Basisopleiding Bedrijfshulpverlener
|
|
|
- Franciscus de Backer
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Basisopleiding Bedrijfshulpverlener
2 Inhoudsopgave 1. De bedrijfshulpverlener Waarom bedrijfshulpverlening? Taken van de BHV De BHV-organisatie Algemene hulpverleningsregels Ondersteuning professionals Nazorg na een inzet De vitale functies Het levensbelang van circulatie De eerste hulp benadering Benaderen van het slachtoffer Slachtoffer van buik naar rug draaien Ademhaling controleren Alarmeren van Reanimeren Stabiele zijligging De Automatische Externe Defibrillator (AED) Eerste hulp overige letsels/ziektebeelden Verslikking/Verstikking Shock Huidwonden Lichte verwondingen Ernstige verwondingen Brandwonden Wervelletsel Botbreuken en ontwrichtingen Oogletsels Communicatie Het melden van een incident Een interne melding doen Alarmering na ontvangst van de melding Alarmerings- en communicatiemiddelen Opvang van professionele hulpverleningsdiensten Beperken/bestrijden van branden Brand en de branddriehoek
3 5.2. Wel of niet blussen Procedure openen van deuren bij vermoeden van brand Soorten branden Blussen Draagbare blustoestellen Ontruiming Ontruimingsprocedure Rol van de BHV-er bij een ontruiming Vluchtwegen Voorzieningen Gedrag tijdens ontruiming en ontruimingsoefening
4 1. De bedrijfshulpverlener De BHV er is een reguliere werknemer die door werkgever is aangewezen. Deze medewerker is specifiek opgeleid om een aantal extra taken uit te voeren bij calamiteiten. De BHV er dient te voorkomen dat er belangrijke minuten verloren gaan vooraleer de professionele hulpverleners ter plaatse zijn en er actie ondernomen kan worden. Hier komt de belangrijkste taak van de BHV-er tot uitdrukking, namelijk het overbruggen van de tijd tot de professionele hulpverleners ter plaatse zijn! 1.1. Waarom bedrijfshulpverlening? Uit de wetgeving waaronder de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) blijkt dat werkgevers moeten zorgen voor veilige en gezonde arbeidsomstandigheden voor hun werknemers en derden: de zogeheten zorgplicht. Zij zijn onder andere verplicht te regelen dat er als er wordt gewerkt, altijd bedrijfshulpverlening (BHV) aanwezig is. Werkgevers moeten zorgen dat de BHV-ers beschikken over een zodanige opleiding en uitrusting dat zij de BHV- taken naar behoren kunnen vervullen. Werkgevers dienen de BHV zo te organiseren dat de BHV- taken, na het plaatsvinden van een ongeval of brand, op adequate wijze kunnen worden vervuld. Het aantal BHV-ers dient zodanig te zijn dat de vervulling van de BHV- taken onder alle omstandigheden gewaarborgd is. In kleinere bedrijven kan de werkgever zelf de BHV- taken uitvoeren. De werkgever heeft de mogelijkheid om werknemers aan te wijzen om de BHV- taken uit te voeren. In de Arbowet is ook vastgelegd dat iedere werkgever een Risico Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) van zijn bedrijf dient te maken. Een RI&E is een inventarisatie van gevaren en een inschatting van de kans dat die gevaren zullen optreden. Naar aanleiding van de RI&E zullen zogenaamde rest risico s zichtbaar worden. Rest risico s zijn risico s die niet kunnen worden voorkomen door het treffen van preventieve maatregelen. De mogelijke gevolgen van deze risico s moeten via de bedrijfshulpverlening zo klein mogelijk worden gehouden. Voorbeelden van dit soort risico s die in elk bedrijf kunnen optreden, zijn brand, acute ziekten en aandoeningen, vallen en struikelen, aanrijdingen of een beknelling. Daarnaast kunnen er in een bedrijf specifieke risico s gelden, bijvoorbeeld de kans op het vrijkomen van gevaarlijke stoffen. Bedrijfsnoodplan De wijze waarop de BHV is georganiseerd en de maatregelen die in dat verband zijn getroffen, moeten schriftelijk zijn vastgelegd, bij voorkeur in een BHV- plan. Het spreekt voor zich dat regelmatig moet worden gecontroleerd of het plan nog klopt. Zo niet, dan moet het worden aangepast. Dit BHV-plan is een zogenaamd dynamisch plan, daar het nooit af is en altijd met de veranderingen in het bedrijf meegaat. Ondanks alle voorzorgen kan het gebeuren dat er zich omstandigheden voordoen (brand, rook, hitte, ontploffing en dreiging van buiten) die een efficiënte ontruiming van een gebouw noodzakelijk maken. Daarvoor dient er een ontruimingsplan te zijn. In een ontruimingsplan is vastgelegd hoe het gebouw ontruimd dient te worden. 3
5 1.2. Taken van de BHV Bedrijfshulpverlening maakt deel uit van het werk. De BHV-er verleent hulp aan alle personen in het bedrijf en niet alleen aan werknemers. De BHV-ers dienen bijstand te verlenen op het gebied van: - Het verlenen van eerste hulp bij ongevallen; - Het beperken en bestrijden van brand en het beperken van de gevolgen van ongevallen; - Het in noodsituaties alarmeren en evacueren van alle werknemers en andere personen in het bedrijf of de inrichting. Voorpostfunctie De BHV-ers vervullen een voorpostfunctie voor de professionele hulpverleningsorganisaties. Dat wil zeggen: zij proberen de gevolgen van een incident te beperken en de tijd te overbruggen totdat de professionele hulpverleners zijn gearriveerd. Gidsfunctie De BHV-er heeft daarnaast een voorpostfunctie ook een belangrijke taak als gids. De BHV-er moet politie, ambulancepersoneel, brandweer of andere hulpverleners de weg wijzen en informatie geven. Dat betekent dat hij/zij bij de ingang van het bedrijf de professionele hulpverleners opwacht, begeleidt hen naar de plaats van het incident (zo dichtbij en veilig mogelijk), of wijst deze op een plattegrond aan. Daarbij vertelt hij/zij duidelijk waar en wat er aan de hand is en welke maatregelen er al genomen zijn en genomen worden. De gidsfunctie is een belangrijke taak: voor de professionele hulpverleners is het immers van belang dat zij snel de juiste informatie krijgen De BHV-organisatie In grotere bedrijven kan er behoefte bestaan binnen de BHV meerdere functies te onderscheiden. Naast BHV-ers kunnen er één of meer ploegleider(s) en zo nodig een Coördinator/ Hoofd BHV worden aangesteld. De BHV-er heeft alleen uitvoerende taken en werkt bij voorkeur samen in een duo met een andere BHV-er. Ploegleider Bij een inzet met meerdere BHV-ers is coördinatie nodig. De werkgever of de leidinggevende kan de coördinatie van de inzet op zich nemen. De werkgever kan de coördinatie echter ook opdragen aan een ploegleider BHV. Een ploegleider heeft een aanvullende opleiding genoten waarin geleerd is hoe leiding te geven aan een inzet. Als het om een klein voorval gaat, dan kan de BHV-er het wel alleen af. De ploegleider voert dan alleen een controle uit. Als het incident wat complexer is en er meerdere BHV-ers nodig zijn voor de directe hulpverlening, dan verdeelt de ploegleider de taken en coördineert hij de inzet. 4
6 Coördinator/Hoofd BHV Meestal delegeert de werkgever werkzaamheden die verbonden zijn met de voorbereiding op de BHV- taak. Hij laat deze taak dan over aan een Coördinator respectievelijk Hoofd bedrijfshulpverlening (C/HBHV). De C/HBHV neemt daarmee niet de verantwoordelijkheid over van de werkgever. Dat kan wettelijk niet. Hij voert alleen die werkzaamheden uit die nodig zijn als voorbereiding op een goede uitoefening van de BHVtaak. De C/HBHV, die niet altijd op het bedrijfsterrein aanwezig hoeft te zijn, bemoeit zich alleen met de voorbereiding op de BHV- taak en niet met de uitvoering. Hij schept alleen de noodzakelijke voorwaarden. Als de organisatie te complex wordt voor de ploegleider, dan kan de werkgever de coördinatie van het optreden van de BHV-ers opdragen aan de C/HBHV. Er ontstaat dan een combinatiefunctie. Naast de voorbereiding op de BHV, houdt de C/HBHV zich dan ook bezig met het begeleiden van de inzet van de ploegleider met zijn ploeg en de externe hulpverleners. Naast bovenstaande meer algemene functies binnen de BHV kunnen er ook specialisaties worden onderscheiden zoals BHV-er adembescherming en BHV-er in de petrochemie. Er kunnen ook BHV- taken aan een functie worden toegevoegd. Een voorbeeld daarvan is een receptiemedewerker die de interne en externe alarmering regelt bij een incident. De organisatie van de BHV verschilt per bedrijf en hangt nauw samen met niet te voorkomen risico s die de BHV moet af dekken. Er zijn bedrijven waar ook beveiligingspersoneel aanwezig is. Het beveiligingspersoneel kan bij een incident eventueel een taak vervullen in het op afstand houden van publiek en het vrijhouden van de aanrijroute voor de externe hulpverleners. Soms wordt de BHV gekoppeld aan de eigen beveiligingsdienst en voert de eigen beveiligingsdienst ook BHVtaken uit. De werkgever kan de BHV ook gezamenlijk met andere organisaties in de omgeving realiseren Algemene hulpverleningsregels Een BHV-er moet bij een inzet in eerste instantie zorgen dat zijn eigen veiligheid is gegarandeerd. Niemand heeft er iets aan als degene die hulp moet verlenen zelf ook slachtoffer wordt. Bij een inzet zijn er een aantal regels die altijd gelden ongeacht het voorval. We noemen dit de algemene hulpverleningsregels: 1. Let op gevaar Neem eerst veiligheidsmaatregelen voor uzelf, daarna voor omstanders en voor slachtoffer(s)/ betrokkene(n). Geef een slachtoffer zo nodig beschutting. Bekijk of de situatie veilig is voor uzelf, omstanders en het slachtoffer. 2. Ga na wat er is gebeurd Maak een inschatting van de situatie. Wat is er met het slachtoffer aan de hand? Wat brandt er? Is een ontruiming noodzakelijk? Probeer via de antwoorden van het slachtoffer en eventuele omstanders een beeld te krijgen van het incident en het mogelijke letsel van het slachtoffer. Maak ook gebruik van uw eigen waarnemingen. Door te kijken, te luisteren, te voelen en te ruiken krijgt u meer informatie over het incident en het mogelijke letsel. 3. Roep om hulp, als u alleen bent, zodat iemand u kan assisteren Dit kan hulp van een andere BHV er of een collega/voorbijganger zijn. 5
7 4. Zorg voor deskundige hulp Alarmeer Zorg voor deskundige hulp: alarmeer via het interne alarmnummer de benodigde dienst of bel direct Blijf bij voorkeur zelf op de plaats van het incident (als dat veilig is) en laat iemand anders zo snel mogelijk deskundige hulp waarschuwen. 5. Verleen noodzakelijke hulp Stel slachtoffer en betrokkenen gerust, verleen eerste hulp op de plaats waar het slachtoffer ligt, blus de brand of start met ontruimen. Psychisch Het zien van een ongeval kan bij iedereen psychische en/of lichamelijke reacties oproepen. Deze reacties kunnen uiteenlopen van schrikken, zweten, gespannen zijn en inactiviteit tot overactiviteit (hinderlijk in de weg lopen, onrust stoken, schelden en tieren) en paniek. U hebt dan een bijzonder moeilijke taak. U moet rekening houden met uw eigen reacties én u moet ervoor zorgen dat de reacties van de omstanders niet storen bij de hulpverlening. Hiervoor zijn geen eenduidige richtlijnen te geven. Blijf rustig en concentreer u op de hulpverlening. Geef duidelijk aan dat u BHV-er bent en nu de leiding neemt. Verzoek iedereen om uw aanwijzingen op te volgen Ondersteuning professionals De BHV staat er niet alleen voor. Als het nodig is zullen professionele hulpverleningsdiensten het snel overnemen. De BHV-ers blijven op de achtergrond beschikbaar voor ondersteuning van de professionele diensten en het overdragen van belangrijke gegevens. Ook kan de door de BHV ingezette actie worden voortgezet, maar dan onder verantwoordelijkheid van de professionele hulpverleners. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een ontruiming. Het alarmeren en samenwerken met hulpverleningsdiensten is vervallen in de Arbowet van Het onderhouden van doeltreffende verbindingen met externe hulpverleningsdiensten is geen specifieke taak voor de BHV. De werkgever moet dit wel hebben geregeld, maar hoeft deze taak niet bij de BHV neer te leggen. Op grond van het Arbo-besluit 2007 moeten werkgevers in bedrijven waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, maatregelen treffen om de gevolgen van een ongewilde gebeurtenis te beperken. Het gaat dan om situaties waarmee bij de (RI&E) beoordeling geen rekening kon worden gehouden en waarvoor ook geen preventieve maatregelen konden worden getroffen. Als uit de RI&E blijkt dat er gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, moet de werkgever dus aanvullende maatregelen treffen en is er wel sprake van alarmeren en samenwerken met externe diensten. De BHV moet dan snel en effectief ter plaatse kunnen optreden en zo nodig direct professionele externe hulpverleningsdiensten inschakelen. 112 Als wordt gebeld, dan vraagt de centralist welke dienst u nodig heeft, in welke gemeente het incident heeft plaatsgevonden en op welke locatie. Zij kunnen ook aanvullende vragen stellen. 6
8 De centralist zal u daarna doorverbinden met: - De Meldkamer Ambulancezorg; - Naar de brandweer: onder andere in geval van brand, hulpverlening bij beknellingen, ongevallen op moeilijk bereikbare plaatsen en verkeersongevallen; - De politie. Let op: Wanneer er gebeld wordt met een mobiele telefoon dient men rekening te houden met meerdere gelijkluidende plaatsen in Nederland en de met de grensstreek België en Duitsland Bij NIET spoedeisende meldingen kan ook worden gemeld via het nummer. U wordt dan verbonden met een callcenter van de politie dat u vervolgens in eerste instantie doorschakelt naar de politie en de Alarmcentrale van de brandweer. Het callcenter kan eventueel doorschakelen naar de ambulancedienst. In sommige regio s is het mogelijk direct een ambulance te bellen. De centralist van de meldkamer zal een aantal vragen stellen: - WIE bent u (naam van de melder); - WAAR moet de hulp naar toe komen; - WAT is er gebeurd en wat is er aan de hand Nazorg na een inzet Soms blijkt, dagen of weken na het ongeval, dat u of uw collega s de herinnering aan het gebeurde niet kunnen verwerken. Het is dan goed daar veel met anderen over te praten. Wees na een schokkende gebeurtenis alert op afwijkend gedrag van medewerkers. Denk daarbij bijvoorbeeld aan opmerkelijk stil gedrag bij een collega die normaal niet zo stil is of een collega die concentratieproblemen heeft. Bedenk dat u als BHV-er wel een luisterend oor kan bieden, maar geen professional in traumabehandeling bent. Zoek op tijd professionele hulp. Het opnemen van vakantie of vrije dagen biedt niet vanzelfsprekend de oplossing. 7
9 2. De vitale functies Voor een slachtoffer met een circulatiestilstand (hartstilstand) is het belangrijk dat er zo snel mogelijk met de juiste behandeling wordt begonnen. Hierdoor stijgt de overlevingskans en vermindert de kans op hersenbeschadiging. Het slachtoffer heeft een grotere overlevingskans indien de hulpverleningsketen elkaar snel opvolgt, dus: snelle alarmering, snelle reanimatie, vroege Defibrillatie en snelle professionele hulp. Nationaal en internationaal onderzoek laat zien dat de kans om een circulatiestilstand te overleven afhankelijk is van de tijd die verstrijkt na het ontstaan van de circulatiestilstand tot het moment van defibrillatie. Gebeurt dit binnen drie minuten dan heeft de persoon een kans van vijftig tot zeventig procent om dit te overleven. Elke minuut meer doet de kans met vijf tot tien procent per minuut afnemen. Bij het verlenen van eerste hulp gaan we ervan uit dat elk slachtoffer dat op de grond ligt een circulatiestilstand heeft totdat het tegendeel is bewezen Het levensbelang van circulatie Om te kunnen begrijpen waarom het geven van borstcompressies zo belangrijk is, wordt in grote lijnen uitgelegd hoe de circulatie (bloedsomloop) werkt en waarom de circulatie van levensbelang is. Om te leven heeft het lichaam voortdurend zuurstof en voedingsstoffen nodig. De circulatie zorgt ervoor dat zuurstof en voedingsstoffen op de juiste plekken in het lichaam terechtkomen. De circulatie kan om verschillende redenen wegvallen: het hart houdt dan op met pompen. Hierdoor ontstaat er een zuurstoftekort, waardoor de organen worden beschadigd. Een zuurstoftekort van twee tot vier minuten kan leiden tot onherstelbare schade aan hersenen en hart. Het is dan ook van levensbelang de circulatie weer zo snel mogelijk op gang te krijgen. Door het geven van borstcompressies wordt de circulatie ten delen weer op gang gebracht. De borstcompressies brengen de bloedstroom weer in beweging en zorgen voor een opbouw van de bloeddruk. Op het moment dat wordt gestopt met het geven van borstcompressies, zakt de bloeddruk weg. Er is dan minder zuurstofuitwisseling naar de cellen. Het kost dan weer enige tijd om op hetzelfde niveau terug te komen. 8
10 2.2. De eerste hulp benadering Het uitgangspunt bij de eerste hulp benadering (EH-benadering) is dat er zo snel mogelijk vastgesteld wordt of er sprake is van een circulatiestilstand. De EH-benadering bestaat uit een aantal stappen. In deze benadering wordt er vanuit gegaan dat een slachtoffer dat niet reageert en géén normale ademhaling heeft, een circulatiestilstand heeft; reanimeren is dan noodzakelijk. Een slachtoffer dat niet reageert, noemen we bewusteloos. Het GEEN lijn schema leidt u door de volgende stappen: - Benaderen van het slachtoffer; - Roep om hulp; - Openen van de luchtweg; - Ademhalingscontrole; - Alarmeren; - Reanimeren. 9
11 Schema GEEN lijn Slachtoffer aanspreken Slachtoffer reageert wel Slachtoffer reageert niet Slachtoffer verder vragen naar letsels Ademweg vrijmaken Wel ademhaling Ademhaling controleren Ademhaling veilig stellen Geen ademhaling Start reanimatie 10
12 2.3. Benaderen van het slachtoffer Bekijk eerst of de situatie veilig is voor uzelf, omstanders en het slachtoffer. Verplaats een slachtoffer alléén als dat absoluut noodzakelijk is vanwege gevaar. Verplaatsen kan namelijk het letsel van het slachtoffer verergeren. Ga eventueel na of het slachtoffer voldoende beschut is tegen weersinvloeden. Het gevaar van onderkoeling ligt altijd op de loer. Dek dan het slachtoffer af met een isolatiedeken en scherm hem/haar af tegen de wind. Leg, als de situatie het toelaat, ook een deken onder het slachtoffer, maar zorg ervoor dat daarbij het slachtoffer zo min mogelijk wordt bewogen. Felle zonneschijn en extreme warmte leveren ook gevaar op. Gebruik isolatiedeken De isolatiedeken beschermt het slachtoffer tegen kou. De zilveren kant dient aan de binnenzijde, richting het slachtoffer, te liggen. Deze weerkaatst de warmte van het slachtoffer weer naar hem/haar terug. De isolatiedeken beschermt ook tegen warmte/zon. De gouden kant dient dan aan de binnenzijde, richting het slachtoffer, te liggen. De gouden kant voert de warmte van het slachtoffer af en de zilveren kant (aan de buitenzijde) weerkaatst de warmte van de zon. In principe geeft men ter plaatse beschutting. Afhankelijk van de letsels die worden vermoedt bij het slachtoffer en de verwachte aankomsttijd van de professionele hulpverlening mag het slachtoffer ook over een korte afstand verplaatst worden naar een beschutte plek. Dit dient met de noodvervoersgreep van Rautek gedaan te worden. Spreek het slachtoffer, zittend op twee knieën, vanaf een veilige plaats aan. Laat weten dat u het slachtoffer naar een veilige plek gaat brengen. Voorbeelden van vragen die gesteld kunnen worden zijn: Gaat alles goed met u? of Doe uw ogen eens open?. Voer de Rautek-greep als volgt uit: - Kniel aan de linkerzijde van het slachtoffer, ter hoogte van diens schouder; - Plaats uw rechtervoet achter het hoofd van het slachtoffer; - Til voorzichtig met uw linkerhand het hoofd, langs het rechteroor, op; - Ga met uw rechterhand onder de nek door en breng uw vingers in de rechteroksel van het slachtoffer. Laat daarna het hoofd op uw onderarm rusten; - Leg uw linkerhand vanaf de rugzijde in de linker oksel van het slachtoffer; - Breng het slachtoffer in een vloeiende beweging in zittende houding en uw lichaam achter hem/haar; - Schuif uw armen onder de oksels van het slachtoffer door; - Breng één onderarm van het slachtoffer horizontaal voor de borst; 11
13 - Leg uw handen met aaneengesloten vingers en duimen over deze onderarm van het slachtoffer; - Ga in hurkhouding, met uw voeten aan weerszijden van het slachtoffer, zo dicht mogelijk tegen hem/haar aan zitten; - Til hem/haar op door uw benen te strekken met een rechte rug; - Versleep het slachtoffer uit de gevarenzone; - Leg het slachtoffer weer voorzichtig neer en verleen de noodzakelijke eerste hulp. Aanspreken en aanschudden Roep tijdens het benaderen het slachtoffer al aan om vast te stellen of het slachtoffer reageert: Hallo meneer/mevrouw? Hoort u mij? Kijkt u mij eens aan? Wat is er gebeurd?. Als het slachtoffer niet reageert, schud dan voorzichtig aan de schouders van het slachtoffer en blijf het slachtoffer aanspreken. Uw verdere hulpverleningsacties worden bepaald door de reactie van het slachtoffer. Op het aanspreken en schudden zijn twee reacties mogelijk: het slachtoffer reageert wel of niet. 1. Het slachtoffer reageert in het geheel NIET Als het slachtoffer niet reageert, gaan we ervan uit dat er een circulatiestilstand is. Uw vervolghandelingen zijn erop gericht om na te gaan of dat ook daadwerkelijk het geval is. 2. Het slachtoffer reageert WEL door te antwoorden of te bewegen Als het slachtoffer wel reageert, laat het slachtoffer dan liggen zoals u hem/haar gevonden heeft (ervan uitgaande dat er geen gevaar is). Soms wil het slachtoffer opstaan. U moet dan uitleggen waarom het beter is dat hij/zij blijft liggen. Er mag echter geen worsteling ontstaan. - Probeer er achter te komen wat er met het slachtoffer aan de hand is; - Stel vragen aan het slachtoffer en eventuele omstanders. Zorg dat u hulp krijgt als dat nodig is; - Stel het slachtoffer gerust door met het slachtoffer te blijven praten; - Verleen vervolgens de noodzakelijke eerste hulp; - Blijf de situatie van het slachtoffer steeds beoordelen, zodat u als de situatie verslechtert, snel kunt optreden. Roep om hulp We pakken de géén-lijn weer op. In de situatie dat het slachtoffer niet reageert, hebt u mogelijk assistentie nodig. Uw eerstvolgende actie is dan ook roep om hulp. Als er niemand reageert, blijf dan hoe dan ook bij het slachtoffer. Luchtwegen openen Om de luchtweg te kunnen openen, moet het slachtoffer op de rug liggen. Als u het slachtoffer op de buik aantreft, draai hem/haar dan op zijn rug om de controle van de ademhaling mogelijk te maken. Draai het slachtoffer ook op de rug als u rug- wervel- of nekletsel of botbreuken vermoedt. Doe dit alleen als u bij een slachtoffer met mogelijk wervelletsel in de gevonden houding géén of géén normale ademhaling constateert. De circulatie heeft op dit moment voorrang! Als het slachtoffer op zijn rug ligt, kunt u de luchtweg openen door het hoofd voorzichtig achterover te kantelen. Dit gaat als volgt: - Plaats uw ene hand op het voorhoofd van het slachtoffer en kantel het hoofd voorzichtig naar achter. Bij een slachtoffer met mogelijk wervelletsel dient u het hoofd stapsgewijs achterover te kantelen; - Voer vervolgens de kin lift uit. Plaats twee vingertoppen van uw andere hand onder de punt van de kin. Breng de kin voorzichtig omhoog om de luchtweg te openen. Door het omhoog brengen van de kin komt de luchtweg vrij. 12
