Niet Technische Samenvatting
|
|
|
- Emmanuel van der Horst
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Niet Technische Samenvatting Definitief Grontmij Vlaanderen Gent, 13 oktober 2008
2 Verantwoording Titel : Niet Technische Samenvatting Subtitel : Projectnummer : Referentienummer : Revisie : Datum : 13 oktober 2008 Auteur(s) : adres : Gecontroleerd door : Paraaf gecontroleerd : Goedgekeurd door : Paraaf goedgekeurd : Contact : Meersstraat 138A B-9000 Gent T F [email protected] Pagina 2 van 129
3 Inhoudsopgave I. Algemeen Inleiding Verantwoording plan Algemeen Woongebieden Bedrijvigheid Groengebieden Infrastructuur Recreatie en toerisme Overige stedelijke functies Opleidings- en trainingscentrum brandweer en politie Zedelgem Voetbalstadion en eventueel flankerend programma Beknopte omschrijving plan Algemeen Woongebieden Bedrijvigheid Realisatie binnen de planperiode Realisatie buiten de planperiode Groengebieden Infrastructuur Recreatie en toerisme Overige stedelijke functies Sint-Pietersplas De Spie Blankenbergsesteenweg West Chartreuse GOG Kerkebeek Omgeving Ten Briele Alternatieven Nulalternatief Locatiealternatieven wonen Locatiealternatieven bedrijvigheid Siemenslaan Chartreuse Locatiealternatieven voetbalstadion Locatiealternatieven districtzone wegenbeheer Relevante ontwikkelingen Ontwikkelingen inzake verkeersstructuur Ontwikkelingen inzake bedrijvigheid Ontwikkelingen inzake milieu en natuur Juridische en beleidsmatige randvoorwaarden Pagina 3 van 129
4 II. Milieueffecten voor woongebieden, bedrijvigheid, stedelijke functies, groengebieden, recreatie, planelementen 18 en 21, GOG Kerkebeek en omgeving Ten Briele Milieueffecten per woongebied Woongebied Arendstraat Synthese Conclusie Woongebied Sint-Jozef Synthese Conclusie Woongebied Zuidervaartje Synthese Conclusie Woongebied Varsenare Noord Synthese Conclusie Woongebied Sint-Annadreef Synthese Conclusie Woongebied Julien Saelens Synthese Conclusie Woongebied Klein Appelmoes Synthese Conclusie Woongebied Mispelaar Synthese Conclusie Woongebied Sint-Trudo Synthese Conclusie Woongebied Spermalie Synthese Conclusie Woongebied Stakendijke Zwijnsgat Synthese Conclusie Woongebied Leliestraat Synthese Conclusie Woongebied Fabiolalaan Synthese Conclusie Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid Kleinhandelszone De Rampe (14) Synthese Conclusie Sint-Pieterskaai (15) Synthese Conclusie Waggelwater Lus Bevrijdingslaan (16) Synthese Conclusie Elfhoek (17) Synthese Conclusie Vliegweg (19) Pagina 4 van 129
5 2.5.1 Synthese Conclusie Jabbeke West (20 20b) Synthese Conclusie Sint-Elooi (29) Synthese Conclusie Milieueffecten randstedelijke groengebieden Algemeen Randstedelijk groengebied Ryckevelde (22) Synthese Conclusie Randstedelijk groengebied Beisbroek (23) Synthese Conclusie Randstedelijk groengebied Tillegem (24) Synthese Conclusie Randstedelijk groengebied Siemenslaan (25) Synthese Conclusie Milieueffecten recreatie golfterrein Damme Synthese Conclusie Milieueffecten stedelijke functies Opleidings- en trainingscentrum brandweer en politie te Zedelgem (28) Synthese Conclusie Milieueffecten planelementen 18 en Sint-Pietersplas De Spie Blankenbergsesteenweg west (18) Synthese Conclusie Chartreuse Synthese Conclusie Eindconclusie planelementen mbt bedrijvigheid Milieueffecten GOG Kerkebeek en omgeving Ten Briele GOG Kerkebeek Omgeving Ten Briele Watertoets en passende beoordeling Watertoets Passende beoordeling / verscherpte natuurtoets III. Afweging locaties voetbalstadion en eventueel gekoppeld programma Selectie van mogelijke locaties Werkwijze voor een vergelijkbare analyse van locaties Methodologische aspecten Globaal onderzoek van mogelijke locaties Te beoordelen programma Pagina 5 van 129
6 1.3.1 Herstructurering site Jan Breydelstadion Alternatieve locaties Milieueffecten: integratie en eindsynthese Algemene milieueffecten Tijdens de werken voor de realisatie van het voetbalstadion Na realisatie van het voetbalstadion Opwaardering huidige site versus nieuwe locatie voetbalstadion Milieueffecten nieuwe locaties De Spie Blankenbergsesteenweg West Chartreuse Oostkampse baan Conclusie Watertoets Passende beoordeling / verscherpte natuurtoets IV. Potentieanalyse kasteeldomeinen Werkwijze Resultaten V. Integratie en eindsynthese Algemene milieueffecten Winst en verlies van functies Verlies aan functie Landbouw Natuur Winst van functies Wonen Bedrijvigheid Groengebieden en recreatie Opleidings- en trainingscentrum te Zedelgem Planelementen 18 Sint-Pietersplas De Spie Blankenbergsesteenweg West en 21 Chartreuse GOG Kerkebeek en omgeving Ten Briele Locatie voor voetbalstadion en eventueel flankerend programma Structurele samenhang van het gebied Mobiliteit Cumulatieve effecten Algemeen Verstedelijking Toename verkeersgeneratie Dubbele aanspraak op eenzelfde gebied Verdere onderzoeksvragen Algemeen Specifieke leemten in kennis Samenvatting Passende Beoordeling en Verscherpte Natuurtoets Pagina 6 van 129
7 I. Algemeen Pagina 7 van 129
8 Inleiding 1 Inleiding In 2003 werd het planningsproces afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge afgerond. In dit proces werd voor het ganse gebied gewerkt aan een concrete en geïntegreerde visie op de ruimtelijke ontwikkeling van het regionaalstedelijk gebied. Het voorontwerp RUP bevat algemene uitgangspunten, een voorstel van afbakeningslijn voor het regionaalstedelijk gebied en een voorstel van ruimtelijke vertaling van de opties in de deelbestemmingsplannen. Bij de opmaak van het voorontwerp RUP werd maximaal afgestemd met andere planningsprocessen, met name het strategisch plan van de zeehaven van Zeebrugge (dat zal resulteren in een afzonderlijk gewestelijk RUP), de ruimtelijk visie voor landbouw, natuur en bos die heeft geleid tot een beslissing van de Vlaamse Regering inzake herbevestiging van een aantal agrarische gebieden, het provinciaal ruimtelijk structuurplan West-Vlaanderen en de gemeentelijke ruimtelijk structuurplannen van de betrokken gemeenten. Op 24 mei 2007 werd de plenaire vergadering georganiseerd. Hieruit is gebleken dat de voorgestelde benadering onvoldoende is ingevuld om te voldoen aan de plan-m.e.r.-plicht. Bovendien werd door diverse gemeenten en instanties gevraagd om bijkomende gebieden op te nemen. Ook deze voorstellen moeten nu onderworpen worden aan een milieueffectenbeoordeling. In functie van de verdere besluitvorming (goedkeuringsprocedure van het RUP zoals voorzien in het Decreet Ruimtelijke Ordening) dient dan ook een plan-mer te worden opgesteld die voldoet aan de vereisten van de regelgeving terzake. De inhoud van het plan-mer, meer specifiek de ruimtelijke consequenties van milderende maatregelen en een gemotiveerde afweging van de verschillende deelgebieden, zal worden geïntegreerd in de toelichtingsnota bij het gewestelijk RUP, eventueel nadat een tweede plenaire vergadering is georganiseerd. Naderhand wordt het voorontwerp GRUP voorlopig vastgesteld. Dit ontwerp GRUP wordt vervolgens onderworpen aan een openbaar onderzoek gedurende 60 dagen. De inspraakreacties worden gebundeld en verwerkt door de VLACORO (Vlaamse Commissie voor Ruimtelijke Ordening) dewelke een gemotiveerd advies uitbrengt. Uiteindelijk wordt het GRUP (na eventuele aanpassingen) definitief vastgesteld door de Vlaamse Regering. In het kader van de definitieve aanvraag van de stedenbouwkundige vergunning voor de realisatie van de planelementen geldt voor een aantal ervan de plicht tot het opstellen van een project-mer. Eens het project-mer of de ontheffingsnota voor zover van toepassing is opgemaakt en goedgekeurd, kunnen de benodigde vergunningen worden aangevraagd. In het kader van de vergunningsaanvraag is eveneens een openbaar onderzoek voorzien. Gedurende 30 dagen kan iedereen zijn bezwaren of opmerkingen formuleren. Deze worden gericht naar het college van burgemeester en schepenen. De vergunningverlenende overheid moet zich daarna uitspreken over elk van de ingediende bezwaren en opmerkingen. Deze uitspraak moet voldoende gemotiveerd zijn. Uiteindelijk wordt een beslissing genomen met betrekking tot de vergunningsaanvraag. Pagina 8 van 129
9 2 Verantwoording plan 2.1 Algemeen Het ruimere beleidsmatig kader voor de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge wordt gevormd door het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen 1. In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen staat het streven naar openheid en stedelijkheid voorop, uitgedrukt in de metafoor 'Vlaanderen: open en stedelijk'. Met deze metafoor wil het RSV een trendbreuk realiseren met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling. Deze trendbreuk beoogt de versterking van het buitengebied en het tegengaan van de versnippering door een meer optimaal gebruik en beheer van de stedelijke structuur. Daarom wordt het principe van gedeconcentreerde bundeling vooropgesteld. Deze bundeling streeft een selectieve concentratie na van de groei van het wonen, het werken en de andere maatschappelijke functies in de stedelijke gebieden en in de kernen van het buitengebied. Vanuit deze optie moeten de stedelijke gebieden worden versterkt waarbij activiteiten er worden geconcentreerd en gestimuleerd. In de gewenste ruimtelijke structuur voor Vlaanderen wordt Brugge geselecteerd als regionaalstedelijk gebied omwille van haar bestaande en gewenste functioneel-ruimtelijke positie in de Vlaamse stedelijke structuur en de ruimtelijke potenties die zij heeft ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkeling in Vlaanderen. Het regionaalstedelijk gebied Brugge is als stedelijk gebied ook geselecteerd als economisch knooppunt. De afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge wordt - in uitvoering van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen - in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan vastgelegd. Zowel het richtinggevend als het bindend gedeelte van het RSV bevatten inhoudelijke elementen die relevant zijn voor de opmaak van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge. Volgens de principes van het RSV is het ruimtelijk beleid voor de regionaalstedelijke gebieden erop gericht de bestaande en toekomstige stedelijke potenties te benutten. Om deze potenties maximaal te kunnen benutten, wordt een afbakening van het regionaalstedelijk gebied opgesteld die ruimer is dan de gemeentegrens Brugge. Het aangeven van de grenslijn is één van de finaliteiten van het afbakeningsproces. Hierdoor krijgt de afbakening een juridisch statuut zodat ze ook doorwerkt in specifieke overheidsinitiatieven en uitvoeringsplannen van de verschillende overheden binnen dit regionaalstedelijk gebied. Daarnaast kan een gecoördineerd gebiedsgericht beheer en stedelijk gebiedbeleid gevoerd worden in een duidelijk afgebakend gebied. Vanuit het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen worden de taakstellingen voor het regionaalstedelijk gebied Brugge vastgesteld op het vlak van bedrijvigheid en wonen. Het RUP voor de afbakening geeft hieraan uitvoering. 1 Goedgekeurd bij besluit van de Vlaamse Regering op 23 september 1997 houdende definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het decreet van 17 december 1997 houdende bekrachtiging van de bindende bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 december 1997 houdende definitieve vaststelling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Pagina 9 van 129
10 Verantwoording plan In het afbakeningsproces werd een hypothese van gewenste ruimtelijke structuur voor het regionaalstedelijk gebied Brugge uitgewerkt. Deze hypothese vormt de inhoudelijke basis voor concrete acties in verband met het stedelijk gebiedbeleid en voor de afbakening van het stedelijk gebied. Het opstellen van de gewenste ruimtelijke structuur is binnen dit proces geen doel op zich maar moet worden beschouwd als een hulpmiddel om de verschillende ruimteaanspraken ten opzichte van elkaar en van de ruimtelijke draagkracht af te wegen. De krachtlijnen voor de ruimtelijke ontwikkelingen worden geformuleerd onder de vorm van een aantal aan elkaar complementaire ruimtelijke concepten. Deze concepten worden samengebracht in de gewenste ruimtelijke structuur, die de structuur aangeeft voor de nodige bijkomende stedelijke activiteiten. 2.2 Woongebieden Vanuit de bestaande structuur en de concepten worden een aantal uitgangspunten naar voor geschoven voor de gewenste nederzettingsstructuur. Gezien het regionaal stedelijk gebied Brugge een ruimtelijke diversiteit kent aan stedelijke woonomgevingen is hierbij een gebiedsgerichte aanpak noodzakelijk. Naast een aantal vooropgestelde beleidselementen zijn binnen de gewenste ruimtelijke structuur aandachtspunten voor een kwalitatief woonbeleid opgenomen. Het algemeen uitgangspunt is dat alle woonuitbreidingsgebieden worden herbestemd naar woongebied, behoudens de gebieden in nuloptie (zie punt Alternatieven ). Voor woonuitbreidingsgebieden die reeds een gepaste bestemming hebben gekregen via een BPA is een opname in het gewestelijk RUP overbodig. Deze gebieden worden dan ook niet opgenomen. Hetzelfde geldt voor gebieden die reeds volledig zijn ontwikkeld via een verkaveling. Dit resulteert in volgende situaties: Herbestemmen van woonuitbreidingsgebied en woonreservegebied naar woongebied; Herbestemmen van agrarisch gebied naar woongebied; Herbestemmen van industriegebied naar woongebied; Herbestemmen van recreatiegebied naar woongebied. 2.3 Bedrijvigheid Vanuit de bestaande structuur en de concepten worden een aantal uitgangspunten naar voor geschoven voor de gewenste ruimtelijk - economische structuur. Om een invulling van de taakstelling voor bedrijvigheid te realiseren, wordt de ontwikkeling van de terreinen de Spie, Chartreuse en Blauwe Toren Noord vooropgesteld. Gezien voor Blauwe Toren Noord een BPA is goedgekeurd, is dit gebied niet meer opgenomen in het RUP voor de afbakening. Lokale bedrijventerreinen worden niet opgenomen in de afbakening van het regionaalstedelijk gebied. Het voorstel van afbakening omvat daarnaast ook een aantal bestemmingswijzigingen met betrekking tot (uitbreiding van) bestaande bedrijvigheid: Blauwe Toren (planelement 18); De Rampe (planelement 14); Sint-Pieterskaai (planelement 15); Waggelwater (planelement 16). Pagina 10 van 129
11 Verantwoording plan Het bovenstaande geeft invulling aan de behoefte aan regionale bedrijvigheid zoals geformuleerd op basis van het RSV onder de vorm van de taakstelling voor de planperiode ( ). Gelet op het feit dat het voorstel van afbakening samenvalt met het einde van de planperiode, is het belangrijk om bij de afweging van nieuw te bestemmen bedrijventerreinen aandacht te besteden aan volgende elementen: ontwikkelingen na de planperiode; afweging van grotere zoekzones waarbinnen gefaseerde ontwikkeling mogelijk is; in beeld brengen van meerdere alternatieve locaties die naar prioriteit toe gefaseerd kunnen ontwikkeld worden. Daarom wordt rekening gehouden met een toekomstige behoefte aan ruimte voor regionale bedrijvigheid. Hierbij wordt ervoor geopteerd om terreinen aan te bieden voor regionale bedrijvigheid vanaf 2013, wanneer de behoefte zich stelt. Meer specifiek wordt hiervoor het terrein ten westen van de Blankenbergsesteenweg als mogelijke locatie aangeduid. Mogelijke alternatieve locaties zijn Vliegweg te Oostkamp en Jabbeke West (respectievelijk planelement 19 en 20). Daarnaast wordt Sint-Elooi (Zedelgem) opgenomen binnen de afbakeningslijn om de ontwikkeling van bedrijvigheid mogelijk te maken. Verder onderzoek is echter nodig om uit te maken hoe de problematiek in de confrontatie tussen wonen en werken en de ontsluiting van het gebied kan worden aangepakt. 2.4 Groengebieden Vanuit de bestaande structuur worden een aantal uitgangspunten naar voor geschoven voor de gewenste groenstructuur, namelijk: Versterken van de groene gordel tussen kernstad en perifere kernen (bvb tussen Varsenare en Sint-Andries); Bestaande groenkernen versterken tot randstedelijke groengebieden (bvb Ryckevelde/Malebos); Gericht recreatieve activiteiten of recreatief medegebruik toelaten (bvb thv bedrijventerrein Chartreuse). 2.5 Infrastructuur Vanuit de bestaande structuur en de concepten worden de volgende uitgangspunten naar voor geschoven voor de gewenste verkeers- en vervoersstructuur: Optimaliseren van de N31; Uitbouw van het openbaar vervoer tussen de kern Brugge en de perifere kernen. In het RSV wordt de N31 geselecteerd als primaire weg type I. Om deze functie te kunnen opnemen en om een degelijke verbinding tussen het hoofdwegennet en de haven van Brugge- Zeebrugge te voorzien, wordt de herinrichting van de N31 vooropgesteld. Om de doelstellingen te verwezenlijken is het noodzakelijk dat de bestaande kruisingen ongelijkvloers worden uitgevoerd en het lokale en het doorgaande verkeer zoveel mogelijk van elkaar worden gescheiden. Hiertoe worden bij de herinrichting conform het streefbeeld verschillende ingrepen voorzien, onder andere ter hoogte van de Bevrijdingslaan (verkeerswisselaar) en de Chartreuseweg (beperkt eenrichtingsverkeer vanuit Brugge in een tunnel onder de N31). Om deze ingrepen te kunnen realiseren zijn bestemmingswijzigingen nodig ter hoogte van de Chartreuseweg en de Bevrijdingslaan en zijn in het voorontwerp RUP twee planelementen met betrekking tot de lijninfrastructuur opgenomen, meer bepaald: planelement 26: N31 Chartreuseweg en onderdeel van planelement 16: Lus Bevrijdingslaan. Pagina 11 van 129
12 Verantwoording plan 2.6 Recreatie en toerisme Volgende uitgangspunten worden naar voor geschoven voor recreatie en toerisme: Optimaliseren van de toeristisch-recreatieve structuur op regionaal stedelijk niveau; Bijkomende recreatieve activiteiten kaderen in het geheel van de concepten. Zo wordt onder meer de verblijfsrecreatieve structuur in de omgeving van Sint-Pietersplas versterkt. In uitvoering van het op 20 juni 2003 door de Vlaamse Regering goedgekeurde Golfmemorandum, waarbij de Golf en Country Club in Damme is aangeduid als een type III-golfterrein dat deels gelegen is in een bestemming (recreatie) die golf niet uitsluit en voor het overige deel in agrarisch waardevol gebied ligt. In het Golfmemorandum wordt een prioriteitenstelling voor type III terreinen gehanteerd waarbij de eerste fase de herbestemming inhoudt van een aantal zonevreemde golfterreinen. 2.7 Overige stedelijke functies Opleidings- en trainingscentrum brandweer en politie Zedelgem In functie van de invulling van de behoefte aan stedelijke voorzieningen, voorziet het voorontwerp RUP in een herbestemming ter hoogte van het militair gebied te Zedelgem, meer bepaald de school voor onderofficieren. Omdat de bebouwing van de school voor onderofficieren leeg staat en niet rechtstreeks paalt aan de kern, is deze locatie voor weinig functies geschikt. Binnen de afbakening wordt onder andere een locatie gezocht om de provinciale brandweerschool en ook de provinciale politieschool in onder te brengen. Deze site vormt hiertoe een geschikte locatie (planelement 28) Voetbalstadion en eventueel flankerend programma Naar aanleiding van de concrete vraag van Uplace en Club Brugge met betrekking tot de realisatie van een nieuw voetbalstadion en winkelcentrum ter hoogte van de Oostkampse Baan werd de realisatie van een voetbalstadion en flankerend programma als stedelijke voorziening mee opgenomen binnen de afbakening van het regionaalstedelijk gebied. Pagina 12 van 129
13 3 Beknopte omschrijving plan 3.1 Algemeen Het te beoordelen plan betreft het voorontwerp RUP voor de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge en de bijkomende voorstellen tot aanpassing van dit voorontwerp zoals die geformuleerd zijn op de plenaire vergadering. Dit plan omvat enerzijds de afbakeningslijn van het regionaalstedelijk gebied en anderzijds bestemmingswijzigingen op het vlak van wonen, regionale bedrijvigheid, (regionaal)stedelijke activiteiten, recreatie, stedelijke groengebieden en lijninfrastructuur. De deelgebieden kunnen als volgt worden ingedeeld (kaart A en B): het bestemmen van 10 woonuitbreidingsgebieden, 1 woonreservegebied, 1 agrarisch gebied en 1 industriegebied naar woongebied; het bestemmen van 7 zones voor bedrijvigheid voor realisatie binnen de planperiode; het bestemmen van zones voor regionale bedrijvigheid voor realisatie op langere termijn (vanaf 2013) en het afwegen van 3 alternatieve locaties hiervoor; het bestemmen van gebieden voor stedelijke activiteiten (waaronder de potentiële locaties voor de realisatie van een voetbalstadion met flankerend programma, een opleidings- en trainingscentrum voor brandweer en politie en de mogelijke ontwikkelingen ter hoogte van kasteeldomeinen); bestendiging en verdere ontwikkeling van recreatiegebied, namelijk het golfterrein te Damme en Sint-Pietersplas; afbakenen van 4 randstedelijke groengebieden; bestemmingswijzigingen in kader van de herinrichting van de N31 zuidelijk deel. Bijkomend worden op basis van de richtlijnen de milieueffecten voor de realisatie van GOG Kerkebeek en de herbestemming van de KMO-zone naar bosgebied ten zuiden van Ten Briele opgenomen in het plan-mer. 3.2 Woongebieden Het grootste gedeelte van de woonuitbreidingsgebieden worden herbestemd naar stedelijk woongebied om het juridisch beschikbaar aanbod voor wonen in het regionaalstedelijk gebied te verhogen. De bestemming stedelijk woongebied is inhoudelijk zeer ruim. Naast het wonen kunnen alle activiteiten die met het wonen (in de wijk) verweefbaar zijn, toegelaten worden. Volgende woonuitbreidingsgebieden worden herbestemd naar woongebied: Sint-Jozef (Sint-Jozef, Brugge) - planelement 2 Zuidervaartje (Sint-Kruis, Brugge) - planelement 3 Sint-Annadreef (Sint-Andries, Brugge) - planelement 5 Julien Saelens (Assebroek, Brugge) - planelement 6 Klein Appelmoes (Assebroek, Brugge) - planelement 7 Mispelaar (Assebroek, Brugge) - planelement 8 Sint-Trudo (Assebroek, Brugge) - planelement 9 Spermalie 2 (Sijsele, Damme) - planelement 10 Stakendijke - Zwijnsgat (Sijsele, Damme) - planelement 11 Fabiolalaan (Oostkamp) - planelement 13 Pagina 13 van 129
14 Beknopte omschrijving plan Het woonreservegebied van Koolkerke ter hoogte van de Arendstraat (planelement 1) wordt gedeeltelijk ontwikkeld. Het westelijk deel wordt niet herbestemd tot woongebied, omwille van de aanwezige biologische en landschappelijke waarden (zie ook punt 6 Alternatieven). Omdat er in Varsenare geen juridisch aanbod voor wonen meer aanwezig is, wordt geopteerd voor een inname van (versnipperd) agrarisch gebied, direct aansluitend bij de kern (planelement 4). Het industrieterrein in de Leliestraat wordt herbestemd naar wonen wegens het niet goed gelegen zijn van de gronden in functie van bedrijvigheid (bereikbaarheid, aanwezigheid beekvallei), terwijl het gebied als woongebied wel een kwalitatieve meerwaarde kan betekenen (planelement 12). 3.3 Bedrijvigheid Realisatie binnen de planperiode De bestaande bedrijvigheid op het terrein De Rampe (planelement 14) bestaat hoofdzakelijk uit kleinhandelsactiviteiten, al dan niet gekoppeld aan een ambachtelijke activiteit. Naast kleinhandel zijn in deze zone ook meer ambachtelijke activiteiten gevestigd, meestal gekoppeld aan verkoop. In functie van het behoud van de bestaande activiteiten wordt dan ook een herbestemming naar een specifiek regionaal bedrijventerrein voor grootschalige kleinhandel vooropgesteld. Het gebied Sint-Pieterskaai (planelement 15) bepaalt de grens tussen het stedelijk gebied en het zeehavengebied, waarbij de bebouwing aan de Sint-Pieterskaai met het te herbestemmen deel van de Entrepot tot het stedelijk gebied behoort. Hierbij is de stadsring aangegeven als structurerend element, met als uitgangspunt om strategische locaties langs de stadsring te optimaliseren. Hiertoe wordt de omgeving van de Sint-Pieterskaai geoptimaliseerd volgens het huidige functioneren in functie van grootschalige kleinhandel. Verder is de bestemming voor milieubelastende industrie ter hoogte van de Entrepot-site achterhaald en wordt een herbestemming doorgevoerd als gebied voor openbaar nut. Deze herbestemming is afgestemd op de huidige activiteiten (kantoren van de jeugddienst en de informaticadienst van de Stad Brugge, parking) en de plannen van de stad Brugge (vestiging van de centrale politiediensten). Het gebied Waggelwater (planelement 16) is volgens het gewestplan bestemd als gebied voor milieubelastende industrie. Het terrein is grotendeels ontwikkeld, waarbij er zich verschillende kantoren en kleinhandelsactiviteiten (gegroeid uit bedrijvigheid) hebben gevestigd. Omdat de huidige invulling van het terrein niet in overeenstemming is met de bestemming wordt het terrein herbestemd voor gemengd regionale bedrijvigheid, zodat ontwikkelingsmogelijkheden worden geboden voor de bestaande vergunde activiteiten. Deze optie wordt verantwoord vanuit het goed functioneren van het bedrijventerrein op vandaag, en omwille van de ligging langs de N31. Daarnaast wordt de mogelijkheid voorzien om het gebied volledig te ontwikkelen met kantoren of grootschalige kleinhandel. Ter hoogte van Elfhoek (Jabbeke, planelement 17) worden uitbreidingsmogelijkheden voorzien voor drie bestaande grootschalige bedrijven van regionaal belang. Het gaat om drie ruimtelijk gescheiden gebieden, aansluitend op het bestaande bedrijventerrein die worden herbestemd als bedrijventerrein voor de uitbreiding van bestaande regionale bedrijvigheid. Voor het Texacostation in het noorden van het gebied wordt geen herbestemming voorzien in het gewestelijk RUP. Deze is reeds gebeurd bij de opmaak van het sectoraal BPA zonevreemde bedrijven van de gemeente. Het voorontwerp RUP voorziet in de uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein door middel van drie afzonderlijke deelgebieden, 1 ten noorden en 2 ten oosten van de bestaande bedrijvigheid. Naar aanleiding van de ter inzage legging van de scopingnota werd door de gemeente Jabbeke een inrichtingsalternatief voorgesteld. Het alternatief bestaat erin om meer uitbreidingsmogelijkheden in noordelijke richting te voorzien en slechts beperkt in oostelijke richting uitbreiding toe te laten. Pagina 14 van 129
15 Beknopte omschrijving plan Ook wordt landschappelijke buffering voorgesteld ten aanzien van de oostelijk gelegen woningen. Binnen de milieubeoordeling van planelement 17 wordt dit inrichtingsalternatief mee beoordeeld op mogelijke milieueffecten. Gezien de nabijheid van diverse andere bestemmingswijzigingen in de buurt van de Spie wordt deze bestemmingswijzigingen samen opgenomen in één planelement, namelijk planelement 18. Dit planelement bevat eveneens de herbestemming van het bestaande bedrijventerrein Blauwe Toren (zie verder). Het gebied Chartreuse wordt opgenomen binnen planelement 21. Gezien dit planelement ook verschillende deelaspecten/bestemmingen bevat, wordt het afzonderlijk besproken (zie verder) Realisatie buiten de planperiode Binnen planelement 18 wordt ook het gebied ten westen van de Blankenbergse Steenweg opgenomen als agrarisch gebied met nabestemming gemengd regionaal bedrijventerrein. De omgeving Vliegweg (planelement 19) wordt opgenomen als agrarisch gebied met nabestemming gemengd regionaal bedrijventerrein als mogelijk alternatief voor het gebied ten westen van Blankenbergsesteenweg en wordt als dusdanig onderzocht op mogelijke milieueffecten. Het gebied Jabbeke West (ten westen van de Jabbeekse beek tussen E40 en de spoorlijn Brugge - Oostende) wordt opgenomen als agrarisch gebied met nabestemming gemengd regionaal bedrijventerrein als mogelijk alternatief en wordt als dusdanig onderzocht op mogelijke milieueffecten (planelement 20). Hierbij wordt de realisatie van 10 ha bedrijventerrein onderzocht, evenals de mogelijke uitbreiding tot 50 ha. Ter hoogte van Sint-Elooi in Zedelgem (planelement 29) wordt ruimte in functie van een eventuele latere ontwikkeling van een bedrijventerrein als gevolg van de herinrichting van Sint-Elooi. Op vandaag komen verschillende bovenlokale bedrijven verweven voor tussen het woongebied van Sint-Elooi. Op termijn kan een herinrichting worden voorzien, met de bedoeling de woonen leefkwaliteit in Sint-Elooi te verbeteren. In functie van latere ontwikkelingen van de bedrijvigheid wordt bestaand agrarisch gebied te Sint-Elooi opgenomen binnen de afbakeningslijn met het oog op de latere ontwikkeling als regionaal bedrijventerrein. 3.4 Groengebieden Het gebied Ryckevelde/Malebos (planelement 22) maakt deel uit van de groene gordel rond Brugge. Voor het gebied werd een gewenste ruimtelijke structuur uitgewerkt. Ten noorden van de Maalse steenweg wordt behalve voor de bebouwde percelen - het bestaande bos- en parkgebied volgens het gewestplan bevestigd. Langs noordoostelijke zijde wordt een bosuitbreiding. Voor het Ryckeveldebos wordt een bestendiging en zuidelijke uitbreiding van het bestaande bos en het natuurgebied ten westen ervan voorzien. In het gebied ten noorden van het Ryckeveldebos wordt gestreefd naar herstel van het drevenpatroon, met de ontwikkeling van een mozaïek van bos, mantelzoomvegetaties, ruigtes en schrale graslanden. Ook het natuurgebied Schobbejakshoogte (ten westen van Ryckeveldebos)wordt bestendigd. Het natuurgebied wordt langs de kant van de Doolhof uitgebreid. Ten westen van het natuurgebied wordt het gebied bestemd als gemengd openruimtegebied. Ten zuiden van het natuurgebied wordt een stuk bosgebied bestemd. Het gebied ten noorden van de Doolhof wordt - omwille van de bestaande toestand en de visie van de stad op het gebied - bevestigd als agrarisch gebied. In de Loweiden en de vallei van de Meersbeek wordt herbestemd naar gemengd openruimte gebied. Omdat de omgeving van Ten Torre een bestaand park is, wordt het in functie van het behoud ervan bestemd als parkgebied. Het gebied ten oosten van het bosgebied Ryckevelde wordt omwille van het versnipperd karakter en de mindere natuurwaarden, de agrarische bestemming bevestigd. Pagina 15 van 129
16 Beknopte omschrijving plan Omwille van het recreatieve gebruik van het gehele centrale gebied, wordt de mogelijkheid geboden om twee parkings aan te leggen, met een totale grootte van 2ha. Daarnaast worden ook recreatieve functies mogelijk gemaakt in de bestaande bebouwing binnen bosgebied, parkgebied, gemengd openruimte gebied en het agrarisch gebied te noordwesten. Omdat het agrarisch gebied ten oosten geen echt onderdeel uitmaakt van het recreatief gebied en een meer residentieel karakter heeft, wordt deze mogelijkheid in dit gebied niet voorzien. Het bestaande tuinbouwbedrijf langs de Margareta van Vlaanderenstraat kan behouden worden en beperkt verder uitbreiden binnen het perceel. Omwille van het unieke karakter van de heide in de omgeving van het domein Beisbroek (planelement 23) en de beperkte oppervlakte ervan is een uitbreiding van het areaal aangewezen. De herbestemming wordt doorgevoerd met het oog op herstel van het wastinelandschap. Omdat de omgeving van de kasteelparken relatief druk bezocht wordt, wordt het gebied bestemd als gemengd openruimte gebied, waarin recreatief medegebruik mogelijk is. Omwille van de ingeslotenheid van het agrarisch gebied en de interessante vegetaties, wordt voor het randstedelijk gebied Tillegem (planelement 24) een herbestemming naar natuur en gemengd openruimte gebied doorgevoerd. Uit onderzoek blijkt dat de ecologische potenties van het gebied hoog zijn. Omwille van de ligging binnen het gave landschap de oude veldgebieden, waarbij de kasteelparken, boscomplexen en dreven als structurerende landschapselementen en componenten kunnen beschouwd worden, wordt ter hoogte van de Siemenslaan (planelement 25) het randstedelijk groengebied opgenomen. Het ontwikkelen van het deelgebied als bosgebied, met herbebossing en het herstel van de dreef, betekent een herstel en de versterking van dit gave landschap. 3.5 Infrastructuur Ter hoogte van de kruising van de N31 met de Bevrijdingslaan wordt een volwaardig op- en afrittencomplex gepland. Het huidige kruispunt met verkeerslichten verdwijnt. Voor de herinrichting van dit kruispunt moet nog bepaald worden of de N31 door middel van bruggen of tunnels wordt gekruist. Deze keuze heeft geen invloed op de omvang van het complex en wordt niet vastgelegd in het ruimtelijk uitvoeringsplan. Omdat het gebied Bevrijdingslaan ruimtelijk aansluit bij het planelement van het bedrijventerrein Waggelwater, wordt dit als één deelgebied beschouwd. Rekening houdend met de doelstellingen en de voorstellen van het MER Ombouw N31 tot primaire I thv Brugge Sint-Michiels en Sint-Andries werd beslist de kruising van de N31 met de Chartreuseweg ongelijkvloers in te richten. Enkel het oostelijke gedeelte van dit complex wordt herbestemd in het gewestelijk RUP (planelement 26). De bestemming voor het westelijk deel werd reeds voorzien binnen het RUP Chartreuse. 3.6 Recreatie en toerisme In het kader van de gewenste verdere ontwikkeling van de golfactiviteiten in de golfclub in Damme (planelement 27) is het nodig om te voorzien in bijkomende ruimte aansluitend op het bestaande terrein. In navolging van het Golfmemorandum dat stelt dat bestaande golfterreinen waar mogelijk dienen te evolueren naar multifunctionele terreinen wordt ook aandacht besteed aan het recreatief medegebruik van het golfterrein. Hiertoe worden volgende aspecten opgenomen: Het bestaande terrein zal in noordoostelijke richting worden uitgebreid met 9 holes. Deze uitbreiding heeft een oppervlakte van ongeveer 30ha. De bestaande bebouwing blijft behouden. De huidige infrastructuur en parkeergelegenheid zijn voldoende om de bijkomende bezoekers op te vangen. Pagina 16 van 129
17 Beknopte omschrijving plan Om in te spelen op dit multifunctionele karakter wordt een langzaamverkeersverbinding voorzien tussen de Brieversweg en de Doornstraat. Deze verbinding takt aan op het gemeentelijk fietsroutenetwerk en vormt een meerwaarde in het fietsnetwerk van het Brugse Ommeland. Daarnaast is het belangrijk dat binnen het golfterrein plekken worden voorzien die voor iedereen toegankelijk zijn en waar mogelijkheden worden geboden voor recreatieve activiteiten. Omdat delen van het golfterrein ecologisch waardevol zijn en omdat het gebied gelegen is in een landbouwgebied met vele kleine landschapselementen, krijgt het volledige golfterrein de overdruk natuurverweving. Hierdoor zijn nieuwe inrichtingswerken voor golfinfrastructuur slechts mogelijk wanneer er geen aantasting is van de natuurwaarden van het gebied. Met de aanduiding van het golfterrein als natuurverweving wordt tegemoet gekomen aan de beleidsdoelstelling om ha recreatiegebied de overdruk natuurverweving te geven. Bij de inrichting van het golfterrein zullen landschapsherstellende maatregelen worden voorzien en wordt rekening gehouden met de aanwijzingen dat het golfterrein gelegen is in een archeologisch waardevol gebied. Ter hoogte van Sint-Pietersplas wordt zowel de bestendiging van huidige recreatieve activiteiten (dagrecreatie) als de uitbreiding ervan voorzien. Gezien er in de nabije omgeving nog diverse andere bestemmingswijzigingen zijn voorzien, zijn deze samen opgenomen in één planelement, namelijk planelement 18. Dit planelement bevat daarnaast de herbestemming in functie van regionale bedrijvigheid, de herbestemming van het bestaande bedrijventerrein Blauwe Toren, de herinrichting van de N31, de Blankenbergsedijk en de parkbegraafplaats (zie verder). 3.7 Overige stedelijke functies Binnen de afbakening wordt eveneens een locatie gezocht om het opleidings- en trainingscentrum brandweer en politie Zedelgem (planelement 28) in onder te brengen. De site ter hoogte van het militair gebied te Zedelgem en aanpalend agrarisch gebied wordt hiertoe herbestemd als gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen. Binnen het plan-mer worden potentiële locaties voor de realisatie van het voetbalstadion met het eraan gekoppelde programma onderzocht op hun mogelijke milieueffecten zodat de uiteindelijk gekozen locatie eventueel mee kan worden opgenomen in het RUP voor het regionaalstedelijk gebied Brugge. Hierbij werd vertrokken van de 15 mogelijke locatiealternatieven die onderzocht zijn in het kader van het eerder uitgevoerde locatieonderzoek in opdracht van Club Brugge en Uplace. Deze 15 locaties vormen het vertrekpunt van een eerste screening (zie verder). 3.8 Sint-Pietersplas De Spie Blankenbergsesteenweg West In het gebied ter hoogte van de Spie en Sint-Pietersplas komt op vandaag een veelheid aan stedelijke functies voor. In het kader van het gewestelijk RUP voor de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge werd voor deze zone een gewenste ruimtelijke structuur uitgewerkt. Hierbij werd enerzijds rekening gehouden met het multifunctionale karakter van het gebied en anderzijds met de vooropgestelde taakstellingen en ruimtelijke concepten voor het stedelijk gebied. Dit planelement 18 bevat dus naast ontwikkeling van bedrijvigheid ter hoogte van De Spie eveneens de bedrijvigheid ten westen van de Blankenbergsesteenweg, de recreatieve ontwikkelingen van Sint-Pietersplas, de herbestemming van het bestaande bedrijventerrein Blauwe Toren, de herinrichting van de N31, de Blankenbergsedijk en de parkbegraafplaats. Pagina 17 van 129
18 Beknopte omschrijving plan Het gebied de Spie wordt herbestemd als gemengd regionaal bedrijventerrein. In het zuidelijk deel van het bedrijventerrein wordt in uitvoering van het waterbeheersplan een bufferbekken voorzien. Bedoeling is dit maximaal te integreren in het bedrijventerrein, zodat een minimaal aan potentiële bedrijfsoppervlakte verloren gaat. Het bedrijventerrein Blauwe Toren is volledig ontwikkeld. Omdat de invulling van het terrein niet in overeenstemming is met de bestemming als gebied voor ambachtelijke bedrijven en KMO s wordt het terrein herbestemd naar gebied voor gemengd regionale bedrijvigheid, zodat ontwikkelingsmogelijkheden worden geboden voor de bestaande activiteiten. De huidige bestemming als agrarisch gebied ten westen van de Blankenbergsesteenweg wordt bestendigd, dit met een nabestemming als gemengd regionaal bedrijventerrein. Deze nabestemming gaat in vanaf In de voorschriften wordt de verplichte aanleg van een buffering ingeschreven naar de aanpalende gebieden, behalve langs oostelijke zijde. Er wordt specifieke aandacht gevraagd voor de Blankenbergsedijk als belangrijk landschappelijk element in het gebied. Ter hoogte van de Sint-Pietersplas wordt de bestaande recreatie bestendigd en verder ontwikkeld. De plas zelf en de omgeving er rond worden bestemd voor dagrecreatie conform de bestaande bestemming, dit met een overdruk natuurverweving. Ter hoogte van Sint-Pietersplas wordt eveneens ruimte voorzien voor kampeerruimte en wordt tevens verblijfsaccommodatie voorzien, specifiek in functie van de watersportrecreatie. Deze verschillende verblijfsrecreatieve functies zijn het meest dynamisch en worden maximaal gebundeld door een herbestemming als verblijfsrecreatie zuidelijk in het plangebied. De graslanden ten noorden van de Sint-Pietersplas worden voorzien als kampeerweiden en herbestemd als gemengd openruimte gebied met overdruk natuurverweving. In navolging van de vraag naar bijkomende ruimte voor dagrecreatie wordt ten noorden van de zone voor verblijfsrecreatie nog ruimte voorzien voor dagrecreatie. De N31 wordt heringericht zodat hij de vooropgestelde functies kan opnemen. Binnen het te beoordelen plan wordt de ruimte tussen de Blankenbergsesteenweg en de N31 tevens bestemd als wegenis. Het gebied voor openbaar nut ten noorden van het bedrijventerrein Blauwe Toren Noord is grotendeels ingenomen door de parkbegraafplaats. Om de natuurwaarden in het gebied ecologisch op te waarderen, wordt een herbestemming doorgevoerd naar gemengd open ruimtegebied met overdruk natuurverweving voorgesteld. Door de ontwikkeling van het agrarisch gebied palend aan de Blankenbergsedijk, is het niet mogelijk de landschappelijke context en omgeving van de dijk volledig te behouden. Door de buffer van het bedrijventerrein naar de dijk maximaal af te stemmen met de ligging langs deze dijk, wordt getracht de negatieve impact van het bedrijventerrein zoveel mogelijk te beperken. De Blankenbergsedijk wordt tevens ingericht als voetgangers- en fietsverbinding. Over de N31 wordt een brug voor langzaam verkeer voorzien. Deze bestemming wordt ook opgenomen in het RUP als verbinding voor langzaam verkeer. Langs de westelijke zijde van de Blankenbergsesteenweg zijn enkele zonevreemde woningen gelegen, binnen agrarisch gebied. Omdat deze woningen aansluiten bij het recreatiegebied ten westen ervan, wordt ook een duidelijke bestemming en ontwikkelingsmogelijkheden te bieden voor deze zonevreemde woningen. Hiertoe wordt dit deel herbestemd als woongebied. Pagina 18 van 129
19 Beknopte omschrijving plan 3.9 Chartreuse Ter hoogte van Chartreuse worden verschillende deelgebieden onderscheiden. Het gebied ten zuiden van de E40 wordt herbestemd als woongebied, waarbij de bestaande Lac van Loppem wordt behouden. Het zuidelijk gelegen deel van het gebied ten noorden van de E40 wordt herbestemd in functie van een gemengd regionaal bedrijventerrein, meer bepaald een hoogwaardig terrein voor kantoorachtigen. In functie van het creëren van een duidelijke identiteit en in kader van zorgvuldig ruimtegebruik wordt voorgesteld om daarbij zoveel mogelijk gebruik te maken van hoogbouw. Daarnaast wordt een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen voorzien in het westen, aansluitend op de Koning Albert I-laan en dit voor de aanwezige overheidsdiensten; Het meest noordelijke deel wordt herbestemd als parkgebied met natuurverweving. Groot Magdalenagoed, centraal in het noordelijke deel, wordt bestemd voor ondersteunende activiteiten met een overdruk die aangeeft dat de bestaande ruimtelijke kwaliteit versterkt moet worden. Ter hoogte van de woningen langsheen de Heidelbergstraat wordt het gebied herbestemd als woongebied. Het agrarisch gebied voor de landbouwpercelen langsheen de Heidelbergstraat wordt bestendigd. Verder wordt gebied voor wegeninfrastructuur ter hoogte van de aansluiting van de Chartreuseweg op de N31 voorzien GOG Kerkebeek In het bekkenbeheerplan voor het bekken van de Brugse Polders worden verschillende acties en maatregelen opgesomd, waaronder de realisatie van een wachtbekken op de Kerkebeek ter hoogte van Sint-Michiels. In periodes van hoge neerslag geven hoge peilen op de Kerkebeek namelijk vaak aanleiding tot wateroverlast op verschillende plaatsen te Sint-Michiels Brugge. De aanleg van het GOG Kerkebeek heeft als doel om wateroverlast langs de Kerkebeek op het grondgebied van de stad Brugge te voorkomen. De oppervlaktewaterkwantiteitsmodellering van de Kerkebeek die in 2003 werd voltooid, toont aan dat wateroverlast mogelijks kan bestreden worden door de aanleg van een wachtbekken te Sint-Michiels. De laagliggende weiden tussen de Chartreuseweg, de Koning Albert I-laan en de Expressweg te Sint-Michiels lenen zich tot de aanleg van een gecontroleerd overstromingsgebied. Meer specifiek is het GOG Kerkebeek opgenomen binnen de bindende bepalingen van het bekkenbeheerplan en aangeduid als een maatregel klaar voor uitvoering. Hierbij is een herbestemming nodig voor wat betreft het deel dienstverleningsgebied en kan een herbestemming noodzakelijk zijn indien de toegankelijkheid van de uitgeruste toegangsweg in het gedrang komt. Verder heeft de Kerkebeek op het grondgebied van Brugge (Sint-Michiels) en Zedelgem (Loppem) een zeer slechte structuur. De oevers en de bodem van de waterloop zijn nagenoeg volledig versterkt met beton. Daarom wordt een ecologische inrichting van het gecontroleerd overstromingsgebied beoogd alsook een verhoging van de ecologische kwaliteit van de Kerkebeek door herinrichting van de oevers. Het oeverinrichtingsproject strekt zich uit vanaf de Sint- Michielslaan te Brugge (Sint-Michiels) tot aan de samenvloeiing met de Rollewegbeek te Zedelgem (Loppem). Pagina 19 van 129
20 Beknopte omschrijving plan 3.11 Omgeving Ten Briele Naar aanleiding van de inspraakreacties werd in de richtlijnen van de Dienst Mer opgenomen om de milieueffecten van de mogelijke herbestemming van de KMO-zone naar een bestemming gericht op het behoud van het huidige bos ten zuiden van Ten Briele en ten westen van de Vaartdijkstraat eveneens te onderzoeken in dit plan-mer. Bij de effectbespreking en beoordeling (deel 2) worden de mogelijke milieueffecten van deze herbestemming in kaart gebracht. Rekening houdend met het huidige bodemgebruik (bos) betekent de herbestemming een bestendiging van de huidige situatie. Mogelijke milieueffecten zullen bijgevolg te maken hebben met de planologische wijziging (winst en verlies van functies). Enerzijds is er verlies aan KMO-zone en worden een aantal ontwikkelingen, met betrekking tot KMO-activiteiten verhinderd. Anderzijds is er winst aan natuur. Gezien de ecologische waarde van het gebied, wordt de winst aan natuur besproken binnen de discipline fauna en flora. Pagina 20 van 129
21 4 Alternatieven 4.1 Nulalternatief Onder het nulalternatief wordt begrepen de toestand wanneer het plan niet wordt uitgevoerd met daarbij de evolutie van het plangebied zonder de voorgenomen ingrepen. Dit is een alternatief dat bij de bespreking van de huidige situatie en het ontwikkelingsscenario aan bod komt. Onder punt 3.3 Beleidsmatige situering en verantwoording wordt reeds een verantwoording gegeven en wordt duiding gegeven waarom de huidige toestand op bepaalde locaties niet behouden wordt. 4.2 Locatiealternatieven wonen Het algemeen uitgangspunt uit het voorstel van afbakening is dat alle woonuitbreidingsgebieden worden herbestemd naar woongebied, behoudens de gebieden in nuloptie, waarvoor om specifieke redenen een ontwikkeling niet aangewezen is. Voor woonuitbreidingsgebieden die reeds een gepaste bestemming hebben gekregen via een BPA is een opname in het gewestelijk RUP overbodig en deze worden dan ook niet opgenomen. Hetzelfde geldt voor gebieden die reeds volledig zijn ontwikkeld via een verkaveling. In het voorstel van afbakening zijn enkele woonuitbreidingsgebieden en een woonreservegebied aangeduid als nulopties, dus als niet te ontwikkelen voor wonen. Het gaat om volgende gebieden (zie ook gewestplan, kaart C): Het woonuitbreidingsgebied ten noorden van het Zuidervaartje (ten noorden van planelement 3), dit omwille van het landschappelijk waardevol oud agrarisch cultuurlandschap aansluitend bij de Damse Vaart 2. Het woonuitbreidingsgebied ten noorden van planelement 7, gelegen tussen Vossensteert en Astridlaan wordt niet herbestemd naar woongebied. Dit is een aantrekkelijke groene enclave binnen het bebouwd gebied en wordt opengehouden. Dit gebied wordt herbestemd tot gemengd openruimtegebied en is mee opgenomen binnen planelement 22 Gemene Weidebeek. het woonuitbreidingsgebied ten zuiden van Mispelaar (planelement 8) evenals een kleiner woonuitbreidingsgebied ten oosten daarvan, omdat dit onderdeel uitmaakt van de Assebroekse Meersen. het westelijk deel van het woonreservegebied van Koolkerke (aansluitend op planelement 1), omwille van de biologische en landschappelijke waarden. een klein woonuitbreidingsgebied langs de Heidelbergstraat in Loppem (Zedelgem) wordt niet aangesneden omwille van de ligging in de Kerkebeekvallei. 2 Bij de goedkeuring van het GRS door de Deputatie is in de overwegingen van het besluit opgenomen dat het herbestemmen van woonuitbreidingsgebieden een gemeentelijke taak is. Rekening houdende hiermee is een herbestemming via een gemeentelijk RUP de meest aangewezen optie en wordt een herbestemming van dit gebied ifv de open ruimte niet opgenomen binnen het RUP Afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge. Pagina 21 van 129
