ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER
|
|
|
- Nina de clercq
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER
2
3 Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke opties, waarvan u vast en zeker bij dagelijks gebruik maximaal plezier zult beleven. Met het oog hierop adviseren wij u dan ook, dit instructieboekje aandachtig door te lezen, zodat u uw auto snel en grondig leert kennen. Mocht u verdere vragen met betrekking tot uw auto of eventuele problemen hebben, verzoeken wij u contact op te nemen met een Škoda-dealer/vakgarage of de importeur. Daar zijn vragen, opmerkingen en kritiek altijd welkom. Afwijkende nationale wettelijke regelingen hebben voorrang, op de informatie gegeven in deze handleiding. Wij wensen u veel plezier met uw Škoda en altijd een goede reis. Uw Škoda Auto
4 2 Inleiding Wagendocumentatie In de meegeleverde documentatie van uw auto vindt u naast dit instructieboekje ook een serviceplan en aanwijzingen voor hulp onderweg. Bovendien kunnen al naargelang het model en de uitvoering verschillende gebruiksaanwijzingen en extra aanwijzingen aanwezig zijn (bijv. radio-instructieboekje). Als u één van bovengenoemde documenten mist, verzoeken wij u direct contact op te nemen met een Škoda-dealer, waar men u graag zal helpen. Er moet rekening mee worden gehouden dat de gegevens op het kenteken steeds voorrang hebben op de gegevens in dit instructieboekje. instructieboekje Dit instructieboekje beschrijft de huidige omvang van de uitrusting. Enkele van de hier genoemde uitrustingen worden later geïntroduceerd of zijn alleen bedoeld voor bepaalde exportlanden. De afbeeldingen kunnen in enkele onbelangrijke details afwijken van uw auto; de afbeeldingen moeten echter alleen maar worden gezien als algemene informatie. Naast de informatie met betrekking tot de bediening staan in het instructieboekje ook belangrijke gebruiks- en onderhoudstips ten behoeve van uw veiligheid alsmede voor het behouden van de inruilwaarde van uw auto. Hier staan belangrijke tips en helpinformatie in. Bovendien staat hierin hoe u met uw auto veilig, economisch en milieuvriendelijk kunt rijden. Let, met het oog op de veiligheid, ook beslist op de informatie met betrekking tot accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen bladzijde 246. is bovendien in de meeste gevallen één van de voorwaarden voor het recht op een garantieaanspraak. Het serviceplan bevat: gegevens van de auto, onderhoudsintervallen, overzicht van de onderhoudswerkzaamheden, bewijs van uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden, Bevestiging van de mobiliteitsgarantie (geldt alleen in bepaalde landen) belangrijke aanwijzingen met betrekking tot de garantie. De bevestigingen van de uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden zijn een van de voorwaarden voor een eventuele garantieaanspraak. Geef het serviceplan dan ook altijd af als u uw auto bij een erkende Škoda-dealer afgeeft. Als het serviceplan is zoekgeraakt of op is, neem dan contact op met de erkende Škoda-dealer waar u de auto regelmatig voor onderhoud aanbiedt. Hier ontvangt u dan een duplicaat waarin de tot nu toe uitgevoerde onderhoudsbeurten worden bevestigd. Hulp onderweg Hierin staan de belangrijkste telefoonnummers in bepaalde landen en de adressen en telefoonnummers van de Škoda-importeurs. Maar ook de andere hoofdstukken van dit instructieboekje zijn belangrijk, want een vakkundige behandeling van de auto draagt - naast regelmatig onderhoud - bij aan het behouden van een goede inruilwaarde en
5 Inhoudsopgave 3 Inhoudsopgave Structuur van dit instructieboekje (toelichtingen) Bediening Cockpit Overzicht De beknopte informatie Basisfuncties en belangrijke aanwijzingen Instrumenten en controlelampjes Overzicht instrumentenpaneel Toerenteller Snelheidsmeter Koelvloeistoftemperatuurmeter Brandstofmeter Kilometertotaalteller Service-interval-indicatie Digitale klok Multi-functie-indicatie (boordcomputer)* Informatiedisplay* Auto-Check-Control* Controlelampjes Openen en Afsluiten Sleutel Batterij van de radiografische afstandsbediening vervangen Elektronische Wegrijbeveiliging (wegrijblokkering) Kinderslot Centrale vergrendeling Afstandsbediening Beschrijving Auto ont- en vergrendelen Synchronisatie van de afstandsbediening Alarmsysteem* Elektrische ruitbediening Elektrisch schuif-/kanteldak* Verlichting en zicht Verlichting Binnenverlichting Zicht Ruitenwisser- en ruitensproeier Achteruitkijkspiegel Buitenspiegel Automatisch dimmende buitenspiegels* Zitten en opbergen Voorstoelen Elektrische voorstoelen instellen* Hoofdsteunen Middelste hoofdsteun achter Achterzittingen Bagageruimte Imperiaal* Bekerhouder Asbak Sigarettenaansteker*, stopcontacten Opbergvakken (dashboardkastjes) Airconditioning Inleiding Luchtuitstroomroosters Climatic (halfautomatische airconditioning).... Climatronic* (automatische airco) Extra verwarming (interieurvoorverwarming en interieurvoorventilatie)* Wegrijden en rijden Stuurwielstanden instellen Contactslot Motor starten Parkeerhulp, achter* Parkeerhulp voor en achter* Parkeerassistent* Snelheidsregelsysteem (SRS)* Automatische versnellingsbak DSG* Automatische versnellingsbak DSG* Communiceren Multifunctioneel stuurwiel* Mobiele telefoons en mobilofoons Universele telefoonvoorbereiding GSM II* Interne gesproken telefoonboek* Universele telefoonvoorbereiding GSM III*..... Interne gesproken telefoonboek* Ingangen AUX-IN* en MDI* Cd-wisselaar* Veiligheid Passieve veiligheid Principes Juiste zitpositie Veiligheidsgordels Waarom veiligheidsgordels? Het natuurkundige principe van een frontale aanrijding Belangrijke veiligheidsinstructies bij de omgang met veiligheidsgordels Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen? Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
6 4 Inhoudsopgave Airbagsysteem Beschrijving van het airbagsysteem Voorairbag Bestuurde Knie-airbag* Zijairbags* Hoofdairbags* Airbag uitschakelen Veilig vervoer van kinderen Wat u moet weten als u kinderen vervoert!..... Kinderzitje Bevestiging kinderzitje met ISOFIX -systeem.... Bevestiging kinderzitje met het Top Tether -systeem Aanwijzingen voor het rijden... Intelligente techniek Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)* Remmen Rembekrachtiger Antiblokkeersysteem (ABS) Remassistent* Up-hillassistent* Elektromechanische stuurbekrachtiging Bandenspanningscontrolesysteem* Roetfilter* (dieselmotor) Rijden en milieu Nieuwe motor Nieuwe banden Nieuwe remblokken Katalysator Economisch en milieubewust rijden Milieu-aspecten Rijden in het buitenland Voorkomen van schade aan de auto Rijden met aanhangwagen Gebruik aanhangwagen Raadgevingen voor het gebruik Verzorging en reiniging van de auto Algemeen Verzorging buitenzijde auto Verzorging binnenzijde auto Brandstof Benzine Diesel Tanken Controleren en bijvullen motorruimte Motorolie Koelsysteem Remvloeistof Accu Ruitensproeiersysteem Wielen en banden Wielen Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen Accessoires en onderdelen Technische wijzigingen Auto's van de groep N Zekeringen en gloeilampen Elektrische zekeringen Gloeilampen Algemene aanwijzingen Gebruikte afkortingen Kilometrages Gewichten Identificatiegegevens Brandstofverbruik volgens voorschrift (99/100/EU) Afmetingen Motoroliespecificaties ,4 l/92 kw TSI - EU ,8 l/118 kw TSI - EU ,6 l/191 kw FSI - EU ,9 l/77 kw TDI PD - EU ,0 l/103 kw TDI PD - EU ,0 l/125 kw TDI CR - EU Trefwoordenlijst Verbanddoos* Gevarendriehoek Brandblusser* Boordgereedschap Bandenreparatieset* Reservewiel* Wiel verwisselen Starthulp Weg- en aanslepen
7 Inhoudsopgave 5 Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
8 6 Structuur van dit instructieboekje (toelichtingen) Structuur van dit instructieboekje (toelichtingen) Dit instructieboekje is systematisch opgebouwd om het vinden en opnemen van de benodigde informatie te vergemakkelijken. Hoofdstuk, inhoudsopgave en trefwoordenregister De tekst van dit instructieboekje is in relatief korte paragrafen ingedeeld, die in overzichtelijke hoofdstukken zijn samengevoegd. Het actuele hoofdstuk staat rechtsonder op de pagina geaccentueerd. De aan de hand van de hoofdstukken ingedeelde inhoudsopgave en het uitgebreide trefwoordenregister achter in het instructieboekje helpen u de gewenste informatie snel te vinden. Hoofdstukken De meeste alinea's gelden voor alle auto's. Omdat de uitvoeringsvarianten echter zeer veelvuldig kunnen zijn, is het niet te voorkomen, dat ondanks de indeling in alinea's soms ook uitvoeringen worden genoemd waar uw auto niet mee is uitgerust. Samenvatting en uitleg Elke alinea is voorzien van een kop. Er volgt beknopte informatie (in groot cursief schrift) waarover het in deze alinea gaat. De afbeelding wordt meestal gevolgd door een uitleg (in relatief groot schrift) die in klare taal uitlegt hoe u te werk moet gaan. Uit te voeren handelingen worden aangegeven met een koppelteken. Richtingaanwijzingen Alle richtingaanwijzingen zoals links, rechts, voor, achter zijn gebaseerd op de rijrichting van de auto. Symboolverklaring * De zo gekenmerkte onderdelen behoren seriematig alleen bij bepaalde modellen of zijn alleen bij bepaalde modellen als extra leverbaar. Eind van een hoofdstuk. Het hoofdstuk gaat op de volgende bladzijde verder. Aanwijzingen Alle vier de typen aanwijzingen die in de tekst worden gebruikt staan altijd aan het einde van het betreffende hoofdstuk vermeld. De belangrijkste aanwijzingen worden aangeduid met de kop ATTENTIE. Deze ATTENTIE-aanwijzingen attenderen op een ernstige kans op ongevallen of letsel. In de tekst vindt u vaak een dubbele pijl die wordt gevolgd door een klein attentiesymbool. Dit symbool attendeert op een ATTENTIEaanwijzing aan het einde van de alinea die beslist moet worden opgevolgd. Voorzichtig! Een voorzichtig-aanwijzing attendeert op mogelijke defecten aan uw auto (bijv. defecte versnellingsbak), of attendeert op de kans op een ongeval. Milieu Een milieu-aanwijzing attendeert op de milieubescherming. Hier vindt u bijv. adviezen voor een lager brandstofverbruik. Aanwijzing Een normale aanwijzing attendeert op algemene en belangrijke informatie.
9 7 Bediening Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
10 8 Cockpit Afb. 1 Een aantal op de foto weergegeven uitrustingen gelden alleen maar voor bepaalde type-uitvoeringen of zijn als optie leverbaar.
11 Cockpit 9 Cockpit Overzicht Door dit overzicht zult u snel vertrouwd raken met de meters/controlelampjes en de bedieningselementen. A1 A2 A3 A4 A5 Elektrische ruitbediening Schakelaar centrale vergrendeling Luchtuitstroomroosters Hendel voor multifunctieschakelaar: knipperlicht, groot licht en parkeerlicht, grootlichtsignaal... Snelheidsregelsysteem* Stuurwiel: met claxon met bestuurdersairbag A6 A7 met bedieningstoetsen voor radio, navigatie en telefoon*... Instrumentenpaneel: Instrumenten en controlelampjes Hendel voor multifunctieschakelaar: Multi-functie-indicatie* Ruitenwissers en -sproeiers A8 A9 A10 A11 A12 A13 Luchtuitstroomroosters Draaiknop voor verwarming bestuurdersstoel* Schakelaar voor alarmlichten Draaiknop voor verwarming voorpassagiersstoel* Afhankelijk van de uitrusting: Radio* Navigatie* Opbergvak aan de voorpassagierszijde A14 Passagiersairbag A15 Schakelaar voor airbag voorpassagier* (in opbergvakje voorpassagier) A16 Elektrische verstelling buitenspiegel A17 Lichtschakelaar A18 Ontgrendelingshendel voor motorkap A19 Draaiknop voor dashboardverlichting en draaiknop voor lichtbundelhoogteverstelling A20 A21 A22 * Opbergvak aan de bestuurderszijde Hendel voor stuurwielverstelling Bestuurder Knie airbag* , A23 Contactslot A24 Afhankelijk van de uitrusting: Schakelaar voor ESP* Schakelaar voor ASR A25 A26 Bandenspanningscontrolesysteem* Afhankelijk van de uitrusting: 203 Bediening voor Climatic Bediening voor Climatronic* A27 Afhankelijk van de uitrusting: A28 versnellingshendel (schakelbak) Keuzehendel (automatische versnellingsbak DSG)* Controlelampje voor uitschakeling airbag voorpassagier* A29 Parkeerassistent* A30 A31 Parkeerhulp voor en achter* Afhankelijk van de uitrusting: Asbakje voor* Opbergvak* Aanwijzing De met een * gemarkeerde uitrustingen behoren alleen standaard bij bepaalde modeluitvoeringen of zijn alleen voor bepaalde modellen als meeruitvoering leverbaar. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
12 10 Cockpit Bij auto's die af fabriek met een radio, of navigatiesysteem zijn uitgerust, is een aparte handleiding voor de bediening van deze apparaten bijgevoegd. Bij auto's met stuur rechts wijkt de plaatsing van de bedieningselementen voor een deel af van de in bladzijde 8, afb. 1 weergegeven plaatsing. De symbolen komen echter overeen met die op de bedieningselementen van auto's met stuur links.
13 De beknopte informatie 11 De beknopte informatie Basisfuncties en belangrijke aanwijzingen Stuurwielstand instellen Inleiding Het hoofdstuk 'De beknopte informatie' dient alleen voor een snelle kennismaking met de belangrijkste bedieningselementen van de auto. Alle aanwijzingen in de volgende hoofdstukken van de handleiding moeten beslist in acht genomen worden. Auto ont- en vergrendelen Afb. 3 Verstelbaar stuurwiel: Hendel onder de stuurkolom Afb. 2 Radiografische afstandsbediening A1 Auto ontgrendelen A2 Kofferklep ontgrendelen A3 Auto vergrendelen A4 Sleutel uitklappen/inklappen Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 53, Auto ont- en vergrendelen. Afb. 4 De juiste afstand van de bestuurder ten opzichte van het stuurwiel De stand van het stuurwiel is in hoogte en lengterichting instelbaar. Klap de hendel onder de stuurkolom afb. 3 naar beneden. Plaats het stuurwiel in de gewenste stand (hoogte en hoek). Druk de hendel naar boven tot aan het etiket. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 119, Stuurwielstanden instellen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
14 12 De beknopte informatie Stel het stuurwiel zo af dat de afstand tussen het stuurwiel en het borstbeen minstens 25 cm bedraagt bladzijde 11, afb. 4. Als deze minimale afstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Het stuurwiel mag nooit tijdens de rit worden versteld! Om veiligheidsredenen moet de hendel altijd vast naar boven zijn gedrukt zodat de stand van het stuurwiel onder het rijden niet onbedoeld kan wijzigen - kans op ongevallen! Stel de hoogte van de gordel zo in, dat de schoudergordel ongeveer over het midden van de schouder - maar in geen geval langs de hals - loopt! Voorstoel instellen Gordelhoogte-instelling Afb. 6 Bedieningspaneel op stoel Afb. 5 Voorstoel: Gordelhoogte-instelling Schuif de doorvoerplaat in de gewenste richting naar boven of naar beneden afb. 5. Controleer na de instelling door met een ruk aan de gordel te trekken of de doorvoerplaat correct is geborgd. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 173, Gordelhoogte-instelling. A1 Stoel in lengterichting instellen A2 Zittinghoogte instellen A3 Hoek van de rugleuning instellen A4 Lendensteun instellen Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 80, Voorstoelen instellen. Stel de bestuurdersstoel alleen bij stilstaande auto in - kans op ongevallen!
15 De beknopte informatie 13 Elektrische verstelling buitenspiegel Verlichting in- en uitschakelen Afb. 7 Binnenzijde portier: Draaiknop Afb. 8 Dashboard: lichtschakelaar Buitenspiegelverwarming Buitenspiegel links en rechts gelijktijdig instellen Buitenspiegel rechts instellen Bediening uitschakelen Beide buitenspiegels inklappen* Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 13, Elektrische verstelling buitenspiegel. Automatische regeling rijverlichting*, Aanpaspare koplamp (AFS)* Stadslicht inschakelen Dimlicht en groot licht inschakelen Alle verlichting uitschakelen/dagrijverlichting* Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 62, Verlichting in- en uitschakelen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
16 14 De beknopte informatie Knipperlicht- en grootlichtschakelaar B3T-1241H Afb. 9 De knipperlicht- en grootlichtschakelaar A Intervalschakelaar, gevoeligheid instellen regensensor* A0 Wissen uitgeschakeld A1 Interval-wissen A2 Langzaam wissen A3 Snel wissen A4 Eénmaal wissen A5 Wis-/wasautomaat Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 74, Ruitenwisser- en ruitensproeier. Elektrische ruitbediening A Knipperlicht rechts AB Knipperlicht links AC Omschakelen tussen dim- en groot licht AD Lichtsignaal Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 69, De richtingaanwijzer- en grootlichtschakelaar. Ruitenwisserschakelaar Afb. 11 Schakelaars in bestuurdersportier Afb. 10 Ruitenwisserschakelaar A schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het bestuurdersportier AB schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het rechter voorportier AC Schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het rechter achterportier AD Schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het linker achterportier AS Veiligheidsschakelaar Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 55, Elektrische ruitbediening.
17 De beknopte informatie 15 Tanken Ontgrendeling van de motorkap Afb. 12 Rechterachterzijde: Tankdopklep openen Afb. 14 Ontgrendelingshendel voor motorkap Trek aan de ontgrendelingshendel onder het dashboard aan de bestuurderszijde afb. 14. Zie voor verdere aanwijzingen afb. 14. Motorkap openen Afb. 13 Tankdopklep met losgeschroefde tankdop Om de tankdopklep te openen, deze aan de linkerzijde in het midden drukken afb. 12. Schroef de tankdop linksom los en plaats de tankdop van bovenaf op de tankdopklep afb. 13. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 224, Tanken. Afb. 15 Radiateurgrille: Hendel van de zekering Druk de beveiliging in afb. 15, de motorkap wordt ontgrendeld. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
18 16 De beknopte informatie Zet de motorklep vast aan het onderste gedeelte van de radiatorgril en hef deze zo ver naar boven, tot die door de gasdrukondersteuning gehouden wordt. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 226, Motorkap openen en sluiten. Motoroliepeil controleren Afb. 16 Oliepeilstok A Motorolie mag niet bijgevuld worden. AB Motorolie mag bijgevuld worden. AC Motorolie moet bijgevuld worden. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 229, Motoroliepeil controleren.
19 Instrumenten en controlelampjes 17 Instrumenten en controlelampjes Overzicht instrumentenpaneel Afb. 17 Instrumentenpaneel A1 A2 A3 A4 A5 1) Toerenteller bladzijde 18 Snelheidsmeter bladzijde 18 Toets voor aanduidings modus: Instellen van uren/minuten Activering/deactivering van de tweede snelheid in mph respectievelijk in km/h* Service intervallen - Aanduiding van de rustdagen en het aantal kilometers respectievelijk mijlen tot de volgende Inspectie-service / Reset* 1) Koelvloeistoftemperatuurmeter bladzijde 18 Display: Geldt voor landen, waarin de waarde in britse maateenheden wordt aangeduid. met kilometertotaalteller bladzijde 19 met service-interval-indicatie bladzijde 20 met digitale klok bladzijde 21 met multi-functie-indicatie* bladzijde 21 met informatiedisplay* bladzijde 26 A6 Brandstofmeter bladzijde 18 A7 Toets voor: Dagteller voor Kilometerdagteller voor de afgelegde rijafstand terugstellen Service-interval-indicatie resetten Instellen van uren/minuten Aanduidings modus activeren/deactiveren Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
20 18 Instrumenten en controlelampjes Toerenteller Het rode bereik van de snelheidsmeterschaal A1 bladzijde 17, afb. 17 kenmerkt het bereik, in welke de motoraandrijving begint met het begrenzen van het motortoerental. De motoraandrijving begrenst het motortoerental op de zekere grenswaarde. Schakel, voor het bereiken van het rode bereik van de snelheidsmeterschaal naar de volgend hogere gang respectievelijk kiest u de keuzehandel instelling D van de automatische versnellingsbak. Vermijd hoge motortoerentallen gedurende de ingansperiode en voor de motor op werkingstemperatuur is verwarmt bladzijde 205. Milieu Door vroegtijdig opschakelen bespaart u brandstof en produceert de auto minder geluid. Snelheidsmeter Waarschuwing bij snelheidsovertreding* Bij het overschrijden van de rijsnelheid van 120 km/h klinkt een akoestisch waarschuwingssignaal. Als de snelheid weer terugloopt tot onder deze snelheidsgrens, wordt het akoestische waarschuwingssignaal uitgeschakeld. Aanwijzing Deze functie geldt alleen voor enkele landen. Koelvloeistoftemperatuurmeter De koelvloeistoftemperatuurmeter A4 bladzijde 17, afb. 17 werkt alleen maar bij ingeschakeld contact. Neem, om schade aan de motor te voorkomen, de volgende aanwijzingen in acht met betrekking tot temperatuurbereiken op de meter: Bereik voor koude motor Als de wijzer in het linkergedeelte van de meterschaal staat heeft de motor zijn bedrijfstemperatuur nog niet bereikt. Vermijd hoge motortoerentallen, vol gas en zware motorbelastingen. Bereik bedrijfswarme motor De motor heeft zijn bedrijfstemperatuur bereikt als de wijzer in het middelste gedeelte van de meterschaal staat. Bij sterke motorbelasting en hoge buitentemperaturen kan de wijzer ook verder naar rechts lopen. Dit kan geen kwaad zolang het waarschuwingssymbool in het instrumentenpaneel niet knippert. Als het symbool op het instrumentenpaneel knippert, is of de koelvloeistof temperatuur te hoog of het koelvloeistof peil te laag. Let op de aanwijzingen bladzijde 38, Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil. Neem de waarschuwingsaanwijzingen in acht bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte voordat u de motorkap opent en het koelvloeistofpeil controleert. Voorzichtig! Verstralers en andere aanbouwdelen voor de verseluchtinlaat verslechteren de koelwerking van de koelvloeistof. Bij hoge buitentemperaturen en zware motorbelasting is de kans aanwezig dat de motor oververhit raakt! Brandstofmeter De brandstofmeter A6 bladzijde 17, afb. 17 werkt alleen maar bij ingeschakeld contact.
21 Instrumenten en controlelampjes 19 De tankinhoud bedraagt ca. 60 liter. Als de wijzer de reservestand heeft bereikt, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingssymbool branden. Er zit nog ca. 9 liter brandstof in de tank. Dit symbool herinnert eraan, dat u moet tanken. Op het informatiedisplay* verschijnt: Please refuel! (Tanken a.u.b.!) Als extra waarschuwingssignaal klinkt een akoestisch signaal. Voorzichtig! Rijd de tank nooit helemaal leeg! Door de onregelmatige benzinetoevoer kan de motor overslaan. Er kan dan onverbrande brandstof in het uitlaatsysteem terechtkomen en de katalysator beschadigen. Aanwijzing Na het voltanken kan bij een dynamische rit (b.v. veel bochten, remmen, hellingen) de brandstofmeter ca. een deel minder aangeven. Bij het stoppen of bij een minder dynamische rit wordt de juiste hoeveelheid aangegeven. Dit effect is geen storing. Kilometertotaalteller De indicatie van de afgelegde afstand vindt plaats in kilometers (km). In enkele landen wordt de maateenheid mijlen gebruikt. Terugstelknop Houd de terugstelknop A7 bladzijde 17 ca. 1 seconde ingedrukt, de kilometerdagteller wordt teruggezet op nul. Kilometerdagteller (trip) De kilometerdagteller geeft de afstand afb. 18 weer die is afgelegd nadat de kilometerteller voor de laatste keer op nul is teruggezet - en wel in stappen van 100 m, resp. 1/10 mijl. Kilometertotaalteller De teller geeft de afstand afb. 18 weer, het aantal kilometers, resp. mijlen, die de auto in totaal heeft afgelegd. Storingindicatie Als er sprake is van een storing in het instrumentenpaneel, verschijnt op het display continu Error. Laat de storing zo snel mogelijk door een Škoda-dealer opheffen. Verstel in verband met uw eigen veiligheid de kilometerdagteller nooit tijdens het rijden! Aanwijzing Indien bij auto's die met informatie display* zijn uitgerust, en de aanduiding van tweede snelheid in mph resp. in km/h geactiveerd is, wordt de rijsnelheid in plaats van de teller, weergegeven voor de gehele afgelegde rit. Afb. 18 Display: Kilometertotaalteller Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
22 20 Instrumenten en controlelampjes Service-interval-indicatie Al naargelang de uitrusting van de auto kan de indicatie op het display afwijken. Service-interval-indicatie Afb. 19 Service-intervalindicatie: Opmerking Voor het bereiken van het service interval wordt na het aanschakelen van het contact een sleutelsymbool en de nog resterende kilometers aangetoond afb. 19 Gelijktijdig verschijnt een aanduiding over de nog resterende dagen tot het volgende service interval. Op het informatiedisplay* verschijnt: Service in... km or... days (service na... km of... dagen) De kilometerindicatie of de dagindicatie loopt voor de servicebeurt in stappen van 100 km of hele dagen terug. Als het service-interval is bereikt, verschijnt op het display gedurende 20 seconden een knipperend sleutelsymbool en de tekst Service. Op het informatiedisplay* verschijnt: Service now! (Service nu!) Indicatie over de nog af te leggen afstand en dagen tot aan de eerstvolgende onderhoudsbeurt U kunt de nog resterende rijafstand en dagen tot de volgende servicebeurt op eender welke tijd met behulp va de toets A3 laten aantonen bladzijde 17. Op het display verschijnt gedurende 10 seconden een sleutelsymbool en een aanduiding over de nog resterende kilometers. Gelijktijdig verschijnt een aanduiding over de nog resterende dagen tot het volgende service interval. Bij auto's die met informatiedisplay* zijn uitgerust roept u deze aanduiding in het volgende menu op bladzijde 27: Setup (instellingen) Service interval (Service) Info Op het informatiedisplay* verschijnt gedurende 10 seconden: Service in... km or... days (service na... km of... dagen) Service-interval-indicatie resetten Het terugstellen van de service-intervalindicatie kan pas worden uitgevoerd als op het display van het combi-instrument een servicemelding of ten minste een voorafgaande waarschuwing wordt weergegeven. Wij adviseren het resetten door een Škoda-dealer te laten uitvoeren. De dealer: zet na de betreffende Grote Onderhoud Service het geheugen van de indicatie terug, noteert de onderhoudsbeurt in het serviceplan, plakt de sticker, met de aantekening voor de volgende onderhoudsbeurt aan de zijkant van het instrumentenpaneel aan de bestuurderszijde. De service-interval-indicaties kunnen ook met behulp van de terugstelknop A7 bladzijde 17 als volgt worden gereset (teruggesteld): Bij auto's die met informatiedisplay* zijn uitgerust roept u deze aanduiding in het volgende menu op bladzijde 27: SETTINGS (INSTELLINGEN) Service interval (Service) Reset
23 Instrumenten en controlelampjes 21 Voorzichtig! Wij adviseren de service-interval-indicatie niet zelf te resetten omdat dit kan leiden tot een verkeerde instelling van de service-interval-indicatie, waardoor er storingen in de auto kunnen optreden. Aanwijzing Reset de indicatie nooit tussen de onderhoudsintervallen in omdat er anders verkeerde gegevens worden weergegeven. Bij losgekoppelde autoaccu blijven de waarden van de service-interval-indicatie bewaard. Indien na een herstelling het instrumentenpaneel verwisseld wordt, moet in de teller voor dienstbeurt aanduiding de correcte waarde worden ingevoerd. Deze werkzaamheden worden door een Škoda-dealer uitgevoerd. Na het resetten van de indicatie met verlengde flexibele onderhoudsintervallen (QG1) worden de gegevens net zoals bij auto's met verlengde vaste onderhoudsintervallen (QG2) weergegeven. Om deze reden adviseren we de service-intervalindicatie alleen door een erkende Škoda-dealer te laten resetten, die het resetten uitvoert met behulp van een elektronicatester. Uitgebreide informatie met betrekking tot de onderhoudsintervallen - zie brochure Serviceplan. Digitale klok De klok stelt u in met de toetsen A3 en A7 bladzijde 17, afb. 17. Met de toets A3 kiest u de aanduiding, die u veranderen wilt, en met de toets A7 doorvoert u de verandering. Bij voertuigen die met informatiedisplay* zijn uitgerust, kan de klok in het menu Time (uur) ingesteld worden bladzijde 30. De tijd mag om veiligheidsredenen niet tijdens het rijden, maar alleen bij stilstaande motor worden ingesteld. Multi-functie-indicatie (boordcomputer)* Inleiding De multi-functie-indicatie wordt, afhankelijk van de uitrusting van de auto, op het display bladzijde 22, afb. 20 of op het informatiedisplay weergegeven bladzijde 26. De multi-functie-indicatie biedt een reeks nuttige informatie. Buitentemperatuur bladzijde 24 Rijtijd bladzijde 24 Actueel brandstofverbruik bladzijde 24 Gemiddeld brandstofverbruik bladzijde 24 Actieradius bladzijde 25 Afgelegde afstand bladzijde 25 Gemiddelde snelheid bladzijde 25 Actuele snelheid* bladzijde 25 Waarschuwing bij snelheidsovertreding* bladzijde 25 Bij auto's die met informatiedisplay* zijn uitgerust, is het mogelijk om de aanduiding van sommige informatie uit te schakelen. Voorzichtig! Om eventuele beschadigingen te voorkomen, neemt u bij contact met display (b.v. reinigen) de contactsleutel uit. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
24 22 Instrumenten en controlelampjes Aanwijzing In bepaalde exportuitvoeringen worden de waarden in het Engelse stelsel weergegeven. Wordt de aanduiding van de snelheid in mph geactiveerd, dan wordt de actuele snelheid* in km/h niet aangetoond op het display. Geheugen Ritgeheugen (geheugen 1) Het ritgeheugen verzamelt de rij-informatie vanaf het inschakelen tot aan het uitschakelen van het contact. Als de rit binnen 2 uur na het uitschakelen van het contact wordt voortgezet worden de er dan nog bijkomende waarden meegenomen in de berekening van de actuele rij-informatie. Bij een onderbreking van de rit met meer dan 2 uur wordt het geheugen automatisch gewist. Reisgeheugen (geheugen 2) Een reisgeheugen verzamelt de rijgegevens van een willekeurig aantal ritten tot een totale rijtijd van 99 uur en 59 minuten of een afstand van 9999 km. Als een van de genoemde waarden wordt overschreden, wordt het geheugen gewist en start de berekening opnieuw. Het reisgeheugen wordt, in tegenstelling tot het ritgeheugen, niet na een onderbreking van meer dan 2 uur gewist. Aanwijzing Als de autoaccu wordt losgekoppeld, worden alle waarden in het geheugen gewist 1 en 2. Bediening met de toetsen aan de ruitenwisserhendel Afb. 20 Multi-functie-indicatie De multi-functie-indicatie is uitgevoerd met twee automatisch werkende geheugens. In het midden van het displayveld wordt het gekozen geheugen weergegeven afb. 20. De gegevens van het ritgeheugen (geheugen 1) worden weergegeven als op het display een 1 verschijnt. Als er een 2 verschijnt worden de gegevens van het reisgeheugen (geheugen 2) weergegeven. Het omschakelen van de geheugens gebeurd met de hulp van de toets AB afb. 21 op de ruitenwisserhendel of met behulp van de toets AD op het multifunctioneel-stuurwiel* bladzijde 23. Afb. 21 Multi-functie-indicatie: Bedieningselementen De tuimelschakelaar A en de toets AB bevinden zich in de ruitenwisserschakelaar afb. 21.
25 Instrumenten en controlelampjes 23 Geheugen kiezen Door het herhaaldelijk even aantippen van de toets AB kiest u het gewenste geheugen. Kiezen van de functies Druk de ruitenwisser toets A boven of beneden voor langer dan 0,5 seconden. Daarna roept u na elkaar de individuele functie's van de multi-functie-aanduiding op. Functie op nul zetten Kies het gewenste geheugen. Druk de knop AB langer dan 1 seconde in. De volgende waarden van het gekozen geheugen worden met behulp van de knop AB op nul gezet: gemiddeld brandstofverbruik, afgelegde afstand, gemiddelde snelheid, rijtijd. De multi-functie-indicatie kan alleen bij ingeschakeld contact worden bediend. Na het inschakelen van het contact wordt de functie weergegeven die voor het uitschakelen als laatste werd gekozen. Bij voertuigen die met multi-functioneel stuurwiel* zijn uitgerust, zijn de toetsen A en AB door het kantelwiel aan het milti-functionele stuurwiel verplaatst afb. 22. Bediening met de toetsen aan het multi-functionele* Afb. 22 Multi-functie-indicatie: Bediening met de toetsen aan het multi-functionele stuurwiel Het omschakelen en het terug zetten gebeurd met het kanterwiel afb. 22. Geheugen kiezen Door het herhaaldelijk even aantippen van de toets AD kiest u het gewenste geheugen. Kiezen van de functies Door het drukken op de toets AC roept u het menu voor de multifunctionele aanduiding op. Draai het kantelwiel AD naar boven of beneden. Daarna roept u na elkaar de individuele functie's van de multi-functie-aanduiding op. Door het herhaaldelijk even aantippen van de toets AD kiest u de gewenste functie. AD Functie op nul zetten Kies het gewenste geheugen. Druk de knop AD langer dan 1 seconde in. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
26 24 Instrumenten en controlelampjes De volgende waarden van het gekozen geheugen worden met behulp van de knop AD op nul gezet: gemiddeld brandstofverbruik, afgelegde afstand, gemiddelde snelheid, rijtijd. De multi-functie-indicatie kan alleen bij ingeschakeld contact worden bediend. Na het inschakelen van het contact wordt de functie weergegeven die voor het uitschakelen als laatste werd gekozen. Buitentemperatuur Ga er niet alleen op basis van de buitentemperatuurindicatie vanuit dat er geen sprake is van ijzel. Denk eraan dat ook bij buitentemperaturen van rond +4 C er sprake kan zijn van ijzel - waarschuwing tegen ijzel! Rijtijd Op het display verschijnt de rijtijd die is verstreken sinds het geheugen voor de laatste keer is gewist. Wanneer u de rijtijd vanaf een bepaald tijdstip meten wil, moet u dit tijdstip in het geheugen op nul zetten, door het drukken op de toets AB op de ruitenwisserhendel bladzijde 22, afb. 21 of het kantelwiel AD op het multifunctionele stuurwiel* bladzijde 23, afb. 22 voor langer dan 1 seconde. De maximale weergegeven waarde voor de beide geheugens bedraagt 99 uur en 59 minuten. Als deze waarde wordt overschreden, start de weergave weer vanaf nul. Huidig verbruik Afb. 23 Buitentemperatuur De buitentemperatuur wordt bij ingeschakeld contact op het display weergegeven. Als de buitentemperatuur terugloopt tot onder +4 C, verschijnt voor de temperatuurindicatie een ijskristalsymbool (waarschuwing tegen gladheid) afb. 23 en klinkt er een waarschuwingssignaal. Na het drukken van de ruitenwissertoets A op de ruitenwisser schakelaar bladzijde 22, afb. 21 resp. de toets AC op het multifunctionele stuurwiel bladzijde 23, afb. 22 wordt de functie aangeduid die als laatste aangewen was. Op het display wordt het huidige brandstofverbruik in l/100 km weergegeven. Met behulp van deze weergegeven gegevens kunt u uw rijgedrag aanpassen aan het gewenste verbruik. Bij een stilstaande of langzaam rijdende auto wordt het brandstofverbruik in l/h weergegeven. Tijdens de rit wordt de weergegeven waarde elke 0,5 seconden geactualiseerd. Gemiddeld brandstofverbruik Op het display verschijnt het gemiddelde brandstofverbruik in l/100 km sinds het geheugen voor de laatste keer is gewist bladzijde 22. Met behulp van deze weergegeven gegevens kunt u uw rijgedrag aanpassen aan het gewenste verbruik. Wanneer u het gemiddelde brandstofverbruik voor een bepaalde periode wilt meten, moet u beginnen met de meting van het geheugen op nul te zetten met de toets AB op de ruitenwisserhendel bladzijde 22, afb. 21 of met het kantelwiel AD
27 Instrumenten en controlelampjes 25 op het multi-functionele stuurwiel* bladzijde 23, afb. 22. Na het wissen verschijnen op het display gedurende de eerste 100 m streepjes. Tijdens de rit wordt de weergegeven waarde elke 5 seconden geactualiseerd. Aanwijzing De verbruikte hoeveelheid benzine wordt niet weergegeven. Actieradius Op het display wordt de geschatte actieradius in kilometers weergegeven. Deze waarde geeft aan welke afstand uw auto met de huidige brandstofvoorraad en met dezelfde rijstijl nog kan afleggen. De weergave vindt plaats in sprongen van 10 km. Na het oplichten van het controlelampje voor de branddstofreserve vervolgt de aanduiding in sprongen van 5 km. Bij de berekening van de actieradius wordt het brandstofverbruik van de laatste 50 km als basis genomen. Als u zuiniger rijdt, wordt de actieradius groter. Wanneer het geheugen op nul wordt gezet (na het ontklemmen van de batterij), wordt de radius met het brandstofverbruik berekend van 10 l/100 km en daarna wordt de waarde met stilstand toepasselijk aangepast. Gemiddelde snelheid Op het display verschijnt de gemiddelde snelheid in km/h sinds het geheugen voor de laatste keer is gewist bladzijde 22. Wanneer u het gemiddelde brandstofverbruik voor een bepaalde periode wilt meten, moet u beginnen met de meting van het geheugen op nul te zetten met de toets AB op de ruitenwisserhendel bladzijde 22, afb. 21 of met het kantelwiel AD op het multi-functionele stuurwiel* bladzijde 23, afb. 22. Na het wissen verschijnen op het display gedurende de eerste 100 m streepjes. Tijdens de rit wordt de weergegeven waarde elke 5 seconden geactualiseerd. Actuele snelheid* Op het display wordt de actuele snelheid aangetoond, die met de aanduiding van de snelheidsmeter A2 identiek is bladzijde 17, afb. 17. Waarschuwing bij snelheidsovertreding Afgelegde afstand Op het display verschijnt de afgelegde rijafstand sinds het geheugen voor de laatste keer bladzijde 22 is gewist. Wanneer u de afgelegde afstand vanaf een bepaald tijdstip meten wil, moet u dit tijdstip in het geheugen op nul zetten, door het drukken op de toets AB op de ruitenwisserhendel bladzijde 22, afb. 21 of het kantelwiel AD op het multi-functionele stuurwiel* bladzijde 23, afb. 22. De maximale weer te geven waarde in de beide schakelaarstanden is km. Als deze waarde wordt overschreden, start de weergave weer vanaf nul. Afb. 24 Snelheidsinstelling Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
28 26 Instrumenten en controlelampjes Informatiedisplay* Inleiding Afb. 25 Multi-functie-indicatie: Bedieningselementen Waarschuwing bij snelheidsovertreding Door deze functie is het mogelijk een snelheidslimiet in te stellen, bijv. bij het rijden in de stad. Als u de ingestelde snelheidslimiet overschrijdt, wordt u hierop geattendeerd door een melding op het display. De gewenste snelheidslimiet kan als volgt worden ingesteld: Kies het menupunt Speed warning --- km/h (waarschuwing bij --- km/h). Rij b.v. met een snelheid van 50 km/h. Druk de toets AB op de ruitenwisserhendel afb. 25 of het kantelwiel AD op hetmulti-functionele stuurwiel* bladzijde 23, afb. 22. Op het informatiedisplay* wordt Speed warning 50 km/h (waarschuwing bij 50 km/h) aangeduid bladzijde 25, afb. 24. Als u nu de ingestelde snelheid overschrijdt, verschijnt op het display Speed 50 km/h exceeded (Snelheid 50 km/h overschreden). Deze melding wordt zo lang aangetoond, tot u de snelheid lager dan de ingestelde limiet hebt verminderd of als u de melding uitschakeld door het drukken van de toets AB op de ruitenwisserhendel afb. 25 of het kantelwiel AD op het multi-functionele stuurwiel* bladzijde 23, afb. 22. Als extra waarschuwingssignaal klinkt een akoestisch signaal. De ingestelde snelheidslimiet blijft ook na het uitschakelen van het contact opgeslagen. Afb. 26 Instrumentenpaneel: Informatiedisplay Het informatiedisplay informeert op comfortabele wijze over de actuele bedrijfstoestand van de auto. Bovendien levert het informatiedisplay (afhankelijk van de uitrusting van de auto) gegevens met betrekking tot de radio-, multi-functie-indicatie-, navigatie en automatische versnellingsbak. Bij ingeschakeld contact en tijdens het rijden worden in de auto altijd bepaalde functies en statussen gecontroleerd. Functiestoringen of noodzakelijke reparaties of andere informatie wordt door middel van rode symbolen bladzijde 29 en gele symbolen bladzijde 30 weergegeven. Het oplichten van de symbolen is gecombineerd met een akoestisch waarschuwingssignaal. Bovendien verschijnen op het display informatie- en waarschuwingsmeldingen bladzijde 33. De tekstmelding is in een van de volgende talen mogelijk: Tsjechisch, Engels, Duits, Frans, Italiaans, Spaans, Portugees, Russisch en Chinees. U kunt de gewenste taal in het instelmenu kiezen.
29 Instrumenten en controlelampjes 27 Op het display kunnen (al naargelang de uitrusting) de volgende gegevens worden weergegeven: Hoofdmenu bladzijde 27 Portier-, kofferklep-, achterklep- en motorkapwaarschuwing bladzijde 28 Service-interval-indicatie bladzijde 20 Keuzehendelstanden van de automatische versnellingsbak bladzijde 133 DSG Afb. 28 Informatiedisplay: Bedieningselementen op het multi-functionele stuurwiel Voorzichtig! Om eventuele beschadigingen te voorkomen, neemt u bij contact met display (b.v. reinigen) de contactsleutel uit. Hoofdmenu Afb. 27 Informatiedisplay: Bedieningselementen op de ruitenwisserhendel Bediening met de toetsen aan de ruitenwisserhendel Het MAIN MENU (HOOFDMENU) wordt geactiveerd door de tuimelschakelaar A afb. 27 langer dan 1 seconde in te drukken. Via de tuimelschakelaar A kunt u uit de menu's kiezen. Na het even aantippen van de schakelaar AB wordt de gekozen informatie weergegeven. Bediening met de toetsen aan het multi-functionele stuurwiel Het MAIN MENU (HOOFDMENU) wordt geactiveerd door de schakelaar AC afb. 28 langer dan 1 seconde in te drukken. Door het draaien van het kantelwiel AD kunt u de verschillende menu's kiezen. Na het kort aantikken van het kantelwiel AD wordt het gekozen menu vertoond. Door het kort aantikken van de toets AC komt u op een hoger niveau, door het aantikken van de toets AC voor langer dan een seconde roept u het MAIN MENU (HOOFDMENU) op. U kunt (al naargelang de uitrusting van de auto) de volgende menu's kiezen: Multi-functie-indicatie (boordcomputer) bladzijde 21 Audio (Audio)* Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
30 28 Instrumenten en controlelampjes Navigation (navigatie)* Phone (Telefoon)* bladzijde 154 Aux. Heating (interieurvoorverwarming)* bladzijde 114 Assistant (assisstent)* Vehicle status (Voertuigstatus) bladzijde 29 Setup (Instellingen) bladzijde 30 Het menu Audio (audio) verschijnt alleen als de af fabriek ingebouwde radio* is ingeschakeld. Het menu Navigation (navigatie) verschijnt alleen als het af fabriek ingebouwde navigatiesysteem* is ingeschakeld. Het menu Aux. Heating (interieurvoorverwarming) verschijnt alleen als de auto is voorzien van een interieurvoorverwarming*. Het menu Assistant (assistent) verschijnt alleen als de auto is voorzien van bochtverlichting*. Aanwijzing Indien op het informatiedisplay waarschuwingen getoond worden bladzijde 28 bladzijde 29, deze meldingen met de AB toets op de ruitenwisserhendel resp. met de AD toets op het multifunctioneel stuurwiel bevestigen om naar het hoofdmenu te gaan. Als het informatiedisplay niet wordt bediend, schakelt het menu steeds na 10 seconden een niveau hoger in. De bediening van de/het af fabriek ingebouwde radio* resp. navigatiesysteem* staat in een aparte gebruiksaanwijzing beschreven die deel uitmaakt van de documentatie. Portier-, kofferklep-, achterklep- en motorkapwaarschuwing Afb. 29 Informatiedisplay: Portierwaarschuwing Het portierwaarschuwings-, kofferklep-/achterklep- en motorkapwaarschuwingssymbool gaat branden als minstens één portier, de kofferklep/achterklep of de motorkap niet is gesloten. Het symbool geeft aan welk portier, resp. of de kofferklep/achterklep of motorkap niet is gesloten afb. 29. Het symbool dooft zodra de portieren, de kofferklep/achterklep en de motorkap geheel zijn gesloten. Bij een geopend portier of kofferklep/achterklep en een snelheid boven de 6 km/h klinkt een waarschuwingssignaal.
31 Instrumenten en controlelampjes 29 Auto-Check-Control* Toestand auto Zolang de functiestoringen niet zijn opgeheven, verschijnen de symbolen steeds weer. Na de eerste melding worden de symbolen zonder aanwijzingen voor de bestuurder weergegeven. Als er een storing optreedt, klinkt naast de weergave van het symbool en de tekst ook een waarschuwingssignaal: Prioriteit 1 - drie waarschuwingstonen Prioriteit 2 - één waarschuwingstoon Afb. 30 Informatiedisplay: Weergave van de functiestoring Rode symbolen Een rood symbool geeft een gevaar aan. De Auto-Check-Control controleert de staat van bepaalde functies en autocomponenten. De controle vindt bij ingeschakeld contact continu plaats, zowel bij stilstaande auto alsook tijdens het rijden. Functiestoringen, dringend noodzakelijke reparaties, onderhoudswerkzaamheden of andere meldingen worden op het display van het instrumentenpaneel weergegeven. Deze indicaties zijn al naargelang de prioriteit ingedeeld in rode en gele lichtsymbolen. De rode symbolen geven een gevaar aan (prioriteit 1) terwijl de gele een waarschuwing aangeven (prioriteit 2). Daarnaast verschijnen als aanvulling op de symbolen aanwijzingen voor de bestuurder bladzijde 33. Verschijnt in het menu Vehicle status (voertuigstatus), dan is er ten minste een foutmelding. Na het selecteren van dit menu wordt de eerste van de storingmeldingen weergegeven. Als er meerdere storingmeldingen zijn, wordt op het display onder de melding bijv. 1/3 afb. 30 weergegeven. Dat betekent dat de eerste van in totaal drie meldingen wordt weergegeven. De betreffende meldingen worden na elkaar met tussenpozen van 5 seconden aangewezen. Controleer zo vlug mogelijk de aangewezen storingsmeldingen. Afb. 31 Informatiedisplay: lage oliedruk Als op het display een rood symbool verschijnt, moet u als volgt handelen: Stoppen. Zet de motor af. Controleer de aangegeven functie. Doe, in geval van nood een beroep op de vakkundige hulp van uw Škoda-dealer. Betekenis van de rode symbolen: Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
32 30 Instrumenten en controlelampjes Motoroliedruk te laag bladzijde 37 Set-up (instellingen) Als er een rood symbool verschijnt, weerklinken drie opeenvolgende waarschuwingstonen. Gele symbolen Afb. 33 Tijd instellen Controleer de betreffende functie zo snel mogelijk. Betekenis van de gele symbolen: Afb. 32 Informatiedisplay: Remvoering versleten Motoroliepeil controleren, motoroliesensor defect bladzijde 42 Remvoering versleten bladzijde 41 Als er een geel symbool verschijnt, weerklinkt één waarschuwingssignaal. Als er sprake is van meerdere functiestoringen met prioriteit 5, verschijnen deze symbolen na elkaar en zijn ze steeds gedurende circa 2 seconden zichtbaar. U kunt met behulp van het informatiedisplay bepaalde instellingen zelf wijzigen. De actuele instelling is op het informatiedisplay in het betreffende menu boven onder de streep weergegeven afb. 33. U kunt (al naargelang de uitrusting van de auto) de volgende menu's kiezen: MFD Data (MFA DATA) Convenience (Comfort) Lights & Vision (Licht & Zicht) Time (Tijd) Winter tires (Winterbanden) Language (Taal) Units (Eenheden) Assistant (assisstent) Alt. speed dis, (alternatieve afstands snelheid) Travel mode (reismodus) Service interval (Service) Factory setting (Fabrieksinstell.) Back (Terug)
33 Instrumenten en controlelampjes 31 Na het selecteren van het menupunt Back (terug) komt u één niveau hoger in het menu. Aanduidingen van de MFA Hier kunt u enkele aanwijzingen van de multi-functionele aanduidingen uit-, resp. inschakelen. Comfort* U kunt (al naargelang de uitrusting van de auto) de volgende functies instellen: Rain-closing (Sluiten bij regen) Door open (Portier openen) ATA confirm (DWA-Quitt.) Window op. (bediening van de ruiten) Mirror down (spiegel in de onderste stand) Mirror adjust. (spiegelverstelling) Factory setting (Fabrieksinstell.) Hier kunt u bij auto's met regensensor de functie voor de automatische sluiting van de ruiten venster en het schuif-/kanteldak bij regen in- of uitschakelen. Als het niet regent en de functie is ingesteld, zullen de ruiten, inclusief het schuif-/kanteldak na ca. 12 uur worden gesloten. Hier kunt u de functies voor één portier openen en de automatische sluiting in- of uitschakelen. Hier kunt u instellen of bij de activering of deactivering van het alarmsysteem als extra een signaaltoon moet klinken. Hiermee kunt u de comfortbediening van alleen de ruit voor het bestuurdersportier of van alle portierruiten instellen. Hier kunt de functie spiegelverstelling aan de voorpassagierszijde bij het inschakelen van de achteruitversnelling in- of uitschakelen. Hier kunt u de functie buitenspiegelinstelling links en rechts gelijktijdig in- of uitschakelen. Na het selecteren van dit menu wordt de comfortinstelling teruggezet op de instelling af fabriek. Op het informatiedisplay verschijnt: Factory setting for convenience is set (Fabrieksinstellingen voor comfortinstelling hersteld!) 2) Verlichting en zicht Hier kunt u instellen hoe lang de verlichting bij de functie Coming/Leaving-Home aan moet blijven en de intensiteit van de voetruimteverlichting. Bovendien kunt u hier de functie's dagrijlicht en comfort knipperen in- resp. uitschakelen. Na het selecteren van het menupunt Factory setting (Instelling af fabriek) wordt de fabrieksinstelling voor de verlichting opnieuw ingesteld. Tijd Hier kunt u de tijd, het tijdsformaat (12- of 24-uursweergave) en de omschakeling zomer-/wintertijd instellen. Winterbanden Hiermee kunt u instellen bij welke snelheid een waarschuwingstoon moet klinken. Deze functie gebruikt u bijv. voor winterbanden, waarvan de toelaatbare maximumsnelheid lager is dan de maximumsnelheid van uw auto. Bij het overschrijden van de snelheid verschijnt op het informatiedisplay*: Snow tyres max. speed... km/h (winterbanden maximaal... km/h) Taal Hiermee kunt u instellen in welke taal de waarschuwings- en informatieteksten moeten worden weergegeven. Eenheden Hiermee kunt u de eenheden voor temperatuur, brandstofverbruik en afgelegde afstand instellen. Assisteren Hier kunt u de tonen van de akoestische signalen van de parkeerhulp* aanpassen. Secundaire snelheid Hier kunt u de secundaire snelheid in mph resp. in km/h inschakelen 2). Geldt voor landen, waarin de waarde in britse maateenheden wordt aangeduid. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
34 32 Instrumenten en controlelampjes Reismodus Hier kan de modus touristisch licht geactiveerd/gedeactiveerd worden. Deze modus maakt het mogelijk, in landen met tegenovergesteld verkeerssysteem, links/rechts, te rijden zonder het tegemoetkomende verkeer te verblinden. Zie voor meer informatie bladzijde 66, Touristisch licht. Onderhoud Hier kunt u de nog resterende kilometers en dagen tot de volgende onderhoudsbeurt laten aantonen en het onderhoudsbeurt interval terug zetten. Werk instelling Na het kiezen van het menupunt Fabrieksinstelling wordt de fabrieksinstelling van het informatiedisplay hersteld. Informatiedisplay in de middenconsole, achter Afb. 34 Middenconsole achter: Informatiedisplay Op het informatiedisplay in de middenconsole achter wordt bij ingeschakeld contact de tijd en de buitentemperatuur aangetoond afb. 34. De waardes worden van het instrumentenpaneel overnomen.
35 Instrumenten en controlelampjes 33 Controlelampjes Overzicht De controlelampjes geven bepaalde functies, resp. storingen aan. Afb. 35 Instrumentenpaneel met controlelampjes Knipperlichten (links) bladzijde 34 Knipperlichten (rechts) bladzijde 34 Mistlampen bladzijde 35 Groot licht bladzijde 35 Dimlicht bladzijde 35 Mistachterlicht bladzijde 35 Snelheidsregelsysteem* bladzijde 35 Gloeilichten verlies bladzijde 35 Aanpasbare schijnwerpers* bladzijde 35 Roetfilter* (dieselmotor) bladzijde 35 Airbagsysteem bladzijde 36 Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
36 34 Instrumenten en controlelampjes Controlesysteem voor uitlaatgassen bladzijde 37 Elektromechanische stuurbekrachtiging bladzijde 37 Motoroliedruk bladzijde 37 Controle van de motorelektronica (benzinemotor) bladzijde 38 Voorgloeisysteem (dieselmotor) bladzijde 38 Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil bladzijde 38 Aandrijf-slipregeling (ASR) bladzijde 39 Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)* bladzijde 39 Keuzehendelblokkering* bladzijde 39 Bandenspanning* bladzijde 39 Anti-blokkeer systeem (ABS) bladzijde 40 Motorkap bladzijde 40 Gordelwaarschuwingslampje bladzijde 41 Remblokdikte* bladzijde 41 Kofferklep bladzijde 41 Portier open bladzijde 41 Vloeistofpeil in ruitensproeierinstallatie bladzijde 41 Remsysteem bladzijde 41 Dynamo bladzijde 42 Motoroliepeil bladzijde 42 Brandstofreserve bladzijde 43 Als de brandende controlelampjes en de betreffende beschrijvingen en waarschuwingsaanwijzingen worden genegeerd, kan dit tot ernstig letsel of tot schade aan de auto leiden. De motorruimte van de auto is een gevaarlijke omgeving. Bij werkzaamheden in de motorruimte, bijv. controleren en bijvullen van de bedrijfsvloeistoffen, kunnen letsel, verbrandingen, ongevallen en brand ontstaan. Neem beslist de waarschuwingsaanwijzingen in acht bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Aanwijzing De schikking van de controlelampjes is afhankelijk van het motormodel. De in de volgende beschrijving van de functie weergegeven symbolen vindt u als controlelampje op het instrumentenpaneel. Functiestoringen worden op het display van het combi-instrument door middel van rode symbolen (prioriteit 1 gevaar) of gele symbolen (prioriteit 2 waarschuwing) weergegeven. Knipperlichtinstallatie Afhankelijk van de stand van de knipperlichtschakelaar knippert het linker of rechter controlelampje.
37 Instrumenten en controlelampjes 35 Als er een gloeilamp voor een knipperlicht uitvalt, knippert het controlelampje bijna twee keer zo snel. Dit geldt niet bij het rijden met aanhangwagen. Bij ingeschakelde alarmlichten knipperen alle knipperlichten alsmede de beide controlelampjes. Zie voor nog meer aanwijzingen met betrekking tot de knipperlichtinstallatie bladzijde 69. Mistlampen Het controlelampje brandt bij ingeschakelde mistlampen bladzijde 66. Groot licht Het controlelampje brandt bij ingeschakeld groot licht of bij ingeschakeld lichtsignaal. Zie voor nog meer aanwijzingen met betrekking tot het grootlichtsysteem bladzijde 69. Dimlicht Het controlelampje brandt bij ingeschakeld dimlicht bladzijde 62. Mistachterlicht Het controlelampje brandt bij ingeschakelde mistachterlichten bladzijde 67. Snelheidsregelsysteem* Het controlelampje brandt als het snelheidsregelsysteem actief is. Gloeilampen defect Het controlelampje gaat bij een defecte gloeilamp branden: tot 2 seconden na het inschakelen van het contact, bij het inschakelen van de defecte gloeilamp. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst, bijv.: Check front right dipped beam! (Dimlicht, rechtsvoor controleren!) Het parkeerlicht achter en de verlichting van het kenteken hebben meerdere gloeilampen. Het controlelampje licht alleen dan op, wanneer alle gloeilampen van het kenteken, resp. het parkeerlicht (in een achterlicht eenheid) defekt zijn. Controleer daarom regelmatig de functie van de gloeilampen. Aanpasbare schijnwerpers* Als het controlelampje tijdens de rit of na het inschakelen van het contact 1 minuut knippert en er een waarschuwingssignaal klinkt, wordt er een storing van de aanpasbare schijnwerpers gesignaleerd. Zie voor meer informatie bladzijde 65. Roetfilter* (dieselmotor) Als het controlelampje gaat branden, geeft dit aan dat door het frequent rijden van korte ritten het roetfilter met roet is verstopt. Om het roetfilter te reinigen moet zo snel mogelijk, zodra de verkeerssituatie dit toelaat, gedurende minimaal 15 minuten of totdat het controlelampje uitgaat met een ingeschakelde 4 of 5 gang (automatische versnellingsbak: stand S) met een snelheid van minimaal 60 km/h met een motortoerental van /min worden gereden. Hierdoor loopt de uitlaatgastemperatuur op en worden de in het roetfilter neergeslagen roetdeeltjes verbrand. Let hierbij altijd op de geldende snelheidsbeperkingen. Nadat het roetfilter met succes is gereinigd gaat het controlelampje uit. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
38 36 Instrumenten en controlelampjes Als het filter niet met succes werd gereinigd, gaat het controlelampje niet uit en begint het controlelampje te knipperen. Op het informatiedisplay* verschijnt Diesel-particle Owner's manual (roetfilter gebruikers handleiding!). Hierna schakelt het motorregelapparaat het noodprogramma voor de motor in, waarin slechts een beperkt motorvermogen beschikbaar is. Na het uitschakelen en weer inschakelen van het contact gaat het controlelampje branden. Neem direct contact op met de Škoda-dealer. Als u het controlelampje dat weer gaat branden, en de hierbij behorende beschrijvingen en waarschuwingen negeert, kan dit leiden tot letsel of tot schade aan de auto. Pas uw snelheid altijd aan aan de weersomstandigheden, de staat van het wegdek en het terrein en aan de verkeerssituatie. De via het controlelampje kenbaar gemaakte adviezen mogen u er nooit toe verleiden de wetteljke regelingen in het wegverkeer te negeren. Voorzichtig! Zolang het controlelampje brandt, moet rekening worden gehouden met een hoger brandstofverbruik en onder bepaalde omstandigheden ook met het teruglopen van het motorvermogen. Aanwijzing Meer informatie met betrekking tot het roetfilter bladzijde 204. Airbagsysteem Controle van het airbagsysteem Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Als het controlelampje niet uitgaat of tijdens het rijden gaat branden of knipperen, is er sprake van een systeemstoring. Dat geldt ook als het controlelampje bij het inschakelen van het contact niet gaat branden. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Airbag fault! (Airbag storing!) De paraatheid van het airbagsysteem wordt elektronisch ook dan gecontroleerd als een airbag is uitgeschakeld. Voor-, zij- of de hoofdairbag zonder veiligheidsgordel met behulp van de elektronicatester uitgeschakeld: Het controlelampje gaat na het inschakelen van het contact 4 seconden branden en knippert aansluitend nog 12 seconden met een interval van 2 seconden. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Airbag/belt tensioner deactivated (airbag,veiligheidsgordel gedeactiveerd!) Airbags voorpassagier met behulp van de schakelaar voor de airbags voor de voorpassagier* in het dashboardkastje aan de voorpassagierszijde uitgeschakeld: het controlelampje brandt na het inschakelen van het contact gedurende 4 seconden, de uitgeschakelde airbags worden door het gaan branden van het controlelampje (airbag uitgeschakeld) op het middendeel van het dashboard aangeduid bladzijde 186. Als er sprake is van een storing, moet het airbagsysteem direct door een Škoda-dealer worden gecontroleerd. Anders is de kans aanwezig dat de airbags bij een aanrijding niet worden geactiveerd.
39 Instrumenten en controlelampjes 37 Uitlaatgascontrolesysteem Het controlelampje gaat branden na het inschakelen van het contact. Als het controlelampje na het starten van de motor niet uitgaat of tijdens de rit brandt of knippert, is er sprake van een storing in een uitlaatgasrelevant component. Het door de motorregeling gekozen noodprogramma stelt u in staat voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer te rijden. Elektromechanische stuurbekrachtiging Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Als het controlelampje na het inschakelen van het contact of tijdens de rit constant brandt, is er sprake van een storing in de elektromechanische stuurbekrachtiging. Als de gele controlelamp brandt, is er sprake van een gedeeltelijke uitval van de stuurbekrachtiging en kunnen de krachten nodig voor de besturing hoger zijn. Als de rode controlelamp brandt, is de stuurbekrachtiging geheel uitgevallen (het verdraaien van het stuurwiel kost aanzienlijk meer kracht). Zie voor meer informatie bladzijde 202. Als de stuurbekrachtiging is uitgevallen, neem dan contact op met een Škoda-dealer. Aanwijzing Als nadat de motor opnieuw is gestart en nadat even is gereden de gele controlelamp uitgaat, is het niet nodig contact op te nemen met een Škoda-dealer. Als de accukabels werken losgemaakt en weer werden aangesloten, zal na het inschakelen van het contact het gele controlelampje gaan branden. Na even te hebben gereden moet het controlelampje uitgaan. Motoroliedruk Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. 3) Als het controlelampje na het starten van de motor niet uitgaat of tijdens het rijden gaat knipperen, stop dan en zet de motor af. Controleer het oliepeil en vul zo nodig motorolie bij bladzijde 230. Als extra waarschuwingssignaal klinkt drie maal een akoestisch signaal. Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van motorolie niet mogelijk is, mag de reis niet worden vervolgd. Laat de motor uitgeschakeld en roep de hulp in van een Škoda-dealer, omdat dit anders kan leiden tot zware motorschade. Als het controlelampje knippert niet verder rijden, ook al is de oliehoeveelheid in orde. Laat de motor ook niet stationair draaien. Roep de hulp van de dichtstbijzijnde Škoda-dealer in. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Oil Pressure Engine off! Owner's manual (Oliedruk motor afzetten! Instructieboekje) Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de auto dan op een veilige afstand ten opzichte van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlichten in. Het rode oliedrukcontrolelampje werkt niet als oliepeilindicatie! Daarom moet het oliepeil regelmatig, bij voorkeur bij elke tankstop, worden gecontroleerd. 3) Bij auto's met informatiedisplay zal na het inschakelen van het contact het controlelampje niet branden, dit brandt alleen als er een storing aanwezig is of als het motoroliepeil te laag is. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
40 38 Instrumenten en controlelampjes Controle van de motorelektronica (benzinemotor) Het controlelampje (Electronic Power Control) gaat bij het inschakelen van het contact gedurende een aantal seconden branden. Als het controlelampje na het starten van de motor niet uitgaat of blijft branden, is er sprake van een storing in de motorregeling. Het door de motorregeling gekozen noodprogramma stelt u in staat voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer te rijden. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Engine fault Workshop! (Motorstoring werkplaats!) Voorgloei-installatie (dieselmotor) Bij een koude motor gaat het controlelampje bij het inschakelen van het contact (voorgloeistand) 2 branden bladzijde 119. Nadat het controlelampje is uitgegaan kan de motor worden gestart. Bij een op bedrijfstemperatuur zijnde motor of bij buitentemperaturen boven +5 C gaat het voorgloeicontrolelampje slechts ca. 1 seconde branden. Dat betekent dat de motor direct kan worden gestart. Als het controlelampje niet gaat of permanent blijft branden, is er sprake van een storing in het voorgloeisysteem. Neem in dit geval zo snel mogelijk contact op met een Škoda-dealer. Als het controlelampje tijdens de rit gaat knipperen, is er sprake van een storing in het motormanagement. Het door de motorregeling gekozen noodprogramma stelt u in staat voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer te rijden. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Engine fault Workshop! (Motorstoring werkplaats!) Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. 4) Als het controlelampje niet uitgaat of tijdens het rijden gaat knipperen, is de koelvloeistoftemperatuur te hoog of het koelvloeistofpeil te laag. Als extra waarschuwingssignaal klinken drie pieptonen. Stop in dat geval, zet de motor af en controleer het koelvloeistofpeil en vul zo nodig vloeistof bij. Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van koelvloeistof niet mogelijk is, mag de reis niet worden vervolgd. Laat de motor uitgeschakeld en roep de hulp in van een Škoda-dealer, omdat dit anders kan leiden tot zware motorschade. Als het koelvloeistofpeil binnen het voorgeschreven bereik ligt, kan een te hoge temperatuur zijn veroorzaakt door een storing aan de koelluchtventilator. Controleer de zekering voor de koelluchtventilator en vervang deze zo nodig bladzijde 263, Zekeringenoverzicht in motorruimte - uitvoering 1 of bladzijde 265, Zekeringenoverzicht in motorruimte - uitvoering 2. Als het controlelampje niet uitgaat terwijl het koelvloeistofpeil en ook de ventilatorzekering in orde zijn, mag de reis niet worden vervolgd. roep de hulp van een Škoda-dealer in. Neem de verdere aanwijzingen in acht bladzijde 231, Koelsysteem. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Check coolant! Owner's manual (koelmiddel controleren! Instructieboekje) Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de auto dan op een veilige afstand ten opzichte van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlichten in bladzijde 68. Draai voorzichtig de dop op het koelvloeistofexpansiereservoir los. Bij hete motor staat het koelsysteem onder druk - kans op verbranding. Laat de motor daarom afkoelen voordat u de dop losdraait. 4) Bij auto's met informatiedisplay zal na het inschakelen van het contact het controlelampje niet gaan branden, maar alleen als de koelvloeistoftemperatuur te hoog of het koelvloeistofpeil te laag is.
41 Instrumenten en controlelampjes 39 Vervolg Raak de koelluchtventilator niet aan. De koelluchtventilator kan ook bij uitgeschakeld contact vanzelf worden ingeschakeld. Aandrijf-slipregeling (ASR) Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Bij het regelproces knippert het controlelampje tijdens de rit. Bij uitgeschakelde ASR of bij een storing ervan brandt het controlelampje continu. Omdat het ASR-systeem met het ABS werkt, brandt bij het uitvallen van het ABS ook het ASR-controlelampje. Als het controlelampje gelijk na het starten van de motor gaat branden, kan het ASR-systeem om technische redenen zijn uitgeschakeld. In dit geval kunt u het ASRsysteem door het uit- en inschakelen van het contact opnieuw inschakelen. Als het controlelampje uitgaat, is het ASR-systeem weer volledig bedrijfszeker. Verdere informatie met betrekking tot de ASR bladzijde 199, Aandrijf-slipregeling (ASR). Aanwijzing Als de accukabels werden losgemaakt en weer werden aangesloten, zal na het inschakelen van het contact het gele controlelampje gaan branden. Na even te hebben gereden moet het controlelampje uitgaan. Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)* Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Tot het ESP-systeem behoren ook de aandrijf-slipregeling (ASR), het elektronische sperdifferentieel (EDS) en het antiblokkeersysteem (ABS). Bij het regelproces knippert het controlelampje tijdens de rit. Bij uitgeschakeld ESP of bij een storing ervan brandt het controlelampje continu. Omdat het ESP-systeem met het ABS werkt, brandt bij het uitvallen van het ABS ook het ESP-controlelampje. Als het controlelampje gelijk na het starten van de motor gaat branden, kan het ESP-systeem om technische redenen zijn uitgeschakeld. In dit geval kunt u het ESPsysteem door het uit- en inschakelen van het contact opnieuw inschakelen. Als het controlelampje uitgaat, is het ESP-systeem weer volledig bedrijfszeker. Meer details met betrekking tot het ESP bladzijde 197, Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)*. Elektronisch sperdifferentieel (EDS)* EDS maakt deel uit van het ESP. Een EDS-storing wordt door het gaan branden van het ESP-controlelampje op het instrumentenpaneel aangegeven. Neem direct contact op met de erkende Škoda-dealer. Zie voor nog meer aanwijzingen met betrekking tot het EDS bladzijde 198, Elektronisch sperdifferentieel (EDS)*. Aanwijzing Als de accukabels werden losgemaakt en weer werden aangesloten, zal na het inschakelen van het contact het gele controlelampje gaan branden. Na even te hebben gereden moet het controlelampje uitgaan. Keuzehendelblokkering* Als het groene controlelampje brandt, moet het rempedaal worden ingedrukt. Dit is nodig om de keuzehendel vanuit de stand P of N in een andere stand te kunnen plaatsen. Bandenspanning* Het controlelampje gaat branden, als in één van de banden de bandenspanning wezenlijk is teruggelopen. Verlaag de snelheid en controleer, resp. corrigeer zo snel mogelijk de bandenspanning van alle banden bladzijde 240. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
42 40 Instrumenten en controlelampjes Bij een knipperend controlelampje is er sprake van een systeemstoring. Neem contact op met een Škoda-dealer en laat de storing opheffen. Meer details met betrekking tot het bandenspanningscontrolesysteem bladzijde 203. Bij een brandend controlelampje moet direct de snelheid worden verlaagd en heftige stuur- en remmanoeuvres moeten worden vermeden. Bij de eerste mogelijkheid stoppen en de staat van de banden en de bandenspanning controleren. Onder bepaalde omstandigheden (bijv. bij een sportieve rijstijl, op gladde of onverharde wegen) kan het controlelampje vertraagd of helemaal niet gaan branden. Aanwijzing Als de accukabels werken losgemaakt, zal na het inschakelen van het contact het gele controlelampje gaan branden. Na even te hebben gereden moet het controlelampje uitgaan. Antiblokkeersysteem (ABS) Het controlelampje geeft de bedrijfszekerheid van het ABS aan. Het controlelampje gaat na het inschakelen van het contact of tijdens het starten enkele seconden branden. Het lampje gaat uit, nadat een automatische testprocedure is beëindigd. Storingen in het ABS Als het ABS-controlelampje binnen enkele seconden na het inschakelen van het contact niet uitgaat of helemaal niet gaat branden of tijdens het rijden gaat branden, is het systeem niet in orde. De auto wordt met het normale remsysteem afgeremd. Neem zo snel mogelijk contact op met een Škoda-dealer en pas uw rijstijl aan omdat u niet weet hoe ernstig het defect is. Meer details met betrekking tot het ABS bladzijde 201, Antiblokkeersysteem (ABS). Storing in het gehele remsysteem Als het ABS-controlelampje samen met het remsysteemcontrolelampje (bij niet aangetrokken handrem) gaat branden, is niet alleen het ABS maar ook een ander deel van het remsysteem defect. Als het remsysteemcontrolelampje samen met het ABS-controlelampje gaat branden, stop dan direct en controleer het remvloeistofpeil in het remvloeistofreservoir bladzijde 233, Remvloeistof. Als het vloeistofpeil tot onder de MIN-markering is gedaald, rijd dan niet verder - kans op ongevallen! Roep deskundige hulp in. Let bij het openen van de motorkap en het controleren van het remvloeistofpeil op de aanwijzingen bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Als het remvloeistofpeil in orde is, is de regelfunctie van het ABSsysteem uitgevallen. De achterwielen kunnen dan bij het remmen zeer snel blokkeren. Dit kan onder bepaalde omstandigheden tot het uitbreken van de achterkant van de auto leiden - slipgevaar! Rijd voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer en laat de storing opheffen. Motorkap Het controlelampje brandt als de motorkap is ontgrendeld. Wanneer u gedurende de rit de motorklep ontgrendeld, wordt het controlelampje opgelicht en er klinkt een akoestisch signaal. Dit controlelampje brandt ook bij uitgeschakeld contact. De controllampjes lichten max. 5 minuten lang op. Bij voertuigen met informatiedisplay* worden deze controlelampjes door een voertuig symbool verplaatst bladzijde 28, afb. 29.
43 Instrumenten en controlelampjes 41 Gordelwaarschuwingslampje Het controlelampje gaat na het inschakelen van het contact branden, om de bestuurder resp. de passagier eraan te herinneren de veiligheidsgordel om te doen. Het controlelampje gaat pas uit als de bestuurder resp. de passagier de veiligheidsgordel heeft omgedaan. Als de bestuurder, resp. de passagier de veiligheidsgordel niet draagt, klinkt bij snelheden boven de 20 km/h een permanente waarschuwingstoon terwijl gelijktijdig het controlelampje knippert. Als de bestuurder resp. de passagier de veiligheidsgordel binnen 90 seconden niet omdoen, wordt de waarschuwingstoon uitgeschakeld, en brandt het controlelampje continu. Meer informatie met betrekking tot de veiligheidsgordels bladzijde 170, Veiligheidsgordels. Remblokdikte* Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. 5) Als het controlelampje gaat branden, ga dan naar een Škoda-dealer en laat de remblokken van alle wielen controleren. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Check brake pads! (Remblokken controleren!) Kofferklep Het controlelampje gaat branden als bij ingeschakeld contact de kofferklep openstaat. Wanneer u gedurende de rit de motorklep opent, wordt het controlelampje opgelicht en er klinkt een akoestisch waarschuwingssignaal. Dit controlelampje brandt ook bij uitgeschakeld contact. De controllampjes lichten max. 5 minuten lang op. Bij voertuigen met informatiedisplay* worden deze controlelampjes door een voertuig symbool verplaatst bladzijde 28, afb. 29. Portier open Het controlelampje gaat branden bij het openen van een of meerdere portieren of bij het openen van de kofferklep/achterklep. Wanneer u gedurende de rit een van de portieren, wordt het controlelampje opgelicht en er klinkt een akoestisch signaal. Dit controlelampje brandt ook bij uitgeschakeld contact. De controllampjes lichten max. 5 minuten lang op. Bij voertuigen met informatiedisplay* worden deze controlelampjes door een voertuig symbool verplaatst bladzijde 28, afb. 29. Ruitensproeiervloeistofpeil Het controlelampje brandt bij ingeschakeld contact bij een te laag vloeistofpeil in het ruitensproeierreservoir. Ruitensproeiervloeistof bijvullen bladzijde 238. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Add wash fluid! (Ruitensproeierreservoir vullen!) Remsysteem Het controlelampje knippert, resp. brandt bij een te laag remvloeistofpeil, bij een storing in het ABS of bij een aangetrokken handrem. Als het controlelampje knippert en er klinkt drie maal een akoestisch signaal (niet bij een aangetrokken handrem), stop dan en controleer het remvloeistofpeil. 5) Bij auto's met informatiedisplay zal na het inschakelen van het contact het controlelampje niet branden, dit brandt alleen als er sprake is van een storing. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
44 42 Instrumenten en controlelampjes Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Brake fluid Owner's manual (Remvloeistof! Instructieboekje) Bij een ABS-storing die ook betrekking heeft op de werking van het remsysteem (bijv. de remdrukverdeling), gaat het ABS-controlelampje samen met het remsysteemcontrolelampje branden. Houd er rekening mee dat niet alleen het ABS, maar ook een ander deel van het remsysteem defect is. Als extra waarschuwingssignaal klinkt drie maal een akoestisch signaal. Op weg naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer/vakgarage moet rekening worden gehouden met een hogere rempedaaldruk, een langere remweg en een grotere vrije slag van het rempedaal. Zie voor nog meer aanwijzingen met betrekking tot het remsysteem bladzijde 200, Remmen. Aangetrokken handrem Het controlelampje brandt ook bij een aangetrokken handrem. Bovendien wordt een akoestische waarschuwing gegeven als u met de auto minstens 3 seconden met een snelheid van meer dan 6 km/h hebt gereden. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Release parking brake! (Parkeerrem lossen!) Let bij het openen van de motorkap en het controleren van het remvloeistofpeil op de aanwijzingen bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Als het remsysteemcontrolelampje enkele seconden na het inschakelen van het contact niet uitgaat of tijdens het rijden gaat branden, stop dan direct en controleer het remvloeistofpeil in reservoir bladzijde 233, Remvloeistof. Als het vloeistofpeil tot onder de MIN-markering is gedaald, rijd dan niet verder - kans op ongevallen! Roep deskundige hulp in. Dynamo Het controlelampje gaat branden na het inschakelen van het contact. Het controlelampje moet na het aanslaan van de motor uitgaan. Als het controlelampje na het starten van de motor niet uitgaat of tijdens het rijden gaat branden moet u de dichtstbijzijnde Škoda-dealer bezoeken. Omdat daarbij de autoaccu wordt ontladen, moet u alle niet beslist noodzakelijke stroomverbruikers uitschakelen. Voorzichtig! Als tijdens het rijden behalve het controlelampje ook nog het controlelampje (koelsysteemstoring) op het display gaat branden, moet direct worden gestopt en de motor worden afgezet - kans op motorschade! Motoroliepeil Controlelampje brandt Als het controlelampje brandt is het oliepeil waarschijnlijk te laat. Controleer zo snel mogelijk het oliepeil, resp. vul olie bij bladzijde 230. Als extra waarschuwingssignaal klinkt een pieptoon. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Check oil level! (Oliepeil controleren!) Als de motorkap langer dan 30 seconden open blijft staan, gaat het controlelampje uit. Als er geen motorolie wordt bijgevuld, gaat het controlelampje na ongeveer 100 km weer branden. Controlelampje knippert Als er een storing aan de motoroliepeilsensor optreedt, wordt dit na het inschakelen van het contact bovendien door een akoestisch signaal en het meerdere malen gaan branden van het controlelampje aangegeven. De motor direct door een Škoda-dealer laten controleren.