14 2.4. Slachtoffer van buik naar rug draaien Het draaien van buik naar rug gaat als volgt; - Kniel naast het slachtoffer, aan de zijde van diens gezicht; - Leg de arm van het slachtoffer die het dichtst bij u is langs het lichaam naar beneden. Zorg ervoor dat de hand van die arm plat op de grond ligt, met de handpalm naar boven; - Loop om het slachtoffer heen naar de ander kant, via de voeten; - Leg het been waar u als eerste langs loopt van het slachtoffer, over zijn andere been; - Breng de arm van het slachtoffer die het verst van u verwijderd is, voorzichtig langs het hoofd omhoog tot de bovenarm tegen het achterhoofd aan ligt. Zorg ervoor dat de hand van die arm plat op de grond ligt, met de handrug naar boven; - Pak het slachtoffer aan de andere zijde met één hand bij de heup en met de andere hand bij de schouder. Pak daarbij tevens de arm die langs die heup ligt. Trek niet aan de broeklus; - Draai het slachtoffer naar u toe tot hij/zij op zijn/haar zij ligt; - Laat dan de schouder los en vang met die hand het hoofd van het slachtoffer op; - Draai het slachtoffer door, tot deze op de rug ligt Ademhaling controleren Controleer de ademhaling door te kijken, te luisteren en te voelen. Ga zo zitten dat u met uw oor boven de mond en neus van het slachtoffer kunt komen en dat u langs de borstkas kunt kijken om te zien of de borstkas en bovenbuik regelmatig op en neer bewegen. Ga zo zitten dat uw eigen wang en oor vlak boven de mond en neus van het slachtoffer komen: - Kijk of de borstkas en bovenbuik van het slachtoffer rustig en regelmatig op en neer bewegen; - Luister of het slachtoffer ademt; - Voel met uw wang of er een luchtstroom is. Een normale ademhaling wordt gekenmerkt door rust en regelmaat, het op en neer bewegen van borstkas en bovenbuik (borst/buikademhaling) en een verhouding in tijdsduur van inademen/uitademen van 1:2 (1 tel inademen, 2 tellen uitademen). Alles wat niet op een normale ademhaling lijkt, is afwijkend en leidt dus tot alarmeren en reanimeren. Het is moeilijk om te bepalen of een slachtoffer dat niet reageert, een normale ademhaling heeft. Dit kan komen doordat de luchtweg (deels) afgesloten is (dit leidt tot rochelen, snurken, piepen of fluiten) of door het optreden van gaspen. Gaspen is het verschijnsel dat in de eerste paar minuten na een circulatiestilstand kan worden waargenomen. Het slachtoffer hapt dan naar lucht. Deze bewegingen treden onregelmatig op met grote tussenpozen. Gaspen wijst op een circulatiestilstand en moet aanleiding zijn om onmiddellijk met reanimeren te beginnen. Vaak wordt gaspen geïnterpreteerd als een normale ademhaling. Dit is onjuist. Door deze foute interpretatie worden slachtoffers soms niet gereanimeerd, terwijl dat juist wel nodig is! Bij bijna zeventig procent van de slachtoffers met een circulatiestilstand treedt gaspen op. Kijk, luister en voel maximaal tien seconden om vast te stellen of het slachtoffer normaal ademt. Handel bij twijfel altijd alsof er géén normale ademhaling is! Na het controleren van de ademhaling zijn er weer twee mogelijkheden: er is wel of géén normale ademhaling. In beide gevallen is uw eerstvolgende handeling alarmeren. 13
15 2.6. Alarmeren van Blijf bij voorkeur zelf bij het slachtoffer en laat iemand anders zo snel mogelijk het interne alarmnummer of bellen. Als u alléén bent, laat het slachtoffer dan achter om te alarmeren. Indien nodig, kunt u ook met een mobiele telefoon alarmeren. Alarmeren via het interne alarmnummer heeft de voorkeur: door dat telefoontje wordt namelijk de interne alarmorganisatie in gang gezet en komt de verdere hulpverlening op gang. Meld duidelijk wat er met het slachtoffer aan de hand is. Er zijn twee mogelijkheden: - Of u geeft aan dat het om een reanimatie gaat. Er komen dan in principe twee ambulances; - Of u geeft aan dat het slachtoffer niet reageert op aanspreken, maar wel een normale ademhaling heeft. Blijf aan de telefoon totdat de centralist aangeeft dat er mag worden opgehangen. Keer zo nodig terug naar het slachtoffer. Als iemand anders de melding heeft gedaan, laat die dan terugkomen om u verder te informeren. Handel verder als volgt: - Start met reanimeren bij een slachtoffer dat niet reageert en géén normale ademhaling heeft; - Leg een slachtoffer dat wel een normale ademhaling heeft in stabiele zijligging en blijf de ademhaling controleren Reanimeren Volgens het geen-lijn schema, moet er, indien is vastgesteld dat het slachtoffer géén normale ademhaling heeft, nu gestart worden met reanimeren. Dit houdt in het geven van dertig borstcompressies gevolgd door twee beademingen. Het geven van borstcompressies heeft voorrang op het beademen om de volgende reden; In de eerste paar minuten na een circulatiestilstand is het zuurstofgehalte in het bloed nog hoog. De zuurstoflevering aan hartspier en hersenen wordt niet zozeer beperkt door een zuurstofgebrek in de longen, maar meer door de afgenomen pompfunctie van het hart. Het op gang brengen van de circulatie heeft daarom voorrang. Borstcompressies zorgen vooral voor terugkeer van bloed in het hart. De circulatie naar hart en hersenen wordt enigszins in stand gehouden. De borstcompressies zorgen voor circulatie. Op het moment dat wordt gestopt met het geven van borstcompressies, neemt de druk van buitenaf af en zakt de bloeddruk weg. Er is dan minder zuurstofuitwisseling naar de cellen. Het kost weer enige tijd om op hetzelfde niveau terug te komen. De benadering van de reanimatie is er dan ook op gericht het geven van borstcompressies zo min mogelijk te onderbreken. Het te lang onderbreken van de borstcompressies verlaagt de kans op overleving. Borstcompressies geven Handelwijze bij het geven van borstcompressies: - Zorg dat slachtoffer op een harde ondergrond ligt zodat u goed kunt reanimeren; - Kniel aan een zijde van het slachtoffer; - Plaats de hiel van een hand op het midden van de borstkas van het slachtoffer; - Plaats de hiel van de andere hand op de geplaatste hand; - Pak de vingers van de onderste hand of haak de vingers van beide handen in elkaar en trek ze omhoog om te voorkomen dat u druk uitoefent op de ribben van het slachtoffer. Oefen géén druk uit op de bovenkant van de buik of de onderste punt van het borst- been. 14
16 De meest ideale positie is midden op de borstkas, omdat dat het meest flexibele deel van de borstkas is. Het deel boven het midden is stijver; onder het midden is er het risico op afbreken van het onderste puntje van het borstbeen (het zwaardvormig aanhangsel) - Breng uw bovenlichaam boven het slachtoffer met uw armen gestrekt, loodrecht boven het slachtoffer en druk het borstbeen 5 tot 6 cm (op een derde hoogte van de borstkas) naar beneden; - Laat na elke compressie het borstbeen helemaal terugkomen zonder het contact tussen het borstbeen en uw handen te verliezen. Herhaal dit in een frequentie van honderd keer per minuut (iets meer dan 1 seconde voor 2 borstcompressies); - Zorg dat het indrukken en omhoog laten komen van het borstbeen evenveel tijd in beslag neemt. Alléén borstcompressies geven Als u géén beademingen, ook geen mond-op-neus beademing, kunt geven (het slachtoffer heeft bijvoorbeeld mond- of kaakletsel), geef dan alléén borstcompressies. Als u alléén borstcompressies geeft, moet dat onafgebroken in een tempo van honderd honderdtwintig borstcompressies per minuut. Stop alleen als het slachtoffer weer normaal begint adem te halen. Ga in alle andere gevallen door met het geven van borstcompressies. Ga door met reanimeren totdat professionele hulp arriveert die de hulpverlening overneemt of totdat u uitgeput raakt. Beademen Het doel van het beademen is om zuurstof in het bloed te krijgen. Ga bij het beademen als volgt te werk: - Open na dertig borstcompressies opnieuw de luchtweg: kantel het hoofd voorzichtig achterover en voer de kinlift uit; - Sluit de neus door het zachte gedeelte dicht te knijpen met de wijsvinger en duim van de hand op het voorhoofd; - Laat de mond een beetje open, maar zorg dat de kinlift gehandhaafd blijft; - Adem in, open uw mond en plaats uw lippen over de mond van het slachtoffer. Zorg voor een luchtdichte afsluiting; - Blaas rustig ongeveer 1 seconde in de mond en kijk of de borstkas omhoogkomt zoals bij een normale ademhaling. Vermijd snelle of krachtige beademingen; - Haal, terwijl het hoofd gekanteld blijft en de kinlift uitgevoerd blijft, uw mond van het slachtoffer. Kijk of de borstkas weer naar beneden gaat. Als de eerste beademing géén effect heeft, handel dan als volgt: - Kijk in de mond om te zien of een vreemd voorwerp de luchtweg afsluit. Verwijder het vreemde voorwerp alléén uit de mond als u het ziet zitten en u er met de vingers bij kunt! Dit geldt ook voor loszittende gebitsdelen. Laat een goed zittend kunstgebit op zijn plaats. Als u het voorwerp kunt verwijderen of als de mond leeg is, controleer dan of het hoofd goed achterover is gekanteld en of de kinlift goed is uitgevoerd. Geef dan een tweede beademing; - Geef in totaal altijd maar twee beademingen, voordat u weer overschakelt op het geven van borstcompressies. Zet uw handen zonder onderbreking weer op de juiste plek op de borstkas. Geef weer dertig borstcompressies. Wissel deze af met beademingen in een verhouding van 30:2. 15
17 Ga door met reanimeren totdat. De BHV-er dient door te gaan met reanimeren totdat: - Professionele hulp arriveert die het reanimeren overneemt; - Andere BHV-ers/EHBO ers arriveren en die het reanimeren overnemen; - Het slachtoffer normaal begint adem te halen. Leg het slachtoffer in de stabiele zijligging en blijf elke minuut de ademhaling controleren; - U uitgeput raakt. In alle andere gevallen dient u gewoon door te gaan met reanimeren. Mond-op-neus beademing is een goed alternatief voor mond-op-mond beademing bij kaak -of mondletsel, als de mond niet open kan of als de mondafsluiting niet goed werkt. Ga bij het geven van mond-op-neus beademing als volgt te werk: - Zorg voor een licht naar achteren gekanteld hoofd en kinlift; - Sluit met uw duim de lippen van het slachtoffer (dit kan bij kaak- of mondletsel moeilijk zijn); - Adem in, open uw mond en plaats uw lippen over de neus. Zorg voor een luchtdichte afsluiting; - Blaas rustig 1 seconde in de neus en kijk of de borstkas omhoogkomt zoals bij een normale ademhaling. Vermijd snelle of krachtige beademingen; - Haal, terwijl het hoofd gekanteld blijft en de kinlift uitgevoerd blijft, uw mond van de neus van het slachtoffer. Open de mond en kijk of de borstkas weer naar beneden gaat. Handel verder als is beschreven onder mond-op-mond beademing. Bij het beademen kunt u gebruik maken van het beademingsmasker. Ga bij het gebruik van het beademingsmasker als volgt te werk: - Maak het beademingsmasker gebruiksklaar; - Plaats eerst de smalle kant van het masker op de neusrug van het slachtoffer; - Plaats vervolgens de rest van het beademingsmasker over de mond en de kin van het slachtoffer; - Druk het masker aan; - Spreid de hand open en plaats deze op de smalle kant van het beademingsmasker en wel zo dat de punt van het masker tussen duim en wijsvinger zit (dit is aan de neuskant van het slachtoffer); - Plaats wijsvinger en middelvinger van de andere hand onder de kin en voer de kinlift uit; - Druk de onderkant van het masker met uw duim van deze hand stevig op de kin terwijl de kinlift gehandhaafd blijft; - Adem in, blaas de ingeademde lucht uit in het ventiel of filter en kijk of de borstkas omhoog komt; - Kijk of de borstkas weer naar beneden gaat; - Haal opnieuw adem en geef een tweede beademing. Complicatie bij reanimeren Als u te snel of te krachtig lucht inblaast, kan er lucht in de maag van het slachtoffer komen. Daardoor kan de inhoud van de maag naar de mond stromen. Toepassing van de snelle kantelmethode kan voorkomen dat het braaksel in de luchtweg van het slachtoffer stroomt. De snelle kantelmethode dient als volgt te worden uitgevoerd: - Draai het slachtoffer onmiddellijk bij heup en schouder naar u toe op zijn zij. Het slachtoffer komt daardoor tegen uw dijen te liggen; - Breng zijn hoofd iets achterover en maak de mondholte leeg; - Draai daarna het slachtoffer weer op de rug en geef eerst dertig borstcompressies. Ga vervolgens door met het geven van borstcompressies en beademingen in een verhouding van 30:2. 16
18 Reanimeren door twee BHV-ers In principe gebeurt het reanimeren door één BHV-er, zodat de afwisseling tussen het geven van borstcompressies en beademen in het juiste tempo verloopt. Als er een tweede BHV er beschikbaar is, wissel dan iedere twee minuten. Het is belangrijk dat er zo min mogelijk onderbrekingen optreden. Het wisselen moet dan ook als volgt worden uitgevoerd: - Terwijl hulpverlener 1 beademt, plaatst hulpverlener 2 zijn handen op de juiste plaats op de borstkas; - Zodra hulpverlener 1 zijn tweede beademing heeft gegeven, start hulpverlener 2 met het geven van borstcompressies Stabiele zijligging Indien het slachtoffer stabiel ademt legt u hem/haar in de stabiele zijligging om te voorkomen dat de tong achterin de keel zakt. De stabiele zijligging voert u als volgt uit: Verwijder eventuele bril; Kniel naast het slachtoffer, zorg dat de benen gestrekt zijn; Leg de dichtstbijzijnde arm van het slachtoffer in rechte hoek met het lichaam, Buig de andere arm over de borst en leg deze met de handrug naar de wang. Houd deze vast. Met uw vrije hand buigt u de knie van het verst liggende been, terwijl de voet op de grond blijft; Trek dit gebogen been naar u toe terwijl u de hand van het slachtoffer tegen zijn wang houdt. Zorg dat de elleboog de grond raakt De heup en de knie van het bovenste been moeten in een rechte hoek liggen. Kantel het hoofd voorzichtig naar achteren; Blijf de ademhaling ten minste elke minuut controleren. 17
19 Neemt u geen ademhaling waar, draai het slachtoffer dan weer voorzichtig op de rug; let bij deze beweging op het hoofd. Geef dertig borstcompressies en ga door met reanimeren. Laat opnieuw het interne alarmnummer of alarmeren. Geef door dat de situatie van het slachtoffer is verslechterd en dat het nu om een reanimatie gaat. Een ongeval-slachtoffer dat niet reageert en een normale ademhaling heeft, mag alléén worden gedraaid als hij alleen moet worden gelaten of bij braken. Wanneer de zachte weefsels van mond en keelholte de luchtweg dreigen te belemmeren, zal de kinlift voldoende moeten zijn. Het hoofd mag eventueel voorzichtig in stapjes achterover worden gekanteld. Een slachtoffer dat niet reageert en niet normaal ademt, moet gereanimeerd worden en niet in de stabiele zijligging worden gelegd. Leg het slachtoffer niet in de stabiele zijligging als u vermoedt dat het slachtoffer: - Ernstig letsel heeft aan de borstkas; - Letsel aan de wervelkolom heeft; - Verschillende breuken heeft aan bekken en ledematen. Zorg er dan wel voor dat de luchtweg vrij gehouden wordt door het toepassen van de kinlift. Lukt dat niet, leg het slachtoffer dan alsnog in stabiele zijligging. Als de ademhaling belemmerd dreigt te raken, draai het slachtoffer dan alsnog in stabiele zij ligging De Automatische Externe Defibrillator (AED) De AED is een apparaat waarmee in bepaalde gevallen een schok (stroomstoot) kan worden toegediend aan iemand met een circulatiestilstand. Het gaat dan om slachtoffers waarbij het hart ongecoördineerd samentrekt (fibrilleert). Door het toedienen van elektrische impulsen probeert de AED het ongecoördineerd samentrekken van het hart op te heffen; dit noemt men defibrilleren. De AED kan: - Het hartritme controleren en vaststellen of defibrillatie zinvol is; - Automatisch een elektrische schok toedienen of adviseren een schok toe te dienen. De AED vormt een aanvulling op de basale reanimatie. Het is dus niet zo dat de AED de basale reanimatie vervangt. De AED is vrij eenvoudig in het gebruik. Een leek kan er zonder al teveel moeite op een verantwoorde wijze mee leren omgaan. U kunt in een aanvullende cursus leren werken met de AED. Keten van overleven De keten van overleven illustreert het belang van elke schakel bij het redden van een leven. Vroegtijdige alarmering 18
20 Direct contact met de alarmcentrale is van levensbelang. Elke mogelijke vertraging in het waarschuwen van een ambulance vermindert de overlevingskansen van het slachtoffer. 1. Vroegtijdige basale reanimatie Het is onomstotelijk bewezen dat reanimatie door omstanders de overlevingskansen kan verdubbelen. 2. Vroegtijdige defibrillatie In veel gevallen van hartstilstand trekt het hart ongecontroleerd samen ten gevolge van een elektrische chaos. Dit wordt kamerfibrilleren genoemd. De enige effectieve behandeling van kamerfibrilleren is het geven van een stroomstoot, ook wel defibrilleren genoemd. De kans op succes bij defibrilleren daalt met bijna 10% per minuut uitstel van deze behandeling. Daarom is het zo belangrijk dat slachtoffers met een hartstilstand zo snel mogelijk gedefibrilleerd worden. Dat kan alleen maar als ook anderen dan artsen en verpleegkundigen getraind worden in en toestemming krijgen voor het defibrilleren. Het gebruik van de AED maakt dit mogelijk. 3. Vroegtijdige gespecialiseerde reanimatie In de meeste gevallen zal basale reanimatie en defibrilleren alleen niet genoeg zijn om het hart weer aan de gang te krijgen. Gespecialiseerde reanimatie is dan noodzakelijk om de kans op overleven verder te verbeteren. Gespecialiseerde reanimatie (gespecialiseerde beademing, medicatietoediening) wordt uitgevoerd door gespecialiseerde verpleegkundigen en artsen. Het belang van defibrilleren Defibrilleren is erg van belang: - De kans voor het slachtoffer om te herstellen van een hartstilstand vermindert snel in de tijd; - Om de keten van overleven te versterken moet zo snel mogelijk defibrillatie worden toegepast met een zogenaamde defibrillator. Een bepaalde uitvoering van de defibrillator is de AED (Automatische Externe Defibrillator). Deze is speciaal ontwikkeld om hulpverleners met een kortdurende training veilig en effectief te laten defibrilleren. De elektronica van de AED interpreteert het hartritme en besluit of er wel of geen stroomstoot gegeven dient te worden. De hulpverlener die de AED gebruikt hoeft geen verstand te hebben van hartritme-interpretatie; - Als er geen stroomstoot wordt geadviseerd, is basale reanimatie de enige hulpverlening die u dient te geven. Wat is een AED? Een AED is een apparaat dat een stroomstoot toedient aan een slachtoffer met kamerfibrillatie. Er zijn verschillende typen AED s maar ze hebben allemaal hetzelfde bedieningsprincipe. De elektrische prikkels die het hart afgeeft, worden opgevangen door de AED middels twee zelfklevende elektroden. Als een stroomstoot noodzakelijk is, wordt deze via dezelfde elektroden afgegeven. Het is dus van belang dat de elektroden op de juiste plaats zitten om een goede ritme-interpretatie en effectieve stroomstoot te bevorderen. Zorg dat u bekend bent met het gebruik van de AED in uw omgeving. De leverancier zal specifieke productinformatie meeleveren met de AED. De AED leidt de hulpverlener door de hulpverlening door gesproken aanwijzingen en soms ook tekstaanwijzingen in een schermpje. Voorbeelden van gesproken aanwijzingen zijn: Hou afstand ; Raak het slachtoffer niet aan ; Analyseert nu ; 19
21 Laadt op (voor schok) ; Geen schok geadviseerd ; Start reanimatie. ECG Sommige AED s hebben de mogelijkheid het ECG weer te geven op een scherm. Dit is niet noodzakelijk en kan zelfs de hulpverlening vertragen. Deze mogelijkheid heeft alleen zin bij getrainde hulpverleners (ambulancepersoneel, artsen) om het hartritme in de gaten te houden na een geslaagde reanimatie. Dit kan behulpzaam zijn bij de beslissingen tijdens gespecialiseerde reanimatie. Analyse De AED zal het hartritme van het slachtoffer interpreteren en beslissen of er al dan niet een stroomstoot noodzakelijk is. Vanwege deze interpretatie door de AED is het niet noodzakelijk dat de hulpverlener verstand heeft van hartritme-interpretatie. Daardoor kan de AED door basishulpverleners gebruikt worden. Het apparaat herkent kamerfibrilleren met bijna 100 / nauwkeurigheid. Dat betekent dat bijna altijd een stroomstoot geadviseerd zal worden als dat nodig is, maar dat er geen enkel risico is dat een stroomstoot zal gegeven worden als dat niet nodig is. Figuur 1 Ventrikel Fibrilleren Figuur 1 Normaal Sinusritme Figuur 3 Asytolie Geheugen Alle AED s hebben een systeem om belangrijke gegevens te verzamelen en op te slaan (de tijd, het ECG, wanneer knoppen zijn ingedrukt, etc.). Sommige AED s registreren ook wat er gezegd wordt (door hulpverleners en omstanders). Het geheugen kan overgezet worden op een computer of geprint worden na iedere inzet. Deze informatie is van vitaal belang voor de verdere hulpverlening aan het slachtoffer na een succesvolle reanimatie, maar ook voor (medische) beleidsmakers om het AED beleid te kunnen evalueren. 20