22 Alternatieven Voor deze gebieden wordt de herbestemming naar een open ruimte functie niet voorzien in het gewestelijk RUP voor de afbakening. Deze zal gebeuren binnen de gewestelijk RUP s in uitvoering van de visie voor de buitengebiedregio Kust-Polders-Westhoek of Veldgebied- Brugge-Meetjesland of via de opmaak van een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. Naast de hierboven vermelde nuloptie gebieden zijn volgende gebieden niet opgenomen in de afbakening het regionaalstedelijk gebied Brugge. Moerbrugge, noordwest en zuidoost: het woonuitbreidingsgebied sluit aan bij het centrum van deze woonkern van lokaal niveau. Voor beide zones zijn er geen negatieve indicaties vanuit de grensstellende elementen. Een opname in het regionaalstedelijk gebied is echter niet te motiveren aangezien Moerbrugge een kern is met een beperkt aantal lokale voorzieningen en is niet gelegen op een historische drager van voorzieningen. Uitgaande van het PRS is een uitbreiding van de kern niet mogelijk. Brugge, Ver Assebroek Kerkedreef: dit woonuitbreidingsgebied is aan de rand van aaneengesloten open ruimtegebied gelegen en heeft belangrijke landschappelijke waarden. Het gebied is eveneens aangeduid als een nuloptie in GRS Brugge. 4.3 Locatiealternatieven bedrijvigheid Siemenslaan Deze site was oorspronkelijk opgenomen als locatie voor de verdere ontwikkeling van regionale bedrijvigheid. Gezien de ontwikkeling van het gebied niet noodzakelijk is om de taakstelling bedrijvigheid te halen, gezien de beperkte oppervlakte en gezien de potentiële landschappelijke waarde van het gebied wordt na verder ruimtelijk onderzoek - geopteerd om het gebied als open ruimte te behouden (zie ook planelement 25) Chartreuse De voorgestelde zone voor hoogwaardige activiteiten, zoals voorgesteld in het gewestelijk RUP Chartreuse paalt aan het knooppunt van de afrit van de E40 en de Koning Albert-I laan (N397). Hierdoor bevat de site Chartreuse een vlotte ontsluiting en biedt de site mogelijkheden als zichtlocatie. Binnen de motiveringsnota locatiekeuze 3 hoogwaardig gemengd regionaal bedrijventerrein (GRUP Chartreuse Brugge) wordt de keuze voor de locatie Chartreuse toegelicht. Hierbij wordt gesteld dat de voorgestelde ontwikkelingen in Chartreuse enerzijds en de stationsomgeving anderzijds een verschillende functie hebben en beide programma s complementair zijn aan elkaar. Daarnaast worden een aantal alternatieve locaties besproken. De te beoordelen locaties worden geëvalueerd aan de hand van volgende criteria: Beschikbare oppervlakte, Aantrekkelijke site, Goede bereikbaarheid en Vigerende bodembestemming. De onderzochte locatiealternatieven zijn: stationsomgeving Brugge, Ten Briele, Blauwe Toren Noord, camping St-Michiel, langs de N31 (west en oostzijde), Lac van Loppem, binnenhaven Brugge en de site oud Sint-Jan. Uit de afweging werden geen volwaardige alternatieven weerhouden. Bovendien hebben een aantal van de onderzochte locaties reeds een andere invulling. Voor de volledige afweging van de alternatieven wordt verwezen naar de betreffende motiveringsnota. 3 Motiveringsnota locatiekeuze hoogwaardig regionaal bedrijventerrein (GRUP Chartreuze Brugge), februari 2006, opgesteld obv de motiveringsnota van GOM West-Vlaanderen, intercommunale WVI, Resoc Brugge en Stad Brugge. Pagina 22 van 129
23 Alternatieven 4.4 Locatiealternatieven voetbalstadion Voor wat betreft mogelijke locaties voor de uitbouw van een nieuw voetbalstadion zijn op verschillende beleidsniveaus en tijdens verschillende planprocessen verschillende locatiealternatieven genoemd. Eind 2005 begin 2006 werd op vraag van Club Brugge en U-place een eerste onderzoek uitgevoerd naar mogelijke locaties om een nieuw voetbalstadion te realiseren. Het betrof voornamelijk een vergelijking tussen verschillende locaties op het vlak van functionele en beleidsmatige haalbaarheid. Hieruit kwam de locatie Oostkampse baan als meest geschikte locatie naar voor. Naar aanleiding van een verdere uitwerking van het project Oostkampse Baan werd een tweede locatieonderzoek uitgevoerd op vraag van Club Brugge en U- place waarbij alternatieve locaties werden onderzocht op basis van milieuoverwegingen. Op basis van deze 2 de beoordeling en rangschikking kwam de locatie Oostkampse Baan in het locatieonderzoek naar voor als de meest geschikte locatie vanuit milieuoverwegingen. De locatie Oostkampse Baan werd hierbij aangeduid als het beste alternatief in de rangschikkingen Planet en People en als een aanvaardbaar alternatief in de rangschikking Profit. In eerste instantie werden op basis van beschikbare vooronderzoeken de alternatieven Jan Breydelstadion en Oostkampse baan in de scopingnota als locatiealternatieven opgenomen. Naar aanleiding van de ter inzagelegging en de geformuleerde inspraakreacties werd het locatieonderzoek uitgebreid en werd teruggegrepen naar de 15 mogelijke locatiealternatieven die onderzocht zijn in het kader van het eerder uitgevoerde locatieonderzoek in opdracht van Club Brugge. Deze 15 locaties vormen het vertrekpunt voor de afweging van zoeklocaties binnen het plan-mer (zie verder). 4.5 Locatiealternatieven districtzone wegenbeheer De huidige regiepost is momenteel gelegen op het bedrijventerrein Chartreuse en moet daar op termijn verdwijnen. Momenteel wordt op twee plaatsen aansluitend bij de N31 via de stedenbouwkundige voorschriften de mogelijkheid geboden om de regiepost in onder te brengen, namelijk ter hoogte van de lus N31 - Bevrijdingslaan (Waggelwater) en ter hoogte van het knooppunt N31- Blankenbergsesteenweg (planelement 18). Deze locaties liggen op vandaag ingesloten door infrastructuur en zijn bijgevolg enkel voor dergelijke functie bruikbaar. Deze locaties voldoen aan de vereiste van het Agentschap Infrastructuur dat de regiepost op een goed bereikbare plaats wordt voorzien. De herbestemming van een aantal percelen ten noorden van en aansluitend bij de N31 (namelijk nabij het bestaande bedrijf Gardin en het elektriciteitsknooppunt) in functie van een regiepost voor wegenbeheer wordt niet weerhouden. Deze locatie impliceert immers onnodige inname van agrarisch gebied en wordt niet opgenomen binnen het gewestelijk RUP voor de afbakening. Pagina 23 van 129
24 5 Relevante ontwikkelingen De relevante ontwikkelingen binnen het regionaalstedelijk gebied Brugge situeren zich op het vlak van verkeersstructuur, bedrijvigheid, wonen, milieu en natuur. De belangrijkste ontwikkelingen worden hierna opgesomd: 5.1 Ontwikkelingen inzake verkeersstructuur Omvorming N49 De omvorming van de N49 als hoofdweg is gepland. De werken daartoe zullen in de eerstkomende jaren worden uitgevoerd. De studie voor de onteigening voor de aanleg van parallelwegen, die veilig lokaal verkeer moeten mogelijk maken, is gestart. Omvorming N31 de omvorming van de N31 ter hoogte van de doortocht door Brugge tot primaire I-weg, met ondermeer de omvorming van het huidige aansluitingspunt tussen de N31 en de Bevrijdingslaan tot een volwaardige verkeerswisselaar. Momenteel worden de Witte Molenstraat en de Koningin Astridlaan aangepakt. de omvorming van de N31 Blauwe Toren - Zeebrugge tot primaire I-weg, vermoedelijk met inbegrip van de intunneling ter hoogte van Lissewege. Het streefbeeld is momenteel in opmaak. Aanleg AX Aanleg van een hoofdweg, de AX, die een verbinding vormt tussen de N31 Blauwe Toren (Brugge) en de N49 Westkapelle. De AX zorgt voor een verbinding tussen de haven van Brugge Zeebrugge en het achterland, het ontsluiten van de Oostkust voor recreatief verkeer, de ontsluiting van het regionaalstedelijk gebied Brugge. In principe zou door de aanleg van de AX een verschuiving van verkeer van de N31 naar de N49 moeten optreden. Spoorinfrastructuur Aanleg van een derde spoor tussen Dudzele en Brugge (2013); Afschaffen overweg nr 11 ter hoogte van Herdersbrug; Realisatie van een Engelse vertakking ter hoogte van de splitsing van het spoor richting Blankenberge en Zeebrugge. 5.2 Ontwikkelingen inzake bedrijvigheid Ontwikkelingen zoals voorzien in het strategisch plan voor de haven van Brugge- Zeebrugge Ontwikkelingen ter hoogte van de achterhaven Zeebrugge Aanleg van de AX, NX, 3 de spoor, Wijzigingen mbt het vormingsstation Zwankendamme BPA Blauwe Toren Noord De realisatie van het retail park Blauwe Toren met ontsluiting naar de Blankenbergse steenweg (N371). Voor dit project is een MER opgemaakt en is de bouwvergunning reeds toegekend. Pagina 24 van 129
25 Relevante ontwikkelingen Ontwikkelen en herinrichten bedrijvigheid thv St-Elooi Op vandaag komen verschillende bovenlokale bedrijven verweven voor tussen het woongebied van Sint-Elooi. Op termijn kan een herinrichting worden voorzien, met de bedoeling de woonen leefkwaliteit in Sint-Elooi te verbeteren. Hiervoor is verder onderzoek noodzakelijk op het vlak van wonen en werken, ontsluiting, 5.3 Ontwikkelingen inzake milieu en natuur Acties uit de waterhuishoudingsplannen en bekkenbeheerplan Waterhuishoudingsplan Polder Sint-Trudoledeken: zandvang op het Sint-Trudoledeken aan de Odegemstraat te Assebroek om te vermijden dat het Sint-Trudoledeken in de bebouwde zones van Assebroek en Steenbrugge dichtslibt en op die manier wateroverlast veroorzaakt. Waterhuishoudingsplan Nieuwe Polder van Blankenberge: automatisatie stuwen Lisseweegse Vaart inrichten bufferbekken thv industrieterrein Herdersbrug herinrichtingswerken waterlopen getijgebonden polder optimalisatie afwatering westelijk deel Sint-Pieters-Brugge herinrichtingswerken waterlopen binnen bemalingsgebieden bekkenbeheerplan Brugse Polders: aanleg GOG Kerkebeek Afbakening van de agrarische en natuurlijke structuur Voor de buitengebiedregio s Kust-Polder-Westhoek en Veldgebied Brugge-Meetjesland werd door de Vlaamse regering reeds ha en ha agrarische gebied herbevestigd. In het voorstel van afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur voor het Veldgebied Brugge-Meetjesland (deelruimte noordelijk zandig Meetjesland) wordt de Golf en Country Club Damme (planelement 27) opgenomen als een Golfterrein met landschappelijke waarde. Verder zijn voor beide buitengebiedregio s operationele uitvoeringsprogramma s opgesteld. Beschermingsaanvraag Kasteeldomein Gruuthuyse Het agentschap RO Vlaanderen - Onroerend Erfgoed is bezig met de afbakening voor de Beschermingsaanvraag Kasteeldomein Gruuthuyse als beschermd landschap. De voorgestelde bescherming als landschap omvat het kasteeldomein tot aan de Siemenslaan, dus grenzend aan het voorliggende deelgebied. De dreef tussen kasteel Gruuthuyse en kasteel Erkeghem wordt voorgesteld als te beschermen monument als onderdeel van het kasteelpark. Landinrichtingsproject Brugse Veldzone Het inrichtingsproject Randstedelijk gebied Brugge zal het open landschap in de rand van Brugge kwaliteitsvol inrichten, zodat een economische en maatschappelijke meerwaarde ontstaat. Het project Veldgebied Jabbeke-Wingene is gericht op het versterken van de landschappelijke, ecologische en recreatieve kwaliteiten van het voormalig veldgebied in combinatie met het landbouwgebruik en de plattelandseconomie. Het project Mobiliteitsas Gent-Brugge-Zeebrugge wil de effecten van de grote verbindingswegen, spoorwegen en kanalen op landbouw, natuur, recreatie en landschap milderen en knelpunten oplossen. Pagina 25 van 129
26 6 Juridische en beleidsmatige randvoorwaarden Hierna worden beknopt de belangrijkste juridische en beleidsmatige randvoorwaarden aangehaald. Binnen het RSV wordt Brugge geselecteerd als regionaalstedelijk gebied en als economisch knooppunt. In uitvoering van het RSV wordt de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan vastgelegd. Het plangebied is gelegen in het gewestplan nr. 3 Brugge-Oostkust (KB 7 april 1977). Het plangebied kent verschillende bestemmingen (zie kaart C). Daarnaast worden op kaart 4 de BPA s weergegeven. Op kaart D worden eveneens de contouren van ontwerp en definitief goedgekeurde GRUP s weergegeven. Relevante definitieve RUP s zijn: het gewestelijk RUP Gen Assebroekse meersen tot Bergbeekvallei en het gewestelijk RUP regionaal bedrijventerrein Chartreuse Voor de realisatie van de eigenlijke deelprojecten kan een stedenbouwkundige vergunning nodig zijn. De vergunningsplichtige ingrepen worden vermeld in het decreet houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, meer bepaald hoofdstuk III, Afdeling I. Het plangebied behoort tot het bekken van de Brugse Polders. Op kaart E wordt een overzicht gegeven van de verschillende waterlopen. Deze van 1ste categorie worden beheerd door IVA VMM afdeling Water. Deze van 2de categorie door de provincie en 3de categorie door de gemeente. Voor de waterlopen van 2e en 3e categorie die in een Watering/Polder gelegen zijn, wordt echter het beheer gevoerd door deze Wateringen/Polders zelf. De niet geklasseerde waterlopen dienen onderhouden te worden door hun aangelanden, tenzij ze in een Watering/Polder liggen, dan staan zij in voor het onderhoud. Volgende Polders zijn deels gelegen binnen het regionaalstedelijk gebied Brugge: Zwin-Polder: gelegen in het noorden tussen de Damse vaart en het Boudewijnkanaal Damse Polder: gelegen in het noordoosten, ten zuiden van de Damse vaart (vnl grondgebied Damme) Polder Sint-Trudoledeken: gelegen in het zuidoosten (vnl grondgebied Beernem) Nieuwe Polder van Blankenberge: gelegen in het noordwesten en westen De stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater voorziet in infiltratie, opvang en hergebruik, vertraagde afvoer van hemelwater bij het realiseren van bijkomende verharding. De nodige elementen met betrekking tot de watertoets zijn in het plan-mer geïntegreerd. De speciale beschermingszones en VEN-gebieden in het plangebied en omgeving worden gesitueerd op Kaart F. Ter hoogte van een aantal planelementen komen (mogelijks) vleermuizen voor. In navolging van de overeenkomst voor de bescherming van vleermuizen moeten sites die belangrijk zijn voor de instandhouding van deze dieren worden beschermd. Pagina 26 van 129
27 Juridische en beleidsmatige randvoorwaarden Binnen het regionaalstedelijk gebied en omgeving zijn een aantal beschermde landschappen, dorpsgezichten en monumenten gelegen (kaart G). Kaart H geeft de relictzones, ankerplaatsen, lijn- en puntrelicten binnen het plangebied weer. Ter hoogte van een aantal planelementen is archeologisch erfgoed aanwezig. Zo bevindt zich ter hoogte van planelement 21 (Chartreuse) een archeologisch beschermde zone. Pagina 27 van 129
28 II. Milieueffecten voor woongebieden, bedrijvigheid, stedelijke functies, groengebieden, recreatie, planelementen 18 en 21, GOG Kerkebeek en omgeving Ten Briele Pagina 28 van 129
29 1 Milieueffecten per woongebied Hierna worden de milieueffecten en gewenste milderende maatregelen per planelement inzake woongebieden besproken. Naast de vermelde gebiedsspecifieke milderende maatregelen, situeren algemene maatregelen zich op het vlak van levenslang wonen, duurzaam bouwen en ruimte voor gemeenschappelijk groen. De realisatie van woongebieden heeft een (veelal beperkt) verkeersgenererend karakter. De ligging van woongebieden in de nabijheid van een openbaarvervoersas en haalbare fietsafstanden tot de kern van het stedelijk gebied bieden voldoende mogelijkheden om een meer duurzame modal split na te leven, welke de verkeerseffecten verder beperkt. De huidige luchtkwaliteit binnen het regionaalstedelijk gebied wordt reeds sterk belast. Ter hoogte van de woongebieden 2 Sint-Jozef, 3 Zuidervaartje, 6 Julien Saelens, 7 Klein Appelmoes, 10 Spermalie 2 en 11 Stakendijke-Zwijnsgat voldoet de omgevingsconcentratie niet aan de vooropgestelde luchtkwaliteitsnormen. Bijkomende emissies als gevolg van het verkeersgenererend karakter van het woongebied zullen langs de wegen zorgen voor een hogere (bijkomende) overschrijding van de vooropgestelde luchtkwaliteitsnormen. 1.1 Woongebied Arendstraat Synthese Dit planelement betreft de ontwikkeling van een woongebied, aansluitend op de bestaande kern van Koolkerke enerzijds en het noordelijke open poldergebied anderzijds. De milieueffecten ervan zijn eerder beperkt, ondermeer omwille van het beperkte verkeersgenererend karakter en de aansluiting op bestaand woongebied. De woonkwaliteit in het nieuwe woongebied zal mede dankzij het huidige goede geluids- en luchtklimaat goed zijn. De realisatie van de nieuwe woningen heeft evenwel een negatief effect op de bestaande woningen. Deze verliezen immers hun landelijk karakter, hun wijds zicht op de open ruimte en de rust. Om de nabijheid van de open ruimte nog voelbaar te maken bij de kern van Koolkerke kan de aanwezige veldweg behouden blijven en/of versterkt worden door de weg te herstellen en nieuwe bomen aan te planten. Gezien de ligging in de polderstreek die door haar specifieke eigenheid overstromingsgevoelig is vormt de vertraagde afvoer van hemelwater een belangrijk aandachtspunt. Het gebied heeft een belangrijke ecologische waarde ten aanzien van avifauna en vleermuizen (zie passende beoordeling), waarbij de noordelijke helft van het planelement gelegen is in het Vogelrichtlijngebied Poldercomplex. Bij de ontwikkeling van het gebied moet rekening gehouden worden met habitatverlies en barrièrewerking. Door verlies aan open ruimte en verstoring gaat de habitatkwaliteit van het jachtgebied achteruit en treedt versnippering van de open ruimte op. Deze effecten moeten genuanceerd worden gezien aan de randen reeds bebouwing voorkomt. Milderende maatregelen ten aanzien van verstoring en barrièrewerking situeren zich op het vlak van: behoud van het noordelijk gelegen openruimte gebied ten noorden van het planelement beperken van lichtverstoring Pagina 29 van 129
30 Milieueffecten per woongebied behoud van de aanvliegroutes voor vleermuizen naar het Fort van Beieren voorzien van voldoende buffering ten aanzien van het open poldergebied vermijden van nieuwe ontwikkelingen in de nabije omgeving van het Fort van Beieren. Verdroging van vochtige graslanden in het Vogelrichtlijngebied zou leiden tot significant negatieve effecten. Gezien de beperkte invloedssfeer van eventuele bemaling en de maatregelen ten aanzien van vertraagde afvoer wordt vanuit de disciplines grond- en oppervlaktewater geen verdroging verwacht Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement globaal genomen beperkt zijn en voldoende gemilderd kunnen worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Behoud en versterking van de aanwezige veldweg. Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om vertraagde afvoer van hemelwater te verzekeren. Beperken van lichtverstoring (neerwaarts gerichte, goed geplaatste en doelgerichte verlichting) en vermijden van aantasting van aanvliegroutes naar het Fort van Beieren, door het voorzien van voldoende buffering ten aanzien van het open poldergebied (ook tav lichtverstoring). 1.2 Woongebied Sint-Jozef Synthese Dit planelement betreft de ontwikkeling van een woongebied, aansluitend op de bestaande kern Sint-Jozef en in het noorden grenzend aan de open ruimte. Gezien de beperkte oppervlakte en de ligging aansluitend op een bestaande woonkern, worden weinig milieueffecten verwacht. Het verkeersgenererend karakter van het planelement is beperkt. Ter hoogte van dit planelement dient evenwel aandacht te worden besteed aan de verkeersveiligheid van de zwakke weggebruiker langs de Dudzeelse steenweg. De woonkwaliteit in het nieuwe woongebied zal mede dankzij het huidige goede geluids- en luchtklimaat goed zijn. Ter hoogte van het te ontwikkelen gebied ligt een hoeve. Indien de hoeve in uitbating is, leidt de inname ervan tot significant negatieve effecten. Dit effect kan worden vermeden indien de landbouwactiviteiten kunnen behouden worden tot wanneer de huidige gebruiker deze activiteiten stopzet. De bestaande woningen ten zuiden en ten westen van het planelement verliezen hun zicht op de open ruimte waardoor de woonkwaliteit ervan enigszins afneemt. Gezien de ligging in polderstreek die door haar specifieke eigenheid overstromingsgevoelig is vormt de vertraagde afvoer van hemelwater een belangrijk aandachtspunt. Indien de Ronselaerebeek die langs de zuidelijke grens en centraal in het gebied stroomt in open tracé behouden blijven, met inbegrip van het vrijwaren van de oevers, worden geen negatieve effecten ten aanzien van de structuurkwaliteit en corridorfunctie verwacht. Pagina 30 van 129
31 Milieueffecten per woongebied Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement beperkt zijn en vermeden kunnen worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Verhogen van de verkeersveiligheid voor zwakke weggebruikers langs de Dudzeelse steenweg. Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om vertraagde afvoer van hemelwater te verzekeren. Vrijwaren van het open tracé van de Ronselaerebeek, met inbegrip van de oevers. 1.3 Woongebied Zuidervaartje Synthese Dit planelement betreft de ontwikkeling van een zeer beperkt gebied. Vanuit de verschillende disciplines worden globaal weinig milieueffecten verwacht. Belangrijk is evenwel de huidige overstromingsproblematiek ter hoogte van het planelement. Indien de realisatie van het planelement de huidige overstromingsproblematiek versterkt, leidt dit tot significant negatieve effecten ten aanzien van het overstromingsrisico. Wanneer voldoende maatregelen worden genomen om het afstromend water van de bijkomende verharding op te vangen en de inname aan komberging volledig wordt gecompenseerd binnen het gebied, worden de effecten in belangrijke mate gemilderd. Wanneer bij realisatie van het planelement ook de bestaande overstromingsproblematiek wordt opgelost, leidt het planelement niet tot een versterking van de huidige problematiek en worden geen negatieve effecten verwacht. Daarnaast is vertraagde afvoer van het hemelwater naar het Zuidervaartje noodzakelijk, evenals een afdoende compensatie van het verlies aan komberging. De aanwezige waterlopen / grachten dienen sowieso maximaal in open tracé met voldoende ruime oevers behouden te blijven. Verder wordt opgemerkt dat de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit (oevers) (en bijgevolg belevingswaarde) van de gracht aan de westzijde van het planelement een aandachtspunt vormt. Verbetering ervan zou een belangrijke meerwaarde betekenen Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement beperkt zijn en vermeden kunnen worden indien: De realisatie van het planelement de huidige overstromingsproblematiek niet versterkt. Belangrijk hierbij is het voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om verlies aan komberging te compenseren en vertraagde afvoer van hemelwater te verzekeren. Vrijwaren van het open tracé van het aanwezige waterstelsel, met inbegrip van de oevers. 1.4 Woongebied Varsenare Noord Synthese Planelement 4 houdt de ontwikkeling in van een relatief grote oppervlakte woongebied. Het planelement sluit aan op de bestaande kern van Varsenare en wordt in het noorden begrensd door open ruimte. Het planelement is gelegen in landschappelijk waardevol gebied. Mogelijke milieueffecten situeren zich voornamelijk op het vlak van mobiliteit, oppervlaktewater, landschap en mens. Pagina 31 van 129
32 Milieueffecten per woongebied In principe zorgt de realisatie van een woonwijk met dergelijke omvang, aansluitend op het bestaande lokale wegennet, voor een mogelijke belasting (verkeersdruk op piekmomenten) op de kern van Varsenare. De ligging van het nieuwe woongebied in de nabijheid van een openbare vervoersas en de haalbare fietsafstanden tot de kern van het stedelijk gebied bieden evenwel voldoende mogelijkheden om een meer duurzame modal split na te streven, welke de verkeerseffecten mildert. Omwille van de grote oppervlakte die bijkomend wordt verhard en de getijdengebonden afwatering verder stroomafwaarts worden significant negatieve effecten verwacht ten aanzien van afstromend hemelwater. Maatregelen om dit effect te milderen zijn, gezien de aanwezigheid van vochtige en droge zandgronden, in de eerste plaats gericht op het creëren van infiltratiemogelijkheden en vertraagde afvoer. Behoud van de huidige open waterlopen met een voldoende ruime dwarssectie en een voldoende ruime oeverzone zijn belangrijk in functie van de doorstroom- en afvoercapaciteit, in functie van de structuurkwaliteit en omwille van de corridorwerking en het vermijden van ecotoopinname. De Smissebeek kan als lijnelement geïntegreerd worden in het publiek domein. De aanwezige dreven en bomenrijen in het planelement vervullen een belangrijke functie als migratiecorridor en hebben een belangrijke historische waarde (eikendreef). Het behoud van de bestaande dreven en ze als drager laten functioneren is dan ook een belangrijke milderende maatregel. Eventueel kunnen langs en doorheen het planelement nieuwe dreven en bomenrijen voorzien worden. Ten oosten van het planelement ligt het Hof van Proven. Door de aanleg van het woongebied wordt het Hof van Proven bijna volledig ingesloten door bebouwing en wordt de landschapscontext van het Hof verder aangetast. Door de zone, grenzend aan het Hof van Proven te ontwikkelen als publiek domein kan de contextwaarde beter bewaard worden. Verder wordt aandacht gevraagd voor een landschappelijke integratie waarbij een bouwvrije zone/ publieke groenzone voorzien tav de open ruimte in het noorden. De uitbreiding snijdt open ruimte aan, maar sluit aan bij de kern van Varsenare en versterkt de kern. Ten aanzien van de landbouw is er een ruim oppervlakteverlies (> 20 ha), weliswaar met beperkte geschiktheid, maar een hoge waardering. Het betreft eveneens enkele ruime akkers. Daarnaast verdwijnt door de ontwikkeling van het gebied de resterende open ruimte nabij de kern en verliezen de woningen ten zuiden van het planelement hun zicht op de open ruimte. Het geluids- en luchtklimaat ter hoogte van het planelement is goed, wat de woonkwaliteit bevordert Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement globaal genomen beperkt zijn en voldoende gemilderd kunnen worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Behoud van de huidige dreven en bomenrijen en ze als drager laten functioneren in functie van de migratiecorridor en historische waarde. Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om infiltratie en vertraagde afvoer van hemelwater te verzekeren. Vrijwaren van het open tracé van de waterlopen, met inbegrip van de oevers. Bewaren van de contextwaarde van het Hof van Proven, bvb door de zone in te richten als publiek domein. Landschappelijke integratie waarbij een bouwvrije zone/ publieke groenzone wordt voorzien tav de open ruimte in het noorden. Pagina 32 van 129
33 Milieueffecten per woongebied 1.5 Woongebied Sint-Annadreef Synthese Gezien dit planelement een relatief beperkte oppervlakte betreft, omsloten door bestaande woonwijken, worden weinig milieueffecten verwacht. Vanuit een aantal disciplines worden een aantal aandachtspunten of milderende maatregelen geformuleerd. Ten aanzien van de mobiliteit wordt opgemerkt dat de verkeershinder in de woonstraten ten gevolge van voetbal in het Jan Breydelstadion leidt tot significant negatieve effecten. De realisatie van het planelement leidt tot matig negatieve effecten ten aanzien van de waterkwantiteit. Gezien de aanwezigheid van vochtige en droge zandgronden kunnen bijkomende maatregelen genomen om de infiltratiemogelijkheden maximaal te benutten en negatieve effecten te vermijden. Hierbij vormt de aanleg van een collectieve infiltratievoorziening een goede optie. Binnen het planelement is zeer waardevol zuur eikenbos aanwezig. Gezien de lange ontwikkelingsduur van dergelijke ecotopen en het belang als stapsteen in het stedelijke gebied vormt inname van deze ecotopen een belangrijk negatief effect. Indien het zuur eikenbos wordt ingenomen, is boscompensatie noodzakelijk Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement globaal genomen beperkt zijn en voldoende gemilderd kunnen worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Behoud van het aanwezige zuur eikenbos (indien niet dan moet compensatie worden voorzien). Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om infiltratiemogelijkheden optimaal te benutten. 1.6 Woongebied Julien Saelens Synthese Dit planelement betreft de ontwikkeling van een woongebied, gecombineerd met een uitbreiding van de aanwezige sport- en recreatieactiviteiten. Globaal worden een aantal milieueffecten verwacht, met in het bijzonder effecten ten aanzien van oppervlaktewater. Het planelement ligt stroomafwaarts de Gemene Weidebeek en ten oosten van het Zuidervaartje. Ter hoogte van het gebied komen verspreid een aantal mogelijk overstromingsgevoelige zones voor. Indien de realisatie van het planelement het overstromingsrisico versterkt, leidt dit tot significant negatieve effecten. Wanneer voldoende maatregelen worden genomen om het afstromend water van de bijkomende verharding op te vangen en te bufferen binnen het gebied vooraleer het vertraagd wordt afgevoerd en de inname aan komberging volledig wordt gecompenseerd binnen het gebied, worden de effecten in belangrijke mate gemilderd. Meer concreet vormt de inrichting van een gemeenschappelijk bufferbekken hierbij een mogelijke milderende maatregel. Wanneer bij realisatie van het planelement ook de bestaande overstromingsproblematiek wordt opgelost, leidt het planelement niet tot een versterking van de huidige problematiek en worden geen negatieve effecten verwacht. Het aanleggen van de Gemene Weidebeek als een nieuwe waterloop, in open tracé doorheen het planelement, geeft een positief effecten ten aanzien van de structuurkwaliteit. Pagina 33 van 129
34 Milieueffecten per woongebied De verkeersveiligheid voor fietsers en voetgangers op het kruispunt Generaal Lemanlaan Nijverheidsstraat vormt een aandachtspunt omwille van het voorkomen van twee gevaarlijke punten op de N337 Generaal Lemanlaan. Deze punten zullen worden aangepakt in het kader van TV3V. Gezien het slechtere geluids- en luchtklimaat ter hoogte van de R30 wordt voorgesteld om buffering te voorzien ten aanzien van de R30. Door een integrale aanpak voor de invulling van het gebied, met aandacht voor een kwalitatieve invulling, een goede afstemming tussen de functies wonen en sport en aandacht voor geluid- en lichthinder wordt de woonkwaliteit van het gebied versterkt en worden negatieve effecten in belangrijke mate vermeden. Binnen het planelement zijn waardevolle tot zeer waardevolle ecotopen aanwezig. Het betreft vooral verruigd grasland (hr), maar ook bomenrijen, verruigd rietland, struweel en een kleine poel. Hoewel deze ecotopen in sterke mate versnipperd zijn, vormen ze een stapsteen en groen ecotoop in de stedelijke omgeving. Als milderende maatregel wordt voorgesteld de waardevolle ecotopen maximaal te integreren in het sportpark als bufferzone of parkzone Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat bij realisatie van dit planelement een aantal milieueffecten kunnen optreden. Deze kunnen voldoende gemilderd worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Verhogen van de verkeersveiligheid voor zwakke weggebruikers op de Generaal Lemanlaan. Aandacht voor het geluids- en luchtklimaat met voorstel van buffering ten aanzien van de R30. Vermijden van een versterking van de huidige overstromingsproblematiek. Belangrijk hierbij is het voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om verlies aan komberging te compenseren en vertraagde afvoer van hemelwater te verzekeren. Hierbij wordt de inrichting van een gemeenschappelijk bufferbekken voorgesteld. Maximaal behoud en integratie van waardevolle ecotopen in het sportpark. 1.7 Woongebied Klein Appelmoes Synthese Dit planelement betreft de ontwikkeling van een woongebied, aansluitend op bestaande woningen enerzijds en een ecologisch waardevol gebied in het noorden anderzijds. Het planelement Klein Appelmoes en de noordelijk gelegen zone (zie planelement 22) vormen vanuit ecologisch oogpunt een samenhangend geheel. De ontwikkeling van het planelement Klein Appelmoes betekent dan ook de versnippering en aantasting van dit samenhangend gebied. Daarnaast verliezen de bestaande woningen ten zuiden van het planelement hun zicht op de open ruimte. Rekening houdend met beide elementen kunnen de negatieve effecten ten aanzien van de noordelijk gelegen ecologisch waardevolle zone in belangrijke mate gemilderd worden door een landschappelijke inpassing van de woningen en een beperktere ontwikkeling van het gebied. Meer concreet houdt deze beperkte ontwikkeling een ruime bufferzone in tussen de te realiseren woningen en de noordelijk gelegen ecologisch waardevolle zone. Pagina 34 van 129
35 Milieueffecten per woongebied Omwille van de grote oppervlakte die bijkomend wordt verhard en het overstromingsgevoelige gebied ten noorden, leidt dit tot significant negatieve effecten. Door het nemen van bijkomende maatregelen gericht op het optimaliseren van infiltratiemogelijkheden (bij voorkeur dmv een gemeenschappelijke infiltratievoorziening) en vertraagde afvoer naar de Gemene Weidebeek worden deze effecten in belangrijke mate gemilderd. Indien de noordelijke zone van het planelement als bufferzone wordt ingericht (zie alinea hierboven) kunnen de maatregelen met betrekking tot waterberging eveneens in dit gebied worden gerealiseerd Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat bij realisatie van dit planelement een aantal milieueffecten kunnen optreden. Deze kunnen voldoende gemilderd worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om infiltratiemogelijkheden optimaal te benutten en vertraagde afvoer naar de Gemene Weidebeek te voorzien. Een beperktere invulling, landschappelijke inpassing en buffering van de woningen ten opzichte van het aangrenzend natuurgebied Gemene weidebeek, waarbij het noordelijk deel van het planelement als bufferzone wordt ingericht. 1.8 Woongebied Mispelaar Synthese Het planelement is grotendeels omgeven door bestaande woningen en grenst enkel in het zuiden aan een openruimte gebied. De verwachte milieueffecten zijn bijgevolg beperkt. Hierna worden een aantal belangrijke aandachtspunten aangehaald. Gezien de te ontwikkelen oppervlakte enerzijds en de overstromingsproblematiek langsheen de Waterloopbeek Sint-Trudoledeken anderzijds leidt de ontwikkeling van het gebied tot significant negatieve effecten ten aanzien van het overstromingsrisico. Deze effecten kunnen worden gemilderd door het nemen van bijkomende maatregelen ten aanzien van waterkwantiteit. Gezien het voorkomen van vochtige en droge zandbodems worden deze maatregelen in eerste instantie gericht op het creëren van infiltratiemogelijkheden (aanleg van een gemeenschappelijke infiltratievoorziening) en vertraagde afvoer. In het zuiden en het westen grenst het planelement aan landschappelijk waardevol gebied (Gemene Weiden) met dreven en kleine landschapselementen. In het planelement zelf ligt een waardevolle dreef van oude populieren. De ontwikkeling van het gebied leidt hierdoor tot matig tot significant negatieve effecten ten aanzien de landschappelijke en ecologische kwaliteit van het gebied. Deze effecten worden in belangrijke mate gemilderd indien de dreven langs en in het planelement worden behouden. Om de visuele hinder te beperken, wordt voorgesteld om de waardevolle populierendreef te behouden en te laten functioneren als drager. Dit kan door integratie van de dreef in het publiek domein Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement globaal genomen beperkt zijn en voldoende gemilderd kunnen worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om infiltratie en vertraagde afvoer van hemelwater te verzekeren. Behoud van de huidige dreven langs en in het planelement, bvb door integratie van de dreef in het publiek domein. Pagina 35 van 129
36 Milieueffecten per woongebied 1.9 Woongebied Sint-Trudo Synthese Bij de ontwikkeling van dit planelement als woongebied worden weinig milieueffecten verwacht. De mogelijke effecten situeren zich voornamelijk op het vlak van mobiliteit en geluid. Verder worden nog een aantal aandachtspunten en milderende maatregelen geformuleerd. Op vlak van mobiliteit kunnen problemen ontstaan ter hoogte van de aansluiting op de Sint- Trudostraat. De Sint-Trudostraat vormt namelijk een alternatieve route richting het Algemeen Ziekenhuis Sint-Lucas en krijgt hierdoor reeds heel wat verkeer te verwerken. Als milderende maatregel wordt voorgesteld om de verkeershinder ten gevolge van verkeer richting AZ Sint- Lucas te beperken door goede bewegwijzering op Baron Ruzettelaan (N50). Daarnaast wordt gewezen op de afwezigheid van een voetpad aan de westzijde van de Sint-Trudostraat. Eventueel kan de herinrichting van de Sint-Trudostraat worden overwogen. Het drukke verkeer op de N50 zorgt voor een belangrijke geluidsproductie wat een suboptimaal geluidsklimaat tot gevolg heeft. Een geluidsbuffer lijkt weinig haalbaar, gezien de zone langsheen de N50 reeds grotendeels is ingevuld. Voor de woningen die het dichtst bij de N50 gelegen zijn kan het effect beperkt worden door rekening te houden met de lay-out van de woningen en/of extra geluidsisolatie te voorzien. Gezien de te ontwikkelen oppervlakte enerzijds leidt de ontwikkeling van het gebied tot significant negatieve effecten ten aanzien van het overstromingsrisico. Deze effecten kunnen worden gemilderd door het nemen van bijkomende maatregelen ten aanzien van waterkwantiteit. Gezien de aanwezigheid van voornamelijk vochtige zandgronden zijn naast voldoende opvang en hergebruik van hemelwater - extra maatregelen mogelijk, gericht op infiltratie enerzijds en vertraagde afvoer anderzijds. Hierbij wordt de aanleg van een centrale, open buffergracht voorgesteld Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement globaal genomen beperkt zijn en voldoende gemilderd kunnen worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Beperken van het gebruik van de Sint-Trudostraat als alternatieve route richting het Algemeen Ziekenhuis Sint-Lucas. Aandacht ten aanzien van het geluidsklimaat voor de woningen vlakbij de N50. Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om infiltratie en vertraagde afvoer van hemelwater te verzekeren. Hierbij wordt de aanleg van een centrale, open buffergracht voorgesteld Woongebied Spermalie Synthese Het planelement is gedeeltelijk omsloten door bestaande woningen en grenst in het oosten aan een openruimte gebied. De verwachte milieueffecten zijn bijgevolg voornamelijk gerelateerd met dit openruimte gebied. Pagina 36 van 129
37 Milieueffecten per woongebied Het planelement sluit aan op en (het niet bebouwde gedeelte) maakt deel uit van een waardevol openruimte gebied waardoor versnippering van de open ruimte ontstaat. Dit versnipperend effect kan beperkt worden door een voldoende brede bufferzone aan de oostelijke zijde van het planelement te voorzien. De ecologische waarde van deze buffer wordt geoptimaliseerd door gebruik te maken van streekeigen, standplaatsgeschikt en bij voorkeur autochtoon plantgoed. Ten noorden van planelement 10 langsheen de Heunebeek komt mogelijk overstromingsgevoelig gebied voor. Negatieve effecten op het vlak van overstromingsrisico kunnen worden vermeden door naast het voorzien van hergebruik van hemelwater, de infiltratiemogelijkheden te optimaliseren en het water via een open gracht vertraagd af te voeren naar de Heunebeek. Langs de Heunebeek kunnen knotbomenrijen aangeplant worden om de oevers te versterken, een ecologische meerwaarde te bieden en een landschappelijk aantrekkelijk kader te vormen Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat bij realisatie van dit planelement een aantal milieueffecten kunnen optreden, gerelateerd met het openruimte gebied. Deze kunnen voldoende gemilderd worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Een voldoende brede bufferzone aan de oostelijke zijde van het planelement en integreren van landschappelijk waardevolle elementen (bvb knotbomenrijen langs de Heuenbeek) Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om vertraagde afvoer van hemelwater te verzekeren. Hierbij wordt de aanleg van een centrale, open gracht voorgesteld alsook de aanplant van knotbomen langs de Heunebeek Woongebied Stakendijke Zwijnsgat Synthese Het planelement betreft de ontwikkeling van een relatief grote oppervlakte en sluit aan bij de kern van Sijsele enerzijds en op de open ruimte anderzijds. De milieueffecten blijven over het algemeen beperkt en kunnen worden gemilderd. Voor wat betreft mobiliteit wordt aandacht gevraagd voor het laag aanbod aan openbaar busvervoer. Hierbij wordt het voorzien van een belbushalte in het woongebied voorgesteld. Daarnaast wordt voorgesteld om een verbinding voor fietsers en voetgangers naar het Oude Spoorwegpad in te richten. Omwille van een grote oppervlakte die bijkomend wordt verhard, wordt voorgesteld om in functie van infiltratie en vertraagde afvoer hemelwater dat niet wordt hergebruikt op te vangen in een systeem van open grachten/centrale buffergracht. Op deze manier worden de significant negatieve effecten ten aanzien van waterkwantiteit vermeden. De afwatering van het gebied kan via de Duinebeek verlopen. Bij het behoud van de Duinebeek als open waterloop worden geen negatieve effecten verwacht ten aanzien van de doorstroom- en afvoercapaciteit en de structuurkwaliteit. Omwille van ecologisch belang wordt behoud van de aanwezige knotbomen langsheen de waterloop voorgesteld. Langs de waterloop kunnen bijkomend knotbomen aangeplant worden om de oevers te versterken, een ecologische meerwaarde te bieden en een landschappelijk aantrekkelijk kader te vormen. Ecotoopcreatie ontstaat door het voorzien van een buffer langs het spoorwegpad. Deze buffer wordt bij voorkeur aangelegd met gevarieerd, standplaatsgeschikt, inheems en bij voorkeur autochtoon plantgoed. Om de landschappelijke en ecologische kwaliteit van het gebied te behouden, wordt behoud en buffering van de landschappelijk waardevolle oude spoorwegberm voorgesteld. Pagina 37 van 129
38 Milieueffecten per woongebied Het planelement omvat een significant verlies aan landbouwareaal (> 10 ha) overwegend weiland met lage waardering. Verschillende woningen verliezen het uitzicht op het ruime binnengebied en deels op de open ruimte. De open ruimte (binnengebied) nabij de kern verdwijnt door de ontwikkeling van het gebied. De luchtkwaliteit vormt eveneens een aandachtspunt Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement globaal genomen beperkt zijn en voldoende gemilderd kunnen worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: De inrichting van een verbinding voor fietsers en voetgangers naar het Oude Spoorwegpad. Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om infiltratie en vertraagde afvoer van hemelwater te verzekeren. Hierbij wordt de aanleg van een systeem van open grachten/centrale buffergracht voorgesteld. Vrijwaren van het open tracé van de Duinebeek, met inbegrip van de oevers. Behoud en buffering van de oude spoorwegberm in functie van ecotoopcreatie en landschappelijke waarde Woongebied Leliestraat Synthese Dit planelement houdt de ontwikkeling van een woongebied in daar waar nu een bestemming geldt voor milieubelastende industrie. Over het algemeen worden geen tot weinig milieueffecten verwacht; integendeel, er is eerder een verbetering ten opzichte van de huidige toestand te verwachten. Het realiseren van een woonwijk (en het verwijderen van het verlaten en vervallen bedrijfsgebouw) kan immers leiden tot een verbetering van de omgevingskwaliteit. Door de voormalige bedrijfsactiviteiten vormt een eventuele bodem- en/of grondwaterverontreiniging een aandachtspunt. Daarnaast vormt de Kerkebeek die langsheen het planelement stroomt een aandachtspunt. Gezien de huidige zware belasting van de Kerkebeek en het overstromingsrisico kunnen significant negatieve effecten ontstaan. Deze effecten worden in belangrijke mate gemilderd door infiltratie te maximaliseren en hemelwater vertraagd af te voeren. Hierbij wordt voorgesteld om een centrale infiltratie- en buffervoorziening aan te leggen. Het behoud van de Kerkebeek als open waterloop (inclusief oeverzone met beekbegeleidende beplanting) zorgt ervoor dat geen negatieve effecten optreden ten aanzien van de doorstroomen afvoercapaciteit, de landschappelijke kwaliteit ervan en de ecologische waarde als corridor voor onder andere vleermuizen. Om verstoringseffecten ten aanzien van de vleermuizen te vermijden vormt het maximaal beperken van lichtverstoring (door verlichting in tuinen en langsheen wegen) een belangrijk aandachtspunt. Langs het planelement (langs de Kerkebeek) is alluviaal essen-olmenbos gelegen (va). Dit bostype heeft een erg hoge natuurbehoudswaarde. Indien bij realisatie van het planelement verdroging van deze ecotopen optreedt, leidt dit tot significant negatieve effecten. Vermijden van verdroging vormt bijgevolg een belangrijke milderende maatregel. De vallei van de Kerkebeek en het Merkemveld zijn gevoelig voor lichtverstoring gezien het belang voor vleermuizenfauna. Door een voldoende bufferstrook langs deze waterloop en het bos te behouden waar geen verlichting toegepast wordt, worden verstoringseffecten vermeden. Verder biedt een goede sensibilisering mogelijkheden om ervoor te zorgen dat bij realisatie van nieuwe woningen lichtverstoring (bvb door tuinverlichting) maximaal wordt beperkt en is het beperken van lichthinder als gevolg van straatverlichting aangewezen. Pagina 38 van 129
39 Milieueffecten per woongebied Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat bij realisatie van dit planelement een aantal milieueffecten kunnen optreden, voornamelijk gerelateerd met de aanwezige ecologische waarden in de omgeving. Deze kunnen voldoende gemilderd worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om infiltratie en vertraagde afvoer van hemelwater te verzekeren. Hierbij wordt voorgesteld om een centrale infiltratie- en buffervoorziening aan te leggen. Vrijwaren van het open tracé van de Kerkebeek, met inbegrip van een voldoende brede oeverzone. Beperken van lichthinder door voorzien van verlichtingsvrije bufferstrook en aangepaste (neerwaarts gerichte, doelgerichte, goed geplaatste) straatverlichting Woongebied Fabiolalaan Synthese Het planelement heeft een relatief grote oppervlakte, ligt langsheen de E40 en maakt deel uit van het stroomgebied van de Lijsterbeek, dat momenteel reeds een grote belasting kent. Bijgevolg worden een aantal significant (tot zeer significant) negatieve milieueffecten verwacht die uit een reeds eerder opgemaakte watertoets zijn gebleken. De negatieve effecten met betrekking tot het aspect infiltratie kunnen worden ondervangen indien ingenomen komberging wordt gecompenseerd door het voorzien van buffering en vertraagde afvoer en door binnen het ontwerp voldoende maatregelen te voorzien in de vorm van vijvers, wadi s en/of open grachten met een bufferende en infiltrerende werking. Ook het behoud van de Fonteinbeek als open waterloop is hierbij nodig en dit in functie van de doorstroom- en afvoercapaciteit. Het gebied bevat landschappelijke, cultuurhistorische en ecologische waarden. Realisatie van het gebied leidt tot inname van deze elementen en bijgevolg tot matig tot significant negatieve effecten. Deze negatieve effecten kunnen in belangrijke mate gemilderd worden door het behoud van de oude dreef en zone zuur eikenbos aan de noordrand van het planelement. Nabij (en in) het planelement zijn waardevolle vochtige graslanden en rietkanten gelegen. Deze natuurtypes zijn verdrogingsgevoelig, wat een aandachtspunt vormt bij de ontwikkeling van het gebied. Ten aanzien van lichtverstoring is het belangrijk om de hoeveelheid bijkomende verlichting zoveel mogelijk te beperken (sensibilisering) en gebruik te maken van een aangepast, neerwaarts gerichte straatverlichting. Het planelement omvat een significant verlies (> 10 ha) aan overwegend ongeschikt tot weinig geschikt landbouwareaal met vooral kleinere percelen. De woningen in het oosten van het planelement verliezen hun uitzicht op en de directe relatie met de open ruimte. De woonkwaliteit is er omwille van de nabij van de E40 niet goed. Een geluidsscherm of gronddam langs de E40 zou een verbetering van de geluidskwaliteit (en dus woonkwaliteit) betekenen en leidt tot een positief effect ten opzichte van de huidige situatie. De ligging van het gebied op enige afstand van een openbaarvervoersas, beperkt de mogelijkheden om een meer duurzame modal split na te streven. Dit kan enigszins gemilderd worden door het voorzien van een belbushalte. Pagina 39 van 129
40 Milieueffecten per woongebied Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat bij realisatie van dit planelement een aantal milieueffecten kunnen optreden. Deze kunnen in belangrijke mate gemilderd worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om ingenomen komberging te compenseren en dit door het voorzien van infiltratie, buffering en vertraagde afvoer. Vrijwaren van het open tracé van de Fonteinbeek, met inbegrip van de oevers. Behoud van de oude dreef en zone zuur eikenbos aan de noordrand van het planelement. Aandacht voor de woonkwaliteit en meer specifiek het geluidsklimaat. Een geluidsscherm of gronddam langs de E40 zou een verbetering van de geluidskwaliteit betekenen. Beperken van lichthinder door een aangepaste (neerwaarts gerichte, doelgerichte, goed geplaatste) straatverlichting. Pagina 40 van 129
41 2 Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid Hierna worden de milieueffecten en gewenste milderende maatregelen per planelement inzake regionale bedrijvigheid besproken. Hierbij worden enkel de planelementen die uitsluitend bedrijvigheid omvatten, besproken. De planelementen die naast regionale bedrijvigheid ook andere bestemmingen omvatten (planelementen 18 en 21) worden verderop (hoofdstuk 7) afzonderlijk besproken. Naast de vermelde gebiedsspecifieke milderende maatregelen, kan de impact van de voorliggende gebieden op de omgeving gemilderd worden door voldoende aandacht te besteden aan het toepassen van een zuinig ruimtegebruik, optimaliseren van het energieverbruik en het bevorderen van openbaar vervoer. 2.1 Kleinhandelszone De Rampe (14) Synthese Gezien dit planelement reeds grotendeels is ingevuld met handelsactiviteiten / bedrijvigheid, zal de herbestemming slechts weinig milieueffecten met zich meebrengen. Er worden wel een aantal aandachtspunten meegegeven om de milieu-impact van de huidige en toekomstige activiteiten te minimaliseren. Een aandachtspunt vanuit mobiliteit voor de verdere ontwikkeling van het gebied is het vermijden van nieuwe en aanpakken van bestaande gevaarlijke punten op de aanwezige fietsroutes ter hoogte van het planelement en in de onmiddellijke omgeving. Qua geluidshinder is er momenteel een belangrijke geluidsbelasting door wegverkeer N50 en treinverkeer (en ook activiteiten thv bedrijventerrein). Deze belasting zal evenwel niet noemenswaardig wijzigen door het planelement onder meer door het naleven van de Vlaremnormen voor nieuwe installaties, zodat geen milderende maatregelen op dit vlak nodig zijn. Het gebied is nagenoeg volledig ontwikkeld, waardoor bijkomende emissies beperkt zullen zijn. Rekening houdend met de huidige luchtkwaliteit zijn bijkomende emissiebronnen zijn in beperkte mate mogelijk. Er worden vanuit de discipline lucht een aantal maatregelen voorgesteld die zullen leiden tot enige verbetering van de huidige toestand: Ten aanzien van verkeersemissies: het bevorderen van openbaar vervoer; evenals het streven naar een homogene snelheid van de voertuigen op de N50; Optimaliseren van het energieverbruik bij de gebouwenverwarming van de grootschalige kleinhandel. Pagina 41 van 129
