Soortbeschermingsplan Vleermuizen
|
|
|
- Rosalia Dekker
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Soortbeschermingsplan Vleermuizen Sven Verkem
2 Hoofdstuk 1: Inleiding en algemene ecologie 1. Algemene ecologie Inleiding Jaarcyclus WINTER LENTE ZOMER HERFST Populatiedynamiek Echolocatie Jachttechnieken Achteruitgang Bescherming van vleermuizen Hoofdstuk 2: De wettelijke status van vleermuizen in Vlaanderen 1. Inleiding Internationale verdragen en Europese richtlijnen Internationale verdragen Europese richtlijnen De Belgische wetgeving Het Koninklijk Besluit van 22 september Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu Andere wettelijke instrumenten Toezicht en vervolging Aanbevelingen Hoofdstuk 3: Winterverblijfplaatsen 1. Ecologie Algemeen Winterverblijfplaatsen in Vlaanderen KLEINE OBJECTEN FORTEN MERGELGROEVEN Oorzaken van achteruitgang Verstoring Verdwijnen of ongeschikt worden van winterverblijfplaatsen Aantasting van de omgeving Mogelijkheden voor bescherming Aanbevelingen voor het beleid Praktisch beheer van winterverblijfplaatsen GROTACHTIGE CONSTRUCTIES WINTERVERBLIJFPLAATSEN IN HOLLE BOMEN
3 Hoofdstuk 4: Zomerverblijfplaatsen Kolonieplaatsen in gebouwen Ecologie Oorzaken van achteruitgang Verdwijnen van kolonieplaatsen Ongeschikt worden van verblijfplaatsen Toegankelijkheid van de kolonieplaats Verdrijven en doden van vleermuizen Houtbehandeling Mogelijkheden voor bescherming Aanbevelingen voor het beleid CONVENANTEN HOUTBEHANDELING Praktisch beheer BEHOUD VAN BESTAANDE KOLONIES AFSLUITEN VAN DE ZOLDER UITVOERING VAN WERKEN BEHOUD OF AANLEG VAN VLIEGOPENINGEN VERLICHTING VAN DE BUITENZIJDE VAN HET GEBOUW UITWERPSELEN HOUTBEHANDELING Kolonieplaatsen in holle bomen Ecologie Holtekarakteristieken Standplaatskarakteristieken Oorzaken van achteruitgang Beperkt holteaanbod Kappen van holle bomen Mogelijkheden voor bescherming Aanbevelingen voor het beleid Praktische beheersmaatregelen Hoofdstuk 5: Jachtgebieden en verbindingselementen 1. Ecologie Waterrijke gebieden Bossen Kleinschalig landbouwgebied Urbane omgeving en parken
4 2. Oorzaken voor achteruitgang Waterrijke gebieden Bossen Landbouwgebieden Opname van toxische stoffen Mogelijkheden voor bescherming Praktische beheersmaatregelen ALGEMEEN BESCHERMING VAN EEN ZONE ROND DE KOLONIE Hoofdstuk 6: De toestand in Vlaanderen 1. Vleermuizen in Vlaanderen; status quo, achteruitgang of vooruitgang? Vergelijking tussen recente en oude gegevens Recente aantalsevoluties De Baard/Brandt s vleermuis De Watervleermuis De Franjestaart De Ingekorven vleermuis De Meervleermuis De Grootoor Monitoring Algemeen INLEIDING KEUZE VAN MONITORINGMETHODE TELLEN VAN ZOMERKOLONIES WINTERTELLINGEN TELLINGEN VAN FOERAGERENDE VLEERMUIZEN Monitoring op Europese schaal Vleermuismonitoring in Vlaanderen Hoofdstuk 7: Soortenfiches Kleine hoefijzerneus Rhinolophus hipposideros (Bechstein, 1800) Grote hoefijzerneus Rhinolophus ferrumequinum (Schreber, 1774) Vale vleermuis Myotis myotis (Borkhausen, 1797) Watervleermuis Myotis daubentonii (Kuhl, 1817) Baardvleermuis Myotis mystacinus (Kuhl, 1817) Brandts vleermuis Myotis brandtii (Eversmann, 1845) Franjestaart Myotis nattereri (Kuhl, 1817) Bechsteins vleermuis Myotis bechsteinii (Kuhl, Meervleermuis Myotis dasycneme (Boie, 1825) Ingekorven vleermuis Myotis emarginatus (Geoffroy, 1806) Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus (Schreber, 1774) Kleine dwergvleermuis Pipistrellus pygmaeus
5 Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii (Keyserling & Blasius, 1839) Laatvlieger Eptesicus serotinus (Schreber, 1774) Rosse vleermuis Nyctalus noctula (Schreber, 1774) Bosvleermuis Nyctalus leisleri (Kuhl, 1817) Bruine of gewone grootoorvleermuis Plecotus auritus (Linneus, 1758) Grijze grootoorvleermuis Plecotus austriacus (Fischer, 1829) Mopsvleermuis Barbastella barbastellus (Schreber, 1774) Bijlage: lijst van de gerangschikte winterverblijfplaatsen
6 Hoofdstuk 1: Inleiding en algemene ecologie 1 1. Algemene ecologie 1.1. Inleiding Vleermuizen zijn zoogdieren die worden ondergebracht in de orde Chiroptera of Handvleugeligen (Grieks Chiros=hand, Pteros=vleugel). Deze naam verwijst naar de vlieghuid die aanwezig is tussen de vingers en het lichaam en die de dieren in staat stelt om te vliegen. De lichaamsbouw van de vleermuizen is sterk aangepast aan hun vliegende levenswijze. Zo zijn de vingers verlengd om het vleugeloppervlak te vergroten, en bekken en achterpoten zijn gereduceerd om het lichaamsgewicht te verkleinen. In totaal zijn er een 1000-tal soorten vleermuizen. Het aantal stijgt nog elk jaar door ontdekking van nieuwe soorten, mede dankzij het gebruik van genetische technieken. Ze worden opgedeeld in twee grote groepen (subordes), de Megachiroptera en de Microchiroptera. De Megachiroptera of vliegende honden hebben over het algemeen grote lichaamsafmetingen en komen voor in de tropen en subtropen van de oude wereld. Het zijn fruit- of nectareters die zich oriënteren op basis van zicht en reukzin. De grootste soorten kunnen een spanwijdte bereiken van 1,5 m. Veruit de meeste soorten vleermuizen (ca. 800) behoren echter tot de groep van de Microchiroptera. Het zijn kleinere vleermuizen die zich oriënteren met behulp van echolocatie. De meeste eten insecten, maar er zijn ook vruchteneters en nectareters. Daarnaast zijn er soorten die zich gespecialiseerd hebben in zeer uiteenlopende prooien. Zo zijn er vis etende vleermuizen, vleermuizen die kikkers vangen, en in Zuid- en Midden-Amerika komen er drie bloed zuigende of vampiervleermuizen voor. De Microchiroptera hebben een wereldwijde verspreiding. In Europa komen er 35 soorten voor, waarvan 18 (mogelijk 19) in België.
7 Inleiding en algemene ecologie Jaarcyclus Alhoewel er grote verschillen zijn in de levenswijze van de verschillende soorten verloopt hun jaarcyclus toch in grote lijnen gelijkaardig. Alle Europese soorten zijn insecteneters en zijn voor hun voedselbehoeften afhankelijk van het insectenaanbod, dat varieert volgens de seizoenen en het habitat. In de herfst neemt het insectenaanbod af en dalen ook de temperaturen, zodat dit voor de vleermuizen een energetisch ongunstige periode wordt. Om deze periode te overbruggen gaan vleermuizen bij ons in winterslaap WINTER Tijdens de winterslaap vermindert de metabolische activiteit drastisch en daalt het energieverbruik. De vetreserves, die gedurende het zomerseizoen werden opgebouwd, zorgen voor de vereiste energie om de winter door te komen. Om te overwinteren zoeken de dieren een omgeving op met een hoge luchtvochtigheid en een constante omgevingstemperatuur tussen de 0 C en 10 C LENTE Naarmate de lente nadert en de omgevingstemperatuur stijgt, ontwaken de dieren, en op warme lentenachten vliegen ze uit om insecten te vangen. Bij lage temperaturen gaan ze opnieuw in winterslaap. Sommige soorten zoals de Dwergvleermuis zijn reeds bij lage temperaturen actief, andere soorten zoals de Ingekorven vleermuis blijven zeer lang in de winterverblijfplaats. Vanaf maart of april trekken de dieren naar de zomerverblijfplaatsen. De afstand tussen de winterverblijfplaats en zomerverblijfplaats is verschillend naargelang de soorten. We kunnen onderscheid maken tussen: - korte afstandstrekkers: de afstand bedraagt hooguit enkele kilometers; - middellange afstandstrekkers: zij leggen enkele tientallen kilometers af; - lange afstandstrekkers: deze soorten leggen tot enkele honderden kilometers af. Bovendien zien we hier een duidelijke trekrichting (meestal van Zuid naar Noord). Trekbewegingen van de Rosse vleermuis en de Ruige dwergvleermuis, twee typische lange afstandstrekkers
8 Inleiding en algemene ecologie 3 Vanaf april komen de meeste vleermuizen in de zomergebieden aan. Afhankelijk van de temperatuur kan de activiteit nog zeer laag zijn en soms gaan de dieren zelfs terug in winterslaap ZOMER We kunnen stellen dat voor de vleermuizen het zomerseizoen begint vanaf mei. In deze maand worden immers de kolonies gevormd. Mannetjes en vrouwtjes leven gescheiden van elkaar. De vrouwtjes verenigen zich in kraamkolonies. Deze bestaan normaal gezien enkel uit vrouwtjes, al zitten er soms ook sub-adulte mannetjes tussen. De seksueel actieve mannetjes leven in kleinere groepen of solitair. Meestal verblijven ze wel in de buurt van de kraamkolonie. Per jaar brengen de vrouwtjes elk 1 jong ter wereld. De geboorte vindt plaats in de loop van juni. De exacte datum hangt sterk af van de weersomstandigheden. In een koud, nat jaar met weinig insecten kan de geboorte tot 3 weken verlaat worden. In de allereerste levensdagen hangt het jong soms aan de moeder tijdens de jachtvluchten, maar meestal blijven de jongen alleen achter in de kolonie. De jongen kruipen dan dicht bij elkaar om hun warmte te behouden. De jonge vleermuizen zijn gevoelig voor onderkoeling en bij ongunstige weersomstandigheden ligt het sterftecijfer hoog. De kwaliteit van de zomerverblijfplaats heeft bijgevolg een grote invloed op de overleving van de jongen. Na ongeveer vier weken kunnen de jongen vliegen. Op dat ogenblik splitst de kraamkolonie meestal op in kleine groepjes. s Nachts verlaten de vleermuizen de kolonieplaats en gaan ze op jacht naar insecten. Ze jagen bij voorkeur in vaste foerageergebieden, waar insecten voorkomen in hoge concentraties en waar voldoende dekking is tegen predatoren. Open gebieden zonder dekking zoals akkers en grote weilanden worden zelden als jachtgebied gebruikt. Tussen de kolonie en de foerageergebieden vliegen de dieren langs vaste verbindingsroutes. Die lopen langs dreven, houtkanten en bosranden HERFST Rond eind augustus begint het paarseizoen. De Gewone dwergvleermuis, de Ruige dwergvleermuis en de Rosse vleermuis vertonen daarbij een typisch baltsgedrag. Een mannetje neemt een territorium in en tracht met behulp van baltsroepen zoveel mogelijk vrouwtjes te lokken. Bij andere soorten vindt de paring plaats in de winterverblijfplaatsen gedurende het najaar en de winter. Vanaf september trekken de dieren terug naar hun winterverblijfplaatsen. Vleermuizen vertonen een hoge plaatstrouw en ieder jaar keren ze terug naar dezelfde plaats. Zolang de temperatuur hoog genoeg is, blijven de dieren actief. Naarmate de winter nadert en het insectenaanbod daalt, gaan ze in winterslaap.
9 Inleiding en algemene ecologie Populatiedynamiek Vleermuizen worden seksueel actief in hun tweede levensjaar en sommige soorten (bv. de Grote hoefijzerneus) slechts na drie jaar. De meeste soorten brengen slechts 1 jong per jaar ter wereld, uitzonderlijk worden tweelingen geboren. Met een dergelijk voortplantingssysteem kan de populatie enkel in stand worden gehouden als de dieren voldoende oud worden en verschillende jaren achter elkaar een jong ter wereld brengen. Uit ringonderzoek is gebleken dat de mortaliteit hoog is in het eerste levensjaar. Als dieren het eerste jaar overleven, kunnen ze gemakkelijk een leeftijd van 5 tot 10 jaar bereiken. Vleermuizen van 20 jaar en ouder zijn geen zeldzaamheid. Sterfte door predatie kan in bepaalde omstandigheden belangrijk zijn. Er wordt geschat dat ongeveer 11% van de jaarlijkse mortaliteit te wijten is aan predatie door dag- en nachtroofvogels. Uilen vormen de voornaamste predatoren, de Kerkuil voorop. In een stedelijke omgeving is de invloed van de huiskat eveneens niet te onderschatten. Ook tijdens de overwinteringsperiode heeft men vastgesteld dat slapende vleermuizen het slachtoffer kunnen worden van bosmuizen, marterachtigen en mezen. In hoeverre dit een invloed heeft op de populatieaantallen is onbekend. Voor de lokale populatie kan het echter nefast zijn Echolocatie Alle Europese vleermuizen zijn s nachts actief en maken gebruik van echolocatie of sonar om zich te oriënteren en hun prooien te lokaliseren. Via neus of mond stoten ze ultrasone, voor de mens onhoorbare, geluiden uit. Wanneer de geluidsgolven op een object, bijvoorbeeld een boom of insect, botsen, dan ontstaat er een echo die wordt opgevangen door de gevoelige vleermuisoren. In de hersenen worden al deze signalen verwerkt en verkrijgt de vleermuis een beeld van zijn omgeving. Hetzelfde principe wordt toegepast in de sonarsystemen van onderzeeërs.
10 Inleiding en algemene ecologie 5 Op dit algemeen principe heeft elke soort zijn eigen variant uitgewerkt. Grosso modo kunnen we 4 types sonar onderscheiden. Een eerste type is de frequentie modulerende sonar (FM-type). Het zijn korte pulsen met een steil frequentieverloop. Dit wil zeggen dat in een korte tijd de frequentie van ca. 100 khz zakt tot 30 khz. Dit type van signaal geeft zeer gedetailleerde informatie maar door de weerstand van de lucht reikt het niet ver. Dit type wordt o.a. gebruikt door de Myotis soorten en de grootoorvleermuizen. Bij het tweede type merken we opnieuw een FM gedeelte dat gevolgd wordt door een kort gedeelte met een quasi constante frequentie (QCF-deel). In het tweede deel van de geluidspuls blijft de frequentie min of meer gelijk. Omdat dit tweede deel in tijd beperkt is spreekt men van een FM-qcf signaal. Het gedeelte met de constante frequentie levert minder gedetailleerde informatie maar ondervindt veel minder weerstand en reikt verder. Dit type van sonar wordt gebruikt door vleermuizen die in half-open habitats jagen zoals de Dwergvleermuis. Een stapje verder is het fm-qcf signaal. Hier neemt het belang van het FM gedeelte af en wordt de puls gedomineerd door het QCF deel. Dit type van sonar geeft vooral informatie over veraf gelegen voorwerpen en wordt gebruikt door vleermuizen die in open habitats vliegen zoals de Rosse vleermuis. Een vierde, enigszins afwijkend, type, is het constante frequentie (CF) signaal. Soms spreekt men ook wel eens van een fm-cf-fm signaal omdat er zowel aan het begin als aan het einde van de puls nog een klein staartje voorkomt. Dit type van sonar wordt gebruikt door de hoefijzerneuzen die gebruik maken van bijzondere geluidseffecten (dopplereffect) om de signalen te interpreteren. Vleermuizen zijn niet altijd strikt gebonden aan één van deze vier sonar-types. Afhankelijk van de omstandigheden passen de vleermuizen hun signaal aan om een optimaal beeld van de omgeving te verkrijgen. In gesloten habitats evolueert het signaal steeds in de FM-richting, in open habitats neemt de CFcomponent toe.
11 Inleiding en algemene ecologie Jachttechnieken Indien alle vleermuizen op dezelfde prooien zouden jagen, zou er een hoge graad van competitie zijn. Om dit te vermijden hebben de verschillende soorten elk een eigen jachttechniek ontwikkeld. De gebruikte jachtmethode hangt nauw samen met de lichaamsbouw en het type sonar. Sommige soorten plukken hun prooien van de vegetatie (Engels=Foliage gleaning). Ze foerageren op korte afstand van de vegetatie, met een trage, bijna fladderende vlucht. Hun lichaamsbouw is aan deze techniek aangepast door korte, brede vleugels die zorgen voor een grote wendbaarheid. Ze gebruiken een sonar van het FM-type, die meestal zeer zwak is, zodat men ook wel spreekt van fluistersonar. Verschillende soorten die deze jachttechniek toepassen, werken ook zonder sonar en vinden hun prooien door passief te luisteren. Een typisch voorbeeld is de grootoorvleermuis. Het dieet van de gleaners bestaat voor een groot deel uit dagactieve insecten. Deze jachttechniek is ook geschikt voor het vangen van nachtvlinders. Een speciale vorm van gleaning vinden we bij soorten die hun prooien op de grond vangen. De vleermuis vliegt hiervoor traag, op enige afstand boven de grond en gebruikt een FM-sonar of luistert passief naar zijn prooi. De voornaamste prooien zijn loopkevers, sprinkhanen en krekels. De Vale vleermuis kan hier terecht beschouwd worden als een typevoorbeeld. Een totaal andere techniek wordt gebruikt door vleermuizen die hun prooien vangen tijdens een snelle, rechtlijnige vlucht (Engels=fast long range aerial hawking), meestal in open landschappen. De vleermuizen worden gekenmerkt door lange, smalle vleugels die een hoge snelheid toelaten. De prooien bestaan uit grote vliegende insecten die door de vleermuizen met de vleugels of de staartvlieghuid worden opgeschept en in de vlucht worden verorberd. Een klassiek voorbeeld zijn Rosse vleermuizen die achter Meikevers jagen. De sonar is van het fm-qcf-type. Ook andere vleermuizen vangen hun prooien in de lucht maar dan eerder in halfopen habitats. De vlucht is over het algemeen minder snel (Engels=slow, short range aerial hawking), en minder rechtlijnig. De sonar is aangepast aan een meer gesloten omgeving en van het FM-qcf-type. Allerlei vliegende insecten zoals dansmuggen ( Chironomidae) behoren tot de prooisoorten. De Watervleermuis vangt haar prooien door ze met de achterpoten en staartvlieghuid van het wateroppervlak te grijpen (Engels= trawling of gaffing). Het spreekt vanzelf dat de prooien hoofdzakelijk bestaan uit insecten die in of op het water leven. De sonar is van het FM-type. De vlucht is niet uitgesproken snel, maar het habitat is open zodat de vleugels in verhouding lang zijn. Een enigszins bijzondere jachttechniek is de vliegenvangerstijl (Engels=perching). Een vleermuis speurt van een vaste plaats, bijvoorbeeld een boomstam of tak, de omgeving af. Als ze een insect waarneemt vliegt ze er snel naar toe en probeert het te vangen. Daarna keert ze terug naar haar hangplaats. Deze jachtmethode wordt o.a. door de Laatvlieger gebruikt.
12 Inleiding en algemene ecologie 7 2. Achteruitgang De verspreiding van vleermuizen is in de loop van de geschiedenis herhaaldelijk gewijzigd onder invloed van het klimaat en andere natuurlijke factoren. Sommige soorten hebben in het verleden hun areaal noordelijk kunnen uitbreiden door gebruik te maken van menselijke constructies. Maar in de loop van de twintigste eeuw hebben alle vleermuissoorten in West-Europa een sterke achteruitgang gekend door allerlei menselijke invloeden. In het bijzonder na WOII is er een zeer sterke terugval in het aantal vleermuizen door het veranderd landgebruik, het overdadig gebruik van pesticiden, urbanisatie en de algemene achteruitgang van de natuur. Door hun nachtelijke en verborgen levenswijze werden vleermuizen in het verleden minder goed bestudeerd dan vogels en planten. Daardoor ontbreken vaak exacte gegevens om de achteruitgang te documenteren. De wintertellingen in de Nederlandse mergelgroeven vormen hierop een uitzondering en ze geven zeer goed de ernst van de situatie weer. Sinds het begin van de tellingen zijn de aantallen van sommige soorten met een factor 10 afgenomen, verschillende soorten zijn zelfs volledig verdwenen. Ook op andere plaatsen, waar de aanwezigheid van grote kolonies reeds lang gekend was, daalden de aantallen schrikwekkend of verdwenen de dieren volledig. In een grot in West-Frankrijk bijvoorbeeld, verdween in minder dan 10 jaar een kolonie van 7000 Schreiber s vleermuizen (Miniopterus schreibersii). Maar ook dichter bij huis zijn er voorbeelden van grote kolonies die op korte tijd volledig verdwenen zijn. Zoals in de Groeve van Caster die gelegen is op de grens van Vlaanderen, Wallonië en Nederland. In deze groeve verbleef in de jaren 40 De relatieve aantallen vleermuizen in de Nederlandse mergelgroeven ten opzichte van de telling in 1975/1979 een grote, gemengde kraamkolonie van Vale vleermuizen (ca. 300 individuen), Grote hoefijzerneuzen (ca.150 individuen), Kleine hoefijzerneuzen (aantal onbekend ) en Ingekorven vleermuizen (aantal onbekend). Deze kolonie was reeds in de jaren 70 volledig verdwenen. Door een aantal specifieke aspecten van hun levenswijze zijn vleermuizen bijzonder kwetsbaar voor externe invloeden. Door hun trage voortplanting en hoge plaatstrouw reageren ze moeizaam op snelle veranderingen in de omgeving. Gedurende bepaalde periodes van het jaar komen grote aantallen dieren samen, bijvoorbeeld tijdens de winterslaap. Als op dat ogenblik een negatieve factor inwerkt, wordt in één klap de populatie van een groot gebied getroffen.
13 Inleiding en algemene ecologie 8 De snelle terugval van de vleermuizen wordt veroorzaakt door een hele reeks factoren die vaak in combinatie optreden. Soorten die tegelijk door meerdere factoren werden getroffen hebben meestal een sterkere achteruitgang gekend, temeer omdat de negatieve aspecten mekaar versterken als ze samen voorkomen. Een zeer typisch voorbeeld hiervan vinden we bij de Vale vleermuis. Het is een warmteminnende soort die voor de ontwikkeling en groei van de juvenielen een hoge omgevingstemperatuur nodig heeft. De dieren zorgen normaal zelf voor een geschikt klimaat in de kraamkolonies door in grote groepen bijeen te komen. Door het verdwijnen van jachtgebieden echter is het aantal dieren overal sterk afgenomen. Daardoor wordt het steeds moeilijker om de temperatuur in de kolonie te handhaven, en zo neemt het voortplantingssucces af. De combinatie van dalende aantallen en een afnemend voortplantingssucces leiden uiteindelijk tot het uitsterven van de lokale populatie. Door na te gaan hoeveel, en welke factoren inwerken op de respectievelijke vleermuissoorten kunnen we een indeling maken tussen kwetsbare en minder kwetsbare soorten. Rf Rh MM Pa Me PA Es BB MD Mm Mb Mn Pp Nl Pn Nn Md Zomerverblijfplaatsen: - Toxische houtbehandeling? - Verstoring?? Winterverblijfplaatsen Foerageergebieden - Pesticidengebruik? - Versnippering - Biotoopverlies? - Watervervuiling? Voedselkeuze - Gleaner - Grote insecten Noordgrens areaal Laat geslachtsrijp Kwetsbaarheid Hoog Laag Schatting van het effect van de factoren die mogelijk hebben bijgedragen aan de achteruitgang en een aanduiding van de kwetsbaarheid van de verschillende soorten. Naar Jansen & Limpens, 1997.
14 Inleiding en algemene ecologie 9 3. Bescherming van vleermuizen Veel vleermuissoorten zijn sterk bedreigd en hebben bescherming nodig. Dat is ook in verschillende internationale verdragen vastgelegd, die ook door België ondertekend werden. Op basis van het voorgaande is het duidelijk dat vleermuizen een complexe ecologie hebben en gedurende een jaar op verschillende plaatsen verblijven, waaraan ze ook verschillende eisen stellen. Bescherming van vleermuizen richt zich daarom op 3 aspecten: Winterverblijfplaatsen, Zomerverblijfplaatsen en Jachtgebieden. Bescherming en beheer van deze 3 facetten samen is onontbeerlijk. Het heeft immers weinig zin om vleermuizen te beschermen in de winterverblijfplaatsen als de dieren in de zomer omkomen van de honger omdat de foerageergebieden verdwijnen. Om te komen tot een adequate bescherming is het belangrijk te weten welke eisen vleermuizen stellen aan hun verblijfplaatsen en jachtgebieden. Daarom wordt in het verdere verloop van de tekst voor elk aspect de specifieke ecologie, de oorzaken voor achteruitgang en de mogelijke beschermingsmaatregelen besproken.
15 Hoofdstuk 1: Inleiding en algemene ecologie 1. Algemene ecologie Inleiding Jaarcyclus WINTER LENTE ZOMER HERFST Populatiedynamiek Echolocatie Jachttechnieken Achteruitgang Bescherming van vleermuizen
16 Hoofdstuk 2: De wettelijke status van vleermuizen in Vlaanderen Inleiding Voor het behoud van vleermuizen is de wettelijke bescherming van uitzonderlijk belang. Algemeen gesproken heeft de wetgever, zowel op Europees, federaal als gewestelijk vlak, vrij consistente inspanningen geleverd voor een vrij goede wettelijke bescherming van de vleermuisfauna. Bovendien heeft België een aantal internationale verdragen ondertekend, waardoor ons land zich engageert om de bescherming van vleermuizen nog te verbeteren. Het is evenwel belangrijk vast te stellen dat er een enorme discrepantie bestaat tussen de intenties op papier en de reële terreinsituatie. Zo werd er in Vlaanderen bijvoorbeeld nog nooit iemand vervolgd, hoewel er frequent overtredingen gebeuren of werd er, ondanks alle goede intenties, nog nooit een reservaat aangeduid specifiek voor vleermuizen. 2. Internationale verdragen en Europese richtlijnen Internationale verdragen (conventies) zijn internationale akkoorden, die door individuele landen uit vrije wil worden onderschreven. Door een verdrag te ondertekenen, engageert een land zich om de overeenkomst na te leven. Daarvoor moet het eerst geïmplementeerd worden in de nationale wetgeving. Indien dit niet gebeurt is er bij de meeste internationale verdragen geen wettelijke basis en is vervolging niet mogelijk. Europese richtlijnen zijn richtlijnen die door de Europese Unie opgelegd worden aan haar lidstaten. De richtlijnen zijn bindend voor de lidstaten. Indien een land deze richtlijnen niet nakomt, is vervolging mogelijk via het Europees Gerechtshof. Voor de bescherming van vleermuizen in Vlaanderen zijn er verschillende verdragen en EUrichtlijnen van belang. Zij worden hieronder kort besproken Internationale verdragen De Bonn-Conventie De Conventie over de bescherming van migrerende wilde diersoorten werd gehouden op 23 juni 1979 te Bonn en werd van kracht op 1 november Voor het ogenblik telt zij 55 leden. De EU onderschreef de Conventie in 1982, België ondertekende ze op 1 oktober Deze Conventie onderkent dat het, voor de bescherming en het behoud van migrerende diersoorten, van belang is om samen te werken over de grenzen heen. In elk land waar een
17 De wettelijke status van vleermuizen in Vlaanderen 11 bepaalde migrerende wilde diersoort voorkomt, moeten maatregelen getroffen worden ter bescherming. Dieren vermeld in Appendix 1 moeten onmiddellijk beschermd worden. De bescherming van diersoorten vermeld in Appendix 2, moet geregeld worden aan de hand van uitvoeringsovereenkomsten. Alle in België voorkomende vleermuissoorten worden vermeld in Appendix 2 van het verdrag, wat impliceert dat ze worden aanzien als soorten met een ongunstige beschermingsstatus, waardoor een internationaal beschermingsbeleid van belang is. In het kader van de bescherming van de Appendix 2 soorten zijn er tot nu toe zeven uitvoeringsovereenkomsten opgesteld. Eén van deze vier uitvoeringsovereenkomsten is de Overeenkomst betreffende de instandhouding van vleermuizen in Europa (Londen, 4/12/1991). De Overeenkomst betreffende de instandhouding van vleermuizen in Europa De Overeenkomst betreffende de instandhouding van vleermuizen in Europa of "Batagreement" is één van de uitvoeringsovereenkomsten die voortvloeien uit de Bonn-conventie. Ze werd opgesteld op 16 oktober 1991 te Londen. De doelstelling van deze overeenkomst is de 31 in Europa voorkomende vleermuissoorten te beschermen door middel van een gepaste regelgeving, educatie, beschermingsmaatregelen en internationale samenwerking. De ondertekenende partijen verbinden zich ertoe om: het opzettelijk vangen, houden of doden van vleermuizen wettelijk te verbieden; voor vleermuizen belangrijke sites aan te duiden en te beschermen; rekening te houden met vleermuizen bij het opstellen van algemene beschermingsplannen; maatregelen te nemen voor de bescherming van vleermuizen en het belang hiervan duidelijk te maken voor het publiek; een organisatie aan te duiden die instaat voor advies, in het bijzonder wat gebouwbewonende soorten betreft; onderzoek naar vleermuizen te stimuleren en de resultaten mee te delen; de toxische werking van pesticiden en houtbehandelingsprodukten, waar mogelijk, in rekening te brengen Momenteel hebben 20 landen, waaronder België, de overeenkomst ondertekend. België heeft het verdrag op 4 december 1991 ondertekent, maar de ratificatie heeft lang op zich laten wachten. De ratificatie van het verdrag gebeurde eerst door het Waals en het Brussels Gewest. In Vlaanderen kwam het ratificatieproces na een moeizame start op gang en op 23 maart 1999 stemde de toenmalige Vlaamse Regering in met een voorontwerp van Decreet dat de overeenkomst goedkeurde. Na de parlementsverkiezingen van 13 juni 1999 kwam het proces echter opnieuw stil te liggen. In het voorjaar van 2000 werd het Decreet uiteindelijk definitief van kracht.
18 De wettelijke status van vleermuizen in Vlaanderen 12 De Bern-conventie Het Verdrag inzake het behoud van wilde dieren en planten en hun natuurlijk leefmilieu in Europa werd gehouden te Bern op 19 september Het Verdrag van Bern werd goedgekeurd door de E.G. in In België werd het Verdrag ingevoerd door de Wet van 20 april De doelstelling van deze conventie is de bescherming van wilde flora en fauna en hun natuurlijke habitats, en in het bijzonder die soorten en habitats waarvan de bescherming de coöperatie vereist van verschillende staten. Bovendien wordt er bijzondere aandacht besteed aan bedreigde en kwetsbare soorten, met inbegrip van bedreigde en kwetsbare migrerende dieren en planten. Op het eerste gezicht zijn er veel overeenkomsten tussen de Bonn en de Bern-conventie, in het bijzonder de nadruk die gelegd wordt op migrerende diersoorten. Dit is eveneens het geval voor de algemene structuur van de tekst, aangezien ook hier een aantal bijlagen de specifieke soorten opsommen die strikte bescherming en bescherming vereisen. Het verdrag van Bern bevat echter een aantal nieuwe aspecten. Het meest belangrijke aspect, is het feit dat de Bern-conventie zowel de bescherming van de habitats als van de soorten voorziet. De overeenkomst verplicht de ondertekenende lidstaten ertoe om maatregelen te treffen om een populatie aan wilde flora en fauna te behouden, die aangepast is aan de lokale omstandigheden. Alle vleermuizen in Europa worden vermeld als streng te beschermen dieren in Appendix 2 van de Conventie Europese richtlijnen Zoals reeds hoger gesteld worden deze richtlijnen uitgevaardigd op niveau van de Europese Gemeenschap, en zijn ze bindend voor de individuele lidstaten. Zij moeten effectief geïmplementeerd worden binnen de nationale wetgeving. De verschillende lidstaten krijgen echter een vrij grote vrijheid voor wat betreft de invulling van deze richtlijnen. De enige Europese richtlijn, relevant voor de vleermuisbescherming is de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze Europese richtlijn van 21 mei 1992, "inzake de instandhouding van de natuurlijke en semi-natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna" is het logische gevolg van de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) van 1979, waarin slechts aandacht werd besteed aan vogels en niet aan hun habitats. In de Habitatrichtlijn wordt het aandachtsveld uitgebreid met andere doelorganismen, en wordt tevens aandacht besteed aan de bescherming van hun habitats. Het doel van deze richtlijn is het bijdragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag (van Rome) van toepassing is. De maatregelen die voorzien zijn voor habitatbescherming omvatten het aanduiden van speciale beschermingszones, die samen een coherent Europees netwerk moeten vormen, het
19 De wettelijke status van vleermuizen in Vlaanderen 13 NATURA netwerk. Deze structuur is te vergelijken met het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN), maar dan op Europees niveau. De reeds voorziene Vogelrichtlijngebieden moeten in deze structuur geïntegreerd worden. In deze beschermingszones moeten maatregelen genomen worden om de natuurlijke habitats in een gunstige staat te behouden. De habitats die in aanmerking komen voor bescherming worden opgesomd in Bijlage I van de richtlijn. De effectieve afbakening van de gebieden op het terrein moet door elke lidstaat voorgesteld worden. De te beschermen soorten worden in de bijlagen van de richtlijn opgesomd. Alle in Vlaanderen voorkomende vleermuissoorten staan vermeld in Bijlage IV, en worden beschouwd als diersoorten van communautair belang, die strikt moeten worden beschermd. Sommige soorten (Grote en Kleine Hoefijzerneus, Ingekorven vleermuis, Bechsteins vleermuis, Meervleermuis, Vale vleermuis en Mopsvleermuis) worden bovendien vermeld in Bijlage II als soorten van communautair belang waarvoor de aanwijzing van speciale beschermingszones vereist is. Samenvattend kan men stellen dat het verboden is de genoemde species opzettelijk te onttrekken aan de natuur, te verhandelen, te doden of op welke manier dan ook te verstoren, tenzij dit verenigbaar is met het behoud van deze soorten. De lidstaten moeten om de 6 jaar een rapport opmaken met een overzicht van de getroffen maatregelen en de beoordeling van het effect ervan. Bovendien moet het wetenschappelijk onderzoek bevorderd worden en moeten de resultaten ervan uitgewisseld worden tussen de lidstaten. Wat de invulling van deze richtlijn in Vlaanderen betreft, werden in februari 1996 veertig habitatgebieden aangewezen, goed voor een oppervlakte van zo n ha (waarvan ongeveer ha reeds vogelrichtlijngebied is). Bij de aanduiding van de Natura gebieden werd weinig of geen rekening gehouden met het voorkomen van vleermuizen. Enkel een aantal winterverblijfplaatsen vallen binnen de beschermde zones maar met zomerkolonies en foerageergebieden werd geen rekening gehouden. 3. De Belgische wetgeving Door de staatshervorming is het natuurbehoud een gewestelijke materie geworden. Dit heeft tot gevolg dat de bescherming van vleermuizen in de drie gewesten door verschillende besluiten wordt geregeld, hoewel de inhoud ervan gelijkaardig is. In Vlaanderen is de volgende regelgeving van belang: 3.1. Het Koninklijk Besluit van 22 september 1980 Het "Koninklijk besluit houdende maatregelen, van toepassing in het Vlaamse Gewest, ter bescherming van bepaalde in het wild voorkomende diersoorten, die niet onder de toepassing vallen van de wetten en de besluiten op de jacht, de riviervisserij en de vogelbescherming" (22 september 1980; B.S. 31 oktober 1980) regelt de bescherming van vleermuizen in Vlaanderen. Het voorziet dat alle diersoorten (waaronder alle vleermuissoorten) vermeld in bijlage, in het Vlaamse Gewest een volledige bescherming genieten.
20 De wettelijke status van vleermuizen in Vlaanderen 14 Het is ten alle tijde en om het even waar verboden (Artikel 1): 1 deze diersoorten te bejagen, te vangen om ze in gevangenschap te houden, in gevangenschap te houden of te doden, ongeacht hun ontwikkelingsstadium; 2 de woon- of schuilplaatsen van deze diersoorten te beschadigen of met opzet te verstoren; 3 deze diersoorten, levend of dood, onder welke vorm ook te vervoeren, te verhandelen, kosteloos of tegen betaling af te staan. Artikel 5 stelt dat afwijkingen op de verbodsbepalingen door de Minister van de Vlaamse Gemeenschap kunnen worden verleend wanneer het gaat om duidelijke wetenschappelijke of educatieve motieven die terdege worden verantwoord of wanneer maatregelen van algemeen of plaatselijk belang noodzakelijk zijn. Dit impliceert dus dat alle soorten in Vlaanderen bij K.B. beschermd zijn en dat de overheid bijgevolg kan optreden wanneer verblijfplaatsen van vleermuizen verstoord of beschadigd worden of dieren gedood worden. In de praktijk is de controle op de naleving hiervan vrijwel onbestaande Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu De wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud en de bijhorende uitvoeringsbesluiten hebben de achteruitgang van de natuur in Vlaanderen niet kunnen tegengaan. Dit is te wijten aan aan een aantal beleidsmatige factoren alsook enkele tekortkomingen van de Wet op het natuurbehoud zelf: onvoldoende integratie van het natuurbehoud in de overige beleidssectoren; onvoldoende uitwerking door een tekort aan uitvoeringsbesluiten, aan financiele middelen en personeel; een gebrek aan beleidsinstrumenten, in het bijzonder wat betreft handhaving (bijv. Geen stillegging, te geringe strafmaat, geen herstel in de vorige toestand). Om dit te verhelpen, kwam het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu tot stand (BS 10 januari 1998). Hoofdstuk VI van het decreet behandelt de "Bescherming van plant-, en diersoorten en van hun levensgemeenschappen". Het eerste artikel van dit hoofdstuk vermeld: De Vlaamse regering neemt, na advies van de Raad (de Hoge raad voor Natuurbehoud), alle maatregelen die zij nuttig acht om populaties van soorten of ondersoorten van organismen in stand te houden, te herstellen of te ontwikkelen. De praktische uitwerking van deze bescherming moet echter nog geregeld worden in uitvoeringsbesluiten. Hopelijk wordt van de mogelijkheden van het decreet gebruik gemaakt om een degelijk wettelijk kader te scheppen ter bescherming van vleermuizen.
21 De wettelijke status van vleermuizen in Vlaanderen Andere wettelijke instrumenten Wanneer het erop aankomt de leefgebieden van de vleermuizen te beschermen, zijn er uiteraard nog een aantal andere wettelijke instrumenten bruikbaar. Hieronder volgt een nietexhaustieve opsomming van mogelijke suggesties: Belangrijke verblijfplaatsen (zowel winter- als zomerkolonies) en foerageergebieden dienen opgenomen te worden in het VEN. Dit biedt de overheid (en natuurverenigingen in beperkte mate) het recht op voorkoop. Winterverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen en foerageergebieden in het bezit van de overheid kunnen beschermd worden als Vlaams Natuurreservaat (Natuurdecreet 21 oktober 1997). Objecten in het bezit van, of gehuurd door, natuurverenigingen kunnen het statuut verkrijgen van Erkend Natuurreservaat. Dit biedt voornamelijk mogelijkheden voor subsidiëring van beheerswerken. Winterverblijfplaatsen, zomerverblijfplaatsen én hun omgeving kunnen beschermd worden door inkleuring op de gewestplannen als natuurgebied of als natuurgebied met wetenschappelijke waarde. Naast de eigenlijke bescherming van de objecten of gebieden heeft de staat ook in deze gebieden een voorkooprecht. Tenslotte kunnen bepaalde verblijfplaatsen of foerageergebieden respectievelijk erkend worden als beschermd monument of als beschermd landschap. In de klasseringsbesluiten kunnen bijzondere maatregelen worden opgenomen ten bate van de vleermuizen Toezicht en vervolging Uit het bovenstaande mag blijken dat er, tenminste op papier, een goede wettelijke basis is voor de bescherming van vleermuizen. Nochtans werd in Vlaanderen tot nog toe geen enkele veroordeling uitgesproken, dit in tegenstelling met de situatie in andere Europese landen. Zo werden in Groot-Britannië, waar een gelijkaardige wetgeving bestaat, in de periode negen personen vervolgd wegens het niet naleven van de wetgeving. In vier gevallen ging het om houtbehandelingsfirma s die werden veroordeeld voor het gebruik van giftige stoffen in vleermuiskolonies. In vier andere gevallen betrof het privé personen die vleermuizen een kolonieplaats hadden beschadigd of vleermuizen hadden gedood hadden. En in een laatste geval was het misdrijf het illegale bezit van dode vleermuizen. Het gebrek aan vervolging in Vlaanderen is volgens ons enerzijds te wijten aan de moeilijke controle van dergelijke inbreuken en anderzijds aan het gebrek aan aandacht en informatie bij de diensten die dergelijke misdrijven moeten vaststellen. Volgens het Natuurdecreet (Art. 60) gebeurt het toezicht door leden van de rijkswacht, gemeentelijke - en landelijke politie, door de ambtenaren en natuurwachters van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud, door de ambtenaren en boswachters van het bosbeheer, door de ambtenaren belast met het toezicht inzake stedenbouw en ruimtelijke ordening, door andere door de minister aangewezen ambtenaren evanals door de wachter beëdigd op grond van artikel 61 van het veldwetboek. Bovendien kan het toezicht ook gebeuren door enerzijds de burgemeesters, alsook de gemeentelijke ambtenaren die door de
22 De wettelijke status van vleermuizen in Vlaanderen 16 gemeenteraad met dit toezicht belast worden en anderzijds de provinciegouverneur, alsook de provinciale ambtenaren die door de provincieraad met dit toezicht belast worden. In de uitoefening van hun opdracht mogen deze overheidspersonen fabrieken, magazijnen, bergplaatsen, kantoren, boten, bedrijfsgebouwen, stallen, stapelhuizen, stations, wagons, voertuigen en de in open lucht gelegen bedrijven alsook alle gronden en wateren betreden en mogen zij dieneinde boten, wagons en voertuigen aanhouden (Art. 61). Bovendien zijn hogergenoemde overheidspersonen o.a. bevoegd om zich te laten vergezellen door specialist(en), om mondeling of schriftelijk ter plaatse de staking van werkzaamheden of handelingen te gelasten en alle maatregelen te treffen om te voorzien in de toepassing van het bevel tot staking van de werkzaamheden. Tenslotte is eenieder verplicht om hogervernoemde personen in de uitoefening van hun opdracht desgevraagd medewerking te verlenen en hen alle inlichtingen te verstrekken (Art. 62). 4. Aanbevelingen In het kader van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (BS 10 januari 1998) is het mogelijk de bescherming van vleermuizen verder uit te werken. In het verdere verloop van de tekst worden er suggesties geformuleerd voor maatregelen die een daadwerkelijke bescherming van vleermuizen mogelijk moeten maken. Deze aanbevelingen worden hier nog eens kort samengevat: De bestaande bescherming van vleermuizen en hun verblijfplaatsen (Het Koninklijk Besluit van 22 september 1980) kan als dusdanig behouden blijven. Het is echter aan te bevelen om de strafmaat expliciet te regelen én de mogelijkheid te voorzien tot herstel in de oorspronkelijke toestand. Vooral de verblijfplaatsen (zowel winter- als zomerverblijfplaatsen) worden door de bestaande wetgeving onvoldoende beschermd. Dit kan gedeeltelijk verholpen worden door concrete richtlijnen op te nemen: Bij de uitvoering van (renovatie)werken aan een (gekende) winter- of zomerverblijfplaats kan men de verplichting opleggen dat voorafgaandelijk advies wordt gevraagd aan AMINAL/Afdeling Natuur (eventueel in samenspraak met de Vleermuizenwerkgroep van Natuurreservaten vzw). Dit advies kan de werken verbieden, de timing van de werken bepalen of mitigerende maatregelen opleggen. Als het gebouw of object waar de werken worden uitgevoerd niet als verblijfplaats gekend is, en er worden tijdens de werken vleermuizen aangetroffen dan dienen de werken onmiddellijk stilgelegd te worden en dient men alsnog een advies aan te vragen (hier kan eventueel een snelle procedure voorzien worden). Houtbehandeling op zolders moet verboden worden tijdens de zomer tenzij na een gunstig advies van AMINAL/Afdeling Natuur
23 De wettelijke status van vleermuizen in Vlaanderen 17 (eventueel in samenspraak met de Vleermuizenwerkgroep van Natuurreservaten vzw). Dit zou zeker moeten gelden voor alle openbare gebouwen (kerken, gemeentehuizen, scholen,...). Ook de bescherming van de jachtgebieden is door de bestaande wetgeving onvoldoende geregeld. Hiervoor zou de mogelijkheid voorzien moeten worden om rond nationaal en internationaal belangrijke kolonies een beschermingszone te voorzien. In deze zone kunnen dan bijzondere maatregelen worden opgelegd of het grondgebruik gereguleerd worden. (te vergelijken met het statuut van een beschermd landschap). Een lijst van belangrijke kolonieplaatsen waarvoor deze bescherming geldt moet worden opgesteld en regelmatig herzien worden.
24 Hoofdstuk 2: De wettelijke status van vleermuizen in Vlaanderen 1. Inleiding Internationale verdragen en Europese richtlijnen Internationale verdragen Europese richtlijnen De Belgische wetgeving Het Koninklijk Besluit van 22 september Decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu Andere wettelijke instrumenten Toezicht en vervolging Aanbevelingen
25 Hoofdstuk 3: Winterverblijfplaatsen Ecologie 1.2. Algemeen Met de term winterverblijfplaatsen of hibernacula bedoelt men meestal grotten of constructies met een grotachtig klimaat zoals oude groeven, forten en kelders. Men vergeet dan wel eens dat er ook wel vleermuizen overwinteren in holle bomen (of nestkasten) en in gewone huizen of kerken, diep weggekropen tussen het gebinte of in de spouwmuur. Het is niet eenvoudig om op deze plaatsen vleermuizen te vinden en de meeste waarnemingen gebeuren op accidentele wijze, bijvoorbeeld wanneer vleermuizen worden aangetroffen in een gevelde boom. Onderzoek en tellingen zijn voornamelijk beperkt tot de grotachtige constructies. In het verdere verloop van de tekst wordt met de term winterverblijfplaatsen dan ook hoofdzakelijk dit type bedoeld. Grotachtige constructies Gebouwen Bomen Klein hoefijzerneus Grote hoefijzerneus Vale vleermuis Watervleermuis Baardvleermuis? Brandt s vleermuis? Bechsteins vleermuis?? Franjestaart Meervleermuis Ingekorven vleermuis Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Bosvleermuis Gewone grootoor Grijze grootoor? Mopsvleermuis?