22 AED overzicht AED s zijn ontwikkeld om hulpverleners door de reanimatie heen te leiden. Als eenmaal vastgesteld is dat reanimatie noodzakelijk is, volg dan de instructies die de AED geeft. Het gebruik van de AED kan worden samengevat in drie stappen: 1. Of de AED nodig is; 2. Zet de AED aan; 3. Volg de instructies van de AED. Het gebruik van de AED: stap voor stap Beslis of de AED nodig is (volg de eerste stappen van basale reanimatie). Controleer veiligheid Benader het slachtoffer voorzichtig, terwijl u er op let dat er geen gevaar is voor uzelf of het slachtoffer. Kijk uit voor gevaren van elektriciteit, gas, verkeer, bouwplaatsen en dergelijke. Controleer het bewustzijn Controleer of het slachtoffer reageert of niet. Schud voorzichtig de schouders en vraag luid: Is alles in orde? Een bewusteloos slachtoffer zal niet reageren. 21
23 Controleer de ademhaling Terwijl u de luchtweg open houdt, controleer of het slachtoffer ademt: - Kijk naar bewegingen van de borstkas; - Luister aan de mond naar ademgeluiden; - Voel met de wang of er luchtstroom is. Kijk, luister en voel gedurende niet meer dan 10 seconden voor u besluit dat er geen ademhaling is. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom het slachtoffer niet meer ademt. Onder meer: - Bewusteloos op de rug liggen met een geblokkeerde luchtweg; - Hartstilstand; - Letsels aan het hoofd of de borstkas; - Vergiftiging (medicatie, giftige gassen, etc.); - Verdrinking; - Verstikking. Haal hulp Als het slachtoffer niet ademt en indien er iemand bij u is, stuur die dan onmiddellijk weg om te bellen voor een ambulance, terwijl u twee beademingen toedient. De beller moet duidelijk zijn naam, de plaats van het gebeuren en de toestand van het slachtoffer melden. Indien u alleen bent, laat dan het slachtoffer alleen, bel de ambulance, en kom dan zo snel mogelijk terug. Geef beademingen Het beademen dient als volgt te geschieden: - Houd de luchtweg open (kantel hoofd en til de kin op) en knijp de neus dicht met de vingers van de hand die het hoofd kantelen. Til de kin op met de andere hand en open de mond; - Neem goed adem, sluit uw lippen rond zijn mond en sluit die goed af. Adem gelijkmatig uit in het slachtoffer gedurende twee seconden, terwijl u naar de borstkas van het slachtoffer kijkt; - Elke beademing moet voldoende zijn om de borstkas van het slachtoffer te doen bewegen zoals bij een normale ademhaling. Controleer de circulatie Nadat u twee beademingen heeft toegediend, controleer op tekenen van circulatie zoals normale ademhaling (meer dan enkele gaspen), hoesten of beweging. Controleer gedurende niet meer dan 10 seconden. Als er geen circulatie is, of als u niet zeker bent, ga er dan van uit dat het hart gestopt is. Dat noemen we hartstilstand. Zet de AED aan Als er nog een hulpverlener aanwezig is, laat deze dan hartmassage en beademen uitvoeren terwijl u de AED aanzet. Maak de borstkas vrij van kleding. Volg de instructies van de AED 22
24 Bevestig de elektroden De elektroden hebben twee functies: Ze meten de elektrische activiteit van het hart en zijn de contacten waardoor de AED zijn stroomstoot afgeeft. De meeste leveranciers geven op de verpakking aan waar de elektroden bevestigd moeten worden. In veel gevallen staat dit zelfs op de elektroden zelf aangegeven. Plaats van de elektroden één elektrode onder het rechter sleutelbeen, naast het borstbeen. De andere elektrode wordt 5 tot 10 centimeter onder de oksel geplaatst. Toedienen van een stroomstoot Als een stroomstoot noodzakelijk is zorg dan dat iedereen los is van het slachtoffer. Druk de knop op de stroomstoot toe te dienen in als dit gezegd wordt. Combineer basale reanimatie & AED. Soms zal de AED u vragen te controleren of er circulatie is. Indien u dat gecontroleerd heeft handelt u als volgt: - Er is geen circulatie, start dan de reanimatie. Ga door met de reanimatie tot de AED zegt te stoppen omdat deze weer gaat analyseren; - Er is wel circulatie (inclusief normale ademhaling), breng dan het slachtoffer in stabiele zijligging. Blijf de ademhaling en circulatie controleren. Aandachtspunten Vochtige borstkas Sommige slachtoffers kunnen een vochtige borstkas hebben, bijvoorbeeld door zweten of doordat zij uit het water gered zijn. Droog dan vlug de borstkas af voor de elektroden worden bevestigd. Gebruik hiervoor een kleine handdoek, uw mouw of een washandje. Harige borst Slechts in uitzonderlijke situaties zal een behaarde borst problemen geven bij het bevestigen van de elektroden. Als dit toch het geval is, scheer dan met vlugge halen de plaats waar de elektroden komen. Scheer alleen als het echt noodzakelijk is voorkom het verlies van kostbare tijd. Pleisters Verwijder alle pleisters of andere zaken die in de weg zitten voor een goede bevestiging van de elektroden. Sommige slachtoffers hebben medicatiepleisters op hun borst. Deze moeten verwijderd worden om schaaf- of brandwonden te voorkomen. Pacemakers en geïmplanteerde defibrillatoren Sommige slachtoffers hebben een onderhuidse pacemaker of kleine defibrillator voor hun hart. Deze ziet u dan zitten net onder de huid onder het sleutelbeen (vaker links dan rechts). Als dat het geval is, zorg dan dat de elektroden ongeveer 10 cm van dit apparaat vandaan zitten. 23
25 Veiligheidsaspecten Veiligheid van de hulpverlener Het slachtoffer mag niet aangeraakt worden tijdens de analyse, het opladen voor de stroomstoot en het geven van de stroomstoot. Aanraken van het slachtoffer tijdens de analyse kan verwarring geven bij het interpreteren van het hartritme en daardoor de afgifte van een stroomstoot vertragen. Veiligheid van omstanders Zorg ervoor dat de omgeving veilig is. Ook dat tijdens de analyse, het opladen en zeker tijdens het toedienen van een stroomstoot niemand het slachtoffer aanraakt. Roep Hou afstand en kijk ook of iedereen los is van het slachtoffer. Hoge concentraties zuurstof zijn gevaarlijk omdat er vonken kunnen vrij komen bij het toedienen van een stroomstoot. Wend open zuurstofbronnen (beademingsballon, maskers met zuurstof) van het slachtoffer af tijdens toedienen van een stroomstoot. Veiligheid van het slachtoffer De afgifte van een stroomstoot aan een pompend hart zou schade kunnen veroorzaken. Gebruik de AED daarom alleen op een slachtoffer dat bewusteloos is, niet ademt en geen circulatie heeft. Dat bevordert het veilig gebruik van de AED. AED s geven een stroomstoot aan slachtoffers die daarbij gebaat zijn. Onder bepaalde omstandigheden kan deze stroomstoot gevaarlijk zijn voor de hulpverlener, het slachtoffer, of de omstanders. Om dit te voorkomen moet u steeds op de veiligheid letten. Juridische aspecten In bijna heel Europa heeft iedereen die reanimatie heeft geleerd, de morele en vaak juridische verplichting om hulp te bieden. Dit is overeenkomstig met de wetgeving die betrekking heeft op het onthouden van hulp aan een persoon. Het gebruik van AED s door personen die geen arts zijn, is niet overal in Europa op dezelfde wijze toegestaan. In de meeste Europese landen wordt defibrilleren gezien als een medische handeling. Dit komt voort uit historische en steeds verdergaande ontwikkelingen van de inzet van artsen buiten het ziekenhuis en in de rampenhulpverlening. Het delegeren van medische handelingen aan niet-medisch opgeleide personen met een aanvullende training is wettelijk toegestaan in veel Europese landen als een arts niet direct beschikbaar is. In landen waar vanuit het verleden alleen ambulancepersoneel en paramedici in het veld aanwezig zijn, wordt vroegtijdige defibrillatie al door deze professionals toegepast. 24
26 3. Eerste hulp overige letsels/ziektebeelden Als het slachtoffer reageert op aanspreken en schudden, gaat u er vanuit dat er géén circulatiestilstand is. De reactie van het slachtoffer bepaalt de verdere volgorde van uw handelingen. Er kunnen allerlei soorten ongevallen gebeuren op de werkplek: verbrandingen, acute ziekten en aandoeningen, vallen en struikelen, aanrijdingen of een beknelling. Het soort bedrijf en de werkzaamheden die daar worden uitgevoerd, bepalen op welke ongevallen de bedrijfshulpverlening zich moet voorbereiden. In een kantoorgebouw is de kans op een ongeval met gevaarlijke stoffen vele malen kleiner dan in de chemische industrie. Er zou echter wel een ongeval kunnen plaatsvinden met chemische schoonmaakmiddelen, zoals gootsteenontstopper of chloor. De volgende letsels komen aan bod: - Verstikking/Verslikking; - Shock; - Huidwonden; - Brandwonden; - Wervelletsel; - Botbreuken en ontwrichtingen; - Oogletsels. Per letsel wordt steeds een korte omschrijving gegeven van het soort letsel en mogelijke oorzaken. Verder komt aan bod: - Hoe u kunt beoordelen welk letsel het slachtoffer heeft; - Welke eerste hulp u kunt verlenen. Nadat u eerste hulp heeft verleend, kunt u het slachtoffer zo nodig naar een arts of Spoed Eisende Hulp (SEH)-afdeling begeleiden. Als het slachtoffer wel reageert op aanspreken en schudden, houd dan zoveel mogelijk contact met het slachtoffer. Het slachtoffer kan dan wellicht ook zelf informatie geven. Vraag wat er is gebeurd. Probeer via de antwoorden van het slachtoffer en eventuele omstanders een beeld te krijgen van het incident en het mogelijke letsel van het slachtoffer. Maak ook gebruik van uw eigen waarnemingen. Door te kijken, te luisteren, te voelen en te ruiken krijgt u meer informatie over het mogelijke letsel. Voorbeelden van waarnemingen: - Kijken: Zwellingen, kleur van het slachtoffer; - Luisteren: Geluid van de ademhaling, pijnkreten; - Voelen: Ademhaling, temperatuur van de huid, natte of droge huid; - Ruiken: Alcohol, urine, ontlasting, braaksel. Stel het slachtoffer gerust door: - Te vertellen dat u BHV-er bent en weet hoe u eerste hulp moet verlenen; - Steeds te vertellen wat u gaat doen en uit te leggen waarom u dat doet; - Het verhaal van het slachtoffer serieus te nemen en in te gaan op zijn/haar eventuele zorgen over andere slachtoffers en/of materiële schade. Een werknemer die tegen uur een ongeval krijgt, zal zich wellicht zorgen maken over de opvang van kinderen. Een telefoontje naar het thuisfront kan dan veel onrust wegnemen; - Rustig en zorgzaam te zijn en zo nodig de hand van het slachtoffer vast te houden; - Altijd vriendelijk te blijven, ook als het slachtoffer dat zelf niet is; - Géén uitspraken te doen over letsels en vooruitzichten! Probeer in te schatten wat het effect is van uw hulp. Doe nooit dingen die het letsel kunnen verergeren. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het verplaatsen van een slachtoffer met een mogelijke beenbreuk. Door het bewegen van het been kan er meer letsel ontstaan. 25
27 3.1. Verslikking/Verstikking De meest voorkomende oorzaak van verstikking bij volwassenen is een luchtwegafsluiting door voedsel zoals brood, fruit, vis, vlees of gevogelte. Aangezien de meeste gevallen van verstikking optreden tijdens het eten, is er vaak iemand getuige van het voorval. Meestal kan er dan snel worden opgetreden als het slachtoffer nog aanspreekbaar is. Bij een gedeeltelijke blokkering van de luchtweg zal het slachtoffer paniekerig zijn en hoesten. Er kan een piepend geluid hoorbaar zijn als het slachtoffer probeert in te ademen. Bij een volledige blokkering van de luchtweg kan het slachtoffer niet praten, ademen of hoesten en zal hij uiteindelijk niet meer reageren. Om de luchtweg vrij te maken in het geval van verstikking kunt u het slachtoffer slagen op de rug toedienen en eventueel de Heimlich-manoeuvre toepassen. Beoordeling verslikking slachtoffer Misschien heeft u of een van de omstanders gezien dat het slachtoffer aan het eten was, of dat het iets in de mond heeft gestopt. Een slachtoffer dat zich verslikt, zal vaak met zijn/haar hand naar de keel grijpen. Handelen van de BHV-er bij verslikking Vraag in eerste instantie of het slachtoffer of hij zich heeft verslikt. Als het slachtoffer ademt, moedig hem/haar dan aan te blijven hoesten, maar wacht verder af. Als het slachtoffer tekenen vertoont van verminderde of afwezige ademhaling of niet hoest, handel dan als volgt: - Ga aan de zijkant iets achter het slachtoffer staan; - Steun met één hand de borst en buig het slachtoffer naar voren om te zorgen dat het vreemde voorwerp, als het losschiet, naar buiten komt en niet dieper in de luchtweg terechtkomt; - Geef maximaal vijf stevige slagen tussen de schouderbladen met uw vlakke hand; - Controleer na elke slag of de luchtwegblokkade is opgeheven. Na enkele slagen kan de afsluiting al zijn opgeheven. U hoeft niet perse vijf slagen te geven. Als de verstikking is opgeheven, dan stopt u met slaan. Als de afsluiting van de luchtweg na vijf slagen nog niet is opgeheven, voer dan de Heimlich-manoeuvre (ofwel buikcompressie) uit: - Ga achter het slachtoffer staan en sla beide armen om het bovenste gedeelte van de buik; - Zorg dat het slachtoffer zich goed naar voren buigt zodat het voorwerp bij het losschieten uit de mond komt, in plaats van dieper de luchtweg in te zakken; - Maak een vuist en plaats die tussen de navel en de onderste punt van het borstbeen in. Pak met de andere hand uw vuist vast; - Trek krachtig naar u toe en omhoog zodat het vreemde voorwerp losschiet. Doe dit maximaal vijf keer. Als de Heimlich-manoeuvre effect heeft en de luchtweg vrijkomt, controleer dan de ademhaling; Als het vreemde voorwerp nog steeds niet losschiet, geef dan afwisselend vijf klappen op de rug en vijf Heimlich-manoeuvres. Als deze methode géén effect heeft en het slachtoffer op een gegeven moment niet meer reageert, handel dan als volgt. - Leg het slachtoffer neer als dat nog niet het geval is; - Alarmeer het interne alarmnummer of 1-1-2; - Kantel het hoofd voorzichtig achterover en open de luchtweg door de kinlift uit te voeren; - Start de reanimatie: geef dertig borstcompressies en loop het reanimatieschema af. Na het toepassen van de Heimlichmanoeuvre moet het slachtoffer door een arts worden onderzocht op inwendig letsel. 26
28 3.2. Shock Shock is een relatief of absoluut tekort aan circulerend vermogen, dit is een levensbedreigende situatie die simpel gezegd wordt veroorzaakt door onvoldoende circulatie van bloed (Hypovolemisch). Bij shock krijgt het lichaam te weinig zuurstof waardoor de werking van het lichaam niet meer naar behoren verloopt. Shock kent een geleidelijk verloop. Langzaamaan nemen de functies van huid, spieren, spijsvertering en nieren af. Het lichaam reageert hierop met de volgende reactie: Het hart gaat sneller pompen om de zuurstofvoorziening van de hersenen veilig te stellen. De ademhaling versnelt om meer zuurstof in het bloed op te nemen. Alle andere organen (onder andere huid, spieren en maag, darmen en nieren) krijgen minder bloed. Hierdoor krijgt het slachtoffer de verschijnselen die kenmerkend zijn voor shock (gevoel van angst). Als de oorzaak van shock niet kan worden behandeld (bij inwendige bloedingen), kan de toestand van het slachtoffer zo verslechteren dat uiteindelijk ook de hersenfunctie uitvalt. Ook de ademhaling en de hartslag zullen vervolgens stoppen. Shock kan ontstaan: - Door ernstige inwendige of uitwendige bloedingen; - Door storingen in de werking van het hart of de circulatie; - Door een groot verlies aan lichaamsvocht; - Door een allergische reactie, bijvoorbeeld bij een bijen- of wespensteek; - Als gevolg van ernstige brandwonden. De shock is dan pas na enige tijd merkbaar, soms pas vierentwintig uur na het ongeval. Beoordeling van Shock slachtoffer Mensen in shock hebben een aantal bijzondere kenmerken: - Een bleke en koude, klamme huid; - Een snelle en oppervlakkige hartslag; - Een snelle en oppervlakkige ademhaling; - Slappe en zwakke spieren; - Dorst; - Droge slijmvliezen: een droge mond en droge lippen; - Ze hebben het koud; - Ze zijn onrustig, angstig en verward; - Een spitse neus, diepliggende ogen en een ingevallen gezicht; - Ze voelen zich misselijk; - De spijsvertering werkt niet meer; - In een latere fase zijn ze suf en futloos. Bij een allergische shock gaan de bloedvaten open staan, waardoor het slachtoffer niet bleek of kalm wordt (Anafylactische). Als u géén uitwendig bloedverlies ziet, maar wel de overige verschijnselen van shock waarneemt, dan heeft het slachtoffer waarschijnlijk een inwendige bloeding. Behandelen van een shockslachtoffer U kunt shock niet opheffen, maar u moet wel kunnen vaststellen of er sprake is van shock. Het is een ernstige toestand die na verloop van tijd tot de dood kan leiden. Professionele hulp is met spoed noodzakelijk. Het belangrijkste bij shock is dus zo snel mogelijk deskundige hulp te alarmeren. Meld bij de alarmering dat het om een slachtoffer met shockverschijnselen gaat. 27
29 Verder kunt u als BHV-er niet veel meer doen dan zorgen dat de situatie niet verslechtert door: - Afkoeling tegen te gaan, maar géén extra warmte toe te voegen. Als u extra warmte toevoegt, wordt de natuurlijke reactie van het lichaam op shock tegengewerkt. Leg een isolatiedeken over het slachtoffer om verdere afkoeling te voorkomen; - De luchtweg zo nodig vrij te houden en het slachtoffer in stabiele zijligging te leggen. Geef het slachtoffer NIET te drinken. In geval van shock wordt het vocht namelijk niet meer opgenomen, bovendien is er gevaar voor verslikking. Ook de slikspieren zijn namelijk verzwakt Huidwonden Bij huidwonden is de huid beschadigd. Soms zijn zelfs pezen, spieren of botten beschadigd. Een huidwond kan ontstaan door: - Schaven, schaafwonden zijn oppervlakkig, maar ze zijn zeer pijnlijk. Soms zit er vuil in de wond; - Snijden, een snijwond bloedt hevig omdat er bloedvaten dwars zijn doorgesneden. Een slachtoffer met een snijwond ervaart relatief minder pijn dan een slachtoffer met een schaafwond. Bij diepere snijwonden kunnen ook onderliggende weefsels (zoals pezen, spieren en botten) zijn beschadigd; - Steken, een steekwond is een wond met een kleine ingang, maar een diepe inwendige beschadiging. Een voorbeeld van een steekwond is een spijker in de hand. Een steekwond bloedt minder hevig dan een snijwond; - Scheuren, een scheurwond ontstaat als de huid ergens aan blijft hangen, bijvoorbeeld aan prikkeldraad. Er ontstaat een scheur in de huid die minder hevig bloedt dan een snijwond. Een scheurwond is erg pijnlijk. Alle huidwonden doorbreken de bescherming die de huid biedt. Zo ontstaat er gevaar voor besmetting met bijvoorbeeld een bacterie en is er kans op infectie. Een goede wondverzorging kan bijdragen aan het voorkomen van infecties. Bij ernstig uitwendig bloedverlies komt in korte tijd veel bloed vrij. Ernstig uitwendig bloedverlies aan de ledematen is zelden levensbedreigend. Beoordeling van het slachtoffer Een slachtoffer met een huidwond verliest bloed en heeft pijn. De hoeveelheid bloedverlies en pijn hangen af van het soort wond en de ernst van de wond. Handelen van de BHV-er In de meeste gevallen hoeft het interne alarmnummer of niet te worden gealarmeerd bij huidwonden, behalve bij zeer ernstig uitwendig bloedverlies of gerafelde wondranden. Laat de melder doorgeven om wat voor letsel het gaat. Raadpleeg altijd een arts bij ernstige verwondingen aan gezicht en handen en bij ernstig uitwendig bloedverlies. Er zijn veel verschillende soorten gazen en verband in de handel. We beperken ons tot het aanleggen van een dekverband met gebruik van het wondsnelverband, het snelverband en het wonddrukverband. Als u het (wond)snelverband hebt aangebracht, is de wond voldoende beschermd tegen verdere besmetting. Een wondsnelverband kan worden gebruikt als het wondkussen de wond voldoende bedekt. Het is een elastisch verband dat met kleefpleisters wordt vastgezet. Vanwege de elasticiteit sluit het goed aan en is het goed te gebruiken bij het verbinden van gewrichten, handen en voeten. Het verband moet zo worden aangelegd dat het de elasticiteit behoudt (niet te strak). 28
30 Een snelverband (Nederlands model) is verkrijgbaar in verschillende maten. Een snelverband kan bij bijna alle verwondingen worden toegepast. Een wonddrukverband wordt gebruikt om druk op een wond uit te oefenen. Een wonddrukverband wordt opgebouwd uit een snelverband, synthetische watten en een elastische zwachtel. Een wonddrukverband wordt aangepast aan de grootte van de wond Lichte verwondingen Lichte verwondingen kunnen door de BHV-er zelf worden behandeld. Zorg dan voor de totale wondbehandeling. Lichte verwondingen zijn klein, ondiep en niet te sterk vervuild. Handel bij lichte verwondingen als volgt: - Laat het slachtoffer zitten en stel hem/haar op zijn/haar gemak; - Pak de verbandkoffer of laat de koffer halen; - Trek, indien gewenst, handschoenen aan; - Laat het slachtoffer bij voorkeur zelf sieraden aan vingers en armen verwijderen om afknelling te voorkomen; - Reinig de wond door te spoelen met zacht stromend lauw water; - Ontsmet de wond met een ontsmettingsmiddel, bijvoorbeeld Betadine of Sterilon; - Dek de wond steriel af; - Geef het getroffen lichaamsdeel, indien nodig, vervolgens rust en steun; - Raadpleeg bij twijfel een arts Ernstige verwondingen Ernstige verwondingen zijn zelden levensbedreigend, maar moeten na de eerste hulp door de BHV-er nog wel verder behandeld worden door professionele hulpverleners. Het gaat dan om grote, diepe en/of sterk vervuilde wonden. Ook wonden in het gezicht en op de handen horen tot deze categorie. Handel bij ernstige verwondingen als volgt: - Laat het slachtoffer zitten en stel hem/haar op zijn/haar gemak; - Pak de verbandkoffer of laat de koffer halen; - Trek, indien gewenst, handschoenen aan; - Laat het slachtoffer bij voorkeur zelf sieraden aan vingers en armen verwijderen om afknelling te voorkomen; - Dek ernstige verwondingen steriel af. Maak de wond niet schoon en gebruik géén Jodium of Sterilon; - Begeleid het slachtoffer naar een arts of SEH- afdeling. Aanleggen van een wondsnelverband Ga bij het aanleggen van een wondsnelverband als volgt te werk: - Open de verpakking en haal het verband eruit. Vouw het verband nog niet open; - Begin met de korte zwachtel. Haal het beschermstrookje van de kleefpleister; - Neem de korte zwachtel in de ene en de lange zwachtel in de andere hand; - Trek het verband open boven de wond en breng het wondkussen op de wond; - Bevestig de kleefpleister van de korte zwachtel vast op de huid; - Let er bij het neerleggen van de lange zwachtel op dat het wondkussen aan alle kanten is afgesloten; - Haal het beschermstrookje van de kleefpleister van de lange zwachtel. Plak het verband vast. 29