45 Instrumenten en controlelampjes 43 Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Oil sensor Workshop! (Oliesensor werkplaats!) Brandstofreserve Het controlelampje brandt, zodra er minder dan 9 liter in de brandstoftank aanwezig is. Als extra waarschuwingssignaal klinkt een akoestisch signaal. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Please refuel! Range...km (Tanken a.u.b.! Bereik...km) Aanwijzing De tekst in het informatiedisplay* gaat pas uit, verdwijnt pas nadat er is getankt en er een kort stukje is gereden. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
46 44 Openen en Afsluiten Openen en Afsluiten Sleutel Houd de groef in de sleutel absoluut schoon omdat verontreinigingen (textielvezels, stof e.d.) de werking van de sloten alsmede van het contactslot negatief kunnen beïnvloeden. Aanwijzing Neem bij verlies van een sleutel contact op met een erkende Škoda-dealer die zorgt voor de levering van een reservesleutel. Afb. 36 Radiografische afstandsbediening Batterij van de radiografische afstandsbediening vervangen Met de auto worden twee radiografische afstandsbedieningen afb. 36 meegeleverd. Als u de auto verlaat - ook al is het maar voor even - haal dan in ieder geval de sleutel uit het contactslot. Dat geldt vooral als er kinderen in de auto achterblijven. De kinderen zouden anders de motor kunnen starten of elektrische systemen (bijv. elektrisch bediende ruiten) kunnen bedienen - kans op ongevallen! Haal de contactsleutel pas uit het contactslot als de auto tot stilstand is gekomen! Het stuurslot zou anders ongewild kunnen vergrendelen - kans op ongevallen! Afb. 37 Sleutel met radiografische afstandsbediening Voorzichtig! Elke sleutel bevat elektronische componenten, bescherm de sleutels dan ook tegen vocht en harde schokken.
47 Openen en Afsluiten 45 Milieu De lege batterij moet op milieuvriendelijke wijze worden afgevoerd. Afb. 38 Deksel zenderbehuizing Elke radiografische afstandsbediening heeft een batterij die in het deksel AB van de zenderbehuizing bladzijde 44, afb. 37 is ondergebracht. Wij adviseren het vervangen van de sleutelbatterij door een erkende Škodadealer te laten uitvoeren. Als u toch zelf lege batterijen wilt vervangen, ga dan als volgt te werk: Klap de sleutel uit. Druk het sleutelgedeelte A bladzijde 44, afb. 37 voorzichtig met een dunne schroevendraaier los van de zenderbehuizing AB. Verwijder het deksel van de zenderbehuizing afb. 38 in de richting van de pijl. Neem de lege batterij uit het deksel van de behuizing. Plaats de nieuwe batterij. Let erop dat het + teken op de batterij naar onderen moet wijzen. De goede poling is op het deksel van de zenderbehuizing aangegeven. Deksel met de aangebrachte batterij achter op de zenderbehuizing aanbrengen en dan de beide delen samendrukken. Plaats de zenderbehuizing zodanig op het sleutelgedeelte dat de beide delen in elkaar klikken. Aanwijzing De vervangingsbatterij moet qua specificatie overeenkomen met de originele batterij. Als u na de vervanging van de batterij de auto niet met de afstandsbediening kunt openen of sluiten, moet het systeem worden gesynchroniseerd bladzijde 54. Elektronische Wegrijbeveiliging (wegrijblokkering) De elektronische wegrijbeveiliging voorkomt het gebruik van uw auto door onbevoegden. In de kop van de sleutel bevindt zich een elektronische chip. Met behulp hiervan wordt de wegrijbeveiliging gedeactiveerd als de sleutel in het contactslot wordt gestoken. Als u de contactsleutel uit het contactslot trekt, wordt de elektronische wegrijbeveiliging automatisch geactiveerd. Aanwijzing Uw motor kan alleen maar met een passend gecodeerde originele Škoda-sleutel worden gestart. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
48 46 Openen en Afsluiten Kinderslot Het kinderslot voorkomt dat de achterportieren van binnenuit kunnen worden geopend. Afb. 39 Kinderslot op achterportieren De achterportieren zijn met een kinderslot uitgerust. Het kinderslot wordt met de autosleutel in- en uitgeschakeld. Kinderslot inschakelen Steek de contactsleutel in de sleuf in het achterportier en draai de contactsleutel in de richting van de pijl afb. 39. Kinderslot uitschakelen Draai de sleuf met de autosleutel naar rechts tegen de pijlrichting in. Bij ingeschakeld kinderslot is de hendel voor het openen van de portieren van binnenuit geblokkeerd. U kunt het portier alleen maar van buitenaf openen. Centrale vergrendeling Beschrijving Bij het openen en sluiten worden door de centrale vergrendeling alle portieren en de tankdopklep gezamenlijk ontgrendeld of vergrendeld. De kofferbakklep wordt bij het openen ontgrendeld. Daarna kunt u de kofferruimteklep door het drukken op de hendel aan de onderkant van de kofferruimteklep openen bladzijde 50. De centrale vergrendeling kan worden bediend: met behulp van de radiografische afstandsbediening bladzijde 53, met behulp van de toetsen voor de centrale vergrendeling bladzijde 48, van buitenaf met de contactsleutel bladzijde 49, Noodontgrendeling en - vergrendeling van het bestuurdersportier. Controlelampje in bestuurdersportier Na het afsluiten van de auto knippert het controlelampje gedurende 2 seconden snel, daarna langzamer. Als de auto is afgesloten en de safe-beveiliging bladzijde 47 is niet actief, knippert het controlelampje in het bestuurdersportier ca. 2 seconden snel, gaat uit en begint na ca. 30 seconden langzaam te knipperen. Als het controlelampje eerst ca. 2 seconden lang snel knippert, daarna ca. 30 seconden continu gaat branden en aansluitend hierop langzaam gaat knipperen, is er in het systeem van de centrale vergrendeling of in de interieurbewaking en afsleepbewaking* bladzijde 55 sprake van een storing. Neem contact op met een Škoda-dealer. Comfortschakeling ruiten Bij het afsluiten of openen van de auto kunnen de elektrisch bediende ruiten worden geopend en gesloten bladzijde 58. Eén portier openen* Via deze functie is het mogelijk alleen het bestuurdersportier te openen. De andere portieren en de tankdopklep blijven vergrendeld en worden pas na het nogmaals openen ontgrendeld.
49 Openen en Afsluiten 47 Als u wilt kunt u de functie een portier openen bij een erkende Škoda servicepartner laten activeren of u kunt het ook zelf doen met behulp van het informatiedisplay* activeren bladzijde 30. Automatische vergrendeling* Alle portieren en de kofferklep/achterklep worden vanaf een snelheid van ca. 15 km/h automatisch vergrendeld. Als de contactsleutel uit het contactslot wordt getrokken, wordt de auto automatisch weer ontgrendeld. Bovendien kan de auto door de bestuurder of bijrijder worden ontgrendeld door het indrukken van de centralevergrendelingstoets bladzijde 48 of door aan de portierkruk van een voorportier te trekken. Als u wilt kunt u de functie automatische vergrendeling bij een Škoda servicepartner laten activeren of u kunt het ook zelf doen met behulp van het informatiedisplay* activeren bladzijde 30. De vergrendeling van de portieren voorkomt onwillekeurig openen in een ongewone situatie (ongeval). Vergrendelde portieren voorkomen ook het ongewenst binnendringen van buitenstaanders - bijv. op kruispunten. Ze maken het hulpverleners in geval van nood echter moeilijker in de auto te komen - levensgevaar! Aanwijzing Bij een aanrijding waarbij de airbag(s) is (zijn) geactiveerd worden de vergrendelde portieren automatisch ontgrendeld om hulpverleners toegang tot de auto te verschaffen. Bij een defect in de centrale vergrendeling kunt u met sleutel alleen het portier van de bestuurder ont- resp. vergrendelen bladzijde 49, Noodontgrendeling en - vergrendeling van het bestuurdersportier. De andere portieren en de kofferklep/achterklep kunnen handmatig worden vergrendeld of ontgrendeld. Noodvergrendeling van het portier bladzijde 49. Noodontgrendeling van de kofferklep/achterklep bladzijde 52. Safe-beveiliging De centrale vergrendeling is met een Safe-beveiliging 6) uitgerust. Als u de auto van buitenaf afsluit, worden de portiersloten automatisch geblokkeerd. Met de portierhandgreep kunnen de portieren noch van buitenaf, noch van binnenuit worden geopend. Daardoor wordt het openbreken van de auto bemoeilijkt. De safe-beveiliging kunt u door dubbele vergrendeling binnen 2 seconden buiten werking stellen. Als de safe-beveiliging is uitgeschakeld: knippert het controlelampje in het bestuurdersportier ca. 2 seconden snel, gaat uit en begint na ca. 30 seconden weer langzaam te knipperen, is de tankdopklep vergrendeld. Als de auto weer wordt is ont- en vergrendeld, is de Safe-beveiliging weer in werking. Als de auto is vergrendeld en de Safe-beveiliging is gedeactiveerd, kunt u de auto van binnen uit openen door aan de portierkruk te trekken. Bij van buitenaf afgesloten auto's met geactiveerde Safe-beveiliging mogen geen personen en huisdieren in de auto achterblijven omdat van binnenuit noch de portieren, noch de ruiten kunnen worden geopend. De vergrendelde portieren maken het hulpverleners in geval van nood moeilijk in de auto te komen - levensgevaar! Aanwijzing Het alarmsysteem* wordt bij het vergrendelen van de auto ook als de safe-beveiliging is gedeactiveerd, geactiveerd. De interieurbewaking* wordt hierbij echter niet geactiveerd. 6) Geldt slechts voor enkele landen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
50 48 Openen en Afsluiten Schakelaar voor centrale vergrendeling Bij een aanrijding waarbij de airbag(s) is (zijn) geactiveerd worden de van binnenuit vergrendelde portieren automatisch ontgrendeld om hulpverleners toegang tot de auto te verschaffen. Door drukken en vasthouden van het bovenste resp. onderste gedeelte van de tuimeltoets in het bestuurdersportier kunt u de ruiten comfort-sluiten resp. - openen. Afb. 40 Schakelaar voor centrale vergrendeling Als de auto niet van buitenaf werd vergrendeld, kunt u deze met behulp van de ruitenwisser toets aan de kruk van de bestuurders- of bijrijdersportier ook bij uitgeschakeld contact ontgrendelen en vergrendelen. Alle portieren en de kofferklep/achterklep vergrendelen Druk op het onderste gedeelte van de toets afb. 40. Het symbool in de toets gaat branden. De centrale vergrendeling werkt ook bij uitgeschakeld contact. Alle portieren en de kofferklep/achterklep worden vergrendeld. Omdat echter bij vergrendelde portieren in geval van nood hulpverlening van buitenaf wordt bemoeilijkt, moeten kinderen nooit zonder toezicht in de auto worden achtergelaten. Vergrendelde portieren maken het hulpverleners in geval van nood moeilijk in de auto te komen - levensgevaar! Aanwijzing Als de safe-beveiliging is geactiveerd, werken de portierkruk en de schakelaars voor de centrale vergrendeling niet. Alle portieren en de kofferklep/achterklep ontgrendelen Druk op het bovenste gedeelte van de toets afb. 40. In de schakelaar gaat het symbool uit. Als uw auto met de centralevergrendelingsknop is vergrendeld, geldt het volgende: Het openen van de portieren en de kofferklep/achterklep van buitenaf is niet mogelijk (vanuit veiligheidsoogpunt, bijv. bij het stoppen bij een kruispunt). U kunt de portieren van binnenuit afzonderlijk ontgrendelen en weer openen door aan de portierhendel te trekken. Is tenminste een portier geopend, dan kan men de auto niet vergrendelen.
51 Openen en Afsluiten 49 Noodontgrendeling en - vergrendeling van het bestuurdersportier Het bestuurdersportier kan bij defect van de sleutel met de radiografische afstandsbediening of de centrale vergrendeling handmatig ongrendeld of vergrendeld worden. Noodvergrendeling van de portieren Afb. 42 Achterportier: Noodvergrendeling van het portier Afb. 41 Grip aan het bestuurdersportier: afgedekte slotcylinder Trek aan de grip. Steek de autosleutel in de uitsparing aan de onderzijde van de afdekking en hef naar boven op. Steek de autosleutel in de slotcylinder en ontgrendel of vergrendel de auto. Aan de voorzijde van de portieren die niet zijn uitgevoerd met een slotcilinder, bevindt zich een noodslotmechanisme; dit is pas zichtbaar na het openen van het portier. Vergrendel de portieren met de autosleutel. Vergrendeling Bouw de afdekplaat uit afb. 42. Steek de sleutel in de gleuf en draai die naar buiten. Breng de afdekplaat weer aan. Na het sluiten van het portier kan dit van buitenaf niet meer worden geopend. Bij een niet-ingeschakeld kinderslot is het mogelijk het portier van binnenuit te openen door tweemaal de portierkruk uit te trekken. Bij een ingeschakeld kinderslot is het nodig, naast het twee keer uittrekken van de portierkruk, het portier ook van buitenaf nog te openen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
52 50 Openen en Afsluiten Twindoor - kleine bagageruimteklep Kleine bagageruimteklep sluiten Trek de kofferklep/achterklep naar beneden en sluit deze met een lichte zwaaiende beweging. De klep wordt automatisch vergrendeld. De kleine bagageruimteklep kunt u openen, indien u voor ca. 2 seconden de toets A2 op de radiografische afstandsbediening bladzijde 53 drukt. Op de bekleding aan de binnenzijde van de kofferklep/achterklep bevindt zich een handgreep, die het sluiten vergemakkelijkt. Afb. 43 Kofferklep-/achterklephandgreep Controleer of de kofferklep/achterklep na het sluiten goed is vergrendeld. Anders zou de kofferklep/achterklep tijdens het rijden plotseling open kunnen gaan, ook als het slot van de kofferklep/achterklep werd vergrendeld - kans op ongelukken! Rijd nooit met een openstaande of net niet gesloten kofferklep omdat er dan uitlaatgassen in het interieur kunnen komen - kans op vergiftiging! Afb. 44 Kofferklep Na het ontgrendelen van de auto met de radiografische afstandsbediening resp. met de sleutel bladzijde 49 kunt u de kleine bagageruimteklep afb. 44 openen. Kleine bagageruimteklep openen Druk de handgreep aan de onderzijde van de bagageruimteklep afb. 43, de bagageruimteklep gaat automatisch open afb. 44. Hinweis Na het sluiten van de kofferklep/achterklep wordt deze binnen 2 seconden automatisch vergrendeld en wordt het alarmsysteem* geactiveerd. Dit geldt alleen, als de auto voor het sluiten van de kofferklep/achterklep was vergrendeld. Bij het wegrijden, vanaf een snelheid boven 5 km/h, wordt de werking van de handgreep aan de onderkant van de koffer/achterklep gedeactiveerd. Na het stoppen van de auto en na het openen van het bestuurders- of bijrijdersportier of na het drukken van de toets A1 op de radiografische afstandsbediening bladzijde 53 wordt de functie van de handgreep opnieuw geactiveerd. Bij het herhaald openen en sluiten van de kofferklep kan het door de beveiliging tegen oververhitting van de motoren van het Twindoor systeem tot het kortstondig uitvallen van de werking komen.
53 Openen en Afsluiten 51 Twindoor - grote bagageruimteklep Druk op de handgreep A3 en til tegelijkertijd de kofferklep/achterklep op. Grote bagageruimteklep sluiten Trek de kofferklep/achterklep naar beneden en sluit deze met een lichte zwaaiende beweging. De klep wordt automatisch vergrendeld. Op de bekleding aan de binnenzijde van de kofferklep/achterklep bevindt zich een handgreep, die het sluiten vergemakkelijkt. Afb. 45 Kofferklep-/achterklephandgreep Controleer of de kofferklep/achterklep na het sluiten goed is vergrendeld. Anders zou de kofferklep/achterklep tijdens het rijden plotseling open kunnen gaan, ook als het slot van de kofferklep/achterklep werd vergrendeld - kans op ongelukken! Rijd nooit met een openstaande of net niet gesloten kofferklep omdat er dan uitlaatgassen in het interieur kunnen komen - kans op vergiftiging! Afb. 46 Kofferklep Na het ontgrendelen van de auto met de radiografische afstandsbediening resp. met de sleutel bladzijde 49, Noodontgrendeling en - vergrendeling van het bestuurdersportier kunt u de grote bagageruimteklep afb. 46 openen. Grote bagageruimteklep openen Druk de handgreep A1 afb. 45 aan de onderzijde van de koffer- /achterklep. Wacht tot het remlicht A2 in de achterruit tweemaal knippert. Hinweis Na het sluiten van de kofferklep/achterklep wordt deze binnen 2 seconden automatisch vergrendeld en wordt het alarmsysteem* geactiveerd. Dit geldt alleen, als de auto voor het sluiten van de kofferklep/achterklep was vergrendeld. Bij het wegrijden, vanaf een snelheid boven 5 km/h, wordt de werking van de handgreep aan de onderkant van de koffer/achterklep gedeactiveerd. Na het stoppen van de auto en na het openen van het bestuurders- of bijrijdersportier of na het drukken van de toets A1 op de radiografische afstandsbediening bladzijde 53 wordt de functie van de handgreep opnieuw geactiveerd. Bij het herhaald openen en sluiten van de kofferklep kan het door de beveiliging tegen oververhitting van de motoren van het Twindoor systeem tot het kortstondig uitvallen van de werking komen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
54 52 Openen en Afsluiten Noodontgrendeling van de kofferklep/achterklep Afb. 47 Noodontgrendeling van de kofferklep/achterklep In geval van een storing aan de centrale vergrendeling kunt u de kofferklep/achterklep als volgt openen: Klap de rugleuning naar voren bladzijde 86. Steek de sleutel in de gleuf in de bekleding tot het contact maakt afb. 47. Door de beweging in de pijlrichting ontgrendeld u de kofferklep/achterklep. Open van buitenaf de kofferklep/achterklep. de ruiten openen en sluiten. De zender met de batterij is in de handgreep van de sleutel met radiografische afstandsbediening ondergebracht. De ontvanger bevindt zich in het interieur van de auto. Het bereik van de afstandsbediening bedraagt ca. 30 m. Bij zwakke batterijen is het bereik van de afstandsbediening minder. De sleutel met radiografische afstandsbediening heeft een uitklapbare sleutelbaard die wordt gebruikt voor het handmatig ont- en vergrendelen van de auto en voor het starten van de motor. Bij de vervanging van een verloren sleutel en na reparatie of vervanging van de ontvanger moet het systeem door een erkende Škoda-dealer worden geïnitialiseerd. Pas dan kunt u de afstandsbediening weer gebruiken. Aanwijzing Bij ingeschakeld contact wordt de afstandsbediening automatisch gedeactiveerd. De werking van de afstandsbediening kan door beïnvloeding door zenders die zich in de buurt van de auto bevinden en op dezelfde frequentie werken (bijv. gsm's, tv-zenders) tijdelijk worden gestoord. Als de centrale vergrendeling of het alarmsysteem pas op een afstand van minder dan 3 m op de afstandsbediening reageert, moet de batterij worden vervangen, bij voorkeur door een erkende Škoda-dealer. Indien het berijdersportier is geopend, kan de auto niet met de radiografische afstandsbediening vergrendeld worden. Afstandsbediening Beschrijving Met de afstandsbediening kunt u: de auto ont- en vergrendelen, de koffer-achterklep ontgrendelen zonder te openen,
55 Openen en Afsluiten 53 Auto ont- en vergrendelen Uitklappen van de sleutel Druk op toets A4. Inklappen van de sleutel Druk op toets A4 en klap de sleutelbaard in het huis. Auto ontgrendelen Druk ongeveer 1 seconde lang op knop A1. Auto vergrendelen Druk ongeveer 1 seconde lang op knop A3. Afb. 48 Radiografische afstandsbediening Safe-beveiliging deactiveren Druk tweemaal binnen 2 seconden de schakelaar A3 in. Zie voor meer informatie bladzijde 47. Ontgrendeling van de kleine bagageruimteklep Druk de schakelaar A2 ongeveer 1 seconde lang afb. 48 in. Zie voor meer informatie bladzijde 50. Automatisch oplichten van de kleine bagageruimteklep Druk de schakelaar A2 ongeveer 2 seconde lang afb. 48 in. Zie voor meer informatie bladzijde 50. Het ontgrendelen van de auto wordt aangegeven door het tweemaal knipperen van de knipperlichten. Als u de auto met de knop A1 ontgrendelt en daarna binnen 30 seconden geen portier of kofferklep/achterklep opent, wordt de auto automatisch weer vergrendeld. Hierdoor wordt ongewild ontgrendelen van de auto voorkomen. Bovendien worden bij het openen van de auto de aan de sleutel toegekende standen van de elektrisch bediende stoelen en buitenspiegels* ingesteld. De opgeslagen instelling van bestuurdersstoel en buitenspiegels wordt opgevraagd. Bij het ontgrendelen en vergrendelen van de auto wordt automatisch de op schakelen via portiercontact ingestelde interieurverlichting en de verlichting van de instapruimte in- resp. uitgeschakeld is. Aanduiding van de vergrendeling De correcte vergrendeling van de auto wordt door het eenmaal knipperen van de knipperlichten aangegeven. Indien na het vergrendelen van de auto, deuren of koffer-/achterkelp geopend zijn, knipperen de knipperlichten eerst na het sluiten van deze. Bij van buitenaf afgesloten auto's met geactiveerde Safe-beveiliging mogen geen personen in de auto achterblijven omdat van binnenuit noch de portieren, noch de ruiten kunnen worden geopend. De vergrendelde portieren maken het hulpverleners in geval van nood moeilijk in de auto te komen - levensgevaar! Aanwijzing Gebruik de radiografische afstandsbediening alleen als de portieren en de kofferklep/achterklep zijn gesloten en als u visueel contact met de auto hebt. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
56 54 Openen en Afsluiten In de auto mag u de sluittoets van de radiografische afstandsbediening niet indrukken als de sleutel nog niet in het contactslot is gestoken, zodat de auto niet per vergissing wordt gesloten en daarbij ook nog eens het alarmsysteem* wordt ingeschakeld. Als dit toch mocht gebeuren, druk dan op de ontgrendelingstoets van de radiografische afstandsbediening. Het automatisch optillen van de kleine kofferklep kan bij temperaturen onder +4 C worden belemmerd. Synchronisatie van de afstandsbediening Als de auto bij het indrukken van de afstandsbediening niet wordt ontgrendeld, is het mogelijk dat de code van de sleutel en het regelapparaat in de auto niet meer met elkaar corresponderen. Dat kan gebeuren als de knoppen van de afstandsbediening meerdere malen buiten het werkingsgebied van het systeem zijn ingedrukt of als de batterij van de afstandsbediening is vervangen. Daarom is het nodig de code als volgt te synchroniseren: Druk een willekeurige toets op de afstandsbediening in. Na het indrukken van de toets moet het portier binnen 1 minuut met behulp van de sleutel worden ontgrendeld bladzijde 49, Noodontgrendeling en - vergrendeling van het bestuurdersportier. Alarmsysteem* Beschrijving Het alarmsysteem verhoogt de beveiliging tegen inbraak in de auto. Het systeem activeert akoestische en optische waarschuwingssignalen bij een poging tot inbraak in de auto. Hoe wordt het alarmsysteem geactiveerd? Het diefstal alarmsysteem wordt bij het afsluiten van de auto met de sleutel op het gesloten bestuurdersportier of met de radiografische afstandsbediening geactiveerd bladzijde 49, Noodontgrendeling en - vergrendeling van het bestuurdersportier. Het portiercontact bewaking wordt na ca. 15 seconden na de vergrendeling geactiveerd. Het interieur- en de afsleepbewaking worden na ca. 30 seconden na de vergrendeling geactiveerd. Indien gedurende de activering een portier is geopend, wordt de bewaking van deze eerst na 5 seconden van het sluiten geactiveerd. Hoe wordt het alarmsysteem gedeactiveerd? Het alarmsysteem wordt door het drukken van de ontgrendelingstoets op de radiografische afstandsbediening gedactiveerd. Als de auto niet binnen 30 seconden na het versturen van het radiosignaal wordt geopend, wordt het alarmsysteem weer geactiveerd. Het alarmsysteem wordt ook gedeactiveerd, indien u de auto binnen 45 seconden na het het vergrendelen met de sleutel in het bestuurdersportier ontgrendelt. Als de auto met behulp van een sleutel via het bestuurdersportier binnen 45 seconden wordt geopend, moet binnen 15 seconden na het openen van het portier de sleutel in het contactslot worden gestoken en het contact worden ingeschakeld om het alarmsysteem te deactiveren. Als binnen 15 seconden het contact niet wordt ingeschakeld, wordt alarm gegeven. Wanneer wordt alarm gegeven? Van de afgesloten auto worden de volgende onderdelen bewaakt: motorkap, kofferklep/achterklep, portieren, contactslot, Contactdoos ingebouwd door de fabriek voor aanhangwagenuitrusting, hellingshoek van de auto*, Interieur*, Spanningsval in het boordnet. Als één van de beide accupolen bij een ingeschakeld alarmsysteem wordt losgekoppeld, wordt onmiddellijk alarm gegeven.
57 Openen en Afsluiten 55 Hoe wordt het alarm uitgeschakeld? Het alarm wordt uitgeschakeld als u de auto met behulp van de radiografische afstandsbediening opent of als u het contact inschakelt. Aanwijzing De levensduur van de batterij voor de alarmclaxon bedraagt 6 jaar. Verdere informatie bekomt u bij een vakbedrijf. Om er zeker van te zijn dat het alarmsysteem helemaal goed functioneert, moet u voor het verlaten van de auto controleren of alle portieren, alle ruiten en het elektrische schuif-/kanteldak* zijn afgesloten. De codering van de radiografische afstandsbediening en de ontvanger sluit het gebruik van de radiografische afstandsbediening van andere auto's uit. Interieurbewaking en afsleepbewaking* De interieurbewaking geeft alarm, zodra er een beweging in de auto wordt geregistreerd. Druk de toets op de middenstijl aan de bestuurderszijde afb. 49 in, de kleur van de verlichting van het symbool gaat van rood naar oranje. Vergrendel de auto binnen 30 seconden. De interieurbewaking en de wegsleepbewaking worden automatisch weer ingeschakeld bij de eerstvolgende vergrendeling van de auto. Aanwijzing Schakel de interieurbewaking en de wegsleepbeveiliging uit, als de mogelijkheid aanwezig is dat het alarm wordt geactiveerd door bewegingen (bijv. door kinderen of huisdieren) in het interieur of als de auto wordt vervoerd (bijv. per spoor of boot) of moet worden weggesleept. De geopende lade voor brillen* vermindert de werking van de interieurbewaking. Om de volledige functionaliteit van de interieurbewaking te waarborgen, sluit, voor het vergrendelen van de auto, de lade voor brillen. Elektrische ruitbediening Schakelaars in bestuurdersportier Afb. 49 Toets voor interieurbewaking en afsleepbewaking Interieurbewaking en wegsleepbewaking uitschakelen Schakel het contact uit. Open het bestuurdersportier. Afb. 50 Schakelaars in bestuurdersportier Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
58 56 Openen en Afsluiten De elektrische ruitbediening werkt alleen bij ingeschakeld contact. Ruiten openen De ruit wordt geopend door licht op de betreffende toets in het portier te drukken. Als de toets wordt losgelaten, wordt de procedure gestopt. Bovendien kunt u de ruit door het indrukken van de schakelaar tot aan de aanslag automatisch openen (volledig open). Bij het opnieuw indrukken van de toets blijft de ruit direct staan. Ruiten sluiten De ruit wordt gesloten door voorzichtig aan de betreffende toets te trekken. Als de toets wordt losgelaten, wordt de sluitprocedure gestopt. Bovendien kan de ruit door de schakelaar tot aan de aanslag uit te trekken automatisch worden gesloten (volledig sluiten). Bij het opnieuw uittrekken van de toets blijft de ruit direct staan. De schakelaars voor de elektrisch bediende ruiten bevinden zich in de armleuning van het bestuurder bladzijde 55, afb. 50, de bijrijder en in de achterportieren bladzijde 57, afb. 51 Schakelaars van de elektrisch bediende ruiten in de armleuning van de bestuurder A schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het bestuurdersportier AB schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het rechter voorportier AC Schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het rechter achterportier AD Schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het linker achterportier AS Veiligheidsschakelaar Veiligheidsschakelaar Door het indrukken van de veiligheidsschakelaar AS bladzijde 55, afb. 50 kunnen de schakelaars voor de ruitbediening in de achterportieren worden uitgeschakeld. Door het opnieuw indrukken van de veiligheidsschakelaar AS zullen de toetsen voor de ruitbediening in de achterportieren weer functioneren. Zodra de schakelaar in de achterportieren buiten werking zijn gesteld brandt het controlelampje in de veiligheidsschakelaar AS. Als u de auto van buitenaf afsluit, mogen er geen personen in de auto achterblijven omdat de ruiten in geval van nood niet van binnenuit kunnen worden geopend. Het systeem is met een krachtbegrenzing uitgerust bladzijde 57. Als tijdens het sluiten weerstand wordt ondervonden, wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit enkele centimeters terug. Sluit daarna de ruit voorzichtig! Als dit wordt nagelaten kan letsel door inklemmen worden veroorzaakt! Als er op de achterbankzittingen kinderen worden vervoerd, wordt geadviseerd de elektrische ruitbediening van de achterportieren uit te schakelen (veiligheidsschakelaar) AS bladzijde 55, afb. 50. Aanwijzing Als u het contact uitschakelt, kunt u de ruiten nog ca. 10 minuten openen of sluiten. Gedurende deze periode werkt het automatisch sluiten van de ruiten niet. Als u het bestuurders- of voorpassagiersportier opent, is de elektrische ruitbediening helemaal uitgeschakeld. Maak voor het ventileren van het interieur tijdens het rijden bij voorkeur gebruik van het geïnstalleerde verwarmings-, airconditioning- en ventilatiesysteem. Als de ruiten openstaan, kan er stof of ander vuil in de auto terechtkomen en bovendien kan bij bepaalde snelheden windgeruis ontstaan.
59 Openen en Afsluiten 57 Toetsen in voorpassagiersportier en in de achterportieren Het systeem is met een krachtbegrenzing uitgerust bladzijde 57. Als tijdens het sluiten weerstand wordt ondervonden, wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit enkele centimeters terug. Sluit daarna de ruit voorzichtig! Als dit wordt nagelaten kan letsel door inklemmen worden veroorzaakt! Afb. 51 Installatiepositie van de toetsen in een achterportier In elk van deze portieren bevindt zich een toets voor de betreffende ruit. Ruiten openen De ruit wordt geopend door licht op de betreffende toets in het portier te drukken. Als de toets wordt losgelaten, wordt de procedure gestopt. Bovendien kunt u de ruit door het indrukken van de schakelaar tot aan de aanslag automatisch openen (volledig open). Bij het opnieuw indrukken van de toets blijft de ruit direct staan. Ruiten sluiten De ruit wordt gesloten door voorzichtig aan de betreffende toets te trekken. Als de toets wordt losgelaten, wordt de sluitprocedure gestopt. Bovendien kan de ruit door de schakelaar tot aan de aanslag uit te trekken automatisch worden gesloten (volledig sluiten). Bij het opnieuw uittrekken van de toets blijft de ruit direct staan. Aanwijzing Als u het contact uitschakelt, kunt u de ruiten nog ca. 10 minuten openen of sluiten. Gedurende deze tijd werkt de automatische ruitbediening niet. Als u het bestuurders- of voorpassagiersportier opent, is de elektrische ruitbediening helemaal uitgeschakeld. Krachtbegrenzing van de elektrisch bediende ruiten De elektrisch bediende ruiten zijn uitgevoerd met een krachtbegrenzing. Deze reduceert het gevaar van inknelletsel bij het sluiten van de ruit. Bij een obstakel stopt de ruit en zal de ruit enkele centimeters openen. Als het obstakel het sluiten van de ruiten gedurende 10 seconden verhindert wordt de sluitprocedure opnieuw onderbroken en zal de ruit enkele centimeters openen. Als u probeert de ruit te sluiten binnen 10 seconden nadat deze voor de tweede keer weer enkele centimeters is opengegaan terwijl het obstakel nog niet is weggenomen, wordt de sluitprocedure slechts gestopt. Binnen deze tijd is het niet mogelijk de ruit automatisch te sluiten. De krachtbegrenzing is nog ingeschakeld. De krachtbegrenzing is pas uitgeschakeld als binnen de volgende 10 seconden wordt geprobeerd de ruit te sluiten - de ruit wordt nu met volle kracht gesloten! Als u langer dan 10 seconden wacht, is de krachtbegrenzing weer ingeschakeld. Sluit de ruiten voorzichtig! Als dit wordt nagelaten kan letsel door inklemmen worden veroorzaakt! Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
60 58 Openen en Afsluiten Ruit-comfortbediening Bij het ont- en vergrendelen van de auto kunnen de elektrisch bediende ruiten als volgt worden geopend en gesloten (schuifdak alleen sluiten). Ruiten openen door het houden van de gedrukte ontgrendelingstoets op de radiografische afstandsbediening, door het houden van het gedrukte bovenste gedeelte van de toets voor centrale vergrendeling in het bestuurdersportier, door het houden van de sleutel in het contactslot in de ontgrendelings positie bladzijde 49, Noodontgrendeling en - vergrendeling van het bestuurdersportier. Ruiten sluiten door het houden van de gedrukte vergrendelingstoets op de radiografische afstandsbediening, door het houden van het gedrukte onderste gedeelte van de toets voor centrale vergrendeling in het bestuurdersportier, door het houden van de sleutel in het contactslot in de vergrendelings positie bladzijde 49. Door het loslaten van de sleutel of de vergrendelingstoets kunt u het openen of sluiten van de ruiten direct onderbreken. Aanwijzing De comfort-opening van de ruiten met behulp van de sleutel in het contactslot is alleen binnen 45 seconden na het deactiveren resp. actevering van het alarmsysteem mogelijk. Functiestoringen Elektrische ruitbediening uitgevallen Wordt bij geopende ruiten de accu af- en opnieuw aangesloten, dan is de electrische ruitbediening zonder functie. Het systeem moet worden geactiveerd De functie moet als volgt weer worden geactiveerd: door het trekken aan de respectievelijke schakelaar aan de bovenkant sluit u de ruit Laat de schakelaar los trek opnieuw de respectievelijke schakelaar voor ca. 3 seconden naar boven. Rijden in de winter In de winter kan ijsvorming bij het sluiten van de ruiten tot een extra weerstand leiden waardoor de ruit bij het sluiten stopt en enkele centimeters terugkeert. Om de ruit te kunnen sluiten moet de krachtbegrenzer uitegschakeld worden bladzijde 57, Krachtbegrenzing van de elektrisch bediende ruiten. Het systeem is met een krachtbegrenzing uitgerust bladzijde 57. Als tijdens het sluiten weerstand wordt ondervonden, wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit enkele centimeters terug. Sluit daarna de ruit voorzichtig! Als dit wordt nagelaten kan letsel door inklemmen worden veroorzaakt! Het systeem is met een krachtbegrenzing uitgerust bladzijde 57. Als tijdens het sluiten weerstand wordt ondervonden, wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit enkele centimeters terug. Sluit daarna de ruit voorzichtig! Als dit wordt nagelaten kan letsel door inklemmen worden veroorzaakt!
61 Openen en Afsluiten 59 Elektrisch schuif-/kanteldak* Beschrijving Helemaal openschuiven Draai de schakelaar in stand AB en houd hem in deze stand (veerstand). Kantelen Draai de schakelaar in stand AD. In de comfortstand ontstaat minder windgeruis dan bij volledig geopend dak. Het zonnescherm wordt bij het openschuiven van het dak automatisch meegeopend. Het schuif-/kanteldak wordt met de draaischakelaar afb. 52 bediend en werkt alleen bij ingeschakeld contact. De draaischakelaar heeft meerdere vergrendelstanden. Als het contact wordt uitgeschakeld, kan het schuif-/kanteldak nog ca. 10 minuten daarna worden geopend of gesloten. Zodra u echter één van de voorportieren opent, kan het schuif-/kanteldak niet meer worden geopend of gesloten. Aanwijzing Als de accu werd losgemaakt en weer werd aangesloten, kan het gebeuren dat het schuif-/kanteldak niet geheel sluit. Daarom moet u de draaischakelaar, in de schakelaarstand A plaatsen en ca. 10 seconden lang aan de voorzijde indrukken. Openschuiven en opklappen Comfortstand Draai de schakelaar in stand AC afb. 52. Afb. 52 Draaischakelaar voor het elektrische schuif- /kanteldak Voorzichtig! Tijdens de winter moet u vóór het openen eventueel ijs en sneeuw in de buurt van het schuif-/kanteldak verwijderen om beschadiging van het openingsmechanisme te voorkomen. Sluiten Schuif-/kanteldak dichtschuiven/sluiten Draai de schakelaar in stand A afb. 52. Veiligheidssluiting Het schuif-/kanteldak is van een overbelastingsbeveiliging voorzien. Als een hindernis (bijv. ijs) het sluiten verhindert, stopt het schuif-/kanteldak en gaat weer helemaal open. Het schuif-/kanteldak kan zonder overbelastingsbeveiliging geheel worden gesloten door de schakelaar aan de voorzijde in stand A afb. 52 in te drukken totdat het schuif-/kanteldak geheel is gesloten. Sluit het schuif-/kanteldak voorzichtig - kans op letsel! Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
62 60 Openen en Afsluiten Comfortschakeling noodbediening Een open schuif-/kanteldak kunt u ook van buitenaf sluiten. Druk de vergrendelingstoets op de radiografische bediening resp. laat de sleutel zo lang in het contactslot in de vergrendelingspositie, tot het schuif-/kanteldak gesloten is. Als de sleutel of de vergrendelingstoets wordt losgelaten, wordt het sluiten onderbroken. Sluit het schuif-/kanteldak voorzichtig - kans op letsel! Bij de comfortsluiting werkt de overbelastingsbeveiliging niet. Afb. 53 Uitsnede van het dakraam: Plaatsen waar schroevendraaier kan worden aangebracht Elektrisch schuif-/kanteldak* Indien er genoeg zon is, leveren de zonnecellen op het schuif-/kanteldak stroom voor de aanjager ventilatie. Zie voor meer informatie bladzijde 111. De bediening van het schuif-/kantelzonnedak is hetzelfde als bij het schuif- /kanteldak. Afb. 54 Uitsnede van het dakraam: noodbediening Bij een defect systeem kan het schuif-/kanteldak met de hand worden gesloten, resp. worden geopend. Plaats een schroevendraaier met de platte kling voorzichtig tegen de achterzijde van de afdekkap voor de elektrische aandrijving afb. 53. Trek de afdekkap naar beneden toe los. Steek een 4-mm-inbussleutel tot aan de aanslag in de opening en sluit, resp. open het schuif-/kanteldak afb. 54.
63 Openen en Afsluiten 61 Druk de afdekkap weer op zijn plaats door eerst de plastic nokjes op hun plaats te brengen en daarna de afdekkap naar boven te drukken. Laat de storing door een dealer opheffen. Bij zuto's, die met een lade voor brillen* zijn uitgerust, is voor het inbouwen de afdekking van de noodbediening noodzakelijk om deze te openen bladzijde 100. Aanwijzing Na elke noodbediening moet het schuif-/kanteldak in de basisstand worden gebracht. Daarom moet de draaischakelaar, in de schakelaarstand A worden gedraaid bladzijde 59, afb. 52 en circa 10 seconden lang aan de voorzijde worden ingedrukt. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
64 62 Verlichting en zicht Verlichting en zicht Verlichting Verlichting in- en uitschakelen Het dimlicht brandt alleen maar bij ingeschakeld contact. Na het uitschakelen van het contact wordt het dimlicht automatisch uitgeschakeld en brandt alleen het stadslicht. Bij auto's met stuur rechts wijkt de plaatsing van de schakelaars voor een deel af van de in afb. 55 weergegeven plaatsing. De symbolen die de schakelaarstanden aangeven, zijn evenwel gelijk. Stadslicht inschakelen Draai de schakelaar in stand. Afb. 55 Dashboard: lichtschakelaar Dim- en groot licht inschakelen Schakel het contact in. Draai de schakelaar in stand. Druk de grootlichthendel voor het inschakelen van het grote licht naar voren bladzijde 69, afb. 61. Verlichting uitschakelen (uitgezonderd dagverlichting) Draai de schakelaar in stand 0. Bij ingeschakelde parkeerlampen brandt het symbool naast de lichtschakelaar. Rijd nooit met stadslicht - kans op ongevallen! Het stadslicht is niet fel genoeg om het wegdek voor u voldoende te verlichten of om door andere verkeersdeelnemers te worden gezien. Schakel daarom in het donker of bij slecht zicht altijd het dimlicht in. Aanwijzing Als u bij ingeschakelde verlichting de contactsleutel uit het contactslot trekt en het bestuurdersportier opent, klinkt er een akoestisch signaal. Met het sluiten van het bestuurdersportier (contact uit) wordt het akoestische waarschuwingssignaal via het portiercontact uitgeschakeld. De auto kan met ingeschakeld stadslicht worden geparkeerd. Als u de auto langere tijd parkeert, adviseren wij de verlichting uit te schakelen of alleen het parkeerlicht aan te laten. Het inschakelen van de hiervoor beschreven verlichting mag alleen in overeenstemming met de wettelijke voorschriften plaatsvinden. Als in de lichtschakelaar een storing ontstaat wordt het dimlicht automatisch ingeschakeld. Bij koel of vochtig weer kunnen de koplampen aan de binnenzijde tijdelijk beslaan. Verantwoordelijk hiervoor is het temperatuurverschil tussen de binnen- en buitenzijde van het koplampglas.
65 Verlichting en zicht 63 Bij een ingeschakeld dimlicht is het strooiglas na korte tijd al vrij van condensaanslag. Het is nog mogelijk dat het koplampglas bij de randen nog is beslagen. Dit geldt ook voor het achterlicht en de richtingaanwijzers. De condensvorming heeft geen invloed op de levensduur van de verlichting. Bij auto's die met een informatiedisplay* zijn uitgerust, kunt u de functie dagrijverlichting ook activeren, resp deactiveren in het menu: Setup (instellingen) Lichten & Vision (licht & zicht) Automatische regeling rijverlichting* Dagkoplampen* In sommige landen vereist de nationale wet, dat de auto's met de functie dagkoplampen zijn uitgerust. Dagrijverlichting inschakelen Schakel het contact aan zonder de lichtschakelaar uit de positie 0 te draaien. Fuctie dagrijverlichting deactiveren Tot 3 seconden na het inschakelen van het contact trekt u de knipperlichthendel aan het stuurwiel en tergelijkertijd schakelt u naar onder en hou ze in deze positie gedurende tenminste 3 seconden. Fuctie dagrijverlichting activeren Tot 3 seconden na het inschakelen van het contact trekt u de knipperlichthendel aan het stuurwiel en tergelijkertijd schakelt u naar boven en hou ze in deze positie gedurende tenminste 3 seconden. bij ingeschakelde dagrijverlichting schijnt samen met het parkeerlicht ook het dimlicht met verminderde helheid (ca. 92% van de potentie). Dit draagt bij tot een langere levensduur van de lampen van de dimlichten. Bij ingeschakeld dagrijverlichting is de verlichting van het instumentenpaneel uitgeschakeld, maar u wordt toch, bij duisternis in de positie ingeschakled en de nachtrijverlichtin licht op met volle helderheid (100 % van de potentie). Automatische regeling rijverlichting* inschakelen Draai de schakelaar afb. 56 in stand. Afb. 56 Dashboard: lichtschakelaar Automatische regeling rijverlichting* uitschakelen Schakel de verlichtingsschakelaar in de stand 0, of. Wanneer de verlichtingsschakelaar in de stand is, verlicht bij het inschakelen van het contact het symbool naast de verlichtingsschakelaar. Wanneer het nachtrijlicht met de licht sensor geactiveerd is, verlicht naast de verlichtingsschakelaar het symbool. Wanneer de verlichting automatisch wordt ingeschakeld, brandt zowel het stadsals dimlicht alsmede de kentekenplaatverlichting. Wanneer de automatische rijverlichting ingeschakeld is, wordt het licht met de lichtsensor in de houder van de achteruitkijkspiegel geregeld. Als de lichtintensiteit terugloopt tot onder de ingestelde waarde, bijv. bij het overdag binnenrijden van Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
66 64 Verlichting en zicht een tunnel, gaan automatisch het dimlicht en het stadslicht alsmede de kentekenplaatverlichting branden. Als de lichtintensiteit weer is opgelopen tot boven de ingestelde waarde, wordt de verlichting automatisch uitgeschakeld. Snelwegverlichting Als de automatische rijlichtregeling is ingeschakeld en de snelheid minimaal 10 seconden boven de 140 km/h ligt, wordt automatisch het stads- en dimlicht ingeschakeld. Als de snelheid minimaal 2 minuten lager is dan 65 km/h, wordt de verlichting weer uitgeschakeld. Verlichting bij regen Als de ruitenwisserschakelaar langer dan 5 seconden in de stand langzaam wissen staat, wordt automatisch het stads- en dimlicht ingeschakeld. De verlichting wordt uitgeschakeld als de ruitenwisserschakelaar niet langer dan 4 minuten in de stand voor langzaam of intervalwissen staat. Wanneer u de ruitenwisser in de stand regensensor* voor langer dan 10 seconden of in de stand voortdurend wissen (stand 2 of 3) bladzijde 74 voor langer dan 15 seconden inschakeld, wordt het stads- en dimlicht automatisch ingeschakeld. De verlichting schakelt uit, wanneer voor langer dan 4 minuten de ruitenwisser in het gebruik regensensor* of in het gebruik voordurend wissen niet ingeschakeld is. De automatische rijlichtregeling werkt alleen als assistent. Het ontslaat de bestuurder niet van de plicht de verlichting te controleren en zo nodig de verlichting overeenkomstig de verlichtingsvoorwaarden in te schakelen. De lichtsensor detecteert bijv. geen regen of mist. Onder deze omstandigheden bevelen wij aan om het dimlicht in te schakelen! Aanwijzing Plak voor de lichtsensor geen sticker, om te voorkomen dat de werking wordt beïnvloed of dat deze wordt uitgeschakeld. Voor het gebruik van de automatische rijlichtregeling gelden dezelfde principes als voor de handmatig ingeschakelde verlichting bladzijde 62. Coming-homefunctie De functie maakt het mogelijk om in de duisternis om de verlichting van het voertuig voor een korte periode in te schakelen na het verlaten van het voertuig. Coming-homefunctie inschakelen De lichtschakelaar is in de positie automatische rijverlichtingsbesturing en het dimlicht brandt. Schakel het contact uit. Na het openen van het bestuurdersportier schakelt u de functie Coming-Home in. Sluit alle portieren en de kofferruimteklep resp. sluit de auto af. Na een korte periode schakelen alle lichten uit. De functie coming/leaving home schakelt al naargelang de uitrusting de volgende verlichting in: stadslicht, dimlicht, instapverlichting in de buitenspiegels, kentekenplaatverlichting. Coming-homefunctie De verlichting schakelt 10 seconden na het afsluiten van alle portieren en de kofferklep/achterklep uit. Als een portier of de kofferklep/achterklep open blijft staan, gaat de verlichting 60 seconden na het uitschakelen van het contact uit. U kunt bij auto's met automatische aansturing van de rijverlichting de lichtschakelaar ook in de stand schakelen. De functie coming home wordt door middel van de lichtsensor in de steun voor de binnenspiegel aangestuurd. Als de lichtintensiteit hoger is dan de ingestelde waarde van de lichtsensor, wordt de cominghomefunctie na het uitschakelen van het contact niet ingeschakeld.
67 Verlichting en zicht 65 Aanwijzing Als de coming-/leaving-homefunctie continu is ingeschakeld, wordt de accu vooral bij korte ritten zwaar belast. Het inschakelen van de hiervoor beschreven verlichting mag alleen in overeenstemming met de wettelijke voorschriften plaatsvinden. U kunt de verlichtingsduur van de coming-homefunctie met behulp van het informatiedisplay* veranderen. Leaving-homefunctie De functie maakt het mogelijk de verlichting in te schakelen bij het benaderen van de auto. Leaving-homefunctie inschakelen Ontgrendel de auto met behulp van de radiografische afstandsbediening - de verlichting gaat branden. De functie leaving home schakelt al naargelang de uitrusting de volgende verlichting in: stadslicht, dimlicht, instapverlichting in de buitenspiegels, kentekenplaatverlichting. Leaving-homefunctie De functie leaving home wordt door middel van de lichtsensor in de steun voor de binnenspiegel aangestuurd. Als de lichtintensiteit hoger is dan de ingestelde waarde van de lichtsensor, wordt de leaving-homefunctie na het ontgrendelen van de auto met behulp van de radiografische afstandsbediening niet ingeschakeld. Na het ontgrendelen van de auto met behulp van de radiografische afstandsbediening zal de verlichting 30 seconden gaan branden. De leaving-homefunctie wordt ook uitgeschakeld na het inschakelen van het contact of na het vergrendelen van de auto. Als binnen 30 seconden geen portier wordt geopend, gaat de verlichting uit en wordt de auto automatisch vergrendeld. Aanwijzing Als de leaving-homefunctie continu is ingeschakeld, wordt de accu vooral bij korte ritten zwaar belast. Het inschakelen van de hiervoor beschreven verlichting mag alleen in overeenstemming met de wettelijke voorschriften plaatsvinden. U kunt de verlichtingsduur van de leaving-homefunctie met behulp van het informatiedisplay* veranderen. Aanpaspare koplamp (AFS)* Aanpasbare koplamp (AFS)* inschakelen Draai de schakelaar bladzijde 63, afb. 56 in stand. De buitenverlichting wordt ingeschakeld wanneer: de lichtsensor het lage lichtintensiteit herkent, achteruitversnelling niet ingeschakeld, de uitrusting touristisch licht niet ingeschakeld is. De lichtsensor schakelt bij lage lichtintensiteit de volledige buitenverlichting aan. Systeem AFS* maakt het mogelijk om het verlichtingsbereik en de verlichtingsstraal van de koplampen te veranderen. Het verlichtings en de verlichtingsstraal veranderen automatisch afhankelijk van de snelheid van de auto resp. van de bediening van de ruitenwisser Systeem AFS* werkt in de volgende modus. Modus buitenoorden De modus buitenoorden is een grondmodus. De verdeling van de verlichtingsstraal voor de auto is gelijk aan het dimlicht. De modus is actief, wanneer geen van de volgende modae actief zijn. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
68 66 Verlichting en zicht Modus Regen In de modus regen is de verdeling van de verlichtingsstraal voor de auto breder en het verlichtingsbereik korter, zodat gedurende slecht weer (regen) de verblinding van de tegenligger verminderd wordt. De modus wordt bij snelheden van km/h geactiveerd en wanneer de ruitenwisser langer dan 2 minuten continu in gebruik is. De modus wordt gedeactiveerd bij het onder- resp. bovenschrijden van de snelheidsbeperkingen of wanneer de ruitenwisser langer dan 8 minuten uitgeschakeld is. Modus stad In de modus stad is de verdeling van de verlichtingsstraal voor het voertuig breder en het verlichtingsbereik korter. Het doel hiervan is om de aangrenzende voetpaden, kruisingen, voetgangers oversteekpaden enz. te verlichten. De modus is actief bij snelheden van km/h. Modus snelweg In de modus snelbaan is de verdeling van de verlichtingsstralen zo verbreedt dat u ook op linkse (resp. rechts) 7) rijstroken van de snelweg worden opgelicht, zodat de bestuurder op een obstacel of op een gevaar op tijd kan reageren. De modus wordt stapsgwwijze geactiveerd vanaf een snelheid van 90 km/h. De grootste werking is bij snelheden van meer dan 120 km/h. Touristisch licht Deze modus maakt het mogelijk, in landen met tegenovergesteld verkeerssysteem, links/rechts, te rijden zonder het tegemoetkomende verkeer te verblinden. Gedurende actieve modus touristisch licht zijn de boven uitgevoerde modae en het zijdelijk zwenken van de koplampen gedeactiveerd. De modus touristisch licht activeren / deactiveren: via het informatiedisplay* in het menu: Setup (instellingen) Travel mode (reismodus) Off (uit) On (aan) Bochtverlichting De bochtverlichting dient voor het verlichten van bochten door het meedraaien van de lichtconus van de koplampen met xenonlicht*. Deze functie wordt bij een snelheid vanaf 10 km/h actief. Het draaien van de koplampen kan uit-/ingeschakeld worden via het menupunt Assistant (assistent) in het hoofdmenu van het informatiedisplay* bladzijde 27. Aanwijzing Het systeem AFS* is een aanvulling op de functies van de mistlampen met de functie Corner bladzijde 67 en de functie dynamische lichtbundelhoogteverstelling*. Het systeem AFS* wordt uitsluitend geleverd met Bi-Xenon gasontladingslampen voor dim- en koplampen. Mistlampen Inschakelen van de mistlampen Draai eerst de lichtschakelaar in de stand of afb. 57. Trek de lichtschakelaar in de stand A1. Afb. 57 Dashboard: lichtschakelaar 7) Geldt voor voertuigen, die voor het linkshandige verkeer bestemd zijn.
69 Verlichting en zicht 67 Bij ingeschakelde mistlampen brandt op het instrumentenpaneel het controlelampje bladzijde 33. Mistlicht met de functie Corner * Mistlampen met de functie Corner verlichten plaatsen in de nabijheid van de auto gedurende het afbuigen, parkeren enz. De mistlichten met de functie Corner worden na het kantelwiel, resp. na het inschakelen van het knipperlicht 8) onder volbrenging van de volgende bedieningen geregeld: de auto staat stil en de motor loopt of het beweegt met een snelheid van max. 40 km/h, het dagrijlicht is niet ingeschakeld, het nachtrijlicht is ingeschakeld of de lichtschakelaar is in de positie en de intensiteit van het omgevingslicht veroorzaakt het inschakelen van het nachtrijlicht; de mistlichten zijn niet ingeschakeld, achteruitversnelling niet ingeschakeld. Bij ingeschakeld mistachterlicht brandt op het instrumentenpaneel het controlelampje bladzijde 33. Als u met een af fabriek ingebouwde trekhaak en met een aanhangwagen met mistachterlicht rijdt, brandt automatisch alleen maar het mistachterlicht van de aanhangwagen. Het mistachterlicht bevindt zich in het achterlicht aan de bestuurderszijde. Voorzichtig! U mag het mistachterlicht alleen maar bij slecht zicht inschakelen zodat het achteropkomende verkeer niet wordt verblind (neem de betreffende wettelijke bepalingen in acht). Dashboardverlichting De helderheid (intensiteit) van de dashboardverlichting kunt u regelen. Aanwijzing Wanneer u bij een actieve functie Corner de achteruitversnelling inschakeld, lichten beide mistlichten op. Mistachterlicht Inschakelen van het mistachterlicht Draai eerst de lichtschakelaar in de stand of bladzijde 66, afb. 57. Trek de schakelaar in stand A2. 8) Bij een conflict van de beide inschakelvarianten, b.v. wanneer het stuurwiel naar links gedraaid is en het rechtse knipperlicht ingeschakeld is, heeft het knipperlicht de hogere prioriteit. Afb. 58 Dashboard: Dashboardverlichting Dashboardverlichting Schakel de verlichting in. Draai de draaiknop afb. 58 op de gewenste lichtsterkte voor de dashboardverlichting. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
70 68 Verlichting en zicht Voor het informatiedisplay* bladzijde 26 wordt de lichtsterkte automatisch ingesteld. De regeling van de dashboardverlichting door de draaiknop is alleen mogelijk wanneer de lichtintensiteit onder de ingestelde waarde van de lichtsensor zakt. Lichtbundelhoogteverstelling van de koplampen * Bij ingeschakeld dimlicht kunt u het bereik van de lichtbundel van de koplampen aan de belasting van de auto aanpassen. Aanwijzing De met xenonlicht uitgeruste koplampen* passen zich bij het inschakelen van het contact en tijdens het rijden automatisch aan de belading en de rijsituatie van de auto aan (bijv. accelereren, remmen). Auto's die zijn uitgevoerd met xenonlicht koplampen* zijn niet voorzien van een regelknop voor de lichtbreedteverstelling. Schakelaar voor alarmlichten Afb. 59 Dashboard: Lichtbundelhoogteverstelling Afb. 60 Dashboard: schakelaar voor alarmlichten Verdraai de draaiknop afb. 59 zo lang dat het dimlicht zo is ingesteld dat de andere verkeersdeelnemers niet worden verblind. Instelstanden De standen komen ongeveer overeen met de volgende beladingstoestand: A- auto voorin bezet, bagageruimte leeg. A1 auto volledig bezet, bagageruimte leeg. A2 auto volledig bezet, bagageruimte beladen. A3 bestuurdersstoel bezet, bagageruimte beladen. Voorzichtig! Stel de lichtbundelhoogteverstelling zodanig in dat het tegemoetkomende verkeer niet wordt verblind. Druk de schakelaar afb. 60 in om de alarmlichten in- of uit te schakelen. Bij ingeschakelde alarmlichten knipperen alle knipperlichten van de auto gelijktijdig. Het controlelampje voor de knipperlichten en het controlelampje in de schakelaar knipperen eveneens. Het alarmsysteem kunt u ook bij uitgeschakeld contact inschakelen. Bij een ongeval waarbij een airbag wordt geactiveerd worden de alarmlichten automatisch ingeschakeld. Let bij het gebruik van de alarmlichten op de wettelijke bepalingen. Aanwijzing Schakel de alarmlichten in als u bijvoorbeeld:
71 Verlichting en zicht 69 de staart van een file bereikt, pech hebt of in geval van nood, De richtingaanwijzer- en grootlichtschakelaar Met behulp van de knipperlicht- en grootlichtschakelaar schakelt u ook het stadslicht en het lichtsignaal in. Druk de hendel naar voren Trek de schakelaar weer terug in de uitgangsstand om het grote licht weer uit te schakelen. Lichtsignaal Trek de hendel naar het stuurwiel toe (geveerde stand) - groot licht en controlelampje op instrumentenpaneel branden. Stadslicht Schakel het contact uit. Druk de hendel naar boven of naar beneden - het rechter- of linkerparkeerlicht wordt ingeschakeld. De knipperlicht- en grootlichtschakelaar heeft de volgende functies: Knipperlicht rechts en links Druk de schakelaar naar boven of naar beneden afb. 61. Als u slechts driemaal wilt knipperen, druk dan de schakelaar even tot aan het bovenste of onderste drukpunt en laat de schakelaar weer los (het zogenaamde comfortknipperen). Deze functie kan op het informatiedisplay* bladzijde 30 worden geactiveerd/gedeactiveerd. Knipperen voor het wisselen van rijbaan - druk de richtingaanwijzerhendel alleen tot aan het drukpunt naar boven of naar beneden en houd hem vast, om slechts kortstondig te knipperen. Groot licht Schakel het dimlicht in. Afb. 61 De knipperlicht- en grootlichtschakelaar Aanwijzingen met betrekking tot de lichtfuncties De knipperlichten werken alleen maar bij ingeschakeld contact. Het betreffende controlelampje of op het instrumentenpaneel knippert mee. Aan het einde van een bocht wordt het knipperlicht automatisch uitgeschakeld. Als er een gloeilamp voor een knipperlicht uitvalt, knippert het controlelampje bijna twee keer zo snel. Bij ingeschakeld parkeerlicht brandt het stadslicht en het achterlicht aan de betreffende zijde van de auto. Het parkeerlicht brandt alleen maar bij ingeschakeld contact. Voorzichtig! Gebruik het grote licht of het lichtsignaal alleen maar als de andere verkeersdeelnemers daardoor niet worden verblind. Aanwijzing Wanneer u het rechtse of het linkse knipperlicht ingeschakeld hebt en u hebt het contact uitgeschakeld, wordt het parkeerlicht niet automatisch ingeschakeld. Gebruik de hierboven beschreven verlichtings- en signaalsystemen alleen in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
72 70 Verlichting en zicht Binnenverlichting Interieurverlichting, voor, en verlichting opbergvak aan voorpassagierszijde Portiercontactschakeling Plaats de schakelaar in de middenstand. Bij auto's zonder interieurbewaking* is de middenstand door een symbool gemarkeerd afb. 62. Verlichting dashboardkastje Bij het openen van de klep van het dashboardkastje gaat het lampje in het dashboardkastje branden. De lamp wordt bij ingeschakeld stadslicht automatisch ingeschakeld en zal bij het sluiten van de klep weer worden uitgeschakeld. Binnenverlichting inschakelen Druk de schakelaar op de plaats van het symbool afb. 62 of afb. 63. Binnenverlichting uitschakelen Druk de schakelaar op de plaats van het symbool O. Afb. 62 Uitsnede van het dakraam: binnenverlichting vóór Afb. 63 Uitsnede van het dakraam: binnenverlichting vóór De binnenverlichting wordt ingeschakeld zodra de auto wordt ontgrendeld of een portier wordt geopend of als de contactsleutel uit het contactslot wordt genomen. De verlichting wordt ongeveer 30 seconden na het sluiten van alle portieren uitgeschakeld. Bij het vergrendelen van de auto of bij het inschakelen van het contact wordt de binnenverlichting uitgeschakeld. Dit geldt alleen als de schakelaar voor de betreffende binnenverlichting in de stand voor de portiercontactstand staat. Bij geopend portier wordt de binnenverlichting na circa 10 minuten uitgeschakeld om te voorkomen dat de autoaccu wordt ontladen. Als de schakelaar in de stand staat (permanent branden), zal de binnenverlichting uiterlijk na 10 minuten worden uitgeschakeld - hiermee wordt voorkomen dat de autoaccu wordt ontladen. In de interieurverlichting zijn twee led's geïntegreerd die de versnellingshendel en het middenstuk van het dashboard verlichten. Deze worden automatisch gelijktijdig met het inschakelen van het stadslicht ingeschakeld. Bovendien wordt na het inschakelen van het contact bij ingeschakeld stadslicht de verlichting van de portiergreep ingeschakeld. Samen met de interieurverlichting wordt gelijktijdig de interieurverlichting achter in- resp. uitgeschakeld. Aanwijzing Wij adviseren de gloeilampen door een Škoda-dealer/servicedealer te laten vervangen.
73 Verlichting en zicht 71 Leeslampjes voor Interieurverlichting en leeslampjes achter Afb. 64 Uitsnede van het dakraam: Leeslampjes voor Afb. 66 Uitsnede van het dakraam: Interieurverlichting en leeslampjes achter Binnenverlichting De binnenverkichting achter wordt samen met de binnenverlichting voor bediend bladzijde 70. Afb. 65 Uitsnede van het dakraam: Leeslampjes voor met geintegreerde interieurbewaking Leeslampjes voor De leeslampjes rechts resp. links schakelen in resp. uit, indien u de schakelaar afb. 64 of afb. 65 drukt. Leeslampjes De leeslampjes rechts resp. links schakelen in resp. uit, indien u de schakelaar afb. 66 drukt. Portierwaarschuwingslampje Afb. 67 Voorportier: Waarschuwingslamp Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
74 72 Verlichting en zicht De waarschuwingslamp bevindt zich in de onderste portierbekleding bladzijde 71, afb. 67. De waarschuwingslamp brandt altijd bij het openen van het voorportier. De lamp gaat ca. 10 minuten nadat het portier is geopend uit - op deze wijze wordt voorkomen dat de autoaccu wordt ontladen. Zicht Voorruit- en achterruitverwarming Bagageruimteverlichting De verlichting wordt bij het openen van de kofferklep/achterklep automatisch ingeschakeld. Als de achterklep langer dan 30 minuten open blijft staan, wordt de verlichting automatisch weer uitgeschakeld. Instapverlichting* De verlichting bevindt zich aan de onderzijde van de buitenspiegel. De lichtstraal is naar de instapruimte van het voorportier gericht. De verlichting gaat branden nadat de portieren zijn ontgrendeld of bij het openen van de bagageruimteklep. De verlichting gaat na het inschakelen van het contact of na 30 seconden nadat alle portieren en de motorkap en de kofferklep/achterklep zijn gesloten, uit. Als een portier, de motor- of de kofferklep/achterklep open blijven staan, wordt de verlichting bij uitgeschakeld contact binnen 2 minuten uitgeschakeld. Als de instapverlichting brandt, raak dan niet het glas aan - kans op verbranding! Afb. 68 Schakelaar voor voorruitverwarming Afb. 69 Schakelaar voor achterruitverwarming Voorruitverwarming* De voorruitverwarming wordt door het indrukken van de schakelaar afb. 68 in- of uitgeschakeld - het controlelampje in de schakelaar brandt of gaat uit.
75 Verlichting en zicht 73 Achterruitverwarming De achterruitverwarming wordt door het indrukken van de schakelaar bladzijde 72, afb. 69 in- of uitgeschakeld - het controlelampje in de schakelaar brandt of gaat uit. De voorruit- resp. achterruitverwarming werkt alleen bij draaiende motor. Na 10 minuten schakelt de voorruit- resp. achterruitverwarming automatisch uit. Milieu Zodra de ruit ontdooid is moet de verwarming uitgeschakeld worden. Het daardoor lagere stroomverbruik heeft een gunstig effect op het brandstofverbruik bladzijde 209, Stroom sparen. Aanwijzing Als de boordspanning terugloopt, wordt de voorruit- resp. achterruitverwarming automatisch uitgeschakeld om voldoende elektrische energie over te hebben voor de motorregeling. De plaats en de vorm van de schakelaar voor achterruitverwarming kan al naargelang de uitrusting van de auto verschillen. De zonnekleppen voor de bestuurder of de voorpassagier kunnen uit de houder worden getrokken en in de richting van de pijl A1 afb. 70 naar de portieren worden gezwenkt. De make-upspiegel in de zonnekleppen is van een afdekkapje voorzien. Bij het openschuiven van het afdekkapje in de richting van de pijl A2 wordt de spiegelverlichting in de hemelbekleding automatisch ingeschakeld. De verlichting wordt bij het dichtschuiven van het afdekkapje of bij het omhoogklappen van de zonneklep weer uitgeschakeld. De zonnekleppen mogen niet naar de zijruiten worden gezwenkt in het werkingsgebied van de hoofdairbags als er voorwerpen aan zijn bevestigd, zoals bijv. een ballpoint. Als de hoofdairbags worden geactiveerd, zouden dan de inzittenden gewond kunnen raken. Oprolbare zonwering* Zonnekleppen Afb. 71 Oprolbare zonwering uitrollen De oprolbare zonwering bevindt zich in het onderste gedeelte van de gepakruim afdekking. Afb. 70 Zonneklep: opzij klappen Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
76 74 Verlichting en zicht Eruit trekken Trek de oprolbare zonwering aan de lip A naar boven en haak deze vast in de magnetische houders AB bladzijde 73, afb. 71. Oprollen Neem de oprolbare zonwering uit de magnetische houders AB en houd deze bij de lus A zo vast dat de zonwering langzaam en zonder te beschadigen kan worden opgerold in de behuizing op de hoedenplank/bagageruimteafdekhoes. Aanwijzing Plaats de houder niet in de nabijheid van magnetische objecten die op invloeden van magnetische velden reageren (klokken, electronica enz.). Het magnetisch veld kan het beschadigen. Oprollen Neem de oprolbare zonwering aan de lip A uit en hou het zo vast, dat he lanzaam en zonder te beschadigen kan oprollen. Ruitenwisser- en ruitensproeier Ruitenwisser Met de ruitenwisserschakelaar bedient u de ruitenwissers en de wis- /wasautomaat. Oprolbare zonwering in de achterportieren* Afb. 73 Ruitenwisserschakelaar De ruitenwisserschakelaar afb. 73 kent de volgende standen: Afb. 72 Achterportier: Oprolbare zonwering, achter Eruit trekken Trek de oprolbare zonwering aan de lip A afb. 72 uit en hang deze in de houder aan de bovenkant van het portier. Tip-wissen Als u de voorruit slechts even wilt wissen, druk dan de ruitenwisserschakelaar in de verende stand A4. Als u de ruitenwisserschakelaar langer dan 1 seconde in de onderste stand houdt, wist de ruitenwisser sneller. Intervalwissen Druk de hendel naar boven in de stand A1.
77 Verlichting en zicht 75 Stel met behulp van de schakelaar A de gewenste pauze tussen de afzonderlijke wisbewegingen in. Langzaam wissen Druk de hendel naar boven in de stand A2. Snel wissen Druk de hendel naar boven in de stand A3. Wis-/wasautomaat voor de voorruit Trek de hendel naar het stuurwiel in de verende stand A5, de ruitensproeierinstallatie sproeit direct, de ruitenwissers wissen iets later. Bij een snelheid boven 120 km/h werken de ruitensproeiers en ruitenwissers gelijktijdig. Laat de hendel los. De ruitensproeier stopt en de wissers wissen nog 3 tot 4 keer (afhankelijk van de tijd dat de ruitensproeier was ingeschakeld). Bij een snelheid boven 2 km/h wordt 5 seconden na de laatste wisserslag de wisser nog eenmaal* ingeschakeld om de laatste druppels van de ruit te wissen. Deze functie kan door een Škodadealer/servicedealer worden geactiveerd/gedeactiveerd. Regensensor* Plaat de hendel in stand A1. Met de schakelaar A kunt u de gevoeligheid van de sensor individueel instellen. Ruitenwissers uitschakelen Zet de hendel weer in de basisstand A0. Bij elke uitschakeling van de ruitenwisser of na elke derde uitschakeling van het contact veranderd het naar verwisselen naar rusttoestand van de ruitenwisser, dat voorkomt een voortijdige verslijting van de wisserrubbers. De ruitenwissers en de ruitensproeiers werken alleen maar bij ingeschakeld contact en een gesloten motorkap. Als de interval-wisstand is ingeschakeld, worden de intervallen ook snelheidsafhankelijk geregeld. De regensensor* regelt automatisch de pauze tussen de afzonderlijke wisserbewegingen, afhankelijk van de regenintensiteit. De ruitensproeiers voor de voorruit worden bij ingeschakeld contact verwarmd*. Bijvullen van de ruitensproeiervloeistof bladzijde 238. Winterstand Als de ruitenwisser in de ruststand staat, kan deze niet worden weggeklapt van de voorruit. Om deze reden adviseren wij, in de winter de ruitenwisser zo uit te lijnen dat deze gemakkelijk kan worden weggeklapt van de voorruit. Deze ruststand kan als volgt worden ingesteld: Schakel de ruitenwisser in. Schakel het contact uit. De ruitenwisser blijft in die stand staan waarin hij stond toen het contact werd uitgeschakeld. Als winterstand kunt u ook de servicestand gebruiken. Voor helder zicht en veilig rijden zijn goede ruitenwisserbladen beslist noodzakelijk bladzijde 76. Gebruik de ruitensproeierinstallatie niet bij lage temperaturen voordat vooraf de voorruit werd verwarmd. De ruitensproeiervloeistof zou anders kunnen vastvriezen op de voorruit en het zicht naar voren beperken. De regensensor functioneert alleen als assistent. De bestuurder wordt niet van de plicht ontslagen de ruitenwissers, afhankelijk van de zichtomstandigheden, handmatig in te schakelen. Voorzichtig! Bij vorst moet u, voordat u de ruitenwissers voor de eerste keer inschakelt, controleren of de ruitenwisserbladen niet zijn vastgevroren! Als de ruitenwissers worden Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
78 76 Verlichting en zicht ingeschakeld terwijl de ruitenwisserbladen zijn vastgevroren, kunnen zowel de wisserbladen als de ruitenwissermotor worden beschadigd! Wisserbladen voor voorruit vervangen Aanwijzing Als de langzame A2 of snelle A3 wisserstand is ingeschakeld bladzijde 74, afb. 73 en de snelheid van de auto loopt terug tot onder 4 km/h, wordt automatisch de eerstvolgende lagere wisserstand ingeschakeld. Als de snelheid weer oploopt tot boven 8 km/h wordt de vorige wisstand weer ingeschakeld. Bij een obstakel op de voorruit probeert de wisser het obstakel weg te schuiven. Als het obstakel de wisser blijft blokkeren, zal de wisser na 5 cycli blijven staan, om beschadiging van de wisser te voorkomen. Verwijder het obstakel en schakel de ruitenwisser opnieuw in. Koplampsproeiers* De koplampen worden gereinigd na de eerste en vijfde keer inschakelen van de voorruitsproeiers, als het dim- of grote licht is ingeschakeld en de ruitenwisserschakelaar ca. 1 seconde in de stand A5 bladzijde 74, afb. 73 wordt gehouden. Voor het reinigen komen de koplampsproeiers door de waterdruk uit de bumper. Met regelmatige tussenpozen, bijv. na het tanken, moet hardnekkig vastzittend vuil (bijv. insectenresten) van het koplampglas worden verwijderd. Let op de volgende aanwijzingen. Om ook in de winter een goede werking te kunnen garanderen moet u met een ontdooiingsspray sneeuw en ijs van de sproeierhouders verwijderen. Afb. 74 Wisserblad voor voorruit De wisserarm kan in de ruststand niet worden weggeklapt van de voorruit. Voor het vervangen van het ruitenwisserrubber moet de wisserarm in de servicestand worden geplaatst. Servicestand bij vervanging ruitenwisserbladen Sluit de motorkap. Schakel het contact in en weer uit. Druk daarna binnen 10 seconden de ruitenwisserschakelaar in de stand A4 bladzijde 74, afb de wisserarmen draaien in de servicestand. Wisserblad verwijderen Kantel de ruitenwisserarm weg van de ruit. Druk de borging, om het wisserblad te ontgrendelen, in en trek deze in de richting van de pijl weg afb. 74. Wisserblad bevestigen Schuif het wisserblad tot aan de aanslag in de wisserarm.
79 Verlichting en zicht 77 Controleer of het wisserblad goed is bevestigd. Klap de wisserarm terug op de ruit. De wisserarmen gaan terug naar de ruststand - na het inschakelen van het contact en wijziging van de stand van de ruitenwisserschakelaar of bij een rit met een snelheid van meer dan 6 km/h. Voor goed zicht zijn in goede staat verkerende wisserbladen beslist noodzakelijk. Wisserbladen mogen niet door stof, insectenresten en conserveringswas zijn verontreinigd. Schrapen of het trekken van strepen door de ruitenwisserbladen kan te wijten zijn aan wasresten die op de ruit achterblijven bij het wassen van de auto in een automatische wasstraat. Daarom moeten, steeds nadat de auto in een automatische wasstraat is gewassen, waarbij tevens was is aangebracht, de lippen van de ruitenwisserbladen worden ontvet. Als met de ruitenwissers niet voorzichtig wordt omgegaan, is de kans op beschadiging van de voorruit aanwezig. Om streepvorming te voorkomen moet u de wisserbladen regelmatig met een ruitenreiniger reinigen. Bij sterke vervuiling, bijv. insectenresten, moeten de ruitenwisserbladen met een spons of een doek worden schoongemaakt. Om veiligheidsredenen moet u de wisserbladen jaarlijks een- tot tweemaal vervangen. Deze zijn bij de erkende Škoda-dealer leverbaar. Achteruitkijkspiegel Binnenspiegel handmatig dimbaar Basisinstelling Zet de hendel aan de onderzijde van de spiegel naar voren. Spiegel dimmen Trek de hendel aan de onderzijde van de spiegel naar achteren. Automatisch dimmende binnenspiegel* Afb. 75 Automatisch dimmende binnenspiegel Inschakelen van het automatische dimmen Druk de toets AB in - het controlelampje A brandt afb. 75. Uitschakelen van het automatische dimmen Druk opnieuw de toets AB in - het controlelampje A gaat uit. Als het automatische dimmen is ingeschakeld, zal de spiegel, afhankelijk van de lichtinval van achteren, automatisch dimmen. De spiegel is niet voorzien van een hendel aan de onderzijde van de spiegel. Bij het inschakelen van de binnenverlichting of bij het inschakelen van de achteruitversnelling schakelt de spiegel altijd terug naar de basisstand. Aanwijzing Het automatische dimmen van de spiegel functioneert alleen maar storingvrij als de oprolbare zonwering* voor de achterruit in het huis op de hoedenplank is opgerold, resp. de lichtinval op de binnenspiegel niet door andere voorwerpen wordt beïnvloed. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
80 78 Verlichting en zicht Plak voor de lichtsensor geen sticker, zodat de werking van het automatische dimmen niet wordt beïnvloed of dat deze wordt uitgeschakeld. Als u het automatische dimmen van de binnenspiegel uitschakelt, wordt ook het dimmen van de buitenspiegel uitgeschakeld. Buitenspiegel met instapverlichting* De verlichting bevindt zich aan de onderzijde van de buitenspiegel. Het licht is na het ontgrendelen van de auto op het instapgebied van de voorportieren gericht. De verlichting gaat branden nadat de portieren zijn ontgrendeld of bij het openen van het voorportier. De verlichting gaat ongeveer 30 seconden na het sluiten van de portieren of bij het inschakelen van het contact uit. Als de portieren openblijven, zal de verlichting bij uitgeschakeld contact na ca. 10 minuten worden uitgeschakeld. Buitenspiegel De buitenspiegels kunnen elektrisch worden ingesteld*. Afb. 76 Binnenzijde portier: Draaiknop Buitenspiegelverwarming Zet de draaiknop in de stand afb. 76. Buitenspiegel links en rechts gelijktijdig instellen Zet de draaiknop in de stand. De beweging van de spiegel is identiek aan de beweging van de draaiknop. Buitenspiegel rechts instellen Zet de draaiknop in de stand. De beweging van de spiegel is identiek aan de beweging van de draaiknop. Bediening uitschakelen Zet de draaiknop in de stand. Beide buitenspiegels inklappen* Zet de draaiknop in de stand. Verwijderbare buitenspiegel* met behulp van de sleutels met radiografische afstandsbediening Wanneer alle ruiten gesloten zijn, drukt u de sluittoets A3 op de radiografische afstandsbediening bladzijde 53, afb. 48 gedurende ca. 2 seconden. Spiegelvlak van de voorpassagiersbuitenspiegel kantelen* Als de draaiknop in stand afb. 76 staat en de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, kantelt het spiegelvlak iets naar beneden. Daardoor is bij het inparkeren de trottoirrand zichtbaar. De spiegel keert weer terug in zijn uitgangsstand, nadat de draaiknop vanuit de stand in een andere stand wordt geplaatst of zodra de snelheid hoger is dan 15 km/h. De buitenspiegelverwarming werkt alleen bij draaiende motor en tot een buitentemperatuur van +20 C.