26 Winterverblijfplaatsen 15 Tijdens de winter gaan vleermuizen in winterslaap of hibernatie. De metabolische activiteit van het lichaam, de hartslag en de ademhaling dalen, waardoor het energieverbruik afneemt. De lichaamstemperatuur wordt niet langer actief op 37 C gehouden, maar neemt af e n s c h o m m e l t i n f u n c t i e v a n de omgevingstemperatuur. De vetreserves, die gedurende het zomerseizoen werden opgebouwd, zorgen voor de vereiste energie om de winter door te komen. Elke vleermuissoort heeft een specifieke temperatuur waar het vetverbruik minimaal is (de minimale stofwisselingstemperatuur). Daalt de temperatuur onder dit punt, dan zal de vleermuis actief opwarmen. Ligt de temperatuur hoger dan de minimale stofwisselingstemperatuur, dan blijft de stofwisseling te hoog en verbruiken ze teveel energie. Dit verklaart waarom elke soort op zoek gaat naar winterverblijfplaatsen waar zeer specifieke temperatuurscondities heersen. Voor soorten die overwinteren in grotten, groeven, forten en kelders ligt de ideale temperatuur meestal ergens tussen 2 en 8 C. Maar Ingekorven vleermuizen bijvoorbeeld, gaan steeds op zoek naar plaatsen waar de temperatuur rond De Grote hoefijzerneus is een soort die op warme plaatsen overwintert 9 C ligt. Dergelijke omstandigheden komen in Vlaanderen enkel diep in de mergelgroeven en forten voor. Dit verklaart waarom de Ingekorven vleermuis zelden in kleine objecten wordt waargenomen. Vleermuizen hebben ook de mogelijkheid om zelf de temperatuur te optimaliseren door in groep te overwinteren. In functie van de omgevingstemperatuur, regelen ze de temperatuur in de groep tot op het gewenste niveau, door dichter bij elkaar of verder uiteen te hangen. Deze techniek wordt vooral gebruikt door vleermuizen die op minder gunstige plaatsen overwinteren, zoals Rosse vleermuizen in holle bomen. In Duitsland is er een overwinteringsboom gekend waar tot 900 Rosse vleermuizen bijeen kruipen. Naast een stabiele temperatuur is een voldoende hoge luchtvochtigheid essentieel tijdens de winterslaap om uitdroging te vermijden. Wanneer ze uit hun winterslaap ontwaken, likken ze dauwdruppels op om hun vochtgehalte op peil te houden. In de jaren 40 tot 70 werden vleermuizen volop gevangen in de overwinteringsplaatsen en, net zoals vogels, geringd. Deze onderzoeksmethode bleek achteraf zeer nefast voor de dieren, en wordt niet meer toegepast. Door het terugvangen van geringde dieren is men echter veel te weten gekomen over het trekgedrag (zie hoger) en over de plaatstrouw. Vleermuizen vertonen een zeer conservatief gedrag en keren steeds naar dezelfde overwinteringsplaatsen terug. Men kon zelfs vaststellen dat individuele dieren jaar na jaar naar hetzelfde plekje terugkeerden. Het is dan ook begrijpelijk dat vleermuizen er niet van houden als er veranderingen optreden in de winterverblijfplaatsen.
27 Winterverblijfplaatsen 16 Tijdens tellingen in de winterverblijfplaatsen is het niet altijd even eenvoudig om de vleermuizen te vinden, ze zitten soms diep weggekropen in spleten en barsten. De dieren zijn dan niet blootgesteld aan tocht, wat energetisch interessant is en bovendien zijn ze minder bereikbaar voor predatoren. Sommige soorten vinden we nooit in spleten maar altijd volledig vrij hangend. Het spreekt vanzelf dat deze soorten, zoals de Grote- en Kleine hoefijzerneus en de Ingekorven vleermuis, veel kwetsbaarder zijn voor verstoring en predatie Winterverblijfplaatsen in Vlaanderen De meeste gegevens waar we over beschikken, betreffen vleermuizen in grotachtige winterverblijfplaatsen. Waarnemingen van dieren in gebouwen zijn fragmentair en werden niet systematisch verzameld. Nog minder gegevens zijn voorhanden van soorten die overwinteren in boomholten. In Vlaanderen komen geen grotten voor en onderscheiden we 3 belangrijke types van objecten die geschikt zijn als hibernacula: mergelgroeven; vinden we enkel in de Maasvallei in het oosten van Limburg (groen). oude forten; voornamelijk gesitueerd r o n d A n t w e r p e n (geel). kleine objecten; onder deze noemer vallen kelders, onderaardse gangen, bunkers, ijskelders, enz. We treffen ze aan in gans Vlaanderen (rood) KLEINE OBJECTEN Het gaat om een grote verscheidenheid aan objecten zoals kelders, onderaardse gangen, crypten van kerken en kastelen, kunstgrotten, ijskelders en bunkers. Algemeen kan gesteld worden dat in dergelijke kleine objecten de temperatuur sterk kan schommelen. Bij strenge vorst daalt de interne temperatuur soms tot onder het vriespunt. IJskelders en bunkers vormen het merendeel van de kleine objecten die in Vlaanderen als winterverblijfplaats worden gebruikt.
28 Winterverblijfplaatsen 17 Bunkers De meeste bunkers dateren van de wereldoorlogen, en we vinden ze overal in Vlaanderen. Ze zijn gebouwd in baksteen, beton of een combinatie van beide. Door de dikke wanden en omdat sommige overdekt zijn met een laag aarde blijft de temperatuur er redelijk stabiel. Door de aanwezigheid van schietgaten zijn de meeste echter behoorlijk tochtig en weinig geschikt als winterverblijfplaats. De meeste vleermuizen worden gevonden in afgesloten, grotere bunkers. Een nadeel van de meeste bunkers is dat ze zeer droog zijn en weinig schuilplaatsen bieden aan de vleermuizen. Ijskelders Ze werden vooral in de 18de eeuw gebouwd om er tijdens de zomer ijs in te bewaren. Hoewel er aanzienlijke verschillen zijn in grootte en vorm, zijn ze gebouwd volgens een algemeen schema. De kelderruimte zelf ligt half in de grond en de koepel is bedekt met een dikke laag aarde ter isolatie. Van daaruit loopt een gang naar buiten. In de gang werden 2 of meer deuren aangebracht om de koude binnen te houden. Van enkele grote ijskelders is bekend dat men er ijs tot twee jaar lang kon bewaren. Enkel de rijke burgers konden zich een ijskelder veroorloven, en daarom zijn Schema van een ijskelder ze meestal gelegen in kasteelparken of kloosterparken. Na de uitvinding van de ijskast werden deze constructies niet meer gebruikt, tenzij als opslagplaats voor bloembollen of als berghok. Door hun specifieke bouw en luchtstroom blijken het echter ideale verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het gemiddeld aantal vleermuizen dat in de kleine objecten verblijft is laag (gemiddeld: 5,06 vleermuizen per object). In een groot aantal van de kleine objecten worden geen of enkele vleermuizen aangetroffen maar sommige ijskelders herbergen meer dan 30 vleermuizen. Het belang van de kleine objecten mag niet onderschat worden; vooral voor korte afstandstrekkers spelen ze een belangrijke rol omdat ze een homogene verspreiding hebben over gans Vlaanderen.
29 Winterverblijfplaatsen 18 Er komen 6 soorten regelmatig voor in de kleine objecten (Baardvleermuis, Brandt s vleermuis, Franjestaart, Gewone grootoor, Grijze grootoor en Watervleermuis). De Grijze- en Gewone grootoor alsook de Baard- en Brandt s vleermuis zijn zustersoorten die tijdens de wintertellingen niet van elkaar te onderscheiden zijn, en ze worden als 1 soort weergegeven in figuur. Andere soorten zoals de Gewone dwergvleermuis, Ingekorven vleermuis en Mopsvleermuis worden slechts zeer sporadisch aangetroffen FORTEN De meeste forten zijn gelegen in de omgeving van Antwerpen. Maar ook in Oudenaarde (Kezelfort), Oostende (Fort Napoleon) en Ieper (citadel van Ieper) zijn er forten waar vleermuizen worden geteld. Het feit dat de meeste forten rond Antwerpen liggen, berust op het feit dat in de 19de eeuw deze stad werd uitgekozen als militaire hoofdstad van Vlaanderen omwille van zijn haven. De meeste forten liggen volledig bovengronds, maar zijn wel bedekt met een laag aarde. Door de dikke wanden en de grote oppervlakte ontstaan er ruimtes met stabiele temperatuur die de ganse winter boven het vriespunt blijft. De meeste forten hebben veel ramen en deuren, waardoor de buitenste lokalen tochtig en koud zijn. Het klimaat van de dieper gelegen kamers en gangen is stabieler en minder tochtig. De vochtigheidsgraad varieert zeer sterk tussen de verschillende forten en kan ook binnen één fort sterk wisselen. Omstreeks 1859 werd rond Antwerpen een eerste ring van forten gebouwd, de kleine fortengordel, naar het ontwerp van H.A. Brialmont. De forten liggen op ongeveer 2km afstand van elkaar en op een afstand van ongeveer 3km van de toenmalige stadsgrens. Door de ontwikkeling van wapens met een grotere reikwijdte en de uitbreiding van de stedelijke kern voldeden de forten niet meer. Op grotere afstand van de stadsgrenzen werden tussen 1878 en 1900 nieuwe forten opgetrokken, de grote fortengordel. De kleine fortengordel, ook wel de veiligheidsgordel genoemd, bestaat tegenwoordig nog uit 7 forten. De constructie en bouwstructuur zijn gelijkend voor alle forten, ze zijn volledig in baksteen opgetrokken en bedekt met aarde. Rond het gehele fort lag een brede gracht. De meeste van deze forten liggen nu volledig ingesloten door woonzones en industrie. Schema van een fort van de kleine fortengordel
30 Winterverblijfplaatsen 19 De grote fortengordel lag op een grotere afstand van de stadsgrenzen dan de kleine fortengordel. De forten ten noorden van het Albertkanaal werden bovendien verbonden door het "anti-tankgracht". Het bouwplan van de forten verschilt onderling, maar het zijn telkens variaties op een zelfde basisplan. Enkele forten zijn gedeeltelijk in baksteen en afgewerkt in beton, de meeste zijn echter volledig betonnen constructies. Het fort van Steendorp, dat gebouwd werd voor de andere forten, heeft een afwijkend bouwplan en is volledig in baksteen opgetrokken. Alle forten zijn voorzien van zogenaamde "watergangen". Dit zijn bakstenen kruipgangetjes die dienen om water af te voeren. In deze gangetjes worden grote aantallen vleermuizen aangetroffen. In de forten wordt jaarlijks ongeveer 60% van de winterslapende vleermuizen geteld. Het gemiddeld aantal vleermuizen is per fort, maar er zijn enkele stevige uitschieters zoals het fort van Steendorp (jaarlijks tussen 800 en 1000 vleermuizen) en het fort van Oelegem (jaarlijks tussen 600 en 800 vleermuizen). Ook het aantal soorten dat wordt aangetroffen is groter; 8 soorten worden regelmatig aangetroffen (Baardvleermuis, Brandt s vleermuis, Franjestaart, Gewone dwergvleermuis, Gewone grootoor, Grijze grootoor, Ingekorven vleermuis en Watervleermuis), 2 andere soorten in kleinere aantallen (Meervleermuis en Laatvlieger).
31 Winterverblijfplaatsen MERGELGROEVEN In het zuiden van Limburg liggen verschillende oude mergelgroeven. Dit gesteente werd reeds in de Romeinse tijd op deze plaats verzameld. De meeste groeven dateren echter uit de 16e tot 18e eeuw en bleven in gebruik tot begin deze eeuw. In de wereldoorlogen werden ze veelvuldig gebruikt als schuilplaats. Door hun uitgestrekte gangenstelsels en hun specifiek klimaat vormen de groeven een ideaal rustoord voor vleermuizen. In de loop van deze eeuw werden verschillende, in onbruik geraakte groeven omgevormd tot champignonkwekerijen. De meeste van deze bedrijven zijn ondertussen verdwenen. De verspreiding van de groeven in Vlaanderen, zoals weergegeven op het kaartje op bladzijde ***, geeft een onvolledig volledig beeld, want ook in Nederland en in Wallonië zijn er verschillende groeven. Dit gebied vormt dan ook een van de belangrijkste West-Europese overwinteringsplaatsen. Het grensoverschrijdende karakter wordt goed geïllustreerd door de groeve van Caster die voor een klein deel onder Nederlands grondgebied ligt, voor het grootste deel onder Vlaanderen en nog een klein deel onder Wallonië met hier ook de ingangen. Ook de groeven van Ternaaien-beneden en Ternaaien-boven liggen gedeeltelijk onder Vlaanderen maar de ingang bevindt zich telkens in Wallonië. Ondanks hun uitgestrektheid is er veel verstoring in de groeven. Het gemiddelde aantal vleermuizen in de mergelgroeven ligt eveneens hoog (89,02 vleermuizen per groeve). We treffen ongeveer dezelfde soorten aan als in de forten, al is de meervleermuis hier wel iets algemener. Bijkomend is er de aanwezigheid, in lage aantallen weliswaar, van de Bechsteins vleermuis en de Vale vleermuis. 2. Oorzaken van achteruitgang Er zijn verschillende factoren die een bedreiging vormen voor vleermuizen in winterslaap. We kunnen ze in drie grote groepen onderverdelen; verstoring van de vleermuizen, verdwijnen of ongeschikt worden van de winterverblijfplaatsen en aantasting van de omgeving Verstoring Ongetwijfeld vormt verstoring de belangrijkste bedreiging voor vleermuizen in winterslaap. Bij verstoring ontwaken ze uit hun lethargie. Dit kost zeer veel energie en telkens wordt een deel van de vetreserve opgebruikt. Als herhaaldelijk verstoring optreedt geraakt de vetreserve uitgeput en overleven de dieren de winter niet. De verstoring kan zeer uiteenlopend van aard zijn: Verschillende objecten worden gebruikt als opslagplaats of voor andere industriele toepassingen. Zo werden verschillende mergelgroeven vanaf de jaren 40 gebuikt voor het kweken van champignons. Door het aan en af rijden van vrachtwagens, verlichting en lawaai zijn deze plaatsen ongeschikt geworden als winterverblijfplaats voor vleermuizen. Alhoewel speleologie niet echt van toepassing is op de mergelgroeven en forten vormt toerisme toch een ernstige bedreiging. Deze objecten hebben een onweerstaanbare
32 Winterverblijfplaatsen 21 aantrekking op spelende kinderen, scoutsgroepen en organisatoren van zogenaamde avonturen-weekends. Dit gaat vaak gepaard met het stoken van vuur, vuurwerk en lawaai. In veel gevallen zijn de bezoekers zich niet bewust van de aanwezigheid van vleermuizen, maar in een enkel geval worden de dieren moedwillig verstoord of gedood. Het ringen voor wetenschappelijke doeleinden is een factor die, in het verleden, een grote impact heeft gehad op de vleermuizen in winterslaap. Tussen de jaren 40 en 70 werden op grote schaal vleermuizen geringd. In groeven en grotten werden vleermuizen tijdens de winterslaap gevangen en van een metalen ringetje voorzien. Om plaatstrouw te onderzoeken werden dikwijls meerdere vangssessies per jaar georganiseerd, waardoor de dieren herhaaldelijk verstoord werden en hun vetreserves uitputten. Vanaf de jaren 70 werden de gevolgen van deze onderzoeksmethode duidelijk en werd de techniek niet meer toegepast. Met dit gegeven in het achterhoofd stond men jarenlang zeer sceptisch tegenover elk onderzoek waarbij vleermuizen individueel worden gemerkt. De laatste jaren groeit echter de overtuiging dat ringen niet noodzakelijk negatief is voor vleermuizen mits het tijdens de goede periode (niet tijdens winterslaap en zoogperiode), en op een verantwoorde manier wordt uitgevoerd Verdwijnen of ongeschikt worden van winterverblijfplaatsen Omdat vleermuizen zeer plaatstrouw zijn, heeft het verdwijnen van een winterverblijfplaats een enorme impact. In het bijzonder wanneer het gaat om een object waar grote concentraties vleermuizen overwinteren, zoals forten of mergelgroeven. Het zijn echter vooral de kleine objecten zoals ijskelders die worden volgestort of afgebroken. Het voornaamste probleem is echter niet dat de winterverblijfplaatsen verdwijnen, maar eerder dat ze ongeschikt worden gemaakt als winterverblijfplaats. Enerzijds door het ontoegankelijk maken van de objecten en anderzijds door ingrepen die het interne klimaat wijzigen. Vaak worden de toegangen, om veiligheidsredenen, afgesloten of soms zelfs toegemetseld. Bij kleine objecten is het gevaar reëel dat de toegangen zo grondig worden afgesloten dat ook de vleermuizen niet meer binnen kunnen. In mergelgroeven of forten zijn er daarentegen meestal andere, kleine openingen die de vleermuizen een toegang bieden. In mergelgroeven werd vastgesteld dat het aantal vleermuizen daalde na het afsluiten van de toegang met een massieve poort, ook al waren er nog voldoende ingangen voor vleermuizen. Door het plaatsen van de deur werd echter de luchtstroom in de winterverblijfplaats onderbroken en traden er temperatuurinversies op, die de verblijfplaats voor vleermuizen ongeschikt maakten. Het verdient daarom de voorkeur om grote objecten af te sluiten met hekken in plaats van massieve deuren omdat deze de luchtstroom minder beïnvloeden. In een aantal forten werden renovatiewerken uitgevoerd en worden de lokalen terug in gebruik genomen en verwarmd. Hierdoor stijgt ook de temperatuur in de omringde lokalen, waardoor niet enkel de lokalen die in gebruik zijn, maar grote delen van het fort ongeschikt wordt als verblijfplaats voor vleermuizen. Vleermuizen die hun winterslaap doorbrengen in holle bomen worden nauwelijks geconfronteerd met de hoger vermelde problemen. Het gevaar bestaat echter dat de bomen worden gekapt. En vermits de meeste loofbomen tijdens de winterperiode worden geveld is het gevaar niet denkbeeldig dat de dieren zich op dat ogenblik in de holte bevinden. Bij vellingen van holle bomen worden dan ook regelmatig vleermuizen gedood. De dieren kunnen
33 Winterverblijfplaatsen 22 getroffen worden door de kettingzaag, maar de meeste slachtoffers vallen door de klap waarmee de boom tegen de grond slaagt. De dieren die de slag overleven zijn genoodzaakt om op zoek te gaan naar een nieuwe, vaak minder optimale verblijfplaats. Voor deze verplaatsing en door de stress verbruiken ze veel van hun vetreserve en het is best mogelijk dat deze dieren alsnog de winter niet overleven Aantasting van de omgeving De teloorgang van de natuurlijke omgeving van de winterverblijfplaats is een probleem waar zowel vleermuizen in bomen als vleermuizen in de klassieke winterverblijfplaatsen mee geconfronteerd worden. Van verschillende vleermuissoorten is geweten dat ze op milde winterdagen, vooral naar de lente toe, ontwaken om te gaan foerageren. Het is daarom belangrijk dat er geschikte jachtgebieden voorkomen in de onmiddellijke omgeving van de winterverblijfplaats. Zo werd aangetoond dat voor de Grote hoefijzerneus de aanwezigheid van naar het Zuiden gerichte, beboste hellingen belangrijk is voor de overleving van de winterperiode. Voor andere soorten is dit aspect nog niet onderzocht maar waarschijnlijk minstens even belangrijk. Door de toenemende urbanisatie en schaalvergroting in de landbouw komen de winterverblijfplaatsen in toenemende mate in een ecologische woestijn te liggen Aanbevelingen voor het beleid 3. Mogelijkheden voor bescherming Bescherming en beheer van winterverblijfplaatsen wordt algemeen gezien als de eerste en meest eenvoudige stap in de bescherming van vleermuizen. Het gaat meestal om objecten die weinig of geen andere functie hebben en waarvan het beheer zeer eenvoudig uit te voeren is. Desondanks geniet geen van de winterverblijfplaatsen in Vlaanderen enige (wettelijke) bescherming, tenzij dewelke die beheerd worden door natuurverenigingen. Bescherming van winterverblijfplaatsen kan in eerste instantie door het verwerven van de objecten en er een specifiek vleermuisgericht beheer te voeren. Dit kan zowel door terreinbeherende natuurverenigingen als door de overheid. Anderzijds zijn er ook een aantal wettelijke mogelijkheden ter bescherming van de winterverblijfplaatsen. Een lijst van de prioritair te beschermen objecten werd opgesteld in het eindrapport Bescherming Vleermuizen AMINAL/ Afd. Natuur/1995/Nr.11 (aan te vragen bij afdeling Natuur, Brussel). De volledige lijst is hier nogmaals in de bijlage opgenomen. Voor de belangrijke objecten (forten en mergelgroeven) geldt dat ze zeker moeten worden opgenomen in het VEN. Dit biedt o.a. de overheid (en natuurverenigingen in beperkte mate) het recht op voorkoop. Winterverblijfplaatsen in het bezit van de overheid kunnen beschermd worden als Vlaams natuurreservaat (Natuurdecreet 21 oktober 1997). Objecten in het bezit van, of
34 Winterverblijfplaatsen 23 gehuurd door, natuurverenigingen kunnen het statuut verkrijgen van Erkend natuurreservaat. Dit biedt vooral mogelijkheden naar subsidie van beheerswerken. Winterverblijfplaatsen én hun omgeving kunnen beschermd worden door inkleuring op de gewestplannen als natuurgebied of als natuurgebied met wetenschappelijke waarde Tenslotte kunnen bepaalde winterverblijfplaatsen worden erkend als beschermd monument en/of beschermd landschap. In de erkenningsvoorwaarde kunnen bijzondere beschermingsmaatregelen t.o.v. vleermuizen worden opgenomen. Het fort van Oelegem is erkend als beschermd monument. Nogal wat forten zijn nog in het bezit van de militaire overheid maar worden niet meer gebruikt. Specifiek voor deze objecten zou een beheersovereenkomst gesloten kunnen worden tussen AMINAL en de militaire overheid. Dit kan ondermeer inhouden dat tijdens de winter geen militaire oefeningen worden gehouden in de forten en dat beheersingrepen uitgevoerd kunnen worden. De inrichting en bescherming van kleine objecten zoals ijskelders en bunkers kan plaatsvinden in het kader van gemeentelijke of provinciale natuurontwikkelingsplannen Praktisch beheer van winterverblijfplaatsen GROTACHTIGE CONSTRUCTIES De belangrijkste praktische maatregel is ongetwijfeld het waarborgen van rust tijdens de winterperiode door de verblijfplaatsen af te sluiten. Tijdens de zomer is betreding van de verblijfplaatsen wel mogelijk, bijvoorbeeld voor historische rondleidingen. Tussen september en april, wanneer de vleermuizen aanwezig zijn, moet elke verstoring vermeden worden. In tweede instantie moet het beheer gericht zijn op het verbeteren van de winterverblijfplaats. O.a. door het optimaliseren van het interne klimaat, aanbrengen van hangplaatsen en aanpassingen aan de omgeving. Afsluiten In grote objecten (forten en mergelgroeven) moet men opletten de luchtcirculatie niet te verstoren en moet men gebruik maken van een hek. In kleine objecten daarentegen, waar het nodig is de luchtcirculatie te beperken, wordt gebruik gemaakt van twee of meer massieve deuren, om een saswerking te creëren. De afsluiting moet in elk geval voorzien zijn van een toegang voor vleermuizen, de mogelijkheid bieden om een controle van de aantallen uit te voeren en bestand zijn tegen vandalisme. Het exacte ontwerp is zeer afhankelijk van de uitgangssituatie, maar met een aantal aspecten moet men steeds rekening houden.:
35 Winterverblijfplaatsen 24 De installatie van een afsluiting moet worden uitgevoerd buiten de winterperiode om de vleermuizen niet te verstoren. De periode mei tot juli verdient de voorkeur. Ongewenste bezoekers moeten door de afsluiting worden tegengehouden maar voor de vleermuizen moet een vliegopening voorzien zijn. In massieve deuren wordt, best bovenaan de deur, een vliegopening voorzien van beperkte afmetingen (hoogte 7-15cm, breedte 35-45cm). Onder de opening moet het deuroppervlak ruw gemaakt worden om de vleermuizen houvast te bieden (bijvoorbeeld door het aanbrengen van een ongeschaafde houten plank). Hekwerken zijn opgebouwd uit horizontale spijlen, met verticale verstevigingen. De afstand tussen de verticale balken mag variëren tussen 45 en 75cm, tussen de horizontale spijlen moet de afstand liggen rond 13cm. Deze afstanden vormen een goed compromis tussen stevigheid en toegankelijkheid voor vleermuizen. Zowel deuren als hekwerken moeten stevig verankerd worden en er mag geen mogelijkheid zijn om het geheel te ondergraven. Hiervoor kan het nodig zijn om met bakstenen of beton een fundering of kader te voorzien rond de opening. De afsluiting moet uit stevig materiaal worden gemaakt dat bestand is tegen vandalisme. Om tellingen van de overwinterende vleermuizen mogelijk te maken moet een toegangsmogelijkheid voorzien worden (minstens 50x50cm). Het is een algemene stelregel dat het slot de zwakste component van de afsluiting moet zijn. Vastberaden vandalen kan men immers nooit tegenhouden en dan is het eenvoudiger om achteraf het slot te vervangen dan de volledige constructie. Verbeteringen van het interne klimaat Vooral in de kleine objecten is het dikwijls nodig om met beheersingrepen het interne klimaat te verbeteren. Dit kan door het beperken van luchtstromen en door het isolerend vermogen te verhogen. Beperken van luchtstromen Door de luchtstroming te beperken, creëert men een stabiele temperatuur en hoge luchtvochtigheid. Afhankelijk van de constructie van het gebouw zal men hiervoor op een andere manier tewerk moeten gaan. In essentie gaat het er steeds om de luchtcirculatie te beperken, maar niet volledig af te sluiten. Stap 1: Afsluiten van kleine openingen zoals verluchtingsgaten, schietgaten, vensters, enz. Deze kunnen eenvoudig worden toegemetseld.
36 Winterverblijfplaatsen 25 Stap 2: De instroming van lucht langs de ingang beperken, waardoor een zeer trage luchtstroming ontstaat die koude lucht van buiten naar binnen brengt. Door contact met de wanden warmt deze lucht op en stijgt. Op deze manier verkrijgt men een geleidelijke temperatuursgradiënt in de winterverblijfplaats. Dit kan door: het plaatsen van deuren aanbrengen van tussenmuurtjes een lange, gebogen gang te voorzien Voor de meeste objecten volstaan deze 2 stappen. Specifiek voor tunnels kan nog een derde beheersmaatregel aangewezen zijn. Stap 3: In lange, rechte objecten zoals tunnels, kan men nog enkele tussenmuurtjes aanbrengen om een extra stabiel temperatuurregime te creëren.
37 Winterverblijfplaatsen 26 Verhogen van het isolerend vermogen Door het aanbrengen van een dikke laag aarde (minimaal 1 m dikte), zoals bij de meeste ijskelders reeds het geval is, worden temperatuurschommelingen in de verblijfplaats sterk gereduceerd. De aarde kan men bekomen door de inrichting van de winterverblijfplaats te combineren met de aanleg van een amfibieënpoel of men kan gebruik maken van bouwafval. Om de aarde te stabiliseren worden best planten aangebracht. Door grondbedekkers (bijvoorbeeld klimop) te combineren met doornige struiken wordt betreding tegengegaan. Bomen moeten vermeden worden omdat hun wortels de constructie kunnen beschadigen. Aanbrengen van schuilplaatsen Alhoewel vleermuizen aan gladde wanden kunnen hangen verkiezen ze weg te kruipen in spleten. In verschill en d e p o t en t i ële verblijfplaatsen ontbreken die echter en door extra schuil- en hangplaatsen te voorzien kan het aantal vleermuizen sterk verhogen. Voor de constructie kan men op zeer uiteenlopende wijze tewerk gaan, en is het gebruik van diverse materialen mogelijk. Meestal wordt gebruik gemaakt van holle bakstenen, maar ook houten constructies of opruwen van de wanden met cement behoren tot de mogelijkheden. Inrichting van de omgeving In de omgeving van de winterverblijfplaats moeten geschikte jachtgebieden voorkomen. Verblijfplaatsen gelegen in een bosrijke of parkachtige omgeving, of ermee verbonden langsheen landschapselementen krijgen van vleermuizen de voorkeur. Omdat nog weinig geweten is over de voorkeurshabitats tijdens de winter is het aangewezen om bij de bestaande winterverblijfplaatsen de omgeving in de mate van het mogelijke te behouden en te beschermen (in een straal van 2 km). Bij de inrichting van nieuwe verblijfplaatsen moet de voorkeur gaan naar objecten die reeds een gunstige ligging hebben. Eventueel kunnen de vleermuizen naar de nieuwe verblijfplaats geleid worden door de aanplanting van dreven, hagen en/of houtkanten.
38 Winterverblijfplaatsen WINTERVERBLIJFPLAATSEN IN HOLLE BOMEN Omdat weinig of niets gekend is over de eisen waaraan een holle boom moet voldoen om als winterverblijfplaats geschikt te zijn, kan hier geen gericht beheer gevoerd worden. De enige mogelijkheid is holle bomen zoveel mogelijk te sparen (zie ook bij zomerverblijfplaatsen in holle bomen). Indien toch holle bomen geveld worden, moet men vermijden dat dit wordt uitgevoerd tijdens de mid-winter. Bij voorkeur moet de velling tijdens de herfst plaatsvinden (1 september - 31 oktober). Dit geldt in het bijzonder in vleermuisrijke gebieden en in bossen waar natuur de hoofdfunctie is (reservaten, natuurgebieden). Voor vleermuizen zou ook velling tijdens de lente mogelijk zijn (15 maart - 30 april) maar dit is ongunstig voor holenbroedende vogels. Indien bij een velling toch vleermuizen worden aangetroffen dan moet zo snel mogelijk contact worden opgenomen met de Vleermuizenwerkgroep of een andere instantie die kan instaan voor de verzorging van de dieren. Niet gewonde dieren worden best ter plekke vrijgelaten zodat ze een nieuwe verblijfplaats kunnen zoeken.
39 Winterverblijfplaatsen 28 Hoofdstuk 3: Winterverblijfplaatsen Ecologie Algemeen Winterverblijfplaatsen in Vlaanderen KLEINE OBJECTEN FORTEN MERGELGROEVEN Oorzaken van achteruitgang Verstoring Verdwijnen of ongeschikt worden van winterverblijfplaatsen Aantasting van de omgeving Mogelijkheden voor bescherming Aanbevelingen voor het beleid Praktisch beheer van winterverblijfplaatsen GROTACHTIGE CONSTRUCTIES WINTERVERBLIJFPLAATSEN IN HOLLE BOMEN
40 Hoofdstuk 4: Zomerverblijfplaatsen 25 Ook tijdens de zomer vinden we vleermuizen op zeer uiteenlopende plaatsen. Enerzijds vinden we een groot aantal soorten in gebouwen, anderzijds zijn er ook veel soorten die in holle bomen verblijven. Sommige soorten zijn niet strikt aan één van deze verblijfstypes gebonden (tabel). De voorkeur wordt trouwens sterk geografisch bepaald. Zo vinden we in onze streken Rosse vleermuizen enkel in holle bomen, in Centraal Europa daarentegen vooral in gebouwen. Er zijn natuurlijk overeenkomsten in het gedrag tussen gebouwbewonende en boombewonende soorten maar zowel de ecologie als de beschermingsmaatregelen zijn zeer verschillend. Daarom worden beide types van zomerverblijfplaats afzonderlijk besproken Gebouwen Bomen Grote hoefijzerneus Kleine hoefijzerneus Vale vleermuis () Watervleermuis () Baardvleermuis Brandt s vleermuis Franjestaart Bechsteins vleermuis Meervleermuis Ingekorven vleermuis Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Bosvleermuis Gewone grootoor Grijze grootoor? Mopsvleermuis In de zomerperiode leven mannetjes en vrouwtjes gescheiden. De mannetjes leven solitair of in kleine groepjes, de vrouwtjes daarentegen komen bijeen in grotere groepen (tot >100 individuen). Zij vormen kraamkolonies waar de jongen geboren worden. Het voordeel van een groot aantal dieren is dat er veel warmte wordt geproduceerd, hetgeen positief is voor de ontwikkeling van de foetus en later voor de ontwikkeling van de jonge dieren. Vleermuizen
41 Zomerverblijfplaatsen 26 trachten hun reproductief succes te verhogen door gebruik te maken van de beste verblijfplaatsen. De kwaliteit van de kolonieplaats wordt door verschillende factoren bepaald, zoals de mate van verstoring, de ligging ten opzichte van de foerageergebieden, maar vooral door het interne klimaat. Temperatuur en vochtigheid hebben een sterke invloed op de ontwikkeling van de jongen en zullen in hoge mate het voortplantingssucces van de kolonie bepalen. In de loop van het zomerseizoen verhuizen de vleermuizen regelmatig. Er wordt verondersteld dat dit verhuisgedrag dient om enerzijds predators te vermijden en anderzijds om te beletten dat er zich een te hoge concentratie aan parasieten zou opbouwen in de koloniegroep. Dit verhuisgedrag wordt hoofdzakelijk vastgesteld bij boombewonende vleermuizen, maar komt ook voor bij gebouwbewonende soorten zoals de Gewone dwergvleermuis. Kolonieplaatsen in gebouwen 1. Ecologie Onder de term gebouwen valt een hele brede waaier van constructies. Het kan gaan van stallen, schuren, oude kastelen en kerken tot moderne woningen. Afhankelijk van de bouwstijl en de gebruikte materialen zijn er meer of minder mogelijke schuilplaatsen voor vleermuizen (figuur ***). We kunnen twee types van gebouwbewonende vleermuizen onderscheiden. Er zijn soorten die een grote ruimte nodig hebben, en die we meestal terugvinden op zolders of in ongebruikte schuren en stallen. Er zijn ook soorten die met veel minder ruimte genoegen nemen, en die zich ophouden in de spouwmuur, tussen het dakgebinte, in de rolluikkast, achter gevelbekleding, enz. De eerste groep is beperkt in zijn keuze tot (oudere) gebouwen met grote zolderruimtes zoals kerken en kastelen. De 2de groep daarentegen heeft een veel grotere keuze en treffen we ook veelvuldig aan in moderne gebouwen. Het kan enigszins verwarrend klinken als enerzijds gezegd wordt dat vleermuizen vaak verhuizen en anderzijds dat vleermuizen extreem plaatstrouw zijn. Het is belangrijk om te begrijpen dat de vleermuizen jaar na jaar naar dezelfde kolonieplaatsen terugkomen (= plaatstrouw) en dat het verdwijnen van een kolonieplaats een enorm negatieve invloed heeft op het voortplantingssucces. Een groep vleermuizen gebruikt in de loop van het jaar wel meerdere kolonieplaatsen waartussen ze verhuizen. Dit verhuisgedrag hangt sterk samen met het type van verblijfplaats. De soorten van grote zolders zijn over het algemeen genomen de ganse zomer honkvast, terwijl de gebruikers van kleine ruimtes in de loop van het jaar regelmatig verhuizen. Een belangrijke voorwaarde voor een gebouw, om als verblijfplaats voor vleermuizen geschikt te zijn, is de toegankelijkheid. Nochtans hebben vleermuizen niet veel nodig om binnen te geraken. De Gewone dwergvleermuis, onze kleinste inheemse soort, heeft voldoende aan een spleetje van 1 cm. De Laatvlieger, één van onze grootste soorten, neemt genoegen met een ingang van minimum 2 cm. Dit zijn soorten die niet rechtstreeks naar binnen vliegen maar die eerst tegen de gevel landen en vervolgens naar binnen kruipen. Er
42 Zomerverblijfplaatsen 27 zijn echter ook soorten, zoals de Vale vleermuis, die liefst rechtstreeks de kolonieplaats binnenvliegen. Het spreekt vanzelf dat deze dieren een grotere vliegopening nodig hebben. Dit kan een vensteropening zijn of galmgaten van de kerktoren (tabel ***). Voor een goede ontwikkeling en groei van de jonge vleermuizen moet het warm zijn in de kolonieplaats. Elke soort heeft een specifieke temperatuur waarbij de ontwikkeling optimaal is. Deze temperatuur ligt voor de meeste soorten ergens tussen 25 en 35 C. Door metingen van het zuurstofverbruik in verhouding tot de temperatuur werd vastgesteld dat voor de Kleine hoefijzerneus het optimum rond 30 C ligt. Tijdens hetzelfde onderzoek werd vastgesteld dat de temperatuur in koloniegroep gemiddeld 30.9 C bedroeg, ongeveer 15 C warmer dan de omgevingstemperatuur op de zolder. Door de afstand te variëren tussen dieren in de groep slaagden de vleermuizen erin de temperatuur quasi constant te houden. Om de energiekost zo minimaal mogelijk te houden gaan de vleermuizen op zoek naar de warmste zolders. Daarom hebben ze een voorkeur voor zwarte dakbedekking, liefst langs de binnenzijde afgewerkt met hout. Maar anderzijds is het voor de vleermuizen niet ideaal als het te warm wordt. Tijdens de warmste dagen in de zomer verhuizen de dieren naar de koelere plekken in het gebouw of verhuizen ze zelfs naar een andere, secundaire verblijfplaats. Oorzaken van achteruitgang Gebouwbewonende vleermuizen worden geconfronteerd met verschillende problemen. Zo zijn er vele verblijfplaatsen verdwenen. In de loop van de geschiedenis zijn de bouwstijlen herhaaldelijk gewijzigd, maar de gebruikte materialen bleven steeds min of meer dezelfde. In de loop van de 20ste eeuw werden verschillende nieuwe materialen in gebruik genomen. Gebouwen worden nu ook goed geïsoleerd en afgesloten. Hierdoor werden vele gebouwen ongeschikt of ontoegankelijk voor vleermuizen. De meeste mensen houden niet van vleermuizen en ze worden, ondanks hun wettige bescherming, vaak verdreven of gedood. Tenslotte zijn gebouwbewonende vleermuizen zeer zwaar getroffen door het gebruik van toxische houtconserveringsmiddelen Verdwijnen van kolonieplaatsen Het aantal huizen en gebouwen is in de loop van de 20ste eeuw toegenomen. Toch zijn er verschillende belangrijke verblijfplaatsen van vleermuizen verdwenen. In de rurale gebieden geraakten, door de intensifiëring en de industrialisering van de landbouw, veel schuren, stallen en materiaaldepots in verval en verdwenen ze uit het landschap. Moderne stallen worden om hygiënische redenen hermetisch afgesloten en ongeschikt voor vleermuizen. Ook op andere plaatsen werden oude gebouwen stelselmatig vervangen door moderne woningen, die door hun bouwstijl vaak minder geschikt zijn voor vleermuizen (zie verder). Een onderzoek naar het gebruik van beschermde monumenten door vleermuizen toonde aan dat vooral gebouwen ouder dan 160 jaar door vleermuizen werden gebruikt. Het verdwijnen van oude gebouwen zoals kastelen, abdijen,... is voor vleermuizen een ernstige bedreiging Ongeschikt worden van verblijfplaatsen
43 Zomerverblijfplaatsen 28 Moderne gebouwen zijn over het algemeen minder geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. De meeste gebouwen hadden vroeger een grote, ongebruikte zolder die vooral een isolerende functie had en af en toe gebruikt werd als stapelplaats. Door het gebruik van isolatiemateriaal is hun functie overbodig geworden en in moderne gebouwen is de zolder volledig in gebruik genomen als leefruimte. Ook bij renovatie van oude gebouwen wordt de zolder vaak verbouwd. Dit heeft vooral een sterke impact op soorten die een verblijfplaats met een groot volume nodig hebben zoals de Ingekorven vleermuis, de Vale vleermuis en de hoefijzerneuzen. Ook andere ruimtes, zoals de spouwmuur of de ruimte onder het dak, worden tegenwoordig volledig opgevuld met isolatiemateriaal, en worden zo onbruikbaar voor vleermuizen. De spouwmuur wordt door veel gebouwbewonende soorten gebruikt. Zo bleek in het Nederlandse Muiden dat een kolonie Laatvliegers enkel verbleef in huizen met niet geïsoleerde spouwmuren. Een totaal ander probleem vormt de verlichting van gebouwen. Zowel om veiligheidsredenen als om esthetische redenen worden gebouwen s nachts vaak overvloedig verlicht. Denken we maar aan al de kerkgebouwen die s nachts met grote spots worden beschenen. Aangezien vleermuizen nachtdieren zijn, schuwen ze over het algemeen het licht. Een gebouw dat 's nachts wordt verlicht, is voor hen dan ook minder aantrekkelijk. Uit een experiment bleek dat Ingekorven vleermuizen gemiddeld 15 minuten later uitvliegen als de uitvliegopening verlicht is (figuur ***). Alhoewel dit slechts een klein tijdsverschil lijkt, heeft het op energetisch vlak voor de vleermuizen een serieuze impact. De hoeveelheid insecten is immers het grootste tijdens de schemering en neemt af in de loop van de nacht. Hoe later de dieren uitvliegen, hoe minder insecten er beschikbaar zijn. In hetzelfde onderzoek werd aangetoond dat de vleermuizen steeds de donkerste route kiezen bij het verlaten van de kolonie Toegankelijkheid van de kolonieplaats Om energiebesparende redenen tracht men alle woningen zo goed mogelijk af te sluiten. Bijvoorbeeld de dakrand, die vaak als toegang dient voor vleermuizen, wordt tegenwoordig vaak met siliconen afgewerkt. Vleermuizen vinden ook gemakkelijk een toegang langs een open voeg in het metselwerk. Maar door het toenemend gebruik van beton, glas en staal in de plaats van natuursteen en baksteen, worden gebouwen minder toegankelijk voor vleermuizen. Een probleem dat zich specifiek manifesteert bij kerkzolders is overlast veroorzaakt door duiven. Om deze dieren buiten te houden worden de galmgaten en ramen van de kerktoren en zolder met gaas afgesloten. Niet zelden wordt de zolder hierdoor ook voor vleermuizen onbereikbaar. In het bijzonder de vleermuissoorten die nood hebben aan een grote invliegopening worden hierdoor getroffen. In sommige gevallen wordt ook een kolonie vleermuizen opgesloten op de zolder Verdrijven en doden van vleermuizen Vleermuizen worden vaak geassocieerd met allerlei duistere machten en ziekten. Wanneer mensen vaststellen dat er vleermuizen in hun huis verblijven willen ze er zo snel mogelijk van
44 Zomerverblijfplaatsen 29 Vleermuizen en gezondheid Mensen zijn vaak bevreesd dat vleermuizen allerlei ziektes overbrengen. In onze streken is dat risico minimaal. In zuidelijke streken komt de schimmel (Histoplasma capsulatum) voor in associatie met grote hoeveelheden vleermuizen-uitwerpselen. Deze schimmel kan bij de mens Histoplasmose veroorzaken. Het aantal besmettingen is bijzonder laag. In Europa zijn tot nu toe slechts 15 gevallen van besmetting bij de mens bekend. Er is geen enkele aanwijzing dat de schimmel in Vlaanderen voorkomt. Een andere ziekte die vaak ter sprake komt is Rabiës of hondsdolheid. Eigenlijk gaat het om een groep van virussen, de Lysavirussen ook wel rabiës-achtige virussen genoemd. Er bestaan 6 vormen (stammen) waarvan hondsdolheid (Engels: Canine rabies) er één is. Ook bij vleermuizen kunnen Lysavirussen voorkomen. De aanwezigheid van hondsdolheid bij vleermuizen beperkt zich tot Amerika. In Europa werden bij de Laatvlieger, de Meervleermuis en bij enkele Myotis sp. (hoofdzakelijk de Watervleermuis) twee andere stammen van het virus ontdekt; Europees Vleermuis Lysssavirus 1 en 2 (EBL1 en EBL2). In Noord-Nederland is, van de onderzochte vleermuizen, ongeveer 20% besmet. In het zuiden van Nederland werden veel minder gevallen vastgesteld. In België werd de ziekte tot nu toe nog niet bij vleermuizen vastgesteld maar er werd nog geen systematisch onderzoek verricht. Het risico voor de mens is zeer gering. Sinds 1950 waren er in heel Europa slechts 3 sterfgevallen ten gevolge van vleermuis-rabiës (1 in Kiev, 1 in Finland en 1 in Rusland) waaronder 1 vleermuisonderzoeker. De overdracht naar de mens kan enkel gebeuren wanneer besmet speeksel in een wonde terecht komt. Dit kan dus enkel voorkomen wanneer men gebeten wordt door een vleermuis. Richtlijnen bij het manipuleren van vleermuizen Laat vleermuizen bij voorkeur met rust. Zit er een vleermuis in huis zet de ramen dan wijd open, meestal vliegen de dieren vanzelf naar buiten. Gebruik eventueel een stuk karton om het dier op te scheppen en buiten te zetten. Neem nooit een vleermuis vast met blote handen, gebruik steeds handschoenen. Is men toch gebeten door een vleermuis was de wonde dan goed uit met zeep en neem contact op met uw huisarts. Indien het vermoeden bestaat dat de vleermuis rabide was kan men behandeld worden met een post-expositievaccin. Als u de vleermuis nog in bezit heeft kan die gecontroleerd worden op rabiësvirussen. Dode dieren kunnen opgestuurd worden naar het Belgisch Pasteur Instituut (Engelandstraat 642, 1180 Brussel, tel. 02/ ). In afwachting van transport dienen de dieren bewaard te worden in een diepvriezer. Door het opsturen van dode dieren kan een beter beeld verkregen worden van de verspreiding van de virussen in België. Mensen die regelmatig vleermuizen vangen (Vergunning vereist!!!) laten zich best vaccineren. verlost worden. Om dit te bereiken wordt veelal de uitvliegopening afgesloten. Als dit overdag wordt uitgevoerd wanneer de vleermuizen in de kolonie verblijven, is de kans groot dat de dieren opgesloten worden en sterven. Ook andere, vaak ongeoorloofde en dieronvriendelijke methodes worden toegepast om de vleermuizen te verdrijven of te doden. Omwille van de veiligheid worden gebouwen vaak uitgerust met een alarm. Alhoewel alarminstallaties geen direct nadelig effect hebben op de aanwezigheid van vleermuizen treden er soms conflicten op omdat de vleermuizen het alarm activeren. Dit leidt meestal tot het verdrijven of doden van de vleermuizen.