31 Aanleggen van een snelverband Ga bij het aanleggen van een snelverband als volgt te werk: - Bekijk de grootte de wond is en kies een passend snelverband. Zorg dat het snelverband de wond ruim bedekt; - Maak de verpakking open en laat het verband opgevouwen; - Pak het snelverband met beide handen bij de zwachtels vast; - Breng het verband op ongeveer dertig cm boven de wond; - Maak het snelverband open door de handen uit elkaar te trekken; - Zorg dat het verband meteen op de goede plaats ligt. Verschuif het niet. Mocht dit niet lukken, begin dan opnieuw met een nieuw verband; - Begin met één zwachtel. Leg de zwachtel zo neer dat de eerste slag voor de helft op het verband en voor de andere helft op de huid ligt; - Leg de tweede zwachtel op dezelfde manier aan; - Zwachtel vervolgens met beide zwachtels dakpansgewijs naar het midden. Laat elke slag de vorige slag overlappen. De zwachtels dienen elkaar af te wisselen. Zorg ervoor dat de randen van het snelverband helemaal zijn bedekt; - Leg een knoop in de uiteinden van de zwachtels op voldoende afstand van de wond. U kunt de uiteinden ook met een pleister vastzetten. Handelen bij ernstig uitwendig bloedverlies Indien het slachtoffer erg veel bloedverlies heeft dient men, indien nodig, zo snel mogelijk te alarmeren. Stelp de bloeding door druk uit te oefenen op de wond. Als u alleen bent, oefen dan eerst druk uit op de wond en alarmeer vervolgens het interne alarmnummer of anders Handel in een dergelijk geval als volgt: - Laat het slachtoffer, indien mogelijk, liggen; - Vraag zo nodig hulp aan een collega; - Leg het getroffen lichaamsdeel hoog; - Pak de verbandkoffer; - Trek, indien voor handen, handschoenen aan; - Verwijder sieraden aan vingers en armen om afknelling te voorkomen; - Haal vreemde voorwerpen die in de wond zitten (zoals een mes of een glasscherf) er niet uit, geef druk op de wond aan weerszijde van het voorwerp; - Druk met uw handen op de wond en houd het lichaamsdeel hoog; - Gebruik een snelverband of een andere doek en leg deze op de wond. Als het om een levensbedreigende bloeding gaat is elk verband waarmee u druk kunt uitoefenen goed. Wees creatief: ook met een stropdas, driehoeksverband of handdoek kunt u druk uitoefenen. Probeer contact met het bloed van het slachtoffer te vermijden. Draag, indien mogelijk, handschoenen; - Als de wond blijft bloeden, leg dan een wonddrukverband aan. 30
32 Aanleggen van een wonddrukverband Een wonddrukverband wordt aangelegd om een bloeding blijvend te stelpen wanneer de bloeding blijft ondanks de druk en het (wond)snelverband. Ga daarbij als volgt te werk: - Leg een open snelverband op de wond en laat het slachtoffer bij voorkeur zelf druk op de wond uitoefenen. Oefen anders zelf met uw hand druk uit op de wond. Doe dit ongeveer tien minuten; - Leg een snelverband aan op de wond; - Leg enkele lagen synthetische watten ruim over het snelverband; - Draai een zwachtel één slag om het gewonde lichaamsdeel heen. Zorg dat de watten blijven uitsteken; - Zorg ervoor dat elke slag de vorige voor ongeveer tweederde overlapt (dakpansgewijs zwachtelen); - Trek de zwachtels licht aan; - Zorg dat de watten aan beide zijden uitsteken; - Zet de zwachtel vast Brandwonden Brandwonden kunnen verschillende oorzaken hebben. Bijna alle brandwonden worden veroorzaakt door hete vloeistoffen (water, vet, olie). De diepte van deze verbrandingen is vaak bijzonder moeilijk te beoordelen; vooral heet water verbrandingen blijken bij nadere beschouwing vaak veel dieper te zijn dan in eerste instantie gedacht wordt. Andere oorzaken kunnen zijn: - Het inademen van hete gassen en dampen (onder andere rook en stoom): Door het inademen van hete gassen en dampen bij brand kan verbranding van de luchtweg optreden. Dit is doodsoorzaak nummer 1 bij branden; - Vlammen/vuur: Het slachtoffer wordt direct door vuur getroffen en vliegt mogelijk ook zelf in brand; - Hete voorwerpen, de zogeheten contactverbrandingen: Hierbij treedt vaak een combinatie op van warmte en druk (bijvoorbeeld strijkpers); - Straling: Hierbij wordt het slachtoffer niet direct door het vuur getroffen, maar ontvangt wel de stralingswarmte. Een voorbeeld hiervan is verbranding door zonnestraling; - Chemische stoffen: Er zijn stoffen die door hun chemische reactie brandwonden veroorzaken. Weer andere stoffen hebben een bijtend effect op de weefsels zoals zwavelzuur, zoutzuur of waterstoffluoride; - Elektriciteit: Hierbij dient onderscheid te worden gemaakt in verbrandingen die ontstaan doordat het slachtoffer door het vuur of door de straling van de vonk wordt getroffen of dat de stroom door het lichaam is gegaan. Hierbij kan uitgebreide inwendige schade ontstaan door warmteontwikkeling in de diepte. Ook kan de elektriciteit een circulatiestilstand veroorzaken; - Andere oorzaken zoals radioactiviteit. De ernst van een brandwond is afhankelijk van de diepte van de beschadiging van de huid, de grootte, de plaats van de brandwonden, de leeftijd van het slachtoffer, en bijkomende letsels. De ernst van de brandwond (omvang en diepte) wordt behalve door de soort hittebron vooral ook bepaald door de temperatuur van de inwerkende stof, de duur van de warmte-inwerking en de plaats van inwerking van het getroffen weefsel. De doorbloeding en de vochtigheidsgraad, maar vooral de dikte van de huid zijn belangrijk. Eenzelfde blootstelling geeft aan de handpalm aanzienlijk ernstigere brandwonden dan op de voetzool. De condities op de voetzool (meer eelt, een geringere doorbloeding en vaak een lagere vochtigheidsgraad) zorgen ervoor dat er minder schade wordt aangericht bij een gelijke blootstelling. 31
33 De risico s die slachtoffers lopen, hangen af van de ernst van de verbranding. Bij een verbranding raakt (een deel van) de huid van het slachtoffer beschadigd. Daarmee verliest de huid (een aantal van) zijn beschermende functies. Bacteriën hebben dan vrij spel en er bestaat gevaar voor infecties. Een ander gevaar is vochtverlies. Uit de brandwonden komt vocht vrij. Hierdoor kan een tekort aan vocht in de bloedvaten ontstaan, waardoor het slachtoffer in shock kan raken. De huid kan de lichaamstemperatuur niet vasthouden. Het lichaam verliest zo veel warmte met het gevaar voor onderkoeling. Door de brandwonden wordt ook de rest van het lichaam van het slachtoffer extra belast. Hierdoor kunnen andere verschijnselen optreden zoals minder eetlust, misselijkheid, snelle hartslag, snelle ademhaling, koorts, vermoeidheid en een slechte concentratie. Beoordeling van brandwonden slachtoffers Eerstegraads brandwond Bij een eerstegraads brandwond is de huid rood, droog, pijnlijk en mogelijk ook wat opgezwollen. Een eerstegraadsverbranding gaat meestal snel over en hoeft niet in een ziekenhuis te worden behandeld. 1 e graads brandwond. Oppervlakkig aan de opperhuid. 32
34 Tweedegraads brandwond Bij een tweedegraads brandwond is de huid rood, licht gezwollen en pijnlijk. Bovendien kan blaarvorming optreden. Een slachtoffer met tweedegraads verbrandingen heeft ook eerstegraads verbrandingen. Een tweedegraads brandwond is doorgaans binnen twee â drie weken genezen. 2 e graads brandwond, blaarvorming en diepere schade aan de huid. Derdegraads brandwond Bij een derdegraads brandwond is de huid wit/zwart, droog en leerachtig. Het slachtoffer voelt nauwelijks pijn. Dat komt omdat bij derdegraads brandwonden ook de zenuwen in de huid zijn aangetast. Een slachtoffer met derdegraads verbrandingen heeft ook eersteen tweedegraads verbrandingen. Derdegraads verbrandingen kunnen, tenzij ze heel klein zijn, alleen genezen door een huidtransplantatie. Vierdegraads brandwond Deze vorm van verbranding wordt ook wel verkoling genoemd. Hierbij is de verbranding zo diep dat zelfs de spieren tot aan het bot vernietigd zijn. In deze situatie is herstel uitgesloten en zal veelal amputatie het gevolg zijn. 33
35 Handelen van de BHV-er bij brandwonden De kreet eerst water, de rest komt later is in alle gevallen van brandwonden van toepassing. Het maakt niet uit hoe ernstig de brandwond is of waardoor deze veroorzaakt wordt, het koelen van de wond dient de eerste reactie te zijn. Koel minimaal tien minuten met zacht stromend lauw water of gebruik een watergel kompres/verband. Koel met lauw water, omdat langdurig koelen met koud water kan leiden tot onderkoeling. Koel niet met een harde straal, want dit is nogal pijnlijk. Als er geen schoon leidingwater beschikbaar is, gebruik dan desnoods slootwater. Het koelen is in dit stadium belangrijker dan het voorkomen van infecties. Het koelen stopt het verbrandingsproces en voorkomt dat de wond verder inbrandt. Bovendien trekken de bloedvaatjes in de huid samen waardoor vochtverlies wordt voorkomen. Koelen werkt ook pijn verzachtend. Het voordeel van de watergel kompres is dat er makkelijker en langer gekoeld kan worden. Smeer niets (anders) op de wond! Verwijder kleding, maar laat kleding die aan huid vastkleeft zitten. Lostrekken verergert het letsel. Houd kleding die aan de huid vastzit nat. Bij verbrandingen aan hand en arm moeten sieraden worden verwijderd, bij voorkeur door het slachtoffer zelf. Na enige tijd zal de verbrande arm of hand namelijk gaan zwellen en moeten sieraden worden afgeknipt om afknelling te voorkomen. Dek tweede- en derdegraads brandwonden na het koelen bij voorkeur af met een niet verklevend gaas (bijvoorbeeld Metalline). Als dat niet voorhanden is, gebruik dan een schone doek (laken, theedoek, zakdoek). Door gebruik te maken van de handwijzer kan een grove schatting worden gemaakt van de grootte van de brandwond. De oppervlakte van de hand van het slachtoffer is één procent van zijn lichaamsoppervlak. De grootte van de brandwond wordt bepaald door het aantal keer het handoppervlak dat op de verspreid liggende brandwonden past. Vijf handen betekent dat vijf procent van het lichaam is verbrand. Als 20 procent of meer van het lichaamsoppervlak is aangetast, is er sprake van uitgebreide verbrandingen. Slachtoffers met uitgebreide verbrandingen kunnen in shock raken. Beoordeel op grond van de verschijnselen van de brandwond of het nodig is een arts of te alarmeren. Neem bij twijfel altijd contact op met een arts. Waarschuw in ieder geval een arts als er sprake is van blaren, een aangetaste huid, verbrandingen in het gezicht, een brandwond veroorzaakt door een chemisch product of veroorzaakt door elektriciteit. Begeleid slachtoffers zo nodig naar een arts of Spoed Eisende Hulp (SEH)- afdeling. Bijzondere situaties In sommige situaties van verbranding zijn er extra aandachtspunten vanwege bijzonder gevaar. Het gaat dan om situaties waarbij het slachtoffer verbrandingen in het gezicht heeft (geeft altijd verbrandingen aan de luchtwegen) en verbrandingen door chemische stoffen. Verbrandingen in het gezicht Bij een verbranding van het gezicht kan de luchtweg zijn verbrand. Wees dan bedacht op ademhalingsproblemen. Handel bij verbrandingen in het gezicht als volgt: - Alarmeer altijd het interne alarmnummer of direct 1-1-2; - Koel het slachtoffer onder een douche, zo mogelijk halfzittend; - Laat ambulancepersoneel deze slachtoffers verzorgen en vervoeren. Slachtoffers met een verbranding van de luchtweg moeten altijd halfzittend worden vervoerd. Dat is de beste houding om te kunnen ademhalen. 34
36 Verbrandingen door chemische stoffen Het is belangrijk om op de hoogte te zijn van de chemische stoffen die in het bedrijf chemische stoffen aanwezig zijn. Let altijd op etiketten en pictogrammen op (klein)verpakkingen. Fabrikanten moeten bij elke chemische stof een veiligheidsinformatieblad leveren. Een veiligheidsinformatieblad bevat informatie over de risico s van een chemische stof en de juiste wijze van behandeling in geval van een ongeval met deze stof. Ga na waar deze informatie in het bedrijf is te vinden. De veiligheid van degene die hulp verleent staat voorop bij het behandelen van een verbranding door chemische stoffen. Sommige chemische stoffen geven hete gassen en dampen af. Het inademen van deze hete gassen en dampen kan gevaar opleveren voor slachtoffer én hulpverlener. Draag minimaal de juiste beschermende handschoenen om te voorkomen dat u ook zelf letsel oploopt. Als u zich niet voldoende kunt beschermen tegen de gevaren van de chemische stof, wacht dan op deskundige hulp. Handel bij verbrandingen door chemische stoffen als volgt: - Spoel het slachtoffer zo snel mogelijk af om de stof te verwijderen. Maak daarbij, indien beschikbaar, gebruik van een douche. Gebruik desnoods een tuinslang, brandslang of emmers water. Spoel het slachtoffer minimaal dertig minuten. Probeer te voorkomen dat het spoelwater over de niet aangetaste huid loopt; - Verwijder tijdens het spoelen de besmette kleding; - Dek de wond(en) na het koelen steriel af Wervelletsel Wervelletsel kan gepaard gaan met letsel van het ruggenmerg. Hierdoor kan een verlamming van de ledematen optreden. Indien een slachtoffer met wervelletsel geen verlammingsverschijnselen heeft, kunnen deze door niet deskundige hulp alsnog ontstaan. Er vinden veel bedrijfsongevallen plaats waarbij wervelletsel optreedt, vooral bij het werken op daken en steigers in de bouw. Wervelletsel treedt op door het vallen van hoogte. Maar wervelletsel kan ook ontstaan door een slag in de nek of hals, een hevige kracht op de wervels door een aanrijding, of een duik in ondiep water. Ook door een zwaar voorwerp dat op het hoofd valt, kan letsel van de (hals) wervelkolom optreden. De geringste beweging kan leiden tot verergering van het letsel. Bij ieder letsel aan de rug moet u bedacht zijn op een wervelbreuk. Dat geldt in het bijzonder als iemand op zijn rug is gevallen, maar ook wanneer men van een hoogte op zijn hielen is gevallen. De gebroken wervel kan het ruggenmerg beschadigen, zeker wanneer het slachtoffer beweegt of wanneer hij wordt bewogen. Dit kan blijvende verlammingen als gevolg hebben. Beoordeling van het slachtoffer Bij wervelletsel heeft het slachtoffer pijn in de nek of rug. Het slachtoffer zal meestal zijn hoofd niet bewegen of zich niet oprichten. Indien een slachtoffer mogelijk wervelletsel heeft, dient hij/zij zo min mogelijk te bewegen Als ook het ruggenmerg is beschadigd, kunnen tintelingen in de benen en voeten, gevoelloosheid en verlammingen van de benen en voeten optreden. 35
37 Handelen van de BHV-er Het enige dat een BHV-er kan doen bij een slachtoffer met mogelijk wervelletsel is zo snel mogelijk alarmeren en het slachtoffer laten liggen zoals het is aangetroffen. Zorg dat het slachtoffer NIET BEWEEGT. Zorg dat ook omstanders het slachtoffer met rust laten. Bescherm het slachtoffer eventueel tegen kou door hem toe te dekken met een deken. Wacht op deskundige hulp. Draai een slachtoffer waarbij wervelletsel wordt vermoed niet op zijn rug, tenzij de circulatie wordt bedreigd. Mocht er bij een slachtoffer met wervelletsel sprake zijn een bedreigde of uitgevallen circulatie, controleer dan de ademhaling en handel volgens het schema van de eerste hulp- benadering Botbreuken en ontwrichtingen Bij botbreuken en ontwrichtingen is de normale samenhang van het skelet doorbroken. Bij een breuk is het bot geheel of gedeeltelijk gebroken. Dit kan gebeuren door een val of slag of door een onverwachte beweging. Soms is bij het breken of bewegen gekraak van de botten te horen. Dit is echter niet altijd het geval. Als er ter hoogte van de breuk een wond is, noemen we dat een open breuk, ook als het gebroken bot niet zichtbaar is. Bij een ontwrichting zijn de twee boteinden, die samenkomen in een gewricht, ten opzichte van elkaar verschoven. Het gewricht staat in een vervormde stand. Ontwrichtingen ontstaan door een slag, stoot of val of door verdraaiing van de ledemaat. Bij open botbreuken en ontwrichtingen bestaat gevaar voor infectie. De beschadiging van omliggende weefsels neemt toe als een gebroken of ontwrichte ledemaat op een verkeerde manier wordt bewogen. Beoordeling van het slachtoffer Een slachtoffer met een botbreuk vertoont de volgende verschijnselen: - Pijn; - Een zwelling; - Een uitwendige bloeding bij een open breuk; - Een inwendige bloeding bij een gestoten breuk. Aan de buitenkant is een zwelling te zien. De zwelling komt door de inwendige bloeding uit het gebroken bot en is een botbreukkenmerk bij uitstek; - In de meeste gevallen is de getroffen ledemaat beperkt bruikbaar; - Bij een ontwrichting staat het gewricht in een afwijkende of abnormale stand. Handelen van de BHV-er De BHV-er kan alleen hulp verlenen bij botbreuken en ontwrichtingen aan armen of benen. De eerste hulp bij overige breuken moet worden overgelaten aan professionele hulpverleners. Handel bij gesloten breuken en ontwrichtingen als volgt: - Beoordeel of het nodig is het interne alarmnummer of te (laten) alarmeren; - Zorg dat het getroffen lichaamsdeel niet kan bewegen. Maak een dekenrol bij een breuk aan de benen. Neem de maat voor de lengte van de deken aan de niet geblesseerde kant van het lichaam. Plaats de dekenrol naast het gebroken lichaamsdeel. Bij een gebroken arm kan het slachtoffer de gebroken arm met zijn andere arm en hand ondersteunen; - Wacht op de ambulance of ga met het slachtoffer naar de SEH- afdeling. Laat bij open breuken alarmeren. Uw eerste zorg is het stelpen van de bloeding en beperken van infectiegevaar. Ga als volgt te werk: - Voorkom beweging; - Stelp zo nodig de bloeding met steriele gazen. Let er daarbij op dat het gebroken Lichaamsdeel niet beweegt; 36
38 Verdere handelingen zijn afhankelijk van de situatie waarin u het slachtoffer aantreft: - Is de kleding die over de breuk zit nog heel, laat de kleding dan zitten; - Is de kleding gescheurd, leg dan een dekverband over de scheur aan; - Is de breuk vrij van kleding, dek de wond dan steriel af; - Leg een (opengevouwen) snelverband op de wond en zet het vast met kleefpleister; - Knip de zwachtels af; - Zet het snelverband rondom vast met kleefpleisters; - Zorg dat het gebroken lichaamsdeel niet kan bewegen. Maak een rolletje van een deken of wat er voor handen is. Plaats dit rolletje naast het gebroken lichaamsdeel Oogletsels Oogletsel kan ontstaan door vuil in het oog (een loszittend vuiltje of een doordringend voorwerp zoals een metaalsplinter), een bijtende stof of door een (chemische) verbranding. Het oog kan ook beschadigd raken door ultraviolette straling van lasapparatuur, felle lampen of hoogtezon, de zogenoemde lasogen. Bij lasogen wordt het hoornvlies beschadigd. Stomp oogletsel ontstaat als het oog wordt getroffen door een harde klap van bijvoorbeeld een tak of bal. Beoordeling van het slachtoffer Oogletsel kan op verschillende manieren zichtbaar zijn. Het oog kan rood zijn en tranen. Soms is er een bloeding in of rond het oog. De pupil kan vervormd zijn. Het slachtoffer geeft aan pijn in het oog te hebben en is angstig en onrustig. Hij knijpt zijn ogen dicht en kan minder goed zien. Soms heeft het slachtoffer een tik tegen het oog gevoeld. Handelen van de BHV-er Allereerst zal een BHV-er moeten bepalen of het nodig is te alarmeren of dat hij zelf met het slachtoffer naar een arts of SEH- afdeling kan gaan. Het handelen hangt af van het soort oogletsel. Zorg in alle gevallen dat het slachtoffer niet in de ogen gaat wrijven. Haal geen voorwerpen uit het oog, laat ook contactlenzen zitten. Loszittend vuiltje De BHV-er kan proberen een loszittend vuiltje/voorwerp uit het oog te halen. Handel daarbij als volgt. Trek de oogleden met duim en wijsvinger voorzichtig van elkaar. Mogelijkheid 1: U ziet het vuiltje zitten Haal het er dan met de punt van een schoon gaasje of schone zakdoek uit of veeg het naar de dichtstbijzijnde ooghoek. Mogelijkheid 2: U ziet het vuiltje niet zitten Laat het slachtoffer dan eerst naar boven kijken en trek het onderste ooglid naar beneden. Laat het slachtoffer daarna naar beneden kijken en trek het bovenste ooglid omhoog. Verwijder het vuiltje zodra u het ziet: op het oogwit of in de ooglidplooi. Ga met het slachtoffer naar een (oog)arts als het vuiltje op het hoornvlies zit of als het niet lukt het te verwijderen. 37
39 Voorwerp in het oog Als er een voorwerp in het oog is doorgedrongen, bijvoorbeeld een metaalsplinter, dan kan de pupil vervormd zijn doordat het voorwerp kleine spiertjes in het oog heeft doorgesneden. Als een voorwerp het oog heeft geraakt maar niet is doordrongen, dan treedt er een bloeding op in het oog. De eerste hulp is in beide gevallen hetzelfde: - Laat het slachtoffer liggen of half zitten (geef een steuntje in de rug), om de druk op het oog te beperken; - Laat het slachtoffer het oog afdekken met een hand. Gebruik géén verband; - Breng het slachtoffer naar een (oog)arts of de SEH- afdeling. Laat een slachtoffer met een doordringend voorwerp in het oog in principe per ambulance vervoeren. De ambulance is ingericht om personen met dergelijk letsel te kunnen vervoeren. Chemische verbrandingen Chemische verbrandingen aan het oog moeten bij voorkeur worden gespoeld op een oogspoelstation dat is aangesloten op het waterleidingnet. In sommige bedrijven is een oogdouche voorhanden. Gebruik deze of spoel het oog boven een wasbak. Het is ook mogelijk het slachtoffer te laten liggen en het oog dan te spoelen. Ga bij het spoelen als volgt te werk: - Houd het oog van bovenaf open; op deze wijze wordt voorkomen dat het spoelwater met de chemische stof over de hand van de BHV er loopt; - Giet met een oogdouche. Let er daarbij op dat het vuile spoelwater niet in het andere oog terechtkomt. Houd het hoofd schuin; - Spoel bij verbrandingen minstens tien minuten met veel lauw zacht stromend water. Spoel bij bijtende stoffen minstens dertig minuten. Spoelen met koud water is overigens niet schadelijk voor het oog, maar minder aangenaam voor het slachtoffer. Laat een slachtoffer met chemische verbrandingen in het oog in principe per ambulance vervoeren. De ambulance is ingericht om personen met dergelijk letsel te vervoeren. Neem of geef informatie mee over de stof die in het oog is gekomen. Oogletsel door een stomp voorwerp Als het oog is geraakt door een harde klap, dan dient het slachtoffer te worden behandeld door een (oog)arts. 38
