namen vindt en dat iedereen zich bij hem gaat aan- en afmelden. Enige discipline bij de brandweermensen is dus nodig. Bij het begin van zijn opdracht zal de persluchtcoördinator radiocontact zoeken met de ploegen die binnen aan het werk zijn. Hij zal hen vragen om de resterende flesdruk door te geven. Hij kan dit vervolgens noteren op zijn plotbord. Indien gewerkt wordt met de PSS Merlin dan zal de flesdruk op zijn scherm verschijnen zodra hij de sleutels in het bord steekt. Hierdoor krijgt de persluchtcoördinator een idee over de tijdsduur die nog rest alvorens de ploegen binnen vervangen dienen te worden. Deze kan immers afwijken van de standaard voorziene 45 minuten. Zeker indien er zware werkzaamheden dienen verricht te worden (bvb: het bestijgen van een trap over meerdere verdiepingen of het evacueren van een bewusteloos slachtoffer) zal het verbruik hoger liggen dan 40 liter per minuut. Eventueel kan hij dit terugkoppelen naar de IC. Deze dient er immers voor te zorgen dat nieuwe eenheden ter plaatse zijn om de ploegen binnen af te lossen vooraleer ze door een tekort aan perslucht gedwongen worden om zich terug te trekken. De persluchtcoördinator kan deze controle van resterende flesdruk elke 15 minuten herhalen. Het voordeel hiervan is dat de ploegen binnen herinnerd worden aan het feit dat hun luchtvoorraad slinkt. Bij een inzet in complexe gebouwen kan de persluchtcoördinator eventueel een interventieplan of een set grondplannen van het gebouw bij zich nemen. Hierop kan hij aanduiden waar de verschillende ploegen ingezet zijn. In het verleden is het voorgevallen dat de persluchtcoördinator via de radio aanwijzingen gaf aan de ploegen over de indeling van het gebouw. Hiermee konden de ploegen binnen rekenen op de assistentie van iemand die op de plannen meekijkt. Hierdoor konden ze sneller doorheen het gebouw navigeren. Dit bespaart tijd en geeft de ploegen een veilig gevoel. Tenslotte is het zo dat een eventueel probleem met persluchtdragers sneller wordt opgemerkt en dat men ook een goede indicatie heeft van de locatie van die mensen. 3.6 Wat niet te doen In complexe gebouwen mogen geen mensen naar binnen zonder dat ze over een persluchttoestel beschikken. Dit geldt dus ook voor (onder)officieren die bezig zijn met bevelvoering of met controle taken. Beschikken over perslucht betekent niet dat hun masker is opgezet, wel dat ze dat kunnen doen indien nodig. Een uitzondering kan misschien gemaakt worden voor het toelaten van medisch personeel tot het bruggenhoofd in hoge gebouwen. Dit bevindt zich echter 2 verdiepingen onder de brand. Normaal gezien valt daar geen rookverspreiding te verwachten. Het maken van openingen in de wanden van het gebouw staat gelijk aan ventilatie. Het betekent dat de mogelijkheid bestaat dat meer lucht kan toetreden. Een grote toevoer aan lucht betekent dat de brand groter kan worden. Bij onder geventileerde branden zal de brand ook groter worden. Bij gebruik van overdrukventilatoren zal dit effect nog meer uitgesproken zijn. Er mag dus niet zomaar geventileerd worden. Dit is eigenlijk van toepassing bij elke brand. Bij branden in complexe gebouwen is het echter nog belangrijker. Dikwijls zijn daar dubbele deuren of poorten aanwezig. Het openen van deze CFBT-BE/KCCE 8/35 Complexe brandsituaties
9 deuren zorgt voor een belangrijke stroming naar de brand. In het verleden zijn er al veel brandweerlui op die manier verongelukt. Het verlengen van de HD-slang is in theorie mogelijk. In praktijk zal het zo zijn dat het debiet dat geleverd wordt nog lager is dan het standaard debiet van een hoge druk straalpijp. Dit zal zeker zo zijn als de slang gebruikt wordt om naar boven op te trekken. Het verlengen van de hoge druk slang zal ervoor zorgen dat de wrijvingsverliezen toenemen. Het gebruiken van een straalpijp in de hoogte zal leiden tot 1 bar drukverlies per 10 meter hoogteverschil. In complexe gebouwen is de hoge druk op zich niet aangewezen. Het debiet dat uit een hoge druk straalpijp komt is gewoonweg te laag in zo n situatie. Daarnaast is een standaard HD slang 80 meter lang. Dat is een behoorlijk lange inzetdiepte. Als een hoge druk verlengd wordt (tot 160 m), zal het debiet nog lager zijn terwijl de inzetdiepte toegenomen is. CFBT-BE/KCCE 9/35 Complexe brandsituaties
10 4 Ondergrondse parking 4.1 Type parking Er bestaan verschillende soorten ondergrondse parkings. Belangrijke verschillen zijn te vinden in : Bouwjaar Grootte Aantal ondergrondse bouwlagen De leeftijd van een ondergrondse parking speelt een belangrijke rol. Sedert enige tijd verplicht men de bouwheer om een Rook- en WarmteAfvoer (RWA) installatie te plaatsen in een ondergrondse parking indien de oppervlakte van de parking groter is dan m². De grootte speelt dus ook een belangrijke rol. Zelfs in moderne garages is het mogelijk om amper brandpreventieve voorzieningen te vinden als de oppervlakte van de parking kleiner is dan m². Een tweede verschil in functie van de grootte zijn het aantal toegangen. In principe dient elke parkeergarage minstens twee uitgangen te hebben. Dikwijls gebeurt dit via de trappen. Het is echter ook mogelijk om een uitgang te hebben die rechtstreeks naar buiten evacueert. Daarnaast bestaat er ook de mogelijkheid om de uitrijhelling als een uitweg te beschouwen. Dit kan echter enkel voor de verdieping -1. De afstand tot de uitgang is beperkt tot 45 m. Dit betekent dat er in echt grote parkeergarages meer dan twee uitgangen zullen zijn. In regel is er een brandwerende scheiding tussen het parkeergedeelte en de rest van het gebouw. Zelfsluitende brandwerende deuren zorgen ervoor dat het volume van de parking afgesloten wordt van de eventuele bovenliggende appartementen. Het aantal verdiepingen kan variëren. Dikwijls is er slechts één ondergrondse verdieping maar soms zijn er meerdere verdiepingen. Hoe dieper onder de grond, hoe moeilijker de interventie. Een ontwerp dat men soms aantreft, wordt gevormd door geschrankte verdiepingen. Meestal zijn de verschillende verdiepingen met elkaar verbonden. Voertuigen kunnen van de -2 naar de -1 en vervolgens naar buiten rijden. Het is echter ook mogelijk dat beide ondergrondse bouwlagen een rechtstreekse rijweg hebben naar buiten. Een laatste nieuwigheid wordt gevormd door de autolift. Parkeergarages met een autolift beschikken niet over een toegangshelling. Deze dure oplossing wordt meestal gekozen om plaats te besparen. Ze betekent dat er minstens twee trappen zijn. De ventilatie van een dergelijke parking is dikwijls een uitdaging als er geen RWA systeem aanwezig is. Er bestaan dus veel verschillende soorten parkings. Informatie over de grootte van de parking, aanwezigheid RWA, aantal bouwlagen, aantal en locatie van de toegangen, kunnen de interventie van de brandweer sterk vereenvoudigen. Een interventieplan van dergelijke parking kan dus een grote meerwaarde zijn. CFBT-BE/KCCE 10/35 Complexe brandsituaties
11 4.2 Werking RWA RWA staat voor Rook- en warmteafvoer. Een RWA-systeem is gemaakt om de rook deels te verwijderen uit de parkeergarage. Het systeem heeft volgende componenten nodig: Inlaatopening (meestal is dit de inrit) Eén of meerdere ventilatoren langs waar de rook wordt afgevoerd Soms boosters om de rook plaatselijk te versnellen of van richting te doen veranderen Soms rookgordijnen om te vermijden dat de rook zich overal verspreid In theorie wordt een parkeergarage dan verdeeld in rookvakken. Deze vakken zijn maximaal 1000 m² groot. Muren en rookgordijnen worden gebruikt om deze vakken af te bakenen totdat er een inlaat en een uitlaat overblijft. Doordat de ventilatoren een groot debiet afzuigen, ontstaat er ook een groot koeleffect. De temperaturen in de garage zullen lager blijven dan zonder de RWA-installatie. Figuur 3 Een voorbeeld van een grote parkeergarage met een RWA-systeem. De blauwe vlakken zijn de rookschermen die naar beneden komen bij brand. De inrit is rechtsboven op de tekening. Daar komt de verse lucht dus binnen. De ventilator wordt aangeduid door het groene vlak en de pijl naar boven. De pijl aan de rechterkant toont de richting van de luchtstroom aan. De cirkel duidt de plaats van de brandende auto aan. De afmetingen zijn 97 m op 129 m (B x L) (Tekeningen: uit [6]). Het is de bedoeling dat de RWA-installatie ervoor zorgt dat er een rookvrije aanvalsweg ontstaat die de brandweer kan gebruiken om de autobrand aan te vallen. Deze aanvalsweg zou slechts de laatste 15 meter onder de rook mogen staan. Zonder de rookvakken zou de volledige garage zich vullen met rook. Dit zou een probleem zijn voor het vinden van de brand door de brandweer. In parkeergarages met meerdere niveaus zou het er ook echter voor zorgen dat er ook op hogere niveaus terechtkomt. Dit zou een probleem kunnen zijn voor gebruikers van de garage die niet gemerkt hebben dat er een verdieping lager een brand is. CFBT-BE/KCCE 11/35 Complexe brandsituaties
12 Het plaatsen van een afzuiginstallatie zou hier geen soelaas brengen. De ventilatoren zouden lucht aanzuigen tot bij de brand maar de aanvalsweg korter dan 15 meter zou niet gerealiseerd worden. Figuur 4 De snelheid waarmee de rook de parkeergarage vult. De tekening linksboven is genomen enkele seconden na het ontstaan van de brand. Daarna zit er telkens 60 seconden tussen de tekeningen. De snelheid waarmee de rook zich verspreid is erg groot. Na 5 minuten is de garage ongeveer volledig gevuld. In de volgende tekeningen wordt de werking van de RWA-installatie gedemonstreerd: De brand begint. De rook stijgt op en de stroom aan rookgassen raakt snel het plafond. De rook buigt af aan het plafond en begint zich uit te spreiden in de parkeergarage. De blauwe vlakken zijn de rookschermen die op dat moment naar beneden komen. Zij dienen een traject te vormen voor de rook. De inlaat is de inrijhelling bovenaan rechts op de tekening. De uitlaat wordt gevormd door een grote afzuigventilator. Deze wordt voorgesteld door het groene vierkant links van de brand. CFBT-BE/KCCE 12/35 Complexe brandsituaties
13 De brand groeit. De auto zal meer energie en meer rook produceren. De vlammen zullen hoger komen en plaatselijk begint de temperatuur te stijgen. De rook vult steeds meer van de parkeergarage. Dankzij de rookschermen wordt slechts een beperkt gedeelte van de parkeergarage gevuld. Dit is een groot verschil met Figuur 4. De ventilatie is op dit moment nog niet gestart. De brand is wel al gedetecteerd. Het is mogelijk dat een sirene luidt. Er kunnen ook gesproken boodschappen zijn die gebruikers van de garage aanmanen om de garage te verlaten. In moderne garages zullen ook panelen oplichten met dezelfde boodschap. Het is de bedoeling dat de mensen twee minuten krijgen om te evacueren vooraleer de ventilatie geactiveerd wordt. Na twee minuten wordt de ventilatie gestart. Dit is natuurlijk moeilijk te zien op de tekening. Het is echter wel duidelijk dat de verspreiding van de rook gestopt is. Links van de auto is het rookvak helemaal gevuld. Rechts van de auto is de rook aan de terugtocht begonnen. De ventilatie trekt de rook terug naar de brandhaard. Nochtans heeft de brand nu een hoger vermogen dan op de vorige tekening. Het duurt even vooraleer de ventilatie op een maximale sterkte zit. In tussentijd blijft de brand groeien. Op deze tekening is het duidelijk dat de kracht van de ventilatie sterker is dan de kracht van de brand. De rook is teruggetrokken tot bij de brandende auto. Intussen blijft de brand van de auto groeien. Op de tekening links is de ventilator niet bij machte om de rookstroom tegen te houden. De rook begint terug te verspreiden. De rook gaat stroomopwaarts tegen de instromende lucht in. CFBT-BE/KCCE 13/35 Complexe brandsituaties