42 Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid Het planelement ligt in de omgeving van mogelijk overstromingsgevoelig gebied. Negatieve effecten worden vermeden door bij de afwerking van het terrein het huidige waterbeheer te optimaliseren en dit aan de hand van volgende milderende maatregelen: Hemelwater maximaal opvangen en hergebruiken; Afvoer van het resterende hemelwater naar open grachten om infiltratie te bevorderen. Via een systeem van vertraagde afvoer kan het resterende water naar de ontvangende waterloop worden gestuurd. Open houden van het Zuidervaartje en de Lijsterbeek om de doorstroomcapaciteit te behouden zonder de afvoersnelheid te verhogen en de huidige structuurkwaliteit te behouden. Het planelement sluit aan op een aantal biologisch waardevolle zones, waaronder de weilanden rondom de hoeve Blije Gedachte en de bomenrij die naar deze hoeve leidt. Een goede buffering van het planelement naar de omgeving van de hoeve is nodig om verstoringseffecten te vermijden. Ecotoopcreatie ontstaat door deze buffer aan te planten met inheems, standplaatsgeschikt en bij voorkeur autochtoon plantgoed. Bij (verdere) inrichting van het planelement zou het beschadigen van de bomenrijen van zowel de Westdijk als naar de hoeve Blije Gedachte als de bermen van de Westdijk een negatief effect vormen. Dit kan vermeden worden (milderende maatregel) door een voldoende afstand tot de stambasis te respecteren. Een betere landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein ten opzichte van Hoeve Joyeuse Pensez, Zuidervaartje en kanaal Gent Oostende vormt een milderende maatregel en betekent een positief effect ten opzichte van de huidige situatie Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement globaal genomen beperkt zijn en voldoende gemilderd kunnen worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Aandacht voor veiligheid van zwakke weggebruikers (meer bepaald fietsers). Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement. Hierbij zijn voornamelijk mogelijkheden aanwezig om infiltratie en hergebruik te optimaliseren. Vrijwaren van de open tracés van het Zuidervaartje en de Lijsterbeek, met inbegrip van de oevers. Voorzien van buffering (incl. landschappelijke inpassing) ten aanzien van de omgeving van de hoeve Blijde Gedachte. Een dergelijke buffer wordt bij voorkeur aangeplant met inheems standplaatsgeschikt en bij voorkeur autochtoon plantgoed. Vermijden dat bomenrijen van zowel de Westdijk als naar de hoeve Blije Gedachte beschadigd worden, bvb door respecteren van een voldoende afstand ten opzichte van de stambasis. Alsook beschadiging van de bermen van de Westdijk vermijden. 2.2 Sint-Pieterskaai (15) Synthese Ook dit deelgebied is reeds grotendeels ingevuld. De invulling ervan wordt door de herbestemming echter enigszins gewijzigd. De milieu-impact hiervan is echter vrij beperkt en situeert zich voor op verkeersgerelateerde effecten gezien het planelement bijkomend verkeer genereert. Pagina 42 van 129
43 Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid Rekening houdend met de bestaande verkeersintensiteiten is er net voldoende restcapaciteit aanwezig. Structurele files kunnen ontstaan ter hoogte van de kruispunten. Om een vlottere verkeersafwikkeling ter hoogte van de geregelde kruispunten te verkrijgen, wordt voorgesteld de verkeerslichtenregelingen te optimaliseren. Het aanmoedigen van alternatieve vervoerswijzen bij het woon-werkverkeer zal eveneens leiden tot een lager verkeersgenererend karakter en bijgevolg de verkeerseffecten milderen. Door aandacht te besteden aan gevaarlijke punten op de aanwezige fietsroutes ter hoogte van en in de nabijheid van het planelement verhoogt de verkeersveiligheid. Het planelement ligt in de omgeving van mogelijk overstromingsgevoelig gebied. Negatieve effecten worden vermeden door bij de afwerking van het terrein het huidige waterbeheer te optimaliseren. Dit kan door hergebruik en infiltratie van het hemelwater te maximaliseren, gevolgd door een vertraagde afvoer naar het waterlopenstelsel Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement globaal genomen beperkt zijn en voldoende gemilderd kunnen worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Voorzien van een vlotte verkeersafwikkeling door bvb optimalisatie van de verkeerslichtenregeling. Aandacht voor de veiligheid van zwakke weggebruikers (fietsers). Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement. Hierbij zijn voornamelijk mogelijkheden aanwezig op vlak van infiltratie en hergebruik. 2.3 Waggelwater Lus Bevrijdingslaan (16) Synthese Dit deelgebied is momenteel reeds volledig ingevuld met bedrijvigheid. De invulling ervan kan door de herbestemming evenwel enigszins wijzigen. De milieu-impact hiervan is echter zeer beperkt. Er wordt geen belangrijk bijkomend verkeersgenererend effect verwacht, zodat zowel op het vlak van verkeer als op het vlak van geluids- en luchtklimaat geen noemenswaardige effecten worden verwacht. Er worden wel een aantal aandachtspunten vanuit waterbeheer en fauna en flora aangereikt. Stroomafwaarts het planelement ligt mogelijk overstromingsgevoelig gebied. Negatieve effecten worden vermeden door bij de afwerking van het terrein het huidige waterbeheer te optimaliseren. Dit kan door hergebruik en infiltratie van het hemelwater te maximaliseren, gevolgd door een vertraagde afvoer naar het waterlopenstelsel. Negatieve effecten ten aanzien van de doorstroomcapaciteit en structuurkwaliteit worden vermeden indien de Boterbeek gelegen in het noordwesten van deelgebied in open tracé wordt behouden. De zone tussen het planelement en het kanaal van Gent naar Oostende omvat zeer waardevolle plassen, populierenbos en houtkanten. De Expreswegput ten westen van de Expresweg en ten noorden van de Koestraat is volgens de Vogelatlas een pleistergebied van regionaal belang voor eenden. Beschadiging, verdroging en verstoring van deze zeer waardevolle zone tijdens de werken vormt daarom een significant negatief effect (--). Door het nemen van voorzorgsmaatregelen kan dit vermeden worden. Pagina 43 van 129
44 Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid Uit het RVR is gebleken dat Seveso-inrichtingen kunnen toegelaten worden voor zover de externe risico s verbonden aan de gevaarlijke Seveso-inrichting voldoen aan de in Vlaanderen geldende risicocriteria. Dit betekent dat geen belangrijke externe risico s mogen verbonden zijn aan de Seveso-inrichtingen die kunnen toegelaten worden. Gezien het planelement in het oosten en het zuiden grenst aan woonzone en omdat er zowel op het gebied (een school) als in de onmiddellijke omgeving (ziekenhuis en rusthuis) kwetsbare receptoren aanwezig zijn, kent het bedrijventerrein een eerder beperkte draagkracht voor Seveso-inrichtingen. De aanwezigheid van de gevangenis en de bovengrondse hoogspanningsleidingen vormen specifieke aandachtspunten Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement globaal genomen beperkt zijn en voldoende gemilderd kunnen worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement. Hierbij zijn voornamelijk mogelijkheden aanwezig op vlak van infiltratie en hergebruik. Vrijwaren van het open tracé van de Boterbeek. Vermijden van schade ten aanzien van de ecologisch waardevolle zones langs de Expresweg en de kruising van de Expresweg en de Bevrijdingslaan. 2.4 Elfhoek (17) Synthese Dit planelement brengt ondanks de eerder beperkte oppervlakte ervan (6 ha) toch belangrijke milieueffecten met zich mee. Deze milieueffecten situeren zich grosso modo op twee vlakken: Milieueffecten gerelateerd met de aantasting van het open poldergebied dat een belangrijke landschappelijke (relictzone) en avifaunistische waarde (vogelrichtlijngebied Poldercomplex, zie passende beoordeling) heeft in de nabijheid van het planelement; Milieueffecten gerelateerd met de aanwezigheid van bewoning langsheen de Elfhoekstraat en verder oostelijk ter hoogte van de E40; de leefbaarheid van deze woningen worden mogelijk in belangrijke mate beïnvloed door de uitbreiding van de bedrijvigheid. De uitbreiding van de bedrijvigheid veroorzaakt eveneens bijkomend verkeer. De capaciteit wordt hierdoor evenwel niet overschreden, zodat op dit vlak geen negatieve effecten worden verwacht. Mogelijke hinder in de kern van Jabbeke (en de woningen thv Elfhoek) wordt gemilderd indien het terrein maximaal ontsloten wordt via de E40. Om de milieu-impact te beperken worden algemeen volgende milderende maatregelen voorgesteld: visuele buffering van de bedrijven naar het waardevolle open polderlandschap. De buffering dient te gebeuren met gevarieerd standplaatsgeschikt, inheems en bij voorkeur autochtoon plantgoed. Deze buffering dient ook benut te worden om verstoring door lawaai en verlichting van het open poldergebied met hoge waarde voor avifauna (vogelrichtlijngebied Poldercomplex) zoveel mogelijk te beperken. De lichtverstoring ten aanzien van avifauna wordt maximaal beperkt door gebruik te maken van aangepaste armaturen met een minimum aan lichtverstrooiing. Visuele en auditieve buffering ten aanzien van de aanwezige woningen in de Elfhoekstraat en de woning ter hoogte van de E40 met - indien mogelijk - afscherming van het huidige wegverkeerslawaai van de E40. Geluidsafscherming kan gerealiseerd worden door een geluidsscherm, maar ook door een aaneensluiting van kantoren en gebouwen zonder enige geluidsproductie. Pagina 44 van 129
45 Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid Geen vrachtwagens toelaten in de Elfhoekstraat (gedeelte woonstraat) ter voorkoming van geluids en trillingshinder. Maximaal behouden van de kleine landschapselementen ter hoogte van het planelement. Naast opvang en hergebruik van regenwater vertraagde afvoer van het hemelwater naar de Tollenaarsbeek realiseren, conform met de waterbeheerder af te spreken lozingsdebieten. Behoud van de Tollenaarsbeek als open waterloop met een voldoende ruime oeverstrook en dit in functie van de doorstroomcapaciteit, de structuurkwaliteit en de migratiemogelijkheden voor fauna. Het maximaal vermijden van verdrogingseffecten en van de instroom van verontreinigd water in de waterlopen. Het planelement bestaat uit drie afzonderlijke entiteiten: Zone ten noorden van de bestaande bedrijvigheid Realisatie van bedrijvigheid in deze zone betekent een significante aantasting van het open poldergebied. Doordat de zone aansluitend op de bestaande bedrijvigheid en bestaande weginfrastructuur gelegen is, weegt de aantasting van de open ruimte iets minder sterk door. Landschappelijk kan de impact enigszins gemilderd worden door een goede landschappelijke inkleding hetgeen voor wat betreft de huidige bedrijvigheid momenteel volledig ontbreekt. Ook ten aanzien van de avifaunistisch belangrijke zones kan een goede buffering (zowel visueel als auditief; zie algemene milderende maatregelen hierboven) en dit aan de noorden oostzijde de effecten enigszins milderen. Dit verhindert evenwel niet dat bronnen van verstoring dichter bij gevoelige receptoren namelijk de avifauna ter hoogte van het noordelijk gelegen vogelrichtlijngebied komen te liggen (afstand: 200 m). De realisatie van bedrijvigheid met een belangrijke geluidsverstoring in deze zone zorgt dan ook voor significant negatieve effecten die onvoldoende kunnen gemilderd worden. De negatieve effecten van bedrijvigheid met een beperkt verstorend karakter kunnen in belangrijke mate gemilderd worden mits het nemen van de nodige bufferende maatregelen. Dit wordt onderschreven door de passende beoordeling. Meest noordelijk gelegen zone ten oosten van de bestaande bedrijvigheid Voor deze zone geldt eveneens dat realisatie van bedrijvigheid een significante aantasting van de open ruimte impliceert. Dit effect kan slechts in beperkte mate worden gemilderd. Gezien de uitbreiding in noordelijke richting zich slechts even ver uitstrekt als de huidige bedrijvigheid, is de potentiële aantasting van het noordelijk gelegen vogelrichtlijngebied beperkter dan bij de hierboven beschreven zone. Een goede landschappelijke en auditieve buffering langs noord- en oostzijde en het vermijden van bedrijvigheid met een sterk verstorend karakter kan de verstoring ten aanzien van het poldergebied in belangrijke mate milderen (zie ook passende beoordeling). Ten zuiden van deze zone is bewoning gelegen (langsheen de Elfhoekstraat). Deze woningen komen tussen de bedrijven te liggen en verliezen hun uitzicht op het polderlandschap (significant negatief effect). Een goede landschappelijke en auditieve buffering ten aanzien van deze woningen en het vermijden van bedrijvigheid met een sterk verstorend karakter kan de verstoring in belangrijke mate milderen. Meest zuidelijk gelegen zone ten oosten van de bestaande bedrijvigheid Doordat deze zone in drie richtingen aansluit op bestaande bebouwing of infrastructuur, vormt de aantasting van de open ruimte hier een minder negatief effect en kan dit worden gemilderd door een goede landschappelijke inkleding langs de oostzijde. Ten noorden van deze zone is bewoning gelegen (langsheen de Elfhoekstraat). Gezien de korte afstand tot deze woningen kunnen significant negatieve effecten inzake geluidshinder optreden. Dit effect kan gemilderd worden door de realisatie van een geluidsbuffer. Mits een goede landschappelijke inkleding kan deze buffer eveneens de visuele impact ten aanzien van de bewoners milderen. De realisatie van deze geluidsbuffer en van bedrijfsgebouwen in deze zone, kan voor een afscherming van het wegverkeerslawaai van de E40 zorgen en zo mogelijk een verbetering van het huidige geluidsklimaat bewerkstelligen. De negatieve effecten ten aanzien van de woning gelegen langs de E40 kunnen eveneens gemilderd worden door buffering te voorzien. Pagina 45 van 129
46 Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid Uit bovenstaande synthese van de milieueffecten per entiteit van het planelement blijkt dat de voorgestelde maatregelen de verstoringseffecten ten aanzien van avifauna en bewoning ster kunnen milderen. Hierbij geldt echter dat er ook na implementatie van de voorgestelde milderende maatregelen, noemenswaardige milieueffecten optreden ten aanzien van de open ruimte. Deze negatieve milieueffecten kunnen enkel verder worden gemilderd door de bijkomende oppervlakte aan bedrijvigheid te beperken. Dit kan door zuinig ruimtegebruik van het bestaande bedrijventerrein en de uitbreidingszones. De uitbreidingszones betreffen een oppervlakte die gelijkaardig is aan de oppervlakte van het huidige bedrijventerrein. De behoefte aan een dergelijke omvangrijke uitbreiding zal zich mogelijk niet stellen. Een beperktere en/of gefaseerde realisatie van de uitbreiding zou bijgevolg de milieueffecten in belangrijke mate kunnen milderen. Door de uitbreiding maximaal te concentreren ter hoogte van de bestaande bedrijvigheid en weginfrastructuur worden de milieueffecten sterk gemilderd. Ook door enerzijds de meest zuidelijke zone ten oosten van de bestaande bedrijvigheid en anderzijds het meest westelijke gedeelte van de zone ten noorden van de bestaande bedrijvigheid te ontwikkelen, telkens mits afdoende buffering ten aanzien van de gevoelige receptoren en een type bedrijvigheid die weinig geluid produceert te voorzien, worden de milieueffecten sterk gemilderd. Realisatie van de overige zones 4 leidt tot noemenswaardige milieueffecten die niet afdoende kunnen worden gemilderd. Uit het RVR is gebleken dat Seveso-inrichtingen kunnen toegelaten worden voor zover de externe risico s verbonden aan de gevaarlijke Seveso-inrichting voldoen aan de in Vlaanderen geldende risicocriteria. Dit betekent dat geen belangrijke externe risico s mogen verbonden zijn aan de Seveso-inrichtingen die kunnen toegelaten worden. De aanwezige bewoning ter hoogte van de Elfhoekstraat zal hierbij de beperkende factor zijn voor de toegelaten externe risico s Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat bij realisatie van dit planelement een aantal milieueffecten kunnen optreden, voornamelijk gerelateerd aan aantasting van de open ruimte en verstoring van gevoelige receptoren. De verwachte milieueffecten kunnen enigszins gemilderd worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Aandacht voor mogelijke geluids- en verkeershinder in de kern van Jabbeke en ter hoogte van de Elfhoekstraat, onder andere door voorzien van een goed ontsluitingsconcept (bvb geen vrachtwagens toelaten in het woongedeelte van de Elfhoekstraat). Voorzien van buffering (visuele en geluidsafscherming en landschappelijke inpassing) ten aanzien van het open polderlandschap. Een dergelijke buffer wordt bij voorkeur aangeplant met inheems standplaatsgeschikt en bij voorkeur autochtoon plantgoed. Beperken van lichthinder (neerwaarts gerichte verlichting, aangepaste armaturen, ). Visuele en auditieve buffering ten aanzien van de nabijgelegen woningen. Behouden en integreren van de aanwezige kleine landschapselementen als groenelementen. Vrijwaren van het open tracé van de Tollenaarsbeek. 4 Ten aanzien van het basisvoorstel is dit de noordelijk gelegen zone ten oosten van de bestaande bedrijvigheid; ten aanzien van het inrichtingsvoorstel van de gemeente Jabbeke is dit een gedeelte van de voorgestelde uitbreiding in noordelijke richting Pagina 46 van 129
47 Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid Voor planelement 17 Elfhoek wordt verwacht dat er ook na implementatie van deze milderende maatregelen, noemenswaardige milieueffecten zullen optreden ten aanzien van de open ruimte en de aanwezige woningen. De negatieve milieueffecten kunnen verder worden gemilderd door de bijkomende oppervlakte aan bedrijvigheid tot een minimum te beperken en dit door zuinig ruimtegebruik ter hoogte van: de meest zuidelijke zone ten oosten van de bestaande bedrijvigheid mits afdoende buffering ten aanzien van de bestaande bewoning in de Elfhoekstraat en ter hoogte van de E40 en het meest westelijke gedeelte van de zone ten noorden van de bestaande bedrijvigheid, mits landschappelijke en auditieve buffering langs noord- en oostzijde en een type bedrijvigheid die weinig geluid produceert. 2.5 Vliegweg (19) Synthese De milieueffecten met betrekking tot dit planelement situeren zich grofweg op twee vlakken. Een eerste cruciaal element is de wegontsluiting. Er bestaan hiervoor drie routes: Ontsluiting via Loppem naar het gelijknamige op- en afrittencomplex op de E40 Dit heeft niet alleen een impact naar doorstroming, maar ook naar de verkeersveiligheid en verkeersleefbaarheid van de dorpskern. Gezien de hoge verkeersgeneratie vormt dit een significant negatief effect op het centrum van Loppem. Hiermee is aangetoond dat een dergelijke ontslutingsroute leidt tot negatieve en nauwelijks te milderen negatieve milieueffecten. Ontsluiting via de Vliegweg-Larestraat naar de N50 Siemenslaan en verder naar het open afrittencomplex te Oostkamp. De sterke toename van het verkeer met ruim 400 pae/uur tijdens de avondspits en de slechte verkeersafwikkeling ter hoogte van het kruispunt leidt tot significant negatieve effecten ten aanzien van de verkeersleefbaarheid. De significant negatieve effecten kunnen gemilderd worden mits het uitvoeren van milderende maatregelen (aanpassen Larestraat en de aansluiting op de N50). Deze milderende maatregelen brengen een ruimtelijk effect met zich mee. Ontsluiting via aanpassingen aan de E403 of aan het complex E40/E403. Deze ontsluiting voorziet een aansluiting direct op een hoofdweg, wat leidt tot negatieve en nauwelijks te milderen negatieve milieueffecten ten aanzien van de verkeersafwikkeling van de E40. Uit het bovenstaande blijkt dat twee mogelijke ontsluitingsroutes leiden tot negatieve en nauwelijks te milderen negatieve milieueffecten. Één ontsluitingsroute leidt tot significant negatieve effecten, die kunnen gemilderd worden mits aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan. Een tweede belangrijk aspect betreft de aantasting van de open ruimte. Het planelement op zich is omwille van landschappelijke en ecologische waarde enerzijds en aanwezige weginfrastructuur anderzijds minder belangrijk, maar het gebied maakt deel uit van een groter landschappelijk en ecologisch geheel, namelijk de groene gordel in de zuidelijke rand van Brugge. Het realiseren van dit planelement houdt dan ook een sterke en structurele aantasting in van deze groene gordel en leidt om die reden tot significant negatieve effecten. Rekening houdend met de overige planelementen treden bijkomend negatieve cumulatieve effecten op ten aanzien van de groene gordel. Aanzienlijke cumulatieve effecten zijn te verwachten indien de bedrijvigheid ter hoogte van Vliegweg gecombineerd wordt overige ontwikkelingen in de groene gordel. Daarnaast worden effecten verwacht ten aanzien van waterkwantiteit, landbouw, luchtemissies. Pagina 47 van 129
48 Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid De milieu-impact kan enigszins beperkt worden aan de hand van volgende milderende maatregelen: Een goede landschappelijke buffering / inkleding. Zuidelijk is er immers een landschappelijk waardevol gebied (ankerplaats en relictzone) gelegen. Oostelijk is een zeer waardevolle eutrofe plas omgeven door houtkanten gelegen. Vermijden van aantasting voorzien van buffering ten aanzien van deze ecologisch en landschappelijk waardevolle zones. De impact op het watersysteem kan beperkt te worden door maximaal hergebruik, infiltratie en vertraagde afvoer en door het behoud van de aanwezige waterloop in open tracé. De realisatie van dit bedrijventerrein heeft een belangrijke impact op de huidige activiteiten in het gebied. Het gebied betreft hoogwaardige landbouwgronden. Inname van deze gronden betekent een significant negatief effect. Een flankerend beleid ten aanzien van de landbouw mildert deze effecten, in het bijzonder ten aanzien van de landbouwbedrijfszetels die in het gebied gelegen zijn. In de nabije omgeving van het planelement zijn eveneens woningen gelegen. Gezien deze in de onmiddellijke omgeving en de overheersende windrichting zijn gelegen, kan hinder optreden. Dit kan gemilderd worden door enkel activiteiten toe te laten die geen overmatige luchtemissies veroorzaken. Door het invoeren van een zonering van het bedrijventerrein, zodat de meest hinderlijke bedrijven zo ver mogelijk van de woningen gelokaliseerd zijn, wordt mogelijke hinder verder beperkt. Uit de beschrijving van de milieueffecten blijkt dat voor dit planelement een grote impact op de omgeving wordt verwacht en dat zelfs na implementatie van de voorgestelde milderende maatregelen, noemenswaardige milieueffecten zullen optreden ten aanzien van de open ruimte en de aanwezige functies (wonen en landbouw). De structurele aantasting van de groene gordel ten gevolge van de realisatie van bedrijvigheid op deze locatie vormt een niet afdoende te milderen significant negatief effect. De barrièrewerking en versnippering kan weliswaar enigszins gemilderd worden, maar het verlies aan open ruimte is definitief en dus niet te milderen tenzij door elders nieuwe open ruimte te creëren. De negatieve impact kan bijgevolg niet afdoende gemilderd worden met de beschikbare milderende maatregelen. Uit het RVR is gebleken dat Seveso-inrichtingen kunnen toegelaten worden voor zover de externe risico s verbonden aan de gevaarlijke Seveso-inrichting voldoen aan de in Vlaanderen geldende risicocriteria. Het terrein grenst aan woongebied, maar de aanwezige kwetsbare locaties in de omgeving hebben geen invloed op de risicozonering van het terrein. De risicozonering geeft aan dat de percelen in het midden van het bedrijventerrein het meest geschikt zijn voor Seveso-inrichtingen Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat bij realisatie van dit planelement een aantal milieueffecten kunnen optreden, voornamelijk gerelateerd met een structurele aantasting van de open ruimte en effecten ten aanzien van verkeersveiligheid en -leefbaarheid. De milieueffecten kunnen enigszins gemilderd worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Begeleidingsmaatregelen ten aanzien van de aanwezige landbouw Een goede landschappelijke buffering / inkleding is ten aanzien van het zuidelijk gelegen landschappelijk waardevol gebied en de oostelijk gelegen ecologisch waardevolle zone. Enkel toelaten van activiteiten die geen overmatige luchtemissies veroorzaken en in acht nemen van een goede bedrijfszonering ten aanzien van de nabijgelegen woningen. Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om hergebruik, infiltratie en vertraagde afvoer te verzekeren. Vrijwaren van het open tracé van de Aan Verschelde. Pagina 48 van 129
49 Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid Echter ook na realisatie van de voorgestelde milderende maatregelen, treden noemenswaardige milieueffecten op. Deze situeren zich op het vlak van een structurele aantasting van de open ruimte en verstoring ten aanzien van de aanwezige functies (wonen en landbouw). De negatieve impact kan niet afdoende gemilderd worden met de beschikbare milderende maatregelen. 2.6 Jabbeke West (20 20b) Synthese Dit planelement krijgt de bestemming agrarisch gebied met nabestemming bedrijvigheid, waarbij er onderscheid wordt gemaakt tussen 10 ha en 50 ha bedrijvigheid. De effecten zijn sterk verschillend naargelang de omvang van het bedrijventerrein. Bij de realisatie van 10 ha bedrijvigheid zijn de effecten eerder beperkt door de beperkte ruimte-inname en de bundeling met de autosnelweg. De aantasting van de landschappelijke kwaliteit van de Jabbeekse beek door de nabijgelegen bedrijvigheid vormt evenwel een belangrijk negatief effect, evenals de aantasting van het ruimtelijk samenhangend open ruimtegebied. De milieueffecten kunnen enigszins gemilderd worden door het voorzien van voldoende buffering (voornamelijk visueel) ten aanzien van de omgeving en het behoud en buffering van de Jabbeekse beek met de bijhorende bomenrijen. Het verkeersgenererend effect is beperkt door de beperkte omvang van het bedrijventerrein en leidt niet tot noemenswaardige effecten. De realisatie van 50 ha bedrijvigheid leidt tot milieueffecten van heel andere grootteorde. Deze effecten situeren zich op velerlei vlakken, maar zijn voornamelijk gerelateerd met de aanzienlijke en structurele aantasting van de open ruimte: Versnippering van de open ruimte ten noorden van de E40, met de inname van een belangrijk deel van een relictzone en de aantasting de landschappelijke waarde van de Jabbeekse Beek; dit betekent een zeer significant negatief effect ten aanzien van de perceptieve en erfgoedwaarde van het gebied; Het verlies van een aanzienlijke hoeveelheid biologisch waardevolle tot zeer waardevolle permanente graslanden, sloten en enkele poelen; dit impliceert daarenboven het verlies van een belangrijk pleistergebied voor avifauna. Rekening houdend met het belang van de Oostkustpolders voor onder meer Kleine Rietgans, is dit een significant negatief effect. Verstoring ten aanzien van avifauna. Ten aanzien van de natuurfunctie zijn bij de ontwikkeling enerzijds verstoringseffecten van belang. Rekening houdend met de afstand tot het Vogelrichtlijngebied (250m aan de westzijde van 20b) en de geluidsverstoring door de tussenliggende spoorweg kunnen deze gemilderd worden door middel van een beperkte invulling van het gebied, met goede visuele en auditieve buffering. Mits het in acht nemen van deze maatregelen blijven de effecten ten aanzien van het Vogelrichtlijngebied beperkt. Aanzienlijke verstoring van het natuurcompensatiegebied Paddegat. Ten aanzien van de natuurfunctie zijn bij de ontwikkeling enerzijds verstoringseffecten van belang. Binnen het ontwikkelingsscenario waarbij het Paddegat wordt ingericht als natuurcompensatiegebied leidt de realisatie van het bedrijventerrein tot een bijkomende verstoring van Paddegat aangezien dit onmiddellijk aanliggend is aan het plangebied. Sterke aansnijding van het aaneengesloten en uitgesproken agrarisch gebied. Daarnaast heeft een dergelijk omvangrijk bedrijventerrein een groot verkeersgenererend effect. Gezien het ontbreken van verkeerstellingen ter hoogte van het planelement, is het niet duidelijk of de aanwezige rotondes ter hoogte van de Stationsstraat deze bijkomende belasting zullen verwerken. Het bedrijventerrein dient sowieso maximaal ontsloten te worden via de E40 om de hinder in de kern van Jabbeke te beperken. Pagina 49 van 129
50 Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid Bij realisatie van dit planelement is het aangewezen volgende maatregelen uit te voeren om de milieu-impact enigszins te milderen: Buffering ten westen en ten noorden van het gebied om verstoringseffecten door lawaai en verlichting zoveel mogelijk te beperken en om een zo goed mogelijke landschappelijke integratie van het bedrijventerrein te verkrijgen; De hoeveelheid licht zoveel mogelijk beperken en gebruik maken van aangepaste armaturen met een minimum aan lichtverstrooiing; Behoud van waterlopenstelsel in open tracé met inbegrip van een voldoende ruime oeverzone; vermijden van verontreiniging in functie van de hoge ecologische waarde van de waterlopen; Voorkomen van verdroging van de nabijgelegen waardevolle tot zeer waardevolle vochtige permanente graslanden; Maatregelen ten aanzien van hergebruik en vertraagde afvoer met ondermeer een gemeenschappelijk voldoende ruim gedimensioneerd bufferbekken op niveau van het gehele bedrijventerrein; Milieuzonering zodat de meest hinderlijke bedrijven het verst van de bewoning gelegen zijn. Waarbij bij voorkeur geen mest- of slibverwerkende activiteiten toegelaten gezien de nabijheid van bebouwing ten NO van het gebied. Uit de beschrijving van de milieueffecten blijkt dat voor een bedrijventerrein met een omvang van 50 ha een grote impact op de omgeving wordt verwacht en dat zelfs na implementatie van de voorgestelde milderende maatregelen, noemenswaardige milieueffecten zullen optreden ten aanzien van de open ruimte en de ecologische waarde van het gebied. De structurele aantasting het open ruimtegebied vormt een niet afdoende te milderen significant negatief effect. De barrièrewerking en versnippering kan weliswaar enigszins gemilderd worden, maar het verlies aan open ruimte is definitief en dus niet te milderen tenzij door elders nieuwe open ruimte te creëren. Daarnaast zorgt de ontwikkeling van bedrijvigheid (50 ha) voor significant negatieve verstoring ten aanzien van de zoekzone voor natuurcompensatie Paddegat. De realisatie van een bedrijventerrein van beperktere omvang (bvb 10 ha), heeft weliswaar een geringere impact inzake ruimte-inname en verkeer, maar betekent op deze plaats niettemin een structurele aantasting van de open ruimte structuur. De negatieve impact bij realisatie van het planelement (10 of 50 ha) kan bijgevolg niet afdoende gemilderd worden met de beschikbare milderende maatregelen. Uit het RVR is gebleken dat Seveso-inrichtingen kunnen toegelaten worden voor zover de externe risico s verbonden aan de gevaarlijke Seveso-inrichting voldoen aan de in Vlaanderen geldende risicocriteria. De kwetsbare locaties hebben geen invloed op de risicozonering van het terrein, met bewoning op tenminste 150 m Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat bij realisatie van dit planelement een aantal milieueffecten kunnen optreden, voornamelijk gerelateerd met een structurele aantasting van de open ruimte. De milieueffecten kunnen enigszins gemilderd worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Begeleidingsmaatregelen ten aanzien van de aanwezige landbouw Voorzien van buffering (visuele en geluidsafscherming en landschappelijke inpassing) ten westen en ten noorden van het gebied. Een dergelijke buffer wordt bij voorkeur aangeplant met inheems standplaatsgeschikt en bij voorkeur autochtoon plantgoed. Beperken van lichthinder (neerwaarts gerichte verlichting, aangepaste armaturen, minimum aan lichtverstrooiing, ). Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om hergebruik, infiltratie en vertraagde afvoer te verzekeren. Hierbij wordt een gemeenschappelijk voldoende ruim gedimensioneerd bufferbekken op niveau van het gehele bedrijventerrein voorgesteld. Pagina 50 van 129
51 Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid Vrijwaren van het open tracé van de Jabbeekse Beek en overige grachten en waterlopen. Voorkomen van verdroging van de nabijgelegen waardevolle tot zeer waardevolle vochtige permanente graslanden; Invoeren van een milieuzonering zodat de meest hinderlijke bedrijven het verst van de bewoning gelegen zijn. Waarbij bij voorkeur geen mest- of slibverwerkende activiteiten toegelaten gezien de nabijheid van bebouwing ten NO van het gebied. Echter ook na realisatie van de voorgestelde milderende maatregelen, treden noemenswaardige milieueffecten op. De negatieve impact kan niet afdoende gemilderd worden met de beschikbare milderende maatregelen. 2.7 Sint-Elooi (29) Synthese Dit planelement wordt opgenomen binnen de afbakeningslijn om de ontwikkeling van bedrijvigheid mogelijk te maken. Gezien de ligging aansluitend op bestaande infrastructuren en bebouwing, is de impact ervan op ecologisch en landschappelijk vlak eerder beperkt. De milieueffecten situeren zich voornamelijk op het vlak van de disciplines mobiliteit en mens. De realisatie van de bedrijvigheid heeft een belangrijk verkeersgenererend effect. Er blijkt evenwel nog voldoende restcapaciteit aanwezig te zijn op de N32. Het bijkomende verkeer leidt tot een significant negatief effect op de verkeersleefbaarheid van de omwonenden. Door middel van een goede bewegwijzering kan sluikverkeer via de kernen van Loppem en Veldegem beperkt worden en wordt bijgevolg de negatieve impact op deze kernen beperkt. Door de opmaak van een herkomst-, bestemmingsonderzoek kunnen meer concrete maatregelen met betrekking tot de verkeersafwikkeling voorgesteld worden. Hierdoor kan de negatieve impact op vlak van verkeersleefbaarheid en veiligheid ten aanzien van omwonenden verder beperkt worden. De bedrijvigheid kan een aantasting van de leefbaarheid van de omliggende woningen veroorzaken en voor de woningen windafwaarts van het gebied gelegen, kan geurhinder ontstaan. Deze effecten kunnen worden vermeden door de uitvoering van: een goede visuele buffering van het bedrijventerrein ten aanzien van deze woningen en het uitwerken van een bedrijfszonering zodat de meest hinderlijke bedrijven zo ver mogelijk van de woningen liggen. In het voorontwerp GRS Zedelgem wordt voorgesteld om de KMO-zone in het noorden te schrappen (tot aan de Ruddervoordestraat) en ruimte te creëren voor wonen. Het voorzien van bedrijvigheid ten zuiden ervan (planelement 29) leidt tot een verschuiving van de hinder en veroorzaakt negatieve effecten voor omwonenden. Het planelement is gelegen in herbevestigd agrarisch gebied en heeft een belangrijke landbouwwaarde. Inname door bedrijvigheid leidt tot significant negatieve effecten. Een flankerend beleid ten aanzien van de landbouw mildert deze effecten, in het bijzonder ten aanzien van de landbouwbedrijfszetels die in het gebied gelegen zijn. Stroomafwaarts het planelement ligt effectief overstromingsgevoelig gebied. de realisatie van bedrijvigheid leidt tot significant tot zeer significant negatieve effecten ten aanzien van het overstromingsrisico. Dit effect kan in gemilderd worden door hergebruik en infiltratie van hemelwater. Gezien de grote te ontwikkelen oppervlakte wordt bijkomend de inrichting van een bufferbekken voorgesteld, bvb aan de noordelijke grens van het planelement. Het behoud van de Lepemolenbeek in open tracé, inclusief de oeverzones, leidt ertoe dat geen negatieve effecten optreden ten aanzien van de structuurkwaliteit en de ecologische kwaliteit van de waterloop. Pagina 51 van 129
52 Milieueffecten voor planelementen mbt regionale bedrijvigheid Uit het RVR is gebleken dat Seveso-inrichtingen kunnen toegelaten worden voor zover de externe risico s verbonden aan de gevaarlijke Seveso-inrichting voldoen aan de in Vlaanderen geldende risicocriteria. Dit betekent dat geen belangrijke externe risico s mogen verbonden zijn aan de Seveso-inrichtingen die kunnen toegelaten worden. Vermits het terrein in alle richtingen gedeeltelijk grenst aan woonzone wordt de draagkracht van het terrein ten opzichte van Seveso-inrichtingen hierdoor bepaald en is het bedrijventerrein enkel geschikt is voor Sevesoinrichtingen met geen of zeer lage externe (mens en milieu-)risico s verbonden aan de gevaarlijke (Seveso)stoffen in de inrichting Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat bij realisatie van dit planelement een aantal milieueffecten kunnen optreden, deze kunnen mits in acht nemen van volgende maatregelen in belangrijke mate gemilderd worden: Door middel van bewegwijzering kan sluikverkeer beperkt worden zodat het effect niet significant is. Door de opmaak van een herkomst-, bestemmingsonderzoek kunnen meer concrete maatregelen met betrekking tot de verkeersafwikkeling voorgesteld worden. Hierdoor kan de negatieve impact op vlak van verkeersleefbaarheid en veiligheid ten aanzien van omwonenden verder beperkt worden. Begeleidingsmaatregelen ten aanzien van de aanwezige landbouw Voorzien van buffering (visuele afscherming en landschappelijke inpassing) ten aanzien van omliggende woningen. Een dergelijke buffer wordt bij voorkeur aangeplant met inheems standplaatsgeschikt en bij voorkeur autochtoon plantgoed. Invoeren van een milieuzonering zodat de meest hinderlijke bedrijven het verst van de bewoning gelegen zijn, met bijzondere aandacht voor geurhinder. Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om hergebruik, infiltratie en vertraagde afvoer te verzekeren. Hierbij wordt de inrichting van een bufferbekken voorgesteld. Vrijwaren van het open tracé van de Lepemolenbeek en overige grachten en waterlopen. Pagina 52 van 129
53 3 Milieueffecten randstedelijke groengebieden 3.1 Algemeen De planelementen met betrekking tot randstedelijke groengebieden betreffen voornamelijk een uitbreiding van de bestaande randstedelijke groengebieden en vertonen over het algemeen weinig significante milieueffecten. Op het vlak van mobiliteit wordt het verkeersgenererend effect als verwaarloosbaar beschouwd. Omwille van het zeer beperkte verkeersgenererende karakter hebben ze geen invloed op de bereikbaarheid van de omliggende wijken en het regionaalstedelijk gebied Brugge. De bestaande randstedelijke groengebieden worden vandaag goed ontsloten door het openbaar vervoer van De Lijn. Met uitzondering van het randstedelijk groengebied Tillegem zijn alle planelementen bereikbaar via een functionele fietsroute. Langsheen het planelement Tillegem loopt een recreatieve fietsroute. De groengebieden liggen allen in de nabijheid van één of meerdere drukke wegen waardoor het geluidsklimaat er over het algemeen slecht tot zeer slecht te noemen is. Bij verdere uitbreiding van deze gebieden wordt dan ook voorgesteld om het wegverkeerslawaai aan te pakken. De geplande ontwikkelingen hebben een positief effect ten aanzien van de ecologische waarde van de gebieden. Dit wordt eveneens onderschreven in de passende beoordeling. De groengebieden behoren nagenoeg allemaal tot een landschappelijk waardevol gebied en/of bezitten waardevolle kleine landschapselementen en dreven. Door de herbestemming wordt de huidige landschappelijke waarde over het algemeen bestendigd of versterkt, wat aanleiding geeft tot positieve effecten. Daarnaast zorgt de herbestemming voor een versterking van de belevingswaarde en landschappelijke herkenbaarheid. Algemene milderende maatregelen hierbij zijn het open houden van waterlopen en het gebruik maken/versterken van streekeigen structuur. Om de belevingswaarde te optimaliseren vormt auditieve hinder een aandachtspunt. De uitbreiding van de stedelijke groengebieden verbetert de ruimtelijke kwaliteit ten aanzien van wonen en recreatie. Gezien de uitbreidingen grenzen aan bestaande bosgebieden en natuurgebieden versterkt dit de aanwezige bos- en natuurstructuur, wat positief is ten aanzien van de ruimtelijke structuur en samenhang. 3.2 Randstedelijk groengebied Ryckevelde (22) Synthese Het noordelijk deel van dit planelement wordt verbonden met het centrale deel door een fietsroute die via de Holleweg naar het Malebos loopt. Deze fietsroute kruist hierbij de drukke N9 Maalsesteenweg, wat leidt tot een onveilige verkeerssituatie. De fietsoversteek kan beveiligd worden door een middenberm, waardoor de oversteek in twee bewegingen kan gebeuren. Pagina 53 van 129
54 Milieueffecten randstedelijke groengebieden Ten aanzien van planelement 22 wordt het omgevingsgeluid sterk bepaald door de Maalse Steenweg. Het geluidsklimaat kan verbeterd worden door het wegverkeerslawaai aan te pakken en dit door middel van aangepaste wegbedekking en/of gronddammen. Een uitzondering hierop vormt het zuidelijke gebied, Ryckevelde, van planelement 22. Het betreft er een zeer rustig gebied. Een actief geluidsbeleid (zie beleid stiltegebieden Vlaanderen) kan er voorzorgen dat deze stille gebieden beschermd blijven. De geplande ontwikkelingen bieden een ecologische meerwaarde voor het gebied, waarbij de ecotoopcreatie een significant tot zeer significant positief effect vormt. Zo betekent de voorziene bosuitbreiding aan de noordoostelijke zijde van de bossen van Male een versterking van het bosareaal, waarbij restanten van de vroegere regelmatige percelering versterkt kunnen worden en leidt de ecologische opwaardering van het Ryckeveldebos (met aandacht voor de heischrale elementen en de omvorming van naaldhoutbestanden) tot het versterken van de natuurwaarden. In het gebied ten oosten van Ryckevelde, dat bevestigd wordt als agrarisch gebied, zijn waardevolle bosbestanden aanwezig. Deze vormen een geheel dat door de bomenrij aansluit op het Ryckeveldebos. Binnen de ontwikkelingen van het planelement zou het een meerwaarde vormen om deze bosfragmenten terug ecologisch te verbinden met het Ryckeveldebos door middel van een beperkte bosuitbreiding. De ruimtelijke verbinding tussen het bos van Male en het Ryckeveldebos wordt sterk versnipperd door de Maalsesteenweg. Het herstel van het drevenpatroon en de ontwikkeling van een mozaïek van bos, ruigtes en graslanden leidt tot een versterking van de ecologische verbinding (positief effect), maar wordt idealerwijze gekoppeld aan ontsnipperende maatregelen ter hoogte van de Maalsesteenweg. Verder wordt de suggestie gemaakt de open ruimte van planelement 7, Klein Appelmoes, gezien dit een logisch geheel vormt met de Gemene weidebeek, eveneens op te nemen als groengebied binnen planelement 22. Het centrale gedeelte ter hoogte van Ryckevelde is landschappelijk waardevol omwille van de talrijke typerende dreven. Indien bij de herbestemming het rastervormig patroon van dreven met bos-, wei- en akkerlanden wordt gevrijwaard met aandacht voor de visuele zichtbaarheid van de dreven, eventueel herstel en opwaardering van dreven en het maximale behoud van kleine landschapselementen leidt dit niet tot een afname van de landschappelijke kwaliteit en worden deze bijkomend versterkt. De beekvallei van de Meersbeek kan verder worden geaccentueerd in het landschap. Ter hoogte van het westelijk deel (Gemene Weidebeek) wordt aandacht gevraagd voor het versterken van de lineaire perceelsrandbegroeiing en het behoud van de kleine landschapselementen. De ontwikkeling van het gebeid betekent de inname van een grote oppervlakte aan landbouwareaal, wat leidt tot een zeer significant negatief effect. Dit kan (deels) gemilderd worden door het uitwerken van begeleidende maatregelen Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement globaal genomen beperkt zijn en voldoende gemilderd kunnen worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Aandacht voor het verhogen van de verkeersveiligheid, waarbij de fietsoversteek thv de Maalsesteenweg kan beveiligd worden (bvb door een middenberm) Begeleidingsmaatregelen ten aanzien van de aanwezige landbouw. Pagina 54 van 129
55 Milieueffecten randstedelijke groengebieden Met betrekking tot de inrichting worden bijkomend ten aanzien van de gewenste ruimtelijke structuur volgende voorstellen geformuleerd: Ten aanzien van het geluidklimaat wordt voorgesteld om het wegverkeerslawaai door middel van aangepaste wegbedekking en/of gronddammen aan te pakken en een actief beleid te voeren inzake het stiltegebied thv zuidelijk deel Ryckevelde. Beperkte bosuitbreiding in het gebied ten oosten van Ryckevelde om bosfragmenten terug ecologisch te verbinden met het Ryckeveldebos. Aandacht voor ontsnipperende maatregelen ter hoogte van de Maalsesteenweg. Ter hoogte Gemene Weidebeek wordt aandacht gevraagd voor het versterken van de lineaire perceelsrandbegroeiing. 3.3 Randstedelijk groengebied Beisbroek (23) Synthese Ter hoogte van dit planelement wordt het omgevingsgeluid sterk bepaald door de E40. Gezien de korte afstand wordt verwacht dat het geluidsklimaat er zeer slecht is. Eventueel kunnen maatregelen (geluidsschermen en/of wegbedekking) aan de E40 overwogen worden, maar verwacht wordt dat maatregelen in functie van de strategische belastingskaarten eerder naar mens worden genomen. Binnen het planelement wordt herstel van het wastinelandschap voorzien, wat betekent dat heide- en heischrale vegetaties versterkt wordt. Op heden is dit areaal beperkt en bovendien sterk versnipperd waardoor deze gemeenschappen onder druk komen te staan. Gezien het zeer hoge natuurbehoudbelang van deze vegetaties is de ecotoopcreatie er zeer significant positief. Daarnaast wordt het opwaarderen en herstel van de aanwezige beukendreven als aandachtspunt naar voor geschoven. Zoals aangegeven in de gewenste ruimtelijke structuur wordt in het kader van landschapszorg en kwaliteit voorgesteld om verdere uitbreiding van hobbylandbouw en vertuining te beperken Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement zeer beperkt zijn. Met betrekking tot de inrichting worden bijkomend ten aanzien van de gewenste ruimtelijke structuur volgende voorstellen geformuleerd: Ten aanzien van het geluidklimaat wordt voorgesteld maatregelen te nemen tav de geluidshinder van de E40. Herstel en opwaarderen van de aanwezige beukendreven. 3.4 Randstedelijk groengebied Tillegem (24) Synthese De westelijke grens van het planelement (N32, Torhoutse steenweg) en de zuidelijke grens (E40) zijn bepalend voor het omgevingsgeluid. Gezien de korte afstand wordt verwacht dat het geluidsklimaat er zeer slecht is. Eventueel kunnen maatregelen (geluidsschermen en/of wegbedekking) aan de E40 overwogen worden, maar verwacht wordt dat maatregelen in functie van de strategische belastingskaarten eerder naar mens worden genomen. Pagina 55 van 129
56 Milieueffecten randstedelijke groengebieden De voorziene ontwikkelingen zorgen voor een belangrijke ecotoopcreatie van zeer waardevolle natuurtypen. Gezien de aanwezigheid van heide en heischrale relicten, dient in belangrijke mate aandacht besteed te worden aan deze reeds aanwezige natuurtypen en de ermee geassocieerde fauna. Verder kan onderzocht worden in hoeverre de ontwikkeling van het planelement een mogelijkheid biedt om ontsnipperende maatregelen ten aanzien van de N32 (Torhoutse steenweg) te nemen. Hierdoor zou de ecologische verbinding tussen Beisbroek en Tillegembos terug (gedeeltelijk) hersteld worden. De herbestemming van deze locatie naar gemengd open ruimtegebied betekent een uitbreiding van de groene gordel rond Brugge, waarbij behoud en versterking van de landschappelijk waardevolle dreven en lineaire perceelsrandbegroeiing een aandachtspunt vormen Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement zeer beperkt zijn. Met betrekking tot de inrichting worden bijkomend ten aanzien van de gewenste ruimtelijke structuur volgende voorstellen geformuleerd: Ten aanzien van het geluidklimaat wordt voorgesteld om eventueel maatregelen te nemen tav de geluidshinder van de E40. Er kan onderzocht worden in hoeverre er mogelijkheden zijn om ontsnipperende maatregelen ten aanzien van de N32 (Torhoutse steenweg) te nemen. 3.5 Randstedelijk groengebied Siemenslaan (25) Synthese Specifiek voor dit planelement geldt dat de ontwikkeling zorgt voor een ruimtelijke verbinding tussen de boscomplexen en kastelen ten noorden en ten zuiden van de E40. Een functionele verbinding ontbreekt echter. Door een nieuwe fietsroute te voorzien langsheen de oude dreef Nieuwenhove Gruuthuyse kunnen beide delen ook ruimtelijk-functioneel met elkaar verbonden worden. Een fietsbrug over de E40 en een beveiligde fietsoversteek ter hoogte van de Kapellestraat zijn hierbij noodzakelijk. Gezien het wegtype van de Kapellestraat gaat de voorkeur uit naar een lichtenbeveiligde fietsoversteek met drukknoppen. Het planelement is gelegen tussen twee belangrijke verkeersassen, bedrijvigheid en een restaurant. Hierdoor staat het bloot aan belangrijke verstoringbronnen, zowel visueel als auditief. Gezien de ligging tussen twee belangrijke boskernen, betekent de invulling een ecologische verbinding (stapsteen). Dit wordt evenwel beperkt door de sterke barrièrewerking van de E40 en de Kapellestraat. Bijkomende ontsnipperende maatregelen sterke barrièrewerking milderen. Bij de inrichting van het bos wordt de aanwezige dreef opnieuw toegankelijk en visueel zichtbaar gemaakt. Hierbij dient de beplanting dicht bij de dreef niet te hoog te groeien. De herbestemming van het planelement tot bosgebied verbindt het Nieuwenhovebos met de kasteeldomeinen Cellen en Gruuthuyse, en zorgt voor een landschappelijk geheel. De barrièrewerking van de E40 kan beperkt worden door de aanleg van een fietsbrug over de E40 die de beide delen met elkaar verbindt. Planelement 25 versterkt de ruimtelijke samenhang tussen de bosgebieden ten noorden en ten zuiden van de E40. Het realiseren van het bos tussen de Kapellestraat en de E40 zorgt er voor dat de barrière minder breed wordt (opgesplitst), wat als matig positief wordt beoordeeld. Bijkomende maatregelen ten aanzien van de barrièrewerking van vooral de E40 versterken het effect (zie discipline fauna en flora). Pagina 56 van 129