40 4. Communicatie Bij een ongeval, brand en dergelijke moet duidelijk zijn hoe de BHV wordt gewaarschuwd. Het kan bijvoorbeeld zo zijn dat een collega u erbij roept of dat u gealarmeerd wordt via een telefoontje of een pieper. Om als BHV-er goed in uw bedrijf te kunnen functioneren, moet u weten hoe de meldorganisatie in elkaar zit. Die informatie krijgt u in uw bedrijf Het melden van een incident Afhankelijk van de ernst van de zaak moeten collega s in de directe omgeving worden gewaarschuwd door brand te roepen of om hulp te roepen, indien dit geen paniek veroorzaakt bij de cliënten. Een incident kan telefonisch of mondeling worden gemeld of door het inslaan van een handbrandmelder. In elk bedrijf is afgesproken aan wie de BHV-er een incident moet melden. Soms is dat de receptiemedewerker of portier, soms de ploegleider of diens vervanger. In uw bedrijf krijgt u te horen wie dat in uw geval is en waar deze persoon te bereiken is. Bovendien moet in elk bedrijf schriftelijk zijn vastgelegd hoe de BHV-er en het personeel het incident moeten melden: bij het interne alarmnummer of direct bij Op het moment dat er een ongeval of brand wordt ontdekt, is het noodzakelijk dit zo snel mogelijk te melden bij het interne alarmnummer of als dat er niet is bij of Zorg dat u het interne alarmnummer kent of bij u heeft, plus de naam of functie van degene aan wie u uw melding kwijt kunt. Als u bij het meldnummer géén gehoor krijgt en u kunt uw melding niet op een andere manier kwijt, aarzel dan niet, maar bel het alarmnummer Een interne melding doen Laat bij voorkeur iemand anders de melding doen en blijf zelf op de plaats van het incident. Een interne melding bestaat altijd uit de volgende meldregels (gegevens): - Wie: uw naam en telefoonnummer plus eventueel de afdeling; - Waar: de plaats van het incident; - Wat: het soort incident of wat er gebeurd is. Het kan bijvoorbeeld gaan om een brandje, iemand die flauw is gevallen of iemand die een snijwond heeft opgelopen; - Het aantal slachtoffers; Degene die de melding opneemt kan nog aanvullende vragen stellen, namelijk: - Wat is de toestand van het slachtoffer(s) en/of van de situatie; - Wat heeft u gedaan of gaat u doen; - Van wie heeft u hulp nodig of welke hulpverleningsdienst moet worden gewaarschuwd? Bij het melden van een incident bestaat het gevaar dat u verkeerd begrepen wordt. Wanneer dat zo is, zal er naar aanleiding van uw melding niet of op een verkeerde manier actie worden ondernomen. Daarom is het van groot belang dat uw melding goed overkomt. Wilt u er zeker van zijn dat u goed begrepen bent, vraag dan of degene aan de andere kan van de lijn uw boodschap herhaalt. Zo kunt u meteen controleren of uw melding foutloos is doorgekomen. 39
41 Brand melden via de handbrandmelder Bij brand is het in veel bedrijven mogelijk om alarm te slaan door het inslaan of indrukken van een handbrandmelder. Er zijn verschillende uitvoeringen van handbrandmelders in de handel. Er zijn melders met een breekruitje, dat met de duim gebroken moet worden. Door het drukken op het ruitje breekt de ingebouwde breuklijn. Doordat er folie op het glas zit, zult u zich niet verwonden. Daarnaast zijn er ook melders waarvan het ruitje met behulp van een hamertje moet worden gebroken. Zodra het glas breekt, wordt de melder geactiveerd. Handbrandmelders zijn altijd rood. In veel bedrijven is een brand meldinstallatie (BMI) aanwezig waarop handbrandmelders en automatische brandmelders zijn aangesloten. Meestal is het brand meldpaneel waarop de meldingen binnenkomen bij de receptie geplaatst. De BMI slaat aan door het activeren van een handbrandmelder of door een melding van een automatische brandmelder. Zodra een melder wordt geactiveerd, verschijnt er een signaal op het brand meldpaneel dat aangeeft waar de melding vandaan komt. De meeste automatische brandmelders zijn rookmelders. Omdat rookmelders gevoelig zijn voor omgevingsinvloeden, zoals sigarettenrook, stoom of stof gebeurt het nogal eens dat ze onnodig in werking treden. Er is dan sprake van een ongewenste brandmelding. Het gebruik en de inrichting van een gebouw moet zodanig zijn dat ongewenste meldingen zoveel mogelijk worden vermeden. Na de zoveelste ongewenste melding wordt de alarmorganisatie namelijk minder alert. Automatische melders zorgen ervoor dat een ruimte altijd wordt bewaakt. Een brand meldinstallatie kan geen brand voorkomen, maar wel zorgen dat de brand snel wordt gemeld. In de meeste bedrijven neemt de receptie op als het interne alarmnummer wordt gebeld en komen brandmeldingen bij de receptie binnen op het brand meldpaneel. De receptiemedewerker beslist op grond van de meldinformatie, wie er moet worden gealarmeerd. Deze informatie bepaalt in feite de kans op een succesvolle opvolging van de melding. Als alles goed is geregeld, heeft de receptie een procedure voor het uitvragen van een melding en voor het handelen naar aanleiding van een brandmelding. Een brandmelding kan op verschillende manieren bij de brandweer binnenkomen, afhankelijk van de voorzieningen die er in het bedrijf zijn. De verplichting tot het hebben van een BMI is vastgelegd in de gemeentelijke bouwverordening. Het bedrijf (de beheerder en/of eigenaar van de BMI) is zelf verantwoordelijk voor het beheer van de BMI en niet de brandweer. Als de BMI na een melding opnieuw moet worden aangezet (gereset), is dat een taak voor iemand van het bedrijf. In bedrijven met een verplichte BMI is dat de beheerder BMI (voorheen Opgeleid Persoon). De beheerder BMI houdt een logboek bij waarin de meldingen en alle handelingen die aan de BMI worden verricht, zijn vastgelegd. In sommige organisaties kan de BHV in avond, nacht- en weekenddiensten een taak hebben in het noteren van gegevens in het logboek. 40
42 4.3. Alarmering na ontvangst van de melding De werkgever moet de BHV zo organiseren, dat de BHV- taken na het plaatsvinden van een ongeval of brand op adequate wijze kunnen worden vervuld. Dat betekent dat de BHV na alarmering binnen enkele minuten op de plaats van het incident moet zijn. Dat is alléén mogelijk als er binnen de organisatie duidelijkheid is over hoe een melding moet worden opgenomen en wie er vervolgens dient te worden gealarmeerd. Door snel en efficiënt handelen kan worden voorkomen dat de zaak escaleert. Verdere uitbreiding van het incident kan hierdoor mogelijk worden vertraagd of gestopt, waardoor schade en letsel beperkt of misschien wel voorkomen kunnen worden. De alarmeringsprocedures moeten minimaal de volgende elementen bevatten: - De wijze waarop een incident of calamiteit moet worden gemeld; - De wijze waarop de BHV-ers worden opgeroepen; - De wijze van alarmeren van het personeel en andere personen die op het bedrijf aanwezig zijn; - De wijze waarop hulpverleningsdiensten en overheidsinstanties worden gealarmeerd en geïnformeerd. Als er een alarmmelding binnenkomt op het interne alarmnummer, dan zal de melding in de meeste bedrijven worden aangenomen door de receptiemedewerker. Hij is een belangrijke schakel in de alarmeringsprocedure. De receptiemedewerker maakt op grond van deze taak deel uit van de BHV. De receptiemedewerker zal bij opname van de melding een aantal vaste vragen stellen afhankelijk van het soort melding. Hij noteert de gegevens in zijn logboek en hij bepaalt op grond van deze gegevens wie er moeten worden gealarmeerd: - De BHV- organisatie (BHV-ers, ploegleider(s), coördinator/hoofd BHV). De BHV kan, indien mogelijk, starten met de hulpverlening voor zover dat binnen hun mogelijkheden ligt; - Eventueel de beveiligingsdienst. Bijvoorbeeld voor het op afstand houden van publiek; - De leidinggevende (van de betreffende afdeling). Hij/zij moet op de hoogte worden gesteld vanwege zijn zorg en verantwoordelijkheid voor het personeel van de afdeling. In sommige situaties voert de leidinggevende de coördinatie over de inzet van de BHV; - Bij incidenten die de BHV niet alleen af kan, alarmeert de receptiemedewerker de externe hulpverleningsdiensten. In de alarmeringsprocedure staat ook beschreven hoe de BHV-er deze personen moet alarmeren, bijvoorbeeld via telefoon, semafoon of portofoon. Als u wordt gealarmeerd, weet u dat u naar een (van tevoren vastgestelde) plek moet. Bijvoorbeeld naar de receptie of bij een ontruiming naar de betreffende afdeling of etage om daar instructies te krijgen en van daaruit hulp te verlenen. Vervolgens wordt er gehandeld volgens de BHV- inzetprocedures. In sommige bedrijven wordt gewerkt met taakkaarten waarop is beschreven wie wat doet bij de aanpak van een incident. In andere bedrijven heeft een BHV-er een vaste rol: bijvoorbeeld brand bestrijden, eerste hulp verlenen, gidsen van de externe hulpverleningsdiensten of ontruimen. Als de inzet eenmaal in volle gang is, is het belangrijk de receptiemedewerker ook op de hoogte te houden van het verloop van de inzet, zodat hij weet wat er van hem wordt verwacht. 41
43 4.4. Alarmerings- en communicatiemiddelen De wijze waarop BHV-ers worden gealarmeerd hangt af van de beschikbare alarmeringsmiddelen. Er kan worden gealarmeerd via een codeboodschap, via de omroepinstallatie of via een (stil) alarm op oproepontvangers, semafoons of piepers. Sommige bedrijven beschikken over DECT- telefoons en portofoons. DECT staat voor Digital Enchanged Cordless Telecommunications. DECT- telefoons hebben als groot voordeel dat er gelijktijdig in twee richtingen kan worden gesproken. Ze hebben als nadeel dat, als de stroom uitvalt, er geen verbinding meer mogelijk is. Het ontvangstbereik hangt af van het aantal tussenstations. Mobiele telefoons zijn, mits opgeladen, ook bruikbaar als de stroom uitvalt. Ook bij de mobiele telefoon is het ontvangstbereik afhankelijk van de aanwezige steunzenders. Portofoons hebben al voordeel dat het zenden en ontvangen in het apparaat zelf gebeurt. Hierdoor blijven ze ook bij stroomuitval werken. Daarnaast is het bereik veel groter. Maar een groot nadeel is het eenrichtingverkeer. Personeel en derden kunnen worden gewaarschuwd dat er iets aan de hand is en dat er een bepaalde actie moet volgen via de slow- whoop of ontruimingsalarminstallatie. Er is dan sprake van een luid alarm (voor iedereen hoorbaar). Een slow- whoop is dikwijls gekoppeld aan de brand meldinstallatie. De slow- whoop geeft een langzaam aanzwellend en dan snel afvallend geluid (dit verklaart de benaming slow- whoop). Er zijn installaties waarbij het ontruimingssignaal is gekoppeld aan een brandmelding. Als het systeem dan een brandmelding constateert, wordt automatisch de slow- whoop in werking gesteld. Is er geen doorschakeling, dan kan het ontruimingssignaal op een andere manier worden aangezet. Bijvoorbeeld door het inslaan van een handbrandmelder of het indrukken van een ontruimingsmelder. Naast de slow- whoop zijn er ook ontruimingsalarminstallaties met een omroepinstallatie waarmee een mededeling kan worden gedaan. Naast de geluidssignalen zijn er ook installaties voor specifieke doelgroepen. Om bijvoorbeeld dove mensen te waarschuwen of, in een omgeving met zeer veel omgevingsgeluid, kan gebruik worden gemaakt van lichtsignalen. De BHV kan tijdens een inzet onderling communiceren via portofoon, mobiele telefoon of DECT- telefoon. Als het enigszins kan, maak dan bij een BHV- inzet gebruik van het communicatiemiddel dat u gewend bent te gebruiken. Het communiceren met een portofoon vergt enige oefening. Bij een portofoon kunt u niet meteen terugpraten zoals bij een gewone telefoon. U moet eerst wachten tot u daarvoor toestemming krijgt. Dat gebeurt door het woordje over. Pas nadat u over heeft gehoord, kunt u praten. Natuurlijk moet u dat na een mededeling zelf ook zeggen. Bij het beëindigen van een gesprek zegt u over. Degene die het gesprek start, neemt ook het initiatief om het gesprek te beëindigen. Het is nodig om dit vaak te oefenen. Alleen dan zult u de portofoon bij een echt incident goed kunnen gebruiken. Gebruik géén portofoon als u iemand gewoon kunt aanspreken of aanroepen. Om grote groepen te bereiken tijdens een incident of ontruiming kan gebruik worden gemaakt van een megafoon of een omroepinstallatie. Het gaat dan bijvoorbeeld om het geven van aanwijzingen voordat een gebouw wordt ontruimd of om het toespreken van personeel op de verzamelplaats. Het zijn zeer nuttige en soms onmisbare middelen in de hulpverlening. Hoe groter de BHV- organisatie, hoe meer communicatiemiddelen er nodig zijn. Het is belangrijk dat de BHV goed kan werken met de beschikbare alarmerings- en communicatie- middelen. Oefen dan ook met alle beschikbare middelen tijdens de BHVoefeningen. 42
44 4.5. Opvang van professionele hulpverleningsdiensten De BHV vangt de professionele hulpverleningsdienst op als zij bij het gebouw arriveert. Hulpverleningsdiensten hebben meestal een vaste plaats waar ze parkeren. Gewoonlijk is dat zo dicht mogelijk bij de hoofdingang. In drukbevolkte gebouwen zijn vaak andere toegangspunten afgesproken. Geef hierover informatie bij de externe melding. De BHV staat klaar om de hulpverleners op te vangen en hen te begeleiden naar de plaats van het incident. De BHV informeert de professionele hulpverlener over het incident en de inzet tot dat moment. De professionele hulpverlener wil bij aankomst een aantal dingen van u weten. Zorg dat u die informatie paraat hebt, als zij aankomen. De volgende vragen kunnen gesteld worden: - Wie heeft het incident gemeld en is die persoon beschikbaar; - Wat is er gebeurd en waar; - Is er actie ondernomen en wat houdt die actie in; - Zijn er slachtoffers binnen en zo ja, hoeveel; - Zijn er mensen in gevaar en zo ja, hoeveel; - Zijn er gevaren waardoor de hulpverlening belemmerd of lastig kan worden; - Is er een bedrijfsdeskundige aanwezig of onderweg? Hulpverleningsdiensten vinden het vaak prettig om een plattegrond van het bedrijf te hebben, zodat ze zich snel een beeld van de situatie kunnen vormen. Dit is met name belangrijk voor de brandweer. Maar ook bijvoorbeeld bij wateroverlast is het handig voor de hulpverlener om zo n kaart te hebben. Het is makkelijk als die op voorraad liggen op de plek waar de hulpverleningsdienst het gebouw binnenkomt. Het is bijzonder handig als afspraken over de opvang van en informatie voor de professionele hulpverleningsdiensten in het BHV- plan of het bedrijfsnoodplan zijn vastgelegd. 43
45 5. Beperken/bestrijden van branden In elk bedrijf kan brand ontstaan. De kans dat er brand uitbreekt, is afhankelijk van het brandrisico in een bedrijf. De meeste branden ontstaan door menselijke fouten en het falen van installaties. In bedrijven en instellingen worden branden meestal veroorzaakt door: - Defecten in apparaten en technische storingen; - Brandstichting; - Ondeskundig handelen; - Het uitvoeren van brandgevaarlijke werkzaamheden, zoals lassen, solderen, dakdekken of laboratoriumwerk; - Broei in bulk- en afvalproducten; - Onvoorzichtigheid bij roken. Als BHV-er moet u bij brand kunnen handelen. Om dat goed te kunnen doen, is het nodig te weten wanneer u zelf een bluspoging mag doen en hoe u dan te werk moet gaan Brand en de branddriehoek Om te weten hoe een brand op een juiste manier geblust kan worden, moet u weten wat een brand eigenlijk is en hoe een brand kan ontstaan. Brand kunnen we definiëren als vuur dat: - Ongewenst is; - Schade of gevaar veroorzaakt; - Zich ongehinderd kan uitbreiden. Brand kan op veel manieren worden waargenomen: - Zien: licht, vlammen en rook; - Voelen: de warmte/hitte; - Horen: het knetteren van de vlammen; - Ruiken: een brandlucht. Voor elke brand zijn drie zaken nodig: - Een brandbare stof; - Een bepaalde hoeveelheid zuurstof; - Een bepaalde ontbrandingstemperatuur. Als deze drie factoren in de juiste verhouding aanwezig zijn, ontstaat er brand. Deze drie factoren worden meestal in een driehoek getekend en worden de zijden van de branddriehoek genoemd. Voor brand moeten alle zijden van de branddriehoek aanwezig zijn. Halen we één van de zijden weg, dan gaat de brand uit. Het blussen van een brand is dus hetzelfde als het weghalen van minstens één van de zijden van de branddriehoek. Het weghalen van de brandbare stof Dit lijkt op het eerste gezicht erg moeilijk en voor de meeste branden is het dat ook. Waar het wel goed mogelijk is, is bij gasbranden. Het is daar eigenlijk de enige manier van blussen. Door het dichtdraaien van de gaskraan wordt de brandbare stof weggehaald en zal de brand stoppen. De brand gaat ook uit als de brandbare stof is opgebrand. 44
46 Het weghalen van de zuurstof Ook dit lijkt moeilijk omdat er altijd zuurstof aanwezig is. Het gaat echter goed door de brand te verstikken. Dan kan er geen zuurstof meer bij de brand komen. Voorbeelden hiervan zijn het afdekken van een brandende frituurpan met een deksel, of het afdekken van een brandende prullenbak met een blusdeken. Schuim en koolzuursneeuw (C02) hebben ook een verstikkende werking. Het verlagen van de temperatuur Door een blusmiddel op de brand te spuiten daalt de temperatuur en wordt de temperatuurzijde van de branddriehoek weggehaald. Zo wordt de brand geblust. Handelen van de BHV-er De belangrijkste taak voor de BHV-er bij brand is het goed inschatten van de situatie. Een BHV-er moet beginnende brandjes kunnen blussen en kunnen beoordelen wanneer de brandweer in actie moet komen. Op het moment dat u wordt gealarmeerd omdat er een brandmelding is, dan moet u proberen kalm te blijven om op de goede manier te kunnen handelen. Hierdoor kan de schade en het eventuele letsel worden beperkt. Het is dus erg belangrijk dat u weet wat u moet doen om de gevolgen van brand zo klein mogelijk te houden. Gevaren bij brand Voor een BHV-er geldt één gouden regel: eigen veiligheid eerst! Als er brand wordt ontdekt in het bedrijf kan de eerste reactie zijn erop af gaan en beginnen met blussen, zeker als het leven van collega s in gevaar lijkt te zijn. Ook in die situatie blijft echter gelden: eigen veiligheid eerst. Bij brand zal de rookontwikkeling en rookverspreiding meestal sneller verlopen dan de uitbreiding van het vuur. Het grootste gevaar van rook is het inademen ervan met als gevolg verbranding van de luchtwegen. De meeste slachtoffers bij brand overlijden door de rook en niet door het vuur. Rook is bovendien altijd giftig. Omdat het levensbedreigend is, moet worden voorkomen dat mensen rook inademen. In rook bevindt zich maar maximaal 12% zuurstof. De gevaren van rook gelden vanzelfsprekend niet alléén voor de slachtoffers van brand, maar ook voor de BHV-ers. Tijdens het vluchten mag maximaal dertig seconden door rook worden gelopen. De regels voor vluchtwegen zijn hierop afgestemd en gelden ook voor de BHV. Eén van de stoffen die altijd voorkomt bij brand is koolmonoxide. Koolmonoxide (kolendamp) ontstaat vooral bij het begin van brand. Koolmonoxide is onzichtbaar, reukloos en smaakloos. Koolmonoxide leidt na enige tijd tot verstikking. Bij vuur hoort temperatuursverhoging. Als een vuur al wat langer brandt, kan de hitte zich bovenin ophopen. U zult bij hoge ruimten in eerste instantie niet zo veel merken van deze hitte en rook. Maar pas op, de brand kan zich door die hitte bovenin plotseling uitbreiden en dan gaat het heel snel. De hitte daalt dan als een deken naar beneden en leidt tot brandwonden bij de in de ruimte aanwezige personen. Hitte kan ook materialen en personen in de ruimte in brand zetten en dan breidt de brand zich in rap tempo uit. Elektriciteitskasten zijn in elk bedrijf aanwezig. Een elektriciteitskast is de plek waar de elektriciteit binnenkomt; het is dus niet de meterkast. Het gevaar bij een elektriciteitskast is dat de kast onder spanning kan staan door de nog aanwezige elektriciteit. Brand in een elektriciteitskast mag nooit worden geblust met water, omdat water elektriciteit geleidt. 45
47 U komt dan onder spanning te staan! Gebruik bij het blussen van brand in een elektriciteitskast bij voorkeur C02, dan sproeischuim en indien dat niet aanwezig is poeder. Let bij gebruik van poeder op gevolgschade. Waarschuw bij brand in een elektriciteitskast de brandweer. De brandweer controleert ook of er brand is ontstaan in de elektriciteitsleidingen. Er moet altijd een pictogram zijn aangebracht, waaruit blijkt, dat blussen met water gevaarlijk is. Dit pictogram houdt een waarschuwing in voor de brandweer en de BHV-er. In elk bedrijf komen wel gevaarlijke stoffen voor en soms maken ze zelfs deel uit van het werk. De gevaren van een stof worden weergegeven op de verpakking met gevaar etiketten. Waarschuw indien nodig deskundige hulp. Neem zo mogelijk een etiket of veiligheidsinformatieblad van de betreffende stof mee Wel of niet blussen Sta, voordat u gaat blussen, eerst stil bij wat u vooral wel en niet moet doen. Bij blussen is het belangrijk dat u eerst kijkt, dan denkt en dan pas handelt. Zo kunt u veel fouten voorkomen. Een BHV-er is opgeleid om een begin van brand te blussen. De term begin van brand is moeilijk te omschrijven. Als vuistregel kunt u aanhouden dat de brand zich nog bevindt op de plaats waar hij is ontstaan. Bijvoorbeeld: de brand beperkt zich tot de prullenbak, pc of kopieermachine en heeft de omgeving (bijvoorbeeld het plafond, meubilair, vitrages, zonwering of vloeren) nog niet in brand gezet. Bij het benaderen van de plek waar brand wordt vermoed, zijn er verschillende situaties denkbaar De brand is zichtbaar - Er is sprake van een klein brandje, zonder uitbreiding. Dit kunt u in principe blussen. Blijf controleren of de vlammen niet opnieuw oplaaien. Voer een nacontrole uit. Controleer altijd of het brandje wel echt uit is; - Er is sprake van een brandje met uitbreiding. Alarmeer de brandweer, als dit nog niet is gedaan. Beoordeel of u alvast met blussen kunt beginnen of dat u nergens aan moet komen en ervoor moet zorgen dat anderen in veiligheid worden gebracht. De brand is niet zichtbaar, maar bevindt zich achter een gesloten deur - Als u door de deur heen kunt kijken en u ziet rook, ga dan niet naar binnen; - Als u rook ziet, Houd de deur dan dicht; - U ziet géén rook, maar het lichtje van de alarmindicator boven de deur is aan. Wanneer u brand kunt verwachten in een ruimte achter een gesloten deur, dan moet u die deur niet zomaar openen. Handel volgens de procedure voor het openen van deuren. Ga niet naar binnen vanwege de mogelijke gevaren, maar roep in alle bovenstaande gevallen of er iemand is achter de deur. Laat een gesloten deur ook dan nog dicht. Als het slachtoffer reageert, geef hem dan de opdracht in de richting van uw geroep te kruipen. Blijf het slachtoffer aanroepen. Laat het slachtoffer weten dat de brandweer onderweg is. Laat doorgeven aan de brandweer dat er een slachtoffer is. 46