81 Verlichting en zicht 79 Memory voor buitenspiegels* Bij auto's met memory voor de bestuurdersstoel wordt de betreffende instelling van de buitenspiegels bij het opslaan van de stoelstand automatisch mee opgeslagen. Convexe (bolvormige) of asferische (verschillende bollingen) buitenspiegels vergroten het gezichtsveld. Voorwerpen in de spiegel lijken echter wel kleiner. Daarom zijn deze spiegels maar in beperkte mate geschikt voor het inschatten van de afstand ten opzichte van de van achteren naderende auto. Gebruik, indien mogelijk de binnenspiegel om de afstand van de van achteren komende auto te bepalen. Aanwijzing Het automatische dimmen van de spiegel functioneert alleen maar storingvrij als de oprolbare zonwering* voor de achterruit is opgerold, resp. de lichtinval op de binnenspiegel niet door andere voorwerpen wordt beïnvloed. Plak voor de lichtsensor geen sticker, zodat de werking van het automatische dimmen niet wordt beïnvloed of dat deze wordt uitgeschakeld. Als u het automatische dimmen van de binnenspiegel uitschakelt, wordt ook het dimmen van de buitenspiegel uitgeschakeld. Aanwijzing Raak de spiegelvlakken van de buitenspiegels niet aan als de spiegelverwarming is ingeschakeld. Mocht de elektrische instelling een keer uitvallen, dan kunt u beide buitenspiegels met de hand instellen door op de rand van het spiegelvlak te drukken. Neem bij een storing aan de elektrische spiegelinstelling contact op met een Škoda-dealer. Automatisch dimmende buitenspiegels* De buitenspiegels worden samen met de automatisch dimmende binnenspiegel gedimd. Als het automatische dimmen is ingeschakeld, zal de spiegel, afhankelijk van de lichtinval van achteren, automatisch dimmen. Bij het inschakelen van de binnenverlichting of bij het inschakelen van de achteruitversnelling schakelt de spiegel in alle gevallen terug naar de basisstand (niet gedimd). Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
82 80 Zitten en opbergen Zitten en opbergen Voorstoelen Principes De voorstoelen kunnen op vele manieren worden ingesteld en daardoor aan de lichaamsbouw van de bestuurder en de voorpassagier worden aangepast. De juiste instelling van de stoelen is bijzonder belangrijk voor: het veilig, snel bereiken van de bedieningselementen een ontspannen, niet-vermoeiende lichaamshouding de maximale bescherming door de veiligheidsgordels en het airbagsysteem. Neem nooit meer personen mee dan het aantal zitplaatsen dat uw auto telt. Elke inzittende moet de bij de zitplaats behorende veiligheidsgordel correct dragen. Kinderen moeten met behulp van een hiervoor geschikt kinderzitje zijn beveiligd bladzijde 188, Veilig vervoer van kinderen. De voorstoelen en alle hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de lichaamsgrootte worden ingesteld, terwijl ook de veiligheidsgordels altijd correct moeten worden gedragen om u en uw passagiers een optimale bescherming te bieden. Houd de voeten tijdens het rijden altijd in de voetenruimte - leg de voeten nooit op het dashboard, in de ruitsponning of op de zittingen! Dat geldt vooral voor de passagiers. Bij een remactie of een aanrijding stelt u zich dan aan een verhoogd letselrisico bloot. Bij een inschakeling van de airbag kunt u door de verkeerde zithouding dodelijk letsel oplopen! Voor de bestuurder en de voorpassagier is het belangrijk dat een afstand van minstens 25 cm van het stuurwiel, resp. van het dashboard wordt aangehouden. Als deze minimale afstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Bovendien moeten de Vervolg voorstoelen en de hoofdsteunen altijd in overeenstemming met de lichaamsgrootte zijn ingesteld. Zorg ervoor dat zich geen voorwerpen in de voetenruimte bevinden omdat deze voorwerpen bij een rij- of remactie tussen de pedalen kunnen komen. U zou dan niet in staat zijn te koppelen, te remmen of gas te geven. Voorstoelen instellen Afb. 77 Bedieningspaneel op stoel Stoel in lengterichting instellen Trek de hendel A1 afb. 77 omhoog en schuif daarbij de stoel in de gewenste positie. Laat de hendel A1 los en verschuif de stoel totdat de vergrendeling hoorbaar inklikt. Zittinghoogte instellen Als u de stoel hoger wilt zetten, trek de hendel A2 dan naar boven of maak pompbewegingen met de hendel.
83 Zitten en opbergen 81 Als u de stoel lager wilt zetten, druk de hendel A2 dan naar beneden of maak pompbewegingen met de hendel. Hoek van de rugleuning instellen Ontlast de leuning (niet tegen de leuning leunen) en draai de knop bladzijde 80, afb. 77 om de juiste hoek van de rugleuning in te stellen. A3 Elektrische voorstoelen instellen* Stoelen instellen Lendensteun instellen Draai de hendel A4 totdat u de optimale welving van de stoelbekleding ter hoogte van de lendenen hebt ingesteld. De bestuurdersstoel moet zo worden afgesteld dat de pedalen met licht gebogen knieën geheel kunnen worden ingedrukt. De leuning van de bestuurdersstoel moet zo worden ingesteld dat het bovenste punt van het stuurwiel met licht gebogen armen kan worden bereikt. Afb. 78 Zijaanzicht: Bedieningselementen voor het instellen van de stoel Stel de bestuurdersstoel alleen bij stilstaande auto in - kans op ongevallen! Ga voorzichtig te werk bij het instellen van de stoelen! Door ondoordachte instellingen kan letsel door knellen ontstaan. Tijdens het rijden mag de leuning niet te schuin naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordels en de airbags in negatieve zin worden beïnvloed - kans op letsel! Afb. 79 Zijaanzicht: Stoelinstelschakelaar Neem voor het instellen de juiste zitpositie in bladzijde 80. Stoel in lengterichting instellen Druk de schakelaar AB afb. 78 naar voren of achteren afb. 79. Stoelhoogte instellen Druk de schakelaar AB afb. 78 naar boven of beneden. A1 Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
84 82 Zitten en opbergen Hoek van de zitting instellen Druk de schakelaar voor bladzijde 81, afb. 79 of achter bladzijde 81, afb. 79. AB A2 A3 Instelling van de rugleuning Druk schakelaar AC bladzijde 81, afb. 78 in de richting van de gewenste instelling. Lendensteun instellen Om de bolling van de lendensteun te vergroten, moet de schakelaar A aan de voorzijde bladzijde 81, afb. 78 worden ingedrukt. Om de bolling van de lendensteun te verkleinen, moet de schakelaar A aan de achterzijde worden ingedrukt. Om de bolling van de lendensteun hoger te plaatsen, moet de schakelaar A aan de bovenzijde worden ingedrukt. Om de bolling van de lendensteun lager te plaatsen, moet de schakelaar A aan de onderzijde worden ingedrukt. Met de schakelaar AB wordt de stoel naar boven/beneden en naar voren/achteren ingesteld, met de schakelaar AC wordt de rugleuning naar voren of naar achteren bewogen. Vervolg Tijdens het rijden mag de leuning niet te schuin naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordels en de airbags in negatieve zin worden beïnvloed - kans op letsel! Aanwijzing Als de aandrijving tijdens de instelling wordt onderbroken, druk dan de schakelaar nogmaals in de betreffende richting en vervolg de instelling. Instelling opslaan Afb. 80 Bestuurdersstoel: Geheugentoetsen en de SETtoets Stel de bestuurdersstoel alleen bij stilstaande auto in - kans op ongevallen! Voorzichtig bij het instellen van de stoel! Door ondoordacht of ongecontroleerd instellen kan letsel door knellen ontstaan. Omdat de stoelen ook kunnen worden ingesteld bij uitgeschakeld contact (ook als de contactsleutel uit het contactslot is getrokken), moeten kinderen nooit zonder toezicht in de auto worden achtergelaten. Stoel- en buitenspiegelinstellingen voor vooruitrijden opslaan Schakel het contact in. Stel de stoel in bladzijde 81. Stel de beide buitenspiegels in bladzijde 78. Druk op de toets SET A afb. 80. Druk een van de geheugentoetsen AB binnen 10 seconden na het indrukken van de toets SET in - een bevestigingstoon bevestigt het opslaan van de stoelinstelling.
85 Zitten en opbergen 83 Buitenspiegelinstelling voor achteruitrijden opslaan* Schakel het contact in. Plaats de spiegelschakelaar in de stand bladzijde 78. Schakel de achteruitversnelling in. Stel de rechter buitenspiegel in de gewenste stand in bladzijde 78. Schakel de vrijstand in. De ingestelde stand van de buitenspiegels wordt opgeslagen. Geheugentoetsen De stoelmemory biedt de mogelijkheid de individuele standen van de bestuurdersstoel en de buitenspiegel in het geheugen op te slaan. Elk van de drie geheugentoetsen AB bladzijde 82, afb. 80 kan aan een individuele stand worden toegekend, d.w.z. in totaal drie. Na het indrukken van de betreffende geheugentoets AB worden de stoel en de buitenspiegel automatisch in die standen geplaatst die aan deze toets zijn toegekend bladzijde 84. Noodstop U kunt op elk moment de instelling onderbreken, door een willekeurige toets op de bestuurdersstoel in te drukken. Aanwijzing Om veiligheidsredenen is het niet mogelijk deze positie op te slaan wanneer de hoek van de leuning t.o.v. de zitting groter is dan 102. Wij adviseren bij de bezetting met de geheugentoetsen met de voorste toets te beginnen en aan elke verdere bestuurder een geheugentoets toe te wijzen. Bij elke nieuwe opslag onder dezelfde toets wordt de tot nu toe hieronder opgeslagen instelling gewist. Bij elke nieuwe opslagprocedure van de stoel- en buitenspiegelinstellingen voor vooruitrijden moet ook de individuele instelling van de rechter buitenspiegel voor het achteruitrijden opnieuw worden opgeslagen. Radiografische afstandsbediening van de geheugentoetsen toewijzen Na het opslaan van de stoel- en spiegelinstellingen hebt u 10 seconden tijd om de radiografische afstandsbediening aan de betreffende geheugentoets toe te wijzen. Trek de contactsleutel uit het contactslot. Druk de ontgrendelingstoets bladzijde 53, na succesrijke allocatie klinkt een akoestisch signaal. De instelling is onder de gekozen geheugentoets opgeslagen. Om de in het geheugen opgeslagen instellingen ook via de radiografische afstandsbediening te kunnen opvragen, moet aan de radiografische afstandsbediening een geheugentoets worden toegewezen. Zo nodig kunt u nog een radiografische afstandsbediening bij de erkende Škodadealer bestellen en de radiografische afstandsbediening dan aan een andere geheugentoets toewijzen. Aanwijzing Als de radiografische afstandsbediening al eerder aan een andere geheugentoets is toegewezen, wordt deze door de nieuwe toewijzing gewist. Als u de radiografische afstandsbediening aan een geheugentoets toewijst die al aan een andere radiografische afstandsbediening is toegewezen, wordt ook hier de oude toewijzing door de nieuwe gewist. De toewijzing van de radiografische afstandsbediening aan een geheugentoets blijft echter na een nieuwe toewijzing van de stoelen en de buitenspiegels gehandhaafd. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
86 84 Zitten en opbergen Stoel- en spiegelinstellingen opvragen De opgeslagen instellingen kunnen zowel via de geheugentoetsen als via de radiografische afstandsbediening* worden opgevraagd. Opvragen via de geheugentoetsen Om de in het geheugen opgeslagen instelling op te roepen hebt u twee mogelijkheden: Memory-tipautomaat: Druk even op de gewenste geheugentoets AB bladzijde 82, afb. 80. De stoel en de buitenspiegel worden automatisch in de in het geheugen opgeslagen standen geplaatst (dit geldt alleen als het contact is ingeschakeld en de snelheid lager is dan 5 km/h). Memorytoets indrukken: Druk en houd de gewenste geheugentoets AB ingedrukt totdat de stoel en de buitenspiegel in de in het geheugen opgeslagen standen zijn geplaatst. Noodstop U kunt op elk moment de instelling onderbreken, door een willekeurige toets op de bestuurdersstoel in te drukken. Hoofdsteunen Afb. 81 Hoofdsteun instellen Opvragen via de radiografische afstandsbediening AIs het bestuurdersportier is gesloten en het contact is uitgeschakeld, druk dan even op de ontgrendelingstoets op de radiografische afstandsbediening bladzijde 53 en open daarna het bestuurdersportier. De stoel en de buitenspiegels gaan nu automatisch naar de opgeslagen posities. Buitenspiegelinstelling voor achteruitrijden opvragen* Draai voor het inschakelen van de achteruitversnelling de draaiknop voor de buitenspiegelinstelling in de stand bladzijde 78. De spiegel keert weer terug in zijn uitgangsstand, nadat de draaiknop vanuit de stand in een andere stand wordt geplaatst of zodra de snelheid hoger is dan 15 km/h. Afb. 82 Hoofdsteunen eruit trekken De optimale bescherming wordt verkregen als de bovenkant van de hoofdsteun op dezelfde hoogte ligt als het bovenste deel van uw hoofd.
87 Zitten en opbergen 85 Hoogte van de hoofdsteunen instellen Houd de hoofdsteun met beide handen vast en trek deze zoals gewenst naar boven bladzijde 84, afb. 81. Als de hoofdsteun naar beneden moet worden verschoven, moet de borgknop worden ingedrukt bladzijde 84, afb. 82 en met de andere hand de hoofdsteun naar beneden worden gedrukt. Hoofdsteunen uit- en inbouwen Trek de hoofdsteun tot aan de aanslag uit de leuning (bij de achterste hoofdsteunen de rugleuning naar voren klappen). Druk de borgknop in de pijlrichting bladzijde 84, afb. 82 en trek de hoofdsteun los. Voor het weer inbouwen de hoofdsteun zo ver naar beneden in de leuning duwen dat de borgknop hoorbaar inklikt. De stelling van de voor- en achterhoofdsteunen zijn verstelbaar in hoogte. De middelste hoofdsteun, achter kan in twee standen worden ingesteld. De hoofdsteunen moeten zijn ingesteld in overeenstemming met de lichaamsgrootte. Correct afgestelde hoofdsteunen bieden samen met de veiligheidsgordels een effectieve bescherming voor de inzittenden bladzijde 166, Juiste zitpositie. De hoofdsteunen moeten correct zijn ingesteld om de inzittenden bij een aanrijding effectief te kunnen beschermen. Rijd nooit met uitgebouwde hoofdsteunen - kans op letsel! Als de achterzittingen zijn bezet, mogen de hoofdsteunen achter niet in de onderste stand staan. Middelste hoofdsteun achter Afb. 83 Achterbank: middelste hoofdsteun In enkele landen wordt door de nationale wetgeving geëist dat de achterbank is uitgerust met bevestigingsogen voor kinderzitjes met het Top Tether -systeem bladzijde 195, Bevestiging kinderzitje met het Top Tether -systeem. Bij auto's die zijn uitgevoerd met dergelijke bevestigingsogen is er een afwijkende volgorde voor het uitbouwen van de middelste hoofdsteun. Uit- en inbouwen van de achterste middelste hoofdsteunen Trek de hoofdsteun tot aan de aanslag uit de leuning. Druk de borging in de richting van pijl A afb. 83 in, druk gelijktijdig met een platte schroevendraaier met een bekbreedte van max. 5 mm de borging in de opening AB en trek de hoofdsteun los. Voor het weer inbouwen de hoofdsteun zo ver naar beneden in de leuning duwen dat de borgknop hoorbaar inklikt. De hoofdsteunen moeten correct zijn ingesteld om de inzittenden bij een aanrijding effectief te kunnen beschermen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
88 86 Zitten en opbergen Vervolg Rijd nooit met uitgebouwde hoofdsteunen - kans op letsel! Als de achterzittingen zijn bezet, mogen de hoofdsteunen achter niet in de onderste stand staan. Achterzittingen Leuning neerklappen Afb. 84 Leuning ontgrendelen Afb. 85 Rugleuning vergrendelen De bagageruimte kan worden vergroot door de leuningen neer te klappen. Leuningen neerklappen Voor het neerklappen van de leuningen past u de instelling van de voorstoelen zo aan, dat ze door de neergeklapte leuning niet beschadigd worden. 9) Door het drukken van de ontgrendelingshendel A afb. 84 ontgrendelt u de leuning en klapt deze neer. Leuningen in de oorspronkelijke positie brengen Bouw de hoofdsteunen in de iets opgetilde leuning in. Leg de achterste, aan de zijkant geplaatste veiligheidsgordel AC achter de rand van de zijbekleding afb. 85. Klap aansluitend hierop de leuning terug tot de borgknop in de borging valt - controleer dit door aan de leuning te trekken. Controleer of de rode pen AB niet meer zichtbaar is afb. 84. Na het terugklappen van de leuning moeten de gordels en de gordelsloten zich in hun oorspronkelijke posities bevinden - ze moeten direct kunnen worden gebruikt. De rugleuningen moeten goed zijn vergrendeld, zodat er bij plotseling remmen geen voorwerpen vanuit de bagageruimte in de passagiersruimte kunnen glijden - kans op letsel! Let erop dat de leuningen correct zijn vergrendeld. Alleen dan kan de driepunts-veiligheidsgordel voor de middelste zitting goed zijn werk doen. 9) Als de voorstoelen te ver naar achteren staan, adviseren wij de hoofdsteunen uit de rugleuning van de achterbank te trekken voordat de leuning wordt neergeklapt. Berg de uit de rugleuning getrokken hoofdsteunen zo op dat deze niet kunnen worden beschadigd of vuil kunnen worden. Let op de aanwijzingen bladzijde 88.
89 Zitten en opbergen 87 Vervolg Stoelverwarming* Voordat de leuningen in de geborgde stand worden teruggeklapt, moet de veiligheidsgordel achter die zich aan de zijkant bevindt achter de rand van de zijbekleding worden gelegd. Voorkom dat de veiligheidsgordel tussen de leuning en de zijbekleding wordt ingeklemd en daardoor wordt beschadigd. Armleuning van achterzittingen Afb. 87 Dashboard: Regeling voor sotelverwarming voor Afb. 86 Achterbank: Armleuning Voor meer comfort kunt u de armleuning naar beneden klappen afb. 86. Afb. 88 Middenconsole achter: Knop voor verwarming van de achterzittingen De leuningen en zittingen van de voorstoelen en de beide buitenste achterzittingen kunnen elektrisch worden verwarmd. Door het drukken op de oppervlakte van de regeling op de plaats waar het symbool afb. 87 is, kunt u de stoelverwarming van de bestuurder, resp. bijbestuurder inschakelen en reguleren. Door het drukken van de regelaar afb. 88 kan de verwarming van de linker- of rechterachterzitting worden ingeschakeld en geregeld. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
90 88 Zitten en opbergen Door een druk schakelt u de verwarming op de hoogste itensiteit, die door het oplichten van drie controlelampjes in de schakelaar worden aangewezen. Door het herhaal drukken van de schakelaar wordt de itensiteit van de verwarming veminderd tot het uitschakelen. De itensiteit van de verwarming wordt door een nummer in de verlichte controlelampjes in de schakelaar aangewezen. Als u een beperkte pijn- en/of temperatuurwaarneming hebt, b.v. door gebruik van medicijnen, verlamming of op grond van chronische aandoeningen (b.v. diabetes), adviseren wij, geen gebruik te maken van de stoelverwarming. Dit zou kunnen leiden tot moeilijk te genezen brandwonden aan rug, zitvlak en benen. Als u desondanks de stoelverwarming wilt gebruiken, adviseren wij u, bij langere ritten regelmatig een pauze in te lassen, zodat in bovengenoemde gevallen het lichaam zich kan herstellen van de belastingen die tijdens het rijden ontstaan. Neem voor de beoordeling van uw concrete situatie contact op met de u behandelende arts. Voorzichtig! Om de verwarmingselementen van de stoelverwarming niet te beschadigen, mag u niet op de stoelen knielen en moet puntbelasting worden voorkomen. Wanneer de stoelen niet bezet zijn of wanneer er voorwerpen geplaatst zijn, zoals b.v. een kinderzitje, een tas o.i.d., gebruikt u dan de verwarming niet. Er kan een storing in de verwarmingselementen van de stoelverwarming optreden. Reinig de stoelen niet met vocht bladzijde 220. Aanwijzing Wij adviseren, de stoelverwarming alleen bij draaiende motor in te schakelen. Daardoor wordt er een minder groot beroep op de accucapaciteit gedaan. Als de boordspanning terugloopt, wordt de stoelverwarming automatisch uitgeschakeld om voldoende elektrische energie over te hebben voor de motorregeling. Pedalen Breng, met het oog op een veilige bediening van de pedalen alleen vloermatten uit het originele Škoda-accessoireprogramma aan. De pedalen moeten zonder belemmeringen kunnen worden bediend! Storingen aan het remsysteem kunnen tot een langere pedaalslag leiden. Geen matten of andere extra vloerbedekking in de buurt van de pedalen leggen omdat alle pedalen volledig moeten kunnen worden ingetrapt en ongehinderd in hun uitgangsstand moeten kunnen terugkomen - kans op ongevallen! Er mogen daarom geen voorwerpen op de vloer worden gelegd die onder de pedalen kunnen glijden. U zou dan niet meer in staat zijn te remmen, te koppelen of gas te geven - kans op ongevallen! Bagageruimte Bagageruimte beladen In het belang van goede rijeigenschappen moet op het volgende worden gelet: Verdeel de bagage zo gelijkmatig mogelijk. Zware voorwerpen zo ver mogelijk naar voren leggen Zet de bagage vast met de bevestigingsogen of met het veiligheidsnet* bladzijde 89.
91 Zitten en opbergen 89 Bij een aanrijding krijgen kleine en lichte voorwerpen een zo hoge kinetische energie, dat zij ernstig letsel kunnen veroorzaken. De grootte van de kinetische energie is afhankelijk van de rijsnelheid en het gewicht van het voorwerp. De rijsnelheid is hierbij de meest beslissende factor. Voorbeeld: Een niet-vastgezet voorwerp met een gewicht van 4,5 kg krijgt bij een frontale aanrijding met een snelheid van 50 km/h een energie die 20 keer zo groot is als zijn eigen gewicht. Dit betekent dat er een kracht van ca. 90 kg ontstaat. U kunt zich voorstellen wat voor letsel er zou ontstaan als deze door het interieur vliegende kei een inzittende raakt. Berg voorwerpen op in de bagageruimte en zet bagage vast met de bevestigingsogen. Losse voorwerpen in het interieur kunnen bij een plotselinge manoeuvre of bij een aanrijding naar voren vliegen en de inzittenden of andere verkeersdeelnemers verwonden. Dit gevaar wordt nog groter als rondvliegende voorwerpen door een opblazende airbag worden geraakt. In dit geval kunnen de teruggeworpen voorwerpen de inzittenden verwonden - levensgevaar. Realiseert u zich dat bij het transport van zware voorwerpen de rijeigenschappen zich wijzigen door de verplaatsing van het zwaartepunt. Snelheid en manier van rijden moeten daarom daaraan worden aanpast. De lading moet op zo'n manier in de bagageruimte worden ondergebracht dat bij plotselinge rij- en remacties geen voorwerpen naar voren kunnen glijden - kans op letsel! Rijd nooit met een openstaande of net niet gesloten kofferklep omdat er dan uitlaatgassen in het interieur kunnen komen - kans op vergiftiging! Overschrijd in geen geval de toegestane asbelasting en het toegestane totaalgewicht van de auto - kans op ongevallen! Laat geen personen plaatsnemen in de bagageruimte! Voorzichtig! Let erop dat de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming niet door schurende voorwerpen kunnen worden beschadigd. Aanwijzing De bandenspanning moet aan de belading worden aangepast bladzijde 240, afb Sjorogen Afb. 89 Bagageruimte: Bevestigingsogen Aan de zijkanten van de bagageruimte bevinden zich ogen voor het vastsjorren van de bagagestukken. Aan deze ogen kan ook een vloernet* voor het vastzetten van kleine voorwerpen worden bevestigd. De te vervoeren lading moet zodanig bevestigd worden, dat ze tijdens de rit en het remmen niet kan bewegen. Als de bagage of voorwerpen met een hiertoe niet geschikte of beschadigde bevestigingsriem wordt vastgezet, kan bij het remmen of bij een Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
92 90 Zitten en opbergen Vervolg aanrijding letsel ontstaan. Om te voorkomen dat de bagage naar voren kan schuiven, moet altijd worden gebruikgemaakt van hiertoe geschikte riemen die veilig aan de bevestigingsogen zijn bevestigd. Bevestigingsnetten - netprogramma* De toelaatbare belasting van het laterale net bedraagt 3,5 kg. Zwaardere voorwerpen worden niet voldoende beveiligd - kans op letsel en beschadiging van het net! Voorzichtig! Plaats in de netten geen voorwerpen met scherpe randen - kans op beschadiging van het net. Inklapbare haken Afb. 90 Bevestigingsnet: langstas Afb. 92 Bagageruimte: Inklapbare haken Afb. 91 Bevestigingsnet: Bodembevestigingsnet en dwarsdas Aan beide zijden van de bagageruimte bevinden zich inklapbare haken voor de bevestiging van kleinere bagagestukken zoals tassen e.d. afb. 92. Aan de haak kan een bagagestuk met een gewicht tot zo'n 10 kg worden opgehangen. Bevestigingsvoorbeelden van het bevestigingsnet als langstas afb. 90, bodembevestigingsnet en dwarsdas afb. 91. De bevestigingsnetten* zijn in de lade aan de rechterzijde van de koffer-/achterruimte ondergebracht.
93 Zitten en opbergen 91 Vloerbedekking van de bagageruimte vastzetten In het opbergnet mogen alleen voorwerpen (met een maximaal gewicht van 1,5 kg) worden opgeborgen. Zware voorwerpen worden niet voldoende geborgd - kans op letsel! In het bagagenet mogen geen voorwerpen met scherpe randen worden vervoerd, deze kunnen het bagagenet beschadigen. Afb. 93 Bagageruimte: Bevestiging van de vloerbedekking Hoedenplank De hoedenplank achter de hoofdsteunen achterin kan alleen worden gebruikt voor het deponeren van lichte voorwerpen. Op de vloerbedekking van de bagageruimte bevindt zich een loep afb. 93. Bij omgang met bijv. het reservewiel kunt u de vloerbedekking optillen en aan een haak aan de bagageruimte afdekking bevestigen. Bagagenet* Afb. 95 Uitbouwen van de hoedenplank Afb. 94 Bagageruimte: Bagagenet Het bagagenet is bedoeld voor het vervoer van lichte voorwerpen. Als u grotere stukken bagage wilt vervoeren, kan zo nodig de hoedenplank worden uitgebouwd. Haak de bevestigingsbanden bij de kofferklep los A1 afb. 95. Leg de hoedenplank op de zijsteunen. Trek de hoedenplank horizontaal naar achteren uit de houders A2. Bij het weer inbouwen de hoedenplank eerst in de houders A2 schuiven en daarna de bevestigingsbanden A1 vasthaken aan de kofferklep. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
94 92 Zitten en opbergen U kunt de uitgebouwde hoedenplank opbergen achter de rugleuning van de achterbank. Op de hoedenplank mogen geen voorwerpen worden neergelegd, die de inzittenden in gevaar zouden kunnen brengen bij plotseling remmen of bij een aanrijding. Voorzichtig! Let erop dat de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming niet beschadigd raken door op de achterklep neergelegde voorwerpen. Aanwijzing Bij het openen van de bagageruimteklep wordt ook de hoedenplank opgetild. Variable* laadvloer uitbouwen Afb. 97 Bagageruimte: Draagrails uitbouwen De variabele bodem maakt de omgang met grote bagage makkelijker. De variabele bodem kunt u zo nodig uitbouwen. Ontgrendel de bodem door de veiligheidsogen A naar links te draaien met ca. 90 afb. 96. Door het bewegen in pijlrichting kunt u de laadvloer opvouwen en verwijderen. Ontgrendel de draagrails AB door het draaien van de plug-on bevestigingsogen AC naar rechts tot ca. 90 afb. 97. Let er op dat bij het inbouwen van de variabele bodem, dat de draagrails en de variabele bodem correct zijn bevestigd. Is dit niet het geval, is er een gevaar voor verwonding aan de passagiers. Afb. 96 Bagageruimte: variable laadvloer uitbouwen Aanwijzing De maximale belasting van de variabele bodem bedraagt 75 kg.
95 Zitten en opbergen 93 Bagageruimte m.b.v. variable laadvloer* indelen Afb. 98 Bagageruimte: Verwijderen van de bagageruimte De bagageruimte kan m.b.v. de variable laadvloer ingedeeld worden. Til een gedeelte bij de steun op en borg deze door in de groeven te schuiven afb. 98. Voorzichtig! Als u andere imperiaalsystemen gebruikt of de dragers niet volgens voorschrift monteert is daardoor ontstane schade aan de auto uitgesloten van de garantie. Neem daarom beslist de meegeleverde montagehandleiding van het imperiaalsysteem in acht. Bij auto's met elektrisch schuif-/kanteldak moet erop worden gelet dat het geopende schuif-/kanteldak niet tegen de daklading aankomt. Let erop dat de geopende kofferklep niet tegen de lading op het dak stoot. Milieu Door de hogere luchtweerstand neemt het brandstofverbruik toe. Verwijder het imperiaal daarom na gebruik. Bevestigingspunten Imperiaal* Beschrijving Als er bagage of lading op het dak moet worden vervoerd, moet op het volgende worden gelet: Voor de auto werd een speciaal imperiaalsysteem ontwikkeld, met het oog hierop kunnen alleen door Škoda Auto vrijgegeven imperialen worden gemonteerd. Met de basisimperiaal kan een compleet Škoda-imperiaalsysteem worden samengesteld. Voor het transport van bagage, fietsen, surfplanken, ski's en boten zijn om veiligheidsredenen de bijbehorende extra componenten nodig. De basisuitvoering van het imperiaalsysteem en de andere componenten zijn als accessoire bij de erkende Škoda-dealer leverbaar. Afb. 99 Bevestigingspunten voor de basisimperiaal Voer de montage en demontage volgens de meegeleverde handleiding uit. Aanwijzing Als iets niet duidelijk is, neem dan contact op met uw Škoda-dealer/vakgarage. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
96 94 Zitten en opbergen Daklading Verdeel de belading gelijkmatig over de imperiaal. De toegestane dakbelasting (inclusief het imperiaalsysteem) van 100 kg en het toegestane totaalgewicht van de auto mogen niet worden overschreden. Bij gebruik van imperiaalsystemen met een geringere belastbaarheid kunt u niet volledig profiteren van de toegestane dakbelasting. In die gevallen mag u de imperiaal maar belasten tot de maximale gewichtsgrens die in de montagehandleiding wordt genoemd. Bekerhouder Bekerhouder in de middenconsole, voor De lading op het dak moet goed worden bevestigd - kans op ongevallen! U mag de toegestane daklading, de toegestane asbelasting en het toegestane totaalgewicht van uw auto in geen geval overschrijden - kans op ongevallen! Realiseert u zich goed dat de rijeigenschappen wijzigen bij het vervoeren van zware, resp. omvangrijke voorwerpen op de imperiaal door de verplaatsing van het zwaartepunt, resp. door het grotere aangrijpingsvlak van de wind - kans op ongevallen! Pas uw rijstijl en de snelheid daarom beslist aan de omstandigheden aan. Afb. 100 Middenconsole, voor: Bekerhouder In de holtes kunnen twee blikjes worden geplaatst afb Bij auto's die met een afdekking voor bekerhouders* zijn uitgerust, kunt u door het trekken aan de hendel A de bekerhouder afdekken. Zet geen hete dranken in de bekerhouder als de auto in beweging is. De hete dranken kunnen morsen - kans op brandwonden! Gebruik geen breekbare bekers (bijv. glas, porselein). U zou daardoor bij een aanrijding gewond kunnen raken. Voorzichtig! Laat de flesjes in de bekerhouder tijdens het rijden niet openstaan. Bij remmen kan de vloeistof uit de fles komen en hierbij de auto aantasten.
97 Zitten en opbergen 95 Bekerhouder in de armleuning van de achterzittingen* Zet geen hete dranken in de bekerhouder als de auto in beweging is. De hete dranken kunnen morsen - kans op brandwonden! Gebruik geen breekbare bekers (bijv. glas, porselein). U zou daardoor bij een aanrijding gewond kunnen raken. Afb. 101 Armleuning van de achterzittingen: Bekerhouder Voorzichtig! Laat de flesjes in de bekerhouder tijdens het rijden niet openstaan. Bij remmen kan de vloeistof uit de fles komen en hierbij de auto aantasten. Voor het optillen van de armleuning de bekerhouder eerst inschuiven. Bonhouder Afb. 102 Armleuning van de achterzittingen: Bekerhouder inschuiven In de holtes kunnen twee blikjes worden geplaatst. Druk de topzijde van de armleuning in de pijlrichting afb. 101, van de bekerhouder naar buiten. Om de bekerhouder opnieuw in te schuiven, druk op het middengedeelte van de bekerhouder afb. 102 en schuif deze in de armleuning. Afb. 103 Voorruit: Parkeerkaarthouder De bonhouder dient b.v. ter bevestiging van de parkeerbon op parkeerplaatsen waar moet worden betaald. Voor het begin van de rit moet de bon altijd worden verwijderd, zodat het zicht van de bestuurder niet wordt gehinderd. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
98 96 Zitten en opbergen Asbak Asbak achter* Asbak voor* Afb. 105 Middenconsole: Asbak achter Asbaklade verwijderen Open het asbakje bladzijde 99, afb Neem het asbakje vast op de plaats A afb. 104 en neem die in de richting van de pijl uit. Asbaklade aanbrengen Breng de asbaklade in de verticale stand aan. Leg nooit brandbare voorwerpen in de asbak - brandgevaar! Afb. 104 Middenconsole: Asbak voor Asbaklade verwijderen Open het asbakje bladzijde 102, afb Pak het beschermrooster op de met een pijl gemarkeerde plaats vast afb. 105 en neem dit weg. Asbaklade aanbrengen Plaats de asbaklade in de opname en druk deze in. Leg nooit brandbare voorwerpen in de asbak - brandgevaar!
99 Zitten en opbergen 97 Sigarettenaansteker*, stopcontacten Sigarettenaansteker Het stopcontact van de sigarettenaansteker kan ook voor andere elektrische apparaten worden gebruikt. Bediening van de sigarettenaansteker Druk op de sigarettenaanstekerknop A bladzijde 96, afb. 105 of AB bladzijde 96, afb Wacht totdat de knop weer naar buiten springt. Neem de sigarettenaansteker er direct uit en gebruik hem. Steek de sigarettenaansteker weer in het stopcontact. Gebruikg van het stopcontact Neem de afdekking weg. Steek de steker van het elektrische apparaat in het stopcontact. Het 12-voltsstopcontact kan ook voor andere elektrische accessoires met een vermogen tot 180 watt worden gebruikt. Wees voorzichtig bij het gebruik van de sigarettenaansteker! Door ondoordacht of ongecontroleerd gebruik van de sigarettenaansteker kunnen verbrandingen ontstaan. De sigarettenaansteker en het stopcontact werken ook bij uitgeschakeld contact en als de contactsleutel uit het contact is getrokken. Laat kinderen dan ook nooit zonder toezicht in de auto achter. Aanwijzing Bij stilstaande motor en ingeschakelde verbruikers wordt de autoaccu ontladen - kans op een lege accu! Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 246. Stopcontact in bagageruimte Open het afdekkapje van het stopcontact afb Afb. 106 Bagageruimte: stopcontact Steek de steker van het elektrische apparaat in het stopcontact. Het stopcontact mag alleen voor de aansluiting van vrijgegeven elektrische accessoires met een vermogensafname van maximaal 180 watt worden gebruikt. Bij stilstaande motor wordt daarbij echter de accu ontladen. Hier gelden dezelfde opmerkingen als bladzijde 97. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 246. Voorzichtig! Gebruik ter voorkoming van beschadiging van het stopcontact alleen passende stekers. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
100 98 Zitten en opbergen Opbergvakken (dashboardkastjes) Overzicht In uw auto treft u de volgende opbergruimtes aan: dashboardkastje aan de voorpassagierszijde bladzijde 98 opbergvak aan de bestuurderszijde bladzijde 99 opbergvak in middenconsole, voor bladzijde 99 Opbergnet in middenconsole, voor bladzijde 100 Brillenkoker* bladzijde 100 Opbergvak in de voorportieren bladzijde 101 Opbergvak onder voorpassagiersstoel* bladzijde 101 armleuning van voorstoel met opbergvak bladzijde 101 Armleuning van achterzittingen met opbergvak* bladzijde 102 opbergvak in middenconsole, achter* bladzijde 102 Opbergvak voor de paraplu* bladzijde 103 Rugleuning met luik voor ski's bladzijde 103 Skizak* bladzijde 104 Zijvakken in de bagageruimte* bladzijde 105 kledinghaakjes* bladzijde 105 Leg niets op het dashboard. Deze voorwerpen zouden tijdens de rit (bij accelereren of rijden in de bocht) kunnen verschuiven of vallen en uw aandacht van de verkeerssituatie afleiden - kans op ongevallen! Let erop dat er tijdens het rijden geen voorwerpen vanuit de middenconsole of vanuit andere opbergruimten in de voetruimte terecht kunnen Vervolg komen. U zou dan niet meer in staat zijn te remmen, te koppelen of gas te geven - kans op ongevallen! dashboardkastje aan de voorpassagierszijde Dashboardkastje aan voorpassagierszijde openen en sluiten Druk de toets afb het deksel klapt naar beneden. Zwenk de klep naar boven totdat hij hoorbaar vergrendelt. in het dashboardkastje bevindt zich een penhouder. Afb. 107 Dashboard: dashboardkastje aan de voorpassagierszijde Om veiligheidsredenen moet het opbergvak tijdens het rijden altijd zijn gesloten.
101 Zitten en opbergen 99 Koeling dashboardkastje voorpassagierszijde Het vakje is met een afsluitbare ingang voor gekoelde lucht uitgerust. opbergvak aan de bestuurderszijde Afb. 109 Dashboard: opbergvak aan de bestuurderszijde Afb. 108 Opbergvak: bediening van de koeling De luchttoevoer wordt geopend door de hendel in de richting van de pijl te trekken afb Door de hendel te drukken wordt de luchttoevoer gesloten. Wanneer de luchttoevoer open en de airconditioning ingeschakeld is, stroomt gekoelde lucht in het dashboardkastje. Als de luchttoevoer bij een uitgeschakelde airconditioning wordt geopend, stroomt er aangezogen verse lucht of lucht vanuit het interieur in het dashboardkastje. Als de verwarming is ingeschakeld, of als u niet gebruikmaakt van de koeling, adviseren wij de luchttoevoer uit te schakelen. Het dashboardkastje wordt door het optillen van de handgreep en door het uitklappen in de richting van de pijl afb. 109 geopend. Om veiligheidsredenen moet het opbergvak tijdens het rijden altijd zijn gesloten. opbergvak in middenconsole, voor Afb. 110 Middenconsole, voor: opbergvak Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
102 100 Zitten en opbergen Druk op het deksel op de plaats A in de richting van de pijl bladzijde 99, afb. 110, het deksel wordt opgevouwen. Brillenkoker* Het opbergvak vormt geen vervanging voor een asbak en mag dan ook niet als zodanig worden gebruikt - brandgevaar! Opbergnet in middenconsole, voor* Afb. 112 Uitsnede van het dakraam: Brillenkoker Druk de toets A, het opbergvak klapt naar beneden afb Afb. 111 Middenconsole, voor: Opbergnet Het opgergnet aan de middenconsole, voor afb. 111 is voor het transport van kleine voorwerpen bedoeld. De brillenkoker mag alleen bij het wegnemen of aanbrengen van voorwerpen worden opengemaakt en moet verder gesloten blijven. Voorzichtig! Bij auto's met een alarmsysteem* vermindert de open opbergvak de werking van de sensoren voor de Interieurbewaking*. In het opbergnet mogen alleen voorwerpen (met een maximaal gewicht van 0,5 kg) worden opgeborgen. Zware voorwerpen worden niet voldoende geborgd - kans op letsel! In het bagagenet mogen geen voorwerpen met scherpe randen worden vervoerd, deze kunnen het bagagenet beschadigen.
103 Zitten en opbergen 101 Opbergvak in de voorportieren Het opbergvak is bedoeld voor het opbergen van kleine voorwerpen tot 1,5 kg. Trek voor het openen de sluiting omhoog en trek de klep open afb Voor het sluiten van de klep de sluiting omhoogtrekken en de klep dichtdrukken. Armleuningen van de voorstoelen met opbergvak Afb. 113 Opbergvak in de voorportieren Gebruik de opbergvakken in de portierbekleding afb. 113 uitsluitend voor het bewaren van kleinere voorwerpen die niet uit de vakken mogen steken zodat de werking van de zijairbags niet nadelig wordt beïnvloed. Opbergvak onder voorpassagiersstoel* Afb. 115 Armleuning: opbergvak De armleuning is qua hoogte en lengte instelbaar. Opbergvak openen Klap het deksel van de armleuning in de richting van de pijl op afb Afb. 114 Voorpassagiersstoel: opbergvak Opbergvak sluiten Open het deksel tot aan de aanslag, pas dan kan het naar beneden worden geklapt. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
104 102 Zitten en opbergen Hoogte instellen Klap eerst het deksel naar beneden en haak dan de armleuning in de richting van de pijl in een van de 4 vergrendelstanden. opbergvak in middenconsole, achter Instelling in lengterichting Schuif het deksel in de gewenste stand. Aanwijzing Schuif voor het aantrekken van de handrem het deksel van de armleuning tot aan de aanslag naar achteren. Armleuning van achterzittingen met opbergvak* Afb. 117 Middenconsole achter: opbergvak Het opbergvak is uitgevoerd met een uitneembare inzet. Open het opbergvak door het trekken aan de hendel A in de richting van de pijl afb Het opbergvak vormt geen vervanging voor een asbak en mag dan ook niet als zodanig worden gebruikt - brandgevaar! Afb. 116 Armleuning van de achterzittingen Voor meer comfort kunt u de armleuning naar beneden klappen. In de armleuning bevindt zich een opbergvak. Open het vak door de knop aan de voorzijde in te drukken en het deksel op te tillen afb. 116.
105 Zitten en opbergen 103 Opbergvak voor de paraplu* Druk de paraplu in de richting van de pijl AC samen, waardoor hij helemaal inklapt. Rugleuning achterbank met luik voor ski's Afb. 118 Linker achterportier: opbergvak Afb. 120 Achterbank: Handgreep van het luik Afb. 119 Paraplu uitvouwen en inklappen De af fabriek geleverde paraplu bevindt zich in het opbergvak van het linker achterportier afb Paraplu uitvouwen Druk op de schakelaar A afb Paraplu inklappen Druk op de schakelaar A. De paraplu wordt eerst in de richting van de pijl AB gedeeltelijk ingeklapt. Afb. 121 Bagageruimte: Ontgrendelingsknop Na het opklappen van de armleuning en het luik verschijnt in de rugleuning van de achterbank een uitsparing, waardoor lange voorwerpen kunnen worden geschoven, bijv. ski's e.d.. De armleuning en het luik kunnen zowel vanuit het interieur als vanuit de bagageruimte worden opgeklapt. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
106 104 Zitten en opbergen Openen vanuit het interieur Klap de armleuning, achter neer bladzijde 87, afb. 86. Trek de handgreep tot aan de aanslag naar boven en klap het luik naar beneden toe open bladzijde 103, afb Openen vanuit de bagageruimte Schuif de ontgrendelingsknop A naar beneden bladzijde 103, afb. 121 en klap het luik (met de armleuning) naar voren. Sluiten Klap het luik en de armleuning tot aan de aanslag naar boven - het luik moet hoorbaar worden vergrendeld. Let erop dat de armleuning na het sluiten altijd is geborgd. Dit is het geval als het rode vlak boven de ontgrendelingsknop A vanuit de bagageruimte niet meer zichtbaar is. Skizak (Unibag)* Schuif de ontgrendelingsknop A naar beneden bladzijde 103, afb. 121 en klap het luik (met de armleuning) naar voren. Breng de lege skizak zo aan dat het uiteinde met de ritssluiting in de bagageruimte ligt. Schuif de voorwerpen vanuit de bagageruimte in de skizak. Vastzetten Steek de bevestigingsriem van de skizak A in het middelste gordelslot AC afb Leg de bevestigingsriem bij de skisportartikelen in het midden tussen de bindingen. Trek de bevestigingsriem met het vrije gordeluiteinde AB strak. Opbergen Klap het luik en de armleuning tot aan de aanslag naar boven - het luik moet hoorbaar worden vergrendeld. Dit is het geval als het rode vlak boven de ontgrendelingsknop A vanuit de bagageruimte niet meer zichtbaar is bladzijde 103, afb Vouw de lege (droge) skizak goed op, leg deze in de bagageruimte en borg hem zodat hij niet kan verschuiven. Afb. 122 Bevestiging van de skizak met behulp van het middelste gordelslot van de achterzittingen Nadat de skizak is gevuld met voorwerpen moet deze met behulp van de bevestigingsriem A worden geborgd. De bevestigingsriem moet de bagage vastzetten. Let erop dat de bevestigingsriem bij skisportartikelen in het midden tussen de bindingen ligt (zie ook de opdruk op de skizak). Laden Open de kofferklep/achterklep.
107 Zitten en opbergen 105 Aanwijzing Breng de ski's met de punten naar voren aan, snowboards en skistokken met de punten naar achteren in de skizak. Als er meerdere skiparen in de skizak zijn geplaatst moet erop worden gelet dat de bindingen op gelijke hoogte liggen. De skizak mag nooit vochtig worden opgevouwen of vochtig worden weggelegd. Zijvakken* U opent het vak door de sluitingen in de richting van de pijl afb. 123 afb. 124 te draaien. Bij sommige auto's bevindt de accu zich in het linkse vak bladzijde 234. Dit vak wordt gekenmerkt door het symbool en kan door het draaien van de sluitingen, bijv. met een munt of een vlakke schroevendraaier geopend worden. In het vak rechts afb. 124 is de CD wisselaar*, de TV tuner* en de eerste hulp doos. Kledinghaakje De kledinghaakjes bevinden zich op de middelste zuilen en op de greep van de dakhemel boven de achterportieren. Afb. 123 Bagageruimte: Zijvak links Zorg ervoor dat opgehangen kleding het zich naar achteren niet belemmert. Hang alleen maar lichte kleding op en let erop dat er geen zware of scherpe voorwerpen in de zakken zitten. De maximale toelaatbare belasting van de haakjes bedraagt 2 kg. Gebruik geen kleerhaken voor het ophangen van de kleding omdat dan de effectiviteit van de hoofdairbags* nadelig wordt beïnvloed. Afb. 124 Bagageruimte: Zijvak rechts Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
108 106 Airconditioning Airconditioning Inleiding Beschrijving en aanwijzingen Bij ingeschakelde koeling (airco) neemt de temperatuur en de luchtvochtigheid in de auto af. Daardoor wordt bij hoge buitentemperaturen en een hoge luchtvochtigheid het welzijn van de inzittenden van de auto vergroot. In het koude jaargetijde wordt het beslaan van de ruiten voorkomen. De verwarmingscapaciteit is afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof, de maximale verwarmingscapaciteit wordt dan ook pas bij bedrijfswarme motor geleverd. Om het koelende effect te vergroten, kan kortstondig voor de circulatiefunctie worden gekozen Climatic bladzijde 110, Climatronic bladzijde 113. Het luchtinlaatrooster vóór de voorruit moet vrij zijn van ijs, sneeuw of bladeren, zodat verwarming en ventilatie goed kunnen functioneren. Na het inschakelen van de airconditioning kan er condenswater van de verdamper druppelen en onder de auto een plas vormen. Dat is normaal en geen teken van lekkage! Voor de verkeersveiligheid is het van belang dat alle ruiten vrij zijn van ijs, sneeuw en condens. Lees daarom goed hoe de verwarming en ventilatie moeten worden bediend, hoe de ruiten moeten worden ontwasemd en ontdooid en hoe het interieur moet worden afgekoeld. Laat de circulatiestand niet te lang ingeschakeld, omdat de verbruikte lucht kan leiden tot vermoeidheid van bestuurder en passagiers, de aandacht kan doen verslappen en kan leiden tot het beslaan van de ruiten. De kans op ongevallen neemt toe. Schakel de circulatiefunctie uit zodra de ruiten beginnen te beslaan. Aanwijzing De verbruikte lucht ontsnapt via ontluchtingsopeningen achter in de bagageruimte. Als de koeling (airco) gedurende een langere periode niet is ingeschakeld, kunnen op de verdamper geuren ontstaan ten gevolge van afzettingen. Schakel de koeling ook in het koude jaargetijde minstens eenmaal per maand gedurende circa 5 minuten in de hoogste aanjagerstand in om deze geurtjes te voorkomen. Open gelijktijdig even een ruit. Wij adviseren bij ingeschakelde circulatiefunctie niet te roken in de auto omdat de uit het interieur van de auto aangezogen rook op de verdamper van de airconditioning neerslaat. Dat leidt tijdens het gebruik van de airconditioning tot permanente geurtjes die alleen maar met grote moeite en hoge kosten (vervanging van de verdamper) ongedaan kunnen worden gemaakt. Let aub op de aanwijzingen over de circulatiefunctie bij Climatic bladzijde 110 resp. bij Climatronic bladzijde 113. Economisch gebruik van de airconditioning In de koelstand vraagt de compressor van de airconditioning motorvermogen, wat invloed heeft op het brandstofverbruik. Als het interieur van de geparkeerde auto door de zonnestraling sterk is opgewarmd, adviseren wij de ruiten of portieren even te openen om de warme lucht te laten ontsnappen. De koeling (airco) bij voorkeur niet tijdens het rijden inschakelen als de ruiten openstaan. Als de gewenste temperatuur in het interieur ook kan worden bereikt zonder de koeling (airco) in te schakelen moet worden gekozen voor verseluchttoevoer. Milieu Als u brandstof bespaart, vermindert u ook de uitstoot van schadelijke stoffen.
109 Airconditioning 107 Functiestoringen Als de koeling (airco) bij buitentemperaturen van meer dan +5 C niet werkt, is er sprake van een storing. Dat kan de volgende oorzaken hebben: De zekering voor de airconditioning is defect. Controleer de zekering en vervang deze zo nodig bladzijde 262. De koeling (airco) wordt automatisch tijdelijk uitgeschakeld, omdat de koelvloeistoftemperatuur van de motor te hoog is opgelopen bladzijde 18. Als u de storing niet zelf kunt opheffen of als de koelcapaciteit terugloopt, schakel dan de koeling (airco) uit. Neem contact op met een Škoda-dealer. Luchtuitstroomroosters Afb. 126 Luchtuitstroomroosters, achter Luchtuitstroomroosters openen Zet de draaiknop in de stand. Luchtuitstroomroosters sluiten Zet de draaiknop in de stand 0. Luchtstroom wijzigen De horizontale, alsmede de verticale richting van de luchtstroom wordt met behulp van de handgreep in het midden van het luchtuitstroomrooster ingesteld. Afb. 125 Luchtuitstroomroosters, voor De luchtuitstroomroosters 23, 3 afb. 125 en 5 afb. 126 kunnen apart worden geopend en gesloten. Uit de geopende luchtuitstroomroosters stroomt al naargelang de stand van de draaiknoppen en al naargelang de buitentemperatuur verwarmde, resp. nietverwarmde, resp. gekoelde lucht. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
110 108 Airconditioning Aanwijzing De luchtuitstroomroosters 1 zorgen in de ventilatie- en koelstand voor een comfortabele (tochtvrije) ventilatie van het interieur, ook als de luchtuitstroomroosters 3 dicht staan. Bediening Climatic (halfautomatische airconditioning) Beschrijving De Climatic is een gecombineerd koel- en verwarmingssysteem. Dit maakt een optimale regeling van de luchttemperatuur in elk jaargetijde mogelijk. Beschrijving van de Climatic Afb. 127 Climatic: Bedieningselementen Een storingvrije werking van de Climatic is belangrijk voor uw veiligheid en het rijcomfort. Temperatuur instellen De koeling (airco) werkt alleen als de toets AC afb. 127 is ingedrukt en aan Draai de draaiknop A afb. 127 naar rechts om de temperatuur te A1 verhogen. de volgende voorwaarden is voldaan: motor draait, buitentemperatuur hoger dan ca. +2 C en aanjagerschakelaar ingeschakeld (stand 1 t/m 4). Uit de luchtuitstroomroosters kan bij ingeschakelde koeling (airco) onder bepaalde omstandigheden lucht met een temperatuur van ca. 5 C stromen. Bij langdurige en ongelijkmatige verdeling van de luchtstroom uit de luchtuitstroomroosters en grote temperatuurverschillen, bijv. bij het uitstappen uit de auto, kunnen personen die hier vatbaar voor zijn last krijgen van verkoudheidsverschijnselen. Draai de draaiknop A naar links om de temperatuur te verlagen. Aanjager regelen Draai de aanjagerschakelaar AB in één van de standen 1 t/m 4 om de aanjager in te schakelen. Draai de aanjagerschakelaar AB in de stand 0 om de aanjager uit te schakelen. Door het indrukken van de toets A4 wordt de circulatiestand ingeschakeld - circulatiestand bladzijde 110. Regeling voor de luchtverdeling Met de luchtverdeelknop AC wordt de juiste richting van de uitstromende lucht geregeld bladzijde 107.
111 Airconditioning 109 Koeling in- en uitschakelen Druk op de toets AC A1 bladzijde 108, afb In de toets gaat het controlelampje branden. Door het opnieuw indrukken van de schakelaar AC, wordt de koeling (airco) uitgeschakeld. Het controlelampje in de toets gaat uit. Achterruitverwarming Druk op de toets A2. Zie voor meer informatie bladzijde 72. Extra verwarming (interieurvoorverwarming) Druk de toets A3 in om de extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) direct in/uit te schakelen. Zie voor meer informatie bladzijde 114. De ingestelde temperatuur wordt automatisch aangehouden, behalve wanneer de draaiknop tegen de linker- of rechteraanslag staat: Rechteraanslag - maximale verwarmingscapaciteit, Linkeraanslag - maximale koelcapaciteit, Om het beslaan van de ruiten te voorkomen moet de aanjager steeds zijn ingeschakeld. Aanwijzing Voor het ontwasemen van de voorruit en de zijruiten wordt de gehele verwarmingscapaciteit gebruikt. Er wordt geen warme lucht naar de beenruimte geleid. Hierdoor kan het verwarmingscomfort iets worden aangetast. Climatic instellen Geadviseerde instellingen voor de Climatic-bedieningselementen voor de betreffende functies: Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
112 110 Airconditioning Set-up (instellingen) Voorruit en zijruiten ontwasemen Voorruit en zijruiten van aanslag reinigen Instelling van de draairegelaars Toets A AB AC A1 A4 aanbevolen 22 C 3 uitgeschakeld niet inschakelen gewenste temperatuur 2 ingeschakeld niet inschakelen Luchtventielen 2 openen en naar de zijruit richten openen en naar de zijruit richten de snelste verwarming aanbevolen 22 C 2 uitgeschakeld kort inschakelen Openen aangename verwarming gewenste temperatuur 2 of 3 uitgeschakeld niet inschakelen Openen snelste afkoeling aanbevolen 22 C kort 4, dan 2 of 3 ingeschakeld kort inschakelen Openen optimale afkoeling Verseluchttoevoer - ventilatie gewenste temperatuur tot bij de aanslag naar links 1, 2 resp. 3 ingeschakeld niet inschakelen openen en naar het dak richten gewenste stelling uitgeschakeld niet inschakelen Openen Circulatiefunctie Bij de circulatiefunctie wordt de lucht uit het interieur aangezogen en hier ook weer ingeblazen. Bij de circulatiefunctie wordt voorkomen dat verontreinigde buitenlucht in het interieur terechtkomt, b.v. tijdens het rijden door een tunnel of in een file. Circulatiefunctie inschakelen Druk de toets A4 bladzijde 108, afb. 127 in - het controlelampje in de toets gaat branden. Als de luchtverdelingsknop AC in de stand bladzijde 108, afb. 127 staat, wordt de circulatiefunctie automatisch uitgeschakeld. Door het opnieuw indrukken van de druktoets kan ook in deze stand de circulatiefunctie weer worden ingeschakeld. Laat de circulatiestand niet te lang ingeschakeld, omdat de verbruikte lucht kan leiden tot vermoeidheid van bestuurder en passagiers, de aandacht kan doen verslappen en kan leiden tot het beslaan van de ruiten. De kans op ongevallen neemt toe. Schakel de circulatiefunctie uit zodra de ruiten beginnen te beslaan. Circulatiefunctie uitschakelen Druk opnieuw de toets in - het controlelampje in de toets gaat uit.
113 Airconditioning 111 Climatronic* (automatische airco) Beschrijving De Climatronic is een automatisch werkend verwarmings-, ventilatie-, en koelsysteem dat zorgdraagt voor een maximaal comfort voor de inzittenden. De Climatronic behoudt automatisch een comfort-temperatuur aan. Hiertoe worden de temperatuur van de uitstromende lucht, de aanjagerstanden en de luchtverdeling automatisch gewijzigd. De installatie houdt ook rekening met toename van de temperatuur door zonnestralen zodat met de hand naregelen overbodig is. De automatische regeling bladzijde 112 zorgt voor maximaal welzijn in elk jaargetijde. Beschrijving van de Climatronic De koeling (airco) werkt alleen als aan de volgende voorwaarden is voldaan: motor draait, buitentemperatuur hoger dan ca. +2 C, AC ingeschakeld. Om bij een hoge belasting van de motor de koeling te garanderen, wordt de aircocompressor bij een hoge koelvloeistoftemperatuur uitgeschakeld. Aanbevolen instelling voor alle jaargetijden: Stel de gewenste temperatuur in, wij bevelen 22 C aan. Druk op de toets AUTO afb Stel de luchtuitstroomroosters 2 en 3 zo in dat de luchtstroom iets naar boven is gericht. Ventilatie van de auto bij uitgeschakeld contact* Bij auto's met een elektrisch schuif-/kanteldak* met zonnecellen wordt bij voldoende zonnestraling na het uitschakelen van het contact de aanjager ventilatie automatisch omgeschakeld op zonnestand. De zonnecellen op het schuif- /kanteldak leveren stroom voor de aanjager ventilatie. Het interieur wordt daardoor met verse lucht geventileerd. Voor een optimale ventilatie moeten de luchtuitstroomroosters 2 en 3 openstaan bladzijde 107, afb De ventilatie werkt alleen bij een gesloten schuif-/kanteldak. Aanwijzing Bij auto's die van de fabriek met Radio* of Navigatie* uitgerust zijn, wordt de informatie van de Climatronic ook op het display aangetoond. Deze functie kan uitgeschakeld worden, zie handleiding van de radio* resp. van het navigatiesysteem*. Overzicht van de bedieningselementen De bedieningselementen maken een gescheiden instelling van de temperatuur voor de linker- en rechterzijde mogelijk. Afb. 128 Climatronic: Bedieningselementen De toetsen A1 Voorruit ontvriezen A2 luchtstroom gericht op de ruiten A3 luchtstroom op het bovenlichaam A4 luchtstroom in de voetruimte Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
114 112 Airconditioning A5 Circulatiefunctie met luchtkwaliteit sensor A6 Achterruitverwarming Knop/draaiknop A7 Instelling van de temperatuur voor de linkerzijde A8 Automatische stand AUTO A9 uitschakelen Climatronic OFF A10 Instelling van het aanjagertoerental A11 Afhankelijk van de uitrusting: Toets voor het direct in-/uitschakelen van de interieurvoorverwarming* bladzijde 114 of in-/uitschakelen van de voorruitverwarming* A12 In-/uitschakelen van de temperatuur instelling in dubbel gebruik DUAL A13 Koeling in- en uitschakelen AC A14 Instelling van de temperatuur voor de rechterzijde Als de controlelampkes in de rechter bovenhoek van de toets AUTO oplichten, werkt Climatronic in HIGH -uitrusting. De HIGH -werking is de standaard instelling van Climatronic. Door het opnieuw drukken op de toets AUTO verwisseld de Climatronic naar de LOW werking en de controlelampjes in de linker bovenhoek lichten op. De Climatronic gebruikt in deze werking weinig blaastoertallen. Dat is in consideratie met het geluid meer confortabel, maar men moet er ook rekening mee houden, dat de effictiveit van de airconditiong minder wordt, voornamelijk met een volledig bezette auto. Door het opnieuw drukken van de toets AUTO verwisseld u naar de HIGH - werking. De automatische stand wordt uitgeschakeld door een toets voor de luchtverdeling in te drukken of door het aanjagertoerental te verhogen of te verlagen. De temperatuur wordt desondanks toch afgeregeld. Aanwijzing Onder het bovenste toetsenbereik bevindt zich de interieur temperatuursensor. Plak of dek deze sensor niet af, omdat dan de werking van de Climatronic negatief kan worden beïnvloed. Automatische stand De automatische stand dient ertoe de temperatuur constant te houden en te voorkomen dat de ruiten aan de binnenzijde beslaan. Automatische stand inschakelen Stel de temperatuur in tussen +18 C en +26 C. Stel de luchtuitstroomroosters 1 en 2 bladzijde 107, afb. 125 zo in dat de luchtstroom iets naar boven is gericht. Druk op de toets AUTO. In de rechter- of linker bovenhoek licht een controlelampje op, afhankelijk van welke uitrusting het laatst gekozen was. Koeling in- en uitschakelen Koeling in- en uitschakelen Druk op de toets AC. In de toets gaat het controlelampje branden. Door het opnieuw indrukken van de schakelaar AC, wordt de koeling (airco) uitgeschakeld. Het controlelampje in de toets gaat uit. Alleen de functie ventilatie blijft actief, waardoor geen lagere temperatuur dan de buitentemperatuur kan bereikt worden. Temperatuur instellen De interieurtemperatuur voor de linker- en rechterzijde kan apart worden ingesteld. U kunt na het inschakelen van het contact met behulp van de draaiknop A7 de temperatuur voor beide zijden instellen.
115 Airconditioning 113 Als u de temperatuur voor de rechterzijde wilt instellen, verdraai dan de draaiknop A14. De controlelampjes in de toets DUAL lichten op, het wordt aangeduid dat verschillende temperaturen voor de linkeren de rechterzijde ingesteld kunnen worden. Als de controlelampjes in de toets DUAL oplichten, kan met de draaiknop A7 de temperatuur voor beide zijden niet instellen. U stelt de instelling van deze toets opnieuw in, als u de toets DUAL drukt. De controlelampjes in de toets, die de mogelijkheid geven om verschillende temperaturen voor de linker- of rechterzijde in te stellen toont aan, verloopt. De interieurtemperatuur kan tussen +18 C en +26 C worden ingesteld. Binnen dit bereik wordt de interieurtemperatuur automatisch geregeld. Als u een mindere temperatuur dan +18 C kiest, licht bij de aanvang van het nummeriekd scala een blauw symbool op. Als u een hogere temperatuur dan +26 C kiest, licht aan het einde van de numerieke scala een rood symbool op. In beide eindstanden draait de Climatronic met maximale koel-, resp. verwarmingscapaciteit. Hierbij vindt geen temperatuurregeling plaats. Bij langdurige en ongelijkmatige verdeling van de luchtstroom uit de luchtuitstroomroosters (vooral bij de benen) en grote temperatuurverschillen, bijv. bij het uitstappen uit de auto, kunnen personen die hier vatbaar voor zijn last krijgen van verkoudheidsverschijnselen. Circulatiefunctie Bij de circulatiefunctie wordt de lucht uit het interieur aangezogen en hier ook weer ingeblazen. Bij ingeschakelde automatische circulatiefunctie meet een luchtkwaliteit sensor de concentratie van van schadelijk stoffen in de ingezogen lucht. Bij de circulatiefunctie wordt voorkomen dat verontreinigde buitenlucht in het auto-interieur terechtkomt, bijv. tijdens het rijden door een tunnel of in de file. Wordt er bij ingeschakelde automatische circulatiefunctie door de luchtkwailteit sensor een duidelijke toename in de concentratie van schadelijke stoffen waargenomen, wordt tijdelijk de circulatiefunctie ingeschakeld. Wanneer de van schadelijke stoffen terug op het nomale niveau is, wordt de circulatiefunctie automatisch uitgeschakeld, zodat er in het interieur van de auto opnieuw verse lucht kan toegevoerd worden. Circulatiefunctie inschakelen Druk meerdere keren de toets in, tot het controlelampje aan de linkerzijde van de toets oplicht. Automatische circulatiefunctie inschakelen Druk herhalende malen op de toets, tot het controlelampje op de rechterzijde van de toets oplicht. Automatische circulatiefunctie tijdelijk uitschakelen Wanneer de luchtkwaliteit sensor bij onaangename geuren de circulatiefunctie niet automatisch inschakelt, kunt u deze zelf inschakelen door de toets * in te drukken. In de toets licht het controlelampje aan de linkerzijde op. Circulatiefunctie uitschakelen Druk de toets AUTO of meerdere keren de toets in tot de controlelampjes in de toets doven. Laat de circulatiestand niet te lang ingeschakeld, omdat de verbruikte lucht kan leiden tot vermoeidheid van bestuurder en passagiers, de aandacht kan doen verslappen en kan leiden tot het beslaan van de ruiten. De kans op ongevallen neemt toe. Schakel de circulatiefunctie uit zodra de ruiten beginnen te beslaan. Aanwijzing Als de voorruit is beslagen druk dan op de toets A1 bladzijde 111, afb Als de voorruit niet meer is beslagen de toets AUTO indrukken. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
116 114 Airconditioning De automatische circulatiefunctie functioneert alleen, indien de buitentemperatuur hoger is dan ca. 2 C. De temperatuurregeling vindt automatisch plaats. Uit de luchtuitstroomroosters 1 stroomt meer lucht. Aanjager regelen Er zijn zeven aanjagerstanden beschikbaar. De Climatronic regelt automatisch de aanjagerstanden op basis van de interieurtemperatuur. De aanjagerstanden kunt u echter ook met de hand aan uw behoeftes aanpassen. Druk opnieuw de toets op de linkerzijde (aanjagertoerental verminderen) resp. op de rechterzijide (aanjagertoerental verhogen). Wanneer u de aanjager uitschakeld, wordt de climatronic uitgeschakeld. Het ingestelde aanjagertoerental wordt door het gaan branden van het betreffende aantal controlelampjes boven de toets weergegeven. De verbruikte lucht kan tot vermoeidheid leiden bij bestuurder en passagiers, de aandacht doen verslappen en in bepaalde gevallen leiden tot het beslaan van de ruiten. De kans op ongevallen neemt toe. Schakel de Climatronic niet langer dan noodzakelijk is uit. Schakel de Climatronic direct in zodra de ruiten beginnen te beslaan. Voorruit ontwasemen Voorruit ontwasemen - inschakelen Druk op de toets bladzijde 111, afb Voorruit ontwasemen - uitschakelen Druk opnieuw op de toets of de toets AUTO. Extra verwarming (interieurvoorverwarming en interieurvoorventilatie)* Omschrijving en belangrijke aanwijzingen De extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) verwarmt, resp. ventileert het interieur onafhankelijk van de motor. Extra verwarming (interieurvoorverwarming) De extra verwarming (interieurvoorverwarming) werkt in combinatie met de Climatic resp. Climatronic. Deze kan zowel bij stilstand, bij afgezette motor als voorverwarming van de auto alsook tijden het rijden (bijv. gedurende de periode dat de motor zijn bedrijfstemperatuur nog niet heeft bereikt) worden gebruikt. De extra verwarming (interieurvoorverwarming) verwarmt door het verbranden van de brandstof uit de brandstoftank de koelvloeistof. De koelvloeistof verwarmt de lucht die (als het aanjagertoerental tenminste niet op nul is ingesteld) in het interieur stroomt. Interieurvoorventilatie De interieurvoorventilatie maakt het mogelijk om bij een uitgeschakelde motor verse lucht in het interieur te voeren, waardoor de interieurtemperatuur naar beneden wordt gebracht (bijv. bij een auto die in de zon geparkeerd is). De interieurvoorverwarming mag niet in een afgesloten ruimte worden ingeschakeld - gevaar voor vergiftiging! De extra verwarming mag tijdens het tanken niet zijn ingeschakeld - brandgevaar.
117 Airconditioning 115 Vervolg De uitlaatpijp van de extra verwarming bevindt zich onder de auto. Parkeer de auto als u de interieurvoorverwarming wilt inschakelen dan ook niet zo dat de uitlaatgassen van de interieurvoorverwarming in aanraking kunnen komen met licht ontvlambare materialen (bijv. droog gras) of gemakkelijk ontvlambare stoffen (bijv. weggelekte brandstof). Bij auto's met DPF (roetfilter) zorgt de warme koelvloeistof ook voor de verwarming van de motor. Direct in-/uitschakelen Aanwijzing Als de extra verwarming is ingeschakeld, wordt er brandstof uit de brandstoftank verbruikt. De extra verwarming mag dan ook niet worden gebruikt als er weinig brandstof in de tank zit. De uitlaatpijp van de extra verwarming die zich onder de auto bevindt mag niet zijn verstopt en de uitlaatgasstroom mag niet zijn geblokkeerd. Als de interieurvoorverwarming en -ventilatie is ingeschakeld wordt de autoaccu ontladen. Als de interieurvoorverwarming en -ventilatie gedurende een langere periode meerdere malen werd ingeschakeld moet de auto enkele kilometers rijden om de accu weer op te laden. De interieurvoorverwarming schakelt de aanjager pas in zodra de koelvloeistof een temperatuur van ca. 50 C heeft bereikt. Bij lagere buitentemperaturen kan bij de motorruimte waterdamp worden gevormd. Dat is een normaal effect en heeft dan ook geen enkele betekenis. Na het uitschakelen van de extra verwarming blijft de waterpomp nog even draaien. De interieurvoorverwarming en -ventilatie wordt niet uit-, resp. niet ingeschakeld als de accu niet voldoende is geladen. De extra verwarming (interieurvoorverwarming) wordt niet ingeschakeld als op het display verschijnt of voor het uitschakelen van het contact verscheen: Please refuel! (Tanken a.u.b.!). Om ervoor te zorgen dat de extra verwarming goed kan functioneren moet de luchtinlaat voor de voorruit vrij zijn van ijs, sneeuw of bladeren. Omdat na het inschakelen van de interieurvoorverwarming de warme lucht in de auto stromen kan, laat u de norrmale gekozen temperatuur (wij bevelen 22 C) ingesteld. Wij adviseren de luchtstroom in de stand in te stellen. Afb. 129 Toets voor direct in- /uitschakelen van de extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) op het Climatic-bedieningspaneel De extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) kan op elk moment direct met de toets op het Climatic bedieningspaneel afb. 129 og het Climatronic bedieningspaneel in- of uitgeschakeld worden. Indien u de interieurvoorverwarming en -ventilatie niet uitschakelt, schakelt deze automatisch na het verlopen van de in het menu Running time (inschakelduur) ingestelde inschakeltijd uit. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
118 116 Airconditioning Bediening Om ervoor te zorgen dat de extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) volgens uw idee functioneert is het nodig voor de programmering hiervan een basisinstelling uit te voeren. In het menu Aux. heating (interieurvoorverwarming) kiest u het menupunt Mode (functie). In het menu Mode (functie) kiest u de gewenste functie Heating (verwarmen) of Ventilation (ventileren). Programmering Afb. 130 Informatiedisplay: Aux. heating (interieurvoorverwarming) Basisinstelling Op het display kiest u in het Main menu (hoofdmenu) het menupunt Aux. heating (interieurvoorverwarming). In het menu Aux. heating (interieurvoorverwarming) afb. 130 kiest u het menupunt Weekday (dag van de week) en stelt u de actuele dag in. Door het selecteren van het menupunt Back (terug) gaat u een niveau hoger in het programma, dat wil zeggen in het menu Aux. Heating (interieurvoorverwarming). In het menu Aux. Heating (interieurvoorverwarming) kiest u het menupunt Running time (inschakelduur) waarna de gewenste inschakelduur in stappen van 5 minuten kunnen worden ingevoerd. De inschakelduur kan 10 tot 60 minuten bedragen. Door het selecteren van het menupunt Back (terug) gaat u naar het menu Aux. heating (interieurvoorverwarming). Voor de programmering van de extra verwarming (interieurverwarming en -ventilatie) zijn in het menu Aux. Heating (interieurvoorverwarming) drie geprogrammeerde inschakeltijden beschikbaar: Pre-set time 1 (geprogrammeerde inschakeltijd 1) Pre-set time 2 (geprogrammeerde inschakeltijd 2) Pre-set time 3 (geprogrammeerde inschakeltijd 3) In elke geprogrammeerde inschakeltijd kunnen de dag en de tijd (uren en minuten) voor het inschakelen van de interieurvoorverwarming, resp. -ventilatie worden ingesteld. Bij de selectie van de dag is er tussen zondag en maandag een lege positie. Indien deze lege positie gekozen wordt, gebeurt de activering zonder de dag van de week in acht te nemen. Als u het menu voor de geprogrammeerde inschakeltijd verlaat; door het selecteren van het menu Back (terug) of het langer dan 10 seconden het display niet bedienen, worden de ingestelde waarden in het geheugen opgeslagen, maar de geprogrammeerde inschakeltijd wordt niet geactiveerd. De beide andere geprogrammeerde inschakeltijden kunnen op dezelfde wijze worden geprogrammeerd en in het geheugen worden opgeslagen. Als u na het instellen van de gewenste waarden het menu Activate (activeren) selecteert, verschijnt op het display Pre-set time (weekday, hours, minute) activated! (geprogrammeerde inschakeltijd (dag, uren, minuten) geactiveerd!) en wordt de ingestelde inschakeltijd actief. Er kan altijd maar één geprogrammeerde inschakeltijd actief zijn. De laatst geprogrammeerde inschakeltijd blijft actief.
119 Airconditioning 117 Nadat de interieurvoorverwarming op de ingestelde tijd wordt geactiveerd moet opnieuw een inschakeltijd geactiveerd worden. De wijziging van de actieve inschakeltijd wordt na de selectie van het menupunt Activate (activeren) in het menu Aux. heating (interieurvoorverwarming) door de selectie van een van de inschakeltijden uitgevoerd. De voorwaarden voor het correct inschakelen van de extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) op de geprogrammeerde inschakeltijd is de juiste instelling van de actuele tijd en de dag van de week bladzijde 116. Als het systeem is ingeschakeld, brandt in de toets voor het direct in-/uitschakelen van de extra verwarming een controlelampje. De geactiveerde verwarming/ventilatie schakelt na verloop van de inschakeltijd uit of kan eerder door het indrukken van de toets voor het direct in-/uitschakelen van de extra verwarming bladzijde 115 worden uitgeschakeld. De willekeurige inschakeltijd kan gedeactiveerd worden door het menupunt Deactive (deactivering) in het menu Activate (activeren) te selecteren. Met behulp van het menupunt Factory setting (instelling af fabriek) in het menu Aux. heating (interieurvoorverwarming) is het mogelijk de instelling af fabriek weer te activeren. Radiografische afstandsbediening De extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) kan met de radiografische afstandsbediening in- of uitgeschakeld worden. Om in te schakelen de toets ON drukken. Om uit te schakelen de toets OFF drukken. Afb. 131 Extra verwarming: Radiografische afstandsbediening De zender en de accu zijn in de behuizing van de radiografische afstandsbediening ondergebracht. De ontvanger bevindt zich in het interieur van de auto. De werkzame reikwijdte bedraagt bij een geladen batterij tot 600 m. Voor het in- of uitschakelen van de extra verwarming houdt u de radiografische afstandsbediening vertikaal, met de antenne A afb. 131 naar boven gericht. U mag de antenne niet met de vingers of palm bedekken. Hindernissen tussen de radiografische afstandsbediening en de auto, slechte weersomstandigheden en een zwakke batterij kunnen de reikwijdte duidelijk verminderen. De extra verwarming kan met de radiografische afstandsbediening alleen dan veilig in- of uitgeschakeld worden, indien de afstand tussen de radiografische afstandsbediening en de auto tenminste 2 m bedraagt. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
120 118 Airconditioning Controlelampjes in de radiografische afstandsbediening De controlelampjes in de radiografische afstandsbediening bladzijde 117, afb. 131 geven na een druk op de toets aan, of het signaal van de afstandsbedieng van de extra verwarming ontvangen werdt en of de batterij voldoende geladen is. Weergave controlelampjes Licht op voor 2 seconden. Licht op voor 2 seconden in rood. Knippert 2 seconden langzaam in groen. Knippert 2 seconden snel in groen. Knippert voor 2 seconden in rood. Licht op voor 2 seconden in oranje, daarna groen resp. rood. Licht op voor seconden in oranje, knippert daarna groen resp. rood. Knippert voor 5 seconden in oranje. Betekenis De extra verwarming werdt ingeschakeld. De extra verwarming werdt uitgeschakeld. Het inschakelsignaal werdt niet ontvangen. De extra verwarming is geblokkeerd, bijv. wanneer de tank bijna leeg is of er is een defect in de extra verwarming. Het uitschakelsignaal werdt niet ontvangen. De batterij is zwak, maar het in- resp. uitschakelsignaal werdt ontvangen. De batterij is zwak, het in- resp. uitschakelen signaal werdt niet ontvangen. De batterij is leeg, het in- resp. uitschakelsignaal werdt niet ontvangen. Batterij van de radiografische afstandsbediening vervangen Wanneer de controlelampjes van de radiografische afstandsbediening zwak of ontladen batterij aantoond, bladzijde 117, afb. 131, moeten die vervangen worden. De batterij bevindt zich beneden een deksel aan de rugzijde van de radiografische afstandsbediening. Steek een munt in de gleuf van het batterijafdekking en door het naar links draaien ontgrendeld u de afdekking. Verplaats de batterij, plaats de afdekking terug en vergrendel het door naar rechts te draaien. Milieu De lege batterij moet op milieuvriendelijke wijze worden afgevoerd. Aanwijzing Zorg voor de correcte polariteit bij het verplaatsen van de batterij. De vervangingsbatterij moet qua specificatie overeenkomen met de originele batterij. Voorzichtig! In de radiografische afstandsbediening bevinden zich electronische onderdelen, bescherm de radiografische afstandsbediening tegen vochtigheid, sterke vibraties en direkt zonlicht.