45 Zomerverblijfplaatsen Houtbehandeling Voor de bestrijding van schimmels en insecten die de houtconstructie van een gebouw aantasten kan een curatieve of preventieve houtbehandeling noodzakelijk zijn. Dit vormt voor vleermuizen op 2 manieren een ernstige bedreiging. Enerzijds door de uitvoering van de werken (verstoring, lawaai), hetgeen leidt tot het verhuizen van de vleermuizen. Deze verstoring is slechts tijdelijk en normaal komen de dieren terug. Anderzijds kunnen de gebruikte houtconserveringsmiddelen schadelijk zijn voor vleermuizen. Het gamma aan producten is groot en de effecten zijn zeer verscheiden waardoor het een zeer moeilijk, en bovendien slecht onderzocht, onderwerp vormt. Sommige stoffen leiden onmiddellijk tot de dood, maar de meerderheid leidt tot minder zichtbare effecten zoals verhoogd energieverbruik, lagere vruchtbaarheid, verhoogde juveniele sterfte, enz. Timing van de werken Als de werken worden uitgevoerd tijdens de zomer, als de vleermuizen aanwezig zijn, is het negatief effect veel groter dan wanneer de werken worden uitgevoerd in de winter. Zowat alle gebruikte stoffen worden immers in dergelijke hoge concentraties aangebracht dat de eerste dagen na de behandeling de plaats niet betreden mag worden. Voor aanwezige vleermuizen is het risico op vergiftiging zeer groot. Dit geld specifiek voor kraamkolonies, die weinig mobiel zijn en waarvan de juvenielen een zeer lage weerstand hebben tegen toxische producten. Houtconserveringsmiddelen Er wordt onderscheid gemaakt tussen curatieve houtbehandeling, toegepast in gebouwen waar aantasting wordt vastgesteld en preventieve houtbehandeling, waar het hout op voorhand wordt behandeld. De gebruikte producten zijn in essentie dezelfde maar bij curatieve behandeling worden veel grotere dosissen gebruikt. Er zijn drie groepen van producten: Teeroliën: bijv. creosoot en carboline. Dit zijn zeer toxische stoffen die hoofdzakelijk gebruikt worden in omstandigheden waar het aantastingsrisico hoog is (hout in contact met water). Omdat ze weinig gebruikt worden in gebouwen vormen ze niet echt een probleem voor vleermuizen Wateroplosbare zouten; bijv. koper-chroom-arseenverbindingen (CCA), koper-chroomboor (CCB) en koper-chroom-fluor (CCF). Deze producten worden hoofdzakelijk gebruikt bij de preventieve behandeling van hout. De zouten worden, opgelost in water, onder druk in het hout geïmpregneerd. Alhoewel arsenicum gebruikt wordt, zijn er tot nu toe geen aanwijzingen dat hout dat op deze manier behandeld is een gevaar vormt voor vleermuizen. Toch is het aangewezen om de alternatieven CCB en CCF te gebruiken. Organische solventen. Deze groep omvat zeer uiteenlopende producten waarvan er enkele zeer schadelijk zijn voor zoogdieren (vleermuizen én de mens). De voornaamste groepen worden hier opgesomd: Chloorfenolen; bijv. Pentachloorfenol (PCP) is uiterst schadelijk voor zoogdieren en zeer persistent. Het was in de jaren 80 één van de belangrijkste houtconserveringsmiddelen. In Europa wordt het product bijna niet meer gebruik maar het is niet officieel verboden.
46 Zomerverblijfplaatsen 31 Lindaan werd eveneens in de jaren 80 op grote schaal gebruikt, vooral voor curatieve behandeling. Het is uiterst toxisch voor vleermuizen en heeft een langdurige invloed doordat het nog lange tijd na de behandeling uit het hout verdampt. Cyclodiënen, bijv. Dieldrin, Chloordaan en Aldrin worden bijna niet meer gebruikt en zijn in België ook niet toegelaten omwille van hun toxiciteit en het negatief effect op de fertiliteit bij hogere organismen. Pyrethroïden; bijv. Permethrin, cypermethrin en deltamethrin zijn synthetisch geproduceerde natuurlijke moleculen. Van deze stoffen werden nog geen negatieve effecten op vleermuizen vastgesteld. Het verdient dan ook de voorkeur om te werken met deze houtconserveringsmiddelen in gebouwen. Naftenaten; bijv. Cuprinol worden vaak gebruikt voor daktimmerhout. Er zijn voorlopig geen aanwijzingen dat deze producten schadelijk zijn voor vleermuizen. In de periode werden verschillende malen grote kolonies vleermuizen volledig gedood door het gebruik van toxische houtconserveringsmiddelen, hetgeen een bijzonder zware impact heeft gehad op de vleermuizenpopulatie Aanbevelingen voor het beleid 3. Mogelijkheden voor bescherming Bescherming van kolonieplaatsen in gebouwen is over het algemeen niet zo eenvoudig als de bescherming van winterverblijfplaatsen omdat de meeste gebouwen nog een specifieke functie hebben (bijv. woonruimte). Toch zijn er van overheidswege acties mogelijk om zomerverblijfplaatsen in gebouwen te beschermen CONVENANTEN Een groot aantal gebouwen die gebruikt worden als kolonieplaats of die potentieel geschikt zijn (denken we maar aan kerken, schoolgebouwen, gemeentehuizen,...), zijn in bezit of in beheer van lokale overheden, voornamelijk gemeentebesturen. Ter bescherming van de vleermuizen kan een convenant worden afgesloten tussen het Vlaams gewest en de gemeente. In Wallonië wordt een dergelijk systeem reeds toegepast. De gemeenten engageren zich om de kolonieplaatsen te beschermen en kunnen in ruil subsidies verkrijgen voor de uitvoering van beheersmaatregelen. De kolonieplaatsen worden steeds afgesloten en toegang is enkel mogelijk mits toestemming van de ambtenaar van de administratie (Eaux et Forêts). Een dergelijk systeem is ook in Vlaanderen haalbaar en moet in eerste instantie worden ingevoerd voor de reeds gekende kolonies (o.a. van Ingekorven vleermuis, Laatvlieger en Grootoor). Het grote voordeel van een algemeen systeem uitgaande van de hogere overheid is de mogelijkheid voor een globale, gestandaardiseerde aanpak die gekaderd kan worden in het totaal van inspanningen ten behoeve van het natuurbehoud. Dergelijke convenanten kunnen ook met privé-personen worden afgesloten.
47 Zomerverblijfplaatsen VOORLICHTING EN ADVIES Voor kolonies in andere gebouwen, zoals woonhuizen, is het bijna onmogelijk om dergelijke maatregelen op een algemene schaal door te voeren. Hier is het vooral belangrijk om de nodige voorlichting te voorzien. Hiervoor zijn, zowel door de overheid als door natuurverenigingen, de afgelopen jaren behoorlijke inspanningen geleverd. In het bijzonder betreffende vleermuizen in woonhuizen blijkt, zowel uit eigen ervaringen als uit ervaringen in het buitenland, dat voorlichting primordiaal is. Ongeruste bewoners die zo snel mogelijk van de vleermuizen verlost willen worden en hiervoor contact opnamen met de Vleermuizenwerkgroep, konden in 78% van de gevallen overtuigd worden om de dieren tijdelijk of permanent met rust te laten. Ook in andere landen worden gelijkaardige vaststellingen gedaan. Bij diverse instanties, van brandweer tot natuurverenigingen, komen jaarlijks honderden telefoontjes binnen van ongeruste bewoners die vleermuizen in huis hebben. Deze telefoontjes komen uiteindelijk meestal bij de leden van de Vleermuizenwerkgroep terecht. De afhandeling van deze klachten vormt voor deze mensen vaak een serieuze belasting. De meeste Vlaamse gemeentes beschikken tegenwoordig over een milieudienst. Deze dienst is goed geplaatst om bewoners die problemen hebben met vleermuizen bij te staan en te informeren. In dat kader werd een enquête gehouden bij de gemeentelijke milieudiensten in Vlaanderen. Uit de enquête (voor de volledige resultaten zie bijlage) blijkt dat: Het aantal klachten of vragen dat de milieudienst bereikt in verband met vleermuizen zeer laag is. Dit staat in contrast met de vele telefoontjes die bij de leden van de Vleermuizenwerkgroep terecht komen. De meeste milieudiensten vinden dat de verantwoordelijkheid voor afhandeling van klachten bij hen zou moeten liggen. Daarbij is wel vraag naar een provinciaal meldpunt waar ze zelf voor meer informatie terecht kunnen. Er is ook een sterke vraag naar een standaardprotocol. Voor afhandeling van klachten wordt in de helft van de gevallen samengewerkt met natuurverenigingen (meestal de Vleermuizenwerkgroep). Toch blijkt er nog nood te zijn aan informatie en adressen van vleermuisdeskundigen voor afhandeling van moeilijke gevallen (zie ook verder). Op basis van deze enquête kunnen we besluiten dat de gemeentelijke milieudiensten een groot deel van de klachten in verband met vleermuizen zouden kunnen afhandelen. Dit vereist de uitwerking van een standaardprotocol dat naar de gemeenten verdeeld moet worden samen met een adressenlijst van vleermuisdeskundigen. Voor de coördinatie en jaarlijkse verzameling van de gegevens zouden de provinciale diensten van AMINAL, afdeling Natuur kunnen instaan, in samenwerking met de provinciale coördinatoren van de vleermuizenwerkgroep. Om dit systeem te laten werken is de belangrijkste voorwaarde dat de bevolking op de hoogte wordt gebracht van het feit dat ze voor klachten bij de milieudiensten terecht kunnen. Dit kan via plaatselijke kranten en tijdschriften, door verspreiding van een folder via de bibliotheken en scholen,... Wat vooralsnog ontbreekt is een organisatie of instantie, aangeduid door de overheid, die advies kan verlenen met betrekking tot gebouwbewonende vleermuizen (zoals vermeld in het bat-agreement, Artikel 3). Deze organisatie zou moeten instaan voor voorlichting van de
48 Zomerverblijfplaatsen 33 bevolking en voor advies naar renovatie van kolonieplaatsen toe. Deskundig advies bij renovatiewerken biedt goede mogelijkheden om, vaak zonder grote kosten, het behoud van een kolonie te verzekeren. In uitvoering van het decreet op het natuurbehoud ( B.S. 10/01/98, hoofdstuk VI: de bescherming van plant- en diersoorten en van hun levensgemeenschappen), zou een advies van de hoger vermelde instantie verplicht en bindend gemaakt kunnen worden bij de uitvoering van werken: - in alle openbare gebouwen (inclusief kerken) - in gekende kolonieplaatsen - wanneer tijdens de werken vleermuizen worden aangetroffen. Een dergelijke verplichting wordt bijvoorbeeld toegepast in Groot-Brittannië. Vermits geen officiële instantie voldoende expertise bezit betreffende vleermuizen lijkt het aangewezen om de Vleermuizenwerkgroep van Natuurreservaten vzw hiervoor te benoemen. Zij beschikken over de nodige kennis, kunnen terugvallen op vrijwilligers in gans Vlaanderen en zijn permanent bereikbaar via het secretariaat van de vereniging. Ook andere natuurverenigingen die een voldoende expertise in verband met vleermuizen kunnen voorleggen, komen in aanmerking HOUTBEHANDELING Alle pesticiden en houtconserveringsmiddelen die in België verkocht en gebruikt mogen worden, moeten goedgekeurd worden door het ministerie voor volksgezondheid. Het is dus niet nodig om de wetgeving aan te passen om producten die schadelijk zijn voor vleermuizen te verbieden. In het kader van het Bat-agreement is België er aan gehouden om het gebruik van schadelijke houtconserveringsmiddelen te bannen. Er is wel nood aan een wettelijke regeling in verband met de uitvoering van curatieve houtbehandeling in vleermuiskolonies. Er zou een algemene richtlijn moeten worden uitgevaardigd die het uitvoeren van deze werken gedurende de kraamperiode (1 mei tot 31 juli) verbiedt. Indien buiten deze periode vleermuizen worden aangetroffen in een te behandelen gebouw zou de betrokken firma verplicht moeten zijn om advies in te winnen bij een erkende organisatie (zie hoger) Praktisch beheer BEHOUD VAN BESTAANDE KOLONIES Aangezien vleermuizen zeer plaatstrouw zijn, is het van uitzonderlijk belang om bestaande kolonieplaatsen zo veel mogelijk te behouden. De verblijfplaatsen van vleermuizen zijn trouwens bij wet beschermd (KB 22 sept 1980). Bij herinrichting of renovatiewerken moet, in de mate van het mogelijke, rekening worden gehouden met de aanwezigheid van de dieren. Overleg tussen al de betrokken partijen (aannemer, architect, eigenaar en natuurbeschermers) is hierbij noodzakelijk AFSLUITEN VAN DE ZOLDER Om verstoring op de zolder te beperken kan de toegang worden afgesloten. In de deur moet een vliegopening voorzien zijn die ruim genoeg is om ook jonge dieren, die nog niet zo behendig zijn, door te laten (minimum 50cm breed, 15cm hoog). Figuur***
49 Zomerverblijfplaatsen 34 Als de zolder veelvuldig wordt betreden of wordt gebruikt voor de opslag van materiaal of zelfs als woonruimte kan een vleermuizenkolonie storend zijn voor de gebruikers. Men kan dan overwegen een deel van de zolder af te sluiten specifiek voor vleermuizen. Daarbij moet men een aantal zaken voorzien (figuur***): - het lokaal mag niet te klein zijn: min 1.5 m hoog en 0.5 m breed - er moet minstens één invliegopening zijn. Beter is het om één vliegopening te hebben voor vleermuizen die in directe vlucht binnenkomen en één voor inklimmers. - in de periode dat de jongen geboren worden is een kolonie tamelijk luidruchtig en als de aangrenzende lokalen gebruikt worden als woonruimte is geluidsisolatie geen overbodige luxe. - voor controle van de kolonie en voor onderhoud wordt best een toegang voorzien die met een deur wordt afgesloten UITVOERING VAN WERKEN Timing De timing van (renovatie)werken is cruciaal voor het behoud van de vleermuizen. Vooral tijdens de kraamperiode is de kolonie zeer kwetsbaar voor verstoring en zouden geen werken mogen worden uitgevoerd (1 mei- 31 juli). Werken moeten bij voorkeur worden uitgevoerd in de periode 1 november- 31 maart. Mitigerende maatregelen Wanneer werken worden uitgevoerd op het ogenblik dat toch vleermuizen aanwezig zijn moet men maatregelen treffen om de verstoring tot het minimum te beperken. Dit houdt o.a. in dat de toegang tot de verblijfplaats voor de vleermuizen niet geblokkeerd mag worden. Tussen de plaats waar de vleermuizen verblijven en de werken kan een stofdoek of zeil worden aangebracht. Dit moet gebeuren in nauw overleg tussen aannemer, architect en een vleermuisdeskundige BEHOUD OF AANLEG VAN VLIEGOPENINGEN Zonder de aanwezigheid van één of meerdere invliegopeningen kunnen de vleermuizen de zolderruimte niet bereiken. Invliegopeningen kunnen gemakkelijk in het renovatieontwerp ingewerkt worden zonder de kostprijs noemenswaardig te verhogen. Ook wanneer niet dadelijk aan renovatie of verbouwing wordt gedacht, zijn ze eenvoudig aan te brengen. Vanaf de installatie van invliegopeningen kan het wel enige tijd duren alvorens vleermuizen de zolder (opnieuw) gaan gebruiken. De mogelijkheden om een vliegopening te voorzien, moeten voor elk gebouw afzonderlijk bekeken worden. In veel gevallen zijn er reeds constructies aanwezig die mits eenvoudige aanpassing als toegang voor vleermuizen geschikt zijn. In figuur*** worden hiervan enkele voorbeelden gegeven. Bij het aanbrengen van een vliegopening voor vleermuizen is het belangrijk om andere, ongewenste dieren buiten te houden. Dit geldt in het bijzonder voor duiven. Om dit te vermijden moeten strikte afmetingen gerespecteerd worden. Voor grote invliegopeningen komt dit neer op een breedte van cm en een hoogte van maximum 7 cm. Kleine invliegopeningen (enkel geschikt voor soorten die naar binnen kruipen) moeten minimum een ruimte van 2 cm voorzien. De breedte van de opening is hier niet zo erg belangrijk.
50 Zomerverblijfplaatsen 35 Onder de vliegopening moet een ruwe zone voorzien zijn om de landende vleermuizen voldoende houwvast te bieden. Glad hout kan opgeruwd worden met een vijl, op stenen oppervlakken kan met een borstel wat cement worden aangebracht. Figuur*** In de strijd tegen de duiven zijn de galmgaten in de meeste klokkentorens met kippengaas dichtgemaakt. Wanneer het gaas op een goede manier aangebracht wordt, is dit een effectieve methode, in vele gevallen is de constructie echter zodanig dat duiven zich nog naar binnen weten te werken en de toren een grote duivenval vormt. Voor het effectief buiten houden van duiven is het noodzakelijk het gaas op een degelijke manier aan te brengen. Gebruik nooit gaas van het hexagonale type, vleermuizen die trachten erdoor te kruipen raken hopeloos verstrikt. Om te voorkomen dat duiven gaan nestelen op de galmplanken wordt het gaas best langs de buitenzijde aangebracht. Een afsluiting tegen duiven vormt geen beletsel om alsnog een toegang voor vleermuizen te voorzien (zie figuur***). Door het aanbrengen van een plankje met een vliegopening van de juiste afmetingen kunnen de vleermuizen ongestoord het gebouw betreden en worden duiven buiten gehouden. Voor vensters zijn andere, betere mogelijkheden beschikbaar. De vensters kunnen afgewerkt worden met metalen staven (minimum 2 mm diameter) maar beter nog met ruwhouten plankjes met een tussenafstand van maximum 7 cm (figuur***). Via spleten en gaten in het houtwerk van de dakomlijsting geraken vleermuizen op de zolder of in de tussenruimtes tussen dak en binnenafwerking. Op verschillende manieren kunnen bij restauratie specifiek invliegopeningen voor vleermuizen voorzien worden. In figuur*** worden enkele voorbeelden getoond, maar ook hier moet de concrete uitwerking bekeken worden in functie van de plaatselijke situatie. Dit type van invliegopeningen wordt vooral op prijs gesteld door Laatvliegers en Grootoorvleermuizen VERLICHTING VAN DE BUITENZIJDE VAN HET GEBOUW Wanneer vleermuizen in een gebouw verblijven, is het aangewezen om de zijde van de vliegopening in het duister te laten liggen. Als er slechts één vliegopening is en die ligt aan een verlichte zijde van het gebouw, dan kan een extra vliegopening gemaakt worden aan een onverlichte zijde. Bij de plaatsing van tijdelijke feestverlichting is het best deze niet aan de kant van de vliegopening te plaatsen UITWERPSELEN De uitwerpselen en urine van een grote kolonie zorgen soms voor overlast. Vooral in afgesloten lokalen zonder verluchting kan er geurhinder optreden. In dat geval volstaat het een verluchting te voorzien. Een ander voorkomend probleem is dat uitwerpselen of urine door de vloer naar lager gelegen verdiepingen vallen. Dit kan eenvoudig opgelost worden door een plastic zeil op de vloer te leggen (figuur***). De uitwerpselen kunnen dan in de winter verwijderd worden. Het is bovendien een goede meststof voor in de tuin HOUTBEHANDELING
51 Zomerverblijfplaatsen 36 Wat preventieve houtbehandeling betreft, zou het gebruik van schadelijke producten wettelijk verboden moeten worden (zie hoger). Bij renovatie van een gekende kolonie dient men er extra voor te waken hout te gebruiken dat behandeld is met milieuvriendelijke producten. Bij curatieve houtbehandeling ligt het probleem veel gevoeliger. Ook al worden milieuvriendelijke producten gebruikt, de eerste dagen na de behandeling is de concentratie zo hoog dat de stoffen toch schadelijk zijn voor dier en mens. Als op dat ogenblik vleermuizen op de zolder verblijven zullen ze er zeker nadelige gevolgen van ondervinden, in het bijzonder wanneer er juvenielen aanwezig zijn. Een curatieve houtbehandeling moet daarom worden uitgevoerd met diervriendelijke producten die snel afbreken en, zeker in gekende kolonies maar bij voorkeur altijd, worden uitgevoerd tijdens de winter.
52 Zomerverblijfplaatsen 37 Kolonieplaatsen in holle bomen 1. Ecologie Het belang van holle bomen als verblijfplaats voor vleermuizen werd lang onderschat en het onderzoek is tot nu toe beperkt. Dat maakt dat er nog een heleboel vragen zijn betreffende de selectie van koloniebomen. In de tropen zijn er vleermuizen die aan de takken hangen of onder een blad wegkruipen. In ons klimaat is dat echter niet mogelijk en de dieren zoeken steeds een goede schuilplaats. Net zoals bij gebouwbewonende vleermuizen is het voor de vleermuizen van belang om de beste holtes uit te kiezen. Selectie van een schuilplaats is gebaseerd op karakteristieken van de holte en van de omgeving Holtekarakteristieken Bij de selectie van boomholtes speelt competitie een belangrijke rol. Een heleboel andere dieren maken immers ook gebruik van boomholtes, zoals holte broedende vogels, eekhoorns, marterachtigen, slaapmuizen, enz. Vleermuizen worden door de andere bewoners verdreven of zelfs actief bejaagd. Dit creëert een hoge mate van competitie om de holtes en voor de vleermuizen blijven enkel de holtes over die voor andere dieren ongeschikt zijn. Opnieuw stellen we vast dat, zelfs binnen de groep van boombewonende vleermuizen, verschillende voorkeuren bestaan. Zo kunnen we 3 soorten holtes onderscheiden die gebruikt worden als verblijfplaats: spechtenholen, rottingsholen en holtes achter losse schors (tabel***). Spechtenholen komen in onze streken veelvuldig voor en worden hoofdzakelijk gemaakt door de Grote bonte specht (Dendrocopus major), Groene specht (Picus viridis) en de Zwarte specht (Dryocopus martius). De rottingsholen omvatten alle holtes die ontstaan door het inrotten van een beschadiging aan de boom. De oorsprong van deze holtes is zeer verscheiden: vorstscheuren, een afgebroken tak, blikseminslag, exploitatieschade,... Bij het afsterven van een boom of tak komt de schors los van de stam. Achter deze losse schors kan dan een holte ontstaan die geschikt is als verblijfplaats. Spechtenholen en rottingsholen Alhoewel spechtenholen en rottingsholen een verschillende oorsprong kennen, verloopt hun ontwikkeling zeer gelijkaardig. Ook de vleermuizen stellen vaak gelijkaardige eisen aan deze twee types, en daarom worden ze samen besproken. Een eerste vaststelling die uit alle studies naar voor komt, is dat holle bomen niet noodzakelijk dood zijn. Spechten foerageren graag op dode bomen, omdat er veel insecten op voorkomen, maar de nestholtes worden bij voorkeur in levende bomen uitgehakt. Spechten kiezen wel bij voorkeur bomen uit met inwendige beschadigingen zoals hartrot. Dit hoeft niet te betekenen dat de boom snel zal sterven. De voedingssappen worden immers vervoerd in de
53 Zomerverblijfplaatsen 38 buitenste lagen van de stam. Het zijn meestal wel bomen met een zeer lage economische waarde, al is dat vaak uitwendig niet zichtbaar. Vleermuiskolonies zijn vaak gesitueerd in oude bosbestanden. Het antwoord op de vraag of vleermuisbomen oude bomen moeten zijn, is echter niet eenduidig ja of nee. Vleermuizen selecteren een boom niet omdat hij oud is, maar omdat er een holte in is die aan hun eisen voldoet. In het geval van rottingsholen klopt het inderdaad dat oude bomen meer holen vertonen dan jonge bomen, hetgeen de selectie voor oude (=dikke) bomen verklaart die in verschillende studies werd aangetoond en zoals in figuur*** wordt weergegeven. Dat is echter niet zonder meer het geval voor vleermuizen die in spechtenholen verblijven. Spechten hakken hun holen uit in bomen met zwakke plekken en dat hoeven niet persé de dikste bomen te zijn. De Grote bonte specht hakt zijn holen in bomen met een minimumdiameter van ca. 25 cm, voor de Zwarte specht is dat 40 cm. Voor kolonies in spechtenholen krijgen we dan een heel ander beeld (figuur***), met koloniebomen in alle diameterklassen. Vleermuizen verkiezen holtes met bepaalde eigenschappen, waar dadelijk wordt op ingegaan, maar de uiteindelijke keuze verloopt natuurlijk in functie van het aanbod. Als er maar enkele holtes beschikbaar zijn is de keuze vanzelfsprekend zeer beperkt. Het holteaanbod wordt door verschillende factoren bepaald, zoals holte-evolutie, spechtenactiviteit, boomsoort, klimaat en bosbeheer: Holte-evolutie: Een boomholte is geen statisch gegeven, maar verandert in de loop van de tijd. Enerzijds doordat de boom wondweefsel aanmaakt dat de opening van de holte zal trachten te overwallen. Anderzijds vergroot de holte onder invloed van allerlei rottingsprocessen. De wijze waarop de holte ontstaat, bepaalt zeer sterk de vorm en het volume. Bijvoorbeeld de holte van een Zwarte specht is beduidend groter dan die van een Grote bonte specht. Spechtenholen vertonen ook allemaal een mooie tunnel, terwijl rottingsholen vaak veel onregelmatiger van vorm zijn. In figuur*** wordt geïllustreerd hoe de vorm van een spechtenholte evolueert. In eerste instantie hakt de specht een tunnel in het hout. Soms houdt hij het daarna voor bekeken (waarschijnlijk als het centrale deel van de stam nog te vitaal is) en dan spreekt men van een initiaalholte. Normaal gezien hakt hij echter de holte verder uit en krijgen we een typisch spechtenholte. In de loop van de tijd worden de wanden van de holte aangetast door schimmels en insecten en wordt de holte groter. Rond de oorspronkelijk holte wordt, door de buitenste lagen van de boom, een stevige laag wondweefsel aangelegd die een sterke barrière vormt voor de schimmels en insecten. Hierdoor vergroot de holte vooral naar boven en naar beneden, en niet zozeer opzij. Vogels en andere dieren gebruiken de holte als nestplaats waardoor de onderzijde wordt opgevuld met nestmateriaal, uitwerpselen en stukjes hout die van de bovenzijde van de holte naar beneden vallen. Hierdoor vergroot de holte vooral naar boven toe. Uiteindelijk kan een holte ontstaan die enkel naar boven toe verloopt. Spechtenactiviteit: Het aantal spechten in een gebied heeft een zeer sterke en directe invloed op het holteaanbod. Zowel het aantal holtes als de vorm ervan, worden sterk bepaald door het voorkomen van de respectievelijke spechtensoorten. De Grote bonte specht is in Vlaanderen de meest algemene soort. Bovendien hakt hij ieder jaar een nieuwe holte, waardoor hij voor het grootste aandeel van de holtes verantwoordelijk is. De Zwarte specht hakt zeer grote holtes, maar gebruikt die meerdere jaren. De Groene specht hakt zelf weinig holtes, maar vergroot oude nesten van Grote bonte spechten.
54 Zomerverblijfplaatsen 39 De aanwezigheid van spechten wordt hoofdzakelijk bepaald door het voorkomen van dood hout (zowel staand als liggend) en de aanwezigheid van voldoende mieren. Voor de Groene specht en de Zwarte specht zijn deze insecten belangrijk om de winter te overleven. Boomsoort: De weerstand tegen rotting is voor elke boomsoort verschillend en wordt weergegeven door de duurzaamheidsklasse. Eikenhout heeft een hogere duurzaamheid dan beukenhout waardoor een holte in een Beuk snel grote afmetingen aanneemt, terwijl in een Eik het proces veel trager verloopt. In naaldbomen wordt de holtevorming sterk afgeremd door de harsuitvloei. Ook spechten hebben zo hun voorkeur voor bepaalde boomsoorten, waardoor het aanbod aan spechtenholen niet evenredig verdeeld is over de boomsoorten. Eerst en vooral valt op dat, met uitzondering van de Zwarte specht, naaldbomen worden vermeden. De Grote bonte specht vertoont een voorkeur voor Eik, Berk en Els, de Zwarte specht kiest voor Beuk, Fijnspar en Den. Het resultaat hiervan is dat in een eikenbos en een beukenbos het aantal holen wel gelijk kan zijn, maar dat de verdeling spechtenholen-rottingsholen grondig kan verschillen (figuur***). Klimaat: Vorstscheuren bijvoorbeeld, komen vooral voor in koude, winderige gebieden. Bosbeheer: Menselijke ingrepen hebben zowel een indirecte als een directe invloed op het aantal holle bomen. Het spreekt voor zich dat het systematisch verwijderen van holle bomen het holteaanbod sterk beïnvloed. Maar ook door de rotatietijd, boomsoortkeuze,... wordt het aantal holtes bepaald. In beheerde bossen wordt in het algemeen een lager holteaantal aangetroffen als in onbeheerde bossen. Het aanbod is bijgevolg in elk bos verschillend. In figuur*** wordt een voorbeeld gegeven van de frequentie van verschillende holtetypes in een niet beheerd eikenbos in de provincie Antwerpen (Zoerselbos). In functie van het aanbod maken de vleermuizen uiteindelijk een selectie. Hierbij speelt de temperatuur een primaire rol, naast competitie met andere holenbroeders. Uit alle studie s blijkt dat initiaalholen en vers gehakte spechtenholen die enkel naar beneden gaan (fig type a, b) niet of slechts zeer zelden door vleermuizen worden gebruikt. Als er toch dieren worden aangetroffen dan gaat het om solitaire mannetjes. Uit alle studies blijkt dat de belangrijke holtes steeds naar boven gaan, maar dat de holte niet te hoog mag zijn. Anderzijds is er een zeer sterke voorkeur voor smalle of gecompartimenteerde holtes. Zowel het vermijden van te hoge holen als de keuze voor smalle holen duidt op een temperatuurselectie. Een kleinere holte met een klein volume is immers gemakkelijker op te warmen dan een groot volume. Dit werd trouwens ook vastgesteld bij kolonie broedende boomklevers in boomholten. Anderzijds stellen we vast dat er een selectie is voor een kleine holte-opening, een lange ingangstunnel en een dikkere houtwand. Ook deze parameters wijzen mogelijk op selectie van warmere holen. Selectie voor lange tunnels en kleine holte-openingen is mogelijk ook een strategie gericht tegen predatie. Ook boombewonende vleermuizen kunnen de temperatuur gedeeltelijk reguleren door de groepsgrootte en de afstand tussen de dieren in de groep te wijzigen. Hier zijn momenteel nog
55 Zomerverblijfplaatsen 40 geen bewijzen voor maar het lijkt zeer waarschijnlijk dat ze zich van dit mechanisme bedienen. Het werd wel reeds vastgesteld bij koloniebroedende vogels in boomholten. Uit het bovenstaande blijkt dat niet alle holtes voor vleermuizen geschikt zijn. Omdat het holteaanbod en holteaantal verschilt van bos tot bos is het moeilijk om in cijfers weer te geven hoe groot het percentage geschikte holen is. Om toch een idee te geven, kunnen we vermelden dat eigen onderzoek uitwees dat slechts 1/4 van alle aanwezige holtes bruikbaar was voor vleermuizen. Alhoewel dit getal enkel slaagt op het onderzochte studiegebied geeft het toch aan dat een groot deel van de aanwezige holtes voor vleermuizen van weinig nut is als kolonieplaats. In de loop van het zomerseizoen verhuizen boombewonende vleermuizen regelmatig. Dit verhuisgedrag dient enerzijds om predators te vermijden en anderzijds om te vermijden dat er zich een te hoge concentratie parasieten zou opbouwen in de kolonie. Andere factoren zoals verstoring of het verkleinen van de afstand tot het jachtgebied spelen eveneens een rol, maar treden minder frequent op. De verhuisfrequentie ligt over het algemeen zeer hoog bij alle soorten en schommelt rond 3 dagen. In de periode dat de jongen geboren worden verblijven de dieren meestal langer in dezelfde holte, soms tot 3 weken (eigen waarneming). Voor een vleermuiskolonie volstaat het dan ook niet dat er 1 of enkele holle bomen aanwezig zijn. Ze gebruiken in de loop van het jaar een groot aantal bomen. Bij eigen onderzoek werden in een deel van een oud eikenbos, het Zoerselbos (± 50 ha), 24 koloniebomen van dezelfde groep watervleermuizen gelokaliseerd. In een beukenbos van ca. 200 ha in Duitsland werden 72 koloniebomen gelokaliseerd. Hieruit mag duidelijk blijken dat een bos pas geschikt is voor vleermuizen als er voldoende geschikte holtes voorkomen. Losse schors In tegenstelling tot spechtenholen en rottingsholen komt losse schors in hoofdzaak voor bij dode bomen (of bomen met een dood gedeelte). Er is ook een verband tussen de boomdiameter (=leeftijd) en het percentage losse schors; oude dode bomen hebben meer losse schors dan jonge dode bomen. De schors van oude bomen is ook dikker. De selectie van de vleermuizen zal ook nu weer verlopen in functie van het aanbod. Dit aanbod wordt hoofdzakelijk bepaald door het aantal dode bomen en door de boomsoort. Slechts enkele boomsoorten hebben een schors die gemakkelijk loskomt van de stam en zo een holte vormt die geschikt is als schuilplaats voor vleermuizen. In onze streken zijn dat vooral Eik, Robinia en Den. Vleermuizen verkiezen losse schors met een grote holte erachter, in het bijzonder als het gaat om grote groepen vleermuizen. Ze prefereren bovendien holtes achter dikke schors. Schors isoleert weinig en de temperatuur in de holte verloopt bijna gelijk met de buitentemperatuur. Vleermuizen selecteren daarom bomen die veel in de zon staan, bijvoorbeeld in een open plekje of aan de rand van het bestand Standplaatskarakteristieken
56 Zomerverblijfplaatsen 41 Selectie van een kolonieplaats is hoofdzakelijk gebaseerd op holtekararkteristieken maar het is ook mogelijk dat de omgeving, de standplaats een rol speelt. Het is echter een onderwerp waarover behoorlijk wat discussie bestaat. Twee factoren worden steeds naar voor geschoven als belangrijke selectiecriteria; hinderende vegetatie voor de holteopeningen en kroonsluiting. Hinderende vegetatie: Vleermuizen kunnen bij het in- en uitvliegen van de holte gehinderd worden door de aanwezige vegetatie. In het bijzonder voor zwangere vrouwtjes en jonge dieren die minder wendbaar zijn kan een te dichte vegetatie zeer lastig zijn. Alhoewel dit door verschillende auteurs naar voor wordt geschoven als een mogelijke verklaring voor kolonieplaatsselectie zijn er geen directe bewijzen. Zowel bij onderzoek naar Rosse vleermuizen in Duitsland, als uit eigen onderzoek (Rosse vleermuis, Watervleermuis, Franjestaart en Gewone grootoor) blijkt dat ook holtes met hinderende vegetatie voor de ingang door vleermuizen gebruikt worden. Zelfs als het gaat om een kraamkolonie. Deze twee studies werden uitgevoerd in loofbos en mogelijk is de situatie verschillend in naaldbossen, waar de hindering door de vegetatie veel groter is. Kroonsluiting: In verschillende studies werd aangetoond dat de kroonsluiting (de sluiting van het bladerdak) rond de kolonieboom laag is. De verklaring die men hieraan geeft, is dat vleermuizen bomen selecteren die op open plaatsen staan en daardoor meer zonlicht ontvangen. Voor kolonies achter losse schors is dat inderdaad aannemelijk omdat de temperatuur er sterk de buitentemperatuur volgt. Metingen in spechtenholtes wezen echter uit dat de temperatuur in de holte niet beïnvloed wordt door de standplaats van de boom, maar enkel door de dikte van de boom. Een kritische beschouwing van de literatuur leert inderdaad dat het verband tussen kolonieplaatsen en kroonsluiting vooral wordt aangetoond bij kolonies achter losse schors. Een ijle kruin komt ook vaak voor bij oude bomen, en hoger werd reeds aangehaald dat oude bomen vaak meer holtes vertonen, zodat een lage kroonsluiting misschien geen selectiecriterium is, maar eerder een weerspiegeling van het feit dat vleermuizen in oude bomen verblijven. Uit bovenstaande blijkt dat er weinig duidelijkheid is in hoeverre de bestandsstructuur een rol speelt bij de kolonieplaatsselectie van vleermuizen. Verder onderzoek is hier zeker aangewezen. 2. Oorzaken van achteruitgang Vleermuizen die in holle bomen verblijven, worden in bosarm Vlaanderen geconfronteerd met een zeer laag holteaanbod. De bestaande koloniebomen worden daarenboven vaak geveld, om zeer uiteenlopende redenen Beperkt holteaanbod Tijdens de 20ste eeuw is de oppervlakte bos in Vlaanderen ongeveer gelijk gebleven. Maar oude bossen met een hoge natuurwaarde en een groot aantal holle bomen zijn in grote mate verdwenen en vervangen door productiebossen. Om de bebossing van woeste gronden
57 Zomerverblijfplaatsen 42 (braakliggende terreinen) te stimuleren, werden subsidies toegekend aan de gemeenten tussen 1893 en Hierdoor steeg de bebossing van 100 ha per jaar tot 1000 ha per jaar, echter voornamelijk met coniferen. Naaldhout vormt minder snel holtes waardoor deze bossen voor vleermuizen van weinig nut zijn. Tijdens WOII werden ernstige ravages aangericht in de bossen, voornamelijk in de loofbossen, en na de oorlog werden grote gebieden terug aangeplant. In deze tijden telde enkel productiviteit en werden er grote aantallen coniferen en andere snelgroeiende bomen aangeplant (vnl. populieren). Dit verklaart de hoge mate van gelijkjarigheid en gelijkvormigheid in de Vlaamse bossen. In deze, jonge productiebossen komen weinig holtes voor die voor vleermuizen geschikt zijn. De selectie van snelgroeiende boomsoorten en veredeling maakten het bovendien mogelijk om te werken met zeer korte omlooptijden. Ter vergelijking, de rotatietijd in een gemiddeld eikenbestand bedraagt 120 jaar, in een populierenbestand worden de bomen na 20 jaar of reeds vroeger gekapt. In dergelijke bossen worden weinig of geen geschikte holtes voor vleermuizen aangetroffen (figuur***). In het verleden was er, in de naar productie gerichte bosbouw, een zeer negatieve houding ten opzichte van holle bomen. Dood hout en holle bomen hadden slechts een geringe economische waarde en werden gezien als storend bij de exploitatie, als een potentiële bron voor infecties en als potentieel gevaar voor de bosgebruikers. Holle bomen werden dan ook systematisch verwijderd. Bij sommige boomsoorten, bijvoorbeeld Beuk, neemt de waarde van het hout snel af als er een holte voorkomt (verkleuring, uitrotting van de ganse stamspil). Deze bomen worden bij het minste teken van een holte gekapt om alsnog de maximaal mogelijke winst te behalen Kappen van holle bomen Holle bomen worden vaak verwijderd om veiligheidsredenen. De boseigenaar is immers aansprakelijk voor ongevallen veroorzaakt door vallende takken of omgewaaide bomen. Deze problematiek is het meest uitgesproken bij laan- en dreefbomen. In bosarme gebieden of temidden van homogene productiebossen zijn de dreven echter dikwijls de enige bomen met geschikte holtes voor vleermuizen. Wanneer de bomen een probleem beginnen te vormen dan wordt, om landschappelijke redenen, meestal de volledige dreef verwijderd zodat in 1 klap alle schuilplaatsen verdwijnen. Deze problematiek zal in de komende jaren nog sterk toenemen. De meeste dreven werden immers in de eerste helft van de 19de eeuw aangeplant waardoor de leeftijd van de bomen schommelt rond de 150 jaar. De voornaamste boomsoorten die voor dreven werden gebruikt, eik en beuk, beginnen omstreeks deze leeftijd verouderingsverschijnselen te vertonen waardoor het gevaar voor ongelukken stijgt (figuur***). In het kader van de natuurgetrouwe bosbouw wordt duidelijk gekozen voor inheemse boomsoorten, hetgeen op lange termijn voor vleermuizen zeker bevorderlijk zal zijn. Helaas mondt dit soms uit in het overhaast verwijderen van exoten, zonder stil te staan bij de mogelijke rol van deze bomen in het huidige ecosysteem. In het bijzonder het al te drastisch verwijderen van de Amerikaanse eik (Quercus rubra) kan in sommige gebieden een probleem vormen voor holtebroedende organismen (vleermuizen en vogels). Amerikaanse eiken werden, vooral in de Kempen en Limburg, aangeplant langs de wegen als brandwerende
58 Zomerverblijfplaatsen 43 singels temidden van homogene dennenaanplanten. Deze bomen werden niet gekapt en hebben in de loop van de tijd een belangrijke ecologische functie gekregen als schuilplaats voor vogels en vleermuizen. Temidden van de jonge, homogene dennenbestanden zijn deze stukjes loofhout dikwijls de enige plaats waar vleermuizen kunnen verblijven en als ze worden verwijderd zijn er voor de vleermuizen weinig of geen alternatieve schuilplaatsen beschikbaar (illustratie aan de hand van kaart pijnven***). Anderzijds is de Amerikaanse eik een soort die massaal onder eigen scherm verjongt en daardoor de inheemse boomsoorten beconcurreert. Het vellen van deze bomen mag echter niet overhaast gebeuren, maar moet kaderen in een doordachte omvorming naar bos met inheems (loof)hout waar voldoende schuilplaatsen voor de fauna aanwezig zijn. In gebieden waar naast de Amerikaanse eiken ook nog andere, inheemse boomsoorten voorkomen die voldoende mogelijkheden bieden voor vleermuizen, hoeft het verwijderen van de Amerikaanse eiken dan weer geen probleem te vormen. 3. Mogelijkheden voor bescherming 3.1. Aanbevelingen voor het beleid Vleermuisvriendelijk beheer van bossen kadert perfect binnen een natuurgetrouw bosbeheer zoals gepromoot wordt door o.a. PRO SILVA. In Vlaanderen zullen in de toekomst alle bossen in beheer bij AMINAL, Afdeling Bos en Groen, op een natuurgetrouwe manier beheerd worden. Daarvoor is men een beheersvisie aan het uitwerken die ook rekening houdt met de belangen van de bosfauna. Mogelijk zal deze wijziging van het beheer in de overheidsbossen eveneens een voorbeeldfunctie vervullen naar de privé boseigenaars. Een groot gedeelte van het Vlaamse bosareaal is immers in bezit van particulieren en voor het behoud van de bosfauna, vleermuizen inclusief, is het noodzakelijk dat ook in deze bossen een meer natuurgericht beheer wordt gevoerd.
59 Zomerverblijfplaatsen 44
60 Zomerverblijfplaatsen 45 Natuurgetrouw bosbeheer volgens PRO-SILVA 1. Bomen moeten oud kunnen worden. Dit betekent dus lange bedrijfstijden of het niet toepassen van dit begrip. Veel oude bomen moeten in ieder geval in het bos behouden worden. 2. De basis van het ecosysteem wordt gevormd door inheemse boomsoorten. Uitheemse soorten mogen maar in die mate voorkomen dat ze dit inheems boslandschap niet fundamenteel in gevaar brengen. Ze mogen dus niet kwantitatief in de meerderheid zijn in een boscomplex met natuurgetrouwe bosbouw. 3. Het bos moet een gevarieerde structuur hebben. Dit betekent ongelijkvormigheid, ongelijkjarigheid en stams- of groepsgewijze menging. In grotere boscomplexen kunnen al dan niet permanent open plekken voorkomen en kunnen zoom- en mantelvegetaties zich in de bosranden ontwikkelen. Ook struiken en kruiden maken integraal deel uit van het bosecosysteem en verdienen het nodige respect. 4. Zelfregulerende processen vormen de basis van de natuurgetrouwe bosbouw. Natuurlijke verjonging moet dus de regel zijn. Men moet streven naar een selectie van inheems materiaal dat zeer goed aan de plaatselijke situatie is aangepast. Ook de natuurlijke waterhuishouding mag niet verstoord worden. 5. Bij de houtwinning moet zo weinig mogelijk schade aangericht worden. Dit kan door het aanduiden van ruimingswegen waar zware machines niet mogen van afwijken. Ook kunnen zones aangeduid worden waarbinnen dergelijk verkeer niet toegelaten wordt. Aan de aard van de machines zelf kunnen eveneens beperkingen gesteld worden of er kan zoveel mogelijk gebruik gemaakt worden van aangepaste technieken (paarden, lier...). De boomstammen moeten voor het uitslepen reeds op een bepaalde lengte ingekort worden. De exploitatiemethode moet dermate gekozen worden dat een minimale verstoring van flora en fauna plaatsvindt. 6. Kleine elementen met een hoge natuurbehoudswaarde moeten behouden worden en zo nodig een aangepast natuurvriendelijk beheer krijgen; bronnen, poelen, venen, vennen, open plekken, rotsformaties, duinen, nesten van zeldzame diersoorten (marter, havik, vleermuizen, etc.). 7. Kaalslagsystemen veroorzaken een grondige verstoring van het bosmicroklimaat en moeten vermeden worden. Groepsgewijze of individuele kapping geniet de voorkeur. 8. Een natuurgetrouw beheerd bos bevat dood hout. Overschot van takhout mag niet verbrand worden. Strooiselroof en sprokkelen komen de gezondheid van het bosecosysteem evenmin ten goede. Ook dikke dode bomen, rechtstaand of liggend, die occasioneel afgestorven zijn, horen in het bos te blijven als leefplaats voor planten en dieren en voor het behoud van een natuurlijke nutriëntencyclus. Alleen bindende fytosanitaire voorschriften vormen hierop een uitzondering (naaldhout, Olmenziekte). Het bos moet
61 Zomerverblijfplaatsen Praktische beheersmaatregelen De principes die gehanteerd worden binnen de natuurgetrouwe bosbouw zijn zonder twijfel bevorderlijk voor vleermuizen. Denken we maar aan langere bedrijfstijden, gebruik van inheems loofhout,... Enkel punten verdienen echter bijzondere aandacht bij de bescherming van vleermuizen. Holle bomen zijn vaak levend Ten eerste is het belangrijk om op te merken dat vleermuizen die in spechtenholen en rottingsholen verblijven duidelijk kiezen voor levende bomen. Losse schors daarentegen wordt vooral bij dode bomen aangetroffen. Faunavriendelijk bosbeheer moet dus zowel gericht zijn op behoud van dood hout als behoud van holle, levende bomen. Het belang van spechten Een groot percentage van de holtes in onze inheemse loofbossen ontstaan ten gevolge van spechtenactiviteit. De aanwezigheid van spechten is bijgevolg zeer belangrijk voor de totale holenbroedende fauna, vleermuizen inclusief, en dient dus gepromoot te worden. Vermits de aanwezigheid van spechten hoofdzakelijk wordt bepaald door de aanwezigheid van dood hout en voldoende structuurvariatie in het bos, hetgeen opnieuw nauw aansluit bij de principes van de natuurgetrouwe bosbouw, behoeft dit geen bijzondere maatregelen. Indirect is voor vleermuizen dus ook het behoud van (liggend) dood hout belangrijk (figuur***). Behoud van holle bomen; aantallen en praktijk Het aantal geschikte holen voor vleermuizen is beperkt en daarbij vertonen ze een uitgesproken preferentie voor omhooglopende holen. Aangezien deze holtes slechts op het einde van de holte-evolutie ontstaan, zijn dit ook de oudste holtes. Over de snelheid waarmee een holte uitrot zijn geen gegevens beschikbaar, maar we mogen aannemen dat het, zeker voor boomsoorten zoals de eik, over meerdere jaren gaat. Dit alles impliceert dat het van uitzonderlijk belang is om holle bomen zo lang mogelijk te behouden. Het is ook duidelijk dat behoud van één enkele holle boom niet volstaat omdat de kolonies regelmatig verhuizen. Bovendien maken ook ander organismen gebruik van de holtes en is er een sterke concurrentie met o.a. holenbroedende vogels. Het is moeilijk te bepalen hoeveel holle bomen exact aanwezig moeten zijn, omdat dit sterk afhangt van het bostype, de bestandsleeftijd e.a., maar 5 à 10% van het stamtal lijkt een goed richtgetal te zijn. Naast het systematisch behouden van de reeds aanwezige holle bomen is het ook belangrijk om verjonging van het holteaanbod te voorzien. Er moet ruimte zijn voor nieuwe holtes en die moeten ook de kans krijgen om door rotting te vergroten. Dit is vooral belangrijk in gebieden waar weinig holtes aanwezig zijn. In essentie komt dit neer op het ouder later worden van bomen, opnieuw één van de principes van de natuurgetrouwe bosbouw. Het behoud van holle bomen komt de fauna ten goede en hoeft een economische exploitatie niet in de weg te staan. Implementatie in de praktijk is mogelijk langs drie verschillende beheersopties. De eerste optie is het systematisch behoud van overstaanders, bij voorkeur holle bomen, verspreid over de ganse oppervlakte van het bosgebied. Dit zijn bomen die nooit worden gekapt terwijl de rest van het bestand wordt verjongd. Dit heeft als bijkomend
62 Zomerverblijfplaatsen 47 voordeel dat er snel een grote structuurvariatie ontstaat, die tevens belangrijk is voor de biodiversiteit in het algemeen. In een meer economisch gerichte bedrijfsvoering kunnen deze bomen mogelijk een hinderpaal vormen voor een rationele exploitatie. Een tweede beheersoptie, die tevens een rationelere exploitatie toelaat, is het doorvoeren van een zonering binnen het bosgebied, waarbij groepjes (holle) bomen worden behouden. Deze kunnen bijvoorbeeld gelegen zijn in vochtige, moeilijk exploiteerbare zones met laagkwalitatieve bomen. Uit onze ervaring blijkt dat een concentratie van geschikte bomen, voor vleermuizen althans, geen probleem vormt. Dit biedt het bijkomende voordeel dat deze delen van het bos kunnen worden afgesloten voor het publiek, zodat de kans op ongevallen minimaal wordt gehouden en de flora en fauna zich ongestoord kan ontwikkelen. Een derde en laatste beheersoptie is het systematisch behoud van oude dreefbomen. Deze methode is echter om landschappelijke en cultuurhistorische redenen slechts bruikbaar in streken waar dreven van oudsher worden aangeplant. Bovendien stelt zich het probleem van de aansprakelijkheid van de bosbeheerder in het geval van ongevallen met vallende bomen, zodat deze beheersoptie minder aangewezen lijkt. In streken waar reeds dreven aanwezig zijn met veel holtes moeten deze in de mate van het mogelijke gespaard worden. Vellen van holle bomen Het is denkbaar dat tengevolge van een conflict met andere bosfuncties de velling van een holle boom onafwendbaar wordt. In ieder geval dient de bosbeheerder zich af te vragen of er mitigerende maatregelen (toppen, kandelaberen...) mogelijk zijn. Zo niet dient de boom geveld te worden in de periode van 1 september tot eind oktober, om de verstoring van de boombewonende fauna minimaal te houden. Als een gekende kolonieboom om een dwingende reden moet worden verwijderd kan het nuttig zijn het stamstuk met de holte uit te zagen en aan een nabijgelegen boom te bevestigen. Het is echter niet zeker dat de vleermuizen het dode stamstuk verder zullen gebruiken. Het behoud van de kolonieboom verdient daarom de voorkeur. Problematiek van exoten In gebieden waar Amerikaanse eiken als enige loofbomen voorzien in schuilplaatsen voor vleermuizen treedt vaak een conflict op tussen bosbouw en faunabescherming. Vermits deze boomsoort massaal uitzaait is het vanuit bosbouwstandpunt enerzijds een kwestie van de bomen zo snel mogelijk te verwijderen. Anderzijds bieden de bomen vaak een schuilplaats aan vleermuizen. Als er in de nabijheid geen andere holle bomen aanwezig en weinig kans bestaat dat die op korte termijn zullen ontstaan dan vormt het verwijderen van de bomen een probleem. Een tussenoplossing kan er in bestaan de bomen te ringen (figuur***), zodat hun zaadafzetting stopt maar de holtes nog een tijd beschikbaar zijn voor de fauna. Dit kan dan weer problemen leveren wat de veiligheid betreft als het om dreefbomen gaat maar ook daar zijn oplossingen voor mogelijk. In elk geval moet er naar gestreefd worden om op termijn te voorzien in alternatieve schuilplaatsen in inheemse bomen. Specifieke problematiek van dreefbomen Ook in dreven, die vaak oude en holle bomen bevatten, kunnen er conflicten optreden tussen faunabescherming en veiligheid. Er kunnen ook andere redenen zijn waarom men een dreef wil verjongen of verwijderen. In dat geval is het belangrijk om na te gaan in hoeverre schuilplaatsen in de dreefbomen voorkomen en of in de omgeving alternatieve schuilplaatsen
63 Zomerverblijfplaatsen 48 voorhanden zijn voor de vleermuizen. De onderstaande flow-chart geeft de verschillende mogelijkheden aan. *** Figuur Vleermuiskasten (figuur***) In tegenstelling tot het ophangen van vogelnestkasten biedt het gebruik van vleermuiskasten geen bevredigende oplossing. De mate van bezetting van de kasten varieert zeer sterk tussen de diverse studies. In sommige gebieden wordt geen enkele kast door vleermuizen ooit gebruikt en op andere plaatsen zijn tot 80% van de kasten bezet. In sommige gebieden worden verschillende soorten aangetroffen in de kasten, terwijl in andere gebieden slechts 1 of enkele soorten er gebruik van maken. De soorten die vaak worden aangetroffen zijn: Baardvleermuis, Bechsteins vleermuis*, Bosvleermuis, Franjestaart*, Grootoorvleermuis* en Ruige dwergvleermuis* (*= kraamkolonies in kasten gekend). Minder vaak, en vooral in het najaar tijdens de paringstijd, vindt men Dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Meervleermuis, Rosse vleermuis en Watervleermuis in de kasten. De soorten die vaak in de kasten worden aangetroffen zijn allemaal soorten die van nature reeds een breed gamma aan holen gebruiken en die worden aangetroffen in scheuren, barsten, rottingsholen en achter losse schors. In jonge bossen of homogene naaldbossen, waar de nood aan holtes het grootst is, zijn vleermuiskasten vaak weinig succesvol. Al is het opmerkelijk dat in sommige gebieden nestkasten in dergelijke gebieden wel vleermuizen aantrekken. Kasten die worden opgehangen aan de rand van de bestanden worden sneller en vaker in gebruik genomen. In oude bosgebieden hebben vleermuiskasten meestal wel succes maar in deze gebieden is het veel eenvoudiger, en meer ecologisch verantwoord, om gewoon holle bomen te sparen. Het gebruik van vleermuiskasten als algemene mitigerende maatregel lijkt daarom niet nuttig en is bovendien zeer kostelijk.