14 Op een bepaald moment zal een evenwicht bereikt worden. De brand bereikt een zeker vermogen en kan daarmee de rook tegen de luchtstroom induwen tot op een bepaalde afstand van de brandhaard. Op de tekening links is te zien dat de rookstroom tot bij de hoek komt. Deze situatie is de evenwichtssituatie. De rook kan niet meer verder omdat de ventilatie de rook in bedwang houdt. Het is belangrijk om aan te geven dat er een aantal aannames zitten achter de reeks tekeningen die getoond zijn. De belangrijkste is ongetwijfeld de vermogenscurve. Er wordt eigenlijk afgesproken hoe hard het zal branden. De RWA-installatie is ontworpen om de afgesproken brand in bedwang te houden in deze specifieke geometrie. In de simulatie hierboven is uitgegaan van een brand van 8 MW na 15 minuten. Dit komt ongeveer overeen met twee auto s die in brand staan. In praktijk is het mogelijk dat de brand zich niet aan de afspraak houdt. Als de auto s meer energie vrijgeven of als er meer dan twee auto s gaan branden, dan zal de brand sterker zijn dan voorzien. Het is dan mogelijk dat er zich geen evenwicht instelt of dat de evenwichtspositie leidt tot een groter gedeelte van de parking dat met rook gevuld is. Het zal wel zo zijn dat de RWA-installatie ertoe leidt dat de brand gemakkelijker te bestrijden is dan indien de installatie niet aanwezig zou zijn. De installatie voert immers een grote hoeveelheid warmte af die anders in de parking zou blijven. 4.3 Inrijhelling vs trappenhuis Wanneer de brandweer geconfronteerd wordt met een brand in een ondergrondse parkeergarage heeft ze twee mogelijkheden: Aanvallen via de ingangshelling Aanvallen via een traphal Beide opties hebben voor- en nadelen. Dikwijls is de ingangshelling makkelijk te vinden en kan er vrij eenvoudig afgelegd worden tot in de parkeergarage. Het nadeel van deze aanpak is dat een dergelijke afleg kan leiden tot een erg lange aanvalsweg. In gebouwen met RWA zou dat geen probleem mogen opleveren. Het is immers enkel het laatste stuk van de aanvalsweg dat onder de rook zal staan. Het synoptisch bord van de RWA-installatie kan hier een grote meerwaarde bieden. Dit bord toont welk ontrokingscenario actief is. Het geeft weer langs welke weg (of wegen) een rookvrije benadering mogelijk is. Het geeft ook weer welk traject de hete rook volgt. In gebouwen waar geen RWA aanwezig is, zal zich (op zijn minst aan het plafond) een rooklaag vormen. De aanvalsploegen moeten dan onder de rooklaag op zoek naar de CFBT-BE/KCCE 14/35 Complexe brandsituaties
15 brand. Het risico van deze actie wordt gevormd door de temperatuur van de rooklaag, de hoogte ervan en de afstand die onder deze omstandigheden wordt afgelegd. Bij erg grote parkeergarages kan het aangeraden zijn om via de traphal te werk te gaan. Dit is iets lastiger omdat er dan slangen doorheen de inkomhal getrokken dienen te worden. Vervolgens dienen brandweerlui langs de trap naar beneden te gaan om op die manier in de parkeergarage terecht te komen. De bedoeling is dat zij zo dicht als mogelijk bij de vuurhaard terecht komen. Vooral in erg grote gebouwen, is het mogelijk dat brandweerlui niet de juiste traphal gekozen hebben. Om dit scenario te vermijden kan er best eerst iemand gaan kijken met een warmtebeeldcamera. Hij kan bepalen of de gekozen ingang leidt tot een goede aanvalsweg. Een dergelijke methode, waarbij met de warmtebeeldcamera een scan gedaan wordt vanuit de deur van de traphal, is ook aangewezen bij een brand in een ondergrondse parkeergarage met meerdere ondergrondse verdiepingen. Indien de aanvalsploeg tijdens haar aanval vaststelt dat ze te ver gevorderd is of dat ze de verkeerde weg gekozen heeft, dan kan ze best terug trekken. Daarbij is het niet nodig om alle slangen terug te trekken. De terugtocht dient veilig te verlopen. Indien dit kan door de slangen achter te laten, dan is dit een goede optie. Er dient dan vanop een andere plaats een nieuwe aanval opgebouwd te worden. 5 Hoge gebouwen In België worden gebouwen ingedeeld in drie categorieën in functie van hun hoogte: Lage gebouwen: tot 3 verdiepingen Middelhoge gebouwen: tot 8 verdiepingen Hoge gebouwen: > 8 verdiepingen De hoogte van het gebouw is de afstand tussen het niveau van de straat en het vloerniveau van de hoogste verdieping waar mensen aanwezig zijn. Het is belangrijk om zich niet te focussen op het aantal verdiepingen. Het is immers mogelijk dat de hoogte van één verdieping hoger is waardoor een gebouw met 7 verdiepingen al een hoogbouw is. Daarnaast is het zo dat een brand op de zesde verdieping van een middelhoog gebouw al veel gelijkenissen toont met een brand in een hoog gebouw. De procedure die hieronder beschreven wordt, kan daar dan ook toegepast worden. 5.1 Type gebouw Een brand in een hoog gebouw is een vlag die vele ladingen dekt. Betreft het een appartementsgebouw of een kantoor gebouw? Hoe groot zijn de kantoren? Bij een appartementsgebouw zijn de oppervlaktes meestal beperkt. De meeste appartementen hebben een oppervlakte van m². Een kamerbrand in zo n appartement of een brand in een bureel dat kleine oppervlakte heeft, is eigenlijk een standaard brand op een hogere verdieping. Dergelijke brand zal niet zo snel uitbreiden. CFBT-BE/KCCE 15/35 Complexe brandsituaties
16 Figuur 5 Brand in de Technische Universiteit Delft. ( Een landschapskantoor is een totaal andere situatie. Daar kan de brand blijven groeien. Hetzelfde geldt in gebouwen (kantoren, scholen) waar de compartimentering niet in orde is. Branden kunnen dan uitbreiden totdat de volledige verdieping in lichterlaaie staat. Branduitbreiding naar de verdiepingen erboven en eronder wordt dan een realistisch scenario. Uit de praktijk is gebleken dat branden groter dan 200m² in gebouwen met een glazen gevel zich vrijwel zeker zullen voortplanten naar de verdieping erboven. In dergelijke gebouwen kan de brand snel zo groot worden dat de brandweer de brand niet meer kan benaderen. Naast de branduitbreiding is ook de rookverspreiding van groot belang. In nieuwe hoge gebouwen zijn een aantal preventieve maatregelen genomen om de rookverspreiding te beperken: 3 branddeuren tussen de leefruimtes en de trap De traphal wordt in overdruk geplaatst. Naast deze voorzieningen op vlak van rookverspreiding zijn er ook andere maatregelen genomen: 2 traphallen Stijgleidingen Ø 70 mm met daarop een hydrant DSP Ø 45 mm In oudere gebouwen is dit echter niet zo. Zeker gebouwen die neergepoot werden voor 1972 kunnen wel eens erg beperkt zijn op vlak van brandpreventieve voorzieningen. Het komt daar wel eens voor dat er slechts één traphal is. Dikwijls zijn er slechts twee branddeuren tussen de trap en de leefruimtes. Soms is er zelfs maar één branddeur! Dit is een belangrijk element. Als er slechts één branddeur aanwezig is (open traphal), dan zal dit leiden tot een zwaardere interventie. Het is een goede reflex voor (onder)officieren om zich hiervan te vergewissen. De bevelvoerder van de eerste autopomp kan dit eventueel via de radio communiceren. Hoge gebouwen kunnen ook een andere functie hebben dan appartementen en kantoren. Het is ook mogelijk dat er een hotel in gevestigd is. Het kan een ziekenhuis of een rusthuis zijn. In dergelijke gebouwen zullen meer middelen nodig zijn om de mensen in veiligheid te brengen indien nodig. Vooral bij branden op lager gelegen verdiepingen betekent dit een probleem. Stel dat er brand uitbreekt in een appartement op de tweede verdieping. De bewoner vlucht en laat zijn deur open staan. De rook krijgt nu vrij toegang tot de gang en de traphal(len). De rook zal opstijgen en zal alle evacuatiewegen onbruikbaar maken. CFBT-BE/KCCE 16/35 Complexe brandsituaties
17 Het type gebouw zal dus informatie geven over de snelheid waarmee de brand kan groeien, de grootte van de brand die verwacht mag worden, het aantal aanwezigen en het aantal aanwezigen dat hulp nodig heeft om het gebouw te verlaten. 5.2 Middelen Aangezien het een complexe brand betreft, zouden meer middelen uitgestuurd moeten worden. Branden in hoge gebouwen kunnen snel escaleren. Daarnaast kunnen er erg veel mensen aanwezig zijn. De risico s zijn dus erg groot. Daarom worden er best drie autopompen gestuurd naar een brand in een hoog gebouw. Dit dient aangevuld te worden met 2 ladders of hoogtewerkers, 2 commandovoertuigen, en minstens één ziekenwagen. Als de brand bij de aankomst van de eerste ploegen bevestigd wordt, dan wordt best een vierde autopomp uitgestuurd alsook een extra ziekenwagen en een MUG. Indien het over een brand in een landschapskantoor gaat, zullen zeker nog meer middelen nodig zijn. Er dient vooraf gedefinieerd te worden hoeveel middelen de zone zal uitsturen naar welk type brand. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de hoogte van het gebouw. Een ladderwagen van 30 meter kan een buitenaanval doen gericht op brandcompartimenten tot en met de 14 de verdieping. Indien het gebouw meer bouwlagen telt, wordt best een hoogtewerker uitgestuurd. Bij branden in gebouwen als ziekenhuizen, rusthuizen en hotels kan zelfs overwogen worden om nog meer middelen ter plaatse te sturen. Hetzelfde geldt voor grotere branden in landschapskantoren. 5.3 Bevelvoering Dikwijls zal de bevelvoering initieel door een onderofficier gebeuren. Het is namelijk waarschijnlijk dat er een autopomp ter plaatse komt voor de eerste officier. De eerste leidinggevende ter plaatse (onderofficier of officier) is verantwoordelijk voor een korte verkenning. Indien de autopomp en de commandowagen tegelijkertijd ter plaatse komen, dan wordt de verkenning gezamenlijk uitgevoerd. Tijdens de verkenning dient te worden bepaald: Type gebouw / leeftijd / aantal verdieping Natte stijgleiding of niet? Brand op welke bouwlaag Soort brand: geventileerd/onder geventileerd Wind Driven Fire? Transitional attack mogelijk? Reddingen nodig? Langs binnen / via ladderwagens? Combinatie? Een interventieplan kan erg handig zijn bij de verkenning. Als het interventieplan beschikbaar is tijdens het aanrijden, kan zelfs behoorlijk wat tijd gewonnen worden. Een goed interventieplan bevat de plannen van de verdiepingen met daarop de plaats van de verschillende traphallen en stijgleidingen. De plaats waar de verschillende waterpompen CFBT-BE/KCCE 17/35 Complexe brandsituaties
18 te vinden zijn wordt aangeduid en er is best ook een indicatie over de betrouwbaarheid van het systeem. De bekomen informatie dient gedeeld te worden met de voertuigen die nog aan het rijden zijn en met de dispatching. Op basis hiervan kan gekozen worden om verder op te schalen. De doelstelling is dat deze informatie gecommuniceerd wordt binnen de 3 minuten na de aankomst van het eerste voertuig ter plaatse. De eerst aangekomen officier zal zich naar boven begeven. Indien nodig zal er een commandopost opgesteld worden twee verdiepingen onder de brandende verdieping. Deze verdieping zal aangeduid worden met verdieping n-2. Deze commandopost wordt aangeduid met CP hoog. De tweede officier zal op de begane grond blijven. Hij wordt de leider van de operaties. Hij zal er een tweede commandopost oprichten. CP laag is de benaming van deze commandopost. 5.4 Aanpak Verkenning en buitenaanval Tijdens het eerste deel van de interventie zal de verkenning uitgevoerd worden. Hieruit zal blijken of het mogelijk/wenselijk is om een korte buitenaanval uit te voeren. De buitenaanval maakt dan bijna altijd onderdeel uit van een transitional attack. Indien de brandweer geconfronteerd wordt met een wind driven fire, dan is een korte buitenaanval de beste manier om hiermee om te gaan. Ook bij een volontwikkelde brand is dit de beste keuze om mee te starten. Een buitenaanval is mogelijk vanop de grond tot en met de 4 de verdieping met behulp van een lijn van 45 mm. Dit wordt de 8 ste verdieping met en lijn van 70 mm. Dankzij de ladderwagen kan gewerkt worden tot en met de 14 de verdieping. De ladderwagens zullen ook ingezet worden om buitenreddingen uit te voeren. Het komt voor dat bewoners vluchten naar ramen of terrassen om aan de giftige rook te ontkomen. De ladderwagens kunnen dan ingezet worden om deze mensen daar weg te halen. De verkenning zal ook moeten uitwijzen of er een natte stijgleiding is. Ook dit heeft een grote invloed op het verdere verloop van de interventie Werkwijze De taakverdeling zal enerzijds afhangen van de situatie en anderzijds van het tempo waarmee de verschillende voertuigen aankomen op de interventieplaats. In sommige zones zullen de voertuigen in konvooi aankomen terwijl in andere zones de voertuigen individueel aankomen op de plaats van de brand. Idealiter komt er eerst een autopomp of een commandowagen ter plaatse (eventueel aangevuld met een autoladder). Deze mensen dienen namelijk de verkenning uit te voeren. Vervolgens dient beslist te worden welk voertuig ingezet wordt voor welke taak. Als er een korte buitenaanval nodig is (volontwikkelde brand of wind driven fire) dan krijgt dit de prioriteit. In functie van de verdieping van de brand zal dit door de autopomp of de CFBT-BE/KCCE 18/35 Complexe brandsituaties