57 Milieueffecten randstedelijke groengebieden Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement zeer beperkt zijn. Met betrekking tot de inrichting worden bijkomend ten aanzien van de gewenste ruimtelijke structuur volgende voorstellen geformuleerd: Voorzien van een fietsroute langsheen de oude dreef, een fietsbrug over de E40 en een beveiligde fietsoversteek ter hoogte van de Kapellestraat. Uitvoeren van bijkomende ontsnipperende maatregelen tav de E40. Pagina 57 van 129
58 4 Milieueffecten recreatie golfterrein Damme 4.1 Synthese Het planelement betreft een uitbreiding aansluitend op een bestaand golfterrein. De uitbreiding van het golfterrein heeft een verwaarloosbaar verkeersgenererend effect, waardoor geen problemen verwacht worden met betrekking tot de doorstroming en bereikbaarheid. In het kader van het recreatief medegebruik van het golfterrein wordt een fiets- en voetgangersverbinding voorzien tussen de Brieversweg en de Doornstraat, wat een positief effect betekent voor de bereikbaarheid van het golfterrein. Rekening houdend met de huidige infrastructuur en parkeergelegenheid worden geen sluikverkeer of verkeershinder in de kern van Sijsele verwacht. Gezien bij de uitbating van een golfterrein pesticiden worden gebruikt om de grasmat te onderhouden, wordt bijzondere aandacht gevraagd voor het aspect bodem- en waterkwaliteit en het toepassen van de nodige voorzorgsmaatregelen. Hierbij is een vorm van good practice nodig, waarbij bedachtzaam omgegaan wordt met producten en stoffen. Verder wordt aandacht gevraagd om duurzaam om te gaan met watergebruik. Het behoud van de Jagersbeek in open tracé is zorgt voor een behoud van de ontwikkelingsmogelijkheden waarbij een aangepast oeverbeheer (voldoende brede, geleidelijke oevers, geen gebruik van biociden of meststoffen) leidt tot de ontwikkeling van waardevolle oevervegetaties en een positief effect ten aanzien van de structuurkwaliteit. Na realisatie van het terrein zal ter hoogte van de rough s en buiten-spelzones ecotoopcreatie ontstaan. Het verdient aanbeveling om bij aanplantingen gebruik te maken van gevarieerd, streekeigen, standplaatsgeschikt en bij voorkeur autochtoon plantgoed en het gebruik van biociden en meststoffen maximaal te vermijden. Ruimte voor spontane vegetatieontwikkeling in onder meer de waterpartijen zal leiden tot een waardevollere vegetatie en fauna. Vanuit cultuurhistorisch oogpunt is het aangewezen om de bestaande kleine landschapselementen en perceelsrandbegroeiiing maximaal te behouden en te versterken. Tijdens de inrichtingswerken voor de golfinfrastructuur dient aandacht besteed te worden aan de bestaande landschapsstructurerende kenmerken. Aantasting van het gebied moet hierbij vermeden worden. Het aanwezige groen rond en in het golfterrein zorgt voor een integratie ervan in het overwegend agrarische landschap. Om het geheel niet te isoleren t.o.v. de omgeving wordt aanbevolen recreatieve routes langs of door het golfterrein te laten lopen in die mate dat de veiligheid dit toelaat (cfr. voorschriften). Het recreatieve medegebruik kan er eveneens bestaan uit bvb. een picknickruimte, educatieve panelen, Pagina 58 van 129
59 Milieueffecten recreatie golfterrein Damme 4.2 Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement beperkt zijn. Volgende voorstellen worden geformuleerd om de milieukwaliteit van het gebied te behouden en versterken: Behouden van het open tracé van de Jagersbeek, waarbij een aangepast oeverbeheer (voldoende brede, geleidelijke oevers, geen gebruik van biociden of meststoffen) wordt toegepast. Behouden, versterken en integreren van kleine landschapselementen als groenelementen in het gebied. Stimuleren van recreatief medegebruik (bvb recreatieve routes, educatieve panelen, ). Bij het verdere beheer van het gebied moet rekening gehouden worden met volgende aanbevelingen, aandachtspunten en opmerkingen: Uitwerken van een vorm van good practice, bedachtzaam omgegaan wordt met producten, met aandacht voor bodem- en grondwaterkwaliteit. De principes van duurzaam watergebruik. Waterkwaliteit van de open waterpartijen (invoegen van een bufferzone waar niet wordt gesproeid). Bij aanplantingen gebruik te maken van gevarieerd, streekeigen, standplaatsgeschikt en bij voorkeur autochtoon plantgoed en het gebruik van biociden en meststoffen maximaal te vermijden. Pagina 59 van 129
60 5 Milieueffecten stedelijke functies 5.1 Opleidings- en trainingscentrum brandweer en politie te Zedelgem (28) Synthese Het planelement kent een geïsoleerde ligging en heeft geen ruimtelijke samenhang met de omgeving. Omwille van deze perifere ligging kent het gebied een minder gunstige bereikbaarheid en bijgevolg een grote autoafhankelijkheid. De ontwikkeling van het planelement genereert hierdoor een belasting op het lokale wegennet en leefgemeenschap. Een concrete inschatting met betrekking tot de omvang van deze effecten kan niet gemaakt worden door het ontbreken van meer concrete gegevens (bvb aantal cursisten). Hierbij wordt opgemerkt dat de realisatie van een school (politieschool) die voorzien wordt nabij voorzieningen (stedelijke centra) en op een locatie die beter bereikbaar is met het openbaar vervoer voor een lagere verkeersbelasting zorgt. Anderzijds moet worden opgemerkt dat een ligging op enige afstand van gevoelige functies (bvb wonen) ook positieve effecten heeft, gelet op mogelijke hinder vanwege de activiteiten op het terrein (bvb brandoefeningen). Ook hier kan geen concretere inschatting gemaakt worden van de mogelijke milieueffecten. Indien het opleidings- en trainingscentrum toch op deze locatie wordt gerealiseerd, dient rekening gehouden te worden met volgende milderende maatregelen dewelke grotendeels zijn ingegeven vanuit de passende beoordeling: Realisatie van de voorziene groenzone rondom het terrein om de visuele impact op de open ruimte te minimaliseren. Qua begroeiing wordt gemengd inheems, standplaatsgeschikt en bij voorkeur autochtoon plantgoed aanbevolen. De aanplanting minstens moet gebeuren in het groeiseizoen voorafgaand aan het gebruik van de site en een variatie van streekeigen groen met een voldoende schermfunctie moet worden gebruikt (ook schermfunctie in de winter). Grenzend aan de groenzone dient de bestaande lineaire perceelsrandbegroeiing behouden te blijven. Een verdere versnippering van de open ruimte ten zuiden van de Diksmuidse Heirweg dient in alle geval vermeden te worden. Gezien het hier gaat om de inrichting van een activiteit waarbij gevaarlijke producten worden gebruikt, is bijzondere aandacht nodig voor het voorkomen van bodem- of waterverontreiniging en het toepassen van de nodige voorzorgsmaatregelen. Dit wordt ondervangen door de bestaande regelgeving en inrichtingsstudie. Bevorderen van infiltratie en vertraagde afvoer. Vermijden van verdrogingseffecten wegens de nabijheid van verdrogingsgevoelige vegetaties in het Vloethemveld (zie passende beoordeling); Behoud van de aanwezige nestplaatsen voor de Huiszwaluw; Geen brandoefeningen in de droogste maanden uitvoeren in functie van brandgevaar van het nabije bosbestand en lawaaiproducerende activiteiten niet door laten gaan binnen het broedseizoen (15 maart tot 15 juli). Pagina 60 van 129
61 Milieueffecten stedelijke functies Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat de milieueffecten bij realisatie van dit planelement globaal genomen beperkt zijn en voldoende gemilderd kunnen worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Realisatie van de voorziene groenzone als visuele afscherming ten aanzien van de open ruimte met gemengd inheems, standplaatsgeschikt en bij voorkeur autochtoon plantgoed, waarbij de aanplanting minstens moet gebeuren in het groeiseizoen voorafgaand aan het gebruik van de site en een variatie van streekeigen groen met een voldoende schermfunctie moet worden gebruikt (ook schermfunctie in de winter). Behoud van de bestaande lineaire perceelsrandbegroeiing grenzend aan de groenzone. Voorzien van voldoende ruimte (bijkomend ten aanzien van maatregelen op perceelsniveau, cfr. bestaande regelgeving) voor water op niveau van het planelement om opvang en hergebruik, infiltratie en vertraagde afvoer via open grachten naar de Engelstraatbeek te verzekeren. Vermijden van verdrogingseffecten tav Vloethemveld. Behoud van de aanwezige nestplaatsen voor de Huiszwaluw. Oefeningen met hoge geluidsproductie afstemmen met broedseizoen. Pagina 61 van 129
62 6 Milieueffecten planelementen 18 en Sint-Pietersplas De Spie Blankenbergsesteenweg west (18) Synthese Dit planelement omvat diverse herbestemmingen van verschillende aard. Vooral de bestemming regionale bedrijvigheid ter hoogte van De Spie en de nabestemming regionale bedrijvigheid ter hoogte van Blankenbergsesteenweg West brengen belangrijke milieueffecten met zich mee. Hierna worden dan ook eerst de milieueffecten en benodigde milderende maatregelen ten aanzien van deze bestemmingen samengevat. Daarna volgen nog enkele bijkomende specifieke elementen ten aanzien van de overige bestemmingen. Belangrijke milieueffecten van beide bedrijventerreinen zijn te verwachten op mobiliteitsvlak. De ontsluiting ervan loopt naar de N31. De lokale ontsluiting (tussen bedrijventerrein en N31) is nog niet concreet uitgewerkt 5. De N31 wordt momenteel reeds sterk belast. Uit het MER Retailpark Blauwe Toren blijkt dat de realisatie van dit retailpark voor verkeersproblemen zorgt op zowel de N371 als verderop op de N31. Elke bijkomende belasting van deze wegen zal een versterking van deze problematiek veroorzaken. Voor wat betreft de Blankenbergsesteenweg West kan de herinrichting van de Blankenbergsesteenweg N371 met een 2x2 wegprofiel samen met de ontsluiting van het bedrijventerrein naar deze N371 via een geregeld kruispunt (verkeerslichtenregeling of rotonde), voor een gedeeltelijke oplossing zorgen. Deze maatregelen lossen evenwel de problematiek ter hoogte van de N31 niet op. De ontsluitingsweg van De Spie ligt nog niet vast. In afwachting van de realisatie van de AX wordt uitgegaan van een ontsluiting naar de Stationsweg die aansluit op de N31. De Stationsweg blijkt nog voldoende restcapaciteit te hebben, maar is momenteel reeds een gevaarlijke weg vooral ter hoogte van het kruispunt met de Pathoekweg zodat een belangrijke bijkomende belasting leidt tot een negatief effect ten aanzien van de verkeersveiligheid. De ophaalbrug over het Boudewijnkanaal vormt bovendien een belangrijke beperking van de reële capaciteit van deze weg. Na realisatie van de AX, zal de ontsluiting naar de N31 verlopen. Op welke wijze dit gebeurt, moet nog uitgeklaard worden in het kader van de optimalisatiestudie voor de AX. Uit het bovenstaande blijkt dat de N31 een belangrijke rol speelt in de ontsluiting van beide bedrijventerreinen. De N31 kan deze rol rekening houdende met de huidige belasting evenwel onvoldoende opnemen. De in uitvoering zijnde herinrichting van de N31 ter hoogte van de doortocht door Brugge (Sint-Andries en Sint-Michiels) zal samen met de geplande herinrichting van het noordelijk deel van de N31 (streefbeeld in opmaak), de geplande aanleg van de AX en de herinrichting van de N49 voor een significante verbetering van de problematiek ter hoogte van de N31 zorgen. Of deze echter een afdoende oplossing zullen bieden zodanig dat de ontsluiting van beide bedrijventerreinen (De Spie en Blankenbergsesteenweg West) op een vlotte en veilige manier kan gebeuren, dient verder onderzocht te worden. 5 Er zijn nog geen concrete plannen voor de ontsluiting naar de N31 gekend. Op korte termijn kan het terrein de Spie noordelijk ontsluiten via de Stationsweg op de N31 Zeelaan. De ontsluiting maakt deel uit van het verder onderzoek over de AX/N31 en is mee opgenomen in het voorontwerp RUP voor de afbakening van de zeehaven van Brugge/Zeebrugge. Er dient een duidelijke afstemming te zijn tussen beide RUP s. Pagina 62 van 129
63 Milieueffecten planelementen 18 en 21 De realisatie van andere functies met een belangrijk verkeersgenererend karakter die ontsluiten naar de N31, is hierbij mede bepalend. Rekening houdende met de ontsluitingsproblematiek kunnen volgende randvoorwaarden / milderende maatregelen voor de ontwikkeling van beide bedrijventerreinen geformuleerd worden: Geen realisatie van sterk verkeersgenererende bedrijfsactiviteiten zoals TDL-activiteiten (Transport, Distributie en Logistiek); Maximaal stimuleren van openbaar vervoer voor wat betreft het woon-werkverkeer; Ontsluiting van Blankenbergsesteenweg West naar de Blankenbergsesteenweg N371 via een geregeld kruispunt (lichtenregeling of rotonde); capaciteitsverhoging van de N371 door een herinrichting ervan tot 2x2-weg tussen de ontsluitingsweg van het bedrijventerrein Blankenbergsesteenweg West en de aansluiting op de N31; Aandacht voor een vlotte en veilige fietsinfrastructuur ter hoogte van en in de omgeving van het planelement; Voorzien van voldoende parkeermogelijkheden rekening houdend met de gewenste duurzame modal shift; Na realisatie AX: maximale ontsluiting via de AX (en de N49) om de belasting van de N31 en het overige onderliggend wegennet te beperken; in afwachting van de realisatie van de AX, dient de Havenrandweg Zuid maximaal benut te worden voor de ontsluiting in oostelijke richting dit om de kern Dudzele minimaal te belasten. De bovenvermelde maatregelen vormen een gedeeltelijke oplossing van de verkeersproblematiek, maar zijn hoogst waarschijnlijk niet voldoende. Om de verkeersproblematiek verder te kunnen beheersen en de negatieve effecten te milderen zijn bijkomende infrastructurele maatregelen nodig. In deze context is het dan ook aangewezen om zowel De Spie als Blankenbergsesteenweg West pas te realiseren nadat de herinrichting van de N31 ter hoogte van Brugge (Sint-Andries en Sint-Michiels) is uitgevoerd, evenals de realisatie van de AX en de herinrichting van de N49. Verder verkeersonderzoek is noodzakelijk voorafgaand aan de realisatie van deze bedrijventerreinen. De verkeersgeneratie ten gevolge van beide bedrijventerreinen zorgt voor een bijkomende geluidsproductie en bijkomende emissies. Rekening houdend met de huidige hoge verkeersbelasting, is de bijkomende impact eerder beperkt. Op vandaag is een minder goede geluidskwaliteit aanwezig. De huidige luchtkwaliteit in de omgeving van het planelement voor fijn stof benadert de jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m 3. De hoge belasting van het geluid- en luchtklimaat zorgen bijgevolg voor een minder goede omgevingskwaliteit van het gebied, zodat vanuit deze disciplines de uitbreiding van recreatieve activiteiten minder aangewezen is. Bijkomende luchtemissies zijn in principe slechts gewenst als de omgevingsconcentraties voor NO 2 en PM10 gezakt zijn tot 80% van de luchtkwaliteitsdoelstelling, dus voor beide luchtverontreinigende stoffen 32 µg/m 3. Op termijn is evenwel te verwachten dat de verkeersemissies van fijn stof zullen dalen. De luchtkwaliteit in het gebied zal dan wellicht dalen tot beneden de 32 µg/m 3. Rekening houdend met de verwachte positieve trend op vlak van de luchtkwaliteit enerzijds en de ontwikkeling van het bedrijventerrein buiten de planperiode anderzijds worden in principe vanuit de discipline lucht geen significante effecten verwacht bij ontwikkeling van bedrijvigheid buiten de planperiode. De realisatie van de bijkomende bedrijvigheid betekent vooral voor wat betreft Blankenbergsesteenweg West een significant areaalverlies voor de landbouwfunctie en aanzienlijke bijhorende effecten ten aanzien van de landbouwbedrijfsvoering. Deze effecten kunnen worden gemilderd door het uitwerken van een degelijk uitgewerkt flankerend beleid. Pagina 63 van 129
64 Milieueffecten planelementen 18 en 21 De realisatie van bedrijvigheid ter hoogte van Blankenbergsesteenweg West betekent inname van een open ruimtegebied ingesloten tussen weginfrastructuur (N31 en N371). Dit heeft een invloed op het westelijk gelegen open polderlandschap (relictzone). Deze effecten worden gemilderd door buffering (hoofdzakelijk visueel) naar dit gebied toe en ten aanzien van de Blankenbergse dijk. Hierbij vormt een landschappelijk inpasbare buffer van graslanden en boomgaarden in combinatie met perceelsrandbegroeiing (hagen, houtkanten, knotbomen, ) een meerwaarde ten aanzien van een massieve groenbuffer. Aansluitend bij de bedrijfsgebouwen zelf wordt wel voor een gesloten groenscherm geopteerd. Gebruik van gemengd, inheems, standplaatsgeschikt en bij voorkeur autochtoon plantgoed verdient hierbij de voorkeur. Gezien het gedeelte van het planelement aan de westzijde van de Blankenbergse dijk van belang is voor watervogels en gezien de meerwaarde van een eerder open buffer naar de westelijk gelegen open ruimte, worden negatieve effecten ten aanzien van avifauna gemilderd door de zone ten westen van de Blankenbergse dijk niet in te vullen als regionaal bedrijventerrein, maar als buffergebied ten aanzien van de open ruimte waarbij de huidige waarden maximaal worden behouden en versterkt en de Blankenbergse dijk als landschapselement wordt versterkt. Om de inname aan landbouwgrond te beperken, kan enige landbouwfunctie in deze bufferzone worden behouden. De realisatie van een kleinere oppervlakte aan bedrijvigheid heeft een beperkter verkeersgenererend karakter tot gevolg, wat positief is rekening houdende met de hierboven geschetste verkeersproblematiek. De hierboven gestelde randvoorwaarden blijven echter geldig. Daarnaast worden vanuit de diverse milieudisciplines (exclusief mobiliteit, zie eerder) nog volgende milderende maatregelen geformuleerd voor het gehele planelement: De parking van het recreatiedomein Sint-Pietersplas uitrusten met een voldoende capaciteit om de verkeersleefbaarheid in de woonwijk Gentele te garanderen. Openhouden van de waterlopen, met inbegrip van een voldoende ruime oeverzone, binnen het gebied en dit om effecten ten aanzien van de structuurkwaliteit en ecologische waarden te vermijden. Gezien de grote hoeveelheid bijkomende verharding, leidt dit tot (zeer) significant negatieve effecten op vlak van wateroverlast. Als milderende maatregelen wordt voorgesteld om hemelwater dat niet wordt hergebruikt vertraagd af te voeren via een systeem van open waterlopen naar een gemeenschappelijk bufferbekken. Voor De Spie wordt in overeenstemming met het waterhuishoudingsplan Oudlandpolder Blankenberge de inrichting van het bufferbekken in de zuidelijke tip voorgesteld. Voor Blankenbergsesteenweg West gaat de voorkeur naar een bufferbekken in het noorden met vertraagde afvoer naar de Smalle Watergang. De bijkomende verharding ter hoogte van de verblijfsaccommodatie van Sint-Pietersplas kan worden gemilderd door maximaal hergebruik van hemelwater te voorzien. Voorkomen van verdroging van waardevolle ecotopen binnen het gebied Opmaak van een goed onderbouwde visie of inrichting van het gebied, die het volledige planelement in beschouwing neemt zodat op gefundeerde wijze beheers- en inrichtingsmaatregelen kunnen uitgevoerd worden; met bijzondere aandacht voor: Optimalisatie van het gemengd open ruimtegebied in en rond de parkbegraafplaats Blauwe Toren door een natuurgericht beheer van de zeer waardevolle ecotopen (zie passende beoordeling). Aangepaste inrichting van de Blankenbergse dijk in functie van ecotoopcreatie en behoud ervan als as voor langzaam verkeer Opwaardering van de waardevolle ecotopen ter hoogte van de Sint-Pietersplas in de zone die als overdruk natuurverweving krijgt. Binnen de toelichtingsnota worden onder meer de aanleg van natuurlijke oeverzones en een steile afslagoever voor Oeverzwaluw voorzien. Ook voor de gracht rond Hoeve Ter Walle en de waardevolle autochtone hagen, die in de zone voor dagrecreatie komen, kan een gepast beheer worden voorzien. Eventuele aanplantingen kunnen gebeuren met autochtoon, standplaatsgeschikt en inheems plantgoed. Het behoud van bestaande corridors en stapstenen; behoud en integratie van de kleine landschapselementen (knotbomen en houtkanten, open waterlopen) als groenelementen op het terrein; behoud van de herkenbaarheid van de Lisseweegse Vaart in het landschap; Pagina 64 van 129
65 Milieueffecten planelementen 18 en 21 Waterbuffering (zie hierboven) Verbinding voor voetgangers en fietsers onder de spoorlijn Brugge Blankenberge ter hoogte van De Spie; Geluid- en luchtklimaat ter hoogte van Sint-Pietersplas. Het beperken van de verlichting van weginfrastructuur en gebouwen tot het strikt noodzakelijke, gebruik van neerwaarts gericht, verkeersgeleidend licht, verlichten met betrekkelijk langgolvig licht en een beperkte verlichtingsintensiteit Uit het RVR is gebleken dat Seveso-inrichtingen kunnen toegelaten worden voor zover de externe risico s verbonden aan de gevaarlijke Seveso-inrichting voldoen aan de in Vlaanderen geldende risicocriteria. De Spie biedt hierbij potentie voor Seveso-inrichtingen. De Spie is gunstig gelegen voor Seveso-bedrijvigheid en sluit aan bij het reeds bestemde Zeehavengebied. De meest zuidelijk gelegen percelen van de Spie worden door het potentiële aantal aanwezige bezoekers in de zone voor volumineuze handel ongeschikt voor inrichtingen met externe risico s. Binnen het gebied ten westen van de Blankenbergsesteenweg kunnen eveneens Sevesoinrichtingen toegelaten worden, waarbij de N31, de aanwezige pijpleiding en hoogspanningsleidingen aandachtspunten vormen. De draagkracht van de noordelijk gelegen percelen wordt eveneens sterk aangetast door de grote aantallen bezoekers in de zone voor volumineuze handel. Binnen het RVR werd hierbij rekening gehouden met de geplande recreatieve ontwikkelingen ter hoogte van Sint-Pietersplas. Afhankelijk van de invulling van het gebied tussen de N31 en de Blankenbergse Dijk (bedrijvigheid, laagrecreatief of hoogrecreatief karakter) zal de draagkracht voor Seveso-inrichtingen ter hoogte van de Blankenbergsesteenweg west afnemen Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat bij realisatie van dit planelement een aantal milieueffecten optreden. Deze kunnen in belangrijke mate gemilderd worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Om de verkeersproblematiek niet bijkomend te belasten wordt voorgesteld om sterk verkeersgenererende bedrijfsactiviteiten zoals TDL-activiteiten (Transport, Distributie en Logistiek) niet toe te laten. Aandacht voor een vlotte en veilige fietsinfrastructuur. Voorzien van voldoende parkeermogelijkheden rekening houdende met de gewenste duurzame modal split. Het beperken van de verlichting van weginfrastructuur en gebouwen tot het strikt noodzakelijke, gebruik van neerwaarts gericht, verkeersgeleidend licht, verlichten met betrekkelijk langgolvig licht en een beperkte verlichtingsintensiteit. Uitwerken van een flankerend beleid tav de landbouwfunctie. Vanuit milieuoogpunt wordt voorgesteld om de zone ten westen van de Blankenbergse dijk in te vullen als buffergebied ten aanzien van de open ruimte, waarbij de huidige waarden maximaal worden behouden en versterkt en de Blankenbergse dijk als landschapselement wordt versterkt. In functie van vertraagde afvoer, structuurkwaliteit en ecologische waarden openhouden van de waterlopen binnen het gebied, met inbegrip van een voldoende ruime oeverzone. Hemelwater dat niet wordt hergebruikt, vertraagd afvoeren via een systeem van open waterlopen naar een gemeenschappelijk bufferbekken. Meer specifiek worden volgende zaken voorgesteld: Voor De Spie wordt in overeenstemming met het waterhuishoudingsplan Oudlandpolder Blankenberge de inrichting van het bufferbekken in de zuidelijke tip voorgesteld. Voor Blankenbergsesteenweg West gaat de voorkeur uit naar een bufferbekken in het noorden met vertraagde afvoer naar de Smalle Watergang. Een natuurtechnische inrichting van deze bufferbekkens. Opmaak van een goed onderbouwde visie of inrichting die het volledige planelement in beschouwing neemt zodat op gefundeerde wijze beheers- en inrichtingsmaatregelen kunnen uitgevoerd worden. Pagina 65 van 129
66 Milieueffecten planelementen 18 en Chartreuse Synthese Dit planelement omvat de realisatie van diverse bestemmingen. De belangrijkste negatieve milieueffecten zijn te verwachten ten gevolge van de realisatie van het hoogwaardig gemengd bedrijventerrein. De realisatie van het woongebied heeft slechts beperkte milieueffecten. De overige bestemmingen vormen veelal een bestendiging of zelfs een meerwaarde ten opzichte van de huidige toestand en zorgen voor enige mildering van de impact van de bedrijvigheid. Het hoogwaardig gemengd bedrijventerrein heeft een aanzienlijk verkeersgenererend karakter. Uitgaande van een gangbare modal split is de ontsluiting problematisch, zowel ter hoogte van de N397 als ter hoogte van de Chartreuseweg. De verkeersproblematiek kan enigszins gemilderd worden door meerdere ontsluitingswegen te voorzien alsook een lichtengeregeld kruispunt met beveiligde linksafslagstrook of rotonde ter hoogte van het kruispunt tussen de ontsluitingsweg van het bedrijventerrein en de N397. Zelfs indien deze maatregelen worden geïmplementeerd, blijft de verkeersafwikkeling problematisch zowel naar doorstroming als naar leefbaarheid. Om de verkeerseffecten afdoende te milderen is het nodig een verschuiving in de modal split in de richting van openbaar vervoer te bewerkstelligen. Dit kan door een optimalisatie van het busaanbod en het voorzien van een extra treinstation ter hoogte van het planelement. Omwille van de verkeersveiligheid dient voldoende aandacht besteed te worden aan de zwakke weggebruiker op de kruispunten in de omgeving van het planelement. Ook het voorzien van voldoende parkeerruimte vormt een aandachtspunt en dit in functie van het vermijden van parkeerdruk (verkeersleefbaarheid) in de omgeving. De voorziene parkeerruimte dient evenwel in overeenstemming te zien met de noodzakelijke duurzame modal split zoals hierboven aangegeven. Het sterke verkeersgenererend karakter veroorzaakt een toename van de geluidsproductie en de emissies. Door de hoge verkeersintensiteiten op de E40 en de N31 op vandaag, is de wijziging in het geluidsklimaat in de nabije omgeving van deze wegen beperkt. Het grootste effect treedt op in de zones verderaf van deze bestaande weginfrastructuur. Om dit effect te milderen zijn niet alleen maatregelen ter beperking van de verkeersgeneratie nodig (zie hierboven), maar is het ook aangewezen om de ontsluiting van het bedrijventerrein zo dicht mogelijk bij het aansluitingscomplex Loppem op de E40 te lokaliseren. Dit wordt zo voorzien binnen de geplande inrichting. Om het negatieve effect van de belangrijke huidige geluidsbelasting afkomstig van de E40 te beperken is het voor de voorziene woningen ten zuiden van de E40 aangewezen om een geluidsscherm langsheen de E40 (ten zuiden) te voorzien. Gezien de huidige waterproblematiek onder andere overstromingen ter hoogte van en langsheen het deelgebied tot gevolg heeft en gezien de realisatie van het planelement een versterking van deze problematiek betekent (door toename aan verharde oppervlakte), leidt dit tot zeer significant negatieve effecten. Deze effecten worden deels gemilderd door binnen het planelement maatregelen in functie van infiltratie, berging en vertraagde afvoer te nemen, zowel voor wat betreft het woongebied als wat betreft het bedrijventerrein. Niettemin betekent de bijkomende verharding een aantasting van de natuurlijke draagkracht van het systeem. Dit kan worden gemilderd door de invulling pas toe te laten nadat de huidige wateroverlast is aangepakt. Hierbij speelt ondermeer de realisatie van het stroomafwaarts voorziene gecontroleerd overstromingsgebied langsheen de Kerkebeek ter hoogte van Sint-Andries een rol. Voorkomen van verontreiniging vormt een aandachtspunt in functie van de ecologische kwaliteit. Pagina 66 van 129
67 Milieueffecten planelementen 18 en 21 Omdat het plangebied deel uitmaakt van de ecologisch en landschappelijk belangrijke groene gordel ten zuiden van Brugge, is versnippering een zeer belangrijk aandachtspunt. De inrichting van bedrijvigheid en overige bebouwing betekent dat deze groene zone verder onder druk komt te staan, ook al wordt langs deze bebouwing een parkzone voorzien en is er aandacht voor stapstenen binnen de zone voor ondersteunende activiteiten en gemeenschaps- en openbaar nut. Maximaal behoud en versterking van de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden (kleine landschapselementen en bos) en integratie ervan in een groenbuffer is aangewezen. Hierbij vormen de habitatvereisten van de Ingekorven Vleermuis een belangrijk aandachtspunt. Naast de aantasting van de groene gordel gaat namelijk ook foerageergebied voor de Ingekorven vleermuis verloren. Omdat er echter weinig informatie beschikbaar is over het habitatgebruik van deze soort in het projectgebied en de omgeving ervan, is het belang ervan met de huidige informatie moeilijk in te schatten. Er wordt verwacht dat indien bij inrichting en beheer van de overige zones binnen het planelement rekening gehouden kan worden met de habitatvereisten van deze soort, dit effect beperkt wordt. Zo dient de verlichting ter hoogte van het bedrijventerrein geminimaliseerd en aangepast te worden om de impact van lichtverstoring ten aanzien van de vleermuizen te beperken. Daarnaast moeten de bestaande corridors behouden worden als donkere zones. Ter hoogte van de zone voor weginfrastructuur zijn ontsnipperende maatregelen zoals faunapassages nodig. Hierbij moet echter de kanttekening gemaakt worden dat niet alleen weinig informatie beschikbaar is over het habitatgebruik ter hoogte van het plangebied, maar dat er tevens geen ervaring beschikbaar is in Vlaanderen over effectieve milderende maatregelen of randvoorwaarden. Ook hierbij bestaat de noodzaak aan verder onderzoek. Dit wordt onderschreven in de passende beoordeling. Omwille van het reeds sterk versnipperde karakter heeft de herbestemming tot gemengd regionaal bedrijventerrein een matig negatief tot significant negatief effect op de structuur van het landschap. Er zullen immers hoge gebouwen worden gerealiseerd, landschappelijke elementen verdwijnen en de barrièrewerking van de E40 vergroot door de realisatie van een kantorencomplex. De voorziene invulling van het gebied ten noorden van het hoogwaardig bedrijventerrein kan een positieve impact hebben op het vlak van belevingswaarde en erfgoedwaarde: De herbestemming van de hoeve kan een significant positief effect betekenen voor de erfgoedwaarde en de belevingswaarde van de hoeve, indien de restauratie van de hoeve, omwalling en begeleidende dreef met het nodige respect voor het cultuurhistorische erfgoed gebeurt (cfr. beschermingsbesluit van het monument). Het behoud van de aanwezige beschermde archeologische site is van groot belang. Er wordt verondersteld dat er nog veel meer onzichtbare archeologische sporen aanwezig zijn in het planelement. Versterking van de belevingswaarde door de ontwikkeling van het parkgebied als een visueel landschappelijk geheel met het boscomplex ten noorden van de Charteuseweg, dat op zich aansluit bij het randstedelijk groengebied Tillegem. Hierbij is het van belang de potentieel negatieve impact van de bedrijvigheid afdoende te milderen. Landschappelijke integratie van de verschillende elementen tot samenhangend geheel met een duidelijke identiteit kan de landschappelijke kwaliteit van het gebied behouden en versterken. De overgang tussen het bedrijventerrein, het Provinciaal Dienstverleningscentrum en het parklandschap dient geleidelijk te gebeuren (inrichting als parkachtige omgeving). Om barrièrewerking ter hoogte van de E40 te voorkomen, is een fiets- en voetgangersverbinding aangewezen. De opmaak van een inrichtingsstudie voor het gehele gebied dat de bovenstaande aspecten concretiseert op een ruimtelijk samenhangende wijze, biedt mogelijkheden om op gefundeerde wijze beheers- en inrichtingsmaatregelen uit te werken. Pagina 67 van 129
68 Milieueffecten planelementen 18 en 21 Uit het RVR is gebleken dat Seveso-inrichtingen kunnen toegelaten worden voor zover de externe risico s verbonden aan de gevaarlijke Seveso-inrichting voldoen aan de in Vlaanderen geldende risicocriteria. Dit betekent dat geen belangrijke externe risico s mogen verbonden zijn aan de Seveso-inrichtingen die kunnen toegelaten worden. Door de aanwezigheid van gebieden met woonfunctie in de onmiddellijke omgeving en als gevolg van de mogelijkheid dat een voetbalstadion en een commercieel complex worden ontwikkeld naast het gebied, kunnen enkel Seveso-inrichtingen met nagenoeg geen risico s voor zware ongevallen worden toegelaten. Er wordt uitdrukkelijk gestreefd naar meerlagige bebouwing, waardoor dit bedrijventerrein in principe niet geschikt is voor inrichtingen met risico s voor ongevallen die overdruk kunnen veroorzaken Conclusie Samengevat kan gesteld worden dat bij realisatie van dit planelement een aantal milieueffecten optreden. Deze kunnen in belangrijke mate gemilderd worden indien volgende specifieke aandachtspunten worden meegenomen: Aandacht voor een vlotte en veilige fietsinfrastructuur en voorzien van voldoende parkeermogelijkheden om negatieve effecten ten aanzien van de verkeersveiligheid- en leefbaarheid te voorkomen. Voorzien van een geluidsscherm langsheen de E40 (ten zuiden) in functie van de woonkwaliteit voor de voorziene woningen ten zuiden van de E40. Rekening houdend met de huidige overstromingsproblematiek. Significant negatieve effecten ten aanzien van de wateroverlast kunnen worden gemilderd door de invulling van het gebied te realiseren nadat de huidige wateroverlast is aangepakt en door op het terrein voldoende ruimte te voorzien voor maatregelen in functie van infiltratie, berging en vertraagde afvoer. Ter hoogte van het bedrijventerrein wordt de inrichting van een bufferbekken voorgesteld. Een natuurtechnische inrichting van deze bufferbekkens verdient de voorkeur. De inrichting van het gebied veroorzaakt een versnippering en aantasting van de ecologisch en landschappelijk belangrijke groene gordel. Om de effecten te milderen zijn een aantal milderende maatregelen mogelijk, namelijk: Maximaal behoud en versterking van de aanwezige ecologische en landschappelijke waarden (kleine landschapselementen en bos) en integratie ervan in een groenbuffer. Het beperken van de verlichting tot het strikt noodzakelijke, gebruik van neerwaarts gericht, verkeersgeleidend licht, verlichten met betrekkelijk langgolvig licht en een beperkte verlichtingsintensiteit. Behoud van bestaande corridors behouden als donkere zones. Ontsnipperende maatregelen ter hoogte van de zone voor weginfrastructuur, bvb faunapassages Aandacht voor landschappelijke integratie van de verschillende elementen, voor de belevings- en erfgoedwaarde en aandacht voor de archeologische waarde van het volledige het gebied. Hierbij moet worden opgemerkt dat eveneens foerageergebied voor de Ingekorven vleermuis verloren gaat en dat niet alleen weinig informatie beschikbaar is over het habitatgebruik ter hoogte van het plangebied, maar dat er tevens geen ervaring beschikbaar is in Vlaanderen over effectieve milderende maatregelen of randvoorwaarden. Het is met andere woorden niet zeker of de aangehaalde milderende maatregelen voldoende effectief zijn om de negatieve milieueffecten op voldoende wijze te milderen. Pagina 68 van 129
69 7 Eindconclusie planelementen mbt bedrijvigheid 6 Voor wat betreft bedrijvigheid kan gesteld worden dat de wegontsluiting voor alle voorliggende planelementen een belangrijk aandachtspunt vormt. Voor de kleinere gebieden lijkt de problematiek te kunnen worden beperkt, mits voldoende rekening gehouden wordt met de voorgestelde milderende maatregelen. Voor volgende planelementen vormt de wegontsluiting evenwel een potentieel zeer belangrijk probleem: De Spie en Blankenbergsesteenweg West; problematiek zeer sterk gerelateerd met de N31, de herinrichting van de N31 en de Blankenbergsesteenweg en ook de realisatie van de AX wordt aangehaald als milderende maatregel vooraleer over te gaan tot de realisatie van bedrijvigheid ter hoogte van deze locaties; Vliegweg: zoals aangehaald onder punt 4 leiden twee mogelijke ontsluitingsroutes tot negatieve en nauwelijks te milderen negatieve milieueffecten op vlak van verkeersveiligheid en - leefbaarheid. Één ontsluitingsroute leidt tot significant negatieve effecten ten aanzien van de verkeersleefbaarheid, deze kunnen gemilderd worden mits aan een aantal randvoorwaarden wordt voldaan. Verder geldt dat zelfs na implementatie van de voorgestelde milderende maatregelen, noemenswaardige milieueffecten zullen optreden ten aanzien van de aanwezige functies (wonen en landbouw) en een structurele aantasting van de open ruimte en meer bepaald groene gordel optreedt. Jabbeke West: bij realisatie van 50 ha bedrijventerrein is er een sterk verkeersgenererend karakter; wegens het ontbreken van afdoende verkeersinformatie, kan de impact hiervan niet exact ingeschat worden; Sint-Elooi: het verkeersgenererend effect heeft een significant negatieve impact op de verkeersleefbaarheid; Chartreuse: bij een gangbare modal split is de ontsluiting ondanks de nabijheid van hoofden primaire wegen problematisch; de ontwikkeling van dit terrein met een sterke focus op ontsluiting via het openbaar vervoer is noodzakelijk en lijkt gezien de invulling met hoogwaardige bedrijvigheid haalbaar. Uit het bovenstaande blijkt dat de ontsluiting een belangrijke invloed heeft op de realiseerbaarheid van de voorliggende bedrijventerreinen. Daarnaast is de mate waarin er aantasting optreedt van de open ruimte in het algemeen en van ecologisch, landschappelijk en / of agrarisch waardevolle gebieden in het bijzonder, bepalend voor de milieueffecten. De effecten ten aanzien van de woonfunctie zijn mits afdoende milderende maatregelen veelal eerder beperkt, gezien de voorliggende bedrijventerreinen zich vooral ter hoogte van de open ruimte situeren (dus veelal op grotere afstand van woonconcentraties). Enkel bij Sint-Elooi (29) en Elfhoek (17) zijn de effecten ten aanzien van woningen in belangrijke mate bepalend. Indien bij de realisatie van beide bedrijventerreinen maximaal rekening wordt gehouden met de aanwezige bewoning en buffering ervan, kunnen deze effecten in belangrijke mate gemilderd worden. Betreffende Sint-Elooi kan door de opmaak van een herkomst-bestemmingsonderzoek meer concrete maatregelen met betrekking tot de verkeersafwikkeling voorgesteld worden. Hierdoor kan de negatieve impact op vlak van verkeersleefbaarheid en veiligheid ten aanzien van omwonenden verder beperkt worden. 6 In dit onderdeel worden alle planelementen die de ontwikkeling van bedrijvigheid bevatten opgenomen. Naast de planelementen regionale bedrijvigheid worden dus ook de planelementen Sint-Pietersplas De Spie Blankenbergsesteenweg west (18) en Chartreuse (21) gedeeltelijk besproken. Pagina 69 van 129
70 Eindconclusie planelementen mbt bedrijvigheid Vanuit de impact op de open ruimte in het algemeen en de impact ten aanzien van het natuurcompensatiegebied Paddegat in het bijzonder, leidt een bedrijventerrein met een omvang van 50 ha ter hoogte van Jabbeke West echter ook na realisatie van de voorgestelde milderende maatregelen tot noemenswaardige milieueffecten. Ook voor een bedrijventerrein met beperktere omvang (10 ha) op deze locatie kan de negatieve impact niet afdoende gemilderd worden met de beschikbare milderende maatregelen. Bedrijvigheid ter hoogte van Chartreuse en/of Vliegweg betekent een aantasting van de groene gordel rond Brugge. Voor wat betreft Chartreuse beperkt de keuze voor hoogwaardige bedrijvigheid gekoppeld aan het behoud en versterken van aangrenzende ecologische, landschappelijke en archeologische waarden de milieu-impact enigszins. De aantasting van de open ruimte is het beperkter bij De Spie en Blankenbergsesteenweg West, gezien beide gebieden in meer of mindere mate zijn omsloten door bestaande lijninfrastructuren en bedrijvigheid. Rekening houdend met het bovenstaande en met de eerder beschreven effecten en voorgestelde milderende maatregelen per planelement, kan vanuit milieuoogpunt samengevat het volgende gesteld worden: De negatieve milieueffecten gerelateerd aan de realisatie bedrijvigheid Chartreuse kunnen in belangrijke mate gemilderd worden mits sterke uitbouw van ontsluiting via het openbaar vervoer, implementatie van de voorziene groene bestemmingen en voldoende bufferende maatregelen en mits deze maatregelen voldoende effectief zijn om de habitatkwaliteit van de Ingekorven Vleermuis te vrijwaren. De negatieve milieueffecten gerelateerd aan de realisatie van De Spie en Blankenbergsesteenweg West kunnen in belangrijke mate gemilderd worden indien de wegontsluiting eerst wordt aangepakt en indien omwille van landschappelijke en ecologische waarde voor de Blankenbergsesteenweg West de zone ten westen van de Blankenbergse dijk niet wordt ingevuld met bedrijvigheid; De negatieve milieueffecten gerelateerd aan de realisatie van Sint-Elooi hebben te maken met de verkeersafwikkeling en de leefbaarheid van de kern Zuidweghe en kunnen deels gemilderd worden mits voldoende bufferende maatregelen ten aanzien van bewoning. Door de opmaak van een herkomst-bestemmingsonderzoek kunnen meer concrete maatregelen met betrekking tot de verkeersafwikkeling voorgesteld worden. Hierdoor kan de negatieve impact op vlak van verkeersleefbaarheid en veiligheid ten aanzien van omwonenden verder beperkt worden. De negatieve milieueffecten gerelateerd aan de realisatie Vliegweg situeren zich op verkeersafwikkeling enerzijds en op het vlak van een structurele aantasting van de open ruimte en verstoring ten aanzien van de aanwezige functies (wonen en landbouw) anderzijds. De negatieve impact kan niet afdoende gemilderd worden met de beschikbare milderende maatregelen. De negatieve milieueffecten gerelateerd aan de realisatie Jabbeke West (50 ha) leidt ook na realisatie van de voorgestelde milderende maatregelen tot noemenswaardige negatieve effecten ten aanzien van de open ruimte in het algemeen en de impact ten aanzien van het natuurcompensatiegebied Paddegat in het bijzonder. Ook voor een bedrijventerrein met beperktere omvang (10 ha) op deze locatie kan de negatieve impact niet afdoende gemilderd worden met de beschikbare milderende maatregelen. Een geïntegreerde visie over alle bedrijventerreinen heen, waarbij in eerste instantie de invulling van huidige bedrijventerreinen wordt geoptimaliseerd en pas in tweede instantie (na invulling huidige bedrijventerreinen) wordt overgegaan tot het aansnijden van nieuwe terreinen en waarbij een fasering wordt aangehouden die rekening houdt met het bovenstaande milieueffecten kan de impact op niveau van het stedelijk gebied milderen. Pagina 70 van 129
71 Eindconclusie planelementen mbt bedrijvigheid De locaties opgenomen als planelementen voor realisatie van nieuwe bedrijvigheid (Spie, Chartreuse, Blankenbergsesteenweg West, Jabbeke West en Vliegweg) worden ook meegenomen binnen de 15 initiële locaties voor de realisatie van een nieuw voetbalstadion en eventueel gekoppeld programma. De locatiekeuze voor het nieuwe voetbalstadion en eventueel gekoppeld programma kan dus overlappen met een locatie voorgesteld als locatie voor bedrijvigheid. Dit komt samen met de cumulatieve effecten verder aan bod in deel 5. Pagina 71 van 129
72 8 Milieueffecten GOG Kerkebeek en omgeving Ten Briele 8.1 GOG Kerkebeek In het bekkenbeheerplan voor het bekken van de Brugse Polders worden verschillende acties en maatregelen opgesomd, waaronder de realisatie van een wachtbekken op de Kerkebeek ter hoogte van Sint-Michiels. In periodes van hoge neerslag geven hoge peilen op de Kerkebeek namelijk vaak aanleiding tot wateroverlast op verschillende plaatsen te Sint-Michiels Brugge. De aanleg van het GOG Kerkebeek heeft als doel om wateroverlast langs de Kerkebeek op het grondgebied van de stad Brugge te voorkomen. De oppervlaktewaterkwantiteitsmodellering van de Kerkebeek die in 2003 werd voltooid, toont aan dat wateroverlast mogelijks kan bestreden worden door de aanleg van een wachtbekken te Sint-Michiels. De laagliggende weiden tussen de Chartreuseweg, de Koning Albert I-laan en de Expressweg te Sint-Michiels lenen zich tot de aanleg van een gecontroleerd overstromingsgebied. Verder heeft de Kerkebeek op het grondgebied van Brugge (Sint-Michiels) en Zedelgem (Loppem) een zeer slechte structuur. De oevers en de bodem van de waterloop zijn nagenoeg volledig versterkt met beton. Daarom wordt een ecologische inrichting van het gecontroleerd overstromingsgebied beoogd alsook een verhoging van de ecologische kwaliteit van de Kerkebeek door herinrichting van de oevers. Het oeverinrichtingsproject strekt zich uit vanaf de Sint- Michielslaan te Brugge (Sint-Michiels) tot aan de samenvloeiing met de Rollewegbeek te Zedelgem (Loppem). Het GOG Kerkebeek zal een significant positief effect hebben op de overstromingsgevoeligheid van het stroomgebied van de Kerkebeek. Daarnaast wordt door de ecologische inrichting van het GOG en het oeverinrichtingsproject de structuurkwaliteit van de Kerkebeek significant verbeterd. Gezien de realisatie van een wachtbekken op zich relatief weinig ingrijpend is, blijven de milieueffecten beperkt. Wanneer bij de verdere technische uitwerking rekening wordt gehouden met de geformuleerde milderende maatregelen en aandachtspunten worden dan ook geen significant negatieve effecten verwacht. Cumulatieve effecten met de planelementen in het stroomgebied van de Kerkebeek komen aan bod in deel Omgeving Ten Briele De ontwikkeling bevat de mogelijke herbestemming van de KMO-zone naar een bestemming gericht op het behoud van het huidige bos ten zuiden van Ten Briele en ten westen van de Vaartdijkstraat. De omgeving Ten Briele vormt een gebied met belangrijke natuurwaarden en bevat waardevolle ecotopen voor. Een mogelijke herbestemming gericht op het behoud van het huidige bos betekent een validatie en bestendiging van het huidige ruimtegebruik. Mogelijke milieueffecten zullen bijgevolg te maken hebben met de planologische wijziging (winst en verlies van functies). Enerzijds is er verlies aan KMO-zone en worden een aantal ontwikkelingen, met betrekking tot KMO-activiteiten verhinderd. Pagina 72 van 129
73 Milieueffecten GOG Kerkebeek en omgeving Ten Briele Anderzijds is er winst aan natuur. Vanuit het huidige ruimtegebruik vormt een mogelijke herbestemming van het gebied een bestendiging van de huidige situatie en worden bijgevolg geen noemenswaardige milieueffecten verwacht. De mogelijke herbestemming gericht op het behoud van het huidige bos impliceert een betere bescherming van het gebied en kan de ecologische waarde van het gebied geoptimaliseerd worden, wat resulteert in ecotoopcreatie (significant positief effect ++). Pagina 73 van 129
74 9 Watertoets en passende beoordeling 9.1 Watertoets De disciplines grondwater en oppervlaktewater leveren de nodige elementen aan voor de watertoets. In de bovenstaande synthese zijn de benodigde milderende maatregelen - aanvullend op deze voorzien binnen het geldende wettelijke kader (oa gewestelijke stedenbouwkundige verordening) aangehaald waar relevant, zodat de synthese reeds een overzicht geeft van de belangrijkste elementen in functie van de watertoets. 9.2 Passende beoordeling / verscherpte natuurtoets De passende beoordeling / verscherpte natuurtoets van het voorliggende voorontwerp RUP is gelijklopend met de discipline fauna en flora van het plan-mer opgemaakt en bijgevoegd als losse bijlage. De conclusies hiervan zijn geïntegreerd in de bovenstaande eindsynthese per planelement. Pagina 74 van 129
75 III. Afweging locaties voetbalstadion en eventueel gekoppeld programma Pagina 75 van 129