64 Hoofdstuk 4 Zomerverblijfplaatsen Kolonieplaatsen in gebouwen 1. Ecologie Oorzaken van achteruitgang Verdwijnen van kolonieplaatsen Ongeschikt worden van verblijfplaatsen Toegankelijkheid van de kolonieplaats Verdrijven en doden van vleermuizen Houtbehandeling Mogelijkheden voor bescherming Aanbevelingen voor het beleid CONVENANTEN HOUTBEHANDELING Praktisch beheer BEHOUD VAN BESTAANDE KOLONIES AFSLUITEN VAN DE ZOLDER UITVOERING VAN WERKEN BEHOUD OF AANLEG VAN VLIEGOPENINGEN VERLICHTING VAN DE BUITENZIJDE VAN HET GEBOUW UITWERPSELEN HOUTBEHANDELING Kolonieplaatsen in holle bomen 1. Ecologie Holtekarakteristieken Standplaatskarakteristieken Oorzaken van achteruitgang Beperkt holteaanbod Kappen van holle bomen Mogelijkheden voor bescherming Aanbevelingen voor het beleid Praktische beheersmaatregelen
65 Hoofdstuk 5: Jachtgebieden en verbindingselementen Ecologie Elke vleermuissoort vertoont een eigen voorkeur bij de keuze van jachtgebieden. De keuze hangt sterk samen met de jachttechniek en het sonar-type. Hierdoor verdelen de vleermuizen als het ware de beschikbare ruimte en vermijden ze dat er een te sterke concurrentie optreedt. Toch hebben vleermuizen een aantal zaken gemeen bij de keuze van de jachthabitats. Zo zijn alle soorten, met uitzondering van de Rosse vleermuis, sterk gebonden aan landschapselementen en worden open landschappen vermeden. Een tweede algemeen verschijnsel is dat vleermuizen, ongeacht de gebruikte jachttechniek, aangetrokken worden door gebieden met een hoge insectendensiteit en -diversiteit. De combinatie van deze twee factoren maakt dat randhabitats (bijvoorbeeld de bosrand, een open plek in het bos, dreven en houtkanten,...) voor vleermuizen een geliefkoosd jachtgebied vormen. Dergelijke overgangszones herbergen een hoog aantal insecten en bieden tegelijk voldoende bescherming. VERBINDINGSROUTES Dat vleermuizen niet graag over open vlaktes vliegen, heeft ook belangrijke implicaties voor de manier waarop ze zich door het landschap verplaatsen. Tussen de kolonieplaats en de jachtgebieden volgen de vleermuizen vliegroutes langs landschapselementen zoals dreven, houtkanten, beken, bosranden, enz. De routes worden jaar na jaar opnieuw gebruikt. Dubbele bomenrijen en riviertjes met oeverbegroeiing worden geprefereerd terwijl lage hagen worden vermeden. Kleine vleermuizen en vleermuizen met een zwakke sonar zijn sterker gebonden aan landschapselementen dan grote soorten met een luide sonar. Toch toonden Verboom en Boonman aan dat zowel de dwergvleermuis (kleine soort) als de laatvlieger (grote soort) sterk gebonden zijn aan dreven en bosranden. Bij de watervleermuis, ook een kleine vleermuis, liggen de kolonies (boombewonend) en de jachtgebieden (water) geregeld ver van elkaar verwijderd, soms tot 6 km. Herhaaldelijk werd vastgesteld dat een kolonie watervleermuizen via een omweg naar het jachtgebied vliegt als er op de kortste route geen of onderbroken landschapselementen aanwezig zijn. Een opening van 25 m in een dreef is reeds voldoende voor de vleermuizen om een andere, langere route te nemen naar het foerageergebied.
66 Jachtgebieden en verbindingselementen 60 Het insectenaanbod wordt door verschillende factoren bepaald, maar de grootste aantallen vinden we vooral in structuurrijke, natuurlijke ecosystemen waar een hoge graad van variatie bestaat, zowel in de vegetatiesamenstelling als in de landschapsstructuur. Uit diverse studies blijkt dat vleermuizen een duidelijke voorkeur vertonen voor (1) waterrijke gebieden (2) bossen en bosranden (3) kleinschalig, extensief beheerd landbouwlandschap en in mindere mate ook voor (4) residentiële woonwijken en parken. Akkers, intensief beheerde weilanden en heide worden vermeden. De voorkeur van vleermuizen voor waterrijke gebieden, kleinschalige landbouwgebieden en bossen is gemakkelijk te verklaren, aangezien het allemaal gebieden zijn waar veel insecten worden aangetroffen Waterrijke gebieden Uit alle studies blijkt dat water een grote aantrekkingskracht heeft op alle vleermuizen. Het hoeft niet altijd te gaan om een vijver of rivier, ook kleine beekjes, veedrinkpoelen, moerassige gebieden en vochtige bospercelen behoren tot de geliefkoosde habitats. Dit geldt niet enkel voor de Watervleermuis en de Meervleermuis, waar we een dergelijke voorkeur kunnen verwachten aangezien ze specifiek boven water foerageren, maar ook voor alle andere soorten. Zelfs een typische bossoort zoals de Baardvleermuis foerageert bij voorkeur in permanent natte bospercelen. Uit zowel batdetectorstudies als uit analyse van de prooisoorten blijkt dat ook de Natte weilanden vormen een belangrijk biotoop voor R osse vleermuis en de langpootmuggen, die op hun beurt een voedselitem zijn voor Bosvleermuis graag foerageren verschillende vleermuissoorten. boven riviervalleien, vijvers en moerassen. Ook de Franjestaart, Gewone dwergvleermuis en Ruige dwergvleermuis en Mopsvleermuis worden vaak in in de buurt van water aangetroffen. Water is het ganse jaar een belangrijk habitat maar, vervult specifiek in het voorjaar en het najaar een sleutelrol. Alhoewel de temperaturen dan overdag al behoorlijk kunnen oplopen zijn de nachten meestal koud. Het insectenaanbod voor de vleermuizen is daardoor laag en bovendien beperkt de activiteit van de insecten zich tot de eerste uren van de nacht. Boven water blijft de dagwarmte echter langer hangen en is de insectenactiviteit beduidend hoger. Dit wordt zeer goed geïllustreerd in een studie van de Noordse vleermuis (Eptesicus nilsonii) in Zweden, waar de vrouwtjes van een kraamkolonie zowel in mei als op het einde van het zomerseizoen bij voorkeur foerageerden boven enkele meren, terwijl ze gedurende de zomer meer werden teruggevonden in het bos.
67 Jachtgebieden en verbindingselementen 61 Bij grote open waters (vijvers, meren, grote rivieren,...) treffen we de meeste vleermuizen aan op een korte afstand van de oever, die liefst begroeid is met struiken of bomen. Hier speelt dus weer de binding met landschapsstructuur een rol. Boven het centrale, open water vinden we uitsluitend de Meervleermuis en de Rosse vleermuis terug Bossen Bossen vormen na water het belangrijkste jachthabitat voor vleermuizen. Zowat alle inheemse soorten komen er foerageren, al wijzigt het belang van bossen in de loop van het seizoen. Sommige soorten zoals de Baardvleermuis, Bechstein s vleermuis, Bosvleermuis, Brandt s vleermuis, Franjestaart, Gewone grootoorvleermuis, Ingekorven vleermuis, Ruige dwergvleermuis en Vale vleermuis worden als echte bossoorten beschouwd. Ook andere soorten zoals de Gewone dwergvleermuis en Watervleermuis zijn sterk aan bos gebonden maar vinden we ook op andere plaatsen. Desondanks is het foerageergedrag en de habitatvoorkeur van echte bossoorten slecht gekend. De reden hiervoor is dat, zowel voor bat-detectorstudies als voor telemetrie, bos een zeer moeilijk studieterrein is: de dichte vegetatie dempt alle geluiden, waardoor de vleermuizen met de bat-detector moeilijker detecteerbaar worden. Ook de radiosignalen van telemetriezendertjes nemen sterk af. Ter illustratie, een zendertje dat in het open veld tot 1.5 km ver detecteerbaar is, reikt in het bos niet verder dan 200m; een aanzienlijke groep van de bossoorten behoren tot het genus Myotis en hun sonar is zeer moeilijk te onderscheiden, in het bijzonder in gesloten habitats; veel bossoorten hebben een zachte sonar. Ondanks al deze problemen werden toch heel wat studies uitgevoerd, die toelaten om aan te duiden waar vleermuizen in het bos bij voorkeur gaan jagen. De twee belangrijkste factoren zijn de structuur van het bos en het insectenaanbod. Bij telemetrie worden vleermuizen gevolgd door middel van kleine zendertjes (0.5 gram). Hier een Watervleermuis met een zendertje op zijn rug.
68 Jachtgebieden en verbindingselementen 62 Bosstructuur De vegetatie in het bos (zowel de bomen, de struiklaag als de kruidlaag) is voor vleermuizen van belang omdat ze het leefgebied vormt van de insecten waar de vleermuizen op jagen. Maar anderzijds is een weelderige vegetatie ook zeer hinderend voor de jagende vleermuizen. De bosstructuur vormt daarom een belangrijke factor in de keuze van de jachtgebieden. De preferentie hangt samen met het vliegvermogen van de respectievelijke soorten. Trage, wendbare vleermuissoorten kunnen in dichte vegetatie jagen, terwijl de snelle vliegers open bestanden opzoeken. De bosstructuur kan zowel verticaal als horizontaal bekeken worden. Tot voor kort werd invloed van de verticale opbouw in het bos op het foerageergedrag van vleermuizen als het ware genegeerd. Amerikaanse onderzoekers vergeleken recent echter het aantal vleermuizen onder, in en boven de boomkruinen en kwamen tot verrassende conclusies. Vooral in het begin van de avond was er veel activiteit van Myotis sp. onder de kruinen, die daarna snel afnam. Vermoedelijk gaat het vooral om dieren die de kolonieplaats net verlaten hebben en op weg zijn naar hun foerageergebied. Ter hoogte van de kruin en erboven werd eveneens een hoge activiteit vastgesteld die de ganse nacht min of meer gelijk bleef. Zoals hoger reeds werd aangehaald vertonen vleermuizen een voorkeur voor rand-habitats en naar alle waarschijnlijk vormt ook de bovenzijde van het bos een dergelijk habitat. Het belang ervan werd in de meeste bat-detector studies niet in rekening gebracht. De meeste waarnemingen werden immers verricht van op de grond en vleermuizen die hoog in de kruinen foerageren worden dan niet gedetecteerd. Dit aspect moet in de toekomst zeker nog verder onderzocht worden omdat het waarschijnlijk net voor de echte bossoorten, die open plaatsen schuwen, het optimale habitat vormt. Ook uit telemetrisch onderzoek blijkt dat sommige soorten, in het bijzonder gleaners, vaak foerageren ter hoogte van de kruinen. Ook op het horizontale vlak wordt een sterke voorkeur voor bosranden, open plekken in het bos en kleine kapvlaktes vastgesteld. De waarde van de bosranden neemt nog toe als er een goed ontwikkelde mantel- en zoomvegetatie voorkomt met een rijke insectenfauna. Toch mag, zeker in het licht van de hoger vermelde ondervindingen, het belang van het meer gesloten bos niet onderschat worden. Vooral uit telemetrisch onderzoek blijkt dat echte bossoorten zoals de Bechstein s vleermuis bijna uitsluitend in de bestanden foerageren en de bosranden vermijden. Insectenaanbod Uit alle studies blijkt verder dat naast structuur opnieuw het insectenaanbod de voornaamste factor is bij de keuze van jachtgebieden in het bos. In dit licht is het niet verwonderlijk om vast te stellen dat vleermuizen oude, onbeheerde bossen met een rijke en gevarieerde ondergroei verkiezen boven homogene productiebossen. Ook de voorkeur voor natte percelen wordt hoofdzakelijk bepaald door een rijker insectenaanbod. Sterk vereenvoudigd zouden we kunnen stellen dat er meer insecten en dus ook meer vleermuizen voorkomen in gevarieerde bossen (ongelijkjarig, ongelijkvormig), liefst met inheemse boomsoorten, met een gevarieerde ondergroei en dood hout. Open plekken in het bos, mantel- en zoomvegetatie en vochtige gedeelten verhogen de insectendiversiteit nog.
69 Jachtgebieden en verbindingselementen 63 In West-Europese studies word dikwijls vastgesteld dat vleermuizen loofbos verkiezen boven naaldbos. Dit lijkt logisch aangezien in het algemeen loofbomen een rijkere insectenfauna herbergen. Toch moet ook dit met de nodige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. De meeste naaldbossen in onze streken zijn immers redelijk jonge bossen, vaak aangeplant op marginale gronden. Bovendien gaat het meestal om uitgestrekte, homogene productiebossen. In meer bergachtige streken waar nog zeer natuurlijke naaldbossen voorkomen werd zowel voor de Baardvleermuis, Brandt s vleermuis als de Gewone grootoor vastgesteld dat deze bossen een aanzienlijk deel van het foerageergebied uitmaken. Ook eigen onderzoek toonde aan dat Gewone grootoren een groot gedeelte van hun tijd doorbrengen in fijnsparbestanden Kleinschalig landbouwgebied Het kleinschalig landbouwgebied is opgebouwd uit een mozaïek van bos, weilanden en akkers omzoomd door hagen en houtkanten. Tot in de eerste helft van deze eeuw was het één van de meest algemene landschappen in Vlaanderen. Het is een landschap dat gekenmerkt wordt door een hoge graad aan variatie en een hoge diversiteit aan diersoorten, waaronder diverse vleermuizen. De Laatvlieger is ongetwijfeld in onze streken het best gekend als een typische vleermuis voor dit type landschap, maar ook de Grote- en Kleine hoefijzerneus horen hier thuis. De Franjestaart, Ingekorven vleermuis en de Vale vleermuis worden klassiek gerekend tot de bossoorten maar uit recente studies, waar dieren gevolgd werden met behulp van kleine zendertjes, blijkt dat ook zij een groot deel van hun prooien vangen boven weilanden. De voorkeur voor dit type van habitat weerspiegelt zich in sterke mate in het dieet van hoger genoemde soorten. Dat bevat bijna zonder uitzondering kevers of vliegen die gebonden zijn aan mest zoals Muscidae en Calliphoridae, Geotrupes sp en Aphodius sp. Ook andere insecten die typisch zijn voor landbouwgebieden worden teruggevonden in het dieet. Het meest typische voorbeeld is de Meikever (Melolontha melolontha). Dit toont aan dat de aanwezigheid van vee zeer belangrijk is. Langs de ene kant omdat hun uitwerpselen voor veel insecten een ideale voedingsbodem vormen. Anderzijds zorgt extensieve begrazing voor een hoge microvariatie in bodem en vegetatie. De gevarieerde en rijke vegetatie die hierdoor ontwikkelt is geassocieerd met een rijke insectenfauna. Een ander zeer belangrijk aspect van het kleinschalig landbouwgebied is het grote aandeel overgangshabitats. Zoals hoger reeds aangehaald, vormen bosranden voor vleermuizen een belangrijk habitat. Maar ook heggen en houtkanten, vaak bestaande uit bloeiende heesters, vormen een ideaal habitat voor vlinders en grote keversoorten zoals de Meikever. Het is dus logisch dat vleermuizen zich hier thuis voelen. Tegelijk bieden de dreven, houtkanten en heggen voor vleermuizen bescherming en oriëntatie.
70 Jachtgebieden en verbindingselementen 64 Alhoewel het kleinschalig landbouwgebied bestaat uit een grote verscheidenheid aan habitats, mag men toch niet uit het oog verliezen dat het één geheel vormt. Zowat alle habitattypes die voorkomen in dit landschap worden door de vleermuizen gebruikt, al is het belang van de respectievelijke deelhabitats zeer seizoensafhankelijk. De Grote hoefijzerneus bijvoorbeeld foerageert in het voorjaar vooral in loofbos, terwijl in de zomer weilanden belangrijker worden. Dit staat in sterke mate in verband met het insectenaanbod. Er is vastgesteld dat in de verschillende deelhabitats het insectenaanbod zeer snel kan wijzigen en daarmee ook het terreingebruik van de vleermuizen. Een typisch voorbeeld hiervan is de Meikever die, zoals zijn naam zegt, voornamelijk actief is in mei. Tijdens deze periode richten verschillende vleermuizen zich uitsluitend op deze prooisoort. Later op het jaar, als de Meikevers verdwenen zijn, schakelen ze over op andere insecten zoals mestkevers (Aphodius sp). Een ander, zeer treffend, voorbeeld is het gedrag van de Vale vleermuis. Arlettaz bestudeerde het foerageergedrag van een kraamkolonie in Zwitserland en stelde vast dat de vleermuizen van de ene op de andere dag hun gewone foerageerplaatsen in het bos verlieten om te gaan jagen boven pas gemaaide hooilanden. Tijdens dit onderzoek stelde hij vast dat ook Franjestaarten naar deze plekken werden aangetrokken. Beide soorten plukten insecten van de grond en van het kort gemaaide gras. Na enkele dagen waren de weilanden weer verlaten en foerageerden de vleermuizen terug in het bos Urbane omgeving en parken Een aantal vleermuizensoorten hebben zich aangepast aan de aanwezigheid van de mens, onder andere door menselijke gebouwen te gebruiken als verblijfplaats. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ook in de bebouwde omgeving vleermuizen worden aangetroffen. Maar het voorkomen van vleermuizen wordt ook bepaald door het insectenaanbod, dat indirect samenhangt met de hoeveelheid groen in de stad. Parken en stadsbossen spelen hier een zeer belangrijke rol. Vaak gaat het om oude kasteelparken met een gevarieerde vegetatie, veel oude bomen en vijvers die een ideaal leefgebied voor vleermuizen vormen. De oppervlakte moet natuurlijke voldoende groot zijn om als leefgebied voor vleermuizen geschikt te zijn. Transect-tellingen wijzen uit dat in sterk urbane gebieden enkel dwergvleermuizen voorkomen. In buitenwijken en open bebouwing stijgt het aantal vleermuizen en het aantal vleermuizensoorten. De hoeveelheid vleermuizen is sterk gecorreleerd met het aantal tuinen. Residentiele wijken en parken in het bijzonder, kunnen een hoge diversiteit aan vleermuizen herbergen. Dergelijke wijken zijn vaak ingeplant in oude parkgebieden en worden gekenmerkt door grote tuinen, vaak met oude bomen. De natuurwaarde van dergelijke wijken kan zeer hoog worden als ze in verbinding staan of aansluiten aan een groot natuurgebied. De situatie wordt goed geïllustreerd door de situatie in Brussel, waar het verstedelijkte centrum overgaat in buitenwijken met een residentieel karakter en verschillende parken en tenslotte in het Zoniënwoud. Uit monitoringgegevens blijkt dat in het centrum enkel lage aantallen dwergvleermuizen voorkomen. In de buitenwijken nemen de aantallen toe en in de parken worden ook andere soorten waargenomen zoals Watervleermuis, Laatvlieger en Rosse vleermuis. In de omgeving van Woluwe, Watermaal-Bosvoorde en Oudergem, waar parken en villawijken elkaar afwisselen stijgt de soortendiversiteit en stijgen de aantallen nog verder en worden ook Baardvleermuis, Grootoorvleermuis en mogelijk enkele zeldzame soorten zoals de Mopsvleermuis aangetroffen. In het Zoniënwoud wordt o.a. ook de Bosvleermuis nog waargenomen.
71 Jachtgebieden en verbindingselementen Oorzaken voor achteruitgang Door de toegenomen industrialisatie, urbanisatie, de stijgende bevolking en de veranderingen in bos- en landbouw is het landschap deze eeuw grondig gewijzigd. Dat dit gepaard ging met een algemene achteruitgang van de natuurwaarden staat onomstotelijk vast. Het is moeilijk om aan te duiden welke factoren nu net voor vleermuizen een negatief effect hebben. In de tekst worden daarom de veranderingen in de belangrijkste habitats besproken samen met een aantal aspecten die sterk inspelen op de populatiedynamiek van vleermuizen. Er zijn ongetwijfeld nog andere factoren die op vleermuizen een (negatief) effect hebben. We hebben echter getracht om met de volgende opsomming een idee te geven van de voornaamste bedreigingen voor de jachtgebieden van vleermuizen Waterrijke gebieden De mens heeft de afgelopen eeuw zeer sterk ingegrepen in de waterhuishouding door het recht trekken van rivieren en beken, en het ontwateren van natte gebieden. Moerassen en overstromingsgebieden die gedurende eeuwen voor de mens slechts een marginale betekenis hadden, zijn nu omgezet tot landbouwgebied, industriegebied en woonzone. Hierdoor verdwenen grote oppervlaktes interessant jachtgebied voor vleermuizen. Om het water sneller af te voeren en het ruimtebeslag te verminderen werden beken en rivieren op grote schaal rechtgetrokken en de oevers gebetonneerd. Het verdwijnen van de natuurlijke meandering, plasbermen en oevervegetatie heeft een grote impact en vele beken hebben hun natuurwaarde totaal verloren. De insectenrijkdom van dergelijke beken is vanzelfsprekend gering en voor vleermuizen onvoldoende om nog langer als jachtgebied te worden gebruikt. Een ander probleem is de vervuiling. Enerzijds komen allerlei giftige stoffen via het grondwater, de rioleringen en het regenwater in rivieren en meren terecht. Anderzijds is er een hoge graad van eutrofiëring door de uitspoeling van meststoffen. In beide gevallen neemt de insectenrijkdom af. De gevolgen van eutrofiëring zijn echter niet zo duidelijk. Algemeen daalt de insectendiversiteit, maar een aantal insecten voelt zich in deze waters goed thuis en o.a. het aantal dansmuggen (Chironomidae) neemt toe. Aangezien deze insecten de hoofdprooi vormen voor de Watervleermuis wordt wel eens geopperd dat de aantalsstijging van de watervleermuizen verklaard kan worden door de toegenomen eutrofiëring. Totnogtoe zijn hiervoor geen sluitende bewijzen gevonden. Op lange termijn zal de vervuiling echter ook negatieve effecten hebben door de accumulatie van allerlei giftige producten in het lichaam van de vleermuizen (zie verder).
72 Jachtgebieden en verbindingselementen Bossen Fragmentatie De afgelopen eeuwen is het bosareaal in onze streken gedaald en bovenal sterk versnipperd. Fragmentatie wordt algemeen aanzien als een van de belangrijkste factoren bij de achteruitgang van de biodiversiteit en kan op verschillende manieren inwerken op de vleermuispopulatie; isoleren van kleine populaties, afname van foerageerhabitats, toename van predatie. Het effect is het grootst bij de bosgebonden soorten zoals de Baardvleermuis, Brandt s vleermuis, Franjestaart en Gewone grootoor. Intensifiëring De intensifiëring van de bosbouw resulteerde in homogene aanplantingen van snelgroeiende, vaak uitheemse, boomsoorten. Het insectenaanbod is hierdoor sterk gedaald. Enerzijds doordat het aantal insecten geassocieerd met uitheemse bomen en met naaldhout veel lager is dan bij inheemse loofbomen. Anderzijds door de geringe variatie in de productiebossen. In de uitgestrekte monoculturen zijn bovendien de natuurlijke evenwichten verstoord en treden gemakkelijk explosies op van pestsoorten waardoor bestrijding noodzakelijk wordt. De toegepaste bestrijdingstechnieken, insecticiden en het verwijderen van dode en zieke bomen, zijn weinig selectief en ook andere, nuttige insecten worden er door getroffen. Drainage Op natte percelen is de boomsoortkeuze beperkt en de groei van de bomen niet optimaal. Om de productiviteit te verhogen worden vochtige bestanden gedraineerd. Op ecologisch vlak heeft drainage meestal negatieve gevolgen. De kenmerkende, kruidenrijke vegetatie verdwijnt samen met de geassocieerde insecten. Het insectenaanbod in vochtige bosgedeelten is beduidend hoger dan in de droge gedeeltes. Vleermuizen vertonen dan ook de voorkeur voor vochtige bestanden. Achteruitgang van randhabitats Het insectenaanbod is hoger in open habitats dan in het bos, terwijl bosranden en open plekken in het bos een intermediaire plaats innemen. Deze randhabitats vormen een belangrijk jachtgebied voor vleermuizen, die omwille van het predatierisico de open vlaktes vermijden. Op de grens tussen bos- en landbouwzone treden echter een aantal conflicten op. De overgang tussen bos en het open landschap verliep vroeger zeer geleidelijk met een typische mantel- en zoomvegetatie. De mantel bestaat uit (doornige) struiken die vaak dienst deed als afsluiting voor het vee. De zoomvegetatie bestaat uit lage kruiden, die opgroeien onder de bescherming van de struiklaag. Een geleidelijke overgang met een mantel- en zoomvegetatie Een scherpe overgang van akker naar bos
73 Jachtgebieden en verbindingselementen 67 Door het toenemend gebruik van prikkeldraad sinds de jaren 50, en omdat steeds dichter tegen de perceelsranden wordt geploegd, is deze natuurlijke overgang verdwenen en gaat het bos zeer abrupt over in akker of weiland. Zowel voor insecten als voor vleermuizen is dit een weinig aantrekkelijke situatie. Ten tweede is er het probleem van de inwaaiing van allerlei schadelijke stoffen (hoofdzakelijk afkomstig van de landbouw). Zowel de gebruikte pesticiden als de mest (droge N-depositie) dringen tot ver in het bos door, met een verarming van de vegetatie en de insectenfauna tot gevolg. Het ontbreken van een mantel- en zoomvegetatie versterkt dit nog. De randhabitats, die niet enkel voor vleermuizen maar ook voor andere fauna van belang zijn, hebben daardoor veel van hun oorspronkelijke waarde verloren Landbouwgebieden Door verbetering van de landbouwtechnieken en gebruik van kunstmeststoffen heeft de landbouw deze eeuw een aantal grote veranderingen ondergaan. Een van de belangrijkste aspecten is ongetwijfeld de intensifiëring en schaalvergroting. Kleinschalige landbouwgebieden zijn vervangen door grootschalige monoculturen. Dit ging gepaard met het verdwijnen van kleine landschapselementen zoals veedrinkpoelen, bermen en houtkanten, die omwille van hun insectenrijkdom voor vleermuizen enorm belangrijk zijn. Anderzijds speelden de hagen, houtkanten en dreven ook een belangrijke rol als verbindingselement en als baken in het landschap. Zowel om gebruik van zware landbouwwerktuigen mogelijk te maken, als om de productiviteit van de gronden te verhogen worden vochtige terreinen gedraineerd. De grondwaterstand is hierdoor in grote gebieden van Vlaanderen gedaald waardoor niet enkel op de landbouwpercelen, maar ook in de omringende gebieden, de planten- en insectendiversiteit sterk is afgenomen. In de grote monoculturen komen pestsoorten gemakkelijk tot een explosie. Dit resulteert in het gebruik op grote schaal van insecticiden en herbiciden, waardoor de insectenrijkdom nog verder afneemt. Deze stoffen hebben ook een rechtstreeks negatief effect op de vleermuizen (zie verder). Vlaanderen is op Europees niveau één van de grootste gebruikers van pesticiden. Ook de omschakeling naar industriële veeteelt, waar het vee gedurende het ganse jaar in grote stallen wordt gehouden, heeft een grote invloed gehad op de vleermuizen. Dit heeft vooral te maken met de sterke daling van het aantal mestvliegen en mestkevers, die bij verschillende vleermuissoorten tot het dieet behoren. Enerzijds doordat het vee, en dus ook de uitwerpselen, van de weilanden verdwenen. En anderzijds door het mengen van geneesmiddelen tegen parasieten met het dierenvoeder (avermectine, ivermectine en abamectine). Een groot percentage van de toegediende middelen (tot 50%) wordt terug uitgescheiden via de uitwerpselen. De stoffen binden zich gedeeltelijk aan de organische stoffen in de uitwerpselen, maar een deel verdwijnt ook in de bodem. Het gaat om zogenaamde niet-specifieke stoffen die inwerken op een zeer breed spectrum van insecten, waardoor ook niet-parasitaire insecten, die leven op of rond de uitwerpselen (coprofage insecten), getroffen worden. Zowel de larvale ontwikkeling als het voortplantingssucces van mestvliegen en mestkevers wordt er ernstig door verstoord. Verschillende vleermuissoorten, zoals de Ingekorven vleermuis, de Grote en Kleine hoefijzerneus en de Laatvlieger, die zich voor een belangrijk deel voeden met deze insecten, worden hierdoor rechtstreeks getroffen.
74 Jachtgebieden en verbindingselementen 68 Ook de gewaskeuze is de afgelopen decennia sterk gewijzigd. Weilanden en hooilanden, die o.a. vrijkwamen door de omschakeling naar industriële veeteelt, werden omgezet naar akkers. De insectenrijkdom van een akker is echter beduidend lager, en op deze manier verdwenen eveneens talrijke jachtgebieden voor vleermuizen. Een typisch voorbeeld is het verdwijnen van de Meikever. Deze insectensoort, die o.a. wordt gegeten door de Laatvlieger en de Rosse vleermuis, is gebonden aan weilanden voor de ontwikkeling van de larven en aan loofbos voor de adulte dieren. Door de omzetting van weilanden in maïsakkers was er in de jaren een zeer sterke afname van de aantallen van deze, ooit zeer algemene, insectensoort Opname van toxische stoffen Vleermuizen komen op diverse manieren met giftige stoffen in contact. Het is een zeer complexe materie en hier zal enkel getracht worden om de essentie van het probleem te behandelen. Er kunnen 2 grote groepen van pesticiden onderscheiden worden; de vetoplosbare en de wateroplosbare stoffen. Vooral de stoffen die oplossen in vet zijn gevaarlijk voor dieren (en ook voor de mens). Bij inname stapelen ze zich op in het lichaam, omdat ze in het lichaamsvet worden opgenomen (=accumulatie). Ook als telkens slechts kleine, op zich niet schadelijke, dosissen worden opgenomen, zal op termijn in het lichaam toch een hoge concentratie worden opgebouwd. Bovendien worden de vetoplosbare stoffen in hoge concentraties via de vetrijke moedermelk overgedragen naar de jongen. Dit kan nefaste gevolgen hebben voor de overleving van de jongen die een kleinere weerstand hebben tegen de schadelijke stoffen. De wateroplosbare stoffen daarentegen, worden via de urine en de uitwerpselen weer uit het lichaam verwijderd en zijn enkel gevaarlijk als een hoge dosis wordt opgenomen in één maal. In vergelijking met andere zoogdieren zijn vleermuizen bijzonder kwetsbaar voor vetoplosbare toxische stoffen. Ze leggen immers een vetreserve aan die tijdens de winterslaap wordt verbruikt. Hierdoor komen de giftige stoffen op korte tijd in hoge dosissen vrij. De effecten zijn bijzonder uitgesproken als de dieren (door verstoring) herhaaldelijk ontwaken. Hierbij wordt immers veel vet verbruikt. Ook in periodes van voedselgebrek, wanneer de dieren reeds onder stress zijn, wordt de vetvoorraad aangesproken (bijvoorbeeld tijdens een koud en nat voorjaar). In grote lijnen kunnen we stellen dat vleermuizen op 2 manieren in contact komen met giftige stoffen, nl. rechtstreekse inname (inademing, opname via de huid, door stoffen op te likken tijdens lichaamsverzorging) en onrechtstreekse inname via het voedsel. Bij rechtstreekse inname gaat het voornamelijk over producten voor houtbehandeling (zie hoger). Bij opname via het voedsel is het gamma aan producten veel groter en de manier waarop deze stoffen in het mileu terechtkomen is zeer divers. De problematiek is zeer complex en het is niet zo eenvoudig om oplossingen aan te brengen. Vleermuizen zijn toppredatoren die grote hoeveelheden insecten eten, tot de helft van hun eigen lichaamsgewicht per nacht. De concentratie aan giftige stoffen die ze op deze manier opnemen, kan zeer hoog oplopen (=biologische magnificatie). Ook het gamma van producten is zeer uiteenlopend. Het betreft enerzijds residu s van pesticiden en anderzijds zware metalen, dioxine s en PCB s.
75 Jachtgebieden en verbindingselementen 69 Pesticiden Vanaf de 2de wereldoorlog werd het gebruik van pesticiden op grote schaal toegepast. Hiervoor werden stoffen als DDT en Lindaan gebruikt, waarvan de schadelijke werking zowel voor de mens als voor andere organismen ondertussen uitvoerig werd aangetoond. Nu is het gebruik van deze stoffen in Europa verboden. Het zijn echter zeer persistente stoffen die nog steeds in het milieu aanwezig zijn en onder andere via de moedermelk steeds van moeder op jongen worden overgedragen. Daardoor zijn ze nu nog steeds detecteerbaar in vleermuizen. Alhoewel er nu stoffen worden gebruikt die minder schadelijk zijn, blijft het gevaar van vergiftiging met pesticiden bestaande. In het bijzonder voor de vleermuizen die hun prooien van de vegetatie plukken (gleaners). Onmiddellijk na een behandeling met insecticiden zijn de verlamde en halfdode insecten een gemakkelijke prooi voor de vleermuizen. Op korte tijd krijgen de vleermuizen dan een hoge dosis schadelijke stoffen te verwerken. Het gevaar is bijzonder uitgesproken als de insecticiden rond zonsondergang worden gesproeid, zoals nu vaak wordt gedaan. s Avonds is de luchtvochtigheid hoger en is er minder wind waardoor de verwaaiing van het insecticide beperkt is. Zo haalt men een hoger rendement, hetgeen voor de landbouwer voordeliger is. PCB s, zware metalen en dioxines Specifiek onderzoek naar de effecten van deze stoffen bij vleermuizen zijn beperkt, maar deze stoffen hebben schadelijke effecten op alle zoogdieren. Men heeft vastgesteld dat vleermuizen op zijn minst even gevoelig zijn voor PCB s als andere zoogdieren. We kunnen er van uitgaan dat ook voor vleermuizen deze stoffen de voortplanting, overleving van de jongen, leeftijd, e.d. negatief beïnvloeden. Het zijn zonder uitzondering stoffen die in het lichaam accumuleren en waarvoor vleermuizen dus bijzonder gevoelig zijn. Vleermuizen nemen PCB s, dioxines en zware metalen hoofdzakelijk op door het eten van watergebonden insecten. Vanuit verschillende bronnen (industrie, landbouw,uitlaatgassen van auto s,...) komen giftige stoffen terecht in het milieu. Door uitspoeling en via het grondwater komen deze uiteindelijk terecht in onze rivieren en meren waar de concentraties hoog oplopen. Watergebonden insecten zoals dansmuggen (Chironomidae) en eendagsvliegen (Ephemeroptera), die behoren tot het dieet van verschillende vleermuizen, nemen de stoffen op Aanbevelingen voor het beleid 3. Mogelijkheden voor bescherming Uit diverse studies is ondertussen duidelijk dat, naast bescherming van de kolonieplaatsen, het essentieel is om (een gedeelte van) de foerageergebieden van vleermuizen rond de kolonie te beschermen. In het kader van het Bat-agreement zijn de deelnemende landen er dan ook toe gehouden om de belangrijke foerageergebieden aan te duiden en te beschermen (gebiedsgericht beleid). Dit zou op zijn minst moeten worden uitgevoerd rond de kolonies van bedreigde soorten. De exacte maatregelen die genomen dienen te worden, moeten soort per soort en kolonie per kolonie bekeken worden. Hierbij kan uitgegaan worden van algemene ecologische
76 Jachtgebieden en verbindingselementen 70 kennis van de soort, maar moet men steeds rekening houden met de lokale situatie. De bescherming van de foerageergebieden kan op 2 manieren worden uitgevoerd: wettelijke bescherming van de gebieden (inkleuring gewestplan, Natura 2000 gebieden, erkenning als natuurreservaat,...) afsluiten van beheersovereenkomsten met eigenaars en grondgebruikers (landbouwers, bosbeheerders,...) Uit alles blijkt dat vleermuizen gebruik maken van, en nood hebben aan zeer gevarieerde landschappen met een hoge mate van connectiviteit. Belangrijke foerageergebieden en kolonies zouden daarom moeten worden opgenomen in het VEN. Toxische stoffen Er zou een wettelijk kader moeten worden geschapen dat het (overmatig) gebruik van schadelijke pesticiden aan banden legt. Dit kan verschillende zaken bevatten: verbod op het gebruik van schadelijke pesticiden (alle organochloorverbindingen zoals DDT, DDE, DEE, Lindaan,... en PCP s). Een gedeelte van deze stoffen is reeds verboden, maar sommige stoffen mogen nog verkocht en gebruikt worden. mogelijkheden om in de zone rond kolonies van bedreigde vleermuizen het sproeien van pesticiden s avonds te verbieden. De anti-parasietenmiddelen die aan het vee worden toegediend, vormen geen rechtstreekse bedreiging voor vleermuizen, maar wel voor de insectenfauna. Het gebruik op grote schaal van niet-specifieke middelen zoals avermectine, ivermectine en abamectine zou moeten gelimiteerd worden. Er zijn alternatieve middelen beschikbaar (Mixidectine en Fendazol). Een alternatieve mogelijkheid om het effect van de geneesmiddelen op de coprofage insecten te verminderen, is niet al het vee dat op hetzelfde weiland staat op hetzelfde ogenblik behandelen. Hierdoor is steeds een gedeelte van de uitwerpselen geschikt voor mestvliegen en -kevers. Het is bovendien niet duidelijk of het gebruik van deze middelen inderdaad een economisch voordeel oplevert. Door het ongelimiteerd gebruik is het bovendien waarschijnlijk dat de parasieten een resistentie ontwikkelen Praktische beheersmaatregelen ALGEMEEN Zoals hoger reeds gesteld, moet het beheer van foerageergebieden van vleermuizen gezien worden in een bredere context van herwaardering van natuurlijke habitats. Een sterke verweving van diverse habitats samen met de aanwezigheid van overgangszones en randhabitats zijn echter aspecten die specifiek voor vleermuizen zeer belangrijk zijn. Het is zeer moeilijk om aan te geven welke beheersmaatregelen een gebied interessanter maken voor vleermuizen. Dit hangt sterk af van de beoogde vleermuissoort en van de plaatselijke situatie. Het kan hierbij zeer nuttig zijn om historische gegevens te raadplegen om na te gaan hoe het landschap er in het begin van deze eeuw uitzag. Voor de verschillende habitats worden mogelijke beheersmaatregelen opgesomd. De lijst is echter niet limitatief en
77 Jachtgebieden en verbindingselementen 71 niet bindend. Bij de bespreking van de soorten worden soortspecifieke beheersmaatregelen aangegeven (zie verder). Waterrijke gebieden aanleggen van (amfibieën)poelen bewust laten vernatten van bosbestanden en weilanden behoud en bescherming van drassige gebieden laten opschieten of aanplanten van begeleidende vegetatie langsheen waterlopen aanplanten van inheemse bomen langsheen waterlopen, vijvers en meren herstellen van natuurlijke meandering, aanleg van plasbermen Bossen In bosgebieden komt het er in principe op neer om een natuurgetrouw bosbeheer te voeren met voor vleermuizen de volgende aandachtspunten: bosbeheer moet streven naar gevarieerde, ongelijkjarige en ongelijkvormige bossen de voorkeur moet gaan naar inlands loofbos ontwikkeling van mantel- en zoomvegetaties beperkingen op het gebruik van pesticiden kleine open plekken in het bos aanleggen Landbouwgebied streven naar een kleinschaliger landbouw herstellen en aanplanten van kleine landschapselementen: houtkanten, dreven, poelen beperkingen op het gebruik van pesticiden gebruik van milieuvriendelijke anti-parasietenmiddelen (Mixidectine en Fendazol) bevorderen van extensieve veeteelt
78 Jachtgebieden en verbindingselementen BESCHERMING VAN EEN ZONE ROND DE KOLONIE Vooral voor de bedreigde vleermuissoorten moet een zone rond de kolonieplaats beschermd worden. Dit houdt in dat de aanwezige jachtgebieden en het landgebruik minstens behouden blijven en indien mogelijk verbeterd worden. Dit kan men bereiken door middel van een wettelijke bescherming, door samenwerkingsakkoorden met de grondgebruikers, door natuurbeheer en natuurbouw. Indien geschikte habitats ontbreken, kan overgegaan worden tot de aanleg ervan (graven van poelen, aanleg loofbos,...). De grootte van de zone is sterk soortafhankelijk (zie bij de soortfiches). Voor de meeste soorten is een gebied in een straal van 5 km rond de kolonie meer dan voldoende. De onmiddellijke omgeving van de kolonieplaats (binnen een straal van 1 km) is van uitzonderlijk belang voor de foeragerende jonge dieren, en verdient extra bescherming. Behoud van aanwezige natuurelementen is primordiaal. Wanneer ze ontbreken is aanleg aangewezen. De overleving van de jongen zal immers in grote mate bepalen in hoeverre de populatie zal stijgen.