121 Wegrijden en rijden 119 Wegrijden en rijden Stuurwielstanden instellen Afb. 132 Verstelbaar stuurwiel: Hendel onder de stuurkolom Het stuurwiel mag nooit tijdens de rit worden versteld! De bestuurder moet een minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het stuur aanhouden afb Als deze minimale afstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Om veiligheidsredenen moet de hendel altijd vast naar boven zijn gedrukt zodat de stand van het stuurwiel onder het rijden niet onbedoeld kan wijzigen - kans op ongevallen! Als het stuurwiel meer in de richting van het hoofd wordt versteld, zal bij een aanrijding de bestuurdersairbag minder bescherming bieden. Controleer of het stuurwiel naar de borst is gericht. Houd tijdens het rijden het stuurwiel met de beide handen aan de zijkant op de buitenrand in de stand van 9 uur en 3 uur vast. Houd het stuurwiel nooit in de 12-uursstand of in een andere stand vast (bijv. in het midden of aan de binnenste stuurwielrand). In een dergelijk geval zou, bij het activeren van de bestuurdersairbag, letsel kunnen worden opgelopen aan armen, handen en hoofd. Afb. 133 Veilige afstand tot het stuurwiel Contactslot De stand van het stuurwiel is in hoogte en lengterichting instelbaar. Stel de bestuurdersstoel in bladzijde 80. Klap de hendel onder de stuurkolom afb. 132 naar beneden. Plaats het stuurwiel in de gewenste stand (hoogte en hoek). Druk de hendel naar boven tot aan het etiket. Afb. 134 Contactslotstanden Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
122 120 Wegrijden en rijden Benzinemotoren A1 - contact uitgeschakeld, motor afgezet, de stuurinrichting kan worden geblokkeerd A2 - contact ingeschakeld A3 - motor starten Dieselmotoren A1 - onderbreking van de brandstoftoevoer, contact uitgeschakeld, motor afgezet, de stuurinrichting kan worden geblokkeerd A2 - motor voorgloeien, contact ingeschakeld Tijdens het voorgloeien mogen er geen grotere elektrische verbruikers zijn ingeschakeld - anders wordt de autoaccu onnodig belast. A3 - motor starten Voor alle auto's geldt: Stand A1 Voor het blokkeren van de stuurinrichting terwijl de contactsleutel uit het slot is genomen moet het stuurwiel worden verdraaid tot de blokkeerpen hoorbaar in de vergrendeling valt. In principe moet u altijd de stuurinrichting blokkeren (op slot zetten) als u uw auto verlaat. Zo wordt een eventuele diefstal van uw auto bemoeilijkt. Stand A2 Als de contactsleutel niet of slechts met moeite in deze stand kan worden gedraaid, draai dan het stuurwiel iets heen en weer - de stuurblokkering wordt daardoor ontlast. Stand A3 In deze stand wordt de motor gestart. Gelijktijdig worden het ingeschakelde dimof grote licht of andere elektrische verbruikers met een hoog verbruik kortstondig uitgeschakeld. Na het loslaten van de sleutel keert de contactsleutel weer terug in stand A2. Elke keer als de motor weer moet worden gestart, moet de contactsleutel in stand A1 worden teruggedraaid. De startherhalingsblokkering in het contactslot voorkomt dat de startmotor bij draaiende motor in de starterkrans grijpt en daardoor wordt beschadigd. Uittrekblokkering contactsleutel (automatische versnellingsbak) U kunt de contactsleutel na het uitschakelen van het contact alleen maar uit het contactslot trekken als de keuzehendel in stand P staat. Tijdens het rijden met een stilstaande motor moet de contactsleutel altijd in stand A2 (contact ingeschakeld) staan. Deze stand wordt door het gaan branden van de controlelampjes aangegeven. Als dit niet het geval is, kan onverwacht het stuurwiel worden vergrendeld - kans op ongevallen! Trek de contactsleutel pas uit het contactslot, als de auto stilstaat (handrem aantrekken of keuzehendel in stand P). Het stuurwielslot kan direct aangrijpen - kans op ongevallen! Als u de auto verlaat - ook al is het maar voor even - neem dan in ieder geval de sleutel uit het contactslot. Dat geldt vooral als er kinderen in de auto achterblijven. De kinderen zouden anders de motor kunnen starten of elektrische systemen (bijv. elektrische ruitbediening) kunnen inschakelen - kans op ongelukken of letsel! Motor starten Algemeen U kunt de motor alleen maar met de originele contactsleutel starten. Voor het starten de versnellingshendel in de vrijstand plaatsen (bij automatische versnellingsbak in de keuzehendelstand P of N) en de handrem vast aantrekken. Tijdens het starten het koppelingspedaal geheel intrappen - de startmotor hoeft dan alleen maar de motor rond te draaien. Zodra de motor aanslaat, de contactsleutel direct loslaten - anders zou de startmotor kunnen worden beschadigd.
123 Wegrijden en rijden 121 Na het starten van de koude motor kan er even sprake zijn van extra motorgeluid, omdat er eerst oliedruk moet worden opgebouwd in de hydraulische klepstoters. Dat is een normaal effect en heeft dan ook geen enkele betekenis. Als de motor niet aanslaat... Als starthulp kunt u de accu van een andere auto gebruiken bladzijde 256. Alleen auto's met een schakelbak kunnen worden aangesleept. De sleepafstand mag niet meer dan 50 meter bedragen. Laat de motor nooit in een ongeventileerde of afgesloten ruimte draaien. De uitlaatgassen van de motor bevatten onder andere het geur- en kleurloze koolmonoxide, een giftig gas - levensgevaarlijk! Koolmonoxide kan leiden tot bewusteloosheid en zelfs tot de dood. Laat nooit uw auto met draaiende motor onbeheerd achter. Voorzichtig! De startmotor mag alleen worden ingeschakeld (contactsleutelstand A3 ) als de motor stilstaat. Als de startmotor direct na het uitzetten van de motor wordt ingeschakeld, kan de startmotor of de motor worden beschadigd. Vermijd hoge toerentallen, vol gas en sterke motorbelasting zolang de motor zijn bedrijfstemperatuur nog niet heeft bereikt - kans op motorschade! Bij auto's met katalysator mag de motor niet worden gestart door de auto aan te slepen over een afstand van meer dan 50 meter. Milieu Laat de motor nooit warmdraaien terwijl de auto stilstaat. Rijd direct weg. Hierdoor komt de motor sneller op bedrijfstemperatuur en is de uitstoot aan schadelijke stoffen geringer. Benzinemotoren Deze motoren zijn uitgevoerd met een inspuitsysteem dat automatisch bij elke buitentemperatuur het juiste benzine-luchtmengsel levert. Geef voor en tijdens het starten van de motor geen gas. Als de motor niet aanslaat, de startprocedure na ca. 10 seconden onderbreken en na ca. een halve minuut herhalen. Als de motor desondanks nog niet aanslaat, kan de zekering voor de elektrische benzinepomp defect zijn. Controleer de zekering en vervang deze zo nodig bladzijde 262. Roep de hulp van de dichtstbijzijnde Škoda-dealer in. Bij zeer hete motor kan het na het aanslaan van de motor nodig zijn, iets gas te geven. Dieselmotoren Voorgloei-installatie Dieselmotoren zijn met een voorgloei-installatie uitgerust waarvan de voorgloeitijd automatisch wordt geregeld op basis van de koelvloeistof- en buitentemperatuur. Na het inschakelen van het contact gaat het voorgloeicontrolelampje branden. Tijdens het voorgloeien mogen er geen grotere elektrische verbruikers zijn ingeschakeld - anders wordt de autoaccu onnodig belast. Direct nadat het voorgloeicontrolelampje is uitgegaan, moet de motor worden gestart. Bij een op bedrijfstemperatuur zijnde motor, resp. bij buitentemperaturen boven de +5 C zal het voorgloeicontrolelampje slechts ca. 1 seconde branden. Dat betekent dat de motor direct kan worden gestart. Als de motor niet aanslaat, de startprocedure na ca. 10 seconden onderbreken en na ca. een halve minuut herhalen. Als de motor desondanks nog niet aanslaat, kan de zekering voor het dieselvoorgloeisysteem defect zijn. Controleer de zekering en vervang deze zo nodig bladzijde 262. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
124 122 Wegrijden en rijden Roep de hulp van de dichtstbijzijnde Škoda-dealer in. Starten na een leeggereden brandstoftank Als de brandstoftank geheel is leeggereden, kan het starten na het tanken van de dieselolie langer duren dan gebruikelijk - tot zo'n 1 minuut -. Dat komt omdat het brandstofsysteem tijdens het starten eerst moet worden gevuld. Schakelen (schakelbak) Motor afzetten De motor zet u door de contactsleutel in de stand A1 te draaien uit bladzijde 119, afb Afb. 135 Schakelpatroon: 5- of 6-versnellingsschakelbak Zet nooit de motor af, voordat de auto stilstaat - kans op ongevallen! De rembekrachtiger werkt alleen bij draaiende motor. Bij afgezette motor is meer kracht nodig voor het indrukken van het rempedaal. Omdat u hierbij niet, zoals gewend, kunt stoppen, zou dit kunnen leiden tot een ongeval en ernstig letsel. Voorzichtig! Na een langdurige hoge motorbelasting moet u aan het einde van de rit de motor niet direct afzetten maar deze nog ongeveer 2 minuten stationair laten draaien. Zo voorkomt u het ophopen van de warmte bij de afgezette motor. Aanwijzing Na het afzetten van de motor kan ook bij uitgeschakeld contact de koelluchtventilator nog ca. 10 minuten doordraaien. De koelluchtventilator kan zichzelf echter ook na enige tijd weer inschakelen, als de koelvloeistoftemperatuur door de stuwwarmte oploopt of als bij warme motor de motorruimte door sterke zonnestraling nog eens extra wordt verwarmd. Bij werkzaamheden in de motorruimte is dan ook de grootste voorzichtigheid geboden bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Afb. 136 Schakeladvies Schakel de achteruitversnelling alleen maar bij stilstaande auto in. Trap het koppelingspedaal in en houd dat helemaal ingetrapt. Wacht een ogenblik voordat u de achteruitversnelling inschakelt om schakelgeluiden te voorkomen. Bij ingeschakelde achteruitversnelling en ingeschakeld contact branden de achteruitrijlampen. Superb GreenLine - schakeladvies In het model Superb GreenLine wordt op het display van het instrumentenpaneel de actuele versnelling A afb. 136 getoond.
125 Wegrijden en rijden 123 Om zo min mogelijk brandstof te verbruiken wordt op het display een advies tot het schakelen in een andere versnelling getoond. Een pijl AB wijst naar boven of beneden, afhankelijk daarvan of er aanbevolen wordt, naar boven of beneden te schakelen. Tegelijkertijd wordt in plaats van de actuele versnelling A de geadviseerde versnelling getoond. Schakel tijdens het rijden nooit de achteruitversnelling in - kans op ongevallen! Aanwijzing Tijdens het rijden mag de hand niet op de versnellingshendel rusten. De druk van de hand wordt overgebracht op de schakelvorken in de versnellingsbak. Dit kan op den duur leiden tot voortijdige slijtage van de schakelvorken. Druk het koppelingspedaal bij het schakelen altijd geheel in, om onnodige slijtage en beschadigingen te voorkomen aan de koppeling- en versnellingsbak onderdelen. Handrem Handrem aantrekken Trek de handremhendel helemaal naar boven. Handrem lossen Trek de handremhendel iets naar boven en druk gelijktijdig de blokkeerknop afb. 137 in. Druk de hendel met ingedrukte knop helemaal naar beneden. Bij aangetrokken handrem en ingeschakeld contact brandt het handremcontrolelampje. Als per vergissing met aangetrokken handrem wordt weggereden, weerklinkt een waarschuwingstoon en op het informatiedisplay* verschijnt de aanwijzing: Release parking brake! (Parkeerrem lossen!) De handremwaarschuwing wordt actief als langer dan 3 seconden met een snelheid boven de 6 km/h wordt gereden. Zorg ervoor dat de aangetrokken handrem volledig is gelost. Een maar gedeeltelijk geloste handrem kan tot oververhitting van de achterremmen leiden en daardoor de werking van het remsysteem negatief beïnvloeden - kans op ongevallen! Bovendien leidt dit tot voortijdige slijtage van de remvoering, achter. Laat nooit kinderen zonder toezicht in de auto achter. De kinderen zouden dan bijvoorbeeld de handrem los kunnen zetten of de auto in de vrijstand kunnen zetten. De auto zou zich in beweging kunnen zetten - kans op ongevallen! Afb. 137 Middenconsole: Handrem Voorzichtig! Als de auto tot stilstand is gekomen, altijd eerst de handrem aantrekken en daarna als extra een versnelling inschakelen (schakelbak) of de keuzehendel in de stand P plaatsen (automaat). Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
126 124 Wegrijden en rijden Parkeerhulp, achter* De parkeerhulp waarschuwt voor obstakels achter de auto. volume luidsterkte verandert, zie gebruiksaanleiding Radio* respectievelijk Navigatie*. Hierdoor verberterd de hoorbaarheid van de parkeerhulp. Activeren De parkeerhulp wordt bij ingeschakeld contact bij het inschakelen van de achteruitversnelling automatisch geactiveerd. Dit wordt door een korte bevestigingstoon aangegeven. Deactiveren De parkeerhulp wordt door het uit de achteruitversnelling nemen gedeactiveerd. Afb. 138 Parkeerhulp: Detectiebereik van de sensoren, achter De akoestische parkeerhulp bepaalt met behulp van ultrasone sensoren de afstand tussen de achterbumper en een obstakel achter de auto. De tonen van de parkeerhulp kunnen in het menu informatie display* aangepast worden bladzijde 30. De sensoren bevinden zich in de achterbumper. Bereik van de sensoren De afstandswaarschuwing start bij een afstand van ongeveer 160 cm tot aan het obstakel (bereik A afb. 138). Als de afstand korter wordt, worden ook de tussenpozen tussen de toonimpulsen korter. Vanaf een afstand van ca. 30 cm (bereik AB ) is een constante toon hoorbaar - gevarenzone. Vanaf hier moet u niet verder achteruit rijden! Is de auto uitgerust met een ingebouwde trekhaak*, begint de grens van het gevaarbereik - constante toon - 5 cm verder achter de auto. De auto kan door een ingebouwde, verwijderbare aanhangerwaarschuwing langer worden. Bij auto's die van de fabriek met Radio* of Navigatie* uitgerust zijn, wordt de afstand van de hindernis grafisch op het display aangetoond. Bij voertuigen die van de fabriek met aanhangerwaarschuwing worden de sensoren bij gebruik van de aanhanger gedeactiveerd. De bestuurder wordt door een grafische aanduiding (voertuig met aanhanger) op het display van de Radio* of de navigatie* hier opmerkzaam gemaakt. Bij Radio* of Navigatie*, die door de fabriek zijn ingebouwd, kunnen die ingesteld worden, dat bij het activeren van de parkeerhulp het De parkeerhulp kan de aandacht van de bestuurder niet vervangen. De verantwoording bij het parkeren en dergelijke rijmanoeuvres ligt bij de bestuurder. Controleer daarom voor het achteruitrijden of er zich achter de auto geen kleine obstakels, bijv. een steen, klein paaltje, aanhangwagendissel o.i.d. bevindt. Dit obstakel zou buiten het gedetecteerde gebied kunnen liggen. Af ent die kunnen bepaalde oppervlaktes van bepaalde artikels of van kleding onder bepaalde omstandighede het signaal van de parkeerhulp niet reflecteren. Daarom kunnen deze artikelen of personen, die zulke kleding dragen, niet herkend worden door de sensoren van de parkeerhulp. Aanwijzing Bij het rijden met een aanhangwagen is de parkeerhulp uitgeschakeld (geldt voor auto's met een af fabriek ingebouwde trekhaak*). Als ongeveer drie seconden na het inschakelen van het contact en bij ingeschakelde achteruitversnelling een waarschuwingssignaal weerklinkt en er zich geen obstakel in de buurt van de auto bevindt, is er sprake van een systeemstoring. Laat de storing door een Škoda-dealer opheffen. De sensoren moeten schoon en ijsvrij worden gehouden zodat de parkeerhulp kan functioneren.
127 Wegrijden en rijden 125 Parkeerhulp voor en achter* De parkeerhulp waarschuwt voor obstakels voor en achter de auto. Afb. 139 Activeren van de parkeerhulp obstakel achter de auto (bereik A bladzijde 124, afb. 138). Als de afstand korter wordt, worden ook de tussenpozen tussen de toonimpulsen korter. Vanaf een afstand van ca. 30 cm (bereik AB ) is een constante toon hoorbaar - gevarenzone. Vanaf dit moment mag U de rit niet voortzetten! Is de auto uitgerust met een ingebouwde trekhaak*, begint de grens van het gevaarbereik constante toon 5 cm verder achter de auto. De auto kan door een ingebouwde, verwijderbare aanhangerwaarschuwing langer worden. Bij auto's die van de fabriek met Radio* of Navigatie* uitgerust zijn, wordt de afstand van de hindernis grafisch op het display aangetoond. Bij voertuigen die van de fabriek met aanhangerwaarschuwing zijn ingebouwd worden de sensoren achter bij gebruik van de aanhanger gedeactiveerd. De bestuurder wordt door een grafische aanduiding (voertuig met aanhanger) op het display van de Radio* of de navigatie* hier opmerkzaam gemaakt. Bij Radio* of Navigatie*, die door de fabriek zijn ingebouwd, kunnen die ingesteld worden, dat bij het activeren van de parkeerhulp het volume luidsterkte verandert, zie gebruiksaanleiding Radio* respectievelijk Navigatie*. Hierdoor verberterd de hoorbaarheid van de parkeerhulp. Activeren De parkeerhulp wordt bij ingeschakeld contact bij het inschakelen van de achteruitversnelling of door het indrukken van de toets afb. 139 geactiveerd - in de toets brandt het symbool. De activering wordt door een korte bevestigingstoon aangegeven. Afb. 140 Parkeerhulp: Detectiebereik van de sensoren, voor De akoestische parkeerhulp bepaalt met behulp van ultrasone sensoren de afstand tussen de voor- of achterbumper en een obstakel. De sensoren bevinden zich in de voor- en achterbumper. De signaaltonen voor de parkeerhulp van de voorbumper zijn hoger dan die van de parkeerhulp voor de achterbumper. De tonen van de parkeerhulp kunnen in het menu informatie display* aangepast worden bladzijde 30. Bereik van de sensoren De afstandswaarschuwing begint bij een afstand van circa 120 cm tot aan het obstakel voor de auto (bereik A afb. 140) en circa 160 cm ten opzichte van het Deactiveren De parkeerhulp wordt na het indrukken van de toets afb. 139 of bij een snelheid boven de 10 km/h gedeactiveerd - het symbool in de toets gaat uit. De parkeerhulp kan de aandacht van de bestuurder niet vervangen. De verantwoording bij het achteruit rijden en dergelijke rijmanoeuvres ligt bij de bestuurder. Controleer daarom tijdens het manoeuvreren of er zich voor of achter de auto geen kleine obstakels, zoals bijv. stenen, een klein paaltje, aanhangwagendissel o.i.d. bevindt. Dit obstakel zou buiten het gedetecteerde gebied kunnen liggen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
128 126 Wegrijden en rijden Vervolg Af ent die kunnen bepaalde oppervlaktes van bepaalde artikels of van kleding onder bepaalde omstandighede het signaal van de parkeerhulp niet reflecteren. Daarom kunnen deze artikelen of personen, die zulke kleding dragen, niet herkend worden door de sensoren van de parkeerhulp. Aanwijzing Bij het rijden met een aanhangwagen werkt alleen de parkeerhulp aan de voorzijde (geldt alleen bij auto's met een af fabriek ingebouwde trekhaak*). Als na activering van het systeem ca. drie seconden lang een waarschuwingstoon klinkt en er zich in de buurt van de auto geen obstakel bevindt, is er sprake van een systeemstoring. Deze storing wordt daarnaast door het knipperen van het symbool in de toets bladzijde 125, afb. 139 aangegeven. Laat de storing door een Škoda-dealer opheffen. De sensoren moeten schoon en ijsvrij worden gehouden zodat de parkeerhulp kan functioneren. Als de parkeerhulp is geactiveerd en de keuzehendel van de automatische versnellingsbak in de stand AP staat, wordt de akoestische signalering onderbroken (de auto kan niet rijden). Parkeerassistent* Omschrijving en belangrijke aanwijzingen De parkeerassistent helpt u met het parkeren in een toepasselijke paralelle parkeerplaats tussen twee auto's, respectievelijk achter een auto. De parkeerassisten zoekt automatisch toepasselijke parkeerplaatsen uit, na het inschakelen van het contact en gedurende de rit tot 30 km/h. De parkeerassisten neemt gedurende het parkering alleen de stuurbeweging over, de pedalen worden door de bestuurder bedient. Fuctie van het systeem gebaseerd op: Meting van de lengte en diepte van de parkeerplaatsen gedurende de rit Evaluatie van de grootte van de parkeerplaats Regeling van de correcte positie van de auto voor het parkeren Berekening van de lijn, van welke de auto terugwaarts in de parkeerplaats rijdt Aanstuuring van de stuurwielondersteuning, automatisch draaien van de voorwielen bij het parkeren. De parkeerassistent verlost de bestuurder niet van verantwoordelijkheid bij het parkeren. Let voornamelijk op kleine kinderen en dieren, omdat deze door de sensoren van de parkeerhulp niet herkend moeten worden. Af ent die kunnen bepaalde oppervlaktes van bepaalde artikels of van kleding onder bepaalde omstandighede het signaal van de parkeerhulp niet reflecteren. Daarom kunnen deze artikelen of personen, die zulke kleding dragen, niet herkend worden door de sensoren van de parkeerhulp. Externe akoestische bronnen kunnen de parkeerassisten en parkeerhulp storend beinvloeden en onder ongustige omstandigheden kunnen obstakels of personen niet herkend worden door de parkeerhulp. Voorzichtig! Wanneer andere auto's achter of op de stoep parkeren, leidt de parkeerassistent uw auto van de stoep af of op de stoep. Zorg er voor dat de wielen of de velgen van uw auto niet beschadigd en onderbreek op tijd indien nodig. Controleer daarom tijdens het manoeuvreren of er zich voor of achter de auto geen kleine obstakels, zoals bijv. stenen, een klein paaltje, aanhangwagendissel o.i.d. bevindt. Dit obstakel zou buiten het gedetecteerde gebied kunnen liggen. De oppervlakten, respectievelijk de structuren van sommige obstakels, zoals b.v. hekwerk, poedersneeuw etc,. kunnen onder omstandigheden niet door het systeem herkend worden.
129 Wegrijden en rijden 127 De evaluatie van de parkeerplaats en het parkeren is van de omvang van de radar afhankelijk. Het systeem kan misschien niet correct functioneren, wanneer op de auto een radar met een niet-toegelaten grootte, sneeuwkettingen of een een reserve wiel (om de volgende garage te bereiken) gemonteerd zijn. Worden door de hersteller andere toegelaten wielen gemonteerd, kan de resulterende positie van de auto in de pakeerplaats iets afwijken. Dat kan door het nieuw kalibreren van het systeem in een vakbedrijf verhinderd worden. Op de naukeurigheid van de evaluatie van de parkeerplaats kan de niet correcte weergegeven buitentemperatuur invloed hebben, wanneer deze door warmte uitstraling beinvloed wordt van de motor, b.v. stop en rij verkeer in een file. Om de sensoren door hoge druk reininging of stoom niet te beschadigen, mogen de sensoren slechts kort besproeid worden en er moet tenminste een afstand van 10 cm behouden worden. Aanwijzing Een onderdeel van de parkeerassisten is de parkeerhulp voor en achter*. Het electronische stabiliteitsprogramma (ESP) moet voor het parkeren altijd ingeschakeld zijn. Bij het rijden met een aanhangwagen werkt alleen de parkeerhulp aan de voorzijde (geldt alleen bij auto's met een af fabriek ingebouwde trekhaak*). Daarom is het niet mogelijk om met een aanhangwagen naar achter te parkeren met behulp van de parkeerassistent. De sensoren moeten schoon en ijsvrij worden gehouden zodat de parkeerhulp kan functioneren. Aanwijzing van de parkeerassistent op het informatie display* inschakelen Afb. 141 Aanwijzing van de parkeerassistent op het informatie display inschakelen Afb. 142 Informatiedisplay: Vindt een gepast parkeerplaats Aanwijzing van de parkeerassistent op het informatie display* inschakelen Druk op de toets afb Rij met een snelheid van max. 30 km/h en met een afstand van 0,5 m tot 1,5 m aan de parkeerrij voorbij afb Bevestig het knipperlicht voor de bestuurders zijde, wanneeru op deze zijden van de straat wil parkeren. Op het informatie display* wordt het zoekbereik voor de parkeerplaats vertoond op de bestuurders zijde. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
130 128 Wegrijden en rijden Wordt bij een snelheid van meer dan 30 km/h de toets ingedrukt, verschijnt, zodra u langzamer dan 30 km/h rijdt de aanduiding in het display van het combi-instrument. Aanwijzing Wanneer de parkeerassisten ingeschakeld is, licht in de toets een geel controlelampje op. Het zoeken naar gepaste parkeerplaatsen wordt automatisch voortgezet na het inschakelen van het contact bij snelheden tot 30 km/h. Het zoeken voor een parkeerplaats wordt gelijktijdig voorgezet op de bestuurders en passagiers zijde. Vinden de sensoren een gepaste parkeerplaats, sla uw parameter op tot een andere gepaste parkeerplaats gevonden wordt of tot een afstand van 10 m voorbij de gevonden parkeerplaats is gereden is. Het is daarom mogelijk om de parkeerassisten ook na het voorbijrijden van de parkeerplaats in te schakelen, op het informatie display* verschijnt de informatie of deze parkeerplaats gepast is om te parkeren. Parkeren met behulp van de parkeerassisten en de parkeerprocedure uitschakelen Afb. 143 Informatiedisplay: Parkeerplaats herkend met de aanbeveling of door te rijden. Afb. 144 Informatiedisplay: Parkeerplaats herkend met de aanbeveling om de achteruitschakeling in te schakelen De tijdlimiet voor het parkeren met behulp van de parkeerassistent bedraagd 180 seconden. Wanneer de parkeerassistent een gepaste parkeerplaats heeft herkend, wordt de parkeerplaats op het informatie display* aangetoond afb Rij nog verder door, tot de aanwijzing afb. 144 verschijnt. Stop de auto voor minstens 1 seconde. Schakel de achteruitschakeling in en respectievelijk stel de keuzehendel* in de positie R. Zodra op het informatie display* de volgende melding wordt aangeduid: Steering intervention! Monitor area around veh.! (Stuuronderbreking actief! let op de omgeving!) laat u het stuurwiel los, en de besturing wordt overgenomen door het systeem. Let op de omgeving en rij met een snelheid van max. 7 km/h terug, gebruik de pedalen. Beeindig het parkeren op grond van de informatie van het systeem betreffende de afstand. Zodra het parkeren uitgeschakeld is, klinkt een akoestisch signaal en op het op het informatie display* wordt de volgende melding vertoond: Steering intervention
131 Wegrijden en rijden 129 finished! Please take over steering! (Stuuronderbreking bestuurder! Svp neem de besturing over!). Wanneer uw auto niet volledig correct geparkeerd is, wordt bij een stilstaand voertuig, na het uitschakelen van de achteruit versnelling, van het systeem de instelling van de wielen verbeterd, zodat u de auto na overname van de besturing door een voorwaartse beweging zelf kunt uitlijnen. Parkeerassistent uitschakelen De parkeerassistent schakelt zich zelf uit in een van de volgende gevallen: Snelheid van 30 km/h overschreden Snelheid van 7 km/h overschreden gedurende het parkeren De tiijdlimiet van 180 seconden om de achteruitschakeling in te schakelen na het inschakelen van de parkeerassistent overschreden Tijdlimiet van 180 seconden voor parkeren overschreden Toets voor de parkeerassistent gedrukt Parkeerhulp geactiveerd ESP-uitschakelen Ingrijpen van de bestuurder in het automatische stuurwiel procedure (stuurwiel behouden) Achteruit respectievelijk keuzehendel* uit de positie R gedurende het parkeren verwijderen. Verdere waarschuwings en informatie tekst van de parkeerassistentop het informatie display*: Park Assist cancelled! (Parkeerassistent beeindigd!) Het parkeren wordt beeindigd of na het inschakelen van het contact de auto nog niet meer dan 10km/h gereden heeft. Park Assist: Speed too high! (Parkeerassistent: Snelheid te hoog!) Verninder de snelheid tot onder 30 km/h. Driver steering intervention! Please take over steering! (Stuuronderbreking bestuurder! Svp neem de besturing over!). Parkering is door de bestuurder beeindigt. Park Assist cancelled! ESP switched off! (Parkeerassistent beeindigd!) ESP uitgeschakeld!) Het parkeren kan niet uitgevoerd worden, terwijl het ESP systeem uitgeschakeld is. ESP switched off! Please take over steering! (ESP uitgeschakeld! Svp neem de besturing over!). Het parkeren wordt beeindigd, terwijl het ESP systeem gedurende het vooruit parkeren uitgeschakeld is. Park Assist cancelled! Trailer (Parkeerassistent beeindigd! Aanhangwagen) Het parkeren is niet mogelijk terwijl de aanhanger gekoppeld is en een stekker in de stekdoos van de aanhangeruitrusting steekt. Park Assist cancelled! Time limit exceeded! (Parkeerassistent beeindigd! Tijdlimiet overschreden) Het parkeren wordt niet gestart terwijl de tijdlimiet van 180 seconden voor het inschakelen van achteruit rijden overschreden is. Time limit exceeded! Please take over steering! (Tijdlimiet overschreden! Svp neem de besturing over!). Het parkeren wordt beeindigd, terwijl de tijdlimiet van 180 seconden voor het parkeren overschreden is. Park Assist cancelled! System error (Parkeerassistent beeindigd! Systeem storing) Het parkeren is niet mogelijk, terwijl er een storing in de auto is. Laat de storing door een Škoda-dealer opheffen. Park Assist defective! Service now! (Parkeerassistent defect! Garage! Het parkeren is niet mogelijk, terwijl er een storing is in de parkeerassisten. Laat de storing door een Škoda-dealer opheffen. Steering intervention! Monitor area around veh.! (Stuuronderbreking actief! Let op de omgeving!) De parkeerassistent is aktief en neemt het stuurwiel over. Let op de omgeving en rij voorzichtig naar achterenm gebruik hiervoor het pedaal. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
132 130 Wegrijden en rijden Please take over steering! Finish parking manually (Svp besturing overnemen! Parkeerprocedure handmatig beeindigen) Neem de besturing over. Beeindig de parkeerprocedure zonder gebruik te maken van de parkeerassistent. Speed too high! Please take over steering! (Snelheid te hoog! Svp neem de besturing over!). De parkeerprocedure wordt beeindigd, als de snelheid overschreden wordt. Park Assist: ESP Intervention! (Parkeerassistent: ESP ingeschakeld!) Inschakelen van het ESP systeem bij het zoeken naar een geschikte parkeerplaats. ESP intervention! Please take over steering! (ESP ingeschakeld! Svp neem de besturing over!). Een parkeerprocedure is door het inschakelen van het ESP systeem beeindigd. Aanwijzing Auto's met schakelbak: Als u bij een ingeschakeld snelheidsregelsysteem de vrijstand van de versnellingsbak inschakelt, moet u altijd het koppelingspedaal intrappen! Anders zou de motor onbedoeld met een te hoog toerental kunnen gaan draaien. Bij het rijden op steilere hellingen kan het snelheidsregelsysteem de snelheid niet constant houden. Door het eigen gewicht van de auto neemt de snelheid toe. Schakel daarom tijdig terug naar een lagere versnelling of rem de auto met de voetrem af. Bij auto's met automatische versnellingsbak kan het snelheidsregelsysteem niet worden ingeschakeld als de keuzehendel in stand P, N of R staat. Snelheid opslaan Snelheidsregelsysteem (SRS)* Inleiding Het snelheidsregelsysteem (SRS) houdt de ingestelde snelheid, hoger dan 30 km/h (20 mph), constant, zonder dat het gaspedaal hoeft te worden ingedrukt. Dit gebeurt natuurlijk alleen maar in de mate waarin motorvermogen, resp. motorremvermogen dit mogelijk maken. Met behulp van het snelheidsregelsysteem kunt u - vooral op lange afstanden - de gaspedaalvoet ontlasten. Om veiligheidsredenen mag het snelheidsregelsysteem bij intensief verkeer en een slechte staat van het wegdek (zoals bijv. bij gladheid, split) niet worden gebruikt kans op ongevallen! Om een onbedoeld gebruik van het snelheidsregelsysteem te voorkomen, moet dit systeem na het gebruik steeds worden uitgeschakeld. Afb. 145 Bedieningshendel: Tuimel- en schuifschakelaar van het snelheidsregelsysteem Het snelheidsregelsysteem wordt bediend met behulp van de schakelaar A en de tuimelschakelaar AB in de linkerhendel van de multifunctieschakelaar. Druk de schakelaar A afb. 145 in de stand ON. Na het bereiken van de gewenste snelheid de tuimelschakelaar AB in de stand SET drukken.
133 Wegrijden en rijden 131 Na het loslaten van de tuimelschakelaar AB vanuit de stand SET, wordt de in het geheugen opgeslagen snelheid zonder het gaspedaal aan te raken constant aangehouden. U kunt de snelheid door het indrukken van het gaspedaal verhogen. Na het loslaten van het pedaal loopt de snelheid weer terug naar de eerder opgeslagen waarde. Dit geldt echter niet als u de snelheid gedurende een periode van langer dan 5 minuten met meer dan 10 km/h overschrijdt. De opgeslagen snelheid wordt uit het geheugen gewist. De snelheid moet opnieuw worden opgeslagen. De snelheid kan men op de gebruikelijke wijze verlagen. Door het indrukken van het rem- of koppelingspedaal wordt het systeem tijdelijk uitgeschakeld bladzijde 131. De in het geheugen opgeslagen snelheid mag alleen weer worden hervat als deze voor de dan bestaande verkeersomstandigheden niet te hoog is. Opgeslagen snelheid wijzigen De snelheid kunt u ook zonder het gaspedaal in te drukken wijzigen. Sneller De opgeslagen snelheid kunt u zonder dat het gaspedaal hoeft te worden ingedrukt of worden losgelaten door het indrukken van de tuimelschakelaar AB bladzijde 130, afb. 145 in de stand RES verhogen. Als u de tuimelschakelaar in de stand RES ingedrukt houdt, wordt de snelheid continu verhoogd. Na het bereiken van de gewenste snelheid laat u de tuimelschakelaar los. Daardoor wordt de nieuw bereikte snelheid in het geheugen opgenomen. Langzamer De opgeslagen snelheid kunt u door de tuimelschakelaar AB in de stand SET te drukken verlagen. Als de tuimelschakelaar in de stand SET ingedrukt wordt gehouden, wordt de snelheid continu verlaagd. Na het bereiken van de gewenste snelheid laat u de tuimelschakelaar los. Daardoor wordt de nieuw bereikte snelheid in het geheugen opgenomen. Als de tuimelschakelaar bij een lagere snelheid dan 30 km/h wordt losgelaten, wordt de snelheid niet meer in het geheugen opgeslagen, het geheugen wordt gewist. De snelheid moet na een snelheidsverhoging tot boven de 30 km/h opnieuw door het indrukken van de tuimelschakelaar AB in de stand SET in het geheugen worden opgeslagen. Snelheidsregelsysteem tijdelijk uitschakelen Het snelheidsregelsysteem schakelt u door het rem- of koppelingspedaal in te drukken tijdelijk uit, bij auto's met automatische versnellingsbak alleen met behulp van het rempedaal. Het snelheidsregelysteem kunt u ook tijdelijk uitschakelen door de schakelaar A in de middenstand te drukken. De in het geheugen opgeslagen snelheid blijft in het geheugen staan. De in het geheugen opgeslagen snelheid wordt weer hervat zodra het rem- of koppelingspedaal wordt losgelaten, bij auto's met automatische versnellingsbak alleen na het loslaten van het rempedaal en nadat de tuimelschakelaar AB bladzijde 130, afb. 145 even in stand RES wordt gedrukt. De in het geheugen opgeslagen snelheid mag alleen weer worden hervat als deze voor de dan bestaande verkeersomstandigheden niet te hoog is. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
134 132 Wegrijden en rijden Snelheidsregelsysteem volledig uitschakelen Druk de schakelaar A bladzijde 130, afb. 145 naar rechts in de stand OFF.
135 Automatische versnellingsbak DSG* 133 Automatische versnellingsbak DSG* Automatische versnellingsbak DSG* Inleiding Uw auto is uitgerust met een automatische versnellingsbak DSG. De afkorting DSG betekent direct shift gearbox (direct aangestuurde schakelbak). Voor de krachtoverbrenging tussen de motor en de versnellingsbak zorgen twee onafhankelijke koppelingen. Deze vervangen de koppelomvormer van de conventionele automatische versnellingsbak. De schakeling hiervan is zo afgestemd dat bij het schakelen van de versnellingsbak geen schokken ontstaan en de vermogensoverdracht van de motor naar de voorwielen niet wordt onderbroken. Aanwijzingen voor het rijden met de automatische versnellingsbak DSG Het op- en terugschakelen gebeurt automatisch. U kunt de versnellingsbak echter ook in de Tiptronic-stand zetten. In deze stand is het mogelijk handmatig te schakelen bladzijde 137. Wegrijden en rijden Trap op het rempedaal en houd dit ingedrukt. Houd de blokkeerknop (knop in handgreep van keuzehendel) ingedrukt, zet de keuzehendel in de gewenste stand, bijv. D bladzijde 134 en laat de blokkeerknop weer los. Laat het rempedaal los en geef gas. Tijdelijk stoppen Bij een tijdelijke stop, bijv. voor een kruising, hoeft de keuzehendel niet in stand N te worden geplaatst. Het is voldoende, de auto met behulp van het rempedaal tegen te houden. De motor mag hierbij alleen stationair draaien. Parkeren Trap op het rempedaal en houd dit ingedrukt. Trek de handrem vast aan. Houd de blokkeerknop in de keuzehendel ingedrukt en zet de keuzehendel in de stand P en laat de blokkeerknop los. De motor kan alleen maar in de keuzehendelstand P of N worden gestart bladzijde 120. Bij temperaturen onder -10 C kan de motor alleen in de keuzehendelstand P worden gestart. Bij het parkeren op een vlakke weg is het voldoende de keuzehendelstand P in te schakelen. Bij een aflopende weg moet eerst de handrem worden aangetrokken en daarna pas de keuzehendelstand P worden ingeschakeld. Daardoor bereikt u dat het blokkeermechanisme niet al te sterk wordt belast en de keuzehendel gemakkelijker uit stand P kan worden gehaald. Als per ongeluk tijdens het rijden de keuzehendel in de stand N is geplaatst, moet het gaspedaal worden losgelaten en moet worden gewacht tot de motor stationair draait, voordat de keuzehendel weer in een rijstand kan worden geplaatst. Geef geen gas als u bij stilstaande auto en draaiende motor de keuzehendelstand wilt wijzigen - kans op ongevallen! Schakel tijdens het rijden nooit de keuzehendel in stand R of P - kans op ongevallen! Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
136 134 Automatische versnellingsbak DSG* Vervolg Keuzehendelstanden Als u op een helling moet stoppen, probeer dan nooit de auto met een ingeschakelde versnelling met behulp van gas geven op zijn plaats te houden, dat wil zeggen met behulp van een slippende koppeling. Dit kan leiden tot oververhitting van de koppeling. Als door overbelasting de kans op oververhitting van de koppeling ontstaat, wordt de koppeling automatisch ontkoppeld en rolt de auto naar achteren - kans op ongevallen! Als op een helling moet worden gestopt, moet het rempedaal worden ingedrukt en ingedrukt worden gehouden om zo het terugrollen van de auto te voorkomen. Voorzichtig! De dubbele koppeling bij de automatische versnellingsbak DSG is uitgevoerd met een overbelastingsbeveiliging. Als u gebruikmaakt van de functie up-hill, waarbij de auto stilstaat of langzaam bergopwaarts rijdt, staan de koppelingen bloot aan een hogere warmtebelasting. Als dit leidt tot oververhitting van de koppelingen is dit herkenbaar aan het knipperen van de keuzehendelindicatie en het schokken van de koppelingen en uiteindelijk worden de koppelingen geopend. De krachtoverbrenging van de motor naar de voorwielen wordt onderbroken, waardoor de auto niet meer wordt aangedreven. Als de koppeling automatische vrijkomt, moet het rempedaal worden ingedrukt, enkele seconden worden gewacht, waarna de rit kan worden vervolgd. Afb. 146 Keuzehendel Afb. 147 Informatiedisplay: Keuzehendelstanden De actuele keuzehandel instelling wordt in het informatie display van het combiinstrument aangetoond afb P - parkeerblokkering In deze stand zijn de aangedreven wielen mechanisch geblokkeerd. De parkeerblokkering mag alleen maar bij stilstaande auto worden ingeschakeld. Om de keuzehendel in deze stand te zetten of weer uit deze stand te nemen moet de blokkeerknop in de keuzehendel en gelijktijdig het rempedaal worden ingedrukt.
137 Automatische versnellingsbak DSG* 135 Als de accu geheel is ontladen, kan de keuzehendel niet uit stand P worden genomen. R - achteruitversnelling De achteruitversnelling mag alleen bij stilstaande auto en stationair toerental worden ingeschakeld. Voor het inschakelen van de stand R vanuit de standen P of N moet het rempedaal worden ingetrapt en moet gelijktijdig de blokkeerknop worden ingedrukt. Als het contact is ingeschakeld en de keuzehendel in de stand R staat, branden de achteruitrijlampen. N - neutraal (vrijstand) In deze stand staat de versnellingsbak in de vrijstand. Als u de keuzehendel vanuit de stand N (als de keuzehendel langer dan 2 seconden in deze stand stond) wilt verplaatsen naar de stand D, moet bij snelheden beneden de 5 km/h, alsmede bij een stilstaande auto en bij ingeschakeld contact het rempedaal worden ingedrukt. Als u de keuzehendel vanuit de stand N (als de keuzehendel langer dan 2 seconden in deze stand stond) wilt verplaatsen naar de stand R, moet bij snelheden beneden de 5 km/h, alsmede bij een stilstaande auto en bij ingeschakeld contact het rempedaal worden ingedrukt. D - permanente stand voor vooruitrijden In deze stand worden de vooruitversnellingen afhankelijk van motorbelasting, rijsnelheid en dynamisch schakelprogramma automatisch op- en teruggeschakeld. Voor het inschakelen van stand D vanuit N moet bij snelheden lager dan 5 km/h, resp. bij stilstaande auto het rempedaal worden ingetrapt. Onder bepaalde omstandigheden (bijv. bij het rijden in de bergen of met een aanhangwagen) kan het zinvol zijn, tijdelijk op het handschakelprogramma over te gaan om de overbrengingsverhouding met de hand aan de rijomstandigheden aan te passen. S-stand voor sportief rijden Door laat opschakelen wordt het vermogenspotentieel van de motor volledig benut. Het terugschakelen vindt bij hogere motortoerentallen plaats dan in de stand D. Bij het plaatsen van de keuzehendel in stand S vanuit stand D moet de blokkeerknop in de handgreep van de keuzehendel worden ingedrukt. Schakel tijdens het rijden nooit de keuzehendel in stand R of P - kans op ongevallen! Bij een stilstaande auto en draaiende motor is het in alle keuzehendelstanden (behalve P en N) nodig, de auto met het rempedaal tegen te houden omdat ook bij stationair toerental de krachtoverbrenging niet geheel wordt onderbroken - de auto "kruipt". Als bij stilstaande auto een rijversnelling is ingeschakeld mag in geen geval achteloos gas worden gegeven (bijv. met de hand vanuit de motorruimte). De auto zal dan direct gaan rijden - soms ook als de handrem vast is aangetrokken - kans op ongevallen! Voordat u of andere personen de motorkap openen en aan de draaiende motor gaan werken, moet de keuzehendel in stand P worden geplaatst en de handrem stevig worden aangetrokken - kans op ongevallen! Neem beslist de waarschuwingsaanwijzingen in acht. Keuzehendelblokkering Automatische keuzehendelblokkering Bij ingeschakeld contact is de keuzehendel in de standen P en N geblokkeerd. Om de hendel vanuit deze stand te deblokkeren moet het rempedaal worden ingedrukt. Als herinnering voor de bestuurder gaat bij de keuzehendelstanden P en N het controlelampje bladzijde 33 op het instrumentenpaneel branden. Het tijdvertragingselement zorgt ervoor dat bij het vlot schakelen door de stand N (bijv. van R naar D) de keuzehendel niet wordt geblokkeerd. Hierdoor is het bijv. mogelijk een vastzittende auto door snel naar voren/naar achteren te rijden los te Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
138 136 Automatische versnellingsbak DSG* rijden. Als de keuzehendel bij niet-ingedrukt rempedaal langer dan 2 seconden in de stand N staat, grijpt de keuzehendelblokkering aan. De keuzehendelblokkering werkt alleen bij stilstaande auto en bij snelheden tot 5 km/h. Bij hogere snelheden wordt de blokkering in de stand N automatisch uitgeschakeld. Blokkeerknop De blokkeerknop in de handgreep van de keuzehendel voorkomt dat er per vergissing enige versnellingen kunnen worden ingeschakeld. Als u de blokkeerknop indrukt, wordt de keuzehendelblokkering opgeheven. Blokkering contactsleutel tegen uittrekken uit contactslot U kunt de contactsleutel na het uitschakelen van het contact alleen maar uit het contactslot trekken als de keuzehendel in stand P staat. Bij een uit het contactslot getrokken sleutel is de keuzehendel in de stand P geblokkeerd. Kick-downfunctie De kick-downfunctie maakt maximale acceleratie mogelijk. Als het gaspedaal geheel wordt ingedrukt, wordt, om het even welk rijprogramma is ingeschakeld, de kick-downfunctie geactiveerd. Deze functie is boven het rijprogramma geplaatst, zonder rekening te houden met de actuele keuzehendelstand (D, S of Tiptronic), en dient voor de maximale acceleratie van de auto, waarbij volledig wordt gebruikgemaakt van het maximale vermogen van de motor. De versnellingsbak schakelt, afhankelijk van de rijstand, een of zelfs meerdere versnellingen terug en de auto accelereert. Het overschakelen naar ee hogere versnelling gebeurt pas als het maximaal voorgeschreven motortoerental wordt bereikt. Dynamisch schakelprogramma De automatische versnellingsbak van uw auto wordt elektronisch gestuurd. Het open terugschakelen van de versnellingen gebeurt automatisch op basis van het vooraf ingestelde rijprogramma. Bij een ingehouden rijstijl kiest de versnellingsbak het meest economische rijprogramma. Door vroegtijdig opschakelen en laat terugschakelen wordt het brandstofverbruik gunstig beïnvloed. Bij een sportieve rijstijl met snelle gaspedaalbewegingen, bij snel accelereren, vaak wisselende snelheden en het volledig gebruiken van de topsnelheid, zal na het indrukken van het gaspedaal (kick-downfunctie) de versnellingsbak zich aan deze rijstijl aanpassen en zal eerder terugschakelen, vaak ook met meerdere versnellingen dan in de conventionele rijstijl. De keuze van het meest gunstige programma is een continu verlopend proces. Onafhankelijk daarvan is het echter mogelijk door het gaspedaal snel in te drukken, een dynamischer schakelprogramma te selecteren of terug te schakelen. Daarbij schakelt de versnellingsbak terug naar een versnelling die overeenkomt met de rijsnelheid, waardoor vlot accelereren mogelijk is (bijv. bij het inhalen) zonder dat het gaspedaal tot aan de kick-downstand hoeft te worden ingetrapt. Nadat de bak weer is opgeschakeld, wordt bij de dan geldende rijstijl het oorspronkelijke programma weer ingesteld. Bij het rijden in de bergen wordt de keuze van de versnellingen aangepast aan de hellingen en afdalingen. Daardoor wordt voorkomen dat de bak bij bergopwaarts rijden tussen de versnellingen heen en weer gaat schakelen. Bij het bergafwaarts rijden is het mogelijk in de Tiptronic-stand terug te schakelen om volledig gebruik te kunnen maken van het remmoment van de motor. Denk erom dat bij een glad, glibberig wegdek de aangedreven wielen door het inschakelen van het kick-downsysteem kunnen doordraaien - slipgevaar!
139 Automatische versnellingsbak DSG* 137 Tiptronic De Tiptronic stelt de bestuurder in staat de versnellingen ook met de hand in te schakelen. Afb. 148 Keuzehendel: met de hand schakelen Opschakelen Tik de keuzehendel (in de Tiptronic-stand) naar voren bladzijde 137, afb. 148 A+. Terugschakelen Tik de keuzehendel (in de Tiptronic-stand) naar achteren A-. Het omschakelen naar handmatig schakelen kan zowel bij stilstaande auto als tijdens het rijden gebeuren. Bij versnelling schakelt de vesnellingsbak automatisch over naar de hogere snelheid kort voor het bereiken van het maximale toegelaten motor toerental. Als een lagere versnelling dan de huidige wordt gekozen, schakelt de automaat pas terug als de motor niet meer met een te hoog toerental kan draaien. Als het kick-downsysteem wordt geactiveerd, schakelt de versnellingsbak op basis van snelheid en motortoerental naar een lagere versnelling. Handmatig schakelen op het multi-functioneel stuurwiel* Afb. 149 Informatiedisplay: met de hand schakelen De ingezette keuzehendel instelling wordt samen met de ingezette snelheid in het informatie display van het Combi-instrument vertoond afb Overschakelen naar handmatig schakelen Druk de keuzehendel vanuit stand D naar rechts. Na het omschakelen wordt in het display de actuele ingezette snelheid aangetoond. Afb. 150 Multifunctioneel stuurwiel: met de hand schakelen Overschakelen naar handmatig schakelen Druk de keuzehendel vanuit stand D naar rechts. Na het omschakelen wordt in het display de actuele ingezette snelheid aangetoond. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
140 138 Automatische versnellingsbak DSG* Opschakelen Druk de rechtse ruitenwisser + afb. 150 voor multifunctioneel stuurwiel. Keuzehendel - noodontgrendeling (DSG) Terugschakelen Druk de linkse ruitenwisser + afb. 150 voor multifunctioneel stuurwiel. Tijdelijk overschakelen naar handmatig schakelen Als de keuzehendel zich in de positie D of S bevindt. drukt u de linkse ruitenwisser - of de rechtse ruitenwisser + voor multifunctioneel stuurwiel. Wanneer u de ruitenwissers - of + gedurende een periode niet gebruikt, wordt het handmatig schakelen uitgeschakeld. U kan ook het tijdelijke omschakelen naar het handmatig schakelen, uitschakelen, indien u de rechtse ruitenwisser + langer als een seconde ingegdrukt houdt. Noodprogramma Bij een systeemstoring is een noodprogramma beschikbaar. Bij storingen aan de elektronica van de versnellingsbak werkt de versnellingsbak met een hierbij behorend noodprogramma. Dit wordt aangegeven door het oplichten, resp. uitgaan van alle segmenten op het display. Een storing kan leiden tot onderstaand effect: De versnellingsbak schakelt slechts in een bepaalde versnelling. De achteruitversnelling R kan niet worden gebruikt. Het handmatige schakelprogramma (Tiptronic) is in de noodstand uitgeschakeld. Als de versnellingsbak is omgeschakeld naar het noodprogramma dient u zo snel mogelijk een Škoda-dealer op te zoeken om de storing te laten opheffen. Afb. 151 Keuzehendelnoodontgrendeling Als de voeding is onderbroken (bijv. bij een lege accu, defecte zekering) of bij een defect aan de keuzehendelblokkering, kan de keuzehendel niet meer op de normale wijze uit de stand P worden genomen en kan de auto niet worden verplaatst. De keuzehendel moet behulp van de noodontgrendeling worden ontgrendeld. Trek de handrem vast aan. De afdekkap links- en rechtsvoor voorzichtig omhoog trekken. De afdekkap aan de achterzijde naar boven trekken. Druk met behulp van ee smal voorwerp (bijv. contactsleutel) de gele kunststofbeugel afb. 151 naar links. Druk gelijktijdig de blokkeerknop in de keuzehendel in en plaats de keuzehendel in de stand N 10). 10) Als de keuzehendel weer in de stand P wordt geplaatst, wordt deze opnieuw geblokkeerd.
141 Automatische versnellingsbak DSG* 139 Aan- en wegslepen Aanslepen Bij auto's met een automatische versnellingsbak kan de motor niet worden gestart door het aanslepen bladzijde 258. Bij een ontladen autoaccu kan, met behulp van startkabels, de accu van een andere auto worden gebruikt voor het starten bladzijde 256. Wegslepen Als u de auto moet afslepen, moeten beslist de aanwijzingen in acht worden genomen bladzijde 258. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
142 140 Communiceren Communiceren Multifunctioneel stuurwiel* Radio en navigatie op het multifunctioneel stuurwiel bedienen Afb. 152 Multifunctioneel stuurwiel: Bedieningstoetsen Zodat de bestuurder bij het bedienen van de radio en navigatie zo weinig mogelijk afgeleid wordt van het verkeer, zijn er op het stuurwiel toetsen voor de eenvoudige bediening van de basis functies van de de radio en navigatie aangebracht afb Dit geldt alhoewel alleen, als uw auto vanuit de fabriek is uitgerust met radio of navigatie. De radio en navigatie kunnen natuurlijk ook achteraf op de uitrusting bediend worden. Een beschrijving vindt u in de handleiding van uw radio/telefoon. Bij ingeschakelde koplampen zijn ook de toetsen op het stuurwiel verlicht. De toetsen gelden steeds voor de modus waarin de radio of de navigatie staat. Door het indrukken van de toetsen kunnen de volgende functies worden geactiveerd:
143 Communiceren 141 Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
144 142 Communiceren Toets Actie Radio, verkeersmelding CD CD-wisselaar / MP3 Navigatie A1 A1 A1 even indrukken: lang drukken naar boven draaien Klank uit-/inschakelen uit- / inschakelen* Geluidsvolume verhogen A1 A2 A2 A3 A3 A4 naar onder draaien even indrukken Schakel over naar de volgende opgeslagen radiozender Schakel over naar de volgende opgeslagen verkeersmelding Onderbreking van de verkeersmelding Geluidsvolume verlagen Schakel over naar de volgende titel lang drukken Onderbreking van de verkeersmelding sneller vooruitspoelen even indrukken Schakel over naar de volgende opgeslagen radiozender Schakel over naar de volgende opgeslagen verkeersmelding Onderbreking van de verkeersmelding Schakel over naar de volgende titel lang drukken Onderbreking van de verkeersmelding snel terugspoelen Audiobron wisselen A5 A5 even indrukken lang drukken Hoofdmenu oproepen A6 A6 even indrukken: lang drukken Onderbreking van de verkeersmelding n.v.t. A6 A6 naar boven draaien naar onder draaien Aanduiding van de zenderlijst naar boven bladeren Onderbreking van de verkeersmelding Aanduiding van de zenderlijst naar onder bladeren Onderbreking van de verkeersmelding Schakel over naar de volgende titel Schakel over naar de volgende titel n.v.t.
145 Communiceren 143 Mobiele telefoons en mobilofoons Het inbouwen van mobiele telefoons en mobilofoons mag in principe alleen door een erkende Škoda-dealer worden uitgevoerd. Škoda Auto staat het gebruik van mobiele telefoons en mobilofoons met een deskundig geïnstalleerde buitenantenne en een maximaal zendvermogen tot 10 watt toe. Over mogelijkheden voor de montage en het bedrijf van telefoons en zendapparatuur met een vermogen van meer dan 10 W kunt u zich bij de servicedealer informeren. Daarin staat, welke technische mogelijkheden er zijn om mobiele telefoons en mobilofoons naderhand in te bouwen. Bij het gebruik van mobiele telefoons of mobilofoons kunnen storingen in de elektronica van uw auto optreden. De oorzaak hiervan kan zijn: geen buitenantenne, verkeerd geïnstalleerde buitenantenne, Zendvermogen van meer dan 10 Watt. Bovendien moet u zich ervan bewust zijn dat alleen met een buitenantenne de apparatuur optimaal kan presteren. Het gebruik van mobiele telefoons of mobilofoons zonder speciale buitenantenne resp. verkeerd geïnstalleerde buitenantenne kan tot een verhoging van de sterkte van de elektromagnetische velden in het interieur leiden. Svp geef voornamelijk attentie op het besturen van uw voertuig! Mobilofoons, mobiele telefoons of houders mogen niet op de afdekkappen van de airbags of binnen hun werkingsgebied worden gemonteerd. Bij een aanrijding zou dit tot persoonlijk letsel kunnen leiden. Aanwijzing Neem de bedieningsaanwijzingen van de mobiele telefoons en mobilofoons in acht. Universele telefoonvoorbereiding GSM II* Inleiding Op deze manier kunt u volledig profiteren van de voordelen van een gewone telefoon ( handsfree bellen via een in de auto ingebouwde microfoon, optimale transmissiemogelijkheden met buitenantenne 11) enz.). Deze uitrusting omvant ook de spraakbediening. De telefoon wordt d.m.v. de Bluetooth technologie gekoppeld bladzijde 144, Bluetooth. Bij auto's die een telefoonhouder* hebben is ook de verbinding via de interface van de adapter mogelijk 12) bladzijde 146, Telefoongesprekken met behulp van de adapter* bedienen.. Bestanddeel van de telefoonvoorbereiding met spraakbesturing is een intern telefoonboek. In het interne telefoonboek zijn 1500 vrije geheugenplaatsen beschikbaar. Dit interne telefoonboek is niet afhankelijk van het gebruikte type mobiele telefoon. Het volume kunt u op ieder moment d.m.v. de knop van de radios* of met de functietoetsen op het multifunctioneel stuurwiel* wijzigen. Als het systeem komt met de melding the phone is not ready (telefoon niet actief), moet de status van de telefoon als volgt worden gecontroleerd: Is de telefoon ingeschakeld? Is de pincode ingetoetst? Dialoog De periode waarin het telefoonsysteem in staat is spraakcommando's aan te nemen en de spraakcommando's uit te voeren wordt DIALOOG genoemd. Het systeem geeft akoestische (gesproken) terugmeldingen en leidt u zo nodig door de betreffende functies. U kunt het gesprek op ieder moment door de PTT-toets op de adapter* bladzijde 146 of het multifunctioneel stuurwiel* beginnen of beëindigen bladzijde 147. De dialoog wordt altijd na het uitvoeren van een handeling automatisch beëindigd, bijv. na het wissen van een naam uit het telefoonboek. 11) Bij geplaatste telefoon met adapter* in de telefoonhouder. 12) Geldt niet voor adapter Bluetooth only bladzijde 146. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
146 144 Communiceren Bij een inkomend gesprek wordt de dialoog direct gestopt enb u kunt het gesprek met de toets op het multifunctioneel stuurwiel* bladzijde 147 of d.m.v. de toets voor inkomend gesprek direct op uw telefoon aannemen. Als een spraakcommando niet wordt herkend, antwoordt het systeem met Pardon? en kunt u opnieuw invoeren. Na de 2e poging herhaalt het systeem de hulp. Na de 3e poging volgt het antwoord Cancel en de dialoog wordt beëindigd. De optimale verstaanbaarheid van de spraakcommando's is afhankelijk van de volgende factoren: Spreek met een normale toon zonder overmatige klemtoon en pauzes. Vermijd een verkeerde uitspraak. Sluit de portieren, de ruiten en het schuifdak, om storende buitengeluiden te dempen of tegen te gaan. Bij hogere snelheden adviseren wij, harder te praten, om boven het hogere omgevingsgeluid uit te komen. Voorkom tijdens de dialoog andere geluiden in de auto, bijv. door gelijktijdig pratende inzittenden. Niet praten als het systeem een mededeling geeft. De microfoon voor de spraakcommando's is gericht naar de bestuurder en de voorpassagier. Hierdoor kunnen zowel de bestuurder als de voorpassagier de telefoon bedienen. Besteed in eerste instantie uw aandacht aan het verkeer! Als bestuurder draagt u de volle verantwoordelijkheid voor verkeersveiligheid. Gebruik het telefoonsysteem alleen dan als u uw auto op elk moment volledig onder controle hebt. kwaliteit van de zend- en ontvangstsignalen terugloopt. Bovendien wordt het laden van de accu van de mobiele telefoon onderbroken. Aanwijzing Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 143, Mobiele telefoons en mobilofoons. Als u vragen heeft, verzoeken wij u contact op te nemen met uw erkende Škodadealer. Bluetooth De Bluetooth technologie dient voor koppeling zonder bekabeling van een mobiele telefoon aan het handsfreesysteem van uw auto. Om een mobiele telefoon met behulp van Bluetooth aan het handsfreesysteem te koppelen is het noodzakelijk de telefoon en het handsfreesysteem aan elkaar aan te passen. Specifiekere informatie hieromtrent staat in de handleiding van uw mobiele telefoon. Voor de koppeling dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden: Schakel het contact in. Selecteer op de mobiele telefoon Bluetooth en het menu waarmee uw mobiele telefoon naar Bluetooth apparaten zoekt. Als het handsfreesysteem zich op het display van de mobiele telefoon meldt met SKODA_BT, moet binnen 30 seconden de PIN 1234 worden ingevoerd en moet worden gewacht tot de koppeling tot stand is gebracht. 13) Voorzichtig! Het uit de adapter nemen van de mobiele telefoon tijdens het gesprek kan leiden tot het verbreken van de verbinding. Door het uit de adapter nemen wordt de verbinding met de af fabriek gemonteerde antenne onderbroken, waarmee de 13) De meeste mobiele telefoons beschikken over een menu waarbij de machtiging voor de Bluetooth -verbinding plaatsvindt door het invoeren van een code. Als de invoer voor de autorisering nodig is, moet deze altijd bij het opnieuw herstellen van de Bluetooth-verbinding plaatsvinden.
147 Communiceren 145 Gedurende de aankoppeling van de mobiele telefoon met het handsfreesysteem door gebruik te maken van Bluetooth mag via het handsfreesysteem geen andere telefoond met Bluetooth verbonden zijn. Maximaal drie mobiele telefoons kunnen via Bluetooth worden gekoppeld aan het handsfreesysteem, waarbij alleen een mobiele telefoon via Bluetooth kan communiceren met het handsfreesysteem. Als een vierde mobiele telefoon wordt gekoppeld aan het handsfreesysteem wordt die telefoon ontkoppeld die het langst niet meer werd gebruikt in combinatie met het handsfreesysteem Bluetooth. Bluetooth -Verbinding herstellen Na het inschakelen van het contact wordt de Bluetooth-koppeling bij de al aangepaste mobiele telefoons automatisch tot stand gebracht 13). Controleer op het mobiele systeem, of de automatische verbingding gemaakt is. Bluetooth -Verbinding verbreken Nadat de contactsleutel uit het contactslot is genomen, wordt de Bluetooth - koppeling verbroken. Besteed in eerste instantie uw aandacht aan het verkeer! Als bestuurder draagt u de volle verantwoordelijkheid voor verkeersveiligheid. Gebruik het telefoonsysteem alleen dan als u uw auto op elk moment volledig onder controle hebt - kans op ongevallen! Bij het transport door de lucht moet de Bluetooth -functie van het handsfreesysteem door een Škoda-dealer worden uitgeschakeld! Aanwijzing Geldt niet voor alle mobiele telefoons die kunnen communiceren via Bluetooth. Of uw telefoon compatibel is met een universele telefoonvoorbereiding GSM II, kunt u bij de erkende Škoda dealer vragen. Gebruik uw mobiele telefoon uitsluitend met de hiertoe geschikte adapter, om de straling in de auto zo gering mogelijk te houden. Het plaatsen van de mobiele telefoon in de adapter garandeert een optimale zend- en ontvangstcapaciteit en biedt gelijktijdig het voordeel van het continu laden van de batterij. Houd er rekening mee dat de reikwijdte van de Bluetooth -verbinding met het handsfreesysteem is beperkt tot het interieur van de auto. De reikwijdte is ook van lokale omstandigheden, zoals bijv. obstakels tussen de apparaten en van de interferentie met andere apparatuur afhankelijk. Als de mobiele telefoon bijv. in de binnenzak van een jack zit, kan dit tot problemen bij het tot stand brengen van de Bluetooth -koppeling met het handsfreesysteem of bij de dataoverdracht leiden. Telefoon met de adapter aanbrengen* Voorzichtig! Het uit de adapter nemen van de mobiele telefoon tijdens het gesprek kan leiden tot het verbreken van de verbinding. Door het uit de adapter nemen wordt de verbinding met de af fabriek gemonteerde antenne onderbroken, waarmee de kwaliteit van de zend- en ontvangstsignalen terugloopt. Bovendien wordt het laden van de accu van de mobiele telefoon onderbroken. Afb. 153 Universele voorbereiding voor de telefoon Af fabriek wordt alleen een telefoonhouder* meegeleverd. Een adapter voor de telefoon kunt u bij uw Škoda dealer uit het originele Škoda accessoireprogramma kopen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
148 146 Communiceren Telefoon met de adapter aanbrengen Schuif eerst de adapter A in de richting van de pijl bladzijde 145, afb. 153 tot aan de aanslag in de houder. Druk de adapter voorzichtig naar beneden tot deze goed vastklikt. Plaats de telefoon in de adapter A (volgens de handleiding van de fabrikant). Telefoon met adapter uit houder nemen Druk gelijktijdig de vergrendelingen aan de zijkant van de houder in en neem de telefoon met de adapter hieruit bladzijde 145, afb Telefoongesprekken met behulp van de adapter* bedienen. Afb. 154 Afbeelding: Adapter met een toets Afb. 155 Afbeelding: Adapter met twee toetsen De spraakbediening van de telefoon wordt door het kort indrukken van de toets PTT (push to talk) op de adapter afb. 154 resp. afb Indien u de adapter met de telefoon in de telefoonhouder plaatsen, verbindt het handsfreesysteem d.m.v. de interface van de adapter zich met de telefoon. Indien de telefoon met handsfreesysteem via Bluetooth verbonden is, wordt deze verbindin onderbroken. Adapter Bluetooth only Bij de adapters die de opschrift Bluetooth only hebben, gebeurt de communicatie tussen de telefoon en het handsfreesysteem van uw auto uitsluitend d.m.v. de Bluetooth technologie. Indien een dusdanig gemarkeerde adapter in de telefoonhouder geplaatst is, dient deze alleen voor het naladen van de telefoon en het overdragen van het signaal op de buitenantenne. Op sommige adapters is er behalve de PTT toets een SOS toets afb Deze toets heeft geen functie. Aanwijzing De afgebeelde adapters zijn slechts voorbeelden.
149 Communiceren 147 Bediening van de telefoon op het multifunctioneel stuurwiel* Afb. 156 Multifunctioneel stuurwiel: Bedieningstoetsen voor de telefoon Zodat de bestuurder bij het bedienen van de telefoon zo weinig mogelijk afgeleid wordt van het verkeer, zijn er op het stuurwiel toetsen voor de eenvoudige bediening van de basis functies van de telefoon aangebracht afb Dit geldt alhoewel alleen, als uw auto vanuit de fabriek is uitgerust met telefoon voorbereiding. Is het parkeerlicht ingeschakeld, dan zijn ook de toetsen op het multifunctionele stuurwiel verlicht. Overzicht van de verschillende functies tegenover het multifunctionele stuurwiel zonder telefoonbediening bladzijde 140. Toets Actie Functie A1 A1 even indrukken: naar boven draaien Activering en deactivering van de spraakbediening (PTT toets - Push to talk) Geluidsvolume verhogen A1 A2 A2 A3 A3 A4 A4 A4 A4 naar onder draaien even indrukken lang drukken even indrukken lang drukken even indrukken: lang drukken naar boven draaien naar onder draaien Geluidsvolume verlagen Gesprek aannemen, gesprek beeindigen, invoer in het hoofdmenu van de telefoon, lijst van gekozen nummers Gesprek afwijzen, invoer in het hoofdmenu van de telefoon, lijst van gekozen nummers Teruggang in het menu voor een hoger niveau (afhankelijk van de actuele positie in het menu) Teruggang in het hoofdmenu van het informatiedisplay Menukeuze bevestigen Bevestiging van het geselecteerde menupunt, volgende beginletters in het telefoonboek Het laatst gekozen menu, Naam De volgende menukeuze, Naam De toetsen bediende de functies voor de modus waarin de telefoon staat. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
150 148 Communiceren Telefoon via het informatiedisplay* bedienen Het display van de teksten in het menu Telephone (telefoon) is in een van de volgende talen mogelijk: Tsjechisch, Engels, Duits, Frans, Italiaans, Spaans en Russisch. Wanneer u met behulp van het kantelwiel A4 het menupunt telephone (telefoon) op het informatiedisplay kiest, kunt u de volgende menupunten kiezen: Phone book (Telefoonboek) Last calls (Laatste oproepen) Received calls (Ontvangen oproepen) Missed calls (Gemiste oproepen) Phone book (Telefoonboek) In het menupunt Phone book (telefoonboek) is de lijst met de gedownloade contacten uit het telefoongeheugen en de SIM kaart van de mobiele telefoon. In het interne telefoonboek zijn 1500 vrije geheugenplaatsen beschikbaar. Spraakcommando's Bij auto's die af fabriek een navigatiesysteem* met spraakbediening hebben, is de spraakbediening alleen via het navigatiesysteem* mogelijk. De beschrijving van de spraakbediening staat in de handleiding van uw navigatiesysteem*. De spraakbediening is in een van de volgende talen mogelijk: Tsjechisch, Engels, Duits, Frans, Italiaans en Spaans. Spraakcommando's voor bediening telefoon Spraakcommando ENTER PIN/ENTER PIN CODE DIAL NUMBER REDIAL Activiteit Na dit commando kan de pincode van de telefoon worden ingetoetst bladzijde 149. Na dit commando kan een telefoonnummer worden gegeven waarmee de verbinding met de gewenste deelnemer tot stand wordt gebracht bladzijde 150. Na dit commando wordt het laatst gekozen telefoonnummer opnieuw gekozen bladzijde 150. Spraakcommando's voor de bediening van het interne telefoonboek Spraakcommando STORE/SAVE/NAMES/N AME/NUMBER DIAL NAMES/NAME DELETE NAMES/NAME LISTEN/PLAY PHONE- BOOK DELETE PHONEBOOK Activiteit (zie hoofdstuk intern gesproken telefoonboek* in de handleiding) Na dit commando kan een naam met het telefoonnummer in het geheugen van het interne telefoonboek worden opgeslagen bladzijde 150. Na dit commando kan een telefoonnummer, dat met de genoemde naam in het geheugen van het interne telefoonboek werd opgeslagen, worden gekozen bladzijde 151. Na dit commando kan een naam in het interne telefoonboek worden gewist bladzijde 151. Na dit commando kan het interne telefoonboek worden beluisterd bladzijde 153. Na dit commando kan het complete interne telefoonboek of een naam worden gewist bladzijde 152.
151 Communiceren 149 Andere mogelijke commando's Spraakcommando DIAL STORE/SAVE REDIAL BACK DELETE Activiteit Het telefoonnummer wordt gekozen. Bij de naam in het telefoonboek die op het display gekozen is, wordt een spraakopname voor het kiezen m.b.v. het spraakcommando resp. de ingevoerde PINcode opgeslagen. De ingetoetste naam of het telefoonnummer wordt herhaald. Het systeem vraagt vervolgens om eventueel please proceed cijfers of commando's in te voeren. De ingevoerde naam of de laatst ingevoerde serie cijfers wordt gewist. De vooraf ingevoerde cijferblokken worden herhaald. Het systeem vraagt vervolgens om eventueel please proceed cijfers of commando's in te voeren. Alle ingevoerde cijfers worden gewist. Het systeem vraagt vervolgens per spraakcommando The number is deleted. The number please om het invoeren van cijfers of een commando. Voor de ingebruikneming van het systeem moet er een pincode worden ingevoerd. Druk op de PTT-toets. Na de toon moet het commando ENTER PIN/ENTER PIN CODE worden gegeven. Het invoeren van de pincode is alleen mogelijk als: het contact ingeschakeld is, de telefoon in de houder is geplaatst, de telefoon zijn ingeschakeld. Toegestaan zijn de cijfers nul tot negen Het systeem herkent geen samengevoegde cijfercombinaties zoals bijv. drieëntwintig, maar alleen afzonderlijk gesproken cijfers (twee, drie). Na elke cijfervolgorde (gescheiden door een korte pauze) worden de herkende cijfers herhaald. Aanwijzingen voor het invoeren van de pincode Bij het invoeren van een pincode met meer dan 8 cijfers meldt het systeem zich met The PIN is too long. Bij het invoeren van een verkeerde pincode meldt het systeem zich met The PIN is incorrect. Als drie keer achter elkaar de verkeerde pincode wordt ingevoerd, wordt deze kaart geblokkeerd. Met behulp van de persoonlijke deblokkeringscode PUK (Personal Unblock Key) kan de SIM-kaart worden gedeblokkeerd. De deblokkeringscode kan alleen via het telefoontoetsenpaneel en niet via spraak worden ingevoerd. Voorbeeld voor het invoeren van de pincode CANCEL De dialoog wordt beëindigd. Spraakcommando Mededeling ENTER PIN/ENTER PIN CODE The PIN please?. Pincode intoetsen bijv. ZERO ONE TWO THREE Zero One Two Three. Als er geen invoer plaatsvindt, verschijnt na ca. 5 seconden de volgende mededeling. Possible commands are: store, repeat, back, delete, or more digits. The PIN is saved. STORE/SAVE (einde dialoog) Na dit commando kan de pincode worden ingevoerd. U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
152 150 Communiceren Nummer kiezen Druk op de PTT-toets. Spreek na de signaaltoon het commando DIAL NUMBER in. Na het invoeren van dit commando vraagt het systeem u een telefoonnummer in te voeren. Het telefoonnummer kan als een aaneengesloten gesproken cijferreeks (volledig nummer), in de vorm van cijferreeksen (gescheiden door korte spraakpauzes) of door afzonderlijk ingesproken cijfers worden ingevoerd. Na elke cijfervolgorde (gescheiden door een korte pauze) worden de herkende cijfers herhaald. Toegestaan zijn de cijfers nul tot negen Het systeem herkent geen samengevoegde cijfercombinaties zoals bijv. drieëntwintig, maar alleen afzonderlijk gesproken cijfers (twee, drie). Wanneer u meer dan 20 nummers ingeeft, meldt het systeem: The number is too long. Voor de 20 cijfers kan voor een internationaal gesprek als extra een plus (+) worden aangebracht. Voorbeeld voor het invoeren van een telefoonnummer Spraakcommando Mededeling DIAL NUMBER The number please. bijv. ZERO SIX ZERO THREE Zero Six Zero Three. Als er geen invoer plaatsvindt, verschijnt na ca. 5 seconden de volgende mededeling. Possible commands are: dial, repeat, back, delete, or more digits. FIVE SEVEN TWO Five Seven Two. The number is being dialled (het nummer wordt DIAL gekozen). U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Herhalen Druk op de PTT-toets. Spreek na de signaaltoon het commando REDIAL in. Na dit gesproken commando wordt het laatste via spraakcommando gekozen nummer opnieuw gekozen. Voorbeeld van opnieuw kiezen van het nummer Spraakcommando REDIAL U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Interne gesproken telefoonboek* Naam opslaan Mededeling The number is being dialled (het nummer wordt gekozen). Druk op de PTT-toets. Spreek na de signaaltoon het commando STORE/SAVE NAMES/NAME/NUMBER Na het uitspreken van dit commando vraagt het systeem u een naam en een telefoonnummer in te spreken, die in het interne gesproken telefoonboek moeten worden opgeslagen. In het interne gesproken telefoonboek kunnen maximaal 50 nummers/namen worden opgeslagen. Het telefoonnummer kan als een aaneengesloten gesproken cijferreeks (volledig nummer), in de vorm van cijferreeksen (gescheiden door korte spraakpauzes) of door afzonderlijk ingesproken cijfers worden ingevoerd. Na elke cijfervolgorde (gescheiden door een korte pauze) worden de herkende cijfers herhaald.
153 Communiceren 151 Toegestaan zijn de cijfers nul tot negen Het systeem herkent geen samengevoegde cijfercombinaties zoals bijv. drieëntwintig, maar alleen afzonderlijk gesproken cijfers (twee, drie). Wanneer u meer dan 20 nummers ingeeft, meldt het systeem: The number is too long. Voor de 20 cijfers kan bovendien een plus (+) worden aangebracht. Het in het geheugen opgeslagen nummer wordt op het informatiedisplay* met een ster voor de naam weergegeven. Bij gelijkluidende namen moeten bovendien extra gegevens (bijv. voornaam) worden opgeslagen. Voorbeeld voor het opslaan in het interne gesproken telefoonboek Spraakcommando Mededeling STORE/SAVE/NAMES/NAM E/NUMBER The name please. FIRMA XYZ Please repeat the name. FIRMA XYZ The number please. ZERO ONE TWO THREE Zero One Two Three. FOUR FIVE SIX Four Five Six. Als er geen invoer plaatsvindt, verschijnt na ca. 5 seconden de volgende mededeling. Possible commands are: store, repeat, back, delete, or more digits. STORE/SAVE The name FIRMA XYZ is saved. U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Spreek na de signaaltoon het commando DIAL NAMES/NAME in. Na het geven van dit commando is er de mogelijkheid een in het geheugen opgeslagen nummer/naam uit het interne gesproken telefoonboek te kiezen. Voorbeeld voor het kiezen van een naam/nummer uit het interne gesproken telefoonboek Spraakcommando Mededeling DIAL NAMES/NAME The name please. FIRMA XYZ Firma xyz. Als er geen invoer plaatsvindt, verschijnt na ca. 5 seconden de volgende mededeling. Possible commands are: dial, redial, back. The number is being dialled (het nummer DIAL wordt gekozen). U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Naam wissen Druk op de PTT-toets. Spreek na de signaaltoon het commando DELETE NAMES/NAME in. Na het uitspreken van dit commando is er de mogelijkheid een in het geheugen opgeslagen nummer/naam in het interne telefoonboek te wissen. Naam kiezen Druk op de PTT-toets. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
154 152 Communiceren Voorbeeld voor het wissen van een naam uit het interne telefoonboek Spraakcommando DELETE NAMES/NAME FIRMA XYZ YES Mededeling The name please. U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Als de gebruiker antwoordt met NO, antwoordt het systeem met Cancel en de dialoog wordt beëindigd. Gesproken telefoonboek wissen Do you want to delete the entry Firma XYZ?. Delete?. Als er geen invoer plaatsvindt, verschijnt na ca. 5 seconden de volgende mededeling. YES Possible commands are: yes, no, repeat, back. The name is deleted. Druk op de PTT-toets. Spreek na de signaaltoon het commando DELETE PHONEBOOK in. Na het uitspreken van dit commando bestaat de mogelijkheid het complete interne gesproken telefoonboek of losse opgeslagen namen uit het interne telefoonboek te wissen. Voorbeeld voor het wissen van het complete telefoonboek Spraakcommando DELETE PHONEBOOK Mededeling Do you want to delete the whole phonebook?. Als er geen invoer plaatsvindt, verschijnt na ca. 5 seconden de volgende mededeling. YES YES Possible commands are: yes, no, repeat. Are you sure?. The phonebook is deleted. U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Voorbeeld voor het wissen van een enkele naam uit het interne telefoonboek Spraakcommando DELETE PHONEBOOK Mededeling Do you want to delete the whole phonebook? Als er geen invoer plaatsvindt, verschijnt na ca. 5 seconden de volgende mededeling. NO Bij het dicteren van de te wissen invoer drukt u de PTT-toets in. Possible commands are: yes, no, repeat. Het telefoonboek wordt voorgelezen. Do you want to delete the entry (naam)? Als er geen invoer plaatsvindt, verschijnt na ca. 5 seconden de volgende mededeling.