76 1 Selectie van mogelijke locaties 1.1 Werkwijze voor een vergelijkbare analyse van locaties Methodologische aspecten Vanuit methodologisch oogpunt is het van belang om te komen tot een vergelijkbare analyse van de locatiealternatieven. Zoals opgenomen in de richtlijnen (28 april 2008, PLMER-0068-RL) werken we met een trapsgewijze objectiverende screening van de locatiealternatieven die door U-place zijn onderzocht, aangevuld met deze die aangemeld werden in het kader van de richtlijnenvergadering. Deze analyse moet volgende inzichten mogelijk maken: Ten eerste de beschrijving en de vergelijking van de effecten van het behoud (en uitbreiding) van het huidige stadion en de effecten van de bouw van een nieuw stadion op een andere locatie. Hierbij vergelijken we zowel de effecten van een herlocalisatie als de locatiealternatieven onderling. Ten tweede de vergelijking en de beschrijving van de effecten van de bouw van een stadion op een nieuwe locatie, met inbegrip van een flankerend programma. Om de vergelijkbaarheid te bewaren is het van belang een aanname te maken van het programma van eisen, in het bijzonder de ruimtelijke component hiervan (het ruimtebeslag van het stadion en bijhorende infrastructuur, parkeergelegenheden en interne wegeninfrastructuur (buffercapaciteit om piekbewegingen op te vangen bij aankomst). Voor het programma van eisen is vertrokken van de basiskenmerken van het projectvoorstel van Club Brugge en U-place. De afgeleide kenmerken (vb. aantal supporters per wagen, modal split, ) die de basis vormen voor de effectbeoordeling zijn gebaseerd op literatuurstudie en kengetallen en kunnen afwijken van deze van het projectvoorstel van Club Brugge en U-place. De gehanteerde cijfers en de resultaten van de verschillende inschattingen verschillen dus van de getallen in het projectvoorstel van Club-Brugge en U-place. In een eerste stap stellen we een minimumprogramma voor als ondergrens voor de selectie van locaties. We leiden dit minimumprogramma af uit het initieel door Club Brugge en U-place voorgestelde programma. Dit betekent concreet dat we locaties die niet onmiddellijk aan de oppervlaktenorm van het initiële programma voldoen niet uitsluiten, als ze bijvoorbeeld gelegen zijn op een bestaande of toekomstige as van openbaar vervoer (dan kan immers op een modal shift aangestuurd worden). Op deze wijze kunnen we ook een antwoord bieden op onze eerste vraag: beschrijving en vergelijking van de effecten van een zuiver voetbalprogramma (stadion). In de tweede stap wordt een selectie van haalbare locaties (ten behoeve van een nieuw stadion en eventueel flankerend programma) verder onderzocht op hun milieueffecten uitgaande van een algemene omschrijving van de essentiële programmaonderdelen (zie verder punt 3.1). Hierbij gaan we op hoofdlijnen - bij de geselecteerde locaties na hoe deze gebieden geschikt zijn om de voorgestelde programma-elementen op te nemen (met andere woorden ruimer zijn dan de initieel gehanteerde ondergrens in oppervlakte). Het kan zo zijn dat de ruimtelijke mogelijkheden variëren van site tot site en op verschillende wijzen een degelijke ruimtelijke organisatie toelaten of randvoorwaarden opleggen. Dit wordt vooral bepaald door criteria die specifiek zijn voor een locatie, zoals sterk grenstellende of voorwaardenstellende elementen omwille van kwetsbare natuur- en landschapswaarden,. Hier gaan we, voor alle duidelijk, wel na of en hoe een volledig programma (stadion en flankerend programma) kan ingepast worden en welke de effecten zijn. Pagina 76 van 129
77 Selectie van mogelijke locaties Tenslotte maken we op deze analyse nog een toetsing met als uitgangspunt een situatie waarin ook voetbalclub Cercle Brugge een nieuw stadion op een nieuwe locatie zou delen met Club Brugge. Dit is immers ook een situatie die zich normalerwijze zou voordoen als het bestaande Jan Breydelstadion zou omgebouwd worden. Voor iedere locatie bekijken we dus een voorstel van een stadion van bezoekers, wat we ook doen voor de analyse van het Jan Breydelsstadion. Ook daar gaan we de effecten na van een uitbreiding naar toeschouwers. We spreken ons dus telkens eerst uit over een zuiver voetbal -programma. Het flankerend programma definiëren we vervolgens afhankelijk van de plek (resterende ruimtelijke draagkracht van de plek na invulling van het voetbalprogramma en andere programma s in de omgeving). We gaan hierbij na of het flankerende programma, zoals voorgesteld in het ontwerp kennisgevingsdossier voor het project Oostkamspe Baan stadion Club Brugge K.V. en winkelcentrum binnen deze ruimtelijke draagkracht valt. Voor de site Jan Breydel beoordelen we het voorstel zoals geformuleerd in de haalbaarheidsstudie onder leiding van de Vlaamse Bouwmeester betreffende de herstructurering van het Jan Breydelstadion Kanttekening bij de aannames inzake het ruimtelijk programma In vorige paragraaf gaven we aan dat we werken met aannames inzake het programma. In punt 3.1 lichten we dit verder toe. Van belang is om nu reeds de uitgangspunten voor deze omschrijving aan te geven. Voor wat stap 1 betreft nemen we als ruimtelijk programma van eisen voor het stadion en de bijhorende oefenvelden de gegevens van het programma van Club Brugge over. Zowel in stap 1 als in stap 2 passen we ten aanzien van het ruimtebeslag een marge toe op het initiële programma, worstcasescenario (een maximaal ofwel een slechtste gevalscenario). Het door Club Brugge en U-place voorgestelde winkelcentrum, stadion van toeschouwerplaatsen en parkeerplaatsen betekent immers een verkeersafwikkeling met een vrij hoog aandeel personenwagens in de modal split (vervoerswijzeverdeling) (70 tot 80%) en bij het voorzien van parkeerplaatsen op het maaiveld neemt dit een vrij grote oppervlakte in. We maken een aanname, zoals voorgesteld in de richtlijnen, waarbij we uitgaan van een bijsturing van de modalsplit en wel in deze zin dat er een hoger aandeel aan het openbaar vervoer wordt toegekend terwijl we tevens uitgaan van een meer intensief ruimtegebruik van parkeerplaatsen (in lagen). Dit betekent dat we uitgaan van een, in terreinoppervlakte, beperkter parkeerprogramma. Voor stap 2 wordt nagegaan welk flankerend programma (grootschalige kleinhandel, of een recreatief programma of een programma met kantoren en kantoorachtigen met een maximale omvang van m², of een combinatie) op deze plaats nog ruimtelijk mogelijk is en worden hiervan ook de milieueffecten ingeschat. Bij de uitwerking van deze stap toetsen we eerst dit programma van eisen. Tenslotte breiden we in stap 2 de analyse nog uit. We vinden het belangrijk om in het onderzoek aan te geven welke de ruimtelijke mogelijkheden zijn van de verschillende sites, welke opties ze toelaten. Op deze wijze kan een eventuele vraag om de jeugdopleiding en alle bij een voetbalclub horende velden te groeperen op één site beantwoord worden. En kan, hoewel er primair niet uitgegaan wordt van een wenselijk scenario, ook de vraag beantwoord worden of de sites de ruimtelijke mogelijkheden inhouden om de twee clubs (Club Brugge en Cercle Brugge) te groeperen. Pagina 77 van 129
78 Selectie van mogelijke locaties 1.2 Globaal onderzoek van mogelijke locaties In de eerste stap worden de locaties geselecteerd op basis van een minimale ruimtelijke behoefte, mogelijkheden van toekomstig ruimtegebruik en een eerste ruwe screening van de milieu-impact. Uit deze eerste stap worden volgende locaties als alternatieven voor de realisatie van een voetbalstadion en eventueel bijhorend programma weerhouden (kaart I): De Spie Blankenbergse Steenweg West Chartreuse Oostkampse Baan Naast de weerhouden locatiealternatieven voor het huidige stadion wordt ook de uitbreiding van de huidige locatie (Jan Breydelstadion) conform het voorstel van de Vlaamse bouwmeester per discipline op zijn milieueffecten beoordeeld. In een tweede stap worden de geselecteerde locaties verder onderzocht op hun milieueffecten uitgaande van een algemene omschrijving van te beoordelen programma (zie verder). 1.3 Te beoordelen programma Om het te beoordelen programma te definiëren wordt gebruik gemaakt van enerzijds de haalbaarheidsstudie onder leiding van de Vlaamse Bouwmeester betreffende de herstructurering van het Jan Breydelstadion en wordt anderzijds vertrokken van het programma zoals voorgesteld door Club Brugge en Uplace. Voor elke locatie wordt nagegaan wat de milieueffecten zijn van een nieuw of uitgebreid stadion. Daarnaast wordt gekeken naar de milieueffecten als gevolg van de realisatie van een stadion én flankerend programma Herstructurering site Jan Breydelstadion In de haalbaarheidsstudie onder leiding van de Vlaamse Bouwmeester betreffende de herstructurering van het Jan Breydelstadion worden enerzijds de mogelijkheden van een uitbreiding en vernieuwing van het stadion onderzocht. Anderzijds worden een aantal mogelijkheden geformuleerd betreffende een herbestemming van de site. De totale oppervlakte bedraagt ca. 27 ha. Met betrekking tot de uitbreiding en vernieuwing van het stadion worden volgende onderdelen uitgewerkt: Onderzoek naar de huidige toestand; Technische haalbaarheid van een verhoging van naar toeschouwers; Mogelijkheden voor verbetering commerciële exploitatie; Optimalisatie bestaande terreinen bij een capaciteitsverhoging; Weerslag op bestaande installaties, mobiliteit en bereikbaarheid, parkeerdruk, omgeving, Toetsing aan de UEFA normen; Advies met voor- en nadelen. Met het oog op het verhogen van de capaciteit wordt voor het voetbalstadion een volledige vernieuwing voorgesteld van de tribunes West en Oost. Hierbij wordt in een 1 ste fase een nieuwe hoofdtribune, met uitgebreide businessfaciliteiten, gebouwd aan de oostzijde. In een 2 de fase wordt dan de vernieuwing voorzien van de West-tribune. Na deze 2 de fase wordt de beoogde capaciteitsverhoging bereikt. Het programma voor de vernieuwde tribunes ziet er als volgt uit: de Oost-tribune bestaat uit business-seats, 20 skyboxen van elk 40m², extra verbruiksruimtes, een restaurant en interne accommodatie voor beide clubs. In totaal wordt ruim m² commerciële ruimte gerealiseerd, verdeeld over de verschillende bouwlagen. Pagina 78 van 129
79 Selectie van mogelijke locaties De Oost-tribune als nieuwe hoofdtribune houdt eveneens een verplaatsing in van de hoofdingang (van de Olympialaan) naar de Koning Leopold III-laan. De strook tussen de straat en het stadion wordt hierbij ontwikkeld als ruimtelijke esplanade met langs weerszijden gebouwen voor commerciële voorzieningen (duplex: gelijkvloers en eerste verdieping: totaal m²). Bovenop deze winkels is er ruimte voor kantoren en/of appartementen op twee tot drie bouwlagen (ongeveer m²). de West-tribune is vergelijkbaar met de Oost-tribune, maar zonder business-seats of skyboxen. Via een centrale promenade op het tweede niveau is de tribune bereikbaar. Op de twee onderste niveaus wordt indoor-sportaccomodatie voorgesteld, gecombineerd met horeca, met een oppervlakte van ongeveer m². Aanvullend wordt een 3 de fase voorgesteld, met daarin een grondige vernieuwing van de Noorden Zuid-tribune alsook een vernieuwing van het dak. Hierbij wordt aangegeven dat mits een doordachte fasering bij de uitvoering van deze drie bouwfasen geen capaciteitsverlies ontstaat. Naast een vernieuwing van het voetbalstadion wordt een specifieke invulling gegeven aan de totale site. Hierbij wordt naast de meer algemene ontwikkeling van kantoren, woningen en andere voorzieningen een multifunctioneel in- en outdoor sportpark voorgesteld. Meer bepaald worden volgende aspecten voorzien: een gedifferentieerd aanbod aan openluchtvelden: het centrale veld achter de West-tribune kan ingericht worden voor volley-, tennis en/of basketbalterrein; een uitbreiding van de indoor-accommodatie thv de West-tribune; commerciële voorzieningen gericht op sport en recreatie thv de West-tribune en de nieuwe hoofdingang. Doorheen het sportpark wordt een patroon van fiets- en voetwegen aangelegd. Voor wat betreft de aanpak van piekbelastingen inzake mobiliteit wordt de opmaak van een evenementen-vervoersplan, met klemtoon op multi-modale verkeersafwikkeling voorgesteld. Uitgangspunt hierbij is dat bij piekbelastingen inzake mobiliteit extra organisatie wordt voorzien en niet de uitbouw van bijkomende infrastructuur. Hierdoor wordt onderscheid gemaakt tussen het permanent functioneren van de site en piekbelastingen tijdens wedstrijden. Op vlak van parkeerplaatsen wordt, op basis van een aantal referentievoorbeelden, een behoefte aan 1500 parkeerplaatsen vooropgesteld. Dit aantal kan bij topwedstrijden nog worden uitgebreid met de parkings ter hoogte van de provincie en de watertoren (bussen), zodat de totale capaciteit 1655 plaatsen wordt. Deze capaciteit is voldoende voor spelers, bestuur, vips, pers en genodigden, politie en hulpdiensten. Daarnaast bestaat de mogelijkheid extra busparkings te voorzien binnen een flexibel systeem (afzetten voor de wedstrijd en afhalen nadien). Verder moet goed georganiseerd evenementenvervoer als aanvulling fungeren op het huidige reguliere aanbod en een eventuele extra frequentie die door De Lijn kan ingezet worden. Een bus-combi-tickets wordt hierbij als mogelijk systeem aangehaald. Daarnaast is de locatie voor heel wat supporters te voet of per fiets bereikbaar. Door supporters af te leiden naar parking op loop- of pendelafstand kan congestie op toegangswegen naar het stadion tot een minimum beperkt worden. Supporters die met de wagen komen dienen afgeleid te worden naar ruime parkings op loop- of pendelafstand, waarbij met openbare voorzieningen, bedrijven of baanwinkels de nodige afspraken moeten gemaakt worden voor meervoudig gebruik op wedstrijddagen. Een vlotte bereikbaarheid wordt uitgewerkt op basis van circulatieschema s. Door voor de wedstrijd de Koningin Astridlaan en de Koning Leopold-III laan als eenrichtingsverkeer in te stellen in de richting van het stadion, verhoogt de aanvoercapaciteit. In noordelijke richting kan hetzelfde concept worden toegepast. Omkeren van de rijrichting na de wedstrijd zorgt voor een vlottere evacuatie. Op het kruispunt van de Expressweg zelf kan een aangepaste verkeersregeling het afslaand verkeer vlotter laten verlopen. Pagina 79 van 129
80 Selectie van mogelijke locaties Daarnaast wordt in de studie een beknopt advies geformuleerd met betrekking tot de herbestemmings- en ontwikkelingsmogelijkheden van de site bij een eventuele verhuis van de voetbalclub. Indien zou gekozen worden voor een herlocalisatie van de voetbalclub Club Brugge, zijn twee basiscenario s mogelijk voor de huidige site: Deze kan herbestemd worden naar woongebied, maar dan dient een oplossing gezocht en gerealiseerd te worden voor Cercle-Brugge en dient de juridisch-planologische bestemming worden aangepast; Of kan multifunctioneel worden heringericht, met behoud van een kleiner stadion, ruimte voor een groene long en beperkte ontwikkeling van woningen, kantoren of andere voorzieningen Alternatieve locaties Het programma van de alternatieve locaties wordt opgebouwd, vertrekkende van het projectvoorstel van Club Brugge en Uplace ter hoogte van de Oostkampse Baan. Op basis van het hierboven omschreven projectvoorstel wordt voor de locatiealternatieven volgend te beoordelen programma geformuleerd. Enerzijds de realisatie van een stadion met een capaciteit van toeschouwers, met verbonden aan de tribunes de nodige sportieve, administratieve, technische, sanitaire en overige ruimtes. Hier kan ook een commercieel gedeelte in worden verwerkt. Bij de evaluatie van de alternatieven wordt voor het voetbalprogramma uitgegaan van een ruimtebehoefte van grootteorde 6 ha. Daarnaast worden de milieueffecten in kaart gebracht wanneer samen met een stadion een flankerend programma wordt gerealiseerd. Bij de evaluatie van de alternatieven wordt voor het flankerend programma uitgegaan van een ruimtebehoefte van grootteorde 6 ha. Per alternatief wordt nagegaan in hoeverre er nog draagkracht is voor de realisatie van een bijhorend programma (niet noodzakelijk een commercieel programma zoals voorgesteld door Uplace). Op basis van de resterende capaciteit wordt aangegeven wat de milieueffecten zijn van een bijhorend programma en uit welke types activiteiten dit kan bestaan. Voor het parkeren blijven we rekenen met een oppervlakte van minstens 6 ha (bij zuinig ruimtegebruik) (zie 2.1). Voor beide scenario s (dus voetbalstadion met en zonder flankerend programma) wordt binnen de discipline mobiliteit aandacht besteed aan de infrastructurele voorzieningen en wordt per alternatief onderzocht hoe de ontsluiting naar bestaande weginfrastructuur kan verlopen en welke interne wegenis bijgevolg nog nodig is. Hierbij merken we op dat er een zekere discrepantie in de kennis is ten aanzien van het beeld op de ontsluitende en interne wegenis. Voor de site Oostkampse baan is er een vrij gedetailleerd projectvoorstel uitgewerkt, waarbij een mogelijke inrichting duidelijk wordt en het hieruit voortkomende ruimtebeslag in te schatten is. Voor de locatie Chartreuse is dit min of meer in te schatten door middel van de ontwikkelingsperspectieven die voor de aanwending van deze site als bedrijventerrein zijn uitgewerkt. Voor de locaties Blankenbergse Steenweg en de Spie is dit onderzoek niet gebeurd. We beschikken niet over een concreet ontsluitingsvoorstel. Aangezien er op beide sites evenwel veel ruimte beschikbaar is kunnen we er vanuit gaan dat de realisatie van een voldoende ontsluiting naar de N31 mogelijk is, zij het na een grondige aanpassing om de interne wegenis en de opvanginfrastructuur (enerzijds buffer wegenis om toekomend verkeer van de N31 op te vangen en anderzijds de parkeerplaatsen zelf op maaiveldniveau en/of in lagen). Net zoals dit voor de sites Chartreuse en Oostkampse baan als voldoende wordt beschouwd. We zullen de vergelijking op deze kennis op hoofdlijnen baseren. Pagina 80 van 129
81 Selectie van mogelijke locaties Hierbij wordt telkens onderzocht wat de mogelijkheden zijn met openbaar vervoer en welke maatregelen bijkomend te nemen zijn. In de discipline mobiliteit wordt gerelateerd met de modal split de parkeerbehoefte aangegeven, waarbij het resulterend ruimtebeslag wordt begroot in functie van het aantal lagen van de parking. Hierbij gaan we uit van twee scenario s: een getoetst projectvoorstel Club Brugge-Uplace en een bijgesteld scenario (bijgestuurde modal split). Per locatiealternatief zullen we ook nagaan welke de eventuele mogelijkheden zijn om ook de jeugdopleiding van één of twee clubs te huisvesten. Hiervoor moet dus ook een programma omschreven worden. We vertrekken hiervoor vanuit de huidige situatie. Ter hoogte van de huidige site worden volgende oefenvelden gebruikt door Club Brugge en Cercle Brugge 7 : 8 velden zijn in gebruik door Club Brugge en Cercle Brugge (2*4), Er worden twee velden wekelijks extra gehuurd door de clubs, veld 6 waar de wedstrijden van de beloften en -19-jarigen doorgaan voor Club Brugge en Cercle Brugge. In het projectvoorstel voor Oostkampse baan worden naast het stadion twee oefenvelden voorzien. Dit volstaat voor de matchen van de 1 ste ploeg en de beloften en voor de trainingen van de 1 ste ploeg. Hierbij is geen ruimte voor trainings- en speelvelden van de jeugdwerking en voor de training van beloften en -19jarigen. Per locatiealternatief wordt daarom aangegeven in hoeverre er ruimte beschikbaar is om dergelijke oefenvelden te realiseren. Op basis van het huidig gebruik van jeugd- en oefenvelden door Club Brugge en Cercle Brugge wordt uitgegaan van een behoefte aan ongeveer 11 jeugdoefenvelden, dit zijn er 9 meer dan opgenomen in het projectvoorstel voor Oostkampse baan. We ramen een benodigde oppervlakte van 2 ha voor drie oefenvelden (met inbegrip ondersteunende infrastructuur, ruimte rond het veld, toegangen, ). Dit betekent dat we bijkomende een ruimtebehoefte van 6 ha rekenen. Naast de milieueffecten ten aanzien van de ruimtelijke impact (ruimte-inname) wordt als worst case scenario eveneens de wedstrijdsituatie beoordeeld. Naast het gebruik tijdens wedstrijden, is er ook doordeweeks gebruik (bijvoorbeeld van de oefenvelden). Dit gebruik is niet maatgevend voor de milieueffecten en wordt niet verder besproken. Concluderend ramen we volgende globale maximale oppervlakten voor een volwaardig voetbalstadion, met alle bijhorende ontsluitende en ondersteunende infrastructuur (inclusief parkings), met inbegrip van 2 oefenvelden, maar zonder een flankerend programma en jeugdopleiding op 12 ha; bij medegebruik van de site door Cercle Brugge en groeperen van beide jeugdopleidingen betekent dit een bijkomende ruimte voor jeugd- en oefenvelden nodig maakt, moet grootteorde 6 ha worden bijgeteld; er wordt uitgegaan van een ruimtebehoefte van grooteorde 6 ha voor het flankerend programma. De nodige parkeergelegenheid voor dit flankerende programma is reeds meegerekend in de parkeergelegenheid van het stadion. Zo komen we globaal, wanneer alle programma-elementen zouden toegepast worden tot een ruimtevraag van grootteorde 20 tot 25 ha. Hierbij moet worden opgemerkt dat we evenwel niet kunnen inschatten en dit is een leemte in de kennis - op welke wijze bepaalde verkeersknooppunten eventueel moeten gereorganiseerd worden of nieuw worden aangelegd. Ook over de precieze ruimtelijk situering van de noodzakelijke infrastructuur voor de (re)organisatie van deze knooppunten kunnen we ons niet uitspreken. We kunnen hier met andere woorden niet bevestigen of deze infrastructuur binnen de nu in het voorontwerp van GRUP voorgestelde afbakening van de planelementen zal gelegen zijn. 7 Advies uitgebracht door stedelijke ambtelijke adviesgroep over de studies omtrent een voetbalstadion voor Brugge van toeschouwers. Pagina 81 van 129
82 2 Milieueffecten: integratie en eindsynthese De eindsynthese is getrapt opgevat. Eerst wordt een globaal overzicht gegeven van de aard van de milieueffecten die te verwachten zijn ten gevolge van een voetbalstadion met een capaciteit van supporters. Daarna volgt de afweging tussen het behoud en de opwaardering van de huidige locatie van het voetbalstadion (Jan Breydelstadion) versus de herlokalisatie van Club Brugge. Tenslotte worden de mogelijke nieuwe locaties die op basis van het globaal onderzoek zijn weerhouden en diepgaander op hun milieueffecten zijn beoordeeld, besproken en afgewogen op hun milieueffecten. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt, zoals opgenomen in de richtlijnen, tussen de effecten van een voetbalstadion enerzijds en de effecten van een voetbalstadion met een flankerend programma anderzijds. Aanvullend beoordelen we ook de opties om bij herlokalisatie ook de site te laten gebruiken door Cercle Brugge en de jeugdopleidingen te groeperen op de site. Deze deelluiken van dit hoofdstuk resulteren in een finale eindconclusie. 2.1 Algemene milieueffecten De milieueffecten ten gevolge van de realisatie van een voetbalstadion en eventueel flankerend programma situeren zich op diverse vlakken en kunnen gerelateerd worden met diverse te onderscheiden fasen Tijdens de werken voor de realisatie van het voetbalstadion Zowel werkzaamheden voor de realisatie van een voetbalstadion als deze voor de uitbreiding van het bestaande brengen milieueffecten met zich mee zoals verstoring, verkeershinder door werfverkeer, grondverzet, Deze milieueffecten zijn van ondergeschikt belang op plan-merniveau, waarbij het gaat om tijdelijke effecten die minder afhankelijk zijn van een specifieke locatie. Deze milieueffecten zijn bijgevolg bij de afweging van de voorliggende locaties niet meegenomen Na realisatie van het voetbalstadion Voetbalstadion buiten gebruik milieueffecten door aanwezigheid infrastructuur Het voetbalstadion zal gedurende belangrijke perioden niet in gebruik zijn. Gedurende deze perioden zijn de milieueffecten van het voetbalstadion enkel en alleen te wijten aan de aanwezigheid van de infrastructuur (stadion + parking + aanverwante). Deze milieueffecten zijn gerelateerd aan ruimtebeslag (verlies van ecologisch waardevolle percelen, verlies van landbouwgrond, onteigening van woningen, bijkomende verharding en gerelateerde gevolgen tav waterkwantiteit) en hiermee gerelateerde effecten zoals versnippering, barrièrewerking, wijziging ruimtelijke en landschappelijke samenhang, wijziging perceptie en belevingswaarde, Deze effecten zijn zeer sterk gerelateerd met de locatie en de wijze waarop buiten de voetbalmatchen de site in gebruik zijn (lichtverstoring, enz ) bijvoorbeeld bij jeugd- en oefenmatchen, trainingen of andere. Indien het een locatie betreft die momenteel reeds ingenomen is door infrastructuren, zijn de milieueffecten op dit vlak veel beperkter. Betreft het echter een locatie gelegen in de open ruimte, dan zijn de effecten op dit vlak aanzienlijk. Pagina 82 van 129
83 Milieueffecten: integratie en eindsynthese Voetbalstadion in gebruik milieueffecten door gebruik infrastructuur Op het ogenblik dat het voetbalstadion in gebruik is hetzij voor een voetbalmatch, hetzij voor een ander evenement (bvb muziekoptreden) treedt belangrijke verstoring (geluid, licht) op. Deze verstoring treedt niet alleen op tijdens de match / evenement, maar ook en vaak zelfs sterker ervoor en erna. Het betreft immers sterk verkeersgenererende activiteiten. Dit grote aandeel verkeer zal niet alleen een belangrijke impact hebben op de verkeersafwikkeling op dat ogenblik, maar ook op het geluids- en luchtklimaat. De effecten door het gebruik van het voetbalstadion situeren zich bijgevolg enerzijds op het vlak van mobiliteit (doorstroming, verkeersleefbaarheid, verkeersveiligheid) en anderzijds op het vlak van verstoring van / hinder voor zowel de mens (omwonenden ter hoogte van het voetbalstadion en de ontsluitingswegen) als de fauna (verstoringsgevoelige soorten zoals bijvoorbeeld avifauna en vleermuizen). Deze milieueffecten treden slechts met een vrij lage frequentie op gerelateerd met de frequent van gebruik van het stadion wanneer slechts één club ervan gebruikmaakt 8. Dit heeft tot gevolg dat de significantie van deze effecten afhankelijk van de frequentie van gebruik wijzigt. Wanneer een nieuw voetbalstadion op een nieuwe locatie zou gebruikt worden door twee clubs neemt de frequentie van het effect toe. Niettegenstaande de belasting door een wedstrijd van Cercle Brugge geringer is dan deze van Club Brugge, blijft dit toch voor sommige aspecten vrij gelijkwaardig (bijvoorbeeld lichtverstoring, in en rond het stadion). De effecten ten gevolge van het gebruik van het stadion zijn voor een groot gedeelte intrinsiek aan het stadion en bijgevolg - in zekere zin - onafhankelijk van de locatie. De geluidsen lichtproductie tijdens een voetbalmatch zal immers op elke locatie dezelfde zijn. Ook zal het verkeersgenererend effect onafhankelijk van de locatie groot zijn. Al naargelang de locatie varieert wel de aanwezigheid van verstoringsgevoelige receptoren (mens, fauna), wat maakt dat de locatie een (zeer belangrijke) rol speelt. Ook het aanbod aan openbaar vervoer zal hierbij een belangrijke rol spelen wat in belangrijke mate locatie afhankelijk is. Om de hinder te beperken is sowieso bij elk van de voorliggende locaties de realisatie van een gesloten voetbalstadion noodzakelijk. Dit is een voetbalstadion dat grosso modo enkel ter hoogte van de grasmat open is. Dit belet niet dat er lichtverstoring zal zijn bij de ondersteunende infrastructuur uitgesloten is. Voor de afweging van de voorliggende locaties vanuit milieuoogpunt is de combinatie van milieueffecten door de aanwezigheid van de infrastructuur en het gebruik ervan bepalend. Hoe frequenter de infrastructuur gebruikt wordt, hoe sterker de effecten door het gebruik van de infrastructuur (verstoring, verkeersgeneratie) doorwegen in de afweging. De frequentie van gebruik is evenwel momenteel op planniveau niet gekend. Wel kan gesteld worden vanuit het principe van duurzaam ruimtegebruik / duurzaamheid dat een frequent gebruik van de infrastructuur een positief effect heeft. Veelvuldig gebruik van de infrastructuur verantwoordt immers beter de effecten ten gevolge van de aanwezigheid van de infrastructuur en de globale (ook financiële) investering voor de realisatie van de infrastructuur. Frequent gebruik is evenwel enkel verantwoord vanuit milieuoogpunt als de milieu-impact van het gebruik (hinderaspecten) voldoende kan worden gemilderd. Het bovenstaande impliceert dat de frequentie van gebruik mee de locatiekeuze beïnvloedt. Gezien deze frequentie momenteel niet vaststaat, wordt de in de hierna volgende bespreking en afweging van de locaties vanuit milieuoogpunt de frequentie meegenomen als mogelijke vorm van milderende maatregel / randvoorwaarde. 8 Gemiddeld 25 thuiswedstrijden per jaar (competitiewedstrijden, toernooien, Europese wedstrijden, ). Pagina 83 van 129
84 Milieueffecten: integratie en eindsynthese Onafhankelijk van de locatie is er noodzaak aan een sterke ontsluiting via het openbaar vervoer / collectief vervoer tbv de sturing naar een meer duurzame modal split. Een evenement met aanwezigen creëert immers een dermate hoge verkeersbelasting dat deze op elke locatie zelfs deze gelegen vlakbij autosnelwegen voor een ernstige verkeerscongestie ervoor en erna zorgt. Gezien treinstellen of lightrailstellen een veel hogere capaciteit hebben dan bussen en gezien deze onafhankelijk zijn van het wegverkeer (dus niet gehinderd worden door files op de weg), verdienen locaties nabij de spoorweg dan ook vanuit dit oogpunt de voorkeur. Indien zich geen station in de onmiddellijke omgeving bevindt, is de realisatie van een evenementenstation (of minstens een halte) aangewezen. Voor dergelijke nieuwe haltes (stations) of lightrails zijn er geen concrete plannen. Onafhankelijk van de keuze om het Jan Breydelstadion te behouden of te herlocaliseren, en onafhankelijk van het locatie alternatief, is de keuze om in het Brugse een stadion voor toeschouwers te voorzien, een keuze die significante negatieve milieueffecten veroorzaakt, niet in het minst op het vlak van de bijzonder moeilijk te beheersen parkeer- en verkeersproblemen, en alle afgeleide effecten (leefbaarheid, verkeersveiligheid, emissies, ). Er is geen zicht op de concrete plannen (of intenties) van de NMBS om in de omgeving van de site Oostkampse baan (Loppem) of andere site een station of halte te openen. Ook het Neptunusplan van De Lijn, dat nieuwe mogelijkheden voor een lightrail voorziet in de Brugse regio, is een visie op de lange termijn Na realisatie van het voetbalstadion en flankerend programma De hierboven beschreven effecten nemen toe met de realisatie van een flankerend programma: in ruimte en tijd, vooral bij momenten waar activiteiten en verkeersstromen van het voetbalstadion en flankerend programma samen vallen; maar er zijn ook momenten, waar er geen voetbal is, dat de effecten van het flankerend programma voelbaar zijn (bijvoorbeeld lichtverstoring, ); de algemene milieueffecten, zoals onherroepelijke ruimteinname, verstoring van de structurele relaties en ruimtelijk samenhang in de open ruimte. Gelet op de schaal en reeds sterk ingeperkte ruimte in de zuidelijke rand zijn de effecten er meer negatief; De aard van het programma is bepalend voor de omvang en frequentie van de effecten. Zo zullen parkeervoorzieningen in open lucht bij een winkelcentrum of kantorencomplex de omvang van lichtverstoring vergroten. Piekverkeersgeneratie kan in de tijd meermaals samenvallen bij het ruimtelijk samengaan van voetbalstadion en flankerend programma. 2.2 Opwaardering huidige site versus nieuwe locatie voetbalstadion Momenteel is het Jan Breydelstadion het wedstrijdstadion voor zowel Club Brugge als Cercle Brugge. In de nabijheid van dit stadion in het Olympiapark bevinden zich de benodigde oefenterreinen voor beide clubs. De voetbalmatchen zorgen in de huidige situatie voor een belangrijke belasting van de omgeving. Dit uit zich ondermeer in zeer sterke congestie voor en na voetbalmatchen en hiermee gerelateerde geluids- en luchthinder, een sterk verhoogde parkeerdruk en geluidshinder tijdens de voetbalmatch. Doordat het stadion middenin een woonomgeving gelegen is, is de hinder voor omwonenden aanzienlijk, ook al zijn de bewoners in zekere mate gewend geworden aan deze situatie. Ook op het vlak van ontsluiting is de ligging niet ideaal. Er bevindt zich geen treinstation of halte in de onmiddellijke nabijheid waardoor de ontsluiting via het openbaar vervoer onvoldoende is. Daarnaast is de aansluiting op het hoofdwegennet momenteel slecht. Enerzijds is dit te wijten aan de vrij grote afstand tot het hoofdwegennet en de ligging in woonomgeving. Anderzijds speelt de problematiek van de N31 hierin een zeer belangrijke rol. De N31 is een primaire weg I die momenteel nog diverse lichtengeregelde kruispunten kent. Dit zorgt in combinatie met de hoge verkeersbelasting van deze weg voor aanzienlijke congestie, ook indien er geen voetbalmatch plaatsvindt. Pagina 84 van 129
85 Milieueffecten: integratie en eindsynthese De lopende herinrichting van de N31 tot een weg met ventwegen en uitsluitend ongelijkgrondse kruisingen zal op dit vlak voor een sterke verbetering zorgen dankzij een vlottere doorstroming en de hierbij horende capaciteitsverhoging, maar zal het ontsluitingsprobleem van het voetbalstadion niet oplossen. Een belangrijk gedeelte van het probleem is immers gerelateerd met de wegen tussen de site en de N31. Bij een uitbreiding tot toeschouwers dreigen de parkeer- en verkeersvoorzieningen ontoereikend te worden, ook deze voorzien in de haalbaarheidsstudie onder leiding van de Vlaamse Bouwmeester betreffende de herstructurering van het Jan Breydelstadion. Samengevat betekent het bovenstaande dat het huidige functioneren van het voetbalstadion op vlak van milieueffecten niet ideaal verloopt. De vraag tot herlokalisatie van het voetbalstadion (bij uitbreidingsplannen) is met andere woorden gefundeerd als aan de verkeers- en parkeerprolementiek geen toereikend antwoord wordt gegeven. Het advies uitgebracht door de stedelijke ambtelijke adviesgroep over de studies omtrent een voetbalstadion voor Brugge van toeschouwers (december 2007 zie ook richtlijnen dd. 28 april 2008-PLMER-0068-RL) spreekt in dit verband over het mogelijks instellen van een ruime perimeter wat supporters moet weerhouden te blijven proberen zo dicht mogelijk bij het stadion te parkeren en hieraan verbonden het uitbouwen van randparking waarvan de supporters verplicht gebruik moeten maken. Dit vergt investeringen en afspraken over pendelvervoer tussen parkings en stadion, versterkt door de intentie tot capaciteitsverhoging tot toeschouwers. Bij herlokalisatie zal, ongeacht de locatie, een even belangrijke inspanning moeten geleverd worden om de significantie negatieve effecten op het vlak van mobiliteit en afgeleide effecten te voorkomen en te milderen. Dit geldt voor alle sites, ook Jan Breydel. Wanneer deze ontoereikend zijn door gebrek aan inspanning of falen van de handhaving zullen de negatieve effecten waarschijnlijk zeer direct voelbaar zijn in de omgeving van Jan Breydel, gelet op de aard van deze (woon)omgeving. Er zijn echter los van de ligging van de nieuwe locatie een aantal belangrijke consequenties verbonden met een herlokalisatie van het voetbalstadion: De herlokalisatie van het stadion zelf heeft ook consequenties voor de oefenvelden. Deze kunnen ofwel behouden blijven op de huidige site ofwel mee geherlokaliseerd worden. In het eerste geval brengt dit beperkingen mee naar herbestemming van de huidige site. In het tweede geval brengt dit bijkomend ruimtebeslag en de hiermee verbonden milieueffecten op een andere locatie met zich mee. De herlokalisatie betekent een verschuiving van de milieu-impact en niet een teniet doen ervan. Een herlokalisatie betekent globaal een nieuwe ruimte-inname en nieuwe infrastructuur wat (negatieve) milieueffecten met zich meebrengt. Al naargelang de locatie kunnen deze zeer aanzienlijk zijn. Door een herlokalisatie zal meer specifiek de hinder rondom de huidige site verdwijnen, wat een aanzienlijk positief effect vormt gezien de ligging in woonomgeving. Er treedt evenwel nieuwe hinder op in de omgeving van de nieuwe locatie. Deze zal weliswaar beperkter zijn doordat geen enkele van de hier onderzochte locaties midden in een woonomgeving gelegen zijn, maar kan niettemin aanzienlijk zijn. Pagina 85 van 129
86 Milieueffecten: integratie en eindsynthese Cercle Brugge kan ofwel gebruik blijven maken van het huidige stadion ofwel herlokaliseren 9. Jan Breydel Eventuele verbouwings- of herstellingswerken blijven dan tot een minimum beperkt. De kosten voor de stad Brugge blijven, bij exclusief gebruik van het Jan Breydelstadion door Cercle Brugge, qua onderhoud en herstelling dezelfde en betekenen (gezien het wegvallen van de bijdrage van Club Brugge) ofwel een bijkomende kost voor de stad Brugge ofwel een meerkost voor Cercle Brugge. Cercle Brugge heeft te kennen gegeven niet mee te willen verhuizen naar een nieuw stadion voor supporters. Deze club geeft er de voorkeur aan in een kleiner stadion te spelen. Dit heeft in principe tot gevolg dat ofwel het Jan Breydel stadion moet behouden blijven ofwel een nieuw stadion voor Cercle moet gezocht worden. Andere locatie De overige bestaande of voorziene sportparken op Brugs grondgebied zijn gelet op hun bezetting en/of ligging niet geschikt als locatie voor Cercle Brugge. Mogelijks zouden Cercle en Club Brugge een regeling kunnen treffen voor een gemeenschappelijk gebruik van het nieuwe stadion. Dit alles vraagt ook een oplossing voor de jeugd- en oefenvelden. Op basis van het bovenstaande blijkt dat een herlokalisatie van het voetbalstadion, bij afweging van alle effecten en vergelijken van beide situaties, niet per definitie een goede zaak is op vlak van milieueffecten. Benutten van de huidige locatie betekent (bij vergelijking tot de referentiesituatie) immers een minimale impact door ruimte-inname (er is immers geen noemenswaardige bijkomende ruimte-inname) en geeft dan ook invulling aan de principes van duurzaam ruimtegebruik. Daarnaast is bij de huidige locatie de impact ten aanzien van fauna en flora en landschap minimaal. Deze sterke punten van de huidige locatie nemen echter niet weg dat de situatie op vlak van mobiliteit en hinder voor de omgeving problematisch is en een oplossing vraagt zeker indien men een capaciteitsverhoging wil doorvoeren. Dit vergt voor de huidige situatie grote engagementen (hoge investeringen en goede afspraken). Maar wat geldt voor de huidige site geldt uiteraard ook voor een nieuwe site. De huidige situatie heeft dit voor op een nieuwe site dat investeringen in uitbreiding en hiermee gepaard gaande strikte oplossingen, de huidige toestand (referentiesituatie) sterk kunnen saneren en verbeteren. Zowel voor de huidige site als de locatie-alternatieven neemt met een nieuw (uitgebreid) stadion de te beheersen mobiliteitsgroei toe wanneer een flankerend programma wordt voorzien. De omvang hangt af van de aard van het flankerend programma, net als de cumulatieve effecten (bijvoorbeeld de mogelijke overlapping in tijd van de verkeersgeneratie van een voetbalstadion en commercieel centrum). Gelet op de ruimtelijke beperkingen inzake een te realiseren flankerend programma is de te verwachten verkeersgeneratie van een flankerend programma in omvang beperkter voor de site Jan Breydel. Wanneer voor de sites in de zuidelijke rand, Chartreuse en Oostkampse baan, de voorgestelde milderende maatregelen in acht worden genomen (sterke inperking van het flankerende programma omwille van de zeer significante negatieve effecten van een irreversibele ruimteinname) worden ook hier de cumulatieve effecten deels gemilderd, wat niet betekent dat dit de effecten van een louter voetbalstadion zijn. De hinder tijdens een voetbalmatch kan sterk gereduceerd worden door de realisatie van een volledig gesloten stadion (in plaats van het huidige halfopen stadion). De hinder en de verkeersproblematiek voor en na een voetbalmatch kan gereduceerd worden door de lopende herinrichting van de N31 samen met een sterke uitbouw van de ontsluiting via openbaar en collectief vervoer. Dit laatste is echter geen evidentie gezien de locatie ver van een treinstation gelegen is. Dit vergt een bewuste keuze van de betrokken partijen en een sterke sensibilisatie van de supporters. Concreet kan de ontsluiting via openbaar en collectief vervoer als volgt gestimuleerd en verbeterd worden: Verbetering van de ontsluiting via de buslijnen, ondermeer door een aangepaste dienstregeling bij voetbalmatchen; 9 Advies uitgebracht door stedelijke ambtelijke adviesgroep over de studies omtrent een voetbalstadion voor Brugge van toeschouwers (december 2007). Pagina 86 van 129
87 Milieueffecten: integratie en eindsynthese Uitbouw van shuttlebussen van en naar het station van Brugge en dit via een vrije busbaan of een weg voorbehouden voor busverkeer; dit dient gekoppeld te worden aan een aangepaste dienstregeling voor de treinen zeker in geval van avondmatchen; Uitbouw van randparkings gecombineerd met shuttlebussen hiernaar toe; het aantal geschikte parkings is momenteel echter beperkt, maar dit zou kunnen uitgebouwd worden binnen en eventueel zelfs aan de rand van of buiten het stedelijk gebied. Het bovenstaande biedt mogelijkheden om de hinder te reduceren zodat er in principe een verbetering ten opzichte van de huidige toestand optreedt. Deze verbetering wordt haalbaar geacht rekening houdende met de huidige capaciteit van het stadion. Bij voetbalmatchen met de beoogde toeschouwers zal de verkeershinder zelfs bij een sterke uitbouw van collectief en openbaar vervoer vermoedelijk vergelijkbaar zijn met de huidige hinder. Bij optimalisatie van het huidige Jan Breydelstadion is het dan ook vanuit milieuoogpunt aangewezen om evenementen met een dergelijk groot aantal toeschouwers te beperken in frequentie. Hieraan gekoppeld is het zo dat de cumulatieve negatieve effecten groter worden wanneer het voetbalstadion op deze locatie gecombineerd wordt met andere activiteiten met een sterk verkeersgenererend effect. Qua flankerend programma is het een programma zoals voorgesteld in de haalbaarheidsstudie onder leiding van de Vlaamse Bouwmeester betreffende de herstructurering van het Jan Breydelstadion een tegemoetkoming inzake deze effecten (= beperkt verkeersgenererend en verstorend karakter. Op basis van het bovenstaande kan samenvattend gesteld worden dat een optimalisatie van de huidige site vanuit milieuoogpunt voldoende de significantie negatieve effecten kan milderen onder volgende voorwaarden: Sterke uitbouw openbaar en collectief vervoer (cf. voorstellen randparkings en strikte beheersing van verkeer binnen een perimeter die op voldoende afstand van het stadion moet vastgelegd worden; Herinrichting N31 (is lopende); Realisatie volledig gesloten stadion; Beperkte frequentie van evenementen (buiten het voetbal) met het beoogde toeschouwersaantal van personen; Geen realisatie van een flankerend programma met een sterk verkeersgenererend karakter. Niettemin is de afbouw van het voetbalprogramma op deze plek, los van de vergelijking met bijkomende milieueffecten op een andere site bij herlocalisatie, een verbetering voor de leefkwaliteit van de omgeving van het Jan Breydelstadion althans ten opzichte van een situatie waarbij een voetbalmatch plaatsvindt. Maar in dit geval moet uitgegaan worden van ook een verhuis van Cercle Brugge. Weliswaar kan in dit geval de jeugdwerking en oefensessie eventueel hier blijven plaatsvinden. 2.3 Milieueffecten nieuwe locaties Hierna worden de milieueffecten van de vier onderzochte nieuwe locaties samengevat. Hierbij wordt niet alleen aandacht besteed aan de milieueffecten van een voetbalstadion op zich, maar ook aan de cumulatieve effecten in relatie tot de overige voorziene ontwikkelingen in het kader van het voorontwerp RUP voor de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge. Hierbij wordt er verder gebouwd op de conclusies met betrekking tot de diverse planelementen zoals opgenomen in de eindsynthese van deel 2. We maken opnieuw een onderscheid tussen de situatie waarin alleen een voetbalstadion aan de orde is en een situatie van een voetbalstadion met flankerende programma. Daarnaast bespreken we het dubbel gebruik van het stadion (door Club Brugge en Cercle Brugge) en het groeperen van de jeugdwerking op de site. Pagina 87 van 129
88 Milieueffecten: integratie en eindsynthese Uit het RVR is gebleken dat de voorziene activiteiten, bestaande uit een voetbalstadion voor een club in 1 ste klasse en een bijhorend programma, op piekmomenten voor de aanwezigheid van een zodanig groot aantal mensen zorgt dat deze activiteiten niet verenigbaar zijn met activiteiten waaraan risico s voor zware ongevallen zijn verbonden. Dit maakt dat de ontwikkeling van een voetbalstadion beperkingen oplevert naar toekomstige ontwikkeling van bedrijvigheid en omgekeerd De Spie Deze locatie is gelegen tussen 2 spoorlijnen en sluit aan op havenontwikkelingen. Het gebied bevat ecologisch waardevolle ecotopen. Rekening houdend met het actueel versnipperde karakter van deze ecotopen blijft het effect van ecotoopinname relatief beperkt. Gezien de reeds aanzienlijke verstoring in het gebied, worden weinig effecten verwacht met betrekking tot verstoring van avifauna. Op iets grotere afstand ligt beschermd erfgoed, maar door de tussenliggende infrastructuren is de impact van de realisatie van een voetbalstadion hierop beperkt. Door deze specifieke ruimtelijke context is de impact ten gevolge van de aanwezigheid van het voetbalstadion eerder beperkt. Hierbij dienen (als gevolg van de bijkomende verharding) de nodige milderende maatregelen inzake waterbuffering en vertraagde afvoer getroffen te worden. Ook de impact van het gebruik van het voetbalstadion is althans qua verstoring niet zo groot doordat er zich weinig tot geen bewoning bevindt in de nabije omgeving en doordat de verstoringsgevoelige fauna zich op grotere afstand bevindt. Belangrijk is evenwel de ontsluitingsproblematiek. In de huidige toestand is de aansluiting met het hoofdwegennet niet goed doordat de N31 nog niet volledig heringericht is en doordat de ontsluiting naar de N49 niet via hoofdwegen of primaire wegen kan verlopen. Door de herinrichting van de N31 en de N49 (en ook de N44) en realisatie van de AX, zal de ontsluiting naar het hoofdwegennet sterk verbeteren. Men zal niet langer quasi uitsluitend afhankelijk zijn van de sterk belaste N31 en E40. Een belangrijk aandeel van het verkeer zal via de AX naar de N49 (A11) kunnen afgeleid worden. De N44 zal ook een deel van het verkeer van en naar de E40 kunnen afleiden. Dit betekent een sterkere spreiding van het verkeer, wat positief is inzake doorstroming en hinder. Belangrijk voordeel van deze locatie is dat de benodigde aanpassingen aan het wegennet voor de ontsluiting van het voetbalstadion kunnen gekoppeld worden aan de reeds voorziene aanpassingswerken aan het wegennet (ondermeer in het kader van de realisatie van de AX). Dit betekent dat weginfrastructuurwerken voor het voetbalstadion binnen een ruimer kader kunnen gebeuren waardoor de bijkomende verstoring, ruimtebeslag, beperkter is dan bij de locaties Chartreuse en Oostkampse baan (zie hierna). Belangrijke randvoorwaarde bij deze locatie is het voorzien van een evenementenstation of halte op de spoorlijn Brugge Blankenberge en/of de spoorlijn Brugge Zeebrugge. Dit biedt veel mogelijkheden naar ontsluiting via het openbaar vervoer (en dus ontlasting van het wegennet en beperking van de parkeerbehoefte). Noch bij de NMBS, noch bij De Lijn bestaan hiervoor concrete plannen. Ter hoogte van De Spie zal een hoogfrequent gebruik van het stadion geen significante negatieve effecten veroorzaken wegens de beperkte aanwezigheid van verstoringsgevoelige receptoren. Strikte milderende en voorkomende maatregelen op vlak van verkeersorganisatie en verkeersinfrastructuur zijn nodig. Pagina 88 van 129