19 ladderwagen gebeuren. De aanwezigheid van mensen aan ramen of balkons kan hier ook invloed op uitoefenen. De volgende taak is het afleggen van de stijgleiding binnen. Hiervoor kunnen cassettes van 70 mm gebruikt worden. Meestal zal dit niet nodig zijn omdat de meeste hoge gebouwen beschikken over een natte stijgleiding. Er dient wel een kanttekening gemaakt te worden bij de druk op deze stijgleiding. De Belgische wetgeving vraagt slechts 2,5 bar op het slechtste punt. Dit is te weinig voor een moderne straalpijp. In een deel van het gebouw kan de druk dus erg beperkt zijn. Er kan dan een aangepaste straalpijp gebruikt worden of er kan beslist worden om toch zelf een stijgleiding op te bouwen. Stel dat er geen stijgleiding is of er wordt beslist om geen gebruik te maken van de aanwezige stijgleiding wegens een te lage druk, dan kan de eerste autopomp een mobiele stijgleiding afleggen (eventueel na een buitenaanval). Als een buitenaanval zinvol is maar toch veel tijd vraagt, kan de tweede autopomp de mobiele stijgleiding afleggen. Dit scenario kan voorvallen als de brand enkel bereikbaar is via de achtergevel van het gebouw. Hierdoor zal het opbouwen van de aanval wat tijd vragen. In zo n gevallen zal de bevelvoerder de afweging moeten maken tussen de tijd die het kost om een binnenaanval op te bouwen en de tijd die het kost om een buitenaanval te doen. De bedoeling is dat er zo snel mogelijk water op de brand terechtkomt om een snelle knockdown te realiseren. Een andere reden waardoor dit kan gebeuren is de situatie waarbij twee autopompen quasi gelijktijdig aankomen op de plaats van de brand. Het is in dat geval aangewezen dat de verschillende leidinggevenden elkaar contacteren en indien mogelijk gezamenlijk de verkenning uitvoeren. Als er een natte stijgleiding is, zal de eerste autopomp zich bezighouden met de binnenaanval ( fire attack ). Dit wordt opnieuw de tweede autopomp als de eerste autopomp nog bezig is met de korte buitenaanval. De ploeg die de binnenaanval uitvoert, zal de lift nemen naar verdieping n-2 met bundels, cassettes en gereedschap om toegang te verschaffen (haligan tool). Van daaruit zullen ze met de trap naar verdieping n-1 gaan. Op deze verdieping zullen ze aansluiten op de stijgleiding en afleggen naar de brandverdieping. Het is belangrijk om op n-1 aan te sluiten zodat indien nodig bovenaan de trap direct kan begonnen worden met het koelen van rookgassen of het uitvoeren van een directe aanval. De manier waarop het afleggen tussen de muurhydrant en de brand gebeurt, hangt af van de situatie. De horizontale afstand die afgelegd moet worden tussen de trap en de inkomdeur van het betrokken compartiment en de aanwezigheid van rook zijn twee parameters die bepalen of de dubbele bundel rechtstreeks wordt aangesloten op de muurhydrant. Indien mogelijk, kan er een cassette van 45 mm gebruikt worden om van n-1 naar de inkomdeur van het appartement te gaan. Daar wordt dan een enkele bundel aangesloten. Eens aangekomen bij het betrokken compartiment op de brandverdieping zullen ze de aanval inzetten. Het is belangrijk dat ze dit over de radio communiceren. Op die manier is het duidelijk voor iedereen dat de aanval ingezet is. Vanaf dat moment zouden de zaken moeten beginnen verbeteren. Indien dat niet zo is, zullen meer middelen moeten ingezet worden voor de aanval. CFBT-BE/KCCE 19/35 Complexe brandsituaties
20 De overige voertuigen zullen zich melden bij de LVO. Hij of zij zal beslissen wat ze moeten doen rekening houdend met de informatie die dan beschikbaar is. De volgende taken kunnen aan bod komen bij een brand in een hoog gebouw: Primary search Secundary search Informed search Extra aanvalslijn (2 de, 3 de, 4 de, ) Logistiek Ventilatie Evacuatie Radio-communicatie en ondersteuning commando (heeft de officier een chauffeur of niet) Protect-in-place BIN Opvolging persluchtdragers Bijstand discipline 2 Indien de brand dermate hoog gesitueerd is dat de ladderwagens niet kunnen ingezet worden, dan kan de LVO beslissen om de ladderwagens buiten dienst te stellen. Per ladderwagen kan dan een extra ploeg gevormd worden. Deze mensen kunnen dan een andere taak krijgen. Een ladderwagen kan bemand worden door twee of drie mensen. Deze groep kan op zich een taak krijgen of de bemanningen van de twee ladders kunnen samen gevoegd worden om een taak uit te voeren. Beide zijn mogelijk maar het is wel belangrijk om te weten uit hoeveel mensen deze ploeg bestaat Volgorde De volgorde van de verschillende taken bij een brand in een hoog gebouw is als volgt: 1. Verkenning 2. Buitenaanval en/of buitenreddingen 3. Afleggen stijgleiding 4. Binnenaanval 5. Andere 5.5 Bespreking taken In deze rubriek worden verschillende taken besproken die hierboven opgelijst zijn. CFBT-BE/KCCE 20/35 Complexe brandsituaties
21 5.5.1 Binnenaanval Voor het beoordelen van de binnenaanval dient onderscheid gemaakt te worden tussen een kleine brand in een hoog gebouw en een grote brand in een hoog gebouw. Bij de aanvang van de binnenaanval dient de bevelvoerder ook rekening te houden met de vermoeidheid van zijn mensen. Welke inspanningen hebben ze geleverd voordat ze aan de aanval beginnen? Daarnaast dient ook meer rekening gehouden te worden met de eventuele invloed van de wind. Als de brandweer geconfronteerd wordt met een kleine brand (bv een kamerbrand), dan zijn er niet zoveel verschillen meer met een andere brand zodra de aanvalsploeg klaar is om de binnenaanval te starten. Eenmaal de aanval is ingezet, worden dezelfde technieken en tactieken gebruikt zoals bij een standaard brandsituatie. Het belangrijke verschil met een brand in een laag gebouw zit in de verticale afstand die afgelegd is. Dikwijls wordt de eerste straal pas ingezet 10 minuten na de aankomst van de brandweer. In hoge gebouwen is het echter ook mogelijk om een grote brand te hebben. Een brand in een landschapskantoor is hier een mooi voorbeeld van. Doordat de brandweer meer tijd nodig heeft om de aanval op te bouwen in vergelijking met een brand in een laag gebouw, kan de brand langer groeien. In een landschapskantoor is het mogelijk om een uitslaande brand te hebben die honderden vierkante meters beslaat. In theorie behoort een brand te hebben van 2500 m² op de 20 ste verdieping van een kantoorgebouw tot de mogelijkheden. Indien de brandweer zou geconfronteerd worden met een dergelijke brand op het gelijkvloers, dan zou er van buiten aangevallen worden. Dit is echter dikwijls niet mogelijk bij hoge gebouwen. Hierdoor kan de binnenaanval veel langer duren dan bij een klassieke binnenaanval. De brandweerlui zullen er enige tijd over doen om de brand onder controle te krijgen. Gedurende deze tijd worden ze blootgesteld aan moeilijkere omstandigheden dan bij normale branden. Het debiet dat wordt ingezet bij dergelijke branden ligt immers veel lager dan de tactical flowrate uit het hoofdstuk brandfysica. Het kan dan ook erg lang duren vooraleer de brand onder controle gebracht is. De brandweer dient hier als organisatie op te anticiperen. Paul Grimwood stelt voor om voor één aanvalslijn verschillende ploegen in te zetten. Elke 15 minuten wordt de ploeg aan de straalpijp vervangen. Hierdoor worden de mensen slechts 15 minuten blootgesteld aan uiterst moeilijke omstandigheden. In een systeem met 3 ploegen blijft dan een half uur over voor de volgende taken: Het brandcompartiment verlaten Afdalen naar n-2 Rusten, drinken en eventueel iets eten Persluchtfles verwisselen Terug naar het brandverdiep Het brandcompartiment betreden om de aanvalsploeg af te lossen. CFBT-BE/KCCE 21/35 Complexe brandsituaties
22 In een dergelijk systeem kan een aanvalslijn vlot en snel ingezet worden gedurende een lange tijd. De consequentie is wel dat er 15 brandweerlui (de bemanning van 3 autopompen) nodig zijn om dit te doen. Daarenboven zijn er elke 45 minuten 15 nieuwe flessen nodig. Stel dat er vier aanvalslijnen worden ingezet, dan gaat het over 60 brandweerlui die hiervoor nodig zijn. Het spreekt voor zich dat dit geen evidente operatie is. Nochtans zijn er wereldwijd heel wat branden geweest die op deze manier zijn aangepakt. Een conclusie die getrokken is uit het onderzoek van grote branden in hoge gebouwen wereldwijd is dat er 1 brandweerman nodig is voor elke 25 m² die betrokken is in het incident. Het gebruiken van een dergelijk systeem is dus een erg belangrijke beslissing die genomen dient te worden door de LVO. Er zal namelijk een grote extra inzet van personeel voor nodig zijn Search & Rescue De verschillende manieren om slachtoffers te zoeken worden beschreven in het hoofdstuk over tactiek. Bij hoge gebouwen dient er extra aandacht te gaan naar het doorzoeken van de traphallen. De brandweer zal aanvallen vanuit de traphal. Hierdoor worden de deuren tussen de traphal en de brandverdieping geopend. Bij een felle brand zal hete rook de traphal instromen. De rook zal stijgen. Hoe hoger boven de brand, hoe lager de temperatuur van de rook zal zijn. Hoe hoger boven de brand, hoe lager de concentratie aan giftige gassen zal zijn. Dit betekent dat mensen op verdiepingen boven de brand kunnen vluchten langs de trap maar dat de luchtkwaliteit afneemt naarmate ze verder afdalen. Het valt regelmatig voor dat mensen in de trap in de problemen komen net boven de brand. Om deze problematiek te ondervangen zal er snel een ploeg naar de trap gestuurd worden om het deel van de trap boven de brand te doorzoeken. Er dienen op zijn minst vijf verdiepingen doorzocht te worden. Het aantal verdiepingen kan echter verhoogd worden in functie van de omstandigheden die men daar tegenkomt. Wanneer een zoekploeg actief is op het brandverdiep dan gebruikt deze zoekploeg een straalpijp om zich te beschermen. De zoekploeg zal dan moeten aftakken vanop een andere verdieping. Afhankelijk van de omstandigheden zal dit verdieping n-2 of de brandverdieping (n) zijn. Aftakken op de brandverdieping is mogelijk als de rookomstandigheden dit toelaten. Het is belangrijk dat de zoekploeg overlegt met de aanvalsploeg. Dit is zeker het geval als ze de aanvalsploeg voorbij gaat om ruimtes te doorzoeken dicht bij de brand Extra aanvalslijn Bij grotere branden zal één aanvalslijn onvoldoende zijn. De stijgleiding zal normaal gezien voldoende water bieden om een tweede lijn van 45 mm op aan te sluiten. Dit houdt in dat de bemanning van een tweede autopomp naar boven zal komen met cassettes en bundels om dit te doen. Deze mensen zullen aftakken van de stijgleiding op verdieping n-2 en zo stijgen naar het brandverdiep. Een tweede mogelijkheid is dat ze aftakken op het brandverdiep zoals hierboven beschreven. De kans is echter groot dat dit niet mogelijk is in een scenario waarbij 2 lijnen van 45 mm nodig zijn om de brand te bedwingen. CFBT-BE/KCCE 22/35 Complexe brandsituaties
23 Het wordt nog complexer zodra echter vastgesteld wordt dat zelfs twee aanvalslijnen onvoldoende zijn. Indien er twee stijgleidingen zijn, kan de tweede stijgleiding gezocht worden. Dit biedt de mogelijkheid om de derde en de vierde aanvalslijn te voeden. Het is echter belangrijk om te beseffen dat in dit geval de tweede traphal gecompromitteerd wordt. Zodra de deuren tussen de gang en de trap geopend worden, dan kan er rook in de traphal stromen. De filosofie is echter dat één traphal gebruikt wordt voor brandbestrijding en de tweede voor evacuatie. In kantoorgebouwen is het echter mogelijk dat iedereen geëvacueerd is en dat beslist wordt om toch beide traphallen te gebruiken. Uiteindelijk zal de interventie al een hele tijd bezig zijn tegen dat een 3 de en een 4 de aanvalslijn ingezet worden. In de toekomst zullen misschien in sommige gebouwen meer dan één koppeling Ø 45 mm voorzien worden bij de stijgleiding zodat op één plaats twee slangen kunnen worden aangesloten. Dit zal de problematiek die hierboven geschetst wordt een stuk verminderen. Indien er geen tweede stijgleiding is of indien de druk op de eerste stijgleiding onvoldoende is om twee lijnen van 45 te voeden, kan een mobiele stijgleiding afgelegd worden met cassettes of rollen van 70 mm vanop het gelijkvloers. De bevelvoerders van de aanvalsploegen zijn de ogen en de oren van de officieren. Het is aan hen om aan te geven als de situatie onhoudbaar wordt en terugtrekken zich opdringt Logistiek Bij een grote brand zal erg veel materiaal verbruikt worden. De inzet eist erg veel van de mensen. Daarom is het raadzaam om brandweerlui tussen twee taken door niet helemaal naar beneden te laten komen. Bij grote branden zal een bruggenhoofd ingericht worden op n-2. Dit betekent dat daar nood is aan drinkwater en reserve persluchtflessen. De taak logistiek zal eruit bestaan om dat materiaal, via de lift, naar boven te brengen. Er kan ook verlichtingsmateriaal aangevoerd worden, net zoals medisch materiaal en eten. Een tweede onderdeel van deze taak is het managen van de CP hoog. Bij een grote brand in een hoog gebouw zal daar personeel komen uitrusten. Er zullen mensen nodig zijn om hierbij te assisteren: persluchttoestellen helpen afdoen, eten en drinken uitdelen, De bemanning van een autopomp kan dit als taak krijgen. Bij grote branden, bvb in landschapskantoren, kan deze taak enorm grote proporties aannemen. Er wordt dan best een officier aangesteld om het geheel aan te sturen. Bij grote branden in hoge gebouwen in de VS en het VK is er vastgesteld dat er op piekmomenten elke 80 seconden een nieuwe persluchtfles nodig is. Bij branden in kantoortorens waarbij de brand zich verspreid had over verschillende verdiepingen zijn tot 300 flessen gebruikt. Naast de logistiek om die naar het bruggenhoofd te krijgen, zal het ook nodig zijn om die middelen op de interventieplaats te krijgen. De officier logistiek zal dan ook zijn handen vol hebben Ventilatie Ventilatie is een moeilijk thema bij branden in hoge gebouwen. Er zijn namelijk belangrijke verschillen met lagere gebouwen. Eén belangrijk verschil is het schouweffect dat optreedt in hoge gebouwen. Hoe hoger het gebouw, hoe groter dit effect wordt. Het zorgt voor een CFBT-BE/KCCE 23/35 Complexe brandsituaties