155 Communiceren 153 Spraakcommando YES Zolang het telefoonboek wordt voorgelezen, kunnen door het indrukken van de PTT-toets meerdere namen worden gewist. U kunt op elk moment de dialoog door middel van het spraakcommando CANCEL beëindigen. Telefoonboek beluisteren Druk op de PTT-toets. Spreek na de signaaltoon het commando LISTEN/PLAY PHONE- BOOK in. Na het uitspreken van dit commando wordt het interne gesproken telefoonboek door het systeem voorgelezen. Door het indrukken van de PTT-toets bij het uitspreken van de gewenste naam wordt het betreffende telefoonnummer gekozen, het systeem meldt: The number is being dialled (het nummer wordt gekozen). Universele telefoonvoorbereiding GSM III* Inleiding Mededeling Possible commands are: yes, no. The name is deleted. Het voorlezen van het telefoonboek wordt vervolgd. Op deze manier kunt u volledig profiteren van de voordelen van een gewone telefoon ( handsfree bellen via een in de auto ingebouwde microfoon, optimale transmissiemogelijkheden met buitenantenne enz.). Deze uitrusting omvant ook de spraakbediening. De telefoon wordt onder aanwendeing van rsap-profielen - Remote SIM access profile (remote uitzending van de SIM data) via Bluetooth technologie gekoppelt, wanneer uw telefoon dti profiel ondersteund. Deze uitrusting omvat de volgende functie's: Aanduding van de SMS tekst op het informatiedisplay. Handsfree spreken in het interieur van de auto. MUTE signaal op de radio. Spraakbediening (met de instelmogelijkheid van korte en lange dialogen, afhankelijk van de kennis van de gebruiker van de bedienings structuur). Comfort bediening met het multifunctionele stuurwiel en weergave op het informatiedisplay. Handsfreesysteem. De spraakbediening van de telefoon wordt door het drukken van de toets PTT op het multifunctionele stuurwiel geactiveerd bladzijde 156, afb Bestanddeel van de universele telefoonvoorbereiding GSM III met spraakbediening is een intern telefoonboek. In het interne telefoonboek zijn 1000 vrije geheugenplaatsen beschikbaar. Dit interne telefoonboek is niet afhankelijk van het gebruikte type mobiele telefoon. Daarnaast kan het geluidsvolume op elk moment individueel met behulp van de volumeknop op de radio of bij auto's met multifunctiestuurwiel* met behulp van de functietoetsen op het stuurwiel worden gewijzigd. Dialoog De periode waarin het telefoonsysteem in staat is spraakcommando's aan te nemen en de spraakcommando's uit te voeren wordt DIALOOG genoemd. Het systeem geeft akoestische (gesproken) terugmeldingen en leidt u zo nodig door de betreffende functies. U kunt op elk gewenst moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets starten of beëindigen. De dialoog wordt altijd na het uitvoeren van een handeling automatisch beëindigd, bijv. na het wissen van een naam uit het telefoonboek. Bij een inkomend gesprek wordt de dialoog direct onderbroken en kunt u het gesprek met de toets aannemen. Als een spraakcommando niet wordt herkend, antwoordt het systeem met Pardon? en kunt u opnieuw invoeren. Na de 2e poging herhaalt het systeem de hulp. Na de 3e poging volgt het antwoord Cancel en de dialoog wordt beëindigd. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
156 154 Communiceren De optimale verstaanbaarheid van de spraakcommando's is afhankelijk van de volgende factoren: Spreek met een normale toon zonder overmatige klemtoon en pauzes. Vermijd een verkeerde uitspraak. Sluit de portieren, de ruiten en het schuifdak, om storende buitengeluiden te dempen of tegen te gaan. Bij hogere snelheden adviseren wij, harder te praten, om boven het hogere omgevingsgeluid uit te komen. Voorkom tijdens de dialoog andere geluiden in de auto, bijv. door gelijktijdig pratende inzittenden. Niet praten als het systeem een mededeling geeft. De microfoon voor de spraakbediening is in het bovendeel aangebracht en is gericht op de bestuurder en de voorpassagier. Hierdoor kunnen zowel de bestuurder als de voorpassagier de telefoon bedienen. Besteed in eerste instantie uw aandacht aan het verkeer! Als bestuurder draagt u de volle verantwoordelijkheid voor verkeersveiligheid. Gebruik het telefoonsysteem alleen dan als u uw auto op elk moment volledig onder controle hebt. Aanwijzing Als u vragen heeft, verzoeken wij u contact op te nemen met uw erkende Škodadealer. Neem de verdere aanwijzingen in acht bladzijde 143, Mobiele telefoons en mobilofoons. Bluetooth Deze uitrusting maakt het mogelijk om de draadloze verbinding met een telefoon en de Bluetooth functie die het rsap profiel ondersteund. Afsluiten van de verbinding Schakel het contact in. Wanneer u op uw telefoon Bluetooth niet hebt ingeschakeld, schakel het in. Met enkele mobiele telefoons is het noodzakelijk om eerst de rsap functie in te schakelen. Druk de toets op het multifunctionele stuurwiel en kies zoeken voor uitrusting. Het systeem zoekt naar mobiele uitrustingen en toont deze aan op het informatiedisplay*. Zoek via het draaien van het kantelwiel uw telefoon op het informatiedisplay uit en kies het door het drukken van het kantelwiel. Geef in uw telefoon binnen 30 seconden de 16 delige PIN van de controle in, die op het informatiedisplay* vertoond worden, en bevestig deze volgens de aanduiding op het display van uw telefoon. Wanneer uw SIM kaart door een PIN code geblokkeers is, voert u de PIN van de SIM kaart van uw telefoon in. De telefoon wordt gekoppeld aan de controle (bij de eerste verbinding kan alleen op het informatiedisplay* en met stilstaande auto kiezen, of de PIN opgeslagen wordt). Voor de eerste opslag van een nieuwe gebruiker, volgt u de aanwijzingen op het informatiedisplay. Om het telefoonboek te downloaden en de identificatie data van de SIM kaart in de controle te bevestigen vernieuw de aanvraag rsap in uw mobiele telefoon. Het systeem voert het telefoonboek in Wanneer u niet bij elke aansluiting van de telefoon met de controle het verzoek rsap wilt bevestigen, dan voert u in het menu vande mobiele telefoon een authorisatie met de controle door. De telefoon meldt zich af van het GSM net, voor de communicatie met het net zorgt nu alleen de controle. In de telefoon blijft alleen de interface voor Bluetooth
157 Communiceren 155 actief. In dit geval kan men alleen het verwijderen van de eenheid, het uitschakelen van de Bluetooth verbinding of het noodgeval nummer 112 kiezen. Wanneer de PIN wordt opgeslagen, komt bij het volgende inschakelen van het contact, het automatisch zoeken en verbinden van de telefoon. Controleer op de mobiele telefoon, of de automatische verbingding gemaakt is. Koppeling beeindigen De verbinding met het handsfreesysteem via Bluetooth wordt beeindigt: Door de sleutel uit het contact te nemen (gedurende een telefoongesprek wordt de verbinding niet verbroken). Door het uitschakelen van Bluetooth in de mobiele telefoon. Door het kiezen van telefoon verwijderen in het menu van de mobiele telefoon. Bij auto's die van de fabriek uitgerust zijn met radio of navigatie, is het mogelijk de telefoon na het uitnemen van de sleutel uit het contact door het aantikken van de pictogrammen op het toetsscherm van de radio 14) resp. de navigatie te beeindige, zie de gebruiksaanwijzing voor radio resp. voor navigatie. Wanneer het telefoonboek van de mobiele telefoon meer dan indragen bevat, meldt het systeem bij het downloaden laden van het telefoonboek mislukt. Bij het aansluiten aan de controle volgt u de aanwijzingen op uw mobiele telefoon. Houd er rekening mee dat de reikwijdte van de Bluetooth -verbinding met het handsfreesysteem is beperkt tot het interieur van de auto. De reikwijdte is ook van lokale omstandigheden, zoals bijv. obstakels tussen de apparaten en van de interferentie met andere apparatuur afhankelijk. Besteed in eerste instantie uw aandacht aan het verkeer! Als bestuurder draagt u de volle verantwoordelijkheid voor verkeersveiligheid. Gebruik het telefoonsysteem alleen dan als u uw auto op elk moment volledig onder controle hebt - kans op ongevallen! Bij het transport door de lucht moet de Bluetooth -functie van het handsfreesysteem door een Škoda-dealer worden uitgeschakeld! Aanwijzing In het geheugen van de control kunnen tot drie gebruikers opgeslagen worden, waarbij het handsfreesysteem altijd slecht met een actief communiceren kan. In het geval van het tergelijkertijd koppelen van een vierde mobiele telefoon, moet u een gebruiker verwijderen. 14) Geldt niet voor de Radio Swing. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
158 156 Communiceren Bediening van de telefoon op het multifunctioneel stuurwiel* Afb. 157 Multifunctioneel stuurwiel: Bedieningstoetsen voor de telefoon Zodat de bestuurder bij het bedienen van de telefoon zo weinig mogelijk afgeleid wordt van het verkeer, zijn er op het stuurwiel toetsen voor de eenvoudige bediening van de basis functies van de telefoon aangebracht afb Dit geldt alhoewel alleen, als uw auto vanuit de fabriek is uitgerust met telefoon voorbereiding. Is het parkeerlicht ingeschakeld, dan zijn ook de toetsen op het multifunctionele stuurwiel verlicht. Overzicht van de verschillende functies tegenover het multifunctionele stuurwiel zonder telefoonbediening bladzijde 140.
159 Communiceren 157 Toets Actie Functie A1 A1 A1 A1 A2 A2 A3 A3 A4 A4 A4 A4 A4 A4 even indrukken: lang drukken naar boven draaien naar onder draaien even indrukken lang drukken even indrukken lang drukken even indrukken: lang drukken naar boven draaien naar onder draaien snel naar boven draaien snel naar onder draaien Activering en deactivering van de spraakbediening (PTT toets - Push to talk) Geluidsvolume verhogen Geluidsvolume verlagen Gesprek aannemen, gesprek beeindigen, invoer in het hoofdmenu van de telefoon, lijst van gekozen nummers Gesprek afsluiten, lijst van de laatste oproepen, invoer in het hoofdmenu van de telefoon, lijst van gekozen nummers Teruggang in het menu voor een hoger niveau (afhankelijk van de actuele positie in het menu) Teruggang in het hoofdmenu van het informatiedisplay Menukeuze bevestigen Het laatst gekozen menu, Naam De volgende menukeuze, Naam Naar de vorige beginletter in het telefoonboek Naar de volgende beginletter in het telefoonboek De toetsen bediende de functies voor de modus waarin de telefoon staat. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
160 158 Communiceren Telefoon via het informatiedisplay* bedienen Het display van de teksten in het menu Telephone (telefoon) is in een van de volgende talen mogelijk: Tsjechisch, Engels, Duits, Frans, Italiaans, Spaans en Portugees. Wanneer u met behulp van het kantelwiel A4 het menupunt telephone (telefoon) op het informatiedisplay kiest, kunt u de volgende menupunten kiezen: Phone book (Telefoonboek) Dial number (Draai nummer) Call register (Oproeplijst) Voice mailbox (Voice mailbox) Messages (Boodschappen) Bluetooth (Bluetooth) Settings (Instellingen) Back (Terug) Afb. 158 Informatiedisplay: Menu telefoon Phone book (Telefoonboek) In het menupunt Phone book (telefoonboek) is de lijst met de gedownloade contacten uit het telefoongeheugen en de SIM kaart van de mobiele telefoon. In het interne telefoonboek zijn 1000 vrije geheugenplaatsen beschikbaar. Dial number (Draai nummer) In het menupunt Dial number (Draai nummer) kunt u telefoonnummers opslaan. Met behulp van het kantelwiel kiest u na elkaar de gewenste nummers en bevestig deze door het drukken op het kantelwiel. U kunt de nummers 0-9, de symbolen *,# en de functies Delete (Verwijder), Call (Oproep), Cancel (Afbreken) kiezen. Call register (Oproeplijst) In het menupunt Call register (Oproeplijst) kunt u de volgende menupunten kiezen: Missed calls (Gemiste oproepen) Received calls (Ontvangen oproepen) Last calls (Laatste oproepen) Delete lists (Verwijder lijsten) Voice mailbox (Voice mailbox) In het menupunt Voice mailbox (Voice mailbox) is een lijst van de gemiste oproepen aanwezig. Messages (Boodschappen) In het menupunt Messages (Boodschappen) is een lijst van de ingekomen tekst boodschappen. Bluetooth (Bluetooth) In het menu Bluetooth (Bluetooth) kunt u de volgende items kiezen: User (Gebruiker) - het overzicht van de opgeslagen gebruiker New user (Nieuwe gebruiker) - zoeken voor gebruikers die zich in het ontvangstbereik bevinden Visibility (Zichtbaarheid) - Inschakelen van de zichtbaarheid van het telefoonsysteem voor andere systemen Extras (Extra's) Headset Modem Phone name (Telefoonnaam) - de mogelijkheid om de naam van de telefoon te veranderen (vooraf ingesteld als SKODA-rSAP)
161 Communiceren 159 Settings (Instellingen) In het menu Settings (Instellingen) kunt u de volgende items kiezen: Phone book (Telefoonboek) Update (Actualiseren) Select memory (Kies geheugen) SIM & phone (SIM & Mobiele telefoon) SIM card (SIM-Kaart) Mobile phone (Mobiele telefoon) List (Lijst) Surname (Achternaam) Firstname (Vornaam) Own no. send (Eigen Nr. verstuur) - de mogelijkheid om de weergave van het eigen nummer op de opgeroepen uitrusting te onderdrukken Signal settings (Signaalinstellingen) Ring tone (Beltoon) Volume (Volume) Phone settings (Telefoon instellingen) Select operator (Kies de operator) Automatic (Automatisch) Manual (Handmatig) Off time (Off time) + 5 Minutes (+ 5 Minuten) - 5 Minutes (- 5 Minuten) GPRS (GPRS) - Instelling van het toeganspunt van de gebruiker Switch off ph. (telefoon uitschakelen) - het uischakelen van de telefoon (telefoon blijft aangesloten) Back (Terug) Teruggang in het hoofdmenu van het informatiedisplay. Aanwijzing Het display van het menu Telephone (telefoon) en de spraakbediening staan niet in de talen Russisch en Chinees ter beschikking. Spraakcommando's Bij auto's die af fabriek een navigatiesysteem* met spraakbediening hebben, is de spraakbediening alleen via het navigatiesysteem* mogelijk. De beschrijving van de spraakbediening staat in de handleiding van uw navigatiesysteem*. De spraakbediening is in een van de volgende talen mogelijk: Tsjechisch, Engels, Duits, Frans, Italiaans, Spaans en Portugees. Spraakcommando's voor de bediening van de telefoon controle uitrusting Spraakcommando HELP LONG DIALOG SHORT DIALOG DIAL NAME DIAL NUMBER REDIAL Activiteit Na dit commando geeft het systeem alle mogelijke commando's weer. De hulp is niet vermindert (aangepast voor instappers). De hulp is duidelijk verminderd (goede kennis van de bediening wordt verondersteld). Na dit commando kan een naam worden gegeven waarmee de verbinding met de gewenste deelnemer tot stand wordt gebracht bladzijde 161. Na dit commando kan een telefoonnummer worden gegeven waarmee de verbinding met de gewenste deelnemer tot stand wordt gebracht bladzijde 160. Na dit commando kiest het systeem het laatst gedraaide nummer bladzijde 160. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
162 160 Communiceren Andere mogelijke commando's Spraakcommando CALL (DIAL) REDIAL BACK DELETE CANCEL Nummer kiezen Activiteit Het telefoonnummer wordt gekozen. De ingetoetste naam of het telefoonnummer wordt herhaald. Het systeem vraagt vervolgens om eventueel please proceed cijfers of commando's in te voeren. De ingevoerde naam of de laatst ingevoerde serie cijfers wordt gewist. De vooraf ingevoerde cijferblokken worden herhaald. Het systeem vraagt vervolgens via een akoestische output please proceed voor het invoeren van verdere cijfers of commando's. Alle ingevoerde cijfers worden gewist. De dialoog wordt beëindigd. Druk op de toets PTT A1 bladzijde 156, afb Spreek na de signaaltoon het commando DIAL NUMBER in. Na het invoeren van dit commando vraagt het systeem u een telefoonnummer in te voeren. Het telefoonnummer kan als een aaneengesloten gesproken cijferreeks (volledig nummer), in de vorm van cijferreeksen (gescheiden door korte spraakpauzes) of door afzonderlijk ingesproken cijfers worden ingevoerd. Na elke cijfervolgorde (gescheiden door een korte pauze) worden de herkende cijfers herhaald. Toegestaan zijn de cijfers nul tot negen Het systeem herkent geen samengevoegde cijfercombinaties zoals bijv. drieëntwintig, maar alleen afzonderlijk gesproken cijfers (twee, drie). Het gekozen nummer kunt u in aparte nummerblokken of als een geheel nummer ingeven. Wij raden aan om het gekozen nummer in bummerblokken tot drie nummers in te geven. Wanneer u meer dan 20 nummers ingeeft, meldt het systeem: The number is too long. Voor een internationale oproep kunt u voor het begin van het gekozen nummer in plaats van twee nullen het symbool Plus (+) ingeven. Voorbeeld voor het invoeren van een telefoonnummer Spraakcommando DIAL NUMBER bijv. SIX ZERO THREE bijv. ONE TWO THREE FOUR bijv. FIVE SIX CALL (DIAL) U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Herhalen Mededeling The number please Six Zero Three Please proceed! One, Two, Three, Four Please proceed! Five, Six The number is being dialled Als er geen invoer plaatsvindt, verschijnt na ca. 5 seconden de volgende mededeling. Possible commands are: dial, repeat, back eller delete Druk op de toets PTT A1 bladzijde 156, afb Spreek na de signaaltoon het commando REDIAL in. Na dit gesproken commando wordt het laatste via spraakcommando gekozen nummer opnieuw gekozen.
163 Communiceren 161 Voorbeeld van opnieuw kiezen van het nummer Spraakcommando REDIAL U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Interne gesproken telefoonboek* Naam opslaan Druk op de toets. Mededeling In het menu telefoon kiest u het item telefoonboek en in dit item kiest u een contact bij welke u een spraakopname wilt laten en bevestigt dit met het kantelwiel A4. Kies het item opname en daarna opnemen. The number is being dialled Het systeem verzoekt om Store name, The name please. Spreek de naam. bijv. Naam XYZ, het systeem herhaalt de naam. Het systeem geeft de aanduiding Name saved. In het geval dat het systeem de uitgesproken naam niet verstaat, wordt de aanduiding Pardon? aangegeven, Please repeat the name, The name is too short of The name is too long. In het interne gesproken telefoonboek kunnen maximaal 15 nummers/namen worden opgeslagen. Bij gelijkluidende namen moeten bovendien extra gegevens (bijv. voornaam) worden opgeslagen. Spraakcommando's voor de bediening van het spraaktelefoonboek Spraakcommando PLAY ALL NAMES DELETE NAME DELETE ALL NAMES Voorbeeld voor het opslaan in het interne gesproken telefoonboek Spraakcommando STORE NAME Naam XYZ Naam XYZ U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Naam kiezen Druk op de toets PTT A1 bladzijde 156, afb Spreek na de signaaltoon het commando DIAL NAME in. Na het invoeren van dit commando vraagt het systeem u een naam in te voeren. Voorbeeld voor de selectie van een naam Spraakcommando DIAL NAME Naam XYZ CALL (DIAL) Activiteit Na dit commando geeft het systeem alle opgeslagen namen weer. Na dit commando kunt u een naam ingeven, die u uit het interne spraaktelefoonboek wilt verwijderen. Na dit commando kan u de volledige lijst met opgeslagen namen verwijderen. Mededeling The name please Please repeat the name The name XYZ is saved Mededeling Dial Name Would you like to call XYZ? The name is being dialled Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
164 162 Communiceren In het geval dat de lijst leeg is, verschijnt de mededeling The name list is empty, main menu. Wanneer het systeem de opgeroepen naam niet herkend, wordt het commando Pardon? vertoond om te herhalen. Indien het systeem de op te bellen naam ook na het herhalen niet herkent, verschijnt de mededeling The name is not available. De actuele namenlijst selecteert u met LISTEN TO ALL NAMES, main menu. U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Gesproken telefoonboek afluisteren Druk op de PTT-toets. Spreek na de signaaltoon het commando PLAY ALL NAMES in. Na het uitspreken van dit commanco worden alle spraakopname's uit de lijst van de controle weergegeven. Door het indrukken van de PTT-toets bij het uitspreken van de gewenste naam wordt het betreffende telefoonnummer gekozen, het systeem meldt: The number is being dialled (het nummer wordt gekozen). Voorbeeld voor de selectie van een naam Spraakcommando PLAY ALL NAMES Mededeling Onderbreek met de spraakbedienings toets In het geval dat de lijst leeg is, verschijnt de mededeling The name list is empty.. U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Na de weergave van de volledige lijst meldt het systeem End of list. Invoeringen verwijderen uit het spraaktelefoonboek Druk op de PTT-toets. Spreek na de signaaltoon het commando DELETE NAME in. Na het uitspreken van dit commando is er de mogelijkheid een in het geheugen opgeslagen indrage in het spraaktelefoonboek te wissen. Voorbeeld voor het wissen van een indrage uit het gesproken telefoonboek Spraakcommando DELETE NAME Naam XYZ YES U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Als de gebruiker antwoordt met NO, antwoordt het systeem met Cancel en de dialoog wordt beëindigd. Volledig spraaktelefoon verwijderen Mededeling The name please Would you like to delete XYZ? The name is deleted Druk op de PTT-toets. Spreek na de signaaltoon het commando DELETE PHONEBOOK in. Na het uitspreken van dit commando is er de mogelijkheid het volledige te wissen. Voorbeeld voor het wissen van het complete gesproken telefoonboek Spraakcommando DELETE ALL NAMES YES YES Mededeling Do you want to delete all names? Are you sure? All names have been deleted
165 Communiceren 163 U kunt op elk moment de dialoog door het indrukken van de PTT-toets of door middel van het spraakcommando CANCEL onderbreken. Als de gebruiker antwoordt met NO, antwoordt het systeem met Cancel en de dialoog wordt beëindigd. Cd-wisselaar* Ingangen AUX-IN* en MDI* De ingangen AUX-IN en MDI bevinden zich onder de armleuningen van de voorstoelen. De ingangen AUX-IN en MDI dienen om de externe audiobronnen aan te sluiten (b.v. ipod of mp3-player) en voor het afspelen van de muziek van deze apparaten via de af fabriek ingebouwde radio* of navigatiesysteem*. De beschrijving van de bediening staat in de handleiding van uw radio* of navigatiesysteem*. Aanwijzing De luidsprekers in de auto zijn qua constructie afgestemd op een uitgangsvermogen van radio of navigatiesysteem van 4x20 W. Bij de uitrusting Soundsystem* zijn de luidsprekers op een uitgangsvermogen van de versterker 4x40 W + 6x20 W afgestemd. Afb. 159 Cd-wisselaar De cd-wisselaar voor radio en navigatiesysteem bevindt zich in het rechterzijvak van de bagageruimte. Een cd laden Tip de toets AC aan en schuif de cd (compact disk) in de cd-lade AB. De cd wordt automatisch in de eerst volgende vrije positie in de cdwisselaar geladen. De LED in de betreffende toets AD stopt met knipperen. Alle cd's laden Houd de toets AC ingedrukt en schuif alle cd's achtereenvolgend in de cd-lade AB. De LED's in de toetsen AD knipperen niet meer. Een cd op een bepaalde positie laden Tip de toets AC aan. De LED's in de toetsen AD branden bij de al bezette posities en knipperen bij de vrije posities. Tip de gewenste toets AD aan en schuif de cd in de cd-lade AB. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
166 164 Communiceren Een cd uitwerpen Tip de toets A in om een cd uit te werpen. Voor de bezette plaatsen branden nu de LED's in de toetsen AD. Tip de betreffende toets AD aan. De cd wordt uitgeworpen. Alle cd's uitwerpen Houd de toets A langer dan 2 seconden ingedrukt om de cd's uit te werpen. Alle cd's in de cd-wisselaar worden achtereenvolgend uitgeworpen. Aanwijzing Schuif de cd in de cd-lade AB altijd met de bedrukte zijde naar boven gericht. Druk de cd nooit met geweld in de cd-lade, de cd wordt automatische in de lade getrokken. Na het laden van een cd in de cd-wisselaar moet u even wachten tot de LED van de betreffende toets AD gaat branden. Hierna is de cd-lade AB voor het laden van de volgende cd vrijgegeven. Als u een positie hebt gekozen waar zich al een cd bevindt, wordt deze cd uitgeworpen. Neem de uitgeworpen cd weg en laadt de gewenste cd.
167 Passieve veiligheid 165 Veiligheid Passieve veiligheid Principes Veiligheid komt op de eerste plaats Passieve veiligheidsmaatregelen verlagen het risico op letsel in ongevalssituaties. In dit hoofdstuk vindt u belangrijke informatie, tips en aanwijzingen met betrekking tot het thema passieve veiligheid in uw auto. We hebben hier alles samengevat wat u bijvoorbeeld over veiligheidsgordels, airbags, kinderstoeltjes en de veiligheid van kinderen moet weten. Neem daarom de aanwijzingen en waarschuwing in dit hoofdstuk in acht in uw eigen belang en in het belang van de mede-inzittenden. In dit hoofdstuk staat belangrijke informatie voor de bestuurder en diens passagiers voor de omgang met de auto. Meer informatie met betrekking tot de veiligheid die uw en uw mede-inzittenden aangaan, vindt u in het volgende hoofdstuk in dit instructieboekje. De complete documentatie moet altijd in de auto aanwezig zijn. Dit is vooral belangrijk als u de auto verhuurt of verkoopt. Veiligheidsuitrustingen De veiligheidsuitrustingen maken deel uit van de bescherming voor de inzittenden en kunnen de kans op letsel bij een ongeval reduceren. Uw veiligheid en de veiligheid van uw passagiers mag u niet op het spel zetten. In het geval van een aanrijding kunnen de veiligheidsuitrustingen de kans op letsel reduceren. Bij de onderstaande opsomming staat een deel van de veiligheidsuitrusting die in uw auto is aangebracht: driepunts-veiligheidsgordels voor alle zitplaatsen, Gordelkrachtbegrenzer voor de voorstoelen en de buitenste achterzittingen*, Gordelspanner voor de voorstoelen en de buitenste achterzittingen*, instelling gordelhoogte voor de voorstoelen, voorairbag voor de bestuurder en de voorpassagier, Bestuurder Knie airbag*, voor zijairbags, achter zijairbags*, hoofdairbags*, verankeringspunten voor kinderzitjes met het ISOFIX -systeem verankeringspunten voor kinderzitjes met het Top Tether -systeem, In hoogte instelbare hoofdsteunen, instelbare stuurkolom. De genoemde veiligheidsuitrustingen werken samen om u en uw passagiers in een gevaarlijke situatie de best mogelijke bescherming te bieden. De veiligheidsuitrustingen helpen u of uw passagier niet als u of uw passagiers een verkeerde zithouding innemen of deze uitrustingen niet correct afstellen of gebruiken. Met het oog hierop geven wij u de informatie waarom deze uitrustingen zo belangrijk zijn, hoe zij bescherming bieden, waar bij het gebruik op moet worden gelet en hoe u en uw passagiers het meest effectief gebruik kunnen maken van de aanwezige veiligheidsuitrustingen. Deze handleiding bevat belangrijke waarschuwingen, waarop uw en uw passagiers moeten letten om de kans op letsel te verkleinen. Veiligheid geldt voor iedereen! Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
168 166 Passieve veiligheid Voor elke rit De bestuurder draagt altijd de verantwoording voor zijn passagiers en voor de bedrijfszekerheid van de auto. Voor uw eigen veiligheid en voor de veiligheid van uw passagiers moet voor elke rit op de onderstaande punten worden gelet. Controleer of de verlichting en de knipperlichten correct functioneren. Controleer de bandenspanning. Zorg ervoor dat alle ruiten een goed zicht naar buiten bieden. Zet de meegevoerde bagage goed vast bladzijde 88, Bagageruimte beladen. Controleer of er geen voorwerpen zijn die de bediening van de pedalen kunnen beïnvloeden. Stel de spiegel, de voorstoel en de voorstoel op uw lichaamsgrootte af. Wijs uw passagiers erop dat zij de hoofdsteunen aanpassen aan hun lichaamsgrootte. Bescherm kinderen door middel van een geschikt kinderzitje en een juist gedragen veiligheidsgordel bladzijde 188, Veilig vervoer van kinderen. Neem de juiste zitpositie in bladzijde 166, Juiste zitpositie. Attendeer uw passagiers erop dat ook zij een goede zithouding aannemen. Doe de veiligheidsgordel op de juiste wijze om. Wijs ook uw passagiers erop dat zij de veiligheidsgordel op de juiste wijze moeten dragen bladzijde 172, Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Wat beïnvloedt de rijveiligheid? De rijveiligheid wordt in hoge mate bepaald door de rijstijl en het gedrag van alle inzittenden. Laat uw aandacht niet van het verkeer afleiden, bijv. door passagiers of door een telefoongesprek. Neem nooit plaats achter het stuur als uw rijvaardigheid, bijv. door medicamenten, alcohol, drugs of iets dergelijks wordt beïnvloedt. Houdt u zich aan de verkeersregels en de voorgeschreven snelheden. Pas de rijsnelheid steeds aan de staat van het wegdek, alsmede aan de verkeers- en weersomstandigheden aan. Las tijdens een lange rit regelmatig een pauze in - uiterlijk om de twee uur. Juiste zitpositie Juiste zithouding van de bestuurder De juiste zitpositie van de bestuurder is belangrijk voor veilig en ontspannen rijden. Afb. 160 De juiste afstand van de bestuurder ten opzichte van het stuurwiel Als bestuurder bent u voor uzelf en uw passagiers verantwoordelijk. Als uw rijveiligheid wordt beïnvloed brengt u niet alleen uzelf maar ook de andere verkeersdeelnemers in gevaar. Let dan ook op de volgende aanwijzingen.
169 Passieve veiligheid 167 Vervolg Afb. 161 De juiste instelling van de hoofdsteun van de bestuurder Voor uw eigen veiligheid en om de kans op letsel bij een aanrijding te verkleinen adviseren wij de volgende instelling. Stel het stuurwiel zo af dat de afstand tussen het stuurwiel en het borstbeen minstens 25 cm bedraagt bladzijde 166, afb Stel de bestuurdersstoel in lengterichting zodanig in dat de pedalen met licht gebogen knie geheel kunnen worden ingetrapt. Stel de rugleuning zo af dat u het stuurwiel op het bovenste punt met licht gebogen armen kunt vastpakken. Stel de hoofdsteun zo af dat de bovenzijde van de hoofdsteun, indien mogelijk, op dezelfde hoogte als het bovenste deel van uw hoofd ligt afb Doe de veiligheidsgordel op de juiste wijze om bladzijde 172, Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Handmatige instelling bestuurdersstoel bladzijde 80, Voorstoelen instellen. Elektrische instelling bestuurdersstoel bladzijde 81, Elektrische voorstoelen instellen*. De voorstoelen en alle hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de lichaamsgrootte worden ingesteld, terwijl ook de veiligheidsgordels altijd correct moeten worden gedragen om u en uw passagiers een optimale bescherming te bieden. De bestuurder moet een minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het stuur aanhouden bladzijde 166, afb Als deze minimale afstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Houd tijdens het rijden het stuurwiel met de beide handen aan de zijkant op de buitenrand in de stand van 9 uur en 3 uur vast. Houd het stuurwiel nooit in de 12-uursstand of in een andere stand vast (bijv. in het midden of aan de binnenste stuurwielrand). In een dergelijk geval zou, bij het activeren van de bestuurdersairbag, letsel kunnen worden opgelopen aan armen, handen en hoofd. Tijdens het rijden mag de rugleuning niet te schuin naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordels en de airbags in negatieve zin worden beïnvloed - kans op letsel! Zorg ervoor dat zich geen voorwerpen in de voetenruimte bevinden omdat deze voorwerpen bij een rij- of remactie tussen de pedalen kunnen komen. U zou dan niet in staat zijn te koppelen, te remmen of gas te geven. Juiste zitpositie van de voorpassagier De voorpassagier moet een minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het dashboard aanhouden zodat de airbag bij een activering de grootst mogelijke veiligheid biedt. Voor de veiligheid van de voorpassagier en om de kans op letsel bij een aanrijding te verkleinen adviseren wij de volgende instelling. Zet de stoel van de voorpassagier zo ver mogelijk naar achteren. Stel de hoofdsteun zo af dat de bovenzijde van de hoofdsteun, indien mogelijk, op dezelfde hoogte als het bovenste deel van uw hoofd ligt afb Doe de veiligheidsgordel op de juiste wijze om bladzijde 172, Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Bij wijze van uitzondering kunt de airbag voor de voorpassagier uitschakelen bladzijde 185, Airbag uitschakelen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
170 168 Passieve veiligheid Handmatige instelling voorpassagiersstoel bladzijde 80, Voorstoelen instellen. Elektrische instelling voorpassagiersstoel bladzijde 81, Elektrische voorstoelen instellen*. De voorstoelen en alle hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de lichaamsgrootte worden ingesteld, terwijl ook de veiligheidsgordels altijd correct moeten worden gedragen om u en uw passagiers een optimale bescherming te bieden. De voorpassagier moet een minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het dashboard aanhouden. Als deze minimale afstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Houd de voeten tijdens het rijden altijd in de voetenruimte - leg de voeten nooit op het dashboard, in de ruitsponning of op de zittingen! Bij een remactie of een aanrijding stelt u zich dan aan een verhoogd letselrisico bloot. Bij een inschakeling van de airbag kunt u door de verkeerde zithouding dodelijk letsel oplopen! Tijdens het rijden mag de rugleuning niet te schuin naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordels en de airbags in negatieve zin worden beïnvloed - kans op letsel! Juiste zithouding voor de passagiers op de achterbankzittingen De passagiers op de achterbankzittingen moeten rechtop zitten, de voeten in de voetenruimte houden en de veiligheidsgordels op de juiste wijze dragen. Om de kans op letsel bij plotseling remmen of bij een aanrijding te voorkomen moeten de passagiers op de achterbankzittingen op het volgende letten. Stel de hoofdsteunen zo af dat de bovenzijde van de hoofdsteun, indien mogelijk, op dezelfde hoogte als het bovenste deel van uw hoofd ligt bladzijde 167, afb Doe de veiligheidsgordel op de juiste wijze om bladzijde 172, Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Maak gebruik van een geschikt kinderzitjesysteem als u kinderen in de auto meeneemt bladzijde 188, Veilig vervoer van kinderen. De hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de lichaamsgrootte worden ingesteld om u en uw passagiers een optimale bescherming te bieden. Houd de voeten tijdens het rijden altijd in de voetenruimte - leg de voeten nooit op ruitsponningen of op de zittingen. Bij een remactie of een aanrijding stelt u zich dan aan een verhoogd letselrisico bloot. Bij een inschakeling van de airbag kunt u door de verkeerde zithouding dodelijk letsel oplopen! Als de passagiers op de achterbankzittingen niet rechtop zitten, neemt door het niet goed zitten van de veiligheidsgordel de kans op letsel toe. Voorbeelden van een verkeerde zitpositie Een verkeerde zitpositie kan voor de inzittenden leiden tot ernstig letsel of zelfs tot de dood. Veiligheidsgordels kunnen alleen als deze op de juiste wijze worden gedragen hun optimale bescherming bieden. Verkeerde zithoudingen reduceren de beschermende werking van de veiligheidsgordel aanzienlijk en verhoogt de kans op letsel door een verkeerde loop van de veiligheidsgordel. Als bestuurder draagt u de verantwoording voor uzelf en voor de passagiers, en vooral voor kinderen. Sta nooit toe dat een passagier tijdens het rijden een verkeerde zithouding aanneemt. De volgende opsomming bevat een aantal voorbeelden van welke zithoudingen gevaarlijk zijn voor de inzittenden. Deze opsomming is niet compleet, maar wij willen graag uw interesse voor dit thema opwekken. Daarom nooit tijdens de rit: in de auto gaan staan, op de zittingen staan, op de zittingen knielen,
171 Passieve veiligheid 169 de rugleuning vlak naar achteren leggen, op het dashboard leunen, op de achterbank gaan liggen, alleen op het voorste deel van de zitting gaan zitten, naar opzij gericht plaatsnemen, uit de ruitsponning hangen, de voeten buiten de ruitsponning houden, de voeten op het dashboard leggen, de voeten op het stoelkussen leggen, in de voetenruimte meerijden, zonder omgelegde veiligheidsgordel meerijden, zich in de bagageruimte ophouden. Door een verkeerde zithouding stelt de inzittende zich bloot aan levensgevaarlijk letsel als de airbag wordt geactiveerd en hem hierbij raakt. Neem voor het begin van de rit de juiste zitpositie in en wijzig deze zithouding tijdens de rit niet. Wijs uw passagiers erop dat zij een juiste zithouding aannemen en deze houding ook tijdens de rit niet wijzigen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
172 170 Veiligheidsgordels Veiligheidsgordels Waarom veiligheidsgordels? Bij het vervoer van kinderen moet u rekening houden met speciale veiligheidsaspecten bladzijde 188, Wat u moet weten als u kinderen vervoert!. Doe de gordel vóór elke rit, ook in stadsverkeer, altijd om! Dat geldt ook voor de mede-inzittenden op de achterbankzittingen - kans op letsel! Ook zwangere vrouwen moeten altijd de veiligheidsgordel dragen. Alleen dat biedt de beste bescherming voor het ongeboren kind bladzijde 172, Driepunts-veiligheidsgordels omdoen. Het verloop van de gordelband is voor de beschermende werking van de veiligheidsgordel van grote betekenis. Hoe de veiligheidsgordel moet worden gedragen staat op de volgende bladzijden beschreven. Afb. 162 Bestuurder met veiligheidsgordel Het is bewezen dat veiligheidsgordels goede bescherming bieden bij ongelukken afb In de meeste landen is het gebruik van veiligheidsgordels daarom wettelijk voorgeschreven. Veiligheidsgordels die correct worden gedragen, houden de inzittenden van de auto in de juiste zitpositie afb De gordels reduceren de bewegingsenergie in aanzienlijke mate. Verder voorkomen ze ongecontroleerde bewegingen die op zich al zwaar letsel tot gevolg kunnen hebben. Auto-inzittenden met correct gedragen veiligheidsgordels profiteren in sterke mate van het feit dat de bewegingsenergie optimaal via de gordels wordt opgevangen. Ook waarborgen de structuur van de voorzijde van de auto en andere passieve veiligheidskenmerken van uw auto, zoals bijv. het airbagsysteem, een reducering van de bewegingsenergie. De ontstane energie wordt daardoor verminderd en het risico van letsel kleiner. Ongevalsstatistieken bewijzen dat goed zittende gordels het risico van letsel verkleinen en de kans op overleven bij een zware aanrijding vergroten bladzijde 171. Aanwijzing Neem bij het gebruik van de veiligheidsgordels de afwijkende wettelijke bepalingen in acht.
173 Veiligheidsgordels 171 Het natuurkundige principe van een frontale aanrijding Afb. 163 De bestuurder zonder gordel vliegt naar voren kinetische energie hangt in belangrijke mate af van de snelheid en het gewicht van de auto en de inzittenden van de auto. Bij toenemende snelheid en toenemend gewicht moet bij een aanrijding meer energie worden geabsorbeerd. De snelheid van de auto is echter toch de belangrijkste factor. Als de snelheid bijvoorbeeld van 25 km/h tot 50 km/h wordt verdubbeld, wordt de bewegingsenergie verviervoudigd. De veelgehoorde mening dat het mogelijk is het lichaam bij een lichte aanrijding met de handen tegen te houden, is verkeerd. Al bij geringe aanrijdingssnelheden worden krachten op het lichaam werkzaam die niet meer kunnen worden opgevangen. Ook al rijdt u maar met een snelheid van 30 km/h tot 50 km/h, dan nog zijn bij een ongeluk krachten op het lichaam werkzaam die gemakkelijk meer dan N (Newton) kunnen bedragen. Dat komt overeen met een gewichtsbelasting van één ton (1000 kg). Bij een frontale aanrijding worden inzittenden die geen gordel dragen naar voren geslingerd en klappen zonder controle tegen delen van de auto in het interieur zoals stuurwiel, dashboard, voorruit afb De inzittenden zonder gordel kunnen onder bepaalde omstandigheden zelfs uit de auto worden geslingerd. Dit kan leiden tot dodelijk letsel. Ook voor de passagiers op de achterbank is het belangrijk een gordel te dragen, omdat zij bij een aanrijding zonder controle door de auto worden geslingerd. Een mede-inzittende op de achterbankzitting die geen gordel draagt brengt niet alleen zichzelf in gevaar, maar ook degene die vóór hem zit afb Afb. 164 De mede-inzittende zonder gordel op de achterbankzitting vliegt naar voren Het natuurkundige principe van een frontale aanrijding is eenvoudig te verklaren: Zodra de auto in beweging is, ontstaat zowel bij de auto als bij de inzittenden van de auto bewegingsenergie, de zogenaamde kinetische energie. De grootte van de Belangrijke veiligheidsinstructies bij de omgang met veiligheidsgordels De juiste omgang met de veiligheidsgordels verkleint aanzienlijk de kans op letsel! De gordelband mag niet zijn ingeklemd of verdraaid of langs scherpe kanten schuren. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
174 172 Veiligheidsgordels Vervolg Het verloop van de gordelband is voor de maximale beschermende werking van de veiligheidsgordel van grote betekenis bladzijde 172, Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Met een veiligheidsgordel mogen nooit twee personen gelijktijdig (ook geen kinderen) worden vastgemaakt. De veiligheidsgordels bieden alleen maar maximale bescherming in de juiste zitpositie bladzijde 166, Juiste zitpositie. De gordelband mag niet over vaste of breekbare voorwerpen (bijv. bril, ballpoint, bos sleutels) lopen omdat daardoor letsel kan ontstaan. Dikke kleding (bijv. een regenjas over het colbertjasje) heeft een negatieve invloed op het correct dragen en de werking van de veiligheidsgordels. Het gebruik van klemmen of andere voorwerpen voor het instellen van de veiligheidsgordels (bijv. voor het inkorten van de gordels bij kleinere personen) is verboden. De slotgesp mag alleen in het bij de betreffende zitting behorende slotdeel worden gestoken. Het verkeerd omdoen van de veiligheidsgordel beïnvloedt de beschermende werking hiervan en de kans op letsel neemt toe. De rugleuningen van de voorstoelen mogen niet te ver naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordel teniet kan worden gedaan. De gordelband moet schoon worden gehouden. Een vuile gordelband kan de werking van de gordeloprolautomaat nadelig beïnvloeden bladzijde 221, Veiligheidsgordels. De geleider van de slotgesp mag niet door papier of iets dergelijks zijn verstopt omdat dan de gordelgesp niet vast kan klikken. Controleer regelmatig de staat van uw veiligheidsgordels. Als het gordelweefsel, de gordelverbindingen, de oprolautomaten of het slotdeel is beschadigd, moet de betreffende veiligheidsgordel door een Škoda-dealer worden vervangen. De veiligheidsgordels mogen niet worden uitgebouwd een ook mag er niet op enige wijze wijzigingen aan worden aangebracht. Probeer niet de veiligheidsgordel zelf te repareren. Vervolg Beschadigde veiligheidsgordels die bij een aanrijding zijn belast en daardoor zijn uitgerekt, moeten worden vervangen - bij voorkeur door een Škoda-dealer. Bovendien moeten ook de gordelbevestigingspunten worden gecontroleerd. In een aantal landen kunnen veiligheidsgordels worden gebruikt waarvan de werking afwijkt van de op de volgende bladzijden beschreven veiligheidsgordels. Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen? Driepunts-veiligheidsgordels omdoen Eerst de gordel omdoen, daarna starten! Afb. 165 Gordelbandverloop van de schouder- en heupgordel
175 Veiligheidsgordels 173 Vervolg Afb. 166 Gordelbandverloop bij zwangere vrouwen Stel de voorstoel en de hoofdsteun goed in voordat u de gordel omdoet bladzijde 84. Trek de gordelband langzaam aan de slotgesp over borst en bekken. Steek de slotgesp in het bij de stoel horende gordelslot totdat hij hoorbaar inklikt. Trek bij wijze van proef aan de gordel om te controleren of de gordel goed in het slot is vergrendeld. Elke driepunts-veiligheidsgordel is met een oprolautomaat uitgerust. Deze automaat waarborgt volledige bewegingsvrijheid als er langzaam aan de gordel wordt getrokken. Bij plotseling remmen blokkeert de automaat evenwel. Hij blokkeert de gordel ook bij het accelereren, bij het rijden in de bergen en door bochten. Ook zwangere vrouwen moeten altijd veiligheidsgordels dragen. Het schoudergordeldeel mag nooit over de hals lopen maar moet ongeveer over het midden van de schouder lopen en goed tegen het bovenlichaam aanliggen. Het heupgordeldeel moet vóór het bekken worden gelegd, mag niet over de buik lopen en moet altijd strak tegen het lichaam aanliggen bladzijde 172, afb De gordel zo nodig uitlijnen. Bij zwangere vrouwen moet de heupgordel zo diep mogelijk tegen het bekken aanliggen zodat er geen druk op de onderbuik ontstaat afb Let altijd op het goede verloop van de veiligheidsgordels. Een verkeerd gedragen veiligheidsgordel kan zelfs bij een lichte aanrijding tot letsel leiden. Een te los gedragen veiligheidsgordel kan tot letsel leiden, omdat uw lichaam bij een ongeval door de bewegingsenergie verder naar voren komt en dan abrupt door de gordel wordt afgeremd. Steek de slotgesp alleen maar in het bij de betreffende zitplaats horende slotdeel. Als u dat niet doet, heeft dat een negatieve invloed op de beschermende werking en neemt het verwondingsrisico toe. Gordelhoogte-instelling Afb. 167 Voorstoel: Gordelhoogte-instelling Met behulp van de gordelhoogte-instelling kan het verloop van de driepunts-veiligheidsgordel ter hoogte van de schouder aan het lichaam worden aangepast. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
176 174 Veiligheidsgordels Schuif de doorvoerplaat in de gewenste richting naar boven of naar beneden afb Controleer na de instelling door met een ruk aan de gordel te trekken of de doorvoerplaat correct is geborgd. Stel de hoogte van de gordel zo in, dat de schoudergordel ongeveer over het midden van de schouder - maar in geen geval langs de hals - loopt. Aanwijzing Voor het aanpassen van het verloop van de gordelband kan op de voorstoelen ook de stoelhoogteverstelling worden gebruikt. Veiligheidsgordels afdoen Afb. 168 Losmaken van de slotgesp van het gordelslot Druk op de rode knop in het gordelslot afb De slotgesp springt door veerdruk naar buiten. Leid de gordel met de hand terug zodat de oprolautomaat de gordelband ten slotte gemakkelijk kan oprollen. Een kunststofknop in de gordel houdt de gordelgesp zo dat hij makkelijk kan worden vastgepakt. Driepunts-veiligheidsgordel voor de middelste achterzitting Uw auto is af fabriek uitgevoerd met een driepunts-veiligheidsgordel op de middelste achterzitting. Deze gordel wordt op precies dezelfde wijze gebruikt als de driepunts-veiligheidsgordels die links, resp. rechts (vóór en achter) zijn gemonteerd. De driepunts-veiligheidsgordel voor de middelste zitting achter kan alleen goed functioneren als de rugleuningen van de achterbankzittingen correct zijn vergrendeld bladzijde 86. Gordelspanners De veiligheid voor de bestuurder en de inzittenden die een gordel dragen wordt door de gordelspanners op de oprolautomaten van de voorste en de zich aan de zijkant achter bevindende driepunts veiligheidsgordels als aanvulling op het airbagsysteem verhoogd. Bij frontale aanrijdingen vanaf een bepaalde zwaarte worden de driepunts veiligheidsgordels automatisch strak gespannen. De gordelspanners kunnen ook worden geactiveerd als de veiligheidsgordels niet worden gedragen. De gordelspanner wordt bij een ernstige frontale aanrijding geactiveerd. Bij de activering wordt in de oprolautomaat een poederlading ontstoken. Via een mechanisch systeem wordt de gordelband in de oprolautomaat getrokken, waardoor de gordel strak wordt gespannen. Bij een lichte aanrijding voor of achter, wanneer de auto over de kop slaat of bij een ongeluk, waarbij geen grote negatieve versnellingen werken, volgt geen activering van de gordelspanner. Bij een zijcollitie wordt alleen de gordelband van de voorstoel aan de zijde van het ongeluk verlost.
177 Veiligheidsgordels 175 Alle werkzaamheden aan het systeem en het uit- en inbouwen van systeemonderdelen vanwege andere reparatiewerkzaamheden mogen alleen door een Škoda-dealer/vakgarage worden uitgevoerd. Het systeem biedt slechts bescherming bij één aanrijding. Als de gordelspanners zijn geactiveerd, moet het hele systeem worden vervangen. Als de auto wordt verkocht moet deze bedieningshandleiding aan de koper worden meegegeven. Aanwijzing Bij het activeren van de gordelspanners komt rook vrij. Dat is geen teken dat de auto in brand staat. Bij het verschroten van de auto of van afzonderlijke onderdelen van het systeem moeten beslist de betreffende veiligheidsvoorschriften in acht worden genomen. Deze voorschriften zijn bij de Škoda-dealers/vakgarages bekend en daar kunt u ook uitvoerige informatie krijgen. Bij het verschroten van de auto of delen van het veiligheidssysteem is het belangrijk op de nationale wettelijke veiligheidsvoorschriften te letten. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
178 176 Airbagsysteem Airbagsysteem Beschrijving van het airbagsysteem Algemene aanwijzingen met betrekking tot het airbagsysteem Het voorairbagsysteem biedt in aanvulling op de driepunts-veiligheidsgordels extra bescherming voor hoofd en borst van de bestuurder en voorpassagier bij middelzware frontale aanrijdingen. Bij zware aanrijdingen van opzij reduceren de zij-* en hoofdairbags* de kans op letsel voor de inzittenden aan het naar de zijde van de aanrijding gerichte deel van het lichaam. Het airbagsysteem staat alleen na het inschakelen van het contact paraat. De paraatheid van het airbagsysteem wordt elektronisch gecontroleerd. Elke keer als het contact wordt ingeschakeld, gaat het airbagcontrolelampje enkele seconden branden. Het airbagsysteem bestaat (al naargelang de uitrusting van de auto) in principe uit: een elektronisch regelapparaat, voorairbag voor de bestuurder en de voorpassagier, Bestuurder Knie airbag*, Zijairbags voor, zijairbags achter*, hoofdairbags*, een airbagcontrolelampje op het instrumentenpaneel, een schakelaar voor de airbag van de voorpassagier*. een controlelampje voor uitschakeling airbag voor de voorpassagier* op het middenstuk van het dashbord. Er is sprake van een storing aan het airbagsysteem als: bij het inschakelen van het contact het airbagcontrolelampje niet gaat branden, na het inschakelen van het contact het controlelampje na ongeveer 4 seconden niet uitgaat, na het inschakelen van het contact het airbagcontrolelampje uitgaat en weer gaat branden, het airbagcontrolelampje tijdens het rijden gaat branden of knippert, het airbagcontrolelampje van de uitgeschakelde airbag voor de voorpassagier* op het middenstuk van het dashboard knippert. Opdat de inzittenden van de auto bij activering van de airbags maximale bescherming genieten, moeten de voorstoelen overeenkomstig de lichaamsgrootte correct zijn ingesteld bladzijde 166, Juiste zitpositie. Als u tijdens het rijden geen veiligheidsgordels draagt, te ver naar voren leunt of een andere verkeerde zithouding aanneemt, stelt u zich bij een aanrijding aan een verhoogd risico op letsel bloot. Als er sprake is van een storing, moet het airbagsysteem direct door een Škoda-dealer worden gecontroleerd. Anders loopt u het risico dat de airbags bij een aanrijding niet worden geactiveerd. Aan de onderdelen van het airbagsysteem mogen geen wijzigingen worden aangebracht. Het is verboden de afzonderlijke delen van het airbagsysteem te manipuleren omdat dan de kans bestaat dat een airbag wordt geactiveerd. Het airbagsysteem biedt slechts bescherming voor één ongeval. Als de airbag is geactiveerd, moet het airbagsysteem worden vervangen. Het airbagsysteem is gedurende de gehele levensduur onderhoudsvrij. Geef bij verkoop van de auto de complete autodocumentatie aan de koper mee. Denk eraan dat ook de documenten met betrekking tot een eventueel uitgeschakelde voorpassagiersairbag daarbij horen! Bij het verschroten van de auto of afzonderlijke onderdelen van het airbagsysteem moeten beslist de daarvoor geldende veiligheidsvoor-
179 Airbagsysteem 177 Vervolg schriften in acht worden genomen. Deze voorschriften zijn bij de erkende Škoda-dealers bekend. Bij het verschroten van de auto of onderdelen van het airbagsysteem moeten de nationaal geldende voorschriften beslist in acht worden genomen. De airbags worden niet geactiveerd bij: uitgeschakeld contact, lichte frontale aanrijding, lichte aanrijding van opzij, aanrijding van achteren, Overdaaien van het voertuig Wanneer worden de airbags geactiveerd? Het airbagsysteem is zodanig ontworpen dat bij frontale aanrijdingen met hogere ongeval gevaarlijksheid, de bestuurders- en voorpassagiersairbag worden geactiveerd. Bij krachtige aanrijdingen van opzij wordt de zijairbag* samen met de hoofdairbag*aan de zijde van de aanrijding van de auto geactiveerd. Bij speciale ongeval situaties kunnen de voorairbags, zijairbags en ook de toepasselijke hoofdairbag tegelijk geactiveerd worden. Bij lichte frontale aanrijdingen of aanrijdingen van opzij, bij staartbotsingen en bij het over de kop slaan van de auto worden de airbags niet geactiveerd. Activeringsfactoren Het is niet mogelijk in grote lijnen voor elke situatie geldende activeringsvoorwaarden voor het airbagsysteem vast te leggen omdat de omstandigheden bij ongevallen zeer verschillend zijn. Een belangrijk onderdeel spelen hier bijvoorbeeld de factoten, zoals de conditie (hard, gewicht) van de tegenstand op welke het voertuig klapt en ook de conditie van de weerstand die op het voertuig klapt, de inslaghoek, rekatieve snelheid van het voertuig van het ongeval, etc. Beslissend voor de activering van de airbags is de bij een aanrijding optredende vertraging. Het regelapparaat analyseert het verloop van de aanrijding en activeert het betreffende veiligheidssysteem. Als de tijdens de aanrijding optredende en gemeten vertragingswaarden van de auto onder de in de regeleenheid vastgelegde referentiewaarden blijven, worden de airbags niet geactiveerd hoewel de auto door de aanrijding wel degelijk sterk kan zijn vervormd. Aanwijzing Bij het opblazen van de airbag komt een grijswit, onschadelijk gas vrij. Dat is absoluut normaal en duidt niet op brand in de auto. Na het activeren van de voorairbag voor de voorpassagier moet het dashboard worden vervangen. Als bij een ongeval de airbags worden geactiveerd: gaat de binnenverlichting branden (als de schakelaar voor de binnenverlichting in de portiercontactstand staat), worden de alarmlichten ingeschakeld, worden alle portieren ontgrendeld, wordt de batterij in de kofferruimte* uitgeschakeld, en wordt de brandstofvoorziening naar de motor onderbroken. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
180 178 Airbagsysteem Voorairbag Beschrijving van de voorairbags Het airbagsysteem is geen vervanging voor de veiligheidsgordel! De voorairbag voor de bestuurder is in het stuurwiel ondergebracht afb De voorairbag voor de voorpassagier is in het dashboard boven het dashboardkastje ondergebracht afb Beide inbouwplaatsen zijn met het opschrift AIRBAG gemarkeerd. Het voorairbagsysteem biedt in aanvulling op de driepunts-veiligheidsgordels extra bescherming voor hoofd en borst van de bestuurder en voorpassagier bij middelzware frontale aanrijdingen in Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot het voorairbagsysteem op bladzijde 179. De airbag is geen vervanging van de veiligheidsgordel, maar maakt deel uit van het totale passieve veiligheidsconcept van de auto. Bedenk wel dat de maximale beschermende werking van de airbag alleen wordt verkregen in combinatie met veiligheidsgordels die ook daadwerkelijk worden gedragen. De veiligheidsgordels hebben naast hun normale functie ook nog de taak de bestuurder en de voorpassagier bij een frontale aanrijding in een zodanige positie te houden dat de voorairbag maximale bescherming kan bieden. Daarom moeten de veiligheidsgordels niet alleen op grond van wettelijke voorschriften maar ook om veiligheidsredenen altijd worden gedragen bladzijde 170, Waarom veiligheidsgordels?. Afb. 169 Bestuurdersairbag in het stuurwiel Aanwijzing Na het activeren van de voorairbag voor de voorpassagier moet het dashboard worden vervangen. Werking van de voorairbags De kans op letsel voor hoofd en bovenlichaam wordt door de volledig opgeblazen airbags verminderd. Afb. 170 Voorpassagiersairbag in het dashboard Afb. 171 Gasgevulde airbags
181 Airbagsysteem 179 Het airbagsysteem is zodanig ontworpen dat bij zware frontale aanrijdingen de bestuurders- en voorpassagiersairbag* worden geactiveerd. In speciale ongeval omstanigheden kunnen de voor-, zij- en hoofdairbag tegelijk ingeschakeld worden. Als de airbags worden geactiveerd, worden de luchtzakken met drijfgas gevuld en ontvouwen ze zich vóór de bestuurder en de voorpassagier bladzijde 178, afb Het opblazen van de airbag gebeurt in fracties van seconden en met hoge snelheid om bij een aanrijding extra bescherming te kunnen bieden. Als de bestuurder en voorpassagier in de volledig opgeblazen luchtzak duiken, wordt hun voorwaartse beweging gedempt en de kans op letsel voor hoofd en bovenlichaam verminderd. De speciaal ontwikkelde luchtzak laat gecontroleerd wegstromen van het gas toe (afhankelijk van de belasting door de betreffende persoon) om hoofd en bovenlichaam op te vangen. Na een aanrijding is de luchtzak daardoor zo ver leeggestroomd dat het zicht naar voren weer vrij is. Bij het opblazen van de airbag komt een grijswit, onschadelijk gas vrij. Dat is absoluut normaal en duidt niet op brand in de auto. Bij de activering ontwikkelt de airbag zulke grote krachten, dat bij een niet-correcte stoelinstelling of zithouding letsel kan ontstaan in Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot het voorairbagsysteem op bladzijde 179. Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot het voorairbagsysteem De juiste omgang met het airbagsysteem verkleint aanzienlijk de kans op letsel! Afb. 172 Veilige afstand tot het stuurwiel Neem kinderen nooit onbeveiligd op de voorstoel van de auto mee. Als de airbags bij een aanrijding worden geactiveerd, zouden kinderen ernstig letsel kunnen oplopen of zelfs worden gedood! Voor de bestuurder en de voorpassagier is het belangrijk dat er een afstand van minstens 25 cm ten opzichte van het stuurwiel, resp. het dashboard wordt aangehouden afb Als deze minimale afstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Bovendien moeten de voorstoelen en de hoofdsteunen altijd in overeenstemming met de lichaamsgrootte zijn ingesteld. Bij het gebruik van een kinderzitje op de stoel van de voorpassagier waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in meerdere landen bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind in de rijrichting zit) moet beslist de airbag voor de voorpassagier worden uitgeschakeld bladzijde 185, Airbag uitschakelen. Als dit wordt nagelaten, het kind door de geactiveerde voorairbag voor de voorpassagier zwaar tot dodelijk letsel oplopen. In enkele landen verlangen de nationale wettelijke voorschriften ook het Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
182 180 Airbagsysteem Vervolg uitschakelen van de zij- of hoofdairbags voor de voorpassagier. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Tussen de voorin zittende personen en het werkingsgebied van de airbag mogen zich geen andere personen, huisdieren of voorwerpen bevinden. Het stuurwiel en het oppervlak van de airbagmodule in het dashboard aan de voorpassagierszijde mag niet worden beplakt of van een bekledingslaag worden voorzien of anderszins worden bewerkt. Deze delen mogen alleen maar met een droge of met water bevochtigde doek worden gereinigd. Op de afdekkingen van de airbagmodules of in de onmiddellijke nabijheid daarvan mogen geen onderdelen worden gemonteerd zoals bekerhouders, telefoonhouders e.d. Aan de onderdelen van het airbagsysteem mogen geen wijzigingen worden aangebracht. Alle werkzaamheden aan het airbagsysteem en het uit- en inbouwen van de systeemcomponenten in verband met andere reparatiewerkzaamheden (bijv. het uitbouwen van het stuurwiel) mogen alleen door een Škoda-dealer/servicedealer worden uitgevoerd. Breng nooit wijzigingen aan de voorbumper of aan de carrosserie aan. Leg nooit voorwerpen bovenop de airbag aan de voorpassagierszijde op het dashboard neer. Bestuurde Knie-airbag* Omschrijving van de bestuurder knie-airbag, De knie-airbag vermindert het gevaar voor letsel aan de benen. Afb. 173 Bestuurder knieairbag onder de stuurkolom De bestuurder knie-airbag is onder het gedeelte van het instrumentenpaneel onder de stuurkolom aangebracht afb De installatiepositie is door een afbeelding op de zijde van het dashboard aan bestuurderszijde gemarkeerd. De bestuurder knie-airbag geeft een voldoende bescherming, samen met de driepunts gordel om de benen van de bestuurder de beschermen. Bedenk wel dat de maximale beschermende werking van de airbag alleen wordt verkregen in combinatie met veiligheidsgordels die ook daadwerkelijk worden gedragen. Buiten de normale beveilingings functie heeft De veiligheidsgordel ook de taak de bestuurder bij een frontale aanrijding in een zodanige positie te houden dat de knie-airbag maximale bescherming kan bieden. Daarom moeten de veiligheidsgordels niet alleen op grond van wettelijke voorschriften maar ook om veiligheidsredenen altijd worden gedragen bladzijde 170, Waarom veiligheidsgordels?.
183 Airbagsysteem 181 Omschrijving van de bestuurder knie-airbag Het airbagsysteem is zodanig ontworpen dat bij zware frontale aanrijdingen de bestuurders knie-airbag samen met de gordelvergrendeling worden geactiveerd. Als een airbag wordt geactiveerd, wordt de luchtzak met drijfgas gevuld. Het opblazen van de airbag gebeurt in fracties van seconden en met hoge snelheid om bij een aanrijding extra bescherming te kunnen bieden. Bij het opblazen van de airbag komt een grijswit, onschadelijk gas vrij. Dat is absoluut normaal en duidt niet op brand in de auto. Bij het duiken in een volledig opgeblazen airbag, wordt de voorwaartse beweging gedempt en de kans op letsel aan de beneb van de bestuurder verminderd. Zijairbags* Beschrijving van de zijairbags De zijairbag zorgt bij een aanrijding van opzij samen met de hoofdairbag voor een betere bescherming van de inzittenden. Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot de bestuurder knie-airbag De oppervlakte van de airbagmodus in het onderste gedeelte van het instrumentenpaneel onder de stuurkolom mag u nooit veranderen of bedekken of op een andere manier bewerken. Deze delen mogen alleen maar met een droge of met water bevochtigde doek worden gereinigd. Op de afdekking van de airbagmodule of in de onmiddellijke nabeiheid mag u geen onderdelen monteren. Aan de onderdelen van het airbagsysteem mogen geen wijzigingen worden aangebracht. Alle werkzaamheden aan het airbagsysteem en het uit- en inbouwen van de systeemcomponenten in verband met andere reparatiewerkzaamheden (bijv. het uitbouwen van het stuurwiel) mogen alleen door een Škoda-dealer/servicedealer worden uitgevoerd. Breng nooit wijzigingen aan de voorbumper of aan de carrosserie aan. Afb. 174 Inbouwplaats van de zijairbag in de bestuurdersstoel De zijairbags zijn in de rugleuningbekleding van de voorstoelen ondergebracht afb De zijairbags achter* zijn tussen het ingangsbereik en de rugleuning aangebracht. Het zijairbagsysteem biedt in aanvulling op de driepunts veiligheidsgordels extra bescherming voor het bovenlichaam (borst, buik en bekken) van de inzittenden van de auto bij botsingen van opzij. Buiten de normale beschermings functie hebben de De veiligheidsgordels ook nog de taak de voorpassagier bij een aanrijding van opzij in een zodanige positie te houden dat de zijairbag maximale bescherming kan bieden. Daarom moeten de veiligheidsgordels niet alleen op grond van wettelijke voorschriften maar ook om veiligheidsredenen altijd worden gedragen. Bij elke activering van de zijairbags worden ter vergroting van de bescherming van de inzittenden aan de betreffende zijde de hoofdairbag* automatisch meegeactiveerd. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
184 182 Airbagsysteem Werking van de zijairbags De kans op letsel voor het bovenlichaam wordt door de volledig opgeblazen airbags verminderd. Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot de zijairbag De juiste omgang met het airbagsysteem verkleint aanzienlijk de kans op letsel! Afb. 175 Gasgevulde zijairbags Als de zij airbags in werking worden gesteld worden tegelijktertijd de zij- en hoofdairbag en de gordel vergrendeling in werking gesteld afb Als een airbag wordt geactiveerd, wordt de luchtzak met drijfgas gevuld. Het opblazen van de airbag gebeurt in fracties van seconden en met hoge snelheid om bij een aanrijding extra bescherming te kunnen bieden. Bij het opblazen van de airbag komt een grijswit, onschadelijk gas vrij. Dat is absoluut normaal en duidt niet op brand in de auto. Als de inzittende in de volledig opgeblazen airbag duikt, wordt de op hem uitgeoefende belasting gedempt en wordt het verwondingsrisico voor het gehele bovenlichaam (borst, buik en bekken) aan de naar de deur gerichte zijde verminderd. Bij het gebruik van een kinderzitje op de stoel van de voorpassagier waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in meerdere landen bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind in de rijrichting zit) moet beslist de airbag voor de voorpassagier worden uitgeschakeld bladzijde 185, Airbag uitschakelen. Als dit wordt nagelaten, het kind door de geactiveerde voorairbag voor de voorpassagier zwaar tot dodelijk letsel oplopen. In enkele landen verlangen de nationale wettelijke voorschriften ook het uitschakelen van de zij- of hoofdairbags voor de voorpassagier. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Uw hoofd mag zich nooit in het gebied bevinden waarin de zijairbags worden opgeblazen. U zou daardoor bij een ongeval zwaar letsel kunnen oplopen. Dit geldt vooral voor kinderen die zonder geschikt kinderstoeltje worden vervoerd bladzijde 190, Veiligheid van kinderen en zijairbag*. Als kinderen tijdens het rijden een verkeerde zitpositie innemen, staan ze bij een aanrijding bloot aan een hogere kans op letsel. Dit kan dodelijk letsel tot gevolg hebben bladzijde 188, Wat u moet weten als u kinderen vervoert!. Tussen de personen en het werkingsgebied van de airbag mogen zich geen andere personen, huisdieren of voorwerpen bevinden. Vanwege de zijairbags mogen bovendien aan de portieren geen accessoires zoals bijv. blikjeshouders, worden bevestigd. Het airbagregelapparaat werkt met druksensoren die in de voorportieren zijn geplaatst. Met het oog hierop mogen zowel aan de portieren als aan de portierbekleding geen wijzigingen (bijv. het extra inbouwen van luidsprekers) worden aangebracht. De hierbij ontstane beschadigingen kunnen de werking van het airbagsysteem in negatieve zin beïnvloeden.
185 Airbagsysteem 183 Vervolg Alle werkzaamheden aan de voorportieren en de portierbekleding mogen alleen door een Škoda-dealer/vakgarage worden uitgevoerd. Bij een aanrijding van opzij zullen de zijairbags niet correct functioneren, als de sensoren de oplopende luchtdruk binnen de portieren niet correct kunnen meten omdat de lucht door grotere afgesloten openingen in de portierbekleding kan ontsnappen. Nooit met een weggenomen portierbekleding rijden. Nooit met de auto rijden als onderdelen van de portierbekleding zijn verwijderd en de hierdoor ontstane openingen niet correct zijn afgesloten. Nooit rijden als de luidsprekers in de portieren werden verwijderd, tenzij de luidsprekeruitsparingen op de juiste wijze werden afgesloten. Altijd controleren of de openingen goed zijn afgedekt of zijn opgevuld als er extra luidsprekers of andere uitrustingsdelen in de portierbekleding worden ingebouwd. De werkzaamheden altijd door een erkende Škoda-dealer/vakgarage laten uitvoeren. Aan de kledinghaken in de auto mag alleen maar lichte kleding worden opgehangen. Laat geen zware en scherpe voorwerpen in de zakken van de kledingstukken zitten. Oefen geen grote krachten op de stoelleuningen uit, door hier bijv. krachtig tegen te stoten of de voeten hier tegen af te zetten, omdat het systeem dan kan worden beschadigd. De zijairbags zouden dan eventueel niet kunnen worden geactiveerd! U mag in geen geval hoezen over de bestuurders- of voorpassagiersstoel trekken die niet nadrukkelijk door Škoda Auto zijn vrijgegeven. Omdat de luchtzak uit de stoelleuning naar buiten komt, zou bij gebruik van niet-vrijgegeven stoel of stoelhoezen de beschermende werking van uw zijairbags aanzienlijk kunnen verminderen. Beschadigingen van de originele stoelbekleding in de buurt van de zijairbagmodules moeten direct door een Škoda-dealer worden gerepareerd. Vervolg De airbagmodules in de voorstoelen mogen geen beschadigingen, scheuren of diepe krassen vertonen. Met geweld openen is niet toegestaan. Alle werkzaamheden aan de zijairbag en het uit- en inbouwen van systeemdelen in verband met andere reparatiewerkzaamheden (bijv. het uitbouwen van stoelen) mogen alleen door een Škoda dealer/škoda servicedealer worden uitgevoerd. Hoofdairbags* Beschrijving van de hoofdairbags De hoofdairbag zorgt bij een aanrijding van opzij samen met de zijairbag voor een betere bescherming van de inzittenden. Afb. 176 Inbouwplaats van de hoofdairbags De hoofdairbags zijn aan beide zijden in het interieur boven de portieren aangebracht afb Beide inbouwplaatsen zijn met het opschrift AIRBAG gemarkeerd. De hoofdairbag biedt samen met de driepunts-veiligheidsgordels en de zijairbags extra bescherming voor hoofd en hals van de inzittenden bij middelzware aanrijdingen van opzij bladzijde 184, Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot de hoofdairbag. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
186 184 Airbagsysteem De veiligheidsgordels hebben naast hun normale functie ook nog de taak de bestuurder en de passagiers bij een aanrijding van opzij in een zodanige positie te houden dat de hoofdairbag maximale bescherming kan bieden. Daarom moeten de veiligheidsgordels niet alleen op grond van wettelijke voorschriften maar ook om veiligheidsredenen altijd worden gedragen bladzijde 170, Waarom veiligheidsgordels?. In combinatie met andere constructieve elementen (bijv. dwarsverstevigingen in de stoelen, stabiele wagenstructuur) vormen de hoofdairbags de consequente doorontwikkeling van het systeem ter bescherming van de inzittenden bij aanrijdingen van opzij. De hoofdairbag beschermt dus aan de zijde van de aanrijding zowel de voor- als de achterinzittende. De aanraking van het hoofd met interieurdelen of voorwerpen buiten de auto wordt door de opgeblazen hoofdairbag gedempt. Door vermindering van de belasting van het hoofd en door de minder sterke bewegingen van het hoofd wordt bovendien de belasting van het hoofd verminderd. Ook bij een aanrijding van schuin opzij biedt de hoofdairbag extra bescherming doordat hij de voorste portierstijl afdekt. In speciale ongeval omstanigheden kunnen de voor-, zij- en hoofdairbag gelijktijdig ingeschakeld worden. Het opblazen van de airbag gebeurt in fracties van seconden en met hoge snelheid om bij een aanrijding extra bescherming te kunnen bieden. Bij het opblazen van de airbag komt een grijswit, onschadelijk gas vrij. Dat is absoluut normaal en duidt niet op brand in de auto. Werking van de hoofdairbags Het verwondingsrisico voor hoofd en hals wordt bij aanrijdingen van opzij door de volledig opgeblazen airbags verminderd. Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot de hoofdairbag De juiste omgang met het airbagsysteem verkleint aanzienlijk de kans op letsel! Afb. 177 Gasgevulde hoofdairbag Bij een aanrijding van opzij wordt de hoofdairbag samen met de betreffende zijairbag aan de zijde van de aanrijding van de auto geactiveerd afb Als het systeem wordt geactiveerd, vullen de airbags zich met gas en bedekken de zijruit inclusief de portierstijl afb Bij het gebruik van een kinderzitje op de stoel van de voorpassagier waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in meerdere landen bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind in de rijrichting zit) moet beslist de airbag voor de voorpassagier worden uitgeschakeld bladzijde 185, Airbag uitschakelen. Als dit wordt nagelaten, het kind door de geactiveerde voorairbag voor de voorpassagier zwaar tot dodelijk letsel oplopen. In enkele landen verlangen de nationale wettelijke voorschriften ook het uitschakelen van de zij- of hoofdairbags voor de voorpassagier. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. In het gebied waarin de hoofdairbags worden opgeblazen, mogen zich geen voorwerpen bevinden die een belemmering vormen voor het opblazen van de airbags. Aan de kledinghaken in de auto mag alleen maar lichte kleding worden opgehangen. Laat geen zware en scherpe voorwerpen in de zakken van de
187 Airbagsysteem 185 Vervolg kledingstukken zitten. Bovendien mogen voor het ophangen van kledingstukken geen klerenhangers worden gebruikt. Het airbagregelapparaat werkt met de sensoren die in de voorportieren zijn geplaatst. Met het oog hierop mogen zowel aan de portieren als aan de portierbekleding geen wijzigingen (bijv. het extra inbouwen van luidsprekers) worden aangebracht. De hierbij ontstane beschadigingen kunnen de werking van het airbagsysteem in negatieve zin beïnvloeden. Alle werkzaamheden aan de voorportieren en de portierbekleding mogen alleen door een Škoda-dealer/vakgarage worden uitgevoerd. Tussen de mensen en het werkingsgebied van de hoofdairbags mogen zich geen andere mensen (bijv. kinderen) of dieren bevinden. Bovendien mag geen van de inzittenden tijdens het rijden het hoofd uit het raam steken of armen en handen buiten het raam houden. De zonnekleppen mogen niet naar de zijruiten worden gezwenkt in het werkingsgebied van de hoofdairbags als er voorwerpen aan zijn bevestigd, zoals bijv. een ballpoint. Als de hoofdairbags worden geactiveerd, zouden dan de inzittenden gewond kunnen raken. Door het inbouwen van niet-voorziene accessoires ter hoogte van de hoofdairbags kan bij activering van de airbags de beschermende werking van de hoofdairbags aanzienlijk worden beperkt. Bij het uitvouwen van de geactiveerde hoofdairbag zouden onder bepaalde omstandigheden delen van de gemonteerde accessoires het interieur in kunnen worden geslingerd en daardoor de inzittenden verwonden bladzijde 246, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Alle werkzaamheden aan de hoofdairbag alsmede het in- en uitbouwen van onderdelen van het airbagsysteem met het oog op andere reparatiewerkzaamheden (bijv. uitbouwen van de hemelbekleding) mogen alleen maar door een Škoda-dealer/vakgarage worden uitgevoerd. Airbag uitschakelen Airbags uitschakelen Laat uitgeschakelde airbags zo snel mogelijk weer inschakelen zodat ze hun beschermende werking weer kunnen uitoefenen. Uw auto heeft de technische mogelijkheid de voorairbag, de zij- of de hoofd*- airbag uit te schakelen (buitengebruikstelling). Laat het uitschakelen van de airbags dan ook door een Škoda-dealer uitvoeren. Bij auto's die zijn voorzien van een schakelaar voor het uitschakelen van de airbags kunt u de voorairbag en de zijairbag voor de voorpassagier met behulp van deze schakelaar uitschakelen bladzijde 186. Het uitschakelen van de airbags is slechts in bepaalde gevallen wenselijk, bijv. als: U bij wijze van uitzondering een kinderzitje op de voorstoel moet plaatsen, waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in vele landen op basis van afwijkende wettelijke voorschriften als het kind in de rijrichting zit), bladzijde 188, Belangrijke veiligheidsinstructies bij de omgang met kinderzitjes, u ondanks een correcte bestuurdersstoelinstelling geen afstand van minimaal 25 cm tussen het midden van het stuurwiel en het borstbeen kunt aanhouden, door invaliditeit speciale apparatuur in de buurt van het stuurwiel moet worden ingebouwd, u andere stoelen laat monteren (bijv. orthopedische stoelen zonder zijairbags). Controle van het airbagsysteem De paraatheid van het airbagsysteem wordt elektronisch ook dan gecontroleerd als een airbag is uitgeschakeld. Als de airbag met behulp van een elektronicatester werd uitgeschakeld: Het airbagcontrolelampje gaat na het inschakelen van het contact 4 seconden branden en knippert aansluitend hierop 12 seconden met een interval van 2 seconden. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
188 186 Airbagsysteem Airbags voorpassagier met behulp van de schakelaar voor de airbags voor de voorpassagier* in het dashboardkastje aan de voorpassagierszijde uitgeschakeld: na het inschakelen van het contact, zal op het instrumentenpaneel het airbagcontrolelampje circa 4 seconden gaan branden, als de airbags zijn uitgeschakeld wordt dit op het middendeel van het dashboard door het gaan branden van het controlelampje in de handtekening aangegeven bladzijde 186, afb Aanwijzing Bij een erkende Škoda-dealer kunt u informeren of en welke airbags volgens de nationale wetgeving in uw auto moeten worden uitgeschakeld. Schakelaar voor voorairbag voorpassagier* Afb. 178 Opbergvak: Schakelaar voor voorairbag voorpassagier Afb. 179 Controlelampje voor voorairbag voorpassagier Met behulp van de schakelaar wordt de voorairbag voor de voorpassagier uitgeschakeld. Airbag uitschakelen Schakel het contact uit. Verdraai met behulp van de sleutel de sleuf van de airbagschakelaar in de stand A2 (OFF) afb Controleer bij ingeschakeld contact of het airbagcontrolelampje in handetekening in het middenstuk van het dashbord brandt afb Airbag inschakelen Schakel het contact uit. Verdraai met behulp van de sleutel de sleuf van de airbagschakelaar in de stand A1 (ON) afb Controleer bij ingeschakeld contact of het airbagcontrolelampje in handetekening in het middenstuk van het dashbord niet brandt afb De airbags mogen alleen in uitzonderingsgevallen buiten gebruik worden gesteld.
189 Airbagsysteem 187 Controlelampje in handtekening (airbag uitgeschakeld) Het airbagcontrolelampje bevindt zich op het middenstuk van het dashboard afb Als de frontairbag voor de voorpassagier is uitgeschakeld zal ca. 4 seconden na het inschakelen van het contact het controlelampje gaan branden. Als het controlelampje knippert, is er een systeemstoring in de airbaguitschakeling. Neem beslist direct contact op met een Škoda-dealer/vakgarage. De bestuurder is ervoor verantwoordelijk of de airbag is uit- of ingeschakeld. Schakel de airbag alleen bij uitgeschakeld contact uit! Als dit wordt nagelaten kan dit leiden tot een storing in het airbagsysteem. Als het controlelampje in handtekening (airbag uitgeschakeld) knippert: Airbag voorpassagierszijde werd bij een aanrijding niet geactiveerd! Laat het systeem direct door een Škoda-dealer controleren. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
190 188 Veilig vervoer van kinderen Veilig vervoer van kinderen Wat u moet weten als u kinderen vervoert! Inleiding tot het thema Ongevalsstatistieken tonen aan dat het, in het algemeen gesproken, voor kinderen op de achterbankzitting veiliger is dan op de voorpassagiersstoel. Kinderen onder de 12 jaar horen normaal gesproken plaats te nemen op de achterbankzitting (let op eventueel afwijkende nationale wettelijke voorschriften). Al naargelang leeftijd, lichaamslengte en gewicht moeten ze daar door een veiligheidssysteem voor kinderen of door de aanwezige veiligheidsgordels worden beschermd. Het kinderzitje moet om veiligheidsredenen achter de stoel voor de voorpassagier zijn gemonteerd. De natuurkundige wetten van een aanrijding gelden vanzelfsprekend ook voor kinderen bladzijde 171, Het natuurkundige principe van een frontale aanrijding. In tegenstelling tot volwassenen zijn de spieren en botten van kinderen nog niet helemaal volgroeid. Kinderen staan daarom bloot aan een hogere kans op letsel. Om deze kans op letsel te verkleinen, mogen kinderen alleen maar in de speciale kinderzitjes worden vervoerd! Gebruik alleen maar kinderzitjes die officieel zijn goedgekeurd, geschikt voor kinderen en die voldoen aan de ECE-R 44 norm, waarin kinderzitjes in 5 klassen zijn ingedeeld bladzijde 191, Indeling van de kinderzitjes in groepen. Veiligheidssystemen voor kinderen die zijn getest volgens de ECE-R 44 norm, hebben op het stoeltje een niet verwijderbaar keurmerk (grote E in een cirkel, daaronder het keuringsnummer). Wij adviseren, kinderzitjes uit het originele Škoda-accessoireprogramma te gebruiken. Deze kinderzitjes werden voor het gebruik in Škoda-auto's ontwikkeld en getest. Zij voldoen aan de ECE-R 44 norm. Voor het inbouwen en het gebruik van kinderzitjes moeten de wettelijke voorschriften en de aanwijzingen van de betreffende kinderzitjesfabrikant in acht worden genomen bladzijde 188, Belangrijke veiligheidsinstructies bij de omgang met kinderzitjes. Aanwijzing Afwijkende nationale wettelijke bepalingen gaan vóór de in dit instructieboekje, resp. in dit hoofdstuk opgenomen informatie. Belangrijke veiligheidsinstructies bij de omgang met kinderzitjes De juiste omgang met de kinderzitjes verkleint aanzienlijk de kans op letsel! Alle inzittenden van een auto - vooral kinderen - moeten tijdens het rijden de gordels goed om hebben. Kinderen met een lichaamslengte onder de 1,50 m of lichter dan 36 kg mogen zonder kinderzitje niet gebruikmaken van een normale veiligheidsgordel, omdat deze letsel aan buik en hals zou kunnen veroorzaken. Let ook op de nationale voorschriften. In geen geval mogen kinderen ook geen baby's! op schoot worden meegenomen. U kunt een kind veilig laten meerijden in een geschikt kinderzitje bladzijde 191, Kinderzitje! Er mag in een kinderzitje maar één kind zijn vastgemaakt. Laat het kind nooit zonder toezicht in een kinderzitje zitten.
191 Veilig vervoer van kinderen 189 Vervolg Bij bepaalde, buiten heersende, klimatologische voorwaarden kunnen in de auto levensgevaarlijke temperaturen ontstaan Sta uw kind nooit toe dat hij niet vastzittend in een auto wordt meegenomen. Kinderen mogen tijdens het rijden ook nooit in de auto staan of op hun knieën zitten. Bij een aanrijding wordt het kind dan door de auto geslingerd en kan zichzelf en andere inzittenden daardoor levensgevaarlijk verwonden. Als kinderen tijdens het rijden naar voren leunen of een verkeerde zithouding innemen, staan ze bij een aanrijding bloot aan een hogere kans op letsel. Dat geldt vooral voor kinderen die op de voorpassagiersstoel worden vervoerd als het airbagsysteem bij een aanrijding wordt geactiveerd. Dit kan levensgevaarlijk of zelfs dodelijk letsel tot gevolg hebben. Het verloop van de gordelband is voor de maximale beschermende werking van de veiligheidsgordel van grote betekenis bladzijde 172, Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Neem beslist de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje met betrekking tot het correcte verloop van de gordelband in acht. Een verkeerd gedragen veiligheidsgordel kan zelfs bij een lichte aanrijding tot letsel leiden. Er moet worden gecontroleerd of de veiligheidsgordels correct over het lichaam lopen. Bovendien moet erop worden gelet, dat de gordelband niet door eventuele scherpe randen kan worden beschadigd. Bij het gebruik van een kinderzitje op de stoel van de voorpassagier waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in meerdere landen bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind in de rijrichting zit) moet beslist de airbag voor de voorpassagier worden uitgeschakeld bladzijde 186. Als dit wordt nagelaten, het kind door de geactiveerde voorairbag voor de voorpassagier zwaar tot dodelijk letsel oplopen. In enkele landen verlangen de nationale wettelijke voorschriften ook het uitschakelen van de zij- en hoofdairbags. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Gebruik van kinderzitjes op de voorpassagiersstoel Kinderzitjes moeten altijd op de achterbankzitting worden bevestigd. Afb. 180 Sticker op de middelste carrosseriestijl aan de voorpassagierszijde Wij adviseren om veiligheidsredenen, veiligheidssystemen voor kinderen zo veel mogelijk op de achterbankzittingen te monteren. Als echter toch een kinderzitje op de voorpassagiersstoel moet worden gebruikt, moet u, overeenkomstig het ingebouwde airbagsysteem, op de volgende waarschuwingsaanwijzingen letten. Attentie - groot gevaar! Gebruik op de voorpassagiersstoel nooit een kinderzitje waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit. Dit kinderzitje bevindt zich in het gebied waarin de voorairbags voor de voorpassagier worden opgeblazen. De airbag kan bij activering het kind zwaar, zelfs levensgevaarlijk verwonden. Op dit feit attendeert een sticker die op de middenstijl aan de zijde van de voorpassagier is geplakt afb De sticker is na het openen van het portier voor de voorpassagier zichtbaar. Voor enkele landen is de sticker ook op de zonneklep van de voorpassagier aangebracht. Bij het gebruik van een kinderzitje op de stoel van de voorpassagier waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in meerdere landen bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind in de rijrichting zit) moet beslist de airbag voor de voorpassagier worden uitgeschakeld bladzijde 185, Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
192 190 Veilig vervoer van kinderen Vervolg Airbag uitschakelen. Als dit wordt nagelaten, het kind door de geactiveerde voorairbag voor de voorpassagier zwaar tot dodelijk letsel oplopen. In enkele landen verlangen de nationale wettelijke voorschriften ook het uitschakelen van de zij- of hoofdairbags voor de voorpassagier. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Als de voorairbag voor de voorpassagier met behulp van de elektronicatester door een Škoda-dealer wordt uitgeschakeld, blijft de zij- en hoofdairbag voor de voorpassagier* ingeschakeld. In enkele landen schrijven de nationale wettelijke bepalingen voor dat naast de voorairbag voor de voorpassagier ook de zij- of hoofdairbags van de voorpassagier worden uitgeschakeld. Neem de eventueel afwijkende nationale wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Bij gebruik van een kinderzitje op de voorpassagiersstoel waarbij het kind in de rijrichting zit, moet de voorpassagiersstoel in de achterste en bovenste stand worden geplaatst worden. Als dit niet wordt opgevolgd kan, bij de activering van de airbag voor de voorpassagier het kind op de voorpassagiersstoel zwaar tot dodelijk letsel oplopen. Laat de airbag(s) zo nodig buiten werking stellen bladzijde 185, Airbag uitschakelen. Zodra het kinderzitje op de voorpassagiersstoel niet meer wordt gebruikt, moeten de voorpassagiersairbags weer worden ingeschakeld zodat hij weer functioneert. Veiligheid van kinderen en zijairbag* Kinderen mogen zich nooit in het gebied bevinden waarin zij- en hoofdairbags worden opgeblazen. Afb. 181 Het niet goed beveiligde kind in een nietcorrecte zithouding - in gevaar gebracht door de zijairbag Afb. 182 Met een kinderzitje volgens voorschrift vastgemaakt kind De zijairbags bieden de inzittenden van de auto bij aanrijdingen van opzij meer bescherming. Om deze bescherming ook daadwerkelijk te kunnen bieden, moet het opblazen van de zijairbag in een fractie van een seconde plaatsvinden bladzijde 182, Werking van de zijairbags. Daarbij ontwikkelt het systeem zo'n sterke kracht dat inzittenden die niet rechtop zitten letsel kunnen oplopen door de luchtzak of door voorwerpen die zich in het gebied bevinden waarin de zijairbag wordt opgeblazen.
193 Veilig vervoer van kinderen 191 Dit geldt vooral voor kinderen als deze niet volgens de wettelijke voorschriften worden vervoerd. Het kind is op de stoel met een voor zijn leeftijd geschikt kinderzitje beveiligd. Tussen het kind en het gebied waarin de zij- en hoofdairbags worden opgeblazen, is voldoende ruimte. De airbag biedt maximale bescherming. Bij het gebruik van een kinderzitje op de stoel van de voorpassagier waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in meerdere landen bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind in de rijrichting zit) moet beslist de airbag voor de voorpassagier worden uitgeschakeld bladzijde 185. Als dit wordt nagelaten, het kind door de geactiveerde voorairbag voor de voorpassagier zwaar tot dodelijk letsel oplopen. In enkele landen verlangen de nationale wettelijke voorschriften ook het uitschakelen van de zij- en hoofdairbags. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Ter voorkoming van zwaar letsel moeten kinderen altijd in de auto worden vastgezet met een veiligheidssysteem dat in overeenstemming is met de leeftijd, het gewicht en de lichaamslengte van het kind. Kinderen mogen zich nooit met het hoofd in het gebied bevinden waarin de zijairbags worden opgeblazen - kans op letsel! Geen voorwerpen in het werkingsgebied van de zijairbags leggen - kans op letsel! Kinderzitje Indeling van de kinderzitjes in groepen Er mogen alleen maar kinderzitjes worden gebruikt die officieel zijn goedgekeurd en voor het kind geschikt zijn. Klasse Gewicht kg bladzijde tot 13 kg bladzijde kg bladzijde kg bladzijde kg bladzijde 194 Kinderen met een lichaamslengte langer dan 150 cm kunnen zonder zitkussen van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels gebruikmaken. Gebruik van kinderzitjes Overzicht van de bruikbaarheid van kinderzitjes op de betreffende stoelen volgens de ECE-R 44 norm: Kinderzitje klasse en 3 Kinderzitjes die zijn getest volgens de ECE-R 44 norm, hebben op het stoeltje een niet verwijderbaar keurmerk (grote E in een cirkel en daaronder het keuringsnummer). De kinderzitjes zijn in 5 klassen ingedeeld: Voorpassagiersstoel Achterbank buitenste zitting Achterbankzitting midden AU A+ AU A+ AT AU AU A+ AU A+ AT AU AU A+ AU A+ AT AU AU AU AU Voor kinderzitjes geldt de ECE-R 44 norm. ECE-R betekent: Economic Commission of Europe - regeling. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
194 192 Veilig vervoer van kinderen AU universele categorie - stoel is geschikt voor alle toegelaten kinderzitjes. A+ De stoel kan met behulp van bevestigingsogen voor het ISOFIX* -systeem worden uitgevoerd. AT De gedeelde achterbank - de zitting kan zijn uitgevoerd met bevestigingsogen voor het Top Tether* -systeem bladzijde 195, Bevestiging kinderzitje met het Top Tether -systeem. Kinderzitjes volgens klasse 0/0+ Vervolg door een Škoda-dealer/vakgarage of met behulp van de schakelaar voor de voorpassagiersairbag* bladzijde 186, Schakelaar voor voorairbag voorpassagier* In enkele landen schrijven de nationale wettelijke bepalingen voor dat naast de voorairbag voor de voorpassagier ook de zij- of hoofdairbags van de voorpassagier worden uitgeschakeld. Neem de eventueel afwijkende nationale wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Als dit niet wordt opgevolgd kan, bij de activering van de airbag voor de voorpassagier het kind op de voorpassagiersstoel zwaar tot dodelijk letsel oplopen. Zodra het kinderzitje op de voorpassagiersstoel niet meer wordt gebruikt, moet de voorpassagiersairbag weer worden ingeschakeld zodat deze weer functioneert. Afb. 183 Kinderzitje volgens klasse 0/0+ Kinderzitjes volgens klasse 1 Voor baby's tot ongeveer 9 maanden met een gewicht tot 10 kg, resp. baby's tot ongeveer 18 maanden met een gewicht tot 13 kg zijn kinderzitjes die in de ligstand kunnen worden gezet het meest geschikt afb Omdat deze kinderzitjes zo zijn gemonteerd dat het kind met de rug in de rijrichting zit, mogen ze niet op de voorpassagiersstoel worden gebruikt bladzijde 189, Gebruik van kinderzitjes op de voorpassagiersstoel. Als u bij wijze van uitzondering een kinderzitje op de voorpassagiersstoel wilt plaatsen waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in meerdere landen bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind in de rijrichting zit) moeten beslist de airbags voor de voorpassagier buiten gebruik worden gesteld, Afb. 184 In een rijrichting geïnstalleerd kinderzitje met veiligheidskussen volgens klasse 1 op de achterbank Kinderzitjes volgens klasse 1 zijn bedoeld voor baby's en peuters tot ca. 4 jaar met een gewicht tussen 9-18 kg. Voor kinderen die behoren tot het onderste deel van deze groep zijn bij voorkeur kinderzitjes geschikt waarbij het kind met de rug in de
195 Veilig vervoer van kinderen 193 rijrichting zit. Voor kinderen die bovenin de groep 0+ vallen zijn bij voorkeur kinderzitjes geschikt waarbij het kind in de rijrichting zit afb Kinderzitjes waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit, mogen niet op de voorpassagiersstoel worden gebruikt bladzijde 189, Gebruik van kinderzitjes op de voorpassagiersstoel. Kinderzitjes volgens klasse 2 Als u bij wijze van uitzondering een kinderzitje op de voorpassagiersstoel wilt plaatsen waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in meerdere landen bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind in de rijrichting zit) moeten beslist de airbags voor de voorpassagier buiten gebruik worden gesteld, door een Škoda-dealer/vakgarage of met behulp van de schakelaar voor de voorpassagiersairbag* bladzijde 186, Schakelaar voor voorairbag voorpassagier* In enkele landen schrijven de nationale wettelijke bepalingen voor dat naast de voorairbag voor de voorpassagier ook de zij- of hoofdairbags van de voorpassagier worden uitgeschakeld. Neem de eventueel afwijkende nationale wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Als dit niet wordt opgevolgd kan, bij de activering van de airbag voor de voorpassagier het kind op de voorpassagiersstoel zwaar tot dodelijk letsel oplopen. Zodra het kinderzitje op de voorpassagiersstoel niet meer wordt gebruikt, moet de voorpassagiersairbag weer worden ingeschakeld zodat deze weer functioneert. Afb. 185 Een in de rijrichting ingebouwd kinderzitje volgens klasse 2 op de achterbankzitting Het meest geschikt voor kinderen tot ongeveer 7 jaar met een gewicht tussen kg zijn kinderzitjes in combinatie met de driepunts-veiligheidsgordels afb Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Indien nodig, moet de airbag worden uitgeschakeld, door een Škoda-dealer/vakgarage of met behulp van de schakelaar voor de voorpassagiersairbag* bladzijde 186, Schakelaar voor voorairbag voorpassagier* Het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel moet ongeveer over het midden van de schouder lopen en stevig tegen het bovenlichaam aanliggen. Het mag in geen geval over de hals lopen. De heupgordel moet voor het bekken langs lopen en daar stevig tegenaan liggen. Deze mag in geen geval over de buik lopen. Trek zo nodig de heupgordel voor het bekken na. Neem de eventueel afwijkende nationale wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
196 194 Veilig vervoer van kinderen Kinderzitjes volgens klasse 3 Bevestiging kinderzitje met ISOFIX -systeem Afb. 186 Een in de rijrichting ingebouwd kinderzitje volgens klasse 3 op de achterbankzitting Afb. 187 Bevestigingsogen (ISOFIX-systeem) Het meest geschikt voor kinderen vanaf ongeveer 7 jaar met een gewicht tussen kg en een lichaamslengte korter dan 150 cm zijn kinderzitjes (zitkussentjes) in combinatie met de driepunts veiligheidsgordels afb Kinderen met een lichaamslengte langer dan 150 cm kunnen zonder zitkussen van de in de auto aanwezige veiligheidsgordels gebruikmaken. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Indien nodig, moet de airbag worden uitgeschakeld, door een Škoda-dealer/vakgarage of met behulp van de schakelaar voor de voorpassagiersairbag* bladzijde 186, Schakelaar voor voorairbag voorpassagier* Het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel moet ongeveer over het midden van de schouder lopen en stevig tegen het bovenlichaam aanliggen. Het mag in geen geval over de hals lopen. De heupgordel moet voor het bekken langs lopen en daar stevig tegenaan liggen. Deze mag in geen geval over de buik lopen. Trek zo nodig de heupgordel voor het bekken na. Neem de eventueel afwijkende nationale wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Afb. 188 Het ISOFIX-kinderzitje wordt in de gemonteerde montagegeleider geschoven Tussen de rugleuning en de zitting van de voorpassagiersstoel bevinden zich twee bevestigingsogen* voor de bevestiging van een kinderzitje met het ISOFIX -systeem. Bij kinderzitjes waarbij de bevestigiongsogen niet zichtbaar zijn, zijn de plaatsen met ogen met plaatjes met de opschrift ISOFIX gemarkeerd afb. 187.
197 Veilig vervoer van kinderen 195 Kinderzitje inbouwen Steek de montagegeleider A op de bevestigingsogen AB tussen leuning en zitting bladzijde 194, afb Schuif de vergrendelarm van het kinderzitje over de gemonteerde montagegeleider in de bevestigingsogen tot deze hoorbaar vergrendelt bladzijde 194, afb Controleer aan beide zijden van het kinderzitje de montage door aan het kinderzitje te trekken. Kinderzitjes met het ISOFIX -systeem kunnen snel, gemakkelijk en veilig worden gemonteerd. Neem bij het in- en uitbouwen van het kinderzitje beslist de handleiding van de fabrikant van het kinderzitje in acht. Kinderzitjes met het ISOFIX -systeem kunnen in de auto met behulp van het ISOFIX -systeem alleen dan worden ingebouwd en bevestigd, als deze kinderzitjes voor uw model volgens ECE-R 44 norm zijn vrijgegeven. Kinderzitjes met ISOFIX -systeem zijn leverbaar bij de Škoda-dealers/vakgarages, waar u deze ook kunt laten inbouwen. Een exacte montage-instructie wordt met het kinderzitje meegeleverd. De bevestigingsogen zijn alleen voor kinderzitjes met het ISOFIX - systeem ontwikkeld. Bevestig daarom nooit andere kinderzitjes, gordels of voorwerpen aan de bevestigingsogen - dat is levensgevaarlijk! Vraag voor het gebruik van een kinderzitje met ISOFIX -systeem dat u voor een andere auto had aangeschaft, aan uw erkende Škoda-dealer of dit kinderzitje voor uw auto geschikt is. Enkele kinderzitjes met ISOFIX -systeem kunnen met behulp van normale driepunts-veiligheidsgordels worden bevestigd. Neem bij het inen uitbouwen van het kinderzitje beslist de handleiding van de fabrikant van het kinderzitje in acht. Aanwijzing Kinderzitjes met ISOFIX -systeem zijn op dit moment leverbaar voor kinderen met een lichaamsgewicht van 9 tot 18 kg. Dit komt overeen met een leeftijd van 9 maanden tot 4 jaar. De kinderzitjes kunnen ook met het Top Tether -systeem worden uitgerust bladzijde 195. Bevestiging kinderzitje met het Top Tether -systeem Afb. 189 Achterbankzitting: Top Tether In enkele landen wordt door de nationale wetgeving geëist dat de achterbank is uitgerust met bevestigingsogen voor kinderzitjes met het Top Tether -systeem afb Voer het in- en uitbouwen van het kinderzitje met Top Tether -systeem altijd volgens de meegeleverde handleiding van de fabrikant van het kinderzitje uit. Bevestig de kinderzitjes met behulp van het Top Tether -systeem alleen op de daarvoor bedoelde plaatsen afb In geen geval mag u de auto aanpassen, bijv. door bouten of andere bevestigingen te monteren. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
198 196 Veilig vervoer van kinderen Vervolg Let ook de belangrijke veiligheidsinstructies voor de omgang met kinderzitjes. Aanwijzing Het overgebleven deel van de gordel van het Top Tether -systeem bergt u op in het textielen vak dat op het kinderzitje is aangebracht.
199 Intelligente techniek 197 Aanwijzingen voor het rijden Intelligente techniek Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)* Algemeen Afb. 190 ESP-schakelaar Algemeen Met behulp van het ESP wordt de controle over de auto in rijdynamische grenssituaties zoals bijv. bij een te hoge snelheid in de bocht verhoogd. Afhankelijk van de staat van het wegdek wordt het slipgevaar gereduceerd en zo de rijstabiliteit van de auto verbeterd. Dit geldt bij alle snelheden. In het elektronische stabiliteitsprogramma zijn de volgende systemen geïntegreerd: elektronisch sperdifferentieel (EDS), aandrijf-slipregeling (ASR), actieve stuurassistent (DSR), antiblokkeersysteem (ABS), remassistent (remkrachtverhoger), up-hillassistent. Werking Het ESP schakelt bij het starten van de motor automatisch in en voert een zelftest uit. Het ESP-regelapparaat verwerkt de gegevens van de afzonderlijke systemen Het verwerkt bovendien extra meetgegevens die door de uiterst gevoelige sensoren worden aangeleverd: de giersnelheid van de auto om de topas, de acceleratie in dwarsrichting, de remdruk en de stuuruitslag. Op basis van de stuuruitslag en de rijsnelheid wordt de door de bestuurder gekozen rijrichting bepaald, die constant met het werkelijke gedrag van de auto wordt vergeleken. Bij afwijkingen, zoals bijv. bij de neiging tot slippen, remt het ESP het betreffende wiel automatisch af. Door de bij het afremmen van het wiel ontstane krachten wordt de auto weer gestabiliseerd. Bij overstuur (neiging tot het uitbreken van de achterzijde) vindt de remingreep hoofdzakelijk plaats in het voorwiel buiten in de bocht, en bij onderstuur (neiging tot het rechtuitschuiven uit de bocht) bij het achterwiel dat zich aan de binnenzijde van de bocht bevindt. Deze remingreep gaat gepaard met geluid. Het ESP werkt in combinatie met het ABS bladzijde 201. Bij een ABS-storing valt ook het ESP uit. Bij een storing aan het ESP brandt op het instrumentenpaneel dan ook het ESPcontrolelampje bladzijde 39. Uitschakelen U kunt het ESP indien nodig door het indrukken van de toets afb. 190 uit- en weer inschakelen. Bij een uitgeschakeld ESP brandt op het instrumentenpaneel het ESP-controlelampje bladzijde 39. Het ESP moet normaliter altijd zijn ingeschakeld. Alleen in bepaalde uitzonderingssituaties, als bijv. slip is gewenst, kan het zinvol zijn het systeem uit te schakelen. Voorbeelden: bij het rijden met sneeuwkettingen bij het rijden in verse sneeuw of op een losse ondergrond Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
200 198 Intelligente techniek bij het losrijden van een vastzittende auto. Aansluitend hierop moet u het ESP weer inschakelen. De natuurkundige grenzen kunnen ook door het ESP niet worden overwonnen. Ook bij auto's met ESP moet u uw rijstijl steeds aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie aanpassen. Dat geldt in het bijzonder op een glad en nat wegdek. De geboden hogere veiligheid mag geen aanleiding zijn tot het nemen van veiligheidsrisico's - kans op ongevallen. Aanwijzing Om de storingvrije werking van het ESP te garanderen moeten op alle vier de velgen dezelfde banden zijn gemonteerd. Onderlinge verschillen in de afrolomtrek van de band kunnen leiden tot een niet-gewenste reducering van het motorvermogen. Wijzigingen aan de auto (bijv. aan de motor, de remmen, het onderstel of een andere band-velgcombinatie ) kunnen de werking van het ESP beïnvloeden bladzijde 246, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Elektronisch sperdifferentieel (EDS)* Het elektronisch sperdifferentieel voorkomt het doorslippen van een van de aangedreven wielen. Auto's met ESP zijn uitgerust met een elektronisch sperdifferentieel (EDS). Algemeen Door de EDS wordt bij een in een slechte staat verkerend wegdek het wegrijden vanuit stilstand, het accelereren en het bergopwaarts rijden aanzienlijk vergemakkelijkt, resp. mogelijk gemaakt. op een gladde ondergrond het aangedreven wiel slechts aan één zijde doorslipt, zal er een verschil in toerental tussen de aangedreven wielen optreden. Het EDS remt het doordraaiende wiel af en het differentieel brengt een groter deel van de aandrijfkracht over op het andere aangedreven wiel. Deze regeling maakt zich door geluid kenbaar. Oververhitting van de remmen Om te voorkomen dat de schijfrem van het afgeremde wiel te warm wordt, schakelt het EDS bij een extreem sterke belasting automatisch uit. Er kan normaal met de auto worden gereden en deze heeft dezelfde eigenschappen als een auto zonder EDS. Zodra de schijfrem is afgekoeld, schakelt de EDS weer automatisch in. Bij het accelereren op een glad wegdek, bijv. bij ijzel en sneeuw, voorzichtig gas geven. De aangedreven wielen kunnen ondanks het EDS doorslippen en daardoor de rijstabiliteit beïnvloeden - kans op ongevallen! Ook bij auto's met EDS moet u uw rijstijl steeds aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie aanpassen. De geboden hogere veiligheid mag geen aanleiding zijn tot het nemen van veiligheidsrisico's - kans op ongevallen. Aanwijzing Als het ABS- of ESP-controlelampje gaat branden, kan er ook een storing in het EDS zijn. Neem zo snel mogelijk contact op met een Škoda-dealer. Wijzigingen aan de auto (bijv. aan de motor, de remmen, het onderstel of een andere band-velgcombinatie) kunnen de werking van het EDS beïnvloeden bladzijde 246, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Werking Het EDS werkt automatisch, d.w.z. zonder invloed van de bestuurder. Het systeem controleert m.b.v. de ABS-sensoren het toerental van de aangedreven wielen. Als
201 Intelligente techniek 199 Aandrijf-slipregeling (ASR) De aandrijf-slipregeling verhindert het doordraaien van de aangedreven wielen bij het accelereren. De ASR moet normaliter altijd zijn ingeschakeld. Alleen in bepaalde uitzonderingssituaties, als bijv. slip is gewenst, kan het zinvol zijn het systeem uit te schakelen. Voorbeelden: bij het rijden met sneeuwkettingen bij het rijden in verse sneeuw of op een losse ondergrond bij het losrijden van een vastzittende auto. Aansluitend hierop moet het ASR weer worden ingeschakeld. Afb. 191 ASR-schakelaar De rijstijl moet altijd worden aangepast aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie. De geboden hogere veiligheid mag geen aanleiding zijn tot het nemen van veiligheidsrisico's - kans op ongevallen. Algemeen Door de ASR wordt bij een in een slechte staat verkerend wegdek het wegrijden vanuit stilstand, het accelereren en het bergopwaarts rijden aanzienlijk vergemakkelijkt, resp. mogelijk gemaakt. Werking Het ASR schakelt bij het starten van de motor automatisch in en voert een zelftest uit. Het systeem controleert het toerental van de aangedreven wielen met behulp van de ABS-sensoren.. Als de wielen doorslippen, wordt door de automatische reducering van het motortoerental de aandrijfkracht aangepast aan de staat van het wegdek. Dit geldt bij alle snelheden. De ASR werkt in combinatie met het ABS bladzijde 201. Bij een ABS-storing valt ook de ASR uit. Bij een storing aan de ASR brandt op het instrumentenpaneel het ASR-controlelampje bladzijde 39. Uitschakelen U kunt de ASR indien nodig door het indrukken van de toets afb. 191 uit- en weer inschakelen. Bij een uitgeschakelde ASR brandt op het instrumentenpaneel het ASR-controlelampje bladzijde 39. Aanwijzing Om de storingvrije werking van de ASR te garanderen moeten op alle vier de velgen dezelfde banden zijn gemonteerd. Onderlinge verschillen in de afrolomtrek van de band kunnen leiden tot een niet-gewenste reducering van het motorvermogen. Wijzigingen aan de auto (bijv. aan de motor, de remmen, het onderstel of een andere band-velgcombinatie) kunnen de werking van het ASR beïnvloeden bladzijde 246, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Actieve stuurassistent (DSR)* Auto's met ESP zijn met een acieve stuurassistent (DSR) uitgerust. Deze functie geeft de bestuurder in een kritieke situatie een stuuradvies om de auto te kunnen stabiliseren. Het actieve besturingssysteem wordt actief bijv. bij sterk afremmen op wegdekken waarbij de stroefheid tussen de linker- en de rechterzijde van het wegdek verschillend is. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
202 200 Intelligente techniek De auto stuurt ook met deze functie niet zelf! De bestuurder is nog steeds voor het besturen van de auto verantwoordelijk! Remmen Wat beïnvloedt de werking van de remmen in negatieve zin? Slijtage De slijtage van de remblokken is sterk afhankelijk van de gebruiksomstandigheden en de rijstijl. Als vaak in de stad wordt gereden of korte ritten worden gemaakt, of een zeer sportieve rijstijl wordt aangehouden, moet de remblokdikte ook tussen de onderhoudsintervallen door door een Škoda-dealer worden gecontroleerd. Vocht of strooizout In bepaalde situaties, zoals bijv. na het rijden door een diepe plas, bij hevige regenval of na het wassen van de auto, kunnen de remmen door vocht of door ijsvorming op de remschijven en de remblokken in de winter later aangrijpen. De remmen dienen dan ook zo snel mogelijk te worden drooggeremd. Ook bij het rijden op wegen waarop strooizout is gestrooid kunnen de remmen later aangrijpen, als u langere tijd niet hebt geremd. Het laagje zout op de remschijven en de remblokken moet bij het remmen eerst worden weggeslepen. Corrosie Corrosie op de remschijven en vervuiling van de remblokken worden door het langdurig stilstaan en matig gebruik bevorderd. Als de remmen gedurende een langere periode maar matig worden gebruikt, alsmede bij eventuele corrosie, adviseren wij, door het meerdere malen sterk afremmen vanuit een hogere snelheid de remschijven schoon te remmen. Storingen in het remsysteem Als u merkt dat de remweg plotseling langer is en het rempedaal een langere slag maakt, is het mogelijk dat een remkring van het tweekringsremsysteem is uitgevallen. Rijd in dit geval direct naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer om de storing te laten verhelpen. Rijd op weg naar de dealer met een lagere snelheid en stel u erop in dat voor het remmen een hogere pedaaldruk nodig is. Laag remvloeistofpeil Bij een te laag remvloeistofpeil kunnen er storingen in het remsysteem optreden. Het remvloeistofpeil wordt elektronisch gecontroleerd bladzijde 41, Remsysteem. Rem de remmen alleen droog en schoon door vanaf een hogere snelheid af te remmen als de staat van het wegdek en de verkeerssituatie dit toestaan. Andere verkeersdeelnemers mogen niet in gevaar worden gebracht. Bij het naderhand monteren van een frontspoiler, van wielsierdoppen enz. moet worden veiliggesteld dat de luchttoevoer naar de voorremmen niet wordt beïnvloed, omdat het remsysteem anders te heet kan worden. Houd er rekening mee, dat nieuwe remblokken tot ca. 200 km nog niet de volle remcapaciteit leveren. Nieuwe remblokken moeten eerst inlopen, voordat zij de optimale frictie ontwikkelen. De iets lagere remcapaciteit kan door een hogere druk op het rempedaal worden gecompenseerd. Deze opmerking geldt ook voor op een later tijdstip vervangen remblokken. Voorzichtig! Laat nooit de remmen aanlopen door de voet op het rempedaal te houden als u niet hoeft te remmen. Dit leidt tot het oververhitten van de remmen en daardoor tot een langere remweg en een hogere slijtage. Verlaag de snelheid voordat u een helling met een hoog hellingspercentage afrijdt en schakel terug naar een lagere versnelling (schakelbak), resp. kies een lagere rijstand (automatische versnellingsbak). Op deze wijze gebruikt u de remwerking van de motor en ontlast u de remmen. Als u daarnaast toch nog moet remmen, houd dan de voet niet continu op het rempedaal, maar rem met intervallen.
203 Intelligente techniek 201 Aanwijzing Bij een noodremming vanuit snelheden van meer dan 60 km/h resp. bij een ABSactivering die langer duurt dan 1,5 seconden, knippert het remlicht automatisch. Nadat de snelheid tot onder 10 km/h gereduceerd is of de auto gestopt is, knippert het remlicht niet meer en de alarmlichten worden ingeschakeld. Na het accelereren of weer wegrijden, worden de alarmlichten automatisch uitgeschakeld. Rembekrachtiger De rembekrachtiger versterkt de druk die met het rempedaal wordt opgewekt. De benodigde druk wordt alleen geleverd bij draaiende motor. Zet nooit de motor af, voordat de auto stilstaat. De rembekrachtiger werkt alleen bij draaiende motor. Bij afgezette motor is meer kracht nodig voor het indrukken van het rempedaal. Omdat u hierbij niet, zoals gewend, kunt stoppen, zou dit kunnen leiden tot een ongeval en ernstig letsel. Antiblokkeersysteem (ABS) Het ABS verhindert het blokkeren van de wielen bij het remmen. Algemeen Het ABS levert een belangrijke bijdrage aan de actieve rijveiligheid. T.o.v. auto's zonder ABS-remsysteem blijft de auto bestuurbaar bij sterk afremmen op een gladde weg omdat de wielen niet blokkeren. U mag er echter niet van uitgaan, dat door het ABS onder alle omstandigheden de remweg korter wordt. De remweg kan bijv. op grind of verse sneeuw, ook als u voorzichtig en langzaam rijdt, iets langer worden. Werking Als één wiel een t.o.v. de rijsnelheid te lage rotatiesnelheid bereikt en neigt te blokkeren, wordt de remdruk voor dit wiel verlaagd. Dit regelproces is duidelijk merkbaar aan de pulserende beweging van het rempedaal in combinatie met geluid. Hierdoor wordt u er als bestuurder op geattendeerd, dat de wielen neigen te blokkeren (ABS-regelbereik). Om ervoor te zorgen dat het ABS in dit gebied optimaal kan afregelen, moet het rempedaal ingedrukt blijven. In geen geval pompend remmen! Ook het ABS kan de natuurkundige wetten niet overwinnen. Houd hier rekening mee, vooral op een glad of nat wegdek. Als het ABS in het regelgebied komt, moet de snelheid direct worden aangepast aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie. Het hogere veiligheidspotentieel door het ABS mag geen aanleiding zijn tot het nemen van veiligheidsrisico's - kans op ongevallen! In geval van een storing aan het ABS blijft alleen het normale remsysteem functioneren. Neem zo snel mogelijk contact op met een Škodadealer en pas uw rijstijl aan de ABS-storing aan, omdat u niet weet hoe ernstig de storing is. Aanwijzing Als in het ABS een storing optreedt, wordt dit door een controlelampje weergegeven bladzijde 40. Wijzigingen aan de auto (bijv. aan de motor, de remmen, het onderstel of een andere band-velgcombinatie) kunnen de werking van het ABS beïnvloeden bladzijde 246, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Remassistent* De remassistent (remkrachtverhoger) verhoogt bij sterk afremmen (bijv. in gevaarlijke situaties) de remkracht en maakt een snelle opbouw van de benodigde druk in het remsysteem mogelijk. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
204 202 Intelligente techniek De meeste bestuurders zullen in een gevaarlijke situatie op tijd remmen, maar drukken het rempedaal niet met genoeg kracht in. Hierdoor kan de maximale remvertraging niet worden bereikt waardoor de auto nog een extra afstand aflegt. De remassistent wordt door het zeer snel indrukken van het rempedaal geactiveerd. Hierdoor ontstaat een veel hogere remdruk dan bij normaal remmen. Hierdoor kan ook bij een verhoudingsgewijs geringe weerstand van het rempedaal binnen de kortste tijd een voldoende hoge druk in het remsysteem worden opgebouwd, die voor de maximale remvertraging nodig is. Voor het verkrijgen van de kortst mogelijke remweg moet het rempedaal blijvend worden ingedrukt. De remassistent draagt er in noodsituaties toe bij, door een snelle drukopbouw in het remsysteem, de remweg te verkorten. Dit systeem benut alle voordelen van het ABS. Na het loslaten van het rempedaal wordt de werking van de remassistent (remkrachtverhoger) automatisch uitgeschakeld en het remsysteem werkt weer op de gebruikelijke wijze. De remassistent (remkrachtverhoger) maakt deel uit van het ESP-systeem. Bij een storing aan het ESP valt ook de remassistent (remkrachtverhoger) uit. Meer details met betrekking tot het ESP bladzijde 197. Ook de remassistent (remkrachtverhoger) kan, wat betreft de remweg, de natuurkundige wetten niet overwinnen. Pas de rijsnelheid aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie aan. De hogere veiligheidsfactor, die de remassistent (remkrachtverhoger) biedt, mag niet leiden tot het nemen van grotere risico's. remdruk loopt geleidelijk terug als er meer gas wordt gegeven. Als de auto niet binnen 2 seconden wegrijdt, zal deze achteruit gaan rollen. De up-hillassistent is actief vanaf een helling van 5%, bij een gesloten bestuurdersportier. Het is altijd actief bij het wegrijden in zowel voorwaartse als achterwaartse richting op een helling. Bij het hellingafwaarts rijden is het systeem niet actief. Elektromechanische stuurbekrachtiging Door de stuurbekrachtiging is voor het besturen minder kracht nodig. Bij de elektromechanische stuurbekrachtiging is de bekrachtiging automatisch aangepast aan de snelheid en de stuuruitslag. Bij het uitvallen van de stuurbekrachtiging of bij niet-draaiende motor (wegslepen) blijft de auto volledig bestuurbaar. Voor het sturen is dan echter aanzienlijk meer kracht nodig. Bij een storing in de stuurbekrachtiging licht het controlelampje resp. op het instrumentenpaneel op bladzijde 37. Als de stuurbekrachtiging is uitgevallen, neem dan contact op met een Škoda-dealer. Up-hillassistent* De up-hillassistent vergemakkelijkt het wegrijden op een helling. Het systeem ondersteunt het wegrijden, doordat het de door het rempedaal opgewekte remdruk nog ca. 2 seconden na het loslaten van het rempedaal in stand houdt. De bestuurder kan dan ook de voet van het rempedaal nemen en het gaspedaal indrukken en op een helling wegrijden, zonder de handrem te gebruiken. De
205 Intelligente techniek 203 Bandenspanningscontrolesysteem* Het bandenspanningscontrolesysteem vergelijkt met behulp van de ABS-sensoren het toerental en zodoende de bandomtrek van de afzonderlijke wielen. Bij een wijziging van de bandomtrek van een wiel gaat het controlelampje op het instrumentenpaneel bladzijde 39 branden. De omtrek van de band kan zich wijzigen als: de bandenspanning te laag is, de structuur van de band is beschadigd, de auto eenzijdig is beladen, de wielen van één as zwaarder zijn belast (bijv. bij het rijden met een aanhangwagen of bij het bergopwaarts of bergafwaarts rijden), sneeuwkettingen zijn gemonteerd, het noodwiel is gemonteerd, één wiel per as werd verwisseld. Basisinstelling van het bandenspanningscontrolesysteem Afb. 192 Toets voor het instellen van de bandenspanningscontrolewaarde Na een wijziging van de bandenspanning of na het verwisselen van een of meerdere wielen moet de basisafstelling van het systeem als volgt worden uitgevoerd. Pomp alle banden op tot aan de voorgeschreven bandenspanning bladzijde 240. Schakel het contact in. Druk de toets afb. 192 langer dan 2 seconden in. Tijdens het indrukken van de toets brandt het controlelampje. Tergelijkertijd wordt het geheugen van het systeem verwijderd en de nieuwe kalibrering wordt gestart, dat met een akoestisch signaal en aansluitend verlopen van de controlelampjes bevestigd wordt. Als het controlelampje na de basisafstelling niet uitgaat, is er een storing in het systeem. Neem direct contact op met de Škoda-dealer. Controlelampje brandt Als de bandenspanning van minimaal één wiel t.o.v. de in het geheugen opgeslagen basiswaarde aanzienlijk lager is, brandt het controlelampje. Controlelampje knippert Bij een knipperend controlelampje is er sprake van een systeemstoring. Neem direct contact op met de Škoda-dealer. Bij een brandend controlelampje moet direct de snelheid worden verlaagd en heftige stuur- en remmanoeuvres moeten worden vermeden. Bij de eerste mogelijkheid stoppen en de staat van de banden en de bandenspanning controleren. Voor de correcte bandenspanning is de bestuurder verantwoordelijk. De bandenspanning moet dan ook regelmatig worden gecontroleerd. Onder bepaalde omstandigheden (bijv. bij een sportieve rijstijl, op gladde of onverharde wegen) kan het controlelampje vertraagd of helemaal niet gaan branden. Het bandenspanningscontrolesysteem ontslaat de bestuurder niet van zijn verantwoordelijkheid voor de juiste bandenspanning. Aanwijzing Het bandenspanningscontrolesysteem: vervangt de regelmatige bandenspanningscontrole niet, omdat het systeem een gelijkmatig drukverlies niet zal herkennen, Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
206 204 Intelligente techniek kan bij een zeer snel teruglopen van de bandenspanning niet waarschuwen, bijv. bij een klapband. In dit geval probeert u de auto voorzichtig zonder heftige stuurbewegingen en zonder al te sterk afremmen tot stilstand brengen. Roetfilter* (dieselmotor) In het roetfilter worden de bij de verbranding van dieselolie gevormde roetdeeltjes verzameld en verbrand. Het roetfilter wordt zeer heet. Parkeer dan ook niet op plaatsen waarbij het hete filter direct in contact kan komen met droog gras of andere brandbare materialen - brandgevaar! Maak ook nooit gebruik van beschermingsmiddelen voor de wagenonderzijde of corrosiewerende middelen voor uitlaatpijpen, katalysatoren, roetfilter of hitteschilden. Als de motor op bedrijfstemperatuur is, kunnen deze middelen ontsteken - brandgevaar. Aanwijzing Door het gebruik van dieselolie met een hoog zwavelpercentage kan de levensduur van het roetfilter aanzienlijk teruglopen. Bij uw dealer kunt u informeren in welke landen dieselolie met een hoog zwavelpercentage wordt geleverd. Afb. 193 Sticker met autogegevens Of uw auto is voorzien van een roetfilter herkent u aan de code 7GG, 7MB of 7MG op de sticker met wagengegevens, zie afb De sticker met autogegevens bevindt zich op de vloer van de bagageruimte en is ook in het serviceplan geplakt. Het roetfilter filtert de roetdeeltjes praktisch volledig uit de uitlaatgassen. Het roet wordt in het roetfilter opgeslagen en hier regelmatig verbrand. Om deze procedure te ondersteunen adviseren wij om het maken van korte ritten te vermijden. Een dichtgeslibd roetfilter of een storing wordt door het controlelampje aangegeven.
207 Rijden en milieu 205 Rijden en milieu Nieuwe motor Gedurende de eerste kilometer moet de motor worden ingereden. Tot km Rijd niet sneller dan 3/4 van de maximumsnelheid van de ingeschakelde versnelling, d.w.z tot 3/4 van het maximummotortoerental. Geef geen vol gas. Vermijd hoge toerentallen. Niet met een aanhangwagen rijden. Van tot km Verhoog de snelheid geleidelijk tot aan de maximumsnelheid van de ingeschakelde versnelling, d.w.z. tot aan het max.toerental. Gedurende de eerste uren heeft de motor een hogere inwendige weerstand dan later, als alle draaiende gedeeltes op elkaar zijn ingelopen. In hoeverre de motor goed wordt ingereden is sterk afhankelijk van de rijstijl tijdens de eerste km. Ook na de inrijperiode moet het rijden met onnodig hoge motortoerentallen worden voorkomen. Het maximumtoerental wordt aangegeven door het begin van het rode vlak op de wijzerschaal van de toerenteller. Bij auto's met schakelbak moet uiterlijk zodra het rode vlak wordt bereikt naar de eerst hogere versnelling worden overgeschakeld. Extreem hoge motortoerentallen worden overigens automatisch afgeregeld. Voor auto's met schakelbak geldt andersom ook: voorkom het rijden met een te laag toerental. Schakel terug als de motor niet meer mooi ronddraait. Voorzichtig! Alle snelheids- en toerentalgegevens gelden alleen bij een op bedrijfstemperatuur zijnde motor. Laat een koude motor nooit met een hoog toerental draaien - dit geldt zowel bij een stilstaande auto als bij het rijden in de diverse versnellingen. Milieu Rijd niet met onnodig hoge toerentallen - vroeg opschakelen helpt brandstof te besparen, verlaagt de geluidsproductie en ontziet het milieu. Nieuwe banden Nieuwe banden moeten worden ingereden, omdat zij in nieuwe staat nog niet over een optimale grip beschikken. Met dit feit moet u tijdens de eerste 500 km rekening houden en bijzonder voorzichtig rijden. Nieuwe remblokken Houd er rekening mee, dat nieuwe remblokken tot ca. 200 km nog niet de volle remcapaciteit leveren. Nieuwe remblokken moeten eerst inlopen, voordat zij de optimale frictie ontwikkelen. De iets lagere remcapaciteit kan door een hogere druk op het rempedaal worden gecompenseerd. Deze opmerking geldt ook voor op een later tijdstip vervangen remblokken. Tijdens de inrijperiode moet ook worden voorkomen dat de remmen zwaar worden belast. Hiertoe rekenen wij o.a. extreem afremmen, vooral vanuit hoge snelheden zoals die bijv. kunnen ontstaan bij het rijden van passen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
208 206 Rijden en milieu Katalysator Een correcte werking van het uitlaatgasreinigingssysteem (katalysator) is voor een milieuvriendelijk gebruik van de auto van doorslaggevende betekenis. Let op de volgende aanwijzingen. Tank bij auto's met benzinemotor alleen loodvrije benzine bladzijde 223, Soort benzine. Rijd de tank nooit helemaal leeg. Schakel tijdens het rijden het contact niet uit. Vul niet te veel olie in de motor bij bladzijde 230, Motorolie bijvullen. Trek de auto niet over een afstand van meer dan 50 m aan bladzijde 258, Weg- en aanslepen. Als de auto in een land moet worden gebruikt waar geen loodvrije benzine leverbaar is, moet bij terugkeer of bij het invoeren in een land waar een katalysator is verplicht, de katalysator worden vervangen. In verband met de hoge temperaturen die rondom de uitlaatgaskatalysator kunnen ontstaan, moet de auto zo worden geparkeerd dat de katalysator niet met licht ontvlambare materialen onder de auto in aanraking kan komen - brandgevaar! Gebruik nooit beschermingsmiddelen voor de wagenonderzijde of anticorrosiemiddelen voor het uitlaatsysteem, de katalysatoren of hitteschilden. Tijdens het rijden kunnen deze materialen vlam vatten - brandgevaar! Voorzichtig! Bij auto's met katalysator mag de tank nooit geheel worden leeggereden. De onregelmatige brandstofvoorziening kan tot het uitblijven van een ontbranding leiden. Er kan dan onverbrande brandstof in het uitlaatsysteem terechtkomen en de katalysator beschadigen. Al één tankvulling met loodhoudende benzine leidt tot het uitvallen van de katalysator. Als u tijdens het rijden merkt dat het vermogen terugloopt of dat de motor onregelmatig draait, verlaag dan direct de snelheid en laat de auto door de dichtstbijzijnde Škoda-dealer controleren. De beschreven symptomen kunnen duiden op een storing in het ontstekingssysteem. Er kan dan onverbrande brandstof in het uitlaatsysteem terechtkomen en de katalysator beschadigen. Milieu Ook bij een correct functionerend uitlaatgassysteem kan onder bepaalde omstandigheden tijdens het draaien van de motor een zwavelachtige uitlaatgasgeur worden gevormd. Dit is afhankelijk van het zwavelpercentage in de brandstof. Meestal is de oplossing loodvrije benzine van een ander merk of op een ander tankstation te tanken. Economisch en milieubewust rijden Algemeen De persoonlijke rijstijl is een belangrijke factor. Het brandstofverbruik, de belasting van het milieu en de slijtage aan motor, remmen en banden is in belangrijke mate afhankelijk van drie factoren: persoonlijke rijstijl, individuele gebruikseisen, technische voorwaarden.
209 Rijden en milieu 207 Door een anticiperende en economische rijstijl kunt u het brandstofverbruik gemakkelijk zo'n 10-15% reduceren. Dit hoofdstuk moet met enkele tips ertoe bijdragen het milieu en gelijktijdig uw portemonnee te ontzien. Vanzelfsprekend wordt het brandstofverbruik ook door factoren bepaald waarop u als bestuurder geen invloed heeft. Het is bijv. normaal dat het verbruik in de winter of onder moeilijke omstandigheden, bij een slecht wegdek, gebruik van een aanhangwagen enz. oploopt. De technische voorwaarden voor spaarzaam brandstofverbruik en economisch gebruik heeft de auto "van huis uit" meegekregen. Bijzondere nadruk moet worden gelegd op een zo gering mogelijke belasting van het milieu. Om ervoor te zorgen dat deze eigenschappen optimaal worden gebruikt en behouden blijven, is het noodzakelijk, de aanwijzingen in dit hoofdstuk in acht te nemen. Bij het accelereren moet het optimale motortoerental worden aangehouden om een hoog brandstofverbuik en resonanties van de auto te voorkomen. Anticiperend rijden Bij het accelereren gebruikt een auto de meeste brandstof. Voorkom onnodig accelereren en remmen Als u anticiperend rijdt, hoeft u minder te remmen en ten gevolge hiervan ook weer minder te accelereren. Laat de auto uitrollen indien dit mogelijk is, bijvoorbeeld als zichtbaar is dat het eerstvolgende verkeerslicht op rood staat. Energiebesparend schakelen Vroeg opschakelen spaart brandstof. Afb. 194 Brandstofverbruik in l/100 km en snelheid in km/h Schakelbak Rijd in de eerste versnelling slechts ca. één wagenlengte. Schakel altijd over naar de eerstvolgende hogere versnelling als het toerental ca tot /min bedraagt. Automatische versnellingsbak Druk het gaspedaal langzaam in. Druk het gaspedaal echter niet tot aan de kick-downstand in. Een effectieve wijze om brandstof te besparen, is vroegtijdig opschakelen. Wie tot aan de maximumversnelling de betreffende versnelling accelereert verbruikt onnodig veel brandstof. De afb. 194 toont de verhouding tussen het brandstofverbruik en de snelheid in de betreffende versnellingen. Het verbruik in de 1e versnelling is het hoogst en in de 5e, resp. 6e versnelling het laagst. Als bij auto's met automatische versnellingsbak het gaspedaal langzaam wordt ingedrukt, wordt automatisch een economisch programma gekozen. Door vroegtijdig opschakelen en laat terugschakelen wordt het brandstofverbruik laag gehouden. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
210 208 Rijden en milieu Aanwijzing Volg ook de informatie op de multi-functie-indicatie* op bladzijde 21. Vermijd vol gas Langzamer rijden heet brandstof besparen. Door met gevoel gas te geven wordt niet alleen het brandstofverbruik aanzienlijk verminderd, maar ook de belasting van het milieu en de slijtage aan de auto worden in positieve zin beïnvloed. Indien mogelijk geen gebruikmaken van de maximumsnelheid van uw auto. Het brandstofverbruik, de uitstoot van schadelijke stoffen en de rijgeluiden nemen bij hoge snelheden in onevenredige mate toe. De afb. 195 toont de verhouding van het brandstofverbruik ten opzichte van de snelheid. Als de mogelijke topsnelheid van uw auto slechts voor driekwart wordt benut, daalt het brandstofverbruik met ongeveer de helft. Stationair draaien reduceren Ook stationair draaien kost brandstof. Afb. 195 Brandstofverbruik in l/100 km en snelheid in km/h In de file, voor spoorbomen en bij verkeerslichten die langdurig op rood staan, is het zinvol de motor af te zetten. Al na een pauze van seconden is de brandstofbesparing groter dan de hoeveelheid brandstof die voor het opnieuw starten van de motor nodig is. Bij stationair toerental duurt het erg lang totdat de motor zijn bedrijfstemperatuur bereikt. Tijdens de warmdraaifase zijn echter slijtage en de uitstoot aan schadelijke stoffen zeer hoog. Rijd dan ook direct na het starten van de motor weg. Vermijd daarbij echter hoge toerentallen. Regelmatig onderhoud Een slecht afgestelde motor kost onnodig veel brandstof. Door regelmatig onderhoud door uw Škoda-dealer kunnen reeds voor het gebruik van uw auto de voorwaarden voor brandstofbesparing worden geschapen. De staat van het onderhoud van uw auto heeft niet alleen een gunstig effect op de verkeersveiligheid en het behoud van de waarde van uw auto, maar ook op het brandstofverbruik. Een slecht afgestelde motor kan tot zo'n 10 % hoger brandstofverbruik leiden! De geplande onderhoudswerkzaamheden moeten exact volgens het serviceplan door een Škoda-dealer worden uitgevoerd. Controleer ook het oliepeil na het tanken. Het olieverbruik is in belangrijke mate afhankelijk van de belasting en het toerental van de motor. Al naargelang de rijstijl kan het olieverbruik tot 0,5 l/1 000 km bedragen. Het is normaal dat het olieverbruik van een nieuwe motor pas na een bepaalde tijd zijn laagste waarde bereikt. Het olieverbruik van een nieuwe auto kan dan ook pas goed worden beoordeeld na een afstand van ca km. Milieu Door het gebruik van synthetische dunloopoliesoorten kan een extra reducering van het brandstofverbruik worden verkregen. Om lekkages in een vroeg stadium te kunnen opsporen, moet u de grond onder de auto regelmatig controleren. Als daar vlekken van olie of andere bedrijfsvloeistoffen te zien zijn, laat dan de auto door een Škoda-dealer controleren.
211 Rijden en milieu 209 Minder korte ritten Korte ritten kosten verhoudingsgewijs gezien veel brandstof Let op de bandenspanning Een correcte bandenspanning spaart brandstof. Let altijd op de juiste bandenspanning. Door een te lage bandenspanning neemt de rolweerstand toe. Hierdoor loopt niet alleen het brandstofverbruik op, maar ook de bandenslijtage neemt toe en de rijeigenschappen lopen terug. Controleer de bandenspanning altijd bij koude banden. Rijd met de winterbanden niet het gehele jaar, deze verhogen het brandstofverbruik met zo'n 10%. Bovendien produceren deze meer geluid. Vermijd bij koude motor ritten onder de 4 km. Afb. 196 Brandstofverbruik in l/100 km bij verschillende temperaturen De motor en de katalysator moeten eerst hun optimale bedrijfstemperatuur hebben bereikt, om het verbruik en de uitstoot van schadelijke stoffen op een effectieve wijze te reduceren. De koude motor verbruikt direct na de start ca l brandstof per 100 km. Na ca. één kilometer daalt het verbruik al tot 10 l/100 km. Pas na ca. 4 tot 10 kilometer is de motor op bedrijfstemperatuur (afhankelijk van de buitentemperatuur en van het type motor) en heeft het verbruik zich genormaliseerd. Korte ritten moeten dan ook, indien mogelijk, worden vermeden. Van doorslaggevende betekenis is in dit verband ook de omgevingstemperatuur. De afb. 196 geeft het brandstofverbruik voor dezelfde afstand, eenmaal bij +20 C en eenmaal bij -10 C weer. Uw auto gebruikt in de winter meer brandstof dan in de zomer. Geen onnodige ballast Het transport van ballast kost brandstof. Omdat elke kilo meer gewicht het brandstofverbruik verhoogt, loont het zich een blik in de bagageruimte te werpen, om onnodige ballast te voorkomen. Vooral in het stadsverkeer, wanneer er vaker moet worden geaccelereerd, beïnvloedt het gewicht van de auto het brandstofverbruik aanzienlijk. Als vuistregel geldt, dat per 100 kg gewicht het brandstofverbruik met ca. 1 l/100 km toeneemt. Vaak blijft echter ook een dakimperiaal voor het gemak gemonteerd, ofschoon deze niet meer nodig is. Door de verhoogde luchtweerstand verbruikt uw auto met een onbeladen imperiaal bij een snelheid van km ca. 10% meer brandstof dan normaal. Stroom sparen Het opwekken van stroom kost brandstof. Schakel elektrische verbruikers uit als deze niet meer nodig zijn. Met behulp van de dynamo wordt bij draaiende motor stroom opgewekt en aan de verbruikers geleverd. Hoe zwaarder de dynamo door het inschakelen van elektrische verbruikers wordt belast, des te meer brandstof wordt er verbruikt. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
212 210 Rijden en milieu Schriftelijke controle van het brandstofverbruik Wie zijn brandstofverbruik wil controleren, moet een kilometerregistratie bijhouden. Dit kost relatief weinig tijd en is zeker de moeite waard. U kunt een wijziging (positief of negatief) vroegtijdig vaststellen en - indien nodig - maatregelen treffen. Als een te hoog brandstofverbruik wordt vastgesteld, moet u nagaan, hoe, waar en onder welke omstandigheden sinds de laatste tankstop is gereden. Milieu-aspecten Bij de constructie, de keuze van de materialen en de productie van uw nieuwe Škoda speelt de milieubescherming een beslissende rol. O.a. wordt aan de onderstaande punten veel aandacht besteed. Constructieve maatregelen Demontagevriendelijke uitvoering van de aansluitingen, Vereenvoudigde demontage door de modulaire constructie, Gebruik van zuiverdere materialen, Codering van alle kunststofdelen volgens VDA-richtlijn 260, Reductie brandstofverbruik en uitlaatgasemmissie CO 2, Minimalisering van de kans op ontsnappen van brandstof bij een aanrijding, Vermindering van het geluid. Materiaalkeuze Verdergaand gebruik van recyclebare materialen, Airconditioning met fluorkoolwaterstofvrij koelmedium, Geen cadmium, Geen asbest, Reducering van het uitdampen van kunststoffen. Fabricage Oplosmiddelvrije conservering van holle ruimtes, Oplosmiddelvrije conservering voor het transport van de fabrikant naar de klant, Gebruik van oplosmiddelvrije lijmen, Geen toepassing van fluorkoolwaterstoffen in de productie, Geen gebruik van kwik, Gebruik van watergedragen lakken. Rijden in het buitenland Algemeen In het buitenland kunnen ook andere omstandigheden gelden. In bepaalde landen is het ook mogelijk dat het Škoda-dealernet slechts gedeeltelijk functioneert of nog niet volledig is uitgebouwd. Hierdoor kan het zijn dat bepaalde onderdelen moeilijker leverbaar zijn en dat het personeel van de Škoda-dealer slechts in beperkte mate reparaties kan uitvoeren. Škoda A.G. in de Tsjechische Republiek en de betreffende importeurs verstrekken echter graag alle gewenste inlichtingen inzake de benodigde technische voorbereiding van de auto, noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden en de reparatiemogelijkheden. Loodvrije benzine Auto's met benzinemotor mogen alleen loodvrije benzine tanken bladzijde 206. Informatie met betrekking tot de mogelijkheden voor het tanken van loodvrije benzine kan worden opgevraagd bij automobielclubs. Koplampen Het dimlicht van de koplampen van uw auto is asymmetrisch ingesteld. Dit betekent dat de rand van het wegdek aan de zijde waarop u rijdt, sterker wordt verlicht. Als u in het buitenland op de andere weghelft moet rijden, verblindt u het tegemoetkomende verkeer.
213 Rijden en milieu 211 Om verblinding van een tegenligger te voorkomen is het noodzakelijk, om de koplichten te laten aanpassen door een erkende Škoda service partner. De aanpassing van de koplichten met Xenon-licht* (alleen geldig voor auto's, die voor de rit rechts en links gebouwd zijn) volgt in het menu Setup (instellungen) - Travel mode (reismodus) Informatiedisplay* bladzijde 66, Touristisch licht. Voorkomen van schade aan de auto Op wegen met een slecht wegdek alsmede bij het tegen een stoeprand rijden, steile opritten e.d. moet u erop letten, dat de laagliggende delen zoals bijv. de spoiler en de uitlaat deze niet raken en daardoor worden beschadigd. Dit geldt vooral voor auto's met een verlaagd onderstel (sportonderstel) en bij een volle belading van de auto. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
214 212 Rijden met aanhangwagen Rijden met aanhangwagen Gebruik aanhangwagen Technische voorwaarden De trekhaak moet aan bepaalde voorwaarden voldoen. Uw auto is voornamelijk bedoeld voor het vervoer van personen en bagage. Hij kan echter ook - bij de juiste technische uitrusting - worden gebruikt voor het trekken van een aanhangwagen. Als uw auto al af fabriek met een trekhaak werd uitgeleverd, is reeds aan alle technische en wettelijke voorwaarden voldaan. Voor de elektrische aansluiting tussen de auto en de aanhangwagen is uw auto voorzien van een 13-polige contactdoos. Als de te trekken aanhangwagen is voorzien van een 7-polige steker kan worden gebruikgemaakt van een hiervoor bedoelde adapterkabel 15) uit het originele Škoda-accessoireprogramma. Het naderhand inbouwen van een trekhaak moet plaatsvinden aan de hand van de gegevens van de fabrikant. Details over het naderhand inbouwen van een trekhaak en over de vergroting van de capaciteit van het koelsysteem zijn bekend bij de erkende Škoda-dealers. Wij adviseren, de originele de Škoda-trekhaak door een erkende Škodadealer te laten inbouwen. Daar zijn alle relevante details met betrekking tot het naderhand inbouwen bekend. Bij een niet-vakkundige inbouw is de kans op ongevallen aanwezig! 15) In enkele landen wordt de adapter met de trekhaak meegeleverd. Gebruiksinstructies Bij het rijden met een aanhangwagen moet op enkele punten worden gelet. Aanhangwagengewicht Het toelaatbare aanhangwagengewicht mag in geen geval worden overschreden. Als het maximaal toelaatbare aanhangwagengewicht niet volledig wordt gebruikt, kunnen verhoudingsgewijs steilere hellingen worden genomen. Het aangegeven aanhangwagengewicht geldt alleen voor hoogtes tot 1000 m boven de zeespiegel. Omdat door de teruglopende luchtdichtheid bij een toenemende hoogte het motorvermogen terugloopt en daarmee ook het klimvermogen, moet het treingewicht met 10 % worden verlaagd per aangevangen m verdere hoogtetoename. Het treingewicht is de som van het gewicht van de (beladen) auto en de (beladen) aanhangwagen. Bij het rijden op grotere hoogtes moet hiermee rekening worden gehouden. De aanhangwagen- en kogeldrukgegevens op het typeplaatje van de trekhaak zijn slechts de testgegevens van de trekhaak. De gegevens die betrekking hebben op de auto en die vaak onder deze waarden liggen vindt u in de documentatie die bij de auto hoort. Verdeling van de belading Verdeel de belading van de aanhangwagen zo, dat de zware voorwerpen zich zo dicht mogelijk bij de as bevinden. Borg de voorwerpen zodat deze niet kunnen gaan schuiven. Bandenspanning Kies de bandenspanning van de auto voor volle belading, bladzijde 240. Zie voor de bandenspanning van de aanhangwagen de adviezen van de fabrikant. Buitenspiegels Als de verkeerssituatie achter de aanhangwagen niet met de standaard spiegels kan worden overzien, moet u extra buitenspiegels laten aanbrengen. Beide buitenspie-
215 Rijden met aanhangwagen 213 gels moeten op wegklapbare steunen worden bevestigd. Stel de spiegels zo af, dat deze voldoende zicht naar achteren bieden. Koplampen Controleer voor het begin van de rit bij een aangekoppelde aanhangwagen ook de afstelling van de koplampen. Corrigeer zo nodig de afstelling m.b.v. de lichtbundelhoogteverstelling bladzijde 68, Lichtbundelhoogteverstelling van de koplampen *. Afneembare kogelkop Bij auto's met af fabriek ingebouwde trekhaak is de kogelkop afneembaar. Deze bevindt zich samen met een aparte montagehandleiding in de reservewielkom in de bagageruimte van de auto. Verdere informatie met betrekking tot de trekhaak bladzijde 214. Aanwijzing Wij adviseren bij regelmatig gebruik van een aanhangwagen uw auto ook tussen de onderhoudsintervallen door te laten controleren. Bij het aan- en loskoppelen van de aanhangwagen moet de handrem van de trekkende auto zijn aangetrokken. Aanwijzingen voor het rijden Het rijden met aanhangwagen vereist bijzondere voorzichtigheid. Rijd indien mogelijk niet met een lege trekkende auto en een volbeladen aanhangwagen. Rijd niet met de wettelijk toegestane maximumsnelheden. Dit geldt vooral op hellingen. Rem op tijd. Let bij hoge buitentemperaturen op de koelvloeistoftemperatuurmeter. Gewichtsverdeling Bij een lege auto en een beladen aanhangwagen is de gewichtsverdeling zeer ongunstig. Als toch met een dergelijke combinatie moet worden gereden, moet een lage snelheid worden aangehouden. Rijsnelheid Met het oog op de veiligheid adviseren wij niet sneller dan 80 km/h te rijden. Dit geldt ook voor landen waarin hogere snelheden zijn toegestaan. Omdat met een toenemende snelheid de rijstabiliteit van de combinatie terugloopt, moet bij ongunstige weg-, weers- en windverhoudingen, vooral op hellingen, worden afgezien van de wettelijk toegestane maximumsnelheid. In elk geval moet de snelheid direct worden verlaagd, zodra u ook maar de geringste slingerbeweging van de aanhangwagen bemerkt. Probeer in geen geval de combinatie door te accelereren recht te trekken. Rem op tijd! Bij een aanhangwagen met oplooprem eerst voorzichtig remmen en daarna vlot afremmen. Zo worden remschokken door blokkerende aanhangwagenwielen voorkomen. Schakel op een helling op tijd terug, zodat op de motor kan worden afgeremd. Oververhitting van de motor Als bij hoge buitentemperaturen op een lange helling in een lage versnelling met een hoog motortoerental moet worden gereden, moet vooral op de koelvloeistoftemperatuurmeter worden gelet bladzijde 18, Koelvloeistoftemperatuurmeter. Als de meter van de koelvloeistoftemperatuurmeter meer naar het rechter- of in het rode vlak loopt, moet de snelheid direct worden verlaagd. Als het controlelampje op het instrumentenpaneel knippert, stop dan en zet de motor af. Wacht enkele minuten en controleer het koelvloeistofpeil in het koelvloeistofexpansiereservoir bladzijde 231, Koelvloeistofpeil controleren. Let op de volgende aanwijzingen bladzijde 38, Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil. De koelvloeistoftemperatuur kan door het inschakelen van de verwarming worden verlaagd. Het verhogen van de koelcapaciteit van de koelluchtventilator is door het terugschakelen en door het verhogen van het motortoerental niet mogelijk - het Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
216 214 Rijden met aanhangwagen toerental van de koelluchtventilator is onafhankelijk van het motortoerental. Ook bij het rijden met een aanhangwagen moet dan ook niet worden teruggeschakeld zolang de motor op een helling zonder dat de snelheid sterk terugloopt blijft trekken. Vervolg kunnen worden beschadigd, zodat de veiligheid van de trekhaak niet meer is gewaarborgd - kans op ongevallen! Afneembare trekhaak* Afb. 197 Afneembare kogelkop Aanwijzing Breng geen wijzigingen aan of voer geen reparaties uit aan de kogelkop of aan andere onderdelen van de trekhaak. Neem bij problemen met betrekking tot de bediening contact op met een Škoda-dealer. Ontgrendel de kogelkop nooit bij een aangekoppelde aanhangwagen. Bij het rijden zonder aanhangwagen moet de kogelkop worden verwijderd. Controleer of de afsluitdop op de bevestigingskoker correct afsluit. Als u de auto met een hogedrukreiniger schoonmaakt, moet de kogelkop eerst worden verwijderd. Overtuig u ervan dat de afsluitdop de bevestigingskoker correct afsluit. Bij het in- en uitbouwen adviseren wij handschoenen te dragen. De afneembare kogelkop van de trekhaak is geplaatst in een box voor het boordgereedschap in de kom voor het reservewiel in de bagageruimte. Een montagehandleiding voor het correct demonteren en monteren van de kogelkop van de trekhaak wordt met de kogelkop meegeleverd. Controleer voor elke rit of de kogelkop correct is vergrendeld. De controle vindt plaats door de vergrendelingshendel naar beneden te draaien. Als de vergrendelingshendel slechts weinig (ca. 5 ) kan worden verdraaid, is de vergrendeling in orde. Trek na de controle de vergrendelingshendel weer tot aan de aanslag terug. De trekhaak mag niet worden gebruikt, als deze niet kan worden afgesloten of als de vergrendelingshendel in de vergrendelde stand gemakkelijk kan worden verdraaid. Gebruik geen hulpmiddelen of gereedschap voor het monteren of uitbouwen van de kogelkop. Hierdoor zou het vergrendelingsmechanisme
217 Verzorging en reiniging van de auto 215 Raadgevingen voor het gebruik Verzorging en reiniging van de auto Algemeen Verzorging is het behoud van uw auto. Regelmatige, vakkundige verzorging van uw auto zorgt voor het behoud van zijn waarde. Bovendien kan dit ook één van de voorwaarden zijn voor het behouden van het recht op garantie bij eventuele corrosie en lakschade aan de carrosserie. Wij adviseren, de conserveringsmiddelen uit het originele Škoda-assortiment te gebruiken. Neem de gebruiksvoorschriften op de verpakking in acht. Bij verkeerde toepassing kunnen onderhoudsmiddelen schadelijk zijn voor de gezondheid. Onderhoudsmiddelen moeten dan ook buiten het bereik van kinderen worden bewaard - kans op vergiftiging! Milieu Kies bij de aanschaf van onderhoudsmiddelen voor de auto voor milieuvriendelijke producten. De verpakking met resten van onderhoudsmiddelen horen niet bij het huisvuil. Verzorging buitenzijde auto Auto wassen Vaak wassen beschermt de auto. De beste bescherming van de auto tegen schadelijke invloeden van het milieu is vaak wassen en conserveren. Hoe vaak uw auto moet worden gewassen, hangt van veel factoren af zoals: gebruiksfrequentie, wijze van parkeren (garage, onder bomen etc.), tijd van het jaar, weersomstandigheden, milieu-invloeden. Hoe langer insectenresten, vogelpoep, hars van bomen, straat- en industriestof, teer, roetdeeltjes, wegenzout en andere agressieve afzettingen op de lak blijven zitten, des te sterker is het vernielende effect. Hoge temperaturen, bijv. door intensieve zonnestraling, versterken het etsende effect. Zo kan het onder bepaalde omstandigheden noodzakelijk zijn de auto wekelijks te wassen. Het is echter ook mogelijk dat een keer per maand wassen voldoende is als de auto van een goede waslaag is voorzien. Aan het einde van de strooiperiode moet ook de onderzijde van de auto beslist grondig worden afgespoeld. Wassen van de auto in de winter: Vocht en ijs in het remsysteem kunnen een nadelig effect op de remwerking hebben - kans op ongevallen! Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
218 216 Verzorging en reiniging van de auto Automatische wasinstallaties De autolak heeft een zodanig weerstandsvermogen dat de auto onder normale omstandigheden probleemloos in automatische wasinstallaties kan worden gewassen. Wel is het zo dat de werkelijke belasting van de lak in sterke mate afhankelijk is van de constructie van de wasinstallatie, de filtering van het waswater en de gebruikte was- en onderhoudsmiddelen. Als de lak er na het wassen mat uitziet of zelfs krassen vertoont, moet u de exploitant van de wasinstallatie hier direct op attenderen. Ga zo nodig naar een andere wasinstallatie. Vóór het wassen van de auto in een automatische wasstraat hoeven, behalve de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen (sluiten van de ruiten en het schuif-/kanteldak e.d.) geen verdere maatregelen te worden genomen. Als uw auto is voorzien van speciale aanbouwdelen - bijv. spoilers, imperiaal, autotelefoonantenne -, kunt u het beste vooraf contact opnemen met de exploitant van de wasinstallatie. Na een wasbeurt in een automatische wasinstallatie met aansluitende conservering moeten de rubbers van de ruitenwisserbladen worden ontvet. Met de hand wassen Bij het wassen met de hand moet het vuil eerst met veel water worden ingeweekt; daarna moet het vuil zo goed mogelijk worden afgespoeld. Daarna reinigt u de auto met een zachte spons, een washand of een wasborstel met geringe druk. Werk daarbij van boven naar beneden - te beginnen met het dak. Reinig de gespoten vlakken van de auto slechts met een geringe druk. Gebruik alleen bij hardnekkig vuil een autoshampoo. Spoel de spons of de washand regelmatig goed uit. Wielen, dorpels en dergelijke maakt u als laatste schoon. Gebruik hiervoor een tweede (andere) spons. Spoel de auto na het wassen goed af en wrijf hem aansluitend hierop droog met een zeem. Was de auto alleen bij uitgeschakeld contact - kans op ongevallen! Bescherm uw handen en armen tegen metaaldelen met scherpe randen als u de onderzijde, de binnenzijde van de wielkuipen of de wieldoppen reinigt - kans op snijwonden. Voorzichtig! Was uw auto niet in de felle zon - kans op lakschade. Als u de auto in de winter met een slang afspuit, let er dan op dat de waterstraal niet direct op de sloten of op de naden van de portieren, de motorkap of de achterklep worden gericht - kans op bevriezen. Gebruik op gespoten delen geen insectensponsjes, ruwe keukensponzen of iets dergelijks - kans op beschadiging van de lak. Milieu Was uw auto alleen op de speciaal daarvoor bedoelde wasplaatsen. Daar wordt ervoor gezorgd dat eventueel met olie verontreinigd vuil water niet in de riolering komt. In bepaalde gebieden is het wassen van auto's buiten zulke wasplaatsen zelfs verboden. Wassen met behulp van een hogedrukreiniger Bij het wassen van de auto met een hogedrukreiniger moeten beslist de bedieningsaanwijzingen voor de hogedrukreiniger worden opgevolgd. Dat geldt vooral voor de druk en de spuitafstand. Houd voldoende afstand ten opzichte van zachte materialen, zoals rubberslangen of dempings-, isolatiemateriaal. Gebruik in geen geval rotorsproeiers of zogenaamde vuilfrezen! Vooral banden mogen nooit met rotorsproeiers worden gereinigd. Zelfs bij een relatief grote spuitafstand en bij een zeer korte inwerktijd kunnen aan
219 Verzorging en reiniging van de auto 217 Vervolg de banden zichtbare, maar ook onzichtbare beschadigingen ontstaan - kans op ongevallen! Voorzichtig! De temperatuur van het water mag maximaal 60 C bedragen, omdat anders de auto kan worden beschadigd. Conserveren Een goede conservering beschermt de lak van de auto goed tegen schadelijke milieu-invloeden en lichte mechanische invloeden. De auto moet op zijn laatst met een hoogwaardig conserveringsmiddel op vastewasbasis worden behandeld, als op de schone lak geen waterdruppels meer worden gevormd. Er kan een nieuwe laag hoogwaardige harde was op de schone lak worden aangebracht als deze na het wassen goed droog is. Ook wanneer regelmatig wasconserveringsmiddelen worden toegepast, adviseren we de lak minstens tweemaal per jaar met harde was te beschermen. Voorzichtig! Zorg ervoor dat er geen was op de ruiten komt. Polijsten Pas als de lak van uw auto er niet meer goed uitziet en als met conserveringsmiddelen geen glans meer kan worden bereikt, is polijsten (cleanen) noodzakelijk. Als de gebruikte cleaner geen conserverende bestanddelen bevat, moet in aansluiting hierop een laag was op de lak worden aangebracht bladzijde 217. Wij adviseren, de conserveringsmiddelen uit het originele Škoda-assortiment te gebruiken. Voorzichtig! Matgespoten onderdelen of kunststofdelen mogen niet met cleaner of harde was worden behandeld. Poets de lak niet in een stoffige omgeving, omdat de lak zou kunnen worden beschadigd. Verchroomde delen Reinig de verchroomde delen eerst met een vochtige doek en poets deze daarna met een zachte droge doek weer glanzend. Als dit niet voldoende is, gebruik dan een chroomonderhoudsmiddel uit het originele Škoda-accessoireprogramma. Voorzichtig! Poets de verchroomde delen niet in een stoffige omgeving, omdat er anders krassen op kunnen worden gevormd. Lakbeschadigingen Kleine lakbeschadigingen zoals krassen, schrammen of beschadigingen door steenslag direct met lak (Škoda-lakstift) afdekken, voordat zich roest kan vormen. Vanzelfsprekend kunnen deze werkzaamheden ook door de erkende Škodadealers worden uitgevoerd. Hiervoor kunnen de erkende Škoda-dealers de bij de kleur van uw auto passende lakstiften of spuitbussen leveren. Het nummer van de originele lak van uw auto staat op de sticker met autogegevens bladzijde 276. Als er toch corrosie is ontstaan, moet deze grondig worden verwijderd. Breng op die plek een anticorrosiegrondlaag en daarna de lak aan. Vanzelfsprekend kunnen deze werkzaamheden ook door de erkende Škoda-dealers worden uitgevoerd. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
220 218 Verzorging en reiniging van de auto Kunststofdelen Kunststofdelen aan de buitenzijde worden door normaal wassen gereinigd. Als dat niet voldoende is, mogen kunststofdelen ook met speciale oplosmiddelvrije kunststofreinigingsmiddelen worden behandeld. Onderhoudsmiddelen voor lak zijn niet geschikt voor kunststofdelen. Voorzichtig! Oplosmiddel bevattende schoonmaakmiddelen tasten het materiaal aan en kunnen deze beschadigen. Ruiten Gebruik voor het verwijderen van sneeuw en ijs van de ruiten en spiegels alleen maar een plastic ijskrabber. Om daarbij beschadiging van het ruitoppervlak te voorkomen, moet de ijskrabber maar in één richting over de te reinigen ruit heen en weer worden bewogen. Resten van rubber, olie, vet, was of siliconen kunnen met een speciale ruitenreiniger, resp. met een speciale siliconenverwijderaar worden verwijderd. U moet de ruiten ook regelmatig aan de binnenzijde schoonmaken. Gebruik voor het drogen van de ruiten na het wassen van de auto niet de zeem die voor het drogen van de carrosserie is gebruikt. Resten van conserveringsmiddelen op de zeem kunnen de ruiten vuil maken en het zicht verminderen. Er mogen aan de binnenzijde geen stickers op de achterruit worden geplakt, om beschadiging van de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming te voorkomen. Wij adviseren, de conserveringsmiddelen uit het originele Škoda-assortiment te gebruiken. Voorzichtig! Verwijder nooit sneeuw of ijs van de ruiten door middel van warm of heet water - kans op scheurvorming in het glas! Koplampglazen Gebruik voor het reinigen van de koplampglazen geen agressieve reinigings- of chemische oplosmiddelen - kans op beschadiging van de kunststofglazen. Maak gebruik van zeep en schoon, warm water. Voorzichtig! Veeg de koplampen nooit droog af en gebruik voor het reinigen van de kunststofglazen geen scherpe voorwerpen, dit kan tot beschadiging van de beschermcoating en in aansluiting daarop tot scheurtjes in de koplampglazen leiden, bijv. door invloed van chemische middelen. Afdichtrubbers De afdichtrubbers van portieren, kleppen, schuif-/kanteldak en ruiten blijven soepel en hebben een langere levensduur als deze af en toe met een onderhoudsmiddel voor rubber (bijv. een siliconenvrije oliespray) worden behandeld. Bovendien wordt zo voortijdige slijtage van de afdichtrubbers voorkomen en daarmee lekkages. De portieren gaan gemakkelijker open. Goed onderhouden afdichtrubbers vriezen in de winter niet vast. Slotcilinder Voor het ontdooien van slotcilinders adviseren wij de spray, die smeermiddel en anticorrosiemiddel bevat, uit het originele Škoda-accessoireprogramma te gebruiken. Aanwijzing Let erop dat er bij het wassen van de auto zo min mogelijk water in de sloten komt.
221 Verzorging en reiniging van de auto 219 Wielen Stalen velgen Bij het regelmatig wassen van de auto moeten ook de velgen en wielsierdoppen grondig worden gewassen. Zo wordt voorkomen dat remstof, vuil en wegenzout op de velgen gaan vastzitten. Hardnekkig vastklevende remstof kan met een industrieel reinigingsmiddel worden verwijderd. Repareer lakbeschadigingen aan de velgen voordat er roest ontstaat. Lichtmetalen velgen Opdat het decoratieve uiterlijk van de lichtmetalen velgen nog lange tijd behouden blijft, is regelmatig onderhoud noodzakelijk. Vooral wegenzout en remstof moet elke twee weken van de lichtmetalen velgen worden verwijderd, anders wordt het lichtmetaal aangetast. Na een grondige wasbeurt behandelt u de velgen met een beschermingsmiddel voor lichtmetalen velgen dat geen zuurhoudende componenten bevat. Elke drie maanden moeten de velgen worden voorzien van een harde waslaag. Voor het behandelen van de velgen mogen geen middelen worden gebruikt die materiaal wegnemen. Een eventuele beschadiging van de laklaag op de velgen moet direct worden gerepareerd. Wij adviseren, de conserveringsmiddelen uit het originele Škoda-assortiment te gebruiken. Denk er bij het reinigen van de wielen aan dat vocht, ijs en wegenzout de werking van de remmen nadelig kunnen beïnvloeden - kans op ongevallen! Aanwijzing Sterke vervuiling kan tot onbalans van de wielen leiden. Dit kan leiden tot trillingen die op het stuurwiel worden overgebracht en onder bepaalde omstandigheden tot voortijdige slijtage van de stuurinrichting kunnen leiden. Daarom is het nodig dat dit vuil wordt verwijderd. Conservering auto-onderzijde De onderzijde van de auto heeft een permanente bescherming tegen chemische en mechanische invloeden. Omdat bij het rijden beschadiging van de beschermingslaag niet is uitgesloten, raden we aan de beschermingslaag aan de onderzijde van de auto regelmatig - het beste aan het begin en einde van het koude jaargetijde - te laten controleren en zo nodig te laten bijwerken. De erkende Škoda-dealers hebben de beschikking over de daarvoor benodigde spuitmiddelen, hebben de noodzakelijke apparatuur en kennen de toepassingsvoorschriften. Laat daarom de werkzaamheden voor het bijwerken van de lak of maatregelen met betrekking tot extra carrosseriebescherming door een erkende Škoda-dealer uitvoeren. Maak ook nooit gebruik van beschermingsmiddelen voor de wagenonderzijde of corrosiewerende middelen voor uitlaatpijpen, katalysatoren, roetfilter of hitteschilden. Als de motor op bedrijfstemperatuur is, kunnen deze middelen ontsteken - brandgevaar! Conservering van holle ruimtes Alle aan corrosie blootgestelde holle ruimtes van de auto zijn af fabriek van conserveringswas voorzien die permanente bescherming biedt. Deze conservering hoeft niet te worden gecontroleerd en heeft ook geen nabehandeling nodig. Als bij hoge temperaturen een beetje was uit de holle ruimtes stroomt, verwijder dit dan met een kunststofspatel en verwijder de vlekken met wasbenzine. Bij het gebruik van wasbenzine voor het verwijderen van was moeten de veiligheids- en milieuvoorschriften in acht worden genomen - brandgevaar! Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
222 220 Verzorging en reiniging van de auto motorruimte Vooral in de winter als veel op wegen wordt gereden waar zout is gestrooid, is een goede bescherming tegen corrosie heel belangrijk. Daarom moet de gehele motorruimte voor en na de strooiperiode grondig worden gereinigd en aansluitend hierop worden geconserveerd om te voorkomen dat het strooizout zijn vernietigende werk kan doen. Erkende Škoda-dealers beschikken over de door de fabriek daarvoor aanbevolen reinigings- en conserveringsmiddelen en zijn met de noodzakelijke installaties uitgerust. Voordat er werkzaamheden in de motorruimte worden uitgevoerd, is het noodzakelijk de aanwijzingen in dit hoofdstuk op te volgen bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Laat de motor afkoelen voordat de motorruimte wordt gereinigd. Verzorging binnenzijde auto Kunststofdelen, kunstleer en stoffen Kunststofdelen en kunstleer kunnen met een vochtige doek worden gereinigd. Als dat niet voldoende is mogen deze delen alleen maar met speciale oplosmiddelvrije kunststofreinigings- en onderhoudsmiddelen worden behandeld. Bekledingsstoffen en de stoffen bekleding van portieren, hoedenplank, hemelbekleding enz. behandelt u met speciale reinigingsmiddelen en zo nodig met droog schuim en een zachte spons of borstel. Wij adviseren, de reinigingsmiddelen uit het originele Škoda-assortiment te gebruiken. Voorzichtig! Oplosmiddel bevattende schoonmaakmiddelen tasten het materiaal aan en kunnen deze beschadigen. Voorzichtig! Het reinigen van de motor mag alleen bij uitgeschakeld contact gebeuren. Vóór het reinigen van de motorruimte wordt aanbevolen de dynamo af te dekken. Milieu Omdat er bij het reinigen van de motor benzine, vet en olieresten worden afgespoeld, moet het vervuilde water met een olieafscheider worden gereinigd. Daarom mag de motor alleen bij een Škoda-dealer/vakgarage of bij een tankstation (als deze hiervoor tenminste zijn toegerust) worden schoongespoten. Stoffen bekleding van de elektrisch verwarmde stoelen Reinig stoelbekleding niet met vocht omdat dit tot beschadiging van het stoelverwarmingssysteem kan leiden. Reinig de bekleding met speciale middelen, bijv. droog schuim. Natuurlijk leer Natuurlijk leer heeft hele bijzondere aandacht en onderhoud nodig. Leer moet, afhankelijk van het gebruik, van tijd tot tijd aan de hand van de volgende instructies worden behandeld. Normaal reinigen Maak vuile leervlakken met een licht vochtige katoenen of wollen doek schoon.
223 Verzorging en reiniging van de auto 221 Sterkere vervuiling Reinig sterker vervuilde plaatsen met een in een zeepoplossing geweekte doek (2 eetlepels neutrale zeep op 1 liter water). Zorg ervoor dat het leer op geen enkele plaats door en door vochtig wordt en dat er geen water in de stiknaden komt. Droog het leer met een zachte droge doek af. Vlekken verwijderen Verwijder verse vlekken op waterbasis (bijv. koffie, thee, sappen, bloed enz.) met een absorberende doek of keukenpapier of gebruik bij een reeds opgedroogde vlek de reiniger uit de onderhoudsset Verwijder verse vlekken op vetbasis (bijv. boter, mayonaise, chocolade enz.) met een zuigende doek of keukenpapier of met de reiniger uit de onderhoudsset als de vlek nog niet in het oppervlak is gedrongen. Gebruik bij ingedroogde vetvlekken een vetoplosserspray. Verwijder speciale vlekken (bijv. ballpoint, viltstift, nagellak, dispersieverf, schoencrème enz.) met een voor leer geschikte speciale vlekkenverwijderaar. Leeronderhoud Behandel het leer elk halfjaar met de bij erkende Škoda-dealers leverbare leeronderhoudsmiddelen. Breng het onderhoudsmiddel heel zuinig aan. Droog het leer met een zachte doek af. Als u vragen hebt over het reinigen en onderhouden van de leren bekleding van uw auto kunt u het beste contact opnemen met een erkende Škoda-dealer. Voorzichtig! U mag het leer in geen geval met oplosmiddelen (bijv. benzine, terpentine), boenwas, schoencrème en dergelijke behandelen. Voorkom dat de auto lange tijd in de felle zon staat om verbleken van het leer te voorkomen. Als de auto langere tijd buiten moet staan, kunt u het leer tegen directe zonnestraling afdekken. Scherpe voorwerpen aan kledingstukken zoals ritssluitingen, klinknagels, riemen met scherpe randen kunnen blijvende krassen of schaafsporen in het oppervlak achterlaten. Aanwijzing Gebruik regelmatig en na elke reiniging een onderhoudscrème met lichtbescherming en impregneereffect. De crème voedt het leer, maakt het ademend en soepel en brengt vocht in. Tegelijkertijd wordt een beschermlaag voor het oppervlak opgebouwd. Reinig het leer om de 2 tot 3 maanden, verwijder vers vuil. Verwijder net ontstane vlekken van ballpoints, inkt, lippenstift, schoenpoets enz. zo snel mogelijk. Onderhoud ook de leerkleur. Werk afwijkende plekken zo nodig bij met een speciale gekleurde leercrème. Het leder is een natuurlijk materiaal met specefieke eigenschappen. Gedurende het gebruik van de auto kunnen op de leder gedeeltes van de bekleding kleine optische veranderingen ontstaan (zoals b.v. vouwen als gevolg van de belasting van de bekleding). Veiligheidsgordels Houd de veiligheidsgordels schoon! Was vuile veiligheidsgordels met een milde zeepoplossing. Controleer regelmatig de staat van uw veiligheidsgordels. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
224 222 Verzorging en reiniging van de auto Bij een sterk vervuilde gordelband kan het oprollen van de automatische gordel negatief worden beïnvloed. De veiligheidsgordels mogen voor het reinigen niet worden uitgebouwd. Reinig de veiligheidsgordels nooit chemisch omdat chemische reinigingsmiddelen het weefsel kunnen vernielen. De veiligheidsgordels mogen ook niet met etsende vloeistoffen (zuren e.d.) in aanraking komen. Gordels met beschadigingen aan het materiaalweefsel, de verbindingen, de oprolautomaat of het slotdeel kunnen door een erkende Škoda-dealer worden vervangen. Vóór het oprollen moeten automatische gordels helemaal droog zijn.
225 Brandstof 223 Brandstof Benzine Soort benzine Er zijn verschillende soorten benzine. Lees de brochure bladzijde 275, Technische gegevens om te weten welke soort benzine voor uw auto nodig is. Dezelfde informatie vindt u ook aan de binnenzijde van de tankdopklep van uw auto bladzijde 224, afb Men maakt onderscheid tussen loodvrije en loodhoudende benzine. Alle Škodaauto's met benzinemotoren zijn uitgerust met een katalysator en mogen alleen met loodvrije benzine worden gebruikt. Loodvrije benzine moet voldoen aan de DIN EN 228. De verschillende soorten benzine onderscheiden zich door het octaangetal (RON). Als in een noodgeval niet de juiste soort benzine beschikbaar is, geldt het volgende. Voor motoren die op superbenzine, loodvrij 95 ROZ draaien, kan ook gebruik worden gemaakt van normale benzine, loodvrij 91 ROZ. Dit leidt echter tot een gering vermogensverlies. Als de in geval van nood ter beschikking staande loodvrije benzine een lager octaangetal heeft dan nodig is voor de motor mag alleen in het middelste toerentalgebied en met een geringere motorbelasting worden gereden. Benzine met een hoger octaangetal dan de voorgeschreven kan zonder beperkingen worden gebruikt. Het gebruik van deze benzine biedt echter geen voordelen met betrekking tot het motorvermogen en het brandstofverbruik! Het soepel draaien, het vermogen en de levensduur van de motor worden in belangrijke mate beïnvloed door de kwaliteit van de benzine. Voeg aan de benzine geen toevoegingen toe. Gebruik de benzine die voldoet aan de voorgeschreven norm. Verdere aanwijzingen met betrekking tot het tanken vindt u op bladzijde 224, Tanken. Voorzichtig! Al één tankvulling met loodhoudende benzine leidt tot het uitvallen van de katalysator. Bij benzine met een te laag octaangetal kunnen bij hoge toerentallen of zware motorbelasting defecten aan de motor optreden. Diesel Dieselolie Uw auto kan met dieselolie die voldoet aan de norm DIN EN 590 worden gebruikt. Brandstoftoevoegingen Brandstoftoevoegingen, zogenaamde vloeibaarheidsverbeteraars (benzine en overeenkomstige middelen), mogen niet aan de dieselolie worden toegevoegd. Bij slechte kwaliteit dieselolie is het nodig het brandstoffilter vaker dan in het serviceplan is aangegeven, door een Škoda-dealer te laten aftappen. Aanwijzingen met betrekking tot het tanken vindt u op bladzijde 224, Tanken. Voorzichtig! Gebruik dieselolie die overeenkomt met de norm DINEN590. Al één tankvulling met brandstof die niet overeenkomt met de norm, kan tot beschadiging van het brandstofsysteem van de motor leiden. Water in het brandstoffilter kan leiden tot motorstoringen. Uw auto is niet aangepast voor het gebruik van biodiesel (RME), daarom mag deze brandstof niet worden getankt. Het gebruik van deze brandstof (RME) kan leiden tot defecten aan de motor of aan het brandstofsysteem. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
226 s2dk.6.book Page 224 Wednesday, April 8, :29 PM 224 Brandstof Gebruik in de winter Tanken Winterdieselolie Door tankstations wordt in de wintermaanden een andere dieselolie dan in de zomermaanden geleverd. Bij het gebruik van zomerdieselolie kunnen bij temperaturen onder 0 C storingen optreden, omdat de dieselolie door paraffineafscheiding te stroperig wordt. Daarom is via de norm DIN EN 590 voor de afzonderlijke jaargetijden de dieselolieklasse voorgeschreven die in het betreffende jaargetijde wordt verkocht. Winterdieselolie is bij -20 C nog volledig bedrijfszeker. In landen met andere klimatologische omstandigheden wordt meestal dieselolie aangeboden die andere temperatuureigenschappen bezit. De erkende Škodadealers en de tankstations in de betreffende landen zijn op de hoogte van de landelijke dieseloliesamenstelling. Afb. 198 Rechterachterzijde: Tankdopklep openen Brandstoffiltervoorverwarming De auto is uitgevoerd met een brandstoffiltervoorverwarmingssysteem. Door dit systeem is de betrouwbaarheid van de dieselolie tot ongeveer -25 C gewaarborgd. Voorzichtig! Brandstoftoevoegingen incl. benzine mogen voor de verbetering van de vloeibaarheid niet aan de dieselolie worden toegevoegd. Afb. 199 Tankdopklep met losgeschroefde tankdop De tankdopklep wordt automatisch met behulp van de centrale vergrendeling ont- of vergrendeld. Tankafsluiting openen Druk op de linkerzijde van de tankdopklep afb Schroef de tankdop linksom los en plaats de tankdop van bovenaf op de tankdopklep afb. 199.
227 Brandstof 225 Tankdop sluiten Schroef de tankdop rechtsom tot deze hoorbaar wordt vergrendeld. Sluit de tankdopklep tot deze vastklikt. Aan de binnenzijde van de tankdopklep staat de juiste soort brandstof voor uw auto alsmede de bandenmaat en de bandenspanning. Verdere aanwijzingen met betrekking tot de brandstof bladzijde 223. De tankinhoud bedraagt ca. 60 liter. Als u toch een reservejerrycan mee wilt nemen, houd dan rekening met de wettelijke voorschriften. Om veiligheidsredenen adviseren wij geen jerrycan in de auto mee te nemen. Bij een aanrijding zou de jerrycan kunnen worden beschadigd en zou er brandstof kunnen wegstromen. Voorzichtig! Voor het tanken is het nodig de extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie)* uit te schakelen. Veeg de overgestroomde brandstof van de lak - kans op lakschade! Bij auto's met katalysator mag de tank nooit geheel worden leeggereden. Door de onregelmatige benzinetoevoer kan de motor overslaan en zal de onverbrande brandstof terechtkomen in het uitlaatsysteem, wat kan leiden tot oververhitting en beschadiging van de katalysator. Let er bij het aanbrengen van het tankpistool in de vulpijp op dat de klep in de vulpijp iets wordt opengedrukt. Anders vult u onbedoeld het volume dat dient voor de uitzetting van de brandstof bij het warm worden. Dit kan leiden tot het overlopen van de brandstof of tot beschadiging van de onderdelen van de brandstoftank. Zodra het op de juiste wijze bediende automatische vulpistool voor de eerste keer afslaat, is de brandstoftank vol. Vul niet meer bij - omdat anders het volume nodig voor het uitzetten van de brandstof, wordt gevuld. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
228 226 Controleren en bijvullen Controleren en bijvullen motorruimte Motorkap openen en sluiten Ontgrendeling van de motorkap Afb. 201 Radiateurgrille: Hendel van de zekering Ontgrendeling motorkap Trek aan de ontgrendelingshendel onder het dashboard aan de bestuurderszijde afb De motorkap springt door veerkracht uit zijn vergrendeling. Afb. 200 Ontgrendelingshendel voor motorkap Motorkap openen Ontgrendel de motorkap afb Controleer voor het openen van de motorkap of de ruitenwisserarmen niet van de voorruit zijn weggeklapt omdat er in dat geval schade aan de lak kan ontstaan. Druk de beveiliging in afb. 201, de motorkap wordt ontgrendeld. Zet de motorklep vast aan het onderste gedeelte van de radiatorgril en hef deze zo ver naar boven, tot die door de gasdrukondersteuning gehouden wordt. Motorkap sluiten Door het naar onderen trekken van de motorklep overkomt u de kracht van de gasdrukondersteuning. Laat de motorkap vanaf een hoogte van ca. 30 cm in de vergrendeling vallen - motorkap niet nadrukken!
229 Controleren en bijvullen 227 Open nooit de motorkap als u ziet dat er stoom of koelvloeistof uit de motorruimte komt - kans op verbranding! Wacht totdat er geen stoom of koelvloeistof meer naar buiten komt. Uit zekerheidsoverwegingen moet de motorkap tijdens het rijden altijd gesloten zijn. Daarom moet na het sluiten van de motorkap altijd worden gecontroleerd of de kap goed is vergrendeld. Als u tijdens het rijden merkt dat de kap niet goed is vergrendeld, stop dan direct en sluit de motorkap - kans op ongevallen! Voorzichtig! Controleer voor het openen van de motorkap of de ruitenwisserarmen niet van de voorruit zijn weggeklapt omdat er in dat geval schade aan de lak kan ontstaan. Werkzaamheden in de motorruimte Bij alle werkzaamheden in de motorruimte is bijzondere voorzichtigheid geboden! Bij werkzaamheden in de motorruimte, bijv. controleren en bijvullen van de bedrijfsvloeistoffen, kunnen letsel, verbrandingen, ongevallen en brand ontstaan. Daarom moeten de onderstaand weergegeven waarschuwingen en de algemene veiligheidsregels beslist in acht worden genomen. De motorruimte van de auto is een gevaarlijke omgeving. Open nooit de motorkap als u ziet dat er stoom of koelvloeistof uit de motorruimte komt - kans op verbranding! Wacht totdat er geen stoom of koelvloeistof meer naar buiten komt. Zet de motor uit en trek de contactsleutel uit het contactslot. Trek de handrem vast aan. Vervolg Zet bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak de versnellingshendel in de vrijstand, bij auto's met automatische versnellingsbak de keuzehendel in de stand P. Laat de motor afkoelen. Zorg ervoor dat er geen kinderen in de buurt van de motorruimte kunnen komen. Mors nooit bedrijfsvloeistoffen over de hete motor. Deze vloeistoffen (bijv. de in de koelvloeistof aanwezige antivries) kunnen ontbranden! Vermijd kortsluiting in het elektrische systeem - vooral op de accu. Grijp nooit in de ventilator van de radiateur zolang de motor warm is. De ventilator kan plotseling worden ingeschakeld! Open nooit de dop van het koelvloeistofexpansiereservoir zolang de motor warm is. Het koelsysteem staat onder druk! Dek de dop van het expansiereservoir bij het losdraaien met een grote doek af om het gezicht, de handen en de armen tegen de hete stoom of de hete koelvloeistof te beschermen. Laat geen voorwerpen, zoals bijv. poetsdoeken of gereedschap achter in de motorruimte. Als onder de auto moet worden gewerkt, moet deze tegen wegrollen worden beveiligd en met geschikte bokken op veilige wijze worden ondersteund omdat alleen de krik niet voldoende is - kans op letsel! Als u testwerkzaamheden moet uitvoeren bij draaiende motor, dan vormen de draaiende delen (bijv. V-snaren, dynamo, ventilator van de radiateur) en het hoogspanningssysteem een extra gevaar. Let bovendien op het volgende. Raak nooit de elektrische bedrading van het ontstekingssysteem aan. Voorkom beslist dat u met sieraden, losse kledingstukken of lang haar in aanraking komt met draaiende delen van de motor - levensgevaar! Doe dan ook vooraf de sieraden af, bindt de haren bij elkaar en draag nauwsluitende kleding. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
230 228 Controleren en bijvullen Vervolg Neem ook de onderstaand weergegeven waarschuwingen in acht als er werkzaamheden aan het brandstofsysteem of aan het elektrische systeem noodzakelijk zijn. Koppel altijd de autoaccu los van het boordnet. Rook niet. Werk nooit in de buurt van open vuur. Houd altijd een goed werkende brandblusser paraat. Overzicht motorruimte De belangrijkste controlepunten Voorzichtig! Let er bij het bijvullen van bedrijfsvloeistoffen op dat de vloeistoffen in geen geval worden verwisseld. Dit kan namelijk tot ernstige storingen en tot schade aan de auto leiden! Afb. 202 Dieselmotor 1,9 l/77 kw A1 A2 A3 A4 A5 Koelvloeistofexpansiereservoir Ruitensproeiervloeistofreservoir Motorolievulopening Motoroliepeilstok Remvloeistofreservoir A6 Accu (onder kap) Aanwijzing De indeling van de motorruimte is bij de andere motoren praktisch gelijk.
231 Controleren en bijvullen 229 Motorolie Motoroliepeil controleren De oliepeilstok geeft het motoroliepeil aan. Oliepeil controleren Controleer of de auto op een horizontale ondergrond staat. Zet de motor af. Open de motorkap bladzijde 227. Wacht een paar minuten en trek de oliepeilstok uit het blok. Veeg de oliepeilstok met een schone doek af en schuif hem er tot aan de aanslag weer in. Trek de oliepeilstok er vervolgens weer uit en lees het oliepeil af. Oliepeil in vlak A U mag geen olie bijvullen. Afb. 203 Oliepeilstok Oliepeil in vlak AB U kunt olie bijvullen. Het kan gebeuren dat het oliepeil daarna in het vlak A ligt. Oliepeil in vlak AC U moet olie bijvullen bladzijde 230. Het is voldoende als het oliepeil daarna in het vlak AB staat. Het is normaal dat de motor olie verbruikt. Afhankelijk van de rijstijl en de bedrijfsomstandigheden kan het olieverbruik tot 0,5 l/1 000 km bedragen. Tijdens de eerste kilometer kan het verbruik ook daarboven liggen. Daarom moet het oliepeil regelmatig, bij voorkeur bij elke tankstop of vóór langere ritten, worden gecontroleerd. Als de motor zwaar wordt belast, zoals bijv. tijdens lange ritten op de autobaan in de zomer, bij het rijden met een aanhangwagen of bij het rijden over passen in het hooggebergte, adviseren wij, het oliepeil in het vlak A - maar niet daarboven - te houden. Een te laag oliepeil wordt door het controlelampje op het instrumentenpaneel* aangegeven bladzijde 42, Motoroliepeil. Controleer in dat geval zo snel mogelijk het oliepeil. Vul de benodigde hoeveelheid olie bij. Voorzichtig! Het oliepeil mag in geen geval boven vlak A liggen. Gevaar voor beschadiging van de katalysator. Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van motorolie niet mogelijk is, mag de reis niet worden vervolgd. Zet de motor af en roep de deskundige hulp van een Škoda-dealer/vakgarage in. Aanwijzing Motoroliespecificaties bladzijde 278. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
232 230 Controleren en bijvullen Motorolie bijvullen Controleer het motoroliepeil bladzijde 229. Schroef de dop van de motorolievulopening af. Vul bij met de geschikte olie in porties van 0,5 liter bladzijde 278. Controleer het oliepeil bladzijde 229, Motoroliepeil controleren. Draai de dop van de vulopening zorgvuldig weer dicht en schuif de peilstok er tot de aanslag in. Tijdens het bijvullen mag er geen olie op hete motoronderdelen terechtkomen - Brandgevaar! Lees en volg voor alle werkzaamheden in de motorruimte de aanwijzingen met betrekking tot gevaar op bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Milieu Het oliepeil mag in geen geval boven het vlak Aa bladzijde 229 liggen. Anders wordt de olie via de carterontluchting aangezogen en kan deze via het uitlaatsysteem in de atmosfeer terechtkomen. De olie kan in de katalysator verbranden en deze beschadigen. Motorolie verversen Ververs alleen zelf de motorolie als u over de benodigde vakkennis beschikt! Lees en volg voor alle werkzaamheden in de motorruimte de aanwijzingen met betrekking tot gevaar op bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Laat de motor afkoelen - kans op verbranding door de hete olie. Draag een veiligheidsbril - kans op oogletsel door oliespetters. Olie is giftig! Bewaar de olie op een voor kinderen en onbevoegden onbereikbare plaats op en voer de olie volgens voorschrift af. Voorzichtig! U mag aan de motorolie geen dopes toevoegen - kans op motorschade! Schade die door dergelijke middelen ontstaat komt niet in aanmerking voor garantie. Milieu De olie mag in geen geval in de riolering of in de bodem terechtkomen. Laat, vanwege de problemen bij de afvoer ervan, het vereiste speciale gereedschap en de noodzakelijke kennis, het vervangen van de olie en het oliefilter bij voorkeur door een erkende Škoda-dealer uitvoeren. Aanwijzing Als de huid met olie in contact is gekomen, moet de huid aansluitend hierop grondig worden gewassen. De motorolie moet volgens de in het serviceplan aangegeven intervallen of volgens de service-intervalindicatie worden vervangen bladzijde 20, Service-intervalindicatie.
233 Controleren en bijvullen 231 Koelsysteem Koelvloeistof De koelvloeistof zorgt voor de koeling van de motor. Het koelsysteem heeft onder normale bedrijfsomstandigheden bijna geen onderhoud nodig. De koelvloeistof bestaat uit water met 40% antivries. Deze mengverhouding garandeert niet alleen dat het koelsysteem is beschermd tegen vorst tot - 25 C maar beschermt ook het koel- en verwarmingssysteem tegen corrosie. Bovendien voorkomt het mengsel kalkafzetting en verhoogt het het kookpunt van de koelvloeistof duidelijk. De concentratie antivries in de koelvloeistof mag u om deze reden ook in de zomer of in landen met een warm klimaat niet verlagen door bijvullen met water. Het antivriespercentage in de koelvloeistof moet minimaal 40 % bedragen. Als vanwege het klimaat een sterkere vorstbescherming noodzakelijk is, kunt u het percentage antivries verhogen, echter slechts tot 60 % (vorstbescherming tot ca C). Daarna loopt de bescherming tegen bevriezing al weer terug. Auto's voor landen met een koud klimaat (bijv. Zweden, Noorwegen, Finland) krijgen al af fabriek een koelvloeistof met een vorstbescherming tot ongeveer -35 C. Het antivriespercentage moet in deze landen minimaal 50% bedragen. Koelvloeistof Het koelsysteem is af fabriek met koelvloeistof gevuld (kleur lila) die voldoet aan de specificatie TL-VW 774 G. Voor het bijvullen adviseren wij dezelfde antivries - G12 PLUS-PLUS (kleur lila) - te gebruiken. Neem bij vragen met betrekking tot de koelvloeistof of als u een andere koelvloeistof wilt bijvullen, contact op met een erkende Škoda-dealer. De juiste antivries is leverbaar via een erkende Škoda-dealer. Voorzichtig! Andere koelvloeistofdopes kunnen vooral de bescherming tegen corrosie aanzienlijk verminderen. De door corrosie ontstane storingen kunnen tot verlies van koelvloeistof en aansluitend daarop tot ernstige motorschade leiden. Koelvloeistofpeil controleren Afb. 204 Motorruimte: Koelvloeistofexpansiereservoir Het koelvloeistofexpansiereservoir bevindt zich rechts in de motorruimte. Zet de motor af. Open de motorkap bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Controleer het koelvloeistofpeil op het koelvloeistofexpansiereservoir afb Het koelvloeistofpeil moet bij koude motor tussen de markeringen Ab (MIN) en Aa (MAX) liggen. Bij warme motor kan het peil ook iets boven de markering Aa (MAX) liggen. Een te laag koelvloeistofpeil in het expansiereservoir wordt door het controlelampje in het instrumentenpaneel bladzijde 38 aangegeven. Toch raden we aan het koelvloeistofpeil van tijd tot tijd direct op het reservoir te controleren. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
234 232 Controleren en bijvullen Verlies van koelvloeistof Koelvloeistofverlies duidt in de eerste plaats op lekkages. Volsta niet met het bijvullen van koelvloeistof. Laat het koelsysteem direct door een Škoda-dealer controleren. Als het systeem geheel lekvrij is, kunnen koelvloeistofverliezen alleen maar optreden doordat de koelvloeistof door oververhitting het kookpunt heeft bereikt en via het overdrukventiel in de dop van het expansiereservoir ontsnapt. Lees en volg voor alle werkzaamheden in de motorruimte de aanwijzingen met betrekking tot gevaar op bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Voorzichtig! Als de oorzaak van de oververhitting niet kan worden gevonden en verholpen moet zo snel mogelijk contact worden opgenomen met een Škoda-dealer, anders kan ernstige motorschade ontstaan. Koelvloeistof bijvullen Zet de motor af. Laat de motor afkoelen. Leg een doek op de dop van het koelvloeistofexpansiereservoir afb. 204 en draai de dop voorzichtig linksom los. Vul koelvloeistof bij. Draai de dop dicht tot deze hoorbaar aangrijpt. De koelvloeistof die u bijvult, moet aan bepaalde specificaties voldoen bladzijde 231, Koelvloeistof. Als in geval van nood de antivries G12 PLUS niet beschikbaar is, vul dan geen andere antivries bij. Vul in zo'n geval alleen water bij en laat de juiste mengverhouding tussen water en antivries zo snel mogelijk door een Škoda-dealer herstellen. Gebruik voor het bijvullen uitsluitend nieuwe koelvloeistof. Niet tot boven de MAX -markering bijvullen! Overtollige koelvloeistof wordt bij verwarming via de overdrukklep in de afsluitdop van het expansiereservoir uit het koelsysteem gedrukt. Bij een vrij groot koelvloeistofverlies de koelvloeistof alleen maar bij een afgekoelde motor bijvullen. Zo voorkomt u schade aan de motor. Het koelsysteem staat onder druk! Draai de dop van het koelvloeistofexpansiereservoir niet los bij hete motor - kans op verbranding! De antivries en daarmee de hele koelvloeistof is schadelijk voor de gezondheid. Vermijd contact met de koelvloeistof. Ook de dampen van de koelvloeistof zijn schadelijk voor de gezondheid. Bewaar antivries altijd in de originele blikken en op een veilige plaats, buiten bereik van kinderen - kans op vergiftiging! Als u koelvloeistofspatten in de ogen hebt gekregen, spoel de ogen dan direct met schoon water en consulteer zo snel mogelijk een arts. Laat u ook direct medisch behandelen als u per vergissing koelvloeistof hebt gedronken. Voorzichtig! Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van koelvloeistof niet mogelijk is, mag de reis niet worden vervolgd. Zet de motor uit en roep de deskundige hulp van een Škoda-dealer/vakgarage in. Milieu Als de koelvloeistof moet worden afgetapt, mag het niet weer worden gebruikt. De vloeistof moet worden opgevangen en met inachtneming van de milieuvoorschriften worden afgevoerd.
235 Controleren en bijvullen 233 Koelluchtventilator De koelluchtventilator kan plotseling inschakelen. De koelluchtventilator wordt door een elektromotor aangedreven en, afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur, aangestuurd. Na het afzetten van de motor kan de koelluchtventilator - ook bij uitgeschakeld contact - nog ongeveer 10 minuten doordraaien. Hij kan ook na enige tijd plotseling weer inschakelen als de koelvloeistoftemperatuur door stuwwarmte is opgelopen of de warme motorruimte ook nog eens door sterke zonnestraling wordt opgewarmd. Bij werkzaamheden in de motorruimte moet u er rekening mee houden dat de koelluchtventilator plotseling kan inschakelen - kans op letsel! Remvloeistof Remvloeistofpeil controleren Het remvloeistofreservoir bevindt zich links in de motorruimte. Bij auto's met stuur rechts bevindt het reservoir zich aan de andere zijde van de motorruimte. Zet de motor af. Open de motorkap bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Controleer het remvloeistofpeil in het reservoir bladzijde 233, afb Het peil moet tussen de markeringen MIN en MAX liggen. Een geringe daling van het vloeistofpeil ontstaat bij het rijden door de slijtage en de automatische bijstelling van de remblokken en is daarom normaal. Als het vloeistofpeil echter binnen korte tijd duidelijk daalt of tot onder de markering MIN zakt, kan dit te wijten zijn aan een lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofpeil te laag is, wordt dit door het oplichten van het controlelampje in het instrumentenpaneel aangegeven bladzijde 41. In dit geval moet direct worden gestopt en mag er niet verder worden gereden! Roep deskundige hulp in. Lees en volg voor alle werkzaamheden in de motorruimte de aanwijzingen met betrekking tot gevaar op bladzijde 227. Als het vloeistofpeil tot onder de MIN-markering is gedaald, rijd dan niet verder - kans op ongevallen! Roep deskundige hulp in. Remvloeistof vervangen Afb. 205 Motorruimte: Remvloeistofreservoir Remvloeistof trekt vocht aan. De vloeistof neemt dan ook in de loop van de tijd vocht uit de omringende lucht op. Een te hoog percentage water in de remvloeistof kan de oorzaak van corrosie in het remsysteem zijn. Het percentage water verlaagt bovendien het kookpunt van de remvloeistof. Daarom moet de remvloeistof elke twee jaar worden vervangen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
236 234 Controleren en bijvullen Er mag alleen nieuwe, door Škoda Auto vrijgegeven, originele remvloeistof worden gebruikt. De specificatie daarvoor luidt FMVSS 116 DOT 4. Wij adviseren, het vervangen van de remvloeistof in het kader van een Grote Onderhoud Service door een erkende Škoda-dealer te laten uitvoeren. Accu Werkzaamheden aan de accu Bij gebruik van te oude remvloeistof kunnen bij grote belasting van de remmen luchtbellen in het remsysteem ontstaan. Daardoor wordt de remwerking en dientengevolge de rijveiligheid negatief beïnvloed. Remvloeistof is giftig! Daarom moet deze in een afgesloten originele verpakking en buiten het bereik van kinderen en onbevoegde personen worden bewaard. Voorzichtig! Remvloeistof tast de lak van de auto aan. Afb. 206 Motorruimte: Accu Milieu Door de problemen met de afvoer (chemisch afval), het benodigde speciale gereedschap en de nodige vakkennis, moet het verversen van de remvloeistof door een erkende Škoda-dealer worden uitgevoerd. Afb. 207 Bagageruimte: Accu onder de afdekking De accu bevindt zich in de motorruimte onder een kunstofafdekking of in de linkse zijdelingse vak van de bagageruimte. Accu in motorruimte Druk de vergrendeling aan de zijde van de accuafdekkap afb. 206 in, klap de accuafdekkap op en neem de accu weg.
237 Controleren en bijvullen 235 Het aanbrengen van de accuafdekplaat vindt in omgekeerde volgorde plaats. Accu in bagageruimte Het vak met het symbool opent u door het draaien van de sluitingen bijv. met een munt of met een vlakke schroevendraaier in de pijlrichting afb Het uit- en inbouwen van de accu wordt niet geadviseerd, omdat deze onder bepaalde omstandigheden kan worden beschadigd. Neem contact op met een Škoda-dealer. Bij werkzaamheden aan de accu en aan het elektrische systeem kunnen letsel, verbrandingen, ongevallen en brand ontstaan. Daarom moeten de onderstaand weergegeven waarschuwingen en de algemene veiligheidsregels beslist in acht worden genomen. Het accuzuur heeft een sterke etsende werking, er moet daarom uiterst zorgvuldig mee worden omgegaan. Draag bij het werken aan de accu beschermende handschoenen, oog- en huidbeschermers. Etsende dampen in de lucht zorgen voor irritatie van de luchtwegen en leiden tot ontstekingen aan bindvlies en luchtwegen. Het accuzuur heeft een etsende werking op tandglazuur, na huidcontact ontstaan diepe wonden die lange tijd nodig hebben om te genezen. Frequent contact met verdunde zuren veroorzaakt huidziektes (ontstekingen, zweren, kloven). Als de zuren in aanraking komen met water, vindt verdunning plaats die gepaard gaat met een aanzienlijke warmteontwikkeling. Kantel de accu niet, want er kan accuzuur uit de ontluchtingsopeningen van de accu lopen. Ogen beschermen door middel van een veiligheidsbril of veiligheidskap! Er is kans op blindheid! Als u accuzuur in de ogen krijgt, moet u het betreffende oog een aantal minuten met schoon water spoelen. Roep daarna direct medische hulp in. Zuurspatten op de huid of kleding zo gauw mogelijk met zeep neutraliseren en daarna met veel water naspoelen. Als u zuur hebt gedronken, direct medische hulp inroepen. Vervolg Houd kinderen uit de buurt van de accu. Bij het laden van accu's komt waterstof vrij en ontstaat er een uiterst explosief knalgasmengsel. Een explosie kan ook worden veroorzaakt door een vonk die ontstaat bij het loskoppelen van de accu of het lostrekken van een stekerverbinding bij ingeschakeld contact. Door het overbruggen van de accupolen (bijv. door metalen voorwerpen, bekabeling) ontstaat kortsluiting. Eventuele gevolgen van kortsluiting: smelten van loodstrippen, explosie en accubrand, zuurspetters. Open vuur en licht, roken en bezigheden waarbij vonken ontstaan, zijn verboden. Vermijd vonkvorming bij het hanteren van bedrading en elektrische apparatuur. Bij sterke vonkvorming bestaat kans op letsel. Voor alle werkzaamheden aan de elektrische installatie moet de motor, het contact alsmede alle elektrische verbruikers worden uitgezet en moet de accu-massakabel (-) op de accu worden losgemaakt. Als u gloeilampen wilt vervangen, moet u de betreffende verlichting uitschakelen. Laadt nooit een bevroren of ontdooide accu op - kans op explosie en bijtende zuren! Vervang een bevroren accu. Gebruik de starthulp nooit bij accu's met te lage elektrolytpeil - kans op explosie en bijtende zuren! Maak nooit gebruik van een beschadigde accu - explosiegevaar! Vervang een beschadigde accu direct. Voorzichtig! U mag de accukabels alleen bij uitgeschakeld contact losmaken, omdat anders de elektrische installatie (elektronische componenten) van de auto kunnen worden beschadigd. Bij het loskoppelen van de accu van het boordnet koppelt u eerst de minpool (-) van de accu los. Pas daarna koppelt u de pluspool (+) los. Bij het weer aansluiten van de accu moet u eerst de pluspool (+) en pas daarna de minpool (-) van de accu aansluiten. U mag de aansluitkabels in geen geval verwisselen - kans op brand in de bedrading. Zorg ervoor dat het accuzuur niet in aanraking komt met de carrosserie, omdat dan de lak kan worden aangetast. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
238 236 Controleren en bijvullen Om de accu tegen UV-stralen te beschermen mag de accu niet aan direct daglicht worden blootgesteld. Accu's die ouder zijn dan 5 jaar moeten worden vervangen. Wij adviseren, de controle en het vervangen van de accu door een dealer te laten uitvoeren. Milieu Een afgedankte accu is schadelijk afval voor het milieu - richt u zich voor de afvoer van accu's tot een Škoda-dealer. Aanwijzing Neem ook na het aansluiten van de accu de aanwijzingen in acht bladzijde 238. Accu met tweekleurig display Voorzichtig! Bij een stilstand van de auto van langer dan 3 tot 4 weken wordt de accu ontladen, omdat enkele verbruikers ook in ruststand stroom verbruiken (bijv. regelapparaten). U kunt het ontladen van de accu voorkomen, door de minpool van de accu los te koppelen, of de accu doorlopend met een zeer lage laadstroom op te laden. Let bij werkzaamheden aan de accu op de aanwijzingen bladzijde 234, Werkzaamheden aan de accu. Aanwijzing Accu's met tweekleurig display, die af fabriek gemonteerd zijn, zijn met een code gemarkeerd die altijd met 5K0 begint. De precieze code kan b.v. 5K D zijn. Reserve-accu's met tweekleurig display die bij de originele Škoda-onderdelen gekocht worden, hebben de code Dx, waarbij x voor een variabel teken staat. De precieze code kan b.v DB zijn. Accu met driekleurig display Afb. 208 Accu: magisch oog Aan de bovenzijde van de accu is een display voor de elektrolytpeil, het zogenoemd magisch oog afb De kleur van deze indicatie wijzigt al naargelang de elektrolytpeil van de accu. Luchtbellen kunnen van invloed zijn op de kleur van het display. Klop daarom voor de controle voorzichtig op het display. Zwarte kleur - elektrolytpeil in orde. Kleurloze of lichtgele kleur - elektrolytpeil te laag, de accu moet worden vervangen. Aan de bovenzijde van de accu is een display voor de elektrolytpeil en de laadtoestand, het zogenoemd magisch oog bladzijde 236, afb De kleur van deze indicatie wijzigt al naargelang de laadtoestand en elektrolytpeil van de accu. Luchtbellen kunnen van invloed zijn op de kleur van het display. Klop daarom voor de controle voorzichtig op het display. Groene kleur - de accu is voldoende geladen. Donkere kleur - de accu moet worden geladen. Kleurloze of gele kleur - elektrolytpeil te laag, de accu moet worden vervangen. Accu's die ouder zijn dan 5 jaar moeten worden vervangen. Wij adviseren, de controle en het vervangen van de accu door een dealer te laten uitvoeren.
239 Controleren en bijvullen 237 Voorzichtig! Bij een stilstand van de auto van langer dan 3 tot 4 weken wordt de accu ontladen, omdat enkele verbruikers ook in ruststand stroom verbruiken (bijv. regelapparaten). U kunt het ontladen van de accu voorkomen, door de minpool van de accu los te koppelen, of de accu doorlopend met een zeer lage laadstroom op te laden. Let bij werkzaamheden aan de accu op de aanwijzingen bladzijde 234. Aanwijzing Accu's met driekleurig display, die af fabriek gemonteerd zijn, zijn met een code gemarkeerd die altijd met 1J0, 7N0 of 3B0 begint. De precieze code kan b.v. 1J AC zijn. Reserve-accu's met driekleurig display die bij de originele Škoda-onderdelen gekocht worden, hebben de code Ax, waarbij x voor een variabel teken staat. De precieze code kan b.v AB zijn. Elektrolytpeil controleren De accu is onder normale bedrijfsomstandigheden praktisch onderhoudsvrij. Bij hoge buitentemperaturen of lange dagelijkse ritten raden we toch aan het elektrolytpeil van tijd tot tijd door een Škoda-dealer te laten controleren. Laat na elke keer laden bladzijde 237 ook het elektrolytpeil controleren. Het elektrolytpeil wordt ook in het kader van de Grote Onderhoud Service gecontroleerd. Rijden in de winter Vooral in de winter wordt de accu zwaar op de proef gesteld. Bovendien beschikt hij bij lage temperaturen nog maar over een deel van de startcapaciteit die hij bij normale temperaturen heeft. Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 C bevriezen. Wij adviseren daarom, de accu voor het begin van de winter door een erkende Škoda dealer te laten controleren en zo nodig te laten opladen. Laad nooit een bevroren of ontdooide accu op - kans op explosie en bijtende zuren. Vervang een bevroren accu. Accu laden Een geladen accu is een absolute voorwaarde voor goed starten van de motor. Lees de waarschuwingsaanwijzingen in Werkzaamheden aan de accu op bladzijde 234 en. Schakel het contact en alle stroomverbruikers uit. Alleen bij snelladen : koppel beide aansluitkabels los (eerst min, dan plus ). klem de poolklemmen van de acculader aan op de accupolen (rood = plus, zwart = min ). steek dan pas de steker van het laadapparaat in het stopcontact en schakel het apparaat in. Aan het einde van het laadproces: schakel het laadapparaat uit en trek de steker uit het stopcontact. neem nu pas de poolklemmen van het laadapparaat los. sluit de aansluitkabels weer op de accu aan (eerst plus, dan min ). Bij het laden met geringe stroomsterktes (bijv. met een hobbylader) hoeven de aansluitkabels normaal gesproken niet van de accu te worden losgekoppeld. Neem in ieder geval de aanwijzingen van de fabrikant van het laadapparaat in acht. Voor het geheel laden van de accu moet een laadstroom van 0,1 van de accucapaciteit (of lager) worden ingesteld. Vóór het laden met hoge stroomsterktes, het zogenaamde snelladen, moeten de beide accukabels echter wel worden losgemaakt. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
240 238 Controleren en bijvullen Het snelladen van een accu is gevaarlijk in Werkzaamheden aan de accu op bladzijde 234. Dit vereist een speciaal laadapparaat en de noodzakelijke kennis. We adviseren daarom uw accu alleen door een erkende Škoda-dealer via een snellader te laden laden. Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 C bevriezen. We raden aan een ontdooide accu niet meer te gebruiken omdat de accubehuizing door de ijsvorming kan zijn gescheurd en daardoor het accuzuur eruit kan lopen. Bij het laden hoeven de afsluitdoppen van de accu niet te worden geopend. Laad nooit een bevroren of ontdooide accu op - kans op explosie en bijtende zuren. Vervang een bevroren accu. Accu los-, resp. vastkoppelen Accu vervangen Als de accu wordt vervangen, moet de nieuwe accu dezelfde capaciteit, spanning (12 volt), stroomsterkte en dezelfde grootte hebben. De erkende Škoda-dealers beschikken over geschikte accutypen. Door de speciale eisen die worden gesteld aan de afvoer van de oude accu raden we aan de accu alleen maar door een erkende Škoda-dealer te laten vervangen. Milieu Accu's bevatten giftige substanties zoals zwavelzuur en lood. Ze moeten daarom volgens voorschrift worden afgevoerd en horen in elk geval niet bij het huisvuil thuis! Ruitensproeiersysteem Na het loskoppelen en weer vastkoppelen van de accu zijn aanvankelijk de volgende functies buiten werking of kunnen niet meer storingvrij worden gebruikt: Functie Ingebruikneming Elektrische ruitbediening (storingen) bladzijde 58 Radio - codenummer invoeren zie radiohandleiding Uren instellen bladzijde 21 Gegevens van de multi-functie-indicatie* zijn bladzijde 21 gewist Wij adviseren, de auto door een erkende Škoda-dealer te laten controleren, zodat de volledige werking van alle elektrische systemen is gegarandeerd. Afb. 209 Motorruimte: Ruitensproeiervloeistofreservoir Het ruitensproeierreservoir bevat de reinigingsvloeistof voor de voorruit, resp. achterruit en de koplampsproeiers*. Het reservoir bevindt zich rechtsvoor in de motorruimte afb De inhoud van het reservoir bedraagt ca. 3 liter, bij auto's met koplampreinigingssysteem ca. 5,5 liter.
241 Controleren en bijvullen 239 Gewoon water is niet voldoende om de ruiten en de koplampen intensief te reinigen. Wij adviseren daarom schoon water met een ruitenreiniger uit het originele Škoda-accessoireprogramma (in de winter met antivries) te gebruiken om het vastzittende vuil te verwijderen. Neem bij het gebruik van reinigingsmiddelen de gebruiksvoorschriften op de verpakking in acht. Ook als uw auto verwarmbare ruitensproeiers* heeft, moet u in de winter altijd antivries aan het water toevoegen. Als er geen ruitenreiniger met antivries beschikbaar is, kan ook spiritus worden gebruikt. Het percentage spiritus mag daarbij niet meer dan 15 % bedragen. Realiseert u zich echter wel dat de beveiliging tegen bevriezing bij deze concentratie slechts tot -5 C loopt. Lees en volg voor alle werkzaamheden in de motorruimte de aanwijzingen met betrekking tot gevaar op bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Voorzichtig! U mag de ruitensproeiervloeistof in geen geval mengen met antivries voor de radiateur of andere dergelijke middelen. Als de auto is uitgevoerd met koplampsproeiers, mag aan de ruitensproeiervloeistof alleen een reinigingsmiddel worden toegevoegd dat de polycarbonaatcoating van de koplamp niet aantast. Neem contact op met uw erkende Škodadealer; die u informeert welke reinigingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
242 240 Wielen en banden Wielen en banden Wielen Algemene aanwijzingen Nieuwe banden hebben in het begin nog niet de optimale grip en moeten dan ook de eerste 500 km met een matige snelheid en een hierbij behorende voorzichtige rijstijl worden ingereden. Dat komt ook de levensduur van de banden ten goede Op basis van constructiekenmerken en de vorm van het profiel kan de profieldiepte van nieuwe banden - afhankelijk van de uitvoering en het fabrikaat - verschillen vertonen. Om beschadiging van banden en velgen te voorkomen, mogen trottoirs of soortgelijke obstakels alleen maar langzaam en zo mogelijk onder een rechte hoek worden genomen. Controleer de banden regelmatig op beschadigingen (inkepingen, insnijdingen, scheuren en bulten). Verwijder ongerechtigheden uit het bandenprofiel. Beschadigingen aan de band en aan de velg treden vaak ongemerkt op. Ongewone trillingen of zijwaarts trekken van de auto kan duiden op bandenschade. Als u vermoedt dat een band is beschadigd, verlaag dan direct de snelheid en stop! Controleer de banden op beschadigingen (builen, scheuren e.d.). Als er geen beschadigingen zichtbaar zijn, rijd dan langzaam en voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer om uw auto te laten controleren. Bescherm de banden zodat deze niet in contact kunnen komen met olie, vet en brandstof. Vervang zoekgeraakte ventieldopjes direct. Als de wielen worden verwijderd, moeten deze vooraf worden afgetekend zodat bij het weer monteren de huidige draairichting kan worden gehandhaafd. Bewaar gedemonteerde wielen, resp. banden altijd op een koele, droge en zo mogelijk donkere plaats. Banden die niet op een velg zijn gemonteerd, moeten staande worden bewaard. Draairichtinggebonden banden* De draairichting is door een pijl op de bandwang gekenmerkt. De op deze wijze aangegeven draairichting moet beslist worden aangehouden. Alleen dan kunnen de optimale eigenschappen van deze banden met betrekking tot de grip, het bandengeluid, slijtage en aquaplaning volledig tot hun recht komen. Verdere aanwijzingen met betrekking tot de montage van draairichtinggebonden banden bladzijde 245. Nieuwe banden leveren tijdens de eerste 500 km nog niet de optimale grip, rijd dan ook voorzichtig - kans op ongevallen! Rijd nooit met beschadigde banden - kans op ongevallen! Aanwijzing Let op de afwijkende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot de banden. Levensduur van de banden Afb. 210 Open tankdopklep met een tabel van bandenmaten en -spanningwaarden
243 Wielen en banden 241 De levensduur van de banden is in belangrijke mate afhankelijk van de onderstaande punten: Bandenspanning Een te lage of te hoge bandenspanning leidt tot een aanzienlijk kortere levensduur van de banden en heeft een zeer ongunstig effect op de wegligging van de auto. Vooral bij hoge snelheden is de bandenspanning van het allergrootste belang. Controleer de bandenspanning dan ook minstens eenmaal per maand en voor elke grote rit. Denk bij deze gelegenheid ook aan het reservewiel. De bandenspanningswaarden voor zomerbanden staan aan de binnenzijde van de tankdopklep bladzijde 240, afb De bandenspanningswaarden voor winterbanden zijn 20 kpa (0,2 bar) hoger dan die voor de zomerbanden bladzijde 244. Voor de bandenspanning van het reservewiel moet de hoogste bandenspanning die voor de auto is voorgeschreven, worden aangehouden. De bandenspanning van het reserve-noodwiel R 18 bedraagt 420 kpa (4,2 bar). Controleer de bandenspanning altijd bij koude banden. Verlaag bij warme banden de hiermee gepaard gaande hogere bandenspanning niet. Pas bij een grotere wijziging van de belading de bandenspanning overeenkomstig aan. Uitlijningsfouten Een verkeerde wieluitlijning voor of achter zorgt niet alleen voor een hogere en vaak eenzijdige bandenslijtage, maar heeft ook een negatieve invloed op de rijveiligheid. Neem bij extreme bandenslijtage contact op met uw Škoda-dealer. Bij een te geringe bandenspanning wordt de band sterk vervormd. Hierdoor loopt bij hogere snelheden de temperatuur van de band sterk op. Dit kan weer leiden tot het loslaten van het loopvlak en zelfs tot een klapband. Vervang een beschadigde velg of band direct. Milieu Een te lage bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik. Slijtage-indicator Rijstijl Snel bochtenwerk, snel accelereren en sterk afremmen (piepende banden) verhogen de bandenslijtage. Wielen balanceren De wielen van een nieuwe auto zijn gebalanceerd. Tijdens het rijden kan echter door verschillende invloeden onbalans ontstaan, die zich kenbaar maakt door trillingen in het stuur. Omdat onbalans ook tot een hogere slijtage van stuurinrichting, wielophanging en banden leidt, moeten de wielen opnieuw worden gebalanceerd. Bovendien moet een wiel na de montage van een nieuwe band en na elke bandenreparatie opnieuw worden gebalanceerd. Afb. 211 Bandenprofiel met slijtage-indicator In de groeven van het profiel van de originele band zijn dwars op de draairichting 1,6 mm hoge slijtage-indicatoren aangebracht. Deze slijtage-indicatoren zijn afhankelijk van de fabrikant 6-, 8-maal op gelijke afstanden op de bandomtrek aangebracht afb De markeringen op de wang in de vorm van de letters TWI, driehoekssymbool of andere symbolen, geven de plaats van de slijtage-indicatoren aan. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
244 242 Wielen en banden Bij een profieldiepte van 1,6 mm - gemeten in de groeven naast de slijtage-indicatoren - is de wettelijk toegestane minimale profieldiepte bereikt (in een aantal landen kunnen andere waarden gelden). De banden moeten direct worden vervangen als deze tot aan de slijtageindicatoren zijn versleten - kans op ongevallen! Let op de wettelijk voorgeschreven minimale profieldiepte. Versleten banden beïnvloeden bij hoge snelheden op een nat wegdek de benodigde grip op het wegdek in negatieve zin. Er kan aquaplaning optreden (ongecontroleerde bewegingen van de auto - drijven op een nat wegdek). Wielen verwisselen Afb. 212 Wielen verwisselen Bij een duidelijk sterke slijtage van de voorbanden adviseren wij, de voorwielen en de achterwielen overeenkomstig het schema afb. 212 te verwisselen. Hierdoor kennen alle banden ongeveer dezelfde levensduur. Bij bepaalde slijtageverschijnselen op het loopvlak van de banden kan het zinvol zijn, de wielen kruiselings te verwisselen (alleen bij niet-draairichtinggebonden banden). De medewerkers van de erkende Škoda dealer kennen de verschillende combinatiemogelijkheden. Om tot een gelijkmatige slijtage van alle wielen en een optimale levensduur te komen adviseren wij de wielen elke km te verwisselen. Nieuwe banden en velgen Banden en velgen zijn belangrijke constructie-elementen. Monteer daarom alleen door Škoda Auto vrijgegeven banden en velgen. Deze zijn exact op het type auto afgestemd en dragen in belangrijke mate bij aan een goede wegligging en veilige rijeigenschappen. Monteer op alle 4 de wielen alleen radiaalbanden met dezelfde constructie, maat (afrolomtrek) en hetzelfde profiel per as. De erkende Škoda-dealer beschikt over de actuele informatie over welke bandenmerken voor uw auto zijn vrijgegeven. Wij adviseren, alle werkzaamheden aan banden of wielen door een erkende Škoda-dealer te laten uitvoeren. Deze beschikt over de benodigde speciale gereedschappen en onderdelen, heeft de vereiste vakkennis en is ingesteld op de opslag en het afvoeren van oude banden. Vele erkende Škoda-dealers beschikken bovendien over een ruim assortiment velgen en banden. De voor uw auto vrijgegeven band-velgcombinaties staan in de documentatie die bij de auto hoort. De typegoedkeuring is afhankelijk van de wetgeving in de afzonderlijke landen. Het kennen van de betekenis van de gegevens op de band vergemakkelijkt het maken van de juiste keuze. Banden zijn op de wang voorzien van bijv. het volgende opschrift: 205 / 55 R V Dit betekent: 205 Bandenbreedte in mm 55 Hoogte-breedteverhouding in % R Codeletter voor bandenconstructie - Radiaal
245 Wielen en banden 243 Voor banden gelden de volgende snelheidsbegrenzingen. De productiedatum staat eveneens op de wang van de band (eventueel alleen aan de binnenzijde van de band): DOT Velgdiameter in inches 94 Draagvermogen V Snelheidsindex Snelheidsindex S T H V W Y Toelaatbare topsnelheid 180 km/h 190 km/h 210 km/h 240 km/h 270 km/h 300 km/h betekent bijvoorbeeld, dat de band in de 20e week van het jaar 2009 is geproduceerd. Als het reservewiel qua uitvoering afwijkt van de gemonteerde banden (bijv. bij winter- of low-sectionband), mag het reservewiel alleen in geval van pech kortstondig en met de overeenkomstige voorzichtige rijstijl worden gebruikt. Het reservewiel moet zo snel mogelijk weer door het normaal gemonteerde wiel worden vervangen. Monteer dan ook uitsluitend die banden of velgen die door Škoda Auto A.G. voor uw auto zijn vrijgegeven. Als dit wordt nagelaten kan de verkeersveiligheid negatief worden beïnvloed - kans op ongevallen! Bovendien kan in Nederland de door de Rijksdienst voor het Wegverkeer verleende typegoedkeuring haar geldigheid verliezen. Vervolg De toegestane maximumsnelheid van uw banden mag in geen geval worden overschreden kans op een ongeval door een beschadigde band en verlies van controle over de auto. Banden die ouder zijn dan 6 jaar mogen alleen in geval van nood worden gemonteerd en rijd hiermee voorzichtig. Monteer nooit gebruikte banden waarvan de voorgeschiedenis onbekend is. Banden verouderen, ook als deze niet of slechts weinig zijn gebruikt. Op het reservewiel mag alleen in geval van nood een gebruikte band worden gemonteerd en dan alleen wanneer zeer voorzichtig wordt gereden. In het belang van de verkeersveiligheid banden zo mogelijk niet apart maar minstens per as vervangen. De banden met de grootste profieldiepte moeten altijd op de voorwielen worden gemonteerd. Milieu Oude gebruikte banden moeten volgens voorschrift worden opgeslagen en afgevoerd. Aanwijzing Om technische redenen kunnen normaal gesproken de velgen van een andere auto niet worden gemonteerd. Dit geldt onder bepaalde omstandigheden zelfs voor de velgen van hetzelfde autotype. Wielbouten De velgen en de wielbouten zijn constructief op elkaar afgestemd. Bij het monteren van andere velgen - bijv. lichtmetalen velgen of velgen met winterbanden - moeten daarom steeds de bijbehorende wielbouten met de juiste lengte en bolvorm onder de boutkop worden gebruikt. De bevestiging van de velgen en de werking van het remsysteem zijn hiervan afhankelijk. Als naderhand wielsierdoppen worden gemonteerd, moet erop worden gelet, dat voldoende luchttoevoer voor de koeling van het remsysteem blijft gegarandeerd. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
246 244 Wielen en banden Erkende Škoda-dealers worden constant op de hoogte gehouden over de technische mogelijkheden van de velg-bandcombinaties en wielsierdoppen. Als de wielbouten niet goed worden vastgedraaid kan het wiel tijdens het rijden loslopen - kans op ongevallen! De wielbouten moeten schoon en goed gangbaar zijn. Zij mogen nooit met vet of olie worden ingesmeerd. Als de wielbouten met een te laag aantrekmoment werden vastgedraaid, kan de velg tijdens het rijden loslopen - kans op ongevallen! Een te hoog aantrekmoment kan de bouten en de schroefdraad beschadigen en leiden tot een blijvende vervorming van de draagvlakken op de velg. Voorzichtig! Het voorgeschreven aantrekmoment van de wielbouten is bij stalen en lichtmetalen velgen 120 Nm. Winterbanden verliezen hun wintereigenschappen grotendeels, als het profiel tot op ca. 4 mm is afgesleten. Ook door veroudering gaan de eigenschappen van winterbanden achteruit - ook als de profieldiepte nog duidelijk boven de 4 mm ligt. Voor winterbanden gelden snelheidsbeperkingen net zoals voor zomerbanden bladzijde 242,. Er mogen winterbanden met een lagere snelheidscategorie worden gemonteerd op voorwaarde dat de toegestane topsnelheid van deze banden niet wordt overschreden ook niet als de mogelijke topsnelheid van de auto hoger ligt. Bij het overschrijden van de toegestane maximumsnelheid van de betreffende bandencategorie kunnen de banden worden beschadigd. Let bij het gebruik van winterbanden op de aanwijzingen bladzijde 240. In plaats van winterbanden kunnen ook zogenaamde all-wheatherbanden worden gemonteerd. Neem als een en ander niet duidelijk is, contact op met een Škoda-dealer, die u kan informeren over de voor uw banden geldende topsnelheid. Winterbanden Bij winterse omstandigheden worden de rijeigenschappen van de auto door winterbanden duidelijk verbeterd. Zomerbanden bieden door hun constructie (breedte, rubbersamenstelling, profielvorm) bij temperaturen beneden 7 C, minder grip op ijs en sneeuw. Dat geldt vooral voor auto's die voorzien zijn van low-sectionbanden of hogesnelheidsbanden zijn voorzien (codeletter H of V op de flank van de band). Om de best mogelijke rijeigenschappen te verkrijgen, moeten op alle vier de wielen winterbanden worden gemonteerd. Er mogen alleen winterbanden worden gemonteerd, die voor de auto zijn vrijgegeven. De toegestane winterbandmaten staan vermeld in de documentatie die bij de auto hoort. De bandenmaten zijn afhankelijk van de nationale wettelijke voorschriften. Let erop dat de bandenspanning 20 kpa (0,2 bar) hoger moet zijn dan bij zomerbanden bladzijde 240, afb De toelaatbare topsnelheid van uw winterbanden mag in geen geval worden overschreden - kans op een ongeval door een beschadigde band en het verlies over de controle van de auto. Milieu Monteer tijdig weer de zomerbanden, omdat de rijeigenschappen met zomerbanden op sneeuw- en ijsvrije wegen alsmede bij temperaturen boven 7 C duidelijk beter zijn - kortere remweg, minder afrolgeluid, minder bandenslijtage en lager brandstofverbruik. Aanwijzing Let op de afwijkende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot de banden.
247 Wielen en banden 245 Draairichtinggebonden banden* De draairichting is door een pijl op de bandwang gekenmerkt. De op deze wijze aangegeven draairichting moet beslist worden aangehouden. Alleen zo kunnen de optimale eigenschappen van deze banden met betrekking tot de grip, het bandengeluid, slijtage en aquaplaning volledig tot hun recht komen. Als het reservewiel bij een lekke band met geen voorgeschreven draairichting of in tegengestelde richting aan de draairichting moet worden gemonteerd, moet bijzonder voorzichtig worden gereden, omdat de optimale eigenschappen van de band in deze situatie niet meer gelden. Dit is vooral bij een nat wegdek belangrijk. Let op de aanwijzingen bladzijde 251, Reservewiel*. Bij een lekke band moet deze zo snel mogelijk worden vervangen en moet de juiste draairichting bij alle banden weer worden hersteld. Sneeuwkettingen De sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen worden gemonteerd. Onder winterse omstandigheden verbeteren de sneeuwkettingen niet alleen de trekkracht, maar ook het remgedrag. De montage van sneeuwkettingen is om technische redenen alleen bij de hiernavolgende velg-bandcombinaties toegestaan: Let voor wat betreft de maximum rijsnelheid met sneeuwkettingen op de nationale wettelijke voorschriften. Let op de gegevens in de meegeleverde montagehandleiding van de sneeuwkettingfabrikant. Voorzichtig! Bij het rijden op sneeuwvrije trajecten moeten de sneeuwkettingen worden verwijderd. Deze hebben invloed op de rijeigenschappen, beschadigen de banden en slijten zeer snel. Aanwijzing Wij adviseren sneeuwkettingen uit het originele Škoda-accessoireprogramma te gebruiken. Velgmaat Inpersdiepte (ET) Bandenmaat 7J x 16 a) 45 mm 205/55 6J x 16 a) 50 mm 205/55 6J x mm 205/50 a) Geldt niet voor auto's met 3,6 l/191 kw FSI motor. Monteer fijnmazige sneeuwkettingen. Deze mogen niet meer dan 9 mm uitsteken - inclusief het kettingslot. Verwijder bij het rijden met sneeuwkettingen de wielsierdoppen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
248 246 Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen Accessoires en onderdelen Škoda-auto's zijn volgens de nieuwste inzichten van de veiligheidstechniek geconstrueerd. Om dit te behouden mag de uitvoering zoals deze af fabriek is geleverd niet zonder meer worden gewijzigd. Als uw auto naderhand wordt voorzien van accessoires, technische wijzigingen worden uitgevoerd of als op een later moment onderdelen moeten worden vervangen, moet met de volgende aanwijzingen rekening worden gehouden: Voor de aankoop van accessoires en voor het uitvoeren van technische wijzigingen moet steeds het advies worden gevraagd van een erkende Škoda-dealer. Dit geldt vooral bij het aankopen van accessoires in het buitenland. Originele Škoda-accessoires en originele Škoda-onderdelen zijn bij de servicedealers verkrijgbaar die ook de montage van onderdelen vakkundig uitvoeren, die ergens anders verkregen zijn. Alle originele Škoda-accessoires die in de catalogus van originele accessoires staan, zoals bijv. spoilers, transportsystemen, kinderzitjes enz. zijn gehomologeerd. Radio's, antennes en andere elektrische accessoires mogen alleen door een erkende Škoda dealer worden ingebouwd. Als bij uw auto technische wijzigingen moeten worden uitgevoerd, moeten de door Škoda Auto voorgeschreven richtlijnen worden opgevolgd. Hierdoor wordt voorkomen dat er schade aan de auto ontstaat, de verkeers- en de bedrijfszekerheid blijven behouden en de wijzigingen zijn toegestaan. De erkende Škoda-dealers voeren ook deze werkzaamheden vakkundig uit en zullen in bepaalde situaties verwijzen naar een specialist. Schade die door technische wijzigingen die zonder toestemming van Škoda Auto werden doorgevoerd is ontstaan, is uitgesloten van het recht op garantie. In uw eigen belang adviseren wij u voor uw Škoda alleen gebruik te maken van uitdrukkelijk vrijgegeven Škoda-accessoires en originele Škodaonderdelen. Voor deze originele Škoda-onderdelen wordt de betrouwbaarheid, veiligheid en geschiktheid gecontroleerd. Bij het gebruik van andere producten kunnen wij, ondanks een voortdurende observatie van de markt, de geschiktheid hiervan voor uw auto niet garanderen (ook niet in die gevallen waar een attest of een toelating kan worden overlegd). Technische wijzigingen Ingrepen op elektronische componenten en de software hiervan kunnen leiden tot storingen. Door de koppelingen van de elektronische componenten kunnen deze storingen ook niet-direct betreffende systemen beïnvloeden. Dit betekent dat de bedrijfsveiligheid van uw auto aanzienlijk in gevaar kan zijn gebracht, een verhoogde slijtage van de onderdelen kan optreden en ten slotte kan de typegoedkeuring van uw auto vervallen. U hebt er vast wel begrip voor dat Škoda Auto AG voor schade en/of gebreken die ontstaan ten gevolge van ondeskundige handelingen of acties, geen garantie kan verlenen. Wij adviseren dan ook alle werkzaamheden uitsluitend door een geautoriseerde Škoda-dealer met gebruikmaking van originele Škoda-onderdelen te laten uitvoeren. Werkzaamheden of wijzigingen aan uw auto die op een ondeskundige wijze zijn uitgevoerd, kunnen leiden tot storingen - kans op ongevallen!
249 Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen 247 Auto's van de groep N1 De auto van de groep N1 is een bestelwagen die voor het transporteren van goederen gebouwd is. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
250 248 Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen
251 249 Verbanddoos* Gevarendriehoek Afb. 213 Opbergvak voor verbanddoos Afb. 214 Plaats van de gevarendriehoek Verbanddoos De verbanddoos bevindt zich in het opbergvak rechts in de bagageruimte afb Aanwijzing Let bij de verbanddoos op de houdbaarheidsdatum. U kunt de gevarendriehoek met rubberbandjes bevestigen aan de bekleding van de achterwand afb Brandblusser* De brandblusser is met een riem in een steun onder de bestuurdersstoel bevestigd. Lees de instructies die op de brandblusser zijn aangebracht zorgvuldig door. De brandblusser moet door een daartoe bevoegd persoon eenmaal per jaar worden gecontroleerd (let op de eventueel afwijkende wettelijke voorschriften). Als de brandblusser niet correct is bevestigd zou deze bij een plotselinge manoeuvre of bij een aanrijding door het interieur kunnen worden geslingerd en letsel veroorzaken. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
252 250 Aanwijzing De brandblusser moet aan de wettelijk geldende eisen die eraan worden gesteld voldoen. Let op de vervaldatum van de brandblusser. Als de brandblusser na het verlopen van de vervaldatum wordt gebruikt, is de juiste werking niet meer gegarandeerd. De brandblusser behoort slechts tot de leveringsomvang in bepaalde exportuitvoeringen. Boordgereedschap adapter voor veiligheidswielbouten*, Reserve lampset*, Torx-sleutel. Voordat de krik weer op zijn plaats wordt aangebracht, moet de krikarm geheel worden ingeschroefd. De af fabriek meegeleverde krik is alleen bestemd voor uw type auto. Krik in geen geval hiermee zwaardere auto's of andere lasten op - kans op letsel! Controleer of het boordgereedschap goed is bevestigd in de bagageruimte. Aanwijzing Let erop dat de box altijd met het bandje is vastgezet. Bandenreparatieset* Afb. 215 Bagageruimte: Opbergvak voor het boordgereedschap Het boordgereedschap en de krik* bevinden zich in een box in het reservewiel afb Hier is ook plaats voor de afneembare kogel van de trekhaak*. De box is met een bandje bevestigd op het reservewiel. Tot het boordgereedschap behoren de volgende delen (al naargelang de uitrusting): trekhaak voor wieldop, kunststofklem voor wielboutafdekkap, wielsleutel*, sleepoog, De bandenreparatieset is bedoeld voor het repareren van kleine bandenlekkages. Tot de bandenreparatieset behoren een compressor,. een spuitbus, een gebruiksaanwijzing en toebehoren. Het repareren van de band met behulp van de bandenreparatieset vervangt in geen geval een vakkundige bandenreparatie, deze reparatie is alleen maar bedoeld om de dichtstbijzijnde Škoda-dealer/vakgarage te kunnen bereiken. De reparatie kan direct op de auto plaatsvinden. Lees voor de reparatie beslist de bijgeleverde gebruiksaanwijzing door. De bandenreparatieset is opgeborgen in een textielen hoes. Aan de onderzijde van de hoes bevindt zich een klittenbandsluiting waarmee de hoes zo op de vloerbedekking van de bagageruimte wordt bevestigd dat de zijde van de hoes aan de rechterzijde van de bagageruimte en tegen de achterbankleuning ligt.
253 251 Reservewiel* Gebruik dit reservewiel alleen tot aan de dichtstbijzijnde Škoda-dealer, omdat dit wiel niet voor continu gebruik is bestemd. Op de velg van het R 18-noodwiel mogen geen andere zomer- of winterbanden worden gemonteerd. Wiel verwisselen Voorbereidende werkzaamheden Afb. 216 Bagageruimte: Reservewiel Het reservewiel ligt in een kom onder de vloerbedekking van de bagageruimte en is met behulp van een speciale bout vastgezet afb Voor het uitbouwen van het reservewiel moet de box met het boordgereedschap worden weggenomen bladzijde 250, afb Het is belangrijk de bandenspanning van het reservewiel te controleren (bij voorkeur bij elke bandenspanningscontrole - zie de sticker op de tankdopklep bladzijde 240) zodat het reservewiel op elk moment kan worden gemonteerd. Nood-reservewiel Of uw auto is uitgevoerd met een nood-reservewiel herkent u aan de waarschuwingssticker die op de velg van het nood-reservewiel is geplakt. Bij het rijden met het nood-reservewiel moet op de volgende aanwijzingen worden gelet: Na de montage van het wiel mag de waarschuwingssticker niet worden afgedekt (bijv. door een wieldop). Rijd met dit reservewiel niet sneller dan 80 km/h - kans op ongevallen. Vermijd het accelereren met vol gas, sterk afremmen en snel bochtenwerk. De bandenspanning van dit reservewiel is gelijk aan de bandenspanning van de standaard gemonteerde banden. De bandenspanning voor het noodwiel R 18 moet 420 kpa (4,2 bar) bedragen! Voor de eigenlijke verwisseling van het wiel moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd. Parkeer de auto bij een lekke band zo ver mogelijk weg van het rijdende verkeer. De plaats waar de auto wordt geparkeerd moet vlak zijn. Laat alle medepassagiers uitstappen. Tijdens het verwisselen van het wiel mogen de passagiers niet op de weg staan (bij voorkeur achter de vangrail). Trek de handrem vast aan. Schakel de 1e versnelling in, resp. zet bij auto's met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P. Als er een aanhangwagen is aangekoppeld, moet deze worden afgekoppeld. Neem het boordgereedschap bladzijde 250 en het reservewiel bladzijde 251 uit de bagageruimte. Als u op de rijbaan staat, schakel dan de alarmlichten in en plaats de gevarendriehoek op de voorgeschreven afstand - let hierbij op de nationale wettelijke voorschriften. U beschermt daarmee niet alleen uzelf maar ook de andere weggebruikers. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
254 252 Vervolg Bij opgekrikte auto nooit de motor starten - kans op letsel! Voorzichtig! Als u het wiel op een helling moet verwisselen, blokkeer dan het tegenoverliggende wiel met behulp van een steen of iets dergelijks, om zo de auto tegen onverwacht wegrollen te beveiligen. Aanwijzing Neem de wettelijke nationale voorschriften in acht. Wiel verwisselen Verwissel het wiel zo veel mogelijk op een horizontaal vlak. Neem de wieldop* bladzijde 253 weg bladzijde 253. Neem bij lichtmetalen velgen de wieldop weg bladzijde 254. Maak eerst de wielbeveiligingsbout* los, en daarna de andere wielbouten bladzijde 254. Krik de auto zo ver op dat het te verwisselen wiel de bodem niet meer raakt bladzijde 255. Draai de wielbouten los en leg deze op een schone ondergrond (doek, papier o.i.d.). Neem het wiel weg. Breng het reservewiel aan en draai de wielbouten handvast. Laat de auto zakken. Draai met behulp van de wielsleutel steeds de tegenover elkaar liggende wielbouten (kruiselings) vast wielbeveiligingsbout* als laatste bladzijde 254. Monteer de wieldop. Aanwijzing Alle wielbouten moeten schoon en goed gangbaar zijn. In geen geval mogen de wielbouten worden ingevet of ingeolied! Let bij de montage van draairichtinggebonden banden op de draairichting bladzijde 240. Afsluitende werkzaamheden Na het vervangen van het wiel moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd. Berg het defecte wiel op en zet het vast met de speciale bout in de reservewielkom bladzijde 251, afb Berg het boordgereedschap op zijn plaats op. Controleer zo snel mogelijk de bandenspanning van het gemonteerde reservewiel. Laat het aantrekmoment van de wielbouten zo snel mogelijk met een momentsleutel controleren. Stalen en lichtmetalen velgen moeten met een aantrekmoment van 120 Nm worden vastgezet. Laat de lekke band zo snel mogelijk repareren. Als de auto achteraf met andere banden dan af fabriek wordt uitgerust, moeten de aanwijzingen op bladzijde 242 in acht worden genomen.
255 253 Aanwijzing Als bij het verwisselen van een wiel wordt geconstateerd, dat de wielbouten zijn geoxideerd en zwaar draaien, moeten de bouten voor het controleren van het aantrekmoment worden vervangen. Rijd tot aan het controleren van het aantrekmoment voorzichtig en alleen met een matige snelheid. Wielbouten met afdekkappen* Wielsierdop* Lostrekken Haak de draadbeugel uit het boordgereedschap vast aan de versterkte rand van de wielkuip. Schuif de wielsleutel door de beugel, laat de wielsleutel op de band rusten en trek de wieldop los. Aanbrengen Druk de wieldop eerst bij de uitsparing voor het ventiel op de velg. Druk aansluitend hierop de wieldop zo op de velg, dat deze over de gehele omtrek correct aangrijpt. Voorzichtig! Druk de wieldop met de hand aan, sla hier niet op! Bij het slaan, vooral op die plaatsen waar de wieldop nog niet in de velg zit, kan de geleiding en de centrering van de wieldop worden beschadigd. Controleer voor de montage van de wieldop op een stalen velg waarbij een diefstalvertragende bout is aangebracht, dat deze bout in de boring vlak bij het ventiel is aangebracht bladzijde 255, Beveiliging van de wielen tegen diefstal*. Lostrekken Schuif de kunststofklem zo ver op de afdekkap, dat de groeven aan de binnenzijde van de klem op de kraag van de afdekkap liggen en trek de afdekkap los afb Aanbrengen Schuif de afdekkappen tot aan de aanslag op de wielbouten. De afdekkappen bevinden zich in de kom van de bagageruimte. Afb. 217 Wegnemen van de afdekkap Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
256 254 Wielsierdoppen* Afb. 218 Lostrekken van de wielsierdop bij lichtmetalen velgen Lostrekken Demonteer de wielsierkap voorzichtig met behulp van de haak afb Wielbouten los- en vastdraaien Voordat de auto wordt opgekrikt, moeten de wielbouten een slag los worden gedraaid. Wielbouten een slag losdraaien Steek de wielsleutel tot aan de aanslag op de wielbout 16). Pak de sleutel bij het sleuteluiteinde vast en draai de bout ca. één omwenteling naar links afb Wielbouten vastdraaien Steek de wielsleutel tot aan de aanslag op de wielbout 16). Pak de sleutel bij het sleuteluiteinde vast en draai de bout rechtsom tot deze vastzit. Draai de wielbouten slechts iets los (ca. één slag), zolang de auto niet met behulp van de krik is opgekrikt - kans op ongevallen! Aanwijzing Als de bouten niet met de hand kunnen worden losgedraaid, kunt u voorzichtig met de voet op het uiteinde van de wielsleutel drukken. Houdt u zich daarbij vast aan de auto en neem een veilige stand aan. Afb. 219 Wiel verwisselen: Wielbouten een slag losdraaien 16) Voor het los- en vastdraaien van de veiligheidswielbouten moet de betreffende adapter worden gebruikt bladzijde 255.
257 255 Auto opkrikken Om het wiel te kunnen verwijderen, moet de auto met behulp van de krik worden opgekrikt. Vervolg Voorkom het wegglijden van de krikvoet door gepaste maatregelen - kans op letsel! Als de krik niet op de voorgeschreven plaats wordt aangebracht, kan dit leiden tot beschadigingen aan de auto. Bovendien kan de krik wegglijden doordat deze niet voldoende grip op de auto heeft - kans op letsel! Als u onder de opgekrikte auto moet werken, moet u daartoe geschikte bokken onder de auto aanbrengen - kans op letsel! Afb. 220 Wiel verwisselen: Kriksteunpunten Beveiliging van de wielen tegen diefstal* Voor het losdraaien van de wielbeveiligingsbouten is een speciale adapter nodig. Kies voor het plaatsen van de krik het steunpunt dat het dichtst bij de lekke band ligt afb. 220 Het steunpunt bevindt zich direct onder het stempel in de dorpel. Draai de krik onder het kriksteunpunt zo ver omhoog, dat de klauw van de krik net onder de verticale rand van de dorpel ligt. Lijn de krik zo uit, dat de klauw hiervan over de rand van de dorpel A valt en de grondplaat AB vlak op de grond ligt. Draai de krik zo ver naar boven, dat het wiel net vrijkomt van de grond. Als de krik op een zachte, gladde ondergrond staat, kan dit ertoe leiden dat de auto van de krik glijdt. Plaats daarom de wagenkrik op een stevige ondergrond of maak gebruik van een grote stabiele onderlegger. Op een gladde ondergrond, zoals bijv. kinderkopjes of een tegelvloer, moet een stroeve onderlegger (bijv. een rubbermat) worden gebruikt. Krik de auto altijd op terwijl de portieren zijn gesloten - kans op letsel! Afb. 221 Wielbeveiligingsbout met adapter Trek de wielsierdoppen/wielsierkappen van de velg of de afdekdop van de wielbeveiligingsbout. Steek de adapter AB met zijn getande zijde tot aan de aanslag zo in de binnenvertanding van de wielbeveiligingsbout A dat alleen nog het buitenzeskant uitsteekt afb Druk de wielsleutel tot aan de aanslag op de adapter AB. Draai de wielbout los of vast bladzijde 254. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
258 256 Breng na het lostrekken van de adapter de wieldop weer aan of schuif de afdekkap op de veiligheidswielbout. Laat het aantrekmoment zo snel mogelijk met een momentsleutel controleren. Stalen en lichtmetalen velgen moeten met een aantrekmoment van 120 Nm worden vastgezet. Bij auto's met wielbeveiligingsbouten (één bout per wiel) kunnen deze bouten alleen met behulp van de meegeleverde adapter worden los- en vastgedraaid. Het is raadzaam om het op de kop van de adapter of op de kop van de veiligheidsbout ingeslagen codenummer te noteren. Aan de hand van dit nummer kunt u, indien nodig, een reserveadapter bij de erkende Škoda dealer bestellen. Wij adviseren, de adapter voor de wielbouten steeds in de auto mee te nemen. Deze moet bij het boordgereedschap worden bewaard. Starthulpkabel Gebruik alleen starthulpkabels met voldoende grote diameter en met geïsoleerde aansluittangen. Let op de gegevens van de fabrikant. Pluskabel - kleurcodering, over het algemeen rood. Minkabel - kleurcodering, meestal zwart Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 C bevriezen. Probeer bij een bevroren accu de auto niet te starten door middel van starthulpkabels - kans op explosie! Let op de waarschuwingsaanwijzingen bij werkzaamheden in de motorruimte bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Voorzichtig! Als de wielbeveiligingsbout te vast wordt aangedraaid, kan dit leiden tot beschadiging van de wielbeveiligingsbout en de adapter. Aanwijzing De diefstalvertragende wielboutset kunt u via een erkende Škoda-dealer aanschaffen. Starthulp Aanwijzing Tussen de beide auto's mag geen contact bestaan, omdat er anders al bij het aansluiten van de pluspolen een stroomverbinding tot stand zou worden gebracht. De ontladen accu moet volgens voorschrift op de elektrische installatie zijn aangesloten. Schakel de autotelefoon uit, resp. raadpleeg de handleiding van de autotelefoon voor dit soort gevallen. Wij adviseren de starthulpkabels als origineel Škoda-accessoire bij de Škodadealers of bij bedrijven die merkaccu's verkopen aan te schaffen. Voorbereiding Als de motor niet aanslaat omdat de accu is ontladen, kan de accu van een andere auto voor het starten worden gebruikt. Daarvoor is echter een starthulpkabel nodig. Beide accu's moeten een nominale spanning van 12 V hebben. De capaciteit (Ah) van de stroom leverende accu mag niet wezenlijk lager zijn dan de capaciteit van de ontladen accu.
259 257 Motor starten Als de motor niet aanslaat, de startprocedure na ca. 10 seconden onderbreken en na ca. een halve minuut herhalen. Koppel de starthulpkabels op de motor precies in omgekeerde volgorde weer los. Starthulpkabel beslist in de volgende volgorde aansluiten: Afb. 222 Starten met behulp van de accu van een andere auto: A - ontladen accu, B - stroom leverende accu Pluspolen met elkaar verbinden Sluit het ene uiteinde A1 aan op de pluspool afb. 222 van de ontladen accu A. Sluit het andere uiteinde A2 aan op de pluspool van de stroom leverende accu AB. Minpool en het motorblok met elkaar verbinden Bevestig het ene uiteinde A3 op de minpool van de stroom leverende accu AB. Bevestig het andere uiteinde A4 op een massief, vast met het motorblok verbonden metalen onderdeel of direct op het motorblok zelf. De niet-geïsoleerde delen van de pooltangen mogen in geen geval met elkaar in aanraking komen. Bovendien mag de op de pluspool van de accu aangesloten starthulpkabel niet met elektrisch geleidende delen van de auto in aanraking komen - kans op kortsluiting! Sluit de starthulpkabel niet op de minpool van de ontladen accu aan. Door vonkvorming bij het starten zou uit de accu stromend knalgas kunnen ontsteken. Breng de starthulpkabels zo aan, dat deze niet door draaiende delen in de motorruimte kunnen worden beschadigd. Buig niet over de accu heen - kans op letsel door chemicaliën! De sluitdoppen van de accucellen moeten zijn vastgeschroefd. Ontstekingsbronnen (open verlichting, brandende sigaretten enz.) uit de buurt van de accu houden - explosiegevaar! Gebruik de starthulp nooit bij accu's met te lage elektrolytpeil - kans op explosie en bijtende zuren! Motor starten Start de motor van de stroom leverende auto en laat deze stationair draaien. Start nu de motor van de auto met de ontladen accu. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
260 258 Starthulp bij auto's met starthulppunt Weg- en aanslepen Algemeen Bij het gebruik van een sleepkabel moet op het volgende worden gelet: Bij auto's met 3,6 l/191 kw FSI motoren kan de pluspool van de stroomgevende accu alleen op het starthulppunt in de motorruimte van de te starten auto aangesloten worden afb. 223! Klap de beschermkap van het starthulppunt in de richting van de pijl op. Verbind de pluspool van de stroomgevende accu met het starthulppunt. Bevestig de minpool van de stroomgevende accu op een massief, vast met het motorblok verbonden metalen onderdeel of direct op het motorblok zelf. Start de motor bladzijde 257. Afb. 223 Gedetailleerde afbeelding van de motorruimte: Starthulppunt Na het starten van de motor de beschermkap van het starthulppunt dichtklappen. Bestuurder van de trekkende auto Geef pas goed gas als de kabel strak staat. Laat de koppeling bij het wegrijden zeer voorzichtig opkomen of geef bij een automatische versnellingsbak voorzichtig gas. Bestuurder van de getrokken auto Schakel het contact in zodat het stuurwiel niet is geblokkeerd en zo de knipperlichten, de claxon, de ruitenwissers en de ruitensproeierinstallatie kunnen worden ingeschakeld. Schakel de vrijstand in of plaats bij een automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand N. Houd er rekening mee dat de rembekrachtiger en de stuurbekrachtiging alleen bij draaiende motor functioneren. Bij stilstaande motor moet het rempedaal met aanzienlijk meer kracht worden ingedrukt en is voor het sturen veel meer kracht nodig. Let erop dat de kabel altijd strak blijft staan. Sleepkabel of sleepstang Het gemakkelijkst en veiligst rijdt u met een sleep stang. Alleen als er geen passende sleepstang beschikbaar is, moet een sleep kabel worden gebruikt. De sleepkabel moet elastisch zijn, zodat beide auto's worden ontzien. Daarom moeten bij voorkeur alleen maar kunststofkabels of kabels van een gelijksoortig elastisch materiaal worden gebruikt. Bevestig de sleepkabel alleen aan de daarvoor bedoelde sleepogen bladzijde 259 en bladzijde 259.
261 259 Rijstijl Voor het slepen is een zekere ervaring nodig. Beide bestuurders moeten op de hoogte zijn van de ins and outs van het slepen. Bestuurders die geen ervaring hebben moeten afzien van het aanslepen of wegslepen. Er moet steeds op worden gelet dat er geen ontoelaatbare trekkrachten en schokbelasting optreden. Bij het slepen over onverharde wegen bestaat altijd het gevaar dat de bevestigingsdelen worden overbelast en worden beschadigd. Voorzichtig! Als er door een defect geen versnellingsbakolie meer in de versnellingsbak zit, mag de auto alleen met opgetakelde aangedreven wielen of met een autoambulance of aanhangwagen worden vervoerd. Aanwijzing Neem bij het aanslepen of wegslepen de wettelijke voorschriften in acht, vooral met betrekking tot de te voeren verlichting en alarmlichten. De sleepkabel mag niet zijn verdraaid omdat onder bepaalde omstandigheden het voorste sleepoog van uw auto zou kunnen worden losgedraaid. Neem de afdekkap weg uit de voorbumper afb Draai het sleepoog met de hand zo ver mogelijk linksom afb. 225 en zet hem met de wielsleutel vast (wielsleutel door het oog steken). Na het losschroeven van het sleepoog de afdekkap aanbrengen en op zijn plaats drukken. De afdekkap moet goed vastklikken. Achterste sleepoog Afb. 225 Voorbumper: Montage sleepoog Voorste sleepoog De sleepoog ligt in de box van het boordgereedschap. Afb. 226 Achterbumper: Afdekkap uitbouwen Afb. 224 Voorbumper: Afdekking uitbouwen Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
262 260 Trap zo gauw de motor loopt het koppelingspedaal in en zet de versnellingsbak in de vrijstand. Auto's met automatische versnellingsbak kunnen om technische redenen niet worden aangesleept. Druk op het onderste gedeelte van de afdekking in de achterbumper bladzijde 259, afb. 226 en neem het uit. Draai het sleepoog met de hand zo ver mogelijk linksom afb. 227 en zet hem met de wielsleutel vast (wielsleutel door het oog steken). Na het losschroeven van het sleepoog de afdekkap aanbrengen en op zijn plaats drukken. De afdekkap moet goed vastklikken. Aanslepen Afb. 227 Achterbumper: Montage sleepoog Als de motor niet aanslaat, adviseren wij de auto niet door middel van aanslepen te starten. Er moet worden geprobeerd de motor met behulp van starthulpkabels te starten bladzijde 256 of de diensten van de mobiele service in te roepen. Als uw auto desondanks toch moet worden aangesleept. Schakel bij stilstaande auto de 2e of 3e versnelling in. Druk het koppelingspedaal in en houd dit ingedrukt. Schakel het contact in. Laat, zodra beide auto's rijden, het koppelingspedaal langzaam opkomen. Bij het aanslepen bestaat er meer kans op een ongeval, bijv. door achterop de trekkende auto te rijden. Voorzichtig! Bij auto's met katalysator mag de motor niet worden gestart door de auto over een afstand van meer dan 50 meter aan te slepen. Er kan dan onverbrande brandstof in de katalysator komen waardoor deze beschadigd kan raken. Wegslepen bij schakelbak Let op de aanwijzingen bladzijde 258. De auto kan met behulp van een sleepstang of een sleepkabel of met een opgetakelde voor- of achteras worden weggesleept. De maximale sleepsnelheid bedraagt 50 km/h. Afslepen bij automatische versnellingsbak Let op de aanwijzingen bladzijde 258. De auto kan met behulp van een sleepstang of een sleepkabel worden weggesleept. Let hierbij op de volgende aanwijzingen. Plaats de keuzehendel in stand N. De maximale sleepsnelheid bedraagt 50 km/h. De maximaal toegestane sleepafstand bedraagt 50 km. Bij een stilstaande motor werkt de versnellingsbakoliepomp niet; de versnellingsbak wordt dan ook bij hogere snelheden en een grotere sleepafstand niet meer voldoende gesmeerd.
263 261 Voorzichtig! Als de auto met behulp van een takelwagen wordt weggesleept, mag dat alleen met opgetakelde voorwielen gebeuren. Bij een auto waarbij de achterwielen zij opgetakeld wordt de automatische versnellingsbak beschadigd! (Geldt niet voor de automatische versnellingsbak DSG). Aanwijzing Als normaal wegslepen niet mogelijk is of als de sleepafstand langer dan 50 km is, moet de auto op een speciale autotransporter of aanhangwagen worden vervoerd. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
264 262 Zekeringen en gloeilampen Zekeringen en gloeilampen Elektrische zekeringen Zekeringen vervangen Defecte zekeringen moeten worden vervangen. Trek de kunststofklem uit de houder in het zekeringdeksel, plaats deze op de betreffende zekering en trek de zekering los. Defecte zekeringen zijn te herkennen aan het gesmolten metaalstripje. Vervang de doorgebrande zekering door een nieuwe zekering met hetzelfde ampèrage. Breng het zekeringdeksel weer aan. Wij adviseren steeds een doosje met reservezekeringen in de auto mee te nemen. Reservezekeringen kunt u uit het Škoda-accessoires resp. bij uw dealer verkrijgen 17). Kleurcode van de zekeringen Afb. 228 Deksel zekeringhouder: linkerzijde dashboard De afzonderlijke stroomkringen zijn door middel van smeltzekeringen beveiligd. De zekeringen bevinden zich aan de linkerzijde van het dashboard achter het deksel van de zekeringhouder en onder het deksel links in de motorruimte. Schakel het contact en de betreffende stroomverbruiker uit. Wip het deksel voor de zekeringen bij het dashboard met behulp van een schroevendraaier afb. 228 of het deksel voor de zekeringen in de motorruimte bladzijde 263, afb. 229 los. Controleer welke zekering bij de betreffende verbruiker hoort bladzijde 266, Zekeringenoverzicht op dashboard, bladzijde 263, Zekeringenoverzicht in motorruimte - uitvoering 1 of bladzijde 265, Zekeringenoverzicht in motorruimte - uitvoering 2. Kleur Max. stroomsterkte in ampère lichtbruin 5 bruin 7,5 rood 10 blauw 15 geel 20 wit 25 groen 30 oranje 40 rood 50 17) In enkele landen is het doosje met reservezekeringen deel van de basisuitrusting.
265 Zekeringen en gloeilampen 263 Voorzichtig! Repareer de zekeringen niet en vervang deze ook niet door zwaardere - brandgevaar! Bovendien kunnen andere delen van de elektrische installatie worden beschadigd. Als een nieuw geplaatste zekering na korte tijd weer doorbrandt, moet de elektrische installatie zo snel mogelijk door een Škoda-dealer worden gecontroleerd. Deksel zekeringhouder in motorruimte De zekeringenbox in de motorruimte wordt in twee uitvoeringen geleverd. Welke uitvoering in uw auto is gemonteerd kan worden vastgesteld na het verwijderen van het deksel voor de zekeringhouder aan de hand van indeling van de zekeringen. Deksel zekeringhouder inbouwen Plaats het deksel op de zekeringhouder en schuif de borgbeugel A tot aan de aanslag - achter de beugel wordt het symbool zichtbaar. Voorzichtig! Bij het ont- en vergrendelen van het deksel van de zekeringhouder moet deze aan de zijkanten naar de zekeringhouder worden gedrukt, omdat anders het borgmechanisme kan worden beschadigd. Breng het deksel voor de zekeringhouder in de motorruimte zeer zorgvuldig aan. Als het deksel niet correct wordt aangebracht, kan er water bij de zekeringen komen en ten gevolge daarvan schade veroorzaken! Zekeringenoverzicht in motorruimte - uitvoering 1 Afb. 229 Deksel zekeringhouder in motorruimte Bij bepaalde auto's moet voor het uitbouwen van het deksel voor de zekeringhouder de accuafdekkap worden uitgebouwd bladzijde 234. Deksel zekeringhouder uitbouwen Verschuif de borgbeugel A afb. 229 tot aan de aanslag, achter de borgbeugel verschijnt het symbool, neem daarna het deksel weg. Afb. 230 Schematische weergave van de zekeringhouder in de motorruimte - uitvoering 1 Enkele van de genoemde verbruikers behoren alleen standaard bij bepaalde modeluitvoeringen of zijn alleen voor bepaalde modellen als meeruitvoering leverbaar. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
266 264 Zekeringen en gloeilampen Nr. Verbruiker Ampère F1 Rechter koplamp voor, rechter achterlichteenheid 30 F2 Kleppen voor ABS 20 F3 F4 Vrij Vrij F5 Claxon 15 F6 F7 F8 Vrij Vrij Vrij F9 Kleppen 10 F10 Vrij F11 Lambdasonde 10 F12 Lambdasonde 10 F13 Regelapparaat voor automatische versnellingsbak 15 F14 Vrij F15 Waterpomp 10 F16 F17 Vrij Instrumentenpaneel, ruitenwisserschakelaar en knipperlichtschakelaar F18 Audioversterker (soundsystem) 30 F19 Radio 15 F20 Telefoon 5 F21 F22 Vrij Vrij F23 Motorregelapparaat 10 F24 Regelapparaat voor CAN-BUS 5 5 Nr. Verbruiker Ampère F25 Vrij F26 Vrij F27 Klep voor brandstofdosering 15 F28 Motorregelapparaat 15/25 F29 Hoofdrelais 5 F30 Regelapparaat voor extra verwarming 20 F31 Ruitenwissers vóór 30 F32 Vrij F33 Vrij F34 Vrij F35 Vrij F36 Vrij F37 Vrij F38 Koelluchtventilator, kleppen 10 F39 Vrij F40 Vrij F41 Vrij F42 Vrij F43 Ontsteking 30 F44 Vrij F45 Vrij F46 Vrij F47 Linker koplamp voor, linker achterlichteenheid 30 F48 ABS-pomp 40 F49 Voeding voor contact 15 (contact aan) 50
267 Zekeringen en gloeilampen 265 Nr. Verbruiker Ampère F50 F51 Vrij Vrij F52 Voeding relais - contact X a) 40 F53 Uitrusting toebehoren 50 F54 Vrij a) Om bij het starten van de motor de accu niet onnodig zwaar te belasten, worden de stroomverbruikers op dit contact automatisch uitgeschakeld. Zekeringenoverzicht in motorruimte - uitvoering 2 Afb. 231 Schematische weergave van de zekeringhouder in de motorruimte - uitvoering 2 Enkele van de genoemde verbruikers behoren alleen standaard bij bepaalde modeluitvoeringen of zijn alleen voor bepaalde modellen als meeruitvoering leverbaar. Nr. Verbruiker Ampère F1 Vrij F2 Regelapparaat voor automatische versnellingsbak 30 DQ200 F3 Meetkabel 5 F4 Kleppen voor ABS 30/20 F5 Regelapparaat voor automatische versnellingsbak 15 DQ250 F6 Instrumentenpaneel, ruitenwisserschakelaar en knipperlichtschakelaar 5 F7 Voeding voor contact 15 (contact aan) 40 F8 Radio 15 F9 Telefoon 5 F10 Motorregelapparaat, hoofdrelais 5/10 F11 Regelapparaat voor extra verwarming 20 F12 Regelapparaat voor CAN-BUS 5 F13 Motorregelapparaat 15/20/30 F14 Ontsteking 20 F15 Lambdasonde (benzinemotor) relais voorgloeiuitrusting en brandstofpomp (dieselmotor) F16 Rechter koplamp voor, rechter achterlichteenheid 30 F17 Claxon 15 F18 Audioversterker (soundsystem) 30 F19 Ruitenwissers vóór 30 F20 Klep voor brandstofdosering waterpomp F21 Lambdasonde 10/ Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
268 266 Zekeringen en gloeilampen a) Nr. Verbruiker Ampère F22 F23 Vrij Relais kleppen hogedrukpomp Zekeringenoverzicht op dashboard F24 Ventilator 10 F25 ABS-pomp 30/40 F26 Linker koplamp 30 F27 Rregelapparaat voor voorgloeiuitrusting 50 F28 Voorruitverwarming 50 F29 Uitrusting toebehoren 50 F30 Voeding relais - contact X a) 50 Om bij het starten van de motor de accu niet onnodig zwaar te belasten, worden de stroomverbruikers op dit contact automatisch uitgeschakeld. Afb. 232 Schematische weergave van de zekeringhouders in het dashboard Enkele van de genoemde verbruikers behoren alleen standaard bij bepaalde modeluitvoeringen of zijn alleen voor bepaalde modellen als meeruitvoering leverbaar. Nr. Verbruiker Ampère 1 Diagnose aansluiting, motorregelapparaat, relais voor brandstofpomp, regelapparat voor brandstofpomp 7,5 2 Regelapparaat voor ABS, ESP, schakelaar voor bandenspanningscontrole, remsensor 5 3 Schakelaar en regelapparaat voor airbag 5 4 WIV, achterlicht, dimmende spiegels, druksensor, telefoonvoorbereiding 5 5 Regelapparaat voor lichtverteregeling en koplampzwenking, regelapparaat voor parkeerhulp, regelapparaat 5 voor parkeerassistent 6 Instrumentenpaneel, regelapparaat voor electromechanische stuurbekrachtiging, Haldex, keuzehendelblokkering, 5 voeding voor databus 7 Klepverhitting, luchtmassa meter 10 8 Regelapparaat voor aanhangwagendetectie 5 9 Relais voor extra verwarming 5 10 Aanpasbare koplamp links Aanpasbare koplamp rechts Centrale vergrendeling van de voorportieren Diagnose aansluiting, lichtschakelaar, regensensor, klok 7,5 14 Centrale vergrendeling van de koffer/achterklep Centraal regelapparaat - binnenverlichting 7,5 16 Airconditioning 7,5 17 Centrale vergrendeling van de achterportieren Vrij
269 Zekeringen en gloeilampen 267 Nr. Verbruiker Ampère 19 Vrij 20 Vrij 21 Vrij 22 Ventilator aanjager voor Climatronic Ruitbediening, voor Keuzehendelblokkering 5 25 Achterruitverwarming relais voor interieurvoorverwarming en -ventilatie 26 Stopcontact in bagageruimte 25 Brandstofpomp relais, 27 brandstofpomp relais, regelingsapparaat voor brandstofpomp, inspruitklep 28 Vrij Voorbereiding voor aftermarket radio 5 30 Vrij 31 Vrij 32 Ruitbediening, achter Elektrisch schuif-/kanteldak Alarm, reserve claxon 5 35 Ontsteker voor en achter Koplampsproeiers Stoelverwarming, voor Verwarmde achterzitting Vrij 40 Ventilator airconditioning, relais voor interieurvoorverwarming en -ventilatie 40 Nr. Verbruiker Ampère 41 Vrij 42 lichtschakelaar 5 43 Regelapparaat voor aanhangwagendetectie Regelapparaat voor aanhangwagendetectie Regelapparaat voor aanhangwagendetectie Verwarmde sproeiers, relais voor interieurverwarming en -ventilatie voor stoelverwarming 5 47 Vrij 48 Vrij 49 Vrij Elektrisch verstelbare stoelen zijn met automatische zekeringen beveiligd, die zelf na het opheffen van de overbelasting na enkele seconden weer automatisch inschakelen. Gloeilampen Gloeilampen vervangen Vóór het vervangen van een gloeilamp moet altijd eerst de betreffende lamp worden uitgeschakeld. Defecte gloeilampen mogen alleen worden vervangen door gloeilampen van hetzelfde type. De typeaanduiding staat op de lampvoet of op het glas van de lamp. De vervanging van enkele gloeilampen kan niet zelf worden uitgevoerd, omdat hiervoor specialistische kennis nodig is. Om de gloeilampen te kunnen vervangen, moeten andere delen van de auto worden gedemonteerd. Dit geldt vooral voor gloeilampen die alleen vanuit de motorruimte bereikbaar zijn. Wij adviseren dan ook deze gloeilampen door een erkende Škoda-dealer te laten vervangen of een specialist te hulp te roepen. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
270 268 Zekeringen en gloeilampen Houd er rekening mee dat in de motorruimte gevaarlijke situaties kunnen ontstaan bladzijde 227, Werkzaamheden in de motorruimte. Wij adviseren steeds een doosje met reservelampen in de auto mee te nemen. Reservelampen kunt u uit het Škoda-accessoires resp. bij uw dealer verkrijgen 18). De gloeilampenset kan in de box in het reservewiel worden opgeborgen. Auto's met xenonlicht Bij auto's met xenonlicht moet het vervangen van de gloeilampen (dim-, stads- en groot licht) aan de Škoda-dealer worden overgelaten. Overzicht gloeilampen Koplampen vóór Halogeenkoplamp Xenon-koplamp Dimlicht H7 D1S Groot licht H3 D1S, H3 Stadslicht W5W Knipperlichten PY 24W Mistlampen H8 Achterlichteenheid Achteruitrijlampen Knipperlichten Gloeilamp voor rem- en achterlicht Stadslicht Mistlampen Gloeilamp W16W PY21W W16W W5W P21W Overige Gloeilamp Kentekenplaatverlichting C5W binnenverlichting vóór W5W 3. Remlicht LED Binnenverlichting achter W5W Verlichting opbergvak - voorpassagierszijde C3W Beenruimteverlichting W5W Bagageruimtelampje W5W Portierwaarschuwingslampje W5W Verlichting voor make-up-spiegel C5W instapverlichting W5W Gloeilampen H7 en H3 staan onder druk en kunnen bij het vervangen van de gloeilamp springen - kans op letsel! Wij adviseren bij het vervangen van gloeilampen handschoenen en een veiligheidsbril te dragen. Bij gasontladingslampen* (xenonlampen) is voor wat betreft het hoogspanningsgedeelte specialistische kennis vereist - levensgevaar! Voorzichtig! Het glas van de gloeilamp niet met blote vingers aanraken (ook de allerkleinste vervuiling verkort de levensduur van de gloeilamp). Gebruik een schone doek, servet o.i.d. 18) In enkele landen is het doosje met reservelampen deel van de basisuitrusting.
271 Zekeringen en gloeilampen 269 Aanwijzing In deze handleiding is alleen maar het vervangen van die lampen beschreven waarbij dat zonder complicaties mogelijk is. Het vervangen van de andere gloeilampen moet aan een Škoda-dealer * worden overgelaten. stad- en groot licht Koplamp, voor Afb. 234 Uitbouwen van de lampen voor stads- en groot licht Positionering van de gloeilampen in de koplamp, voor afb A - stad- en groot licht AB - dimlicht AC - knipperlicht, voor Afb. 233 Koplampen vóór inbouwstand van de gloeilampen Uitbouwen van de gloeilamp voor het stadslicht Schakel het contact en de verlichting uit. Open de motorkap. Neem de afdekkap weg A afb Neem de fitting A weg afb Trek de defecte gloeilamp uit de fitting en breng een nieuwe gloeilamp aan. Uitbouwen van de gloeilamp voor groot licht Schakel het contact en de verlichting uit. Open de motorkap. Neem de afdekkap weg A afb Druk de springklem AB afb. 234 samen en hang deze aan de zijde op. Neem de fitting AC weg afb Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
272 270 Zekeringen en gloeilampen Trek de defecte gloeilamp uit de fitting en breng een nieuwe gloeilamp aan. De inbouw vindt in omgekeerde volgorde plaats. Aanwijzing Wij adviseren, na het vervangen van een gloeilamp de koplampafstelling door een Škoda-dealer te laten controleren. Aanwijzing Wij adviseren, na het vervangen van een gloeilamp de koplampafstelling door een Škoda-dealer te laten controleren. Mistlampen Dimlicht Afb. 236 Voorbumper: Beschermrooster Afb. 235 Uitbouwen van de gloeilamp voor dimlicht Schakel het contact en de verlichting uit. Open de motorkap. Neem de afdekkap weg AB bladzijde 269, afb De steker met de gloeilamp tot aan de aanslag naar links draaien en wegnemen afb De lamp vervangen, de steker met de nieuwe lamp aanbrengen en tot aan de aanslag naar rechts draaien. Plaats de beschermkap. Afb. 237 Uitbouwen van de voorste mistlamp Schakel het contact en de verlichting uit. Pak het beschermrooster op de met een pijl gemarkeerde plaats vast afb. 236 en neem dit weg.
273 Zekeringen en gloeilampen 271 Steek uw hand in de opening, waarin het beschermrooster was en druk de springveer bladzijde 270, afb Verwijder de mistlampen. De steker met de gloeilamp tot aan de aanslag naar links draaien en wegnemen. De lamp vervangen, de steker met de nieuwe lamp aanbrengen en tot aan de aanslag naar rechts draaien. Voor het inbouwen de mistlamp eerst met de nok aan de zijde plaatsen, die verder weg is van het nummerbord. Druk de koplamp bij het kenteken liggende zijde aan. Breng het rooster eerst met de nok aan de van de kentekenplaat afgewende zijde aan. Druk het rooster bij de bij het kenteken liggende zijde aan. Achterlichteenheid Afb. 238 Uitbouw van de buitenste delen van de achterverlichting eenheid Afb. 239 Uitbouw van de binnenste delen van de achterverlichting eenheid Uit- en inbouw van de buitenste delen van de achterlichteenheid Schakel het contact en de verlichting uit. Open de kofferklep/achterklep. Neem de stoppen afb. 238 uit en schroef met een Tork sleutel de achteruitverlichting eenheid af 19). Verwijder het lamphuis voorzichtig. Trek niet de tule met de kabels uit de carrosserie. Voor het weder inbouwen voegt u eerst de achteverlichting in met de toegang A bladzijde 272, afb. 240 naar voor op een pin op de carrosserie. Druk de achteruitverlichting eenheid voorzichtig in de carrosserie. Schroef de achterverlichting eenheid vast en druk de stoppen in afb Uit- en inbouw van de binnenste delen van de achterlichteenheid Schakel het contact en de verlichting uit. Open de kofferklep/achterklep. 19) De tork sleutel bevindt zich in een doos met gereedschap aan het reservewiel. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
274 272 Zekeringen en gloeilampen Neem de afdekking van de achterverlichting eenheid aan de binnenzijden van de koffer/-achterklep uit bladzijde 271, afb Druk de springveer bladzijde 271, afb. 239 en neem de lamphouder uit de behuizing van de achterverlichting eenheid. Voor het opnieuw inbouwen voert u de lamphouder in de behuizing van de achterverlichting eenheid in. Druk op de springveer tot deze hoorbaar aansluit. Voer de afdekking van de achterverlichting eenheid aan de binnenzijden van de koffer/-achterklep in. Voorzichtig! Let er bij het uit- en inbouwen van de achterlichteenheid op dat de lak en de achterlichteenheid niet worden beschadigd. Gloeilampen in de achterlichteenheid vervangen Afb. 240 Buitengedeelte van de achterverlichting eenheid: Lampen Afb. 241 Binnengedeelte van de achterverlichting eenheid: Lampen Lampen in het buitengedeelte van de achterverlichting eenheid verplaatsen Voor het verplaatsen van een lamp draait u de fitting naar links tot de aanslag en verwijderd u deze. Verplaats de lamp, zet de fitting met de lamp opnieuw in de behuizing en draai naar rechts tot de aanslag. Lampen in het binnengedeelte van de achterverlichtingeenheid verplaatsen Voor het verplaatsen van een lamp van de achteruitrijlamp A1 afb. 241 neemt u de defecte lamp uit de fitting en verplaatst u die met een nieuwe. Voor het verplaatsen van de mistlampen A2 afb. 241 draait u de defecte lamp naar links tot de aanslag en verwijderd u die. Druk de nieuwe gloeilamp in de fitting en draai de gloeilamp tot aan de aanslag naar rechts. Montagestand van de lampen in de achterlichteenheid afb knipperlicht 2- Stadlicht / remlicht
275 Zekeringen en gloeilampen stadslicht Montagestand van de lampen in de binnen achterlichteenheid bladzijde 272, afb achteruitrijlamp 2 - mistachterlicht Kentekenplaatverlichting Afb. 242 Achterbumper: Kentekenplaatverlichting Schroef het lampglas los afb Trek de defecte gloeilamp uit de houder en breng een nieuwe gloeilamp aan. Breng het glas weer aan en druk deze tot aan de aanslag in - let op de juiste montagestand van het lampglas. Schroef het lampglas vast. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
276 274 Zekeringen en gloeilampen
277 275 Algemene aanwijzingen De gegevens van het kentekenbewijs hebben voorrang op de gegevens in het instructieboekje. Met welke motor uw auto is uitgerust, ziet u op het kentekenbewijs of kunt u navragen bij een erkende Škoda-dealer. Gebruikte afkortingen Afkorting Betekenis kw Kilowatt, maateenheid voor motorvermogen 1/min Aantal krukasomwentelingen per minuut Nm Newtonmeter, maateenheid voor motorkoppel CO 2 in g/km Uitgestoten hoeveelheid kooldioxide in grammen per gereden kilometer RON Research-octaangetal, maateenheid voor klopvastheid van benzine FSI Benzinemotor met een systeem voor directe inspuiting van brandstof TSI Benzinemotor met een uitlaatgasturbo en een systeem voor directe inspuiting van brandstof TDI PD Dieselmotor met een uitlaatgasturbo en inspuitsysteem pompverstuiver TDI CR Dieselmotor met een uitlaatgasturbo en inspuitsysteem Common-Rail DPF Dieseldeeltjesfilter Afkorting M5 M6 DQ6 DQ7 Kilometrages De vermelde prestaties werden gemeten zonder snelheidremmende uitrustingen, zoals b.v. airconditioning. Gewichten Betekenis 5 versnellingsschakelbak 6 versnellingsschakelbak automatische 6-traps-versnellingsbak DSG automatische 7-traps-versnellingsbak DSG Afhankelijk van de omvang van de speciale uitrustingen neemt het laadvermogen af. Tot het ledig gewicht telt een voor 90% gevulde brandstoftank. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
278 276 Identificatiegegevens Typeplaatje (productieplaatje) Het is aangebracht aan de linker midden zuil van de carrosserie. Homologatieplaatje Het homologatieplaatje bevindt zich op de slotplaat. Auto's voor bepaalde exportlanden zijn niet voorzien van een homologatieplaatje. Sticker met autogegevens De sticker met autogegevens afb. 243 bevindt zich op de vloer van de bagageruimte en is ook in het serviceplan geplakt. De sticker met autogegevens bevat de volgende gegevens: A1 Chassisnummer (VIN) A2 model. A3 Versnellingsbakcode, laknummer, interieuruitvoeringscode, motorvermogen, motorcode. A4 Gedeeltelijke beschrijving van de auto. A5 7GG, 7MB, 7MG - auto's met DPF bladzijde 204. Chassisnummer (VIN) Het chassisnummer - VIN (voertuigidentificatienummer) is in de motorruimte op de rechter schokdempersteun ingeslagen. Dit nummer staat ook op het plaatje in de linker onderhoek, onder de voorruit (samen met een VIN-streepjescode). Motornummer Het motornummer is in het motorblok ingeslagen. Afb. 243 Sticker met autogegevens Stickers op de tankdopklep De stickers bevinden zich aan de binnenzijde van de tankdopklep. Zij bevatten de volgende gegevens: voorgeschreven type brandstof, bandenmaat, Bandenspanning. Brandstofverbruik volgens voorschrift (99/100/EU) Afhankelijk van de omvang van de speciale uitvoering, de rijstijl, de verkeerssituatie, de weersinvloeden en de staat van de auto kunnen bij het gebruik van de auto in de praktijk brandstofverbruikswaarden worden gemeten die afwijken van de vermelde gegevens. Stadsverkeer De verbruiksmeting in het stadsverkeer start met het starten van de koude motor. Hierna wordt het normale stadsverkeer gesimuleerd. Buiten de bebouwde kom Bij de meting van het brandstofverbruik buiten de bebouwde kom wordt met de auto, zoals bij het dagelijkse gebruik, meerdere malen in alle versnellingen geaccelereerd en gedecelereerd. De rijsnelheid varieert tussen de 0 tot 120 km/h. Gecombineerd verkeer De verbruikswaarde in het gecombineerde verkeer bestaan voor 37% uit stadsverkeer en 63% uit verkeer buiten de bebouwde kom.
279 277 Aanwijzing Houd er rekening mee dat de gegevens op het kentekenbewijs steeds voorrang hebben. Afmetingen Afmetingen (in mm) Lengte 4838/4849 a) Breedte 1817 Breedte incl. buitenspiegel 2009 Hoogte 1462/1482 b) /1447 c) Vrije hoogte 139/158 b) /123 c) Wielbasis 2761 Spoorbreedte voor/achter a) De waarde komt overeen met uitvoering met het optiek-pakket. b) De waarde komt overeen met uitvoering met versterkte vering/demping. c) De waarde komt overeen met uitvoering met het Sport-pakket. d) Geldt voor auto's met 3,6 l/191 kw FSI motor. e) Superb GreenLine. 1545/ /1510 d) 1545/1517 e) Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
280 278 Motoroliespecificaties Af fabriek is de auto gevuld met een kwalitatief hoogwaardige olie waarmee het hele jaar - behalve in extreme klimaatzones - kan worden gereden. Bij het bijvullen kunt u verschillende oliën met elkaar mengen. Dit geldt niet voor auto's met flexibele onderhoudsintervallen (QG1). De motoroliën worden vanzelfsprekend steeds verder ontwikkeld. Daarom zijn de gegevens in dit instructieboekje gebaseerd op de stand van zaken op het moment van de sluiting van de redactie. Erkende Škoda-dealers worden door Škoda Auto geïnformeerd over de actuele stand van zaken met betrekking tot wijzigingen en dergelijke. Laat het olie verversen daarom door een erkende Škoda-dealer uitvoeren. De hiernaast aangegeven specificaties (VW-normen) moeten afzonderlijk of in combinatie met andere specificaties op het olieblik staan. Motoroliespecificaties voor auto's met flexibele onderhoudsintervallen (QG1) Benzinemotoren Motoroliespecificaties 1,4 l/92 kw TSI - EU5 VW , VW ,8 l/118 kw TSI - EU5 VW ,6 l/191 kw FSI - EU5 VW Dieselmotoren Motoroliespecificaties 1,9l/77kW TDI PD - EU4 VW , VW ,9 l/77 kw TDI PD DPF - EU4 VW ,0 l/103 kw TDI PD - EU4 VW , VW ,0 l/103 kw TDI PD DPF - EU4 VW ,0 l/125 kw TDI CR - EU5 VW Motoroliespecificatie voor auto's met vaste onderhoudsintervallen (QG2) Benzinemotoren Motoroliespecificaties 1,4 l/92 kw TSI - EU5 VW , VW ,8 l/118 kw TSI - EU5 VW ,6 l/191 kw FSI - EU5 VW Als de bovengenoemde oliën niet beschikbaar zijn kan men eenmalig voor het bijvullen olie volgens ACEA A2 resp. ACEA A3 gebruiken. Dieselmotoren Motoroliespecificaties 1,9 l/77 kw TDI PD - EU4 VW ,9 l/77 kw TDI PD DPF - EU4 VW ,0 l/103 kw TDI PD - EU4 VW ,0 l/103 kw TDI PD DPF - EU4 VW ,0 l/125 kw TDI CR - EU5 VW Als de bovengenoemde oliën niet beschikbaar zijn kan men eenmalig voor het bijvullen olie volgens ACEA B3 resp. ACEA B4 gebruiken. Voorzichtig! Voor auto's met flexibele onderhoudsintervallen (QG1) mogen alleen de bovenstaande oliën worden gebruikt. Om ervoor te zorgen dat de eigenschappen van de motorolie behouden blijven, adviseren wij voor het bijvullen alleen die olie te nemen die dezelfde specificatie heeft. In een uitzonderingsgeval mag slechts eenmaal maximaal 0,5 l motorolie met de specificatie VW (alleen benzinemotoren) of specificatie VW (alleen dieselmotoren) worden bijgevuld. Andere motoroliën mogen niet worden gebruikt - kans op motorschade!
281 279 Aanwijzing Voor het maken van een lange rit adviseren wij motorolie met de specificatie die is voorgeschreven aan te schaffen en mee te nemen. Zo beschikt u altijd over de juiste motorolie voor het bijvullen. We adviseren gebruik te maken van oliën uit het originele Škoda-assortiment. Zie voor verdere informatie het serviceplan. Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
282 280 1,4 l/92 kw TSI - EU5 Motor Vermogen kw bij 1/min 92/5000 Max. koppel Nm bij 1/min 200/ Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 4/1390 Brandstof - loodvrije benzine min. RON 95 Kilometrages M6 Maximale snelheid km/u 201 Acceleratie km/h sec. 10,5 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) M6 In stad 9,0 Buiten stad 5,4 Combinatie 6,8 CO 2 -uitstoot - combinatie 157
283 281 Inhouden (in liter) Tankinhoud/waarvan reserve 60/9 Reservoir ruitensproeierinstallatie/met koplampsproeiers 3/5,5 Motorolie a) 3,6 Koelsysteem van de auto b) 7,7 a) Olie-inhoud met oliefiltervanging. Oliepeil tijdens het vullen controleren, niet te veel bijvullen. Het oliepeil moet tussen de markeringen staan bladzijde 229. b) Bij auto's die met een onafhankelijke extra verwarming en ventilatie uitgerust zijn, is het volume van de koelvloeistof ca. 1 l meer. Gewichten (in kg) Toelaatbare totale gewicht 2045 Gewicht in lege toestand, rijklaar 1482 Nuttige last 563 Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak 488 Toelaatbare voorasbelasting 1200 Toelaatbare achterasbelasting 1250 Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd Toelaatbaar aanhangwagengewicht, aanhangwagen ongeremd 650 a) Hellingen tot 12 % b) Hellingen tot 8% M a) 1500 b) Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
284 282 1,8 l/118 kw TSI - EU5 Motor Vermogen kw bij 1/min 118/ Max. koppel Nm bij 1/min 250/ Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 4/1798 Brandstof - loodvrije benzine min. RON 95 Kilometrages M6 DQ7 M6 4x4 Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h sec. 8,6 8,5 8,7 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) M6 DQ7 M6 4x4 In stad 9,4 9,4 10,6 Buiten stad 5,9 5,7 6,6 Combinatie 7,2 7,1 8,1 CO 2 -uitstoot - combinatie
285 283 Inhouden (in liter) Tankinhoud/waarvan reserve 60/9 Reservoir ruitensproeierinstallatie/met koplampsproeiers 3/5,5 Motorolie a) 4,6 Koelsysteem van de auto b) 8,6 a) Olie-inhoud met oliefiltervanging. Oliepeil tijdens het vullen controleren, niet te veel bijvullen. Het oliepeil moet tussen de markeringen staan bladzijde 229. b) Bij auto's die met een onafhankelijke extra verwarming en ventilatie uitgerust zijn, is het volume van de koelvloeistof ca. 1 l meer. Gewichten (in kg) M6 DQ7 M6 4x4 Toelaatbare totale gewicht Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttige last Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd a) Hellingen tot 12 % b) Hellingen tot 8% 1500 a) 1700 b) 1500 a) 1600 a) 1700 b) 1800 b) Toelaatbaar aanhangwagengewicht, aanhangwagen ongeremd Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
286 284 3,6 l/191 kw FSI - EU5 Motor Vermogen kw bij 1/min 191/6000 Max. koppel Nm bij 1/min 350/ Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 6/3597 Brandstof - loodvrije benzine min. RON 95 Kilometrages DQ6 4x4 Maximale snelheid km/u 250 Acceleratie km/h sec. 6,5 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) DQ6 4x4 In stad 14,7 Buiten stad 7,4 Combinatie 10,1 CO 2 -uitstoot - combinatie 235
287 285 Inhouden (in liter) Tankinhoud/waarvan reserve 60/9 Reservoir ruitensproeierinstallatie/met koplampsproeiers 3/5,5 Motorolie a) 5,5 Koelsysteem van de auto b) 10,6 a) Olie-inhoud met oliefiltervanging. Oliepeil tijdens het vullen controleren, niet te veel bijvullen. Het oliepeil moet tussen de markeringen staan bladzijde 229. b) Bij auto's die met een onafhankelijke extra verwarming en ventilatie uitgerust zijn, is het volume van de koelvloeistof ca. 1 l meer. Gewichten (in kg) DQ6 4x4 Toelaatbare totale gewicht 2285 Gewicht in lege toestand, rijklaar 1724 Nuttige last 561 Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak 486 Toelaatbare voorasbelasting 1200 Toelaatbare achterasbelasting 1250 Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd 1800 Toelaatbaar aanhangwagengewicht, aanhangwagen ongeremd 750 Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
288 286 1,9 l/77 kw TDI PD - EU4 Motor Vermogen kw bij 1/min 77/4000 Max. koppel Nm bij 1/min 250/1900 Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 4/1896 Brandstof Diesel Kilometrages M5 M5 GreenLine Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h sec. 12,5 12,5 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) M5 M5 GreenLine In stad 7,3 6,5 Buiten stad 4,8 4,2 Combinatie 5,7 5,1 CO 2 -uitstoot - combinatie
289 287 Inhouden (in liter) Tankinhoud/waarvan reserve 60/9 Reservoir ruitensproeierinstallatie/met koplampsproeiers 3/5,5 Motorolie a) 3,8/4,3 b) Koelsysteem van de auto c) 8,4 a) Olie-inhoud met oliefiltervanging. Oliepeil tijdens het vullen controleren, niet te veel bijvullen. Het oliepeil moet tussen de markeringen staan bladzijde 229, Motoroliepeil controleren. b) Auto's met DPF (roetfilter). c) Bij auto's die met een onafhankelijke extra verwarming en ventilatie uitgerust zijn, is het volume van de koelvloeistof ca. 1 l meer. Gewichten (in kg) M5 M5 Green Line Toelaatbare totale gewicht Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttige last Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd Toelaatbaar aanhangwagengewicht, aanhangwagen ongeremd a) Hellingen tot 12 % b) Hellingen tot 8% 1500 a) 1700 b) 1500 a) 1700 b) Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
290 288 2,0 l/103 kw TDI PD - EU4 Motor Vermogen kw bij 1/min 103/4000 Max. koppel Nm bij 1/min 320/ Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 4/1968 Brandstof Diesel Kilometrages M6 DQ6 Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h sec. 10,2 10,2 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) M6 DQ6 In stad 7,5 8,9 Buiten stad 5,0 5,5 Combinatie 5,9 6,8 CO 2 -uitstoot - combinatie
291 289 Inhouden (in liter) Tankinhoud/waarvan reserve 60/9 Reservoir ruitensproeierinstallatie/met koplampsproeiers 3/5,5 Motorolie a) 3,8/4,0 b) Koelsysteem van de auto c) 8,7 a) Olie-inhoud met oliefiltervanging. Oliepeil tijdens het vullen controleren, niet te veel bijvullen. Het oliepeil moet tussen de markeringen staan bladzijde 229, Motoroliepeil controleren. b) Auto's met DPF (roetfilter). c) Bij auto's die met een onafhankelijke extra verwarming en ventilatie uitgerust zijn, is het volume van de koelvloeistof ca. 1 l meer. Gewichten (in kg) M6 DQ6 Toelaatbare totale gewicht Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttige last Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd Toelaatbaar aanhangwagengewicht, aanhangwagen ongeremd Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
292 290 2,0 l/125 kw TDI CR - EU5 Motor Vermogen kw bij 1/min 125/4200 Max. koppel Nm bij 1/min 350/ Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 4/1968 Brandstof Diesel Kilometrages M6 DQ6 M6 4x4 Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h sec. 8,8 8,8 9,0 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) M6 DQ6 M6 4x4 In stad 7,7 7,8 8,3 Buiten stad 4,8 5,1 5,3 Combinatie 5,8 6,1 6,4 CO 2 -uitstoot - combinatie
293 291 Inhouden (in liter) Tankinhoud/waarvan reserve 60/9 Reservoir ruitensproeierinstallatie/met koplampsproeiers 3/5,5 Motorolie a) 4,0 Koelsysteem van de auto b) 8,4 a) Olie-inhoud met oliefiltervanging. Oliepeil tijdens het vullen controleren, niet te veel bijvullen. Het oliepeil moet tussen de markeringen staan bladzijde 229. b) Bij auto's die met een onafhankelijke extra verwarming en ventilatie uitgerust zijn, is het volume van de koelvloeistof ca. 1 l meer. Gewichten (in kg) M6 DQ6 M6 4x4 Toelaatbare totale gewicht Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttige last Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd Toelaatbaar aanhangwagengewicht, aanhangwagen ongeremd Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
294 292
295 Trefwoordenlijst 293 Trefwoordenlijst A Aan- en wegslepen Automatische versnellingsbak Aandrijf-slipregeling (ASR) Controlelampje Aanhangwagen Gebruiksinstructies Aanpasbare koplamp Aanpasbare schijnwerpers Controlelampje Aanslepen ABS Controlelampje Accessoires Accu , 234 Elektrolytpeil controleren Laden Rijden in de winter Vervangen Accu laden Controlelampjes Achterklep Verlichting Achterruit Verwarming Achterruit ontdooien Achterruitverwarming Achteruitkijkspiegel Binnenspiegel Buitenspiegel Actieve stuurassistent Afgelegde afstand Afleepbewaking Afneembare trekhaak AFS Afstandsbediening Synchronisatieprocedure Afzetten van de motor Airbag Activering Controlelampje Hoofdairbag Knie-Airbag Uitschakelen Voorairbag Zijairbag Airbag uitschakelen Airbagsysteem Controlelampje Airconditioning Luchtcirculatiefunctie Luchtuitstroomroosters Alarm Alarmlichten Controlelampjes Alarmsysteem , 68 Antiblokkeersysteem Antiblokkeersysteem - ABS Controlelampje Armleuning achter Armleuning, achter Armleuningen voor Asbak ASR Controlelampje Auto wassen Auto-Check-Control Autocomputer Automatische instelling bestuurdersstoel Automatische regeling rijverlichting Automatische versnellingsbak Tiptronic Automatische versnellingsbak DSG Keuzehendel - noodontgrendeling Kick down Tiptronic Automatische wasinstallaties AUX-IN Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
296 294 Trefwoordenlijst B Bagageruimte , 51, 88 Inklapbare haken Sjorogen Banden Winterbanden Bandenspanning Controlelampje Bekerhouder achter Voor Benzine Benzinemotoren Motor starten Bevestigingsnet Binnenspiegel Binnenverlichting Bagageruimte Voor Bluetooth , 154 Bonhouder Boordcomputer Boordgereedschap Brandstof Benzine Brandstofmeter Dieselolie Brandstofmeter Brandstofreserve Controlelampje Brandstofverbruik Energie besparen Buitenland Buitenspiegels Buitenspiegelverwarming Buitentemperatuur C Cd-wisselaar Centrale vergrendeling Claxon Climatronic Circulatiefunctie Ruiten ontwasemen Climatronic (automatische airco) Cockpit Overzicht Comfortbediening Computer Conserveren Conservering auto-onderzijde Contact Contactslot Controlelampjes D Dagkoplampen Dakantenne Dashboardverlichting Dieselmotoren Motor starten Dieselolie Digitale klok Dimlicht , 270 Controlelampjes Display Dynamo Controlelampjes E Economisch rijden EDS Eén portier openen Elektrisch instelbare buitenspiegel Elektrisch schuif-/kanteldak Elektrische energie besparen Elektrische ruitbediening Centrale vergrendeling Functiestoringen Toetsen in bestuurdersportier Toetsen in voorpassagiersportier en in de achterportieren Elektronisch sperdifferentieel Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP) Controlelampje Elektronische wegrijblokkering ESP Controlelampje
297 Trefwoordenlijst 295 G Gebruik aanhangwagen Gebruik in de winter Biodiesel Geheugen voor boordcomputer Gereedschap Gevarendriehoek Glazen dak Gloeilampen Controlelampen Gloeilampen vervangen Gordel Controlelampje Gordelhoogte-instelling Gordels Gordelspanners Gordelwaarschuwingslampje Groot licht , 69 Controlelampjes GSM , 153 H Handmatig schakelen Handrem Hoeveelheid koelvloeistof Controlelampjes Hoofdairbag Hoofdsteunen I Imperiaal Indicaties Informatiedisplay Inparkeren Instrumentenpaneel Interieurbewaking Intervalwissen ISOFIX ISOFIX-systeem J Juiste zitpositie K Kanteldak Katalysator Keuzehendel Keuzehendel - noodontgrendeling DSG Keuzehendelblokkering Controlelampje Keuzehendelstanden Kilometertotaalteller Kinderen en veiligheid Kinderslot Kinderzitje Gebruik van kinderzitjes Indeling in groepen ISOFIX-systeem Op de voorpassagiersstoel Veiligheidsaanwijzingen Kledinghaakje Klok Knie-Airbag Knipperlichten Controlelampjes Koelluchtventilator Koelvloeistof Bijvullen Controlelampjes Koelvloeistofpeil Controlelampjes Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil Controlelampjes Koelvloeistoftemperatuurmeter Koffer , 51 Kofferklep Controlelampje Kofferklep/achterklep , 51 Koplamp, voor Koplampen Koplampsproeiers Mistlampen Koplampen omschakelen Koplampsproeiers Krik , 255 Kriksteunen L Laden Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
298 296 Trefwoordenlijst Lak Lakbeschadigingen Leeronderhoud Lichtbundelhoogteverstelling Lichtsignaal Luchtzakken Luik voor ski's M Make-upspiegel MDI Met de hand wassen Milieu Milieu-aspecten , 210 Mistachterlicht Controlelampjes Mistlampen , 270 Controlelampen Controlelampjes Mistlicht met de functie Corner Mobiele telefoon Bluetooth , 153 Motor afzetten starten Motor starten Benzinemotoren na een leeggereden tank Motorelektronica Controlelampjes Motorkap , 226 Controlelampjes Motorolie Bijvullen Controlelampje Controleren Verversen Motorolie verversen Motoroliepeil Controlelampje Motoroliepeil controleren Motorruimte Veiligheidsaanwijzingen Multi-functie-indicatie Multifunctioneel stuurwiel O Olie Controlelampje Oliepeilstok Ontdooien van de ruiten Ontgrendelen Afstandsbediening Ontgrendeling Opbergruimtes Opbergvak Paraplu Verlichting Opbergvakken Oprolbare zonwering Overzicht Cockpit Overzicht motorruimte P Parkeerassistent Parkeerhulp achter Voor en achter Parkeren Passieve veiligheid Pedalen Polijsten Portier Kinderslot Portier open Controlelampje Profieldiepte R Radio-installaties Reinigen Rem Handrem Remassistent Rembekrachtiger Remblokdikte Controlelampjes Remblokken Controlelampjes Remmen Controlelampje Remvloeistof
299 Trefwoordenlijst 297 Reservewiel Richtingaanwijzers Controlelampjes Rijden in de winter Accu Ruiten ontdooien Rijden in het buitenland Roetfilter Controlelampje Ruitbediening Ruiten Ontdooien Ruitensproeierinstallatier Controlelampjes Ruitensproeiers Ruitensproeiersysteem Ruitensproeiervloeistofreservoir Controlelampjes Ruitenwisser S Safe-beveiliging Schakelaar voor centrale vergrendeling Schakelbak schakeling Service-indicatie Service-interval-indicatie Sigarettenaansteker Sjorogen Sleutel Sneeuwkettingen Snelheidsmeter Snelheidsregelsysteem Controlelampje Stabiliteitsprogramma Stadlicht Stadslicht , 69 Starten met behulp van externe spanningsbron 257 Starten van de motor Dieselmotoren Starthulp Stoelen instellen , 166 elektrische Stoelverwarming Stuurbekrachtiging Controlelampje Stuurinrichting actieve stuurassistent Stuurwiel instellen T Tanken Telefoon , 153 Temperatuur Buiten Tijd instellen Tiptronic automatische versnellingsbak DSG Toelichtingen Toerenteller Toestand auto Toetsen in bestuurdersportier Elektrische ruitbediening Top Tether Trekhaak Twindoor U Uitlaatgas Controlelampjes Uitlaatgascontrole Controlelampjes Up-hillassistent V Veiligheid Veiligheid van kinderen Zijairbag Veiligheidsaanwijzingen Motorruimte Veiligheidsgordel Controlelampje Veiligheidsgordels Afdoen Gordelspanners Hoogte-instelling Omdoen Reiniging Veiligheidsaanwijzingen Velgen Ventilatie Interieurvoorventilatie Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
300 298 Trefwoordenlijst Ver- en ontgrendelen van binnen uit Verbanddoos Verchroomde delen Vergrendelen Afstandsbediening Vergrendeling Verlichting automatische Controlelampjes Gloeilampen vervangen In- en uitschakelen Lichtbereikverstelling omschakelen Verlichting in- en uitschakelen Verlichting van het interieur Versnellingsbak Mechanische Vervangen van de wisserbladen Vervoer van kinderen Verwarmde ruitensproeiers Verwarming Extra verwarming (interieurvoorverwarming) 114 Verzorging van de auto Vloeistof in ruitensproeierreservoir Controlelampjes Voor elke rit Voorairbag Voorgloei-installatie Controlelampjes Voorkomen van schade aan de auto Voorruit Verwarming Voorruit ontdooien Voorruitverwarming W Waarschuwingssymbolen Wassen Met behulp van een hogedrukreiniger Wegrijblokkering Wegslepen Wiel Reserve Verwisselen Wiel verwisselen Wielbeveiligingsbouten Wielbouten Wieldop Wielen Wielen verwisselen Wielsierdop Winterbanden Wis-/wasautomaat Wisserbladen Wisserbladen vervangen X Xenonlicht Z Zekeringen Zekeringen vervangen Zijairbag Zonnekleppen
301 Aantekeningen 299 Bediening Veiligheid Aanwijzingen voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik
302 Skoda Auto werkt continue aan de doorontwikkeling van alle typen modellen. Heeft u er alstublieft begrip voor, dat daarom ten alle tijde veranderingen van de levering in vorm, uitrusting en techniek mogelijk zijn. De gegevens met betrekking tot de leveringsomvang, het voorkomen, de prestaties, maten, gewichten, brandstofverbruik, normen en functies van de auto beantwoorden aan de stand van de informatie op het moment van sluiting van de redactie. Enkele van de uitvoeringen zijn mogelijkerwijs pas later leverbaar (informatie geeft uw lokale Škoda-dealer) of worden slechts op bepaalde markten aangeboden. Daarom kan er niet gereclameerd worden naar aanleiding van de aanduidingen, afbeeldingen en beschrijvingen in deze gebruiksaanwijzing. Nadruk, kopiëren, vertaling of een ander gebruik, ook uitzonderingen, is zonder schriftelijk toestemming van Skoda Auto niet toegestaan. Alle rechten volgens het auteursrecht blijven uitdrukkelijk aan Skoda Auto voorbehouden. Onder voorbehoud van veranderingen van dit werk. Uitgegeven door: ŠKODA AUTO a.s. ŠKODA AUTO a.s. 2009
303 ŠkodaService ŠkodaOriginele Onderdelen ŠkodaOriginele Accessoires SIMPLY CLEVER
304 Zo helpt u het milieu Het benzineverbruik van uw Škoda en daarmee ook de hoeveelheid schadelijke stoffen in de uitlaatgassen wordt door uw rijstijl bepaald. De geluidsproduktie en de slijtage worden eveneens door de persoonlijke omgang met de auto beďnvloed. Hoe u met uw Škoda zo milieuvriendelijk mogelijk kunt rijden en daarbij ook nog geld kunt besparen staat in dit instructieboekje. Lees met het oog hierop het hoofdstuk Milieu na. Let bovendien op de in deze handleiding met een gemarkeerde teksten. Doe mee - uit respect voor het milieu. Návod k obsluze Superb holandsky S T BA
ŠkodaYeti INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER
ŠkodaYeti INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke
SIMPLY CLEVER. ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE
SIMPLY CLEVER ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke
Uw gebruiksaanwijzing. SKODA YETI http://nl.yourpdfguides.com/dref/3579831
U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor SKODA YETI. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de SKODA YETI in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties,
SIMPLY CLEVER. ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE
SIMPLY CLEVER ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke
ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER
ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke
ŠkodaOctavia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER
ŠkodaOctavia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke
ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER
ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en
ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER
ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke
SIMPLY CLEVER. ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE
SIMPLY CLEVER ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en
SIMPLY CLEVER. ŠKODA Roomster INSTRUCTIEBOEKJE
SIMPLY CLEVER ŠKODA Roomster INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke opties,
ŠkodaFabia MANUAL DE UTILIZARE SIMPLY CLEVER
ŠkodaFabia MANUAL DE UTILIZARE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke
SIMPLY CLEVER. ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE
SIMPLY CLEVER ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke
Uw gebruiksaanwijzing. SKODA FABIA
U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor SKODA FABIA. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de SKODA FABIA in de gebruikershandleiding (informatie,
Uw gebruiksaanwijzing. SKODA FABIA
U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor SKODA FABIA. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de SKODA FABIA in de gebruikershandleiding (informatie,
ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER
ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke
ŠKODA Octavia INSTRUCTIEBOEKJE
ŠKODA Octavia INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een Škoda. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke uitrustingen,
ŠKODA Fabia INSTRUCTIEBOEKJE
ŠKODA Fabia INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een Škoda. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke uitrustingen,
SIMPLY CLEVER. ŠKODA Superb INSTRUCTIEBOEKJE
SIMPLY CLEVER ŠKODA Superb INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en
Manualul dvs. SKODA FABIA
Puteţi citi recomandări în ghidul utilizatorului, ghidul tehnice sau de ghidul de instalare pentru SKODA FABIA. Veţi găsi răspunsuri la toate întrebările dvs. pe SKODA FABIA în manualul de utilizare (informaţii,
SIMPLY CLEVER. ŠKODA Fabia Instructieboekje
SIMPLY CLEVER ŠKODA Fabia Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en
F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S
F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer
SIMPLY CLEVER. ŠKODA Octavia Instructieboekje
SIMPLY CLEVER ŠKODA Octavia Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek
IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter
Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder
SIMPLY CLEVER. ŠKODA Superb Instructieboekje
SIMPLY CLEVER ŠKODA Superb Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en
ŠKODA Octavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE
ŠKODA Octavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een Škoda. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke
SIMPLY CLEVER. ŠKODA Yeti INSTRUCTIEBOEKJE
SIMPLY CLEVER ŠKODA Yeti INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke
X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33.
Instrumenten verklikkerlichten De verklikkerlichten die hier staan vermeld, zijn niet in alle auto s aanwezig. Deze beschrijving geldt voor alle instrumentenuitvoeringen. X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht
Uw gebruiksaanwijzing. SKODA OCTAVIA TOUR
U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor SKODA OCTAVIA TOUR. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de SKODA OCTAVIA TOUR in de gebruikershandleiding
F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S
F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting
VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen
VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA OPENEN MOTORKAP Motorkap in gesloten toestand OPENEN MOTORKAP Trek de hendel naar achteren en de motorkap is ontgrendeld. OPENEN MOTORKAP In het midden van de motorkap, net
SIMPLY CLEVER. ŠKODA Yeti Instructieboekje
SIMPLY CLEVER ŠKODA Yeti Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en
Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama
Instructie www.lolkama.com Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Voor het CBR praktijkexamen worden door de examinator, controle vragen gesteld over de banden, motor, dashboard
LCD scherm va LCD scherm
scherm 1. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica
De voorkant. De zijkant. De banden
Controlepunten: De voorkant De verlichting moet heel zijn en werken (de werking van de verlichting, remlichten en richtingaanwijzers kan voor je gaat rijden gecontroleerd worden door de examinator) De
SIMPLY CLEVER. ŠKODA Citigo Instructieboekje
SIMPLY CLEVER ŠKODA Citigo Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en
Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".
Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u het instructieboekje
Verkorte gebruiksaanwijzing
Verkorte gebruiksaanwijzing Fun2Go Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06
LCD scherm ve LCD scherm
scherm. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica zelf
SIMPLY CLEVER. ŠKODA Octavia Instructieboekje
SIMPLY CLEVER ŠKODA Octavia Instructieboekje Opbouw van dit instructieboekje (toelichtingen) Dit instructieboekje is systematisch opgebouwd, om zo het vinden van de benodigde informatie te vergemakkelijken.
SIMPLY CLEVER. ŠKODA Citigo INSTRUCTIEBOEKJE
SIMPLY CLEVER ŠKODA Citigo INSTRUCTIEBOEKJE Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke
PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide
VOLVO V70 & XC70 quick guide PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid. Neem deze beknopte handleiding door om nog meer plezier te beleven aan uw nieuwe
ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice!
Mobiliteitsservice: 088-2692888 Twijfelt u? Bel dan Van den Udenhout 073-64644444 Lampje Betekenis ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice! Centraal waarschuwingslampje:
Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5
Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5 Inhoud verpakking: Alarmunit Sirene Handzender ( 2 stuks) Kabels incl. zekeringen Zoekfunctie Stil alarm Startblokkering Paniek functie Anti carjacking Aansturing
Het online-instructieboekje
Het online-instructieboekje Bekijk uw instructieboekje via de website van Citroën, rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en kunt u rechtstreeks
Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN
Kort overzicht Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN 6 5 4 3 2 1 12 9 3 6 80 100 120 km/h 60 140 40 160 LAND - - ROVER 20 0 180 200 H4959 7 8 9 1. Frisseluchtrooster - bedieningsknop 2. Ventilator - regeling
Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles
! Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het elektronisch
Voertuig Controle Golf 7
Voertuig Controle Golf 7 Voor het praktijkexamen wordt door de examinator een aantal vragen gesteld over de motor, de banden of het dashboard. Lees deze pagina een aantal keren aandachtig door zodat je
Volkswagen Marine. Scheepsmotoren. Extra bedieningshandleiding Multi-functie-indicatie. SDI en TDI. 2002 Volkswagen Marine
Titel_MFA_1004_32_2.qxd 26.10.2004 12:33 Uhr Seite 1 Extra bedieningshandleiding Multi-functie-indicatie Volkswagen Marine Scheepsmotoren SDI en TDI 2002 Volkswagen Marine De teksten, afbeeldingen en normen
NL ESP-Systeem
603.83.515 NL ESP-Systeem ESP-SYSTEEM (Electronic Stability Program) Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft. De werking
FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten
FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk
Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud
Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Lees de gebruikershandleiding voor gebruik zorgvuldig door en maak u vertrouwd met de verschillende functies van uw autoalarm. Deze handleiding beschrijft de functies
De voorkant. De zijkant. De banden
Controlepunten: In deze handleiding vind je de specifieke voertuigkenmerken van de Suzuki Swift. Algemene dingen kun je in je Ris praktijkboek vinden. Dus hier kun je b.v. vinden met welk knopje je de
GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART REMOTE
Voertuigverwarmingen Technische documentatie NL GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART REMOTE Bedieningselement voor de Eberspächer-standverwarmingen EasyStart Select Bedienungsanleitung EasyStart Remote Gebruiksaanwijzing
ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000
INFOTEC AP/TAVG/MMXP/MUX BEVESTIGING DIAGNOSE BSI ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 G05 CONTROLEPROCEDURE VAN DE FUNCTIE CENTRALE VERGRENDELING Toepassing bij PEUGEOT 206 (vanaf DAM-nr. 9076)
Splash 5 deurs. Samenvatting. Nieuwe look! 5 jaar garantie en assistance Laag verbruik Verhoogde instap Handige stadswagen Groot laadvlak Magic Days
Splash 5 deurs Nieuwe look! 5 jaar garantie en assistance Laag verbruik Verhoogde instap Handige stadswagen Groot laadvlak Magic Days Samenvatting Splash 5 deurs 1.0 benzine 5 MT (), Tweewielaandrijving,
veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.
F I A T D U C A T O G E B R U I K E N O N D E R H O U D Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boek samengesteld
Handleiding. Bijlage LCD Display. +32 (0)
Handleiding Bijlage LCD Display +32 (0) 485 68 25 62 [email protected] www.turbobike.be LCD-Display handleiding Functies 01 Omhoog knop 06 Tijd indicator 02 Aan/uit knop 07 Wandel-assistentie 03 Omlaag
Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".
Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto.
Het online-instructieboekje
Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en
COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1. Feel the difference. FordKa Instructieboekje. Owner s handbook
COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1 FordKa Instructieboekje Owner s handbook Feel the difference K10468_Service_Portfolio_090508.1 1 09.05.2008 15:52:47 Uhr 001-025 Ford KA NL 22-07-2008 9:45 Pagina
INHOUDSOPGAVE LCD DISPLAY INTELLIGENT 800S... 2
E-BIKE HANDLEIDING INHOUDSOPGAVE LCD DISPLAY INTELLIGENT 800S... 2 LCD DISPLAY KEY-DISP KD21C... 5 LCD DISPLAY INTELLIGENT... 8 LCD DISPLAY BAFANG C07.UART... 10 LCD DISPLAY BAFANG (MODUS) DP C10.UART...
UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!
UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! Citroën biedt u de mogelijkheid om gratis en eenvoudig uw boorddocumentatie online te raadplegen. Daarbij hebt u ook toegang tot het archief en tot de meest recente informatie.
Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C)
COUPÉ EVO DASHBOARD Brandstofmeter met reserveaanduiding Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) Chroomlook ringen instrumentenpaneel ControlelampjesRichtingaanwijzer links en rechts, mistlampen
Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina".
Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u de gebruiksaanwijzing
Voertuig Controle BMW 116d Sportline
Voertuig Controle BMW 116d Sportline Voor het praktijkexamen wordt door de examinator een aantal vragen gesteld over de motor, de banden of het dashboard. Lees deze pagina een aantal keren aandachtig door
Handleiding. E-Trendy Lithium fietscomputer. 1. Inleiding P. 2
Handleiding E-Trendy Lithium fietscomputer 1. Inleiding P. 2 2. Functie-overzicht en beschrijving bedientoetsen P. 3 2.1 Korte beschrijving van de gebruiks instellingen P. 3 2.2 Beschrijving weergave van
F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R U C T I E B O E K
F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben
INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR
CITROËN AFTER SALES SERVICE INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager - Technisch
FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK
FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten
INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR
CITROËN AFTER SALES SERVICE INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager - Technisch
Handleiding. Trenergy E-relax fietscomputer. Pagina: 1
Handleiding Trenergy E-relax fietscomputer www.trenergy.nl Pagina: 1 www.trenergy.nl Pagina: 2 Indeling handleiding Trenergy E-Relax 1. Inleiding P. 4 2. Functie-overzicht bedientoetsen P. 6 2.1 Korte
ŠkodaOctavia SUPPLEMENT VOOR INSTRUCTIEBOEKJE
SIMPLY CLEVER ŠkodaOctavia SUPPLEMENT VOOR INSTRUCTIEBOEKJE Technische wijzigingen 11/2009 Inleiding 1 Inleiding Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)* Dit supplement is een aanvulling op het instructieboekje
H a n d e l i n g s a n a l y s e R i j s c h o o l T e a m D r i v e - w w w w. r i j s c h o o l t d. n l Pagina 1
H a n d e l i n g s a n a l y s e R i j s c h o o l T e a m D r i v e - w w w w. r i j s c h o o l t d. n l Pagina 1 HANDELINGSANALYSE CATEGORIE B Hierna vindt u de handelingsanalyse voor de auto, de rijprocedure
Gemaksvoorzieningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING ZONNESCHERMEN
Gema ksvoorzie ningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING AUTO E80434 De zonneklep kan tegen verblinding naar beneden of zijwaarts worden geklapt. ZONNESCHERMEN E993 Verdraai het duimwieltje
Duurzaam rijden, samen met ECOdrive
Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Beknopte gebruiksaanwijzing Algemene versie 07-2014 Introductie Het duurzaam ondernemen wordt steeds belangrijker. Veel bedrijven zijn verplicht CO 2 -doelstellingen
************************* **************** ******** ***
Bij deelname aan het Tussentijdstoets moet je de volgende documenten overhandigen: een geldig theorie certificaat een wettelijk toegestaan, geldig identiteitsbewijs. ************************* ****************
Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93
Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93 Inleiding Het Car Access System (CAS) regelt de toegangsmogelijkheden tot de auto.ne De CASregeleenheid
Uw auto komt tot leven op internet!
Instructieboekje ! Dankzij de internetsite SERVICE BOX, biedt PEUGEOT u de mogelijkheid uw boorddocumentatie gratis en eenvoudig online te raadplegen. Met het gebruiksvriendelijke SERVICE BOX hebt u altijd
REWI AANKOOPKEURING. Bezoekadres. Adres. Keurmeester. Postcode \ Plaats. Bezoekdatum. Telefoonnummer. Bezoektijd. Opdrachtgever.
REWI AANKOOPKEURING Bezoekadres Adres Postcode \ Plaats Telefoonnummer Keurmeester Bezoekdatum Bezoektijd Opdrachtgever Gegevens voertuig Merk / Model Type Brandstof Kenteken Chassisnummer Datum deel 1A/1B
Korte introductie van de Vogue E-bike. 1 Motor 2 Display 3 Accu 4 Controller 5 Pedaal sensor. Aan/uit knop
Korte introductie van de Vogue E-bike 1 Motor 2 Display 3 Accu 4 Controller 5 Pedaal sensor Aan/uit knop Om het display aan of uit te schakelen houdt u de aan/uit knop voor 2 seconden lang ingehouden.
GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART TIMER
Voertuigverwarmingen Technische documentatie GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART TIMER NL Bedieningselement voor de Eberspächer-standverwarmingen Hoofdstuk Naam hoofdstuk Inhoud hoofdstuk Pagina 1 Inleiding 1.1
HANDLEIDING MINI ONE MINI COOPER MINI COOPER S
HANDLEIDING MINI ONE MINI COOPER MINI COOPER S HARTELIJK GEFELICITEERD MET UW NIEUWE MINI INHOUDSOPGAVE Over deze handleiding Opmerkingen met betrekking tot de handleiding 6 Gebruikte symbolen 6 Symbool
Module Gebruikershandleiding E46 Module
Module Gebruikershandleiding E46 Module Versie 1.1 Inhoudsopgave 1 Begrippenlijst... 3 2 Algemene informatie... 4 2.1 PC-Modus / Auto-Modus... 4 2.2 In- en uitschakelen... 4 2.3 Verbinden PC... 5 2.4 Verbinden
Elektrische fiets. Handleiding
Elektrische fiets Handleiding 6-7-2009 Inhoudsopgave: Inhoudsopgave:...1 Display:...2 Openen van de Accubehuizing...3 Hoe de accu wordt opgeladen...3 U kunt de accu als volgt opladen:...3 Onderhoud van
Gebruiksaanwijzing kort
Fun2Go Van Raam BV Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Tel. : +31 (0)315 257370 E-mail : [email protected] Internet : www.vanraam.nl Versie 17.04 Positie zitting Om de positie van de stoel correct
Verwarming en ventilatie
Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde
GEBRUIKERSHANDLEIDING
GEBRUIKERSHANDLEIDING INHOUD 1. Inleiding 2. Batterij en lader 2.1 Het uitnemen en plaatsen van de batterij 2.2 De laadprocedure 2.3 Slaapfunctie batterij 2.4 Tips gebruik batterij 3. De display 3.1 Functies
Praktijk Vragen over auto
Praktijk Vragen over auto 1 BANDEN: Wat moet je controleren op Auto banden 1- spannig: Meters/Lampjes Juiste banden spanning hangt af: Auto (merk, Type, gewicht) maat Gewicht lading (of aantal personen).
Swift 3 deurs. Samenvatting. Manueel of automaat Laag verbruik Lage CO 2
Swift 3 deurs Manueel of automaat Laag verbruik Lage CO 2 -uitstoot 5 jaar garantie en assistance Standaard ESP Standaard 7 airbags 0% JKP Samenvatting Swift 3 deurs 1.3 DDiS 5 M/T (), Tweewielaandrijving,
GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding
GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding Rho-Delta b.v. Escudostraat 2 2991 XV Barendrecht Tel. +03110-4795755 Fax. +03110-2927461 www.rhodelta.nl [email protected] - OMSCHRIJVING De GT-912 /GT-913/GT-914
BIZOBIKE Display handleiding E-Motion
BIZOBIKE Display handleiding E-Motion Inhoudsopgave Materiaal & kleur 1 Functies 1 Interface 1 Installatie 1 Powerknop 1 Wandel assistent 2 Achtergrond verlichting 2 Batterij capaciteit 2 Afstand & trip
PEUGEOT PK ALLURE
PEUGEOT 308 110PK ALLURE Prijs voertuig : * 15 900 * Excl. kosten van inschrijving en brandstof. vermelding verplicht vanaf 1.1.79 conform decreet 78993 van 4.10.78 Garantie Leeuwekeur Comfort (6 Maand)
Verkorte gebruiksaanwijzing
Verkorte gebruiksaanwijzing VeloPlus Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06
INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR
CITROËN AFTER SALES SERVICE INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR Citroën Distributeur Nieuwe Auto's - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties Citroën Erkend Reparateur - Servicemanager - Technisch
Uitrusting februari 2009
februari 2009 Design Passagiersstoel opklapbaar met verstelbare rugleuning Hoofdsteunen in de hoogte regelbaar Vloerbekleding in vast tapijt Verwarming/ontdooiing met 3 snelheden Dubbele, geforceerde geluidsisolatie
BE 1000 Brand BEDIENINGS INSTRUCTIE INHOUDSOPGAVE 30.0221.9535 A3
BEDIENINGS INSTRUCTIE BE 1000 Brand 30.0221.9535 A3 INHOUDSOPGAVE Inleiding en aanwijzingen voor de veiligheid............. 2 Toelichting weergave en bedieningselementen Display en toetsen.....................................
INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR
CITROËN INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR LEXIA PROXIA CD 35 AFTER SALES SERVICE CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager
Volkswagen Golf 1.4TSI ACT 150pk 7-DSG Highline Executive NIEUW
Volkswagen Golf 1.4TSI ACT 150pk 7-DSG Highline Executive NIEUW w-1.jpg Uitrusting Abs (anti blokkeer systeem) Achterbank neerklapbaar in delen Achteruitrijcamera Airbag bestuurder Airbag passagier Airbags
Parameters Zichtbaarheid. Inleiding
Inleiding Inleiding De lijst van parameters in dit document is beperkt tot die parameters die relevant worden geacht voor carrosseriebouwers. Neem contact op met een een erkende Scania werkplaats voor