89 Milieueffecten: integratie en eindsynthese Met betrekking tot het flankerend programma is door de ligging aansluitend op bestaande bedrijvigheid de combinatie met kantoren / bedrijvigheid ideaal, ondermeer in functie van de mogelijkheden inzake dubbel gebruik van parkeerruimte en wegontsluitingsinfrastructuur en eventueel ook in functie van ontsluitingsmogelijkheden via openbaar vervoer. Deze voorkeur qua flankerend programma stemt overeen met de voorziene bedrijvigheid ter hoogte van de Spie volgens planelement 18 van het voorliggend plan. Door de realisatie van het voetbalstadion in De Spie zal er weliswaar minder bedrijvigheid kunnen gerealiseerd worden 10, maar zal er anderzijds wel de mogelijkheid zijn tot dubbel gebruik van voorzieningen: parking en weginfrastructuur en mogelijk ook het (verbeterde) openbaar vervoersnet. Mits de inrichting van de site vanuit deze uitgangspunten wordt uitgewerkt. In principe is er ter hoogte van deze locatie voldoende ruimte voor oefenvelden, maar dit reduceert de beschikbare oppervlakte voor bedrijvigheid. Vanuit volksgezondheid is waakzaamheid vereist betreffende de preciese onderlingen positionering van jeugd- en oefencelen en met zware industriële activiteiten in de buurt. Dit vergt bijgevolg afstemming met de voorziene bedrijvigheid. Samengevat kan gesteld worden dat de locatie De Spie geen significant negatieve milieueffecten te verwachten zijn mits realisatie van de voorziene aanpassingen aan de weginfrastructuur. (N31, AX, N49 en N44) en mits implementatie van een aantal milderende maatregelen, zoals bijvoorbeeld de nodige milderende maatregelen inzake buffering en vertraagde afvoer (zie verder: elementen van de watertoets). Door de specifieke ruimtelijke context en de lage verstoringsgevoeligheid van deze locatie blijft de impact op vlak van natuur en landschap eerder beperkt. Combinatie met bedrijvigheid is mogelijk. Bij hoogfrequent gebruik van het stadion zijn geen significant negatieve milieueffecten te verwachten zijn mits strikte naleving van de voorkomende en milderende maatregelen. Hier is veelvuldig en meervoudig gebruik zelfs aangewezen vanuit duurzaam ruimtegebruik Blankenbergsesteenweg West Deze locatie ligt vlakbij De Spie en is en daarmee dan ook zeer vergelijkbaar. De milieu-impact hangt evenwel sterk af van de concrete locatie. De voorliggende zoekzone is immers zeer ruim. Rekening houdende met de conclusies in het plan-mer met betrekking tot de voorziene bedrijvigheid op langere termijn, wordt een inplanting ten oosten van de Blankenbergse dijk en zo dicht mogelijk bij de bestaande weginfrastructuur (Blankenbergsesteenweg) voorgesteld. Om ongewenste verstoring van de avifauna ter hoogte van Sint-Pietersplas en het zuidwestelijk gelegen vogelrichtlijngebied Poldercomplex te voorkomen is daarenboven een zo noordelijk mogelijke inplanting aangewezen (zie ook Passende Beoordeling). Hierbij dient evenwel de nodige buffering ten aanzien van de noordelijk gelegen bewoning voorzien te worden. Zelfs bij een inplanting rekening houdende met deze principes, zal er toch nog enige impact zijn op het open polderlandschap gezien de westelijk gelegen N31 er op maaiveld gelegen is en er dus een visuele relatie is met het westelijk gelegen waardevol (relictzone, ankerplaats) polderlandschap. De bijkomende impact ten aanzien van de beoordeling zoals weergegeven voor planelement 18 in deel II (realisatie bedrijventerrein) is evenwel verwaarloosbaar. Ten aanzien van de bijkomende verharding is het noodzakelijk om de nodige milderende maatregelen inzake buffering en vertraagde afvoer te treffen (zie verder elementen van de watertoets). 10 Het gebied De Spie heeft een totale oppervlakte van 43 ha. Uitgaande van een minimum oppervlakte van 10 ha nodig voor een voetbalstadion en bijhorende parkeergelegenheid, kan er nog ongeveer 33 ha bedrijvigheid gerealiseerd worden. Hierbij is complementair gebruik van parkings mogelijk. Pagina 89 van 129
90 Milieueffecten: integratie en eindsynthese Qua mobiliteit is de situatie sterk vergelijkbaar met De Spie: een vlotte ontsluiting hangt af van de realisatie van de AX en de herinrichting van de N31 en N49 (en in mindere mate de N44). Wel zullen er aanpassingswerken aan de bestaande Blankenbergsesteenweg en de aansluiting hiervan op de N31 noodzakelijk zijn. Deze kunnen zeker voor wat betreft het aansluitingscomplex Blankenbergsesteenweg/N31 gekoppeld worden aan reeds voorziene herinrichtingswerken. We hebben evenwel geen zicht op de mogelijke ruimte inname van deze aanpassingen (bijvoorbeeld buiten de afbakening van het voorgestelde plangebied) Interferentie met het verkeer gerelateerd met het retailpark Blauwe Toren Noord vormt een mogelijk probleem. Onderlinge afstemming is dan ook noodzakelijk. Voor de ontsluiting via het openbaar vervoer kan het bestaande station Sint-Pieters-Brugge gebruikt worden. Bij een noordelijke inplanting van het stadion zal dit evenwel op vrij grote afstand liggen, waardoor de realisatie van een nieuw station of halte (eventueel evenementenstation of halte) te overwegen is. Dit zou bijvoorbeeld ter hoogte van het retailpark Blauwe Toren Noord kunnen voorzien worden. Hoogfrequent gebruik van het voetbalstadion is aangewezen vanuit duurzaam ruimtegebruik en zorgt niet voor significante effecten op vlak van verstoring mits een noordelijke inplanting van het voetbalstadion gebundeld met bestaande infrastructuren. Qua flankerend programma is door de ligging aansluitend op bestaande bedrijvigheid de combinatie met kantoren / bedrijvigheid ideaal, ondermeer in functie van dubbel gebruik van parkeerruimte en wegontsluitingsinfrastructuur en eventueel ook van ontsluitingsmogelijkheden via openbaar vervoer. Deze voorkeur qua flankerend programma stemt overeen met de op termijn voorziene bedrijvigheid ter hoogte van de Blankenbergsesteenweg West volgens planelement 18 van het voorliggend plan. Door de realisatie van het voetbalstadion op deze locatie zal er minder bedrijvigheid (minimum oppervlakte van 12ha nodig voor de realisatie van een voetbalstadion en bijhorende parkeergelegenheid) kunnen gerealiseerd worden, maar zal er anderzijds wel de mogelijkheid zijn tot dubbel gebruik van voorzieningen: parking en weginfrastructuur en mogelijk ook het (verbeterde) openbaar vervoersnet. In principe is er ter hoogte van deze locatie voldoende ruimte voor oefenvelden, maar dit reduceert de beschikbare oppervlakte voor bedrijvigheid. Vanuit volksgezondheid is waakzaamheid vereist betreffende de preciese onderlingen positionering van jeugd- en oefencelen en met zware industriële activiteiten in de buurt. Dit vergt bijgevolg afstemming met de voorziene bedrijvigheid. Samengevat kan gesteld worden dat bij gebruik van de locatie Blankenbergsesteenweg West voor een stadion en flankerende programma vanuit milieuoogpunt geen significante negatieve effecten veroorzaken wegens de beperkte aanwezigheid van verstoringsgevoelige receptoren. Milderende en voorkomende maatregelen op vlak van ruimtelijke inrichting, dit is een een noordelijke inplanting van het voetbalstadion gebundeld met de bestaande infrastructuur. Daarnaast gelden strikte milderende en voorkomende maatregelen voor verkeersorganisatie en verkeersinfrastructuur is de realisatie van de voorziene aanpassingen aan de wegeninfrastructuur (N31, AX, N49 en N44) en de implementatie van een aantal milderende maatregelen noodzakelijk. Combinatie met bedrijvigheid is mogelijk. Bij hoogfrequent gebruik van het stadion zijn geen significant negatieve milieueffecten te verwachten zijn mits strikte naleving van de voorkomende en milderende maatregelen. Hier is veelvuldig en meervoudig gebruik zelfs aangewezen vanuit duurzaam ruimtegebruik. Pagina 90 van 129
91 Milieueffecten: integratie en eindsynthese Chartreuse Deze locatie ligt aansluitend op weginfrastructuur (oa E40), maar betekent ondanks deze bundeling een belangrijke aansnijding van de groene gordel rond Brugge. Milderende en voorkomende maatregel om deze aansnijding en de hieraan gekoppelde versnippering en barrièrewerking zo minimaal mogelijk te houden, is een inplanting van het voetbalstadion zo strak mogelijk aansluitend op de E40. Een inplanting zo strak mogelijk aansluitend op de E40 vrijwaart eveneens de beschermde archeologische site die meer naar het noorden gelegen is (zie kaart 22a en b). Uit de milieueffectenbeoordeling voor dit planelement 21 blijkt dat mits een aantal milderende maatregelen in acht worden genomen voor de realisatie van deze hoogwaardige bedrijvigheid de effecten kunnen gemilder worden. Deze evaluatie van de milieueffecten van bedrijvigheid en de passende beoordeling vormen een insteek voor de evaluatie als potentiële locatie voor een voetbalstadion. Dit betekent dat vele milderende maatregelen geformuleerd ten aanzien van bedrijvigheid ook van toepassing zijn voor wat betreft het voetbalstadion. Door de bijkomende verharding, leidt de realisatie tot zeer significant negatieve effecten ten aanzien van de overstromingsproblematiek. Wanneer voldoende maatregelen worden genomen om het afstromend water van de bijkomende verharding op te vangen en te bufferen binnen het gebied vooraleer het vertraagd wordt afgevoerd en de inname aan komberging volledig wordt gecompenseerd binnen het gebied, worden de effecten deels gemilderd. Wanneer voor of gelijktijdig met de realisatie ook de bestaande overstromingsproblematiek wordt aangepakt, wordt de negatieve impact bijkomend gemilderd. De realisatie van het GOG Kerkebeek speelt hierbij ene belangrijke rol. De inrichting van een voetbalstadion op deze locatie betekent gezien de ligging in een van nature overstromingsgevoelig gebied - hoe dan ook een aantasting van de draagkracht van het watersysteem. Er is evenwel een belangrijk verschil tussen beide functies. De voorziene hoogwaardige bedrijvigheid met ondermeer kantoren zal een beperktere verstoring met zich meebrengen en het verkeersgenererend karakter ervan is qua piekbelasting heel wat kleiner dan dat van een voetbalstadion. Een voetbalstadion zal tijdens een match en ervoor en erna een zeer belangrijke verkeersgeneratie en verstoring (geluid, lucht, licht) met zich meebrengen. Hierdoor wegen de milieueffecten van een voetbalstadion op deze locatie heel wat sterker door dan deze van hoogwaardige bedrijvigheid. Dit verschil in effecten is zeer relevant op het vlak van mobiliteit en hiermee gerelateerde effecten. Door de nabijheid van de E40 en de N31 is in principe een vlotte ontsluiting naar het hoofdwegennet mogelijk. Doordat de restcapaciteit op de E40 beperkt is ondermeer door toeristisch verkeer zal de ontsluiting evenwel niet probleemloos verlopen. Een sterke ontsluiting via het openbaar vervoer is noodzakelijk, wat kan gerealiseerd worden door een (tijdelijk) station ter hoogte van de site (zoals voorzien in planelement 21). Daarnaast zullen naast de voorziene herinrichting van de N31- nog andere aanpassingen aan de bestaande wegenis noodzakelijk zijn, waaronder de aanpassing van het op- en afrittencomplex Loppem op de E40 en aanpassingen aan de Koning Albert I-laan. Deze aanpassingen brengen bijkomende ruimte-inname en bijgevolg milieueffecten met zich mee. Door de ligging in de groene gordel met een belangrijke ecologische en landschappelijke waarde, zijn deze milieueffecten niet te verwaarlozen (negatief effect waarvan de significantie afhangt van de uitvoeringswijze). De sterke verkeersgeneratie zal ook een aanzienlijk effect hebben op het geluids- en luchtklimaat. De verkeersbelasting zal tijdelijk zo sterk toenemen (ongeveer verdubbeling) zodat dit een merkbare toename van de geluidsbelasting tot gevolg zal hebben voor de woningen in de nabijheid (ondermeer het noordelijk deel van de kern van Loppem). Hierdoor zal een actueel slechte situatie (hoge verstoring vanwege wegverkeerslawaai E40) tijdelijk nog verslechten. Dit vormt een matig tot significant negatief effect al naargelang het ogenblik van de voetbalmatch. In de late avond / s nachts zal het effect immers beter merkbaar zijn. Pagina 91 van 129
92 Milieueffecten: integratie en eindsynthese De bijkomende geluidshinder tijdens een voetbalmatch zal zowel qua achtergrondgeluid als qua piekgeluiden een verwaarloosbare impact hebben door het hoge actuele geluidsniveau (wegverkeerslawaai E40). Zoals ook aangegeven in de passende beoordeling zullen de piekgeluiden en de lichtverstoring tijdens een voetbalmatch en de verlichting van de parking een belangrijke impact hebben op fauna in de omgeving. De aanwezigheid van een vleermuizenpopulatie (Ingekorven vleermuis) ter hoogte van de kerk en kasteelpark van Loppem is hierbij zeer relevant. Het is immers zeer waarschijnlijk op basis van de kenmerken van het gebied, de verbindingsmogelijkheden en de bestaande waarnemingen van de vleermuizen dat deze vleermuizen foerageren in het gebied ten noorden van de E40 dus ondermeer ter hoogte van de voorliggende zoeklocatie. De verstoring gekoppeld aan een voetbalmatch zou deze zone ongeschikt maken als foerageergebied. Dit vormt bijgevolg een potentieel significant negatief effect ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen van een beschermde soort (zie ook passende beoordeling). Maatregelen zijn dan ook noodzakelijk om deze negatieve impact te minimaliseren. Deze maatregelen bestaan voor wat betreft lichtverstoring uit het volgende: een inplanting van het stadion zo dicht mogelijk bij huidige verstoringsbronnen dus best zo dicht mogelijk bij het op- en afrittencomplex Loppem op de E40; minimale verlichting; rekening houdende met (sociale) veiligheid is verlichting ter hoogte van de parking hoogstwaarschijnlijk onmisbaar; ook de verlichting van het stadion zelf is onmisbaar zodat de mogelijkheden op dit vlak beperkt zijn; gebruik van aangepaste verlichting (neerwaarts gericht); buffering / afscherming van de lichtbronnen zodat toch nog donkere zones blijven behouden; hierbij is de aanwezigheid van een donkere corridor vanaf de nestplaats naar de zone ten noorden van de E40 van cruciaal belang. Voor geluidsverstoring zijn de maatregelen gelijklopend: bundeling met bestaande verstoringsbronnen en afdoende buffering. Voor deze locatie kan zonder verder onderzoek ten aanzien van het huidige voorkomen van en de mogelijke impact op de vleermuizen (nagaan hoe milderende maatregelen kunnen uitgewerkt worden en welke hun effectiviteit is) niet definitief gesteld worden of de bovenstaande randvoorwaarden voldoende zullen kunnen ingevuld worden zodat er geen betekenisvolle aantasting van de beschermde vleermuizensoort ontstaat omwille van verlies aan foerageergebied. Ook over de mogelijkheid tot compensatie van het verlies aan foerageergebied kan geen definitieve uitspraak worden gedaan. Dit wordt onderschreven in de passende beoordeling. Naast de bovenvermelde impact ten aanzien van vleermuizen is ook de globale impact op de groene gordel van belang. De realisatie van een voetbalstadion betekent een significante aantasting van deze groene gordel door de ruimte-inname, versnippering, verstoring en bijkomende barrièrewerking. Deze effecten kunnen gemilderd worden door een goede landschappelijke en ecologische inpassing en indien de groene gordel voor het overige behouden en versterkt wordt. Hierbij speelt ook het noordelijk gelegen VEN-gebied een belangrijke rol. De verscherpte natuurtoets voor dit gebied geeft het belang van een sterke buffering ten aanzien van dit gebied aan evenals een zo sterk mogelijke bundeling met de E40. Qua buffering is een bufferstrook aangrenzend aan het VEN-gebied aangewezen. De breedte ervan hangt af van de concrete invulling (bijvoorbeeld smalle massieve buffer versus brede diffusere buffer). Concreet betekent dit dat een voetbalstadion ter hoogte van Chartreuse belangrijke negatieve effecten kan opleveren. De locatie kan vanuit milieuoogpunt enkel meer geschikt gemaakt worden indien dit gekoppeld wordt aan de voorziene groene herbestemmingen in het noorden zoals voorzien in planelement 21 en indien er geen bijkomende aantasting van de groene gordel gebeurt door bijvoorbeeld realisatie van bedrijvigheid ter hoogte van Vliegweg. Pagina 92 van 129
93 Milieueffecten: integratie en eindsynthese Uit het bovenstaande kan men ook afleiden dat bij realisatie van een voetbalstadion op deze locatie, het flankerend programma zich sterk zal moeten beperken in intensiteit wat een beperkt verstorend karakter en dus ook een lage (piek)belasting door wegverkeer - betekent. Bij een combinatie met kantoren en kantoorachtigen zijn in die context zoals reeds hierboven aangegeven deze effecten te milderen. De beschikbare ruimte hiervoor zal evenwel beperkt zijn rekening houdende met de benodigde milderende maatregelen. Er blijft binnen deze randvoorwaarden weinig tot geen ruimte meer over voor hoogwaardige bedrijvigheid indien ook de oefenvelden ter hoogte van deze locatie worden voorzien. Samengevat kan gesteld worden dat de locatie Chartreuse significant negatieve effecten inhoudt waarvoor strikte randvoorwaarden gelden op het vlak van de milderende maatregelen, waarbij het beperken van verstoring en het vermijden van cumulatieve effecten met andere ontwikkelingen in de groene gordel van cruciaal belang zijn. Deze hebben vooral impact op de ruimtelijke inrichting en de ruimte-inname geldt op de zeer significante negatieve effecten van een irreversibele ruimteinname. Definitieve uitspraken dat de realisatie van een voetbalstadion binnen deze randvoorwaarden haalbaar en zinvol is, is op basis van de beschikbare informatie, zonder verder onderzoek onmogelijk. Dit onderzoek zal ook meer duidelijkheid scheppen in functie van een mogelijk flankerend programma. De mogelijkheden zullen op dit vlak echter sowieso beperkt zijn, zodat de invulling van de in planelement 21 voorziene hoogwaardige bedrijvigheid sterk gereduceerd zal zijn Oostkampse baan Deze locatie ligt vlakbij de locatie Chartreuse namelijk ten oosten ervan. De milieu-impact ervan is dan ook voor een groot aantal aspecten gelijkaardig en situeert zich op het vlak van aansnijding van de groene gordel, verkeersgenererend karakter, geluid- en lichtverstoring en overstromingsproblematiek. De gelijkaardige effecten worden hier niet meer hernomen. Een belangrijk verschilpunt situeert zich op het vlak van wegontsluiting. De wegontsluiting zal indien er enkel gebruik gemaakt wordt van bestaande wegenis en geen milderende maatregelen worden genomen voor een belangrijk deel via de woonkernen van Loppem en/of Oostkamp verlopen, wat zeer nefast is voor de verkeersleefbaarheid, geluids- en luchthinder en de globale woonkwaliteit langsheen deze ontsluitingswegen tijdens de piekbelasting. Dit kan verholpen worden door de aanleg van nieuwe wegenis die rechtstreeks aantakt op het hoger wegennet en bijkomende rijstroken langsheen de E40 en de N31. Ook aanpassing van het aansluitingscomplex Loppem is noodzakelijk. Deze nieuwe wegenis betekent evenwel een verdere aantasting van de groene gordel, met sterkere versnippering en barrièrewerking tot gevolg. Door de bijkomende verharding, leidt de realisatie tot zeer significant negatieve effectenop vlak van de overstromingsproblematiek. Wanneer voldoende maatregelen worden genomen om het afstromend water van de bijkomende verharding op te vangen en te bufferen binnen het gebied vooraleer het vertraagd wordt afgevoerd en de inname aan komberging volledig wordt gecompenseerd binnen het gebied, worden de effecten deels gemilderd. Wanneer voor of gelijktijdig met de realisatie ook de bestaande overstromingsproblematiek wordt aangepakt, wordt de negatieve impact bijkomend gemilderd. De inrichting van een voetbalstadion op deze locatie betekent gezien de ligging in een van nature overstromingsgevoelig gebied - hoe dan ook een aantasting van de draagkracht van het watersysteem. Pagina 93 van 129
94 Milieueffecten: integratie en eindsynthese Uit de bespreking van de locatie Chartreuse kan eveneens afgeleid worden dat de negatieve effecten van een voetbalstadion ter hoogte van de Oostkampse baan mogelijks nog gemilderd kan worden mits er zeker geen verdere aansnijding van de Groene Gordel op andere plaatsen gebeurt. Concreet betekent dit dat indien het voetbalstadion hier gelokaliseerd wordt de cumulatieve significante negatieve effecten vanuit milieuoogpunt niet afdoende kunnen gemilderd worden bij een combinatie met bedrijvigheid ter hoogte van Chartreuse en op Vliegweg. Het meest significant zijn deze in combinatie van de aansnijding van de locatie Chartreuse en de locatie Oostkampse baan. Op deze plaats is de corridorfunctie van de groene gordel het meest kwetsbaar en biedt het openhouden de meeste kansen tot behoud en versterking van de ecologische en ruimtelijk relaties. Precies beide gebieden zijn belangrijk geacht voor de beschermde vleermuizensoorten. Een intensief flankerend programma ter hoogte van de site dit wil zeggen met een sterk verstorend karakter (bvb te wijten aan verkeersgeneratie) versterkt eveneens de milieueffecten van het voetbalstadion en resulteert in zeer significant negatieve effecten. Dit zal immers voor een aanzienlijke bijkomende ruimte-inname, versnippering en verstoring zorgen waardoor de impact ten aanzien van de groene gordel in het algemeen en de beschermde vleermuizensoort (zie ook passende beoordeling) in het bijzonder nog moeilijker te milderen zal zijn. Ten aanzien van de ruimtelijke mogelijkheden van de site betekent de strakke inperking van het terrein en de bundeling tegen de E40 aan, dat de realisatie van een flankerend programma (winkelcentrum) niet te milderen significant negatieve effecten veroorzaakt, wat ook het geval is bij een beperkter programma 11. Dit is zeker zo indien op de site ook een combinatie met jeugd- en oefenvelden wordt nagestreefd (en meer nog als ook Cercle Brugge de site zou delen). Een voetbalstadion ter hoogte van de Oostkampse baan vergt vanuit milieuoogpunt een zo sterk mogelijke aansluiting op de bestaande verstoringsbronnen meer concreet de verkeerswisselaar E40 / E403 en een zeer sterke beperking van de verstoring zoals reeds aangehaald bij de bespreking van de locatie Chartreuse. Voor deze locatie kan zonder verder onderzoek ten aanzien van het huidige voorkomen van en de mogelijke impact op de vleermuizen (nagaan hoe milderende maatregelen kunnen uitgewerkt worden en welke hun effectiviteit is) niet definitief gesteld worden of de bovenstaande randvoorwaarden voldoende zullen kunnen ingevuld worden zodat er geen betekenisvolle aantasting van de beschermde vleermuizensoort ontstaat omwille van verlies aan foerageergebied. Ook over de mogelijkheid tot compensatie van het verlies aan foerageergebied kan geen definitieve uitspraak worden gedaan. Dit wordt onderschreven in de passende beoordeling. Samengevat kan gesteld worden dat de locatie Oostkampse Baan significant negatieve effecten inhoudt waarvoor strikte randvoorwaarden gelden op het vlak van de milderende maatregelen, waarbij het beperken van verstoring en het vermijden van cumulatieve effecten met andere ontwikkelingen in de groene gordel net als bij de locatie Chartreuse van cruciaal belang zijn. Verder onderzoek moet uitwijzen of de realisatie van een voetbalstadion binnen deze randvoorwaarden haalbaar en zinvol is. Vast staat dat de combinatie van een voetbalstadion ter hoogte van Oostkampse Baan met bedrijvigheid ter hoogte van 21 - Chartreuse of 19 - Vliegweg vanuit milieuoogpunt niet te milderen cumulatieve significante negatieve effecten met zich meebrengt (irriversibel ruimtebeslag in een structurerende open ruimte). 11 In paragraaf hebben we ten aanzien van het programma van het projectvoorstel Uplace en Club Brugge thv Oostkampse baan te Loppem gemeld dat we (conform) uitgaan van een programma voor een voetbalstadion van bezoekers en een winkelcentrum met een netto oppervlakte van m². We hebben geen rekening gehouden met niet te controleren persberichten over een reductie van het winkelprogramma (bijvoorbeeld tot m²). Bij het maken van de conclusies kan nu op basis van de te verwachten milieueffecten eveneens worden gesteld dat zelfs indien men zou uitgaan van een reductie tot m² dat deze ruimtelijke footprint niet inpasbaar is op de site Oostkampse Baan-Loppem, ondanks de weliswaar geringe mobiliteitseffecten. Pagina 94 van 129
95 Milieueffecten: integratie en eindsynthese De significantie negatieve effecten nemen toe en de doeltreffendheid van de milderende maatregelen neemt af naarmate op deze locatie een flankerend programma wordt gekoppeld. In de effectbespreking en de bespreking van de milderende maatregelen is gebleken dat een flankerend programma een dermate irreversibele ruimte-inname betekent dat de meest doeltreffende milderende maatregelen een vrij absolute beperking van deze realisatie zouden inhouden of een zeer strak meervoudig gebruik van het stadion (kantoren en winkelcentrum in het zelfde gebouw). 2.4 Conclusie De milieueffecten door de aanwezigheid van de infrastructuur in combinatie met de aanwezigheid van verstoringsgevoelige receptoren zijn sterk bepalend bij de afweging van locatiealternatieven. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het principe van duurzaam ruimtegebruik. Gezien de huidige invulling van de site Jan Breydel is op basis van milieueffecten en duurzaam ruimtegebruik een herinrichting van deze site geschikt vanuit milieuoogpunt mits een afdoend mobiliteitsconcept kan worden uitgewerkt, maw een mobiliteitsconcept dat de leefbaarheid van de omgeving garandeert. De haalbaarheidsstudie onder leiding van de Vlaamse Bouwmeester betreffende de herstructurering van het Jan Breydelstadion en het advies uitgebracht door stedelijke ambtelijke adviesgroep geven hiertoe een eerste aanzet. Dit concept vormt in principe een verbetering ten opzichte van de huidige toestand, maar vangt hoogstwaarschijnlijk de sterke capaciteitsverhoging niet op. Qua flankerend programma is een zacht programma namelijk met laag verstorend / verkeersgenererend karakter aangewezen. De milieueffecten ter hoogte van de Spie en de Blankenbergsesteenweg West blijven door de aanwezigheid van infrastructuur beperkt. Rekening houdend met de huidige verstoring in het gebied en de afwezigheid van gevoelige receptoren in de nabije omgeving, worden voor De Spie ook de effecten tijdens de gebruiksfase als beperkt beoordeeld. Voor Blankenbergsesteenweg West worden de effecten tijdens de gebruiksfase ook als beperkt beoordeeld wanneer voor een noordelijke ligging van het stadion wordt gekozen en de nodige buffermaatregelen worden genomen ten aanzien van de nabije woningen. Een belangrijke randvoorwaarde betreft hier de ontsluiting van de site. Deze moet worden afgestemd met geplande ontwikkelingen thv het gebied (realisatie AX ea). Op de ruimtelijke impact van deze hebben we op vandaag geen zicht. Ten aanzien van het flankerend programma kan synergie gevonden worden met bedrijvigheid/kantoren, bvb inzake parkeerterrein. Indien rekening gehouden wordt met een aantal randvoorwaarden dan zijn deze beide locaties geschikt vanuit milieuoogpunt. Voor deze sites geldt ook dat de ruimte aanwezig is om tot een volwaardige voetbalsite te komen (met jeugd- en oefenvelden, ook voor 2 clubs), naast de combinatie met bedrijvigheid zoals ook voorzien op de sites. De locaties Chartreuse en Oostkampse baan houden beiden door hun ligging in de groene gordel een afname, versnippering en verstoring van deze groene gordel in. Hierdoor veroorzaken ze sowieso meer negatieve milieueffecten dan de locaties De Spie en Blankenbergsesteenweg West. De milieueffecten zouden afdoende gemilderd kunnen worden indien er voldaan wordt aan een aantal zeer restrictieve randvoorwaarden. Deze situeren zich op het vlak van beperken van verstoring, vermijden van cumulatieve effecten met andere ontwikkelingen in de groene gordel en duurzaam ruimtegebruik. De realiseerbaarheid van deze randvoorwaarden moet afgetoetst worden door middel van verder onderzoek. Zeer belangrijk zijn de cumulatieve effecten met overige ontwikkelingen. In elk van van beide locaties kunnen de milderende maatregelen mogelijks (gelet op de leemte in kennis over de effectiviteit van de milderende en compenserende maatregelen ten aanzien van de vleermuizenkolonie) afzonderlijk doeltreffend zijn indien er aansluitend geen overige belangrijke stedelijke ontwikkelingen in de groene gordel worden voorzien. Maar hier kunnen we geen definitieve uitspraak over maken gelet op de leemten in kennis. Pagina 95 van 129
96 Milieueffecten: integratie en eindsynthese De site Chartreuse biedt hierbij de beste kansen omdat meerdere aspecten hier in combinatie kunnen ingezet worden op een beperkte ruimte-inname en strakke bundeling, mits multifunctionele aanwending (kantorencomplex) en dit door: de betere aansluiting bij het stedelijk gebied, multifunctioneel ruimtegebruik van een stadion en reeds vooropgesteld complex van kantoren en kantoorachtigen, open inrichting van oefenvelden en strakke bundeling op de E40. De negatieve effecten worden enigszins gemilderd wanneer het programma zich beperkt tot louter een voetbalstadion en dit strak gelokaliseerd wordt tegen de E40 aan. Los van de hierboven beschreven conclusie kan wel gesteld worden dat een dubbel gebruik van het stadion (Club Brugge en Cercle Brugge) mogelijk is. De maatregelen voor de realisatie en het gebruik door één club gelden ook voor twee clubs. De significantie negatieve effecten nemen toe en de doeltreffendheid van de milderende maatregelen neemt af naarmate op deze locaties een flankerende programma wordt gekoppeld. In de effectbespreking en de bespreking van de milderende maatregelen is gebleken dat een flankerend programma een dermate irreversibele ruimteinname betekent dat de meest doeltreffende milderende maatregelen een vrij absolute beperking van deze realisatie zouden inhouden of een zeer strak meervoudig gebruik van het stadion (kantoren en winkelcentrum in het zelfde gebouw). Combinatie met jeugd- en oefenvelden is waarschijnlijk wel toepasbaar met louter een voetbalstadion programma (mits zelfde voorwaardelijkheid en strikte toepassing van voorkomende en milderende en compenserende maatregelen in beschouwing wordt genomen), mits een ruimtelijke organisatie die de openheid van het gebied bewaakt in functie van de ruimtelijke en ecologische relaties. Maar hier kunnen we geen definitieve uitspraak over maken gelet op de leemten in kennis. Om de verkeersafwikkeling ter hoogte van het voetbalstadion vlot te laten verlopen zijn er onafhankelijk van de gekozen locatie, grondige aanpassingen nodig aan de respectievelijke knooppunten van het wegennet. De ligging van een voetbalstadion in het noorden van de stad of op Jan Breydel zal inderdaad meer voertuigkilometers veroorzaken dan een ligging in het zuiden van de stad. De afgeleide effecten emissies (NOx en fijn stof) zijn evenwel verwaarloosbaar tov de algehele effecten, tgv de grote omvang extra bezoekers en voorzien van een stadion met toeschouwers. 2.5 Watertoets De disciplines grondwater en oppervlaktewater leveren de nodige elementen aan voor de watertoets, waarbij in de disciplines duidelijk wordt aangegeven welke de benodigde milderende maatregelen - aanvullend op deze voorzien binnen het geldende wettelijke kader (oa gewestelijke stedenbouwkundige verordening) zijn. De belangrijkste conclusies hierbij zijn: Bij herinrichting van de site Jan Breydel de infiltratiemogelijkheden kunnen geoptimaliseerd worden; De locaties De Spie en Blankenbergsesteenweg West een gelijkaardige impact hebben, waarbij de nodige milderende maatregelen inzake buffering en vertraagde afvoer dienen getroffen te worden. De locaties Chartreuse en Oostkampse baan komen te liggen in een gebied met een belangrijke overstromingsproblematiek. Door de bijkomende verharding, leidt de realisatie tot zeer significant negatieve effecten. Wanneer voldoende maatregelen worden genomen om het afstromend water van de bijkomende verharding op te vangen en te bufferen binnen het gebied vooraleer het vertraagd wordt afgevoerd en de inname aan komberging volledig wordt gecompenseerd binnen het gebied, worden de effecten deels gemilderd. Wanneer voor of gelijktijdig met de realisatie ook de bestaande overstromingsproblematiek wordt aangepakt, wordt de negatieve impact bijkomend gemilderd. De inrichting van een voetbalstadion op deze locaties betekent gezien de ligging in een van nature overstromingsgevoelig gebied - hoe dan ook een aantasting van de draagkracht van het watersysteem. Pagina 96 van 129
97 Milieueffecten: integratie en eindsynthese Realisatie van een voetbalstadion en bijhorend programma ter hoogte van de Oostkampse baan in combinatie met bedrijvigheid ter hoogte van de Chartreuse betekent een versterking van de impact van beide activiteiten (cumulatief effect) en leidt tot significant tot zeer significant negatieve effecten. Ook wanneer de milderende maatregelen worden geïmplementeerd, betekenen deze ontwikkelingen een aantasting van de draagkracht van het watersysteem Passende beoordeling / verscherpte natuurtoets De passende beoordeling / verscherpte natuurtoets van het voorliggende voorontwerp RUP is gelijklopend met de discipline fauna en flora van het plan-mer opgemaakt en bijgevoegd als losse bijlage. De conclusies hiervan zijn geïntegreerd in de bovenstaande eindsynthese. Pagina 97 van 129
98 IV. Potentieanalyse kasteeldomeinen Pagina 98 van 129
99 Werkwijze 1 Werkwijze Omdat de functie/invulling van de kasteeldomeinen binnen het regionaalstedelijk gebied en nabije omgeving in de toekomst kan wijzigen worden de kasteeldomeinen gelegen binnen het regionaalstedelijk gebied en de nabije omgeving onderzocht op milieueffecten. Er wordt overwogen om één of meerdere van deze kasteeldomeinen en bijhorende ontwikkelingsmogelijkheden op te nemen in het RUP. De bedoeling is om de potenties van een mogelijke invulling te onderzoeken. Deze invulling kan hierbij in principe variëren van wonen, over een culturele invulling (tentoonstellingsruimte, concerten,... ) tot een commerciële invulling (horeca, feesten en events). Uitgangspunt is het behoud van de gebouwen en domeinen in hun huidige vorm en context omwille van de erfgoedwaarden. Dit houdt in dat bestaande gebouwen behouden blijven en eventueel een nieuwe functie krijgen en dat het gebruik van het kasteeldomein geen aantasting van de esthetische, (natuur)wetenschappelijke en/of cultuurhistorische waarden mag betekenen. Oprichten van nieuwe gebouwen is mogelijk. De kasteeldomeinen gesitueerd in het stedelijk gebied of de nabije omgeving ervan worden gesitueerd op kaart I. Het onderzoek wordt opgebouwd aan de hand van volgende stappen. In een 1 ste stap worden juridische randvoorwaarden vanuit het beleid geformuleerd. Deze randvoorwaarden geven aan wat de potentiële invulling is wanneer de huidige bestemming behouden blijft. In een 2 de stap worden per potentiële functie randvoorwaarden geformuleerd. Kasteeldomeinen dienen aan deze randvoorwaarden te voldoen om een optimale ruimtelijk-functionele invulling te garanderen. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen noodzakelijke randvoorwaarden en randvoorwaarden die een min- of meerwaarde vormen voor de ontwikkeling van de desbetreffende functie. In een 3 de stap wordt aan de hand van een aantal kenmerken een beschrijving gegeven van elk kasteeldomein en de onmiddellijke omgeving. Hierbij gaat de aandacht uit naar de bereikbaarheid van het kasteeldomein, het huidig ruimtegebruik van het kasteeldomein en de omgeving alsook naar de aanwezigheid van bijzonder kwetsbare/aandachtsgebieden vanuit milieuoogpunt. Deze kenmerken geven een indicatie van de draagkracht van het kasteeldomein en de onmiddellijke omgeving. In een 4 de stap wordt op basis van de kenmerken van elk kasteeldomein nagegaan in hoeverre het gebied voldoet aan de vooropgestelde randvoorwaarden en in hoeverre bijhorende potentiële invulling mogelijk is. Concluderend uit de voorgaande stappen wordt vervolgens vanuit milieuoogpunt aangegeven welke mogelijke invullingen/toekomstige functies van de kasteeldomeinen kunnen zijn. Deze conclusie geldt als informatie bij de verdere ruimtelijke afweging en beleidskeuzes. Pagina 99 van 129
100 2 Resultaten Uitgaande van de randvoorwaarden per functie zoals opgesteld in punt 3 en de kenmerken van de respectievelijke kasteeldomeinen zoals aangegeven in punt 4 worden volgende potentiële functies/invulling voorgesteld. De kasteeldomeinen Pereboomveld, Tudor, Valkenbos, Foreyst en Beisbroek (1a, 1b, 1c, 1e en 1g) zijn gelegen in de groene gordel rond Brugge. Omdat deze kasteeldomeinen geen optimale bereikbaarheid hebben met het openbaar vervoer, en niet onmiddellijk aansluiten bij bestaande bedrijfsactiviteiten of bestaande woonkernen zou een invulling als kantoorfunctie respectievelijk gemeenschap- en nutsvoorziening significant negatieve en niet te milderen effecten inhouden. Door de ligging van deze domeinen in de groene gordel, aansluitend op het bestaande toeristisch-recreatieve netwerk, levert een invulling als horeca geen significant negatieve effecten op, ook niet indien gecombineerd met een educatieve functie. Daarnaast geldt dat een woonfunctie in principe voor elk kasteeldomein haalbaar is. Gezien deze kasteeldomeinen niet aansluiten op bestaande woonkernen en de afwezigheid van een vlotte bereikbaarheid met openbaar vervoer, is deze functie hier minder aangewezen. Bij een eventuele functiewijziging van de kasteeldomeinen dient rekening gehouden te worden met bijzonder beschermd gebied en bijzonder kwetsbaar gebied (zie tabel). 1d Kasteel Tillegem Omwille van de goede bereikbaarheid naar het hoofdwegennet (E40 en E403) is de optimale invulling kantoren. Om een goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer te garanderen, dient hierbij een extra bushalte voorzien te worden binnen een straal van 500 m. verder dient rekening gehouden te worden met ROG, VEN en het bosbeheersplan. 1f Kasteel De Zandberg - 1h Kasteel Nieuw Tillegem Omwille van de goede ontsluiting met het openbaar vervoer en het nabijgelegen woongebied is de optimale invulling wonen of gemeenschapsvoorzieningen. In het kasteel De Zandberg dient rekening gehouden te worden met het bosbeheersplan. 2 Abdij van Zevenkerke - 4 Klooster van Bethanië - 5 Kasteel Emmaus Omwille van de minder optimale ontsluiting en geen directe nabijheid van een kern, is de optimale invulling horeca. 3 Kasteel Lisbona Omwille van de goede bereikbaarheid naar de N32 Torhoutsesteenweg en de goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer, is de optimale invulling kantoren. Het gebied bevat volgens de BWK biologisch zeer waardevolle elementen, deze moeten gevrijwaard worden. 6 Vijverskasteel en 7 Kasteel ter Mote Omwille van de goede bereikbaarheid naar het hoofdwegennet (E40) en de goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer, is de optimale invulling kantoren. Hierbij moet rekening gehouden worden met de ligging in ROG-gebied van het Vijverskasteel (geen verdere inname komberging, ruimte voor overstromingen, ondoorlatende parking, ) en de bescherming van Kasteel ter Mote als beschermd als erfgoed. Pagina 100 van 129
101 Resultaten 8 Kasteel van Loppem - 9 Kasteel Macieberg Omwille van de aansluiting bij de kern van respectievelijk Loppem en Oostkamp, en de goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer, is de optimale invulling wonen of gemeenschapsvoorzieningen. Het kasteel van Loppem is beschermd als erfgoed. 10 Kasteel Schoonhove Omwille van de natuurlijke waarden, is de optimale invulling gemeenschapsvoorzieningen met educatieve functie. Er dient rekening gehouden te worden met ROG (onderzoeken van de oorzaak van huidige overstromingsproblematiek en treffen van maatregelen indien nodig vooraleer eventuele bijkomende verharding wordt toegestaan), bijzonder beschermd natuurgebied volgens het gewestplan en het gebied bevat volgens de BWK biologisch zeer waardevolle elementen. De ecologische waarden van het gebied moeten gevrijwaard worden en kunnen eventueel worden versterkt. 11 Kasteel Erkegem - 12 Kasteel Cellen Omwille van de goede bereikbaarheid naar het hoofdwegennet (E40) is de optimale invulling kantoren. Om een goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer te garanderen, dient er een extra bushalte voorzien te worden binnen een straal van 500 m. Er dient rekening gehouden te worden met het bijzonder beschermd natuurgebied volgens het gewestplan en het bosbeheersplan in het kasteel Cellen en ROG in het kasteel Erkegem. De ecologische waarden van het gebied moeten gevrijwaard worden en kunnen eventueel worden versterkt. 13 Kasteel Gruuthuyse Omwille van de aansluiting bij de kern van Oostkamp en de goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer, is de optimale invulling gemeenschapsvoorzieningen. Er dient rekening gehouden te worden met ROG (onderzoeken van de oorzaak van huidige overstromingsproblematiek en treffen van maatregelen indien nodig vooraleer eventuele bijkomende verharding wordt toegestaan), bijzonder beschermd natuurgebied volgens het gewestplan en het gebied bevat volgens de BWK biologisch zeer waardevolle elementen. De ecologische waarden van het gebied moeten gevrijwaard worden en kunnen eventueel worden versterkt. 14 Kasteel Kevergem Omwille van de goede bereikbaarheid naar het hoofdwegennet (E40) en de goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer, is de optimale invulling kantoren. 15 Kasteel De Bergskens Omwille van de aansluiting bij de kern van Assebroek en de goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer, is de optimale invulling wonen of gemeenschapsvoorzieningen. Er dient rekening gehouden te worden met ROG (onderzoeken van de oorzaak van huidige overstromingsproblematiek en treffen van maatregelen indien nodig vooraleer eventuele bijkomende verharding wordt toegestaan). 16 Kasteel Ten Torre - 17 Kasteel Ryckevelde Omwille van de slechte bereikbaarheid worden de functies wonen en kantoren uitgesloten. Kasteel Ten Torre is het meest geschikt voor horeca, kasteel Ryckevelde is geschikt voor horeca of gemeenschapsvoorzieningen met educatieve functie. Beide kasteeldomeinen zijn gelegen in ROG (onderzoeken van de oorzaak van huidige overstromingsproblematiek en eventueel treffen van maatregelen is nodig vooraleer eventuele bijkomende verharding wordt toegestaan), en Ryckevelde is bijzonder beschermd bosgebied volgens het gewestplan en bevat volgens de BWK biologisch zeer waardevolle elementen. De ecologische waarden van het gebied moeten gevrijwaard worden en kunnen eventueel worden versterkt. Pagina 101 van 129
102 Resultaten 18 Kasteel van Male De optimale invulling is gemeenschapsvoorzieningen met educatieve functie. Het gebied is bijzonder beschermd bosgebied volgens het gewestplan, ligt in ROG (onderzoeken van de oorzaak van huidige overstromingsproblematiek en eventueel treffen van eventuele maatregelen is nodig vooraleer eventuele bijkomende verharding wordt toegestaan), en is beschermd als erfgoed. De ecologische en landschappelijke waarden van het gebied moeten gevrijwaard worden en kunnen eventueel worden versterkt. 19 Kasteel Rooigem Omwille van de aansluiting bij de kern van Sint-Kruis en de goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer is de optimale invulling wonen. Het kasteel is beschermd erfgoed. 20 Kasteel Nieuwenhove Het gebied sluit niet aan bij woongebied, maar ligt wel in de nabijheid van de kern van Sint- Kruis. Daarnaast is het gebied goed bereikbaar, waardoor de optimale invulling gemeenschapsvoorzieningen is. Horeca is evenwel ook mogelijk. 21 Fort van Beieren - 22 Kasteel Groene Poort - 23 Kasteel Ten Berge Omwille van de aansluiting bij de kern van Koolkerke en de goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer, is de optimale invulling wonen of gemeenschapsvoorzieningen. Er dient rekening gehouden te worden met ROG (onderzoeken van de oorzaak van huidige overstromingsproblematiek en treffen van eventuele maatregelen is nodig vooraleer eventuele bijkomende verharding wordt toegestaan). Het Fort van Beieren en de Groene Poort zijn beschermd erfgoed. In het domein van het Fort van Beieren komen volgens de BWK biologisch zeer waardevolle elementen voor. wonen, gemeenschapsvoorzieningen. BWK zeer waardevol, beschermd erfgoed. De ecologische en landschappelijke waarden van het gebied moeten gevrijwaard worden en kunnen eventueel worden versterkt. 24 Kasteel Ten Poele Omwille van de goede bereikbaarheid, ook met het openbaar vervoer, en de ligging nabij industriegebied, is de optimale invulling kantoren. Het kasteel is beschermd erfgoed. 25 Kasteel Tempelhof Omwille van de nabijheid van de Sint-Pietersplas is de optimale invulling horeca. Er dient rekening gehouden te worden met ROG (onderzoeken van de oorzaak van huidige overstromingsproblematiek en treffen van eventuele maatregelen is nodig vooraleer eventuele bijkomende verharding wordt toegestaan). 26 Kasteel Ruddershove - 27 Kasteel Norenburg - 28 Kasteel Ter Lucht - 29 Kasteel Bloemendale Omwille van de goede bereikbaarheid naar het primaire wegennet (Expressweg en R30) is de optimale invulling kantoren. Om een goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer te garanderen, dient er een extra bushalte voorzien te worden binnen een straal van 500 m. Er dient rekening gehouden te worden met het bijzonder beschermd natuurgebied volgens het gewestplan en ROG (onderzoeken van de oorzaak van huidige overstromingsproblematiek en treffen van eventuele maatregelen is nodig vooraleer eventuele bijkomende verharding wordt toegestaan). De ecologische waarden van het gebied moeten gevrijwaard worden en kunnen eventueel worden versterkt. 30 Kasteel Kraaienest Omwille van de goede ontsluiting met het openbaar vervoer en de aansluiting bij de kern van Sint-Andries is de optimale invulling wonen of gemeenschapsvoorzieningen. 31 Kasteel Messem - 32 Kasteel de Blauwe Toren De kastelen kennen geen optimale ontsluiting, en sluiten niet aan bij een bestaande kern. De optimale invulling is bijgevolg horeca. Pagina 102 van 129
103 Resultaten 33 Kasteel van Snellegem Omwille van de aansluiting bij de kern van Varsenare is de optimale invulling wonen of gemeenschapsvoorzieningen. Om een goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer te garanderen, dient er een extra bushalte voorzien te worden binnen een straal van 500 m. 34 Kasteel Baasveld Omwille van de goede bereikbaarheid naar het hoofdwegennet (E403) is de optimale invulling kantoren. Om een goede bereikbaarheid met het openbaar vervoer te garanderen, dient er een extra bushalte voorzien te worden binnen een straal van 500 m. Er dient rekening gehouden te worden met het bijzonder beschermd natuurgebied volgens het gewestplan en het bosbeheersplan. Pagina 103 van 129
104 V. Integratie en eindsynthese V. Integratie en eindsynthese Pagina 104 van 129
105 Algemene milieueffecten 1 Algemene milieueffecten In dit hoofdstuk wordt een synthese gegeven van de globale milieueffecten van het onderzochte plan. Het gaat om de milieueffecten van het voorontwerp RUP voor de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Brugge, aangevuld met voorstellen tot aanpassing geformuleerd tijdens de plenaire vergadering op 24 mei 2007, de vijf geselecteerde zoeklocaties voor een voetbalstadion en eventueel flankerend programma, het GOG Kerkebeek en de mogelijke herbestemming van omgeving Ten Briele besproken. In dit hoofdstuk komen eveneens een aantal algemene milderende maatregelen aan bod. Dit hoofdstuk geeft een synthese van de milieueffecten en moet samen gelezen worden met de bespreking van de milieueffecten in de verschillende hoofdstukken van dit plan-mer. Een samenvatting van het plan-mer is opgenomen in de niettechnische samenvatting. Het op een duurzame wijze ruimtelijk mogelijk maken van nieuwe stedelijke functies in het regionaalstedelijk gebied Brugge heeft in principe een globaal positief effect op de sociaalruimtelijke organisatie in (in dit deel van) Vlaanderen, in het bijzonder in het realiseren van het stedelijk gebiedbeleid. Weliswaar zijn er in situ en in de omgeving van de te realiseren functies ook negatieve effecten. Ruimte-inname is ten opzichte van de bestaande functies in veel gevallen - voor lange tijd - irreversibel (verlies aan landbouwland, lokale natuur- en landschapswaarden). Ten aanzien van de ruimtelijke inpassing van de nieuwe stedelijke functies zijn milderende maatregelen voorgesteld om dit effect te beperken. Ten aanzien van de omgeving kunnen eveneens effecten optreden (verkeersdrukte en afgeleide effecten, mogelijke verstoring van de waterhuishouding, ). Hier worden milderende en voorkomende maatregelen onderzocht voorgesteld die het functioneren zonder significant negatieve effecten moet mogelijk maken. Bij de onderzochte planelementen en locatiealternatieven heeft het onderzoek evenwel ook uitgewezen dat er geen of weinig maatregelen kunnen genomen worden die de significante negatieve effecten ten aanzien van ruimtebeslag kunnen milderen, behalve het significant inperken van het ruimtebeslag. De ruimte-inname is van die aard dat er zeer significante irreversibele negatieve effecten optreden die niet enkel betrekking hebben op de site zelf maar ook op de omgevingskwaliteiten (ruimte, landschap, waterhuishouding, ) en de ruimtelijke structurele samenhang (structurerende open ruimte, open ruimte met corridorfunctie, ruimtelijke en ecologische relaties, ). 1.1 Winst en verlies van functies De herbestemming tot respectievelijk woongebied, bedrijventerrein, gebied voor stedelijke activiteiten en groengebied brengt een aantal milieueffecten met zich mee. Vanuit de doelstelling om het stedelijk gebied te versterken betekent de realisatie van deze functies telkens een positief effect. Dit belet echter niet dat verlies van een huidige functie optreedt en aandacht moet uitgaan naar mogelijke negatieve milieueffecten en structurele aantasting. Bepalend in de afweging tussen winst en verlies aan functies is de kwaliteit die de huidige functie heeft en die de toekomstige functie kan hebben. Dit bepaalt in belangrijke mate de significantie van de milieueffecten vanuit de disciplines. Pagina 105 van 129