24 belangrijke natuurlijke luchtstroom in hoge gebouwen. Bij brand kan dit effect ervoor zorgen dat de rook een route neemt die de brandweer niet verwacht. Een tweede verschil met normale gebouwen is dat veel hoge (kantoor)gebouwen uitgerust zijn met airconditioning. Een gevolg hiervan is dat de ramen niet kunnen geopend worden. Dit betekent een extra uitdaging voor het ventileren van het gebouw. Als er geen uitlaatopening kan gemaakt worden, wordt ventileren na brand erg moeilijk. Het breken van een raam is geen sinecure. Er dient immers rekening gehouden te worden met vallende glasscherven. Daarnaast beschikken hoge gebouwen dikwijls over stevige beglazing en is het fysiek niet zo makkelijk om een ruit te breken. In gebouwen waar wel ramen kunnen geopend worden, dient rekening gehouden te worden met de wind. De wind neemt namelijk toe met de hoogte. Het is mogelijk dat op de begane grond betrekkelijk weinig te merken is van de sterke luchtstroming die op de 20 ste verdieping heerst. Als er een opening wordt gemaakt in de gevel, dan zal er hierdoor binnen een stroming op gang komen. Indien er nog een brand bezig is, dan kan de brand beïnvloed worden door deze stroming. In extreme gevallen kan zelf een wind driven fire ontstaan. Omwille van bovenstaande redenen wordt aangeraden om in een hoogbouw geen offensieve ventilatie toe te passen. Ventilatie gebeurt best nadat de brand geblust is. Het is ook mogelijk om een defensieve ventilatie te gebruiken om de traphal te ontroken. Defensieve ventilatie wordt hier gedefinieerd als ventilatie waarbij de gecreëerde stroming niet langs de brand passeert Evacuatie In hoge gebouwen zijn meestal veel mensen aanwezig. In appartementsgebouwen kan een schatting gemaakt worden op basis van het aantal appartementen. In de lobby is er normaal een paneel aanwezig met deurbellen dat een goed beeld heeft over het aantal wooneenheden. In kantoorgebouwen kunnen verschillende duizenden mensen aanwezig zijn. Het voordeel van kantoorgebouwen is dat er quasi altijd een eerste interventieploeg aanwezig is. Naast het uitvoeren van een eerste bluspoging is het ook hun taak om de evacuatie te organiseren. Meestal zal het overgrote deel van de aanwezigen het gebouw of in elk geval de getroffen verdieping op eigen kracht verlaten. Er staat dan dikwijls wel een grote mensenmassa op straat. Belangrijk hier is dat deze mensen voldoende afstand van het gebouw nemen. Bij een grote brand is er namelijk kans op vallend glas, e.d. De LVO zal een beslissing moeten nemen over de evacuatie: Wordt er gedeeltelijk geëvacueerd? Het gaat dan over één of enkele verdiepingen. Een tweede mogelijkheid is dat het gebouw helemaal geëvacueerd wordt. Bij grote branden in landschapskantoren is dit de beste optie. Bij branden in appartementsgebouwen is het dikwijls aangewezen om de meeste mensen in hun appartement te houden totdat de brand geblust is. Deze strategie wordt Protect in place genoemd en wordt hieronder besproken. De brandweer zal proberen om één traphal te vrijwaren van rook voor evacuatie. In eerste instantie zal via één traphal worden aangevallen. Bij een grotere brand zal rook in deze traphal stromen. De deur tot de tweede traphal dient dan gesloten te blijven. Op die manier blijft ze min of meer rookvrij. CFBT-BE/KCCE 24/35 Complexe brandsituaties
25 Een taak die dikwijls over het hoofd gezien wordt, is het controleren van de liften. Alle liften dienen naar het gelijkvloers te komen. De brandweer dient elk van deze liften te openen om te zien of er geen mensen zijn achter gebleven. De brandweer zal vervolgens de controle over de liften behouden om personeel en materiaal te transporteren naar de brandverdieping 2. In hoge gebouwen gebeurt het soms dat de traphal zo ontworpen is dat ze enkel voor vluchten kan gebruikt worden. Er is vrije toegang vanaf de verdieping naar de traphal maar het is echter niet mogelijk om de deur te openen in de omgekeerde richting. Zodra mensen in de traphal terechtkomen, kunnen ze er enkel uit op het evacuatieniveau. Het spreekt voor zich dat dit kan leiden tot grote problemen als mensen proberen te vluchten via een traphal die een aantal verdiepingen lager onder de rook komt te staan omwille van de brand. In de County Cook fire in Chicago kwamen zo een aantal mensen om het leven. Een soortgelijk scenario speelde zich af bij verschillende branden in hoge gebouwen in andere steden in Noord-Amerika. In gebouwen met een hoge beveiliging tegen indringers gebeurt het zelfs dat er elke verdieping een poort staat in de traphal die enkel kan geopend worden in de afdaalrichting. Het is dan onmogelijk om de traphal te verlaten naar de verdiepingen toe, en dus onmogelijk om op je stappen terug te keren en naar boven te vluchten. Voor de brandweer levert dit het bijkomende probleem dat het stijgen via de traphal quasi onmogelijk wordt. Ondersteuning van veiligheidspersoneel wordt dan cruciaal. Zij hebben normaal de sleutels om de poorten en de deuren te openen. Indien er verschillende aanwezigen in de traphal in moeilijkheden komen, zal dit een grote inzet van het brandweerpersoneel vragen om die mensen te evacueren. Het is belangrijk dat de onderofficier die hiermee geconfronteerd wordt, rapport uitbrengt aan de LVO Ondersteuning commando De basis voor de bevelvoering bestaat uit de twee officieren en de onderofficieren van de verschillende eenheden. Dit zal echter zorgen voor heel wat radioverkeer. Daarnaast is het mogelijk dat de brandweer geconfronteerd wordt met een complexe situatie. Het zal moeilijk zijn om een goed beeld van de situatie te bekomen. De chauffeurs van de officieren kunnen in eerste instantie ondersteuning bieden in posten waar de officier ter plaatse komt met een chauffeur. Elke chauffeur zal zijn of haar officier bijstaan. Er kan een whiteboard gebruikt worden om een schets te maken van de situatie. Hierop kan worden aangeduid welke ploegen waar worden ingezet. De chauffeurs kunnen ook proberen om een logboek op te stellen van het verloop van de interventie. Indien de brand grote proporties aanneemt, zal er opgeschaald dienen te worden. Belangrijk hierbij is dat alle extra eenheden zich aanmelden bij de LVO aan de CP Laag. Hij zal hen een taak toekennen. Om de interventie beheersbaar te houden zullen er extra officieren bijkomen die deeltaken gaan opnemen. Bij een grote brand in een hoog gebouw zal veel materiaal nodig zijn. De officier die zich hiermee zal bezighouden is de officier logistiek. Daarnaast zal er ook een officier S&R komen in situaties waarbij verwacht mag worden dat er mensen zijn achtergebleven in het gebouw. Hij staat in voor alle reddingen in het gebouw. Hij kan CFBT-BE/KCCE 25/35 Complexe brandsituaties
26 hiervoor gebruik maken van primary, secundary en informed search (zie hoofdstuk over tactiek). Belangrijk is dat beide officieren nauw contact houden met de LVO. Deze laatste fungeert dan als spelverdeler en houdt een overzicht op de situatie. Indien een fase van de rampenplanning wordt opgestart, zal hij fungeren als officier terrein en rapporteren aan de dir BW in de CP-OPS. Indien erg veel personeel ingezet wordt, is het ook raadzaam om een safety officer aan te duiden. In het hoofdstuk over tactiek wordt hier meer uitleg over gegeven. Tijdens een brand in een hoog gebouw kunnen zich een aantal problemen voordoen. Liften kunnen blokkeren terwijl er een ploeg brandweerlui in aanwezig is, de stroom kan uitvallen waardoor plots geen water meer naar boven gepompt wordt in de stijgleidingen, Om de commandovoering te helpen, kan het antwoord op deze problemen op voorhand uitgewerkt worden. Dit maakt dan deel uit van het pré-plan. Als een dergelijke situatie zich voordoet, dan kunnen de mensen ter plaatse terugvallen om een systeem dat reeds voorbereid is Protect in place In hoge gebouwen zal het dikwijls zo zijn dat een totale evacuatie van het gebouw onnodig is. Zeker bij appartementsgebouwen is er een erg hoge mate van compartimentering. Elk appartement vormt op zich een brandcompartiment. Dit betekent dat de mensen enige tijd veilig zijn in hun appartement als er een brand woedt in een ander compartiment. Zoals hierboven beschreven, gebeurt het tijdens branden in hoge gebouwen dat de traphal onbruikbaar wordt door de uitstroom van rook, komend van de brandverdieping naar de traphal. Als mensen dan beginnen te vluchten, komen ze in de traphal in de problemen. Dit terwijl ze in hun appartement perfect veilig waren. De tactiek waarbij mensen gevraagd wordt om in hun appartement te blijven, beschermd door een gesloten branddeur, wordt protect in place genoemd. Soms kunnen mensen beter een natte dweil tegen de deur leggen om rookinfiltratie tegen te gaan dan dat ze via een met rook gevulde gang proberen te vluchten. Een dergelijke situatie doet zich voor als er verschillende appartementen per verdieping zijn die door een gang verbonden zijn met de trappen. Stel dat er in één van die appartementen brand uitbreekt. De bewoner vlucht naar buiten terwijl hij zijn deur laat open staan. De brand evolueert snel naar flashover en wordt uitslaand aan de buitenzijde. Hete rookgassen stromen de gang in. Vanaf dat moment is de gang onbruikbaar geworden voor evacuatie. Heel wat mensen zitten gevangen in hun appartement. Ze kunnen dan beter daar blijven totdat de brandweer de situatie onder controle heeft. Zodra dat het geval is, kunnen ze met behulp van vluchtmaskers gered worden. In Brussel heeft een gezin met 5 kinderen ooit 45 bange minuten doorgebracht aan de overkant van de gang van een volontwikkelde appartementsbrand op de 12 de verdieping. Wanneer protect in place wordt toegepast, dient er minstens één (onder)officier beschikbaar te zijn voor informatie die via dispatching binnenkomt van bewoners die in hun appartement zitten. Als de situatie bij hen onhoudbaar wordt door rookinfiltratie zal actie nodig zijn om hen daar op een veilige manier weg te halen. CFBT-BE/KCCE 26/35 Complexe brandsituaties