79 Hoofdstuk 5: Jachtgebieden en verbindingselementen 1. Ecologie Waterrijke gebieden Bossen Kleinschalig landbouwgebied Urbane omgeving en parken Oorzaken voor achteruitgang Waterrijke gebieden Bossen Landbouwgebieden Opname van toxische stoffen Mogelijkheden voor bescherming Praktische beheersmaatregelen ALGEMEEN BESCHERMING VAN EEN ZONE ROND DE KOLONIE
80 Hoofdstuk 6: De toestand in Vlaanderen 73 In Europa zijn de vleermuizen deze eeuw sterk achteruit gegaan. Maar hoe zit het nu in Vlaanderen? We kunnen ons afvragen hoe de toestand nu is in vergelijking met het begin van deze eeuw. En hoe zijn de aantallen de afgelopen jaren geëvolueerd? Dat zijn, naar bescherming toe, zeer pertinente vragen die echter moeilijk te beantwoorden zijn bij gebrek aan (vergelijkbare) gegevens. Er zijn wel wat oudere gegevens beschikbaar, maar de manier waarop ze werden verzameld is totaal verschillend van de huidige methodes zodat het moeilijk en gevaarlijk is om hierop uitspraken over achteruitgang of vooruitgang te baseren. Om aantalsevoluties te bestuderen is het noodzakelijk om de populatie te monitoren op een gestandaardiseerde wijze. Gelukkig beschikken we voor de laatste 20 jaar over gegevens van wintertellingen uitgevoerd door de Vleermuizenwerkgroep. Deze vorm van monitoring geeft ons, tenminste voor een aantal soorten, de mogelijkheid om de recente aantalsveranderingen te onderzoeken. In dit hoofdstuk worden in een eerste deel de beschikbare gegevens bekeken en in een tweede deel wordt ingegaan op de mogelijke monitoringmethodes voor vleermuizen. 1. Vleermuizen in Vlaanderen; status quo, achteruitgang of vooruitgang? Het is niet eenvoudig om te bepalen hoe de aantallen in Vlaanderen geëvolueerd zijn. We beschikken slechts over een beperkt aantal historische gegevens (verzameld voor 1960). Toch kunnen we, op basis van buitenlandse studies, veronderstellen dat de daling van de aantallen zich vooral heeft voorgedaan in de periode Daarom zullen we trachten om toch enkele vergelijkingen te maken tussen oude waarnemingen en meer recente gegevens. Daarentegen beschikken we, door de tellingen die de Vleermuizenwerkgroep heeft uitgevoerd, over zeer goede data sinds de jaren 80. Dit laat ons toe om de recente aantalsevoluties grondig te onderzoeken Vergelijking tussen recente en oude gegevens Ter vergelijking met de vroegere toestand moeten we terugvallen op de vleermuiswaarnemingen van het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN). Door het instituut werden tussen 1940 en 1964 vleermuizen gevangen in het kader van ringonderzoek. De meeste vangsten gebeurden tijdens de winterslaap in de mergelgroeven en grotten. Er zijn twee minpunten aan deze gegevens: Er werden in de winterverblijfplaatsen geen volledige tellingen uitgevoerd. De aandacht ging voornamelijk uit naar vrijhangende en grote soorten. Vleermuizen die weggekropen zaten in spleten werden grotendeels over het hoofd gezien. Het onderzoek concentreerde zich in hoofdzaak op Wallonië. Enkel voor de Limburgse mergelgroeven zijn er gegevens beschikbaar die vergeleken kunnen worden met de recente tellingen. Omdat bij het ringonderzoek geen volledige tellingen werden uitgevoerd, is het onmogelijk de aantallen te vergelijken tussen de huidige tellingen en de oude gegevens. Dit kan enigszins omzeild worden door te kijken naar het percentueel aandeel van elke soort. Maar zelfs dan zijn de gegevens niet perfect vergelijkbaar. In het ringonderzoek werd geen aandacht besteed aan vleermuizen in spleten waardoor sommige soorten serieus ondervertegenwoordigd zijn in
81 De toestand in Vlaanderen 74 de oude gegevens, ook al waren de dieren dan misschien wel aanwezig. In onderstaande figuur worden de resultaten van 25 jaar ringonderzoek ( ) in de Limburgse mergelgroeven vergeleken met de tellingen van de afgelopen 4 jaar ( ) , , ,5 10,9 9,5 9, , ,3 2,7 1,8 1, ,03 0 Rf Rh MM MD Me Mn Md Mmb Bb PaA Fig. 2: Procentuele verdeling van de vleermuissoorten in de mergelgroeven in de periode in vergelijking met de periode Rf=Grote hoefijzerneus; Rh= Kleine hoefijzerneus; MM= Vale vleermuis; MD= Meervleermuis; Me= Ingekorven vleermuis; Mn= Franjestaart; Md= Watervleermuis; Mmb= Baard/Brandt s vleermuis; Bb= Mopsvleermuis; PaA= Gewone/Grijze grootoor Het is belangrijk om op te merken dat het hier niet gaat om absolute aantallen maar over de relatieve verhoudingen waarin de verschillende soorten voorkomen. Uit deze vergelijking kunnen we afleiden dat: de Grote hoefijzerneus, de Kleine hoefijzerneus en de Mopsvleermuis volledig verdwenen zijn. Ook de Vale vleermuis komt, zeker in vergelijking met vroeger, bijna niet meer voor. De achteruitgang van de hoefijzerneuzen blijkt ook uit de afname van het aantal objecten waar ze tijdens de winter worden aangetroffen. Er zijn een aantal soorten die in verhouding veel minder voorkomen als vroeger. Dit zijn de Meervleermuis, de Ingekorven vleermuis en de Grootoorvleermuis. Er zijn slechts 2 soorten die in verhouding meer worden aangetroffen; de Franjestaart en de Watervleermuis. Het zijn twee soorten die regelmatig in spleten wegkruipen dus het is zeer waarschijnlijk dat de procentuele toename van de Franjestaart (van 4 naar 11%) te wijten is aan de gewijzigde telmethode. Voor de Watervleermuis is het verschil echter te groot en kunnen we aannemen dat deze soort inderdaad is toegenomen. Dit wordt trouwens in bijna alle Europese landen waargenomen.
82 De toestand in Vlaanderen 75 Vindplaatsen van de Grote hoefijzerneus in België Vindplaatsen van de Kleine hoefijzerneus in België Voor het overige is het zeer moeilijk om vergelijkingen te maken tussen vroeger en nu. Uit anekdotische waarnemingen en uit gesprekken met de plaatselijke bevolking kan wel worden afgeleid dat verschillende zomerkolonies verdwenen zijn, of sterk in aantal zijn afgenomen. Ter illustratie: In de jaren 30 was er in de kerk van de gemeente Wortel een kolonie Mopsvleermuizen aanwezig. Deze is reeds sinds de jaren 70 volledig verdwenen. In Houwaart bevindt zich op de kerkzolder een kleine kolonie Ingekorven vleermuizen (schatting ca. 10 dieren). Tijdens een gesprek met één van de plaatselijke bewoners bleek dat de man, die voor werken af en toe op de zolder kwam, dacht dat de kolonie verdwenen was. Hij had de laatste jaren geen vleermuizen meer gezien, waarschijnlijk door het lage aantal, maar vroeger zag hij er altijd tientallen dieren. Hij vertelde dat dit soms voor problemen zorgde omdat de dieren in de kerk vlogen en er overal uitwerpselen lagen. Op de kerkzolder van Nieuwrode (Brabant) vonden we bij een controle een dikke laag oude uitwerpselen van Laatvliegers. Op sommige plaatsen was de laag wel 5 cm dik, hetgeen erop wijst dat hier een gedurende lange tijd een kolonie gehuisvest was. De kolonie is echter volledig verdwenen, vermoedelijk ten gevolge van renovatiewerken die recent werden uitgevoerd Recente aantalsevoluties Door de Vleermuizenwerkgroep worden sinds 1970 jaarlijks tellingen uitgevoerd in verschillende winterverblijfplaatsen. Deze tellingen bieden de mogelijkheid om, voor een aantal soorten, aantalsevoluties te onderzoeken. Er worden bij de wintertellingen 12 soorten waargenomen (Opmerking: de zustersoorten die uitwendig niet van mekaar te onderscheiden zijn worden hier als 1 soort behandeld). Daarvan zijn er enkele die niet gebonden zijn aan de klassieke winterverblijfplaatsen en waarvoor de wintertellingen geen goede monitoringmethode zijn. Er blijven dus 7 soorten over waarvan we de aantalsevoluties kunnen onderzoeken.
83 De toestand in Vlaanderen 76 Bij de analyse van de gegevens worden we echter geconfronteerd met een aantal problemen die de interpretatie sterk bemoeilijken: 1. De telinspanning is niet constant: Het aantal leden van de werkgroep, en daarmee samenhangend ook het aantal getelde objecten, is sinds het begin enorm toegenomen. Vooral vanaf 1987 is er een sterke stijging in het aantal getelde objecten. Op dezelfde figuur werd het totaal aantal g e t e l d e v l e e r m u i z e n weergegeven en het is duidelijk dat de ogenschijnlijke stijging van de aantallen sterk gecorreleerd is met het aantal getelde objecten. 2. De objecten worden steeds beter en vollediger geteld. In de loop der jaren is de manier van tellen sterk veranderd. Vroeger werd nauwelijks naar vleermuizen in spleten gezocht, terwijl tegenwoordig elke telling zeer nauwgezet wordt uitgevoerd. Het gebruikte materiaal is beter geworden en de tellers hebben een betere soortenkennis. Daarnaast worden de winterverblijfplaatsen steeds beter en vollediger geteld. Zo werden rond 1987 voor het eerst de kleine afwateringsgangen geteld in de Antwerpse forten. In deze gangetjes worden veel vleermuizen gevonden waardoor de aantallen in deze periode een enorme sprong maken (figuur 5). Deze toename heeft uiteraard niets te maken met een stijging van de populatie maar is het resultaat van een beter uitgevoerde telling. Statistisch kan dit in rekening gebracht worden door nauwkeurig op te geven of een telling al dan niet volledig werd uitgevoerd. 100 IDC: Het aantal overwinterende vleermuizen in het fort van Bornem. De sprong in 1985 wordt veroorzaakt door het tellen van de watergangen.
84 De toestand in Vlaanderen Het effect van beheer in de winterverblijfplaatsen. Bij analyse van monitoringgegevens wordt door het gebruik van aangepaste statistische methodes, per object nagegaan of er een bepaalde tendens waar te nemen is en vervolgens wordt de tendens van de verschillende objecten vergeleken. Daarbij gaat men ervan uit dat de omstandigheden per object niet gewijzigd zijn in de loop van de tijd. Het probleem is dat de omstandigheden in de winterverblijfplaatsen niet constant gebleven zijn. Naast het tellen van vleermuizen heeft de Vleermuizenwerkgroep in een groot percentage van de winterverblijfplaatsen beheersmaatregelen uitgevoerd. Bijvoorbeeld het verwijderen van rommel, plaatsen van deuren, extra schuilplaatsen voorzien en het aanbrengen van een laag aarde. Dit beheer heeft tot gevolg dat de verstoring afneemt en het interne klimaat verbetert. Dit is zonder twijfel goed voor de vleermuizen maar maakt interpretatie van de gegevens niet eenvoudig. Het is immers best mogelijk dat er een soort aanzuigingseffect is van vleermuizen vanuit de minder geschikte (vaak niet getelde) objecten naar de beheerde objecten toe. Daardoor zou de indruk kunnen ontstaan dat de vleermuispopulatie stijgt terwijl er in werkelijkheid enkel een verschuiving heeft plaatsgevonden. Dit kan men in de statistische tests in rekening brengen, door voor elk object aan te geven wanneer het beschermd werd en welk beheer er werd uitgevoerd. Conclusie: Om een correcte statistische analyse mogelijk te maken is het dus nodig om voor elke winterverblijfplaats per jaar aan te geven of het volledig geteld werd, wat de graad van verstoring is en hoe het interne klimaat is. Dergelijke gedetailleerde gegevens zijn helaas niet beschikbaar voor de vele kleine objecten die geteld worden. De analyses werden daarom enkel uitgevoerd voor de forten en mergelgroeven. De aantalsevolutie werd geanalyseerd met behulp van een Mixed model regression (Glimmic macro in SAS 6.12). Dit klinkt vrij gecompliceerd. Maar in essentie komt het erop neer dat bij de analyse in eerste instantie onderzocht wordt in hoeverre de factoren verstoring, vochtigheid en tocht een invloed hebben op de aantallen. Vervolgens wordt het effect van deze factoren door het statistisch model weggefilterd zodat het mogelijk is om na te gaan of de aantallen stijgen of dalen.
85 De toestand in Vlaanderen 78 Resultaten: De Baard/Brandt s vleermuis Aantalsevolutie: Uit de analyse blijkt dat zowel in de mergelgroeven als in de forten de Baard/Brandt s vleermuis in aantal is toegenomen. De stijging is meer uitgesproken in de mergelgroeven. De populatie neemt in aantal toe Verstoring: Enkel in de forten is er een aanwijzing dat verstoring belangrijk is. In rustige forten nemen de aantallen sneller toe dan in forten waar veel verstoring is. Vochtigheid: In vochtige verblijfplaatsen neemt het aantal Baard/Brandt s vleermuizen sneller toe dan in droge objecten. Dit is zowel in de mergelgroeven als in de forten het geval. Tocht: Deze factor is voor de Baard/Brandt s vleermuis van weinig belang. Naar bescherming toe is vooral het klimaat belangrijk en in mindere mate (vooral in de forten ) verstoring. De Baard/Brandt s vleermuis komt regelmatig voor in koudere zones, vaak dicht tegen de ingang en het is dan ook logisch dat tocht niet belangrijk is Mergelgroeven Forten
86 De toestand in Vlaanderen 79 De Watervleermuis Aantalsevolutie: De Watervleermuis neemt zowel in de mergelgroeven als in de forten in aantal toe. De populatie stijgt Verstoring: is zeer belangrijk in de forten, maar niet in de mergelgroeven. In rustige forten stijgen de aantallen veel sneller dan in verstoorde forten. Vochtigheid: zowel in de forten als in de mergelgroeven is deze factor zeer belangrijk. In vochtige objecten nemen de aantallen sneller toe. Tocht: Tocht heeft zowel in de mergelgroeven als in de forten geen invloed. Naar bescherming toe zijn verstoring en vochtigheid de belangrijkste factoren Mergelgroeven Forten
87 De toestand in Vlaanderen 80 De Franjestaart Aantalsevolutie: Zowel in de mergelgroeven als in de forten is er een toename van de aantallen. De populatie stijgt Verstoring: in forten en mergelgroeven waar verstoring is, nemen de aantallen minder snel toe. Vochtigheid: De vochtigheid speelt geen rol Tocht: In de forten is tocht een belangrijke parameter, maar in de mergelgroeven niet. Eigenaardig genoeg stijgen de aantallen sneller in tochtige forten. Voor de Franjestaart speelt vooral verstoring een belangrijke rol Mergelgroeven Forten
88 De toestand in Vlaanderen 81 De Ingekorven vleermuis Aantalsevolutie: Zowel in de mergelgroeven als in de forten is er een toename van de aantallen. De populatie stijgt Verstoring: in de mergelgroeven nemen de aantallen enkel toe in afgesloten groeven, maar door de kleine aantallen is het effect van verstoring niet statistisch aan te tonen. In de forten is het een uiterst belangrijke factor. De Ingekorven vleermuis komt enkel voor in afgesloten, niet verstoorde objecten. Vochtigheid: De vochtigheid speelt geen rol Tocht: Tocht is in de onderzochte groeven niet belangrijk. Verstoring is ongetwijfeld de belangrijkste parameter. Temperatuur, waar in deze analyse geen rekening mee wordt gehouden, is voor de Ingekorven vleermuis eveneens zeer belangrijk. Ze prefereren warme plaatsen (6-9 C) Mergelgroeven Forten
89 De toestand in Vlaanderen 82 De Meervleermuis Aantalsevolutie: Enkel in het Fort van Steendorp en de Mergelgroeve Lacroixberg is een significante, maar zeer lichte stijging van de aantallen. In ander winterverblijfplaatsen zijn de aantallen zeer laag en is er ook geen enkele tendens waar te nemen. Globaal gezien is er geen duidelijke stijging van de populatie. De populatie in Vlaanderen lijkt stabiel te zijn of zeer lichtjes te stijgen. Verstoring: Vochtigheid: } Door de lage aantallen is geen effect aantoonbaar Tocht: Hoewel niet aantoonbaar in deze analyse is het waarschijnlijk dat verstoring een belangrijke rol speelt. De enige plaatsen waar de soort een lichte stijging vertoont zijn allebei afgesloten voor verstoring Mergelgroeven Forten
90 De toestand in Vlaanderen 83 De Grootoor (Grijze- en Gewone grootoor samen) Aantalsevolutie: In de mergelgroeven is geen aantalsverandering merkbaar. In de forten nemen de aantallen lichtjes toe, maar enkel significant in 3 forten. De Grootoorvleermuis is niet strikt gebonden aan de klassieke winterverblijfplaatsen, maar overwintert ook in bomen en op andere plaatsen. Op de figuren is ook duidelijk te zien dat het aantal vleermuizen sterk schommelt van jaar tot jaar. Het is best mogelijk dat daardoor geen goed beeld verkregen wordt van de aantalsevolutie. Toch zouden we kunnen verwachten dat als de populatie stijgt ook het aantal Grootoren in de grote objecten zou toenemen. Er is geen duidelijke stijging van de populatie merkbaar. Verstoring: Verstoring speelt zowel in de mergelgroeven als in de forten een rol. In verstoorde objecten worden minder vleermuizen aangetroffen. Vochtigheid: Heeft geen effect op de aantallen Tocht: Heeft geen effect op de aantallen Ondanks het feit dat de Grootoor vaak in zeer open, onbeschutte plaatsen wordt aangetroffen, is er blijkbaar toch ook voor deze soort een negatief effect van verstoring. Het interne klimaat speelt voor deze soort een minder belangrijke rol Mergelgroeven Forten
91 De toestand in Vlaanderen Algemene conclusie Sinds de jaren zijn er een aantal soorten volledig of bijna volledig verdwenen: - Kleine hoefijzerneus - Grote hoefijzerneus - Vale vleermuis - Mopsvleermuis Een aantal soorten zijn duidelijk achteruitgegaan (Meervleermuis en Ingekorven vleermuis) en voor de andere soorten kunnen we eveneens veronderstellen dat de aantallen gedaald zijn ten opzichte van het midden van deze eeuw. Sinds 1980 is er, voor de soorten die ondertussen niet verdwenen zijn en waar genoeg gegevens voor beschikbaar zijn, een lichte stijging merkbaar. Voor een groot deel van de inheemse soorten (o.a. Laatvlieger, Rosse vleermuis, Bosvleermuis,...) zijn er geen gegevens beschikbaar om na te gaan hoe de aantallen evolueren. Naar de toekomst toe zouden er daarom, naast de wintertellingen, ook nog andere vormen van monitoring moeten worden uitgevoerd (zie verder). Voorlopig moeten we ervan uitgaan dat de aantalsstijging bij de geanalyseerde soorten representatief is voor de ganse vleermuispopulatie. Ondanks deze stijging is er voorlopig geen reden om te juichen. De aantallen zijn nog steeds bedroevend laag en de populaties zijn nog steeds zeer kwetsbaar. Een duidelijke verklaring voor deze algemene stijging is er niet. Aangezien het gaat om een algemeen verschijnsel dat voorkomt bij soorten met uiteenlopende jachttechnieken en uiteenlopende types van verblijfplaatsen kunnen we ervan uitgaan dat het gaat om een factor die voor alle vleermuizen werkzaam is. In dat licht zijn er, ons inziens, twee mogelijke factoren: het beheer en de bescherming van winterverblijfplaatsen. het verminderd gebruik van zeer toxische pesticiden zoals DDT en Lindaan. Een gelijkaardig herstel van de populaties is ook waarneembaar bij roofvogels. Deze verklaringen zijn echter zeer speculatief en moeten verder onderzocht worden. In dit kader is het belangrijk om, via monitoring, na te gaan hoe andere soorten, die geen gebruik maken van de klassieke winterverblijfplaatsen evolueren.
92 De toestand in Vlaanderen Monitoring 2.1. Algemeen INLEIDING Het behoud van biodiversiteit is mondiaal een belangrijk thema geworden (Rio-conferentie, 1992) en behoort ook tot de doelstellingen van de Vlaamse regering (Mina plan 2). Om na te gaan hoe de natuurwaarden evolueren, is het noodzakelijk om op een uniforme en continue wijze de toestand van de natuur op te volgen. Sinds enkele jaren is het woord monitoring een soort mode-woord geworden dat te pas en te onpas gebruikt wordt. Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen inventarisatie en monitoring. Bij een inventarisatie wordt onderzocht welke diersoorten voorkomen in een bepaald gebied. Bij monitoring daarentegen, is het de bedoeling om door middel van regelmatig uitgevoerde tellingen de evolutie van een populatie in de tijd te onderzoeken. Het is hier niet nodig om steeds een volledige inventarisatie te maken, maar het is wel belangrijk dat op geregelde tijdstippen en op een consistente manier een telling wordt uitgevoerd. Monitoring geeft geen uitsluitsel over de absolute aantallen van een populatie maar biedt wel de mogelijkheid om een relatieve vergelijking te maken tussen gebieden over verschillende jaren. In de praktijk betekent dit meestal dat op geregelde tijdstippen een telling wordt uitgevoerd volgens een standaard-procedure. Zowel om continuiteit te verzekeren, als om fouten te vermijden moet een monitoringconcept zo eenvoudig mogelijk gehouden worden. In dat kader is het aangewezen de methodiek zoveel mogelijk op een brede (Europese, internationale) standaard af te stellen. Monitoring kan op verschillende niveau s worden gebruikt. In de meeste gevallen gaat het om een studie op grote schaal (landelijk of gewestelijk) waar wordt nagegaan of een soort achteruit of vooruit gaat. Hiervoor wordt gewerkt met een uitgebreid netwerk van vaste monitoringspunten, verspreid over de volledige regio. Er wordt meestal slechts 1 of enkele keren per jaar geteld. Monitoring kan ook op plaatselijk niveau worden gebruikt om het effect van lokale factoren te testen. Bijvoorbeeld om na te gaan wat de invloed is van een ruilverkaveling of van een bepaalde beheersingreep. De afstand tussen de telpunten is dan veel kleiner en de telfrequentie is veel hoger. De gebruikte methodes verschillen echter niet KEUZE VAN MONITORINGMETHODE Systematische schattingen Bij monitoring moet men er zich van bewust zijn dat bij elke telling slechts een gedeelte van de aanwezige dieren wordt waargenomen. Dit vormt geen probleem op voorwaarde dat alle tellingen op een gelijkaardige manier worden uitgevoerd en een consistente schatting van de populatie geven. Dit heeft o.a. tot gevolg dat men tijdens een monitoringproject niet van
93 De toestand in Vlaanderen 86 werkwijze kan veranderen of betere materialen gaan gebruiken. Dit beïnvloedt immers de resultaten van de telling waardoor men kan denken dat de populatie toeneemt terwijl ze in realiteit gelijk blijft of afneemt. De keuze van de methode is daarom zeer belangrijk en moet goed overdacht worden alvorens met monitoring te starten. Dit mag niet als argument gebruikt worden om star vast te houden aan een bepaalde methodiek. Men moet de oorspronkelijke werkwijze durven aanpassen als blijkt dat de methode niet voldoet, of om af te stemmen op een breder kader. Volgehouden inspanning - rol van vrijwilligers Monitoring houdt in dat een telling meerdere malen wordt uitgevoerd. De frequentie van monitoring is sterk afhankelijk van de populatiedynamiek van de beoogde soort en van de omgevingsdynamiek. Bovendien moeten voldoende tellingen, verspreid over de ganse regio, worden uitgevoerd om een statistische analyse uit te kunnen voeren. Hiervoor moet men kunnen beschikken over een groep gemotiveerde mensen, die bereid zijn om de tellingen gedurende meerdere jaren uit te voeren. Algemeen kan gesteld worden dat het eenvoudiger is voldoende mensen aan te trekken als het gaat om een eenvoudige methode die weinig voorkennis vereist en die kan uitgevoerd worden zonder specifieke benodigdheden. Voldoende medewerkers motiveren wordt moeilijker als een grote voorkennis of speciaal materiaal nodig is. Voor monitoring wordt veelal een beroep gedaan op vrijwilligers omdat het nagenoeg de enige manier is om een uitgebreid netwerk uit te bouwen. Het is evenwel niet altijd eenvoudig voldoende mensen te vinden. Men moet er van bij de aanvang van een project dan ook voldoende rekening mee houden, dat het belangrijk is de mensen voldoende bij het project te betrekken, o.a. door regelmatig tussentijdse resultaten bekend te maken. Het is voor vrijwilligers ook belangrijk dat ze tijdens monitoring ook voldoende waarnemingen kunnen verrichten. Wanneer weinig of geen dieren worden waargenomen, haakt men snel af. Een belangrijk aspect voor het slagen van een monitoringproject, is een goede ondersteuning vanuit een professionele organisatie die kan instaan voor het uitwerken van de methodiek, de verwerking en opvolging van de gegevens. Bovendien is het zeer belangrijk dat de nodige continuïteit van de begeleiding gegarandeerd is. Monitoring wordt immers pas interessant als het over meerdere jaren wordt volgehouden. Ter illustratie, in Groot-Brittannië werken in het kader van een nationaal monitoring project rond vleermuizen 2 biologen full-time aan de opzet, begeleiding en verwerking van de gegevens. In Nederland verloopt de monitoring via de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek. In Vlaanderen lijkt het aangewezen dat het Instituut voor Natuurbehoud, dat over de nodige logistiek en geschoold personeel beschikt, de coördinatie van monitoring op zich neemt, in nauwe samenwerking met de vleermuizenwerkgroep en andere natuurverenigingen. Monitoring is vaak tijdrovend, weinig afwisselend en vereist de nodige kennis en specifieke materialen. Wil men kunnen rekenen op blijvende medewerking van vrijwilligers dan moet men bereid zijn de nodige financiële tegemoetkomingen te maken. Dit kan door middel van een forfaitair bedrag of door terugbetaling van vervoersonkosten en aankoop van materiaal.
94 De toestand in Vlaanderen 87 Monitoring en statistiek Interpretatie van monitoringgegevens is niet eenvoudig en moet met de nodige voorzichtigheid worden uitgevoerd, waarbij men rekening moet houden met trefkans, sensitiveit van de methodiek voor verschillende soorten, enz. Uitwerking van een monitoringschema en verwerking van de gegevens moet dan ook worden uitgevoerd door, of in nauw overleg met, een statisticus. Het is niet de bedoeling om in deze tekst in te gaan op deze zeer specifieke problematiek, maar om aan te geven hoe belangrijk het kan zijn, wordt onderstaand voorbeeld gegeven. In Noord-Amerika worden reeds sinds 1966 broedvogels gemonitord door het tellen van zangposten langsheen vaste trajecten. In het kader van dit project werd een enorm aantal gegevens verzameld, die zeer grondig geanalyseerd werden. Het project wordt dan ook vaak gebruikt als voorbeeld voor andere monitoringschema s. Ter illustratie fig. 1a, waar het populatieverloop van de huismus op 1 transect wordt getoond. Deze gegevens tonen een scherpe terugval van de aantallen in de jaren 70, gevolgd door een geleidelijke stijging (begin van de jaren 80) en tenslotte een stabilisatie. Door Link en Sauer (1998) werden de gegevens nogmaals kritisch geanalyseerd en ze hielden daarbij rekening met het feit dat de transecten in de loop van de tijd door verschillende mensen werd geteld. In fig. 1b worden dezelfde gegevens uitgezet, nu rekening houdend met het feit dat 3 personen de gegevens verzamelden. Het is duidelijk dat de grote aantalsverschuivingen gerelateerd zijn met verschillen tussen de waarnemers. Wanneer hiermee rekening wordt gehouden dan blijkt de populatie van de huismus zeer stabiel te zijn. Aantalsverloop van de huismus, zonder (boven) en met (onder) correctie voor waarnemer. Naar Link & Sauer, Monitoring van vleermuizen Vleermuizen zijn, door hun nachtelijke levenswijze, niet gemakkelijk waarneembaar. Daarnaast hebben de verschillende vleermuissoorten een uiteenlopende levenswijze, zijn ze erg mobiel en verhuizen ze regelmatig in de loop van de seizoenen. Monitoring is dan ook niet vanzelfsprekend en moet op een weloverwogen manier gebeuren.
95 De toestand in Vlaanderen 88 Voor monitoring van vleermuizen zijn er 3 methodes bruikbaar: Tellingen van zomerkolonies Wintertellingen Tellingen van foeragerende vleermuizen Niet elke methode is geschikt om alle vleermuissoorten te volgen. De vereiste kennis, benodigde materialen en inspanning verschillen sterk en elke methode heeft zijn voor- en nadelen. Bij de keuze van de methodes die gebruikt worden moet men van bij het begin zeer duidelijk bepalen wat de exacte vraagstelling is, welke soorten men hierbij gaat volgen, enz. Het is niet noodzakelijk om alle vleermuissoorten te volgen en men kan zich beperken tot een aantal soorten die men als representatief beschouwt voor de ganse vleermuispopulatie TELLEN VAN ZOMERKOLONIES Algemeen principe: Er wordt een schatting gemaakt van de zomerpopulatie door vleermuizen in de (kraam)kolonies te tellen. Het aantal jongen kan sterk wisselen van jaar tot jaar en om deze variatie te vermijden worden de tellingen uitgevoerd voor de geboorte van de jongen. De telling kan op verschillende manieren worden uitgevoerd, o.a. door de dieren in de verblijfplaats te tellen. Deze methode is echter onbetrouwbaar en sterk verstorend voor de dieren. Een betere, en algemeen gebruikte methode is het tellen van uitvliegende dieren. Dit vereist in eerste instantie dat alle uitvliegopeningen gekend zijn. Hiervoor is het vaak nodig om met meerdere personen rond de kolonieplaats op uitkijk te staan. Eens alle openingen gekend zijn kan men aanvangen met de echte tellingen. Aan elke uitvliegopening stelt zich iemand op die het aantal dieren telt en de uitvliegtijden noteert. De telling gebeurt op basis van zichtwaarnemingen, al kan een bat-detector gebruikt worden als hulp. Voor grote kolonies kan men het werk vereenvoudigen met een klik-teller, een toestelletje dat vaak gebruikt wordt bij tellingen van vogels. Soorten: Deze methode is bij uitstek geschikt voor gebouwbewonende soorten die weinig verhuizen. Voor de dwergvleermuis, die regelmatig verhuist in de loop van het jaar, is deze methode enkel geschikt als voldoende kolonieplaatsen worden geteld. Voor boombewonende vleermuizen is deze techniek niet geschikt, aangezien zij zeer frequent verhuizen. Timing: De tellingen moeten uitgevoerd worden in het begin van de zomer, vooraleer de jongen geboren worden. De optimale periode ligt tussen 1 juni en 15 juli. Benodigdheden en vereiste kennis: Het is een eenvoudige methode waar men in principe geen materiaal voor nodig heeft, eventueel een zaklamp met rode filter en een bat-detector. Ook de vereiste kennis is gering, eens men heeft vastgesteld over welke vleermuissoort het gaat. Voor gemengde kolonies (met meerdere soorten) is wel een goede soortenkennis vereist. In het buitenland heeft men zeer positieve ervaringen met het inschakelen van de eigenaars van het gebouw waar de vleermuizen verblijven. Als men de eigenaar van een kolonie kan motiveren mee te werken, heeft dat een groot aantal voordelen. Enerzijds voelt de persoon in kwestie zich op deze manier dikwijls meer betrokken bij de vleermuizen en ziet hij ze niet enkel als lastige medebewoners. Anderzijds zijn er ook een aantal organisatorische voordelen
96 De toestand in Vlaanderen 89 zoals de geringe verplaatsing, de teller is steeds aanwezig en kan de kolonie van zeer nabij volgen. Nadeel van deze methode is dat de mensen minder gepassioneerd zijn en na enige jaren afhaken. Dit kan verholpen worden door de mensen bij het project te betrekken, o.a. door het uitbrengen van een jaarlijkse nieuwsbrief met de resultaten van de tellingen. Mogelijke problemen en nadelen De kwaliteit van de telling wordt in hoge mate bepaald door de zichtbaarheid van de uitvliegende dieren. Dit kan problematisch zijn bij soorten die laat uitvliegen, als de vleermuizen voor de opening blijven zwermen of als de uitvliegopening slecht zichtbaar is. Eventueel kan men gebruik maken van een zaklamp met een rode filter. Vleermuizen worden door het rode licht niet verstoord. Een bat-detector kan ook nuttig zijn omdat de waarnemer gewaarschuwd wordt dat er een dier op komst is, maar accuraat tellen enkel met de bat-detector is niet mogelijk. Tegelijk vleermuizen tellen en noteren geeft snel aanleiding tot fouten. Het is daarom beter om per uitvliegopening met 2 personen te zijn. Dit geldt trouwens voor de meeste monitoringtechnieken. De ervaringen in de buurlanden leren dat vooral grote kolonies geteld worden. Het gevaar is niet denkbeeldig dat hierdoor een foutief beeld verkregen wordt. De aantallen in de grote kolonies kunnen stabiel blijven, terwijl in kleine kolonies de aantallen dalen of deze kolonies zelfs verdwijnen. Het kan ook andersom dat het aantal kleine kolonies toeneemt terwijl de aantallen in de grote kolonie gelijk blijven. Het aantal vleermuizen in één kolonieplaats kan wijzigen in de loop van het seizoen doordat een deel van de groep naar een andere plaats verhuist. Sommige kolonies verhuizen zeer regelmatig waardoor de tellingen een onduidelijk patroon vertonen. Interpretatie van de gegevens is dan enkel mogelijk als voldoende kolonies geteld worden over een voldoende lange periode WINTERTELLINGEN Het principe en de problemen van wintertellingen worden hier besproken. Bij de bespreking van de wintertellingen in Vlaanderen werd hier reeds op ingegaan. Algemeen principe: Tijdens de winter vinden we grote concentraties vleermuizen in forten, mergelgroeven en kelders. De dieren vertoeven in winterslaap en kunnen dan geteld worden. Deze vorm van monitoring wordt in Vlaanderen reeds sinds de jaren 80 op grote schaal uitgevoerd door de leden van de vleermuizenwerkgroep. Soorten: Deze methode is vooral bruikbaar voor vleermuizen van de geslachten Myotis en Rhinolophus (tabel). Benodigdheden en vereiste kennis: Voor de wintertellingen moet men niet over bijzonder materiaal beschikken, een goede lamp en laarzen volstaan meestal. Er is echter wel een zeer goede kennis vereist voor het herkennen van de soorten., temeer omdat de soorten die worden aangetroffen dikwijls nauw verwant zijn en sterk op elkaar gelijken. Ook het opsporen van de vleermuizen vereist enige ervaring.
97 De toestand in Vlaanderen 90 Timing: Onder invloed van het weer kunnen de aantallen en de soortendiversiteit gedurende de winter behoorlijk variëren. Franjestaarten nemen bijvoorbeeld sterk in aantal toe na een vorstperiode. Om de invloed van weersomstandigheden te minimaliseren, is het aangewezen al de tellingen rond dezelfde datum uit te voeren. Om een idee te krijgen van de variatie op jaarbasis wordt elk object best 2 x geteld; een eerste maal tussen 15 december en 15 januari en een tweede maal tussen 15 januari en 15 februari. Mogelijke problemen en nadelen De resultaten van de wintertellingen worden door verschillende factoren sterk beïnvloed. Het is daarom niet eenvoudig om de resultaten te interpreteren. De vleermuizen kruipen weg op verborgen plaatsen. Het aantal getelde vleermuizen hangt daardoor af van de ervaring van de teller en zijn kennis van de overwinteringsplaats. Het aantal vleermuizen in de winterverblijfplaatsen schommelt onder invloed van het weer. Deze variatie kan verminderd worden door meerdere tellingen uit te voeren. Elke telling betekent echter ook verstoring en daarom wordt gekozen om slechts 2 tellingen per jaar uit te voeren TELLINGEN VAN FOERAGERENDE VLEERMUIZEN Foeragerende vleermuizen gebruiken ultrasone geluiden die met een bat-detector waargenomen kunnen worden. Bovendien is het mogelijk met de bat-detector een deel van de soorten te determineren aan de hand van soortspecifieke geluiden. Dit principe wordt algemeen toegepast voor de inventarisatie van vleermuizen maar kan natuurlijk ook toegepast worden voor monitoring. De meest gebruikte methodes zijn punttellingen en transecttellingen of een combinatie van beide. Het algemeen principe is eenvoudig maar er worden verschillende varianten toegepast. Daarom wordt eerst een algemene bespreking gegeven, gevolgd door een aantal praktische voorbeelden zoals toegepast in onze buurlanden. Algemeen principe: Punttellingen: op een aantal vaste punten wordt gedurende een aantal minuten naar de aanwezigheid van vleermuizen geluisterd met een bat-detector op een vaste frequentie. Transecttellingen: er wordt een vaste route gewandeld (eveneens met de bat-detector op een vaste frequentie) en telkens er een vleermuis passeert wordt de waarneming op een plannetje aangeduid. Vaak werkt men met een combinatie van de twee bovenstaande technieken, de punt/transecttelling: hier legt men een bepaald parcours af met onderweg een aantal vaste stopplaatsen. Bij de drie methodes is het belangrijk dat bij herhalingen elke maal hetzelfde traject wordt gevolgd en dat op dezelfde plaatsen wordt gestopt.
98 De toestand in Vlaanderen 91 Hoewel het principe eenvoudig is, vinden we in alle landen een licht verschillende werkwijze. Zo variëren: de lengte van het traject de wachttijd op de stopplaatsen de manier waarop een traject wordt uitgestippeld (willekeurig of volgens bepaalde patronen/ in diverse habitats of steeds in hetzelfde habitat) de afstand tussen de stopplaatsen (random of op vaste afstanden) de frequentie waarop de bat-detector wordt afgesteld het aantal tellingen per jaar Daarom werd, in het kader van het Bat-agreement, besloten om een Europees monitoring protocol uit te werken. Zij volgen in hoofdzaak de methodes van het Britse monitoring project. Het habitat waar de tellingen worden uitgevoerd, hangt sterk af van de soort. Als men meerdere soorten, die in verschillende habitats voorkomen, tegelijk wenst te volgen dan moeten de verschillende habitats in gelijke verhoudingen voorkomen in de transecten. Bij monitoring is het in eerste instantie de bedoeling om aantalsevoluties in de tijd waar te nemen. Dit is ook het geval bij punt/transecttellingen maar tegelijk kan men er iets uit leren wat het habitatgebruik betreft. Dit moet duidelijk gezien worden als een, interessante, nevendoelstelling. Daarvoor is het nodig om het habitat langsheen het transect of rond de stopplaatsen te karakteriseren (extra werk!). Deze gegevens kan men bekomen door enerzijds de teller zelf een aantal habitat-karakteristieken te laten noteren of anderzijds door gebruik te maken van kaarten en/of luchtfoto's. De eerste werkwijze is vanzelfsprekend minder arbeidsintensief maar ook minder accuraat en vooral zeer onderhevig aan persoonlijke indrukken. Gebruik van kaarten is exacter. Om tot gefundeerde uitspraken te komen is het belangrijk om van bij het begin te kiezen voor een gestratificeerde verdeling van de telpunten over verschillende habitats. Soorten: Deze methode is bruikbaar voor een groot deel van de soorten. Het grote probleem hierbij vormt echter de determinatie. Bijvoorbeeld de soorten van het genus Myotis zijn met een gewone bat-detector bijna niet van elkaar te onderscheiden. Sommige soorten zoals de Bechsteins vleermuis, Franjestaart, Grootoor en Ingekorven vleermuis worden slechts sporadisch waargenomen omdat ze een zwakke sonar hebben. Voor een aantal soorten, specifiek de boombewonende soorten, zoals de Rosse vleermuis en de Bosvleermuis is het de enige bruikbare monitoringmethode. Het is ook belangrijk om te beseffen dat niet alle soorten tegelijk waargenomen kunnen worden. Als de bat-detector op 40 khz wordt afgesteld kan men de meeste soorten horen maar bijvoorbeeld de Rosse vleermuis en de Bosvleermuis worden gemist. Voor deze soorten moet men luisteren op 20 khz. Hier moet men dus bij het uitwerken van de methodiek een duidelijke keuze maken. Benodigdheden en vereiste kennis: Zoals hoger reeds is gebleken moet men voor punt/transecttellingen beschikken over een batdetector. Het betreft een gewoon heterodyne model waarvan er verschillende in de handel beschikbaar zijn. De kostprijs (ca 7000 Bef) kan voor veel vrijwilligers een struikelsteen vormen. In Nederland werden in het kader van het Vleermuis-atlas project bat-detectors
99 De toestand in Vlaanderen 92 aangekocht en uitgeleend aan deelnemers van het project in ruil voor de gegevens die ze leverden. Daarnaast moet men de verschillende vleermuissoorten van elkaar kunnen onderscheiden. Toch heerst vaak de misvatting dat deze methode enkel is weggelegd voor specialisten. Uitgezonderd de soorten van het genus Myotis zijn de meeste soorten, na enige oefening gemakkelijk te onderscheiden. Dit probleem kan men ook vermijden door de determinatie te beperken tot op genus niveau (genera: Eptesicus, Pipistrellus, Plecotus, Myotis en Nyctalus). Determinatie van deze groepen kan men gemakkelijk aanleren in 1 à 2 lessen. Bij het opstarten van monitoring moet men wel terdege rekening houden met de opleiding van vrijwilligers en hiervoor het nodige personeel en materiaal voorzien. Mogelijke problemen en nadelen: De methodiek van punt/transecttellingen is niet eenvoudig, maar moet toch strikt gevolgd worden om een zinvolle interpretatie van de gegevens mogelijk te maken. In een groot gedeelte van ons land is de trefkans voor vleermuizen klein zodat op de meeste punten en/of transecten slechts een zeer beperkt aantal (soorten) vleermuizen wordt waargenomen. De combinatie van deze factoren maakt dat weinig vrijwilligers bereid zijn om dergelijke monitoring uit te voeren. Tegelijk vormen de lage aantallen ook statistisch een probleem dat enkel oplosbaar is wanneer voldoende transecten/punttellingen worden uitgevoerd. Omdat de opzet van punt/transecttellingen niet eenvoudig is worden enkele voorbeelden uit Nederland en Groot-Brittannië besproken. Dit zijn de koplopers wat monitoring betreft en hun werkwijze wordt vaak als voorbeeld aangenomen. A. Punt/transecttellingen in Groot-Brittannië (aanzien als de Europese standaard) In Groot-Brittannië heeft men geopteerd om slechts een beperkt aantal soorten te monitoren door middel van punt/transecttellingen. Om de werkwijze nog verder te vereenvoudigen, en gemakkelijker toegankelijk te maken voor vrijwilligers, werden twee monitorings-systemen uitgewerkt. Systeem 1 Doelsoorten: Watervleermuis Werkwijze: Een traject van 1 km met 10 stopplaatsen wordt afgelegd langs een rivier of kanaal. Met behulp van bat-detector en zaklamp wordt de aanwezigheid van watervleermuizen opgespoord. De telling wordt 2 X per jaar uitgevoerd, een eerste maal tussen 26 juli en 4 augustus en een tweede maal tussen 5 augustus en 14 augustus. Resultaten en bemerkingen: Zeer veel vrijwilligers werken mee aan dit project, in totaal werden 505 transecten geteld door 304 vrijwilligers (1998). De resultaten van de tellingen worden gekoppeld aan gegevens in verband met rivierpatroon, rivierbreedte, enz. Een dergelijke telling zou in Vlaanderen uitgebreid kunnen worden met de Meervleermuis. Een soort die eveneens boven water foerageert maar die in Groot-Brittannië niet voorkomt.
100 De toestand in Vlaanderen 93 Systeem 2 Doelsoorten: Gewone dwergvleermuis (45 en 55 khz fonotypes), Laatvlieger en Rosse vleermuis Werkwijze: In een random gekozen km-hok wordt een route uitgestippeld met daarop een aantal stopplaatsen. Op de transecten tussen de stopplaatsen wordt de detector op 25 khz ingesteld voor de waarneming van Laatvlieger en Rosse vleermuis. Op de telpunten wordt naar khz getuned voor de dwergvleermuis. De route wordt 2 X per jaar afgelegd, een eerste maal tussen 24 juni en 25 juli en een tweede maal tussen 15 augustus en 31 september. Resultaten en bemerkingen: Uit een voorlopige analyse blijkt dat de waargenomen aantallen sterk verschillen tussen begin en eind juli. Men is daarom gestart met een pilootproject waar elk transect 8 X wordt geteld, teneinde de optimale periode voor tellingen vast te stellen. Opmerking: In Vlaanderen werd tot nu toe nog maar weinig aandacht besteed aan het voorkomen van de twee dwergvleermuis-soorten met de respectievelijke fonotypes 45 en 55 khz (Pipistrellus pipistrellus en Pipistrellus pygmaeus). Het lijkt erop dat slechts 1 van de 2 hier voorkomt. In Vlaanderen kan dit systeem eventueel uitgebreid worden met de Ruige dwergvleermuis, die in Groot-Brittannië zeer zeldzaam is en daarom niet in deze monitoring werd opgenomen. B. Punt/transecttellingen in Nederland Systeem 1 Doelsoorten: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Laatvlieger, Rosse Vleermuis, Bosvleermuis, Watervleermuis, Baard/Brandt s vleermuis, Grootoor vleermuis. Werkwijze: Oorspronkelijk was de opzet een transect van 5 km met 20 telpunten. De batdetector werd afgesteld op 42 khz. Er werd elke maand geteld tussen april en september (totaal 6 X). In 1997 werd er een aantal wijzigingen doorgevoerd. De telfrequentie werd herleid tot 3 X, nl. in mei, juni of juli (naar keuze) en augustus. Verder was het enkel nog nodig om punttellingen uit te voeren. Resultaten en bemerkingen: Waarschijnlijk door de uitgebreide groep doelsoorten en de hoge telfrequentie heeft het project van het begin weinig belangstelling gekend (maximum 12 vrijwilligers). Het project is na 10 jaar dan ook stopgezet. Desondanks waren de resultaten zeer bemoedigend. Systeem 2 Doelsoorten: Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis en Rosse vleermuis. Werkwijze: Het betreft hier eigenlijk geen telling van foeragerende vleermuizen, maar er wordt gezocht naar territoriale mannetjes. Die trachten met typische baltsroepen zoveel mogelijk vrouwtjes naar hun paarplaats te lokken. Er wordt gewerkt met een transect van
101 De toestand in Vlaanderen 94 minstens 2.5 km zonder stopplaatsen. De bat-detector wordt ingesteld op khz. De route moet 4 tot 6X herhaald worden in de periode tussen 15 augustus en 30 september. Resultaten en bemerkingen: Hier geldt hetzelfde probleem als bij de gewone punt/transecttellingen, nl. er waren zeer weinig vrijwilligers die meewerkten. Ook deze methode wordt niet meer gebruikt, ondanks de positieve resultaten Monitoring op Europese schaal In het kader van het Bat-agreement werd besloten om monitoring op Europese schaal te standaardiseren. Er werden tevens een aantal soorten aangeduid als Europese aandachtssoorten voor monitoring. Het betreft: Myotis myotis, Vale vleermuis Myotis blythii, Klein vale vleermuis Rhinolophus hipposideros, Grote hoefijzerneus Myotis bechsteinii, Bechsteins vleermuis Myotis cappaccinii, Cappaccini s vleermuis Eptesicus nilssonii, Noordse vleermuis Eptesicus serotinus, Laatvlieger Miniopterus schreibersii, Schreiber s vleermuis Nyctalus noctula, Rosse vleermuis Daarvan komen er maar 2 in voldoende aantallen voor in Vlaanderen (vetgedrukt). Als Europese standaardmethodiek wordt de methodiek overgenomen van het Britse monitoring project Vleermuismonitoring in Vlaanderen Om een monitoringssysteem voor Vlaanderen uit te werken, is het van belang voor elke vleermuissoort na te gaan: welke methode bruikbaar is of die methode ook in Vlaanderen een goede schatting geeft van de populatie Ter illustratie: tellen van uitvliegers is een geschikte methode voor zowel de Laatvlieger als de Vale vleermuis. Van de eerste soort zijn er in Vlaanderen voldoende kolonieplaatsen gekend zodat monitoring mogelijk is, terwijl van de Vale vleermuis helemaal geen zomerkolonies gekend zijn en de methode dus niet toepasbaar is. Een ander aspect dat niet over het hoofd mag worden gezien is of er voldoende vrijwilligers zijn die willen meewerken. In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de bruikbare methodes voor elke soort (- : niet bruikbaar; ± : bruikbaar maar niet optimaal; ++ : geschikte methode) en door middel van kleur of de methode ook in Vlaanderen toepasbaar is (rood/wit: niet toepasbaar; oranje: toepasbaar maar niet optimaal; groen: toepasbaar).