106 Algemene milieueffecten Verlies aan functie Wat betreft de huidige functie gaat het vaak over de inname van landbouwgebied. Daarnaast bevatten een aantal planelementen binnen het regionaalstedelijk gebied een bijzondere natuurwaarde. De algemene impact op beide functies wordt hieronder toegelicht Landbouw Bepalende factoren voor de kwaliteit van landbouwgebied zijn ondermeer: Mate waarin de landbouwgronden aansluiten op een groter geheel met een belangrijke agrarische functie (restpercelen versus groot aaneengesloten landbouwgebied); Ligging aansluitend op de bedrijfszetel (huiskavels); Juridische status / huidige bestemming op het gewestplan: het merendeel van de te herbestemmen woongebieden zijn gelegen in woonuitbreidingsgebied, de voorziene bedrijvigheid ligt daarentegen in agrarisch gebied; landbouwgronden in woonuitbreidingsgebied zijn laagwaardiger dan landbouwgronden in agrarisch gebied wegens de juridische / planologische mogelijkheid om het landbouwgebruik zonder meer stop te zetten en om te zetten in woonfunctie; Bodemtype, drainageklasse; in het regionaalstedelijk gebied Brugge komen overwegend droge tot vochtige zandgronden voor. Gezien een groot aantal woongebieden worden gerealiseerd ter hoogte van open ruimten die volledig zijn ingesloten door verstedelijking en die reeds bestemd zijn als woonuitbreidingsgebied en gezien de bijkomende ruimte-inname relatief beperkt blijft, is de impact van de realisatie van deze woongebieden op het vlak van verlies aan landbouwareaal en aantasting van de structurele samenhang van (aaneengesloten grote) landbouwgebieden veelal eerder beperkt. Belangrijke uitzondering hierop zijn het planelement 4 Varsenare Noord, omwille van een grotere ruimte-inname, en de gebieden die grenzend aan de open ruimte worden gerealiseerd. Het betreft een aantal woongebieden, zoals onder meer 1 Arendstraat, 4 Varsenare Noord, 8 Mispelaar, 10 Spermalie 2 en 11 Stakendijke Zwijnsgat. Voor deze planelementen is het aangewezen om een begeleidend en flankerend beleid ten aanzien van de betrokken landbouwers uit te werken. Concrete maatregelen en aanbevelingen kunnen hier niet gemaakt worden omwille van het ontbreken van gegevens uit een landbouwgevoeligheidsanalyse of een landbouweffectenrapport (LER) op individueel bedrijfseconomisch niveau. Ten aanzien van de bedrijventerreinen geldt dat de gebieden 14 Kleinhandelszone De Rampe, 15 Sint-Pieterskaai en 16 Waggelwater momenteel nagenoeg volledig ontwikkeld zijn en bijgevolg weinig tot geen bijkomende ruimte-inname met zich meebrengen. Het ruimtegebruik, de ruimtelijke kwaliteit en de ruimtelijke samenhang van deze plangebieden wijzigt nagenoeg niet. Planelement 17 - Elfhoek betreft een beperkte ruimte-inname, die echter wel ter hoogte van de bestaande open ruimte wordt gerealiseerd. De bedrijventerreinen 19 - Vliegweg, 20 Jabbeke West en 29 Sint-Elooi houden een grote ruimte-inname in van landbouwgebied met over het algemeen een hoge tot zeer hoge landbouwwaarde, bijgevolg vormt dit een zeer significant negatief effect. Milderende maatregelen zoals grondenruil dringen zich dan ook op. Het uitstippelen van een flankerend beleid ten aanzien van de betrokken landbouwers is noodzakelijk. Volledigheid met betrekking tot de concrete maatregelen en aanbevelingen ten aanzien van de bedrijfseconomische begeleiding is geen voorwerp van het plan-mer. Dergelijke informatie behoort tot een landbouwgevoeligheidsanalyse of LER. Voor de planelementen 19 - Vliegweg, 20 Jabbeke west en 29 Sint-Elooi lijkt de opmaak van een landbouweffectenrapport dan ook noodzakelijk. Dit landbouweffectenrapport kan eventueel gelijktijdig met het voor deze planelementen vermoedelijk vereiste project-mer opgemaakt worden. Pagina 106 van 129
107 Algemene milieueffecten De randstedelijke groengebieden en het golfterrein worden voornamelijk gerealiseerd ter hoogte van gebieden met een groene bestemming volgens het gewestplan en (landschappelijk waardevol) agrarisch gebied, met uitzondering van Gemene Weide (onderdeel van planelement 22). Deze planelementen houden bijgevolg een inname van landbouwgrond in. Deze inname blijft beperkt, met uitzondering van planelement 22 en het golfterrein. De effecten kunnen gemilderd worden door een flankerend beleid ten aanzien van de betrokken landbouwers uit te werken. Volledigheid met betrekking tot de concrete maatregelen en aanbevelingen ten aanzien van de bedrijfseconomische begeleiding is geen voorwerp van het plan-mer. Dergelijke informatie behoort tot een landbouwgevoeligheidsanalyse of LER. De stedelijke functie het opleidings- en trainingscentrum voor brandweer en politie te Zedelgem wordt gerealiseerd ter hoogte van een bestaande militaire school en houdt slechts een beperkt verlies in aan landbouwgebied, weliswaar met een hoge waardering. Gezien de geringe oppervlakte vormt dit een beperkt negatief effect. De planelementen 18 Sint-Pietersplas De Spie Blankenbergsesteenweg West en 21 Chartreuse houden een grote ruimte-inname in van landbouwgebied, waarbij het gebied Blankenbergsesteenweg West een zeer hoge landbouwwaardering en de overige gebieden een matige waardering kennen. Bijgevolg vormt de inname significant tot zeer significant negatief effecten. Planelement 18 Sint-Pietersplas - De Spie Blankenbergsesteenweg West vormt hierbij één ruimtelijk geheel en bevat de grootste inname aan landbouwareaal, gescheiden van de open ruimte door de N31. Door het uitstippelen van een flankerend beleid ten aanzien van de betrokken landbouwers kunnen de effecten in belangrijke mate gemilderd worden. Volledigheid met betrekking tot de concrete maatregelen en aanbevelingen ten aanzien van de bedrijfseconomische begeleiding is geen voorwerp van het plan-mer. Dergelijke informatie behoort tot een landbouwgevoeligheidsanalyse of LER. De ontwikkelingen met betrekking tot het GOG Kerkebeek en de herbestemming van de omgeving Ten Briele houden een beperkte tot geen inname in van landbouwareaal. De effecten op vlak van inname en aantasting van de structurele samenhang van landbouwgebied blijven dan ook zeer beperkt. Wat de zoeklocaties voor een voetbalstadion en eventueel flankerend programma betreft, houden alle locaties, uitgezonderd Jan Breydel, een verlies aan landbouwareaal in. Het verlies aan landbouwareaal leidt ten opzichte van de huidige situatie tot (zeer) significant negatieve effecten. Hierbij geldt dat de zoeklocaties Chartreuse, Blankenbergsesteenweg West en De Spie eveneens zijn opgenomen als planelementen voor de ontwikkeling van bedrijvigheid. Dit betekent concreet dat - indien geen voetbalstadion en eventueel flankerend programma op deze sites wordt gerealiseerd het landbouwareaal (mogelijk) wordt ingenomen in functie van bedrijvigheid. Analoge milderende maatregelen worden geformuleerd als bij de ontwikkeling van bedrijvigheid Natuur Diverse planelementen hebben een natuurfunctie. Met uitzondering van de planelementen met betrekking tot de randstedelijke groengebieden heeft geen van de werkelijk in te nemen gebieden momenteel een natuurbestemming op het gewestplan. Een aantal gebieden kennen echter een belangrijke ecologische waarde (voornamelijk ten aanzien van avifauna en vleermuizen) en bevatten waardevolle elementen. Wanneer bij realisatie van deze planelementen, de geformuleerde milderende maatregelen in acht worden genomen, wordt het verlies aan de natuurfunctie soms sterk beperkt. Het betreft een aantal woongebieden met onder meer 1 Arendstraat, 4 Varsenare Noord, 5 Sint-Annadreef, 6 Julien Saelens, 7 Klein Appelmoes, 8 Mispelaar en 12 Leliestraat. Ter hoogte van de planelementen 4 Varsenare Noord, 5 Sint-Annadreef, 6 Julien Saelens en 8 - Mispelaar komen ecologisch waardevolle elementen voor zoals dreven en bomenrijen of specifieke vegetatietypes. Pagina 107 van 129
108 Algemene milieueffecten Deze vervullen een belangrijke rol als migratiecorridor of stapsteen. Het behoud van deze elementen, ingepast in de woonontwikkeling, vormt een belangrijke milderende maatregel om de negatieve effecten voldoende te milderen. Planelement 7 Klein Appelmoes grenst aan ecologisch waardevol gebied. De ontwikkeling van het planelement Klein Appelmoes betekent dan ook de versnippering en aantasting van dit samenhangend gebied. Door een beperkte realisatie van het gebied en het ontwikkelen van een voldoende bufferzone ten aanzien van de noordelijk gelegen waardevolle ecologische zone worden de negatieve effecten ten aanzien van versnippering voldoende gemilderd. Planelement 1 Arendstraat en 12 Leliestraat liggen in of nabij gebied met een belangrijke ecologische waarde ten aanzien van avifauna en vleermuizen. Hierbij zijn milderende maatregelen op het vlak van lichtverstoring, behoud van open ruimte en niet verstoren van aanvliegroutes geformuleerd. Mits het in acht nemen van deze maatregelen blijven de effecten op de natuurfunctie beperkt. Wat betreft de planelementen bedrijvigheid liggen planelement 17 - Elfhoek en 20 - Jabbeke West in de nabije omgeving van Vogelrichtlijngebied en het gebied voor natuurcompensatie Paddegat. Ten aanzien van de natuurfunctie zijn bij de ontwikkeling van deze planelementen enerzijds verstoringseffecten van belang. Deze kunnen gemilderd worden door middel van een beperkte invulling van het gebied, met goede visuele en auditieve buffering. Mits het in acht nemen van deze maatregelen blijven de effecten ten aanzien van het Vogelrichtlijngebied beperkt. De realisatie van planelement 20b Jabbeke west (50 ha) betekent echter de inname van een aanzienlijke hoeveelheid waardevolle ecotopen en zal leiden tot een significant negatieve verstoring van de aangrenzende zone voor natuurcompensatie Paddegat. Verder moet rekening gehouden worden met de structurele aantasting van de open ruimte (zie verder, punt ). Ook voor de stedelijke functie (planelement 28), het opleidingscentrum te Zedelgem, worden milderende maatregelen geformuleerd om de mogelijke hinderaspecten ten aanzien van het aangrenzende ecologisch waardevolle gebied te minimaliseren. Mits het in acht nemen van deze maatregelen blijven de effecten op de natuurfunctie beperkt. Voor het planelementen 18 Sint-Pietersplas De Spie Blankenbergsesteenweg West worden met betrekking tot de functie natuur volgende conclusies gemaakt: Bij realisatie van De Spie als bedrijventerrein gaan waardevolle ecotopen verloren. Rekening houdend met de actueel versnipperd karakter van deze ecotopen en de huidige verstoring in het gebied blijft de impact relatief beperkt. Door het behoud van de bestaande corridors en stapstenen in het gebied worden de negatieve effecten deels gemilderd. De inname aan waardevolle ecotopen bij ontwikkeling van Blankenbergsesteenweg West is zeer beperkt. Dit gebied is echter wel van belang voor de watervogels die afkomen op de plassen en natte graslanden in de omgeving. Bovendien betreft het een relatief groot aaneengesloten gebied waardoor de ecotoopinname als significant wordt beoordeeld. Het gemengd openruimtegebied in en rond de parkbegraafplaats Blauwe Toren wordt bestendigd en kan worden versterkt door een natuurgericht beheer. Dit creëert een positief effect ten aanzien van de aanwezige natuurwaarden. In het recreatiegebied ter hoogte van de Sint-Pietersplas zijn de waardevolle ecotopen geconcentreerd in de zone die als overdruk natuurverweving krijgt. Indien hierdoor de mogelijkheid ontstaat de aanwezige vegetaties op een natuurgerichte manier te beheren, betekent dit de aanwezige ecotopen opgewaardeerd worden. De ontwikkelingen met betrekking tot het GOG Kerkebeek en de herbestemming van de omgeving Ten Briele creëren een positief effect ten aanzien van de aanwezige natuurwaarden door een ecologische inrichting van het GOG en de verbetering van de structuurkwaliteit van de Kerkebeek, dan wel een betere bescherming van het gebied. Pagina 108 van 129
109 Algemene milieueffecten Voor de zoeklocaties voor een voetbalstadion en eventueel flankerend programma zijn geen negatieve effecten voor functie natuur bij een herstructurering van het huidige Jan Breydelstadion. De zoeklocaties Oostkampse Baan en Chartreuse houden significant negatieve effecten in door inname en aantasting van de groene gordel (zie verder). Bij realisatie van een voetbalstadion ter hoogte van Blankenbergsesteenweg West zijn verstoringseffecten belangrijk. Door het stadion niet te situeren nabij het Vogelrichtlijngebied en voldoende geluidsbufferende effecten te voorzien, worden negatieve effecten vermeden. Ten aanzien van de ecotoopinname voor de zoeklocatie De Spie moet rekening gehouden worden met de actuele versnipperingsgraad en verstoringsgraad van het gebied. Bij het behoud van de bestaande corridors en stapstenen in het gebied worden de negatieve effecten deels gemilderd. De inplanting van een voetbalstadion op de locaties De Spie en Blankenbergse Steenweg geeft, mits rekening wordt gehouden met de hierboven vermelde maatregelen, geen bijkomende negatieve effecten voor de functie natuur ten opzichte van een invulling als regionaal bedrijventerrein. Het verlies aan natuur kan niet of niet volledig worden gemilderd bij de inname van gebieden ter hoogte van de groene gordel. De inname per planelement vormt op zich een negatief effect, maar de cumulatieve effecten van de verschillende planelementen (13 Fabiolalaan, 19 Vliegweg, 21 Chartreuse en Oostkampse baan) zorgt voor een structurele aantasting van de groene gordel. Hierbij zijn ook de effecten gerelateerd met het voorkomen van de Ingekorven Vleermuis van belang. Alle vleermuizensoorten zijn beschermd. Daarnaast zijn de meeste opgenomen in bijlage II en eventueel bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Deze bescherming heeft tot gevolg dat voor elk plan, programma of project dat een mogelijke aantasting betekent, moet nagegaan worden of er een betekenisvolle wijziging is te verwachten. Dit onderzoek is gebeurd in het kader van dit MER. Er is echter weinig informatie beschikbaar over het habitatgebruik van de Ingekorven vleermuis in deze omgeving en over effectieve milderende maatregelen of randvoorwaarden, zodat bijkomend onderzoek nodig is. In afwachting moet gezien de bescherming als soort door de Habitatrichtlijn rekening gehouden worden met het voorzorgsbeginsel. Overleg en samenwerking met vleermuizendeskundigen bij onderzoek naar en inrichting van deze gebieden is in deze context aangewezen Winst van functies Elk thema van planelementen genereert een bepaalde functie. Binnen het plan-mer worden steeds volgende thema s behandeld: wonen, bedrijvigheid, stedelijke functie, groengebied, recreatie en locatie voor een voetbalstadion en eventueel flankerend programma. In het plan- MER is op milieueffecten onderzocht of deze planelementen een winst aan functie kunnen betekenen in het regionaalstedelijk gebied Brugge. dit betekent meer concreet dat is nagegaan in welke mate de realisatie van de planelementen significant negatieve milieueffecten met zich meebrengt en in welke mate deze effecten eventueel te milderen zijn Wonen De realisatie van de woongebieden betekent een winst voor de woonfunctie. Wat betreft de kwaliteit van de te realiseren woongebieden zijn ondermeer volgende aspecten bepalend: Beschikbaarheid van (stedelijk) groen en van speelruimte voor kinderen; hiermee gerelateerd is de woondichtheid en de concrete inrichting van belang; Kwaliteit van het geluids- en luchtklimaat; Verkeersleefbaarheid en verkeersveiligheid binnen de nieuwe woongebied; het voorkomen van sluikverkeer is hierbij een bepalende factor naast de inplanting ten opzichte van de bestaande weginfrastructuur (bijvoorbeeld geconcentreerd rond een drukke verkeersas of ter hoogte van een doodlopende straat); Aansluiting op het openbaar vervoersnet; Vlotte ontsluiting via de weg; Overstromingsrisico ter hoogte van de woningen; Pagina 109 van 129
110 Algemene milieueffecten Door het formuleren van milderende maatregelen wordt er in het MER aangestuurd op het verbeteren van de kwaliteit van de toekomstige woongebieden. Mogelijke milderende maatregelen zijn: Voorzien van voldoende publieke groene ruimte en/of aangepaste woondichtheid; Aandacht besteden aan een vlotte en veilige ontsluiting via openbaar vervoer en voor zwakke weggebruikers zodat er een degelijk alternatief wordt geboden voor de auto-ontsluiting. Geluidsbuffering ter hoogte van de grens van het woongebied met drukke wegen; dit is van toepassing voor planelement 13; Strikt genomen worden bij voorkeur geen woningen gebouwd in zones waar de luchtkwaliteit niet aan de normen voldoet. Op deze plaatsen wordt bij voorkeur een bufferzone langs de wegen voorzien. Landschappelijke inkleding en inrichting met behoud van ecologisch en landschappelijk waardevolle elementen; Voorkomen van wateroverlast en gekoppeld hieraan het maximaal vrijwaren van de aanwezige waterlopen in open tracé, niet enkel in functie van waterbeheersing maar ook als publieke groene ruimte en ecologische corridor. Deze milderende maatregelen zijn algemeen geldend voor nagenoeg alle planelementen en kunnen (deels) vertaald worden in het RUP Bedrijvigheid De kwaliteit van de bedrijventerreinen wordt enerzijds bepaald door de intrinsieke kwaliteiten van het terrein (parameters die eerder economisch van aard zijn). Anderzijds is de impact op de omgeving van belang. Deze laatste bepaalt immers de vergunbaarheid (regelgeving Vlarem) en het draagvlak bij de omwonenden. Volgende elementen zijn ondermeer van belang: Goede ontsluiting gericht op verschillende vervoerstypes (auto, fiets, openbaar vervoer); Kavelstructuur en kavelgrootte; Mogelijkheden qua type bedrijvigheid; Beperkte impact voor de omgeving hoge draagkracht van de omgeving. De aanbevelingen in dit MER beperken zich tot milderende maatregelen om de impact op de omgeving te beperken, gezien de economische aspecten niet het onderwerp vormen van een milieueffectrapport. Algemeen is bij de ontwikkeling van de bedrijventerreinen is een zo maximaal mogelijke implementatie van de principes van duurzame inrichting en beheer van bedrijventerreinen noodzakelijk. De concrete aanbevelingen in het MER situeren zich op volgende vlakken: Optimalisatie van de ontsluiting van het bedrijventerrein; Buffering van het bedrijventerrein op landschappelijk-visueel, ecologisch en auditief vlak; Milieuzonering in functie van het beperken van geluids- en luchthinder; Voorzien van voldoende mogelijkheden voor opvang, infiltratie en vertraagde afvoer van water. Voor planelement 17 Elfhoek wordt verwacht dat er ook na implementatie van de voorgestelde milderende maatregelen, noemenswaardige milieueffecten zullen optreden ten aanzien van de aanwezige woningen in de Elfhoekstraat en de open ruimte. De negatieve milieueffecten kunnen verder worden gemilderd door de bijkomende oppervlakte aan bedrijvigheid tot een minimum te beperken en dit door zuinig ruimtegebruik ter hoogte van: de meest zuidelijke zone ten oosten van de bestaande bedrijvigheid mits afdoende buffering ten aanzien van de bestaande bewoning in de Elfhoekstraat en ter hoogte van de E40 en het meest westelijke gedeelte van de zone ten noorden van de bestaande bedrijvigheid, mits landschappelijke en auditieve buffering langs noord- en oostzijde en een type bedrijvigheid die weinig geluid produceert. Pagina 110 van 129
111 Algemene milieueffecten Uit de beschrijving van de milieueffecten blijkt dat voor planelementen 19 Vliegweg en 20 en 20b Jabbeke West een grote impact op de omgeving wordt verwacht. De negatieve impact kan niet afdoende gemilderd worden met de beschikbare milderende maatregelen. Deze planelementen houden namelijk een significante aantasting van de open ruimte in, wat niet gemilderd kan worden. Bijkomend geldt voor planelement 19 Vliegweg en 20b Jabbeke West (50 ha) dat de mogelijke ontsluitingsroutes leiden tot zeer significant negatieve effecten op vlak van verkeersleefbaarheid en veiligheid. Voor deze planelementen, 19 Vliegweg en 20 en 20b Jabbeke West, zijn de globale milieueffecten van die aard dat ze vanuit milieuoogpunt niet bijdragen tot een netto winst aan functie. De plan-mer concludeert dat er voor de realisatie van deze functiewinst in het stedelijk gebied andere locaties zijn waar deze effecten wel significant kunnen gemilderd worden. Bij de ontwikkeling van planelement 29 - Sint-Elooi situeren de milieueffecten zich voornamelijk op het vlak van de disciplines mobiliteit en mens. Het bijkomende verkeer heeft een significant negatief effect op de verkeersleefbaarheid van de omwonenden. Naast het voorzien van voldoende buffering is verder onderzoek nodig naar de mogelijkheden om deze effecten afdoende te milderen. De ontwikkeling van het gebied op zich als geheel biedt volgende mogelijkheden: Geïntegreerde aanpak van de inrichting met mogelijkheid om bepaalde voorzieningen te regelen op niveau van het gehele bedrijventerrein zoals bijvoorbeeld waterbuffering, afvalwaterzuivering, afvalophaling, ; Meer garanties dat de randvoorwaarden vanuit het plan-mer (en mogelijk ook RUP) op een goede wijze worden geïmplementeerd, gezien deze gemakkelijker kunnen opgelegd worden aan één initiatiefnemer (= projectontwikkelaar voor het gehele bedrijventerrein) dan aan een groep van initiatiefnemers met elk hun eigen belangen; Groengebieden en recreatie De randstedelijke groengebieden betekenen een versterking van de open ruimte. Ter hoogte van planelementen 18 - Sint-Pietersplas De Spie Blankenbergsesteenweg West en 21 Chartreuse krijgt ook telkens een gedeelte een groene bestemming. De geplande ontwikkelingen hebben een positief effect ten aanzien van de ecologische waarde van de gebieden. Dit wordt eveneens onderschreven in de passende beoordeling. De groengebieden behoren nagenoeg allemaal tot een landschappelijk waardevol gebied en/of bezitten waardevolle kleine landschapselementen en dreven. Door de herbestemming wordt de huidige landschappelijke waarde over het algemeen bestendigd of versterkt, wat aanleiding geeft tot positieve effecten. Daarnaast zorgt de herbestemming voor een versterking van de belevingswaarde en landschappelijke herkenbaarheid. Algemene milderende maatregelen hierbij zijn het open houden van waterlopen en het gebruik maken/versterken van de streekeigen structuur. Om de belevingswaarde te optimaliseren vormt het beperken van de auditieve hinder vanuit de omgeving naar deze gebieden een aandachtspunt. Verder voorziet het plan in winst ten aanzien van de recreatieve functie en dit door de uitbreiding van het golfterrein in Damme en de recreatieve elementen, vervat in planelement 18. Ten aanzien van het golfterrein worden in het plan-mer een aantal aandachtspunten geformuleerd voor het RUP. Daarnaast worden aanbevelingen gegeven waar bij het verdere beheer van het gebied rekening mee moet worden gehouden. Bij de verdere ontwikkeling van recreatie ter hoogte van Sint-Pietersplas vormt het huidige geluid- en luchtklimaat, gekoppeld aan de bijkomende belasting als gevolg van de te ontwikkelen bedrijvigheid, een bijzonder aandachtspunt. Opmaak van een goed onderbouwde visie of inrichting van het gebied, die een antwoord geeft op de samenhang in het gebied en waarbij de verschillende geplande functies elkaar niet in de weg staan, is dan ook noodzakelijk. Pagina 111 van 129
112 Algemene milieueffecten Opleidings- en trainingscentrum te Zedelgem Het planelement kent een geïsoleerde ligging en heeft geen ruimtelijke samenhang met de omgeving. Omwille van deze perifere ligging kent het gebied een minder gunstige bereikbaarheid en bijgevolg een grote autoafhankelijkheid. De ontwikkeling van het planelement genereert hierdoor een belasting op het lokale wegennet en leefgemeenschap. Dit effect kan gemilderd worden door het nemen van organisatorische maatregelen in verband met collectief vervoer. Een concrete inschatting met betrekking tot de omvang van deze effecten kan niet gemaakt worden door het ontbreken van meer concrete gegevens. Anderzijds moet worden opgemerkt dat een ligging op enige afstand van gevoelige functies (bvb wonen) waarschijnlijk aan te bevelen is, gelet op mogelijke hinder vanwege de activiteiten op het terrein (bvb brandoefeningen). Hierbij moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van het ecologisch waardevolle gebied Vloethemveld. Mogelijke verstoringseffecten kunnen, mist het in acht nemen van de geformuleerde maatregelen op een voldoende wijze worden gemilderd Planelementen 18 Sint-Pietersplas De Spie Blankenbergsesteenweg West en 21 Chartreuse Beide planelementen hebben een sterk verkeersgenererend karakter en veroorzaken significante effecten op vlak van verkeersafwikkeling. Bij de realisatie van de AX en de aanpassingswerken aan de N31 kan voldoende afwikkelingscapaciteit gerealiseerd worden voor de ontsluiting van De Spie en Blankenbergse Steenweg naar het hoofdwegennet. Bedrijvigheid ter hoogte van Chartreuse betekent een aantasting van de groene gordel rond Brugge. De keuze voor hoogwaardige bedrijvigheid gekoppeld aan het behoud en versterken van aangrenzende ecologische, landschappelijke en archeologische waarden beperkt de milieu-impact enigszins. Bij realisatie van dit planelement zijn milderende maatregelen op het vlak van een sterke uitbouw van ontsluiting via het openbaar vervoer, implementatie van de voorziene groene bestemmingen en voldoende bufferende maatregelen nodig. Hierbij moet eveneens rekening worden gehouden met de effecten gerelateerd met het voorkomen van de Ingekorven Vleermuis. Ter hoogte van De Spie en Blankenbergsesteenweg West zijn de effecten (naast het verkeersafwikkeling) voornamelijk gerelateerd aan de inname van landbouwareaal (zie hoger). De ontwikkeling van elk gebied op zich als geheel biedt volgende mogelijkheden: Geïntegreerde aanpak van de inrichting met mogelijkheid om bepaalde voorzieningen te regelen op niveau van het gehele bedrijventerrein zoals bijvoorbeeld waterbuffering, afvalwaterzuivering, afvalophaling, ; Meer garanties dat de randvoorwaarden vanuit het plan-mer (en mogelijk ook RUP) op een goede wijze worden geïmplementeerd, gezien deze gemakkelijker kunnen opgelegd worden aan één initiatiefnemer (= projectontwikkelaar voor het gehele bedrijventerrein) dan aan een groep van initiatiefnemers met elk hun eigen belangen; GOG Kerkebeek en omgeving Ten Briele Het GOG Kerkebeek zal een significant positief effect hebben op het huidige risico op overstromingen binnen het stroomgebied van de Kerkebeek ter hoogte van Sint-Michiels en omgeving Chartreuse. Indien bijkomende verharding in het stroomgebied wordt gerealiseerd, kan een versterking van de huidige overstromingsproblematiek leiden tot significant negatieve effecten. Daarnaast wordt door de ecologische inrichting van het GOG en het oeverinrichtingsproject de structuurkwaliteit van de Kerkebeek significant verbeterd. Gezien de realisatie van een wachtbekken op zich relatief weinig ingrijpend is, blijven de milieueffecten beperkt. Pagina 112 van 129
113 Algemene milieueffecten Vanuit het huidige ruimtegebruik vormt een herbestemming van het gebied een bestendiging van de huidige situatie en worden bijgevolg geen noemenswaardige milieueffecten verwacht. Een herbestemming gericht op het behoud van het huidige bos impliceert een betere bescherming van het gebied waardoor de ecologische waarde van het gebied kan geoptimaliseerd worden. Anderzijds is er een verlies aan KMO-zone en worden een aantal ontwikkelingen, met betrekking tot KMO-activiteiten verhinderd Locatie voor voetbalstadion en eventueel flankerend programma Een kwalitatief goede locatie voor de realisatie van een voetbalstadion en eventueel flankerend programma moet voldoen aan volgende aspecten: Goede ontsluiting, gericht op verschillende vervoerstypes (auto, fiets, openbaar vervoer); Beperkte impact voor de omgeving hoge draagkracht van de omgeving; Mogelijkheden qua architectuur en ontwerp, landschappelijk inpasbaar. Volgende criteria zijn dan ook belangrijk bij de afweging van de voorliggende locatiealternatieven: De bereikbaarheid van de site; Mogelijkheden inzake verkeersafwikkeling, ontsluiting gericht op verschillende vervoerstypes (auto, fiets, openbaar vervoer); Aanwezigheid van gevoelige receptoren (geluid-, lucht- en lichtverstoring); Ruimte-inname (verlies natuur en landbouw) en afgeleide effecten, gekoppeld aan een duurzaam ruimtegebruik; Aanwezige landschapsstructuur. Binnen de afweging wordt een onderscheid gemaakt tussen de effecten van een voetbalstadion enerzijds en de effecten van een voetbalstadion met een flankerend programma anderzijds. Aanvullend worden ook de opties beoordeeld om bij herlokalisatie ook de nieuwe site te laten gebruiken door Cercle Brugge en de jeugdopleidingen te groeperen op de nieuwe site. Algemene milieueffecten De milieueffecten voor realisatie van een voetbalstadion zijn enerzijds gerelateerd aan het ruimtebeslag en ermee gerelateerde effecten zoals versnippering, barrièrewerking, wijziging ruimtelijke en landschappelijke samenhang, wijziging perceptie en belevingswaarde, Deze effecten zijn zeer sterk locatieafhankelijk. Daarnaast zijn er de effecten ten gevolge van het gebruik van het stadion. Deze effecten zijn voor een groot gedeelte intrinsiek aan het stadion. Al naargelang de locatie varieert de aanwezigheid van verstoringsgevoelige receptoren (mens, fauna). Vanuit het principe van duurzaam ruimtegebruik kan gesteld worden dat een frequent gebruik van de infrastructuur een positief effect heeft. Veelvuldig gebruik van de infrastructuur verantwoordt immers beter de effecten ten gevolge van de aanwezigheid van de infrastructuur en de globale (ook financiële) investering voor de realisatie van de infrastructuur. Frequent gebruik is evenwel enkel verantwoord vanuit milieuoogpunt als de milieu-impact van het gebruik (hinderaspecten) voldoende kan worden gemilderd. Bij hoogfrequent gebruik van het stadion zijn geen significant negatieve milieueffecten te verwachten mits strikte naleving van de voorkomende en milderende maatregelen. Hier is veelvuldig en meervoudig gebruik zelfs aangewezen vanuit duurzaam ruimtegebruik Onafhankelijk van de locatie is er noodzaak aan een sterke ontsluiting via het openbaar vervoer / collectief vervoer ten behoeve van de sturing naar een meer duurzame modal split. Een evenement met aanwezigen creëert immers een dermate hoge verkeersbelasting dat deze op elke locatie zelfs deze gelegen vlakbij autosnelwegen voor een ernstige verkeerscongestie ervoor en erna zorgt. Pagina 113 van 129
114 Algemene milieueffecten De algemene milieueffecten nemen toe met de realisatie van een flankerend programma: in ruimte en tijd, vooral bij momenten waar activiteiten en verkeersstromen van het voetbalstadion en flankerend programma samen vallen; maar er zijn ook momenten, waar er geen voetbal is, dat de effecten van het flankerend programma voelbaar zijn (bijvoorbeeld lichtverstoring, ); de algemene milieueffecten, zoals onherroepelijke ruimte-inname, verstoring van de structurele relaties en ruimtelijk samenhang in de open ruimte. Gelet op de schaal en reeds sterk ingeperkte ruimte in de zuidelijke rand zijn de effecten er meer negatief; De aard van het programma is bepalend voor de omvang en frequentie van de effecten. Zo zullen parkeervoorzieningen in open lucht bij een winkelcentrum of kantorencomplex de omvang van lichtverstoring vergroten en kan de piekverkeersgeneratie in de tijd meermaals samenvallen bij het ruimtelijk samengaan van voetbalstadion en flankerend programma. Afweging zoeklocaties Gezien de huidige invulling van de site Jan Breydel is op basis van milieueffecten en duurzaam ruimtegebruik een herinrichting van deze site geschikt vanuit milieuoogpunt mits een afdoend mobiliteitsconcept kan worden uitgewerkt, met andere woorden een mobiliteitsconcept dat de leefbaarheid van de omgeving garandeert. De haalbaarheidsstudie onder leiding van de Vlaamse Bouwmeester betreffende de herstructurering van het Jan Breydelstadion en het advies uitgebracht door stedelijke ambtelijke adviesgroep geven hiertoe een eerste aanzet. Dit concept vormt in principe een verbetering ten opzichte van de huidige toestand, maar vangt hoogstwaarschijnlijk de sterke capaciteitsverhoging niet op. Hieraan gekoppeld is het zo dat de cumulatieve negatieve effecten groter worden wanneer het voetbalstadion op deze locatie gecombineerd wordt met andere activiteiten met een sterk verkeersgenererend effect. Qua flankerend programma is een zacht programma namelijk met laag verstorend / verkeersgenererend karakter aangewezen. De milieueffecten ter hoogte van de Spie en de Blankenbergsesteenweg West blijven door de aanwezigheid van infrastructuur beperkt. Rekening houdend met de huidige verstoring in het gebied en de afwezigheid van gevoelige receptoren in de nabije omgeving, worden voor De Spie ook de effecten tijdens de gebruiksfase als beperkt beoordeeld. Voor Blankenbergsesteenweg West worden de effecten tijdens de gebruiksfase ook als beperkt beoordeeld wanneer voor een noordelijke ligging van het stadion wordt gekozen en de nodige buffermaatregelen worden genomen ten aanzien van de nabije woningen. Een belangrijke randvoorwaarde betreft hier de ontsluiting van de site. Deze moet worden afgestemd met geplande ontwikkelingen ter hoogte van het gebied (realisatie AX ea). Op de concrete ontsluiting en de ruimtelijke impact ervan hebben we op vandaag geen zicht. Ten aanzien van het flankerend programma kan synergie gevonden worden met bedrijvigheid/kantoren, bvb inzake parkeerterrein. Indien rekening gehouden wordt met een aantal randvoorwaarden dan zijn deze beide locaties geschikt vanuit milieuoogpunt. Bij hoogfrequent gebruik van het stadion zijn geen significant negatieve milieueffecten te verwachten mits strikte naleving van de voorkomende en milderende maatregelen. Hier is veelvuldig en meervoudig gebruik zelfs aangewezen vanuit duurzaam ruimtegebruik. Voor deze sites geldt ook dat de ruimte aanwezig is om tot een volwaardige voetbalsite te komen (met jeugd- en oefenvelden, ook voor 2 clubs), naast de combinatie met bedrijvigheid zoals ook voorzien op de sites. Pagina 114 van 129
115 Algemene milieueffecten De locaties Chartreuse en Oostkampse baan houden beiden door hun ligging in de groene gordel een afname, versnippering en verstoring van deze groene gordel in. Hierdoor veroorzaken ze sowieso meer negatieve milieueffecten dan de locaties De Spie en Blankenbergsesteenweg West. De milieueffecten kunnen deels gemilderd kunnen worden door een aantal zeer restrictieve randvoorwaarden. Deze situeren zich op het vlak van beperken van verstoring, vermijden van cumulatieve effecten met andere ontwikkelingen in de groene gordel en duurzaam ruimtegebruik. De realiseerbaarheid van deze randvoorwaarden kan met de beschikbare kennis op vandaag niet gegarandeerd worden en zou afgetoetst moeten worden door middel van verder onderzoek. Zeer belangrijk zijn de cumulatieve effecten met overige ontwikkelingen. In elk van beide locaties kunnen de milderende maatregelen mogelijks (gelet op de leemte in kennis over de effectiviteit van de milderende en compenserende maatregelen ten aanzien van de vleermuizenkolonie) afzonderlijk doeltreffend zijn indien er aansluitend geen overige belangrijke stedelijke ontwikkelingen in de groene gordel worden voorzien. Maar hier kunnen we geen definitieve uitspraak over maken gelet op de leemten in kennis. De site Chartreuse biedt hierbij de beste kansen omdat meerdere aspecten hier in combinatie kunnen ingezet worden op een beperkte ruimte-inname en strakke bundeling, mits multifunctionele aanwending (kantorencomplex) en dit door: de betere aansluiting bij het stedelijk gebied, multifunctioneel ruimtegebruik van een stadion en reeds vooropgesteld complex van kantoren en kantoorachtigen, open inrichting van oefenvelden en strakke bundeling op de E40. De negatieve effecten worden enigszins gemilderd wanneer het programma zich beperkt tot louter een voetbalstadion en dit strak gelokaliseerd wordt tegen de E40 aan. De ligging van een voetbalstadion in het noorden van de stad of op Jan Breydel zal inderdaad meer voertuigkilometers veroorzaken dan een ligging in het zuiden van de stad. De afgeleide effecten emissies zijn evenwel verwaarloosbaar ten opzichte van de algehele effecten, ten gevolge van de grote omvang extra bezoekers en voorzien van een stadion met toeschouwers. Los van de hierboven beschreven conclusie kan wel gesteld worden dat een dubbel gebruik van het stadion (Club Brugge en Cercle Brugge) mogelijk is. De maatregelen voor de realisatie en het gebruik door één club gelden ook voor twee clubs. De significantie negatieve effecten nemen toe en de doeltreffendheid van de milderende maatregelen neemt af naarmate op deze locaties een flankerend programma wordt gekoppeld. In de effectbespreking en de bespreking van de milderende maatregelen is gebleken dat een flankerend programma een dermate irreversibele ruimte-inname betekent dat de meest doeltreffende milderende maatregelen een vrij absolute beperking van deze realisatie zouden inhouden of een zeer strak meervoudig gebruik van het stadion (kantoren en winkelcentrum in het zelfde gebouw). Combinatie met jeugd- en oefenvelden is waarschijnlijk wel toepasbaar met louter een voetbalstadion programma (mits zelfde voorwaardelijkheid en strikte toepassing van voorkomende en milderende en compenserende maatregelen in beschouwing wordt genomen), mits een ruimtelijke organisatie die de openheid van het gebied bewaakt in functie van de ruimtelijke en ecologische relaties. Maar hier kunnen we geen definitieve uitspraak over maken gelet op de leemten in kennis. 1.2 Structurele samenhang van het gebied Uiteraard zijn niet alle effecten te reduceren tot effecten gerelateerd met winst en verlies van functies en de kwaliteit van deze functies. Een andere cluster van effecten heeft te maken met het wijzigen van de structurele samenhang van het gebied. Indirect vormt de afbakeningslijn hierbij een kader dat een onderscheid maakt tussen gebieden waar een stedelijk beleid wordt gevoerd en gebieden waar een buitengebied beleid wordt toegepast. Hoewel de afbakeningslijn geen bestemmingswijziging op zich betekent, impliceert dit wel dat de structuurbepalende functies van het buitengebied gevrijwaard worden van een verdere verstedelijkingsdruk. Het plan betekent dus globaal een versterking van het stedelijk weefsel en van het stedelijk functioneren (diensten, stedelijke voorzieningen, ed.). Pagina 115 van 129
116 Algemene milieueffecten Enerzijds worden open ruimtegebieden ingenomen, wat lokaal de druk op de open ruimte verhoogt en zorgt voor een structurele aantasting van het open ruimtegebied. Zo betekenen de planelementen 21 - Chartreuse, 19 Vliegweg, 13 - Fabiolalaan en de zoeklocatie Oostkampse Baan een definitieve ruimte-inname ter hoogte van de groene gordel, een open ruimtegebied met een belangrijke corridorfunctie. Het gezamenlijk optreden van deze ruimte-inname brengt niet te milderen zeer significante effecten met zich mee. Zoals aangehaald in punt worden de woongebieden 1 Arendstraat, 4 Varsenare Noord, 8 Mispelaar, 10 Spermalie 2 en 11 Stakendijke Zwijnsgat grenzend aan de open ruimte gerealiseerd. De bedrijventerreinen 19 - Vliegweg, 20 Jabbeke West en 29 Sint-Elooi alsook 18 - Sint-Pietersplas De Spie Blankenbergsesteenweg West houden een grote ruimte-inname in en betekenen een structurele aantasting van het open ruimtegebied. Hoewel planelement 17 - Elfhoek een beperkte ruimte-inname betreft, blijkt dat zelfs na implementatie van de voorgestelde milderende maatregelen noemenswaardige milieueffecten optreden ten aanzien van de open ruimte. De negatieve milieueffecten kunnen enkel verder worden gemilderd door de bijkomende oppervlakte aan bedrijvigheid tot een minimum te beperken. Anderzijds bevat het plan een versterking en uitbreiding van een aantal bestaande groengebieden. Gezien de uitbreidingen grenzen aan bestaande bosgebieden en natuurgebieden versterkt dit de aanwezige bos- en natuurstructuur, wat positief is ten aanzien van de ruimtelijke structuur en samenhang. De afbakeningslijn valt op een aantal plaatsen samen met de grens van het zeehavengebied Brugge - Zeebrugge. Dit houdt in dat het havengebied gevrijwaard wordt van verstedelijkingsdruk en de ontwikkelingsmogelijkheden van de haven verzekerd blijven. 1.3 Mobiliteit Naast de winst of verlies aan functies en een impact op de structurele samenhang, geeft de realisatie van de voorliggende planelementen een belangrijke impact op de algemene verkeersafwikkeling binnen het regionaalstedelijk gebied. De realisatie van woongebieden, bedrijventerreinen en een voetbalstadion betekent namelijk de realisatie van een groot aantal activiteiten met een verkeersgenererend karakter. In het geval van woongebieden is dit veelal beperkt. Voldoende aandacht dient uit te gaan naar een vlotte en veilige ontsluiting via openbaar vervoer en voor zwakke weggebruikers zodat er een degelijk alternatief wordt geboden voor de auto-ontsluiting. De voorziene bedrijventerreinen ter hoogte van planelementen 19 - Vliegweg, 20 Jabbeke West, 29 Sint Elooi, 18 Sint-Pietersplas De Spie Blankenbergsesteenweg West en 21 Chartreuse hebben globaal een veel sterker verkeersgenererend karakter. In de conclusie per planelement wordt hierop verder ingegaan, maar algemeen kan gesteld worden dat een vlotte en veilige ontsluiting een belangrijk aandachtspunt vormt. Aanpassingen aan de lokale weginfrastructuur (kruispunten ed.) kunnen hierbij nodig zijn. Een ontsluiting gericht op verschillende vervoerstypes (auto, fiets, openbaar vervoer) vormt een belangrijk aspect waarbij een veilige en comfortabele fietsstructuur en een goede ontsluiting via openbaar vervoer voor de werknemers kernelementen zijn. Pagina 116 van 129
117 Algemene milieueffecten De realisatie van een voetbalstadion is een sterk verkeersgenererende activiteit. Naast een vlotte ontsluiting via de weg is er de noodzaak aan een sterke ontsluiting via het openbaar vervoer / collectief vervoer en een eigen vervoersplan. Een evenement met toeschouwers creëert immers een dermate hoge verkeersbelasting dat deze op elke locatie zelfs deze gelegen vlakbij autosnelwegen voor een verkeersinfarct ervoor en erna zorgt. Gezien treinen een veel hogere capaciteit hebben dan bussen en gezien deze onafhankelijk zijn van het wegverkeer (dus niet gehinderd worden door files op de weg), verdienen locaties nabij de spoorweg dan ook vanuit dit oogpunt de voorkeur. Indien zich geen station in de onmiddellijke omgeving bevindt, maar er wel spoorlijnen in de buurt gelegen zijn, is de realisatie van een evenementenstation aangewezen. Bediening met tram of bus met een eigen bedding kan hiervoor een alternatief vormen, maar deze vervoerswijzen worden gekenmerkt door een lagere capaciteit per voertuig wat een beperkende factor vormt. Pagina 117 van 129
118 2 Cumulatieve effecten 2.1 Algemeen Uit de bespreking van de algemene milieueffecten kunnen de cumulatieve effecten worden afgeleid. Deze situeren zich enerzijds op niveau van het regionaalstedelijke gebied. Daarnaast treden cumulatieve effecten op daar waar planelementen ruimtelijk samen voorkomen. De belangrijkste cumulatieve effecten situeren zich op het gebied van mobiliteit en de ervan afgeleide effecten (geluid, lucht, ) en natuur. Deze worden hierna weergegeven. Daarnaast komen eveneens de cumulatieve ten aanzien van overige disciplines kort aan bod. Wat betreft de mogelijke zoeklocaties voor een voetbalstadion en eventueel flankerend programma geldt op het vlak van de cumulatieve effecten dat naast de locatie Jan Breydel een onderscheid kan gemaakt worden tussen de locaties in het noorden (De Spie en Blankenbergsesteenweg West) en deze in het zuiden (Chartreuse en Oostkampse baan). Dit maakt dat de locaties voor een voetbalstadion en eventueel flankerend programma enerzijds bijdragen aan de algemene cumulatieve effecten op niveau van het regionaalstedelijk gebied en daarnaast de cumulatieve effecten beschouwd worden ten aanzien van specifieke planelementen of clusters van planelementen. Voor de noordelijke locaties worden de cumulatieve effecten met planelement 18 beschouwd en met verkeersgenererende ontwikkelingen geënt op de N31. Voor de zuidelijke locaties speelt voornamelijk de cluster Vliegweg Chartreuse Oostkampse Baan een belangrijke rol. Deze effecten worden verderop meer in detail besproken. 2.2 Verstedelijking Een eerste effect betreft de algemene verdere verstedelijking van het plangebied. Meer bepaald zal voornamelijk de realisatie van de verschillende woongebieden, bedrijventerreinen en een voetbalstadion en eventueel flankerend programma een verdere verharding en inname van open ruimte met zich meebrengen. Eén van de afgeleide effecten van de bijkomende verharding betreft de impact op de waterproblematiek. Bijkomende verharding betekent immers een afname aan infiltratiemogelijkheden waardoor de kans op wateroverlast toeneemt, zeker in huidige overstromingsgevoelige gebieden. Ten aanzien van het overstromingsrisico worden globaal genomen - geen cumulatieve effecten verwacht en dit omwille van de onderlinge afstand van de planelementen, de soms beperkte uitbreiding of bijkomende verharding van planelementen en uitgaande van de realisatie (en voldoende dimensionering) van de geformuleerde milderende maatregelen per planelement. Pagina 118 van 129
119 Cumulatieve effecten Uitzondering hierop wordt gevormd door de ontwikkelingen binnen het stroomgebied van de Kerkebeek. De realisatie van planelementen 21 - Chartreuse, 29 - Sint-Elooi, 12 - Leliestraat en in mindere mate planelement 28 - Opleidings- en trainingscentrum voor brandweer en politie te Zedelgem betekent een grote hoeveelheid bijkomende verharde oppervlakte en bijgevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Rekening houdend met de huidige overstromingsproblematiek binnen het stroomgebied van de Kerkebeek betekent de cumulatieve hoeveelheid verharding een zeer significant negatief effect ten aanzien van het overstromingsrisico. De planelementen kunnen pas ontwikkeld worden als tegelijkertijd voldoende flankerende maatregelen worden genomen om geen bijkomende belasting op het watersysteem te creëren. Een bijkomende belasting op het watersysteem kan deels worden vermeden door de voorgestelde maatregelen ter hoogte van de planelementen (maatregelen mbt infiltratie, buffering en vertraagde afvoer: zie deel 2 en deel 3). Bijkomend speelt de aanleg van het GOG Kerkebeek een belangrijke rol. De aanleg van het GOG Kerkebeek heeft in eerste instantie een functie ten aanzien van het oplossen van de huidige overstromingsproblematiek. Door de aanleg van het GOG verhoogt eveneens de buffercapaciteit binnen het stroomgebied. Wanneer het GOG voor of gelijktijdig met de ontwikkeling van deze planelementen wordt aangelegd, kan het GOG eveneens een rol spelen bij de opvang van de versnelde afvoer van hemelwater. Hierbij moet worden opgemerkt dat planelement 21 deels in een van nature overstromingsgevoelig gebied ligt en bijgevolg hoe dan ook een aantasting van de draagkracht van het watersysteem betekent. Bijkomende verharding betekent eveneens inname van open ruimtegebieden (zie ook winst en verlies aan functies). Daarnaast worden de overige openruimtegebieden meer omgeven door verstedelijking en stijgt de druk op deze gebieden. De ontwikkeling van de bedrijvigheid in 21- Chartreuse en 19 - Vliegweg, de zoeklocatie voetbalstadion Oostkampse Baan en het woongebied 13 - Fabiolalaan betekenen dat de open ruimte tussen het gebied Tillegem-Beisbroek enerzijds en Nieuwenhovebos, bossen Gruuthyse anderzijds in belangrijke mate ingenomen wordt. Hierdoor wordt de groene gordel als geheel structureel aangetast. De impact op de ecotoopinname en het versnipperend effect is omwille van het definitieve karakter van het ruimtebeslag en de aantasting van de groene gordel onherstelbaar en significant negatief. Zoals eerder aangehaald, vormt ook het habitatgebruik van de populatie Ingekorven vleermuis in dit gebied een belangrijk element. Naast de aantasting van de groene gordel gaat namelijk ook foerageergebied voor de Ingekorven vleermuis verloren. Rekening houdend met de leemte in kennis inzake habitatgebruik en effectiviteit van milderende maatregelen of randvoorwaarden, moet minstens het voorzorgsprincipe in acht worden genomen. Het meest significant zijn de cumulatieve effecten door combinatie met de aansnijding van de locatie Chartreuse en de locatie Oostkampse Baan. Op deze plaats is de corridorfunctie van de groene gordel het meest kwetsbaar en biedt het openhouden de meeste kansen tot behoud en versterking van de ecologische en ruimtelijke relaties. Precies beide gebieden zijn belangrijk geacht voor de beschermde vleermuizensoorten. Zowel voor de Chartreuse als voor Oostkampse Baan geldt dat op elke locatie afzonderlijk milderende en voorkomende maatregelen enigszins doeltreffend te nemen zijn, maar dat het beperken van verstoring en het vermijden van cumulatieve effecten met andere ontwikkelingen in de groene gordel van cruciaal belang zijn om significant negatieve milieueffecten verder te vermijden. Vast staat dat de combinatie van een voetbalstadion ter hoogte van Oostkampse Baan met bedrijvigheid ter hoogte van 21 - Chartreuse of 19 - Vliegweg vanuit milieuoogpunt niet te milderen cumulatieve significante negatieve effecten met zich meebrengt (irriversibel ruimtebeslag in een structurerende open ruimte). Het Vogelrichtlijngebied Poldercomplex en de zone voor natuurcompensatie Paddegat liggen in de nabije omgeving van planelementen 20, 20b en 17. Bij de ontwikkeling van deze zones vormt verstoring een kritische factor. Vanuit de passende beoordeling wordt gesteld dat ontwikkeling van deze gebieden slechts mogelijk is indien voldoende geluidsbufferende maatregelen kunnen genomen worden. Gezien in het Vogelrichtlijngebied, het Habitatrichtlijngebied en het pleistergebied verdrogingsgevoelige ecotopen (onder meer de permanente graslanden en rietkanten) voorkomen en hun grote belang voor foeragerende avifauna is verdroging een potentieel belangrijke effectengroep. Planelement 18 en de zoekzone Blankenbergsesteenweg West liggen in de nabije omgeving van het Vogelrichtlijngebied. Bij realisatie van planelement 18 en een voetbalstadion zijn verstoringseffecten belangrijk. Deze moeten vermeden worden door het stadion niet te Pagina 119 van 129