27 5.5.9 Opvolging persluchtdragers Bij een brand in een hoog gebouw dient de persluchtcontrole te gebeuren vanuit de CP hoog. Daar dient een punt te zijn waar elk personeelslid zich aanmeld dat vertrekt naar boven. In Engeland wordt dit punt aangeduid als BAECO wat staat voor Breathing apparatus Entry Control. Iedereen de afdaalt dient zich hier eveneens te melden, zelfs als men doorgaat naar de begane grond. Enkel op die manier kan men opvolgen wie aan het werk is in het geteisterde gedeelte van het gebouw Ondersteuning discipline 2 Bij branden in hoge gebouwen kan het voorvallen dat erg veel mensen medische bijstand nodig hebben. Een situatie die veelvuldig voorkomt, betreft mensen die geïntoxiceerd zijn door de rook die zich overal verspreid heeft. De brandweer begeleidt dan dikwijls mensen naar buiten die dringende verzorging nodig hebben. Als de brandweer mensen redt die vervolgens op het trottoir overlijden omdat er geen basis aan medische zorgen (vrijmaken luchtwegen, toedienen zuurstof, ) kan worden gegeven, dan kan er niet gesproken worden van een efficiënt optreden. Dikwijls zal het zo zijn dat er één of twee MUG-teams ter plaatse zijn aangevuld met enkele ziekenwagens. Als bij een brand meer dan tien mensen ernstig geïntoxiceerd zijn, als er één of meerdere mensen moeten gereanimeerd worden, dan moeten er extra MUG s en ziekenwagens ter plaatse komen. In brandweerzones waar brandweerlui eveneens ambulancier zijn, kunnen brandweerlui bijspringen om deze taken uit te voeren. In sommige autopompen zit hiertoe een zak met een kleine zuurstoffles, maskers, Opnieuw zal het de LVO zijn die moet beslissen hoeveel mensen hij hiervoor wil inzetten. 6 Grote panden Grote panden is een vlag die vele ladingen dekt. We denken hierbij aan industriële gebouwen, winkelcentra, bioscoopcomplexen, De brand is soms moeilijk te vinden. De grootte ervan kan variëren van iets kleins tot een erg grote brand. Daarnaast is het mogelijk om een grote hoeveelheid mensen aan te treffen. In sommige gebouwen zullen de eerste interventieploegen zorgen voor de evacuatie en zal de brandweer geconfronteerd worden met een leeg gebouw. In andere gebouwen zal dit niet zo zijn. Zeker als aanwezigen geen direct zicht hebben op de brand, zullen veel mensen niet evacueren. Door de grote afmetingen is het ook mogelijk dat een brandweerman de weg verliest en niet meer veilig buiten raakt vooraleer zijn ademlucht opgeraakt is. Bij branden in grote panden is vooral de inzetdiepte van belang. Soms is het niet mogelijk om een korte vordering te doen. In industriële gebouwen kan de aanvalsweg gemakkelijk 60 meter lang zijn. Langere aanvalswegen tot 90 m zijn in sommige gevallen mogelijk. Een goede 360 verkenning is de enige mogelijkheid om een volledig beeld te bekomen. Soms is het mogelijk om via een andere ingang de inzetdiepte te beperken. Indien er veel rook aanwezig is, zal dit dikwijls een betere optie zijn. Een grote inzetdiepte brengt immers een hoog risico met zich mee. CFBT-BE/KCCE 27/35 Complexe brandsituaties
28 Ook in grote winkels is het mogelijk dat er een lange aanvalsweg nodig is. In normale omstandigheden zijn de uitgangen meestal goed aangeduid en kan men de kortste weg kiezen. In brandomstandigheden gebeurt het dat de brandweer geen duidelijk zicht heeft op de mogelijke aanvalsroutes. Hierdoor valt het voor dat niet de kortst mogelijke aanvalsroute gebruikt wordt. Om dit te vermijden, dient indien mogelijk informatie ingewonnen te worden bij de uitbaters van het pand. Bij de aankomst van de brandweer zal er eerst geprobeerd worden om de brand onder controle te krijgen. Omwille van de grote inzetdiepte zal er niet gewerkt worden met hoge druklijnen. Deze kunnen immers te kort zijn. Er zullen meer mensen moeten ingezet worden om één aanvalslijn te bemannen. Het aantal lijnen dat ingezet wordt, zal afhangen van de grootte van de brand en de geometrie. Nadat voldoende middelen zijn toegewezen aan de aanval van de brand zullen er ook ploegen ingezet worden om achtergebleven mensen te zoeken. Het komt de LVO toe om te beslissen wanneer hij hiervoor mensen vrijmaakt. 7 Tunnels Tunnels zijn een soort infrastructuur waarin branden radicaal afwijken van de standaard brandsituatie. In België zijn er nog niet zoveel tunnels. Het is echter wel zo dat er steeds meer tunnels worden gebouwd. België is een dicht bevolkte regio. In de grotere steden zijn tunnels soms de enige manier om oplossingen te bieden voor verkeersstromen. Er is eenvoudig weg geen plaats meer om nog (spoor)wegen bij te leggen. Een brand in een tunnel leidt tot een aantal uitdagingen voor de brandweer: Het is mogelijk dat de brandweer een lange afstand dient te overbruggen om tot bij de brand te raken. In sommige gevallen zal dit te voet dienen te gebeuren. Het is mogelijk dat de brandweer geconfronteerd wordt met veel slachtoffers. In een dubbeldekstrein kunnen meer dan 1000 mensen aanwezig zijn. De brand kan soms grote proporties aannemen. Denk hierbij aan vrachtwagens die vuur vatten. De rookverspreiding is erg complex en zal afhangen van verschillende factoren: de geometrie van de tunnel, de helling van de tunnel, het vermogen van de brand, de weersomstandigheden buiten de tunnel, het vermogen en de type van de geïnstalleerde ventilatie. De problematiek van branden in tunnels is erg specifiek. Het is niet de bedoeling om er hier uitgebreid op in te gaan. Er wordt slechts een kort overzicht gegeven van de belangrijkste principes bij tunnelbrandbestrijding. Voor meer informatie wordt verwezen naar gespecialiseerde literatuur en gespecialiseerde opleidingen. CFBT-BE/KCCE 28/35 Complexe brandsituaties
29 7.1 Middelen Het is duidelijk dat er bij een tunnelbrand veel meer middelen ter plaatse zullen moeten komen. De manier waarop deze middelen worden uitgestuurd, hangt af van de organisatie van de zone. Een goede werkwijze is dat de brand in de tang wordt genomen. De brand wordt dan benaderd van beide kanten. Aan elke kant zijn de volgende middelen nodig: Verkenningsploeg: 2 man Aanvalsploeg: 5 man (waarvan min. 1 onderofficier) Search & Rescue ploeg: 5 man (waarvan min. 1 onderofficier) Commando: 1 officier en 1 of 2 assistenten Daarnaast is het nodig dat er één officier dit alles coördineert. Dit kan eventueel vanuit een dispatching gebeuren. Er wordt ook wat extra materiaal gebruikt dat momenteel voor de meeste brandweerlui onbekend is: persluchttoestellen met dubbele flessen, blindegeleidestokken, gekleurde lampen die aangeduid worden met de naam PUC s (zie Figuur 6) en bootbrancards waarop wielen gemonteerd zijn. Daarnaast is het ook belangrijk dat er voldoende radio s en warmtebeeldcamera s beschikbaar zijn. 7.2 Aanpak De verkenningsploeg gaat als eerste naar binnen. Zij moeten informatie verzamelen. Ze zullen de ingang aanduiden met een groen licht. Eventuele slachtoffers die ze vinden zullen ze melden via de radio. Ze zullen deze slachtoffers niet redden. De slachtoffers worden gemarkeerd met een geel licht. Ze laten via de radio weten wat ze in de tunnel aantreffen (rook, vuur, aantal en soort voertuigen, aanwezigheid gevaarlijke stoffen, afstanden, ). Wanneer ze de vuurhaard vinden, zal deze gemerkt worden met een blauw licht. Ze zullen vervolgens op zoek gaan naar de dichtstbijzijnde hydrant. Deze zal ook gemerkt worden met een blauw licht. Ook deze informatie wordt over de radio doorgegeven. Figuur 6 Een gele, een groene en een blauwe PUC in werking. (Foto: Jean-Paul Heyens) CFBT-BE/KCCE 29/35 Complexe brandsituaties
30 De tweede ploeg die naar binnen gaat is de aanvalsploeg. Bij een goede brandpreventie zijn de blusmiddelen reeds in de tunnel aanwezig. Deze worden dan opgeslagen in bluskasten in de buurt van de toegangen. De aanvalsploeg gaat naar de bluskast en rust zich uit met bundels en cassettes. Zij gaan naar de plaats van de brand en beginnen de brand te blussen. Eén aanvalsploeg zou twee lijnen van 45 in actie moeten kunnen brengen. Als dit langs de twee kanten gebeurt, dan zijn er vier lijnen van 45 in gebruik. De meeste branden zullen daarmee aangepakt kunnen worden. De reddingsploeg zal de tunnel systematisch doorzoeken. De gele lichten aangebracht door de verkenningsploeg zullen hen aanduiden waar slachtoffers zijn. Zij zullen echter grondiger te werk gaan dan de verkenningsploeg. Als er een slachtoffer gevonden wordt, dan wordt het door twee ploegleden naar buiten gebracht. Stel dat de tweede ploeg ook naar buiten gaat met een tweede slachtoffer, wordt er een lijn getrokken in de tunnel door aan beide kanten een gele lamp te plaatsen. Op die manier is duidelijk tot waar al gezocht is. Om slachtoffers te evacueren, beschikken de reddingsploegen over bootbrancards waaronder twee wielen gemonteerd zijn. Dit laat toe dat een ploeg van 2 mensen een slachtoffer evacueert. Een dergelijke Figuur 7 Een bootbrancard die uitgerust is met twee wielen laat toe om snel een slachtoffer te evacueren uit een tunnel. (Foto: IFA) oplossing is de enige manier om slachtoffers te evacueren over een grote afstand. De officier zal leiding geven aan de drie ploegen. Hij wordt hierbij geholpen door één of twee assistenten. Zij beschikken over één of meerdere whiteboards. Het bijhouden van de inzettijd van persluchtdragers is hierbij primordiaal. Dit zal gebeuren op een whiteboard met behulp van klokjes. Een mogelijkheid is dat brandweerlui een velcro achterlaten met hun naam erop. Deze kan vervolgens naast de klokjes gekleefd worden. Een tweede assistent zal een schets maken van de situatie op een tweede whiteboard. Hij zal dit doen op basis van de info die doorkomt van de verkenningsploeg. Hij kan ook een soort van logboek starten met beknopte info over het verloop van het incident. Als het incident grote proporties aanneemt, zullen bijkomende eenheden zich melden bij de officier die hen vervolgen een taak zal toewijzen. Indien het gaat over een grote brand, dan zullen waarschijnlijk bijkomende aanvalsploegen ingezet moeten worden, hetzij om extra aanvalslijnen af te leggen, hetzij om de aanvalsploegen af te lossen. Indien er veel mensen aanwezig zijn in de tunnel, zullen misschien extra reddingsploegen ingezet dienen te worden. 7.3 Boundary cooling Branden in tunnels gedragen zich anders dan branden in gebouwen. Bij branden in gebouwen ontsnapt de warme rook snel naar buiten. In tunnels moet de rook de tunnel volgen. Een gevolg hiervan is dat de rook zijn warmte zal afgeven aan de wanden van de CFBT-BE/KCCE 30/35 Complexe brandsituaties
31 tunnel. De thermische belasting op de tunnelwanden zal hoger zijn dan op de wanden van een gebouw. Vooral het plafond heeft zwaar te lijden onder de brand. De meeste tunnels zijn betonnen constructies. Bij hoge temperaturen raakt het beton van de tunnel beschadigd. Na verloop van tijd kan de structurele stabiliteit van de constructie in gevaar komen. Dit betekent een groot gevaar voor de brandweerlui. Langs de andere kant hangt hier ook een enorm kostenplaatje aan vast. Een tunnel die tijdelijk niet meer bruikbaar is, veroorzaakt een gigantische economische schade. Na een tunnelbrand zal de tunnel altijd enige tijd gesloten moeten worden. Soms beperkt zich dit tot enkele uren. Een autobrand in een tunnel die snel geblust is door de brandweer is zo n geval. Bij grotere branden is soms een deel van de bekabeling gesmolten en dient deze te worden vervangen. De tunnel zal dan misschien een paar dagen buiten dienst zijn. Indien er echter structurele schade is, kan de tunnel maanden buiten dienst zijn. De brandweer dient gepast op te treden om haar eigen veiligheid te garanderen en te proberen zorgen voor business continuity. Ze zal dit doen door de wanden te koelen. In het Engels heeft dit boundary cooling. Twee derde van de tijd zal er met een sproeistraal op de wanden gespoten worden en slechts één derde van de tijd op de vuurhaard. Dit is een belangrijk verschil met brandbestrijding in gebouwen. 8 Ziekenhuizen (& rusthuizen) 8.1 Risico s Ziekenhuizen en in mindere mate rusthuizen leiden ook tot erg complexe brandsituaties. In een ziekenhuis zijn een grote verscheidenheid aan installaties en diensten aanwezig: Consultatieruimtes voor artsen Verzorgingseenheden met patiëntenkamers Afdeling intensieve zorgen (patiënten met life support) Kinderafdeling Spoedafdeling Geriatrie Laboratoria (met ontvlambare vloeistoffen en gassen) Radiologie (met aanwezigheid van nucleaire isotopen) Psychiatrie (met eventueel een patiënt in de isoleercel) Apotheek Restaurant met grootkeuken Wasserij CFBT-BE/KCCE 31/35 Complexe brandsituaties