48 5.3. Procedure openen van deuren bij vermoeden van brand Onderzoek in ieder geval altijd alle deuren waarboven de alarmindicator brandt. Het lampje van de alarmindicator geeft aan dat de brandmelder in de ruimte achter de deur is afgegaan. Open deuren niet voordat zij zijn gecontroleerd. Een warm deuroppervlak geeft aan dat de temperatuur aan de andere kant hoog is. Ook achter een koude deur kan brand zijn (bijvoorbeeld niet direct achter de deur, maar verderop in de ruimte). Controleer een deur op de volgende manier: - Houd de rug van uw hand dichtbij de deur, maar houd wel enige afstand tot de deur. In verband met de warmte moet u uw hand niet direct op de deur leggen; - Wanneer u warmte voelt, ga er dan vanuit dat er brand is in de ruimte achter de deur. Als er brand is (de deur en/of deurklink is heet), moet u als BHV-er uitbreiding voorkomen. Het volgende dient in een dergelijke situatie te geschieden: - Laat de deur dicht; - Blijf zelf in veilig gebied; - Waarschuw de omgeving; - Stel de receptie/brandweer op de hoogte van de situatie. Als de deur niet warm aanvoelt, leg dan de rug van uw hand op de klink. Als de klink koud aan voelt, open de deur dan volgens de deurprocedure. Mocht er zich verderop in de ruimte een brand bevinden, dan kan er bij het openen van een deur een steekvlam ontstaan die door de deurspleet aan de bovenkant naar buiten- komt. Als u zich op de juiste manier verdekt en gebukt heeft opgesteld, is er weinig risico op verwonding. De eventuele steekvlam komt bovenlangs vrij en niet in uw richting. Daarnaast heeft bukken het voordeel dat u laag bij de grond zit, waardoor u zo min mogelijk wordt blootgesteld aan eventuele rook. Ga bij het openen van een koude deur als volgt te werk: - Open de deur altijd voorzichtig en met het hoofd afgewend; - Kijk eerst waar de scharnieren zitten. Zitten die aan uw kant, dan draait de deur dus naar u toe. Kniel dan aan de kant van de scharnieren achter de deur. Zet één voet dwars tegen de deur, waardoor deze niet verder open kan gaan dan enkele centimeters. Wanneer de scharnieren aan de andere kant zitten, betekent dit dat de deur van u afdraait. In dat geval neemt u gehurkt plaats achter de muur naast de deurklink; - Open vervolgens de deur een stukje, maar houdt de klink vast zodat u de deur weer snel kunt sluiten, indien nodig. Na het openen van de deur zijn er verschillende mogelijkheden: - U ziet dat de ruimte achter de deur vol rook staat en brandt; - U ziet geen brand, maar wel een ruimte vol rook; - U ziet geen brand, maar wel lichte rook. In al deze situaties geldt dat er geroepen dient te worden of er nog iemand in de ruimte aanwezig is. Vervolgens moet de deur gesloten en de omgeving ontruimt worden. Als er wordt gereageerd op uw roepen, geef het slachtoffer dan opdracht in de richting van uw geroep te kruipen. Blijf het slachtoffer aanroepen. Als het niet lukt om het slachtoffer bij de deur te krijgen, sluit dan de deur en blijf contact houden door de gesloten deur heen. Probeer uit te vinden waar het slachtoffer zich bevindt door gericht vragen te stellen: Zit je achter in de kamer?, Bij het raam?, Aan de gangzijde? Meld het interne alarmnummer/brandweer dat er slachtoffers zijn. Hoe moeilijk het ook zal zijn, ga niet zelf naar binnen, dan vallen er alleen maar meer slachtoffers. 47
49 Als er slechts brand is achterin de ruimte en u kunt de ruimte volledig overzien, doe dan een bluspoging vanuit de gang. Denk aan de gevaren van rook en koolmonoxide. Maak gebruik van de worplengte van het blusmiddel. Doe na het blussen de deur weer dicht om rookverspreiding te voorkomen. U mag dus alleen naar binnen gaan als er géén rook is en u de ruimte volledig kunt overzien. In alle andere gevallen is de situatie te gevaarlijk voor de BHV Soorten branden Voordat u gaat blussen, moet u weten wat er brandt zodat u het juiste blusmiddel kunt kiezen. Niet alle branden kunnen met dezelfde blusstof worden uitgemaakt. Bovendien kan gebruik van het verkeerde blusmiddel leiden tot gevaarlijke situaties. Als u bijvoorbeeld een waterstraal in een brandende pan met vet richt, gaat het vet branden en wel 1700 maal groter dan de inhoud van de pan. Dit resulteert in een enorme steekvlam. Als u met een waterstraal in een brandende elektriciteitskast spuit, loopt u het risico onder spanning te komen staan. De werking van blusstoffen berust steeds op één of meer blusprincipes uit de branddriehoek, behalve bij poederblussers, want deze breken de verbranding af (negatief katalytisch). Er zijn verschillende soorten blusstoffen met elk hun eigen toepassingen. De toepassing is afhankelijk van de brandstof. De stof die brandt bepaalt dus welke blusstof het meest geschikt is. Branden worden ingedeeld in zogenaamde brandklassen A t/m D & F klassen: - Klasse A-branden: branden van vaste stoffen (bijvoorbeeld hout, papier, textiel). Voorbeelden van vaste stoffen branden zijn in brand staande gordijnen, computers, inventaris; - Klasse B-branden: branden van vloeistoffen en bij temperatuurverhoging vloeibaar wordende stoffen (bijvoorbeeld dieselolie, wasbenzine, terpentine, stookolie, aceton); - Klasse C-branden: branden van gassen (bijvoorbeeld aardgas, LPG, butagas). Gassen vermengen zich goed met zuurstof en geven vaak felle branden. Bij gassen is gevaar voor explosie aanwezig; - Klasse D-branden: branden van metalen (bijvoorbeeld aluminium, licht metalenvelgen van auto s, natrium); - Klasse F-branden: branden met vetten/oliën (bijvoorbeeld frituurpannen). Elke brandklasse wordt aangegeven met een pictogram en/of een letter. Deze pictogrammen worden internationaal gebruikt. U kunt ze terug vinden op draagbare blustoestellen. Ze geven aan voor welke brandklasse een blustoestel geschikt is. Controleer altijd voordat u gaat blussen of u het juiste blusmiddel gebruikt. Op klasse A-blussers waaraan een speciaal middel is toegevoegd, kunt u de aanduiding F-klasse aantreffen. Dit zijn blussers die speciaal geschikt zijn voor branden met vetten en oliën. 48
50 In alle bedrijven moeten brandslanghaspels aanwezig zijn. Afhankelijk van de risico s in het gebouw moeten er ook voldoende draagbare blustoestellen zijn om een beginnende brand zo snel mogelijk te bestrijden. Zo zal in de keuken van een snackbar een vetblusser of een blusdeken binnen handbereik van de frituurinstallatie moeten hangen. In een kantoor is dit vanzelfsprekend niet van toepassing: daar zullen bijvoorbeeld sproeischuimblussers vereist zijn waarmee een brandje in een computer kan worden geblust. Vaak is er één persoon in het bedrijf verantwoordelijk voor de aanschaf en het onderhoud van de draagbare blustoestellen. Meestal is dat iemand van de technische of facilitaire dienst. In de meeste gevallen besteden zij het onderhoud uit aan een daarin gespecialiseerd en erkend bedrijf. Draagbare blustoestellen moeten bij voorkeur in of bij vluchtwegen duidelijk zichtbaar worden opgehangen of via een juiste aanduiding bekend worden gemaakt. Bij veranderingen in het bedrijf moet worden bekeken of de toestellen nog steeds op de goede plek hangen. Als meerdere verdiepingen of hallen hetzelfde zijn ingedeeld, is het goed als de blustoestellen steeds op dezelfde plaatsen hangen. Ook is het aan te raden om brandslanghaspel, brandmelder, blustoestel en een eerste hulpkoffer steeds bij elkaar te houden. Een BHV-er moet kunnen omgaan met brandslanghaspels en draagbare blustoestellen. Bluspogingen Handel bij een begin van brand altijd als volgt: - Benader een brand bij voorkeur met twee BHV-ers; - Neem een blusmiddel mee, bij voorkeur een brandslanghaspel; - Beoordeel of er sprake is van een beginnende brand; - Kijk wat er brandt; - Controleer of u het juiste blusmiddel heeft voor de brand die u wilt blussen; - Schat in of u de brand met het aanwezige blusmiddel kunt blussen; - Test het blusmiddel voor het gebruik; - Als u gaat blussen, blijf dan laag Blussen Brandslanghaspel Water is nog steeds de meest gebruikte blusstof. Water is vooral geschikt voor het blussen van vaste stoffen branden (klasse A). Voor een klein brandje kan een glas water uit de kraan soms genoeg zijn. Als u meer water nodig heeft, kunt u een brandslanghaspel gebruiken. Vaste brandslanghaspels zijn ronde rode schijven met een slang eraan die aan de muur hangen. De lengte van de slang wordt bepaald door de situatie ter plaatse, de wettelijk minimum lengte is 20 meter en de wettelijk maximum lengte is 30 meter. Het minimale bereik van een waterstraal van een brandslanghaspel is 5 meter. Tegenwoordig wordt ook gebruik gemaakt van minihaspels. Ze zijn kleiner en hebben meestal een knijpafsluiter. Ze mogen niet dienen als vervanging van de brandslanghaspel. 49
51 Legionella verzegeling op brandslanghaspel In sommige gevallen zou de brandslanghaspel een mogelijke bron van besmetting met legionella bacteriën kunnen zijn. Het water in de slang staat voor lange tijd stil en als de brandslanghaspel in een warme omgeving staat, of verwarmd kan worden door de zon, dan zijn dat perfecte omstandigheden voor de groei van de legionella bacteriën. Om dit te voorkomen moet de slanghaspel regelmatig worden doorgespoeld. Na het doorspoelen wordt de brandslanghaspel verzegeld. Water zorgt voor temperatuurverlaging en dooft op die wijze de brand. Het water neemt de temperatuur weg uit de branddriehoek. Door gebruik te maken van de sproeistraal wordt het water verneveld in kleine druppeltjes. Het contactoppervlakte van water met de brandhaard wordt daardoor groter. De verdamping (dus ook de afkoeling) is dan ook des groter. Blussen met water heeft nog een nevenwerking, het verstikt de brand. Een deel van het water zal tijdens het blussen verdampen tot stoom. De stoom blijft boven de brand hangen, zodat de opstijgende brandbare dampen zich met de stoom gaan mengen en op die manier de brand verstikken. Een nadeel van het blussen met water is de waterschade. Water geeft een probleem bij het blussen van branden waarbij elektriciteit is betrokken. Ook stoom is elektrisch geleidend en kan dus niet worden ingezet bij elektriciteitsbranden. Het is dan mogelijk dat u bij het blussen onder spanning komt te staan. Blus ook nooit brandende olie of vet met water, dit geeft een enorme steekvlam. De brandende olie blijft namelijk drijven op het water. Als er géén water mag worden gebruikt bij het blussen, kan dit worden aangegeven met een waarschuwingsbord. Op een elektriciteitskast moet een pictogram zijn aangebracht, waaruit blijkt, dat blussen met water gevaarlijk is. Ga bij het blussen met de brandslanghaspel als volgt te werk: - Controleer of er water uit de slang komt. Draai eerst de hoofdafsluiter in de waterleiding (boven of onder de haspel) volledig open (linksom). Rol de slang daarna zo n twee meter af en open het afsluitertje op de straalpijp volledig gedurende één seconde; - Als er water uitkomt, rol de brandslanghaspel dan verder uit in de richting van de brand; - Benader de brand altijd achter een sproeistraal, zodat u door een scherm van water wordt beschermd tegen de warmte; - Blijf laag, zo zorgt u dat u tijdens het blussen geen rook binnenkrijgt; - Ga op maximaal vijf meter afstand van de brand staan. Blus vanaf die afstand of probeer uitbreiding te voorkomen; - Ga als de temperatuur is gedaald over tot het daadwerkelijk blussen met een gebonden straal; - Richt de blusstraal altijd op de onderkant van de vlammen; - Als de stoomvorming u het zicht op de brand ontneemt of als de bluspoging niet lukt en warmte en rook toenemen, is het niet verantwoord langer in de ruimte met de brandhaard te blijven. Trek u dan terug en laat het blussen verder over aan de brandweer. Blusdekens Blusdekens zijn gemaakt van slecht brandbare en onbrandbare stoffen. Ze zijn er in verschillende afmetingen en worden opgeborgen in speciale houders. Blusdekens zijn geschikt voor het blussen van kleine brandjes in klasse A en F. Bij vlam in de pan gebruikt u een passend deksel om de brand te blussen. Als alternatief kunt u ook gebruik maken van de blusdeken. Laat de pan na het blussen minstens een uur afkoelen. Gebruik in deze situatie nooit water om te blussen. 50
52 Blussen van in brand staande personen Maak bij het blussen van in brand staande personen gebruik van de volgende speciale techniek: - Laat het slachtoffer bij voorkeur liggen; - Wikkel het slachtoffer van boven naar beneden in de deken. Laat daarbij het hoofd vrij. Verstik de brand door te beginnen met wikkelen onder het hoofd. Zo kan er geen warmte en rook meer langs het gezicht van het slachtoffer gaan. Als ook het hoofd in de deken wordt gewikkeld, kan bovendien een soort rookkanaal ontstaan waardoor juist extra zuurstof wordt toegevoegd. Dat zou de brand alleen maar aanwakkeren. Wrijf van boven naar beneden; - Koel het slachtoffer met water als de vlammen gedoofd zijn. Blusdeken De werking van de blusdeken berust op het principe van afdekking: de deken sluit het vuur af van de lucht. De blusdeken neemt dus de zuurstof weg uit de branddriehoek. Blusdekens zijn oorspronkelijk bedoeld om mensen in te wikkelen die in brand zijn geraakt. U komt ze veel tegen in werkplaatsen en laboratoria. Blusdekens zijn ook geschikt om een brandje snel af te dekken of in te pakken. Denk maar eens aan een monitor of tv. Ga bij het gebruik van de blusdeken als volgt te werk: - Trek de deken uit de houder; - Sla de bovenkant van de blusdeken een slag om uw handen. Op deze wijze worden de handen beschermd; - Houd de blusdeken hoog en blijf achter het deken. Op deze wijze vormt het een scherm tegen de warmte van het vuur; - Dek de brand af met de blusdeken; - Zorg dat er geen lucht meer bij kan komen; - Laat de deken enige tijd liggen, voordat u controleert of de brand uit is Draagbare blustoestellen Draagbare blustoestellen zijn rode cilinders, die meestal zijn voorzien van een korte slang. Ze kunnen gevuld zijn met water, poeder, kooldioxide of water met een schuimvormend middel. Ze zijn zo gemaakt dat ze makkelijk door één persoon kunnen worden bediend. De gebruiksaanwijzing staat altijd kort en duidelijk op de buitenkant, evenals de pictogrammen die aangeven voor welke soort brand het blustoestel geschikt is. Ze zijn alléén geschikt voor gebruik bij het begin van een brand. Er bestaan verschillende soorten draagbare blustoestellen: - Poederblussers; - Koolzuursneeuw (C02) blussers; - Sproeischuimblussers; - Schuimblussers; - Vetblussers. 51
53 Poederblussers Poederblussers hebben een groot blusvermogen. Poeder is geschikt voor vaste stoffen, vloeistofbranden, gasbranden en voor branden waarbij elektriciteit is betrokken. Poeder geleidt geen elektriciteit en kan daarom goed worden gebruikt bij het blussen van branden waar elektriciteit bij is betrokken. Denk bijvoorbeeld aan brand met apparatuur die onder elektrische spanning staat, wandcontactdozen of schakelaars. Er zijn verschillende soorten poeder: - ABC-poeder, geschikt voor branden van de klassen A, B en C (vaste stoffen, vloeistoffen en gassen); - BC-poeder, geschikt voor klassen B en C (vloeistoffen en gassen); - D-poeder, speciaal geschikt voor metaalbranden. Een nadeel van poeder is dat het veel schade veroorzaakt. Doordat het poeder heel fijn is, komt het gemakkelijk op veel plaatsen terecht waar het schade kan veroorzaken aan de omgeving. Bluspoeder haalt niet één van de zijden van de branddriehoek weg, maar beïnvloedt de brand zelf. Poeder bevat stoffen die de verbinding van de brandbare stof met zuurstof vertragen. Handel bij het blussen met de poederblusser als volgt: - Verwijder de verzegeling of borgpen; - Test de goede werking van de blusser; - Breng de volledige brandhaard in de blusstof. Spuit zowel links, rechts als voor en achter de brandhaard. Probeer de vlammen zo snel mogelijk in een poederwolk te hullen door de spuitmond heen en weer te bewegen; - Houd vijf tot tien meter afstand van de brandhaard; - Richt zorgvuldig op de onderkant van het vuur. Houd er rekening mee dat het poeder krachtig uit de blusser komt en u het zicht op de brand ontneemt. Het grootste gevaar van poeder is de herontsteking. Als de brand geblust is, blijf de plaats waar de brand zich bevond dan in de gaten houden en houd het blusmiddel paraat. Bij het blussen van vaste stoffen krijgt u een goed resultaat door bij het blussen een aantal keer stootsgewijs te spuiten. Houd er rekening mee dat u het vuur niet meer ziet door de poederwolk. Bij het blussen van branden met vloeistoffen en metalen moet u een andere techniek gebruiken. Richt dan een onafgebroken straal op de onderkant van de vlammen. Richt nooit een poederstraal in een vloeistof. Bij branden met gassen is blussen pas zinvol, als de gastoevoer kan worden afgesloten. Als dat niet gebeurt, bestaat het gevaar dat het gas zich door de ruimte verspreidt met kans op explosie. Soms moet er eerst geblust worden om de gastoevoer te kunnen afsluiten. Blus bij een buitenbrand altijd met de wind mee. 52
54 CO2-blussers C02-blussers (koolzuursneeuwblussers) worden vooral gebruikt op plaatsen waar andere blusstoffen of veel schade geven of gevaar voor de gebruiker opleveren. C02-blussers zijn goed te herkennen aan de grote bluskoker. De C02 is in de blusser als vloeistof aanwezig. Tijdens de blussing gaat de vloeistof direct over naar gas. Dit gebeurt met vrij veel lawaai en de koude C02-wolk is goed zichtbaar. Als het geluid van de blusser omhoog gaat, is de blusser zo goed als leeg. C02 is geschikt voor klasse B branden en kan ook worden gebruikt voor branden waarbij elektriciteit is betrokken. Ook een brand met oliën en vetten kan worden geblust met een C02-blusser. Pas, onder andere bij heet vet en olie, op voor herontsteking. In tegenstelling tot poeder veroorzaakt een C02-blusser weinig nevenschade. Het blusprincipe van C02 is niet de afkoeling zoals vaak wordt gedacht, maar de verdringing van zuurstof. Het CO2 verdrijft de zuurstof in de omgeving van het vuur en daardoor doven de vlammen. CO2 neemt dus de zuurstof weg uit de branddriehoek. In kleine en lage gesloten ruimten kan er gevaar optreden voor de gebruiker, omdat de hoeveelheid zuurstof te gering wordt vanwege verdringing door de C02. De wolk uit de blusser is zeer koud. C02 kan bij mensen bevriezingsverschijnselen geven. De bluskoker kan ongeveer 80 C onder nul worden. Kom nooit aan de bluskoker en richt de C02-wolk nooit op mensen. Ga bij het blussen met een C02-blusser als volgt te werk: - Ga redelijk dichtbij de brand staan; - Richt de straalpijp vanaf ongeveer 1,5 meter op de vlammen en duw de hefboom naar beneden. Houd de blusser altijd vast aan het handvat en raak de koker niet aan; - Blus met een continue straal op de onderkant van de vlammen. Blus nooit stootsgewijs!; - Spuit de straal bij het blussen van vloeibare brandstoffen nooit van te korte afstand recht in de vloeistof. De vloeistof kan hierdoor wegspatten en de brand verspreiden; - Ga door met blussen tot de brand volledig uit is; - Let op herontsteking, voer een nacontrole uit. 53
55 Sproeischuimblussers Sproeischuimblussers zijn gevuld met water waaraan een schuimvormend middel is toegevoegd. Sproeischuimblussers hebben een speciale straalpijp, waardoor het water/schuimmengsel wordt verneveld in zeer kleine druppels. Het dringt daardoor snel in brandende vaste stoffen zoals papier, hout en textiel en blust heel goed klasse A-branden. Bij brandbare vloeistoffen (klasse B) vormt het sproeischuim een afsluitend schuimlaagje over de brandende vloeistof; zo wordt de brand afgedekt. Apparaten waar spanning op staat kunnen ook worden geblust met de sproeischuimblusser. Doordat water en schuim als een nevel van heel kleine druppeltjes uit het spuitmondje komen, kan degene die blust niet onder spanning komen te staan. Er is immers geen sprake van een ononderbroken straal water. Houd wel voldoende afstand. De blussende werking van de sproeischuimblusser berust op koelen door de nevel van schuim en water. Sproeischuimblussers nemen dus de temperatuur weg uit de branddriehoek. Sproeischuim heeft een groot koelend en indringend vermogen bij vaste stoffen branden. Bij vloeistofbranden wordt gebruik gemaakt van de afdekkende werking. Ga bij het blussen met een sproeischuimblusser als volgt te werk: - Ga op veilige afstand van de brand staan. De sproeischuimstraal heeft in het begin een bereik van 3 tot 5 meter; - Spuit niet direct op de vlammen, maar zo laag mogelijk; - Spuit onafgebroken; - Ga door met blussen totdat de brand volledig uit is. Schuimblussers Schuimblussers zijn geschikt voor branden met vaste stoffen en vloeistoffen (klasse A en B). Ze zijn echter niet geschikt voor branden met elektriciteit. De blussende werking van schuim berust op afdekking. Het schuim zorgt er voor dat er geen zuurstof meer bij de brandbare stof kan komen. Het wegnemen van de zuurstofzijde van de branddriehoek doet hier dus de brand blussen. Ga bij het blussen met een (sproei)schuimblusser als volgt te werk: - Ga op veilige afstand van de brand staan. De schuimstraal heeft in het begin een bereik van 3 tot 5 meter. De druk neemt af waardoor het bereik afneemt tot 1,5 tot 2 meter; - Zorg dat het schuim een gesloten dek vormt op de brandende vloeistof. Bij grote open bakken wordt dit bereikt door tegen de tegenoverliggende wand te spuiten en het schuim vanuit één punt over het vloeistofoppervlak te laten uitvloeien. Spuit niet direct op de vlammen, maar zo laag mogelijk. Dwing de vlammen als het ware met het schuim in een hoek totdat ze volledig worden afgedekt door het schuim; - Spuit onafgebroken; - Ga door met blussen totdat de brand volledig uit is. 54