102 De toestand in Vlaanderen 95 Uit de tabel blijkt dat enkel voor de Mopsvleermuis en de Bosvleermuis geen enkele optimale methode beschikbaar is. Voor al de andere soorten, is monitoring mogelijk. In ieder geval is ook duidelijk dat een combinatie van twee of drie methodes aangewezen is om een goed idee te verkrijgen van de Vlaamse vleermuispopulatie. Tellen van uitvliegers Wintertellingen Punt/transect-tellingen Gewone dwergvleermuis - Ruige dwergvleermuis - - Laatvlieger - Rosse vleermuis - - Bosvleermuis - - ± Baardvleermuis - - Bechsteins vleermuis - - Brandt s vleermuis - - Franjestaart - - Ingekorven vleermuis - Meervleermuis Vale vleermuis ± Watervleermuis - (Gewone) grootoor ± - Grijze grootoor ± - Mopsvleermuis ± ± - Grote hoefijzerneus - Kleine hoefijzerneus - De wintertellingen geven informatie over een groot deel van de inheemse soorten, voornamelijk over de geslachten Myotis en Rhinolophus. Deze tellingen worden reeds jaren uitgevoerd door de vleermuizen-werkgroep (een grondige analyse van deze gegevens in paragraaf 3.2). Deze vorm van monitoring moet in de toekomst dan ook zonder twijfel behouden blijven. Het tellen van uitvliegers, zoals hoger reeds gesteld een eenvoudige methode, is zeer goed bruikbaar voor Gewone dwergvleermuis, Laatvlieger, Gewone- en Grijze grootoor en in minder mate ook voor de Ingekorven vleermuis. Bij de Dwergvleermuis, waar een hoge variatie in de aantallen te verwachten is omdat de kolonies regelmatig verhuizen, moet wel de opmerking gemaakt worden dat een zinvolle verwerking pas mogelijk wordt als een groot aantal kolonies jaarlijks wordt geteld. Voor Vlaanderen lijkt het daarom zinvol om deze tellingen te beperken tot de Laatvlieger en de 2 grootoorsoorten. Van deze soorten zijn in Vlaanderen voldoende kolonies gekend om een grondige analyse mogelijk te maken. De Laatvlieger is in het Europese monitoringschema opgenomen als één van de aandachtssoorten en zou dus zeker geteld moeten worden. Wintertellingen worden reeds uitgevoerd en het tellen van uitvliegers lijkt zeer goed haalbaar in Vlaanderen, zodat met deze twee monitoringssystemen reeds een groot deel van de vleermuispopulatie gevolgd kan worden. Er blijven nu echter nog een aantal soorten over die
103 De toestand in Vlaanderen 96 door middel van punt/transecttellingen gevolgd moeten worden. In 1999 werd binnen de vleermuizenwerkgroep gepolst naar de interesse om transecttellingen uit te voeren en die bleek gering te zijn. Ook in Nederland worden geen transecttellingen meer uitgevoerd wegens het gebrek aan voldoende vrijwilligers. In Groot-Brittannië, waar gewerkt wordt met twee eenvoudige systemen met een beperkte soortenkeuze, werkt het systeem wel naar behoren. In dat opzicht lijkt het ook voor Vlaanderen aangewezen te opteren voor deze eenvoudige opzet. Gezien de beperkte interesse is het aan te raden om zich in eerste instantie te beperken tot punt/transecttellingen van Dwergvleermuis, Ruige Dwergvleermuis, Rosse vleermuis en Laatvlieger. De Rosse vleermuis kan op geen enkele andere manier gevolgd worden en behoort eveneens tot de Europese aandachtssoorten. Transecttellingen langs waterwegen kunnen voorlopig achterwege gelaten worden. Van de Meervleermuis zijn in Vlaanderen immers slechts een klein aantal vindplaatsen gekend, voornamelijk in West-Vlaanderen, en de Watervleermuis wordt reeds via de wintertellingen gevolgd. Dit hoofdstuk is in grote mate gebaseerd op de ervaringen uit Groot-Brittannië en Nederland. Voor meer info kan men terecht bij de VZZ, ~zoogdier/info/pag-1.htm en de Bat Conservation Trust,
104 Hoofdstuk 6: De toestand in Vlaanderen 1. Vleermuizen in Vlaanderen; status quo, achteruitgang of vooruitgang? Vergelijking tussen recente en oude gegevens Recente aantalsevoluties De Baard/Brandt s vleermuis De Watervleermuis De Franjestaart De Ingekorven vleermuis De Meervleermuis De Grootoor Monitoring Algemeen INLEIDING KEUZE VAN MONITORINGMETHODE TELLEN VAN ZOMERKOLONIES WINTERTELLINGEN TELLINGEN VAN FOERAGERENDE VLEERMUIZEN Monitoring op Europese schaal Vleermuismonitoring in Vlaanderen
105 Hoofdstuk 7: Soortenfiches 97 Kleine hoefijzerneus Rhinolophus hipposideros (Bechstein, 1800) 1. Ecologie Areaal De kleine hoefijzerneus is een zuidelijke, warmteminnende soort. Vlaanderen ligt op de uiterste grens van het verspreidingsgebied. De soort kwam in Vlaanderen enkel voor in de mergelgroeven van Limburg en in de Voerstreek. Het areaal is sterk naar het zuiden teruggedrongen door afname van de populaties. Lichaamsbouw en sonar De Kleine hoefijzerneus is een kleine vleermuissoort met zeer brede vleugels en een afgeronde vleugeltop. Hierdoor is deze soort bijzonder wendbaar en kan ze zeer dicht tegen de vegetatie vliegen. De vlucht is traag en de soort is dan ook gevoelig voor predatie. De sonar is een fm-cf-fm signaal. Voortplanting De dieren zijn na 1 jaar geslachtsrijp. De jongen worden midden juli geboren en zijn vliegvlug rond half augustus. Slechte weersomstandigheden in het voorjaar kunnen er toe leiden dat de geboorte van de jongen later in het seizoen valt waardoor de overlevingskansen van de juvenielen afnemen. De paringen vinden hoofdzakelijk plaats tijdens de herfst in de winterverblijfplaatsen. Winterverblijfplaatsen Kleine hoefijzerneuzen overwinteren in grotten en groeven maar ook in kleine objecten zoals kelders en bunkers. Ze verkiezen warme plaatsen (6-9 C) met een hoge luchtvochtigheid. Ze worden steeds volledig vrij hangend aangetroffen met de vleugels rond het lichaam. In de winter zijn ze bijzonder storingsgevoelig. Ze werden in Vlaanderen tot nu toe enkel waargenomen in de mergelgroeven. De winterslaap duurt van september/oktober tot eind april. De afstand tussen winterverblijfplaats en zomerverblijfplaats is meestal zeer gering. Meer dan 60% van de dieren verplaatst zich niet verder dan 5 km. De maximum afstand waargenomen in België is 27 km, in Europa is dat 153 km. Zomerverblijfplaatsen In het zuiden van Europa bevinden kraamkolonies zich voornamelijk in grotten. In het noorden van het verspreidingsgebied (Noord-Frankrijk, Luxemburg, België en Groot-Brittannië) verblijven de dieren daarentegen op warme plaatsen zoals zolders. De dieren verkiezen hoge zolders met een groot volume (> 250m 3 ). In Groot-Brittannië werd een voorkeur vastgesteld voor oude gebouwen met muren uit natuursteen en een leien dak. Occasioneel worden de dieren tijdens de zomer ook aangetroffen in verwarmde kelders. De dieren zijn bijzonder verstoringsgevoelig tijdens de kraamperiode en de kolonies worden hoofdzakelijk aangetroffen in onbewoonde gebouwen (kerkzolders maar ook stallen, schuren en vervallen boerderijen). De dieren vliegen rechtstreeks de kolonie binnen en hebben een grote invliegopening nodig.
106 98 Soortenfiches Foerageergebieden De dieren verplaatsen zich niet ver van de kolonieplaats. De foerageergebieden liggen meestal binnen een straal van 2,5 km rond de kolonie. De route tussen kolonie en foerageergebieden verloopt steeds langs landschapselementen zoals holle wegen, dubbele houtwallen, boswegen en dreven. Het is opvallend dat de kleine hoefijzerneus hierbij een sterke voorkeur vertoont voor verbindingselementen met een tunnelvormig karakter. Dit is hoogstwaarschijnlijk een antipredator gedrag. De kleine hoefijzerneus foerageert in kleinschalige landschappen waar structuurrijk loofbos en weiland elkaar afwisselen. De dieren jagen in de besloten vegetatie van het bos en aan de bosrand. De aanwezigheid van bomenrijen en houtkanten is bijzonder belangrijk. De dieren worden ook dikwijls aangetroffen in moerasbossen en in de buurt van boerderijen waar ze vermoedelijk jacht maken op mestvliegen. De Kleine hoefijzerneus vangt zowel vliegende insecten als insecten die ze van de vegetatie plukt. Het dieet bestaat uit kleine prooien van 3-14 mm. Hoofdprooien zijn vliegen en muggen (vnl. insecten die voorkomen in de buurt van water), kleine nachtvlinders en gaasvliegen (Diptera, Lepidoptera en Neuroptera). 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: Uitgestorven Bern conventie, Appendix 2 Bonn conventie, Appendix 2 IUCN rode lijst, Kwetsbaar Populatietoestand De achteruitgang van de soort heeft zich over gans Europa afgespeeld maar was uitgesproken aan de randen van het verspreidingsgebied. In gebieden waar ondertussen winter- en zomerverblijfplaatsen beschermd zijn, wordt een stabilisatie van de aantallen waargenomen. Er zijn geen gegevens over oude kraamkolonies in Vlaanderen voorhanden. Tot vóór de jaren 50 waren in Wallonië en Nederland (hoofdzakelijk in Zuid-Limburg) verschillende kraamkolonies bekend. Het is dan ook waarschijnlijk dat in het Oosten van Vlaanderen (Oost-Limburg en de Voerstreek) kraamkolonies aanwezig waren. De Nederlandse kraamkolonies zijn in de jaren volledig verdwenen. In Wallonië zijn er nog slechts 2 kraamkolonies aanwezig De Kleine hoefijzerneus werd in de jaren 50 algemeen waargenomen in de Nederlandse en Belgische mergelgroeven. Sinds de jaren 70 zijn de dieren volledig verdwenen. Enkel in het Zuiden van Wallonië worden nog overwinterende dieren waargenomen. Voornaamste bedreigingen De Kleine hoefijzerneus is een bijzonder kwetsbare soort die onder verschillende factoren te lijden heeft. De voornaamste bedreigingen zijn: verdwijnen en verstoring van zowel winter- als zomerverblijfplaatsen. verdwijnen van kleinschalige landschappen in de onmiddellijke omgeving van de kolonieplaats. Verdwijnen van verbindingselementen met een gesloten karakter tussen de kolonieplaats en de foerageergebieden. gebruik van toxische houtconserveringsmiddelen en pesticiden. Belangrijkste beschermingsmaatregelen Gezien het feit dat de soort is uitgestorven is een soortgericht beheer niet aangewezen en is het beter een algemeen vleermuisvriendelijk beleid te voeren. Om in de toekomst rekolonisatie mogelijk te maken is in eerste instantie bescherming van de mergelgroeven noodzakelijk. Bescherming en inrichting van het oorspronkelijke leefgebied (de Voerstreek) zijn op termijn eveneens mogelijk.
107 Soortenfiches 99 Grote hoefijzerneus Rhinolophus ferrumequinum (Schreber, 1774) Areaal De grote hoefijzerneus is een zuidelijke soort die vaak voorkomt in karstgebieden. In Vlaanderen wordt deze soort enkel overwinterend aangetroffen. De afgelopen decennia is het verspreidingsgebied nog meer naar het zuiden opgeschoven en is de soort uit Vlaanderen verdwenen. Lichaamsbouw en sonar De Grote hoefijzerneus is, met een spanwijdte van cm, één van de grootste inheemse vleermuizen. De vleugels zijn kort en breed met een ronde vleugeltip. Het zijn wendbare dieren die zich voortbewegen met een fladderende vlucht. De sonar is, zoals bij alle hoefijzerneuzen, van het fm-cffm type. Voortplanting De Grote hoefijzerneus wordt pas in z n 3de of 4de levensjaar sexueel actief. Normaal gezien worden de jongen geboren tussen half juni en half juli. De gemiddelde temperatuur in de maanden april en mei heeft een grote invloed op de geboortedatum en de overleving van de jongen (moet minimum 10 C bedragen) en is bijgevolg bepalend voor het jaarlijks voortplantingssucces. Na ongeveer drie weken zijn de jongen vliegvlug en nog eens vijf weken later zijn ze volledig zelfstandig. De paringen vinden plaats tijdens de herfstperiode in de winterverblijfplaatsen. Winterverblijfplaatsen Grote hoefijzerneuzen overwinteren hoofdzakelijk in diepe grotten of groeven waar een temperatuur heerst van 7-10 C. Ook in grote kelders worden ze al eens aangetroffen. Ze overwinteren solitair of in kleine groepen, maar steeds volledig vrij hangend. Op warme winterdagen gaan de dieren soms foerageren in bossen in de zeer nabije omgeving van de winterverblijfplaats De Grote hoefijzerneus werd vroeger aangetroffen in de Limburgse mergelgroeven en in enkele winterverblijfplaatsen in Waals-Brabant. De afstand tussen winterverblijfplaats en zomerverblijfplaats schommelt rond 12 km (maximum in België 42 km, de langste afstand ooit waargenomen in Europa bedraagt 180 km). Het merendeel van de juveniele dieren verplaatst zich niet verder dan enkele kilometers. Om contact tussen populaties te behouden en genetische uitwisseling mogelijk te maken mogen winterverblijfplaatsen niet verder dan 20 à 30 km van elkaar verwijderd zijn. Zomerverblijfplaatsen Voor de grote hoefijzerneus is een hoge temperatuur in de kraamkolonie zeer belangrijk voor de ontwikkeling van de jongen. In het noorden van hun verspreidingsgebied verblijven de kolonies meestal op warme plaatsen zoals kerkzolders. In grotten en groeven aggregeren ze in grote groepen om de temperatuur op peil te houden. Door in de verblijfplaats een verwarming aan te brengen is men er in Groot-Brittannië in geslaagd het voortplantingssucces van de kolonies aanzienlijk te verhogen. De Grote hoefijzerneus moet een grote invliegopening hebben die directe vlucht naar de kolonieplaats toelaat.
108 100 Soortenfiches Foerageergebieden De grote hoefijzerneus foerageert in een straal van 5 km rond de kolonie. Meer dan 90% van de tijd brengen de dieren door op minder dan 1,7 km van de verblijfplaats. Juveniele dieren verwijderen zich niet verder dan 1 km van de verblijfplaats. Tussen kolonieplaats en foerageergebieden verplaatsen de dieren zich uitsluitend langs landschapselementen. Een opening van meer dan 10m in de vegetatie is voldoende om een verbindingsroute ongeschikt te maken. De grote hoefijzerneus jaagt in structuurrijke loofbossen, boomgaarden en op de overgang tussen loofbos en permanente graslanden. Het is een soort die gebonden is aan kleinschalige landschappen doorsneden met verbindingselementen. De aanwezigheid van nachtrustplaatsen (grotten, verlaten gebouwtjes, schuilplaatsen voor het vee,...) blijkt zeer belangrijk te zijn. Het is bekend dat de Grote hoefijzerneus grote prooien meeneemt naar een vaste plaats om ze rustig te verorberen. Het dieet bestaat hoofdzakelijk uit grote nachtvlinders (Lepidoptera), en keversoorten zoals de Meikever (Melolontha melolontha) en mestkevers (Scarabaeidae). De juvenielen zijn niet in staat om nachtvlinders te vangen en hangen volledig af van mestkevers, voornamelijk de Rondkopveldmestkever (Aphodius rufipes). Het feit dat de juvenielen zich niet verder dan 1 km van de kolonie verwijderen én dat hun dieet hoofdzakelijk uit mestvliegen bestaat heeft zeer belangrijke consequenties naar bescherming van foerageergebieden toe. 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: Verdwenen Bern conventie, Appendix 2 Bonn conventie, Appendix 2 Habitatrichtlijn EU, Annex 2 en Annex 4 IUCN rode lijst: Risico laag - afhankelijk van bescherming Populatietoestand Van de grote hoefijzerneus zijn in Vlaanderen in het verleden geen zomerkolonies aangetroffen. We kunnen er, op basis van de gegevens uit Nederland en Wallonië van uitgaan dat enkel de Voerstreek ooit geschikt was als zomerhabitat. In de jaren 40 was er bijvoorbeeld een kraamkolonie van een 150 tal individuen aanwezig in het Waalse gedeelte van de Sint-Pietersberg, een mergelgroevecomplex dat zich uitstrekt over Wallonië, Nederland en Vlaanderen. Deze zomerkolonie was volledig verdwenen in De soort werd daarom zo goed als uitgestorven beschouwd voor Vlaanderen. In 1995 werd echter een kleine zomerkolonie aangetroffen in de Voerstreek. De kolonieplaats is thans verdwenen en de dieren werden niet teruggevonden. Het betreft waarschijnlijk een restant van de populatie die vroeger voorkwam op het grensgebied tussen Vlaanderen, Wallonië en Nederland. Het verspreidingsareaal van de Grote hoefijzerneus is niet enkel in België maar in gans Europa sterk ingekrompen. Voornaamste bedreigingen Zoals alle hoefijzerneuzen is deze soort gevoelig voor verstoring, zowel in de winter- als in de zomerverblijfplaatsen. Door speleologie, grindwinning, champignonkwekerijen en andere vormen van verstoring zijn verschillende grotten en mergelgroeven in Vlaanderen, Wallonië en Nederland ongeschikt geworden als verblijfplaatsen. Het verdwijnen van kleinschalige landschappen in de nabije omgeving van de kolonieplaats. Door het gebruik van pesticiden en door het gebruik van anti-parasitaire geneesmiddelen in het dierenvoeder is de insectendiversiteit en in het bijzonder het aantal mestkevers sterk gedaald. Deze mestkevers zijn onontbeerlijk voor de overleving van de juvenielen.
109 Soortenfiches 101 Belangrijkste beschermingsmaatregelen In grote delen van Vlaanderen is de Grote hoefijzerneus nooit voorgekomen. Enkel in het Oosten van Limburg en de Voerstreek is een soortgericht beleid relevant. Men kan zich afvragen of het nog zin heeft om voor een soort, die als uitgestorven beschouwd wordt, nog specifieke beschermingsmaatregelen uit te voeren. In het licht van de vondst van een kleine kolonie in de Voerstreek in 1995 is de nood voor bescherming en beheer echter zeer actueel en hoogst noodzakelijk geworden. Als de aanwezige populatie behouden en beschermd kan worden biedt dit op middellange termijn mogelijkheden voor een herstel van de populatie. Als de aanwezige populatie volledig uitsterft dan lijkt rekolonisatie van de regio zeer onwaarschijnlijk, gezien de kleine migratieafstanden van deze soort. Gezien de oorspronkelijke verspreiding van de soort zich uitstrekt over Vlaanderen, Wallonië en Nederland dringt een grensoverschrijdende aanpak zich op. Grote hoefijzerneuzen die in de zomer in Vlaanderen verblijven kunnen overwinteren in Nederland of Wallonië en vice versa. De belangrijkste beschermingsmaatregelen zijn: het afsluiten van de winterverblijfplaatsen, in casu de mergelgroeven in Vlaanderen, Wallonië en Nederland. Bescherming van historische verblijfplaatsen moet voorop staan maar ook andere sites verdienen bescherming. Op termijn moet gestreefd worden naar een netwerk van winterverblijfplaatsen op korte afstand van elkaar (maximaal km). Het beschermen van zomerverblijfplaatsen én de habitats in de onmiddellijke omgeving (in een straal van 2,5 km). Er is slechts 1 historische verblijfplaats gekend, die recentelijk is verdwenen. In de nabije omgeving van deze locatie moeten alternatieve verblijfplaatsen worden ingericht en beschermd. Het habitat in de omgeving moet zoveel mogelijk beschermd worden, bijvoorbeeld door klassering als beschermd landschap of als Natura 2000 gebied. Praktisch beheer moet gericht zijn op het behoud van structuurrijke loofbossen, aanleg van mantel- en zoomvegetaties aan de bosrand, aanleg en/of beheer van hagen en houtkanten met inheemse struiken en aanleg en/of het behoud van verbindingselementen tussen de kolonieplaatsen en geschikte foerageergebieden. Vermits de exacte locatie van de kolonieplaats niet gekend is, moet in de ganse regio streng toegezien worden op de uitvoering van (renovatie)werken en houtbehandelingen op zolders. Dit geldt in het bijzonder voor oude gebouwen, leegstaande boerderijen en kerken. Een voorafgaandelijke inspectie door een vleermuisdeskundige is aangewezen. Renovatie en herstellingswerken moeten bij voorkeur in de winter worden uitgevoerd. In een straal van 1-2 km rond de kolonie moet extensieve veeteelt bevorderd worden. Het gebruik van milieuonvriendelijke anti-parasitaire middelen in het dierenvoeder moet streng gereglementeerd worden (bijvoorbeeld enkel toestaan tijdens de winter) om de overleving van de jongen te garanderen. Bijkomend onderzoek In de regio rond de verdwenen kolonieplaats zou een uitgebreide inventarisatie moeten worden gehouden om de huidige verblijfplaats van de kolonie te lokaliseren. Een grondige studie zou moeten uitwijzen of het hier een geïsoleerde kolonie betreft en wat de levenskansen van de populatie zijn.
110 102 Soortenfiches Vale vleermuis Myotis myotis (Borkhausen, 1797) Areaal de Vale vleermuis komt voor in bijna heel Europa, uitgezonderd Scandinavië en Griekenland. De grens van het verspreidingsgebied loopt doorheen België en is de afgelopen decennia naar het zuiden verschoven. Lichaamsbouw en sonar De Vale vleermuis is de grootste vleermuissoort in Vlaanderen en heeft een vleugelspanwijdte van cm. De vleugels zijn breed maar met smalle vleugeltippen. Hierdoor is de Vale vleermuis wendbaar én in staat om snel te vliegen. De sonar is van het FM-type, met de piekfrequentie rond 35 khz. Prooien worden ook vaak gevangen door passief te luisteren. Voortplanting De meeste dieren worden slechts seksueel actief na 2 jaar. De geboorte vindt plaats begin juni. De jongen zijn vliegvlug na 3 weken en volledig zelfstandig na 6 weken. De paring vindt plaats vanaf augustus. Het mannetje verzamelt een harem (tot 6 vrouwtjes) rond zich. Ook in de winterverblijfplaatsen worden nog paringen waargenomen. Winterverblijfplaatsen Overwinterende Vale vleermuizen treft men aan in grote objecten zoals mergelgroeven, grotten en grote forten. Ze zoeken warme plaatsen op met een temperatuur tussen 7 en 12 C en hangen vaak in grote groepen bijeen (tot meer dan 100 dieren in één cluster). Het is een middellange afstandstrekker die tussen winterverblijfplaats en zomerverblijfplaats gemiddeld 50km aflegt (maximale afstand ooit waargenomen 390 km). Zomerverblijfplaatsen Opnieuw betreft het een soort die in Zuid-Europa het ganse jaar door in grotten verblijft terwijl in het Noorden de kraamkolonies warme zolders opzoeken. In grotten en groeven is het aantal aanwezige dieren bepalend voor het voortplantingssucces omdat door het groepseffect een stabiele temperatuur (rond 30 C) wordt bekomen. Op zolders is dat iets minder belangrijk, omdat de kolonie profiteert van de zonnewarmte, maar kolonies kleiner als 50 individuen slagen er niet in om een geschikt microklimaat te creëren. De Vale vleermuis gebruikt zowel grote als kleine invliegopeningen. De dieren foerageren op grote afstand van de kolonieplaats en bij slechte weersomstandigheden keren ze niet terug naar de kolonie maar gebruiken ze alternatieve schuilplaatsen (zolders maar ook huizen en bomen). De eerste dieren komen zeer vroeg aan in de kolonieplaats (eind maart/begin april) en tot laat in het najaar blijven er dieren aanwezig (november). Foerageergebieden De foerageergebieden liggen dikwijls op grote afstand van de kolonieplaats, tot verder dan 10 km. Hoe groter de kolonie, hoe verder de dieren gaan foerageren. De dieren zijn niet strikt gebonden aan verbindingsroutes maar volgen toch in zekere mate de aanwezige landschapsstructuren. In Zwitserland zijn de geliefkoosde habitats van de Vale vleermuis dennenbossen (Pinus sylvaticus) zonder ondervegetatie, boomgaarden en pas gemaaide hooilanden. In Duitsland is de
111 Soortenfiches 103 Vale vleermuis daarentegen zeer sterk gebonden aan oude beukenbossen en in Portugal vormen olijfboomgaarden de belangrijkste jachtgebieden. De Vale vleermuis vertoont een uitgesproken voorkeur voor habitats met weinig of geen bodembedekking. Dit hangt sterk samen met zijn manier van jagen en zijn prooisoortkeuze. De Vale vleermuis vangt vooral bodembewonende insecten. In het bos zijn dat vooral loopkevers (Carabidae) maar in Zwitserland vangen de vleermuizen op pas gemaaide weilanden vooral veenmollen (Gryllotalpa gryllotalpa) en in mindere mate sprinkhanen (Tettigonidae). In de maand mei wijzigt het jachtgedrag en schakelen de vleermuizen over op meikevers. De alternatieve prooien (Veenmol, Meikever en sprinkhanen) vormen energetisch een zeer belangrijke aanvulling en dragen waarschijnlijk in niet onbelangrijke mate bij tot het voortplantingssucces. 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: ernstig bedreigd Bern conventie, appendix 2 Bonn conventie, appendix 2 Habitatrichtlijn EU, annex 2 en annex 4 IUCN rode lijst: Laag risico - bijna bedreigd Populatietoestand De Vale vleermuis werd in het verleden meermaals in Vlaanderen waargenomen, voornamelijk in winterverblijfplaatsen. Zo o. a. in het Kezelfort in Oudenaarde, het fort van Steendorp (Temse), op verschillende plaatsen in de omgeving van Brussel en in de Limburgse mergelgroeven. Sinds de jaren 70 werden op geen van deze locaties nog Vale vleermuizen waargenomen tot in 1999 in de omgeving van Hoeilaart (Brussel) een solitair dier in winterslaap werd aangetroffen. In de mergelgroeven werden in begin deze eeuw ook nog regelmatig Vale vleermuizen waargenomen tijdens de winter. Hun aantallen zijn sterk teruggelopen en momenteel wordt in de Vlaamse mergelgroeven nog slechts af en toe een solitair dier aangetroffen. In de nabijgelegen Waalse en Nederlandse groeven worden jaarlijks nog enkele tientallen dieren geteld. In Duitsland, waar de soort eveneens sinds de jaren 50 sterk achteruit ging, lijkt een stabilisatie en lichte verbetering op te treden. Gezien de grote afstanden die de Vale vleermuis aflegt is op termijn rekolonisatie van Vlaanderen van daaruit niet onmogelijk. Er zijn geen historische gegevens in verband met zomerkolonies in Vlaanderen bekend. In Nederland waren begin deze eeuw zowel in Limburg, Noord-Brabant en Gelderland kraamkolonies aanwezig dus het lijkt waarschijnlijk dat ook Vlaanderen kraamkolonies aanwezig waren. De Nederlandse kolonies waren omstreeks de jaren 60 reeds verdwenen op een grote kolonie in de groeven van de Sint-Pietersberg (Waals gedeelte) na. Deze kolonie die in 1950 nog zo n 800 dieren telde, was eind jaren 70 uitgestorven. Momenteel zijn geen zomerkolonies bekend. Wel werden de afgelopen jaren enkele waarnemingen gedaan van jagende exemplaren (één in de omgeving van Brussel en één in de Voerstreek). Dit zijn hoogstwaarschijnlijk oude dieren uit vroegere kolonies maar mogelijk zijn er toch nog enkele restpopulaties aanwezig. Eind jaren 80 werd een solitair dier waargenomen op een zolder in de Voerstreek. In Wallonië is op ongeveer 10 km van de grens een kolonie van ca. 50 exemplaren aanwezig. Voornaamste bedreigingen Verstoring en verdwijnen van winter- en zomerverblijfplaatsen is, zoals voor vele soorten, een belangrijke oorzaak van de achteruitgang Omzetting van weilanden in akkers, verdwijnen van traditionele boomgaarden en het gebruik van pesticiden hebben een zeer grote impact gehad. Hierdoor zijn insecten als meikever en veenmol in Vlaanderen zeer zeldzaam geworden. Gebruik van toxische houtconserveringsmiddelen op kerkzolders heeft ongetwijfeld ook invloed gehad.
112 104 Soortenfiches Belangrijkste beschermingsmaatregelen Behoud en bescherming van winterverblijfplaatsen. Behoud van weilanden en hooilanden in de omgeving van loofbossen. Historische weilanden die ooit werden omgezet in akkers kan men terug omvormen. Behoud en/of aanleg van boomgaarden. Vermindering van het gebruik van pesticiden. Gebruik van milieuvriendelijke houtconserveringsmiddelen. Voor de omgeving van Brussel (omgeving van het Zoniënwoud), Limburg en de Voerstreek zijn er aanwijzingen dat er nog Vale vleermuizen voorkomen of recent voorkwamen. Beheer zou dan ook in eerste instantie op deze regio s gericht moeten zijn. Net als voor de beide hoefijzerneuzen is ook voor de Vale vleermuis is een grensoverschrijdende aanpak gewenst de bescherming van de winterverblijfplaatsen. De Voerstreek, een hot-spot voor vleermuizen De Voerstreek biedt een groot aantal mogelijkheden voor vleermuisgericht beheer. Verschillende zeldzame soorten (Grote- en Kleine hoefijzerneus, Vale Vleermuis, Ingekorven vleermuis,...) komen of kwamen er voor. Om hier terug een gezonde vleermuispopulatie te krijgen is het noodzakelijk om, over de grenzen heen, een integraal beheer te voeren waarbij zowel gekeken wordt naar verblijfplaatsen als naar foerageergebieden. Ook de nabije mergelgroeven, die dienen als winterverblijfplaats, moeten mee in beschouwing genomen worden. Het gebied Altembroek vormt hiervan een goed voorbeeld. Dit oude kasteelgebied ligt in een uitermate geschikt landschap en omvat een aantal gebouwen die voor vleermuizen geschikt zijn. Dit grensoverschrijdend natuurgebied wordt door Natuurreservaten vzw en zijn Nederlandse tegenhanger gezamenlijk beheerd. Hierbij wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met vleermuizen. Het is een belangrijk gebied met enorme potenties, dat mits de nodige steun, kan uitgroeien tot een waar vleermuizenparadijs.
113 Watervleermuis Myotis daubentonii (Kuhl, 1817) Soortenfiches Ecologie Areaal De Watervleermuis heeft een verspreidingsgebied over bijna heel Europa. Ze komt voor in gans Vlaanderen. Lichaamsbouw en sonar De Watervleermuis heeft een spanwijdte van 24-27,5 cm. De vleugels zijn redelijk breed in verhouding tot de lengte. De watervleermuis heeft een trage, maar niet zo wendbare vlucht. De sonar is een steile FM sonar, typisch voor de Myotidae. Voortplanting De watervleermuis is geslachtsrijp na 1 jaar. De jongen worden geboren na 15 juni. Na 4 weken zijn de juvenielen vliegvlug (15 juli). Het paarseizoen begint in augustus. De meeste paringen vinden plaats in de herfst in winterverblijfplaatsen. Maar ook tijdens de winter worden nog vrouwtjes bevrucht. Winterverblijfplaatsen Watervleermuizen overwinteren in forten, mergelgroeven en kleine objecten waar een constant klimaat heerst met temperaturen tussen 3 o en 8 o C en een hoge luchtvochtigheid (80-100%). De winterslaap begint omstreeks september. Vanaf begin maart zijn de eerste watervleermuizen weer actief. De Watervleermuis is een middellange afstandstrekker die afstanden tussen 10 en 100 km aflegt tussen de winterverblijfplaats en zomerverblijfplaats. De maximale afstand ooit waargenomen is 240 km. Zomerverblijfplaatsen In West-Europa is de Watervleermuis hoofdzakelijk een boombewonende vleermuis. Ze heeft een sterke voorkeur voor oude spechtenholen van de Grote bonte specht (Dendrocopus major). Hierbij wordt een selectie vastgesteld van holtes die sterk naar boven zijn uitgerot maar redelijk smal zijn. Vermoedelijk heeft dit te maken met temperatuursregulatie. De kolonie verhuist gemiddeld om de 3 dagen. De kraamkolonie, waar de jongen geboren worden, verblijft langer (tot 3 weken) in dezelfde holte. Soms worden ook kolonies aangetroffen in gebouwen of in vleermuiskasten. In Zwitserland werd de opmerkelijke vaststelling gedaan dat in de rivierbegeleidende bossen weinig of geen kolonies gehuisvest zijn. Dit heeft naar alle waarschijnlijkheid te maken met het kille, vochtige klimaat. Bij het gebruik van vleermuiskasten in Frankrijk werd een gelijkaardige vaststelling gedaan. Kasten die in nevelige valleien hangen hebben weinig succes. Foerageergebieden De Watervleermuis legt gemiddeld een afstand af van 3-4 km tussen de kolonieplaats en de foerageergebieden, maar afstanden tot 10 km werden reeds vastgesteld. De vliegroute verloopt zonder uitzondering langs landschapselementen zoals dreven, bosranden en riviertjes. Straatverlichting wordt vermeden en een opening van 30 m in een dreef is voldoende om een andere route te kiezen. De Watervleermuis vangt zijn prooien vlak boven het wateroppervlak. Het foerageergebied bestaat uit vijvers, meren, kanalen, rivieren en kleine beken. Hierbij gaat de voorkeur naar waterpartijen met bomen langs de oever. De vleermuizen vermijden plassen of beken met waterplanten of
114 106 Soortenfiches overdadige algengroei. De vegetatie hindert hun echolocatiesysteem en maakt het onmogelijk om insecten te lokaliseren. Watervleermuizen foerageren ook in het bos, vooral als er loofbos voorkomt in de buurt van water. Het voedsel van de Watervleermuis bestaat bijna uitsluitend (tot 90%) uit dansmuggen (Chironomidae). Deze insecten hangen in zwermen boven het wateroppervlak en komen massaal voor in eutroof water. Andere prooisoorten zijn langpootmuggen, vlinders en kevers (Tipulidae, Lepidoptera en Coleoptera). 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: niet opgenomen Bern conventie, appendix 2 Bonn conventie, appendix 2 Habitatrichtlijn EU, annex 4 IUCN rode lijst: niet opgenomen Populatietoestand In alle Europese landen, Vlaanderen inclusief, wordt een stijging van deze soort waargenomen. De meest vermelde verklaring is dat door eutrofiering van het oppervlaktewater het aantal dansmuggen (Chironomidae) sterk is toegenomen. Maar hierover bestaat heel wat discussie. In de winterverblijfplaatsen in Vlaanderen is in elk geval een gestadige stijging van de aantallen waar te nemen. Voornaamste bedreigingen Alhoewel op populatieniveau de Watervleermuis het zeer goed doet moeten we toch vaststellen dat in Vlaanderen de verspreiding in sommige regio s beperkt wordt door het ontbreken van bosgebieden met voldoende schuilplaatsen. Er zijn ook bosgebieden die potentieel geschikt zijn als verblijfsgebied maar waar geen watervleermuizen voorkomen. Het zijn bossen die, door het ontbreken van verbindingselementen met de foerageergebieden, volkomen geïsoleerd liggen voor watervleermuizen. Op lange termijn zou de vervuiling van de oppervlaktewateren een hypotheek kunnen leggen op de voortplanting en overleving. Belangrijkste beschermingsmaatregelen Naar kolonieplaatsen toe is het behoud van holle bomen zeer belangrijk (natuurgetrouwe bosbouw). In sommige regio s moet het bosareaal uitgebreid worden. Geïsoleerde bosgebieden moeten door middel van landschapselementen verbonden worden met waterrijke gebieden. Sanering van de waterlopen (waterzuivering, beperken van pesticidengebruik,...)
115 Soortenfiches 107 Baardvleermuis Myotis mystacinus (Kuhl, 1817) Brandts vleermuis Myotis brandtii (Eversmann, 1845) Het onderscheid tussen de baardvleermuis en de Brandts vleermuis wordt in Europa pas gemaakt sinds Het is enkel mogelijk aan de hand van de penisvorm (enkel bij volwassen mannetjes) en het gebit. Dit kan enkel worden vastgesteld wanneer de dieren gevangen worden. Bij de meeste waarnemingen wordt daarom geen onderscheid gemaakt tussen de twee soorten. Baardvleermuis Areaal De Baard/Brandt s vleermuis wordt vrij talrijk aangetroffen in delen van Groot-Brittannië, Nederland, België en Duitsland. Oostelijk tot in Mongolië en Japan. Ontbreekt in Noord- Denemarken. De Baardvleermuis komt niet voor in Zuid- Europa. Lichaamsbouw en sonar De Baardvleermuis is wat kleiner dan de Brandt s vleermuis. Spanwijdte cm tegen cm. Voor het overige is de lichaamsbouw zeer gelijkaardig. Ze hebben een klein lichaamsgewicht (4-8 gram) en redelijk brede vleugels met afgeronde tip. De vlucht is traag en wendbaar maar de vleermuizen zijn niet in staat om tussen dichte vegetatie te foerageren. De Baardvleermuis kan beter manoeuvreren in een nauwe ruimte dan de Brandt s vleermuis. Op basis van de sonar zijn de twee soorten niet te onderscheiden. Het is een typische FM-sonar. Winterverblijfplaatsen Baard- en Brandt s vleermuizen worden tijdens de winter aangetroffen in allerlei grotachtige constructies zoals mergelgroeven, forten, ijskelders, bunkers, enz. Ze zoeken koelere plekjes op (3-4 C) en worden dikwijls waargenomen dicht bij de ingang. Beide soorten leggen afstanden af van km tussen winter- en zomerverblijfplaats. De Baardvleermuis zal bij voorkeur dicht bij de zomergebieden overwinteren. Zomerverblijfplaatsen De Baard en Brandt s vleermuizen gebruiken allebei zeer uiteenlopende types van zomerverblijfplaatsen. Ze komen zowel in gebouwen, bomen als vleermuiskasten voor. Boomkolonies zijn gehuisvest achter losse schors en in scheuren maar zelden in spechtenholen. Gebouwbewonende kolonies treft men aan op kerkzolders maar vooral in gewone huizen en andere gebouwen. De dieren verblijven bijna altijd in nauwe ruimtes tussen het daktimmerwerk, achter gevelbekleding, enz. In Duitsland wordt de soort vaak aangetroffen in platte vleermuiskasten. Foerageergebieden De afstand tussen de kolonieplaats en de foerageergebieden is opvallend klein. In de meeste gevallen is dit minder dan 1 km. De verplaatsingen verlopen langs landschapselementen. De foerageergebieden liggen altijd in bosachtig landschap. De Baardvleermuis is iets toleranter ten overstaan van menselijke aanwezigheid en wordt ook wel aangetroffen in parken en residentiële
116 108 Soortenfiches woonwijken. De Brandt s vleermuis is strikt aan bos gebonden. De vleermuizen worden vaak waargenomen foeragerend langs bospaden en bosranden. Vochtige bosbestanden krijgen de voorkeur. Het dieet van de Baardvleermuis bestaat uit voor een groot deel uit langpootmuggen (Tipulidae), aangevuld met dansmuggen (Chironomidae) en andere muggen en vliegen (Diptera). Deze insecten zijn sterk gebonden aan vochtige bossen. De Brandt s vleermuis heeft een gelijkaardig dieet maar vangt ook een behoorlijk aantal dagactieve vliegen. 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen Bern conventie Bonn conventie Habitat richtlijn EU IUCN rode lijst Baardvleermuis Vermoedelijk bedreigd appendix 2 appendix 2 annex 4 niet opgenomen Brandt s vleermuis Bedreigd appendix 2 appendix 2 annex 4 niet opgenomen Populatietoestand Op basis van de wintertellingen kan men aannemen dat de laatste jaren de aantallen zijn toegenomen. Vermits geen onderscheid wordt gemaakt, is het niet mogelijk om uit te maken of deze positieve trend voor beide soorten geld of op rekening kan geschreven worden van slechts 1 soort. Uit metingen van dode exemplaren blijkt dat in België (voornamelijk gegevens uit Wallonië) 85,5% van de dieren Baardvleermuis waren en slechts 14,5% Brandt s vleermuizen. Specifiek voor Vlaanderen zijn geen gegevens bekend. Ondanks het feit dat er tijdens de winterslaap veel Baard/Brandt s vleermuizen worden geteld zijn er slechts enkele zomerkolonies gekend. De meeste zijn in huizen en werden ontdekt na een telefoontje van ongeruste bewoners. Vermoedelijk zijn de meeste kolonies in bomen gevestigd. In Nederland werden gedurende het atlas-project eveneens slechts 19 kolonies ontdekt; 12 in bomen en de rest in huizen. Het klein aantal gevonden kolonies heeft te maken met de onopvallende levenswijze en geringe grootte van de koloniegroep. Voornaamste bedreigingen De voornaamste bedreiging is het verdwijnen en verarming van het bos in Vlaanderen. Gezien de gebondenheid aan vochtige bosbestanden vormt drainage van bosbestanden en de algemene daling van de grondwatertafel een bijzonder probleem. Het lage holteaanbod vormt een ernstige bedreiging Deze soorten gebruiken regelmatig woonhuizen en worden door de bewoners verjaagd of gedood. Belangrijkste beschermingsmaatregelen Baard/Brandt s vleermuizen zijn ongetwijfeld gebaat met een natuurgetrouw bosbeheer. Het bewust laten vernatten van percelen is aan te bevelen. Dode bomen met losse schors en holle bomen moeten gespaard worden De bevolking moet voorgelicht worden over het nut en de kwetsbaarheid van vleermuizen. Het aanduiden van een officiële instantie voor het informeren en adviseren van (ongeruste) bewoners vormt hierin een belangrijke stap. Verblijfplaatsen kunnen gecreëerd worden door het aanbrengen van houten gevelbekleding met aangepaste invliegopeningen of eventueel door het ophangen van vleermuiskasten.
117 Franjestaart Myotis nattereri (Kuhl, 1817) Soortenfiches 109 Areaal De Franjestaart komt bijna in alle landen in de gematigde klimaatzone voor. Lichaamsbouw en sonar Het is een middelgrote soort met een lichaamsbouw die volledig is aangepast voor een trage en wendbare vlucht. De spanwijdte is redelijk groot (24,5-28 cm), het gewicht is in verhouding laag (5-12 gram). De sonar is van het FM-type. Winterverblijfplaatsen De Franjestaart overwintert in mergelgroeven, forten, bunkers, ijskelders en kelders van woningen. De temperatuur varieert tussen 3 en 7 C. De dieren kruipen vaak weg in spleten. Het is een korte afstandstrekker die op kleine afstanden van de zomergebieden overwintert. De langste afstand ooit waargenomen is 90 km. Zomerverblijfplaatsen Er zijn regionale verschillen in de aard van de verblijfplaatsen van de Franjestaart. In Groot-Brittannië zijn kolonies gevestigd in gebouwen en onder bruggen. In Vlaanderen en de rest van West-Europa is het een typische bewoner van bomen, die ook regelmatig in vleermuiskasten wordt aangetroffen. Al zijn er in Wallonië ook twee kolonies op kerkzolders waargenomen. In Nederland en Vlaanderen vertonen de vleermuizen een voorkeur voor oude spechtenholen. In andere regio s worden ook spleten en scheuren in bomen als kolonieplaats gebruikt. Boombewonende Franjestaarten verhuizen zeer regelmatig en de groepsgrootte en -samenstelling varieert continu. Enkel op het ogenblik dat de jongen geboren worden, verzamelen al de vrouwtjes in één grote groep. Foerageergebieden De foerageergebieden liggen op korte afstand van de kolonieplaats. Op de route naar de jachtplaats volgen ze landschapselementen maar ze vliegen ook dwars door het bos. Het foerageergedrag van de Franjestaart is bijzonder moeilijk te onderzoeken. Algemeen wordt aangenomen dat de soort gebonden is aan oude, structuurrijke en vochtige bossen en parklandschappen. Op basis van het dieet kon men ook afleiden dat de soort een sterke binding heeft met waterrijke habitats. Franjestaarten worden zelden waargenomen boven open water en foerageren bij voorkeur in vochtige bosbestanden en kleine beekjes. Uit telemetrie (onderzoek waar dieren met een zendertje worden uitgerust) blijkt dat, naast oude loofbossen, ook weilanden en hooilanden deel uitmaken van het jachtgebied. Desondanks houdt de Franjestaart niet van grote open vlaktes. De voorkeur gaat uit naar kleine weilanden omgeven door bos of houtkanten. Nogmaals blijkt hoe belangrijk voor vleermuizen de band is tussen bos en weiland. De Franjestaart is een gleaner die zijn prooien van de vegetatie plukt. Dit kan zowel van bomen of struiken zijn als van grasstengels. Het dieet is zeer uiteenlopend en afhankelijk van de plaats waar de dieren leven. Het bestaat steeds voor een groot gedeelte uit dag-actieve, niet vliegende insecten. Zo werden onder andere Spinnen, Loopkevers, Bladhaantjes en Snuitkevers gevonden (Araneidae, Carabidae, Chrysomelidae en Scolytidae). Bij kolonies die in de buurt van water verblijven treft men in hoofdzaak kokerjuffers (Trichoptera), langpootmuggen (Tipulidae) en dansmuggen (Chironomidae) aan.
118 110 Soortenfiches 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: vermoedelijk bedreigd Bern conventie, Appendix 2 Bonn conventie, appendix 2 Habitatrichtlijn EU, annex 4 IUCN rode lijst: niet opgenomen Populatietoestand De Franjestaart wordt in Vlaanderen vooral tijdens de winterslaap waargenomen. Dat wil niet zeggen dat de soort hier in de zomer niet voorkomt maar dat ze dan minder gemakkelijk op te sporen is. Dat maakt het zeer moeilijk om de populatietoestand te beoordelen. Enkel na een uitgebreide studie van 2 jaar in een bosgebied kon de aanwezigheid van een boombewonende kolonie worden vastgesteld. Verdere waarnemingen van kolonies zijn er niet voor Vlaanderen. De aantallen in de winterverblijfplaatsen zijn de afgelopen jaren gestegen. Ook in Nederland lijkt de soort een lichte stijging in aantallen te vertonen. De soort is in grote delen van Europa verspreid maar haalt nergens hoge dichtheden. Voornaamste bedreigingen Het verdwijnen en drainage van oude loofbossen vormen een ernstige bedreiging. De Franjestaart heeft nood aan een landschap waar bos en weilanden met elkaar verweven zijn. De omzetting van weilanden naar akkers heeft ongetwijfeld een negatieve invloed. Het ontbreken van voldoende holle bomen. Doordat de kolonies vaak opsplitsen hebben ze behoefte aan een groot aantal kolonieplaatsen. Belangrijkste beschermingsmaatregelen Als typische bosbewoner is de Franjestaart, zowel betreffende kolonieplaatsen als foerageergebieden, gebaat bij natuurgetrouwe bosbouw. Het behoud van holle bomen, laten vernatten van percelen en het aanleggen van open plaatsen in het bos zijn voor deze soort van belang. Weilanden en hooilanden in de omgeving van oude loofbossen moeten als dusdanig behouden worden. Omzetting naar akkers moet vermeden worden. Om de aanwezige weilanden aantrekkelijker te maken, kunnen ze omzoomd worden met hagen en houtkanten. Bijkomend onderzoek De zomerverspreiding en de kolonieplaatsselectie van de Franjestaart zijn slecht gekend en moeten verder onderzocht worden.