32 Allerlei opslag (Grote brandlast: o.a. medische gassen, veel brandbare materialen, ) Neonatologie (met couveuses) Operatiekwartier (met patiënten die geopereerd worden) Nierdialyse (met patiënten die verbonden zijn met een dialyse-apparaat) Quarantaine-afdeling (met patiënten die erg besmettelijk zijn of zelf geen weerstand meer hebben). In de gebouwen van en ziekenhuis zijn altijd erg veel mensen aanwezig. Deze kunnen ingedeeld worden in verschillende categorieën: Zelfredzaam en bekend met de situatie (het personeel) Zelfredzaam en niet bekend met de situatie (bezoekers) Verminderd zelfredzaam en niet bekend met de situatie (mobiele patiënten) Niet-zelfredzame patiënten Patiënten die life support nodig hebben Patiënten die niet verplaatst kunnen worden in een kort tijdsbestek (operatiekwartier of quarantaine-afdeling) Een bijkomende factor is dat mensen hun geliefden in een brandsituatie niet willen achterlaten. Een deel van de bezoekers zal hun familielid willen evacueren of erbij willen blijven. 8.2 Preplanning Het spreekt voor zich dat de brandweer hier voor een erg grote uitdaging staat. Daar komt bij dat in een ziekenhuis heel wat brandrisico s aanwezig zijn. Gelukkig beschikt een ziekenhuis over heel wat preventiemaatregelen. Daarnaast is het belangrijk dat er voor een ziekenhuis een interventieplan opgemaakt wordt. Er dienen op voorhand afspraken gemaakt te worden met de uitbater van het ziekenhuis. Bij een brandmelding zal de bewaking van het ziekenhuis de brandweer opvangen op een vooraf afgesproken punt. Het is de bedoeling dat een bewaker de brandweer begeleidt naar de plaats van de brand. Op die manier wordt tijdsverlies vermeden. Een bevestigde brand in een ziekenhuis zou binnen de brandweerzone moeten leiden tot een grote inzet van personeel en middelen. Een evacuatie van een deel van het ziekenhuis zal erg veel personeelsinzet vragen. Dit betekent dat de standaard uitruk voor een brand in een ziekenhuis groter moet zijn dan die voor een woningbrand. 8.3 Verkenning De eerste leidinggevende ter plaatse doet een verkenning. Daarbij heeft hij of zij aandacht voor volgende elementen: CFBT-BE/KCCE 32/35 Complexe brandsituaties
33 Waar woedt de brand? Hoe groot is de brand? De brand is de oorzaak van alle problemen. Als de oorzaak kan weggenomen worden, zal het incident niet verder groeien. Zijn er nog personen die gered moeten worden? Het gaat hier over patiënten, personeel of bezoekers die onmiddellijk bedreigd worden door de brand. Zijn er gedeeltes van het ziekenhuis waarvoor evacuatie nodig is? Het gaat hier over mensen die bedreigd kunnen worden als de brand uitbreiding neemt of als de rook in die richting verspreid wordt. Zijn er technische installaties die afgesloten moeten worden in het kader van de brandbestrijding? De interne veiligheidsdienst zou de ventilatie al stil gelegd moeten hebben. Deze zal immers mee de rook verspreiden. Het is echter mogelijk dat ook de elektriciteit moet afgesneden worden. Misschien moeten medische gassen afgesloten worden of transportsystemen stil gelegd worden? Dit kan een belangrijke invloed hebben op de verdere werking van het ziekenhuis. Hier dient snel aandacht aan besteed worden. Het ziekenhuispersoneel (zowel medisch als technisch) kent het ziekenhuis erg goed. Zij kunnen van onschatbare waarde zijn bij het verzamelen van gegevens. Denk hierbij aan de lijst met risico s die hierboven besproken is. 8.4 Brandbestrijding Een ziekenhuis beschikt per definitie over stijgleidingen en muurhydranten. Er kan dus een snelle opstelling gemaakt worden met bundels. Een dubbele bundel is lang genoeg om elk punt van het ziekenhuis te bereiken vanuit één van de muurhydranten. Als een tweede lijn nodig is om de brand te blussen, zal een cassette gebruikt moeten worden om af te takken van een muurhydrant die verder van de brand gelegen is. Indien dit nog niet volstaat, kunnen extra bluslijnen afgelegd worden vanaf de autopomp. Indien de brand plaatsvindt op een hogere verdieping, dan kunnen prioritaire liften gebruikt worden om materiaal te transporteren. Bij een brand in een normaal gebouw zal onmiddellijk gezorgd worden voor het afsluiten van gas en elektriciteit. Dit is in een ziekenhuis niet zo evident. Er dient dus overleg te komen tussen technici, de uitbater en de brandweer. Samen kunnen zij bepalen welke technici installaties moeten afgesloten worden. Dikwijls zal dit er toe leiden dat bepaalde patiënten verplaatst moeten worden. Dit maakt dat enige voorbereiding nodig is. Een ander item dat plaats moet krijgen in de preplanning is het bluswatermanagement. Bij een hevige brand zal veel water gebruikt worden. Indien niet efficiënt met het bluswater omgesprongen wordt, is het mogelijk dat er op de verdieping eronder waterschade ontstaat. Indien kritische installaties geraakt worden, kan dit grote gevolgen hebben voor de patiënten die er verblijven. In de preplanning wordt dus best een ploeg voorzien die zich hier onmiddellijk mee gaat bezig houden. Dit voorbeeld toont nog maar eens aan hoe belangrijk het is dat brandweermensen efficiënt kunnen werken met hun water. Indien ze dat niet zijn, is het niet alleen moeilijker om de brand te blussen. Ze creëren dan ook bijkomende problemen. CFBT-BE/KCCE 33/35 Complexe brandsituaties
34 De rookverspreiding bij brand vormt een belangrijk probleem. Brand produceert heel wat rook. Indien de brand plaatsvindt in een gesloten ruimte ontstaat er een overdruk die de rook in alle richtingen probeert weg te duwen. Indien een brand over veel lucht beschikt, zal het vermogen van de brand sterk oplopen. De hoge temperaturen zullen ervoor zorgen dat er rookstuwing ontstaat. De brand zal trachten om de rook naar aanpalende ruimtes te duwen. In een ziekenhuis heeft dit een stuk meer invloed omdat evacuatie moeilijker verloopt. De brandweer heeft er alle belang bij om de rookverspreiding onder controle te proberen houden. De rookstopper kan hierbij van onschatbare waarde zijn. Ook dit zou een onderdeel kunnen zijn van preplanning. Een ploeg kan ingezet worden met als taak rookverspreiding proberen tegengaan. Zij kunnen dan ook nagaan of de mechanische ventilatiesystemen afgesloten zijn. De rookluiken in de traphallen kunnen gebruikt worden om rook af te voeren indien dit past bij de situatie. 8.5 Redding en evacuatie Indien redding en/of evacuatie van patiënten noodzakelijk is, dient rekening gehouden te worden met de specificiteit van de patiënten: Mobiele patiënten kunnen zich zelfstandig verplaatsen maar hebben misschien beperkte begeleiding nodig. Eén begeleider kan dan verschillende patiënten begeleiden. Patiënten in een rolstoel zullen zich meestal ook zelfstandig kunnen verplaatsen. Het is echter nodig dat de liften werken opdat ze kunnen evacueren uit de hoger gelegen verdiepingen. Zij hebben misschien ook beperkte begeleiding nodig. Hier is per rolstoelpatiënt één begeleider nodig. Bedlegerige patiënten kunnen zich niet zelfstandig verplaatsen. Zij moeten geëvacueerd worden in hun bed, op een brancard of in geval van nood met een ander hulpmiddel. Hier zullen twee tot vier hulpverleners nodig zijn per patiënt. Patiënten die verbonden zijn met apparatuur. Het gaat hier over patiënten op intensieve zorgen, operatiekwartier, nierdialyse, neonatologie, De evacuatie van dergelijke patiënten zal gespecialiseerde begeleiding vragen. Er dient dus voldoende medisch personeel aanwezig te zijn om dit te ondersteunen. Kinderen en baby s vragen eveneens een versterkte begeleiding. De verhouding tussen het hulpverleners en patiënten is hier variabel. Er zal echter bijna altijd één hulpverlener per twee patiënten nodig zijn. Dementerende bejaarden vormen een speciale groep op de geriatrie. Zij kunnen nog perfect mobiel zijn maar hebben toch speciale begeleiding nodig. De verhouding tussen hulpverleners en patiënten is hier ook variabel. De huidige brandpreventienormen gaan uit van horizontale evacuatie. Het is daarbij de bedoeling om de patiënten naar een ander compartiment te brengen. Het is een feit dat horizontale evacuatie veel sneller is dan verticale evacuatie via trappen en liften. Het is echter belangrijk van hierbij een kanttekening te maken. Vroeger ging men er van uit dat de evacuatiewegen rookvrij waren. Branddeuren scheiden het brandcompartiment CFBT-BE/KCCE 34/35 Complexe brandsituaties
35 van de evacuatiewegen. Zodra patiënten in de evacuatieweg waren, werden ze beschouwd als veilig. Recent onderzoek toont aan dat branddeuren niet per sé rookdicht zijn. De brand duwt de rookgassen naar aanpalende ruimtes. De branddeuren houden die rookstroom niet helemaal tegen. In de evacuatiewegen die langs de brandende ruimte lopen, kan dus rook verwacht worden. Het is belangrijk dat hiermee rekening gehouden wordt. Dit zal immers leiden tot inzet van meer personeel. Bij rookverspreiding in een ruimte is er veel minder tijd om de mensen in veiligheid te brengen dan in een ruimte waar geen rook aanwezig is. Bij een (grote) evacuatie wordt best gekeken met de uitbater van het ziekenhuis waar de patiënten verzameld kunnen worden op de verdieping. Dit dient een veilige plaats te zijn, liefst in de buurt van liften. Van daaruit kan eventueel de evacuatie van de patiënten naar andere ziekenhuizen worden georganiseerd. Dit wordt ook best geregeld in samenspraak met de uitbater. Er zal op medisch vlak ook opgeschaald worden om dit in goede banen te laten lopen. 9 Bronnen [1] Koninklijk Besluit van 12 juli 2012 tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voorde preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, bijlage 4 Hoge gebouwen, 2012 [2] Brandbestrijding: technisch bekeken, tactisch toegepast, Karel Lambert, Siemco Baaij, Hans Nieling & Hein Vandenberghe, 2015 [3] High-rise Fire-fighting model procedure, [4] Special report: Operational considerations for high-rise firefighting, US Fire Administration, april 1996 [5] Opleiding Tunnelbrandbestrijding, International Fire Academy (IFA), Zwitserland [6] Ontwerp van een RWA-systeem op basis van NBN S met verificatie door CFD, Frederick Bonte, Christian Gryspeert, Karel Lambert & Peter Roseleth, Groepswerk in het kader van het postgraduaat Fire Safety Engineering, Universiteit Gent, 2010 CFBT-BE/KCCE 35/35 Complexe brandsituaties
Tunnelbrandbestrijding in Brussel
Tunnelbrandbestrijding in Brussel Waarschuwing Ik heb geen ervaring met tunnelbranden. Ik heb nog nooit een echte brand geblust in een tunnel. Ik heb een week opleiding gevolgd in Zwitserland. Ik heb een
Wat te doen bij brand?
Wat te doen bij brand? In de afgelopen 10 jaar is er erg veel veranderd op vlak van brandbestrijding. Er is erg veel inzicht over brandgedrag bij gekomen. De brandweer weet nu beter met welke problemen
STANDAARD OPERATIONELE PROCEDURE. Aflegsysteem lage druk: bundels
Aflegsysteem lage druk: bundels Filename : 2016 01 11 SOP Aflegsysteem lage druk: bundels Locatie : U 09 C 02 A Doel : Een eenvormige procedure vastleggen voor een lage druk instelling. De beslissing om
Directe aanval. 1 Inleiding
Directe aanval 1 Inleiding In verschillende vorige artikels werd gesproken over de directe aanval. Kort samengevat kunnen we het volgende stellen: bij de directe aanval wordt water aangebracht op de brandstof.
Aflegsysteem brandbestrijding
Aflegsysteem brandbestrijding De door de ploeg te verrichten handelingen die tot doel hebben de juiste blusmiddelen volgens de juiste tactiek en techniek op de brandhaard aan te brengen 1976 Doelstellingen
BRAND CAFE ZONDER NAAM
BRANDWEER KNOKKE-HEIST BRAND CAFE ZONDER NAAM CASE Sgt. Voet Sean 14-2-2013 Situeringsplan: Het handelspand is gelegen in de Noordhinderstraat 16 te Zeebrugge niet ver van de gewezen vismijn. Case brand
3T firefighting. 1 Wat is 3T firefighting?
3T firefighting Brandweerlui die actief proberen om op de hoogte te blijven van evoluties in brandbestrijding zullen hun wenkbrauwen optrekken bij het lezen van de titel. 3T firefighting? Moet dat niet
Van robots naar denkende brandweermensen
Van robots naar denkende brandweermensen 1 Opleiding brandweerman begin de jaren 2000 In het begin van de jaren 2000 was de opleiding brandweerman nog beperkt tot 90 uur. Een deel van het lessenpakket
De stijgleiding Een link tussen brandpreventie en brandbestrijding
De stijgleiding Een link tussen brandpreventie en brandbestrijding 1 Inleiding Op 29 juli 2003 om 20u44 wordt de brandweer van London opgeroepen voor een brandalarm in een hoog gebouw. In het verslag van
Hanteren van een slang
Hanteren van een slang In de reguliere brandweeropleiding wordt relatief weinig aandacht besteed aan het hanteren van een slang. Dit is voor een deel historisch gegroeid. Op het moment dat de vorige cursus
Rook-en wamte afvoer in de praktijk L Evacuation des fumées et de la chaleur en pratique
Rook-en wamte afvoer in de praktijk L Evacuation des fumées et de la chaleur en pratique 20 10 2011 1 Vanbever Bart 2 RWA in parkeergarages Bart Vanbever [email protected] Antwerpen, 22 februari Wetgeving
Tactische Ventilatie. Dit is de verwijdering van de rook en onverbrande gassen bij branden in gesloten ruimtes,
Een ventilatie moet doelgericht ingezet worden. Ventilatie is een inzettechniek! Buitenaanval Zinloos Nog niet ontdekte Branduitbreiding Warmte - ophoping Flashover - Gevaar! Overdrukventialtie Zéér gevaarlijk!
Wespstraat , 9000 Gent
Brandweerzone Centrum Post Gent Roggestraat 70 9000 Gent Tel. 09 268 88 80 Fax. 09 268 88 43 [email protected] www.brandweerzonecentrum.be Wespstraat 35-37 - 39-41 - 43, 9000 Gent
Brandveiligheid in parkeergarages
Inhoud Reglementering Normen Technische invulling Ontwerpmethodiek Voorbeeldproject - Ontwerp Inhoud Reglementering Normen Technische invulling Ontwerpmethodiek Voorbeeldproject - Ontwerp Voorbeelden van
Branden in parkeergarages Problematiek
18 oktober 2008 Preventiemaatregelen in ondergrondse parkeergarages Nu en in de toekomst Branden in parkeergarages Problematiek Brandende auto produceert veel warmte en rook - Stijgend gebruik van kunststoffen
Beschouwingen over hogedruk
Beschouwingen over hogedruk 1 Inleiding Toen ik 15 jaar geleden bij de brandweer begon, maakte ik kennis met 2 blussystemen: lage en hogedruk. De hogedruk wordt typisch gemonteerd op een haspel. In België
Invoeren van overdrukventilatie: Drie verschillende benaderingen
Invoeren van overdrukventilatie: Drie verschillende benaderingen Ventilatie is een vlag die vele ladingen dekt. Bij het invoeren van mechanische ventilatie in de VS botste men op heel wat weerstand. Het
BRAND IN ONDERGRONDSE PARKEERGARAGES
BRAND IN ONDERGRONDSE PARKEERGARAGES Nele Tilley Department of Flow, Heat and Combustion Mechanics www.floheacom.ugent.be Ghent University UGent pag. 1 onderzoek aan de universiteit: ver van mijn bed?
Transitional attack. 1 Rue Général Leman
Transitional attack 1 Rue Général Leman Op 7 december 2010 wordt de brandweer van Moeskroen opgeroepen voor een woningbrand. Bij de initiële oproep word melding gemaakt van een petroleumkachel die ontploft
Ondergeventileerde branden: Theorie en praktijk
Ondergeventileerde branden: Theorie en praktijk De workshopleider ing. Lieuwe de Witte: [email protected] Brandweeracademie IFV: Onderzoeker/docent Adviseur Brandpreventie/FSE Programma workshop Introductie
Kennis over binnenbrand(bestrijding) evolueert
Kennis over binnenbrand(bestrijding) evolueert De meesten onder ons volgden jaren geleden de cursus brandweerman. Bij sommigen is dit tientallen jaren geleden. De maatschappij is sterk veranderd sedert
De smoke stopper. 1 Nieuwe branden, nieuwe problemen, nieuwe oplossingen
De smoke stopper 1 Nieuwe branden, nieuwe problemen, nieuwe oplossingen Het feit dat brand verandert is stilaan overal aanvaard in de brandweer. Andere manieren van bouwen leiden tot branden die een tekort
GO-RSTV of de kunst van het brandlezen
GO-RSTV of de kunst van het brandlezen 1 Inleiding Brandweermensen bestrijden al meer dan 200 jaar branden. In deze lange tijd hebben mensen geprobeerd om de werkwijze te verbeteren die gebruikt wordt
Gelijkwaardigheids oplossingen. Parkeergarage oppervlakte groter dan m2. Verschillende gelijkwaardige oplossingen:
Gelijkwaardigheids oplossingen Parkeergarage oppervlakte groter dan 1.000 m2 Verschillende gelijkwaardige oplossingen: Ventilatie: Conform praktijkrichtlijn van het LNB Conform NEN 6098 Sprinkler Compartimentering
GO-RSTV OF DE KUNST VAN HET BRANDLEZEN
GO-RSTV OF DE KUNST VAN HET BRANDLEZEN 1 INLEIDING Brandweermensen bestrijden al meer dan 200 jaar branden. In deze lange tijd hebben mensen geprobeerd om de werkwijze te verbeteren die gebruikt wordt
Waarom blust water? 1 Inleiding
Waarom blust water? 1 Inleiding De brandweer werkt sinds oudsher met water om branden te blussen. Een aantal eeuwen geleden gebeurde dit door burgers die een ketting vormden om emmers met water door te
Rookbeheersing. Rookbeheersingsystemen regelgeving en randvoorwaarden. Ronald Driessens. rookbeheersingsdeskundige
Rookbeheersing Rookbeheersingsystemen regelgeving en randvoorwaarden Ronald Driessens rookbeheersingsdeskundige Inhoud presentatie Rookbeheersing: Wat is rookbeheersing? Wanneer wordt het toegepast? Waaruit
Kan de brandweer een gevelbrand bestrijden
Kan de brandweer een gevelbrand bestrijden L O A D I N G [ C L I C K T O S TA R T ] Mark van Houwelingen Specialist brandpreventie Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond Peter, Brandweerman van beroep Brandweer
Onderzoek naar opstellingen met overdrukventilatoren
Onderzoek naar opstellingen met overdrukventilatoren 1 Doelstelling thesis In het kader van de opleiding Postgraduate Studies in Fire Safety Engineering aan Universiteit Gent heeft Karel Lambert van de
Brand Bisschoppenhoflaan. Zaterdag 21/10/2017
Brand Bisschoppenhoflaan Zaterdag 21/10/2017 1 Waarom deze ppt? Ervaringen delen Leren uit deze interventie Duidelijk beeld krijgen Zelf meedenken over inzet en tactiek Waarom niet? Iemand op zijn vingers
Wind Driven Fires. Failing to maintain tradition is failing to learn from the past, Failing to break with tradition is failing to learn from today
Wind Driven Fires De brandweer is van oudsher een erg conservatieve organisatie. Wij hebben erg de neiging om de zaken te doen zoals we ze altijd gedaan hebben. Die ervaringsgerichte aanpak vormt de ruggengraat
78 e Congres B.V.W.V.
78 e Congres B.V.W.V. 2 onderwerpen Aflegsysteem LD systeem bundels 1 West-Vlaanderen: stand van zaken 2004: oefenhuisje: Aanval + Back-up 2010: CFBT: Straalpijptechnieken 3D Pulsing-Pencilling Painting
Bijscholing SAH voor onderofficieren. DEEL 5 TACTISCHE VENTILATIE Een sleutelpositie in binnenbrandbestrijding! http://www.ruralridgevfd.
Bijscholing SAH voor onderofficieren DEEL 5 TACTISCHE VENTILATIE Een sleutelpositie in binnenbrandbestrijding! http://www.ruralridgevfd.org Leerdoelstellingen Weten / kennen Tactische ventilatie en gerelateerde
Fire Gas Ignition. Als het mengsel zich binnen de explosiegrenzen bevindt, ontbreekt enkel nog een energiebron om het mengsel te ontsteken.
Fire Gas Ignition In de Belgische brandweer zijn flashover en backdraft twee fenomenen die vrij goed gekend zijn. In het vierde artikel in deze reeks werd het fenomeen backdraft uitvoerig besproken. In
Blussen met bundels en cassettes
Blussen met bundels en cassettes Karel Lambert BW Brussel dienst instructie 2014 dienst instructie 1/24 Bundels Inhoudsopgave 1 Welke componenten... 3 1.1 De onderdelen van het bundelsysteem... 3 1.1.1
Beschouwingen over de deurprocedure
Beschouwingen over de deurprocedure In de nieuwe cursus brandweerman wordt sedert 2010 een nieuwe deurprocedure aangeleerd. De procedure verschilt drastisch van de procedure die tot dan toe aangeleerd
Voorzitter Valideringscommissie: Lt-Kol ir VANDEVOORDE. Leden van de werkgroep procedure
Piloot van de procedure: Jean-Claude VANTORRE Voorzitter Valideringscommissie: Lt-Kol ir VANDEVOORDE Directeur KCCE : Johan SCHOUPS Date :... Date :... Date :... Visa :... Visa :... Visa :... Leden van
DEURPROCEDURE en VORDERTECHNIEKEN
o Visuele inspectie van de deur DEURPROCEDURE en VORDERTECHNIEKEN De lansdrager bekijkt de rand van de deur in tegenwijzerzin. Hij zoekt naar mogelijke ontsnappende rook. Een gele gloed onderaan de deur
Brandbestrijding in parkeergarages
Brandbestrijding in parkeergarages Brandweer Knokke-Heist Jean-Claude Vantorre preventie Zeer belangrijke hoeksteen van onze brandweerorganisatie Enkele belangrijke doelstellingen Redden van mensenlevens
Inleiding tot ventilatietechnieken
Inleiding tot ventilatietechnieken Ventilatie wordt gedefinieerd als het systematisch verwijderen van rook, hitte en gassen en het vervangen ervan door verse lucht. Hiermee wordt een belangrijk doel van
Brandbestrijding: Bevelvoering & Tactiek
Brandbestrijding: Bevelvoering & Tactiek Stel je voor dat je op een mooie zomerdag op het einde van augustus met je kinderen op wandel bent in de velden. Eén van de kinderen heeft het lumineus idee om
Snel & betrouwbaar aflegsysteem
Snel & betrouwbaar aflegsysteem Compact Veilig Ergonomisch Het systeem Quicklay Fire Attack Snel en betrouwbaar - Geen knikken en knopen Wat houdt het systeem in? Het QLFA systeem is ontwikkelt om slangen
Brandweerdoctrine. De theorie achter het brandweervak. Kwadrantenmodel: van standaard model naar keuze model
Brandweerdoctrine De theorie achter het brandweervak Kwadrantenmodel: van standaard model naar keuze model Aanleiding Brand in De Punt: vermijdbaar maar niet verwijtbaar Leerarena s Moerdijk, Kijfhoek,
DIENSTNOTA 2006/13. Herentals, 17 juli BETREFT : standaard operatie procedures brandweer Herentals
BRANDWEER HERENTALS GEWESTCENTRUM Z Herentals, 17 juli 2006 DIENSTNOTA 2006/13 BETREFT : standaard operatie procedures brandweer Herentals Een werkgroep samengesteld uit de officieren en de bevelvoerders
Slangenmanagement. 1 Inleiding
Slangenmanagement 1 Inleiding Branden blussen gebeurt meestal langs binnen. Als we de ontwikkeling van de vuurhaard willen stoppen moeten we de basis, de vuurhaard zelf, bereiken. Door evoluties op het
Gascooling: a new approach
Gascooling: a new approach In augustus 2012 was ik een week in Zweden voor de Fire Behaviour Course van MSB te Revinge. Tijdens deze cursus kwamen heel wat onderwerpen aan bod die met binnenbrandbestrijding
OVERDRUK INSTALLATIES NOVENCO CLEAR CHOICE SYSTEM. Building & Industry
NOVENCO CLEAR CHOICE SYSTEM Building & Industry WERKING VAN HET SYSTEEM VOOR GEBOUWEN Overdrukinstallaties worden ontworpen om vluchtroutes en brandweerschachten te beschermen. Dit wordt bereikt door het
Een Belgische kijk op de binnenaanval
Interventie Opleiding Een Belgische kijk op de binnenaanval Martin Calle Historiek van de binnenaanval De binnenaanval als tactiek is ontstaan tijdens de vorige eeuw. Door de uitvinding van persluchttoestellen
BIJLAGE 3 AANBEVOLEN TECHNISCHE NORMEN
BIJLAGE 3 AANBEVOLEN TECHNISCHE NORMEN In het kader van de uitvoering van de overeenkomst en het bereiken van de doelstellingen moeten de OPZ hun noden inzake personeel en materieel bepalen en een nulmeting
Brandweer Vereniging Vlaanderen
Brandweer Vereniging Vlaanderen Bilzen 2009 Dag van de Brandweer Blussen Het kan ook anders... 1 BLUSSEN... HET KAN OOK ANDERS! BVV - BILZEN - DAG VAN DE BRANDWEER - 2009 YOUTUBE - BRAND! BENT U ER KLAAR
Bouwbesluit 2012, woongebouw, overige gebruiksfunctie, nieuwbouw, portiekontsluiting, parkeren Datum: 19 mei 2017 Status:
Trefwoorden: Bouwbesluit 2012, woongebouw, overige gebruiksfunctie, nieuwbouw, portiekontsluiting, parkeren Datum: 19 mei 2017 Status: Definitief Beschrijving Een nieuw te bouwen woongebouw bestaat uit
Ventilatieopeningen & Brand
Ventilatieopeningen & Brand Er bestaat heel wat verwarring binnen de brandweer over het maken/gebruiken van openingen om te ventileren bij brandbestrijding. In België wordt er in het algemeen pas overdrukventilatie
24 & 30 november Koninklijk besluit van 12 juli 2012 Wat verandert er? Bijlage 5/1
24 & 30 november 2012 Koninklijk besluit van 12 juli 2012 Wat verandert er? Bijlage 5/1 Inleiding Probleem Hoe klassen vertalen bij gebrek aan correlatie? Hoe rekening houden met rook (s) en brandende
Test team Baancoördinator
Zeer Test team Baancoördinator - Berichtenverkeer Werd de nodige informa e gevraagd over de brand Aankomst gemeld Ja Nee Aankomst juiste jds p gemeld Ja Nee Kwalifica e gemeld Ja Nee Kwalifica e juiste
Evacuatierichtlijnen
Schooljaar 2017 2018 Evacuatierichtlijnen Evacuatierichtlijnen 2017 2018 v20170825 Toelichting Onze school doet inspanningen om het risico op een noodtoestand te minimaliseren. Risico s kunnen echter nooit
Veiligheidsventilatiesystemen (rookbeheersing)
Veiligheidsventilatiesystemen (rookbeheersing) door Daniek de Jager EVEN VOORSTELLEN Daniek de Jager Exiss BV Senior Consultant Integrale veiligheid Rookbeheersingsdeskundige CFD onderzoek Opname en inspectie
Beschrijving ADVIES. Plattegrond atriumontsluiting woningen, variant A. Plattegrond atriumontsluiting woningen, variant B
ADVIES Registratienummer: Betreft: Twee vluchtroutes in een atrium Trefwoorden: Bouwbesluit 2012, woongebouw, nieuwbouw, vluchtroute, atrium : Status: Definitief Beschrijving De appartementen in een nieuw
Situational Awareness
Situational Awareness 1 Inleiding Alles en iedereen heeft zijn beperkingen. We weten dat de uitrusting van een brandweermens ongeveer 25 kg weegt. We weten ook dat brandweermensen in staat zijn om een
Beschrijving Burntype AT-01
Beschrijving Burntype AT-01 (enkel te gebruiken door gebrevetteerde instructeurs) 1 Leerdoelen Tijdens deze oefening zijn er een aantal belangrijke leerdoelen. Het eerste hoofdleerdoel is het bestuderen
Brandpreventie in het bedrijfsleven
Brandpreventie in het bedrijfsleven 1 artikel 52 van het ARAB Art.52.1.1 Onverminderd de andere wettelijke of reglementaire bepalingen ter zake, en onverminderd de bijzondere voorwaarden die bij de vergunningsbesluiten
Atria en brandveiligheid
AKOESTIEK EN BOUWFYSICA LAWAAIBEHEERSING MILIEUTECHNOLOGIE BRANDVEILIGHEID Atria en brandveiligheid ir J.J. Mertens Zoetermeer Mook Düsseldorf Parijs Londen www.peutz.nl Aan de orde komen wat zijn kenmerken
Welke elementen ondernemen om oudere appartementsgebouwen veiliger maken
Welke elementen ondernemen om oudere appartementsgebouwen veiliger maken Randvoorwaarden Wetgeving brandveiligheid van toepassing op het gebouw? Een wetgeving helpt ons een bepaald brandveiligheidsniveau
Deurprocedure. Voor binnentreden pand: schuimmengsel controleren. Controleer de deur, alleen bij een warme deur deurprocedure toepassen.
Deurprocedure Voor binnentreden pand: schuimmengsel controleren. Controleer de deur, alleen bij een warme deur deurprocedure toepassen. De positionering : nr. 2 moet gedekt wordt door de deur (bij toe
4-2-2015. Tactiek en techniek Het aflegsysteem. Tactiek en techniek Het aflegsysteem. Tactiek en techniek Het aflegsysteem.
p.162 Lt. Geert DERLYN Aflegsysteem: - werken in teamverband - bevelvoerder bepaald tactiek - beslissing op basis van verkenning Aflegsystemen: bij brand technische hulpverlening I.G.S. 1 Eenheidscommando
Veiligheidsventilatiesystemen (rookbeheersing) door Daniek de Jager
Veiligheidsventilatiesystemen (rookbeheersing) door Daniek de Jager 1 Daniek de Jager EVEN VOORSTELLEN Exiss BV Senior Consultant Integrale veiligheid Rookbeheersingsdeskundige CFD onderzoek Opname en
Q l = 23ste Vlaamse Fysica Olympiade. R s. ρ water = 1, kg/m 3 ( ϑ = 4 C ) Eerste ronde - 23ste Vlaamse Fysica Olympiade 1
Eerste ronde - 3ste Vlaamse Fysica Olympiade 3ste Vlaamse Fysica Olympiade Eerste ronde. De eerste ronde van deze Vlaamse Fysica Olympiade bestaat uit 5 vragen met vier mogelijke antwoorden. Er is telkens
EVACUATIE BIJ BRANDALARM. Evacuatieplan bij Brandalarm
EVACUATIE BIJ BRANDALARM Evacuatieplan bij Brandalarm TELEFOONNUMMERS BRANDWEER : 112 of 100 of 059 / 70 10 10 1 Verwittigen brandweer De leerkracht die de brand ontdekt: 1) vertrouwt zijn leerlingen toe
Bandlussen. De rookstroom doorheen de deuropening blijft onveranderd. Het lijkt alsof er geen enkele blusactie bezig is. Ik begin me zorgen te maken.
Bandlussen 1 Inleiding De bel gaat. De dispatcher meldt dat er een uitruk is voor brand. Kort erna rijden we met 12 mensen in vier voertuigen (commandowagen, ladderwagen, autopomp en ziekenwagen) richting
Vuistregels voor energie-efficiënte robotprogrammatie
Vuistregels voor energie-efficiënte robotprogrammatie Inleiding Energie-efficiëntie is zelden de primaire zorg bij het programmeren van een robot. Hoewel er in onderzoek reeds methodes werden ontwikkeld
The Non-negotiables. 1 Inleiding
The Non-negotiables 1 Inleiding In januari 2017 ging voor de 10 de keer de International Fire Instructor s Workshop door. Ditmaal kwam de groep samen in Hong Kong om nieuwe ideeën uit te wisselen. Eén
Even voorstellen. Marcel Veenboer
Even voorstellen Marcel Veenboer Even voorstellen Werkterrein planontwikkeling bij bouw en verbouw gelijkwaardigheidsvraagstukken brandoverslag ondersteuning bij brandveilig gebruik De werking van gelijkwaardigheid
Brandveiligheid van grote natuurlijk geventileerde parkeergarages
Brandveiligheid van grote natuurlijk geventileerde parkeergarages ir. B. Kersten, LBP Raadgevend ingenieursbureau te Nieuwegein Opgericht in 1970 Momenteel ca. 60 medewerkers 1 Inhoud Wat is een natuurlijk
Straalpijptechnieken Technieken en toepassingen op niveau onderofficier
Straalpijptechnieken Technieken en toepassingen op niveau onderofficier Karel Lambert 2009 1 ste druk, september 2009 Karel Lambert, ing. Onderluitenant, Brandweer Brussel Lesgever Opleidingcentrum voor
Fireforum Congress 20/11/2018. Maj. Dieter Brants (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent) Robby De Roeck (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent)
Maj. Dieter Brants (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent) Robby De Roeck (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent) 1 Parkeergebouwen Toekomstige wijziging van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling
De repressieve consequentie van een preventieve oplossing
De repressieve consequentie van een preventieve oplossing Casus Maxum Megastore Brielle 16-5-2014 Ing. R. van den Dikkenberg MCDM 1 Inhoud presentatie Waarom onderzoek en onderzoeksvraag Kenmerken pand
PDF-versie. Programma. Programma 2012. Doelstelling brandonderzoek (brandweer)
Themabijeenkomst brandonderzoek 14 november 2012 PDF-versie In deze versie van de presentatie die op 14 november 2012 is gegeven ontbreken een aantal foto s. Dit omdat er afspraken zijn gemaakt omtrent
ATRIA EN HET BOUWBESLUIT
ATRIA EN HET BOUWBESLUIT Veiligheidsregio Haaglanden 11-09-2006 Inleiding Onder een atrium wordt verstaan een wel of niet besloten ruimte welke zich over een aantal verdiepingen uitstrekt. Deze vorm van
DH 1. FPS, Edward Huizer (08 10 09) Symposium Risicobewustzijn bij gebouwbranden 01 53. Onderwerpen:
DH FPS, ward Huizer (08 0 09) 0 53 HS 0 INLEIDING Opbouw presentatie Programmaoverzicht Inleiding (uitleg FPS IVS) 6 Onderwerpen: Strategie: offensief of defensief IVS scenarioanalyse brandverloop eamresultaten
Piercing Nozzles Karel Lambert 2014
Piercing Nozzles Karel Lambert 2014 Inhoud 1 Inleiding... 3 2 Soorten branden... 3 2.1 De geventileerde brand... 3 2.2 De ondergeventileerde brand... 4 2.3 Construction fires... 5 3 Soorten piercing nozzles...
Wat is stroming? 1 Inleiding
Wat is stroming? 1 Inleiding Het RSTV model werd begin de jaren 2000 bedacht door de Australiër Shan Raffel. Na vele discussies met collega s en onder invloed van de Amerikaan Ed Hartin werd er een aantal
1. Inplanting en toegangswegen
Herinnering aan de grote preventieprincipes: 1. Bewaren van het draagvermogen van het bouwwerk 2. Beperking van het ontstaan en de ontwikkeling van vuur en rook binnen het bouwwerk 3. Beperking van de
Risico s voor hulpverleners; de repressieve inzet
Presentatie voor Brandsymposium, 27 en 28 mei 2010 Risico s voor hulpverleners; de repressieve inzet René Hagen / Louis Witloks Lectoraat Brandpreventie 1 Rode draad presentatie Risicobenadering repressief
Nieuwbouw ondergrondse Parkeergarage RAVEL te Amsterdam
Nieuwbouw ondergrondse Parkeergarage RAVEL te Amsterdam Nadere onderbouwing met betrekking tot het uitbrandscenario Definitief Opdrachtgever: Castor Parking B.V. Contactpersoon: de heer J. (Jurriaan) Snijder
Ter informatie, aan de Dames en Heren Burgemeesters - aan Mevrouw en de Heren Dienstchefs van de brandweerdiensten
FEDERALE OVERHEIDSDIENST BINNENLANDSE ZAKEN ALGEMENE DIRECTIE CIVIELE VEILIGHEID FEDERAAL KENNISCENTRUM VOOR DE CIVIELE VEILIGHEID MINISTERIËLE OMZENDBRIEF VAN 11 DECEMBER 2009 BETREFFENDE DE INTERVENTIEVERSLAGEN
FAQ. Veelgestelde Vragen
FAQ Veelgestelde Vragen Main FAQ Werkt Point met huisdieren in de buurt? Point kan geen onderscheid maken tussen een groot huisdier en een persoon, maar er is een oplossing om het in een huis met dieren
Maj. Dieter Brants (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent) Robby De Roeck (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent)
Maj. Dieter Brants (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent) Robby De Roeck (MSc, PgD Fire Safety Engineer UGent) Parkeergebouwen: De toekomstige aanpassing van KB Basisnormen Brand Toekomstige wijziging van
Lesplan: Accreditatieproef perslucht Naam: Directie Opleiding Datum: 1/05/2015
1. Doelgroep, type opleiding en ideale grootte van de groep Manschappen, bevelvoerders en officieren die operationeel inzetbaar zijn met ademluchtbescherming. Theoretische - en praktische oefening. Het
Bijlage 11. Voertuigspecificaties
Bijlage 11 Voertuigspecificaties Inhoud Inleiding... 3 Benaming voertuigen... 3 Zeeuwse TS... 4 Slagkracht bij brand... 5 Inzetdiepte... 5 Tankinhoud... 5 Waterwinning... 6 Slagkracht bij HV... 6 Slagkracht
Sociale en culturele factoren in evacuatie simulaties. Dr. Natalie van der Wal
Sociale en culturele factoren in evacuatie simulaties Dr. Natalie van der Wal Uit de praktijk blijkt dat weinig mensen direct overgaan tot actie als het brandalarm afgaat. Het zal wel een oefening zijn,
Evacuatierichtlijnen
Schooljaar 2018 2019 Evacuatierichtlijnen Evacuatierichtlijnen 2018 2019 v20180828 Toelichting Onze school doet inspanningen om het risico op een noodtoestand te minimaliseren. Risico s kunnen echter nooit
TACTISCHE EN TECHNISCHE ACHTERGROND: VENTILEREN BIJ BRAND
TACTISCHE EN TECHNISCHE ACHTERGROND: VENTILEREN BIJ BRAND De meest recente ventilatie studies zijn gedaan in de U.S. Onderzoeksbureau UL heeft in 2013 een groot onderzoek gedaan. Wil je meer hierover weten
TESTRESULTATEN 05/11/2016 : Fomtec FFFP-ARC 3X3 (Film Forming Fluoroprotein Foam Concentrate) met tankwagen 45 ( lichte pomp)
TESTRESULTATEN 05/11/2016 : Fomtec FFFP-ARC 3X3 (Film Forming Fluoroprotein Foam Concentrate) met tankwagen 45 ( lichte pomp) In eerste instantie werden debieten getest met debietmeter om de factoren vast
Onderwerpen. Parkeerventilatie. Overdrukventilatie. Certificering. Regelgeving Stuwkrachtventilatie CFD berekeningen. Regelgeving Overdruksystemen
Onderwerpen Parkeerventilatie Regelgeving Stuwkrachtventilatie CFD berekeningen Overdrukventilatie Regelgeving Overdruksystemen Certificering Regelgeving Bouwbesluit NEN 2443:2000 Brandveiligheideisen
# Overwegingen Aantekeningen 1 Alarm
# Overwegingen Aantekeningen 1 Alarm Rust, ruimte & overzicht 2 Uitrukken 1 Controle MS 2 Bericht 3 Bovenwinds aanrijden 4 Veilig aanrijden 5 Berichtgeving 6 Commando s 3 OGS melding 1 GEVI-nummer 2 Stofnaam
Opstellingen met overdrukventilatoren
Opstellingen met overdrukventilatoren In het kader van de opleiding Postgraduate Studies in Fire Safety Engineering heeft Karel Lambert 1 een thesis geschreven over gebruik van overdrukventilatoren bij
BHV 10 TIPS VOOR DE BHV ER ALS DE BRANDWEER KOMT DE BEWONERS- HULPVERLENER. 1. Zorg voor herkenbaarheid van de BHV ers.
10 TIPS VOOR DE ER ALS DE BRANDWEER KOMT DE BEWONERS- HULPVERLENER Helpt de minderzelfredzame medebewoner vluchten. Is aanspreekpunt voor externe hulpdiensten. //////////////////////////////////////////