120 Cumulatieve effecten situeren nabij het Vogelrichtlijngebied (zie disciplines geluid en fauna en flora) en voldoende geluidsbufferende effecten (gesloten stadion). Anderzijds wordt de groenstructuur versterkt door de realisatie van de groengebieden Beisbroek, Tillegem, groenzone binnen Chartreuse, groengebied Siemenslaan en groenpool Ryckevelde/Maldebos en Gemene Weidebeek. Zoals aangehaald in hoofdstuk 1 houdt de verstedelijking vaak een inname aan landbouwareaal in. Ten aanzien van het totale verlies aan landbouwareaal kan een opdeling gemaakt worden in inname op korte termijn en op langere termijn: Op korte termijn (binnen de planperiode): ± 325 ha Op langere termijn (vanaf 2013): Blankenbergsesteenweg West (100 ha), Vliegweg (40 ha), Jabbeke west (10 50 ha) en Sint-Elooi (25 ha), waarbij de laatste 3 planelementen beschouwd worden als alternatieve locaties voor Blankenbergsesteenweg West Dit geeft een totaal verlies van 425 ha (korte termijn en Blankenbergsesteenweg West) tot maximaal 540 ha (korte en lange termijn, alle planelementen), wat aanzienlijk is. De nodige milderende maatregelen (zie hoger) zijn dan ook noodzakelijk. 2.3 Toename verkeersgeneratie Binnen de discipline mobiliteit worden volgende planelementen op mogelijke cumulatieve effecten beoordeeld. De planelementen 17-Elfhoek en 20-Jabbeke West (10 ha) genereren in het totaal 168 pae en worden ontsloten via het nabijgelegen op- en afrittencomplex E40 N377 te Jabbeke De Haan. Men stelt vast dat de nieuwe ontwikkelingen ca. 11% van de maximale conflictbelasting bedraagt. Gezien uit terreinwaarnemingen blijkt dat momenteel geen congestie optreedt, wordt aangenomen dat nog voldoende restcapaciteit beschikbaar blijft. Bij de ontwikkeling van Jabbeke West (20b) zal de verkeersbelasting hoger zijn. De beschikbare restcapaciteit is niet gekend. De sterke verkeersgeneratie van planelement 20b kan mogelijk een invloed hebben op de ontsluitingsmogelijkheden van planelement 17 Elfhoek tijdens de spits. De ontwikkeling van de woongebieden zal voor extra verkeer zorgen op de radiale invalswegen en de ring rond Brugge. Vermits de ring (R30) in de huidige situatie op bepaalde momenten (bvb avondspits) reeds verzadigd is, zorgt dit voor bijkomende problemen op vlak van doorstroming. Ook de N337 Astridlaan is in de huidige situatie verzadigd gedurende de spits. De ontwikkeling van de woongebieden 6, 7 en 8 kan extra problemen opleveren naar doorstroming op de N337. De ontwikkeling van de planelementen 10 en 11 (woongebied Spermalie 2 en Stakendijke- Zwijnsgat) zorgt voor extra verkeer op o.a. de N9 Maalse Steenweg Dorpsstraat Gentsesteenweg.. Het distributiepatroon is immers moeilijk in te schatten. De planelementen liggen op ruimere afstand van de stedelijke agglomeratie van de stad Brugge waardoor het effect op de N9 nabij de stad en de ring rond Brugge moeilijk kan bepaald worden. Daarnaast kan aangenomen worden dat heel wat verkeer via Oedelem-Beernem naar het hoofdwegennet (E40) zal rijden waardoor de verwachte intensiteiten zich diffuus zullen verspreiden over het wegennet. Beide planelementen kunnen leiden tot eerder beperkte doorstromingsproblemen op de Maalse Steenweg (matig negatief effect). Rekening houdend met het feit dat zowel een aantal planelementen als een aantal elementen uit het ontwikkelingsscenario geënt zijn op de N31 wordt binnen de discipline mobiliteit het cumulatieve verkeersgenererend effect begroot. Naast de huidige intensiteiten op de N31 en een autonome groei werd rekening gehouden met de ontwikkeling van bedrijvigheid ter hoogte van De Spie, Blankenbergsesteenweg West en Blauwe toren Noord. Hieruit blijkt dat met een wegcapaciteit van 3600 pae/uur per richting indien alle ongelijkvloerse kruispunten zijn weggewerkt er nog een beperkte restcapaciteit is op de N31 in zuidelijke richting en er nog een ruime restcapaciteit tijdens de avondspits is op de N31 in noordelijke richting. Indien de ongelijkvloerse kruispunten niet zijn weggewerkt is er een ruime overschrijding van Pagina 120 van 129
121 Cumulatieve effecten de wegcapaciteit met files als gevolg (significant negatief effect). Rekening houdend met de ontwikkelingen ter hoogte van Chartreuse betekent dit dat mogelijk een overschrijding van de restcapaciteit op de N31 in zuidelijke richting optreedt. De realisatie van een voetbalstadion is een sterk verkeersgenererende activiteit en creëert een dermate hoge verkeersbelasting dat deze op elke locatie zelfs deze gelegen vlakbij autosnelwegen voor een verkeersinfarct zorgt. Hierbij zijn een sterke verschuiving in de modal split, infrastructurele en organisatorische maatregelen nodig. Indien voetbalwedstrijden gelijktijdig optreden met overige sterk verkeersgenererende functies, zijn de verkeerseffecten, ook na het nemen van milderende maatregelen, significant negatief voor de vijf geëvalueerde locaties.. Binnen de discipline mobiliteit (deel 3) werd voor de verschillende locatiealternatieven gekeken welk flankerend programma nog mogelijk is, rekening houdend met de overige ontwikkelingen op de N31. Hieruit blijkt dat de mogelijkheden zeer beperkt tot afwezig zijn. Naast de mogelijke cumulatieve effecten op het vlak van mobiliteit, zijn indirecte cumulatieve effecten mogelijk als gevolg van de bijkomende verkeersgeneratie en dit op het vlak van geluidsbelasting, luchtkwaliteit en ruimtelijke kwaliteit. Op vlak van geluidsbelasting worden volgende cumulatieve effecten aangehaald: De ontwikkeling van de woongebieden zal voor extra verkeer zorgen op de invalswegen en de ring rond Brugge. Het is echter kwantitatief moeilijk in te schatten hoe deze verkeersstromen zullen lopen, maar er kan voor de invalswegen en de ring een verhoging van het wegverkeersgeluid optreden. Dit effect moet worden genuanceerd gezien een verhoging van het geluid met 3 db(a) slechts optreedt wanneer de verkeersintensiteit verdubbelt op deze wegen. De ontwikkeling van de woongebieden 6 Julien Saelens, 7 Klein Appelmoes en 8 Mispelaar zal meer verkeer genereren op de N337 Astridlaan. Een mogelijke verhoging van het wegverkeergeluid kan hier optreden. Ook hier moet dit effect worden genuanceerd gezien een verhoging van het geluid met 3 db(a) slechts optreedt wanneer de verkeersintensiteit op de N337 Astridlaan verdubbelt en de N337 in de huidige situatie reeds een druk bezette weg is. De ontwikkeling van de planelementen 10 Spermalie 2 en 11 Stakendijke-Zwijnsgat zorgt voor extra verkeer op de N9 Maalse Steenweg Dorpsstraat Gentsesteenweg. Een mogelijke verhoging van het wegverkeergeluid kan hier optreden. Door de ligging in elkaars onmiddellijke nabijheid kan de ontwikkeling van het planelement 19 Vliegweg een matig negatief effect hebben op de woonuitbreiding in planelement 13 - Fabiolalaan. Maar zoals ook als maatregel aangehaald, kan een geluidsscherm, gronddam of afscherming door gebouwen hier een oplossing bieden. Er zijn geen geluidseffecten te verwachten ten gevolge de inplanting van het voetbalstadion en eventueel flankerend programma op de planelementen waar er nieuwe woongelegenheden worden voorzien. Enkel voor planelement 13 Fabiolalaan zal er een effect van minder dan 3 db(a) optreden tengevolge het wegverkeer op de E40 indien de inplanting is voorzien ter hoogte van de zoeklocaties Oostkampse Baan of Chartreuse. Indien zowel 21 - Chartreuse als Oostkampse baan worden ontwikkeld, zal voornamelijk door de toename van het verkeer interferentie optreden. Het is echter moeilijk dit te kwantificeren. Een uitbreiding van het Jan Breydelstadion zal een duidelijk negatief effect hebben op planelement 5 Sint-Annadreef. Er worden, met uitzondering voor het planelement De Spie gelegen nabij het haventerrein Pathoekeweg, geen cumulatieve effecten verwacht qua industrielawaai voor de verschillende bedrijventerreinen omdat de afstand tussen de verschillende planelementen met voorziene bedrijvigheid te ver van elkaar liggen. Voor de andere gebieden zijn de onderlinge afstanden te groot en zal het voornamelijk het gegeneerd verkeer zijn, dat een cumulatief effect kan veroorzaken. Pagina 121 van 129
122 Cumulatieve effecten De planelementen met betrekking tot wonen, bedrijvigheid en stedelijke activiteiten hebben allen een verkeersgenererend effect. De verkeersbelasting ter hoogte van ontsluitingswegen neemt bijgevolg toe evenals de verkeersemissies. De verkeersemissies als gevolg van de ontwikkeling van de verschillende planelementen vormen een bijkomende belasting ten aanzien van de huidige luchtkwaliteit die momenteel reeds gekenmerkt wordt door een vrij hoge belasting. Het aantal overlappingen (wegen met een toename van verkeersemissies waarbij de invloedssfeer van de toegenomen emissies overlapt) is gering, zodat slechts beperkte cumulatieve effecten van de verkeersimmissies te verwachten zijn. Rekening houdend met de hoge belasting vormt het maximaal inzetten op het gebruik van openbaar vervoer en langzaam verkeer (voetgangers en fietsers) een belangrijke milderende maatregel. Binnen de discipline lucht werd in het bijzonder aandacht besteed aan de luchtkwaliteit langsheen de N31. Uit de berekende waarden blijkt dat zowel in de referentie als in de toekomstige situatie de kwaliteitsdoelstellingen voor NO 2 en fijn stof niet worden gerespecteerd. In de referentiesituatie worden de immissiegrenswaarden bereikt op een afstand van 300 m. Dit wil zeggen dat op een afstand van minder dan 300 m van de N31, de luchkwaliteitsdoelstellingen overschreden worden. In de toekomstige situatie bedraagt deze afstand circa 350 m. Voor volgende planelementen worden cumulatieve effecten ten aanzien van ruimtelijke kwaliteit en ruimtelijke samenhang vastgesteld: De mogelijke ontwikkelingen ten noorden en ten oosten van Loppem zijn een ernstige bedreiging voor de leefbaarheid van de kern. Een voetbalstadion met eventueel flankerend programma (Oostkampse Baan of Chartreuse), kantorencomplex (21 - Chartreuse) en mogelijke bedrijvigheid ter hoogte van 19 - Vliegweg leidt er toe dat de kern van Loppem gedeeltelijk wordt ingesloten door sterk verkeersgenererende activiteiten met mogelijks zeer significant negatieve effecten als gevolg De woningen langs de Stationsstraat te Jabbeke (ten zuiden van Stalhille) kunnen als gevolg van de ontwikkelingen van 17 - Elfhoek en 20 - Jabbeke West extra hinder ondervinden, wat (afhankelijk van de activiteiten) de leefbaarheid kan beïnvloeden. 2.4 Dubbele aanspraak op eenzelfde gebied Uit beschrijving van de verschillende planelementen en de ruimtelijke situering (kaart 1a en b) blijkt dat de planelementen onderling niet overlappen. Dit betekent dat inzake ruimte-inname de realisatie van het een planelement de realisatie van een ander niet negatief beïnvloed. Grote uitzondering hierbij zijn de zoeklocaties voor een voetbalstadion en eventueel flankerend programma De Spie, Blankenbergsesteenweg West en Chartreuse. Het realiseren van een voetbalstadion en eventueel flankerend programma zou ene beperking betekenen voor de ontwikkeling van deze gebieden als bedrijventerrein. Voor De Spie en Chartreuse kan dit gezien de beschikbare oppervlakte, afhankelijk van het concrete programma, leiden tot een zeer sterke beperking van de mogelijkheden als bedrijventerrein. Pagina 122 van 129
123 Cumulatieve effecten Pagina 123 van 129
124 3 Verdere onderzoeksvragen 3.1 Algemeen Bij het uitwerken van de milieueffecten van voorliggend plan worden specifieke leemten in de kennis vastgesteld. Gezien het gaat om een effectbeoordeling op planniveau wordt niet uitgegaan van de detailleringsgraad die een project typeren. We gaan uit van de vrij algemene informatie inzake de verschillende planelementen. Dit maakt wel dat bepaalde effecten op dit moment nog niet begroot worden. Zo zijn de effecten als gevolg van het aanleggen van de geplande infrastructuur (bvb. begroting en evaluatie van werfverkeer, uitwerking van werfwegen, impact van verstoring (geluid, lucht, licht, ) tijdens de aanlegfase, tijdelijke opslag van gronden en opmaak grondbalans, concrete beoordeling van het zettingsrisico, concrete inrichtingsmaatregelen mbt restgronden, ) niet opgenomen. Het betreft hier echter gegevens die de detailleringsgraad die een project typeren en bijgevolg weinig relevant zijn voor de effectbeoordeling binnen een plan-mer. Het ontbreken van deze informatie wordt dan ook niet als een leemte in de kennis beschouwd. Bovendien wordt binnen de verschillende disciplines vaak gewerkt met bepaalde aannames of gemiddelde cijfers. Op deze manier kan een effectbeoordeling worden opgesteld. Bovendien formuleert het plan-mer ten behoeve van de latere concretisering in de vorm van een project de nodige aanbevelingen en aandachtspunten. Ten aanzien van het thema wonen bijvoorbeeld wordt voor de woondichtheid die op het terrein zal gerealiseerd worden, bouwtype, bouwhoogte, onder meer het algemene richtcijfer van 25 woningen per hectare gehanteerd. Dit planniveau biedt het voordeel om randvoorwaarden en maatregelen op te leggen opdat de negatieve effecten van het plan gemilderd kunnen worden vanuit milieuoogpunt. Binnen de geplande ontwikkeling van bedrijventerreinen is op dit ogenblik gekend welke bedrijfstypes zich kunnen vestigen. Informatie over de concrete bedrijven met een concrete bedrijfsvoering is nog niet gekend. Dit maakt dat de effectbespreking voornamelijk toegespitst is op de ruimte-inname en aanwezigheid van gevoelige receptoren in de omgeving en dat enkel algemene effecten inzake lucht-, bodem- of waterkwaliteit kunnen beoordeeld worden. Ook hier worden vanuit de milieubeoordeling maatregelen voorgesteld om mogelijke effecten te milderen en maximaal te bufferen. Een belangrijk aspect met betrekking tot het onderzoeksniveau situeert zich op het vlak van de afweging van de verschillende zoeklocaties voor een voetbalstadion en eventueel flankerend programma. Om tot een vergelijkbare analyse van de locatiealternatieven te komen wordt gewerkt met een trapsgewijze objectiverende screening. Deze analyse maakt twee uitspraken mogelijk. Ten eerste een vergelijking van de effecten van het behoud (en uitbreiding) van het huidige station ten opzichte van een herlokalisatie. Ten tweede een vergelijking van de effecten volgens locatiealternatief. Om de vergelijkbaarheid te bewaken is het van belang een aanname te maken van het programma van eisen, in het bijzonder de ruimtelijke component hiervan (het ruimtebeslag van het stadion en bijhorende infrastructuur, parkeergelegenheden en interne wegeninfrastructuur (buffercapaciteit om piekbewegingen op te vangen bij aankomst) enerzijds en uitsluitende criteria (sterk grenstellende of voorwaardenstellende elementen omwille van kwetsbare natuur- en landschapswaarden, ). Pagina 124 van 129
125 Verdere onderzoeksvragen Hierbij wordt uitgegaan van een algemeen programma, met vrijheidsgraden inzake ontwerp en structuur, bijkomend programma (recreatief, commercieel, ), technische uitvoeringsgegevens, en is de afweging in hoofdzaak gebeurt op basis van de milieueffecten gerelateerd aan ruimtebeslag (verlies van ecologisch waardevolle percelen, verlies van sportvelden voor recreatief gebruik, onteigening van woningen, ) en ermee gerelateerde effecten zoals versnippering, barrièrewerking, wijziging ruimtelijke en landschappelijke samenhang, wijziging perceptie en belevingswaarde, Daarnaast is rekening gehouden met effecten (verstoring) door het gebruik van de infrastructuur (geluid, verkeersafwikkeling, licht, ) en dit in relatie tot de aanwezigheid van gevoelige receptoren. 3.2 Specifieke leemten in kennis In nagenoeg alle disciplines komen onzekerheden voor betreffende het programma, de omgeving of effectrelaties. Een aantal onzekerheden is zoals hierboven aangehaald verbonden met het onderzoeksniveau en vormt binnen het plan-mer geen belemmering om een beschrijving en beoordeling van de te verwachten effecten te geven. Zoals eveneens hierboven aangehaald kan hierbij worden uitgegaan van bepaalde aannames of worden aandachtspunten voor verdere concretisering geformuleerd. Voor een aantal planelementen werden binnen enkele disciplines onzekerheden vastgesteld, relevant op planniveau. Deze worden hieronder aangehaald. Binnen de discipline mobiliteit zijn geen concrete gegevens gehanteerd over de verkeersgeneratie van bestaande activiteiten of verkeersintensiteiten en -afwikkeling van het lokale wegennet ter hoogte van de planelementen. Voor de berekening van het verkeersgenererend karakter wordt steeds uitgegaan van algemene kengetallen uit de literatuur en worden aannames gemaakt voor wat betreft de ruimtelijke spreiding van het verkeer. De impact van de verkeerstoename op het functioneren van de wegen is gebeurd op basis van kengetallen al naargelang het type weg en waar mogelijk getoetst aan eigen observaties aangaande de huidige verkeersbelasting. Wanneer uit eigen observaties of omwille van het hoge verkeersgenererend karakter de restcapaciteit mogelijks onvoldoende zal zijn, werden bijkomende verkeersgegevens opgevraagd. Voor een aantal planelementen wordt een aanpassing van de weginfrastructuur voorgesteld als milderende maatregel. Hierbij is de wijze waarop aansluitingen (knooppunten) of wegvakken moeten worden gereorganiseerd of heraangelegd niet gekend. Dit houdt in dat geen uitspraken gemaakt zijn over de precieze ruimtelijk situering voor de (re)organisatie van dergelijke punten. Voor een aantal planelementen blijven één of meerdere leemten aanwezig: Voor planelement 17 Elfhoek en 20 Jabbeke west zijn geen gegevens beschikbaar over de huidige verkeersintensiteit en verkeersafwikkeling ter hoogte van de rotondes langs de N377. Het is het niet duidelijk of er nog voldoende restcapaciteit is om een vlotte verkeersafwikkeling te garanderen op de zuidelijke rotonde bij realisatie van 20b en de cumulatieve effecten van de planelementen kunnen moeilijk worden ingeschat. Voor planelement 19 Vliegweg zijn geen gegevens voorhanden voor wat betreft de huidige verkeersintensiteit ter hoogte van de N50, Siemenslaan en het op- en afrittencomplex E40 ter hoogte van Oostkamp. Voor planelement 29 Sint-Elooi zijn geen gegevens beschikbaar over de verdeling van het gegenereerde verkeer en de huidige intensiteiten op de N368. Planelement 28 bevat een aantal onzekerheden inzake het programma. Zo zijn geen gegevens beschikbaar inzake het aantal cursisten. Pagina 125 van 129
126 Verdere onderzoeksvragen De leemten in kennis binnen de discipline mobiliteit hebben onder meer hun weerslag binnen de discipline geluid waar de bijkomende geluidsbelasting ter hoogte van de planelementen niet exact kon worden berekend. De effectbeoordeling werd daarom kwalitatief opgebouwd. In een aantal gevallen is het ontbreken van een kwantitatieve beoordeling minder relevant, bijvoorbeeld indien geen gevoelige receptoren in de nabije omgeving aanwezig zijn. Voor de planelementen met een sterk verkeersgenererend karakter waar gevoelige receptoren in de onmiddellijke omgeving aanwezig zijn, worden volgende leemten vastgesteld om een meer gedetailleerde en kwantitatieve effectbeoordeling te kunnen maken: Voor planelement 19 Vliegweg zal de ontsluiting via de Lareweg N50 Siemenslaan een bijkomende geluidshinder betekenen voor de wijk Nieuwhove en ook voor de woningen langs de N50. Voor een concrete kwantificering van de bijkomende geluidsbelasting zijn verkeerstellingen nodig voor de N50 ter hoogte van deze woningen. Voor planelement 20/20b Jabbeke West en 17 Elfhoek kan de bijkomende geluidsbelasting ten aanzien van onder meer het Vogelrichtlijngebied enkel kwalitatief worden beoordeeld. Een kwantitatieve beoordeling is enkel mogelijk indien de procentuele toename van het verkeer gekend is. Voor planelement 29 Sint-Elooi is het niet mogelijk om een inschatting te maken van het effect op het omgevingsgeluid gezien nog geen concrete invulling van het terrein gekend is. De extra geluidsbelasting als gevolg van het gegenereerde verkeer kan begroot worden gezien de huidige verkeersintensiteit niet gekend is. Voor planelement 28 opleidings- en trainingscentrum voor brandweer en politie te Zedelgem kon de geluidsbelasting als gevolg van het gegenereerde verkeer niet worden berekend. Gezien geen concrete dimensionering van de verharde oppervlakte en gebruikte materialen beschikbaar is, is het niet mogelijk om binnen de discipline water de dimensionering van milderende maatregelen inzake buffering aan te geven. Dit staat een beoordeling van de effecten echter niet in de weg. Ter hoogte van planelementen 3 Zuidervaartje en 6 Julien Saelens is een overstromingsproblematiek aanwezig. Rekening houdend met de principes van integraal waterbeheer is verder onderzoek naar mogelijke oplossingen en de invloed hierop en meer specifiek naar de begroting van het verlies aan komberging voor deze problematiek aangewezen. Indien dit niet gebeurt, geldt als milderende maatregel dat de huidige komberging volledig wordt gecompenseerd binnen het gebied. Een andere belangrijke leemte situeert zich binnen de discipline fauna en flora en betreft de impact op foerageergebied voor de Ingekorven Vleermuis ter hoogte van planelement 21 Chartreuse en de zoeklocatie Oostkampse Baan. Door ontwikkeling van bedrijvigheid of de realisatie van een nieuw voetbalstadion gaat foerageergebied voor de Ingekorven vleermuis verloren. Omdat er echter weinig informatie beschikbaar is over het habitatgebruik van deze soort in het projectgebied en de omgeving ervan, is het belang ervan met de huidige informatie moeilijk in te schatten. Bijkomend onderzoek is dan ook nodig. Er wordt verwacht dat indien bij inrichting en beheer van de overige zones binnen het planelement rekening gehouden kan worden met de habitatvereisten van deze soort, dit effect beperkt wordt. Hierbij moet echter de kanttekening gemaakt worden dat niet alleen weinig informatie beschikbaar is over het habitatgebruik ter hoogte van het plangebied, maar dat er tevens geen ervaring beschikbaar is in Vlaanderen over effectieve milderende maatregelen of randvoorwaarden. Ook hierbij bestaat de noodzaak aan verder onderzoek. Rekening houdend met de beperkte kwantitatieve gegevens en gezien geen concrete programma s beschikbaar zijn, is het niet mogelijk om binnen deze discipline de dimensionering van milderende maatregelen inzake buffering aan te geven (bvb breedte van de buffer tussen eventueel voetbalstadion ter hoogte van Chartreuse en noordelijk VEN-gebied). Pagina 126 van 129
127 Verdere onderzoeksvragen Binnen de discipline mens ruimtelijke aspecten is een eerste beoordeling gegeven inzake het verlies aan landbouwareaal. Gezien het ontbreken van gegevens uit een landbouwgevoeligheidsanalyse of een landbouweffectenrapport (LER) op individueel bedrijfseconomisch niveau kunnen geen concrete maatregelen of aanbevelingen worden geformuleerd. Indien verwacht wordt dat het economisch verlies aan landbouwareaal zeer negatief is, wordt de opmaak van een landbouwgevoeligheidsanalyse of een landbouweffectenrapport (LER) aanbevolen en wordt verwezen naar mogelijkheden om een begeleidend en flankerend beleid ten aanzien van de betrokken landbouwers uit te werken. Gezien het ontbreken van gegevens uit een landbouwgevoeligheidsanalyse of een landbouweffectenrapport (LER) op individueel bedrijfseconomisch niveau worden geen concrete maatregelen of aanbevelingen geformuleerd. De intrinsieke ruimtelijke kwaliteit wordt bepaald door de invulling van het gebied en kan pas beoordeeld worden nadat een inrichtingsplan is opgemaakt. Dit is momenteel niet beschikbaar voor de te beoordelen planelementen en vormt aldus een belangrijke leemte in de kennis. Deze leemte wordt ondervangen door in de milderende maatregelen de opmaak van een inrichtingsplan voor ieder van de planelementen aan te bevelen. In heel wat voorschriften is de opmaak van een inrichtingplan bij de vergunningsaanvraag opgenomen. Pagina 127 van 129
128 4 Samenvatting Passende Beoordeling en Verscherpte Natuurtoets Binnen de Passende Beoordeling gebeurt een effectbeoordeling ten aanzien van het Vogelen Habitatrichtlijngebied en overige soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor het woongebied 1 - Arendstraat zijn er geen significante effecten ten aanzien van het Vogelrichtlijngebied, mits een aantal randvoorwaarden. Deze zijn het behoud van het openruimte gebied ten noorden van het planelement, het vermijden van verdroging door bemaling en van verstoring van vleermuizen, gezien het nabije Fort van Beieren. Voor de bedrijventerreinen 17 - Elfhoek en 20 - Jabbeke West is vooral verstoring van belang. Voor het bedrijventerrein 17 - Elfhoek is de ontwikkeling van de zone ten noorden en noordoosten van de bestaande bedrijvigheid slechts mogelijk mits een goede landschappelijke en auditieve buffering langs noord- en oostzijde en enkel een type bedrijvigheid dat weinig geluid produceert. Daarnaast zijn het beperken van verlichting en gebruik van neerwaarts gerichte armaturen met minimale lichtverstrooiing (zie discipline fauna en flora) nodig. Voor planelement 20 - Jabbeke West (10 ha) ontstaan geen significante negatieve effecten mits een voldoende geluidsbuffering. De realisatie van planelement 20b - Jabbeke west (50 ha) zal echter tot een significant negatieve verstoring van de natuurcompensatiezone Paddegat leiden. Daarnaast moet mogelijke verdroging door bemaling vermeden worden. De ontwikkeling van planelement 18 - Sint-Pietersplas De Spie Blankenbersesteenweg West (18), zonder voetbalstadion, zal niet leiden tot significante effecten, mits milderende maatregelen gericht op vermijden van verdrogings- en verstoringseffecten. Om de omgeving van Blauwe Toren na ontwikkeling tot bedrijventerrein doorsteekbaar te houden voor Meervleermuis en andere vleermuizensoorten, zijn voldoende corridors nodig. Bij realisatie van een voetbalstadion ter hoogte van Blankenbersesteenweg West zijn verstoringseffecten belangrijk. Door dit stadion niet te situeren nabij het Vogelrichtlijngebied en voldoende geluidsbufferende effecten worden negatieve effecten vermeden. De ontwikkeling van groengebieden groenpool 22 - Ryckevelde/Malebos, Gemene Weidebeek 23 - Beisbroek 25 - Siemenslaan 24 - Tillegem en gedeeltelijk 21 -Chartreuse leiden niet tot significant negatieve effecten. Tenslotte zijn ook voor het militair domein Zedelgem (28) geen significant negatieve effecten mits in acht name van een aantal voorzorgsmaatregelen, met name vermijden van brandoefeningen in droge periodes, vermijden van lawaaiproducerende activiteiten binnen broedseizoen en van verdrogingseffecten tav Vloethemveld. Pagina 128 van 129
129 Samenvatting Passende Beoordeling en Verscherpte Natuurtoets Voor het planelement 21 - Chartreuse en de zoeklocaties voetbalstadion Chartreuse en Oostkampse baan moet rekening gehouden worden met de impact op een kolonie van Ingekorven vleermuis. Deze gebieden maken zeer waarschijnlijk deel uit van een belangrijk foerageergebied voor de zogende vrouwtjes. Voor deze locatie kan zonder verder onderzoek ten aanzien van het huidige voorkomen van en de mogelijke impact van milderende maatregelen op de vleermuizen (nagaan hoe milderende maatregelen kunnen uitgewerkt worden en welke hun effectiviteit is) niet eenduidig gesteld worden of de site kan ontwikkeld worden mits randvoorwaarden zodat er geen betekenisvolle aantasting van de populatie Ingekorven vleermuis ontstaat omwille van verlies aan foerageergebied. Hierbij moet tevens verwezen worden naar het voorzorgsbeginsel. Een flankerend programma dat wordt voorzien buiten het eigenlijke voetbalstadion vormt een bijkomende inname en verstoring van de jachtterritoria. Binnen de Verscherpte Natuurtoets wordt de effecten op basis van VEN beoordeeld. De ecologische opwaardering van het planelement 22 - Ryckevelde en de realisatie van de groengebieden leiden tot een versterking van de groenstructuur waarbinnen een aantal VENgebieden gesitueerd zijn. Bij realisatie van de zone voor openbaar nut en gemeenschapsvoorziening in het planelement 21 - Chartreuse moet verstoring en verdroging van het aangrenzende VEN-gebied vermeden worden. Ten aanzien van de Chartreuse als mogelijke locatie voor een voetbalstadion zijn een inplanting zo dicht mogelijk bij de autosnelweg en een afdoende buffering nodig om verstoringseffecten van het VEN-gebied te vermijden. Pagina 129 van 129
Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan AFBAKENING VAN HET STRUCTUURONDERSTEUNEND KLEINSTEDELIJK GEBIED KNOKKE-HEIST
Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan AFBAKENING VAN HET STRUCTUURONDERSTEUNEND KLEINSTEDELIJK GEBIED KNOKKE-HEIST DEFINITIEVE VASTSTELLING SEPTEMBER 2011 STEDENBOUWKUNDIGE VOORSCHRIFTEN Inhoudstafel
DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het decreet van 25 januari 2014 betreffende het onroerend erfgoed;
Besluit van de Vlaamse Regering houdende voorlopige vaststelling van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Openruimtegebieden Beneden-Nete DE VLAAMSE REGERING, Gelet op de Vlaamse Codex
DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het decreet van 25 januari 2014 betreffende het onroerend erfgoed;
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de voorlopige vaststelling van het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Scheldepolders Hingene in Bornem DE VLAAMSE REGERING, Gelet op de Vlaamse
Besluit van de Deputatie
3e Directie Dienst 33 Ruimtelijke ordening en Stedenbouw aanwezig André Denys, gouverneur-voorzitter Besluit van de Deputatie Alexander Vercamer, Marc De Buck, Peter Hertog, Jozef Dauwe, Eddy Couckuyt,
gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge
gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge Bijlage II: stedenbouwkundige voorschriften Definitief Definitief gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening regionaalstedelijk
Kaart 1: Ruimtelijke visie op Vlaanderen (RSV)
Kaart 1: Ruimtelijke visie op Vlaanderen (RSV) PRUP regionaal bedrijventerrein Kaart 2: Selectie economische knooppunten en economisch netwerk (RSV) PRUP regionaal bedrijventerrein Kaart 3: Planningsprocessen
Omzendbrief RO/2010/01
Omzendbrief RO/2010/01 Aan: de colleges van burgemeester en schepenen de deputaties van de provincies Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport Koning Albert II-laan
Provincieraadsbesluit
directie Ruimte dienst Ruimtelijke Planning dossiernummer: 1602849 Provincieraadsbesluit betreft verslaggever Sint-Gillis-Waas - PRUP 'Reconversie verblijfsrecreatie Sint-Gillis-Waas fase 1' Definitieve
STAD BRUGGE Assebroek
STAD BRUGGE Assebroek Oktober 2011 Mercedes Van Volcem RUIMTE VOOR GROEN landbouw natuur - bos 3 open ruimte RUPs A A. gebied ten noorden van het Zuidervaartje B. gebied ten zuiden van de Kerkdreef C.
Provincieraadsbesluit
directie Ruimte dienst Ruimtelijke Planning dossiernummer: 1505496 Provincieraadsbesluit betreft verslaggever Stekene en Sint-Gillis-Waas - PRUP 'Reconversie verblijfsrecreatie Stekene en Sint-Gillis-Waas
4. RUP voor herbestemming woonuitbreidingsgebied ten zuiden van de Kerkdreef
1. RUP Noorweegse Kaai Het plangebied situeert zich in Sint-Jozef, tussen de Koolkerkse Steenweg en de Damse Vaart. Het RUP omvat de vroegere fabriekssite Structo langs de Damse Vaart en de aanpalende
RUP Kanaalzone West Wielsbeke. Bewonersvergadering OC Leieland 24/08/2016
RUP Kanaalzone West Wielsbeke Bewonersvergadering OC Leieland 24/08/2016 Inhoud Wat is een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP)? Welke plannen worden vervangen? Situering van het plangebied Hoger beleidskader
PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN
PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Vergadering van 22 februari 2018 Verslag van de deputatie Bevoegd deputatielid: Luk Lemmens Telefoon: 03 240 52 65 Agenda nr. 2/1 Uitvoering RSPA : PRUP Afbakening kleinstedelijk
gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge
gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge Bijlage III: toelichtingsnota (tekst) Definitief Definitief gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening regionaalstedelijk
PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN
PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Vergadering van 26 januari 2017 Verslag van de deputatie Bevoegd deputatielid: Luk Lemmens Telefoon: 03 240 52 65 Agenda nr. 2/1 Uitvoering RSPA : PRUP De Beunt Lier voorlopige
RUP Zonevreemde recreatie. Toelichting Bevolking
RUP Zonevreemde recreatie Toelichting Bevolking 11 juni 2018 RUP Is een uitvoering van het Gemeentelijke Ruimtelijke Structuurplan (GRS) Vervangt het gewestplan Bestaat uit een grafisch plan en bijhorende
Plan-MER RUP afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge
Plan-MER RUP afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge Scopingnota Definitief Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed Afdeling Ruimtelijke Planning Grontmij Vlaanderen Gent,
ADVIES VAN 28 JANUARI 2015 OVER HET VOORONTWERP RUP INSTEEKHAVEN LUMMEN
ADVIES VAN 28 JANUARI 2015 OVER HET VOORONTWERP RUP INSTEEKHAVEN LUMMEN SARO KONING ALBERT II-LAAN 19 BUS 24 1210 BRUSSEL INHOUD I. SITUERING... 2 II. ALGEMENE BEOORDELING... 3 III. UITGEBREID PLANNINGS-
GEMEENTELIJK RUIMTELIJK STRUCTUURPLAN ASSENEDE. ONTWERP GRS Bindend deel
GEMEENTELIJK RUIMTELIJK STRUCTUURPLAN ASSENEDE ONTWERP GRS Bindend deel Identificatienummer : 104792414/kja Datum Status/beschrijving revisie Paraaf 21.05.2007 Voorontwerp GRS 2007 jpa 20.03.2008 Ontwerp
RUP Leestenburg Brugge
DIENST RUIMTELIJKE ORDENING SECTOR UNESCO RUP Leestenburg Brugge Bewonersvergadering conferentiezaal stadhuis 30/09/2015 Inhoud Wat is een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP)? Situering van het plangebied
Besluit van de Vlaamse Regering tot goedkeuring en instelling van het landinrichtingsproject Moervaartvallei
Besluit van de Vlaamse Regering tot goedkeuring en instelling van het landinrichtingsproject Moervaartvallei DE VLAAMSE REGERING, Gelet op het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting, artikel
RUP Hernieuwenburg Wielsbeke. Bewonersvergadering OC Hernieuwenburg 24/08/2015
RUP Hernieuwenburg Wielsbeke Bewonersvergadering OC Hernieuwenburg 24/08/2015 Inhoud Wat is een ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP)? Situering van het plangebied Aanleiding aan te pakken ruimtelijke vraagstukken
Inhoud mei 2004 Globale toekomstvisie Schematische weergave kaart 1 Gewenste natuurlijke en landschappelijke structuur Schematische weergave kaart 2 Gewenste agrarische structuur Schematische weergave
Motivatienota Onteigeningsplan. Recreatiezone Melsbroek
Motivatienota Onteigeningsplan Recreatiezone Melsbroek 1. LIGGING PLANGEBIED De gemeente Steenokkerzeel is gelegen in Vlaams-Brabant, ten noord-oosten van Brussel, tussen de gemeenten Machelen, Zaventem,
Spoorweginfrastructuur en natuurpark Oude Landen te Ekeren
gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Spoorweginfrastructuur en natuurpark Oude Landen te Ekeren Bijlage II: stedenbouwkundige voorschriften gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Spoorweginfrastructuur
Melle Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan
Melle Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Definitief ontwerp Kaartenbundel richtinggevend gedeelte september 2011 Gent 20-02-2008 Ontwerpteam: Annelies De Clercq Cindy Van Caeneghem port arthurlaan 11!
VLAAMSE REGERING DE VLAAMSE REGERING,
VLAAMSE REGERING Besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en de agrarische
Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Berlare
Provincie Oost-Vlaanderen Arrondissement Dendermonde Gemeente Berlare Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Berlare Bindend gedeelte Studiebureau VDS b.v.b.a. 2 Gemeente Berlare Gemeentelijk Ruimtelijk
VLAAMSE REGERING DE VLAAMSE REGERING,
VLAAMSE REGERING Besluit van de Vlaamse regering houdende definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor de afbakening van de gebieden van de natuurlijke en de agrarische
N16 Scheldebrug Temse-Bornem
gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Bijlage III: toelichtingsnota tekst colofon Vlaams Ministerie Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed Departement RWO - Ruimtelijke Planning Phoenixgebouw
RUP Stedelijk Wonen versterkt woonbeleid Stad Gent
RUP Stedelijk Wonen versterkt woonbeleid Stad Gent Het Gentse stadsbestuur maakt een thematisch ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) op, het RUP Stedelijk Wonen. Daarmee wil de Stad stedenbouwkundige problemen
Een blik op de ruimtelijke planning in Vlaanderen
Een blik op de ruimtelijke planning in Vlaanderen Departement Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed Afdeling ruimtelijke planning Een blik op de ruimtelijke planning in Vlaanderen 1. Krijtlijnen
Ruimtelijk Uitvoeringsplan Azelhof
Ruimtelijk Uitvoeringsplan Azelhof Startnotafase Participatiemoment, 8 oktober 2018 Koen Janssens Ruimtelijk planner Inhoud Wat is een Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP)? Procedure Situering van het plangebied
Veurne - Westkust. 1. Toeristisch recreatiepark (KB 6/12/76)
Veurne - Westkust 1. Toeristisch recreatiepark (KB 6/12/76) 0410 De gebieden voor toeristische recreatieparken die op de kaarten welke de bestemmingsgebieden omschrijven, in oranje gekleurd en met de letters
Afbakening grootstedelijk gebied Gent
Pagina 1/72 gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Afbakening grootstedelijk gebied Gent Bijlage 2: Stedenbouwkundige voorschriften Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Pagina 2/72 Colofon samenstelling
PROVINCIAAL RUIMTELIJK UITVOERINGSPLAN
PROVINCIAAL RUIMTELIJK UITVOERINGSPLAN " Afbakening kleinstedelijk gebied Waregem op het grondgebied Zulte " Deel 2: Grafisch plan Stedenbouwkundige voorschriften mei 2012 Deel 2: Grafisch plan en stedenbouwkundige
p r o v i n Ruimte College van burgemeester en schepenen Maastrichterstraat TONGEREN Geacht college
2015-04-16 p r o v i n Directie Ruimte College van burgemeester en schepenen Maastrichterstraat 10 3700 TONGEREN Dienst Ruimtelijke Planning en Beleid Geacht college Betreft: uw verzoek tot raadpleging
In bijlage bezorgen wij U de vereiste documenten voor de ontheffingsaanvraag tot opmaak van een planmer.
De gemeente Ledegem is gestart met de opmaak van het RUP Vierschaere. In bijlage bezorgen wij U de vereiste documenten voor de ontheffingsaanvraag tot opmaak van een planmer. Geformuleerde adviezen (Provincie
Oostende - Middenkust
Oostende - Middenkust 1. Toeristisch recreatiepark (KB 26/01/76) 0410 De gebieden voor toeristische recreatieparken die op de kaarten welke de bestemmingsgebieden omschrijven en oranje gekleurd en met
Structuurplan Herne. PRESENTATIE GRS Herne
PRESENTATIE GRS Herne Wat komt aan bod: Wat is een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan? Hoe past het gemeentelijk structuurplan in het structuurplan van de provincie Vlaams-Brabant en de Vlaamse overheid?
BIJLAGE 3: AFBAKENING GEBIEDEN. 1 Hiërarchie. 2 Afbakening gebieden. 2.1 Kwetsbare gebieden
BIJLAGE 3: AFBAKENING GEBIEDEN In onderstaande tekst wordt de afweging gemaakt tussen juridische toestand van een gebied, de toestand op het terrein en de visie van het GRS. Daaruit wordt een conclusie
Oudenaarde. 1. Vallei of brongebieden (KB 24/02/77)
Oudenaarde 1. Vallei of brongebieden (KB 24/02/77) 0912 De agrarische gebieden met landschappelijke waarde, die op de kaart welke de bestemmingsgebieden omschrijven overdrukt zijn met de letters V of B,
Ingevolge de wet op de ruimtelijke ordening en stedenbouw dd. 29 maart Nog steeds hét juridisch planninginstrument in Watou
Structuurplan "De Watounaar" Bewonersplatform Watou. Ruimtelijke Ordening Watou. De diverse planinstrumenten van toepassing op het grondgebied van Poperinge. Ingevolge de wet op de ruimtelijke ordening
Bijlage II: Stedenbouwkundige voorschriften. Ontwerp gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Petroleum-Zuid: gevangenis en technische schoolcampus
VR 2018 1409 DOC.1020/5BIS Ontwerp gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Petroleum-Zuid: gevangenis en technische schoolcampus Bijlage II: Stedenbouwkundige voorschriften Bijlage II Stedenbouwkundige
PROVINCIE ANTWERPEN STAD HERENTALS GEMEENTE GROBBENDONK RUIMTELIJK UITVOERINGSPLAN HAZENPAD VERZOEK TOT RAADPLEGING BIJLAGE BUNDELING ADVIEZEN
PROVINCIE ANTWERPEN STAD HERENTALS GEMEENTE GROBBENDONK RUIMTELIJK UITVOERINGSPLAN HAZENPAD VERZOEK TOT RAADPLEGING BIJLAGE BUNDELING ADVIEZEN bvba Advies Ruimtelijke Kwaliteit (bvba ARK) Augustijnenlaan
Ontwerp startbeslissing signaalgebied MISPELAAR BRUGGE (ASSEBROEK)
Ontwerp startbeslissing signaalgebied MISPELAAR BRUGGE (ASSEBROEK) STATUS/VERSIE: Goedgekeurd door de Vlaamse Regering d.d. 9/05/2014 LEESWIJZER Dit document geeft voor het betrokken signaalgebied invulling
Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Kruishoutem
Gemeente Kruishoutem Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Kruishoutem Ontwerp Bindend gedeelte Uitgave Datum 1 november 2004 2 februari 2005 3 mei 2005 4 oktober 2005 5 april 2006 Studiebureau VDS b.v.b.a.
Richtinggevend gedeelte
116/183 43-03/26000512 DEEL 3 Richtinggevend gedeelte Leeswijzer In het voorgaande informatief gedeelte werd een analyse van de bestaande ruimtelijke structuur gemaakt door vanuit een globale en sectorale
RUP Sint-Pietersmolenwijk
RUIMTELIJKE ORDENING SECTOR NOORD RUP Sint-Pietersmolenwijk BEREK 19/06/2017 ifv definitieve vaststelling door GR Situering en bedoeling RUP 1 situering huidige bestemming Gewestplan Verfijnd / gewijzigd
voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Oostelijke Tangent - Temse Verslag plenaire vergadering
voorontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Oostelijke Tangent te Sint-Niklaas - Verslag plenaire vergadering 8 juli 2015 Ruimte Vlaanderen Afdeling Gebieden en Projecten Koning Albert II-laan
Sint-Niklaas - Lokeren
Sint-Niklaas - Lokeren 1. Valleigebieden (KB 7/11/78) 0911 De agrarische gebieden met landschappelijke waarde die op kaart welke de bestemmingsgebieden omschrijven overdrukt zijn met de letter V hebben
Tijdelijk ruimtegebruik in de Vlaamse wetgeving en reglementering ruimtelijke ordening. Studienamiddag tijdelijk ruimtegebruik 23 februari 2016
Tijdelijk ruimtegebruik in de Vlaamse wetgeving en reglementering ruimtelijke ordening Studienamiddag tijdelijk ruimtegebruik 23 februari 2016 1 Inhoud 1. Wetgeving en reglementering ruimtelijke ordening
Raadpleging startnota en procesnota Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) Groen
Raadpleging startnota en procesnota Ruimtelijk Uitvoeringsplan (RUP) Groen Het Gentse stadsbestuur maakt een thematisch ruimtelijk uitvoeringsplan (RUP) op, het RUP Groen. Dit RUP wil de bestaande groengebieden
GEMEENTE GAVERE GEMEENTELIJK RUIMTELIJK STRUCTUURPLAN DEEL 3: BINDEND GEDEELTE
GEMEENTE GAVERE GEMEENTELIJK RUIMTELIJK STRUCTUURPLAN DEEL 3: BINDEND GEDEELTE GRS GAVERE - BINDEND GEDEELTE 1 INHOUD 1. VOORSTEL BINDENDE BEPALINGEN 3 1.1. RUIMTELIJKE NEDERZETTINGSSTRUCTUUR 3 1.2. RUIMTELIJK-ECONOMISCHE
Roeselare - Tielt. 1. Reservegebieden voor woonwijken (KB 17/12/79)
Roeselare - Tielt 1. Reservegebieden voor woonwijken (KB 17/12/79) 0180 De gebieden die als "reservegebied voor woonwijken" zijn aangeduid, kunnen op initiatief van de gemeente of de vereniging van gemeenten
DE VLAAMSE REGERING, Gelet op de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, inzonderheid op artikel en artikel 2.4.1;
Besluit van de Vlaamse Regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening regionaalstedelijk gebied Brugge. DE VLAAMSE REGERING, Gelet op de Vlaamse
PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN
PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Vergadering van 26 maart 2015 Verslag van de deputatie Bevoegd deputatielid: Luk Lemmens Telefoon: 03 240 52 65 Agenda nr. 2/1 Gewestelijk RUP - Bonheiden, Rotselaar, Tremelo,
Inhoud mei 00 Gewenste ruimtelijke structuur RD Kaart : Schematische weergave Gewenste agrarische structuur RD Kaart : Schematische weergave Gewenste natuurlijke en landschappelijke structuur RD Kaart
De gemeenteraad. Ontwerpbesluit
De gemeenteraad Ontwerpbesluit OPSCHRIFT Vergadering van 25 januari 2016 Besluit nummer: 2016_GR_00029 Onderwerp: Definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan RUP nr. 164 Wonen
Gemeente Wevelgem Ruimtelijk Uitvoeringsplan 7-1 Marremstraat. september 2011, ontwerp 1
Gemeente Wevelgem Ruimtelijk Uitvoeringsplan 7-1 Marremstraat september 2011, ontwerp 1 Colofon Formele procedure Dit document is een publicatie van: Intercommunale Leiedal President Kennedypark 10 - BE-8500
Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Knesselare. In opdracht van : Gemeentebestuur van Knesselare. Bindend gedeelte
Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan Knesselare In opdracht van : Gemeentebestuur van Knesselare Bindend gedeelte Inhoud 1 RUIMTELIJKE KERNBESLISSINGEN VAN UIT DE GEWENSTE DEELSTRUCTUREN... 2 1.1 RUIMTELIJKE
Aanpak problematiek van de weekendverblijven. Provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (PRUP) Leugenboombos
Inleiding Aanpak problematiek van de weekendverblijven Provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan (PRUP) Leugenboombos Verdere stappen Vragen? 6 mei 2009 dienst ruimtelijke planning - PRUP Leugenboombos 1
situering van de gebieden
situering van de gebieden provincie oost-vlaanderen - project gentse kanaalzone - kaart 1 koppelingsgebieden in onderzoek 0 0,5 1,5km basis: hypothese van de gewenste ruimtelijke structuur kanaalzone OMGEVING
PRUP site Braem nv Handel in/van onderdelen en tweedehandsvrachtwagens te Handzame (Kortemark)
Toelichting ontwerp PRUP site Braem nv Handel in/van onderdelen en tweedehandsvrachtwagens te Handzame (Kortemark) Infoavond 13 december 2016 Algemene toelichting i.k.v. voorlopige vaststelling door provincieraad
Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan Kustpolders tussen Jabbeke, Oudenburg en Stalhille
Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan Kustpolders tussen Jabbeke, Oudenburg en Stalhille Actorenoverleg 1 ste RUP-voorstel 23 februari 2016 1 Gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan Kustpolders tussen
afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur
gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur regio Schelde-Dender gebieden van het geactualiseerd Sigmaplan Polder van Vlassenbroek, Grote
RUP Erfgoedlandschap Abdij van Westmalle. Infomarkt 14 februari 2012
RUP Erfgoedlandschap Abdij van Westmalle Infomarkt 14 februari 2012 Doel van het plan uitvoeren Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen uitvoeren Landschapsdecreet vastleggen landbouw-, natuuren bosgebieden
RUP Quintyn gebroeders bvba Gemeente Zulte. Stedenbouwkundige voorschriften en grafisch plan November 2017
RUP Quintyn gebroeders bvba Gemeente Zulte Stedenbouwkundige voorschriften en grafisch plan November 2017 Gemeentelijk RUP 'Quintyn Gebroeders bvba' te Zulte Verordenend grafisch plan 267V2 269Z 271S2
PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN
PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Vergadering van 24 september 2015 Verslag van de deputatie Bevoegd deputatielid: Luk Lemmens Telefoon: 03 240 52 65 Agenda nr. 2/1 Uitvoering RSPA : PRUP Marnixdreef Lier voorlopige
Bijlage II. Stedenbouwkundige voorschriften. ontwerp gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan
ontwerp gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur regio Antwerpse Gordel en Klein-Brabant landbouw-, natuur- en bosgebieden Vallei van
ADVIES VAN 26 FEBRUARI 2014 OVER HET VOORONTWERP RUP VOLVO TRUCKS GENT
ADVIES VAN 26 FEBRUARI 2014 OVER HET VOORONTWERP RUP VOLVO TRUCKS GENT SARO KONING ALBERT II-LAAN 19 BUS 24 1210 BRUSSEL INHOUD I. SITUERING... 2 II. HERBESTEMMING NAAR GRB IN FUNCTIE VAN HET PLANOLOGISCH
Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen
gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen Bijlage II stedenbouwkundige voorschriften gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Afbakening grootstedelijk gebied Antwerpen
AANVULLENDE NOTA VERZOEK TOT ONTHEFFING VAN DE PLAN-MER PLICHT
Aanvullende nota screeningsnota PRUP Regionaal bedrijf Waeyaert - Vermeersch - Kortemark PROVINCIE WEST-VLAANDEREN Dienst Ruimtelijke Planning AANVULLENDE NOTA VERZOEK TOT ONTHEFFING VAN DE PLAN-MER PLICHT
Kempische Kleiputten. Bijlage II. Stedenbouwkundige voorschriften. Ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. 1 van 12
Ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Kempische Kleiputten Bijlage II. Stedenbouwkundige voorschriften 1 van 12 2 van 12 3 van 12 ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Kempische
afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur
gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan afbakening van de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur regio Waasland gebieden van het geactualiseerd Sigmaplan Durmevallei Bijlage II: stedenbouwkundige