119 Bechsteins vleermuis Myotis bechsteinii (Kuhl, 1817) Soortenfiches 111 Areaal: De Bechsteins vleermuis komt voor in de gematigde zones van Europa. De grens van het verspreidingsgebied loopt doorheen het zuiden van België. De soort is dikwijls slechts lokaal aanwezig en komt nergens in grote aantallen voor. Lichaamsbouw en sonar De Bechsteins vleermuis heeft korte, brede vleugels. De lichaamsbouw is aangepast aan een trage en wendbare vlucht typisch voor vleermuizen die hun prooien van de vegetatie plukken. De sonar is van het FM-type maar is zeer zacht (fluistersonar). Mogelijk vangen de dieren ook prooien door passief te luisteren. Voortplanting Het is niet geweten op welke leeftijd de dieren sexueel actief worden De geboorte van de jongen is omstreeks eind juni. In augustus verdwijnen de kraamkolonies. De paringen vinden plaats in de herfst en mogelijk ook nog in de lente. Winterverblijfplaatsen Deze soort wordt in gans Europa slechts in kleine aantallen in winterverblijfplaatsen aangetroffen. Enkel in grotten en groeven worden, meestal solitaire, dieren aangetroffen. Ook in Vlaanderen beperken de zeldzame waarnemingen zich tot de mergelgroeven. Ze prefereren plaatsen met een hoge luchtvochtigheid en een temperatuur tussen 3 en 7 C. De dieren kruipen zelden weg in spleten maar hangen vrij aan het plafond of tegen de muur. Het vermoeden bestaat dat een groot deel van de populaties in holle bomen overwintert. Het is een zeer plaatstrouwe soort die geen grote afstanden aflegt tussen winterverblijfplaats en zomergebied. De langste afstand ooit waargenomen bedraagt 35 km. Zomerverblijfplaatsen De Bechsteins vleermuis is een strikt bosgebonden soort die enkel in holle bomen en in vleermuiskasten wordt aangetroffen. Over selectie van natuurlijke holtes zijn weinig of geen gegevens beschikbaar. Op basis van het feit dat vlakke vleermuiskasten worden vermeden kan verondersteld worden dat de soort normaal in spechtenholen en rottingsholen verblijft. De kraamkolonies bestaan uit kleine groepjes die regelmatig verhuizen. In een kolonie zijn de dieren nauw aan elkaar verwant langs de vrouwelijke lijn. Mannetjes migreren weg van het geboortegebied en zorgen voor verspreiding van de genen. Foerageergebieden Het jachtgebied is klein en ligt in een straal van 1 à 2 km rond de kolonie. De Bechsteins vleermuis verlaat het bos niet als ze zich verplaatst tussen jachtgebieden en kolonie. Het is een strikt bosgebonden soort die foerageert in structuurrijke bossen met een weelderige ondergroei. Ze worden voornamelijk aangetroffen in oude loofbossen die perceelsgewijze of individueel gemengd zijn met naaldhout. Er lijkt eveneens een voorkeur te bestaan voor gebieden met reliëf. Het dieet bestaat enerzijds uit insecten die van de vegetatie en van de bodem worden geplukt zoals spinnen, dag-actieve vliegen, loopkevers,... (Araneidae, Diptera, Carabidae), maar anderzijds voor een groot percentage uit nachtvlinders (Noctuidae) die in de vlucht worden gevangen.
120 112 Soortenfiches 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: Ernstig bedreigd Bern conventie, appendix 2 Bonn conventie, appendix 2 Habitatrichtlijn EU, annex 2 en annex 4 IUCN rode lijst, kwetsbaar Populatietoestand Vlaanderen ligt op de grens van het verspreidingsareaal van deze soort. Er zijn enkel waarnemingen bekend in de mergelgroeven. De aantallen die tijdens de winter worden waargenomen zijn bijzonder laag maar dat geldt voor alle overwinteringsplaatsen in Europa. Tijdens het najaar worden jaarlijks echter meerdere dieren waargenomen die tijdens de nacht de groeve in en uit vliegen. Het is zeer goed mogelijk dat de groeven eerder belangrijk zijn als voortplantingsplaats dan wel als overwinteringsplaats. De aanwezigheid van deze dieren wijst er op dat zich in de omgeving van de groeven een zomerkolonie moet bevinden (rekening houdend met de korte migratieafstanden). In de zomer van 1999 werd in Wallonië, net over de taalgrens een kolonie gesignaleerd. Voornaamste bedreigingen Het is een soort die overal in lage densiteiten voorkomt en daardoor zeer kwetsbaar is. De voornaamste bedreiging is het verdwijnen van oude bosgebieden en de algemene achteruitgang van de natuurwaarde in het bos. De binding van deze soort met de mergelgroeven is niet duidelijk. Maar het ontbreken van verbindingselementen naar de mergelgroeven vormt ongetwijfeld een hinderpaal voor deze, strikt bosgebonden soort. Belangrijkste beschermingsmaatregelen Natuurgetrouwe bosbouw is voor deze soort extreem belangrijk. Oude loofbestanden met veel ondergroei (natuurlijke verjonging) gemengd met kleine naaldhoutbestanden verdienen de voorkeur. Voor kolonieplaatsen moeten holle bomen behouden blijven. Naar de mergelgroeven moeten verbindingselementen worden aangelegd. Om de groeven aantrekkelijk te maken als najaarshabitat kan bos worden aangeplant in de nabije omgeving. Opnieuw dringt grensoverschrijdende samenwerking zich op. De grensstreek rond de mergelgroeven is voor vleermuizen van uitzonderlijk belang en er moet een coherent beleid gevoerd worden in de verschillende gewesten. Bijkomend onderzoek Er moet onderzocht worden waar zich zomerkolonies bevinden en in hoeverre de dieren zich verplaatsen tussen Wallonië, Nederland en Vlaanderen. Verder onderzoek naar de functie van de mergelgroeven is eveneens aangewezen.
121 Meervleermuis Myotis dasycneme (Boie, 1825) Soortenfiches 113 Areaal De Meervleermuis is een soort uit Noord en Oost-Europa. Kraamkolonies liggen in de noordelijk gelegen delen van het verspreidingsgebied (o.a. Nederland, Noord-Duitsland, Denemarken, Zuid-Zweden). In de winter trekken de dieren gedeeltelijk naar het zuiden (België, Centraal- en Zuid-Duitsland,...). Lichaamsbouw en sonar De Meervleermuis heeft een gelijkaardige lichaamsbouw als de Watervleermuis maar is een behoorlijk stuk groter (spanwijdte 20-30cm). Enkel de vleugels zijn in verhouding nog iets smaller. De vlucht is dan ook snel en rechtlijnig, meestal 0,5 tot 1 m boven het wateroppervlak. De sonar is van het FM-type maar boven grote open wateroppervlakken vlakt het signaal af tot een FM-qcf signaal. Voortplanting De vrouwtjes worden slechts na 2 jaar geslachtrijp. De jongen worden geboren rond 15 juni en zijn zelfstandig omstreeks 15 juli. De paringen vinden plaats vanaf augustus. De mannetjes nemen een territorium in en vormen een harem. Deze kleine groepjes bestaande uit 1 mannetje met verschillende vrouwtjes verblijven op uiteenlopende plaatsen, o.a. in vleermuiskasten en spouwmuren. Ook in de winterverblijfplaatsen worden nog paringen waargenomen. Winterverblijfplaatsen De Meervleermuis is een lange-afstandtrekker. Uit ringonderzoek bleek dat dieren uit Noord- Nederland in de Ardennen in grotten en Belgische en Nederlands mergelgroeven kwamen overwinteren. Ook vanuit Noord-Duitsland is er een duidelijk trek naar meer zuidelijke gebieden. De afstanden die hierbij worden afgelegd variëren van 100 tot 330 km. De Meervleermuis wordt tijdens de winter waargenomen in grotten, groeven en kleine objecten. In België vindt men ze bijna uitsluitend in forten en mergelgroeven. De afgelopen jaren worden in Nederland een toenemend aantal dieren in bunkers waargenomen terwijl de aantallen in de Belgische groeven en grotten afnemen. Dit gegeven samen met het feit dat het aantal dieren dat in de zomerkolonies wordt geteld beduidend hoger is dan de aantallen in de winterverblijfplaatsen doet vermoeden dat het trekgedrag van de dieren de laatste decennia is gewijzigd. Men veronderstelt dat een groot deel van de dieren nu in de omgeving van de zomergebieden in spouwmuren overwintert. Zomerverblijfplaatsen Het is een gebouwbewonende soort die in twee types van verblijfplaatsen wordt aangetroffen. Grote groepen verblijven in kerken. In tegenstelling tot de meeste soorten verblijven ze niet op de zolder maar in de torenspits. In Noord-Nederland verblijft het overgrote deel van de kolonies in spouwmuren van gewone huizen. De kraamkolonies zijn algemeen zeer groot, in Nederland gemiddeld 150 vrouwtjes. In Nederland neemt het aantal kolonies in kerken af en worden steeds meer kolonies in gewone huizen gevonden. Mogelijk heeft zich ook hier een gedragswijziging voorgedaan. Foerageergebieden
122 114 Soortenfiches De Meervleermuis foerageert op grote afstand van de kolonie. Verplaatsingen van 10 km en meer zijn geen zeldzaamheid. Kanalen en rivieren vormen de belangrijkste verbindingsroutes maar ook bomenrijen en houtwallen worden gebruikt. De dieren foerageren voornamelijk boven grote open waterplassen, rivieren en kanalen. Ze vermijden plaatsen met veel waterplanten. Poldergebieden met grote brede kanalen vormen in Nederland een geliefkoosd habitat. In andere gebieden worden de dieren vooral aangetroffen op grote plassen en meren (bv. zandwinningsputten en kreken). Het dieet van de Meervleermuis werd nog niet onderzocht. Uit het jachtgedrag valt af te leiden dat de soort vooral watergebonden insecten eet. De Meervleermuis vangt voornamelijk insecten die hoger boven het water vliegen maar ze is ook in staat om insecten van het wateroppervlak te plukken. 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: Bedreigd Bern conventie, appendix 2 Bonn conventie, appendix 2 Habitatrichtlijn EU, annex 2 en annex 4 IUCN rode lijst: kwetsbaar Populatietoestand Van de Meervleermuis werd verondersteld dat ze enkel in de winterperiode in Vlaanderen voorkwam. Er waren gegevens bekend uit de Mergelgroeven en enkele forten. De aantallen zijn sterk afgenomen in de periode tussen 1950 en Momenteel is de populatie in de forten zeer laag en het is onmogelijk om vast te stellen of ze positief dan wel negatief evolueert. In de mergelgroeven lijkt er een voorzichtige stijging in de aantallen waarneembaar maar ook hier zijn de aantallen klein. Er werden, vooral in het najaar ook wel eens waarnemingen verricht van foeragerende vleermuizen waarvan verondersteld werd dat het trekkende dieren waren. Tijdens de zomer van 1998 werden in de omgeving van Ieper een kleine groep (ca. 10 dieren) Meervleermuizen opgemerkt. Ondertussen staat vast dat de dieren de ganse zomer aanwezig zijn. De vliegroute en een deel van de jachtgebieden konden gelokaliseerd worden maar de exacte kolonieplaats is voorlopig nog onbekend. Ook in Zeeuws-Vlaanderen zijn niet ver van de grens twee kleine kolonie bekend (Sluis en Oostburg). De foerageergebied van deze kolonie strekt zich uit tot in Vlaanderen. Zo werden er dieren waargenomen boven het kanaal Gent-Terneuzen en boven diverse kreken in de omgeving. Mogelijk zijn in het Vlaamse krekengebied eveneens zomerkolonies aanwezig. Ook op ander plaatsen (Assenede, Knokke-Heist, Ranst, Brasschaat) werden afgelopen jaar Meervleermuizen waargenomen. Mogelijk is de soort in de zomer meer verspreid dan algemeen werd aangenomen en zal door het gebruik van opname-apparatuur en betere bat-detectors het aantal waarnemingen nog toenemen. Het is niet geheel duidelijk hoe de Europese populatie de afgelopen jaren is geevolueerd. Er worden in de klassieke winterverblijfplaatsen nog weinig dieren waargenomen maar mogelijk heeft dit te maken met verschuivingen in het overwinteringsgedrag. Voornaamste bedreigingen Er is weinig geweten over populatieverandering en het is bijgevolg ook niet duidelijk welke factoren voor de Meervleermuis een bedreiging vormen. In de tweede helft van de eeuw zijn wel verschillende kerkbewonende kolonies zwaar getroffen door het gebruik van toxische houtconserveringsmiddelen. Verstoring in de winterverblijfplaatsen is ook een negatieve factor.
123 Soortenfiches 115 Belangrijkste beschermingsmaatregelen De winterverblijfplaatsen (mergelgroeven en forten moeten beschermd worden). Over de aanwezigheid van zomerkolonies in Vlaanderen is weinig of geen informatie beschikbaar. De jachtgebieden die gebruikt worden door de kolonies wettelijke beschermd moeten worden. Bijkomend onderzoek Het is zeer goed mogelijk dat in Vlaanderen nog zomerkolonies voorkomen. Om dit na te gaan zou een uitgebreide inventarisatie van potentiele foerageergebieden met behulp van bat-detectors moeten worden georganiseerd. Van de reeds gekende kolonie moeten de exacte kolonieplaatsen opgespoord worden zodat bescherming mogelijk wordt.
124 116 Soortenfiches Ingekorven vleermuis Myotis emarginatus (Geoffroy, 1806) Areaal De Ingekorven vleermuis is een zuidelijke soort. Vlaanderen ligt op de bovengrens van het verspreidingsgebied. Lichaamsbouw en sonar De Ingekorven vleermuis is een middelgrote vleermuis. Alhoewel het een soort is die dicht tegen de vegetatie jaagt heeft ze een hoog lichaamsgewicht en niet zo brede vleugels. Er zijn weinig waarnemingen van het vlieggedrag maar die wijzen erop dat de vlucht over het algemeen sneller is dan bij andere gleaners. De sonar is van het FM-type. Zoals de meeste soorten die dicht tegen de vegetatie jagen gebruikt ze zeer zwakke geluiden (fluistersonar), die met een bat-detector niet of nauwelijks hoorbaar zijn. Voortplanting De dieren worden seksueel actief in hun 2de levensjaar. De jongen worden geboren tussen 15 juni en 15 juli. De geboortedatum is, zoals voor andere zuidelijke soorten, afhankelijk van de weersomstandigheden. De jongen zijn vliegvlug na ongeveer 4 weken. In Vlaanderen vliegen de jongen voor het eerst uit rond 1 augustus. De paringen vinden plaats tijdens het najaar. Het is niet duidelijk of hiervoor gebruik wordt gemaakt van tijdelijke verblijfplaatsen. De waarnemingen in Frankrijk, van kleine groepjes dieren die overdag net onder de dakrand tegen de buitengevel van gewone huizen verblijven, wijst mogelijk in die richting. Ook in de winterverblijfplaatsen worden paringen waargenomen. Winterverblijfplaatsen De Ingekorven vleermuis is een warmteminnende soort die tijdens de winter enkel in de diepste, warme gedeeltes van grotten, groeven en grote forten wordt aangetroffen. Ze geven de voorkeur aan omgevingstemperaturen tussen 5 o en 9 o C. De soort wordt meestal vrij hangend aangetroffen, vaak in kleine clusters. Het is een zeer verstoringsgevoelige soort. De vleermuizen arriveren reeds vroeg in de winterverblijfplaatsen (september-oktober) en blijven ook tot zeer laat in het voorjaar (half april) Het is een middellange afstandstrekker die afstanden tot 40 km aflegt tussen zomergebied en winterverblijfplaats. De maximale afstand ooit waargenomen is 160 km. Zomerverblijfplaatsen In het zuiden van het verspreidingsgebied is het een typische grotbewoner. In het Noorden (o.a. België) zijn kolonies gevestigd op warme, grote zolders. De soort wordt ook aangetroffen in de torenspitsen. Het is een soort met een bijzondere plaatstrouw die jaar na jaar naar dezelfde plaatsen terugkeert. In Frankrijk zijn verschillende kolonies bekend in gebouwen die druk gebruikt worden, zonder dat de dieren zich daar aan lijken te storen (scholen, opslagruimtes,...). Ervaringen in eigen land wijzen er dan weer op dat soort snel verstoord is bij het betreden van de kolonieplaats. De Ingekorven vleermuis gebruik bij voorkeur grote invliegopeningen die een directe vlucht toelaten maar ook kleinere toegangen worden gebruikt. Nu en dan gebruiken ingekorven vleermuizen tijdelijke verblijfplaatsen dichter bij het foerageergebied, op 2,5 tot 10 kilometer afstand van de eigenlijke kolonieplaats. Solitaire dieren verblijven soms in holle bomen en andere secundaire verblijfplaatsen zoals bunkers en forten. Foerageergebieden
125 Soortenfiches 117 Er is nog slechts weinig onderzoek verricht naar het jachtgedrag van de Ingekorven vleermuis. Uit een studie in Beieren blijkt dat de dieren verder dan 10 km van de kolonieplaats gaan jagen, maar mogelijk is dit omdat in de nabije omgeving geen geschikte jachthabitats meer voorhanden zijn. De vliegroutes verlopen langs dreven, bosranden en houtkanten. Als jachtgebied verkiest de Ingekoven vleermuis bossen, riviertjes omgeven door bomen en parklandschappen. Hier jagen ze vooral in en rond de boomkruinen. Uit voedselanalyse blijkt dat eveneens veel mestvliegen worden gegeten maar het is niet duidelijk of die worden gevangen boven weilanden dan wel in stallen en veeschutplaatsen zoals werd vastgesteld in Beieren. Ook boomgaarden worden vaak als jachtgebied benut. In Frankrijk werd vastgesteld dat notelaars een bijzondere aantrekking hebben op de Ingekorven vleermuis. Dit heeft mogelijk te maken met het grote aantal spinnen dat op deze boomsoort verblijft. De Ingekorven vleermuis is een echte voedselspecialist. Het dieet bestaat uitsluitend uit spinnen (Araneidae) en mestvliegen (Calliphoridae). Vlinders en gaasvliegen (Lepidoptera en Neuroptera) worden slecht occasioneel aangetroffen. Tijdens telemetrie-onderzoek in Duitsland kon men waarnemen hoe de vleermuizen in een koeienstal mestvliegen van het plafond plukten. De spinnen zijn bijna allemaal webbouwende soorten en het vermoeden bestaat dat de vleermuizen de spinnen niet vangen door ze van de bladeren te plukken maar door in volle vlucht door het spinnenweb te vliegen. Hierover bestaat echter nog geen uitsluitsel. 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: Ernstig bedreigd Bern conventie, appendix 2 Bonn conventie, appendix 2 Habitatrichtlijn EU, annex 2 en annex 4 IUCN rode lijst: kwetsbaar Populatietoestand De Ingekorven vleermuis is één van de soorten die in de loop van deze eeuw een sterke achteruitgang heeft gekend, vooral aan de randen van zijn verspreidingsgebied. De achteruitgang in onze streken is vooral gedocumenteerd aan de hand van wintertellingen. Tijdens de jaren 50 werd de soort in grote aantallen aangetroffen in de Nederlandse en Belgische mergelgroeven. In de Nederlandse groeven heeft men berekend dat de aantallen met een factor 10 zijn afgenomen. Vanaf de jaren 80 wordt in Nederland een lichte stijging waargenomen. Ook in Vlaanderen kent de soort de laatste 20 jaar opnieuw een lichte stijging, vooral in de forten. Opvallend is dat de soort enkel overwintert in forten en groeven die volledig zijn afgesloten voor het publiek en waar verstoring als dusdanig totaal ontbreekt. Alhoewel de soort lichtjes herstelt, liggen de aantallen nog steeds een heel stuk lager dan de oorspronkelijke aantallen. Er bestaan geen historische gegevens over zomerkolonies van Ingekorven vleermuizen in Vlaanderen, uitgezonderd een kolonie in de mergelgroeve van Sint-Pietersberg (gemengd met Kleine- en Grote hoefijzerneus). Deze kolonie is thans volledig verdwenen. Er zijn momenteel in gans Vlaanderen slechts 6 kolonies gekend, allemaal op kerkzolders (2 in de Voerstreek, 2 in het Hageland in Brabant en 2 in West-Vlaanderen). Uit gesprekken met de plaatselijke bevolking blijkt dat de kolonies die nu gekend zijn, reeds gebruikt worden door vleermuizen zo lang men zich kan herinneren. Eén van de kolonies in Brabant, die nu nog bestaat uit enkele vleermuizen, is volgens plaatselijke bronnen minstens sinds 1930 aanwezig zijn. De kolonie bestond toen uit verschillende tientallen vleermuizen. Voornaamste bedreigingen De Ingekoven vleermuis is een kwetsbare soort die nog steeds op verschillende manieren bedreigd wordt. Onder andere door:
126 118 Soortenfiches Verstoring in de winterverblijfplaatsen. Het is een soort die bijzonder gevoelig is voor verstoring en die bovendien een zeer lange winterslaap houdt. Absolute rust is voor de dieren noodzakelijk. Aangezien het een gebouwbewonende soort is, vormen renovatiewerken en houtbehandeling een ernstige bedreiging. De Ingekorven vleermuis maakt bij voorkeur gebruik van grote invliegopeningen. Die zijn echter op de meeste kerken afgesloten tegen duiven. Alhoewel de vleermuizen ook gebruik maken van kleine vliegopeningen is niet geweten welke impact het afsluiten van de normale vliegopening heeft op jonge dieren die pas leren vliegen. De Ingekorven vleermuis is bijzonder gevoelig voor verlichting van de vliegopening en de vliegroute. Grote spots die op de kerk zijn gericht veroorzaken een afwijkend uitvlieggedrag. Het verdwijnen van bossen en hoogstamboomgaarden en van de verbindingselementen tussen deze biotopen naar de kolonieplaats betekent een afname van de geschikte jachthabitats. Aangezien de Ingekorven vleermuis een hoog percentage mestvliegen vangt is deze soort afhankelijk van extensieve veeteelt. Omschakeling naar industriële veeteelt én het gebruik van anti-parasitaire middelen in het dierenvoeder hebben een negatieve impact. Belangrijkste beschermingsmaatregelen De Ingekorven vleermuis komt, zowel tijdens de winter als tijdens de zomer, slechts op een beperkt aantal plaatsen voor. Het beleid moet dan ook in eerste instantie gericht zijn op die gebieden. Bijkomend kan ook op andere plaatsen een beheer gevoerd worden zodat de populatie de kans krijgt zich uit te breiden. De gekende winterverblijfplaatsen, waarvan enkele nu een onzeker statuut hebben, moeten wettelijk beschermd worden. Praktische beheersmaatregelen moeten absolute rust waarborgen. Ook nabijgelegen winterverblijfplaatsen moeten ook worden beschermd en ingericht. De gekende kolonieplaatsen moeten eveneens een beschermd statuut krijgen. Dit kan inhouden dat houtbehandeling verboden wordt en dat renovatiewerken enkel tijdens de winter mogen worden uitgevoerd. Omdat niet duidelijk is in hoeverre de kraamkolonies gevoelig zijn aan verstoring zou de zolder moeten worden afgesloten, liefst met een hek want de dieren migreren vaak tussen de zolder en de kerktoren. De uitvliegopeningen, die nu vaak met gaas zijn afgesloten, moeten worden aangepast voor vleermuizen. Verlichtingsspots gericht op de uitvliegopening of op de vliegroute zouden verplaatst moeten worden zodat minstens 1 zijde van de kerk duister blijft. De kolonieplaatsen moeten door verbindingselementen verbonden worden met de bossen in de omgeving. Ook tussen de, vaak gefragmenteerde bosgebieden, moeten houtwallen en dreven worden aangelegd. In een straal van minstens 5 km rond de kolonie zou het gebruik van anti-parasietmiddelen in het veevoeder streng gelimiteerd moeten worden (eventueel alleen in de winter toestaan) en het behoud van extensieve veeteelt bevorderd worden. Bijkomend onderzoek Het is mogelijk dat er nog andere zomerkolonies in Vlaanderen aanwezig zijn. In het bijzonder in West-Vlaanderen en het Hageland zouden kerkzolders, kloosters en kastelen verder geïnventariseerd moeten worden. Onderzoek van het jachtgedrag zou moeten nagaan of de mestvliegen boven weilanden dan wel in stallen en schuren worden gevangen. Afhankelijk van de jachtmethode moet immers een totaal ander beheer gevoerd worden.
127 Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus (Schreber, 1774) Kleine dwergvleermuis Pipistrellus pygmaeus Soortenfiches 119 Tijdens bat-detector onderzoek in Groot-Brittanië tijdens de jaren 90 viel het op dat er twee types van sonar voorkwamen bij de Gewone dwergvleermuis. Sommige dieren hadden een piekfrequentie rond 45 khz, anderen rond 55 khz. Uit recent, genetisch onderzoek is gebleken dat het eigenlijk om 2 soorten gaat, respectievelijk de Gewone dwergvleermuis, Pipistrellus pipistrellus en de Kleine dwergvleermuis Pipistrellus pygmaeus. Het voorkomen van P. pygmaeus in Vlaanderen is nog niet grondig onderzocht. Uit voorlopige analyses blijkt wel dat de soort hier voorkomt. Onderstaande gegevens hebben betrekking op beide soorten, bij de ecologische studies die tot dusver werden uitgevoerd werd immers geen onderscheid gemaakt. Areaal De dwergvleermuis komt vrijwel overal in Europa voor, oostelijk tot Afghanistan, zuidelijk tot Noord-Afrika en ontbreekt enkel in het Noorden van Scandinavië. In België is het de meest algemene soort die wordt aangetroffen in een grote verscheidenheid aan biotopen. Lichaamsbouw en sonar De dwergvleermuis is de kleinste Europese vleermuissoort (spanwijdte cm). De vleugels zijn redelijk smal maar door zijn klein lichaamsgewicht is de vleugelbelasting. De dwergvleermuis is daardoor in staat om redelijk traag en wendbaar te vliegen. De sonar is van het fm-qcf type, met de piekfequentie rond 45 khz (P. Pipistrellus) of rond 55 khz (P. Pygmaeus). Voortplanting Wijfjes en een klein deel van de mannetjes zijn na één jaar geslachtsrijp. De meeste mannetjes worden sexueel actief na 2 jaar. De jongen worden vanaf begin juni geboren en zijn vliegvlug na 4 weken. In het Zuiden en het Oosten van het verspreidingsgebied krijgen de vrouwtjes vaak 2 twee jongen. De paring vind plaats tijdens de herfst. De mannetjes nemen een territorium in en trachten door baltsroepen zoveel mogelijk vrouwtjes aan te lokken. Territoriale mannetjes en hun harem verblijven in gebouwen, vleermuiskasten en holle bomen. Winterverblijfplaatsen In Oost- en Noord-Europa overwinteren de dieren in grote groepen in kerken, kelders en grotten. In onze streken overwinteren de dieren vermoedelijk in gewone huizen in de spouwmuren en tussen daktimmerwerk. Een klein percentage wordt teruggevonden in de forten waar ze meestal tussen houten deurstijlen wegkruipen. Ze verdragen zeer goed koude temperaturen (2-6 C). De soort vertoont gedurende de gehele winterperiode een zekere mate van activiteit welke door het weer wordt gereguleerd. Dwergvleermuizen nemen tijdens de winter de temperatuur van de omgeving aan. Op zachte winterdagen is het voor de dwergvleermuis voordeliger om te gaan foerageren i.p.v. in winterslaap te blijven en hun vetreserves te verbruiken Over trekafstanden tussen zomergebied en winterverblijfplaats zijn voor onze streken geen gegevens bekend. Vermoedelijk overwinteren ze in de nabije omgeving van de zomerkolonie, mogelijk zelfs in dezelfde gebouwen.
128 120 Soortenfiches Zomerverblijfplaatsen De Gewone dwergvleermuis is een gebouwbewonende soort die vooral in gewone huizen wordt aangetroffen. Ze komt zowel voor in landelijke bebouwing als in grote stadscentra. De kolonies verblijven in de spouwmuur, tussen twee verdiepingen, in rolluikkasten, achter houten betimmering, enz. Om de kolonieplaats te bereiken hebben de vleermuizen slechts een spleetje nodig van 1cm breed. Een kolonie gebruikt een aantal kolonieplaatsen waartussen zij regelmatig verhuist. Foerageergebieden De afstand tussen kolonieplaats en foerageergebieden bedraagt maximum 5 km. De vliegroutes lopen langs allerlei landschapselementen. Zowel natuurlijke elementen (dreven, hagen en bosranden) als antropogene structuren (muren en huizenrijen) worden gebruikt. De dwergvleermuis is een echte opportunist die zich sterk heeft aangepast aan de menselijke aanwezigheid. De dieren foerageren bij voorkeur in halfopen ruimtes en worden aangetroffen in zeer uiteenlopende biotopen (bos, park, tuinen, boven vijvers,...). De soort wordt vaak aangetroffen in de buurt van straatverlichting. Water vormt een belangrijk habitat, vermoedelijk vooral in de lente en de herfst. Het dieet is zeer uiteenlopend en sterk afhankelijk van het plaatselijk insectenaanbod. Dwergvleermuizen vangen vooral kleine vliegende insecten (1-12 mm groot). Muggen, dansmuggen, gaasvliegen, vlinders (Nematocera, Chironomidae, Neuroptera en Lepidoptera) en verscheidene andere insectengroepen werden in de uitwerpselen teruggevonden. 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: niet opgenomen Bern conventie, appendix 3 Bonn conventie, appendix 2 Habitatrichtlijn EU, annex 4 IUCN rode lijst: niet opgenomen Populatietoestand De gewone dwergvleermuis is in gans Europa de meest algemene soort en lijkt niet bedreigd te zijn. In kraamkolonies in Groot-Brittannië werd de afgelopen 20 jaar toch een daling vastgesteld van de aantallen. Ook in Vlaanderen is de dwergvleermuis de meest algemene soort die tot in de grote steden wordt waargenomen. Tijdens de wintertellingen worden steeds meer dwergvleermuizen waargenomen. Dit heeft vermoedelijk niet te maken met een stijging in de aantallen maar is het eerder een weerspiegeling van het feit dat de tellingen grondiger worden uitgevoerd. Voornaamste bedreigingen Er zijn, althans voor Vlaanderen, geen redenen om aan te nemen dat de soort in zijn geheel bedreigd wordt. Individuele kolonies worden dikwijls wel bedreigd doordat de eigenaars van het huis waar de kolonie verblijft de dieren wenst te verdrijven of te doden. De vliegopening wordt door verontruste bewoners vaak dichtgestopt waardoor dieren in de kolonieplaats opgesloten geraken. Of andere middelen (tot en met besproeien met insecticiden) worden toegepast om de vleermuizen te verwijderen. Belangrijkste beschermingsmaatregelen Gezien zijn status is het voor de gewone dwergvleermuis niet noodzakelijk een soortspecifiek beschermingsbeleid uit te werken. Om kolonies in huizen te beschermen moet de bevolking voorgelicht worden over het nut en de kwetsbaarheid van vleermuizen. Het aanduiden van een officiële instantie die kan instaan voor het informeren en adviseren van (ongeruste) bewoners is hierbij zeer belangrijk. Bijkomend onderzoek Het voorkomen en de populatiestatus van de Kleine dwergvleermuis zou moeten onderzocht worden.
129 Soortenfiches 121 Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii (Keyserling & Blasius, 1839) Areaal De kern van het verspreidingsgebied van de Ruige dwergvleermuis ligt in Centraal en Oostelijk Europa. In de winter is het areaal groter door de seizoenale trek. Zomerkolonies liggen hoofdzakelijk in het noorden. Lichaamsbouw en sonar De Ruige dwergvleermuis is iets groter dan de Gewone dwergvleermuis. De vleugels zijn iets breder en de vlucht is iets sneller en rechtlijniger. De sonar is eveneens van het fm-qcf type. In gesloten habitats evolueert dit naar een FM-qcf signaal. Voortplanting Wijfjes worden in het eerste jaar seksueel actief, mannetjes na 2 jaar. De jongen worden geboren in de tweede helft van juni. De geboorte van tweelingen wordt zeer regelmatig waargenomen. Na ongeveer 4 weken zijn de jongen vliegvlug. De paringsperiode is sterk gebiedsgebonden. In het noorden van het verspreidingsgebied vinden de paringen plaats tijdens augustus, in Duitsland in augustus-september. De dieren trekken in het najaar naar het Zuiden om te overwinteren en te paren. In Nederland komen de mannetjes eerst aan (rond half augustus) en de vrouwtjes ongeveer een maand later. Tijdens de paartijd nemen de mannetjes een territorium in en trachten ze vrouwtjes te lokken met een baltsroep. Paargezelschappen verblijven in holle bomen, achter losse schors en in platte vleermuiskasten. Winterverblijfplaatsen Over winterverblijfplaatsen van de Ruige dwergvleermuis is weinig geweten. Tijdens milde winters werden kleine groepjes in vleermuiskasten aangetroffen. Vermoedelijk overwintert een groot deel van de dieren in holle bomen. Ook tussen houtstapels worden wel eens Ruige dwergvleermuizen gevonden. Zoals hoger reeds aangehaald trekken de vleermuizen tijdens het najaar zuidwaarts. Trekafstanden van 1000 km en meer zijn niet uitzonderlijk. Het maximum ooit waargenomen is 1600 km. Zomerverblijfplaatsen De Ruige dwergvleermuis gebruikt vooral holle bomen en ook wel vleermuiskasten als zomerverblijfplaats. In Oost-Europa komt ze ook voor in gebouwen. In Nederland en waarschijnlijk ook in België worden in de zomer bijna enkel mannetjes waargenomen. Toch is het mogelijk dat ook hier kraamkolonies voorkomen. Boombewonende vleermuizen worden vooral aangetroffen achter losse schors en in spleten en scheuren. In Nederland worden vaak dieren gevonden in oude Grove dennen (Pinus sylvaticus). Foerageergebieden De vleermuizen foerageren meestal in de nabije omgeving van hun kolonie. De afstanden die hierbij worden afgelegd zijn niet gekend. Verplaatsingen tussen bosgebieden verlopen langs verbindingselementen. Ruige dwergvleermuizen worden hoofdzakelijk aangetroffen in waterrijke bosgebieden. Hun verspreiding blijkt in sterke mate gebonden te zijn aan riviervalleien met oude loofbossen. In deze gebieden kunnen hoge densiteiten bereikt worden, terwijl enkele kilometers verder geen enkel dier
130 122 Soortenfiches meer wordt waargenomen. Ze worden regelmatig waargenomen in dennenbossen maar dit heeft mogelijk meer te maken met hun voorkeur voor dennen als verblijfplaats. Over het dieet is weinig gekend maar waarschijnlijk eten ze vooral dansmuggen (Chironomidae). 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: vermoedelijk bedreigd Bern conventie, appendix 2 Bonn conventie, appendix 2 Habitatrichtlijn EU, annex 4 Populatietoestand De Ruige dwergvleermuis is zeer abundant in het Oosten en Noorden van Europa en uit monitoring blijkt dat de aantallen stabiel zijn. De populatietoestand in West-Europa is minder goed gekend. Vooral in het najaar worden in Nederland en Duitsland grote aantallen aangetroffen in vleermuiskasten. In de zomer worden ook vleermuizen waargenomen maar vermoedelijk zijn dat voornamelijk mannetjes. In West-Europa kent de Ruige dwergvleermuis een vleksgewijze distributie. Op sommige plaatsen, vooral in de buurt van rivieren en kanalen, wordt de soort regelmatig aangetroffen en enkele kilometers verder zijn ze totaal afwezig. De situatie in Vlaanderen is zeer slecht gekend. Van de weinige waarnemingen is het niet duidelijk of het gaat om solitaire mannetjes, vrouwtjes of paargezelschappen. Voornaamste bedreigingen Over de ecologie van deze soort is onvoldoende informatie beschikbaar om exact aan te duiden waar de mogelijke bedreigingen liggen. In onze streken is de afwezigheid van oude bomen met spleten en scheuren ongetwijfeld het grootste probleem. Belangrijkste beschermingsmaatregelen Het behoud van holle bomen is belangrijk. In het bijzonder het behoud van oude dennen (>150 jaar) kan positief zijn voor het behoud van deze soort. Bijkomend onderzoek De verspreiding van deze soort moet verder onderzocht worden. Het is niet duidelijk in hoeverre Vlaanderen een rol speelt in als voortplantingsgebied of als overwinteringsgebied. Batdetectorsstudies en eventueel onderzoek met behulp van vleermuiskasten moeten hierover meer duidelijkheid verschaffen.
131 Laatvlieger Eptesicus serotinus (Schreber, 1774) Soortenfiches 123 Areaal De Laatvlieger komt voor in bijna heel Europa. De soort ontbreekt in Ierland en in het grootste deel van de Scandinavische landen. Lichaamsbouw en sonar De Laatvlieger is één van de grootste inheemse soorten (spanwijdte 31,5-38 cm) met zeer brede vleugels. De vlucht is snel en wendbaar. De sonar is van het fm-qcf signaal met piekfrequentie rond 30 khz. Voortplanting Wijfjes zijn geslachtsrijp na 1 jaar. Voor mannetjes is dit niet geweten. De jongen worden geboren in de tweede helft van juni en zijn na 4-5 weken (vanaf 15 juli) vliegvlug. Over het tijdstip van de voortplanting is weinig informatie beschikbaar. Waarschijnlijk vinden de paringen plaats tijdens het najaar. Winterverblijfplaatsen De Laatvlieger overwintert op vrij droge plaatsen in gebouwen (kerkzolders, spouwmuren van huizen). Mogelijk brengen ze de winter door in dezelfde gebouwen waar ze gedurende de zomer verblijven. Alhoewel het in de zomer een algemene soort is, zijn er weinig winterverblijfplaatsen gekend. In de klassieke winterverblijfplaatsen worden af en toe enkele dieren waargenomen. Doordat weinig winterverblijfplaatsen gekend zijn, is ook over het trekgedrag weinig informatie. Er wordt verondersteld dat het een korte afstandstrekker is die in de zomergebieden overwintert. Toch zijn er verplaatsingen van meer dan 100 km waargenomen. De maximale afstand ooit waargenomen bedraagt 330 km. Zomerverblijfplaatsen De Laatvlieger wordt als een cultuurvolger beschouwd omdat de kolonies in gebouwen gevestigd zijn. De soort wordt vooral aangetroffen op (kerk)zolders maar er zijn ook kolonies gekend in spouwmuren van gewone huizen. Kolonies op zolders zitten over het algemeen goed verborgen tussen het timmerwerk en de dakpannen. De vleermuizen gebruiken vooral spleetvormige toegangen om in de gebouwen te geraken, maar ze maken ook gebruik van grotere vliegopeningen. Foerageergebieden Het is een stevig gebouwde soort die niet aarzelt om open vlaktes over te steken en daardoor ook minder gebonden is aan landschapselementen voor zijn vliegroutes. De dieren foerageren meestal binnen een straal van 1km, en maximaal tot 4 km van de verblijfplaatsen. De Laatvlieger foerageert in open en halfopen landschappen. Het is een soort die sterk gebonden is aan kleinschalige landbouwgebieden, met veel landschapselementen en extensieve veeteelt. De binding met de dreven en bosranden is opmerkelijk omdat de Laatvlieger boven de weilanden foerageert en de landschapselementen als dusdanig niet benut als vliegroute noch als jachtgebied. De aanwezigheid van deze landschapselementen is echter noodzakelijk voor de insecten waar de Laatvlieger op jaagt. Indirect zijn ze daarom ook voor de vleermuizen van groot belang. Natte weilanden of polders doorsneden met kleine beekjes behoren eveneens tot de favoriete jachtgebieden. Laatvliegers jagen eveneens in parkachtige landschappen, moerassige gebieden en
132 124 Soortenfiches worden wel eens opgemerkt in de buurt van straatverlichting. In sommige seizoenen worden ook veel laatvliegers waargenomen in brede bosdreven. Het dieet bestaat hoofdzakelijk uit kevers en nachtvlinders. In het voorjaar specialiseren ze zich op meikevers (Melolontha melolontha), in augustus op mestkevers (Geotrupidae). De vlinders die ze vangen zijn voor het grootste deel van het geslacht van de Noctuidae. Daarnaast worden ook langpootmuggen (Tipulidae), dansmuggen (Chironomidae) en ander muggen en vliegen (Diptera) gegeten. 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: niet opgenomen Bern conventie, appendix 2 Bonn conventie, appendix 2 Habitatrichtlijn EU, annex 4 IUCN rode lijst: niet opgenomen Populatietoestand Er zijn geen monitoringgegevens beschikbaar voor deze soort. In de meeste Europese regio s lijken de aantallen stabiel te zijn, maar het is zeer moeilijk hierover een objectieve beoordeling te maken. Ook voor Vlaanderen is het, bij aan gebrek gegevens, onmogelijk een uitspraak te doen over de populatietoestand. De verspreidingsgegevens die momenteel beschikbaar zijn laten niet toe gefundeerde uitspraken te doen over de verspreiding in Vlaanderen. Maar het lijkt erop dat de kernen van de Laatvliegerpopulatie zich in de Antwerpse Noorderkempen en in de West-Vlaamse polders bevinden. In Brabant is de Laatvlieger eerder zeldzaam. Voornaamste bedreigingen Renovatiewerken en houtbehandeling vormen een ernstige bedreiging. Kolonieplaatsen worden vaak onbereikbaar doordat de toegangen volledig worden afgesloten. Het verdwijnen van kleinschalige landschappen in de nabije omgeving van de kolonieplaats. Drainage van weilanden en omzetting naar akkers. Door het gebruik van pesticiden en door het gebruik van anti-parasitaire geneesmiddelen in het dierenvoeder is de insectendiversiteit en in het bijzonder het aantal mestkevers sterk gedaald. Deze vormen een belangrijk aandeel in het dieet van de Laatvlieger. Belangrijkste beschermingsmaatregelen De gekende kolonieplaatsen moeten eveneens een beschermd statuut krijgen. Omdat het mogelijk is dat de dieren ook tijdens de winter aanwezig zijn moet men voorzichtig zijn met houtbehandeling en/of renovatie tijdens de winter. De herfst of lente zijn hier meer aangewezen. Bij renovatie moeten vliegopeningen voor vleermuizen voorzien worden. In een straal van minstens 5 km rond de kolonie zou het gebruik van anti-parasitaire middelen in het veevoeder streng gelimiteerd moeten worden (eventueel alleen in de winter toestaan) en het behoud van extensieve veeteelt bevorderd worden. In de omgeving van de kolonieplaatsen moeten landschapselementen behouden of heraangelegd worden.
133 Rosse vleermuis Nyctalus noctula (Schreber, 1774) Soortenfiches 125 Areaal De Rosse vleermuis komt voor in heel Europa met uitzondering van Ierland en het noordelijk deel van de Scandinavische landen. Op het Iberisch schiereiland worden een aantal geïsoleerde populaties aangetroffen. Lichaamsbouw en sonar De Rosse vleermuis is één van de grootste vleermuissoorten in Vlaanderen (spanwijdte cm). De vleugels zijn lang en smal en bij uitstek geschikt voor een snelle, rechtlijnige vlucht. De sonar is van het fm-qcf type. Voortplanting Wijfjes worden na 1 jaar seksueel actief, mannetjes na 2 jaar. De jongen worden geboren tussen begin juni en 15 juli. In midden- en Oost-Europa worden regelmatig tweelingen geboren. De jongen zijn vliegvlug na 4 weken. De paringen vinden plaats in het najaar. De mannetjes nemen een territorium in rond een holle boom. Vanuit de boomholte trachtten ze met baltsroepen zoveel mogelijk wijfjes aan te trekken. Winterverblijfplaatsen De winterslaap wordt in onze streken uitsluitend in holle bomen doorgebracht. Meestal worden ze in grote groepen bijeen aangetroffen. In Duitsland is een groep boombewonende dieren van >700 individuen gekend. Voor het overige weet men zeer weinig over winterverblijfplaatsen in bomen. De meeste waarnemingen zijn dieren die werden gevonden nadat een holle boom geveld was. In Oost-Europa gebruiken ze ook gebouwen. Vaak zijn dat grote appartementsgebouwen opgebouwd uit prefab betonplaten waartussen de dieren een ideale schuilplaats vinden. De Rosse vleermuis is gekend als een lange afstandtrekker die tot 1600 km aflegt (langste afstand ooit waargenomen). Vanaf september trekken dieren van Noord- en Oost-Europa naar het zuiden. In West-Europa is de trek veel minder uitgesproken en zijn de dieren eerder sedentair. Zomerverblijfplaatsen In West-Europa zijn zomerkolonies enkel in bomen gevestigd. In Oost- en Centraal Europa ook in gebouwen, vleermuiskasten en in rotsspleten. Kolonies in bomen zijn meestal klein (enkele tientallen dieren), kolonies in gebouwen kunnen tot meer dan 100 individuen tellen. Boombewonende kolonies prefereren oude spechtenholen die naar boven toe zijn uitgerot. Kolonies worden in Vlaanderen voornamelijk aangetroffen in Eik, Amerikaanse eik en Beuk. In het voorjaar hebben de dieren soms te lijden onder competitie met holtebroedende vogels (spreeuwen en kauwen). De kolonie verhuist zeer regelmatig in de loop van het zomerseizoen maar ze blijven over de jaren heen zeer trouw aan hun kolonieplaatsen. Foerageergebieden De afstand tussen verblijfplaats en foerageergebied is zeer variabel. Als in de omgeving van de kolonie een geschikt jachtgebied aanwezig is dan blijven de dieren binnen een straal van ongeveer 6 km. Maar er zijn ook verplaatsingen van 20 km en meer gekend. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de schaarste aan verblijfplaatsen die de dieren noodzaakt om ver van de jachtgebieden een kolonieplaats te zoeken. De afstand tussen kolonie en foerageergebied wordt afgelegd door open habitats maar soms ook langs vaste verbindingsroutes zoals kanalen.