56 Vetblussers Vetbrandblussers bevatten een speciale blusstof die is ontwikkeld om een brandende frituurbak mee af te dekken en te blussen, klasse F. De blussers zijn voorzien van een bluslans waardoor de brand op een veilige afstand kan worden geblust. Vetbrandblussers kunnen ook worden gebruikt bij klasse A- branden. Door de toepassing van de bluslans is het meestal niet echt handig. De blusstof zorgt voor een gasdichte laag die de vlammen dooft en herontsteking onmogelijk maakt. De vetblusser neemt de zuurstof weg uit de branddriehoek. Als u de energietoevoer afsluit, zal na verloop van tijd ook de temperatuur dalen. Wees bij gebruik van de vetblusser bedacht op de rook- en stoomontwikkeling. Ga bij het blussen met de vetblusser als volgt te werk: - Houd zoveel afstand als nodig is om met de bluslans boven de brandende pan met vet te komen; - Spuit de blusser helemaal leeg boven het brandend vet. Droge blusleidingen Droge blusleidingen komen voor in hoge en grote bedrijfscomplexen. U kunt ze als BHV-er meestal niet zelf gebruiken, maar u moet weten waar ze zich bevinden, zodat u de brandweer van dienst kunt zijn. De droge blusleiding is een pijp in, aan of onder een gebouw of terrein. Op elke verdieping of op bepaalde afstanden zitten afsluiters met een aftappunt. Ergens op een plaats waar de brandweer dichtbij het gebouw kan komen zit een aansluitpunt, waar de brandweer haar slangen aansluit. Zo kan dan snel op elke plaats in het gebouw water worden verkregen. Er hoeven geen slangen door trappenhuizen te worden gelegd. Zo kan de doorgang worden vrijgehouden en kan er heel snel gewerkt worden. 55
57 6. Ontruiming Er zijn een aantal redenen op te noemen om een gebouw te ontruimen. Voorbeelden hiervan zijn een brand, een explosie, wateroverlast, een ongeval met gevaarlijke stoffen, een bommelding of een dreiging van buitenaf zoals een gaswolk afkomstig van een fabriek in de buurt. Allemaal situaties waarin de mensen in het gebouw in gevaar kunnen komen. Het doel van een ontruiming is ervoor zorgen dat alle aanwezige personen op een effectieve en efficiënte manier, binnen een zo kort mogelijke tijd, een gebouw verlaten. Als het moment komt waarop een gebouw ontruimd moet worden, dan is het van belang dat iedere aanwezige weet wat hem of haar te doen staat. U heeft als BHV-er een zeer belangrijke taak bij de ontruiming daar u met minder of soms zelfs met nietzelfredzame mensen werkt. U bent degene waarop uw cliënten moeten kunnen vertrouwen. Het hangt dus van u en uw mede BHV-ers af of een ontruiming soepel verloopt en of eenieder veilig buiten geraakt Ontruimingsprocedure Stel dat op de locatie waar u werkt brand uitbreekt. Om te voorkomen dat iedereen in paniek raakt is er een ontruimingsprocedure opgesteld. Daarin staat precies wat er moet gebeuren om het gebouw snel te ontruimen. Iedere werkgever is op grond van de Arbowet verplicht voor een ontruimingsprocedure te zorgen. Panden waarin een ontruimingsinstallatie wordt geëist, zijn verplicht een ontruimingsplan te hebben. Denk hierbij onder andere aan kantoorgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, scholen en warenhuizen, dus waarschijnlijk ook uw werklocatie. Een ontruimingsplan is een plan waarin stap voor stap staat beschreven hoe een gebouw op een veilige wijze moet worden ontruimd en welke voorzieningen aanwezig zijn. Het ontruimingsplan moet zo zijn opgesteld dat het aansluit bij het BHV-plan. In de meeste ontruimingsplannen zijn de volgende punten vastgelegd: - De wijze waarop het personeel moet worden geïnformeerd en geïnstrueerd; - Wie opdracht geeft tot ontruimen; - De wijze waarop de BHV-ers (van elke afdeling of etage) worden gewaarschuwd; - De wijze waarop werknemers hun werkplek veilig achterlaten; - Dat persoonlijke eigendommen worden meegenomen; - Wie controleert of iedereen de werkplek heeft verlaten; - Wie registreert of iedereen aanwezig is op de verzamelplek; - Hoe de ontruiming per afdeling/etage geregeld is; - Wie eventueel met een bepaalde taak op de werkplek achterblijft; - Waar de mensen van elke afdeling/etage zich verzamelen; - Hoe er voor de eigendommen van deze mensen wordt gezorgd. Het personeel moet zodanig zijn geïnformeerd en instrueert dat zij zelfstandig het pand kunnen verlaten. In het ontruimingsplan wordt ook beschreven hoe er wordt omgegaan met uw minder of niet-zelfredzame cliënten en/of collega s en aanwezigen waar de werkgever de zorg voor heeft. Het komt regelmatig voor dat er collega s zijn die minder goed ter been zijn door een blessure of door een handicap. De hele gang van zaken wordt samengevat in ontruimingsprocedures. 56
58 Hoewel deze procedures per bedrijf kunnen verschillen, staan de grote lijnen vast. Deze grote lijnen zijn: - Na het alarm gaat de leider van de ontruiming naar een vaste plek, bijvoorbeeld de receptie; - De leider van de ontruiming zet de ontruiming in gang volgens de bedrijfsspecifieke procedures; - Bij een ontruiming verlaat men in een normaal tempo het gebouw. - De ontruiming start per afdeling/etage, onder leiding van daarvoor aangewezen BHV-ers(s). - De BHV-ers controleren de ontruimde afdelingen/etages op achterblijvers. Een ontruimingsplan kan een heel mooi plan zijn, maar als het in de praktijk niet werkt, is het nutteloos. De Arbowet verplicht bedrijven daarom ook de ontruimingsprocedure regelmatig te oefenen. Door te oefenen kan, als het er echt op aankomt, succesvol worden ontruimd. Een ander doel van oefenen is het zo nodig bijstellen van het ontruimingsplan naar aanleiding van de evaluatie van de oefening. Omdat in veel bedrijven regelmatig wordt verbouwd en er voortdurend mensen vertrekken en weer nieuwe bijkomen, is het belangrijk het ontruimingsplan regelmatig te controleren en zo nodig bij te stellen Rol van de BHV-er bij een ontruiming Op het moment dat de BHV-er wordt gealarmeerd omdat er moet worden ontruimd, handelt hij volgens de interne inzetprocedure voor een ontruiming. Het spreekt voor zich dat hij/zij daarbij goed let op zijn/haar eigen veiligheid. We beschrijven hier een algemene inzetprocedure voor de BHV. De situatie bij een ontruiming in uw bedrijf kan hiervan afwijken: - De BHV-er stelt eerst zijn eigen werkplek veilig, voordat hij/zij cliënten in veiligheid brengt; - Vervolgens maakt hij/zij zich herkenbaar als BHV-er bijvoorbeeld door het dragen van zijn BHV-hesje of band; - Hij/zij handelt volgens de bedrijfsspecifieke procedure en krijgt instructies over het deel van het gebouw dat ontruimt moet worden; In dat deel van het gebouw voert hij de volgende controles uit: - Hebben de collega s zich volgens de interne instructies gedragen; - Hebben de collega s de cliënten ook veilig mee naar buiten genomen; - Zijn ramen en deuren gesloten; - Zijn er geen personen achtergebleven in toiletten, werkruimten, kasten en technische ruimten; Na de controle meldt hij zich bij de leider van de ontruiming op de verzamelplaats voor de BHV en wacht hij op nadere instructies. De BHV-er heeft ook een rol in het begeleiden van familiebezoek bij een ontruiming. Vergeet ook niet deze mensen te instrueren wat er van hen verwacht wordt. Bij gebouwen met meer dan één bouwlaag zijn vaste afspraken met BHV-ers van belang om er zeker van te zijn dat de etages ook daadwerkelijk leeg zijn. Het besluit tot ontruimen en de algehele leiding bij het ontruimen van een gebouw hoeft niet bij de BHV-er te liggen. De werkgever moet vastleggen wie het besluit neemt tot een ontruiming. De werkgever kan dit bijvoorbeeld delegeren aan een hoofd BHV, ploegleider of de bedrijfshulpverlener. De uiteindelijke verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de werkgever. 57
59 De mogelijkheid om een gebouw veilig en snel te kunnen verlaten, hangt niet alleen af van de geoefendheid van de personen die in het gebouw zijn, maar ook van de mogelijkheden van het gebouw zelf. In de volgende paragraaf worden de voorzieningen beschreven die een rol spelen bij het ontruimen van een gebouw Vluchtwegen Ieder gebouw dient over vluchtwegen te beschikken. De vluchtwegen dienen aangegeven te zijn met goed zichtbare vluchtwegaanduidingen en dienen vanzelfsprekend ook bij stroomuitval zichtbaar te zijn. Hoe beter de vluchtwegen gemarkeerd zijn en hoe beter de (nood)verlichting is van de vluchtwegen, des te eenvoudiger is het voor iemand om het gebouw te verlaten. Vluchtwegen buiten het gebouw moeten verlicht zijn Voorzieningen Vluchtroutes maken een vast onderdeel uit van een ontruimingsplan. Bij een ontruiming moet iedereen het gebouw via de voor hem geldende vluchtroute verlaten. De BHV-er moet zorgen dat hij die routes goed kent en ervoor zorgen dat iedereen die route ook neemt. Bij grotere gebouwen zijn er verschillende routes. Dit is om te voorkomen dat teveel mensen door dezelfde gangen en over dezelfde trappen moeten. De BHV-er moet dus de verschillende vluchtwegroutes van zijn afdeling of etage precies kennen. Vluchtwegen en deuren moeten altijd vrij zijn en mogen nooit worden geblokkeerd door er bijvoorbeeld dozen of stoelen voor te zetten, of keggen en wiggen te gebruiken om deze open te houden. De vluchtdeur naar buiten heet ook wel nooduitgang. De (nood)uitgangen vormen het laatste deel van de vluchtroute en moeten altijd zonder losse hulpmiddelen geopend kunnen worden. Aan de tegen de vluchtrichting in gekeerde zijde van een nooddeur of nooduitgang die aan de buitenzijde van het gebouw uitkomt, moet het opschrift nooddeur vrijhouden of nooduitgang en binnen 2 meter (nood)verlichting zijn aangebracht. Bij nooduitgangen ontstaat vaak een conflict tussen de mogelijkheid om het gebouw te kunnen verlaten en de mogelijkheid om het gebouw (ongewenst) te betreden. Er bestaan tegenwoordig echter voldoende systemen die het mogelijk maken om het gebouw altijd te kunnen verlaten, waarbij tegelijkertijd wordt voorkomen dat die uitgang kan worden gebruikt door bijvoorbeeld inbrekers. Vluchtdeuren mogen alléén worden gebruikt als nooduitgang, dus niet om het gebouw zomaar te verlaten. 58
60 EVAC-CHAIR Op de foto staat een Evac-Chair afgebeeld waarmee niet zelfredzame cliënten van hoger gelegen verdiepingen via de trap naar beneden gebracht kunnen worden. Wel is het belangrijk met deze stoel regelmatig te oefenen om er goed mee te kunnen werken. Panieksluitingen Panieksluitingen komen voor in vluchtdeuren en ook wel in andere deuren naar buiten. Een deur met een panieksluiting kan aan de buitenkant niet worden geopend. Aan de binnenkant wel, zonder sleutel. Op heuphoogte zit een horizontale stang over de volle breedte van de deur. Door die naar beneden te duwen gaat de deur open. Een brandveilig gebouw is zo gemaakt dat de muren en wanden van delen van het gebouw (compartimenten) een bepaalde brandwerendheid bezitten. Bij het bepalen van die brandwerendheid wordt er vanuit gegaan dat deuren in scheidingswanden gesloten zijn. In grote gebouwen met veel gangen zitten daarom zelfsluitende klap- of tochtdeuren met een brand- en/of rook werende functie. Ze zijn er niet in de eerste plaats om tocht tegen te gaan, maar om gesloten te blijven. Zo wordt bij brand voorkomen dat rook zich makkelijk kan verspreiden. Er zijn deuren die opengehouden worden door bijvoorbeeld een magneet en dichtgaan bij een brandmelding. Als dit geen deuren van trappenhuizen zijn mag dit, maar de werking moet wel regelmatig worden getest. Ook mag de sluittijd niet te lang zijn: binnen een paar tellen moet de deur gesloten zijn. Het is dus belangrijk dat die deuren weer gesloten worden. Soms staan ze altijd open en zijn ze zelfs vastgezet. Dat is gevaarlijk en de BHV-er heeft dan ook de taak ervoor te zorgen dat die zelfsluitende deuren altijd gesloten zijn. Vooral in scholen en verpleeg- of ziekenhuizen kom je vaak open tochtdeuren tegen. Deurvergrendelingen Om te voorkomen dat personen onbevoegd gebruik maken van (nood)uitgangen worden soms deurvergrendeling voorzieningen aangebracht. Deze deurvergrendelingssystemen belemmeren de ontruiming omdat de deur niet makkelijk opengaat. Bovendien kan de brandweer dergelijke deuren vanaf de buitenzijde moeilijk openen. De aanleg van deurvergrendeling systemen moet vooraf met de plaatselijke brandweer worden besproken en hiervoor moet goedkeuring worden gevraagd. 59
61 Noodverlichting Noodverlichting is bedoeld om een ontruiming soepeler te laten verlopen bij een elektriciteitsstoring. De noodverlichting gaat automatisch branden als de stroom uitvalt. Het doel is om toch een redelijke oriëntatie te hebben als de normale verlichting niet meer werkt. Hierdoor kunnen paniek en ongevallen worden voorkomen en blijft een veilige ontruiming mogelijk. Noodverlichting is te verdelen in vier groepen: - Algemene noodverlichting; - Transparantverlichting; - Treden- of hellingverlichting; - Nacht(nood)verlichting. Algemene noodverlichting Is bedoeld om bij stroomuitval overal in het bedrijf waar mensen werken en verblijven de weg naar buiten te kunnen vinden. Transparantverlichting (vluchtwegsignalering) Dient om de vluchtroute, de uitgangen en de nooduitgangen aan te geven. Deze verlichting moet altijd branden, zolang er mensen binnen zijn. De achtergrondkleur van transparantverlichting is altijd groen en de tekst of de afbeeldingen op de transparanten is altijd wit. Transparantverlichting moet altijd direct in het zicht hangen en het pictogram of de tekst moet goed leesbaar zijn. In bijvoorbeeld grote bedrijven, winkels of parkeergarages moet de tekst dubbel zo groot zijn. Treden- of hellingverlichting Zorgt ervoor dat bij het uitvallen van de normale verlichting trappen en hellingen toch verlicht blijven, zeker als deze deel uitmaken van een vluchtroute. In een bioscoop bent u dit type noodverlichting vast wel eens tegengekomen. Nacht(nood)verlichting Dient om van zonsondergang tot zonsopgang de looproutes in het bedrijf te verlichten als de normale verlichting is uitgegaan. Vooral voor controleronden van bewakingspersoneel is het een nuttige verlichting, maar ook voor de veiligheid. Denk maar eens aan een nooduitgang die uitkomt op een stalen noodtrap buiten tegen de gevel. Nacht(nood)verlichting wordt niet altijd door de brandweer vereist. Rook- en warmte afvoerinstallaties Rook- en warmte afvoerinstallaties zorgen ervoor dat rook en warmte via het dak worden afgevoerd, waardoor er altijd een rookvrije laag bij de vloer zal blijven zodat er zicht blijft. Deze installaties zijn meestal alleen aanwezig in magazijnen, publiekstoegankelijke ruimten, penitentiaire inrichtingen, winkelcentra en industriegebouwen. Liften Liften lijken goed te gebruiken bij een ontruiming van een gebouw, maar mogen bij een brand absoluut niet worden gebruikt. Als de elektriciteit uitvalt, bestaat het gevaar dat de lift niet verder daalt of stijgt. Bij brand fungeert de liftschacht bovendien als een rookkanaal. Het beste is om er voor te zorgen dat er bij iedere ontruiming alléén maar gebruik wordt gemaakt van de trappenhuizen. Liften mogen tijdens brand in een gebouw dus niet worden gebruikt. Er is één uitzondering: de brandweerlift. De brandweerlift kan door een eenvoudige handeling ter beschikking van de brandweer komen. Deze lift is bij brand uitsluitend beschikbaar voor de brandweer. En zelfs de brandweer zal bij gebruik de nodige veiligheidsmaatregelen treffen. 60
62 Door het gebruik van de lift kan de brandweer sneller materiaal naar bedreigde plaatsen brengen of slachtoffers redden en afvoeren. De brandweerlift is dus alleen bedoeld voor de brandweer en niet voor de BHV. Gebruik ook geen lift om bedlegerige cliënten zelf even naar beneden te brengen, dit kan fatale gevolgen hebben, de liftschacht werkt als een schoorsteenkanaal. Verder heeft de lift op de hoofdstopplaats (meestal op de begane grond) een schakelaar die in brandweerstand zorgt dat: - De lift naar die plaats komt; - De lift vanaf dat moment alleen maar vanuit de lift zelf bediend kan worden. Het sleutelcontact zit zo n twee meter boven de vloer. Brandweeringang Bij een brandmelding kan het voorkomen dat er niemand meer in het bedrijf is. Om de brandweer snel toe te laten en braakschade te voorkomen, hebben veel bedrijven een brandweerkluisje of sleutelbuis. Dit is een voorziening aan de buitenzijde van het bedrijf waarvan de brandweer de sleutel heeft. In het kluisje zit een sleutel van uw bedrijf. Als de brandweer het kluisje opent, gaat er vaak een inbraakalarm af op een meldkamer van de politie of bij een bewakingsdienst. Dit geeft u de mogelijkheid om met de redding van cliënten door te gaan in de belangrijke eerste minuten van een ontruiming bij brand. Als een gebouw meerdere toegangen heeft en een brand meldinstallatie met verplichte doormelding naar de brandweer, moet in overleg met de brandweer ten minste één van die toegangen als brandweeringang zijn aangewezen. Deze brandweeringang moet automatisch opengaan bij een brandmelding of is te openen met een systeem dat in overleg met de brandweer is bepaald Gedrag tijdens ontruiming en ontruimingsoefening Paniek is het grootste gevaar bij het ontruimen van een gebouw. Zodra mensen in paniek raken, gaat iedereen door elkaar hollen en luistert niemand naar degene die de leiding heeft. Wanneer de BHV-er precies weet wat hem te doen staat bij een ontruiming en weet dat de voorzieningen aanwezig zijn en in orde, zal hij de zaak met meer rust aanpakken. Dat zal zijn uitwerking niet missen. Vooral de weerslag op uw cliënten is van groot belang voor het verloop van de ontruiming. U weet als geen ander hoe uw cliënten reageren op uw gedrag en paniekreacties van collega s. Een goede voorbereiding is dus nodig. Een ontruiming wordt meestal uit voorzorg gedaan, dus voor het te laat is. Voor de BHVer, die zo n ontruiming begeleidt, is dat wel eens moeilijk. Hij krijgt kritiek als: Wat een kouwe drukte en Flauwekul. Mensen zien vaak de noodzaak van de ontruiming niet en willen liever het werk afmaken waar ze nou net zo lekker mee bezig waren. Dit geldt vooral voor de ontruimingsoefeningen. Het is belangrijk dat het belang van oefeningen ook wordt onderstreept door de werkgever. Als dat het geval is, zullen de meeste personeelsleden de oefeningen ook serieus nemen. Als BHV-er kunt u alleen maar zelf het goede voorbeeld geven en collega s het belang van oefeningen uit te leggen. 61
Automatische Externe Defibrillatie Opleiding Hulpverlener. Europese Reanimatieraad
Automatische Externe Defibrillatie Opleiding Hulpverlener Europese Reanimatieraad ACHTERGROND Er zijn ongeveer 700.000 hartstilstanden per jaar in Europa. Dit komt neer op 5 personen per uur in Nederland.
Doel van deze presentatie: het op peil houden van kennis en vaardigheden met betrekking tot de reanimatie en als voorbereiding op een competentietest.
Deze presentatie is voor personen die in het bezit zijn van een reanimatie diploma. Doel van deze presentatie: het op peil houden van kennis en vaardigheden met betrekking tot de reanimatie en als voorbereiding
Reanimatie bij Kinderen. David Van Grembergen Urgentie arts AZ Sint-Lucas Gent
Reanimatie bij Kinderen David Van Grembergen Urgentie arts AZ Sint-Lucas Gent Doel van deze avond Herkennen van ademhalings en/of hartstilstand Tijdig hulp roepen Starten met Basic Life Support Hartmassage
Leeftijd Omstaanders Materiaal
Simulatie 1 Leeftijd Omstaanders Materiaal Volwassen Kind Baby Geen Leek AED Pocketmasker VEILIGHEID Wees zeker dat het veilig is voor jezelf, het slachtoffer en de omstaanders BEWUSTZIJN Controleer of
Europese Reanimatieraad. Basale reanimatie en het gebruik van de Automatische Externe Defibrillatior
Basale reanimatie en het gebruik van de Automatische Externe Defibrillatior LEERDOELEN Aan het einde van deze cursus kunt u demonstreren: Hoe u een bewusteloos slachtoffer benadert. Hoe u hartmassage en
Basale reanimatie inclusief de Automatische Externe Defibrillator
Basale reanimatie inclusief de Automatische Externe Defibrillator LEERDOELEN Aan het einde van deze cursus kunt u demonstreren: Hoe u een bewusteloos slachtoffer benadert. Hoe u borstcompressies en beademing
1. Zorg voor je eigen veiligheid, die van het slachtoffer en van de omstaanders
Aanbevelingen van de Belgische Reanimatieraad (BRC) voor Cardiopulmonaire Reanimatie en Automatische Externe Defibrillatie, uitgevoerd door de eerste hulpverleners ter plaatse opgeleid in de technieken
Basale reanimatie. Versie aug / 51
Basale reanimatie Versie aug. 2016 2015 2 / 51 LEERDOELEN Aan het einde van deze cursus kunt u demonstreren: Hoe u een bewusteloos slachtoffer benadert. Hoe u borstcompressies en beademingen uitvoert.
12. 1. Aed met z'n twee
Aed met z'n twee 12. 1. Als er iemand is gestart met de reanimatie en er komt een AED bediener met een AED aan, blijf dan reanimeren. Een helper ontkleed de borstkas en instaleert de AED De ander gaat
Wat is een acute hartritme stoornis?
AED bij de Terriërs Wat is een acute hartritme stoornis? Normale hartactie Acute hartritme stoornis: Chaotisch ritme (ventrikel fibrilleren) Probleem: Het hart pompt niet meer effectief, slachtoffer zakt
KVK AVELGEM 01869. REANIMATIE en AED 2013-2015. Sportmedische begeleiding KVK Avelgem. Pascal D Haene
KVK AVELGEM 01869 REANIMATIE en AED Sportmedische begeleiding KVK Avelgem Pascal D Haene 2013-2015 D O O R N I K S E S T E E N W E G 2 2 6 8 5 8 0 A V E L G E M R E A N I M A T I E Reanimatie is het
LET OP!!! 2015 Nederlandse Reanimatie Raad
LET OP!!! 2015 Nederlandse Reanimatie Raad Deze PowerPoint en de afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd. U mag deze PowerPoint in zijn originele hoedanigheid kosteloos gebruiken. De teksten en afbeeldingen
LET OP!!! 2011 Nederlandse Reanimatie Raad
LET OP!!! 2011 Nederlandse Reanimatie Raad Deze PowerPoint en de afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd. U mag deze PowerPoint in zijn originele hoedanigheid kosteloos gebruiken. De teksten en afbeeldingen
Zorg voor de veiligheid van het slachtoffer
Stap 1: Zorg voor veiligheid Veiligheid primeert! Je eerste taak is steeds controleren of de situatie veilig is. Niet alleen voor jou, maar ook voor het slachtoffer en de omstaanders. Bekijk het ongeval
Het bieden van hulp bij een ademhalingsof hartstilstand
OPDRACHTFORMULIER Het bieden van hulp bij een ademhalingsof hartstilstand Naam student: Datum: Voordat je gaat oefenen 1 Lees het handelingsformulier van deze vaardigheid en noteer vragen en opmerkingen.