134 126 Soortenfiches De Rosse vleermuis jaagt bij voorkeur in waterrijke gebieden. Grote vijvers, meren en moerassen maken vormen een groot gedeelte van het jachtgebied. Daarnaast wordt ook gefoerageerd boven natte weilanden en akkers. De vleermuizen vliegen hoog, gemiddeld 5 tot 20 meter maar vaak tot 50 m hoog. Het dieet bestaat uit kevers (Carabidae) zoals de Meikever, vlinders (Lepidoptera), langpootmuggen (Tipulidae) en dansmuggen (Chironmidae). Alhoewel de Rosse vleermuis bij voorkeur in waterrijke gebieden jaagt is ze niet afhankelijk van strikt watergebonden soorten. 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: niet opgenomen Bern conventie, appendix 2 Bonn conventie, appendix 2 Habitatrichtlijn EU, annex 4 IUCN rode lijst: niet opgenomen Populatietoestand Dit is opnieuw een soort waar weinig of geen gegevens beschikbaar zijn om de status te beoordelen. Men gaat ervan uit dat de soort, ondanks zijn algemene verspreiding toch lichtjes achteruitgaat. In Nederland werd door middel van monitoring inderdaad aangetoond dat de aantallen dalen (zie figuur***). Voornaamste bedreigingen De belangrijkste oorzaak van achteruitgang is ongetwijfeld het verdwijnen van waterrijke gebieden en moerassen en het draineren van weilanden. Ook het tekort aan holle bomen is een probleem, zowel voor zomerkolonies als voor winterverblijfplaatsen. Overwinterende vleermuizen zijn bijzonder kwetsbaar en sterven vaak doordat de kolonieboom wordt omgehakt. Aangezien de dieren in grote groepen bijeenkomen wordt in 1 klap de populatie uit een grote regio getroffen. Belangrijkste beschermingsmaatregelen Er moet een coherent, integraal waterbeheer worden gevoerd dat ruimte laat voor natuurlijke meandering, overstromingsgebieden en moerassige zones. Bestaande moerasgebieden en waterrijke habitats moeten behouden worden. In het kader van een natuurgetrouw bosbeheer moeten holle bomen gespaard worden. In vleermuisrijke bosgebieden en natuurreservaten moeten holle bomen bij voorkeur in de herfst geveld worden om te vermijden dat winterslapende vleermuizen worden gedood. Als er aanwijzingen zijn dat er kolonies van Rosse vleermuizen voorkomen dan moet men extra voorzichtig zijn. Dit geld ook voor exoten zoals de Amerikaanse eik, die vaak als verblijfplaats wordt gebruikt door Rosse vleermuizen. Voor de bosarbeiders van AMINAL en de onderaannemers die vellingen uitvoeren in domeinbossen zou een richtlijn moeten worden uitgewerkt. In het geval dat vleermuizen worden aangetroffen bij een velling moet zo snel mogelijk een vleermuisdeskundige gecontacteerd worden. Bijkomend onderzoek Er is weinig of niets geweten over de vereisten die gesteld worden aan overwinteringsplaatsen en net zo min iets over hun voorkomen en verspreiding in Vlaanderen. In eerste instantie zou hiervoor met behulp van bat-detectors moeten worden nagegaan waar in het najaar grote concentraties Rosse vleermuizen voorkomen. In een volgende stap kunnen de exacte bomen worden opgespoord.
135 Bosvleermuis Nyctalus leisleri (Kuhl, 1817) Soortenfiches 127 Areaal De Bosvleermuis is een onopvallende soort en de verspreiding is onvolledig gekend. Ze komt in het ganse verspreidingsgebied in kleine aantallen voor, uitgezonderd in Ierland waar grote kolonies gekend zijn. Voor het overige wordt deze soort vooral waargenomen in Oost- en Centraal-Europa. Lichaamsbouw en sonar De Bosvleermuis is van lichaamsbouw zeer gelijkend op de Rosse vleermuis, enkel iets kleiner (26-32cm). De vleugels zijn nog smaller en meer aangepast aan een snelle vlucht. De sonar is van het fm-qcf type. Voortplanting Het is niet geweten wanneer de dieren seksueel actief worden De geboorte van de jongen ligt tussen 15 juni en 15 juli. Vaak worden tweelingen geboren. De paring vindt plaats in het najaar. De dieren vertonen een territoriaal gedrag dat zeer gelijkaardig is met dat van de Rosse vleermuis. Mannetjes trachten zoveel mogelijk vrouwtjes aan te lokken naar hun boomholte of vleermuiskast. Winterverblijfplaatsen Over de winterecologie is weinig gekend. Deze soort overwintert in holle bomen en in rotsspleten, soms in gebouwen. Zoals de Rosse vleermuis vormen ze soms zeer grote groepen. De Bosvleermuis wordt ook beschouwd als een lange afstandstrekker (langste afstand 1245 km) Dat geldt zeker voor de Centraal-Europese vleermuizen die voor de winter naar het zuid-oosten afzakken. De dieren uit West-Europa zijn waarschijnlijk meer sedentair. Zomerverblijfplaatsen De Bosvleermuis gebruikt hoofdzakelijk holle bomen. In Ierland zijn ook kolonies gekend in gebouwen. Kolonies in bomen bestaan uit enkele tientallen dieren, in gebouwen worden ook grotere kolonies aangetroffen. Boombewonende kolonies hebben een voorkeur voor oude Eiken. Ze verblijven in grote holtes met een spleet- of scheurvormige ingang. De kolonie verhuist regelmatig. Foerageergebieden De vleermuizen vliegen soms tot 10 km van de kolonie om te foerageren. De afstand tussen kolonie en foerageergebieden wordt in ieder geval gedeeltelijk afgelegd langs landschapselementen. Het foerageergedrag lijkt op dat van de Rosse vleermuis. Ze wordt echter minder in grote open stukken aangetroffen maar meer boven afgeschermde weilanden en open plekken in het bos. Waterrijke gebieden en begraasde weilanden zijn de favoriete jachtplaatsen in Ierland. In Duitsland vormen open plekken in het bos en bosranden waarschijnlijk ook een belangrijk habitat. Rond straatverlichting worden eveneens regelmatig Bosvleermuizen waargenomen. Het dieet is sterk verschillend tussen kolonies in rurale gebieden en kolonies in bosrijke omgeving. De dieren uit de landbouwgebieden eten vooral (29-55%) mestkevers (Scatofagidae) en anderzijds insecten die gebonden zijn aan waterrijke habitats zoals langpootmuggen, kokerjuffers, dansmuggen en steekmuggen (Tipulidae, Trichoptera, Chironomidae en Culidae). Nachtvlinders vormen slechts een miniem deel van het dieet. In bosrijke gebieden vormen nachtvlinders juist het hoofdaandeel (36-63%) van het voedsel.
136 128 Soortenfiches 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: ernstig bedreigd Bern conventie, appendix 2 Bonn conventie, appendix 2 Habitatrichtlijn EU, annex 4 IUCN rode lijst: laag risico - bijna bedreigd Populatietoestand In Ierland lijkt de populatie stabiel. In West-Europa zijn er slechts zeer sporadische waarnemingen en is het onmogelijk een uitspraak te doen over aantalsevoluties. In Nederland, België en Frankrijk heeft de soort een zeer lokale verspreiding. In Nederland werden op verschillende plaatsen batdetectorwaarnemingen verricht. Enkel in Zuid-Limburg werd een kraamkolonie ontdekt. In Vlaanderen werd de soort tot nu toe slechts op een beperkt aantal plaatsen waargenomen, o.a. in het Zoniënwoud rond Brussel. Het beperkt aantal waarnemingen is in grote mate toe te schrijven aan een gebrekkige inventarisatie. De soort is moeilijk te onderscheiden van de Rosse vleermuis en tot voor kort werd er ook weinig aandacht aan besteed omdat men er van uitging dat de soort hier toch zo goed als niet voorkwam. Het is best mogelijk dat er een klein aantal kolonies voorkomen verspreid over Vlaanderen. De aantallen zijn vermoedelijk erg laag. Voornaamste bedreigingen Het verdwijnen van waterrijke gebieden, moerassen en het draineren van weilanden is een negatieve factor. Ook het tekort aan holle bomen is een probleem, zowel voor zomerkolonies als voor winterverblijfplaatsen. Overwinterende vleermuizen zijn bijzonder kwetsbaar en sterven vaak doordat de kolonieboom wordt omgehakt. Aangezien de dieren in grote groepen bijeenkomen wordt in 1 klap de populatie uit een grote regio getroffen. Door het gebruik van pesticiden en door het gebruik van anti-parasitaire geneesmiddelen in het dierenvoeder is de insectendiversiteit en in het bijzonder het aantal mestkevers sterk gedaald. Deze vormen een belangrijk aandeel in het dieet. Ook het aantal nachtvlinders is sterk gedaald door het overdadig gebruik van pesticiden en het verdwijnen van kleine landschapselementen. Belangrijkste beschermingsmaatregelen De ecologie is vergelijkbaar met de Rosse vleermuis en veel van de beschermingsmaatregelen zijn dan ook identiek. Er moet een coherent, integraal waterbeheer worden gevoerd dat ruimte laat voor natuurlijke meandering, overstromingsgebieden en moerassige zones. Bestaande moerasgebieden en waterrijke habitats moeten behouden worden. In het kader van een natuurgetrouw bosbeheer moeten holle bomen gespaard worden. De aanleg van kleine open plekken in het bos en van mantel- en zoomvegetaties moet gepromoot worden ter bevordering van het aantal nachtvlinders. In een straal van minstens 5 km rond de kolonie zou het gebruik van anti-parasitaire middelen in het veevoeder streng gelimiteerd moeten worden (eventueel alleen in de winter toestaan) en het behoud van extensieve veeteelt bevorderd worden. In vleermuisrijke bosgebieden en natuurreservaten moeten holle bomen bij voorkeur in de herfst geveld worden om te vermijden dat winterslapende vleermuizen worden gedood. Als er aanwijzingen zijn dat er kolonies van Bosvleermuizen voorkomen dan moet men extra voorzichtig zijn. Voor de bosarbeiders van AMINAL en de onderaannemers die vellingen uitvoeren in de domeinbossen zou een richtlijn moeten worden uitgewerkt. In het geval dat vleermuizen worden
137 Soortenfiches 129 aangetroffen bij een velling moet zo snel mogelijk een vleermuisdeskundige gecontacteerd worden. Bijkomend onderzoek De actuele verspreiding van de Bosvleermuis moet verder onderzocht worden aan de hand van batdetectorstudies. Lokalisatie van de bosbestanden waar de kolonies gevestigd zijn kan een enorme hulp betekenen bij de uitwerking van concrete beschermingsplannen.
138 130 Soortenfiches Bruine of gewone grootoorvleermuis Plecotus auritus (Linneus, 1758) Grijze grootoorvleermuis Plecotus austriacus (Fischer, 1829) Gewone grootoorvleermuis Voor 1970 werd geen onderscheid gemaakt tussen de Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) en de Grijze grootoorvleermuis (Plecotus austriacus). Een juiste determinatie kan enkel aan de hand van schedelkenmerken (dode exemplaren) of door meting van de duimlengte (bij vangst). Daarom wordt ook nu nog tijdens de wintertellingen en ook bij bat-detectorwaarnemingen geen onderscheid gemaakt tussen beide soorten. Het volgende is van toepassing op de twee soorten. In Vlaanderen komen beide soorten voor maar de Gewone grootoor is het meest algemeen. Grijze grootoorvleermuis Areaal De grootoorvleermuizen komen bijna in heel Europa voor. De Gewone grootoor heeft een meer noordelijke verspreiding in vergelijking met de Grijze grootoor. Lichaamsbouw en sonar De grootoren hebben brede vleugels waarvan de top zeer flexibel is. De lichaamsbouw is aangepast aan een trage, fladderende vlucht tussen de vegetatie. De dieren kunnen ter plaatse blijven stilhangen. De sonar is van het FM-type maar bijzonder zacht (fluistersonar). Insecten worden vaak gelokaliseerd door passief te luisteren. De grootoor heeft grote oren die geschikt zijn om de geluiden van vliegende en bewegende insecten op te vangen. Voortplanting De wijfjes worden in het 2de jaar geslachtsrijp De jongen worden geboren tussen 15 juni en 15 juli. Na 4 weken zijn de jongen vliegvlug. De paring vindt plaats tijdens de herfst en winter in de winterverblijfplaatsen. Winterverblijfplaatsen Grootoorvleermuizen worden 's winters in allerlei onderaardse verblijven aangetroffen; forten, bunkers, ijskelders en mergelgroeven. Het aantal dieren in de klassieke winterverblijfplaatsen is weersafhankelijk en vermoedelijk overwintert een groot percentage van de dieren in gewone huizen en in bomen. Ze overwinteren bij een omgevingstemperatuur van 2 o tot 6 o C, dit kan evenwel plaatselijk variëren van -2 o tot 8.5 o C. Zowel de Gewone- als de Grijze grootoor zijn korte afstandstrekkers. De afstand tussen winterverblijfplaats en zomerverblijfplaats ligt tussen 1-5 km. De langste afstanden ooit waargenomen zijn 42 km (Gewone grootoor) en 62 km (Grijze grootoor). Zomerverblijfplaatsen Van de Gewone grootoor zijn er gebouwbewonende kolonies en boombewonende kolonies. Kolonies in gebouwen (voornamelijk kerkzolders) kiezen voor warme zolders, bestaande uit verschillende compartimenten en langs de binnenzijde afgewerkt met hout. Meestal bestaat de dakbedekking uit leisteen of zwarte dakpannen. Boombewonende kolonies gebruiken bij voorkeur spechtenholen of rottingsholen met een grote ingang. De holte moet wel naar boven zijn uitgerot. Solitaire dieren (vnl. mannetjes) kruipen weg achter losse schors.
139 Soortenfiches 131 De Grijze grootoor werd tot nu toe enkel in gebouwen waargenomen. De selectiecriteria zijn waarschijnlijk zeer gelijkaardig aan deze van de Gewone grootoor. Er komen regelmatig gemengde kolonies voor. Foerageergebieden Grootoren foerageren in een maximum straal van 3,5 km rond de kolonieplaats. De meeste activiteit speelt zich af in een straal van 0,5 km. De grootoor is, als traagvliegende soort, gevoelig voor predatie en volgt zeer strikt de aanwezige landschapselementen. De Gewone grootoor foerageert in bossen en beboste landschappen (parklandschap, tuinen en boomgaarden). In Groot-Brittannië werd een voorkeur voor oude loofbossen vastgesteld. Onderzoek in Duitsland en eigen onderzoek tonen aan dat ook in naaldhoutbestanden (voornamelijk fijnspar), en in het bijzonder op de overgang tussen naaldhout en loofbos een groot deel van de tijd gefoerageerd wordt. Grootoren foerageren ook in stallen en veeschuilplaatsen waar ze vliegen en motten van de muren en het plafond plukken. Dit gedrag werd vooral waargenomen in slechte weersomstandigheden. Het dieet van de Gewone grootoor bestaat enerzijds uit nachtvlinders (26-61% Lepidoptera, vnl. Noctuidae) en anderzijds uit dag-actieve of niet vliegende insecten die van de vegetatie worden geplukt zoals spinnen, kevers, oorwormen en mestvliegen (Araneidae, Coleoptera, Dermaptera en Scatofagidae). De Grijze grootoor lijkt veel minder strikt bosgebonden te zijn. De vleermuizen worden waargenomen in bossen, parken en tuinen maar ook boven open weilanden en rond alleenstaande loofbomen. Het dieet van de Grijze grootoor wordt gedomineerd door nachtvlinders (vnl. Noctuidae); Deze insecten maken 72-90% van het dieet uit. Aanvullend werd een klein percentage dag-actieve en niet vliegende insecten in de uitwerpselen aangetroffen. 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen Bern conventie Bonn conventie Habitat richtlijn EU IUCN rode lijst Gewone grootoor Vermoedelijk bedreigd appendix 2 appendix 2 annex 4 niet opgenomen Grijze grootoor Bedreigd appendix 2 appendix 2 annex 4 niet opgenomen Populatietoestand In de winterverblijfplaatsen werd in Nederland tussen de jaren 40 en 70 een sterke achteruitgang vastgesteld. Uit de wintertellingen in Vlaanderen blijkt dat de soort zich maar moeizaam herstelt en dat er geen sprake is van een duidelijke aantalsstijging. Tijdens de zomer is de grootoor de meest algemene soort op kerkzolders in Vlaanderen. Maar toch lijkt het erop dat de soort in de loop van deze eeuw een sterke achteruitgang heeft gekend. Alhoewel er geen cijfermateriaal is om dit te staven, kunnen we uit verklaringen van plaatselijke bewoners opmaken dat de kolonies vroeger veel meer dieren telden. Voornaamste bedreigingen De grootoorvleermuis is bijzonder gevoelig aan vergiftiging door pesticiden. Het is een soort die als gleaner foerageert. Na een behandeling met insecticide vormen de dode en half-dode insecten een gemakkelijk prooi waardoor hoge concentraties giftige stoffen worden opgenomen. Ook door
140 132 Soortenfiches de behandeldeling van de kolonieplaats met toxische houtbehandelingsproducten kunnen vergiftigingen optreden. De afname van het bosareaal, het verdwijnen van mantel- en zoomvegetaties en van open plekken in het bos en de aanplanting van monoculturen zijn allemaal factoren die het aantal vlinders negatief beïnvloeden en indirect dus ook voor grootoorvleermuizen ongunstig zijn. Het verdwijnen van verbindingselementen tussen de kolonieplaats en de foerageergebieden. De achteruitgang van de natuur in de bebouwde omgeving. Het verdwijnen van oude bomen, kleine parkjes, enz. Dergelijke groene elementen zijn belangrijk vermits de grootooren foerageren in de onmiddellijke omgeving van de kolonieplaats. Belangrijkste beschermingsmaatregelen Een reglementering en beperking van het gebruik van pesticiden in de land- en tuinbouw is aangewezen. Alsook een verbod om voor zonsondergang te sproeien. Ter bescherming van de kolonieplaatsen zou een verbod op het gebruik van toxische houtconserveringsmiddelen van kracht moeten worden. De uitvoering van (renovatie)werken op zolders waar kolonies voorkomen moet eveneens gereglementeerd worden. Het behoud en/of de aanleg van landschapselementen tussen kerken en bossen is enorm belangrijk. Het behoud en/of de aanleg van groenelementen in de bebouwde omgeving, in het bijzonder in de onmiddellijk omgeving van de kolonieplaats is voor de grootoor eveneens belangrijk.
141 Mopsvleermuis Barbastella barbastellus (Schreber, 1774) Soortenfiches 133 Areaal De Mopsvleermuis (of dwarsoor) komt voor in grote delen van Europa. In West-Europa is ze minder algemeen. In het zuiden van Spanje, Portugal en Ierland is de soort afwezig. Lichaamsbouw en sonar De Mopsvleermuis heeft brede voorarmvleugels maar een lange vleugeltip. Dit wijst op een niet al te snelle maar weinig wendbare vlucht. De sonar is van een enigszins afwijkend type. Er is een kort CF deel gevolgd door een steil FM gedeelte. Voortplanting Wijfjes zijn geslachtsrijp in hun 2de levensjaar De jongen worden geboren rond 15 juni. Veelal krijgt elk vrouwtje 2 jongen. De paringen vinden plaats tijdens het najaar en de winter. Het is niet bekend of de Mopsvleermuis speciale paarplaatsen heeft. Winterverblijfplaatsen Mopsvleermuizen worden gevonden in grotten, forten, bunkers en ijskelders. Daar prefereren ze de meer open, vaak tochtige gedeeltes met een lage temperatuur (0-5 C). In Oost en Centraal Europa worden ze veel aangetroffen in grote clusters, tot meer als 1000 dieren. In West-Europa wordt deze soort slechts zelden in winterverblijven gevonden, meestal in kleine aantallen. De dieren kruipen graag weg in spleten. In de Franse forten die als winterverblijfplaats worden beschermd is men er in geslaagd de aantallen aanzienlijk te verhogen door het aanbrengen van planken evenwijdig met de wand (met een tussenruimte van ongeveer 2 cm). Men vermoedt dat het een middellange afstandstrekker is. De maximale gekende trekafstand is 300 km. In West-Europa is de soort mogelijk sedentair en overwintert ze in de buurt van of in de zomerverblijfplaats. Zomerverblijfplaatsen Kraamkolonies worden gevonden in daklijsten, achter vensterluiken, in holle bomen en in vleermuiskasten. De kolonieplaatsen zijn meestal vrij open. De kraamkolonies zijn niet groot, 5 tot 30 individuen. Er is weinig geweten over de vereisten die aan de kolonieplaats worden gesteld. Foerageergebieden Er zijn geen literatuurgegevens over de afstand tussen kolonieplaats en foerageergebieden. Waarnemingen in de omgeving van een kleine kolonie in West-Vlaanderen wijzen erop dat de dieren in de onmiddellijke omgeving van de kolonie foerageren. De Mopsvleermuis is een onopvallende soort en er zijn slechts weinig zomerwaarnemingen van gekend. Ze wordt voornamelijk aangetroffen in bosrijke, heuvelachtige gebieden. De soort lijkt ook sterk gebonden aan moerassige gebieden. Het dieet bestaat voor het grootste gedeelte uit nachtvlinders (Lepidoptera). Voor het overige worden enkel zachte, vliegende insecten gegeten zoals muggen en vliegen (Diptera).
142 134 Soortenfiches 2. Bescherming en beheer Wettelijke status in Vlaanderen en Internationaal Rode lijst van de zoogdieren in Vlaanderen: verdwenen Bern conventie, appendix 2 Bonn conventie, appendix 2 Habitatrichtlijn EU, annex 2 en annex 4 IUCN rode lijst: kwetsbaar Populatietoestand Tijdens het ringonderzoek van het KBIN werd de Mopsvleermuis regelmatig aangetroffen in de winterverblijfplaatsen, maar steeds in lage aantallen. De meeste waarnemingen komen uit de provincies Brabant en Luik. Na de jaren 70 werden slechts sporadisch nog waarnemingen gedaan, o.a. 1 dier in het fort van Borsbeek. In 1981 werd in Sluis, net over de grens in Zeeuws- Vlaanderen, een klein aantal overwinterende dieren aangetroffen in de kelder van een verlaten fabriek. Deze winterverblijfplaats is ondertussen gesloopt en de dieren werden nadien niet meer teruggevonden. In het Zoniënwoud (Wallonië) werd in het begin van de jaren 80 een solitair dier aangetroffen. Het was volledig bedekt met houtpulp, hetgeen erop zou kunnen wijzen dat dier voordien in een boomholte had verbleven. In 1998 werd in de omgeving van Beernem (West- Vlaanderen) een overwinterend dier gevonden in een ijskelder. Later bleek dat het om een klein groepje (3-5 dieren) gaat. De dieren zijn tot nu toe elke winter opnieuw waargenomen. Ook in de meeste andere Europese landen wordt een sterke achteruitgang vastgesteld. Er is slechts 1 oude zomerkolonie gekend. In de kerk van Wortel (Antwerpen) zou in de jaren 30 een kleine kolonie verbleven hebben. Na de vondst van overwinterende dieren in Beernem heeft bat-detectoronderzoek uitgewezen dat de dieren ook in de zomer aanwezig zijn. Ze verblijven in de ruïne van een oud kasteel. Het gaat om een kleine groep dieren en het is niet duidelijk of het gaat om een kraamkolonie. Voornaamste bedreigingen De ecologie van deze soort is onvoldoende gekend om een gegronde uitspraak te kunnen doen over de bedreigingen. Algemeen wordt verondersteld dat het een soort is die gevoelig is voor verstoring en vooral wordt bedreigd door het verdwijnen en verstoring in zowel de winterverblijfplaatsen als de zomerverblijfplaatsen. Op basis van het dieet is het logisch om te veronderstellen dat ook de achteruitgang van het aantal vlinders heeft bijgedragen tot de achteruitgang o.a. door het gebruik van pesticiden en het verdwijnen van mantel- en zoomvegetaties en andere kleine landschapselementen. Belangrijkste beschermingsmaatregelen Het voorkomen van deze soort is in Vlaanderen onvoldoende gedocumenteerd. Bescherming kan zich momenteel dan ook enkel richten op de gekende kolonie in Beernem. Voor deze kolonie zou zowel de kolonieplaats (de ruïne) als de winterverblijfplaats (een nabijgelegen ijskelder) en de omgeving (het kasteelpark) een wettelijke bescherming moeten krijgen. Bijkomend onderzoek De verspreiding in Vlaanderen moet verder onderzocht worden. In eerste instantie kan men nagaan of in de omgeving van de vroegere verblijfplaatsen nog dieren voorkomen.
143 Hoofdstuk 7: Soortenfiches Kleine hoefijzerneus Rhinolophus hipposideros (Bechstein, 1800) Grote hoefijzerneus Rhinolophus ferrumequinum (Schreber, 1774) Vale vleermuis Myotis myotis (Borkhausen, 1797) Watervleermuis Myotis daubentonii (Kuhl, 1817) Baardvleermuis Myotis mystacinus (Kuhl, 1817) Brandts vleermuis Myotis brandtii (Eversmann, 1845) Franjestaart Myotis nattereri (Kuhl, 1817) Bechsteins vleermuis Myotis bechsteinii (Kuhl, Meervleermuis Myotis dasycneme (Boie, 1825) Ingekorven vleermuis Myotis emarginatus (Geoffroy, 1806) Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus (Schreber, 1774) Kleine dwergvleermuis Pipistrellus pygmaeus Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii (Keyserling & Blasius, 1839) Laatvlieger Eptesicus serotinus (Schreber, 1774) Rosse vleermuis Nyctalus noctula (Schreber, 1774) Bosvleermuis Nyctalus leisleri (Kuhl, 1817) Bruine of gewone grootoorvleermuis Plecotus auritus (Linneus, 1758) Grijze grootoorvleermuis Plecotus austriacus (Fischer, 1829) Mopsvleermuis Barbastella barbastellus (Schreber, 1774)
Vleermuizen en de ruimte binnen de Flora- en faunawet
Vleermuizen en de ruimte binnen de Flora- en faunawet Strikte toepassing van Flora- en faunawet is contraproductief! Gerard Smit Wettelijke status Habitatrichtlijn Bijlage II: 7 soorten Habitatrichtlijn
VERENIGING VOOR ZOOGDIERKUNDE EN ZOOGDIERBESCHERMING Oude Kraan 8, 6811 LJ Arnhem, tel. 026-3705318, fax 026-3704038, email: zoogdier@vzz.
VERENIGING VOOR ZOOGDIERKUNDE EN ZOOGDIERBESCHERMING Oude Kraan 8, 6811 LJ Arnhem, tel. 026-3705318, fax 026-3704038, email: [email protected] >> Concept januari 2005
Vliegen met je handen
Vliegen met je handen middelvinger wijsvinger duim ringvinger pink voet hielbeen staart Paul van Hoof Kijken met je oren EU: Insecteneters Wereldwijd 1000 vleermuissoorten. Verschillende voedselspecialismen;
Cursus Vleermuizen. Zoogdieren : Evolutie. Bewerking: Joeri Cortens
Cursus Vleermuizen Bewerking: Joeri Cortens Zoogdieren : Evolutie Innovaties: * endotherm - haar * jongen zogen * voedselspecialisatie - tanden - kauwspieren 2 1 De Mythe voorbij Vleermuizen vliegen niet
Vleermuizen DEN HAAG EN OMGEVING KAARTBIJLAGE. Kees Mostert, Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland
Vleermuizen in DEN HAAG EN OMGEVING 2009-2011 KAARTBIJLAGE Kees Mostert, Zoogdierenwerkgroep Zuid-Holland SAMENVATTEND RAPPORT VLEERMUIZEN ONDERZOEK DEN HAAG 2009 t/m 2011 K. Mostert Stichting Zoogdierenwerkgroep
Vleermuizen in Ermelo
Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging Afdeling Noord-West Veluwe Vleermuizen in Ermelo Lex Groenewold November 2016 Inhoud Wat zijn vleermuizen Wat eten vleermuizen Waar wonen vleermuizen
Vleermuizen: ecologie, functie van laanbomen, wettelijke bescherming. Natuurbescherming is toch tijdloos?
Vleermuizen: ecologie, functie van laanbomen, wettelijke bescherming Peter Twisk Natuurbescherming is toch tijdloos? Foto: Erik Korsten In Europa komen zo n 40 soorten voor, in Nederland 17 soorten. Ze
2. ECOLOGIE VLEERMUIZEN...
INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING... 2 1.1 INLEIDING... 2 1.2 HET GEBIED... 2 1.3 OPBOUW RAPPORT... 3 2. ECOLOGIE VLEERMUIZEN... 4 3 METHODE... 5 4 RESULTAAT... 6 5 CONCLUSIE... 8 LITERATUUR... 9 Adviesbureau
Vleermuizen op kerkzolders op basis van DNAonderzoek
Vleermuizen op kerkzolders op basis van DNAonderzoek ANKONA-ontmoetingsdag 10 februari 2018 Kris Boers & David Halfmaerten Skip Sterling Project Vleermuizen op (kerk)zolders in de provincie Antwerpen Aanleiding
Bat-detector handleiding voor beginners
Bat-detector handleiding voor beginners Determinatie van de meest voorkomende vleermuizen in Vlaanderen met behulp van heterodyne bat-detectoren Realisatie: Sven Verkem Verkem Faunaonderzoek Grote Steenweg
Een (t)huis voor vleermuizen. Waar kunnen ze zich verschuilen
Een (t)huis voor vleermuizen Waar kunnen ze zich verschuilen Aantal soorten Vlaanderen kent zo n 21 soorten vleermuizen waarvan slechts enkelen geregeld in gebouwen voorkomen. Meestal gaat dit om de gewone
Informatieles Vleermuizen
Informatieles Vleermuizen De les is bedoeld voor groep 5 t/m 8 van het primair onderwijs en leerjaar 1 en 2 van het voortgezet onderwijs. Er komen verschillende facetten over het leven van de vleermuis
Een netwerk voor vleermuizen
Een netwerk voor vleermuizen Herman Limpens Foto: Erik Korsten mmv Eric Jansen & Marcel Schillemans Een netwerk van leefgebieden met verschillende functies verblijfplaatsen + vliegroutes + jachtgebieden
Prioriteiten voor vleermuisonderzoek. Anne-Jifke Haarsma
Prioriteiten voor vleermuisonderzoek Anne-Jifke Haarsma Gebied of soortgericht onderzoek? Vanwege subsidie regelingen vaak soortgericht onderzoek Vleermuissoorten in Nld (16x) Dwaalgasten, verdwenen of
Vademecum voor het tellen van uitvliegers
Vademecum voor het tellen van uitvliegers Vleermuizenwerkgroep Oost-Vlaanderen 2014 1 Telperiode Het tellen wordt best uitgevoerd eind mei/juni, vóór het spenen van de jongen. Daardoor kan het aantal volwassen
Het belang van pand Kleine Gent 6-12 te Vught voor vleermuizen. September Peter Twisk, vleermuisdeskundige
Het belang van pand Kleine Gent 6-12 te Vught voor vleermuizen September 2010 Peter Twisk, vleermuisdeskundige 2 Belang pand Kleine Gent 6-12 (Vught) voor vleermuizen Het belang van pand Kleine Gent 6-12
NATUURONDERZOEK A9 BADHOEVEDORP
NATUURONDERZOEK A9 BADHOEVEDORP Vleermuizen vliegroutes en foerageergebied Eindrapport Adviesbureau E.C.O. Logisch Nieuwerkerk a/d IJssel, 16-11-2016 VERANTWOORDING Opdrachtgever: Aveco de Bondt Contactpersoon:
Vleermuisonderzoek Kildijk
Vleermuisonderzoek Kildijk Onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen rond de dijkverbeteringslocatie langs de Dordtsche Kil Definitief Grontmij Nederland bv Houten, 28 augustus 2009 Verantwoording Titel
DETERMINEREN VAN VLEERMUIZEN IN WINTERSLAAP
DETERMINEREN VAN VLEERMUIZEN IN WINTERSLAAP Eerste set René Janssen Erik Korsten VLEN-Dag 20-10-2010 1 2 3 4 5 6 Paul van Hoof 7 8 9 10 OPBOUW VAN DE WORKSHOP 1. 10 foto s om mee te beginnen 2. Waarom
De vleermuis. Colin ziet ze vliegen, jij ook? 2016 Colin Beekman Gebaseerd op presentatie 2013 van Harrie Pelgrim
Colin ziet ze vliegen, jij ook? 2016 Colin Beekman Gebaseerd op presentatie 2013 van Harrie Pelgrim ! Programma Algemene info Soorten Onderzoek aan vleermuizen Video-opname(s) 2 Algemeen zoogdier zeer
Vleermuizen in het Waasland
Vleermuizen in het Waasland Informatie en tips voor bescherming Vleermuizen in het Waasland Informatie en tips voor bescherming Onbekend is onbemind. De vooroordelen tegenover vleermuizen zijn gelukkig
AANVULLEND ONDERZOEK WINTERVERBLIJFPLAATSEN VLEERMUIZEN LOCATIE OORDT, VRIEZENVEEN
AANVULLEND ONDERZOEK WINTERVERBLIJFPLAATSEN VLEERMUIZEN LOCATIE OORDT, VRIEZENVEEN GEMEENTE TWENTERAND 25 januari 2010 B01035/OF0/002/700613/jbp Inhoud 1 Inleiding 3 1.1 Aanleiding 3 1.2 Plangebied 3 1.3
Aanvullend vleermuisonderzoek restaurant Castellum Novum in De Meern
Aanvullend vleermuisonderzoek restaurant Castellum Novum in De Meern Toetsing in het kader van de Flora- en faunawet Datum: 08-11-2008 Auteur: A.H. Tuitert Opdrachtgever: Aveco de Bondt Kenmerk: vlm2008/10
Vleermuizen rond verzorgingstehuis Ruijschenbergh, Gemert
Vleermuizen rond verzorgingstehuis Ruijschenbergh, Gemert Peter Twisk oktober 2006 Rapport van de Zoogdiervereniging VZZ In opdracht van Staro Bos- en Natuurbeheer Vleermuizen rond verzorgingstehuis Ruijschenbergh,
Wat weten we over de laatvlieger?
Wat weten we over de laatvlieger? Peter Twisk Foto s en afbeeldingen Peter Twisk, tenzij anders vermeld Even voorstellen: Foto: Erik Korsten 1 Aanleiding: Van zes soorten vleermuizen zijn soortenstandaards
Vleermuizen en de grote bonte specht in en rond het plangebied van drie bebouwingslocaties te Rozenburg (ZH)
Vleermuizen en de grote bonte specht in en rond het plangebied van drie bebouwingslocaties te Rozenburg (ZH) Vleermuizen en de grote bonte specht in en rond het plangebied van drie bebouwingslocaties te
Opbouw. Vleermuisherkenning in de hand. Woord vooraf. Leren determineren. Waarom? Competentie 4: Goede determinatie
Opbouw Vleermuisherkenning in de hand Hanteerweekend 12 & 13 september 2008 Waarom? Leren determineren Algemene kenmerken Verschillen tussen de genussen Behandelen van de genussen Alles minus myotis Pauze
Eindrapportage HET VOORKOMEN VAN VLEERMUIZEN AAN DE MAATWEG 1 TE AMERSFOORT
Eindrapportage HET VOORKOMEN VAN VLEERMUIZEN AAN DE MAATWEG 1 TE AMERSFOORT Eindrapportage HET VOORKOMEN VAN VLEERMUIZEN AAN DE MAATWEG 1 TE AMERSFOORT rapportnr. 2011.1247 september 2011 In opdracht van:
ONDERZOEK NAAR DE WATERVLEERMUIS IN DE OPSTALLEN VAN HET: SIEGERPARK. Projectnummer : 30.06.03 Datum : 07 juni 2010
ONDERZOEK NAAR DE WATERVLEERMUIS IN DE OPSTALLEN VAN HET: SIEGERPARK Projectnummer : 30.06.03 Datum : 07 juni 2010 Onderzoek naar de Watervleermuis 1 Inhoudsopgave 1 ALGEMEEN 1.1 Watervleermuis algemeen
BM-RAPPORT Onderzoek naar vleermuizen, gierzwaluw en huismus. T.P. Molenaar en L. Boon, 30 september DEFINITIEF
BM-RAPPORT 2011- Onderzoek naar vleermuizen, gierzwaluw en huismus Oranjebuurt Strijen T.P. Molenaar en L. Boon, 30 september 2011. DEFINITIEF Inhoud 1 Inleiding 3 2 Werkwijze en inspanning 3 2.1 Vleermuizen
Notitie flora en fauna
Notitie flora en fauna Titel/locatie Projectnummer: 6306 Datum: 11-6-2013 Opgesteld: Rosalie Heins Gemeente Baarn is voornemens om op de locatie van de huidige gemeentewerf een nieuwe brede school ontwikkelen.
Nader onderzoek Vleermuizen en Steenmarter Ellertshaar 6 (gemeente Borger Odoorn)
Opdrachtgever: Gemeente Borger Odoorn Contactpersoon: Rapport: Alewijn Brouwer Projectleiding: Projectnummer: Nader onderzoek Vleermuizen en Steenmarter Ellertshaar 6 (gemeente Borger Odoorn) Inhoudsopgave
A bat friendly colour spectrum? Effecten van klimaatverandering op vleermuizen
A bat friendly colour spectrum? Effecten van klimaatverandering op vleermuizen Herman Limpens en Jasja Dekker Effecten van klimaatverandering op vleermuizen?? Vooral: analyserende speculerende verhalen
Welke vleermuis is dat?
. Welke vleermuis is dat? Een succesmodel 4 Hoefijzerneuzen 24 Gladneuzen 32 Bulvleermuizen 74 Afkortingen in het determinatiegedeelte L = lengte; VS = vleugelspanwijdte; G = gewicht Links: watervleermuis;
Vleermuizen in Nederland
Vleermuizen in Nederland 1 Inhoud Watervleermuis (Myotis daubentonii)... 3 Meervleermuis (Myotis dasycneme)... 5 Baardvleermuis (Myotis mystacinus)... 7 Brandts vleermuis (Myotis brandtii)... 9 Franjestaartvleermuis
Het wettelijke statuut van de meeuw. Michiel Vandegehuchte
Het wettelijke statuut van de meeuw Michiel Vandegehuchte Internationale wetgeving AEWA (Overeenkomst over Afrikaans- Euraziatische trekkende watervogels) Intergouvernementeel verdrag (76 verdragspartijen)
Het verloop van het aantal vleermuizen in een winterverblijf
Het verloop van het aantal vleermuizen in een winterverblijf Anne-Jifke Haarsma ([email protected]) Wanneer arriveren vleermuizen eigenlijk in hun winterverblijf? Is dit moment gekoppeld aan bijvoorbeeld
Herman Limpens, Hans Huitema & Jasja Dekker. Juli 2007 Rapport van de Zoogdiervereniging VZZ In opdracht van SenterNovem
Analyse van effecten en verplichtingen in het spanningsveld tussen vleermuizen en windenergie, vanuit de ecologische en wettelijke invalshoek Herman Limpens, Hans Huitema & Jasja Dekker Juli 2007 Rapport
Introductie. Introductie. Introductie. Vleermuizen Ecologie. Vleermuizen Ecologie. Vleermuizen Herkenning en inventarisatie
Herkenning en inventarisatie Introductie Inhoud Aanleiding Pauze Bescherming Inventariseren Even naar buiten! April 2013 Carola van den Tempel Introductie Introductie Inleiding Nachtdier en vampier? Onbekend
Bijlage VMBO-KB. biologie CSE KB. tijdvak 1. Deze bijlage bevat informatie. KB-0191-a-11-1-b
Bijlage VMBO-KB 2011 tijdvak 1 biologie CSE KB Deze bijlage bevat informatie. KB-0191-a-11-1-b Vleermuizen - Informatie Lees eerst informatie 1 tot en met 6 en beantwoord dan vraag 40 tot en met 50. Bij
Aanvullend natuuronderzoek voormalig Zoutdepot Breukelen
Aanvullend natuuronderzoek voormalig Zoutdepot Breukelen Onderzoek naar het voorkomen van vleermuizen Datum: 30-08-2014 Auteur: A. Tuitert Opdrachtgever: Aveco de Bondt Rapportnummer: AT/2014/30.08 Versie:
Een thuis voor de vleermuis Beschermingsplan voor vleermuizen in Noord-Brabant
Een thuis voor de vleermuis Beschermingsplan voor vleermuizen in Noord-Brabant Datum december 2006 Colofon Provincie Noord-Brabant Directie Ecologie Brabantlaan 1 Postbus 90151 5200 MC s-hertogenbosch
De Vuurvogel B.V. J. van Lamoen en T. Etaoil Coninckstraat WD AMERSFOORT
> Retouradres Postbus 40225, 8004 DE Zwolle De Vuurvogel B.V. J. van Lamoen en T. Etaoil Coninckstraat 21 3811 WD AMERSFOORT Postbus 40225, 8004 DE Zwolle mijn.rvo.nl T 088 042 42 42 [email protected] Betreft
inhoud blz. Inleiding 1. Twee hoofdsoorten 2. Echo 3. Huid en vleugels 4. Jonge vleermuizen 5. Vleermuizen in Nederland
Vleermuizen inhoud blz. Inleiding 3 1. Twee hoofdsoorten 4 2. Echo 6 3. Huid en vleugels 7 4. Jonge vleermuizen 8 5. Vleermuizen in Nederland 9 6. Andere soorten vleermuizen 11 7. Vleermuisweetjes 13 8.
Eindrapport HET VOORKOMEN VAN VLEERMUIZEN EN VOGELS IN EN DIRECT ROND ACHTERVELD TE LEUSDEN
Eindrapport HET VOORKOMEN VAN VLEERMUIZEN EN VOGELS IN EN DIRECT ROND ACHTERVELD TE LEUSDEN Eindrapport HET VOORKOMEN VAN VLEERMUIZEN EN VOGELS IN EN DIRECT ROND ACHTERVELD TE LEUSDEN rapportnr. 2010.1112
Eindrapport BESCHERMDE SOORTEN TER PLAATSTE VAN EN DIRECT ROND FIETSPAD BERNHARDSTRAAT TE RUCPHEN
Eindrapport BESCHERMDE SOORTEN TER PLAATSTE VAN EN DIRECT ROND FIETSPAD BERNHARDSTRAAT TE RUCPHEN Eindrapport BESCHERMDE SOORTEN TER PLAATSTE VAN EN DIRECT ROND FIETSPAD BERNHARDSTRAAT TE RUCPHEN rapportnr.
Zoetermeer. Vleermuizen in Zoetermeer Een jonge stad als leefgebied. Inventarisaties Waarom stadsbreed vleermuisonderzoek?
Vleermuizen in Zoetermeer Een jonge stad als leefgebied Zoetermeer door Garry Bakker bureau Stadsnatuur Rotterdam www.bureaustadsnatuur.nl Waarom stadsbreed vleermuisonderzoek? Inventarisaties 2004-2010
Vale vleermuis (Myotis myotis) H Status. 2. Kenschets. Habitatrichtlijn Bijlage II (inwerkingtreding 1994).
Dit profiel dient gelezen, geïnterpreteerd en gebruikt te worden in combinatie met de leeswijzer, waarin de noodzakelijke uitleg van de verschillende paragrafen vermeld is. Vale vleermuis (Myotis myotis)
18 februari Natuurwetgeving in het Westland Paul Moerman & Wouter Wubben
18 februari 2014 Natuurwetgeving in het Westland Paul Moerman & Wouter Wubben 2 Voorstellen Paul Moerman Adviseur Ecologie, Projectmedewerker Groen Team Projecten Afdeling IBOR (Inrichting & Beheer Openbare
Ruim baan voor windenergie in het leefgebied van vleermuizen. De optimale bescherming van vleermuizen rond windturbines. Bat Protection System
Ruim baan voor windenergie in het leefgebied van vleermuizen De optimale bescherming van vleermuizen rond windturbines Bat Protection System De missie van Topwind Meer kans op een succesvolle ontwikkeling
Onderzoek vleermuizen
Onderzoek vleermuizen Hosterdstraat 4 Beuningen Titel: Opdrachtgever: Onderzoek Vleermuizen. Hosterdstraat 4 Beuningen familie Hendriks Auteur: Controle: Veldwerk: Eric Verkaik Elmar Prins Eric Verkaik,
Aantalsontwikkeling van vleermuizen
Indicator 24 september 2013 U bekijkt op dit moment een archiefversie van deze indicator. De actuele indicatorversie met recentere gegevens kunt u via deze link [1] bekijken. Lange tijd zijn vleermuizen
Resultaten Quickscan, vissen en vleermuisonderzoek met betrekking tot de Flora- en Faunawet.
Aan Rob Knijn Van C. van den Tempel CC M. Witteveldt Datum 12 januari 2017 Betreft Flora- en faunagegevens Middenweg Zuid Project Herontwikkeling Middenweg Zuid Geachte heer Knijn, Beste Rob, In 2014 en
Vleermuisonderzoek Riethorsterweg te Plasmolen
Notitie Contactpersoon Peter te Morsche Datum 28 oktober 2011 Kenmerk N001-4807314PMM-mfv-V01-NL Vleermuisonderzoek Riethorsterweg 37-39 te Plasmolen Aanleiding onderzoek Op genoemde locatie wil Katerbosch
Eindrapport VLEERMUIZEN TER PLAATSE VAN EN DIRECT ROND OPEN WAARD TE OUD BEIJERLAND
Eindrapport VLEERMUIZEN TER PLAATSE VAN EN DIRECT ROND OPEN WAARD TE OUD BEIJERLAND Eindrapport VLEERMUIZEN TER PLAATSE VAN EN DIRECT ROND OPEN WAARD TE OUD BEIJERLAND rapportnr. 2012.1420 oktober 2012
Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw Warmenhuizen Centrum
Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw Warmenhuizen Centrum Nader onderzoek vleermuizen, huismus en gierzwaluw Warmenhuizen Centrum Inhoud Rapport en bijlagen 8 oktober 2014 Projectnummer
Vleermuizen. in onze omgeving
Vleermuizen in onze omgeving De meeste mensen komen nooit in aanraking met vleermuizen Toch kan het gebeuren dat een vleermuis uw huis als tijdelijke verblijfplaats kiest of per ongeluk in uw kamer terechtkomt.
Bijlage VMBO-GL en TL
Bijlage VMBO-GL en TL 2011 tijdvak 1 biologie CSE GL en TL Deze bijlage bevat informatie. GT-0191-a-11-1-b Vleermuizen - Informatie Lees eerst informatie 1 tot en met 7 en beantwoord dan vraag 41 tot en
Ruimtelijke onderbouwing Flora en fauna De Monarch I, II, III en IV
Notitie Contactpersoon ing. M.M. (Margaret) Konings Datum 18 juli 2012 Ruimtelijke onderbouwing Flora en fauna De Monarch I, II, III en IV Algemeen In opdracht van Monarch heeft Tauw in 2011 en 2012 onderzoek
Onderzoek vleermuizen en steenmarters Dommelsvoort Oktober 2011
Onderzoek vleermuizen en steenmarters Dommelsvoort Oktober 2011 Peter Twisk, vleermuisdeskundige Onderzoek vleermuizen en steenmarters Dommelsvoort Oktober 2011 In opdracht van Architectenbureau Verkuylen,
BM-RAPPORT Vleermuisonderzoek. Veenendaal Industrielaan. M.W. van den Hoorn, 5 oktober 2011.
BM-RAPPORT 2011 M.W. van den Hoorn, 5 oktober 2011. Inhoud 1 Inleiding 3 2 Werkwijze en inspanning 3 2.1 Algemeen 3 2.2 Vleermuizen 3 3 Omschrijving plangebied 4 4 Resultaten 4 4.1 Per soort 5 4.2 Per
Quick scan ecologie winkelcentrum t Gein
Quick scan ecologie winkelcentrum t Gein Quick scan ecologie winkelcentrum t Gein Auteur Opdrachtgever Projectnummer Ingen foto omslag P.J.H. van der Linden Stadsdeelraad Zuidoost 10.026 maart 2010 luchtfoto