Basale reanimatie LET OP!!! 2015 Nederlandse Reanimatie Raad WELKOM LEERDOELEN. Aan het einde van deze cursus kunt u demonstreren:
LET OP!!! 2015 Nederlandse Reanimatie Raad Deze PowerPoint en de afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd. U mag deze PowerPoint in zijn originele hoedanigheid kosteloos gebruiken. De teksten en afbeeldingen
Basale reanimatie van kinderen door niet-zorgprofessionals
Basale reanimatie van kinderen door niet-zorgprofessionals -Gebaseerd op de 2010 richtlijnen- Introductie Indien reanimatie van een kind nodig is, wordt aan hulpverleners zonder specifieke training in
Cardiopulmonale Reanimatie. Automatische Externe Defibrillator
Basale Reanimatie voor Hulpverleners Cardiopulmonale Reanimatie met de Automatische Externe Defibrillator Leerdoelen Op het einde van deze cursus zal U in staat zijn: een bewusteloos slachtoffer te evalueren
Basale reanimatie LET OP!!! 2015 Nederlandse Reanimatie Raad WELKOM
LET OP!!! Nederlandse Reanimatie Raad Deze PowerPoint en de afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd. U mag deze PowerPoint in zijn originele hoedanigheid kosteloos gebruiken. De teksten en afbeeldingen
Aan het eind van de cursus bent u in staat om: Basale reanimatie van volwassenen
Leerdoelen: Aan het eind van de cursus bent u in staat om: Basale reanimatie van volwassenen Een bewusteloos slachtoffer op de juiste wijze te benaderen en te bepalen of er gereanimeerd moet worden. Op
1. WANNEER ELKE SECONDE TELT
1. WANNEER ELKE SECONDE TELT Basale reanimatie: beademing en hartmassage bij baby s en kinderen volgens de Richtlijnen 2006 van de Nederlandse Reanimatie Raad, de NRR 2. DE NORMALE SITUATIE Longen en ademhaling
LET OP!!! 2015 Nederlandse Reanimatie Raad
LET OP!!! Nederlandse Reanimatie Raad Deze PowerPoint en de afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd. U mag deze PowerPoint in zijn originele hoedanigheid kosteloos gebruiken. De teksten en afbeeldingen
LET OP!!! 2015 Nederlandse Reanimatie Raad
LET OP!!! Nederlandse Reanimatie Raad Deze PowerPoint en de afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd. U mag deze PowerPoint in zijn originele hoedanigheid kosteloos gebruiken. De teksten en afbeeldingen
Opleiding Reanimatie + AED bediener
1 Opleiding Reanimatie + AED bediener Opleiding Basisreanimatie & Automatische Externe Defibrillatie LEERDOELEN Op het einde van deze cursus zal je: een bewusteloos slachtoffer kunnen evalueren een hartmassage
CPR met AED HERSTEL CIRCULATIE EN ADEMHALING. CPR = cardiopulmonaire resuscitatie AED = automatische externe defibrillatie
CPR met AED HERSTEL CIRCULATIE EN ADEMHALING CPR = cardiopulmonaire resuscitatie AED = automatische externe defibrillatie WANNEER CPR + AED? Stilstand circulatie (hart) Stilstand ademhaling CPR bij ieder
CPR met AED HERSTEL CIRCULATIE EN ADEMHALING. CPR = cardiopulmonaire resuscitatie AED = automatische externe defibrillatie
CPR met AED HERSTEL CIRCULATIE EN ADEMHALING CPR = cardiopulmonaire resuscitatie AED = automatische externe defibrillatie WANNEER CPR + AED? Stilstand circulatie (hart) Stilstand ademhaling CPR bij ieder
Initiatie REANIMATIE
Initiatie REANIMATIE Instructeur: Hermans Peter DE VITALE FUNCTIES Bewustzijn Ademhaling Bloedsomloop 21 1 CONTROLE VAN DE VITALE FUNCTIES 1 CONTROLE BEWUSTZIJN Aanspreken HOE? Zacht schudden aan beide
OEFENVRAGEN BHV. 1. Met welke methode beademt u een slachtoffer onder normale omstandigheden? A. De dokter Phil methode. B.
OEFENVRAGEN BHV 1. Met welke methode beademt u een slachtoffer onder normale omstandigheden? A. De dokter Phil methode B. Mond op mond C. Mond op neus 2. Wat gebeurd er als de circulatie wegvalt? A. De
Het reanimatie protocol
Het reanimatie protocol (met een AED) Logghe Karel Directeur Reddersopleidingen Bosmans Flor Expert Lifesaving Europese richtlijnen ERC 2015 Leerdoelen Op het einde van deze vorming zal je: een bewusteloos
BLS Cursus Hulpverlener. Basisreanimatie. met het gebruik van een Automatische Externe Defibrillator
BLS Cursus Hulpverlener Basisreanimatie met het gebruik van een Automatische Externe Defibrillator Doelstellingen Op het einde van deze BLS/AED cursus zal je kunnen aantonen: Hoe je een gecollabeerd slachtoffer
Alarmeren en hulpverleningsregels
Alarmeren en hulpverleningsregels Basisopleiding BHV Alarmering en Hulpverleningsregels 1. alarmeren BHV 2. hulpverleningsregels Selecteer een paragraaf naar keuze 3. slachtoffer gerust stellen 4. omstanders
Basale reanimatie van kinderen door anderen dan gespecialiseerde zorgprofessionals
Basale reanimatie van kinderen door anderen dan gespecialiseerde zorgprofessionals 28 Nederlandse Reanimatie Raad / Belgische Reanimatieraad Introductie Indien basale reanimatie van een kind nodig is,
Basale reanimatie van baby s en kinderen inclusief de AED
Basale reanimatie van baby s en kinderen inclusief de AED LEERDOELEN Aan het einde van deze cursus kunt u demonstreren: 1. Hoe u een bewusteloos kind benadert. 2. Hoe u borstcompressies en beademing uitvoert.
Procedure Calamiteiten tijdens Kerkdiensten Nederlandse Hervormde Kerk Stolwijk
Procedure Calamiteiten tijdens Kerkdiensten Nederlandse Hervormde Kerk Stolwijk Doel: Het zo effectief en gestructureerd mogelijk handelen bij calamiteiten tijdens kerkdiensten. Mensen: Leden van het EHBO
Basale reanimatie van baby s en kinderen inclusief de AED. Voor een toekomst in de zorg!
Basale reanimatie van baby s en kinderen inclusief de AED Voor een toekomst in de zorg! LET OP!!! 2011 Nederlandse Reanimatie Raad Deze PowerPoint en de afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd. U
Reanimatie Stabiele zijligging Toedienen zuurstof
Nieuwe richtlijnen sinds 2010 Kobe Van Herwegen 1* Instructeur Reanimatie Stabiele zijligging Toedienen zuurstof E-mail: [email protected] GSM: 0474/81 49 20 2 3 Probleemstelling Volgorde Veiligheid Hartstilstand
AG eerste hulp opleidingen Best 0499-397404 [email protected]
AG eerste hulp opleidingen Best 0499-397404 [email protected] Algemeen De mens kan ongeveer normaal 1 minuut zonder zuurstof. Hersenen zijn het meest gevoelig voor een tekort aan zuurstof. Typerend
Basale reanimatie van volwassenen
Basale reanimatie van volwassenen Introductie Dit hoofdstuk bevat de richtlijnen basale reanimatie van volwassenen voor de enkele hulpverlener, buiten het ziekenhuis. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op
15u25-16u25 Nieuwe evoluties met betrekking tot reanimatie. Wim De Buyser, zorgexpert BLS/ALS
15u25-16u25 Nieuwe evoluties met betrekking tot reanimatie Wim De Buyser, zorgexpert BLS/ALS 1 BLS 2015 Guidelines ACHTERGRONDINFORMATIE - Plots cardiaal arrest in Europa: 350.000-700.000 hartstilstanden
Basale reanimatie van volwassenen
Basale reanimatie van volwassenen 14 Nederlandse Reanimatie Raad / Belgische Reanimatieraad Introductie Dit hoofdstuk bevat de richtlijnen basale reanimatie van volwassenen voor een hulpverlener, buiten
Bedrijfshulpverlening
Proefexamen Brandbestrijding en Ontruiming 1. Een bedrijfshulpverlener moet als hij een brandmelding krijgt, werken volgens de algemene hulpverleningsregels. Wat heeft daarbij de HOOGSTE prioriteit? a.
Antwoorden 2014 EHBO-K. Ascendens Opleidingen Theorievragen EHBO-K 2014 versie 006 Pagina 1 van 5. Theorievragen versie 006
Antwoorden 2014 EHBO-K Theorievragen versie 006 Pagina 1 van 5 Vraag 1: Noem de vijf belangrijke punten bij het leveren van eerste hulp in juiste volgorde Vraag 2: Vraag 3: Vraag 4 : a) Let op gevaar (zn
BASALE REANIMATIE VAN VOLWASSENEN
BASALE REANIMATIE VAN VOLWASSENEN Richtlijnen 2010 Tekst opgesteld voor Domus Medica 26/11/2011 Dr. Walter Renier BASALE REANIMATIE VAN VOLWASSENEN Richtlijnen 2010 Tekst opgesteld voor Domus Medica 26/11/2011
Basisreanimatie & Automatische Externe Defibrillatie
Basisreanimatie & Automatische Externe Defibrillatie DOELSTELLINGEN Aan het einde van deze cursus moeten de deelnemers in staat zijn om te demonstreren: Hoe een bewusteloos slachtoffer te benaderen. Hoe
2014 EHBO-K. Theorievragen versie 006. Ascendens Opleidingen Theorievragen EHBO-K 2014 versie 006 Pagina 1 van 7
2014 EHBO-K Theorievragen versie 006 Pagina 1 van 7 Vraag 1: Noem de vijf belangrijke punten bij het leveren van eerste hulp in juiste volgorde 1) 2) 3) 4) 5). Vraag 2: Wat is het kenmerk van een gesloten
Start / Introductie HARTELIJK WELKOM
Start / Introductie HARTELIJK WELKOM Mijn naam is: Rob Philips BIJ DEZE INFORMATIE OVER HET BELANG VAN REANIMATIE 1 Reanimatie, wat verstaat men daaronder Om met de deur in huis te vallen Wat verstaat
Gewondenvervoer. A&G eerste hulp opleidingen 2
Gewondenvervoer A&G eerste hulp opleidingen 2 Gewondenvervoer is altijd een noodzakelijk kwaad Het kan op diverse manieren worden gedaan Handgedragen Zonder hulpmiddelen Met hulpmiddelen A&G eerste hulp
"EHBO" is een uitgave van CLB Externe preventie Industrieterrein Kolmen 1085 3570 Alken Tel : 011 59 83 50
EHBO zon e Voor g erken eilig w d en v 1. Inleiding COLOFON "EHBO" is een uitgave van CLB Externe preventie Industrieterrein Kolmen 1085 3570 Alken Tel : 011 59 83 50 Redactie : CLB EDPB Fotografie : www.fotoben.be
LET OP!!! 2015 Nederlandse Reanimatie Raad
LET OP!!! 2015 Nederlandse Reanimatie Raad Deze PowerPoint en de afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd. U mag deze PowerPoint in zijn originele hoedanigheid kosteloos gebruiken. De teksten en afbeeldingen
CPR CARDIOPULMONAIRE RESUSCITATIE
CPR CARDIOPULMONAIRE RESUSCITATIE Inhoud CPR standaardschema: start hartmassage CPR uitzonderingsschema: start beademing Bewusteloos en normale ademhaling: stabiele zijligging De keten van overleven Herkennen
Wat is een AED? Hoe werkt een AED?
Wat is een AED? Een AED is een apparaat waarmee men een elektrische schok aan het hart kan toedienen, wanneer er sprake is van levensbedreigende hartritmestoornissen. Een ingebouwde computer analyseert
LET OP!!! 2011 Nederlandse Reanimatie Raad
LET OP!!! 2011 Nederlandse Reanimatie Raad Deze PowerPoint en de afbeeldingen zijn auteursrechtelijk beschermd. U mag deze PowerPoint in zijn originele hoedanigheid kosteloos gebruiken. De teksten en afbeeldingen
Basale reanimatie van kinderen
Basale reanimatie van kinderen Introductie Dit hoofdstuk bevat de richtlijnen basale reanimatie van kinderen. Deze richtlijnen zijn gebaseerd op de uitgave van de European Resuscitation Council, gepubliceerd
Basale reanimatie van volwassenen
Basale reanimatie van volwassenen 14 Nederlandse Reanimatie Raad / Belgische Reanimatieraad Introductie Dit hoofdstuk bevat de richtlijnen basale reanimatie van volwassenen voor een hulpverlener, buiten
Basale reanima+e van volwassenen
Basale reanima+e van volwassenen Veranderingen in de richtlijnen Bel 112 bij voorkeur met de mobiele telefoon Borstcompressies van goede kwaliteit worden minimaal onderbroken Borstcompressies dienen 5
MODULE 3 Levensreddende handelingen
MODULE 3 Levensreddende handelingen cursus brandweerman Levensreddende handelingen Hoofdstuk 1: Algemene interventieprocedures Het menselijk lichaam De eerste minuten Opbouw van het lichaam Ons lichaam
Inkijkexemplaar. Inhoud
Inhoud Ongevallen gebeuren elke dag. Meestal gaat het om kleine ongevallen waarvan de gevolgen niet zo erg zijn: een schaafwonde door te vallen, een verstuikte voet bij het sporten, of een bloedneus op
BASALE REANIMATIE VAN VOLWASSENEN
BASALE REANIMATIE VAN VOLWASSENEN Richtlijnen 2015 Tekst opgesteld voor Domus Medica 03/12/2016 Dr. Walter Renier BASALE REANIMATIE VAN VOLWASSENEN Richtlijnen 2015 Tekst opgesteld voor Domus Medica 03/12/2016
ORANJE KRUIS JEUGDBOEKJE
HET ORANJE KRUIS JEUGDBOEKJE OFFICIËLE HANDLEIDING VOOR EERSTE HULP DOOR JEUGD Inhoud 1 Algemeen 7 2 Bewustzijn en 13 ademhaling 2.1 Stoornissen in het bewustzijn 14 2.2 Stoornissen in de ademhaling 17
Naslagwerk BLS & PBLS
Naslagwerk BLS & PBLS 2018 P a g i n a 2 Inhoudsopgave Pagina Basale reanimatie van volwassenen 3 tm 6 Volgorde van handelen bij stabiele zijligging 7 Volgorde van handelen bij verstikking/verslikking
Stoornissen in het bewustzijn
Hoofdstuk 3 Stoornissen in het bewustzijn Een verandering in het bewustzijn en de ademhaling kan erop duiden dat de hersenen en ademhalingsorganen te weinig zuurstof krijgen. Daardoor komen de vitale functies,
Spoedeisende Eerste Hulp
Spoedeisende Eerste Hulp Basisopleiding BHV Spoedeisende Eerste Hulp 1. reanimatie 3. overige Spoedeisende Eerste Hulp Selecteer een hoofdstuk naar keuze 2. gebruik AED SEH Reanimatie 1. Eerste Hulpbenadering
Yogales maart 2019!! Bewust staan
Yogales maart 2019 Bewust staan Ga staan met je voeten heupbreedte, voorvoeten licht naar binnen, voel hoe de hiel van je voet contact maakt met de grond, voel de buitenkanten van de voet op de grond voel
Even voorstellen.. Vraag. Vraag. Antwoord 9-4-2015. Welkom op het 12 e Reanimatie Congres
Welkom op het 12 e Reanimatie Congres Driekes van der Weert en Wim Thies Even voorstellen.. Driekes van der Weert Nationale Cursusleider PBLS Ambulance verpleegkundige Wim Thies Nationale Cursusleider
Examen bedrijfshulpverlener Eerste Hulp
Examen bedrijfshulpverlener Eerste Hulp Examencode: 110 Serienummer: 015 Beschikbare tijd: 45 minuten Aandachtspunten: Dit examen bestaat uit 30 meerkeuzevragen. Vraag 1 t/m 15 gaan over Niet-spoedeisende
TRIVIANT BLAUW (uitprinten op blauw papier) Stoornissen in het bewustzijn, de ademhaling en de bloedsomloop
TRIVIANT BLAUW (uitprinten op blauw papier) Stoornissen in het bewustzijn, de ademhaling en de bloedsomloop Welke drie functies zijn van direct levensbelang en hoe noemen we deze functies? Hersenfunctie
Veel gestelde vragen 1
In dit document zijn de antwoorden op veel gestelde vragen opgenomen. Veel gestelde vragen 1 1. Wat is een BHV-plan? Een document waarin een werkgever schriftelijk vastlegt op welke restrisico s de BHV
Basisreanimatie volwassenen. CPR-werkgroep Heilig Hart Ziekenhuis Mol
Basisreanimatie volwassenen CPR-werkgroep Heilig Hart Ziekenhuis Mol Overlevingsketen is de basis voor Advanced Life Support en een goede en snel begonnen is doorslaggevend voor het succes van de ALS en
Matthijs Samyn Instructor BLS & AED Dienst 100 Brw Roeselare Verpleegkundige spoedgevallen Sint Jozefskliniek Izegem Docent EHBO
Basic Life Support & AED Matthijs Samyn Instructor BLS & AED Dienst 100 Brw Roeselare Verpleegkundige spoedgevallen Sint Jozefskliniek Izegem Docent EHBO Center for Urgent Medical Assistance Ruddershove
Competenties Eerste Hulp
Onderdeel 01. Vijf belangrijke punten bij het verlenen van Eerste Hulp de vijf belangrijke punten toepassen. maatregelen te nemen om de veiligheid van zichzelf, medehulpverleners, omstanders en slachtoffer(s)
Lesfiche : EHBO & Reanimatie
Lesfiche : EHBO & Reanimatie Niveau 1: (Praktijk: 2lesuren) Inschatten van een situatie: Veiligheid! Waarom? Niemand heeft nood aan meerdere slachtoffers dan er oorspronkelijk waren ( aarzel dus ook niet
E.H.B.O. bij motorongevallen
E.H.B.O. bij motorongevallen Doel Inzicht in (voorkomen) ongevallen Basiskennis van EHBO bij motorongevallen Achtergrond informatie Bestuurder < 20 jaar heeft 50% meer kans op een ongeval dan bestuurder
Een AED redt levens. Martien van Gorp. Vivon Nederland B.V. Ekkersrijt 1121 5692 AD Son
Een AED redt levens Martien van Gorp Vivon Nederland B.V. Ekkersrijt 1121 5692 AD Son Over Vivon Jarenlange expertise Merkonafhankelijk ISO 9001:2008 gecertificeerd Samenwerking met o.a. Nederlandse Hartstichting
Yogales mei Ademoefening Prana Mudra!
Yogales mei 2019 Staan Plaats de voeten onder de heupen. Je voeten licht naar binnen gedraaid. Je voeten staan stevig op de grond. Voel je in verbinding staan met de aarde. De knieën zijn zacht. Ga met
Reanimatie volwassene. Richtlijnen 2010
Reanimatie volwassene Richtlijnen 2010 Inhoud Inleiding Belangrijkste wijzigingen voor de hulpverlener-ambulancier ALS-schema Aandachtspunten Vragen Waarom nieuwe richtlijnen? Reanimatie anno 1767 (richtlijnen
Als elke seconde telt...
www.hartslagnu.nl Als elke seconde telt......kunnen we dan op jou rekenen? Meld je nu aan als burgerhulpverlener Plotseling kan uw hulp nodig zijn! In Nederland krijgt jaarlijks 1 op de 1000 inwoners een
Vrijmaken van geblokkeerde ademhalingswegen. of niet bij bewustzijn is Azië/Pacific
Section Three Skill Development Vrijmaken van geblokkeerde ademhalingswegen bij volwassene die wel of niet bij bewustzijn is Azië/Pacific Uitvoeringsvereiste Demonstreer hoe je een volwassen patiënt die
Behandeling van wonden en letsels
Module 4 Behandeling van wonden en letsels Als u deze module gevolgd hebt, weet u: - Wat u moet doen bij mogelijk inwendig bloedverlies - Wat u moet doen bij uitwendig bloedverlies - Wat u moet doen bij
Eerste Hulp bij stem bandlozen N S v G
Eerste Hulp bij stem bandlozen N S v G In Nederland zijn ongeveer 2.500 mensen gelaryngectomeerd voor de operatie na de operatie Bij een laryngectomie wordt het strottenhoofd, vaak ten gevolge van kanker,
Oefenprogramma revalidatie linkerzijde
Oefenprogramma revalidatie linkerzijde Dit oefenprogramma ontvangt u van uw revalidatiearts. Oefen dit programma bij voorkeur 2x per dag. Oefeningen moet u pijnvrij kunnen doen, en adem door! In de oefengids
EHBO-dag Aeolus - oefenen
Basic life support Stappenplan 1. Controleer het bewustzijn. Roep om hulp 2. Controleer de ademhaling 3. Bel 112, regel zo mogelijk een AED 4. 30x borstcompressie 5. 2x beademen Herhaal stap 4 en 5 tot
Toetsstation. Reanimatie zonder hulpmiddelen
Toetsstation Reanimatie zonder hulpmiddelen Alg lgeme mene gegevens Classificatiecode(s) K84, K69 Doelstelling Toetsen of de kandidaat in staat is op correcte wijze een reanimatie zonder hulp(middelen)
Reanimatie pediatrie. Richtlijnen 2010
Reanimatie pediatrie Richtlijnen 2010 Belangrijkste aandachtspunten : minimaal 1/3 diepte van de borstkas. Tempo minimaal 100 per minuut Zeer sterke focus op minimale onderbreking van de reanimatie! Belangrijkste
Hoofdstuk 5. Richtlijnen voor de Basale Reanimatie van kinderen
Hoofdstuk 5. Richtlijnen voor de Basale Reanimatie van kinderen EEN BEWERKING VAN DE EUROPEAN RESUSCITATION COUNCIL GUIDELINES 2000 FOR BASIC PAEDIATRIC LIFE SUPPORT 1. Definities Jong kind: - Pasgeborene
BHV 10 TIPS VOOR DE BHV ER ALS DE BRANDWEER KOMT DE BEWONERS- HULPVERLENER. 1. Zorg voor herkenbaarheid van de BHV ers.
10 TIPS VOOR DE ER ALS DE BRANDWEER KOMT DE BEWONERS- HULPVERLENER Helpt de minderzelfredzame medebewoner vluchten. Is aanspreekpunt voor externe hulpdiensten. //////////////////////////////////////////
Oefenprogramma revalidatie rechterzijde
Oefenprogramma revalidatie rechterzijde Dit oefenprogramma ontvangt u van uw revalidatiearts. Oefen dit programma bij voorkeur 2x per dag. Oefeningen moet u pijnvrij kunnen doen, en adem door! In de oefengids
Maak je klaar voor de lange ontspanning. Pak wat je nodig hebt om comfortabel te liggen.
Yoga januari 2018 Aarde in beweging brengen Ga stevig op de aarde staan met je voeten iets wijder dan heupbreedte. Sluit je ogen. Adem uit aandacht is in de voeten. Verplaats je gewicht van je ene naar
Hoofdstuk 2. Richtlijnen voor de Basale Reanimatie van de volwassenen
Hoofdstuk 2. Richtlijnen voor de Basale Reanimatie van de volwassenen EEN BEWERKING VAN DE EUROPEAN RESUSCITATION COUNCIL GUIDELINES 2000 FOR ADULT BASIC LIFE SUPPORT 1. Inleiding De Nederlandse richtlijnen
CPR VOOR DE BEVOLKING met de nieuwe richtlijnen. Danny Martens
CPR VOOR DE BEVOLKING met de nieuwe richtlijnen CPR De richtlijnen zijn opgemaakt als basis voor Cardio Pulmonaire resuscitatie (CPR) van een volwassene uitgevoerd door 1 persoon op basis van de European
7 fijne yogahoudingen
7 fijne yogahoudingen voor kinderen Bloesem kinderyoga - Ben je jonger dan 7 jaar dan doe je de oefening zonder het benoemen van de ademhaling. - Yoga kan best een uitdaging zijn, dat is ok. Het is belangrijk
Stoornissen in het bewustzijn. AG eerste hulp opleidingen Best
Stoornissen in het bewustzijn AG eerste hulp opleidingen Best Beoordeel het bewustzijn Kniel naast het slachtoffer aan de gezichtszijde. Spreek het slachtoffer aan en schud voorzichtig aan de beide schouders.
Eerste Hulp. en stembandlozen. NSvG
Eerste Hulp en stembandlozen NSvG Larynx = strottenhoofd Ectomeren = operatief verwijderen! In uw opleiding Eerste Hulp heeft u wellicht weinig of niets gehoord over eerstehulpverlening aan gelaryngectomeerden
Trainingen & Opleidingen
Trainingen & Opleidingen Bedrijfshulpverlening Een bedrijfshulpverlener is verantwoordelijk voor het verlenen van Eerste Hulp, het bestrijden van een beginnende brand en het begeleiden van een ontruiming.
Oefenprogramma revalidatie
Oefenprogramma revalidatie Dit oefenprogramma ontvangt u van uw revalidatiearts. Oefen dit programma bij voorkeur 2x per dag. Oefeningen moet u pijnvrij kunnen doen, en adem door! Schouder en arm oefeningen:
