ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER"

Transcriptie

1 ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

2

3 Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke opties, waarvan u vast en zeker bij dagelijks gebruik maximaal plezier zult beleven. Met het oog hierop adviseren wij u dan ook, dit instructieboekje aandachtig door te lezen, zodat u uw auto snel en grondig leert kennen. Mocht u verdere vragen met betrekking tot uw auto of eventuele problemen hebben, verzoeken wij u contact op te nemen met een Škoda-dealer/vakgarage of de importeur. Daar zijn vragen, opmerkingen en kritiek altijd welkom. Afwijkende nationale wettelijke regelingen hebben voorrang op de informatie gegeven in deze handleiding. Wij wensen u veel plezier met uw Škoda en altijd een goede reis. Uw Škoda Auto

4 2 Inleiding Wagendocumentatie In de meegeleverde documentatie van uw auto vindt u naast dit instructieboekje ook een serviceplan en aanwijzingen voor hulp onderweg. Bovendien kunnen al naargelang het model en de uitvoering verschillende gebruiksaanwijzingen en extra aanwijzingen aanwezig zijn (bijv. radioinstructieboekje). Als u één van bovengenoemde documenten mist, verzoeken wij u direct contact op te nemen met een Škoda-dealer, waar men u graag zal helpen. Er moet rekening mee worden gehouden dat de gegevens op het kenteken steeds voorrang hebben op de gegevens in dit instructieboekje. Gebruiksaanwijzing Dit instructieboekje beschrijft de huidige omvang van de uitrusting. Enkele van de hier genoemde uitrustingen worden later geïntroduceerd of zijn alleen bedoeld voor bepaalde exportlanden. De afbeeldingen kunnen in enkele onbelangrijke details afwijken van uw auto; de afbeeldingen moeten echter alleen maar worden gezien als algemene informatie. Naast de informatie met betrekking tot de bediening staan in het instructieboekje ook belangrijke gebruiks- en onderhoudstips ten behoeve van uw veiligheid alsmede voor het behouden van de inruilwaarde van uw auto. Hier staan belangrijke tips en helpinformatie in. Bovendien staat hierin hoe u met uw auto veilig, economisch en milieuvriendelijk kunt rijden. Het serviceplan bevat: gegevens van de auto; onderhoudsintervallen; overzicht van de onderhoudswerkzaamheden; servicebewijs; bevestiging van de mobiliteitsgarantie (geldt alleen in bepaalde landen); belangrijke aanwijzingen met betrekking tot de garantie. De bevestigingen van de uitgevoerde onderhoudswerkzaamheden zijn een van de voorwaarden voor een eventuele garantieaanspraak. Geef het serviceplan dan ook altijd af als u uw auto bij een servicedealer afgeeft. Als het serviceplan is zoekgeraakt of op is, neem dan contact op met de Škoda-dealer waar u de auto regelmatig voor onderhoud aanbiedt. Hier ontvangt u dan een duplicaat waarin de tot nu toe uitgevoerde onderhoudsbeurten worden bevestigd. Hulp onderweg Hierin staan de belangrijkste telefoonnummers in bepaalde landen en de adressen en telefoonnummers van de Škoda-importeurs. Let, met het oog op de veiligheid, ook beslist op de informatie met betrekking tot accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen bladzijde 187. Maar ook de andere hoofdstukken van dit instructieboekje zijn belangrijk, want een vakkundige behandeling van de auto draagt - naast regelmatig onderhoud - bij aan het behouden van een goede inruilwaarde en is bovendien in de meeste gevallen één van de voorwaarden voor het recht op een garantieaanspraak.

5 Inhoudsopgave 3 Inhoudsopgave Structuur van dit instructieboekje (toelichtingen) Bediening Cockpit Overzicht De beknopte informatie Basisfuncties en belangrijke aanwijzingen Instrumenten en controlelampen Overzicht instrumentenpaneel Toerenteller Snelheidsmeter Koelvloeistoftemperatuurmeter* Brandstofmeter* Kilometertotaalteller Service-interval-indicatie Digitale klok Multi-functie-indicatie (boordcomputer)* MAXI DOT-Display (informatiedisplay)* Auto-Check-Control Controlelampjes Ontgrendelen en vergrendelen Sleutel Vergrendeling / Ontgrendeling Kinderslot Centrale vergrendeling* Afstandsbediening* Alarmsysteem* Interieurbewaking* en afsleepbewaking* Elektrische ruitbediening* Elektrisch schuif-/kanteldak* Verlichting en zicht Verlichting Binnenverlichting: Zicht Ruitenwisser- en ruitensproeier Achteruitkijkspiegel Zitten en opbergen Stoelen vooraan Hoofdsteunen Voorstoelverwarming* Achterstoelen Pedalen Bagageruimte Variable laadvloer in kofferruimte* (Combi)..... Scheidingsnet* (Combi) Fietsendrager in kofferruimte* Imperiaal* Bekerhouder voor Bekerhouder achter* Parkeertickethouder Asbak* Sigarettenaansteker* en stopcontacten* Opbergvakken (dashboardkastjes) Verwarming en airconditioning Luchtuitstroomroosters Circulatiefunctie Verwarming Climatic (halfautomatische airconditioning)*.... Climatronic* (automatische airco) Wegrijden en rijden Stuurwielstanden instellen Contactslot Motor starten Motor afzetten Schakelen (schakelbak) Handrem Parkeerhulp* Snelheidsregelsysteem (SRS)* Automatische versnellingsbak Automatische versnellingsbak* Communiceren Multifunctioneel stuurwiel* Universele telefoonvoorbereiding GSM II* Gesproken bediening Muziekweergave via Bluetooth Ingangen AUX-IN* en MDI* Veiligheid Passieve veiligheid Basisprincipes Juiste zitpositie Veiligheidsgordels Waarom veiligheidsgordels? Het natuurkundige principe van een frontale aanrijding Belangrijke veiligheidsinstructies bij de omgang met veiligheidsgordels Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Gordelspanner Airbagsysteem Beschrijving van het airbagsysteem Voorairbags Zijairbags* Hoofdairbags* Airbags uitschakelen Veilig vervoer van kinderen Wat u moet weten als u kinderen vervoert!..... Kinderzitje Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

6 4 Inhoudsopgave Bevestiging kinderzitje met ISOFIX -systeem*... Bevestiging kinderzitje met het Top Tether -systeem en voor het rijden... Intelligente techniek Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)* Remmen Rembekrachtiger Antiblokkeersysteem (ABS) Remassistent (remkrachtverhoger)* Assistenten voor rijden op hellende wegen*.... Elektrohydraulische stuurbekrachtiging Bandendrukcontrole* Roetfilter* (dieselmotor) Rijden en milieu De eerste kilometer en daarna Katalysator Economisch en milieubewust rijden Milieu-aspecten Rijden in het buitenland Voorkomen van schade aan de auto Rijden door water op straten Rijden met aanhangwagen Gebruik aanhangwagen Controleren en navullen motorruimte Motorolie Koelsysteem Remvloeistof Accu Ruitensproeiersysteem Wielen en banden Wielen Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen Accessoires en onderdelen Technische wijzigingen Auto's van de categorie N Raad en daad Raad en daad Verbanddoos* en Gevarendriehoek* Brandblusser* Boordgereedschap Bandenreparatieset Reservewiel* Wiel verwisselen Starthulp Weg- en aanslepen Zekeringen en gloeilampen Elektrische zekeringen Gloeilampen Brandstofverbruik volgens ECE-voorschriften en EUrichtlijnen Afmetingen Motoroliespecificaties ,2 l/44 kw - EU ,2 l/51 kw - EU 5/EU 2DDK ,2 l/63 kw TSI - EU ,2 l/77 kw TSI - EU ,4 l/63 kw - EU ,2 l/55 kw TDI CR DPF - EU ,6 l/55 kw TDI CR - EU ,6 l/66 kw TDI CR - EU ,6 l/77 kw TDI CR - EU Trefwoordenlijst Gebruikvoorschriften Verzorging en reiniging van de auto Algemeen Verzorging buitenzijde auto Verzorging binnenzijde auto Brandstof Benzine Diesel Tanken Technische gegevens Technische gegevens Algemene aanwijzingen Gebruikte afkortingen Rijprestaties Gewichten Identificatiegegevens

7 Inhoudsopgave 5 Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

8 6 Structuur van dit instructieboekje (toelichtingen) Structuur van dit instructieboekje (toelichtingen) Dit instructieboekje is systematisch opgebouwd om het vinden en opnemen van de benodigde informatie te vergemakkelijken. Hoofdstuk, inhoudsopgave en trefwoordenregister De tekst van dit instructieboekje is in relatief korte paragrafen ingedeeld, die in overzichtelijke hoofdstukken zijn samengevoegd. Het actuele hoofdstuk staat rechtsonder op de pagina geaccentueerd. De aan de hand van de hoofdstukken ingedeelde inhoudsopgave en het uitgebreide trefwoordenregister achter in het instructieboekje helpen u de gewenste informatie snel te vinden. Hoofdstukken De meeste alinea's gelden voor alle auto's. Omdat de uitvoeringsvarianten echter zeer veelvuldig kunnen zijn, is het niet te voorkomen, dat ondanks de indeling in alinea's soms ook uitvoeringen worden genoemd waar uw auto niet mee is uitgerust. Samenvatting en uitleg Elke alinea is voorzien van een kop. Er volgt beknopte informatie (in groot cursief schrift) waarover het in deze alinea gaat. De afbeelding wordt meestal gevolgd door een uitleg (in relatief groot schrift) die in klare taal uitlegt hoe u te werk moet gaan. Uit te voeren handelingen worden aangegeven met een koppelteken. Richtingaanwijzingen Alle richtingaanwijzingen zoals links, rechts, voor, achter zijn gebaseerd op de rijrichting van de auto. Het hoofdstuk gaat op de volgende bladzijde verder. en Alle vier de typen aanwijzingen die in de tekst worden gebruikt staan altijd aan het einde van het betreffende hoofdstuk vermeld. De belangrijkste aanwijzingen worden aangeduid met de kop ATTENTIE. Deze ATTENTIE-aanwijzingen attenderen op een ernstige kans op ongevallen of letsel. In de tekst vindt u vaak een dubbele pijl die wordt gevolgd door een klein attentiesymbool. Dit symbool attendeert op een ATTENTIE-aanwijzing aan het einde van de alinea die beslist moet worden opgevolgd. Voorzichtig! Een voorzichtig-aanwijzing attendeert op mogelijke defecten aan uw auto (bijv. defecte versnellingsbak), of attendeert op de kans op een ongeval. Milieu Een milieu-aanwijzing attendeert op de milieubescherming. Hier vindt u bijv. adviezen voor een lager brandstofverbruik. Een normale aanwijzing attendeert op algemene en belangrijke informatie. Symboolverklaring De zo gekenmerkte onderdelen behoren seriematig alleen bij bepaalde modellen of zijn alleen bij bepaalde modellen als extra leverbaar. Eind van een hoofdstuk.

9 7 Bediening Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

10 8 Cockpit Afb. 1 Een aantal op de foto weergegeven uitrustingen gelden alleen maar voor bepaalde type-uitvoeringen of zijn als optie leverbaar.

11 Cockpit 9 Cockpit Overzicht Door dit overzicht zult u snel vertrouwd raken met de meters/controlelampjes en de bedieningselementen. A1 elektrische ruitbediening* A2 Elektrische buitenspiegelverstelling* A3 Luchtuitstroomroosters A4 Hendel voor multifunctieschakelaar: knipperlicht, groot licht en parkeerlicht, grootlichtsignaal snelheidsregelsysteem* A5 Stuurwiel: met claxon A6 A7 A8 met bestuurdersairbag met bedieningstoetsen voor radio, navigatie en telefoon* Instrumentenpaneel: Instrumenten en controlelampjes Hendel voor multifunctieschakelaar: Multi-functie-indicatie* Ruitenwissers en -sproeiers Schakelaar voor achterruitverwarming A9 Schakelaar voor ASR* A10 Luchtuitstroomroosters A11 Schakelaar voor alarmlichten A12 Controlelampje voor uitschakeling airbag voorpassagier* A13 Afhankelijk van de uitrusting: A14 A15 Bediening voor verwarming Bediening voor Climatic* Bediening voor Climatronic* Opbergvakken aan de voorpassagierszijde* Airbag voorpassagier* A16 Schakelaar voor airbag voorpassagier* A17 Schakelaar, afhankelijk van de uitrusting: Achterklep ontgrendelen* A18 Interieurbewaking* Zekeringenhouder in dashboard A19 Lichtschakelaar en lichtbundelhoogstevertelling , 51 A20 Ontgrendelingshendel voor motorkap A21 Hendel voor stuurwielverstelling A22 A23 Contactslot Afhankelijk van de uitrusting: Radio* Navigatie* 90 A24 Tuimelschakelaar voor de verwarming van de bestuurdersstoel* A25 Schakelaar voor centrale vergrendeling* A26 Afhankelijk van de uitrusting: versnellingshendel (schakelbak) keuzehendel (automatische versnellingsbak*) A27 Tuimelschakelaar voor de verwarming van de passagiersstoel* A28 Afhankelijk van de uitrusting: Asbak* Opbergvak A29 MDI* Bij auto's die af fabriek met een radio, of navigatiesysteem zijn uitgerust, is een aparte handleiding voor de bediening van deze apparaten bijgevoegd. Bij auto's met stuur rechts wijkt de plaatsing van de bedieningselementen voor een deel af van de in bladzijde 8, afb. 1 weergegeven plaatsing. De symbolen komen echter overeen met die op de bedieningselementen van auto's met stuur links. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

12 10 De beknopte informatie De beknopte informatie Basisfuncties en belangrijke aanwijzingen Stuurwielstand instellen Inleiding Het hoofdstuk 'De beknopte informatie' dient alleen voor een snelle kennismaking met de belangrijkste bedieningselementen van de auto. Alle aanwijzingen in de volgende hoofdstukken van de handleiding moeten beslist in acht genomen worden. Auto ont- en vergrendelen Afb. 3 Verstelbaar stuurwiel: Hendel aan de stuurkolom / de juiste afstand van de bestuurder tegenover het stuurwiel Afb. 2 Radiografische afstandsbediening A1 Auto ontgrendelen A2 Kofferklep ontgrendelen A3 Auto vergrendelen A4 Sleutel uitklappen/inklappen Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 40, Wagen ont- en vergrendelen. De stand van het stuurwiel is in hoogte en lengterichting instelbaar. Klap de hendel onder de stuurkolom afb. 3 naar beneden. Plaats het stuurwiel in de gewenste stand (hoogte en hoek). Druk de hendel naar boven tot aan het etiket. De stand van het stuurwiel is in hoogte en lengterichting instelbaar. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 90, Stuurwielstanden instellen. Stel het stuurwiel zo af dat de afstand tussen het stuurwiel en het borstbeen minstens 25 cm bedraagt afb. 3. Als deze minimale afstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Het stuurwiel mag nooit tijdens de rit worden versteld! Om veiligheidsredenen moet de hendel altijd vast naar boven zijn gedrukt zodat de stand van het stuurwiel onder het rijden niet onbedoeld kan wijzigen - kans op ongevallen!

13 De beknopte informatie 11 Hoogteverstelling veiligheidsgordels A1 Stoel in lengterichting instellen A2 Zittinghoogte instellen* A3 Hoek van de rugleuning instellen Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 59, Voorstoelen instellen. Afb. 4 Voorstoel: Hoogteverstelling veiligheidsgordels Stel de bestuurdersstoel alleen bij stilstaande auto in - kans op ongevallen! Elektrische verstelling buitenspiegel* Druk voor het instellen op de doorvoerplaat en schuif deze naar boven of naar beneden afb. 4. Na het instellen controleert u door met korte rukken aan de gordel of de geleiderand zeker vergrendeld is. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 119, Gordelhoogte-instelling op de voorstoelen. Stel de hoogte van de gordel zo in, dat de schoudergordel ongeveer over het midden van de schouder - maar in geen geval langs de hals - loopt! Voorstoel instellen Buitenspiegelverwarming Linkerbuitenspiegel instellen Buitenspiegel rechts instellen Bediening uitschakelen Afb. 6 Binnenzijde portier: Draaiknop Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 57, Achteruitkijkspiegel. Afb. 5 Bedieningspaneel op stoel Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

14 12 De beknopte informatie Verlichting in- en uitschakelen Knipperlicht- en grootlichtschakelaar Afb. 7 Dashboard: Lichtschakelaar: Afb. 8 De knipperlicht- en grootlichtschakelaar Alle verlichting uitschakelen Stadslicht inschakelen Dimlicht en groot licht inschakelen Mistlichten* Mistachterlicht A Knipperlicht rechts AB Knipperlicht links AC Omschakelen tussen dim- en groot licht AD Lichtsignaal Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 52, De richtingaanwijzer- en grootlichtschakelaar. Ruitenwisserschakelaar Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 48, Verlichting in- en uitschakelen. Afb. 9 Ruitenwisserschakelaar A Intervalschakelaar A0 Wissen uitgeschakeld A1 Interval-wissen

15 De beknopte informatie 13 A2 A3 A4 A5 Langzaam wissen Snel wissen Eénmaal wissen Wis-/wasautomaat Tanken Achterruitwisser A6 Interval wissen - iedere 6 seconden A7 Wis-/wasautomaat Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 55, Ruitenwisser. Elektrische ruitbediening* Afb. 11 Rechterachterzijde: Tankklep / tankklep met losgeschroefde tankdop Klap de tankdopklep met de hand op afb. 11. De tankdop van de vulpijp met behulp van de contactsleutel naar links toe ontgrendelen. Schroef de tankdop linksom los en plaats de tankdop van bovenaf op de tankklep afb. 11 rechts. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 167, Tanken. Afb. 10 Schakelaars in bestuurdersportier Ontgrendeling van de motorkap A schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het bestuurdersportier AB schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het rechter voorportier AC schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het rechter achterportier* AD schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het linker achterportier* AS veiligheidsschakelaar* Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 43, Toetsen voor elektrische ruitbediening. Afb. 12 Ontgrendelingshendel voor motorkap Trek aan de ontgrendelingshendel onder het dashboard aan de bestuurderszijde afb. 12. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

16 14 De beknopte informatie Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 169, Ontgrendeling van de motorkap. Motorkap openen Ac Motorolie moet bijgevuld worden. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 171, Motoroliepeil controleren. Afb. 13 Radiateurgrille: Borghendel / Borging van de motorkap met behulp van de motorkapsteun Trek de vergrendelingshendel afb. 13, de motorkap wordt ontgrendeld. Neem de motorkapsteun uit de klem en zet hem in de daarvoor bestemde opening afb. 13. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 169, Motorkap openen en sluiten. Motoroliepeil: controleren Afb. 14 Oliepeilstok Aa Ab Motorolie mag niet bijgevuld worden. Motorolie mag bijgevuld worden.

17 Instrumenten en controlelampen 15 Instrumenten en controlelampen Overzicht instrumentenpaneel Afb. 15 Instrumentenpaneel A1 A2 A3 A4 A5 Toerenteller bladzijde 16 Display met kilometertotaalteller bladzijde 17 met service-interval-indicatie bladzijde 17 met digitale klok bladzijde 18 met multifunctionele -indicatie* bladzijde 19 met informatiedisplay* bladzijde 22 Snelheidsmeter bladzijde 16 Koelvloeistoftemperatuurmeter* bladzijde 16 Toets voor aanduidings modus: Instellen van uren/minuten Activering/deactivering van de tweede snelheid in mph respectievelijk in km/u* A6 A7 Service interval - Aanduiding van de rustdagen en het aantal kilometers respectievelijk mijlen tot de volgende Inspectie-service / Reset* 1) Toets voor: Dagteller voor voor de afgelegde rijafstand terugstellen Service-intervalindicatie: terugzetten Instellen van uren/minuten Aanduidings modus activeren/deactiveren Brandstofmeter* bladzijde 16 1) Geldt voor landen, waarin de waarde in britse maateenheden wordt aangeduid. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

18 16 Instrumenten en controlelampen Toerenteller Het rode bereik van de snelheidsmeterschaal A1 bladzijde 15, afb. 15 kenmerkt het bereik, in welke de motoraandrijving begint met het begrenzen van het motortoerental. De motoraandrijving begrenst het motortoerental op een zekere grenswaarde. Schakel, voor het bereiken van het rode bereik van de snelheidsmeterschaal naar de volgend hogere gang respectievelijk kiest u de keuzehandel instelling D van de automatische versnellingsbak. Vermijd hoge motortoerentallen gedurende de ingansperiode en voor de motor op werkingstemperatuur is verwarmt bladzijde 147. Milieu Op tijd opschakelen helpt brandstof te besparen, verlaagt de geluidsproductie en ontziet het milieu en is goed voor de levensduur en betrouwbaarheid van de motor. Snelheidsmeter Waarschuwing bij snelheidsovertreding* Bij het overschrijden van de rijsnelheid van 120 km/uur klinkt een akoestisch waarschuwingssignaal. Als de snelheid weer terugloopt tot onder deze snelheidsgrens, wordt het akoestische waarschuwingssignaal uitgeschakeld. Deze functie geldt alleen voor enkele landen. Koelvloeistoftemperatuurmeter* De koelvloeistoftemperatuurmeter A4 bladzijde 15, afb. 15 werkt alleen maar bij ingeschakeld contact. Neem, om schade aan de motor te voorkomen, de volgende aanwijzingen in acht met betrekking tot temperatuurbereiken op de meter: Bereik voor koude motor Als de wijzer in het linkergedeelte van de meterschaal staat heeft de motor zijn bedrijfstemperatuur nog niet bereikt. Vermijd hoge motortoerentallen, vol gas en zware motorbelastingen. Bereik bedrijfswarme motor De motor heeft zijn bedrijfstemperatuur bereikt als de wijzer in het middelste gedeelte van de meterschaal staat. Bij sterke motorbelasting en hoge buitentemperaturen kan de wijzer ook verder naar rechts lopen. Dit kan geen kwaad zolang het waarschuwingssymbool in het instrumentenpaneel niet knippert. Als het symbool op het instrumentenpaneel knippert, is of de koelvloeistof temperatuur te hoog of het koelvloeistof peil te laag. en opvolgen bladzijde 28, Koelvloeistoftemperatuur/Koelvloeistofpeil. Neem de waarschuwingsaanwijzingen in acht bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte voordat u de motorkap opent en het koelvloeistofpeil controleert. Voorzichtig! Verstralers en andere aanbouwdelen voor de verseluchtinlaat verslechteren de koelwerking van de koelvloeistof. Bij hoge buitentemperaturen en zware motorbelasting is de kans aanwezig dat de motor oververhit raakt! Brandstofmeter* De brandstofmeter A7 bladzijde 15, afb. 15 werkt alleen maar bij ingeschakeld contact. De tankinhoud bedraagt ca. 45 liter. Als de wijzer de reservestand heeft bereikt, gaat op het instrumentenpaneel het waarschuwingssymbool branden. Er zit nog ca. 7 liter brandstof in de tank. Dit symbool herinnert eraan, dat u moet tanken. Op het informatiedisplay* verschijnt: Please refuel! (Tanken s.v.p.!)

19 Instrumenten en controlelampen 17 Als extra waarschuwingssignaal klinkt een akoestisch signaal. Bij enkele voertuigen wordt de brandstofmeter in de display van het instrumentenpaneel aangeduid. Voorzichtig! Rijd de tank nooit helemaal leeg! Een onregelmatige verzorging van het brandstofsysteem kan ertoe leiden dat de motor onregelmatig draait. Er kan dan onverbrande brandstof in het uitlaatsysteem terechtkomen en de katalysator beschadigen. Indien bij auto's die met informatiedisplay* zijn uitgerust, en de aanduiding van tweede snelheid in mph resp. in km/u geactiveerd is, wordt de rijsnelheid in plaats van de teller, weergegeven voor de gehele afgelegde rit. Service-interval-indicatie Kilometertotaalteller De kilometerdagteller bevindt zich in het onderste gedeelte van de display. De indicatie van de afgelegde afstand vindt plaats in kilometers (km). In enkele landen wordt de maateenheid mijlen gebruikt. Terugstelknop Houd de terugstelknop A6 bladzijde 15, afb. 15 ca. 1 seconde ingedrukt, de kilometerdagteller wordt teruggezet op nul. Kilometerdagteller (trip) De kilometerdagteller geeft de afstand weer die is afgelegd nadat de kilometerteller voor de laatste keer op nul is teruggezet - en wel in stappen van 100 m, resp. 1/10 mijl. Kilometertotaalteller De kilometertotaalteller geeft het aantal kilometers, resp. mijlen weer die de auto in totaal heeft afgelegd. Storingindicator Als er sprake is van een storing in het instrumentenpaneel, verschijnt op de display continu Error. Laat de storing zo snel mogelijk door een Škoda-dealer opheffen. Verstel om veiligheidsredenen de kilometerdagteller nooit tijdens het rijden! Afb. 16 Service-interval-indicatie: Volgens de uitrusting van de auto kan de indicatie op de display afwijken. Service-interval-indicatie Voor het bereiken van het service-interval wordt na het aanschakelen van het contact een sleutelsymbool en de nog resterende kilometers aangetoond afb. 16 Gelijktijdig verschijnt een aanduiding over de nog resterende dagen tot het volgende service-interval. Op het informatiedisplay* verschijnt: Service in... km or... days (service na... km of... dagen) De kilometerindicatie of de dagindicatie loopt voor de servicebeurt in stappen van 100 km of hele dagen terug. Als het service-interval is bereikt, verschijnt op de display gedurende 20 seconden een knipperend sleutelsymbool en de tekst Service. Op het informatiedisplay* verschijnt: Service now! (Onderhoud nu!) Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

20 18 Instrumenten en controlelampen Indicatie over de nog af te leggen afstand en dagen tot aan de eerstvolgende onderhoudsbeurt U kunt de nog resterende rijafstand en dagen tot de volgende servicebeurt op eender welke tijd met behulp va de toets A5 laten aantonen bladzijde 15. Op de display verschijnt gedurende 10 seconden een sleutelsymbool en een aanduiding over de nog resterende kilometers. Gelijktijdig verschijnt een aanduiding over de nog resterende dagen tot het volgende service-interval. Bij auto's die met informatiedisplay* zijn uitgerust roept u deze aanduiding in het volgende menu op SETUP (Instellingen) bladzijde 23. Op het informatiedisplay* verschijnt gedurende 10 seconden: Service in... km or... days (service na... km of... dagen) Service-intervalindicatie: terugzetten Het terugstellen van de service-intervalindicatie kan pas worden uitgevoerd als op de display van het instrumentenpaneel een servicemelding of ten minste een voorafgaande waarschuwing wordt weergegeven. Wij adviseren het resetten door een Škoda-dealer te laten uitvoeren. De dealer: zet na de betreffende Grote Onderhoud Service het geheugen van de indicatie terug; noteert de onderhoudsbeurt in het serviceplan; plakt de sticker, met de aantekening voor de volgende onderhoudsbeurt aan de zijkant van het instrumentenpaneel aan de bestuurderszijde. De service-interval-indicaties kunnen ook met behulp van de terugstelknop A6 bladzijde 15 als volgt worden gereset (teruggesteld): Bij auto's die met informatiedisplay* zijn uitgerust roept u deze aanduiding in het volgende menu op SETUP (Instellingen) bladzijde 23. Reset de indicatie nooit tussen de onderhoudsintervallen in omdat er anders verkeerde gegevens worden weergegeven. Bij losgekoppelde autoaccu blijven de waarden van de service-interval-indicatie bewaard. Indien na een herstelling het instrumentenpaneel wordt verwisseld, moet in de teller voor de dienstbeurtaanduiding de correcte waarde worden ingevoerd. Deze werkzaamheden worden door een Škoda-dealer uitgevoerd. Na het resetten van de indicatie met verlengde flexibele onderhoudsintervallen (QG1) worden de gegevens net zoals bij auto's met verlengde vaste onderhoudsintervallen (QG2) weergegeven. Om deze reden adviseren we de service-interval-indicatie alleen door een erkende Škoda-dealer te laten resetten, die het resetten uitvoert met behulp van een elektronicatester. Uitgebreide informatie met betrekking tot de onderhoudsintervallen - zie brochure Serviceplan. Digitale klok De klok stelt u in met de toetsen A5 en A6 bladzijde 15, afb. 15. Met de toets A5 kiest u de aanduiding, die u veranderen wilt, en met de toets A6 doorvoert u de verandering. Bij voertuigen die met informatiedisplay* zijn uitgerust, kan de klok in het menu Time (uur) ingesteld worden bladzijde 24. De tijd mag om veiligheidsredenen niet tijdens het rijden, maar alleen bij stilstaande motor worden ingesteld. Voorzichtig! Wij adviseren de service-interval-indicatie niet zelf te resetten omdat dit kan leiden tot een verkeerde instelling van de service-interval-indicatie, waardoor er storingen in de auto kunnen optreden.

21 Instrumenten en controlelampen 19 Multi-functie-indicatie (boordcomputer)* Geheugen Inleiding De multifunctionele -indicatie wordt, afhankelijk van de uitrusting van de auto, op de display afb. 17 of op het informatiedisplay weergegeven bladzijde 22. De multifunctionele -indicatie biedt een reeks nuttige informatie. Buitentemperatuur bladzijde 20 Rijtijd bladzijde 20 Actueel brandstofverbruik bladzijde 21 Gemiddeld brandstofverbruik bladzijde 21 Actieradius bladzijde 21 Afgelegde afstand bladzijde 21 Gemiddelde snelheid bladzijde 21 Actuele snelheid* bladzijde 21 Waarschuwing bij snelheidsovertreding* bladzijde 22 Bij auto's die met informatiedisplay* zijn uitgerust, is het mogelijk om de aanduiding van sommige informatie uit te schakelen. In bepaalde exportuitvoeringen worden de waarden in het Engelse stelsel weergegeven. Wordt de aanduiding van de snelheid in mph geactiveerd, dan wordt de actuele snelheid* in km/u niet aangetoond op de display. Afb. 17 Multifunctie-indicator De multifunctionele -indicatie is uitgevoerd met twee automatisch werkende geheugens. In het midden van de displayveld wordt het gekozen geheugen weergegeven afb. 17. De gegevens van het ritgeheugen (geheugen 1) worden weergegeven als op de display een 1 verschijnt. Als er een 2 verschijnt worden de gegevens van het reisgeheugen (geheugen 2) weergegeven. Het schakelen tussen de geheugens wordt uitgevoerd met behulp van toets AB bladzijde 20, afb. 18 aan de ruitenwisserhendel. Ritgeheugen (geheugen 1) Het ritgeheugen verzamelt de rij-informatie vanaf het inschakelen tot aan het uitschakelen van het contact. Als de rit binnen 2 uur na het uitschakelen van het contact wordt voortgezet worden de er dan nog bijkomende waarden meegenomen in de berekening van de actuele rij-informatie. Bij een onderbreking van de rit met meer dan 2 uur wordt het geheugen automatisch gewist. Reisgeheugen (geheugen 2) Een reisgheugen verzamelt de rijgegvens van en willekeurig aantal individuele ritten tot in totaal 19 uur en 59 minuten of 1 reistraject van km resp., bij wagens die uitgerust zijn met een informatiedisplay* 99 uur en 59 minuten of en reistraject van km. Als een van de genoemde waarden wordt overschreden, wordt het geheugen gewist en start de berekening opnieuw. Het reisgeheugen wordt, in tegenstelling tot het ritgeheugen, niet na een onderbreking van meer dan 2 uur gewist. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

22 20 Instrumenten en controlelampen Als de autoaccu wordt losgekoppeld, worden alle waarden in het geheugen gewist 1 en 2. Bediening gemiddeld brandstofverbruik; afgelegde afstand; gemiddelde snelheid; rijtijd. De multifunctionelde aanduiding indicatie kan alleen bij ingeschakeld contact worden bediend. Na het inschakelen van het contact wordt de functie weergegeven die voor het uitschakelen als laatste werd gekozen. Buitentemperatuur De tuimelschakelaar A en de toets AB bevinden zich in de ruitenwisserschakelaar afb. 18. Geheugen kiezen Door het herhaaldelijk kort aantippen van de toets AB aan de ruitenwisserhendel kiest u het gewenste geheugen. Kiezen van de functies Druk de ruitenwissertoets A boven of beneden voor langer dan 0,5 seconden in. Daarna roept u na elkaar de individuele functie's van de multifunctionele -aanduiding op. Functie op nul zetten Kies het gewenste geheugen. Druk de knop AB langer dan 1 seconde in. Afb. 18 multifunctionele -indicatie: Bedieningselementen De buitentemperatuur wordt bij ingeschakeld contact op de display weergegeven. Als de buitentemperatuur terugloopt tot beneden +4 C, verschijnt voor de temperatuur een ijskristalsymbool (waarschuwingssignaal gladheid), dat 10 seconden knippert en vervolgens samen met de buitentemperatuur blijft staan. Tegelijkertijd klinkt er een akoestisch signaal. Na het indrukken van de tuimelschakelaar A aan de ruitenwisserhendel afb. 18 wordt de functie weergegeven die laatst werd weergegeven. Ga er niet alleen op basis van de buitentemperatuurindicatie vanuit dat er geen sprake is van ijzel. Denk eraan dat ook bij buitentemperaturen van rond +4 C er sprake kan zijn van ijzel - waarschuwing tegen ijzel! Rijtijd Op de display verschijnt de rijtijd die is verstreken sinds het geheugen voor de laatste keer is gewist bladzijde 19. Als u de rijtijd vanaf een bepaald tijdstip wilt tellen, dan wist u op dat moment het geheugen door de toets AB afb. 18 in te drukken. De maximale displaywaarde in beide schakelposities is 19 uur en 59 minuten resp., bij wagen die uitgerust zijn met een informatiedisplay*, 99 uur en 59 minuten. Als deze waarde wordt overschreden, start de weergave weer vanaf nul. De volgende waarden van het gekozen geheugen worden met behulp van de knop op nul gezet: AB

23 Instrumenten en controlelampen 21 Momenteel brandstofverbruik Op de display wordt het huidige brandstofverbruik in l/100 km weergegeven. Met behulp van deze weergegeven gegevens kunt u uw rijgedrag aanpassen aan het gewenste verbruik. Bij een stilstaande of langzaam rijdende auto wordt het brandstofverbruik in l/u weergegeven. Tijdens de rit wordt de weergegeven waarde elke 0,5 seconden geactualiseerd. Gemiddeld brandstofverbruik Op de display verschijnt het gemiddelde brandstofverbruik in l/100 km sinds het geheugen voor de laatste keer is gewist bladzijde 19, afb. 17. Met behulp van deze weergegeven gegevens kunt u uw rijgedrag aanpassen aan het gewenste verbruik. Als u het gemiddelde brandstofverbruik voor een bepaalde periode wilt bepalen, moet u het geheugen bij het begin van de nieuwe meetperiode met behulp van de toets AB aan de ruitenwisserhandel bladzijde 20, afb. 18 wissen. Na het wissen verschijnen op de display gedurende de eerste 100 m streepjes. Tijdens de rit wordt de weergegeven waarde elke 5 seconden geactualiseerd. De verbruikte hoeveelheid benzine wordt niet weergegeven. Actieradius Op de display wordt de geschatte actieradius in kilometers weergegeven. Deze waarde geeft aan welke afstand uw auto met de huidige brandstofvoorraad en met dezelfde rijstijl nog kan afleggen. De weergave vindt plaats in sprongen van 10 km. Na het oplichten van het controlelampje voor de branddstofreserve vervolgt de aanduiding in sprongen van 5 km. Bij de berekening van de actieradius wordt het brandstofverbruik van de laatste 50 km als basis genomen. Als u zuiniger rijdt, wordt de actieradius groter. Wanneer het geheugen op nul wordt gezet (na het ontklemmen van de batterij), wordt de radius met het brandstofverbruik berekend van 10 l/100 km en daarna wordt de waarde met stilstand toepasselijk aangepast. Afgelegde afstand Op de display verschijnt de afgelegde rijafstand sinds het geheugen voor de laatste keer bladzijde 19 is gewist. Als u de de gereden afstand vanaf een bepaald tijdstip wilt tellen, dan moet u het geheugen op dit moment door het indrukken van de toets AB aan de ruitenwisserhendel bladzijde 20, afb. 18 wissen. De maximal weergavewaarde in beide schakelposities is km, bij wagens die uigerust zijn met een informatiedisplay* km. Als deze waarde wordt overschreden, start de weergave weer vanaf nul. Gemiddelde snelheid Op de display verschijnt de gemiddelde snelheid in km/u sinds het geheugen voor de laatste keer is gewist bladzijde 19. Als u de gemiddelde snelheid voor een bepaalde periode wilt bepalen, moet u het geheugen bij het begin van de nieuwe meetperiode met behulp van de toets AB aan de ruitenwisserhendel bladzijde 20, afb. 18 wissen. Na het wissen verschijnen op de display gedurende de eerste 100 m streepjes. Tijdens de rit wordt de weergegeven waarde elke 5 seconden geactualiseerd. Actuele snelheid* Op de display wordt de actuele snelheid aangetoond, die met de aanduiding van de snelheidsmeter A2 identiek is bladzijde 15, afb. 15. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

24 22 Instrumenten en controlelampen Waarschuwing bij snelheidsovertreding* MAXI DOT-Display (informatiedisplay)* Inleiding Afb. 19 multifunctionele -indicatie: Bedieningselementen Door deze functie is het mogelijk een snelheidslimiet in te stellen, bijv. bij het rijden in de stad. Als u de ingestelde snelheidslimiet overschrijdt, wordt uw aandacht hierop gevestigd door een melding op de display. Waarschuwing bij snelheidsovertreding Kies het menupunt Speed warning --- km/u (waarschuwing bij --- km/u). Rij b.v. met een snelheid van 50 km/u. Druk op de schakelaar AB afb. 19. In de informatiedisplay* wordt aangeduid Speed warning 50 km/h (Waarschuwing bij 50 km/u). Deze waarde kunt u met behulp van de schakelaar A op een hogere resp. lagere waarde aanpassen. Als de schakelaar AB nogmaals wordt ingedrukt, wordt de waarde opgeslagen. Als de schakelaar nogmaals wordt ingedrukt, wordt de waarde opgeheven en in het informatiedisplay* wordt --- weergegeven. Als u nu de ingestelde snelheid overschrijdt, verschijnt op het display Speed 50 km/h exceeded (Snelheid 50 km/u overschreden). Deze tekst wordt weergegeven tot u de snelheid onder de ingestelde limiet laat zakken, of de aangeteoonde tekst met de toets AB afb. 19 uitschakelt. Als extra waarschuwingssignaal klinkt een akoestisch signaal. De ingestelde snelheidslimiet blijft ook na het uitschakelen van het contact opgeslagen. Het informatiedisplay informeert op comfortabele wijze over de actuele bedrijfstoestand van de auto. Bovendien levert het informatiedisplay (afhankelijk van de uitrusting van de auto) gegevens met betrekking tot de radio-, telefoon-. multi-functie-indicatie-, navigatiesysteem, op de MDI-ingang aangesloten apparaat en automatische versnellingsbak. Bij ingeschakeld contact en tijdens het rijden worden in de auto altijd bepaalde functies en statussen gecontroleerd. Functiestoringen of noodzakelijke reparaties of andere informatie wordt door middel van rode symbolen bladzijde 24 en gele symbolen bladzijde 24 weergegeven. Het oplichten van de symbolen is gecombineerd met een akoestisch waarschuwingssignaal. Bovendien verschijnen op het display informatie- en waarschuwingsmeldingen bladzijde 25. De tekstmelding is in een van de volgende talen mogelijk: Tsjechisch, Engels, Duits, Frans, Italiaans, Spaans, Portugees, Russisch en Chinees. U kunt de gewenste taal in het instelmenu kiezen. Op het display kunnen (al naargelang de uitrusting) de volgende gegevens worden weergegeven: Hoofdmenu bladzijde 23 Portier-, kofferklep-, achterklep- en motorkapwaarschuwing bladzijde 23 Service-interval-indicatie bladzijde 17 Keuzehendelstand van de automatische versnellingsbak bladzijde 99

25 Instrumenten en controlelampen 23 Hoofdmenu Als het informatiedisplay niet wordt bediend, schakelt het menu steeds na 10 seconden een niveau hoger in. De bediening van de/het af fabriek ingebouwde radio* resp. navigatiesysteem* staat in een aparte gebruiksaanwijzing beschreven die deel uitmaakt van de documentatie. Portier-, kofferklep-, achterklep- en motorkapwaarschuwing Het MAIN MENU (HOOFDMENU) wordt geactiveerd door de tuimelschakelaar A afb. 20 langer dan 1 seconde in te drukken. Via de tuimelschakelaar A kunt u uit de menu's kiezen. Na het even aantippen van de schakelaar AB wordt de gekozen informatie weergegeven. U kunt (al naargelang de uitrusting van de auto) de volgende menu's kiezen: Multi-functie-indicatie (boordcomputer) bladzijde 19 Audio (Audio)* Navigation (navigatie)* Phone (Telefoon)* bladzijde 104 Vehicle status (Voertuigstatus) bladzijde 23 Setup (Instellingen) bladzijde 24 Afb. 20 Informatiedisplay: Bedieningselementen Het menupunt Audio (Audio) verschijnt alleen als de radio* is ingeschakeld. Het menupunt Navigation (navigatie) verschijnt alleen als het navigatiesysteem* is ingeschakeld. Als in het informatiedisplay waarschuwingen worden weergegeven bladzijde 23, moeten u deze meldingen met de schakelaar AB op de ruitenwisserhendel indrukken om het hoofdmenu op te roepen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Het portierwaarschuwings-, kofferklep-/achterklep- en motorkapwaarschuwingssymbool gaat branden als minstens één portier, de kofferklep/achterklep of de motorkap niet is gesloten. Het symbool geeft aan welk portier, resp. of de kofferklep/achterklep of motorkap niet gesloten is. Het symbool dooft zodra de portieren, de kofferklep/achterklep en de motorkap geheel zijn gesloten. Bij een geopend portier of kofferklep/achterklep en een snelheid boven de 6 km/h klinkt een waarschuwingssignaal. Auto-Check-Control Toestand auto De Auto-Check-Control controleert de staat van bepaalde functies en autocomponenten. De controle vindt bij ingeschakeld contact continu plaats, zowel bij stilstaande auto alsook tijdens het rijden. Functiestoringen, dringend noodzakelijke reparaties, onderhoudswerkzaamheden of andere meldingen worden op het display van het instrumentenpaneel weergegeven. Deze indicaties zijn al naargelang de prioriteit ingedeeld in rode en gele lichtsymbolen. De rode symbolen geven een gevaar aan (prioriteit 1) terwijl de gele een waarschuwing aangeven (prioriteit 2). Daarnaast verschijnen als aanvulling op de symbolen aanwijzingen voor de bestuurder bladzijde 25. Verschijnt in het menu Vehicle status (voertuigstatus), dan is er ten minste een foutmelding. Na het selecteren van dit menu wordt de eerste van de storingmeldingen weergegeven. Als er meerdere storingmeldingen zijn, wordt op het display onder de melding bijv. 1/3 weergegeven. Dat betekent dat de eerste van in totaal drie meldingen Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

26 24 Instrumenten en controlelampen wordt weergegeven. De betreffende meldingen worden na elkaar met tussenpozen van 5 seconden aangewezen. Controleer zo vlug mogelijk de aangewezen storingsmeldingen. Zolang de functiestoringen niet zijn opgeheven, verschijnen de symbolen steeds weer. Na de eerste melding worden de symbolen zonder aanwijzingen voor de bestuurder weergegeven. Als er een storing optreedt, klinkt naast de weergave van het symbool en de tekst ook een waarschuwingssignaal: Prioriteit 1 - drie waarschuwingstonen Prioriteit 2 - één waarschuwingstoon Rode symbolen Een rood symbool geeft een gevaar aan. Stop de auto. Zet de motor af. Controleer de aangegeven functie. Doe, in geval van nood een beroep op de vakkundige hulp van uw Škoda-dealer. Betekenis van de rode symbolen: Motoroliedruk te laag bladzijde 29 Oververhitte koppelingen van de automatische versnellingsbak DSG* Als er een rood symbool verschijnt, weerklinken drie opeenvolgende waarschuwingstonen. Gele symbolen Een geel symbool geeft een waarschuwing aan. Controleer de betreffende functie zo snel mogelijk. bladzijde 97 Betekenis van de gele symbolen: Als er een geel symbool verschijnt, weerklinkt één waarschuwingssignaal. Als er sprake is van meerdere functiestoringen met prioriteit 5, verschijnen deze symbolen na elkaar en zijn ze steeds gedurende circa 2 seconden zichtbaar. Instellingen Motoroliepeil controleren, motoroliesensor defect bladzijde 29 U kunt met behulp van het informatiedisplay bepaalde instellingen zelf wijzigen. De actuele instelling is op het informatiedisplay in het betreffende menu boven onder de streep weergegeven. U kunt (al naargelang de uitrusting van de auto) de volgende menu's kiezen: Language (Taal / Lang.) MFD Data (MFA DATA) Time (Tijd) Winter tires (Winterbanden) Units (Eenheden) Alt. speed dis. (alternatieve afstands snelheid) Service interval (Service) Factory setting (Fabrieksinstell.) Back (Terug) Na het selecteren van het menupunt Back (terug) komt u één niveau hoger in het menu. Taal Hiermee kunt u instellen in welke taal de waarschuwings- en informatieteksten moeten worden weergegeven. Aanduidingen van de MFA Hier kunt u enkele aanwijzingen van de multi-functionele aanduidingen uit-, resp. inschakelen.

27 Instrumenten en controlelampen 25 Tijd Hier kunt u de tijd, het tijdsformaat (12- of 24-uursweergave) en de omschakeling zomer-/wintertijd instellen. Winterbanden Hiermee kunt u instellen bij welke snelheid een waarschuwingstoon moet klinken. Deze functie gebruikt u bijv. voor winterbanden, waarvan de toelaatbare maximumsnelheid lager is dan de maximumsnelheid van uw auto. Bij het overschrijden van de snelheid verschijnt op het informatiedisplay*: Snow tyres max. speed... km/h (winterbanden maximaal... km/h) Eenheden Hiermee kunt u de eenheden voor temperatuur, brandstofverbruik en afgelegde afstand instellen. Secundaire snelheid Hier kunt u de secundaire snelheid in mph resp. in km/h inschakelen 2). Onderhoud Hier kunt u de nog resterende kilometers en dagen tot de volgende onderhoudsbeurt laten aantonen en het onderhoudsbeurt interval terug zetten. Werk instelling Na het kiezen van het menupunt Fabrieksinstelling wordt de fabrieksinstelling van de informatiedisplay hersteld. 2) Geldt voor landen, waarin de waarde in britse maateenheden wordt aangeduid. Controlelampjes Overzicht De controlelampjes geven bepaalde functies, resp. storingen aan. Afb. 21 Instrumentenpaneel met controlelampen Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

28 26 Instrumenten en controlelampen Knipperlichten (links) bladzijde 27 Knipperlichten (rechts) bladzijde 27 Grootlicht bladzijde 27 Dimlicht bladzijde 27 Mistachterlicht bladzijde 27 Gloeilampenuitval bladzijde 27 dynamo bladzijde 27 Mistlichten* bladzijde 27 Elektrohydraulische stuurbekrachtiging bladzijde 27 Controle van de motorelektronica (benzinemotor) bladzijde 28 Voorgloeisysteem (Dieselmotor) bladzijde 28 Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil bladzijde 28 Brandstofreserve bladzijde 29 Motoroliedruk bladzijde 29 Motoroliepeil bladzijde 29 Geopend portier bladzijde 30 Vloeistofpeil in ruitensproeierinstallatie* bladzijde 30 Controlesysteem voor uitlaatgassen bladzijde 30 Aandrijfslipregeling (ASR)* bladzijde 30 Controle bandenspanning* bladzijde 30 Vergrendeling van de keuzehendel* bladzijde 31 Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)* bladzijde 31 Antiblokkeersysteem (ABS) bladzijde 31 Remsysteem: bladzijde 31 Snelheidsregelsysteem* bladzijde 32 Airbagsysteem bladzijde 32 Roetfilter* (dieselmotor) bladzijde 33 Verklikkerlichtje van het waarschuwingssysteem van de veiligheidsgordels bladzijde 33 Als de brandende controlelampjes en de betreffende beschrijvingen en waarschuwingsaanwijzingen worden genegeerd, kan dit tot ernstig letsel of tot schade aan de auto leiden. De motorruimte van de auto is een gevaarlijke omgeving. Bij werkzaamheden in de motorruimte, bijv. controleren en bijvullen van de bedrijfsvloeistoffen, kunnen letsel, verbrandingen, ongevallen en brand ontstaan. Neem beslist de waarschuwingsaanwijzingen in acht bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte.

29 Instrumenten en controlelampen 27 De plaatsing van de controlelampjes is afhankelijk van het model en het motortype. Functiestoringen worden op het display van het instrumentenpaneel door middel van rode symbolen (prioriteit 1 gevaar) of gele symbolen (prioriteit 2 waarschuwing) weergegeven. Knipperlichtinstallatie Afhankelijk van de stand van de knipperlichtschakelaar knippert het linker of rechter controlelampje. Als er een gloeilamp voor een knipperlicht uitvalt, knippert het controlelampje bijna twee keer zo snel. Bij ingeschakelde alarmlichten knipperen alle knipperlichten alsmede de beide controlelampjes. Zie voor nog meer aanwijzingen met betrekking tot de knipperlichtinstallatie bladzijde 52. Groot licht Het controlelampje brandt bij ingeschakeld groot licht of bij ingeschakeld lichtsignaal. Zie voor nog meer aanwijzingen met betrekking tot het grootlichtsysteem bladzijde 52. Dimlicht Het controlelampje brandt bij ingeschakeld dimlicht bladzijde 48. Mistachterlicht Het controlelampje brandt bij ingeschakelde mistachterlichten bladzijde 50. Bediening Veiligheid en voor het rijden Lampdefect Het controlelampje gaat bij een defecte gloeilamp branden: tot 2 seconden na het inschakelen van het contact; bij het inschakelen van de defecte gloeilamp. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst, bijv.: Check front right dipped beam! (Dimlicht, rechtsvoor controleren!) Het parkeerlicht achter en de verlichting van het kenteken hebben meerdere gloeilampen. Het controlelampje licht alleen dan op, wanneer alle gloeilampen van het kenteken, resp. het parkeerlicht (in een achterlicht eenheid) defekt zijn. Controleer daarom regelmatig de functie van de gloeilampen. Dynamo Het controlelampje gaat branden na het inschakelen van het contact. Het controlelampje moet na het aanslaan van de motor uitgaan. Als het controlelampje na het starten van de motor niet uitgaat of tijdens het rijden gaat branden moet u de dichtstbijzijnde Škoda-dealer bezoeken. Omdat daarbij de autoaccu wordt ontladen, moet u alle niet beslist noodzakelijke stroomverbruikers uitschakelen. Voorzichtig! Als tijdens het rijden behalve het controlelampje ook nog het controlelampje (koelsysteemstoring) op het display gaat branden, moet direct worden gestopt en de motor worden afgezet - kans op motorschade! Mistlampen* Het controlelampje brandt bij ingeschakelde mistlampen bladzijde 50. Elektrohydraulische stuurbekrachtiging Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

30 28 Instrumenten en controlelampen Als het controlelampje na het inschakelen van het contact of tijdens de rit constant brandt, is er sprake van een storing in de elektrohydraulische stuurbekrachtiging. De servobesturing werkt met gereduceerde stuurbekrachtiging of is volledig zonder werking. Zie voor meer informatie bladzijde 143. Als de stuurbekrachtiging is uitgevallen, neem dan contact op met een Škodadealer. Als nadat de motor opnieuw is gestart en nadat even is gereden de gele controlelamp uitgaat, is het niet nodig contact op te nemen met een Škoda-dealer. Als de accukabels werken losgemaakt en weer werden aangesloten, zal na het inschakelen van het contact het gele controlelampje gaan branden. Na even te hebben gereden moet het controlelampje uitgaan. Bij het wegslepen met stilstaande motor of bij een defecte stuurbekrachtiging is er geen servobekrachtiging aanwezig. De auto blijft echter volledig bestuurbaar. Voor het sturen is echter aanzienlijk meer kracht nodig. Controle van de motorelektronica (benzinemotor) Het controlelampje (Electronic Power Control) gaat bij het inschakelen van het contact gedurende een aantal seconden branden. Als het controlelampje na het starten van de motor niet uitgaat of blijft branden, is er sprake van een storing in de motorregeling. Het door de motorregeling gekozen noodprogramma stelt u in staat voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer te rijden. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Engine fault: Workshop! (Motorstoring: werkplaats!) Voorgloei-installatie (dieselmotor) Bij een koude motor gaat het controlelampje bij het inschakelen van het contact (voorgloeistand) 2 branden bladzijde 90. Nadat het controlelampje is uitgegaan kan de motor worden gestart. Bij een op bedrijfstemperatuur zijnde motor of bij buitentemperaturen boven +5 C gaat het voorgloeicontrolelampje slechts ca. 1 seconde branden. Dat betekent dat de motor direct kan worden gestart. Als het controlelampje niet gaat of permanent blijft branden, is er sprake van een storing in het voorgloeisysteem, ga zo snel mogelijk naar een Skoda-dealer. Als het controlelampje tijdens de rit gaat knipperen, is er sprake van een storing in het motormanagement. Het door de motorregeling gekozen noodprogramma stelt u in staat voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer te rijden. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Engine fault: Workshop! (Motorstoring: werkplaats!) Koelvloeistoftemperatuur/Koelvloeistofpeil De controlelamp brandt tot de motor de bedrijfstemperatuur bereikt 3). Vermijd hoge motortoerentallen, vol gas en zware motorbelastingen. Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Als het controlelampje rood brandt of tijdens het rijden gaat knipperen, is de koelvloeistoftemperatuur te hoog of het koelvloeistofpeil te laag. Als extra waarschuwingssignaal klinkt een akoestisch signaal. Stop in dat geval, zet de motor af en controleer het koelvloeistofpeil en vul zo nodig vloeistof bij bladzijde 174, Koelvloeistof bijvullen. Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van koelvloeistof niet mogelijk is, mag de reis niet worden vervolgd. Laat de motor uitgeschakeld en roep de hulp in van een Škoda-dealer, omdat dit anders kan leiden tot zware motorschade. 3) Geldt niet voor auto's met informatiedisplay.

31 Instrumenten en controlelampen 29 Als het koelvloeistofpeil binnen het voorgeschreven bereik ligt, kan een te hoge temperatuur zijn veroorzaakt door een storing aan de koelluchtventilator. Controleer de zekering voor de koelluchtventilator en vervang deze zo nodig bladzijde 203, Zekeringenoverzicht op de accu (automatische versnellingsbak). Als het controlelampje niet dooft terwijl het koelvloeistofpeil en ook de ventilatorzekering in orde zijn, mag de reis niet worden voortgezet. roep de hulp van een Škoda-dealer in. Neem de verdere aanwijzingen in acht bladzijde 173, Koelsysteem. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Check coolant! Owner's manual (koelmiddel controleren! Instructieboekje) Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de auto dan op een veilige afstand ten opzichte van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlichten in bladzijde 51, Schakelaar voor alarmlichten. Brandstofreserve Het controlelampje brandt, zodra er minder dan 7 liter in de brandstoftank aanwezig is. Als extra waarschuwingssignaal klinkt een akoestisch signaal. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Please refuel! Range...km (Tanken a.u.b.! Bereik...km) Motorolie Het controlelampje knippert rood (lage oliedruk) Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. 4) 4) Bij auto's met informatiedisplay zal na het inschakelen van het contact het controlelampje niet branden, dit brandt alleen als er een storing aanwezig is of als het motoroliepeil te laag is. Bediening Veiligheid en voor het rijden Als het controlelampje na het starten van de motor niet uitgaat of tijdens het rijden gaat knipperen, stop dan en zet de motor af. Controleer het oliepeil en vul zo nodig motorolie bij bladzijde 171. Als extra waarschuwingssignaal klinken drie pieptonen. Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van motorolie niet mogelijk is, mag de reis niet worden vervolgd. Laat de motor uitgeschakeld en roep de hulp in van een Škoda-dealer, omdat dit anders kan leiden tot zware motorschade. Als het controlelampje knippert niet verder rijden, ook al is de oliehoeveelheid in orde. Laat de motor ook niet stationair draaien. Roep de hulp van de dichtstbijzijnde Škoda-dealer in. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Oil Pressure Engine off! Owner's manual! (Oliedruk motor afzetten! Instructieboekje) Het controlelampje brandt geel* (te weinig olie) Als het controlelampje geel brandt, is er waarschijnlijk te weinig olie. Controleer zo snel mogelijk het oliepeil, resp. vul olie bij bladzijde 171. Als extra waarschuwingssignaal klinkt een pieptoon. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Check oil level! (Oliepeil controleren!) Als de motorkap langer dan 30 seconden open blijft staan, gaat het controlelampje uit. Als er geen motorolie wordt bijgevuld, gaat het controlelampje na ongeveer 100 km weer branden. Het controlelampje knippert geel* (Motoroliepeilsensor defect) Als er een storing aan de motoroliepeilsensor optreedt, wordt dit na het inschakelen van het contact bovendien door een akoestisch signaal en het meerdere malen gaan branden van het controlelampje aangegeven. De motor direct door een Škoda-dealer laten controleren. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Oil sensor Workshop! (Oliesensor werkplaats!) Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

32 30 Instrumenten en controlelampen Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de auto dan op een veilige afstand ten opzichte van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlichten in bladzijde 51. Het rode oliedrukcontrolelampje werkt niet als oliepeilindicatie! Daarom moet het oliepeil regelmatig, bij voorkeur bij elke tankstop, worden gecontroleerd. Let bij het openen van de motorkap en het controleren van het koelvloeistofpeil op de aanwijzingen bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte. Open portier Het controlelampje gaat branden bij het openen van een of meerdere portieren of bij het openen van de kofferklep/achterklep. Wanneer u gedurende de rit een van de portieren, wordt het controlelampje opgelicht en er klinkt een akoestisch signaal. Dit controlelampje brandt ook bij uitgeschakeld contact. Het controllampj licht max. 5 minuten lang op. Bij voertuigen met informatiedisplay* worden deze controlelampjes door een voertuig symbool verplaatst bladzijde 23. Ruitensproeiervloeistofpeil* Het controlelampje brandt bij ingeschakeld contact bij een te laag vloeistofpeil in het ruitensproeierreservoir. Ruitensproeiervloeistof bijvullen bladzijde 180. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Add wash fluid! (Ruitensproeierreservoir vullen!) Uitlaatgascontrolesysteem Het controlelampje gaat branden na het inschakelen van het contact. Als het controlelampje na het starten van de motor niet uitgaat of tijdens de rit brandt of knippert, is er sprake van een storing in een uitlaatgasrelevant component. Het door de motorregeling gekozen noodprogramma stelt u in staat voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer te rijden. Aandrijfslipregeling (ASR)* De controlelamp brandt als het ASR-systeem uitgeschakeld is. Verdere informatie met betrekking tot de ASR bladzijde 140. Controle bandenspanning* Het controlelampje gaat branden, als in één van de banden de bandenspanning wezenlijk is teruggelopen. Verlaag de snelheid en controleer, resp. corrigeer zo snel mogelijk de bandenspanning van alle banden bladzijde 181. Als extra waarschuwingssignaal klinkt een akoestisch signaal. Bij een knipperend controlelampje is er sprake van een systeemstoring. Neem contact op met een Škoda-dealer en laat de storing opheffen. Meer details met betrekking tot het systeem voor de controle van de bandenspanning bladzijde 144. Bij een brandend controlelampje moet direct de snelheid worden verlaagd en heftige stuur- en remmanoeuvres moeten worden vermeden. Bij de eerste mogelijkheid stoppen en de staat van de banden en de bandenspanning controleren. Onder bepaalde omstandigheden (bijv. bij een sportieve rijstijl, op gladde of onverharde wegen) kan het controlelampje vertraagd of helemaal niet gaan branden. Als de accukabels werken losgemaakt, zal na het inschakelen van het contact het gele controlelampje gaan branden. Na even te hebben gereden moet het controlelampje uitgaan.

33 Instrumenten en controlelampen 31 Keuzehendelblokkering* (automatische versnellingsbak) Als het groene controlelampje brandt, moet het rempedaal worden ingedrukt. Dit is nodig om de keuzehendel vanuit de stand P of N in een andere stand te kunnen plaatsen. Verdere informatie met betrekking tot de keuzehendelblokkering bladzijde 100. Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)* Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Als het ESP-systeem helpt om het voertuig te stabiliseren (bv. een wiel afgeremd) dan knippert de controlelamp snel. Indien in het ESP-systeem een storing is, licht het controlelampje continu op. Omdat het ESP-systeem met het ABS werkt, brandt bij het uitvallen van het ABS ook het ESP-controlelampje. Als het controlelampje gelijk na het starten van de motor gaat branden, kan het ESP-systeem om technische redenen zijn uitgeschakeld. In dit geval kunt u het ESPsysteem door het uit- en inschakelen van het contact opnieuw inschakelen. Als het controlelampje uitgaat, is het ESP-systeem weer volledig bedrijfszeker. Meer details met betrekking tot het ESP bladzijde 139, Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)*. Als de accukabels werden losgemaakt en weer werden aangesloten, zal na het inschakelen van het contact het gele controlelampje gaan branden. Na even te hebben gereden moet het controlelampje uitgaan. Antiblokkersysteem (ABS) Het controlelampje geeft de bedrijfszekerheid van het ABS aan. Het controlelampje gaat na het inschakelen van het contact of tijdens het starten enkele seconden branden. Het lampje gaat uit, nadat een automatische testprocedure is beëindigd. Bediening Veiligheid en voor het rijden Storing in het ABS systeem Als het ABS-controlelampje binnen enkele seconden na het inschakelen van het contact niet uitgaat of helemaal niet gaat branden of tijdens het rijden gaat branden, is het systeem niet in orde. De auto wordt met het normale remsysteem afgeremd. Neem zo snel mogelijk contact op met een Škoda-dealer en pas uw rijstijl aan omdat u niet weet hoe ernstig het defect is. Meer details met betrekking tot het ABS bladzijde 142, Antiblokkeersysteem (ABS). Storing in het gehele remsysteem Als het ABS-controlelampje samen met het remsysteemcontrolelampje (bij niet aangetrokken handrem) gaat branden, is niet alleen het ABS maar ook een ander deel van het remsysteem defect. Als het remsysteemcontrolelampje samen met het ABS-controlelampje gaat branden, stop dan direct en controleer het remvloeistofpeil in het remvloeistofreservoir bladzijde 175, Remvloeistof. Als het vloeistofpeil tot onder de MIN-markering is gedaald, rijd dan niet verder - kans op ongevallen! Roep deskundige hulp in. Let bij het openen van de motorkap en het controleren van het remvloeistofpeil op de aanwijzingen bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte. Als het remvloeistofpeil in orde is, is de regelfunctie van het ABS-systeem uitgevallen. De achterwielen kunnen dan bij het remmen zeer snel blokkeren. Dit kan onder bepaalde omstandigheden tot het uitbreken van de achterkant van de auto leiden - slipgevaar! Rijd voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Škodadealer en laat de storing opheffen. Remsysteem Het controlelampje knippert, resp. brandt bij een te laag remvloeistofpeil, bij een storing in het ABS of bij een aangetrokken handrem. Als het controlelampje knippert en er klinkt drie maal een akoestisch signaal (niet bij een aangetrokken handrem), stop dan en controleer het remvloeistofpeil. Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

34 32 Instrumenten en controlelampen Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Brake fluid Owner's manual (Remvloeistof! Instructieboekje) Bij een ABS-storing die ook betrekking heeft op de werking van het remsysteem (bijv. de remdrukverdeling), gaat het ABS-controlelampje samen met het remsysteemcontrolelampje branden. Houd er rekening mee dat niet alleen het ABS, maar ook een ander deel van het remsysteem defect is. Als extra waarschuwingssignaal klinkt drie maal een akoestisch signaal. Op weg naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer moet rekening worden gehouden met een hogere rempedaaldruk, een langere remweg en een grotere vrije slag van het rempedaal. Zie voor nog meer aanwijzingen met betrekking tot het remsysteem bladzijde 141, Remmen. Aangetrokken handrem Het controlelampje brandt ook bij een aangetrokken handrem. Bovendien wordt een akoestische waarschuwing gegeven als u met de auto minstens 3 seconden met een snelheid van meer dan 6 km/h hebt gereden. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Release parking brake! (Parkeerrem lossen!) Let bij het openen van de motorkap en het controleren van het remvloeistofpeil op de aanwijzingen bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte. Als het remsysteemcontrolelampje enkele seconden na het inschakelen van het contact niet uitgaat of tijdens het rijden gaat branden, stop dan direct en controleer het remvloeistofpeil in reservoir bladzijde 175, Remvloeistof. Als het vloeistofpeil tot onder de MIN-markering is gedaald, rijd dan niet verder - kans op ongevallen! Roep deskundige hulp in. Snelheidsregelsysteem* Het controlelampje brandt als het snelheidsregelsysteem actief is. Airbagsysteem Controle van het airbagsysteem Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Als het controlelampje niet uitgaat of tijdens het rijden gaat branden of knipperen, is er sprake van een systeemstoring. Dat geldt ook als het controlelampje na het inschakelen van het contact niet gaat branden. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Airbag fault! (Airbag storing!) De paraatheid van het airbagsysteem wordt elektronisch gecontroleerd, ook als een airbag is uitgeschakeld. Voor-, zij- of de hoofdairbag zonder veiligheidsgordel met behulp van de elektronicatester uitgeschakeld: Het controlelampje gaat na het inschakelen van het contact gedurende 3 seconden branden en knippert aansluitend hierop 12 seconden met een interval van 2 seconden. Op het informatiedisplay* weergegeven tekst: Airbag/belt tensioner deactivated! (Airbag/gordelspanner gedeactiveerd!) Als de voorairbag voor de voorpassagier met behulp van de schakelaar (uitschakelen van de airbags)* aan de voorzijde van het dashboard aan de voorpassagierszijde werd uitgeschakeld: Het controlelampje brandt na het inschakelen van het contact gedurende 4 seconden. als de airbags zijn uitgeschakeld wordt dit op het middendeel van het dashboard door het oplichten van het gele controlelampje in de opschrift aangegeven bladzijde 129. Als er sprake is van een storing, moet het airbagsysteem direct door een Škodadealer worden gecontroleerd. Anders is de kans aanwezig dat de airbags bij een aanrijding niet worden geactiveerd.

35 Instrumenten en controlelampen 33 Meer informatie met betrekking tot het uitschakelen van de airbags bladzijde 128, Airbags uitschakelen. Roetfilter* (dieselmotor) Als het controlelampje gaat branden, geeft dit aan dat door het frequent rijden van korte ritten het roetfilter met roet is verstopt. Om het roetfilter te reinigen moet zo snel mogelijk, zodra de verkeerssituatie dit toelaat, gedurende minimaal 15 minuten of totdat het controlelampje uitgaat met een ingeschakelde 4 of 5 gang (automatische versnellingsbak: stand S) met een snelheid van minimaal 60 km/h met een motortoerental van /min worden gereden. Hierdoor loopt de uitlaatgastemperatuur op en worden de in het roetfilter neergeslagen roetdeeltjes verbrand. Let hierbij altijd op de geldende snelheidsbeperkingen. Nadat het roetfilter met succes is gereinigd gaat het controlelampje uit. Als het filter niet met succes werd gereinigd, gaat het controlelampje niet uit en begint het controlelampje te knipperen. Op het informatiedisplay* verschijnt Diesel-particle Owner's manual (roetfilter gebruikers handleiding!). Hierna schakelt het motorregelapparaat het noodprogramma voor de motor in, waarin slechts een beperkt motorvermogen beschikbaar is. Na het uitschakelen en weer inschakelen van het contact gaat het controlelampje branden. Neem direct contact op met de Škoda-dealer. Als u het controlelampje dat weer gaat branden, en de hierbij behorende beschrijvingen en waarschuwingen negeert, kan dit leiden tot letsel of tot schade aan de auto. Pas uw snelheid altijd aan aan de weersomstandigheden, de staat van het wegdek en het terrein en aan de verkeerssituatie. De via het controlelampje kenbaar gemaakte adviezen mogen u er nooit toe verleiden de wetteljke regelingen in het wegverkeer te negeren. Voorzichtig! Zolang het controlelampje brandt, moet rekening worden gehouden met een hoger brandstofverbruik en onder bepaalde omstandigheden ook met het teruglopen van het motorvermogen. Meer informatie met betrekking tot het roetfilter bladzijde 145, Roetfilter* (dieselmotor). Gordelwaarschuwingslampje* Het controlelampje gaat na het inschakelen van het contact branden, om de bestuurder resp. de passagier eraan te herinneren de veiligheidsgordel om te doen. Het controlelampje gaat pas uit als de bestuurder resp. de passagier de veiligheidsgordel heeft omgedaan. Als de bestuurder, resp. de passagier de veiligheidsgordel niet draagt, klinkt bij snelheden boven de 20 km/h een permanente waarschuwingstoon terwijl gelijktijdig het controlelampje knippert. Als de bestuurder resp. de passagier de veiligheidsgordel binnen 90 seconden niet omdoen, wordt de waarschuwingstoon uitgeschakeld, en brandt het controlelampje continu. Bij een belasting van de rechtervoorstoel bijv. met een tas (om veiligheidsredenen adviseren wij dit niet te doen) wordt door het controlelampje aangegeven dat de veiligheidsgordel niet wordt gebruikt. Meer informatie met betrekking tot de veiligheidsgordels bladzijde 117, Waarom veiligheidsgordels?. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

36 34 Ontgrendelen en vergrendelen Ontgrendelen en vergrendelen Sleutel Omschrijving Houd de groef in de sleutel absoluut schoon omdat verontreinigingen (textielvezels, stof e.d.) de werking van de slotcilinders alsmede van het contactslot negatief kunnen beïnvloeden. Neem bij verlies van een sleutel contact op met een servicedealer die zorgt voor de levering van een reservesleutel. Batterij in de radiografische afstandsbediening vervangen Afb. 22 Sleutelset zonder afstandsbediening / sleutelset met afstandsbediening Met de auto worden twee sleutels meegeleverd. Volgens de uitrusting kan de auto met sleutels zonder radiografische afstandsbediening of met radiografische afstandsbediening* afb. 22 uitgerust zijn. Als u de auto verlaat - ook al is het maar voor even - haal dan in ieder geval de sleutel uit het contactslot. Dat geldt vooral als er kinderen in de auto achterblijven. De kinderen zouden anders de motor kunnen starten of elektrische systemen (bijv. elektrisch bediende ruiten) kunnen bedienen - kans op ongevallen! Haal de contactsleutel pas uit het contactslot als de auto tot stilstand is gekomen! Het stuurslot zou anders ongewild kunnen vergrendelen - kans op ongevallen! Voorzichtig! Elke sleutel bevat elektronische componenten, bescherm de sleutels dan ook tegen vocht en harde schokken. Afb. 23 Radiografische afstandsbediening - Deksel verwijderen / Batterij verwijderen Elke radiografische afstandsbediening heeft een batterij die onder het deksel AB is ondergebracht afb. 23. Als de batterij leeg is, knippert na het indrukken van een toets van de afstandsbediening de rode controlelamp A niet afb. 22. Vervang de batterij als volgt: Klap de sleutel uit. Druk het deksel op de plaatsen van de pijlen A1 er voorzichtig af. Verwijder de lege batterij uit de sleutel door de batterij naar beneden te drukken op de plaats van de pijl A2 afb. 23. Plaats de nieuwe batterij. Let erop dat het + teken op de batterij naar onderen moet wijzen. De juiste polariteit is op de afdekking van het batterijvak weergegeven.

37 Ontgrendelen en vergrendelen 35 Breng het deksel van het batterijvak op de sleutel aan en druk erop tot dit hoorbaar vastklikt. Milieu Verwijder de defecte accu milieuvriendelijk. Zorg voor de correcte polariteit bij het verplaatsen van de batterij. De vervangingsbatterij moet qua specificatie overeenkomen met de originele batterij. Als u na de vervanging van de batterij de auto niet met de afstandsbediening kunt openen of sluiten, moet het systeem worden gesynchroniseerd bladzijde 41. Elektronische Wegrijbeveiliging (wegrijblokkering) De elektronische wegrijbeveiliging voorkomt het gebruik van uw auto door onbevoegden. In de kop van de sleutel bevindt zich een elektronische chip. Met behulp hiervan wordt de wegrijbeveiliging gedeactiveerd als de sleutel in het contactslot wordt gestoken. Als u de contactsleutel uit het contactslot trekt, wordt de elektronische wegrijbeveiliging automatisch geactiveerd. Vergrendeling van binnenuit Alle gesloten autoportieren worden door het naar beneden drukken van de vergrendelingsknoppen van binnenuit vergrendeld. Als de vergrendelingsknoppen zijn ingedrukt, kunnen de portieren ook van buitenaf niet worden geopend. De autoportieren kunnen als volgt van binnenuit worden geopend: door aan de portierkruk te trekken wordt het portier ontgrendeld; Door nogmaals aan de portierkruk te trekken gaat het portier open. Het geopende bestuurdersportier kan niet met behulp van de vergrendelingsknop worden vergrendeld. Hierdoor wordt voorkomen dat de sleutel eventueel achter kan blijven in de afgesloten auto. De openstaande achterportieren en het voorportier kunnen door het indrukken van de vergrendelingsknop en door het dichtslaan van het portier worden vergrendeld. Let op de veiligheidsaanwijzingen in Omschrijving op bladzijde 36. Kinderslot Het kinderslot voorkomt dat de achterportieren van binnenuit kunnen worden geopend. Uw motor kan alleen maar met een passend gecodeerde originele Škoda-sleutel worden gestart. Vergrendeling / Ontgrendeling Voor auto's zonder centrale vergrendeling geldt: Vergrendeling van buitenaf Bij het ontgrendelen of vergrendelen gaat de vergrendelingsknop in het portier naar boven of naar beneden. Afb. 24 Kinderslot inschakelen: voor wagens met of zonder centrale vergrendeling De achterportieren zijn met een kinderslot uitgerust. Het kinderslot wordt met de autosleutel in- en uitgeschakeld. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

38 36 Ontgrendelen en vergrendelen Kinderslot inschakelen Bij wagens zonder centrale vergrendeling draait u de gleuf van de beveiliging bij het linkerportier naar links bladzijde 35, afb. 24, bij het rechterportier naar rechts. Bij wagens met centrale vergrendeling draait u de gleuf het slot bij het linkerportier naar rechts, bij het rechterportier naar links bladzijde 35, afb. 24. Kinderslot uitschakelen Bij wagens zonder centrale vergrendeling draait u de gleuf van het slot bij het linkerportier naar rechts, bij het rechterportier naar links. Bij wagens met centrale vergrendeling draait u de gleuf het slot bij het linkerportier naar links, bij het rechterportier naar rechts. Bij ingeschakeld kinderslot is de hendel voor het openen van de portieren van binnenuit geblokkeerd. U kunt het portier alleen maar van buitenaf openen. Centrale vergrendeling* Omschrijving Bij het openen en sluiten worden alle portieren tegelijkertijd door de centrale vergrendeling ontgrendeld of vergrendeld. De kofferbakklep wordt bij het openen ontgrendeld. Deze kan door het indrukken van de handgreep boven de kentekenplaat worden geopend. De centrale vergrendeling kan worden bediend: van buitenaf met de contactsleutel bladzijde 37; met behulp van de toetsen voor de centrale vergrendeling bladzijde 38; met de afstandsbediening bladzijde 40. Controlelampje in bestuurdersportier Na het afsluiten van de auto knippert het controlelampje gedurende 2 seconden snel, daarna langzamer. Als de auto is vergrendeld en de safe-beveiliging bladzijde 37 is niet actief, knippert het controlelampje in het bestuurdersportier ca. 2 seconden snel, gaat uit en begint na ca. 30 seconden langzaam te knipperen. Als het controlelampje eerst ca. 2 seconden lang snel knippert, daarna ca. 30 seconden gaat branden en aansluitend hierop langzaam gaat knipperen, is er in het systeem van de centrale vergrendeling of van de interieurbewaking* bladzijde 42 sprake van een storing. Neem contact op met een Škoda-dealer. Comfortschakeling ruiten Bij het ontgrendelen en vergrendelen van de auto kunnen de elektrisch bediende ruiten worden geopend en gesloten bladzijde 44. Individuele portieropening* Via deze functie is het mogelijk alleen het bestuurdersportier te ontgrendelen. De andere portieren blijven vergrendeld en worden pas ontgrendeld nadat nogmaals het commando (openen) is gegeven. Het openen van één portier kan alleen maar door het omcoderen van het regelapparaat van de centrale vergrendeling worden geactiveerd. Dit werk wordt door een dealer uitgevoerd die u hierover nadere informatie kan verstrekken. Automatische vergrendeling* Alle portieren en de kofferklep/achterklep worden vanaf een snelheid van ca. 15 km/h automatisch vergrendeld. Als de contactsleutel uit het contactslot wordt getrokken, wordt de auto automatisch weer ontgrendeld. Bovendien kan de wagen door de bestuurder door het indrukken van de toets van de centrale vergrendeling worden ontgrendeld. Indien gewenst kunt u de mogelijkheid tot het automatisch sluiten door een vakgarage laten activeren. De vergrendeling van de portieren voorkomt onwillekeurig openen in een ongewone situatie (ongeval). Vergrendelde portieren voorkomen ook het ongewenst binnendringen van buitenstaanders - bijv. op kruispunten. Ze maken het hulpverleners in geval van nood echter moeilijker in de auto te komen - levensgevaar!

39 Ontgrendelen en vergrendelen 37 Bij een aanrijding waarbij de airbag(s) is (zijn) geactiveerd worden de vergrendelde portieren automatisch ontgrendeld om hulpverleners toegang tot de auto te verschaffen. Bij het uitvallen van de centrale vergrendeling kunt u met de sleutel alleen het voorportier ont- en vergrendelen dat met een slotcilinder uitgerust is. De achterportieren kunnen handmatig worden bediend. Noodvergrendeling van het portier bladzijde 39. Noodontgrendeling van de kofferklep/achterklep bladzijde 40. Het alarmsysteem* wordt bij het vergrendelen van de auto ook als de safe-beveiliging is gedeactiveerd, geactiveerd. De interieurbewaking* wordt hierbij echter niet geactiveerd. Met behulp van de sleutel ontgrendelen Safe-beveiliging De centrale vergrendeling is met een Safe-beveiliging 5) uitgerust. Als u de auto van buitenaf afsluit, worden de portiersloten automatisch geblokkeerd. Het controlelampje in het bestuurdersportier knippert. Met de portierhandgreep kunnen de portieren noch van buitenaf, noch van binnenuit worden geopend. Daardoor wordt het openbreken van de auto bemoeilijkt. De safe-beveiliging kunt u door dubbele vergrendeling binnen 5 seconden buiten werking stellen. Als de auto weer wordt is ont- en vergrendeld, is de Safe-beveiliging weer in werking. Als de auto is vergrendeld en de Safe-beveiliging is uitgeschakeld, kunt u de auto van binnen uit openen door aan de portierkruk te trekken. De deur wordt gelijktijdig ontgrendeld en geopend. Bij van buitenaf vergrendelde auto's met geactiveerde Safe-beveiliging mogen geen personen en huisdieren in de auto achterblijven omdat van binnenuit noch de portieren, noch de ruiten kunnen worden geopend. De vergrendelde portieren maken het hulpverleners in geval van nood moeilijk in de auto te komen - levensgevaar! 5) Deze uitrusting geldt alleen voor enkele landen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Afb. 25 Sleutelbewegingen voor het ont- en vergrendelen Draai de sleutel in de slotcilinder van het bestuurdersportier in rijrichting (ontgrendelingsstand) A afb. 25. Trek aan de portierhandgreep en open voorzichtig het portier. Alle portieren worden ontgrendeld. De kofferklep/achterklep wordt ontgrendeld. De via het portiercontact geschakelde binnenverlichting gaat branden. De Safe-beveiliging wordt gedeactiveerd. De ruiten gaan open zolang de sleutel in de ontgrendelingsstand wordt gehouden. Het controlelampje in het bestuurdersportier stopt met knipperen als de auto niet met een alarmsysteem* bladzijde 42 is uitgerust. Als de auto is voorzien van een alarmsysteem* moet na het ontgrendelen van het portier binnen 15 seconden de sleutel in het contactslot worden gestoken en moet het Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

40 38 Ontgrendelen en vergrendelen contact worden ingeschakeld om het alarmsysteem te deactiveren. Als binnen 15 seconden het contact niet wordt ingeschakeld, wordt alarm gegeven. Met behulp van de sleutel vergrendelen Draai de sleutel in de slotcilinder van het bestuurdersportier tegen de rijrichting in (vergrendelingsstand) AB bladzijde 37, afb. 25. Alle portieren en de kofferklep/achterklep worden vergrendeld. De via het portierslot geschakelde binnenverlichting gaat uit. De ruiten en het elektrische schuif-/kanteldak* worden gesloten zolang de sleutel in de vergrendelingsstand wordt gehouden. De Safe-beveiliging wordt direct geactiveerd. Het controlelampje in het bestuurdersportier begint te knipperen. De geopende voorportieren kunnen niet worden vergrendeld. Deze moet na het sluiten apart worden vergrendeld. Schakelaar centrale vergrendeling* Afb. 26 Schakelaar voor centrale vergrendeling Alle portieren en de kofferklep/achterklep vergrendelen Druk op de schakelaar A1 afb. 26. Het symbool in de toets gaat branden. Alle portieren en de kofferklep/achterklep ontgrendelen Druk op de schakelaar A2 afb. 26. In de schakelaar gaat het symbool uit. Als uw auto met behulp van de schakelaar A1 werd vergrendeld, geldt het volgende: Het openen van de portieren en de kofferklep/achterklep van buitenaf is niet mogelijk (vanuit veiligheidsoogpunt, bijv. bij het stoppen bij een kruispunt). U kunt de portieren van binnenuit afzonderlijk ontgrendelen en weer openen door aan de portierhendel te trekken. Zolang een deur geopend is, kan de auto niet worden afgesloten om te voorkomen dat de sleutel per ongeluk in de auto blijft liggen. Bij een aanrijding waarbij de airbag(s) is (zijn) geactiveerd worden de van binnenuit vergrendelde portieren automatisch ontgrendeld om hulpverleners toegang tot de auto te verschaffen. De centrale vergrendeling werkt ook bij uitgeschakeld contact. Alle portieren en de kofferklep/achterklep worden vergrendeld. Omdat echter bij vergrendelde portieren in geval van nood hulpverlening van buitenaf wordt bemoeilijkt, moeten kinderen nooit zonder toezicht in de auto worden achtergelaten. Vergrendelde portieren maken het hulpverleners in geval van nood moeilijk in de auto te komen - levensgevaar! Als de safe-beveiliging is geactiveerd, werken de portierkruk en de schakelaar voor de centrale vergrendeling niet. Als de auto niet van buitenaf werd vergrendeld, kunt u deze met behulp van de tuimelschakelaar ook bij uitgeschakeld contact ontgrendelen en vergrendelen.

41 Ontgrendelen en vergrendelen 39 Noodvergrendeling van de portieren Kofferklep* Afb. 27 Noodvergrendeling van het portier Aan de voorzijde van de portieren die niet zijn uitgevoerd met een slotcilinder, bevindt zich een noodslotmechanisme; dit is pas zichtbaar na het openen van het portier. Vergrendeling Bouw de afdekplaat A uit afb. 27. Plaats de sleutel in gleuf AB en draai deze in pijlrichting tot de horizontale stand (bij de rechterportieren in spiegelbeeld). Breng de afdekplaat weer aan. Na het sluiten van het portier kan dit van buitenaf niet meer worden geopend. Bij een niet-ingeschakeld kinderslot is het mogelijk het portier van binnenuit te openen door eenmaal de portierkruk uit te trekken. Bij geactiveerd kinderslot (alleen bij de achterportieren) is het noodzakelijk, eerst eenmaal aan de binnenste greep te trekken en vervolgens het portier van buitenaf te openen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Afb. 28 Kofferklep ontgrendelen / greep van de kofferklep Openen van de kofferklep/achterklep Bij auto's zonder centrale vergrendeling wordt de kofferklep door het indrukken van de toets in het bestuurdersportier afb. 28 ontgrendeld. Bij auto's met centrale vergrendeling wordt de kofferklep door het indrukken van de handgreep boven de kentekenplaat ontgrendeld. Sluiten van de kofferklep/achterklep Trek de kofferklep/achterklep naar beneden en sluit deze met een lichte zwaaiende beweging. Op de bekleding aan de binnenzijde van de kofferklep/achterklep bevindt zich een handgreep, die het sluiten vergemakkelijkt. Controleer of de kofferklep/achterklep na het sluiten goed is vergrendeld. Anders zou de kofferklep/achterklep tijdens het rijden plotseling open kunnen gaan, ook als het slot van de kofferklep/achterklep werd vergrendeld - kans op ongelukken! Rijd nooit met een openstaande of net niet gesloten kofferklep omdat er dan uitlaatgassen in het interieur kunnen komen - kans op vergiftiging! Druk bij het sluiten van de kofferklep/achterklep niet op de achterruit, deze zou kunnen springen - kans op letsel! Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

42 40 Ontgrendelen en vergrendelen Na het sluiten van de kofferklep wordt deze binnen 1 seconden automatisch vergrendeld en wordt het alarmsysteem* geactiveerd. Dit geldt alleen, als de auto voor het sluiten van de kofferklep/achterklep was vergrendeld. Bij het wegrijden, vanaf een snelheid boven 6 km/h, wordt de werking van de handgreep boven de kentekenplaat gedeactiveerd. Na het stoppen en openen van een portier wordt de werking van de handgreep weer geactiveerd. Noodontgrendeling van de kofferklep/achterklep de auto ont- en vergrendelen; de kofferklep/achterklep ontgrendelen. De zender met de batterij is in de handgreep van de hoofdssleutel ondergebracht. De ontvanger bevindt zich in het interieur van de auto. Het bereik van de afstandsbediening bedraagt ca. 10 m. Bij zwakke batterijen is het bereik van de afstandsbediening minder. De hoofdsleutel heeft een uitklapbare sleutelbaard die wordt gebruikt voor het handmatig ont- en vergrendelen van de auto en voor het starten van de motor. Bij de vervanging van een verloren sleutel en na reparatie of vervanging van de ontvanger moet het systeem door een servicedealer worden aangepast. Pas dan kunt u de afstandsbediening weer gebruiken. Afb. 29 Noodontgrendeling van de kofferklep/achterklep In geval van een storing aan de centrale vergrendeling kunt u de kofferklep/achterklep als volgt openen: Klap een van de buitenste achterbankzittingen naar voren. Druk met behulp van een smal voorwerp, bijv. een schroevendraaier, de bedieningsarm tot aan de aanslag in de richting van de pijl; de kofferklep wordt ontgrendeld. Open van buitenaf de kofferklep. Bij ingeschakeld contact wordt de afstandsbediening automatisch gedeactiveerd. De werking van de afstandsbediening kan door beïnvloeding door zenders die zich in de buurt van de auto bevinden en op dezelfde frequentie werken (bijv. gsm's, tvzenders) tijdelijk worden gestoord. Als de centrale vergrendeling of het alarmsysteem pas op een afstand van minder dan 3 m op de afstandsbediening reageert, moet de batterij worden vervangen, wij adviseren de batterij door een Škoda-dealer te laten vervangen. Wij adviseren de accu door een Škoda-dealer/servicedealer te laten vervangen. Wagen ont- en vergrendelen Afstandsbediening* Omschrijving Met de afstandsbediening kunt u: Afb. 30 Radiografische afstandsbediening

43 Ontgrendelen en vergrendelen 41 Auto ontgrendelen Druk ongeveer 1 seconde lang op knop A1 bladzijde 40, afb. 30. Auto vergrendelen Druk ongeveer 1 seconde lang op knop A3. Safe-beveiliging deactiveren Druk tweemaal binnen 2 seconden de schakelaar A3 in. Zie voor meer informatie bladzijde 36. Ontgrendeling van de kofferklep/achterklep Druk de schakelaar A2 ongeveer 1 seconde lang bladzijde 40, afb. 30 in. Uitklappen van de sleutel Toets A4 indrukken. Inklappen van de sleutel Druk op toets A4 en klap de sleutelbaard in het huis. Het ontgrendelen van de auto wordt aangegeven door het tweemaal knipperen van de knipperlichten. Als u de auto met de knop A1 ontgrendelt en daarna binnen 30 seconden geen portier of kofferklep/achterklep opent, wordt de auto automatisch weer vergrendeld. Hierdoor wordt ongewild ontgrendelen van de auto voorkomen. Gedurende deze 30 seconden is de Safe-beveiliging met het alarmsysteem* echter buiten werking. Bij het openen en sluiten van de auto wordt de via de portiercontacten geschakelde binnenverlichting automatisch in- of uitgeschakeld. Bij van buitenaf vergrendelde auto's met geactiveerde Safe-beveiliging mogen geen personen in de auto achterblijven omdat van binnenuit noch de portieren, noch de ruiten kunnen worden geopend. De vergrendelde portieren maken het hulpverleners in geval van nood moeilijk in de auto te komen - levensgevaar! Gebruik de radiografische afstandsbediening alleen als de portieren en de kofferklep/achterklep zijn gesloten en als u visueel contact met de auto hebt. In de auto mag u de vergrendelingstoets van de hoofdsleutel niet indrukken als de sleutel nog niet in het contactslot is gestoken, zodat de auto niet onbedoeld wordt gesloten en daarbij het alarmsysteem* wordt ingeschakeld. Als dat toch mocht gebeuren, druk dan op de ontgrendelingsknop van de hoofdsleutel. Synchronisati van de afstandsbediening Als de auto bij het indrukken van de afstandsbediening niet wordt ontgrendeld, is het mogelijk dat de code van de sleutel en het regelapparaat in de auto niet meer met elkaar corresponderen. Dat kan gebeuren als de knoppen van de afstandsbediening meerdere malen buiten het werkingsgebied van het systeem zijn ingedrukt of als de batterij van de afstandsbediening is vervangen. Daarom is het nodig de code als volgt te synchroniseren: Druk een willekeurige toets op de afstandsbediening in; na het indrukken van de toets moet het portier binnen 1 minuut met behulp van de sleutel worden ontgrendeld. Aanduiding van de vergrendeling De correcte vergrendeling van de auto wordt door het eenmaal knipperen van de knipperlichten aangegeven. Indien u de auto door het indrukken van toets A3 vergrendelt en enkele portieren of de achterklep niet gesloten zijn, knipperen de knipperlichten pas na het sluiten. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

44 42 Ontgrendelen en vergrendelen Alarmsysteem* Omschrijving Het alarmsysteem verhoogt de beveiliging tegen inbraakpogingen in de auto. Het systeem activeert akoestische en optische waarschuwingssignalen bij een poging tot inbraak in de auto. Hoe wordt het alarmsysteem geactiveerd? De alarminstallatie wordt door het vergrendelen van de ontgrendelde wagen met de sleutel aan het bestuurdersportier of met de radiografische afstandsbediening automatisch geactiveerd. Het systeem is na circa 30 seconden na het vergrendelen geactiveerd. Hoe wordt het alarmsysteem gedeactiveerd? Het alarmsysteem wordt bij het openen van de auto alleen bij gebruikmaking van de radiografische afstandsbediening gedeactiveerd. Als de auto niet binnen 30 seconden na het versturen van het radiosignaal wordt geopend, wordt het alarmsysteem weer geactiveerd. Als de auto met behulp van een sleutel via het bestuurdersportier wordt ontgrendeld, moet binnen 15 seconden na het ontgrendelen van het portier de sleutel in het contactslot worden gestoken en het contact worden ingeschakeld om het alarmsysteem te deactiveren. Als binnen 15 seconden het contact niet wordt ingeschakeld, wordt alarm gegeven. Wanneer wordt alarm gegeven? Van de vergrendelde auto worden de volgende onderdelen bewaakt: Motorkap; Achterklep; Portieren; Contactslot; Interieur* bladzijde 42; Hellingshoek van de auto* bladzijde 42; Afkoppelen van de aangekoppelde aanhanger; Spanningsval in het boordnet. Als één van de beide accupolen bij een ingeschakeld alarmsysteem wordt losgekoppeld, wordt het alarm onmiddellijk geactiveerd. Hoe wordt het alarm uitgeschakeld? Het alarm wordt uitgeschakeld als u de auto met behulp van de radiografische afstandsbediening opent of als u het contact inschakelt. De levensduur van de batterij voor de alarmclaxon bedraagt 5 jaar. Verdere informatie bekomt u bij een vakbedrijf. Om er zeker van te zijn dat het alarmsysteem helemaal goed werkt, moet u voor het verlaten van de auto controleren of alle portieren, alle ruiten en het elektrische schuif-/kanteldak* zijn afgesloten. De codering van de radiografische afstandsbediening en de ontvanger sluit het gebruik van de radiografische afstandsbediening van andere auto's uit. Interieurbewaking* en afsleepbewaking* De interieurbewaking en de afsleepbewaking registreren bewegingen in het interieur en schakelen aan de hand hiervan het alarm in. Afb. 31 Knop van de interieurbewaking Met behulp van de schakelaar worden de interieurbewaking en de afsleepbewaking geactiveerd. Schakel de interieurbewaking en de wegsleepbeveiliging uit, als de mogelijkheid aanwezig is dat het alarm wordt geactiveerd door bewegingen (bijv. door kinderen of huisdieren) in het interieur of als de auto wordt vervoerd (bijv. per spoor of boot) of moet worden weggesleept.

45 Ontgrendelen en vergrendelen 43 Interieurbewaking en wegsleepbewaking uitschakelen Contact uitschakelen. Bestuurdersportier openen. Druk de toets op het bestuurdersportier in bladzijde 42, afb. 31. Vergrendel de auto binnen 30 seconden. De interieurbewaking en de afsleepbewaking zijn uitgeschakeld. De interieurbewaking en de wegsleepbewaking worden automatisch weer ingeschakeld bij de eerstvolgende vergrendeling van de auto. U kunt de interieurbewaking en de afsleepbewaking ook uitschakelen door de safe-beveiliging te deactiveren bladzijde 37. Als de contactsleutel uit het slot wordt getrokken, of als er een portier wordt geopend, licht het symbool in de schakelaar rood op. Het gaan branden van het symbool in de schakelaar geeft niet aan dat de interieurbewaking en de afsleepbewaking zijn ingeschakeld. Elektrische ruitbediening* Toetsen voor elektrische ruitbediening Afb. 32 Schakelaars in voorpassagiersportier/schakelaars en in de achterportieren De elektrische ruitbediening werkt alleen bij ingeschakeld contact. Ruiten openen De ruit wordt geopend door licht op de betreffende toets in het portier te drukken. Als de toets wordt losgelaten, wordt de procedure gestopt. Bovendien kunt u de ruit door het indrukken van de schakelaar tot aan de aanslag automatisch openen (volledig open). Bij het opnieuw indrukken van de toets blijft de ruit direct staan. Ruiten sluiten De ruit wordt gesloten door voorzichtig aan de betreffende toets te trekken. Als de toets wordt losgelaten, wordt de sluitprocedure gestopt. Bovendien kunnen de ruiten door de schakelaar tot aan de aanslag uit te trekken automatisch worden gesloten (volledig sluiten). Bij het opnieuw uittrekken van de toets blijft de ruit direct staan. De schakelaars voor de elektrisch bediende ruiten bevinden zich in de armleuning van het bestuurdersportier afb. 32, het rechtervoorportier en in de achterportieren*. Schakelaars van de elektrisch bediende ruiten in de armleuning van de bestuurder A schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het bestuurdersportier AB schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het rechter voorportier AC schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het rechter achterportier* AD schakelaar voor de elektrisch bediende ruit in het linker achterportier* AS veiligheidsschakelaar* Veiligheidsschakelaar* Door het indrukken van de veiligheidsschakelaar AS afb. 32 kunnen de toetsen voor de ruitbediening in de achterportieren worden uitgeschakeld. Door het opnieuw indrukken van de veiligheidsschakelaar AS zullen de toetsen voor de ruitbediening in de achterportieren weer functioneren. Zodra de schakelaar in de achterportieren buiten werking zijn gesteld brandt het controlelampje in de veiligheidsschakelaar AS. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

46 44 Ontgrendelen en vergrendelen Als u de auto van buitenaf afsluit, mogen er geen personen in de auto achterblijven omdat de ruiten in geval van nood niet van binnenuit kunnen worden geopend. Het systeem is met een krachtbegrenzing uitgerust bladzijde 44. Als tijdens het sluiten weerstand wordt ondervonden, wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit enkele centimeters terug. Sluit daarna de ruit voorzichtig! U zou anders letsel kunnen toebrengen! Voorzichtig! Als er op de achterbankzittingen kinderen worden vervoerd, wordt geadviseerd de elektrische ruitbediening van de achterportieren uit te schakelen (veiligheidsschakelaar) AS bladzijde 43, afb. 32. Als de ruiten zijn bevroren, moet eerst het ijs bladzijde 161 worden verwijderd en mag pas daarna de ruitbediening worden ingeschakeld, omdat anders het ruitbedieningsmechanisme kan worden beschadigd. Als u het contact uitschakelt, kunt u de ruiten nog ca. 10 minuten openen of sluiten. Als u het bestuurders- of voorpassagiersportier opent, is de elektrische ruitbediening helemaal uitgeschakeld. Maak voor het ventileren van het interieur tijdens het rijden bij voorkeur gebruik van het geïnstalleerde verwarmings-, airconditioning- en ventilatiesysteem. Als de ruiten openstaan, kan er stof of ander vuil in de auto terechtkomen en bovendien kan bij bepaalde snelheden windgeruis ontstaan. Krachtbegrenzing van de ruitbediening De elektrisch bediende ruiten zijn uitgevoerd met een krachtbegrenzing. Deze reduceert het gevaar van inknelletsel bij het sluiten van de ruit. Als tijdens het sluiten weerstand wordt ondervonden, wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit enkele centimeters terug. Als het obstakel het sluiten van de ruiten gedurende 10 seconden verhindert wordt de sluitprocedure opnieuw onderbroken en zal de ruit enkele centimeters openen. Als u probeert de ruit te sluiten binnen 10 seconden nadat deze voor de tweede keer weer enkele centimeters is opengegaan terwijl het obstakel nog niet is weggenomen, wordt de sluitprocedure slechts gestopt. Binnen deze tijd is het niet mogelijk de ruit automatisch te sluiten. De krachtbegrenzing is nog ingeschakeld. De krachtbegrenzing is pas uitgeschakeld als binnen de volgende 10 seconden wordt geprobeerd de ruit te sluiten - de ruit wordt nu met volle kracht gesloten! Als u langer dan 10 seconden wacht, is de krachtbegrenzing weer ingeschakeld. Sluit de ruiten voorzichtig! Als dit wordt nagelaten kan letsel door inklemmen worden veroorzaakt! Ruitcomfortbediening Bij het ont- en vergrendelen van de auto kunnen de elektrisch bediende ruiten als volgt worden geopend en gesloten (schuif-/kanteldak alleen sluiten). Ruiten openen Houd de sleutel in de slotcilinder van het bestuurdersportier in de ontgrendelingsstand of druk de ontgrendelingstoets van de radiografische afstandsbediening in totdat alle ruiten zijn geopend. Ruiten sluiten Houd de sleutel in de slotcilinder van het bestuurdersportier in de vergrendelingsstand of druk de vergrendelingstoets van de radiografische afstandsbediening in totdat alle ruiten zijn gesloten. Door het loslaten van de sleutel of de vergrendelingstoets kunt u het openen of sluiten van de ruiten direct onderbreken.

47 Ontgrendelen en vergrendelen 45 Het systeem is met een krachtbegrenzing uitgerust bladzijde 44. Als tijdens het sluiten weerstand wordt ondervonden, wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit enkele centimeters terug. Sluit daarna de ruit voorzichtig! Als dit wordt nagelaten kan letsel door inklemmen worden veroorzaakt! Functiestoringen Elektrische ruitbediening uitgevallen Als de autoaccu is losgekoppeld en daarna weer is aangesloten, werkt de elektrische ruitbediening niet. Het systeem moet worden geactiveerd De functie moet als volgt weer worden geactiveerd: Contact inschakelen. Druk de corresponderende schakelaar boven en houd deze zo lang ingedrukt tot de ruit gesloten is. Laat de schakelaar los. Druk opnieuw de corresponderende schakelaar boven en houd deze ca. 3 seconden lang ingedrukt. Rijden in de winter In de winter kan ijsvorming bij het sluiten van de ruiten tot een extra weerstand leiden waardoor de ruit bij het sluiten stopt en enkele centimeters terugkeert. Om de ruit toch te kunnen sluiten, moet als volgt te werk worden gegaan: Contact inschakelen. Druk de overeenkomstige schakelaar boven en houd deze ingedrukt tot de ruit gesloten is. Als de ruit terug opent/stopt, herhaal dan de cyclus (de krachtbegrenzing moet buiten werking worden gsteld bladzijde 44 - het venster sluit nu met volle kracht!) Het systeem is met een krachtbegrenzing uitgerust bladzijde 44. Als tijdens het sluiten weerstand wordt ondervonden, wordt het sluiten onderbroken en Vervolg gaat de ruit enkele centimeters terug. Sluit daarna de ruit voorzichtig! Als dit wordt nagelaten kan letsel door inklemmen worden veroorzaakt! Elektrisch schuif-/kanteldak* Omschrijving Het schuif-/kanteldak wordt met de draaischakelaar afb. 33 bediend en werkt alleen bij ingeschakeld contact. De draaischakelaar heeft meerdere standen. Als het contact wordt uitgeschakeld, kan het schuif-/kanteldak nog ca. 10 minuten daarna worden geopend, gesloten of gekanteld. Zodra u echter één van de voorportieren opent, kan het schuif-/kanteldak niet meer worden bediend. Als de accu werd losgemaakt en weer werd aangesloten, kan het gebeuren dat het schuif-/kanteldak niet geheel sluit. Daarom moet u de draaischakelaar, in de schakelaarstand A plaatsen en ca. 10 seconden lang aan de voorzijde indrukken. Openschuiven en opklappen Comfortstand Draai de schakelaar in stand AC afb. 33. Afb. 33 Draaischakelaar voor het elektrische schuif-/kanteldak Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

48 46 Ontgrendelen en vergrendelen Compleet openschuiven Draai de schakelaar in stand AB en houd hem in deze stand (veerstand). Kantelen Draai de schakelaar in stand AD. Als het schuif-/kanteldak zich in de comfortpositie bevindt, vermindert de intensiteit van het windgeluid sterk. Het zonnescherm wordt bij het openschuiven van het dak automatisch meegeopend. U kunt de jaloezie bij gesloten schuif-/kanteldak met de hand open- of dichtschuiven. Voorzichtig! Tijdens de winter moet vóór het openen eventueel ijs en sneeuw rondom het schuif- /kanteldak worden verwijderd om beschadiging van het openingsmechanisme en de afdichting te voorkomen. Houd de sleutel in de slotcilinder van het bestuurdersportier in de vergrendelingsstand of druk de vergrendelingstoets van de radiografische afstandsbediening in totdat het schuif-/kanteldak is gesloten. Als de sleutel of de vergrendelingstoets wordt losgelaten, wordt het sluiten onderbroken. De krachtbegrenzer werkt ook bij het comfortsluiten. Noodbediening Sluiten Schuif-/kanteldak dichtschuiven/sluiten Draai de schakelaar in stand A bladzijde 45, afb. 33. Veiligheidssluiting Het schuif-/kanteldak is van een krachtbegrenzer voorzien. Het schuif-/kanteldak stopt en komt enkele centimeters terug als dit door een weerstand (bijv. ijs) niet kan worden gesloten. Het schuif-/kanteldak kan zonder krachtbegrenzer geheel worden gesloten door de schakelaar aan de voorzijde in stand A bladzijde 45, afb. 33 in te drukken totdat het schuif-/kanteldak geheel is gesloten. Sluit het schuif-/kanteldak voorzichtig - kans op letsel! Centrale bediening comfort Een open schuif-/kanteldak kunt u ook van buitenaf sluiten. Afb. 34 Uitsnede van het dakraam: Aanzetpunten van de schroevendraaier / Opening voor het aanzetten van de sleutel Bij een defect systeem kan het schuif-/kanteldak met de hand worden gesloten, resp. worden geopend. Plaats een schroevendraaier met het platte blad voorzichtig tegen de achterzijde van de afdekkap voor de elektrische aandrijving, op de plaatsen van de pijlen A1 afb. 34 links. Trek de afdekkap naar beneden toe los. Steek een inbussleutel Gr. 4 tot aan de aanslag in de opening op de plaats van de pijl A2 en sluit resp. open het schuif-/kanteldak afb. 34 rechts. Druk de afdekkap weer op zijn plaats door eerst de plastic nokjes op hun plaats aan te brengen en daarna de afdekkap naar boven te drukken. Laat de storing door een dealer opheffen.

49 Ontgrendelen en vergrendelen 47 Na elke noodbediening (met behulp van de inbussleutel) moet het schuif-/kanteldak in de basisstand worden gebracht. Daarom moet de draaischakelaar, in de schakelaarstand A worden gedraaid bladzijde 45, afb. 33 en circa 10 seconden lang aan de voorzijde worden ingedrukt. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

50 48 Verlichting en zicht Verlichting en zicht Verlichting Verlichting in- en uitschakelen Rijd nooit met stadslicht - kans op ongevallen! Het stadslicht is niet fel genoeg om het wegdek voor u voldoende te verlichten of om door andere verkeersdeelnemers te worden gezien. Schakel daarom in het donker of bij slecht zicht altijd het dimlicht in. Afb. 35 Dashboard: Lichtschakelaar / Zekeringenvak: Schakelaar voor dagrijlicht Stadslicht inschakelen Draai de schakelaar afb. 35 in stand. Dim- en groot licht inschakelen Draai de schakelaar in stand. Druk de grootlichthendel voor het inschakelen van het grote licht naar voren bladzijde 52, afb. 39. Verlichting uitschakelen (uitgezonderd dagrijverlichting) Draai de lichtschakelaar in stand O. Tijdens het starten van de motor wordt het stads- en dimlicht automatisch uitgeschakeld. Bij auto's met stuur rechts* wijkt de plaatsing van de schakelaars voor een deel af van de in afb. 35 weergegeven plaatsing. De symbolen die de schakelaarstanden aangeven, zijn evenwel gelijk. Als u bij ingeschakelde verlichting de contactsleutel uit het contactslot trekt en het bestuurdersportier opent, klinkt er een akoestisch signaal. Met het sluiten van het bestuurdersportier (contact uit) wordt het akoestische waarschuwingssignaal via het portiercontact uitgeschakeld. De auto kan met ingeschakeld stadslicht worden geparkeerd. Als u de auto langere tijd parkeert, adviseren wij de verlichting uit te schakelen of alleen het parkeerlicht aan te laten. Het inschakelen van de hiervoor beschreven verlichting mag alleen in overeenstemming met de wettelijke voorschriften plaatsvinden. Bij koel of vochtig weer kunnen de koplampen aan de binnenzijde tijdelijk beslaan. Verantwoordelijk hiervoor is het temperatuurverschil tussen de binnen- en buitenzijde van het koplampglas. Bij een ingeschakeld dimlicht is het strooiglas na korte tijd al vrij van condensaanslag. Het is nog mogelijk dat het koplampglas bij de randen nog is beslagen. Dit geldt ook voor het achterlicht en de richtingaanwijzers. De condensvorming heeft geen invloed op de levensduur van de verlichting. DAY LIGHT (dagrijlicht)* In sommige landen vereist de nationale wet,dat de auto's met de functie dagrijricht zijn uitgerust.

51 Verlichting en zicht 49 Dagrijlicht inschakelen* Neem de afdekkap van de zekeringenhouder, links op het dashboard, weg bladzijde 199. Draai de lichtschakelaar in stand O bladzijde 48, afb. 35. Schakel de schakelaar voor de dagrijverlichting in bladzijde 48, afb. 35. Dagrijlicht uitschakelen* Schakel de schakelaar voor de dagrijverlichting uit bladzijde 48, afb. 35. Schakel de verlichtingsschakelaar in de stand stadslicht of dimlicht bladzijde 48, afb. 35. Bij ingeschakeld dagrijlicht schijnt samen met het standlicht ook het dimlicht (geldt voor wagens zonder mistlampen). Bij auto's die met lampen voor dagrijverlichting 6) in de mistlampen* zijn uitgevoerd, schijnt het stadslicht niet als de dagrijverlichting is 7) ingeschakeld. Haloogeen-projectorkoplamp met bochtverlichtingsfunctie* De halogeen-projectorkoplamp met bochtverlichting stellen zich, volgens de rijsnelheid en de stuurinslag, voor een beter bochtverlichting in de optimale positie. Als de controlelamp tijdens de rit of na het inschakelen van het contact brandt, wordt een fout gesignaleerd. Als een fout in de halogeen-projectorkoplamp met bochtverlichting aanwezig is, brandt in het instrumentenpaneel de controlelamp. De halogeen-projectorkoplampen met bochtverlichting worden automatisch in een noodstand geklapt, die een eventuele verblinding van het tegemoet komende verkeer voorkomt. Hiermee wordt ook de lengte van de verlichte rijbaan ingekort. Rijd dan ook voorzichtig en neem zo snel mogelijk contact op met een Škodadealer. 6) Geldt voor Scout auto's. 7) Geldt slechts voor enkele landen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Toeristisch licht* Halogeen-projectorkoplamp met bochtverlichting Deze modus maakt het mogelijk, in landen met tegenovergesteld verkeerssysteem, links/rechts, te rijden zonder het tegemoetkomende verkeer te verblinden. Bij actieve modus touristisch licht is het draaien van de koplampen gedeactiveerd. Toeristisch licht activeren Voor de activering van het toeristisch licht moeten de volgende voorwaarden voldaan zijn: Uitgeschakeld contact, uitgeschakeld licht (lichtschakelaar in stand O), draairegelaar voor lichtbundelhoogteverstelling in de stand 0, geen versnelling ingeschakeld resp. keuzehendel in de stand N (automatische schakelbak), uitgeschakeld toeristisch licht. Contact inschakelen. Tot 10 seconden na het inschakelen van het contact: Draai de schakelaar in stand bladzijde 48. Schakel de achteruitschakeling in (schakelbak) resp. stel de keuzehendel in de positie R (automatiche versnellingsbak). Draai de draairegelaar voor de luchtbundelhoogteverstelling uit de stand 0 in de stand 3 bladzijde 51. Toeristisch licht uitschakelen Voor de deactivering van het toeristisch licht moeten de volgende voorwaarden voldaan zijn: Uitgeschakeld contact, uitgeschakeld licht (lichtschakelaar in stand O), draairegelaar voor lichtbundelhoogteverstelling in de stand 3, geen versnelling ingeschakeld resp. keuzehendel in de stand N (automatische schakelbak), uitgeschakeld toeristisch licht. Contact inschakelen. Tot 10 seconden na het inschakelen van het contact: Draai de schakelaar in stand bladzijde 48. Schakel de achteruitschakeling in (schakelbak) resp. stel de keuzehendel in de positie R (automatiche versnellingsbak). Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

52 50 Verlichting en zicht Draai de draairegelaar voor de luchtbundelhoogteverstelling uit de stand 3 in de stand 0 bladzijde 51. De aanpassing van de halogeen-projectorkoplampen voert u als volgt uit bladzijde 152. Mistlampen* de auto staat stil en de motor loopt of het beweegt met een snelheid van max. 40 km/h; het dagrijlicht is niet ingeschakeld; ingeschakeld dimlicht. Een fout in het systeem van de mistlampen met de functie CORNER wordt door het oplichten of knipperen van het controlelampje gesignaliseerd. Als de mistlampen zijn ingeschakeld, is de functie van de lampen CORNER niet actief. Mistachterlicht Inschakelen van de mistlampen Draai eerst de lichtschakelaar in de stand of afb. 36. Afb. 36 Dashboard: Lichtschakelaar: Trek de lichtschakelaar tot de eerste vergrendelstand A1 naar buiten. Bij ingeschakelde mistlampen brandt op het instrumentenpaneel het controlelampje bladzijde 25. Mistlicht met de functie CORNER * De mistlichten met de functie CORNER zijn voor de betere verlichting van de plaatsen in de nabijheid van de auto gedurende het afbuigen, parkeren enz. bestemd. De mistlichten met de functie CORNER worden na het kantelwiel, resp. na het inschakelen van het knipperlicht 8) onder volbrenging van de volgende bedieningen geregeld: Mistachterlichten inschakelen Draai eerst de lichtschakelaar in de stand of afb. 36. Trek de schakelaar in stand A2. Gelijktijdig branden ook de mistlampen*. Als de auto niet is uitgevoerd met mistlampen* wordt het mistachterlicht ingeschakeld zodra de lichtschakelaar in de stand wordt gedraaid en direct in de stand A2 wordt uitgetrokken. Deze schakelaar kent geen twee, maar slechts een stand. Bij ingeschakelde mistlampen brandt op het instrumentenpaneel het controlelampje bladzijde 25. Als de auto is uitgerust met een originele Škoda-trekhaak en er met een aanhangwagen met ingeschakeld mistachterlicht wordt gereden, brandt alleen het mistachterlicht van de aanhangwagen. Voorzichtig! U mag het mistachterlicht alleen maar bij slecht zicht inschakelen zodat het achteropkomende verkeer niet wordt verblind (neem de betreffende wettelijke bepalingen in acht). 8) Bij een conflict van de beide inschakelvarianten, b.v. wanneer het stuurwiel naar links gedraaid is en het rechtse knipperlicht ingeschakeld is, heeft het knipperlicht de hogere prioriteit.

53 Verlichting en zicht 51 Lichtbundelhoogteverstelling van de koplampen Bij ingeschakeld dimlicht kunt u het bereik van de lichtbundel van de koplampen aan de belasting van de auto aanpassen. Schakelaar voor alarmlichten Afb. 38 Dashboard: Schakelaar gelijktijdige noodknipperlichten Afb. 37 Dashboard: Lichtbundelhoogteverstelling Verdraai de draaiknop afb. 37 zo lang dat het dimlicht zo is ingesteld dat de andere verkeersdeelnemers niet worden verblind. Instelstanden De standen komen ongeveer overeen met de volgende beladingstoestand: A- auto voorin bezet, bagageruimte leeg. A1 auto volledig bezet, bagageruimte leeg. A2 auto volledig bezet, bagageruimte beladen. A3 bestuurdersstoel bezet, bagageruimte beladen. Voorzichtig! Stel de lichtbundelhoogteverstelling zodanig in dat het tegemoetkomende verkeer niet wordt verblind. Druk de schakelaar afb. 38 in om de alarmlichten in- of uit te schakelen. Bij ingeschakelde alarmlichten knipperen alle knipperlichten van de auto gelijktijdig. Het controlelampje voor de knipperlichten en het controlelampje in de schakelaar knipperen eveneens. Het alarmsysteem kunt u ook bij uitgeschakeld contact inschakelen. Bij een ongeval waarbij een airbag wordt geactiveerd worden de alarmlichten automatisch ingeschakeld. Let bij het gebruik van de alarmlichten op de wettelijke bepalingen. Schakel de alarmlichten in als u bijvoorbeeld: de staart van een file bereikt; pech hebt of in geval van nood, Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

54 52 Verlichting en zicht De richtingaanwijzer- en grootlichtschakelaar Met behulp van de knipperlicht- en grootlichtschakelaar schakelt u ook het stadslicht en het lichtsignaal in. De knipperlicht- en grootlichtschakelaar heeft de volgende functies: Knipperlicht rechts en links Druk de schakelaar naar boven of naar beneden afb. 39. Als u slechts driemaal wilt knipperen (het zogenaamde comfortknipperen*), druk dan de schakelaar even tegen het bovenste of onderste drukpunt en laat de schakelaar daarna weer los. Knipperen voor het wisselen van rijbaan - druk de richtingaanwijzerhendel alleen tot aan het drukpunt naar boven of naar beneden en houd hem vast, om slechts kortstondig te knipperen. Groot licht Schakel het dimlicht in. Afb. 39 De knipperlicht- en grootlichtschakelaar Stadslicht Contact uitschakelen. Druk de hendel naar boven of naar beneden - het rechter- of linkerparkeerlicht wordt ingeschakeld. en met betrekking tot de lichtfuncties De knipperlichten werken alleen maar bij ingeschakeld contact. Het betreffende controlelampje of op het instrumentenpaneel knippert mee. Aan het einde van een bocht wordt het knipperlicht automatisch uitgeschakeld. Bij ingeschakeld parkeerlicht brandt het stadslicht en het achterlicht aan de betreffende zijde van de auto. Het parkeerlicht brandt alleen maar bij ingeschakeld contact. Als de hendel bij het uit het contactslot trekken van de contactsleutel niet in de middelste stand staat, klinkt na het openen van het bestuurdersportier een akoestisch waarschuwingssignaal. Zodra het bestuurdersportier is gesloten, wordt het akoestische waarschuwingssignaal uitgeschakeld. Voorzichtig! Gebruik het grote licht of het lichtsignaal alleen maar als de andere verkeersdeelnemers daardoor niet worden verblind. Wanneer u het rechtse of het linkse knipperlicht ingeschakeld hebt en u hebt het contact uitgeschakeld, wordt het parkeerlicht niet automatisch ingeschakeld. Gebruik de hierboven beschreven verlichtings- en signaalsystemen alleen in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. Druk de hendel naar voren Trek de schakelaar weer terug in de uitgangsstand om het grote licht weer uit te schakelen. Lichtsignaal Trek de hendel naar het stuurwiel toe (geveerde stand) - groot licht en controlelampje op instrumentenpaneel branden.

55 Verlichting en zicht 53 Binnenverlichting: Verlichting van het interieur voor/achter* - type 1 Bij geopend portier wordt de binnenverlichting na ongeveer 10 minuten uitgeschakeld om te voorkomen dat de autoaccu wordt ontladen. Binnenverlichting achter- zonder leeslampjes Portierschakelaar (voor- en achter* portieren) Druk de schakelaar A naar rechts, het symbool afb. 40 verschijnt. Binnenverlichting inschakelen Druk de schakelaar A naar links, het symbool verschijnt. Binnenverlichting uitschakelen Druk de schakelaar A in de middenstand O. Leeslampjes Afb. 40 Uitsnede van het dakraam: Interieurverlichting voor/achter Druk op één van de schakelaars AB afb. 40 om het rechter- of linkerleeslampje in of uit te schakelen. Bij auto's met centrale vergrendeling wordt na het ontgrendelen van de auto, na het openen van een portier of na het lostrekken van de contactsleutel de binnenverlichting ca. 30 seconden ingeschakeld (indien de corresponderende schakelaar in de portiercontactstand staat). Na het inschakelen van het contact gaat de binnenverlichting direct uit. Bij auto's zonder centrale vergrendeling blijft de binnenverlichting door de uitschakelvertraging* na het sluiten van de portieren enkele seconden ingeschakeld. Na het inschakelen van het contact gaat de binnenverlichting direct uit. De binnenverlichting, achter afb. 41 wordt door het verschuiven van de schakelaar op het symbool, O of in de middenstand bediend. Voor de binnenverlichting achter gelden dezelfde principes als voor de binnenverlichting voor bladzijde 53. Wij adviseren de gloeilampen door een Škoda-dealer te laten vervangen. Interieurverlichting achter* - type 2 Afb. 41 Plafonnière Afb. 42 Plafonnière Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

56 54 Verlichting en zicht De interieurverlichting achter wordt door het indrukken van de toets bladzijde 53, afb. 42 in-, uitgeschakeld. Voor de interieurverlichting, achter heeft de schakelaar twee standen. In de ene stand is de interieurverlichting permanent ingeschakeld, in de tweede stand (na indrukken) is deze via de portiercontacten geschakeld. Wij adviseren de gloeilampen door een Škoda-dealer te laten vervangen. Bagageruimteverlichting Na 7 minuten schakelt de achterruitverwarming automatisch uit. Daalt de boordspanning, dan wordt de achterruitverwarming automatisch uitgeschakeld, de controlelamp in de schakelaar knippert. Milieu Zodra de ruit ontdooid is moet de verwarming uitgeschakeld worden. Het daardoor lagere stroomverbruik heeft een gunstig effect op het brandstofverbruik bladzijde 151, Stroom sparen. Zonnekleppen De verlichting wordt bij het openen van de kofferklep/achterklep automatisch ingeschakeld. Als de klep langer dan ongeveer 10 minuten geopend blijft, dan wordt de verlichting automatisch terug uitgeschakeld. Zicht Achterruitverwarming Afb. 44 Zonneklep: opzij klappen De zonnekleppen voor de bestuurder of de voorpassagier kunnen uit de houder worden getrokken en in de richting van de pijl A1 afb. 44 naar de portieren worden gezwenkt. De make-upspiegels* in de zonnekleppen zijn voorzien van een afdekkapje. Schuif de afdekkap in de richting van de pijl A2. Afb. 43 Schakelaar voor achterruitverwarming De achterruitverwarming wordt door het indrukken van de schakelaar afb. 43 in- of uitgeschakeld - het controlelampje in de schakelaar brandt of gaat uit. De zonnekleppen mogen niet naar de zijruiten worden gezwenkt in het werkingsgebied van de hoofdairbags als er voorwerpen aan zijn bevestigd, zoals bijv. een ballpoint. Als de hoofdairbags worden geactiveerd, zouden dan de inzittenden gewond kunnen raken. De achterruitverwarming werkt alleen bij draaiende motor.

57 Verlichting en zicht 55 Ruitenwisser- en ruitensproeier Ruitenwisser Met de ruitenwisserschakelaar bedient u de ruitenwissers en de wis- /wasautomaat. De ruitenwisserschakelaar afb. 45 kent de volgende standen: Tip-wissen Als u de voorruit slechts even wilt wissen, druk dan de ruitenwisserschakelaar in de verende stand A4. Intervalwissen Druk de hendel naar boven in de stand A1. Stel met behulp van de schakelaar A de gewenste pauze tussen de afzonderlijke wisbewegingen in. Langzaam wissen Druk de hendel naar boven in de stand A2. Snel wissen Druk de hendel naar boven in de stand A3. Afb. 45 Ruitenwisserschakelaar Wis-/wasautomaat voor de voorruit Trek de hendel naar het stuurwiel toe in de verende stand A5, de ruitenwisser en de ruitensproeierinstallatie worden direct ingeschakeld. Laat de hendel los. De ruitensproeier stopt en de wissers wissen nog 1 tot 3 keer (afhankelijk van de tijd dat de ruitensproeier was ingeschakeld). Achterruitenwisser Druk de hendel weg van het stuurwiel in de stand A6 afb. 45, de ruitenwisser wist elke 6 seconden. Wis-/wasautomaat voor de achterruit Druk de hendel weg van het stuurwiel in de verende stand A7, de ruitenwisser en de ruitensproeiers zijn ingeschakeld. Na het loslaten van de hendel stopt de ruitensproeier en wist de wisser nog 1 tot 3 keer (afhankelijk van de tijd dat de ruitensproeier was ingeschakeld). Na het loslaten blijft de hendel in de stand A6 staan. Ruitenwissers uitschakelen Zet de hendel weer in de basisstand A0. De ruitenwissers en de ruitensproeiers werken alleen maar bij ingeschakeld contact. Na het inschakelen van de achteruitversnelling wordt bij ingeschakelde ruitenwisser de achterruit eenmaal gewist. De ruitensproeiers voor de voorruit worden bij ingeschakeld contact verwarmd*. Bijvullen van de ruitensproeiervloeistof bladzijde 180. Voor helder zicht en veilig rijden zijn goede ruitenwisserbladen beslist noodzakelijk bladzijde 56. Gebruik de ruitensproeierinstallatie niet bij lage temperaturen voordat vooraf de voorruit werd verwarmd. De ruitensproeiervloeistof zou anders kunnen vastvriezen op de voorruit en het zicht naar voren beperken. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

58 56 Verlichting en zicht Vervolg Wisserbladen voor voorruit vervangen Als zich op de ruiten ijs heeft afgezet, moet eerst het ijs bladzijde 161 worden verwijderd en daarna pas de ruitenwisser worden ingeschakeld, omdat anders de ruitenwisserbladen kunnen worden beschadigd. Voorzichtig! Bij vorst moet u, voordat u de ruitenwissers voor de eerste keer inschakelt, controleren of de ruitenwisserbladen niet zijn vastgevroren! Als de ruitenwissers worden ingeschakeld terwijl de ruitenwisserbladen zijn vastgevroren, kunnen zowel de wisserbladen als de ruitenwissermotor worden beschadigd! De inhoud van het ruitenwisserreservoir bedraagt 3,5 liter. Bij wagens die met een koplampsproeiers* zijn uitgerust, bedraagt de inhoud 5,4 liter. Koplampsproeiers* De koplampen worden gereinigd na elke vijfde keer inschakelen van de ruitenwissers van de voorruit en als het dim- of grote licht is ingeschakeld en de ruitenwisserhendel ca. 1 seconde in de stand A5 bladzijde 55, afb. 45 wordt gehouden. Met regelmatige tussenpozen, bijv. na het tanken, moet hardnekkig vastzittend vuil (bijv. insectenresten) van het koplampglas worden verwijderd. Let op de volgende aanwijzingen bladzijde 162, Koplampglazen. Om ook in de winter een goede werking te kunnen garanderen moet u met een ontdooiingsspray sneeuw en ijs van de sproeierhouders verwijderen. Wisserblad wegnemen Kantel de ruitenwisserarm weg van de ruit. Druk de borging, om het wisserblad te ontgrendelen, in en trek deze in de richting van de pijl weg. Wisserblad bevestigen Schuif het wisserblad tot aan de aanslag in de wisserarm. Controleer of het wisserblad goed is bevestigd. Klap de wisserarm terug op de ruit. Afb. 46 Wisserblad voor voorruit Voor goed zicht zijn in goede staat verkerende wisserbladen beslist noodzakelijk. Wisserbladen mogen niet door stof, insectenresten en conserveringswas zijn verontreinigd. Schrapen of het trekken van strepen door de ruitenwisserbladen kan te wijten zijn aan wasresten die op de ruit achterblijven bij het wassen van de auto in een automatische wasstraat. Daarom moeten, steeds nadat de auto in een automatische wasstraat is gewassen, waarbij tevens was is aangebracht, de lippen van de ruitenwisserbladen worden ontvet. Als met de ruitenwissers niet voorzichtig wordt omgegaan, is de kans op beschadiging van de voorruit aanwezig.

59 Verlichting en zicht 57 Vervolg Om streepvorming te voorkomen moet u de wisserbladen regelmatig met een ruitenreiniger reinigen. Bij sterke vervuiling, bijv. insectenresten, moeten de ruitenwisserbladen met een spons of een doek worden schoongemaakt. Om veiligheidsredenen moet u de wisserbladen jaarlijks een- tot tweemaal vervangen. De wisserbladen zijn leverbaar bij de servicedealer. Achteruitkijkspiegel De buitenspiegels kunnen elektrisch worden ingesteld*. Wisserblad voor achterruit vervangen Afb. 48 Binnenzijde portier: Draaiknop De buitenspiegel moet voor het begin van de rit zo worden ingesteld, dat het zicht naar achteren is gewaarborgd. Wisserblad wegnemen Klap de ruitenwisserarm weg van de ruit en zet het wisserblad haaks op de wisserarm afb. 47. Houd de wisserarm met een hand bij het bovenste deel vast. Ontgrendel met de andere hand de borging A in de richting van de pijl en neem het wisserblad uit de wisserarm. Wisserblad bevestigen Plaats het wisserblad op de wisserarm en vergrendel de borging A. Controleer of het wisserblad goed is bevestigd. Hier gelden dezelfde opmerkingen als bladzijde 56. Afb. 47 Wisserblad voor achterruit Dimbare binnenspiegel Druk de hendel aan de onderzijde van de spiegel naar achteren (bij de basisstand van de binnenspiegel moet de hendel naar voren zijn gericht). Buitenspiegelverwarming* Zet de draaiknop in de stand afb. 48. Linkerbuitenspiegel instellen* Zet de draaiknop in de stand. De beweging van de spiegel is identiek aan de beweging van de draaiknop. Buitenspiegel rechts instellen* Zet de draaiknop in de stand. De beweging van de spiegel is identiek aan de beweging van de draaiknop. De auto kan zijn voorzien van een tweede binnenspiegel* die boven de binnenhoofdspiegel is aangebracht. De tweede binnenspiegel* zorgt voor een beter zicht op de achterbanken, bijv. voor het controleren van de daar plaatsnemende personen. Deze Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

60 58 Verlichting en zicht kan zowel in de horizontale als de verticale richting onafhankelijk van de hoofdbinnenspiegel worden versteld. De buitenspiegelverwarming werkt alleen bij draaiende motor. Convexe (bolvormige) of asferische (verschillende bollingen) buitenspiegels vergroten het gezichtsveld. Voorwerpen in de spiegel lijken echter wel kleiner. Daarom zijn deze spiegels maar in beperkte mate geschikt voor het inschatten van de afstand ten opzichte van de van achteren naderende auto. Gebruik, indien mogelijk de binnenspiegel om de afstand van de van achteren komende auto te bepalen. Raak de spiegelvlakken van de buitenspiegels niet aan als de spiegelverwarming is ingeschakeld. Mocht de elektrische instelling een keer uitvallen, dan kunt u beide buitenspiegels met de hand instellen door op de rand van het spiegelvlak te drukken. Neem bij een storing aan de elektrische spiegelinstelling contact op met een vakbedrijf.

61 Zitten en opbergen 59 Zitten en opbergen Stoelen vooraan Basisprincipes De voorstoelen kunnen op vele manieren worden ingesteld en daardoor aan de lichaamsbouw van de bestuurder en de voorpassagier worden aangepast. De juiste instelling van de stoelen is bijzonder belangrijk voor: het veilig, snel bereiken van de bedieningselementen; een ontspannen, niet-vermoeiende lichaamshouding; de maximale bescherming door de veiligheidsgordels en het airbagsysteem. In de volgende hoofdstukken wordt beschreven op welke wijze u de stoelen kunt instellen. Neem nooit meer personen mee dan het aantal zitplaatsen dat uw auto telt. Elke inzittende moet de bij de zitplaats behorende veiligheidsgordel correct dragen. Kinderen moeten met behulp van een hiervoor geschikt kinderzitje zijn beveiligd bladzijde 131, Veilig vervoer van kinderen. De voorstoelen en alle hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de lichaamsgrootte worden ingesteld, terwijl ook de veiligheidsgordels altijd correct moeten worden gedragen om u en uw passagiers een optimale bescherming te bieden. Houd de voeten tijdens het rijden altijd in de voetenruimte - leg de voeten nooit op het dashboard, in de ruitsponning of op de zittingen! Dat geldt vooral voor de passagiers. Bij een remactie of een aanrijding stelt u zich dan aan een verhoogd letselrisico bloot. Bij een inschakeling van de airbag kunt u door de verkeerde zithouding dodelijk letsel oplopen! Voor de bestuurder en de voorpassagier is het belangrijk dat een afstand van minstens 25 cm van het stuurwiel, resp. van het dashboard wordt aangehouden. Als deze minimale afstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Bovendien moeten de voorstoelen en Vervolg de hoofdsteunen altijd in overeenstemming met de lichaamsgrootte zijn ingesteld. Zorg ervoor dat zich geen voorwerpen in de voetenruimte bevinden omdat deze voorwerpen bij een rij- of remactie tussen de pedalen kunnen komen. U zou dan niet in staat zijn te koppelen, te remmen of gas te geven. Transporteer op de passagierszetel geen voorwerpen buiten diegene die daarvoor bedoeld zijn (bv. kinderziet) - Gevaar voor ongevallen! Voorstoelen instellen Afb. 49 Bedieningspaneel op stoel Stoel in lengterichting instellen Trek de hendel A1 afb. 49 omhoog en schuif daarbij de stoel in de gewenste positie. Laat de hendel A1 los en verschuif de stoel totdat de vergrendeling hoorbaar inklikt. Zittinghoogte instellen* Als u de stoel hoger wilt zetten, trek de hendel A2 dan naar boven of maak pompbewegingen met de hendel. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

62 60 Zitten en opbergen Als u de stoel lager wilt zetten, druk de hendel A2 dan naar beneden of maak pompbewegingen met de hendel. Hoek van de rugleuning instellen Ontlast de leuning (leun niet tegen de rugleuning) en draai aan het handwiel A3 om de schuine stand van de rugleuning in te stellen. De bestuurdersstoel moet zo worden afgesteld dat de pedalen met licht gebogen knieën geheel kunnen worden ingedrukt. De leuning van de bestuurdersstoel moet zo worden ingesteld dat het bovenste punt van het stuurwiel met licht gebogen armen kan worden bereikt. Stel de bestuurdersstoel alleen bij stilstaande auto in - kans op ongevallen! Ga voorzichtig te werk bij het instellen van de stoelen! Door ondoordachte instellingen kan letsel door knellen ontstaan. Tijdens het rijden mag de leuning niet te schuin naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordels en de airbags in negatieve zin worden beïnvloed - kans op letsel! Hoofdsteunen Hoogte van de hoofdsteunen instellen Pak de hoofdsteun met beide handen aan de zijkant vast en schuif de hoofdsteun in de hartrichting van de metalen geleidestangen, in de richting van de pijl afb. 50 naar boven of naar beneden. Als de hoofdsteun naar beneden moet worden verschoven, moet de borgknop worden ingedrukt afb. 50 en met de andere hand de hoofdsteun naar beneden worden gedrukt. Hoofdsteun uit- en inbouwen Trek de hoofdsteun tot aan de aanslag uit de leuning. Druk de borgknop in de pijlrichting afb. 50 en trek de hoofdsteun los. Voor het weer inbouwen de hoofdsteun zo ver naar beneden in de leuning duwen dat de borgknop hoorbaar inklikt. De stand van de voorste, achterste, buitenste hoofdsteunen en van de achterste middelste hoofdsteun* is in hoogte verstelbaar. De hoofdsteunen moeten zijn ingesteld in overeenstemming met de lichaamsgrootte. Correct afgestelde hoofdsteunen bieden samen met de veiligheidsgordels een effectieve bescherming voor de inzittenden bladzijde 114. De hoofdsteunen moeten correct zijn ingesteld om de inzittenden bij een aanrijding effectief te kunnen beschermen. Rijd nooit met uitgebouwde hoofdsteunen - kans op letsel! Als de achterzittingen zijn bezet, mogen de hoofdsteunen achter niet in de onderste stand staan. Afb. 50 Hoofdsteunen: Instellen / Uittrekken De optimale bescherming wordt verkregen als de bovenkant van de hoofdsteun op dezelfde hoogte ligt als het bovenste deel van uw hoofd.

63 Zitten en opbergen 61 Voorstoelverwarming* Wanneer de stoelen niet bezet zijn of wanneer er voorwerpen geplaatst zijn, zoals b.v. een kinderzitje, een tas o.i.d., gebruikt u dan de verwarming niet. Er kan een storing in de verwarmingselementen van de stoelverwarming optreden. Reinig de stoelen niet met vocht bladzijde 164. Wij adviseren, de stoelverwarming alleen bij draaiende motor in te schakelen. Daardoor wordt er een minder groot beroep op de accucapaciteit gedaan. Afb. 51 Tuimelschakelaar: Stoelverwarming, voor De zitvlakken en leuningen van de voorstoelen kunt u elektrisch laten verwarmen. Door het indrukken van de tuimelschakelaar in de stand A1 of A2 wordt de stoelverwarming, voor, voor 25% of voor 100% van zijn capaciteit ingeschakeld afb. 51. Voor het uitschakelen van de verwarming moet de tuimelschakelaar in de horizontale stand worden geplaatst. Achterstoelen Achterbank naar voren klappen Als u of een passagier een beperkte pijn- en/of temperatuurwaarneming hebt/heeft, b.v. door gebruik van medicijnen, verlamming of op grond van chronische aandoeningen (b.v. diabetes), adviseren wij, geen gebruik te maken van de stoelverwarming van de bestuurders- of voorpassagiersstoel. Dit zou kunnen leiden tot moeilijk te genezen brandwonden aan rug, zitvlak en benen. Als u de stoelverwarming toch wilt gebruiken, adviseren wij, bij langere ritten regelmatig een pauze in te lassen, zodat het lichaam zich kan herstellen van de belasting die tijdens het rijden ontstaat. Neem voor de beoordeling van uw concrete situatie contact op met de u behandelende arts. Voorzichtig! Om de verwarmingselementen van de stoelverwarming niet te beschadigen, mag u niet op de stoelen knielen en moet puntbelasting worden voorkomen. Afb. 52 Zitvlak naar vorn klappen / zitleuning vergrendelen Voor het vergroten van de bagageruimte kan de achterbankzitting worden neergeklapt, of kan de zitting worden weggenomen bladzijde 62. Bij auto's met een gedeelde achterbank* kunnen de achterzittingen indien nodig ook stuk voor stuk worden neergeklapt. Stoelen naar voren klappen Voor het neerklappen van de achterstoelen past u de instelling van de voorstoelen zo aan, dat ze door de neergeklapte achterstoelen niet beschadigd worden. Trek de zitting in de richting van de pijl A1 afb. 52 omhoog en klap hem in de richting van de pijl A2 naar voren. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

64 62 Zitten en opbergen Ontgrendel de leuning door de borgknop in te drukken A en klap de rugleuning dan naar voren bladzijde 61, afb. 52 rechts. Trek de hoofdsteun uit de leuning van de achterbank. De hoofdsteunen kunnen in de daarvoor bedoelde openingen van de naar voren geklapte zittingen worden gestoken afb. 53. Leuningen compleet naar voren klappen. Stoelen in de uitgangspositie brengen Bouw de hoofdsteunen in de iets opgetilde leuning in. Klap aansluitend hierop de leuning terug tot de borgknop in de borging valt - controleer dit door aan de leuning te trekken. Controleer of de rode pen AB bedekt is bladzijde 61, afb. 52 rechts. Stoelen in de uitgangspositie brengen Let er bij het op- en neerklappen van de leuningen beslist op dat de veiligheidsgordels niet worden beschadigd. In geen geval mogen de veiligheidsgordels achter door de ingeklapte leuning worden ingeklemd. Na het terugklappen van de zitvlakken en leuningen moeten de gordels en gordelsloten zich in hun oorspronkelijke posities bevinden - ze moeten direct kunnen worden gebruikt. Let erop dat de leuning correct is vergrendeld. Alleen dan kan de driepunts veiligheidsgordel goed zijn werk doen. De rugleuningen moeten goed zijn vergrendeld, zodat er bij plotseling remmen geen voorwerpen vanuit de bagageruimte in de passagiersruimte kunnen glijden - kans op letsel! Indien het huis van het scheidingsnet* ingebouwd is, klap eerst de linker achterbankleuning en dan de rechter dubbele achterbankleuning naar voren. Hoofdsteunen in de zittingen steken De hoofdsteunen, achter, kunnen in de daarvoor bedoelde openingen van de naar voren geklapte zittingen worden geschoven. Zitting verwijderen De kofferruimte kan door het uitbouwen van de achterbankzittingen worden vergroot. Demontage Afb. 53 Achterbank: Hoofdsteunen in de zittingen Afb. 54 Zittingen verwijderen Klap de zitting naar voren. Druk de draadbeugel in de richting van de pijl afb. 54 en neem de zitting uit de steun.

65 Zitten en opbergen 63 Inbouwen Druk de draadbeugel in de richting van de pijl en plaats deze in de steun. Klap de zitting terug in de uitgangsstand. Pedalen Breng, met het oog op een veilige bediening van de pedalen alleen vloermatten uit het originele Škoda-accessoireprogramma aan. De pedalen moeten zonder belemmeringen kunnen worden bediend! Storingen aan het remsysteem kunnen tot een langere pedaalslag leiden. Geen matten of andere extra vloerbedekking in de buurt van de pedalen leggen omdat alle pedalen volledig moeten kunnen worden ingetrapt en ongehinderd in hun uitgangsstand moeten kunnen terugkomen - kans op ongevallen! Er mogen daarom geen voorwerpen op de vloer worden gelegd die onder de pedalen kunnen glijden. U zou dan niet meer in staat zijn te remmen, te koppelen of gas te geven - kans op ongevallen! Bagageruimte Bagageruimte beladen In het belang van goede rijeigenschappen moet op het volgende worden gelet: Verdeel de bagage zo gelijkmatig mogelijk. Zware voorwerpen zo ver mogelijk naar voren leggen Zet de bagage vast met de bevestigingsogen of met het bevestigingsnet* bladzijde 64. Bij een aanrijding krijgen kleine en lichte voorwerpen een zo hoge kinetische energie, dat zij ernstig letsel kunnen veroorzaken. De grootte van de kinetische energie is Bediening Veiligheid en voor het rijden afhankelijk van de rijsnelheid en het gewicht van het voorwerp. De rijsnelheid is hierbij de meest beslissende factor. Voorbeeld: Een niet-vastgezet voorwerp met een gewicht van 4,5 kg krijgt bij een frontale aanrijding met een snelheid van 50 km/uur een energie die 20 keer zo groot is als zijn eigen gewicht. Dit betekent dat er een kracht van ca. 90 kg ontstaat. U kunt zich voorstellen wat voor letsel er zou ontstaan als dit door het interieur vliegende projectiel een inzittende raakt. Berg voorwerpen op in de bagageruimte en zet bagage vast met de bevestigingsogen. Losse voorwerpen in het interieur kunnen bij een plotselinge manoeuvre of bij een aanrijding naar voren vliegen en de inzittenden of andere verkeersdeelnemers verwonden. Dit gevaar wordt nog groter als rondvliegende voorwerpen door een opblazende airbag worden geraakt. In dit geval kunnen de teruggeworpen voorwerpen de inzittenden verwonden - levensgevaar. Realiseert u zich dat bij het transport van zware voorwerpen de rijeigenschappen zich wijzigen door de verplaatsing van het zwaartepunt. Snelheid en manier van rijden moeten daarom daaraan worden aanpast. De lading moet op zo'n manier in de bagageruimte worden ondergebracht dat bij plotselinge rij- en remacties geen voorwerpen naar voren kunnen glijden - kans op letsel! Bij het transport van vastgezette scherpe, gevaarlijke voorwerpen in de vergrote bagageruimte die is ontstaan door het neerklappen of uitbouwen van de achterstoelen, moet beslist worden gelet op de waarborging van de veiligheid van de op de resterende achterstoelen zittende personen bladzijde 115, Juiste zithouding voor de passagiers op de achterbankzittingen. Als de achterstoelen naast de naar voren geklapte stoel zijn bezet, houd dan rekening met de waarborging van de veiligheid, bijv. door de te vervoeren goederen zo aan te brengen dat het terugklappen van de stoel bij een aanrijding van achteren wordt voorkomen. Rijd nooit met een openstaande of net niet gesloten kofferklep omdat er dan uitlaatgassen in het interieur kunnen komen - kans op vergiftiging! Overschrijd in geen geval de toegestane asbelasting en het toegestane totaalgewicht van de auto - kans op ongevallen! Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

66 64 Zitten en opbergen Vervolg Laat nooit personen plaatsnemen in de bagageruimte. Voorzichtig! Let erop dat de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming niet door schurende voorwerpen kunnen worden beschadigd. De bandenspanning moet aan de belading worden aangepast bladzijde 181, afb De te vervoeren lading moet zodanig bevestigd worden, dat ze tijdens de rit en het remmen niet kan bewegen. Als de bagage of voorwerpen met een hiertoe niet geschikte of beschadigde bevestigingsriem wordt vastgezet, kan bij het remmen of bij een aanrijding letsel ontstaan. Om te voorkomen dat de bagage naar voren kan schuiven, moet altijd worden gebruikgemaakt van hiertoe geschikte riemen die veilig aan de bevestigingsogen zijn bevestigd. Bevestigingsnetten - netprogramma* (Combi) Auto's van de categorie N1 Bij wagens van de categorie N1, die niet van een beschermrooster voorzien zijn, moet voor de bevestiging van de lading een vastsjorset gebruikt worden die voldoet aan de norm EN (1-4). Bevestigingselementen Afb. 56 Bevestigingsnet: dubbele dwarstas, vloerbevestigingsnet / dubbele langstas Bevestigingsvoorbeelden van de bevestigingsnet als dubbele dwarstas, vloerbevestigingsnet afb. 56 links en dubbele langstas afb. 56 rechts. De bevestigingsnetten* voor de kleine bagagestukken bevinden zich samen met de montagehandleiding in de bagageruimte. Afb. 55 Bagageruimte: Bevestigingsogen en bevestigingselementen (Fabia) / (Combi) Aan de zijkanten van de bagageruimte bevinden zich ogen en bevestigingselementen voor het vastsjorren van de bagagestukken afb. 55. Aan deze ogen en bevestigingselementen kunnen ook bevestigingsnetten* voor het bevestigen van kleine voorwerpen worden aangebracht. Door de sterkte van het net is het mogelijk de tas te beladen met voorwerpen tot 5 kg. Zwaardere voorwerpen worden niet voldoende beveiligd - kans op letsel en beschadiging van het net! De te vervoeren lading moet zodanig bevestigd worden, dat ze tijdens de rit en het remmen niet kan bewegen.

67 Zitten en opbergen 65 Voorzichtig! Plaats in de netten geen voorwerpen met scherpe randen - kans op beschadiging van het net. Hoedenplank De hoedenplank achter de hoofdsteunen achterin kan alleen worden gebruikt voor het deponeren van lichte voorwerpen. Inklapbare haak* Aan beide zijden van de bagageruimte bevinden zich inklapbare haken voor de bevestiging van kleinere bagagestukken zoals tassen e.d. afb. 57. Aan de haken kunnen bagagestukken met een gewicht tot 10 kg worden vastgehaakt. Let op de volgende aanwijzingen bladzijde 63. Afb. 57 Bagageruimte: Klapbare haak (Fabia) Afb. 58 Uitbouwen / inbouwen van de hoedenplank Als u grotere stukken bagage wilt vervoeren, kan zo nodig de hoedenplank worden uitgebouwd. Haak de bevestigingsbanden bij de achterklep los A1 afb. 58. De hoedenplank verwijdert u, door passende tikken op de onderkant van de afdekking in het bereik tussen de halters uit de halters A2. Als ze terug wordt aangebracht, de afdekking op de steunvlakken van de zijbekleding leggen en de stunen op de afdekking A3 over de houder A2 aan de zijbekleding. Door passende tikken op de bovnkant van de afdekking in het bereik tussen de halters klikt u de afdekking vast. Haak de bevestigingsbanden A1 bij de kofferklep los. De hoedenplank is bedoeld voor het opbergen van kleine voorwerpen tot 2,5 kg. Voorzichtig! Bij het sluiten van de kofferklep kan het door een onvakkundige handhaving tot een blokkering komen en kan de hoedenplank of de zijbekleding geschadigd geraken. Controleer daarom voor het sluiten: Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

68 66 Zitten en opbergen De steunen van de afdekking A3 moeten in de houders van de zijbekleding A2 vastgeklikt zijn. Het laadgoed mag niet hoger komen dan het niveau van de hoedenplank. De afdekking mag niet in de geopende positie in de afdichting van de kofferklep gekanteld zijn. In de spleet tussen de geopende afdekking en de achterste stoelleuning mag zich geen voorwerp bevinden. Let erop dat de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming niet beschadigd raken door op de achterklep neergelegde voorwerpen. Bij het openen van de kofferklep/achterklep wordt tevens de bagageruimteafdekking opgetild - let erop dat de hierop geplaatste voorwerpen naar voren kunnen glijden! Verdere posities van de hoedenplank De hoedenplank achter de hoofdsteunen achterin kan alleen worden gebruikt voor het deponeren van lichte voorwerpen. Op de hoedenplank mogen geen voorwerpen worden neergelegd, die de inzittenden in gevaar zouden kunnen brengen bij plotseling remmen of bij een aanrijding. Voorzichtig! Let erop dat de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming niet beschadigd raken door op de achterklep neergelegde voorwerpen. Bij het openen van de kofferklep/achterklep wordt tevens de bagageruimteafdekking opgetild - let erop dat de hierop geplaatste voorwerpen naar voren kunnen glijden! Oprolbare hoedenplank (Combi) Afb. 60 Bagageruimte: oprolbare hoedenplank / uitnemn van de oprolbare hoedenplank Afb. 59 Hoedenplank in de onderste positie / achter de achterstoelen opgeborgen U kunt de hoedenplank ook in de onderste stand op de steunen plaatsen afb. 59. De hoedenplank kan ook achter de achterbankzittingen worden opgeborgen afb. 59 rechts. Eruit trekken Trek de oprolbare hoedenplank in de richting van de pijl A1 tot aan de aanslag in de borgstand afb. 60. Oprollen Druk de hoes in de richting van de pijl A2, de hoes rolt zich automatisch op.

69 Zitten en opbergen 67 Demontage Voor het vervoeren van grotere bagagestukken kan de oprolbare hoedenplank worden uitgebouwd door het schuifelement van de zijde in pijlrichting A3 te drukken en de hoedenplank in pijlrichting A4 te verwijderen bladzijde 66, afb. 60. Op de hoedenplank mogen geen voorwerpen worden neergelegd, die de inzittenden in gevaar zouden kunnen brengen bij plotseling remmen of bij een aanrijding. Voorzichtig! Let erop dat de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming en de oprolbare hoedenplank niet beschadigd raken door de op de hoedenplank neergelegde voorwerpen. Variable laadvloer in kofferruimte* (Combi) Variable laadvloer verwijderen Variabele laadvloer uitbouwen Door de borgbouten A ca. 180 naar links te draaien wordt de laadvloer ontgrendeld afb. 61. Door in pijlrichting te bewegen klapt u de laadvloer samen. Til de laadvloer in pijlrichting A1 op afb. 61 en verwijder de laadvloer door in pijlrichting A2 te trekken afb. 61. Variabele laadvloer inbouwen Plaats de samengevouwen laadvloer op de draagrails. Klap de variabele laadvloer uit. Door de borgbouten A ca. 180 naar rechts te draaien wordt de laadvloer vergrendeld. Let bij het inbouwen erop dat de draagrails en de variable laadvloer juist bevestigd zijn, anders kan er gevaar voor de inzittenden ontstaan. Wanneer in de bagageruimte de variable laadvloer* ingebouwd is bladzijde 67, kan geen flexibel opbergvak resp. bevestigingsnet* bladzijde 64 ingebouwd worden. Draagrails verwijderen Afb. 61 Bagageruimte: Variable laadvloer samenklappen / verwijderen De variable laadvloer maakt de omgang met grotere bagagestukken makkelijker en vormt bij neergeklapte achterstoelen een vlakke bagageruimtebodem. De maximaal toegestane belasting van de variable laadvloer bedraagt 75 kg. Afb. 62 Bagageruimte: Borgpunten losmaken / draagrails verwijderen Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

70 68 Zitten en opbergen Draagrails uitbouwen Maak de borgpunten AB op de draagrails los met de autosleutel resp. met een vlakke schroevendraaier bladzijde 67, afb. 62. Grijp de draagrails A bij positie A1 vast bladzijde 67, afb. 62 en maak deze los door in pijlrichting te trekken. Om het uitbouwen te vergemakkelijken kunt u de uitneembare opbergvakken* verwijderen bladzijde 78, Uitneembare opbergvakken* in de bagageruimte. Grijp de draagrails A bij positie A2 vast, en maak deze los door in pijlrichting te trekken, vervolgens verwijderen. Bij het uitbouwen van de draagrails aan de andere zijde van de bagageruimte dezelfde stappen uitvoeren. Draagrails inbouwen Plaats de draagrails aan de zijde van de bagageruimte. Druk bij iedere draagrails de twee borgpunten tot de aanslag in. Controleer, door aan de draagrails te trekken, of deze goed vastzit. Let bij het inbouwen erop dat de draagrails en de variable laadvloer juist bevestigd zijn, anders kan er gevaar voor de inzittenden ontstaan. Bagageruimte m.b.v. variable laadvloer* indelen Afb. 63 Bagageruimte indelen De bagageruimte kan m.b.v. de variabel laadvloer ingedeeld worden. Til een gedeelte bij de steun op en borg deze door in de groeven te schuiven afb. 63. Scheidingsnet* (Combi) Gebruik van het scheidingsnet achter de achterzittingen Afb. 64 Scheidingsnet uittrekken / oprollen Eruit trekken Open het rechter achterportier. Kantel de achterbankrugleuning iets naar voren, hierdoor komt de ruimte voor het uitrollen van het scheidingsnet vrij. Trek het scheidingsnet met de lip A uit het huis AB in de richting van de steunen AC afb. 64. Plaats de dwarsstang in een van de opnames AC. Zet het andere uiteinde van de dwarsstang door deze in de tweede opname te drukken vast. Druk de dwarsstang aan de beide uiteinden naar voren in de werkingsstand. Klap aansluitend de rugleuning terug tot de vergrendelingsknop vergrendeltcontroleer dit door aan de rugleuning te trekken.

71 Zitten en opbergen 69 Oprollen Trek de dwarsstang eerst aan de ene en daarna aan de andere zijde iets naar achteren en neem de dwarsstangen uit de opnamen AC bladzijde 68, afb. 64. Houd de dwarsstang zo, dat het scheidingsnet langzaam en zonder beschadiging oprolt in het huis AB. Als u de gehele bagageruimte wilt gebruiken, kan de bagageruimteafdekhoes worden uitgebouwd bladzijde 66. Als de auto met een driepunts-veiligheidsgordel voor de middelste achterzitting is uitgerust, moet erop worden gelet dat de rugleuning van de achterzitting correct is vergrendeld. Alleen dan kan de driepunts veiligheidsgordel goed zijn werk doen. Controleer of de dwarsstang in de voorste stand in de opnamen AC is gestoken! Als het scheidingsnet zich achter de achterzittingen bevindt, dan moet er altijd op worden gelet, dat de rugleuning correct is vergrendeld. Gebruik van het scheidingsnet achter de voorstoelen Klap de zittingen en de rugleuning van de achterbank naar voren. Trek het scheidingsnet met de lip A uit het huis AB afb. 65. Plaats de dwarsstang in de houder AC eerst aan één kant. Plaats het andere uiteinde van de dwarsstang in de houder aan de andere zijde. Druk de dwarsstang aan de beide uiteinden naar voren in de werkingsstand. Oprollen Trek de dwarsstang eerst aan de ene en daarna aan de andere zijde iets naar achteren en neem de dwarsstangen uit de opnamen AC afb. 65. Houd de dwarsstang zo, dat het scheidingsnet langzaam en zonder beschadiging oprolt in het huis AB. Klap de achterzitting terug in zijn uitgangspositie. Controleer of de dwarsstang in de voorste stand in de opnamen AC is gestoken! Scheidingsnet uit- en inbouwen Afb. 66 Achterbank: scheidingsnetbehuizing Afb. 65 Scheidingsnet uittrekken / oprollen Eruit trekken Open het rechter achterportier. Demontage Open het rechter achterportier. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

72 70 Zitten en opbergen Klap de zittingen en de rugleuning van de achterbank naar voren. Eerst de linkeren dan de rechterleuning. Schuif de scheidingsnetbehuizing A bladzijde 69, afb. 66 in de richting van de pijl A1 en neem deze in de richting van de pijl uit de houder van de rechterrugleuning A2. Inbouwen Plaats de uitsparingen van de scheidingsnetbehuizing in de steunen van de achterbankleuningen. Schuif de scheidingsnetbehuizing tegen de richting van de pijl in A1 tot aan de aanslag. Klap de achterzitting terug in zijn uitgangspositie. Fietsendrager in kofferruimte* Dwarsdrager inbouwen Ontgrendel de houders AB aan de uiteinden van de dwarsdragers door de bevestigingsbouten AC iets naar boven te trekken. De houders gaan open, als deze al niet openstonden. Plaats de dwarsdrager met het vaste (niet uittrekbare) deel op het (vanuit de rijrichting gezien) linkerbevestigingsoog en daarna het uittrekbare deel A in het rechterbevestigingsoog. Druk de houders AB aan beide zijden van de dwarsdrager in, totdat deze vastklikken en draai de borgbouten AC vast. Controleer, door aan de dwarsdrager te trekken, of deze goed vastzit. Let bij het vervoeren van fietsen in de bagageruimte op de veiligheid van de meerijdende personen. Fietsendrager inbouwen Afb. 68 Fietsendrager inbouwen Afb. 67 Dwarsdrager inbouwen Neem de hoedenplank weg bladzijde 66; zo nodig adviseren wij u, het scheidingsnet* weg te nemen bladzijde 69. Neem de hoofdsteunen uit de rugleuningen en klap de achterzittingen op, om de bagageruimte zoals gewenst te vergroten. Plaats de vrijgegeven fietsendrager op het midden van de dwarsdrager, nadat de bout A naar boven is getrokken en schuif de langsdrager (aluminium deel) naar de dwarsdrager tot deze vastklikt en draai de bout A in de moer afb. 68. Draai de bout AB los en neem deze uit het verschuifbare deel van de houder; plaats het verschuifbare deel afhankelijk van de fietsmaat in een van de mogelijke standen, zodat deze geen contact maakt met de kofferklep/achterklep. Wij adviseren, het verschuifbare deel van de houder zo te plaatsen dat tussen de bout A en het verschuifbare deel 7 boringen zichtbaar zijn.

73 Zitten en opbergen 71 De bout AB in de gewenste stand aanbrengen en vastdraaien. Fiets in de fietsendrager plaatsen De inbouw van een tweede fietsendrager moet op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Plaats de fietsen in de fietsendrager in een zodanige stand dat de sturen geen contact maken met de zijruiten of de achterruit. Als het voorwiel is uitgerust met een schijfrem, moet het wiel zo worden bevestigd, dat de remschijf van het frame is afgewend. Afb. 69 Fiets inzetten / bevestiging van het voorwiel Voor de montage van de fiets in de auto, moet het voorwiel worden uitgebouwd. De snelspanner op de bevestigingsas van de fietsdrager losmaken en afstellen op de vorkbreedte van de fiets. De fietsvork op de bevestigingsas plaatsen en vastzetten met behulp van de snelspanner afb. 69. Plaats het linkerpedaal van de fiets naar voren, om het voorwiel gemakkelijker te kunnen bevestigen. Draai de bout A bladzijde 70, afb. 68 los en schuif de fietsendrager samen met de bevestigde fiets naar links (vanuit de rijrichting gezien), zodat er geen contact kan ontstaan tussen het stuur en de zijruit van de bagageruimte. Druk de kofferklep voorzichtig naar onderen zonder deze los te laten en controleer hierbij of er tussen het stuur van de fiets en de achterruit voldoende plaats is. Indien nodig moet de stand van het verschuifbare deel van de fietsendrager worden aangepast, zodat er geen contact met de ruit ontstaat bladzijde 70. Schuif het losgemaakte voorwiel bij voorkeur tussen de krenk van het linkerpedaal en het fietsframe en zet deze met een riem van aan de voorvork afb. 69, of een ander bevestigingspunt. Let erop dat de bekleding van de bagageruimte, de fiets of neergelegde voorwerpen niet worden beschadigd. Stabiliteit van de fietsen met behulp van een riem waarborgen Afb. 70 Beveiliging van de fietsen met klemmen / Beveiliging van de fietsen met een band Voor het losdraaien van het rubberdeel van de klem, de beide delen tegen elkaar drukken en de klem losmaken. Plaats de klem, met het rubberdeel naar voren gericht (in de rijrichting gezien) zo ver mogelijk onder de zadelstang en druk de klem dicht afb. 70. Bij het vervoer van twee fietsen, moet de riem afb. 70 tussen de twee zadelpennen worden aangebracht, als de fietsen uit elkaar worden geschoven. Haak de karabijnhaak in het uiteinde van de riem in de bevestigingsogen achter de achterstoelen. Trek de riem door de spanner, eerst aan de ene en daarna aan de andere zijde. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

74 72 Zitten en opbergen Indien noodzakelijk, kan bovendien de stand van de fietsen in de auto worden gecorrigeerd. Bij het meenemen van personen en voorwerpen, waarbij het nodig is dat de zittingen naar voren worden geklapt, moet op de veiligheid van de meerijdende personen worden gelet. Plaats de fietsen in de fietsendrager in een zodanige stand dat de sturen niet in contact kunnen komen met de achterruit. Milieu Door de hogere luchtweerstand neemt het brandstofverbruik toe. Als een auto af fabriek niet is uitgevoerd met een dakreling kan deze bij de Škodadealers/vakgarages worden verkregen, die de montage vakkundig uitvoeren. Bevestigingspunten Imperiaal* Omschrijving Als er bagage of lading op het dak moet worden vervoerd, moet op het volgende worden gelet: Voor de auto werd een speciaal imperiaalsysteem ontwikkeld, met het oog hierop kunnen alleen door Škoda Auto vrijgegeven imperialen worden gemonteerd. Met de basisimperiaal kan een compleet Škoda-imperiaalsysteem worden samengesteld. Voor het transport van bagage, fietsen, surfplanken, ski's en boten zijn om veiligheidsredenen de bijbehorende extra componenten nodig. De basisuitvoering van het imperiaalsysteem en de andere componenten zijn als accessoire bij de Škoda-dealer leverbaar. Voorzichtig! Als u andere imperiaalsystemen gebruikt of de dragers niet volgens voorschrift monteert is daardoor ontstane schade aan de auto uitgesloten van de garantie. Neem daarom beslist de meegeleverde montagehandleiding van het imperiaalsysteem in acht. Bij auto's met elektrisch schuif-/kanteldak moet erop worden gelet dat het geopende schuif-/kanteldak niet tegen de daklading aankomt. Let erop dat de geopende kofferklep niet tegen de lading op het dak stoot. Inbouwen Plaats de bevestigingsvoeten van de imperiaal zo in de houders van de carrosserie dat de pennen van de bevestigingsvoeten in de boringen van de carrosserie vallen. Let op de aanwijzingen met betrekking tot de montage en demontage in de bijgeleverde handleiding. Als iets niet duidelijk is, neem dan contact op met uw Škoda-dealer/vakgarage. Daklading Afb. 71 Bevestigingspunten voor de basisimperiaal Verdeel de belading gelijkmatig over de imperiaal. De toegestane dakbelasting (inclusief het imperiaalsysteem) van 75 kg en het toegestane totaalgewicht van de auto mogen niet worden overschreden.

75 Zitten en opbergen 73 Bij gebruik van imperiaalsystemen met een geringere belastbaarheid kunt u niet volledig profiteren van de toegestane dakbelasting. In die gevallen mag u de imperiaal maar belasten tot de maximale gewichtsgrens die in de montagehandleiding wordt genoemd. Vervolg Gebruik geen breekbare bekers (bijv. glas, porselein). U zou daardoor bij een aanrijding gewond kunnen raken. De lading op het dak moet goed worden bevestigd - kans op ongevallen! U mag de toegestane daklading, de toegestane asbelasting en het toegestane totaalgewicht van uw auto in geen geval overschrijden - kans op ongevallen! Realiseert u zich goed dat de rijeigenschappen wijzigen bij het vervoeren van zware, resp. omvangrijke voorwerpen op de imperiaal door de verplaatsing van het zwaartepunt, resp. door het grotere aangrijpingsvlak van de wind - kans op ongevallen! Pas uw rijstijl en de snelheid daarom beslist aan de omstandigheden aan. Voorzichtig! Laat de flesjes in de bekerhouder tijdens het rijden niet openstaan. Drank kan bijv. bij het remmen, hieruit stromen en hierbij de elektrische componenten of de bekleding aantasten. Bekerhouder achter* Bekerhouder voor Afb. 73 Middenconsole: blikjeshouder In de uitholling kan een beker worden geplaatst afb. 73. In de holtes kunnen twee blikjes worden geplaatst afb. 72. Afb. 72 Middenconsole, voor: blikjeshouder Plaats geen bekers met hete drank in de bekerhouder. Als de auto rijdt, kan de hete drank worden gemorst - kans op brandwonden! Plaats geen bekers met hete drank in de bekerhouder. Als de auto rijdt, kan de hete drank worden gemorst - kans op brandwonden! Gebruik geen breekbare bekers (bijv. glas, porselein). U zou daardoor bij een aanrijding gewond kunnen raken. Voorzichtig! Laat de flesjes in de bekerhouder tijdens het rijden niet openstaan. Drank kan bijv. bij het remmen, hieruit stromen en hierbij de elektrische componenten of de bekleding aantasten. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

76 74 Zitten en opbergen Parkeertickethouder Asbak plaatsen Breng de asbak in de verticale stand aan. Leg nooit brandbare voorwerpen in de asbak - brandgevaar! Sigarettenaansteker* en stopcontacten* Afb. 74 Voorruit: Parkeertickethouder De bonhouder dient b.v. ter bevestiging van de parkeerbon op parkeerplaatsen waar moet worden betaald. Voor het begin van de rit moet de bon altijd worden verwijderd, zodat het zicht van de bestuurder niet wordt gehinderd. Sigarettenaansteker Het stopcontact van de sigarettenaansteker kan ook voor andere elektrische apparaten worden gebruikt. Asbak* Afb. 76 Middenconsole: aansteker Afb. 75 Middenconsole: Asbak voor/achter Asbak wegnemen Neem de asbak afb. 75 naar boven toe weg. Bij het wegnemen de asbak niet bij het deksel vasthouden - kans op breuk. Bediening van de sigarettenaansteker Druk de knop van de sigarettenaansteker naar binnen afb. 76. Wacht totdat de knop weer naar buiten springt. Neem de sigarettenaansteker er direct uit en gebruik hem. Steek de sigarettenaansteker weer in het stopcontact. Gebruikg van het stopcontact Verwijder de sigarettenaansteker resp. de afdekking van het stopcontact. Steek de steker van het elektrische apparaat in het stopcontact.

77 Zitten en opbergen 75 Het 12 V stopcontact kan ook voor andere elektrische accessoires met een vermogen tot 120 watt worden gebruikt. Wees voorzichtig bij het gebruik van de sigarettenaansteker! Door ondoordacht of ongecontroleerd gebruik van de sigarettenaansteker kunnen verbrandingen ontstaan. De sigarettenaansteker en het stopcontact werken ook bij uitgeschakeld contact en als de contactsleutel uit het contact is getrokken. Laat daarom nooit kinderen zonder toezicht in de auto achter! Voorzichtig! Gebruik ter voorkoming van beschadiging van het stopcontact alleen passende stekers. Bij stilstaande motor en ingeschakelde verbruikers wordt de autoaccu ontladen - kans op een lege accu! Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 187. Stopcontact in bagageruimte* Het stopcontact mag alleen voor de aansluiting van vrijgegeven elektrische accessoires met een vermogensafname van maximaal 120 watt worden gebruikt. Bij stilstaande motor wordt daarbij echter de accu ontladen. Hier gelden dezelfde opmerkingen als bladzijde 74. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 187, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Opbergvakken (dashboardkastjes) Overzicht In uw auto treft u de volgende opbergruimtes aan: dashboardkastje aan de voorpassagierszijde* bladzijde 76 Opbergvak aan de bestuurderszijde bladzijde 76 Brillenkoker* bladzijde 77 opbergvak in middenconsole bladzijde 77 Opbergvak in voorstoel* bladzijde 77 armleuning van voorstoel met opbergvak* bladzijde 77 Opbergvak in de voorportieren bladzijde 78 opbergvakken in de bagageruimte bladzijde 78 Variabel opbergvak* bladzijde 78 kledinghaakjes* bladzijde 79 Afb. 77 Bagageruimte: Contactdoos Open het afdekkapje van het stopcontact afb. 77. Steek de steker van het elektrische apparaat in het stopcontact. Leg niets op het dashboard. Deze voorwerpen zouden tijdens de rit (bij accelereren of rijden in de bocht) kunnen verschuiven of vallen en uw aandacht van de verkeerssituatie afleiden - kans op ongevallen! Let erop dat er tijdens het rijden geen voorwerpen vanuit de middenconsole of vanuit andere opbergruimten in de voetruimte terecht kunnen komen. U zou Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

78 76 Zitten en opbergen Vervolg dan niet meer in staat zijn te remmen, te koppelen of gas te geven - kans op ongevallen! Koeling dashboardkastje voorpassagierszijde* Het dashboardkastje kan bij auto's met airconditioning worden uitgerust met een afsluitbare toevoer voor de gekoelde lucht. dashboardkastje aan de voorpassagierszijde* Afb. 79 Opbergvak: bediening van de koeling Bij sommige auto's hebben de opbergvakken geen deksel. Afb. 78 Dashboard: dashboardkastje aan de voorpassagierszijde Dashboardkastje aan voorpassagierszijde openen en sluiten Trek de handgreep van de klep in de richting van de pijl afb. 78 en klap deze op. Draai de klep zo ver dat deze hoorbaar vastklikt. Met de draaiknop afb. 79 schakelt u de koeling in, resp. uit. Als de luchttoevoer bij een uitgeschakelde airconditioning wordt geopend, stroomt er aangezogen verse lucht of lucht vanuit het interieur in het dashboardkastje. Als de verwarming is ingeschakeld, of als u niet gebruikmaakt van de koeling, adviseren wij de koeling uit te schakelen. Opbergvak aan de bestuurderszijde Aan de binnenzijde van de onderste klep is een pennenhouder aangebracht. Om veiligheidsredenen moeten de opbergvakken tijdens het rijden altijd zijn gesloten. Afb. 80 Dashboard: Opbergvak aan de bestuurderszijde Niet afsluitbaar vak links onder het stuurwiel.

79 Zitten en opbergen 77 Brillenkoker* Opbergvak in voorstoel* Afb. 81 Uitsnede van het dakraam: Brillenkoker Afb. 83 Voorstoel: Opbergvak Druk op het deksel van het opbergvak, het deksel klapt naar beneden toe open afb. 81. Het vak mag alleen voor het uitnemen of opbergen van de bril geopend worden en moet verder gesloten blijven. Het opbergvak is bedoeld voor het opbergen van kleine voorwerpen tot 1 kg. Trek voor het openen de sluiting omhoog en trek de klep open afb. 83. Voor het sluiten van de klep de sluiting omhoogtrekken en de klep dichtdrukken. Armleuningen van de voorstoelen met opbergvak* opbergvak in middenconsole Niet afsluitbaar vak in de middenconsole. Afb. 82 Middenconsole: Opbergvak Afb. 84 Armleuning: Bergvak / bergvak openen Armleuning opklappen Druk op de onderste knop op de kopkant van de armleuning afb. 84 links. Klap de armleuning neer en laat de toets weer los. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

80 78 Zitten en opbergen Opbergvak openen Druk op de bovenste knop en klap de afdekking van het bergvak naar boven bladzijde 77, afb. 84 rechts. Uitneembare opbergvakken* in de bagageruimte Bij neergeklapte armleuning kan de bewegingsruimte van de armen zijn beperkt. In het stadsverkeer mag de armleuning niet worden neergeklapt. Opbergvak in de voorportieren Afb. 86 Uitneembare opbergvakken In de zijbekleding van de bagageruimte bevindt zich aan beide zijden een uitneembaar opbergvak* afb. 86. De uitneembare opbergvakken* zijn bedoeld voor het opbergen van kleine voorwerpen tot 2,5 kg. Afb. 85 Opbergvak in de portierbekleding Variabel opbergvak* Bij AB van het opbergvak van het voorportier bevindt zich een flessenhouder. Om ervoor te zorgen dat de werking van de zijairbags niet kan worden beïnvloed mag het deel A afb. 85 van het opbergvak alleen worden gebruikt voor het opbergen van voorwerpen die niet uitsteken. Afb. 87 Variabel opbergvak Aan de rechterzijde van de bagageruimte bevindt zich een variabel opbergvak. Het variabele opbergvak is bedoeld voor het opbergen van kleine voorwerpen tot 8 kg. Demontage Pak het flexibele opbergvak bij de beide bovenste hoeken vast.

81 Zitten en opbergen 79 Druk de bovenste hoeken naar binnen en ontgrendel het opbergvak door dit naar boven te trekken. Door naar het midden van de auto te trekken kunt u deze verwijderen. Inbouwen Plaats de beide uiteinden van het variabele opbergvak in de openingen van de rechter zijbekleding van de bagageruimte en schuif dit naar beneden tot het wordt vergrendeld. Wanneer in de bagageruimte de variable laadvloer* ingebouwd is bladzijde 67, kan geen flexibel opbergvak ingebouwd worden. Kledinghaakje* De kledinghaakjes bevinden zich op de greep van de dakhemel boven de achterportieren. Zorg ervoor dat opgehangen kleding het zich naar achteren niet belemmert. Hang alleen maar lichte kleding op en let erop dat er geen zware of scherpe voorwerpen in de zakken zitten. De maximale toelaatbare belasting van de haakjes bedraagt 2 kg. Gebruik geen kleerhaken voor het ophangen van de kleding omdat dan de effectiviteit van de hoofdairbags* nadelig wordt beïnvloed. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

82 80 Verwarming en airconditioning Verwarming en airconditioning Luchtuitstroomroosters De aangegeven informatie geldt voor alle auto's. De luchttoevoer voor de afzonderlijke uitstroomroosters wordt met behulp van de luchtverdeelknop AC ingesteld, bladzijde 81, afb. 89. De luchtuitstroomroosters 3 en 4 kunnen apart worden geopend en gesloten. Uit de geopende luchtuitstroomroosters stroomt al naargelang de regelaar van de verwarming resp airconditioning* en al naargelang de buitentemperatuur verwarmde, resp. onverwarmde, resp. gekoelde lucht. Circulatiefunctie Bij de circulatiefunctie wordt de lucht uit het interieur aangezogen en hier ook weer ingeblazen. Bij de circulatiefunctie wordt voorkomen dat verontreinigde buitenlucht in het interieur terechtkomt, b.v. tijdens het rijden door een tunnel of in een file. Afb. 88 Luchtuitstroomroosters Luchtuitstroomroosters 3 en 4 openen Draai het verticale kartelwiel (Luchtuitstroomrooster 3) resp. het horizontale wiel (luchtuitstroomrooster 4) in de stand. Luchtuitstroomroosters 3 en 4 sluiten Draai het verticale kartelwiel (Luchtuitstroomrooster 3) resp. het horizontale wiel (luchtuitstroomrooster 4) in de stand 0. Luchtstroom uit de luchtuitstroomroosters 3 en 4 wijzigen Om de hoogte van de luchtstroom te wijzigen, de horizontale lamellen m.b.v. de verschuifbare regelaar draaien. Om de luchtstroom naar de zijkant te geleiden, de verticale lamellen m.b.v. de verschuifbare regelaar draaien. Circulatiefunctie inschakelen Druk de toets AD bladzijde 83, afb. 90 in - het controlelampje in de toets gaat branden. Circulatiefunctie uitschakelen Druk opnieuw de toets in - het controlelampje in de toets gaat uit. Als de luchtverdelingsknop AC in de stand bladzijde 83, afb. 90 staat, wordt de circulatiefunctie automatisch uitgeschakeld. Door het opnieuw indrukken van de druktoets kan ook in deze stand de circulatiefunctie weer worden ingeschakeld. Laat de circulatiestand niet te lang ingeschakeld, omdat de verbruikte lucht kan leiden tot vermoeidheid van bestuurder en passagiers, de aandacht kan doen verslappen en kan leiden tot het beslaan van de ruiten. De kans op ongevallen neemt toe. Schakel de circulatiefunctie uit zodra de ruiten beginnen te beslaan.

83 Verwarming en airconditioning 81 Verwarming Bediening Het verwarmingssysteem zorgt voor de lucht in het interieur en verwarmt dit naar behoefte. Afb. 89 Verwarming: Bedieningselementen Temperatuur instellen Draai de draaiknop A afb. 89 naar rechts om de temperatuur te verhogen. Draai de draaiknop A naar links om de temperatuur te verlagen. Het luchtinlaatrooster vóór de voorruit moet vrij zijn van ijs, sneeuw of bladeren zodat de verwarming en ventilatie goed kunnen functioneren. Alle bedieningselementen, behalve de draaiknop AB, kunt u op elke willekeurige tussenstand instellen. De verwarmingscapaciteit is afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof, de maximale verwarmingscapaciteit wordt dan ook pas bij bedrijfswarme motor geleverd. Om het beslaan van de ruiten te voorkomen moet de aanjager steeds zijn ingeschakeld. Als de luchtverdeling op ruiten wordt gericht, wordt de gehele luchthoeveelheid gebruikt voor het ontwasemen van de ruiten en wordt er geen lucht in de voetenruimte aangevoerd. Hierdoor kan het verwarmingscomfort iets worden aangetast. De verbruikte lucht ontsnapt via ontluchtingsopeningen achter in de bagageruimte. Aanjager regelen Draai de aanjagerschakelaar AB in één van de standen 1 t/m 4 om de aanjager in te schakelen. Draai de aanjagerschakelaar AB in de stand 0 om de aanjager uit te schakelen. Als u de verseluchttoevoer wilt sluiten, gebruik dan de toets AD - Circulatiebedrijf bladzijde 80. Regeling voor de luchtverdeling Met de luchtverdeelknop AC wordt de juiste richting van de uitstromende lucht geregeld bladzijde 80. Achterruitverwarming Toets A2 indrukken. Zie voor meer informatie bladzijde 54, Achterruitverwarming. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

84 82 Verwarming en airconditioning Verwarming instellen Aanbevolen instellingen voor de verwarmingsbedieningselementen voor: Instellingen Instelling van de draairegelaars A AB AC Toets A1 Luchtventielen 3 Luchtventielen 4 Voorruit en zijruiten ontwasemen Voorruit en zijruiten van aanslag reinigen De snelste verwarming Aangename verwarming Verseluchttoevoer - ventilatie Tot de aanslag naar rechts Gewenste temperatuur Tot de aanslag naar rechts Gewenste temperatuur Tot bij de aanslag naar links 3 niet inschakelen Sluiten 2 of 3 niet inschakelen Sluiten Openen en naar de zijruit richten Openen en naar de zijruit richten 3 kort inschakelen Opening Opening 2 of 3 niet inschakelen Sluiten Opening Gewenste stelling niet inschakelen Opening Opening Wij adviseren de luchtuitstroomroosters 3 bladzijde 80, afb. 88 in geopende stand te laten.

85 Verwarming en airconditioning 83 Climatic (halfautomatische airconditioning)* Omschrijving Climatic is gecombineerd koel- en verwarmingssysteem met elektronische regeling van de comforttemperatuur in het interieur. Dit maakt een optimale regeling van de luchttemperatuur in elk jaargetijde mogelijk. Beschrijving van de Climatic Een storingvrije werking van de Climatic is belangrijk voor uw veiligheid en het rijcomfort. De airconditioning werkt als de schakelaar AC bladzijde 83, afb. 90 AE is ingedrukt en aan de volgende voorwaarden is voldaan: motor draait, buitentemperatuur hoger dan +2 C en aanjagerschakelaar ingeschakeld (stand 1 t/m 4). Bij ingeschakelde koeling (airco) neemt de temperatuur en de luchtvochtigheid in de auto af. Daardoor wordt bij hoge buitentemperaturen en een hoge luchtvochtigheid het welzijn van de inzittenden van de auto vergroot. In het koude jaargetijde wordt het beslaan van de ruiten voorkomen. De verwarmingscapaciteit is afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof, de maximale verwarmingscapaciteit wordt dan ook pas bij bedrijfswarme motor geleverd. Om het koelende effect te vergroten, kan kortstondig voor de circulatiefunctie worden gekozen. Uit de luchtuitstroomroosters kan bij ingeschakelde koeling (airco) onder bepaalde omstandigheden lucht met een temperatuur van ca. 5 C stromen. Bij langdurige en ongelijkmatige verdeling van de luchtstroom uit de luchtuitstroomroosters (vooral bij de benen) en grote temperatuurverschillen, bijv. bij het uitstappen uit de auto, kunnen personen die hier vatbaar voor zijn last krijgen van verkoudheidsverschijnselen. Het luchtinlaatrooster vóór de voorruit moet vrij zijn van ijs, sneeuw of bladeren, zodat verwarming en ventilatie goed kunnen functioneren. Na het inschakelen van de airconditioning kan er condenswater van de verdamper druppelen en onder de auto een plas vormen. Dat is normaal en geen teken van lekkage! Voor de verkeersveiligheid is het van belang dat alle ruiten vrij zijn van ijs, sneeuw en condens. Lees daarom goed hoe de verwarming en ventilatie moeten worden bediend, hoe de ruiten moeten worden ontwasemd en ontdooid en hoe het interieur moet worden afgekoeld. Laat de circulatiestand niet te lang ingeschakeld, omdat de verbruikte lucht kan leiden tot vermoeidheid van bestuurder en passagiers, de aandacht kan doen verslappen en kan leiden tot het beslaan van de ruiten. De kans op ongevallen neemt toe. Schakel de circulatiefunctie uit zodra de ruiten beginnen te beslaan. Wij adviseren bij ingeschakelde circulatiefunctie niet te roken in de auto omdat de uit het interieur van de auto aangezogen rook op de verdamper van de airconditioning neerslaat. Dat leidt tijdens het gebruik van de Climatic tot permanente geurtjes die alleen maar met grote moeite en hoge kosten (vervanging van de verdamper) ongedaan kunnen worden gemaakt. Bediening Afb. 90 Climatic: Bedieningselementen Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

86 84 Verwarming en airconditioning Temperatuur instellen Draai de draaiknop A afb. 90 naar rechts om de temperatuur te verhogen. Draai de draaiknop A naar links om de temperatuur te verlagen. Aanjager regelen Draai de aanjagerschakelaar AB in één van de standen 1 t/m 4 om de aanjager in te schakelen. Draai de aanjagerschakelaar AB in de stand 0 om de aanjager uit te schakelen. Als u de verseluchttoevoer wilt sluiten, gebruik dan de toets AD - Circulatiebedrijf Regeling voor de luchtverdeling Met de luchtverdelingsknop AC regelt u de juiste richting van de uitstromende lucht. Koeling in- en uitschakelen Druk op de toets AC AE afb. 90. In de toets gaat het controlelampje branden. Door het opnieuw indrukken van de schakelaar AC, wordt de koeling (airco) uitgeschakeld. Het controlelampje in de toets gaat uit. Voor het ontwasemen van de voorruit en de zijruiten wordt de gehele verwarmingscapaciteit gebruikt. Er wordt geen warme lucht naar de beenruimte geleid. Hierdoor kan het verwarmingscomfort iets worden aangetast. De verbruikte lucht ontsnapt via ontluchtingsopeningen achter in de bagageruimte. Als de koeling (airco) gedurende een langere periode niet is ingeschakeld, kunnen op de verdamper geuren ontstaan ten gevolge van afzettingen. Schakel de airconditioning - ook in het koude jaargetijde - minstens eenmaal per maand gedurende circa 5 minuten in de hoogste aanjagerstand in om deze luchtjes te doen verdwijnen. Open gelijktijdig even een ruit. Neem de aanwijzingen met betrekking tot de circulatiefunctie in acht bladzijde 80. Het reinigen van de airconditioning door een geautoriseerde dealer laten uitvoeren. De ingestelde temperatuur wordt automatisch aangehouden, behalve wanneer de draaiknop tegen de linker- of rechteraanslag staat: rechteraanslag - maximale verwarmingscapaciteit. linkeraanslag - maximale koelcapaciteit. De bedieningselementen A en AC kunnen in elke willekeurige tussenstand worden ingesteld. Om het beslaan van de ruiten te voorkomen moet de aanjager steeds zijn ingeschakeld.

87 Verwarming en airconditioning 85 Climatic instellen Geadviseerde instellingen voor de Climatic-bedieningselementen voor de betreffende functies: Instellingen Instelling van de draairegelaars knop A AB AC AD AE Luchtventielen 4 Voorruit en zijruiten ontwasemen aanbevolen 22 C 3 niet inschakelen uitgeschakeld Voorruit en zijruiten van aanslag reinigen Gewenste temperatuur 2 niet inschakelen ingeschakeld Openen en naar de zijruit richten Openen en naar de zijruit richten De snelste verwarming aanbevolen 22 C 3 kort inschakelen uitgeschakeld Opening Aangename verwarming Gewenste temperatuur 2 of 3 niet inschakelen uitgeschakeld Opening snelste afkoeling aanbevolen 22 C kort 4, dan 2 of 3 kort inschakelen ingeschakeld Opening optimale afkoeling Verseluchttoevoer - ventilatie Gewenste temperatuur Tot bij de aanslag naar links 1, 2 resp. 3 niet inschakelen ingeschakeld openen en naar het dak richten Gewenste stelling niet inschakelen uitgeschakeld Opening Wij adviseren de luchtuitstroomroosters 3 bladzijde 80, afb. 88 in geopende stand te laten. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

88 86 Verwarming en airconditioning Economisch gebruik van de airconditioning In de koelstand vraagt de compressor van de Climatic motorvermogen, en heeft daardoor invloed op het brandstofverbruik. Als het interieur van de geparkeerde auto door de zonnestraling sterk is opgewarmd, adviseren wij de ruiten of portieren even te openen om de warme lucht te laten ontsnappen. De koeling (airco) bij voorkeur niet tijdens het rijden inschakelen als de ruiten openstaan. Als de gewenste temperatuur in het interieur ook kan worden bereikt zonder de koeling (airco) in te schakelen moet worden gekozen voor verseluchttoevoer. Milieu Als u brandstof bespaart, vermindert u ook de uitstoot van schadelijke stoffen. Functiestoringen Als de koeling (airco) bij buitentemperaturen van meer dan +5 C niet werkt, is er sprake van een storing. Dat kan de volgende oorzaken hebben: De zekering voor de Climatic is defect. Controleer de zekering en vervang deze zo nodig bladzijde 199. De koeling (airco) wordt automatisch tijdelijk uitgeschakeld, omdat de koelvloeistoftemperatuur van de motor te hoog is opgelopen bladzijde 16. Als u de storing niet zelf kunt opheffen of als de koelcapaciteit terugloopt, schakel dan de koeling (airco) uit. Neem contact op met een Škoda-dealer. Als er een storing in de Climatronic aanwezig is, knipperen na het inschakelen van het contact gedurende 15 seconden alle symbolen op het display. Neem contact op met een Škoda-dealer. Climatronic* (automatische airco) Omschrijving De Climatronic is een automatisch werkend verwarmings-, ventilatie-, en koelsysteem dat zorgdraagt voor een maximaal comfort voor de inzittenden. De Climatronic houdt een eenmaal ingestelde temperatuur volautomatisch constant. Hiertoe worden de temperatuur van de uitstromende lucht, de aanjagerstanden en de luchtverdeling automatisch gewijzigd. De installatie houdt ook rekening met toename van de temperatuur door zonnestralen zodat met de hand naregelen overbodig is. De automatische regeling bladzijde 88 zorgt voor maximaal welzijn in elk jaargetijde. Beschrijving van de Climatronic De koeling (airco) werkt alleen als aan de volgende voorwaarden is voldaan: motor draait, buitentemperatuur hoger dan ca. +2 C, AC ingeschakeld. Bij ingeschakelde koeling (airco) neemt de temperatuur en de luchtvochtigheid in de auto af. Daardoor wordt bij hoge buitentemperaturen en een hoge luchtvochtigheid het welzijn van de inzittenden van de auto vergroot. In het koude jaargetijde wordt het beslaan van de ruiten voorkomen. De verwarmingscapaciteit is afhankelijk van de temperatuur van de koelvloeistof, de maximale verwarmingscapaciteit wordt dan ook pas bij bedrijfswarme motor geleverd. Om het koelende effect te vergroten, kan kortstondig voor de circulatiefunctie worden gekozen. Het luchtinlaatrooster vóór de voorruit moet vrij zijn van ijs, sneeuw of bladeren, zodat verwarming en ventilatie goed kunnen functioneren. Om bij een hoge belasting van de motor de koeling te garanderen, wordt de aircocompressor bij een hoge koelvloeistoftemperatuur uitgeschakeld.

89 Verwarming en airconditioning 87 Na het inschakelen van de airconditioning kan er condenswater van de verdamper druppelen en onder de auto een plas vormen. Dat is normaal en geen teken van lekkage! Aanbevolen instelling voor alle jaargetijden: Stel de gewenste temperatuur in, wij bevelen 22 C (72 F) aan. Druk op de toets AUTO afb. 91. Stel de luchtuitstroomroosters 3 en 4 zo in dat de luchtstroom iets naar boven is gericht. die alleen maar met grote moeite en hoge kosten (vervanging van de verdamper) ongedaan kunnen worden gemaakt. De verbruikte lucht ontsnapt via ontluchtingsopeningen achter in de bagageruimte. Economisch gebruik van de koeling bladzijde 86. Functiestoringen bladzijde 86. Overzicht van de bedieningselementen Omschakelen tussen graden Celsius en graden Fahrenheit Druk de toetsen ECON en AC afb. 91 in en houd ze vast. Op de display verschijnen de meldingen in de gewenste temperatuureenheid. Voor de verkeersveiligheid is het van belang dat alle ruiten vrij zijn van ijs, sneeuw en condens. Lees daarom goed hoe de verwarming en ventilatie moeten worden bediend, hoe de ruiten moeten worden ontwasemd en ontdooid en hoe het interieur moet worden afgekoeld. Laat de circulatiestand niet te lang ingeschakeld, omdat de verbruikte lucht kan leiden tot vermoeidheid van bestuurder en passagiers, de aandacht kan doen verslappen en kan leiden tot het beslaan van de ruiten. De kans op ongevallen neemt toe. Schakel de circulatiefunctie uit zodra de ruiten beginnen te beslaan. Als de koeling (airco) gedurende een langere periode niet is ingeschakeld, kunnen op de verdamper geuren ontstaan ten gevolge van afzettingen. Schakel de koeling - ook in het koude jaargetijde - minstens eenmaal per maand gedurende circa 5 minuten in de hoogste aanjagerstand in om deze geurtjes te voorkomen. Open gelijktijdig even een ruit. Wij adviseren bij ingeschakelde circulatiefunctie niet te roken in de auto omdat de uit het interieur van de auto aangezogen rook op de verdamper van de airconditioning neerslaat. Dat leidt tijdens het gebruik van de airconditioning tot permanente geurtjes Afb. 91 Climatronic: Bedieningselementen Knop/draaiknop A1 Instelling van de interieurtemperatuur De indicaties A2 Gekozen binnentemperatuur, bv. +22 C (72 F) A3 Gracen Celsius resp. Fahrenheit A4 Automatische airco A5 Voorruit van wasem resp. ijsvorming bevrijden A6 Luchtstroom gericht op de voorruit, het hoofd, het bovenlichaam en de voeten A7 Modus circulatielucht A8 Ingeschakelde airco A9 Ingesteld aanjagertoerental Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

90 88 Verwarming en airconditioning Knop/draaiknop A10 Instelling van het aanjagertoerental A11 Binnentemperatuursensor A12 Automatische stand A13 Voorruit van wasem resp. ijsvorming bevrijden A14 Luchtstroom gericht op de ruiten A15 Luchtstroom op het hoofd A16 Luchtstroom in de voetenruimte A17 Modus circulatielucht A18 Ingeschakelde airco In het onderste deel van het aggregaat is de interieurtemperatuursensor A11 geplaatst. Plak of dek deze sensor niet af, omdat dan de werking van de Climatronic negatief kan worden beïnvloed. Automatische stand De automatische stand dient ertoe de temperatuur constant te houden en te voorkomen dat de ruiten aan de binnenzijde beslaan. Automatische stand inschakelen Stel een temperatuur in tussen +18 C (64 F) en +29 C (86 F). Stel de luchtuitstroomroosters 3 en 4 zo in dat de luchtstroom iets naar boven is gericht. Druk de toets AUTO in, op het display verschijnt AUTO. De automatische stand wordt uitgeschakeld door een toets voor de luchtverdeling in te drukken of door het aanjagertoerental te verhogen of te verlagen. De temperatuur wordt desondanks toch afgeregeld. Voorruit ontwasemen Voorruit ontwasemen - inschakelen Druk op de toets bladzijde 87, afb. 91. Voorruit ontwasemen - uitschakelen Druk opnieuw op de toets of de toets AUTO. De temperatuurregeling vindt automatisch plaats. Uit de luchtuitstroomroosters 1 en 2 stroomt meer lucht. Temperatuur instellen Na het inschakelen van het contact kan met behulp van de draaiknop A1 de gewenste interieurtemperatuur worden ingesteld. De temperatuur in het interieur kan tussen +18 C (17,78 C) en +29 C (86 F) worden ingesteld. Binnen dit bereik wordt de interieurtemperatuur automatisch geregeld. Als u een temperatuur lager dan +18 C (64 F) kiest, verschijnt op het display LO. Als een temperatuur hoger dan +29 C (86 F) wordt gekozen, verschijnt op het display HI. In beide eindstanden draait de Climatronic met maximale koel-, resp. verwarmingscapaciteit. Hierbij vindt geen temperatuurregeling plaats. Bij langdurige en ongelijkmatige verdeling van de luchtstroom uit de luchtuitstroomroosters (vooral bij de benen) en grote temperatuurverschillen, bijv. bij het uitstappen uit de auto, kunnen personen die hier vatbaar voor zijn last krijgen van verkoudheidsverschijnselen. Aanjager regelen Er zijn zeven aanjagerstanden beschikbaar. De Climatronic regelt automatisch de aanjagerstanden op basis van de interieurtemperatuur. De aanjagerstanden kunt u echter ook met de hand aan uw behoeftes aanpassen. Draai de draaiknop A10 bladzijde 87, afb. 91 naar links (aanjagertoerental verlagen), resp. naar rechts (aanjagertoerental verhogen).

91 Verwarming en airconditioning 89 Wanneer u de aanjager uitschakeld, wordt de climatronic uitgeschakeld. De verbruikte lucht kan tot vermoeidheid leiden bij bestuurder en passagiers, de aandacht doen verslappen en in bepaalde gevallen leiden tot het beslaan van de ruiten. De kans op ongevallen neemt toe. Schakel de Climatronic niet langer dan noodzakelijk is uit. Schakel de Climatronic direct in zodra de ruiten beginnen te beslaan. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

92 90 Wegrijden en rijden Wegrijden en rijden Stuurwielstanden instellen Vervolg Houd tijdens het rijden het stuurwiel met de beide handen aan de zijkant op de buitenrand in de stand van 9 uur en 3 uur vast. Houd het stuurwiel nooit in de 12-uursstand of in een andere stand vast (bijv. in het midden of aan de binnenste stuurwielrand). In een dergelijk geval zou, bij het activeren van de bestuurdersairbag, letsel kunnen worden opgelopen aan armen, handen en hoofd. Contactslot Afb. 92 Verstelbaar stuurwiel: Hendel onder de stuurkolom / veilige afstand van het stuurwiel De stand van het stuurwiel is in hoogte en lengterichting instelbaar. Stel de bestuurdersstoel in bladzijde 59. Klap de hendel onder de stuurkolom afb. 92 naar beneden. Plaats het stuurwiel in de gewenste stand (hoogte en hoek). Druk daarna de hendel naar boven tegen de stuurkolom totdat hij vergrendelt. Het stuurwiel mag nooit tijdens de rit worden versteld! De bestuurder moet een minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het stuur aanhouden afb. 92. Als deze minimale afstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Om veiligheidsredenen moet de hendel altijd vast naar boven zijn gedrukt zodat de stand van het stuurwiel onder het rijden niet onbedoeld kan wijzigen - kans op ongevallen! Als het stuurwiel meer in de richting van het hoofd wordt versteld, zal bij een aanrijding de bestuurdersairbag minder bescherming bieden. Controleer of het stuurwiel naar de borst is gericht. Afb. 93 Contactslotstanden Benzinemotoren A1 - contact uitgeschakeld, motor afgezet, de stuurinrichting kan worden geblokkeerd A2 - contact ingeschakeld A3 - motor starten Dieselmotoren A1 - onderbreking van de brandstoftoevoer, contact uitgeschakeld, motor afgezet, de stuurinrichting kan worden geblokkeerd A2 - motor voorgloeien, contact ingeschakeld Tijdens het voorgloeien mogen er geen grotere elektrische verbruikers zijn ingeschakeld - anders wordt de autoaccu onnodig belast.

93 Wegrijden en rijden 91 A3 - motor starten Voor alle auto's geldt: Stand A1 Voor het blokkeren van de stuurinrichting terwijl de contactsleutel uit het slot is genomen moet het stuurwiel worden verdraaid tot de blokkeerpen hoorbaar in de vergrendeling valt. In principe moet u altijd de stuurinrichting blokkeren (op slot zetten) als u uw auto verlaat. Zo wordt een eventuele diefstal van uw auto bemoeilijkt. Stand A2 Als de contactsleutel niet of slechts met moeite in deze stand kan worden gedraaid, draai dan het stuurwiel iets heen en weer - de stuurblokkering wordt daardoor ontlast. Stand A3 In deze stand wordt de motor gestart. Gelijktijdig worden het ingeschakelde dim- of grote licht of andere elektrische verbruikers met een hoog verbruik kortstondig uitgeschakeld. Na het loslaten van de sleutel keert de contactsleutel weer terug in stand A2. Elke keer als de motor weer moet worden gestart, moet de contactsleutel in stand A1 worden teruggedraaid. De startherhalingsblokkering in het contactslot voorkomt dat de startmotor bij draaiende motor in de starterkrans grijpt en daardoor wordt beschadigd. Tijdens het rijden met een stilstaande motor moet de contactsleutel altijd in stand A2 (contact ingeschakeld) staan. Deze stand wordt door het gaan branden van de controlelampjes aangegeven. Als dit niet het geval is, kan onverwacht het stuurwiel worden vergrendeld - kans op ongevallen! Haal de contactsleutel pas uit het contactslot als de auto tot stilstand is gekomen. Het stuurwielslot kan direct aangrijpen - kans op ongevallen! Als u de auto verlaat - ook al is het maar voor even - neem dan in ieder geval de sleutel uit het contactslot. Dat geldt vooral als er kinderen in de auto achterblijven. De kinderen zouden anders de motor kunnen starten of elektrische systemen (bijv. elektrisch bediende ruiten) kunnen bedienen - kans op ongevallen! Motor starten Algemeen U kunt de motor alleen maar met de originele contactsleutel starten. Voor het starten de versnellingshendel in de vrijstand plaatsen (bij automatische versnellingsbak in de keuzehendelstand P of N) en de handrem vast aantrekken. Tijdens het starten het koppelingspedaal geheel intrappen - de startmotor hoeft dan alleen maar de motor rond te draaien. Zodra de motor aanslaat, de contactsleutel direct loslaten - anders zou de startmotor kunnen worden beschadigd. Na het starten van de koude motor kan er even sprake zijn van extra motorgeluid, omdat er eerst oliedruk moet worden opgebouwd in de hydraulische klepstoters. Dat is een normaal effect en heeft dan ook geen enkele betekenis. Als de motor niet aanslaat... Als starthulp kunt u de accu van een andere auto gebruiken bladzijde 194. Alleen auto's met een schakelbak kunnen worden aangesleept. De sleepafstand mag niet meer dan 50 meter bedragen bladzijde 197. Laat de motor nooit in een ongeventileerde of afgesloten ruimte draaien. De uitlaatgassen van de motor bevatten onder andere het geur- en kleurloze koolmonoxide, een giftig gas - levensgevaarlijk! Koolmonoxide kan leiden tot bewusteloosheid en zelfs tot de dood. Laat nooit uw auto met draaiende motor onbeheerd achter. Voorzichtig! De startmotor mag alleen worden ingeschakeld (contactsleutelstand A3 ) als de motor stilstaat. Als de startmotor direct na het uitzetten van de motor wordt ingeschakeld, kan de startmotor of de motor worden beschadigd. Vermijd hoge toerentallen, vol gas en sterke motorbelasting zolang de motor zijn bedrijfstemperatuur nog niet heeft bereikt - kans op motorschade! Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

94 92 Wegrijden en rijden Bij auto's met katalysator mag de motor niet worden gestart door de auto aan te slepen over een afstand van meer dan 50 meter. Milieu Laat de motor nooit warmdraaien terwijl de auto stilstaat. Rijd direct weg. Bij het rijden komt de motor sneller op bedrijfstemperatuur en is de uitstoot aan schadelijke stoffen geringer. Benzinemotoren Deze motoren zijn uitgevoerd met een inspuitsysteem dat automatisch bij elke buitentemperatuur het juiste benzine-luchtmengsel levert. Geef voor en tijdens het starten van de motor geen gas. Als de motor niet aanslaat, de startprocedure na ca. 10 seconden onderbreken en na ca. een halve minuut herhalen. Als de motor desondanks nog niet aanslaat, kan de zekering voor de elektrische benzinepomp defect zijn. Controleer de zekering en vervang deze zo nodig bladzijde 199. Als de motor ook hierna niet aanslaat, neem dan contact op met de dichtstbijzijnde Škoda-dealer. Bij zeer hete motor kan het na het aanslaan van de motor nodig zijn, iets gas te geven. Dieselmotoren Voorgloei-installatie Dieselmotoren zijn met een voorgloei-installatie uitgerust waarvan de voorgloeitijd automatisch wordt geregeld op basis van de koelvloeistof- en buitentemperatuur. Na het inschakelen van het contact gaat het voorgloeicontrolelampje branden. Tijdens het voorgloeien mogen er geen grotere elektrische verbruikers zijn ingeschakeld - anders wordt de autoaccu onnodig belast. Direct nadat het voorgloeicontrolelampje is uitgegaan, moet de motor worden gestart. Bij een op bedrijfstemperatuur zijnde motor, resp. bij buitentemperaturen boven de +5 C zal het voorgloeicontrolelampje slechts ca. 1 seconde branden. Dat betekent dat de motor direct kan worden gestart. Als de motor niet aanslaat, de startprocedure na ca. 10 seconden onderbreken en na ca. een halve minuut herhalen. Als de motor desondanks nog niet aanslaat, kan de zekering voor het dieselvoorgloeisysteem defect zijn. Controleer de zekering en vervang deze zo nodig bladzijde 199. Roep de hulp van de dichtstbijzijnde Škoda-dealer in. Starten van de motor nadat de brandstoftank is leeggereden Als de brandstoftank geheel is leeggereden, kan het starten na het tanken van de dieselolie langer duren dan gebruikelijk - tot zo'n 1 minuut -. Dat komt omdat het brandstofsysteem tijdens het starten eerst moet worden gevuld. Motor afzetten De motor zet u door de contactsleutel in de stand A1 te draaien uit bladzijde 90, afb. 93. Zet nooit de motor af, voordat de auto stilstaat - kans op ongevallen! De rembekrachtiger werkt alleen bij draaiende motor. Bij afgezette motor is meer kracht nodig voor het indrukken van het rempedaal. Omdat u hierbij niet, zoals gewend, kunt stoppen, zou dit kunnen leiden tot een ongeval en ernstig letsel. Voorzichtig! Na een langdurige hoge motorbelasting moet u aan het einde van de rit de motor niet direct afzetten maar deze nog ongeveer 2 minuten stationair laten draaien. Zo voorkomt u het ophopen van de warmte bij de afgezette motor.

95 Wegrijden en rijden 93 Na het afzetten van de motor kan ook bij uitgeschakeld contact de koelluchtventilator nog ca. 10 minuten doordraaien. De koelluchtventilator kan zichzelf echter ook na enige tijd weer inschakelen, als de koelvloeistoftemperatuur door de stuwwarmte oploopt of als bij warme motor de motorruimte door sterke zonnestraling nog eens extra wordt verwarmd. Bij werkzaamheden in de motorruimte is dan ook de grootste voorzichtigheid geboden bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte. Schakelen (schakelbak) Tijdens het rijden mag de hand niet op de versnellingshendel rusten. De druk van de hand wordt overgebracht op de schakelvorken in de versnellingsbak. Dit kan op den duur leiden tot voortijdige slijtage van de schakelvorken. Druk het koppelingspedaal bij het schakelen altijd geheel in, om onnodige slijtage en beschadigingen te voorkomen. Handrem Afb. 94 Schakelpatroon bij auto's met handgeschakelde 5-versnellingsbak Schakel de achteruitversnelling alleen maar bij stilstaande auto in. Trap het koppelingspedaal in en houd dat helemaal ingetrapt. Wacht een ogenblik voordat u de achteruitversnelling inschakelt om schakelgeluiden te voorkomen. Bij ingeschakelde achteruitversnelling en ingeschakeld contact branden de achteruitrijlampen. Schakel tijdens het rijden nooit de achteruitversnelling in - kans op ongevallen! Handrem aantrekken Trek de handremhendel helemaal naar boven. Afb. 95 Middenconsole: Handrem Handrem lossen Trek de handremhendel iets naar boven en druk gelijktijdig de blokkeerknop afb. 95 in. Druk de hendel met ingedrukte knop helemaal naar beneden. Bij aangetrokken handrem en ingeschakeld contact brandt het handremcontrolelampje. Als per vergissing met aangetrokken handrem wordt weggereden, weerklinkt een waarschuwingstoon en op het informatiedisplay* verschijnt de aanwijzing: Release parking brake! (Parkeerrem lossen!) Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

96 94 Wegrijden en rijden De handremwaarschuwing wordt actief als langer dan 3 seconden met een snelheid boven de 6 km/u wordt gereden. Zorg ervoor dat de aangetrokken handrem volledig is gelost. Een maar gedeeltelijk geloste handrem kan tot oververhitting van de achterremmen leiden en daardoor de werking van het remsysteem negatief beïnvloeden - kans op ongevallen! Bovendien leidt dit tot voortijdige slijtage van de remvoering, achter. Laat nooit kinderen zonder toezicht in de auto achter. De kinderen zouden dan bijvoorbeeld de handrem los kunnen zetten of de auto in de vrijstand kunnen zetten. De auto zou zich in beweging kunnen zetten - kans op ongevallen! Voorzichtig! Als de auto tot stilstand is gekomen, altijd eerst de handrem aantrekken en daarna als extra een versnelling inschakelen (schakelbak) of de keuzehendel in de stand P plaatsen (automaat). Parkeerhulp* De parkeerhulp waarschuwt voor obstakels achter de auto. Afb. 96 Parkeerhulp: Bereik van de sensoren De akoestische parkeerhulp bepaalt met behulp van ultrasone sensoren de afstand tussen de achterbumper en een obstakel achter de auto. De sensoren bevinden zich in de achterbumper. Bereik van de sensoren De afstandswaarschuwing start bij een afstand van ongeveer 160 cm tot aan het obstakel (bereik A afb. 96). Als de afstand korter wordt, worden ook de tussenpozen tussen de toonimpulsen korter. Vanaf een afstand van ca. 30 cm (bereik AB ) is een constante toon hoorbaar - gevarenzone. Vanaf hier mag u niet verder achteruit rijden! Is de auto uitgerust met een ingebouwde trekhaak*, dan begint de grens van het gevaarbereik constante toon 5 cm verder achter de auto. De auto kan door een ingebouwde, verwijderbare aanhangerwaarschuwing langer worden. Inschakelen De parkeerhulp wordt bij ingeschakeld contact bij het inschakelen van de achteruitversnelling automatisch geactiveerd. Dit wordt door een korte bevestigingstoon aangegeven. Uitschakelen De parkeerhulp wordt uitgeschakeld door de wagen uit de achteruitversnelling te halen. De parkeerhulp kan de aandacht van de bestuurder niet vervangen. De verantwoording bij het parkeren en dergelijke rijmanoeuvres ligt bij de bestuurder. Controleer daarom voor het achteruitrijden of er zich achter de auto geen kleine obstakels, bijv. een steen, klein paaltje, aanhangwagendissel o.i.d. bevindt. Dit obstakel zou buiten het gedetecteerde gebied kunnen liggen. Af ent die kunnen bepaalde oppervlaktes van bepaalde artikels of van kleding onder bepaalde omstandighede het signaal van de parkeerhulp niet reflecteren. Daarom kunnen deze artikelen of personen, die zulke kleding dragen, niet herkend worden door de sensoren van de parkeerhulp.

97 Wegrijden en rijden 95 Bij het rijden met een aanhangwagen is de parkeerhulp uitgeschakeld (geldt voor auto's met een af fabriek ingebouwde trekhaak*). Als ongeveer vijf seconden na het inschakelen van het contact en bij ingeschakelde achteruitversnelling een waarschuwingssignaal weerklinkt en er zich geen obstakel in de buurt van de auto bevindt, is er sprake van een systeemstoring. Het is mogelijk dat de akoestische waarschuwing niet correct functioneert (een obstakel achter de auto wordt eventueel niet herkend - wees extra voorzichtig). Laat de storing door een Škoda-dealer opheffen. Als na het inschakelen van het contact en na het inschakelen van de achteruitversnelling de akoestische waarschuwing 3 seconden lang weerklinkt, heeft zich een fout in het systeem voorgedaan. Het is mogelijk dat de akoestische waarschuwing niet correct functioneert (een obstakel achter de auto wordt eventueel niet herkend - wees extra voorzichtig). Laat de storing door een Škoda-dealer opheffen. De sensoren moeten schoon en ijsvrij worden gehouden zodat de parkeerhulp kan functioneren. Als de parkeerhulp is geactiveerd en de keuzehendel van de automatische versnellingsbak in de stand AP staat, wordt de akoestische signalering onderbroken (de auto kan niet rijden). Vervolg Om een onbedoeld gebruik van het snelheidsregelsysteem te voorkomen, moet dit systeem na het gebruik steeds worden uitgeschakeld. Wagens met handgeschakelde versnellingsbak: Als u bij een ingeschakeld snelheidsregelsysteem de vrijstand van de versnellingsbak inschakelt, moet u altijd het koppelingspedaal intrappen! Anders zou de motor onbedoeld met een te hoog toerental kunnen gaan draaien. Bij het rijden op steilere hellingen kan het snelheidsregelsysteem de snelheid niet constant houden. Door het eigen gewicht van de auto neemt de snelheid toe. Schakel daarom tijdig terug naar een lagere versnelling of rem de auto met de voetrem af. Bij auto's met automatische versnellingsbak kan het snelheidsregelsysteem niet worden ingeschakeld als de keuzehendel in stand P, N of R staat. Snelheid opslaan Snelheidsregelsysteem (SRS)* Inleiding Het snelheidsregelsysteem (SRS) houdt de ingestelde snelheid, hoger dan 30 km/uur (20 mph), constant, zonder dat het gaspedaal hoeft te worden ingedrukt. Dit gebeurt natuurlijk alleen maar in de mate waarin motorvermogen, resp. motorremvermogen dit mogelijk maken. Met behulp van het snelheidsregelsysteem kunt u - vooral op lange afstanden - de gaspedaalvoet ontlasten. Om veiligheidsredenen mag het snelheidsregelsysteem bij intensief verkeer en een slechte staat van het wegdek (zoals bijv. bij gladheid, split) niet worden gebruikt kans op ongevallen! Bediening Veiligheid en voor het rijden Afb. 97 Bedieningshendel: Tuimel- en schuifschakelaar van het snelheidsregelsysteem Het snelheidsregelsysteem wordt bediend met behulp van de schakelaar A en de tuimelschakelaar AB in de linkerhendel van de multifunctieschakelaar. Druk de schakelaar A afb. 97 in de stand ON. Na het bereiken van de gewenste snelheid drukt u de tuimelschakelaar AB in de stand SET- - de huidige snelheid wordt in het geheugen opgeslagen. Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

98 96 Wegrijden en rijden Na het loslaten van de tuimelschakelaar AB vanuit de stand SET-, wordt de in het geheugen opgeslagen snelheid zonder het gaspedaal aan te raken constant aangehouden. U kunt de snelheid door het indrukken van het gaspedaal verhogen. Na het loslaten van het pedaal loopt de snelheid weer terug naar de eerder opgeslagen waarde. Dit geldt echter niet als u de snelheid gedurende een periode van langer dan 5 minuten met meer dan 10 km/uur overschrijdt. De opgeslagen snelheid wordt uit het geheugen gewist. De snelheid moet opnieuw worden opgeslagen. De snelheid kan men op de gebruikelijke wijze verlagen. Door het indrukken van het rem- of koppelingspedaal wordt het systeem tijdelijk uitgeschakeld bladzijde 96. De in het geheugen opgeslagen snelheid mag alleen weer worden hervat als deze voor de dan bestaande verkeersomstandigheden niet te hoog is. Opgeslagen snelheid wijzigen De snelheid kunt u ook zonder het gaspedaal in te drukken wijzigen. Sneller De opgeslagen snelheid kunt u zonder dat het gaspedaal hoeft te worden ingedrukt of worden losgelaten door het indrukken van de tuimelschakelaar AB bladzijde 95, afb. 97 in de stand RES+ verhogen. Als u de tuimelschakelaar in de stand RES+ ingedrukt houdt, wordt de snelheid continu verhoogd. Na het bereiken van de gewenste snelheid laat u de tuimelschakelaar los. Daardoor wordt de nieuw bereikte snelheid in het geheugen opgenomen. Langzamer De opgeslagen snelheid kunt u door de tuimelschakelaar AB in de stand SET- te drukken verlagen. Als de druktoets in de stand SET- ingedrukt wordt gehouden, wordt de snelheid continu verlaagd. Na het bereiken van de gewenste snelheid laat u de tuimelschakelaar los. Daardoor wordt de nieuw bereikte snelheid in het geheugen opgenomen. Als de tuimelschakelaar bij een lagere snelheid dan 30 km/u wordt losgelaten, wordt de snelheid niet meer in het geheugen opgeslagen, het geheugen wordt gewist. De snelheid moet na een snelheidsverhoging tot boven de 30 km/h opnieuw door het indrukken van de tuimelschakelaar AB in de stand SET- in het geheugen worden opgeslagen. Snelheidsregelsysteem tijdelijk uitschakelen Het snelheidsregelsysteem schakelt u door het rem- of koppelingspedaal in te drukken tijdelijk uit, bij auto's met automatische versnellingsbak alleen met behulp van het rempedaal. Het snelheidsregelysteem kunt u ook tijdelijk uitschakelen door de schakelaar A in de middenstand te drukken. De in het geheugen opgeslagen snelheid blijft in het geheugen staan. De in het geheugen opgeslagen snelheid wordt weer hervat zodra het rem- of koppelingspedaal wordt losgelaten, bij auto's met automatische versnellingsbak alleen na het loslaten van het rempedaal en nadat de tuimelschakelaar AB bladzijde 95, afb. 97 even in stand RES+ wordt gedrukt. De in het geheugen opgeslagen snelheid mag alleen weer worden hervat als deze voor de dan bestaande verkeersomstandigheden niet te hoog is. Snleheidsregelsysteem volledig uitschakelen Druk de schakelaar A bladzijde 95, afb. 97 naar rechts in de stand OFF.

99 Automatische versnellingsbak 97 Automatische versnellingsbak Automatische versnellingsbak* en voor het rijden met de automatische 6- versnellingsbak* Uw auto is uitgerust met een conventionele automatische 6-versnellingsbak. De maximumsnelheid wordt bereikt in de 6e versnelling. De 6e versnelling dient als economisch rijprogramma wat erop is gericht het brandstofverbruik te reduceren. Het op- en terugschakelen gebeurt automatisch. U kunt de versnellingsbak echter ook in de Tiptronic-stand zetten. In deze stand is het mogelijk handmatig te schakelen bladzijde 101. Wegrijden en rijden Druk het rempedaal in en houd dit ingedrukt. Houd de blokkeerknop (knop in handgreep van keuzehendel) ingedrukt, zet de keuzehendel in de gewenste stand, bijv. D bladzijde 99 en laat de blokkeerknop weer los. Wacht een ogenblik tot de versnellingsbak heeft geschakeld (lichte inschakelschok voelbaar). Laat het rempedaal los en geef gas. Stoppen Bij een tijdelijke stop, bijv. voor een kruising, hoeft de keuzehendel niet in stand N te worden geplaatst. Het is voldoende, de auto met behulp van het rempedaal tegen te houden. De motor mag hierbij alleen stationair draaien. Parkeren Trap op het rempedaal en houd dit ingedrukt. Handrem stevig aantrekken. Houd de blokkeerknop in de keuzehendel ingedrukt en zet de keuzehendel in de stand P en laat de blokkeerknop los. De motor kan alleen maar in de keuzehendelstand P of N worden gestart bladzijde 91. Bij het parkeren op een vlakke weg is het voldoende de keuzehendelstand P in te schakelen. Bij een aflopende weg moet eerst de handrem worden aangetrokken en daarna pas de keuzehendelstand P worden ingeschakeld. Daardoor bereikt u dat het blokkeermechanisme niet al te sterk wordt belast en de keuzehendel gemakkelijker uit stand P kan worden gehaald. Als per ongeluk tijdens het rijden de keuzehendel in de stand N is geplaatst, moet het gaspedaal worden losgelaten en moet worden gewacht tot de motor stationair draait, voordat de keuzehendel weer in een rijstand kan worden geplaatst. Geef geen gas als u bij stilstaande auto en draaiende motor de keuzehendelstand wilt wijzigen - kans op ongevallen! Schakel tijdens het rijden nooit de keuzehendel in stand R of P - kans op ongevallen! Bij een stilstaande auto en draaiende motor is het in alle keuzehendelstanden (behalve P en N) nodig, de auto met het rempedaal tegen te houden omdat ook bij stationair toerental de krachtoverbrenging niet geheel wordt onderbroken - de auto kruipt. en voor het rijden met de automatische versnellingsbak DSG* De afkorting DSG betekent direct shift gearbox (direct aangestuurde schakelbak). Voor de krachtoverbrenging tussen de motor en de versnellingsbak zorgen twee onafhankelijke koppelingen. Deze vervangen de koppelomvormer van de conventionele automatische versnellingsbak. De schakeling hiervan is zo afgestemd dat bij het scha- Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

100 98 Automatische versnellingsbak kelen van de versnellingsbak geen schokken ontstaan en de vermogensoverdracht van de motor naar de voorwielen niet wordt onderbroken. Het op- en terugschakelen gebeurt automatisch. U kunt de versnellingsbak echter ook in de Tiptronic-stand zetten. In deze stand is het mogelijk handmatig te schakelen bladzijde 101. Wegrijden en rijden Druk het rempedaal in en houd dit ingedrukt. Houd de blokkeerknop (knop in handgreep van keuzehendel) ingedrukt, zet de keuzehendel in de gewenste stand, bijv. D en laat de blokkeerknop weer los. Laat het rempedaal los en geef gas. Stoppen Bij een tijdelijke stop, bijv. voor een kruising, hoeft de keuzehendel niet in stand N te worden geplaatst. Het is voldoende om de stilstaande auto met de rem tegen te houden. De motor mag hierbij alleen stationair draaien. Parkeren Trap op het rempedaal en houd dit ingedrukt. Handrem stevig aantrekken. Houd de blokkeerknop in de keuzehendel ingedrukt en zet de keuzehendel in de stand P en laat de blokkeerknop los. De motor kan alleen maar in de keuzehendelstand P of N worden gestart bladzijde 91. Bij temperaturen onder -10 C kan de motor alleen in de keuzehendelstand P worden gestart. Bij het parkeren op een vlakke weg is het voldoende de keuzehendelstand P in te schakelen. Bij een aflopende weg moet eerst de handrem worden aangetrokken en daarna pas de keuzehendelstand P worden ingeschakeld. Daardoor bereikt u dat het blokkeermechanisme niet al te sterk wordt belast en de keuzehendel gemakkelijker uit stand P kan worden gehaald. Als per ongeluk tijdens het rijden de keuzehendel in de stand N is geplaatst, moet het gaspedaal worden losgelaten en moet worden gewacht tot de motor stationair draait, voordat de keuzehendel weer in een rijstand kan worden geplaatst. Geef geen gas als u bij stilstaande auto en draaiende motor de keuzehendelstand wilt wijzigen - kans op ongevallen! Schakel tijdens het rijden nooit de keuzehendel in stand R of P - kans op ongevallen! Als u op een helling moet stoppen, probeer dan nooit de auto met een ingeschakelde versnelling met behulp van gas geven op zijn plaats te houden, dat wil zeggen met behulp van een slippende koppeling. Dit kan leiden tot oververhitting van de koppeling. Als door overbelasting de kans op oververhitting van de koppeling ontstaat, wordt de koppeling automatisch ontkoppeld en rolt de auto naar achteren - kans op ongevallen! Als op een helling moet worden gestopt, moet het rempedaal worden ingedrukt en ingedrukt worden gehouden om zo het terugrollen van de auto te voorkomen. Voorzichtig! De dubbele koppeling bij de automatische versnellingsbak DSG is uitgevoerd met een overbelastingsbeveiliging. Als u gebruikmaakt van de functie up-hill, waarbij de auto stilstaat of langzaam bergopwaarts rijdt, staan de koppelingen bloot aan een hogere warmtebelasting. Als er een oververhitting ontstaat, verschijnt op de Iinformatiedisplay* de controlelamp en een waarschuwingstekst bladzijde 24. Stop in een dergelijk geval de wagen, schakel de motor uit en wacht tot de controlelamp en de waarschuwingstekst doven - Gevaar voor schade aan de versnellingsbak! Na het doven van de controlelamp en het verdwijnen van de waarschuwingstekst kunt u de rit voortzetten.

101 Automatische versnellingsbak 99 Keuzehendelstanden Afb. 98 Keuzehendel/Informatiedisplay: Keuzehendelstanden De ingeschakelde keuzehendelstand wordt op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel door oplichting van het betreffende versnellingssymbool afb. 98 rechts zichtbaar gemaakt. In de standen D en S verschijnt op het display bovendien de zojuist ingeschakelde versnelling. AP - parkeerblokkering In deze stand zijn de aangedreven wielen mechanisch geblokkeerd. De parkeerblokkering mag alleen maar bij stilstaande auto worden ingeschakeld. Om de keuzehendel in deze stand te zetten of weer uit deze stand te nemen moet de blokkeerknop in de keuzehendel en gelijktijdig het rempedaal worden ingedrukt. AR - achteruitversnelling De achteruitversnelling mag alleen bij stilstaande auto en stationair toerental worden ingeschakeld. Voor het inschakelen van de stand R vanuit de standen P of N moet het rempedaal worden ingetrapt en moet gelijktijdig de blokkeerknop worden ingedrukt. Als het contact is ingeschakeld en de keuzehendel in de stand R staat, branden de achteruitrijlampen. AN - Neutraal (onbelaste stand) In deze stand staat de versnellingsbak in de onbelaste stand. Als u de keuzehendel vanuit de stand N (als de keuzehendel langer dan 2 seconden in deze stand stond) wilt verplaatsen naar de stand D, moet bij snelheden beneden de 5 km/h, alsmede bij een stilstaande auto en bij ingeschakeld contact het rempedaal worden ingedrukt. AD - permanente stand voor vooruitrijden In deze stand worden de vooruitversnellingen afhankelijk van motorbelasting, rijsnelheid en dynamisch schakelprogramma automatisch op- en teruggeschakeld. Voor het inschakelen van stand D vanuit N moet bij snelheden lager dan 5 km/h, resp. bij stilstaande auto het rempedaal worden ingetrapt. Onder bepaalde omstandigheden (bijv. bij het rijden in de bergen of met een aanhangwagen) kan het zinvol zijn, tijdelijk op het handschakelprogramma bladzijde 101 over te gaan om de overbrengingsverhouding met de hand aan de rijomstandigheden aan te passen. AS - stand voor sportief rijden Door laat opschakelen wordt het vermogenspotentieel van de motor volledig benut. Het terugschakelen vindt bij hogere motortoerentallen plaats dan in de stand D. In de stand S wordt de 6e versnelling niet ingeschakeld, omdat de topsnelheid in de 5e versnelling wordt bereikt 9). Bij het plaatsen van de keuzehendel in stand S vanuit stand D moet de blokkeerknop in de handgreep van de keuzehendel worden ingedrukt. Schakel tijdens het rijden nooit de keuzehendel in stand R of P - kans op ongevallen! Bij een stilstaande auto en draaiende motor is het in alle keuzehendelstanden (behalve P en N) nodig, de auto met het rempedaal tegen te houden omdat ook bij stationair toerental de krachtoverbrenging niet geheel wordt onderbroken - de auto kruipt. Als bij stilstaande auto een rijversnelling is ingeschakeld mag in geen geval achteloos gas worden gegeven (bijv. met de hand vanuit de motorruimte). De 9) Geldt voor auto's met automatische versnellingsbak DSG. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

102 100 Automatische versnellingsbak Vervolg auto zal dan direct gaan rijden - soms ook als de handrem vast is aangetrokken - kans op ongevallen! Voordat u of andere personen de motorkap openen en aan de draaiende motor gaan werken, moet de keuzehendel in stand P worden geplaatst en de handrem stevig worden aangetrokken - kans op ongevallen! Neem beslist de waarschuwingsaanwijzingen in acht bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte. Vergrendeling van de keuzehendel Automatische keuzehendelblokkering Bij ingeschakeld contact is de keuzehendel in de standen P en N geblokkeerd. Om de hendel vanuit deze stand te deblokkeren moet het rempedaal worden ingedrukt. Als herinnering voor de bestuurder gaat bij de keuzehendelstanden P en N het controlelampje bladzijde 31 op het instrumentenpaneel branden. Het tijdvertragingselement zorgt ervoor dat bij het vlot schakelen door de stand N (bijv. van R naar D) de keuzehendel niet wordt geblokkeerd. Hierdoor is het bijv. mogelijk een vastzittende auto door snel naar voren/naar achteren te rijden los te rijden. Als de keuzehendel bij niet-ingedrukt rempedaal langer dan 2 seconden in de stand N staat, grijpt de keuzehendelblokkering aan. De keuzehendelblokkering werkt alleen bij stilstaande auto en bij snelheden tot 5 km/h. Bij hogere snelheden wordt de blokkering in de stand N automatisch uitgeschakeld. Blokkeerknop De blokkeerknop in de handgreep van de keuzehendel voorkomt dat er per vergissing enige versnellingen kunnen worden ingeschakeld. Als u de blokkeerknop indrukt, wordt de keuzehendelblokkering opgeheven. Blokkering contactsleutel tegen uittrekken uit contactslot U kunt de contactsleutel na het uitschakelen van het contact alleen maar uit het contactslot trekken als de keuzehendel in stand P staat. Bij een uit het contactslot getrokken sleutel is de keuzehendel in de stand P geblokkeerd. Kick-downfunctie De kick-downfunctie maakt maximale acceleratie mogelijk. Als het gaspedaal geheel wordt ingedrukt, wordt, om het even welk rijprogramma is ingeschakeld, de kick-downfunctie geactiveerd. Deze functie is boven het rijprogramma geplaatst, zonder rekening te houden met de actuele keuzehendelstand (D, S of Tiptronic), en dient voor de maximale acceleratie van de auto, waarbij volledig wordt gebruikgemaakt van het maximale vermogen van de motor. De versnellingsbak schakelt, afhankelijk van de rijstand, een of zelfs meerdere versnellingen terug en de auto accelereert. Het overschakelen naar ee hogere versnelling gebeurt pas als het maximaal voorgeschreven motortoerental wordt bereikt. Denk erom dat bij een glad, glibberig wegdek de aangedreven wielen door het inschakelen van het kick-downsysteem kunnen doordraaien - slipgevaar! Dynamisch schakelprogramma De automatische versnellingsbak van uw auto wordt elektronisch gestuurd. Het op- en terugschakelen van de versnellingen gebeurt automatisch op basis van het vooraf ingestelde rijprogramma. Bij een ingehouden rijstijl kiest de versnellingsbak het meest economische rijprogramma. Door vroegtijdig opschakelen en laat terugschakelen wordt het brandstofverbruik gunstig beïnvloed. Bij een sportieve rijstijl met snelle gaspedaalbewegingen, bij snel accelereren en vaak wisselende snelheden, bij het volledig gebruiken van de topsnelheid, zal na het indrukken van het gaspedaal (kick-downfunctie) de versnellingsbak zich aan deze rijstijl aanpassen en zal eerder terugschakelen, vaak ook met meerdere versnellingen dan in de conventionele rijstijl. De keuze van het meest gunstige programma is een continu verlopend proces. Onafhankelijk daarvan is het echter mogelijk door het gaspedaal snel in te drukken, een dynamischer schakelprogramma te selecteren of terug te schakelen. Daarbij schakelt de versnellingsbak terug naar een versnelling die overeenkomt met de rijsnelheid, waardoor vlot accelereren mogelijk is (bijv. bij het inhalen) zonder dat het gaspedaal

103 Automatische versnellingsbak 101 tot aan de kick-downstand hoeft te worden ingetrapt. Nadat de bak weer is opgeschakeld, wordt bij de dan geldende rijstijl het oorspronkelijke programma weer ingesteld. Bij het rijden in de bergen wordt de keuze van de versnellingen aangepast aan de hellingen en afdalingen. Daardoor wordt voorkomen dat de bak bij bergopwaarts rijden tussen de versnellingen heen en weer gaat schakelen. Bij het bergafwaarts rijden is het mogelijk in de Tiptronic-stand terug te schakelen om volledig gebruik te kunnen maken van het remmoment van de motor. Tiptronic De Tiptronic stelt de bestuurder in staat de versnellingen ook met de hand in te schakelen. Terugschakelen Tik de keuzehendel (in de Tiptronic-stand) naar achteren A-. Het omschakelen naar handmatig schakelen kan zowel bij stilstaande auto als tijdens het rijden gebeuren. Bij versnelling schakelt de vesnellingsbak automatisch over naar de hogere snelheid kort voor het bereiken van het maximale toegelaten motor toerental. Als een lagere versnelling dan de huidige wordt gekozen, schakelt de automaat pas terug als de motor niet meer met een te hoog toerental kan draaien. Als het kick-downsysteem wordt geactiveerd, schakelt de versnellingsbak op basis van snelheid en motortoerental naar een lagere versnelling. Noodprogramma Bij een systeemstoring is een noodprogramma beschikbaar. Afb. 99 Keuzehendel: met de hand schakelen /grote informatiedisplay: met de hand schakelen De gebruikte instelling van de keuzehndel wordt samen met de ingezette snelheid in de informatiedisplay van het Combi-instrument weergegeven afb. 99 rechts. Overschakelen naar handmatig schakelen Druk de keuzehendel vanuit stand D naar rechts. Na het omschakelen wordt in het display de actuele ingezette snelheid aangetoond. Bij storingen aan de elektronica van de versnellingsbak werkt de versnellingsbak met een hierbij behorend noodprogramma. Dit wordt aangegeven door het oplichten, resp. uitgaan van alle segmenten op het display. Een storing kan leiden tot onderstaand effect: De versnellingsbak schakelt slechts in een bepaalde versnelling. De achteruitversnelling R kan niet worden gebruikt. Het handmatige schakelprogramma (Tiptronic) is in de noodstand uitgeschakeld. Als de versnellingsbak is omgeschakeld naar het noodprogramma dient u zo snel mogelijk een Škoda-dealer op te zoeken om de storing te laten opheffen. Opschakelen Tik de keuzehendel (in de Tiptronic-stand) naar voren afb. 99 A+. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

104 102 Automatische versnellingsbak Keuzehendel - noodontgrendeling Wegslepen Als u de auto moet afslepen, moeten beslist de aanwijzingen in acht worden genomen bladzijde 196. Afb. 100 Keuzehendel-noodontgrendeling Als de voeding is onderbroken (bijv. bij een lege accu, defecte zekering) of bij een defect aan de keuzehendelblokkering, kan de keuzehendel niet meer op de normale wijze uit de stand P worden genomen en kan de auto niet worden verplaatst. De keuzehendel moet behulp van de noodontgrendeling worden ontgrendeld. Handrem stevig aantrekken. De afdekkap links- en rechtsvoor voorzichtig omhoog trekken. De afdekkap aan de achterzijde naar boven trekken. Druk het gele kunststofdeel met uw vinger naar beneden afb Druk gelijktijdig de blokkeerknop in de keuzehendel in en plaats de keuzehendel in de stand N 10). Aan- en wegslepen Aanslepen Bij auto's met een automatische versnellingsbak kan de motor niet worden gestart door het aanslepen of aanduwen. Bij een ontladen autoaccu kan, met behulp van startkabels, de accu van een andere auto worden gebruikt voor het starten bladzijde ) Als de keuzehendel weer in de stand P wordt geplaatst, wordt deze opnieuw geblokkeerd.

105 Communiceren 103 Communiceren Multifunctioneel stuurwiel* Radio en navigatie op het multifunctioneel stuurwiel bedienen Afb. 101 Multifunctioneel stuurwiel: Bedieningstoetsen De knoppen voor de bdiening van de basisfuncties van de in de fabriek ingebouwde radio en van het navigatiesysteem bevinden zich op het multifunctionele stuurwiel* afb De radio en navigatie kunnen natuurlijk ook achteraf op de uitrusting bediend worden. Een beschrijving vindt u in de handleiding van uw radio. Is het parkeerlicht ingeschakeld, dan zijn ook de toetsen op het multifunctionele stuurwiel verlicht, naast de symbolen en. Door het indrukken van de toetsen kunnen de volgende functies worden geactiveerd. knop Actie Radio, verkeersmelding CD / MP3 Navigatie A1 A1 A1 A1 A2 A2 A3 A3 even indrukken a) lang drukken a) naar boven draaien naar onder draaien even indrukken Klank uit-/inschakelen Apparaat uit- / inschakelen Geluidsvolume verhogen Geluidsvolume verlagen Schakel over naar de volgende opgeslagen radiozender Schakel over naar de volgende opgeslagen verkeersmelding Onderbreking van de verkeersmelding Schakel over naar de volgende titel lang drukken Onderbreking van de verkeersmelding sneller vooruitspoelen even indrukken Schakel over naar de volgende opgeslagen radiozender Schakel over naar de volgende opgeslagen verkeersmelding Onderbreking van de verkeersmelding Schakel over naar de volgende titel lang drukken Onderbreking van de verkeersmelding snel terugspoelen Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

106 104 Communiceren a) Bij wagens die met een universele telefoonvoorbereiding GSM II zijn uitgerust, dient het indrukken van de knop A1 alleen voor de bediening van de telefoon. De knoppen gelden steeds voor de bedrijfsmodus waarin de radio of het navigatiesysteem op dat moment staat. De luidsprekers in de auto zijn qua constructie afgestemd op een uitgangsvermogen van radio of navigatiesysteem van 4x20 W. Bij de uitrusting Soundsystem* zijn de luidsprekers op een uitgangsvermogen van de versterker 4x40 W + 6x20 W afgestemd. Mobiele telefoons en mobilofoons Het inbouwen van mobiele telefoons en mobilofoons mag alleen door een servicedealer worden uitgevoerd. Mobiele telefoons versturen en ontvangen zowel bij een gesprek als in de standbymodus radiogolven. Radiogolven kunnen schadelijk zijn voor het menselijke lichaam als uw frequentie bepaalde grenwaarden overschrijdt. Škoda Auto staat het gebruik van mobiele telefoons en mobilofoons met een deskundig geïnstalleerde buitenantenne en een maximaal zendvermogen tot 10 Watt toe. Over mogelijkheden voor de montage en het bedrijf van telefoons en zendapparatuur met een vermogen van meer dan 10 W kunt u zich bij de servicedealer informeren. Hij kan u meedelen welke technische mogelijkheden er zijn om mobiele telefoons en mobilofoons naderhand in te bouwen. Bij het gebruik van een mobiele telefoon in de wagen, die niet in de telefoonadapter aangebracht is en daarmee geen verbinding met de buitenantenne heeft, kan de elektromagnetische straling de actuele grenswaarde overschrijden. We raden daarom aan om een mobiele telefoon alleen in de wagen te gebruiken als de telefoon op een buitenantenne aangesloten is via de telefoonadapter. Daardoor verbetert de kwaliteit van de verbinding. Bij het gebruik van mobiele telefoons of mobilofoons kunnen storingen in de elektronica van uw auto optreden. De oorzaak hiervan kan zijn: geen buitenantenne, verkeerd geïnstalleerde buitenantenne, Zendvermogen van meer dan 10 Watt. Het gebruik van mobiele telefoons of mobilofoons zonder speciale buitenantenne resp. verkeerd geïnstalleerde buitenantenne kan tot een verhoging van de sterkte van de elektromagnetische velden in het interieur leiden. Gelieve in de eerste plaats aandacht te besteden aan het besturen van uw voertuig! Mobilofoons, mobiele telefoons of houders mogen niet op de afdekkappen van de airbags of binnen hun werkingsgebied worden gemonteerd. Bij een aanrijding zou dit tot persoonlijk letsel kunnen leiden. Laat nooit een mobiele telefoon op een stoel, op het instrumentenbord of op een andere plaats liggen vanwaar hij bij een plots remmanoeuvre, een ongeval of een botsing, weggeslingerd kan worden. Daarvoor kunnen de inzittenden van de wagen gewond geraken. Let op de nationale voorschriften voor het gebruik van mobiele telefoons in de wagen. Universele telefoonvoorbereiding GSM II* Inleiding De universele telefoonvoorbereiding GSM II is een ingebouwde handsfreesysteem, ze biedt een comfortbediening door middel van gesproken commando's, via het multifunctionele stuurwiel* of navigatiesysteem*. Alle communicatie tussen een telefoon en de handenvrije installatie van uw voertuig werkt alleen met behulp van de Bluetooth -technologie. De adapter* dient voor het

107 Communiceren 105 opladn van de telefoon en voor de overdracht van het signaal naar de buitenantenne van de wagen. Om een optimale signaaloverdracht te waarborgen, moet u de telefoon met adapter* altijd in de telefoonhouder laten. Daarnaast kan het volume tijdens een gesprek op elk moment individueel met behulp van de instelknop van de radio* resp. het navigatiesysteem* of met behulp van de functietoetsen op het multifunctionele stuurwiel* worden gewijzigd. Besteed in eerste instantie uw aandacht aan het verkeer! Als bestuurder draagt u de volle verantwoordelijkheid voor de verkeersveiligheid. Gebruik het telefoonsysteem alleen dan als u uw auto op elk moment volledig onder controle hebt. Neem de verdere aanwijzingen in acht bladzijde 104. Als u vragen heeft, verzoeken wij u contact op te nemen met uw erkende Škodadealer. Intern telefoonboek Bestanddeel van de telefoonvoorbereiding met spraakbesturing is een intern telefoonboek. In het interne telefoonboek zijn vrije geheugenplaatsen beschikbaar. Dit interne telefoonboek kunt u, afhankelijk van het type mobiele telefoon gebruiken. Na de eerste verbinding van de telefoon begint de telefoon het telefoonboek vanuit de telefoon en vanuit de SIM-kaart in het geheugen van het regelapparaat te laden. Bij elke verdere verbinding van de telefoon met ht handsfreesysteem wordt het betrokken telefoonboek geactualiseerd. De actualisering kan enkele minuten duren. Tijdens deze tijd staat het telefoonboek, dat bij de laatste voltooide actualisering opgeslagen werd, ter beschikking. Nieuwe in het geheugen opgeslagen telefoonnummers worden pas na beëindiging van de actualisering weergegeven. Als het aantal geladen contacten 2500 overschrijdt, is het telefoonboek niet volledig. Als de telefoon tijdens de actualisering wordt gebruikt (bijv. binnenkomend of uitgaand gesprek, dialoog via spraakbediening) wordt de actualisering onderbroken. Na beëindiging van het telefoongebruik begint de actualisering opnieuw. Als op het informatiedisplay een geel, resp. rood waarschuwingssymbool brandt, kan het menu Telefoonboek niet worden gekozen. Verbinding van de mobiele telefoon met handsfreesysteem Om een mobiele telefoon met het handsfreesysteem te verbinden, moet de telefoon aangekoppeld worden op het handsfreesysteem. Specifiekere informatie hieromtrent staat in de handleiding van uw mobiele telefoon. Voor de koppeling dienen de volgende stappen uitgevoerd te worden: Activeer in uw telefoon de Bluetooth en de zichtbaarheid van de mobiele telefoon. Contact inschakelen. In het informatiedisplay kiest u het menu Phone (telefoon) - Phone search (telefoon zoeken) en wacht u tot het regelapparaat klaar is met zoeken. Kies in het menu van de gevonden apparaten uw mobiele telefoon. Bevestig de PIN (standaard 1234). Als het handsfreesysteem zich op het display van de mobiele telefoon meldt (standaard met SKODA_BT), moet binnen 30 seconden de PIN (standaard 1234) worden ingevoerd en moet worden gewacht tot de koppeling tot stand is gebracht. 11) Na beëindiging van de koppeling bevestigt u in de informatiedisplay de opstelling van het nieuwe gebruikersprofiel. Als er geen plaats meer vrij is voor de opstelling van het nieuwe gebruikersprofiel, wis dan een bestaand gebruikersprofiel. 11) De meeste mobiele telefoons beschikken over een menu waarbij de machtiging voor de Bluetooth -verbinding plaatsvindt door het invoeren van een code. Als de invoer voor de autorisering nodig is, moet deze altijd bij het opnieuw herstellen van de Bluetooth-verbinding plaatsvinden. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

108 106 Communiceren Als u er niet in geslaagd bent om uw mobiele telefoon met de handenvrije instllatie binnen de 3 minuten na het inschakeln van het contact te koppelen, schakel het contact dan uit en terug aan. De zichtbaarheid van het handsfreesysteem wordt voor 3 minuten terug hersteld. De zichtbaarheid van de Bluetooth -eenheid wordt automatisch uitgeschakeld als de wagn zich in beweging zet of als de mobiele telefoon met de eenheid verbindt. Tijdens de koppeling mag er gaan andere mobiele telefoon met het handsfreesysteem zijn verbonden. Tot maximaal vier mobiele telefoons kunnen worden gekoppeld aan het handsfreesysteem, waarbij slechts een mobiele telefoon Bluetooth kan communiceren met het handsfreesysteem. Verbinding met een al gekoppelde mobiele telefoon Na het inschakelen van het contact wordt de verbinding bij de al gekoppelde mobiele telefoon automatisch tot stand gebracht 11). Controleer op het mobiele systeem, of de automatische verbingding gemaakt is. Koppeling beëindigen Door uittrekken van de contacsleutel. Door afkoppelen van het apparaat in het informatiedisplay. Door afkoppelen van het apparaat in de mobiele telefoon. Verbindingsproblemen oplossen Als het systeem meldt No paired phone found (Geen gekoppelde tel. gevonden), controleer dan de bedrijfstoestand van de telefoon: Is de telefoon ingeschakeld? Is de pincode ingetoetst? Is Bluetooth actief? Is de zichtbaarheid van de mobiele telefoon actief? Werd de telefoon al met het handsfreesysteem gekoppeld? Bij het transport door de lucht moet de Bluetooth -functie van het handsfreesysteem door een Škoda-dealer worden uitgeschakeld! Geldt niet voor alle mobiele telefoons die kunnen communiceren via Bluetooth. Of uw telefoon compatibel is met een universele telefoonvoorbereiding GSM II, kunt u bij de erkende Škoda dealer vragen. Gebruik uw mobiele telefoon uitsluitend met de hiertoe geschikte adapter, om de straling in de auto zo gering mogelijk te houden. Het plaatsen van de mobiele telefoon in de adapter garandeert een optimale zenden ontvangstcapaciteit en biedt gelijktijdig het voordeel van het continu laden van de batterij. De reikwijdte van de Bluetooth -verbinding met het handsfreesysteem is beperkt tot het wageninterieur. De reikwijdte is ook van lokale omstandigheden, zoals bijv. hindernissen tussen de apparaten en van de interferentie met andere apparatuur afhankelijk. Als de mobiele telefoon bijv. in de binnenzak van een jack zit, kan dit tot problemen bij het tot stand brengen van de Bluetooth -koppeling met het handsfreesysteem of bij de dataoverdracht leiden. Telefoon met de adapter aanbrengen* Afb. 102 Universele voorbereiding voor de telefoon Af fabriek wordt alleen een telefoonhouder* meegeleverd. Een adapter voor de telefoon kunt u bij uw Škoda dealer uit het originele Škoda accessoireprogramma kopen. Telefoon met de adapter aanbrengen Schuif eerst de adapter A in de richting van de pijl afb. 102 tot aan de aanslag in de houder. Druk de adapter voorzichtig naar beneden tot deze goed vastklikt. Plaats de telefoon in de adapter A (volgens de handleiding van de fabrikant).

109 Communiceren 107 Telefoon met adapter uit houder nemen Druk gelijktijdig de vergrendelingen aan de zijkant van de houder in en neem de telefoon met de adapter hieruit bladzijde 106, afb Telefoongesprekken met behulp van de adapter* bedienen. Voorzichtig! Het uit de adapter nemen van de mobiele telefoon tijdens het gesprek kan leiden tot het verbreken van de verbinding. Door het uit de adapter nemen wordt de verbinding met de af fabriek gemonteerde antenne onderbroken, waarmee de kwaliteit van de zend- en ontvangstsignalen terugloopt. Bovendien wordt het laadproces van de accu van de telefoon onderbroken. Afb. 103 Afbeelding: Adapter met een toets / adapter met twee toetsen Door de knop PTT kort in te drukken (Knop push to talk) op adapter* afb. 103 wordt de spraakbediening van de telefoon geactiveerd. Op sommige adapters* bevindt zich naast de PTT-toets ook nog een SOS-toets afb. 103 rechts. Nadat de toets gedurende 2 seconden ingedrukt wordt, wordt het nummer 112 (noodoproep) gekozen. De afgebeelde adapters zijn slechts voorbeelden. Bediening van de telefoon op het multifunctioneel stuurwiel* Zodat de bestuurder bij het bedienen van de telefoon zo weinig mogelijk afgeleid wordt van het verkeer, zijn er op het stuurwiel toetsen voor de eenvoudige bediening van de basis functies van de telefoon aangebracht afb Dit geldt alhoewel alleen, als uw auto vanuit de fabriek is uitgerust met telefoon voorbereiding. Afb. 104 Multifunctioneel stuurwiel: Telefoonbediening Is het parkeerlicht ingeschakeld, dan zijn ook de toetsen op het multifunctionele stuurwiel verlicht, naast de symbolen en. Overzicht van de functies van het multifunctionele stuurwiel met telefoonbediening: Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

110 108 Communiceren knop Actie werking A1 A1 A1 A1 even indrukken lang drukken naar boven draaien naar onder draaien Gesprek aannemen, gesprek beeindigen, invoer in het hoofdmenu van de telefoon, lijst van gekozen nummers, spraakbediening uitschakelen. Spraakbediening activeren (Toets PTT - Push to talk), Gesprek afwijzen Geluidsvolume verhogen Geluidsvolume verlagen De toetsen bediende de functies voor de modus waarin de telefoon staat. Telefoon via het informatiedisplay* bedienen De display van de teksten in het menu Telephone (telefoon) is in een van de volgende talen mogelijk: Tsjechisch, Engels, Duits, Frans, Italiaans, Spaans, Russisch en Portugees. In het menu Bluetooth (Bluetooth) kunt u de volgende menupunten kiezen: Phone book (Telefoonboek) Dial number (Draai nummer) Call register (Oproeplijst) Voice mailbox (Voice mailbox) Bluetooth (Bluetooth) Settings (Instellingen) Back (Terug) Phone book (Telefoonboek) In het menupunt Phone book (telefoonboek) is de lijst met de gedownloade contacten uit het telefoongeheugen en de SIM kaart van de mobiele telefoon. In het interne telefoonboek zijn vrije geheugenplaatsen beschikbaar. Dial number (Draai nummer) In het menupunt Dial number (Draai nummer) kunt u telefoonnummers opslaan. Met behulp van het kantelwiel kiest u na elkaar de gewenste nummers en bevestig deze door het drukken op het kantelwiel. U kunt de nummers 0-9, de symbolen +,, # en de functies Delete (wissen), Call (oproep), Cancel (Afbreken). Call register (Oproeplijst) In het menupunt Call register (Oproeplijst) kunt u de volgende menupunten kiezen: Missed calls (Gemiste oproepen) Received calls (Ontvangen oproepen) Last calls (Laatste oproepen) Voice mailbox (Voice mailbox) In het menu Voice mailbox (spraakmailbox) is het mogelijk om het nummer van de spraakmailbox in te stellen en daarna de nummers te kiezen. Bluetooth (Bluetooth) In het menu Bluetooth (Bluetooth) kunt u de volgende items kiezen: User (Gebruiker) - het overzicht van de opgeslagen gebruiker New user (Nieuwe gebruiker) - zoeken van nieuwe telefoonnummers die zich in het ontvangstbereik bevinden Visibility (Zichtbaarheid) - Inschakelen van de zichtbaarheid van het telefoonsysteem voor andere systemen

111 Communiceren 109 Media player (Media Player) Active device (geactiveerd apparaat) Paired devices (Gekoppelde apparaten) Search (zoeken) Phone name (Telefoonnaam) - de mogelijkheid om de naam van de telefoon te veranderen (vooraf ingesteld als SKODA-BT) Settings (Instellingen) In het menu Settings (Instellingen) kunt u de volgende items kiezen: Phone book (Telefoonboek) Update (Actualiseren) List (Lijst) Surname (Achternaam) Firstname (Vornaam) Ring tone (Beltoon) Back (Terug) Teruggang in het hoofdmenu van de telefoon. De display van het menu Telephone (telefoon) en de spraakbediening zijn niet beschikbaar in het Chinees. Gesproken bediening Dialoog beëindigen (lang indrukken voor het starten resp. kort drukken om te bëindigen) bladzijde 107 resp. met het gesproken commando CANCEL beëindigen. Bij een inkomend gesprek wordt de dialoog direct gestopt enb u kunt het gesprek met de toets op het multifunctioneel stuurwiel* of d.m.v. de toets voor inkomend gesprek direct op uw telefoon aannemen. Als een spraakcommando niet wordt herkend, antwoordt het systeem met Pardon? en kunt u opnieuw invoeren. Na de 2e poging herhaalt het systeem de hulp. Na de 3e poging volgt het antwoord Cancel en de dialoog wordt beëindigd. De optimale verstaanbaarheid van de spraakcommando's is afhankelijk van de volgende factoren: Spreek met een normale toon zonder overmatige klemtoon en pauzes. Vermijd een verkeerde uitspraak. Sluit de portieren, de ruiten en het schuifdak, om storende buitengeluiden te dempen of tegen te gaan. Bij hogere snelheden adviseren wij, harder te praten, om boven het hogere omgevingsgeluid uit te komen. Voorkom tijdens de dialoog andere geluiden in de auto, bijv. door gelijktijdig pratende inzittenden. Niet praten als het systeem een mededeling geeft. De microfoon voor de spraakcommando's is naar de bestuurder gericht. Daarom kan het apparaat minder goed op commando's van de voorpassagier reageren. Spraakcommando's De spraakbediening is in een van de volgende talen mogelijk: Tsjechisch, Engels, Duits, Frans, Italiaans, Spaans, Russisch en Portugees. De periode waarin het telefoonsysteem in staat is spraakcommando's aan te nemen en de spraakcommando's uit te voeren wordt DIALOOG genoemd. Het systeem geeft akoestische (gesproken) terugmeldingen en leidt u zo nodig door de betreffende functies. U kunt op gelijk welk moment door het indrukken van de PTT-toets op de adapter* bladzijde 107, afb. 103 of op het multifunctionele stuurwiel* een dialoog starten of Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

112 110 Communiceren Spraakcommando's voor de bediening van de telefoon controle uitrusting Bijvoorbeeld voor het opbellen van een naam uit het telefoonboek Spraakcommando HELP CALL XYZ DIAL NUMBER REDIAL MUSIC OTHER OPTIONS CANCEL Actie Na dit commando geeft het systeem alle mogelijke commando's weer. Met dit commando roept u het contact uit het telefoonboek op bladzijde 110. Na dit commando kan een telefoonnummer worden gegeven waarmee de verbinding met de gewenste deelnemer tot stand wordt gebracht. Na dit commando kiest het systeem het laatst gedraaide nummer. Weergave van de muziek uit de mobiele telefoon of een ander gekoppeld apparaat. Keuze voor het instellen van Bluetooth, dialoog enz. De dialoog wordt beëindigd. Spraakcommando CALL XYZ bijv. WERK Muziekweergave via Bluetooth Mededeling Zeg thuis, werk, mobiel Er wordt XYZ werk gekozen. De universele telefoonvoorbereiding GSM II maakt de muziekweergave via Bluetooth van de apparaten mogelijk, zoals MP3-Player, mobiele telefoon of Notebook. Om de muziekweergave via Bluetooth mogelijk te maken, is het nodig om het apparaat met het handsfreesysteem te koppelen in het menu Phone (telefoon) - Bluetooth (Bluetooth) - Media player (Media Player). De bediening van de muziekweergave uit het verbonden apparaat kan via het handsfreesysteem met de taalbediening bladzijde 110 of direct via het verbonden apparaat gebeuren. Na het invoeren van dit commando DIAL NUMBER (NUMMER KIEZEN) vraagt het systeem u een telefoonnummer in te voeren. Het telefoonnummer kan als een aaneengesloten gesproken cijferreeks (volledig nummer), in de vorm van cijferreeksen (gescheiden door korte spraakpauzes) of door afzonderlijk ingesproken cijfers worden ingevoerd. Na elke cijfervolgorde (gescheiden door een korte pauze) worden de tot nu herkende cijfers door het systeem herhaald. De cijfers 0-9, symbolen +,, # zijn toegestaan. Het systeem herkent geen samengevoegde cijfercombinaties zoals bijv. drieëntwintig, maar alleen afzonderlijk gesproken cijfers (twee, drie). Namen opbellen Druk op de PTT-toets. Spreek na de signaaltoon het commando CALL XYZ (XYZ opbellen) in. Het te verbinden apparaat moet de Bluetooth profiel A2DP ondersteunen, zie bedrijfshandleiding van het te verbinden apparaat. Ingangen AUX-IN* en MDI* De ingang AUX-IN bevindt zich onder de armleuning* van de voorstoelen en is met gemarkeerd. De ingang MDI bevindt zich voor onder het bergvak aan de zijde van de voorpassagier. De ingangen AUX-IN en MDI dienen om de externe audiobronnen aan te sluiten (b.v. ipod of mp3-player) en voor het afspelen van de muziek van deze apparaten via de af fabriek ingebouwde radio* of navigatiesysteem*. De beschrijving van de bediening staat in de handleiding van uw radio* of navigatiesysteem*.

113 Communiceren 111 De luidsprekers in de auto zijn qua constructie afgestemd op een uitgangsvermogen van radio of navigatiesysteem van 4x20 W. Bij de uitrusting Soundsystem* zijn de luidsprekers op een uitgangsvermogen van de versterker 4x40 W + 6x20 W afgestemd. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

114 112 Communiceren

115 Passieve veiligheid 113 Veiligheid Passieve veiligheid Basisprincipes Veiligheid komt op de eerste plaats Passieve veiligheidsmaatregelen verlagen het risico op letsel in ongevalssituaties. In dit hoofdstuk vindt u belangrijke informatie, tips en aanwijzingen met betrekking tot het thema passieve veiligheid in uw auto. We hebben hier alles samengevat wat u bijvoorbeeld over veiligheidsgordels, airbags, kinderstoeltjes en de veiligheid van kinderen moet weten. Neem daarom de aanwijzingen en waarschuwing in dit hoofdstuk in acht in uw eigen belang en in het belang van de mede-inzittenden. In dit hoofdstuk staat belangrijke informatie voor de bestuurder en diens passagiers voor de omgang met de auto. Meer informatie met betrekking tot de veiligheid die uw en uw mede-inzittenden aangaan, vindt u in het volgende hoofdstuk in dit instructieboekje. De complete documentatie moet altijd in de auto aanwezig zijn. Dit is vooral belangrijk als u de auto verhuurt of verkoopt. Veiligheidsuitrustingen De veiligheidsuitrustingen maken deel uit van de bescherming voor de inzittenden en kunnen de kans op letsel bij een ongeval reduceren. Uw veiligheid en de veiligheid van uw passagiers mag u niet op het spel zetten. In het geval van een aanrijding kunnen de veiligheidsuitrustingen de kans op letsel reduceren. Bij de onderstaande opsomming staat een deel van de veiligheidsuitrusting die in uw auto is aangebracht: driepunts-veiligheidsgordels voor alle zitplaatsen; Bediening Veiligheid en voor het rijden gordelkrachtbegrenzer voor voorstoelen; gordelspanner voor voorstoelen; instelling gordelhoogte voor de voorstoelen; voorairbag voor de bestuurder en de voorpassagier*; zijairbags*; hoofdairbags*; verankeringspunten voor kinderzitjes met het ISOFIX -systeem; verankeringspunten voor kinderzitjes met het Top Tether -systeem; in hoogte instelbare hoofdsteunen; instelbare stuurkolom. De genoemde veiligheidsuitrustingen werken samen om u en uw passagiers in een gevaarlijke situatie de best mogelijke bescherming te bieden. De veiligheidsuitrustingen helpen u of uw passagier niet als u of uw passagiers een verkeerde zithouding innemen of deze uitrustingen niet correct afstellen of gebruiken. Met het oog hierop geven wij u de informatie waarom deze uitrustingen zo belangrijk zijn, hoe zij bescherming bieden, waar bij het gebruik op moet worden gelet en hoe u en uw passagiers het meest effectief gebruik kunnen maken van de aanwezige veiligheidsuitrustingen. Deze handleiding bevat belangrijke waarschuwingen, waarop uw en uw passagiers moeten letten om de kans op letsel te verkleinen. Veiligheid geldt voor iedereen! Voor elke rit De bestuurder draagt altijd de verantwoording voor zijn passagiers en voor de bedrijfszekerheid van de auto. Voor uw eigen veiligheid en voor de veiligheid van uw passagiers moet voor elke rit op de onderstaande punten worden gelet. Controleer of de verlichting en de knipperlichten correct functioneren. Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

116 114 Passieve veiligheid Controleer de bandenspanning. Zorg ervoor dat alle ruiten een goed zicht naar buiten bieden. Zet de meegevoerde bagage goed vast bladzijde 63, Bagageruimte beladen. Controleer of er geen voorwerpen zijn die de bediening van de pedalen kunnen beïnvloeden. Stel de spiegel, de voorstoel en de voorstoel op uw lichaamsgrootte af. Wijs uw passagiers erop dat zij de hoofdsteunen aanpassen aan hun lichaamsgrootte. Bescherm kinderen door een geschikt kinderzitje en een juist gedragen veiligheidsgordel bladzijde 131, Veilig vervoer van kinderen. Neem de juiste zitpositie in. Attendeer uw passagiers erop dat ook zij een goede zithouding aannemen. Doe de veiligheidsgordel op de juiste wijze om. Wijs ook uw passagiers erop dat zij de veiligheidsgordel op de juiste wijze moeten dragen bladzijde 119, Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Wat beïnvloedt de rijveiligheid? De rijveiligheid wordt in hoge mate bepaald door de rijstijl en het gedrag van alle inzittenden. Als bestuurder bent u voor uzelf en uw passagiers verantwoordelijk. Als uw rijveiligheid wordt beïnvloed brengt u niet alleen uzelf maar ook de andere verkeersdeelnemers in gevaar. Let dan ook op de volgende aanwijzingen. Laat uw aandacht niet van het verkeer afleiden, bijv. door passagiers of door een telefoongesprek. Neem nooit plaats achter het stuur als uw rijvaardigheid, bijv. door medicamenten, alcohol, drugs of iets dergelijks wordt beïnvloedt. Houdt u zich aan de verkeersregels en de voorgeschreven snelheden. Pas de rijsnelheid steeds aan de staat van het wegdek, alsmede aan de verkeersen weersomstandigheden aan. Las tijdens een lange rit regelmatig een pauze in - uiterlijk om de twee uur. Juiste zitpositie Juiste zithouding van de bestuurder De juiste zitpositie van de bestuurder is belangrijk voor veilig en ontspannen rijden. Afb. 105 De juiste afstand van de bestuurder van het stuurwiel / de juiste instelling van de hoofdsteun van de chauffeur Voor uw eigen veiligheid en om de kans op letsel bij een aanrijding te verkleinen adviseren wij de volgende instelling. Stel het stuurwiel zo af dat de afstand tussen het stuurwiel en het borstbeen minstens 25 cm bedraagt afb Stel de bestuurdersstoel in lengterichting zodanig in dat de pedalen met licht gebogen knie geheel kunnen worden ingetrapt. Stel de leuning zo af dat u het stuurwiel op het bovenste punt met licht gebogen armen kunt vastpakken. Stel de hoofdsteun zo af dat de bovenzijde van de hoofdsteun indien mogelijk op dezelfde hoogte als het bovenste deel van uw hoofd ligt afb. 105 rechts. Doe de veiligheidsgordel op de juiste wijze om bladzijde 119, Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Instelling bestuurdersstoel bladzijde 59, Voorstoelen instellen.

117 Passieve veiligheid 115 De voorstoelen en alle hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de lichaamsgrootte worden ingesteld, terwijl ook de veiligheidsgordels altijd correct moeten worden gedragen om u en uw passagiers een optimale bescherming te bieden. De bestuurder moet een minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het stuur aanhouden bladzijde 114, afb Als deze minimale afstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Houd tijdens het rijden het stuurwiel met de beide handen aan de zijkant op de buitenrand in de stand van 9 uur en 3 uur vast. Houd het stuurwiel nooit in de 12-uursstand of in een andere stand vast (bijv. in het midden of aan de binnenste stuurwielrand). In een dergelijk geval zou, bij het activeren van de bestuurdersairbag, letsel kunnen worden opgelopen aan armen, handen en hoofd. Zorg ervoor dat zich geen voorwerpen in de voetenruimte bevinden omdat deze voorwerpen bij een rij- of remactie tussen de pedalen kunnen komen. U zou dan niet in staat zijn te koppelen, te remmen of gas te geven. Juiste zitpositie van de voorpassagier De voorpassagier moet een minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het dashboard aanhouden zodat de airbag bij een activering de grootst mogelijke veiligheid biedt. Voor de veiligheid van de voorpassagier en om de kans op letsel bij een aanrijding te verkleinen adviseren wij de volgende instelling. Zet de stoel van de voorpassagier zo ver mogelijk naar achteren. Stel de hoofdsteun zo af dat de bovenzijde van de hoofdsteun, indien mogelijk, op dezelfde hoogte als het bovenste deel van uw hoofd ligt bladzijde 114, afb Doe de veiligheidsgordel op de juiste wijze om bladzijde 119, Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Bij wijze van uitzondering kunt de airbag voor de voorpassagier uitschakelen bladzijde 128, Airbags uitschakelen. Voorpassagiersstoel instellen bladzijde 59, Voorstoelen instellen. De voorstoelen en alle hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de lichaamsgrootte worden ingesteld, terwijl ook de veiligheidsgordels altijd correct moeten worden gedragen om u en uw passagiers een optimale bescherming te bieden. De voorpassagier moet een minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het dashboard aanhouden. Als deze minimale afstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Houd de voeten tijdens het rijden altijd in de voetenruimte - leg de voeten nooit op het dashboard, in de ruitsponning of op de zittingen! Bij een remactie of een aanrijding stelt u zich dan aan een verhoogd letselrisico bloot. Bij een inschakeling van de airbag kunt u door de verkeerde zithouding dodelijk letsel oplopen! Tijdens het rijden mag de leuning niet te schuin naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordels en de airbags in negatieve zin worden beïnvloed - kans op letsel! Juiste zithouding voor de passagiers op de achterbankzittingen De passagiers op de achterbankzittingen moeten rechtop zitten, de voeten in de voetenruimte houden en de veiligheidsgordels op de juiste wijze dragen. Om de kans op letsel bij plotseling remmen of bij een aanrijding te voorkomen moeten de passagiers op de achterbankzittingen op het volgende letten. Stel de hoofdsteunen zo af dat de bovenzijde van de hoofdsteun, indien mogelijk, op dezelfde hoogte als het bovenste deel van uw hoofd ligt bladzijde 114, afb Doe de veiligheidsgordel op de juiste wijze om bladzijde 119, Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Maak gebruik van een geschikt kinderzitjesysteem als u kinderen in de auto meeneemt bladzijde 131, Veilig vervoer van kinderen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

118 116 Passieve veiligheid De hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de lichaamsgrootte worden ingesteld om u en uw passagiers een optimale bescherming te bieden. Houd de voeten tijdens het rijden altijd in de voetenruimte - leg de voeten nooit op ruitsponningen of op de zittingen. Bij een remactie of een aanrijding stelt u zich dan aan een verhoogd letselrisico bloot. Bij het activeren van de hoofdairbag* neemt de kans op letsel bij een verkeerde zithouding toe, de kans op dodelijk letsel is zelfs niet uitgesloten! Als de passagiers op de achterbankzittingen niet rechtop zitten, neemt door het niet goed zitten van de veiligheidsgordel de kans op letsel toe. Voorbeelden van een verkeerde zitpositie Een verkeerde zitpositie kan voor de inzittenden leiden tot ernstig letsel of zelfs tot de dood. Veiligheidsgordels kunnen alleen als deze op de juiste wijze worden gedragen hun optimale bescherming bieden. Verkeerde zithoudingen reduceren de beschermende werking van de veiligheidsgordel aanzienlijk en verhoogt de kans op letsel door een verkeerde loop van de veiligheidsgordel. Als bestuurder bent u voor uzelf en uw passagiers verantwoordelijk, en vooral voor meerijdende kinderen. Sta nooit toe dat een passagier tijdens het rijden een verkeerde zithouding aanneemt. De volgende opsomming bevat een aantal voorbeelden van welke zithoudingen gevaarlijk zijn voor de inzittenden. Deze opsomming is niet compleet, maar wij willen graag uw interesse voor dit thema opwekken. Daarom nooit tijdens de rit: in de auto gaan staan; op de zittingen staan; op de zittingen knielen; de leuning vlak naar achteren leggen; op het dashboard leunen; op de achterbank gaan liggen; alleen op het voorste deel van de zitting gaan zitten; naar opzij gericht plaatsnemen; uit de ruitsponning hangen; de voeten buiten de ruitsponning houden; de voeten op het dashboard leggen; de voeten op het stoelkussen leggen; iemand in de voetenruimte mee laten rijden; zonder omgelegde veiligheidsgordel meerijden; zich in de bagageruimte ophouden. Door een verkeerde zithouding stelt de inzittende zich bloot aan levensgevaarlijk letsel als de airbag wordt geactiveerd en hem hierbij raakt. Neem voor het begin van de rit de juiste zitpositie in en wijzig deze zithouding tijdens de rit niet. Wijs uw passagiers erop dat zij een juiste zithouding aannemen en deze houding ook tijdens de rit niet wijzigen.

119 Veiligheidsgordels 117 Veiligheidsgordels Waarom veiligheidsgordels? Afb. 106 Bestuurder met veiligheidsgordel Het is bewezen dat veiligheidsgordels goede bescherming bieden bij ongelukken afb In de meeste landen is het gebruik van veiligheidsgordels daarom wettelijk voorgeschreven. Veiligheidsgordels die correct worden gedragen, houden de inzittenden van de auto in de juiste zitpositie afb De gordels reduceren de bewegingsenergie in aanzienlijke mate. Verder voorkomen ze ongecontroleerde bewegingen die op zich al zwaar letsel tot gevolg kunnen hebben. Auto-inzittenden met correct gedragen veiligheidsgordels profiteren in sterke mate van het feit dat de bewegingsenergie optimaal via de gordels wordt opgevangen. Verder waarborgen de structuur van de voorzijde van de auto en andere passieve veiligheidskenmerken van uw auto, zoals het airbagsysteem, een reducering van de bewegingsenergie. De ontstane energie wordt daardoor verminderd en het risico van letsel kleiner. Ongevalsstatistieken bewijzen dat goed zittende gordels het risico van letsel verkleinen en de kans op overleven bij een zware aanrijding vergroten bladzijde 117. Bij het vervoer van kinderen moet u rekening houden met speciale veiligheidsaspecten bladzijde 131, Veilig vervoer van kinderen. Doe de gordel vóór elke rit, ook in stadsverkeer, altijd om! Dat geldt ook voor de mede-inzittenden op de achterbankzittingen - kans op letsel! Ook zwangere vrouwen moeten altijd de veiligheidsgordel dragen. Alleen dat biedt de beste bescherming voor het ongeboren kind bladzijde 119, Driepunts-veiligheidsgordels omdoen. Het verloop van de gordelband is voor de beschermende werking van de veiligheidsgordel van grote betekenis. Hoe de veiligheidsgordel moet worden gedragen staat op de volgende bladzijden beschreven. Neem bij het gebruik van de veiligheidsgordels de afwijkende wettelijke bepalingen in acht. Het natuurkundige principe van een frontale aanrijding Afb. 107 De bestuurder zonder veiligheidsgordel vliegt naar voren / de passagier zonder veiligheidsgordel op de achterbank vliegt naar voren Het natuurkundige principe van een frontale aanrijding is eenvoudig te verklaren: Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

120 118 Veiligheidsgordels Zodra de auto in beweging is, ontstaat zowel bij de auto als bij de inzittenden van de auto bewegingsenergie, de zogenaamde kinetische energie. De grootte van de kinetische energie hangt in belangrijke mate af van de snelheid en het gewicht van de auto en de inzittenden van de auto. Bij toenemende snelheid en toenemend gewicht moet bij een aanrijding meer energie worden geabsorbeerd. De snelheid van de auto is echter toch de belangrijkste factor. Als de snelheid bijvoorbeeld van 25 km/h tot 50 km/h wordt verdubbeld, wordt de bewegingsenergie verviervoudigd. De veelgehoorde mening dat het mogelijk is het lichaam bij een lichte aanrijding met de handen tegen te houden, is verkeerd. Al bij geringe aanrijdingssnelheden worden krachten op het lichaam werkzaam die niet meer kunnen worden opgevangen. Ook al rijdt u maar met een snelheid van 30 km/h tot 50 km/h, dan nog zijn bij een ongeluk krachten op het lichaam werkzaam die gemakkelijk meer dan N (Newton) kunnen bedragen. Dat komt overeen met een gewichtsbelasting van één ton (1000 kg). Bij een frontale aanrijding worden inzittenden die geen gordel dragen naar voren geslingerd en klappen zonder controle tegen delen van de auto in het interieur zoals stuurwiel, dashboard, voorruit bladzijde 117, afb De inzittenden zonder gordel kunnen onder bepaalde omstandigheden zelfs uit de auto worden geslingerd. Dit kan leiden tot dodelijk letsel. Ook voor de passagiers op de achterbank is het belangrijk een gordel te dragen, omdat zij bij een aanrijding zonder controle door de auto worden geslingerd. Een mede-inzittende op de achterbankzitting die geen gordel draagt brengt niet alleen zichzelf in gevaar, maar ook degene die vóór hem zit bladzijde 117, afb. 107 rechts. Belangrijke veiligheidsinstructies bij de omgang met veiligheidsgordels De juiste omgang met de veiligheidsgordels verkleint aanzienlijk de kans op letsel! De gordelband mag niet zijn ingeklemd of verdraaid of langs scherpe kanten schuren. Vervolg Het verloop van de gordelband is voor de maximale beschermende werking van de veiligheidsgordel van grote betekenis bladzijde 119, Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Met een veiligheidsgordel mogen nooit twee personen gelijktijdig (ook geen kinderen) worden vastgemaakt. De veiligheidsgordels bieden alleen maar maximale bescherming in de juiste zitpositie bladzijde 114, Juiste zitpositie. De gordelband mag niet over vaste of breekbare voorwerpen (bijv. bril, ballpoint, bos sleutels enz.) lopen omdat daardoor letsel kan ontstaan. Dikke kleding (bijv. een regenjas over het colbertjasje) heeft een negatieve invloed op het correct dragen en de werking van de veiligheidsgordels. Het gebruik van klemmen of andere voorwerpen voor het instellen van de veiligheidsgordels (bijv. voor het inkorten van de gordels bij kleinere personen) is verboden. De slotgesp mag alleen in het bij de betreffende zitting behorende slotdeel worden gestoken. Het verkeerd omdoen van de veiligheidsgordel beïnvloedt de beschermende werking hiervan en de kans op letsel neemt toe. De leuningen mogen niet te ver naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordel teniet kan worden gedaan. De gordelband moet schoon worden gehouden. Een vuile gordelband kan de werking van de gordeloprolautomaat nadelig beïnvloeden bladzijde 165, Veiligheidsgordels. De geleider van de slotgesp mag niet door papier of iets dergelijks zijn verstopt omdat dan de gordelgesp niet vast kan klikken. Controleer regelmatig de staat van uw veiligheidsgordels. Als het gordelweefsel, de gordelverbindingen, de oprolautomaten of het slotdeel is beschadigd, moet de betreffende veiligheidsgordel door een Škoda-dealer worden vervangen. De veiligheidsgordels mogen niet worden uitgebouwd een ook mag er niet op enige wijze wijzigingen aan worden aangebracht. Probeer niet de veiligheidsgordel zelf te repareren.

121 Veiligheidsgordels 119 Vervolg Beschadigde veiligheidsgordels die bij een aanrijding zijn belast en daardoor zijn uitgerekt, moeten worden vervangen - bij voorkeur door een Škodadealer. Bovendien moeten ook de gordelbevestigingspunten worden gecontroleerd. In een aantal landen kunnen veiligheidsgordels worden gebruikt waarvan de werking afwijkt van de op de volgende bladzijden beschreven veiligheidsgordels. Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen? Driepunts-veiligheidsgordels omdoen Eerst de gordel omdoen, daarna starten! Afb. 108 Het verloop van de gordelband van de schouder- en heupgordel / Het verloop van de gordelband bij zwangere vrouwen Stel de stoel en de hoofdsteun goed in voordat de gordel wordt omgedaan bladzijde 114, Juiste zitpositie. Trek de gordelband langzaam aan de slotgesp over borst en bekken. Steek de slotgesp in het bij de stoel horende gordelslot totdat hij hoorbaar inklikt. Trek bij wijze van proef aan de gordel om te controleren of de gordel goed in het slot is vergrendeld. Elke driepunts-veiligheidsgordel is met een oprolautomaat uitgerust. Deze automaat waarborgt volledige bewegingsvrijheid als er langzaam aan de gordel wordt getrokken. Bij plotseling remmen blokkeert de automaat evenwel. De gordels blokkeren ook bij het accelereren, bij het rijden in de bergen en door bochten. Ook zwangere vrouwen moeten altijd veiligheidsgordels dragen. Het schoudergordeldeel mag nooit over de hals lopen maar moet ongeveer over het midden van de schouder lopen en goed tegen het bovenlichaam aanliggen. Het heupgordeldeel moet vóór het bekken worden gelegd, mag niet over de buik lopen en moet altijd strak tegen het lichaam aanliggen afb De gordel zo nodig uitlijnen. Bij zwangere vrouwen moet de heupgordel zo diep mogelijk tegen het bekken aanliggen zodat er geen druk op de onderbuik ontstaat. Let altijd op het goede verloop van de veiligheidsgordels. Een verkeerd gedragen veiligheidsgordel kan zelfs bij een lichte aanrijding tot letsel leiden. Een te los gedragen veiligheidsgordel kan tot letsel leiden, omdat uw lichaam bij een ongeval door de bewegingsenergie verder naar voren komt en dan abrupt door de gordel wordt afgeremd. Steek de slotgesp alleen maar in het bij de betreffende zitplaats horende slotdeel. Als u dat niet doet, heeft dat een negatieve invloed op de beschermende werking en neemt het verwondingsrisico toe. Gordelhoogte-instelling op de voorstoelen Afb. 109 Voorstoel: Hoogteverstelling veiligheidsgordels Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

122 120 Veiligheidsgordels Met behulp van de gordelhoogte-instelling kan het verloop van de voorste driepuntsveiligheidsgordel ter hoogte van de schouder aan het lichaam worden aangepast. Druk voor het instellen op de doorvoerplaat en schuif deze naar boven of naar beneden afb Na het instellen controleert u door met korte rukken aan de gordel of de geleiderand zeker vergrendeld is. Driepunts-veiligheidsgordel voor de middelste achterbankzitting Deze gordel wordt op precies dezelfde wijze gebruikt als de normale driepunts veiligheidsgordels links of rechts (vóór en achter). De driepunts-veiligheidsgordel voor de middelste achterzitting moet eerst zo worden omgedaan dat de heupgordel tussen het gordelslot van de rechter driepunts-veiligheidsgordel en de rugleuning loopt, waarbij het kruisen van de rechter en de middelste gordel moet worden voorkomen. Stel de hoogte van de gordel zo in, dat de schoudergordel ongeveer over het midden van de schouder - maar in geen geval langs de hals - loopt. Voor het aanpassen van het verloop van de gordelband kan op de voorstoelen ook de stoelhoogteverstelling* worden gebruikt. Veiligheidsgordels afdoen De driepunts-veiligheidsgordel voor de middelste zitting achter kan alleen goed functioneren als de rugleuningen van de achterbankzittingen correct zijn vergrendeld bladzijde 61. Auto's van de groep N1 zijn op de achterbank niet uitgevoerd met een derde veiligheidsgordel. De auto is alleen toegestaan voor gebruik door vier personen. Gordelspanner De veiligheid van de bestuurder en de voorpassagier die een gordel dragen wordt door de gordelspanners op de oprolautomaten van de voorste driepunts veiligheidsgordels vergroot. Afb. 110 Losmaken van de slotgesp van het gordelslot Druk op de rode knop in het gordelslot afb De slotgesp springt door veerdruk naar buiten. Leid de gordel met de hand terug zodat de oprolautomaat de gordelband ten slotte gemakkelijk kan oprollen. Een kunststofknop in de gordel houdt de gordelgesp zo dat hij makkelijk kan worden vastgepakt. Bij een frontale of van opzij van een bepaalde ernstigheidsgraad worden de vastgemaakte driepunt-veiligheidsgordels aan de kant van de aanrijding automatisch gespannen. De gordelspanner wordt ook geactiveerd als de veiligheidsgordel niet wordt gedragen. Bij lichte frontale aanrijdingen, aanrijdingen van opzij of van achteren, bij over de kop slaan en bij ongevallen waarbij geen aanzienlijke krachten van voren komen, worden de gordelspanners niet geactiveerd. Alle werkzaamheden aan het gordelspannersysteem of in de nabijheid hiervan, zoals het uit- en inbouwen van systeemdelen met het oog op andere

123 Veiligheidsgordels 121 Vervolg reparatiewerkzaamheden, mogen alleen door een Škoda-dealer worden uitgevoerd. Het systeem biedt slechts bescherming bij één aanrijding. Als de gordelspanners zijn geactiveerd, moet het hele systeem worden vervangen. Als de auto wordt verkocht moet deze bedieningshandleiding aan de koper worden meegegeven. Bij het activeren van de gordelspanners komt rook vrij. Dat is geen teken dat de auto in brand staat. Bij het verschroten van de auto of van afzonderlijke onderdelen van het systeem moeten beslist de betreffende veiligheidsvoorschriften in acht worden genomen. Deze voorschriften zijn bij de Škoda-dealers/vakgarages bekend en daar kunt u ook uitvoerige informatie krijgen. Bij het verschroten van de auto of delen van het veiligheidssysteem is het belangrijk op de nationale wettelijke veiligheidsvoorschriften te letten. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

124 122 Airbagsysteem Airbagsysteem Beschrijving van het airbagsysteem Algemene aanwijzingen met betrekking tot het airbagsysteem Het voorairbagsysteem biedt in aanvulling op de driepunts-veiligheidsgordels extra bescherming voor hoofd en borst van de bestuurder en voorpassagier bij middelzware frontale aanrijdingen. Bij aanrijdingen van opzij verminderen de zijairbags de kans op letsel voor de inzittenden aan het naar de zijde van de aanrijding gerichte deel van het lichaam. Het airbagsysteem staat alleen na het inschakelen van het contact paraat. De paraatheid van het airbagsysteem wordt elektronisch gecontroleerd. Elke keer als het contact wordt ingeschakeld, gaat het airbagcontrolelampje enkele seconden branden. Het airbagsysteem bestaat (al naargelang de uitrusting van de auto) uit: een elektronisch regelapparaat; de voorairbags voor de bestuurder en de voorpassagier bladzijde 123; de zijairbags bladzijde 125; hoofdairbags bladzijde 127; een airbagcontrolelampje op het instrumentenpaneel bladzijde 32; een schakelaar voor de airbag van de voorpassagier* bladzijde 129; een controlelampje voor uitschakeling airbag voor de voorpassagier* op het middenstuk van het dashboard bladzijde 129. Er is sprake van een storing aan het airbagsysteem als: bij het inschakelen van het contact het airbagcontrolelampje niet gaat branden; na het inschakelen van het contact het airbagcontrolelampje na ca. 3 seconden niet uitgaat; na het inschakelen van het contact het airbagcontrolelampje uitgaat en weer gaat branden; het airbagcontrolelampje tijdens het rijden gaat branden of knippert; het airbagcontrolelampje van de uitgeschakelde airbag voor de voorpassagier* op het middenstuk van het dashboard knippert. Opdat de inzittenden van de auto bij activering van de airbags maximale bescherming genieten, moeten de voorstoelen overeenkomstig de lichaamsgrootte correct zijn ingesteld bladzijde 114, Juiste zitpositie. Als u tijdens het rijden geen veiligheidsgordels draagt, te ver naar voren leunt of een andere verkeerde zithouding aanneemt, stelt u zich bij een aanrijding aan een verhoogd risico op letsel bloot. Als er sprake is van een storing, moet het airbagsysteem direct door een Škoda-dealer worden gecontroleerd. Anders loopt u het risico dat de airbags bij een aanrijding niet worden geactiveerd. Aan de onderdelen van het airbagsysteem mogen geen wijzigingen worden aangebracht. Het is verboden de afzonderlijke delen van het airbagsysteem te manipuleren omdat dan de kans bestaat dat een airbag wordt geactiveerd. Het airbagsysteem biedt slechts bescherming voor één ongeval. Als de airbag is geactiveerd, moet het airbagsysteem worden vervangen. Het airbagsysteem is gedurende de gehele levensduur onderhoudsvrij. Geef bij verkoop van de auto de complete autodocumentatie aan de koper mee. Denk eraan dat ook de documenten met betrekking tot een eventueel uitgeschakelde voorpassagiersairbag daarbij horen! Bij het verschroten van de auto of afzonderlijke onderdelen van het airbagsysteem moeten beslist de daarvoor geldende veiligheidsvoorschriften in acht worden genomen. Deze voorschriften zijn bij de servicedealers bekend. Bij het verschroten van de auto of onderdelen van het airbagsysteem moeten de nationaal geldende voorschriften beslist in acht worden genomen.

125 Airbagsysteem 123 Wanneer worden de airbags geactiveerd? Het airbagsysteem is zodanig ontworpen dat bij zwaardere frontale aanrijdingen de bestuurders- en voorpassagiersairbag* worden geactiveerd. Bij krachtige aanrijdingen van opzij worden de zijairbags* in de voorstoel en de hoofdairbag* aan de zijde van de aanrijding geactiveerd. In bijzondere ongevalssituaties kunnen zowel de voor- alsook de zij- en hoofdairbags* tegelijk worden geactiveerd. Bij lichte frontale aanrijdingen of aanrijdingen van opzij, bij staartbotsingen en bij het overkop slaan van de auto worden de airbags niet geactiveerd. Activeringsfactoren Het is niet mogelijk in grote lijnen voor elke situatie geldende activeringsvoorwaarden voor het airbagsysteem vast te leggen omdat de omstandigheden bij ongevallen zeer verschillend zijn. Een belangrijke rol spelen hierbij bijvoorbeeld factoren, zoals de aard van het voorwerp waar de auto tegenaan rijdt (hard, zacht), aanrijdingshoek, snelheid van de auto enz. Beslissend voor de activering van de airbags is de bij een aanrijding optredende vertraging. Het regelapparaat analyseert het verloop van de aanrijding en activeert het betrokken veiligheidssysteem. Als de tijdens de aanrijding optredende en gemeten vertragingswaarden van de auto onder de in de regeleenheid vastgelegde referentiewaarden blijven, worden de airbags niet geactiveerd hoewel de auto door de aanrijding wel degelijk sterk kan zijn vervormd. De airbags worden niet geactiveerd bij: uitgeschakeld contact; lichte frontale aanrijding; lichte aanrijding van opzij; aanrijding van achteren; overkop slaan. Bij het opblazen van de airbag komt een grijswit of rood, onschadelijk gas vrij. Dat is absoluut normaal en duidt niet op brand in de auto. Als bij een ongeval de airbags worden geactiveerd: gaat de binnenverlichting branden (als de schakelaar voor de binnenverlichting in de portiercontactstand staat); worden de alarmlichten ingeschakeld; worden alle portieren ontgrendeld. Voorairbags Beschrijving van de voorairbags Het airbagsysteem is geen vervanging voor de veiligheidsgordel! Afb. 111 Bestuurdersairbag in het stuur/passagiersairbag in het dashboard De voorairbag voor de bestuurder is in het stuurwiel ondergebracht afb De voorairbag voor de voorpassagier* is in het dashboard boven het dashboardkastje ondergebracht afb Beide inbouwplaatsen zijn met het opschrift AIRBAG gemarkeerd. Het voorairbagsysteem biedt in aanvulling op de driepunts-veiligheidsgordels extra bescherming voor hoofd en borst van de bestuurder en voorpassagier bij middelzware frontale aanrijdingen in Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot het voorairbagsysteem op bladzijde 124. De airbag is geen vervanging van de veiligheidsgordel, maar maakt deel uit van het totale passieve veiligheidsconcept van de auto. Bedenk wel dat de maximale beschermende werking van de airbag alleen wordt verkregen in combinatie met veiligheidsgordels die ook daadwerkelijk worden gedragen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

126 124 Airbagsysteem De veiligheidsgordels hebben naast hun normale functie ook nog de taak de bestuurder en de voorpassagier bij een frontale aanrijding in een zodanige positie te houden dat de voorairbag maximale bescherming kan bieden. Daarom moeten de veiligheidsgordels niet alleen op grond van wettelijke voorschriften maar ook om veiligheidsredenen altijd worden gedragen bladzijde 117, Waarom veiligheidsgordels?. Voorzichtig! Na het activeren van de voorairbag voor de voorpassagier moet het dashboard worden vervangen. Werking van de voorairbags De kans op letsel voor het bovenlichaam wordt door de volledig opgeblazen airbags verminderd. volledig opgeblazen luchtzak duiken, wordt hun beweging gedempt en de kans op letsel voor hoofd en bovenlichaam verminderd. De speciaal ontwikkelde luchtzak laat gecontroleerd wegstromen van het gas toe (afhankelijk van de belasting door de betreffende persoon) om hoofd en bovenlichaam op te vangen. Na een aanrijding is de luchtzak daardoor zo ver leeggestroomd dat het zicht naar voren weer vrij is. Bij het opblazen van de airbag komt een grijswit, onschadelijk gas vrij. Dat is absoluut normaal en duidt niet op brand in de auto. Bij de activering ontwikkelt de airbag zulke grote krachten, dat bij een niet-correcte stoelinstelling of zithouding letsel kan ontstaan in Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot het voorairbagsysteem. Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot het voorairbagsysteem De juiste omgang met het airbagsysteem verkleint aanzienlijk de kans op letsel! Afb. 112 Gasgevulde airbags Het airbagsysteem is zodanig ontworpen dat bij middelzware frontale aanrijdingen de bestuurders- en voorpassagiersairbag* worden geactiveerd. In speciale ongeval omstanigheden kunnen de voor-, zij- en hoofdairbag gelijktijdig ingeschakeld worden. Als de airbags worden geactiveerd, worden de luchtzakken met drijfgas gevuld en ontvouwen ze zich vóór de bestuurder en de voorpassagier afb Het opblazen van de airbag gebeurt in fracties van seconden en met hoge snelheid om bij een aanrijding extra bescherming te kunnen bieden. Als de bestuurder en voorpassagier in de Afb. 113 Veilige afstand tot het stuurwiel Neem kinderen nooit onbeveiligd op de voorstoel van de auto mee. Als de airbags bij een aanrijding worden geactiveerd, zouden kinderen ernstig letsel kunnen oplopen of zelfs worden gedood! Voor de bestuurder en de voorpassagier is het belangrijk dat er een afstand van minstens 25 cm ten opzichte van het stuurwiel, resp. het dashboard wordt aangehouden afb Als deze minimale afstand niet wordt aangehouden,

127 Airbagsysteem 125 Vervolg kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Bovendien moeten de voorstoelen en de hoofdsteunen altijd in overeenstemming met de lichaamsgrootte zijn ingesteld. Bij het gebruik van een kinderzitje op de stoel van de voorpassagier waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in meerdere landen bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind in de rijrichting zit) moet beslist de airbag voor de voorpassagier worden uitgeschakeld bladzijde 128, Airbags uitschakelen. Als dit wordt nagelaten, het kind door de geactiveerde voorairbag voor de voorpassagier zwaar tot dodelijk letsel oplopen. In enkele landen verlangen de nationale wettelijke voorschriften ook het uitschakelen van de zij- of hoofdairbags voor de voorpassagier. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Tussen de voorin zittende personen en het werkingsgebied van de airbag mogen zich geen andere personen, huisdieren of voorwerpen bevinden. Het stuurwiel en het oppervlak van de airbagmodule in het dashboard aan de voorpassagierszijde mag niet worden beplakt of van een bekledingslaag worden voorzien of anderszins worden bewerkt. Deze delen mogen alleen maar met een droge of met water bevochtigde doek worden gereinigd. Op de afdekkingen van de airbagmodules of in de onmiddellijke nabijheid daarvan mogen geen onderdelen worden gemonteerd zoals bekerhouders, telefoonhouders e.d. Aan de onderdelen van het airbagsysteem mogen geen wijzigingen worden aangebracht. Alle werkzaamheden aan het airbagsysteem en het uit- en inbouwen van de systeemcomponenten in verband met andere reparatiewerkzaamheden (bijv. het uitbouwen van het stuurwiel) mogen alleen door een Škoda-dealer/servicedealer worden uitgevoerd. Breng nooit wijzigingen aan de voorbumper of aan de carrosserie aan. Leg aan de voorpassagierszijde nooit voorwerpen bovenop het dashboard. Zijairbags* Beschrijving van de zijairbags De zijairbag verhoogt bij een aanrijding van opzij de bescherming voor de inzittenden. Afb. 114 Bestuurdersstoel: Inbouwplaats van de airbag De zijairbags zijn in de leuningbekleding van de voorstoelen geplaatst en het middendeel voorzien van het opschrift AIRBAG afb Het zijairbagsysteem biedt in aanvulling op de driepunts-veiligheidsgordel extra bescherming voor het bovenlichaam (borst, buik en bekken) bij zware aanrijdingen van opzij in Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot de zijairbag op bladzijde 126. De veiligheidsgordels hebben naast hun normale functie ook nog de taak de bestuurder en de voorpassagier bij een aanrijding van opzij zo in positie te houden dat de zijairbag maximale bescherming kan bieden. Daarom moeten de veiligheidsgordels niet alleen op grond van wettelijke voorschriften maar ook om veiligheidsredenen altijd worden gedragen bladzijde 117, Waarom veiligheidsgordels?. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

128 126 Airbagsysteem Werking van de zijairbags De kans op letsel voor het bovenlichaam wordt door de volledig opgeblazen airbags verminderd. Afb. 115 zijairbag geactiveerd Bij krachtige aanrijdingen van opzij worden de zijairbags in de voorstoel en de hoofdairbag aan de zijde van de aanrijding geactiveerd afb In speciale ongeval omstanigheden kunnen de voor-, zij- en hoofdairbag gelijktijdig ingeschakeld worden. Als een airbag wordt geactiveerd, wordt de luchtzak met drijfgas gevuld. Het opblazen van de airbag gebeurt in fracties van seconden en met hoge snelheid om bij een aanrijding extra bescherming te kunnen bieden. Bij het opblazen van de airbag komt een grijswit, onschadelijk gas vrij. Dat is absoluut normaal en duidt niet op brand in de auto. Als de inzittende in de volledig opgeblazen airbag duikt, wordt de op hem uitgeoefende belasting gedempt en wordt het verwondingsrisico voor het gehele bovenlichaam (borst, buik en bekken) aan de naar de deur gerichte zijde verminderd. Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot de zijairbag De juiste omgang met het airbagsysteem verkleint aanzienlijk de kans op letsel! Bij het gebruik van een kinderzitje op de stoel van de voorpassagier waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in meerdere landen bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind in de rijrichting zit) moet beslist de airbag voor de voorpassagier worden uitgeschakeld bladzijde 128, Airbags uitschakelen. Als dit wordt nagelaten, het kind door de geactiveerde voorairbag voor de voorpassagier zwaar tot dodelijk letsel oplopen. In enkele landen verlangen de nationale wettelijke voorschriften ook het uitschakelen van de zijairbags voor de voorpassagier. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Uw hoofd mag zich nooit in het gebied bevinden waarin de zijairbags worden opgeblazen. U zou daardoor bij een ongeval zwaar letsel kunnen oplopen. Dit geldt vooral voor kinderen die zonder geschikt kinderstoeltje worden vervoerd bladzijde 133, Veiligheid van kinderen en zijairbag*. Als kinderen tijdens het rijden een verkeerde zitpositie innemen, staan ze bij een aanrijding bloot aan een hogere kans op letsel. Dit kan dodelijk letsel tot gevolg hebben bladzijde 131, Wat u moet weten als u kinderen vervoert!. Tussen de personen en het werkingsgebied van de airbag mogen zich geen andere personen, huisdieren of voorwerpen bevinden. Aan de portieren mag geen toebehoor zoals b.v. blikjeshouders aangebracht zijn. Aan de kledinghaken in de auto mag alleen maar lichte kleding worden opgehangen. Laat geen zware en scherpe voorwerpen in de zakken van de kledingstukken zitten. Oefen geen grote krachten op de stoelleuningen uit, door hier bijv. krachtig tegen te stoten of de voeten hier tegen af te zetten, omdat het systeem dan kan worden beschadigd. De zijairbags zouden dan eventueel niet kunnen worden geactiveerd!

129 Airbagsysteem 127 Vervolg U mag in geen geval hoezen over de bestuurders- of voorpassagiersstoel trekken die niet nadrukkelijk door Škoda Auto zijn vrijgegeven. Omdat de luchtzak uit de stoelleuning naar buiten komt, zou bij gebruik van niet-vrijgegeven stoel of stoelhoezen de beschermende werking van uw zijairbags aanzienlijk kunnen verminderen. Beschadigingen van de originele stoelbekleding in de buurt van de zijairbagmodules moeten direct door een Škoda-dealer worden gerepareerd. De airbagmodules in de voorstoelen mogen geen beschadigingen, scheuren of diepe krassen vertonen. Met geweld openen is niet toegestaan. Alle werkzaamheden aan de zijairbag en het uit- en inbouwen van systeemdelen in verband met andere reparatiewerkzaamheden (bijv. het uitbouwen van stoelen) mogen alleen door een Škoda dealer/škoda servicedealer worden uitgevoerd. Hoofdairbags* Beschrijving van de hoofdairbags De hoofdairbag zorgt bij een aanrijding van opzij samen met de zijairbag voor een betere bescherming van de inzittenden. De hoofdairbags zijn aan beide zijden in het interieur boven de portieren aangebracht afb De inbouwplaatsen van de hoofdairbags zijn met het opschrift AIRBAG gemarkeerd. De hoofdairbag biedt samen met de driepunts-veiligheidsgordels en de zijairbags extra bescherming voor hoofd en hals van de inzittenden bij middelzware aanrijdingen van opzij in Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot de hoofdairbag op bladzijde 128. De veiligheidsgordels hebben naast hun normale functie ook nog de taak de bestuurder en de passagiers bij een aanrijding van opzij in een zodanige positie te houden dat de hoofdairbag maximale bescherming kan bieden. Daarom moeten de veiligheidsgordels niet alleen op grond van wettelijke voorschriften maar ook om veiligheidsredenen altijd worden gedragen bladzijde 117. In combinatie met andere constructie-elementen (bijv. dwarsverstevigingen in de portieren, stabiele wagenstructuur) vormen de hoofdairbags de consequente doorontwikkeling van het systeem ter bescherming van de inzittenden bij aanrijdingen van opzij. Werking van de hoofdairbags Het verwondingsrisico voor hoofd en hals wordt bij aanrijdingen van opzij door de volledig opgeblazen airbags verminderd. Afb. 116 Inbouwplaats van de hoofdairbags Afb. 117 Gasgevulde hoofdairbag Bij een aanrijding van opzij wordt de hoofdairbag samen met de betreffende zijairbag aan de zijde van de aanrijding geactiveerd afb Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

130 128 Airbagsysteem Als het systeem wordt geactiveerd, vullen de airbags zich met gas en bedekken de zijruit inclusief de portierstijl afb De hoofdairbag beschermt dus aan de zijde van de aanrijding zowel de voor- als de achterpassagier(s). De aanraking van het hoofd met interieurdelen of voorwerpen buiten de auto wordt door de opgeblazen hoofdairbag gedempt. Door vermindering van de belasting van het hoofd en door de minder sterke bewegingen van het hoofd wordt bovendien de belasting van het hoofd verminderd. In speciale ongeval omstanigheden kunnen de voor-, zij- en hoofdairbag gelijktijdig ingeschakeld worden. Het opblazen van de airbag gebeurt in fracties van seconden en met hoge snelheid om bij een aanrijding extra bescherming te kunnen bieden. Bij het opblazen van de airbag komt een grijswit, onschadelijk gas vrij. Dat is absoluut normaal en duidt niet op brand in de auto. Belangrijke veiligheidsaanwijzingen met betrekking tot de hoofdairbag De juiste omgang met het airbagsysteem verkleint aanzienlijk de kans op letsel! Bij het gebruik van een kinderzitje op de stoel van de voorpassagier waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in meerdere landen bij gebruik van een kinderzitje waarbij het kind in de rijrichting zit) moet beslist de airbag voor de voorpassagier worden uitgeschakeld bladzijde 128. Als dit wordt nagelaten, het kind door de geactiveerde voorairbag voor de voorpassagier zwaar tot dodelijk letsel oplopen. In enkele landen verlangen de nationale wettelijke voorschriften ook het uitschakelen van de zij- of hoofdairbags voor de voorpassagier. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. In het gebied waarin de hoofdairbags worden opgeblazen, mogen zich geen voorwerpen bevinden die een belemmering vormen voor het opblazen van de airbags. Aan de kledinghaken in de auto mag alleen maar lichte kleding worden opgehangen. Laat geen zware en scherpe voorwerpen in de zakken van de Vervolg kledingstukken zitten. Bovendien mogen voor het ophangen van kledingstukken geen klerenhangers worden gebruikt. Tussen de mensen en het werkingsgebied van de hoofdairbags mogen zich geen andere mensen (bijv. kinderen) of dieren bevinden. Bovendien mag geen van de inzittenden tijdens het rijden het hoofd uit het raam steken of armen en handen buiten het raam houden. De zonnekleppen mogen niet naar de zijruiten worden gezwenkt in het werkingsgebied van de hoofdairbags als er voorwerpen aan zijn bevestigd, zoals bijv. een ballpoint. Als de hoofdairbags worden geactiveerd, zouden dan de inzittenden gewond kunnen raken. Door het inbouwen van niet-voorziene accessoires ter hoogte van de hoofdairbags kan bij activering van de airbags de beschermende werking van de hoofdairbags aanzienlijk worden beperkt. Bij het uitvouwen van de geactiveerde hoofdairbag zouden onder bepaalde omstandigheden delen van de gemonteerde accessoires het interieur in kunnen worden geslingerd en daardoor de inzittenden verwonden bladzijde 187. Alle werkzaamheden aan de hoofdairbag alsmede het in- en uitbouwen van onderdelen van het airbagsysteem met het oog op andere reparatiewerkzaamheden (bijv. uitbouwen van de hemelbekleding) mogen alleen maar door een Škoda-dealer/vakgarage worden uitgevoerd. Airbags uitschakelen Airbags uitschakelen Laat uitgeschakelde airbags zo snel mogelijk weer inschakelen zodat ze hun beschermende werking weer kunnen uitoefenen. Uw auto heeft de technische mogelijkheid de voorairbag, de zij-* of de hoofdairbag* uit te schakelen (buitengebruikstelling). Laat het uitschakelen van de airbags dan ook door een Škoda-dealer uitvoeren.

131 Airbagsysteem 129 Bij auto's die zijn voorzien van een schakelaar voor het uitschakelen van de airbags kunt u de voorairbag en de zijairbag voor de voorpassagier met behulp van deze schakelaar uitschakelen bladzijde 129. Het uitschakelen van de airbags is slechts in bepaalde gevallen wenselijk, bijv. als: U bij wijze van uitzondering een kinderzitje op de voorstoel moet plaatsen, waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit (in vele landen op basis van afwijkende wettelijke voorschriften als het kind in de rijrichting zit) bladzijde 131, Belangrijke veiligheidsinstructies bij de omgang met kinderzitjes ; u, ondanks een correcte bestuurdersstoelinstelling, geen afstand van minimaal 25 cm tussen het midden van het stuurwiel en het borstbeen kunt aanhouden. door invaliditeit speciale apparatuur in de buurt van het stuurwiel moet worden ingebouwd; u andere stoelen laat monteren (bijv. orthopedische stoelen zonder zijairbags). Controle van het airbagsysteem De paraatheid van het airbagsysteem wordt elektronisch gecontroleerd, ook als een airbag is uitgeschakeld. Als de airbag met behulp van een elektronicatester werd uitgeschakeld: Het controlelampje gaat na het inschakelen van het contact ca. 3 seconden branden en knippert aansluitend nog 12 seconden. Als de airbag met behulp van de airbagschakelaar* aan de zijkant op het dashboard werd uitgeschakeld: na het inschakelen van het contact, zal op het instrumentenpaneel het airbagcontrolelampje circa 3 seconden gaan branden; als de airbags zijn uitgeschakeld wordt dit op het middendeel van het dashboard door het oplichten van het gele controlelampje in de opschrift aangegeven afb Bij uw servicedealer kunt u informeren of en welke airbags volgens de nationale wetgeving in uw auto moeten worden uitgeschakeld. Schakelaar voor voorairbag voorpassagier* Afb. 118 Schakelaar voor airbag voorpassagier /controlelamp voor airbaguitschakeling voorpassagier Met behulp van de schakelaar wordt de voorairbag voor de voorpassagier uitgeschakeld. Airbag uitschakelen Contact uitschakelen. Draai met behulp van de contactsleutel de sleuf van de airbagschakelaar in de richting van de pijl in de stand OFF afb Controleer bij ingeschakeld contact of het airbagcontrolelampje in handtekening in het middenstuk van het dashbord brandt afb Airbag inschakelen Contact uitschakelen. Draai met behulp van de contactsleutel de sleuf van de airbagschakelaar tegen de richting van de pijl in in de stand ON afb Controleer bij ingeschakeld contact of het airbagcontrolelampje in handtekening in het middenstuk van het dashbord niet brandt afb De airbag mag alleen bij wijze van uitzondering buiten gebruik worden gesteld bladzijde 128. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

132 130 Airbagsysteem Controlelampje in opschrift (airbag uitgeschakeld) Het airbagcontrolelampje bevindt zich op het middenstuk van het dashboard bladzijde 129, afb Als de airbag is ingeschakeld zal na het inschakelen van het contact het airbagcontrolelampje enkele seconden gaan branden. Als de voorairbag voor de voorpassagier is uitgeschakeld, zal na het inschakelen van het contact het airbagcontrolelampje enkele seconden oplichten, na ca. 1 seconde uitgaan en terug oplichten. Als het controlelampje knippert, is er een systeemstoring in de airbaguitschakeling voor. De bestuurder is verantwoordelijk voor het uit- of inschakelen van de airbags. Schakel de airbag alleen bij uitgeschakeld contact uit! Als dit wordt nagelaten kan dit leiden tot een storing in het airbagsysteem. Als het controlelampje (Airbag uitgeschakeld) knippert: Airbag voorpassagierszijde werd bij een aanrijding niet geactiveerd! Laat het systeem direct door een Škoda-dealer controleren.

133 Veilig vervoer van kinderen 131 Veilig vervoer van kinderen Wat u moet weten als u kinderen vervoert! Inleiding tot het thema Ongevalsstatistieken tonen aan dat het, in het algemeen gesproken, voor kinderen op de achterbankzitting veiliger is dan op de voorpassagiersstoel. Kinderen kleiner dan 1,50 m en met een gewicht van minder dan 36 kg moeten onder normale omstandigheden op de achterbank zitten (gelieve de eventuele afwijkende nationale voorschriften in acht te nemen). Volgens de lichaamslengte en het gewicht moeten ze daar door een veiligheidssysteem voor kinderen of door de aanwezige veiligheidsgordels worden beschermd. Het kinderzitje moet om veiligheidsredenen achter de stoel voor de voorpassagier zijn gemonteerd. De natuurkundige wetten van een aanrijding gelden vanzelfsprekend ook voor kinderen bladzijde 117, Het natuurkundige principe van een frontale aanrijding. In tegenstelling tot volwassenen zijn de spieren en botten van kinderen nog niet helemaal volgroeid. Kinderen staan daarom bloot aan een hogere kans op letsel. Om deze kans op letsel te verkleinen, mogen kinderen alleen maar in de speciale kinderzitjes worden vervoerd! Gebruik alleen kinderzitjes die officieel zijn goedgekeurd, geschikt zijn voor kinderen en voldoen aan de ECE-R 44 norm, die de kinderzitjes indeelt in 5 groepen bladzijde 133, Indeling van de kinderzitjes in groepen. Veiligheidssystemen voor kinderen die zijn getest volgens de ECE-R 44 norm, hebben op het stoeltje een niet verwijderbaar keurmerk (grote E in een cirkel, daaronder het keuringsnummer). Wij adviseren, kinderzitjes uit het originele Škoda-accessoireprogramma te gebruiken. Deze kinderzitjes werden voor het gebruik in Škoda-auto's ontwikkeld en getest. Zij voldoen aan de ECE-R 44 norm. Voor het inbouwen en het gebruik van kinderzitjes moeten de nationale wettelijke voorschriften en de aanwijzingen van de betreffende kinderzitjesfabrikant Vervolg in acht worden genomen in Belangrijke veiligheidsinstructies bij de omgang met kinderzitjes. Afwijkende nationale wettelijke regelingen hebben voorrang op de informatie gegeven in deze handleiding. Belangrijke veiligheidsinstructies bij de omgang met kinderzitjes De juiste omgang met de kinderzitjes verkleint aanzienlijk de kans op letsel! Alle inzittenden van een auto - vooral kinderen - moeten tijdens het rijden de gordel op de correcte manier dragen! Kinderen met een lichaamslengte onder de 1,50 m of lichter dan 36 kg mogen zonder kinderzitje geen gebruikmaken van een normale veiligheidsgordel, omdat deze letsel aan buik en hals zou kunnen veroorzaken. Let ook op de nationale voorschriften. In geen geval mogen kinderen ook geen baby's! op schoot worden meegenomen. U kunt een kind veilig laten meerijden in een geschikt kinderzitje bladzijde 133, Kinderzitje! Er mag in een kinderzitje maar één kind zijn vastgemaakt. Laat het kind nooit zonder toezicht in een kinderzitje zitten. Bij bepaalde, buiten heersende, klimatologische voorwaarden kunnen in de auto levensgevaarlijke temperaturen ontstaan Sta uw kind nooit toe dat hij niet vastzittend in een auto wordt meegenomen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

134 132 Veilig vervoer van kinderen Vervolg Kinderen mogen tijdens het rijden ook nooit in de auto staan of op hun knieën zitten. Bij een aanrijding wordt het kind dan door de auto geslingerd en kan zichzelf en andere inzittenden daardoor levensgevaarlijk verwonden. Als kinderen tijdens het rijden naar voren leunen of een verkeerde zithouding innemen, staan ze bij een aanrijding bloot aan een hogere kans op letsel. Dat geldt vooral voor kinderen die op de voorpassagiersstoel worden vervoerd als het airbagsysteem bij een aanrijding wordt geactiveerd. Dit kan levensgevaarlijk of zelfs dodelijk letsel tot gevolg hebben. Het verloop van de gordelband is voor de maximale beschermende werking van de veiligheidsgordel van grote betekenis bladzijde 119, Hoe worden veiligheidsgordel goed gedragen?. Neem beslist de aanwijzingen van de fabrikant van het kinderzitje met betrekking tot het correcte verloop van de gordelband in acht. Een verkeerd gedragen veiligheidsgordel kan zelfs bij een lichte aanrijding tot letsel leiden. Er moet worden gecontroleerd of de veiligheidsgordels correct over het lichaam lopen. Bovendien moet erop worden gelet, dat de gordelband niet door eventuele scherpe randen kan worden beschadigd. Bij het gebruik van een kinderzitje op de stoel van de voorpassagier, waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit, moet (moeten) beslist de frontairbag (- airbags) worden uitgeschakeld bladzijde 128. Als dit wordt nagelaten, het kind door de geactiveerde voorairbag voor de voorpassagier zwaar tot dodelijk letsel oplopen. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Gebruik van kinderzitjes op de voorpassagiersstoel Kinderzitjes moeten altijd op de achterbankzitting worden bevestigd. Afb. 119 Sticker op de middelste carrosseriestijl aan de voorpassagierszijde Wij adviseren om veiligheidsredenen, veiligheidssystemen voor kinderen zo veel mogelijk op de achterbankzittingen te monteren. Als echter toch een kinderzitje op de voorpassagiersstoel moet worden gebruikt, moet u, overeenkomstig het ingebouwde airbagsysteem, op de volgende waarschuwingsaanwijzingen letten. Attentie - groot gevaar! Gebruik op de voorpassagiersstoel nooit een kinderzitje waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit. Dit kinderzitje bevindt zich in het gebied waarin de voorairbags voor de voorpassagier worden opgeblazen. De airbag kan bij activering het kind zwaar, zelfs levensgevaarlijk verwonden. Op dit feit attendeert een sticker die op de middenstijl aan de zijde van de voorpassagier is geplakt afb De sticker is na het openen van het portier voor de voorpassagier zichtbaar. Voor enkele landen is de sticker ook op de zonneklep van de voorpassagier aangebracht. Bij het gebruik van een kinderzitje op de stoel van de voorpassagier, waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit, moet (moeten) beslist de frontairbag (- airbags) worden uitgeschakeld bladzijde 128, Airbags uitschakelen. Als dit wordt nagelaten, het kind door de geactiveerde voorairbag voor de voorpassagier zwaar tot dodelijk letsel oplopen. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht.

135 Veilig vervoer van kinderen 133 Vervolg Als de voorairbag voor de voorpassagier met behulp van de elektronicatester door een Škoda-dealer wordt uitgeschakeld, blijven de zij- * resp. hoofdairbag voor de voorpassagier* en de gordelspanner voor de voorpassagier ingeschakeld. Neem de eventueel afwijkende nationale wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Bij gebruik van een kinderzitje op de voorpassagiersstoel waarbij het kind in de rijrichting zit, moet de voorpassagiersstoel in de achterste en bovenste stand worden geplaatst. Plaats de leuning in de verticale stand. Zodra het kinderzitje op de voorpassagiersstoel niet meer wordt gebruikt, moeten de voorpassagiersairbags weer worden ingeschakeld zodat hij weer functioneert. Veiligheid van kinderen en zijairbag* Kinderen mogen zich nooit in het gebied bevinden waarin zij- en hoofdairbags worden opgeblazen. De airbag ontwikkelt hierbij zoveel kracht dat de inzittenden die niet goed in de auto hebben plaatsgenomen, ook letsel kunnen oplopen. Ook los liggende voorwerpen die zich ter hoogte van de zijairbags bevinden kunnen letsel veroorzaken. Dit geldt vooral voor kinderen als deze niet volgens de wettelijke voorschriften worden vervoerd. Het kind is op de stoel met een voor zijn leeftijd geschikt kinderzitje beveiligd. Tussen het kind en het gebied waarin de zij- en hoofdairbags worden opgeblazen, is voldoende ruimte. De airbag biedt zo de maximaal mogelijke bescherming. Bij het gebruik van een kinderzitje op de stoel van de voorpassagier, waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit, moet (moeten) beslist de frontairbag (- airbags) worden uitgeschakeld bladzijde 128. Als dit wordt nagelaten, het kind door de geactiveerde voorairbag voor de voorpassagier zwaar tot dodelijk letsel oplopen. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Ter voorkoming van zwaar letsel moeten kinderen altijd in de auto worden vastgezet met een veiligheidssysteem dat in overeenstemming is met de leeftijd, het gewicht en de lichaamslengte van het kind. Kinderen mogen zich nooit met het hoofd in het gebied bevinden waarin de zijairbags worden opgeblazen - kans op letsel! Geen voorwerpen in het werkingsgebied van de zijairbags leggen - kans op letsel! Afb. 120 Het niet goed vastgemaakte kind in een niet-correcte zithouding - in gevaar gebracht door de zijairbag / Het met een kinderzit reglementair beveiligd kind De zijairbags* bieden de inzittenden van de auto bij aanrijdingen van opzij meer bescherming. Om deze bescherming ook daadwerkelijk te kunnen bieden, moet het opblazen van de zijairbag in een fractie van een seconde plaatsvinden bladzijde 126, Werking van de zijairbags. Kinderzitje Indeling van de kinderzitjes in groepen Er mogen alleen maar kinderzitjes worden gebruikt die officieel zijn goedgekeurd en voor het kind geschikt zijn. Voor kinderzitjes geldt de ECE-R 44 norm. ECE-R betekent: Richtlijn van de economische commissie voor Europa (Economic Commission for Europe - Regulation). Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

136 134 Veilig vervoer van kinderen Kinderzitjes die zijn getest volgens de ECE-R 44 norm, hebben op het stoeltje een niet verwijderbaar keurmerk (grote E in een cirkel en daaronder het keuringsnummer). Kinderzitjes volgens klasse 0/0+ De kinderzitjes zijn in 5 klassen ingedeeld: Groep Gewicht kg bladzijde tot 13 kg bladzijde kg bladzijde kg bladzijde kg bladzijde 136 Kinderen groter dan 1,50 m of met een gewicht van meer dan 36 kg, kunnen de normale veiligheidsgordels zonder zitkussen gebruiken. Gebruik van kinderzitjes Overzicht van de bruikbaarheid van kinderzitjes op de betreffende stoelen volgens de ECE-R 44 norm: Kinderzitje volgens klasse bijrijdersstoel Achterbank buitenste zitting Achterbankzitting midden AU AU A+ AT AU AU AU A+ AT AU AU AU A+ AT AU AU AU AU AU universele categorie - stoel is geschikt voor alle toegelaten kinderzitjes. A+ De stoel kan met behulp van bevestigingsogen voor het ISOFIX* -systeem worden uitgevoerd. AT De gedeelde achterbank - achterbankzitting is standaard uitgerust met het bevestigingssysteem Top Tether. Afb. 121 Kinderzitje volgens klasse 0/0+ Voor baby's tot ongeveer 9 maanden met een gewicht tot 10 kg, resp. kinderen tot ongeveer 18 maanden met een gewicht tot 13 kg zijn kinderzitjes waarbij het kind tegen de rijrichting in zit het meest geschikt afb Als de auto is uitgevoerd met een airbag voor de voorpassagier, mogen kinderzitjes waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit, op de voorpassagiersstoel niet worden gebruikt bladzijde 132, Gebruik van kinderzitjes op de voorpassagiersstoel. Als een kinderzitje in uitzonderlijke gevallen op de stoel van de voorpassagier gebruikt moet worden, waarin het kind met zijn rug naar de rijrichting zit, moet de airbag van de voorpassagier in een werkplaats of met de schakelaar voor de airbag van de voorpassagier* absoluut worden uitgeschakeld bladzijde 129. Neem de eventueel afwijkende nationale wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Als dit niet wordt opgevolgd kan, bij de activering van de airbag voor de voorpassagier het kind op de voorpassagiersstoel zwaar tot dodelijk letsel oplopen. Zodra het kinderzitje op de voorpassagiersstoel niet meer wordt gebruikt, moet de voorpassagiersairbag weer worden ingeschakeld zodat deze weer functioneert.

137 Veilig vervoer van kinderen 135 Kinderzitjes volgens klasse 1 Vervolg Zodra het kinderzitje op de voorpassagiersstoel niet meer wordt gebruikt, moet de voorpassagiersairbag weer worden ingeschakeld zodat deze weer functioneert. Kinderzitjes volgens klasse 2 Afb. 122 In een rijrichting geïnstalleerd kinderzitje met veiligheidskussen volgens klasse 1 op de achterbank Kinderzitjes volgens klasse 1 zijn bedoeld voor baby's en peuters tot ca. 4 jaar met een gewicht tussen 9-18 kg. Voor kinderen die behoren tot het onderste deel van deze groep zijn bij voorkeur kinderzitjes geschikt waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit. Voor kinderen die bovenin de groep 0+ vallen zijn bij voorkeur kinderzitjes geschikt waarbij het kind in de rijrichting zit bladzijde 135, afb Als de auto is uitgevoerd met een airbag voor de voorpassagier, mogen kinderzitjes waarbij het kind met de rug in de rijrichting zit, op de voorpassagiersstoel niet worden gebruikt bladzijde 132, Gebruik van kinderzitjes op de voorpassagiersstoel. Als een kinderzitje in uitzonderlijke gevallen op de stoel van de voorpassagier gebruikt moet worden, waarin het kind met zijn rug naar de rijrichting zit, moet de airbag van de voorpassagier in een werkplaats of met de schakelaar voor de airbag van de voorpassagier* absoluut worden uitgeschakeld bladzijde 129. Neem de eventueel afwijkende nationale wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Als dit niet wordt opgevolgd kan, bij de activering van de airbag voor de voorpassagier het kind op de voorpassagiersstoel zwaar tot dodelijk letsel oplopen. Afb. 123 Een in de rijrichting ingebouwd kinderzitje volgens klasse 2 op de achterbankzitting Het meest geschikt voor kinderen tot ongeveer 7 jaar met een gewicht tussen kg zijn kinderzitjes in combinatie met de driepunts-veiligheidsgordels afb Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Laat, indien nodig, de airbag voor de voorpassagier door een Škodadealer uitschakelen of schakel deze met behulp van de schakelaar voor de airbag voorpassagier* bladzijde 129 uit. Het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel moet ongeveer over het midden van de schouder lopen en stevig tegen het bovenlichaam aanliggen. Het mag in geen geval over de hals lopen. De heupgordel moet voor het bekken langs lopen en daar stevig tegenaan liggen. Deze mag in geen geval over de buik lopen. Trek zo nodig de heupgordel voor het bekken na. Neem de eventueel afwijkende nationale wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

138 136 Veilig vervoer van kinderen Kinderzitjes volgens klasse 3 Bevestiging kinderzitje met ISOFIX -systeem* Afb. 124 Een in de rijrichting ingebouwd kinderzitje volgens klasse 3 op de achterbankzitting Het meest geschikt voor kinderen vanaf ongeveer 7 jaar met een gewicht tussen kg en een lichaamslengte korter dan 150 cm zijn kinderzitjes (zitkussentjes) in combinatie met de driepunts veiligheidsgordels afb Kinderen groter dan 1,50 m of met een gewicht van meer dan 36 kg, kunnen de normale veiligheidsgordels zonder zitkussen gebruiken. Neem bij het vervoer van een kind op de voorpassagiersstoel de betreffende nationale voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Laat, indien nodig, de airbag voor de voorpassagier door een Škodadealer uitschakelen of schakel deze met behulp van de schakelaar voor de airbag voorpassagier* bladzijde 129 uit. Het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel moet ongeveer over het midden van de schouder lopen en stevig tegen het bovenlichaam aanliggen. Het mag in geen geval over de hals lopen. De heupgordel moet voor het bekken langs lopen en daar stevig tegenaan liggen. Deze mag in geen geval over de buik lopen. Trek zo nodig de heupgordel voor het bekken na. Neem de eventueel afwijkende nationale wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht. Afb. 125 Bevestigingsogen (ISOFIX-systeem) / het ISOFIX-kinderzitje wordt in de gemonteerde montagegeleider geschoven Tussen de achterste buitenste leuningen en zittingen bevinden zich twee bevestigingsogen voor de bevestiging van een kinderzitje met het ISOFIX -systeem. Steek de montagegeleider A op de bevestigingsogen AB tussen leuning en zitting afb Schuif de vergrendelarmen van het kinderzitje in de bevestigingsogen in de richting van de pijl tot ze hoorbaar vastklikken afb Controleer aan beide zijden van het kinderzitje de montage door aan het kinderzitje te trekken. Kinderzitjes met het ISOFIX -systeem kunnen snel, gemakkelijk en veilig worden gemonteerd. Neem bij het in- en uitbouwen van het kinderzitje beslist de handleiding van de fabrikant van het kinderzitje in acht. Kinderzitjes met het ISOFIX -systeem kunnen in de auto met behulp van het ISOFIX - systeem alleen dan worden ingebouwd en bevestigd, als deze voor uw model volgens ECE-R 44 norm zijn vrijgegeven. Kinderzitjes met het bevestigingssysteem ISOFIX kunt u bij de originele Škoda-accessoires verkrijgen. Een exacte montage-instructie wordt met het kinderzitje meegeleverd.

139 Veilig vervoer van kinderen 137 De bevestigingsogen zijn alleen voor kinderzitjes met het ISOFIX -systeem ontwikkeld. Bevestig daarom nooit andere kinderzitjes, gordels of voorwerpen aan de bevestigingsogen - dat is levensgevaarlijk! Vraag voor het gebruik van een kinderzitje met ISOFIX -systeem dat u voor een andere auto had aangeschaft, aan uw servicedealer of dit kinderzitje voor uw auto geschikt is. Enkele kinderzitjes met ISOFIX -systeem kunnen met behulp van normale driepunts-veiligheidsgordels worden bevestigd. Neem bij het in- en uitbouwen van het kinderzitje beslist de handleiding van de fabrikant van het kinderzitje in acht. Bevestig de kinderzitjes met behulp van het Top Tether -systeem alleen op de daarvoor bedoelde plaatsen afb In geen geval mag u de auto aanpassen, bijv. door bouten of andere bevestigingen te monteren. Let ook de belangrijke veiligheidsinstructies voor de omgang met kinderzitjes bladzijde 131. Het overgebleven deel van de gordel van het Top Tether -systeem bergt u op in het textielen vak dat op het kinderzitje is aangebracht. Kinderzitjes met ISOFIX -systeem zijn op dit moment leverbaar voor kinderen met een lichaamsgewicht tot ca. 18 kg. Dit komt overeen met een leeftijd tot ca. 4 jaar. De kinderzitjes kunnen ook met het Top Tether -systeem worden uitgerust bladzijde 137. Bevestiging kinderzitje met het Top Tether -systeem Afb. 126 Achterbankzitting: Top Tether In enkele landen wordt door de nationale wetgeving geëist dat de achterbank is uitgerust met bevestigingsogen voor kinderzitjes met het Top Tether -systeem afb Voer het in- en uitbouwen altijd volgens de meegeleverde handleiding van de fabrikant van het kinderzitje uit. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

140 138 Veilig vervoer van kinderen

141 Intelligente techniek 139 en voor het rijden Intelligente techniek Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP)* Algemeen Algemeen Met behulp van het ESP wordt de controle over de auto in rijdynamische grenssituaties verhoogd zoals bijv. bij het accelereren in bochten. Afhankelijk van de staat van het wegdek wordt het slipgevaar gereduceerd en zo de rijstabiliteit van de auto verbeterd. Het systeem werkt bij alle snelheden. In het elektronische stabiliteitsprogramma zijn de volgende systemen geïntegreerd: Elektronisch sperdifferentieel (EDS); Aandrijfslipregeling (ASR); Antiblokkeersysteem (ABS); Remassistent; Assistent voor rijden op hellende wegen. Werking Het ESP schakelt bij het starten van de motor automatisch in en voert een zelftest uit. Het ESP-regelapparaat verwerkt de gegevens van de afzonderlijke systemen Het verwerkt bovendien extra meetgegevens die door de uiterst gevoelige sensoren worden aangeleverd: de giersnelheid van de auto om de topas, de acceleratie in dwarsrichting, de remdruk en de stuuruitslag. Op basis van de stuuruitslag en de rijsnelheid wordt de door de bestuurder gekozen rijrichting bepaald, die constant met het werkelijke gedrag van de auto wordt vergeleken. Bij afwijkingen, zoals bijv. bij de neiging tot slippen, remt het ESP het betreffende wiel automatisch af. Door de bij het afremmen van het wiel ontstane krachten wordt de auto weer gestabiliseerd. Bij overstuur (neiging tot het uitbreken van de achterzijde) vindt de remingreep hoofdzakelijk plaats in het voorwiel buiten in de bocht, en bij onderstuur (neiging tot het rechtuitschuiven uit de bocht) bij het achterwiel dat zich aan de binnenzijde van de bocht bevindt. Deze remingreep gaat gepaard met geluid. Als het ESP-systeem helpt om het voertuig te stabiliseren (bv. een wiel afgeremd) dan knippert de controlelamp snel. Het ESP-systeem kan men niet uitschakelen. Door het indrukken van de toets bladzijde 140, afb. 127 wordt alleen het ASR-systeem uitgeschakeld. Wanneer het ASR uitgeschakeld is, licht het controlelampje op bladzijde 30. Indien in het ESP-systeem een storing is, licht het controlelampje continu op. Omdat het ESP-systeem met het ABS werkt, brandt bij het uitvallen van het ABS ook het ESP-controlelampje. Als het controlelampje gelijk na het starten van de motor gaat branden, kan het ESP-systeem om technische redenen zijn uitgeschakeld. In dit geval kunt u het ESPsysteem door het uit- en inschakelen van het contact opnieuw inschakelen. Als het controlelampje uitgaat, is het ESP-systeem weer volledig bedrijfszeker. De natuurkundige grenzen kunnen ook door het ESP niet worden overwonnen. Ook bij auto's met ESP moet u uw rijstijl steeds aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie aanpassen. Dat geldt in het bijzonder op een glad en nat wegdek. De geboden hogere veiligheid mag geen aanleiding zijn tot het nemen van veiligheidsrisico's - kans op ongevallen. Om de storingvrije werking van het ESP te garanderen moeten op alle vier de velgen dezelfde banden zijn gemonteerd. Onderlinge verschillen in de afrolomtrek van de band kunnen leiden tot een niet-gewenste reducering van het motorvermogen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

142 140 Intelligente techniek Wijzigingen aan de auto (bijv. aan de motor, de remmen, het onderstel of een andere band-velgcombinatie ) kunnen de werking van het ESP beïnvloeden bladzijde 187, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Aandrijfslipregeling (ASR)* De aandrijfslipregeling verhindert het doordraaien van de aangedreven wielen bij het accelereren. Uitschakelen U kunt de ASR indien nodig door het indrukken van de toets afb. 127 uit- en weer inschakelen. Bij een uitgeschakelde ASR brandt op het instrumentenpaneel het ASRcontrolelampje bladzijde 30. De ASR moet normaliter altijd zijn ingeschakeld. Alleen in bepaalde uitzonderingssituaties, als bijv. slip is gewenst, kan het zinvol zijn het systeem uit te schakelen. Voorbeelden: bij het rijden met sneeuwkettingen; bij het rijden in verse sneeuw of op een losse ondergrond; bij het losrijden van een vastzittende auto. Aansluitend hierop moet het ASR weer worden ingeschakeld. Afb. 127 ASR-schakelaar Algemeen Door de ASR wordt bij een in een slechte staat verkerend wegdek het wegrijden vanuit stilstand, het accelereren en het bergopwaarts rijden aanzienlijk vergemakkelijkt, resp. mogelijk gemaakt. Werking Het ASR schakelt bij het starten van de motor automatisch in en voert een zelftest uit. Het systeem controleert het toerental van de aangedreven wielen met behulp van de ABS-sensoren.. Als de wielen doorslippen, wordt door de automatische reducering van het motortoerental de aandrijfkracht aangepast aan de staat van het wegdek. Het systeem werkt bij alle snelheden. De ASR werkt in combinatie met het ABS bladzijde 142, Antiblokkeersysteem (ABS). Bij een ABS-storing valt ook de ASR uit. Bij een storing aan de ASR brandt op het instrumentenpaneel het ASR-controlelampje bladzijde 30. De rijstijl moet altijd worden aangepast aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie. De geboden hogere veiligheid mag geen aanleiding zijn tot het nemen van veiligheidsrisico's - kans op ongevallen. Om de storingvrije werking van de ASR te garanderen moeten op alle vier de velgen dezelfde banden zijn gemonteerd. Onderlinge verschillen in de afrolomtrek van de band kunnen leiden tot een niet-gewenste reducering van het motorvermogen. Wijzigingen aan de auto (bijv. aan de motor, de remmen, het onderstel of een andere band-velgcombinatie ) kunnen de werking van het ASR beïnvloeden bladzijde 187, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Elektronisch sperdifferentieel (EDS)* Het elektronisch sperdifferentieel voorkomt het doorslippen van een van de aangedreven wielen. Auto's met ESP zijn uitgerust met een elektronisch sperdifferentieel (EDS).

143 Intelligente techniek 141 Algemeen Door de EDS wordt bij een in een slechte staat verkerend wegdek het wegrijden vanuit stilstand, het accelereren en het bergopwaarts rijden aanzienlijk vergemakkelijkt, resp. mogelijk gemaakt. Werking Het EDS werkt automatisch, d.w.z. zonder invloed van de bestuurder. Het systeem controleert m.b.v. de ABS-sensoren het toerental van de aangedreven wielen. Als op een gladde ondergrond het aangedreven wiel slechts aan één zijde doorslipt, zal er een verschil in toerental tussen de aangedreven wielen optreden. Het EDS remt het doordraaiende wiel af en het differentieel brengt een groter deel van de aandrijfkracht over op het andere aangedreven wiel. Deze regeling maakt zich door geluid kenbaar. Oververhitting van de remmen Om te voorkomen dat de schijfrem van het afgeremde wiel te warm wordt, schakelt het EDS bij een extreem sterke belasting automatisch uit. Er kan normaal met de auto worden gereden en deze heeft dezelfde eigenschappen als een auto zonder EDS. Zodra de schijfrem is afgekoeld, schakelt de EDS weer automatisch in. Bij het accelereren op een glad wegdek, bijv. bij ijzel en sneeuw, voorzichtig gas geven. De aangedreven wielen kunnen ondanks het EDS doorslippen en daardoor de rijstabiliteit beïnvloeden - kans op ongevallen! Ook bij auto's met EDS moet u uw rijstijl steeds aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie aanpassen. De geboden hogere veiligheid mag geen aanleiding zijn tot het nemen van veiligheidsrisico's - kans op ongevallen. Als het ABS- of ASR- of ESP-controlelampje gaat branden, kan dit te wijten zijn aan een storing in het EDS. Neem zo snel mogelijk contact op met een Škoda-dealer. Wijzigingen aan de auto (bijv. aan de motor, de remmen, het onderstel of een andere band-velgcombinatie ) kunnen de werking van het EDS beïnvloeden bladzijde 187, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Remmen Wat beïnvloedt de werking van de remmen in negatieve zin? Slijtage De slijtage van de remblokken is sterk afhankelijk van de gebruiksomstandigheden en de rijstijl. Als vaak in de stad wordt gereden of korte ritten worden gemaakt, of een zeer sportieve rijstijl wordt aangehouden, moet de remblokdikte ook tussen de onderhoudsintervallen door door een Škoda-dealer worden gecontroleerd. Vocht of strooizout In bepaalde situaties, zoals bijv. na het rijden door een diepe plas, bij hevige regenval of na het wassen van de auto, kunnen de remmen door vocht of door ijsvorming op de remschijven en de remblokken in de winter later aangrijpen. De remmen dienen dan ook zo snel mogelijk door meerdere keren te remmen te worden drooggeremd. Ook bij het rijden op wegen waarop strooizout is gestrooid kunnen de remmen later aangrijpen, als u langere tijd niet hebt geremd. Het laagje zout op de remschijven en de remblokken moet bij het remmen eerst worden weggeslepen. Corrosie Corrosie op de remschijven en vervuiling van de remblokken worden door het langdurig stilstaan en matig gebruik bevorderd. Als de remmen gedurende een langere periode maar matig worden gebruikt, alsmede bij eventuele corrosie, adviseren wij, door het meerdere malen sterk afremmen vanuit een hogere snelheid de remschijven schoon te remmen. Storingen in het remsysteem Als u merkt dat de remweg plotseling langer is en het rempedaal een langere slag maakt, is het mogelijk dat een remkring van het tweekringsremsysteem is uitgevallen. Rijd in dit geval direct naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer om de storing te laten verhelpen. Rijd op weg naar de dealer met een lagere snelheid en stel u erop in dat voor het remmen een hogere pedaaldruk nodig is. Laag remvloeistofpeil Bij een te laag remvloeistofpeil kunnen er storingen in het remsysteem optreden. Het remvloeistofpeil wordt elektronisch gecontroleerd bladzijde 31, Remsysteem. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

144 142 Intelligente techniek Rem de remmen alleen droog en schoon door vanaf een hogere snelheid af te remmen als de staat van het wegdek en de verkeerssituatie dit toestaan. Andere verkeersdeelnemers mogen niet in gevaar worden gebracht. Bij het naderhand monteren van een frontspoiler, van wielsierdoppen enz. moet worden veiliggesteld dat de luchttoevoer naar de voorremmen niet wordt beïnvloed, omdat het remsysteem anders te heet kan worden. Houd er rekening mee, dat nieuwe remblokken tot ca. 200 km nog niet de volle remcapaciteit leveren. Nieuwe remblokken moeten eerst inlopen, voordat zij de optimale frictie ontwikkelen. De iets lagere remcapaciteit kan door een hogere druk op het rempedaal worden gecompenseerd. Deze opmerking geldt ook voor op een later tijdstip vervangen remblokken. Voorzichtig! Laat nooit de remmen aanlopen door de voet op het rempedaal te houden als u niet hoeft te remmen. Dit leidt tot het oververhitten van de remmen en daardoor tot een langere remweg en een hogere slijtage. Verlaag de snelheid voordat u een helling met een hoog hellingspercentage afrijdt en schakel terug naar een lagere versnelling (schakelbak), resp. kies een lagere rijstand (automatische versnellingsbak). Op deze wijze gebruikt u de remwerking van de motor en ontlast u de remmen. Als u daarnaast toch nog moet remmen, houd dan de voet niet continu op het rempedaal, maar rem met intervallen. Bij een noodremming vanuit snelheden van meer dan 60 km/h resp. bij een ABS-activering die langer duurt dan 1,5 seconden, knippert het remlicht automatisch. Nadat de snelheid tot onder 10 km/h gereduceerd is of de auto gestopt is, knippert het remlicht niet meer en de alarmlichten worden ingeschakeld. Na het accelereren of weer wegrijden, worden de alarmlichten automatisch uitgeschakeld. Rembekrachtiger De rembekrachtiger versterkt de druk die met het rempedaal wordt opgewekt. De benodigde druk wordt alleen geleverd bij draaiende motor. Zet nooit de motor af, voordat de auto stilstaat. De rembekrachtiger werkt alleen bij draaiende motor. Bij afgezette motor is meer kracht nodig voor het indrukken van het rempedaal. Omdat u hierbij niet, zoals gewend, kunt stoppen, zou dit kunnen leiden tot een ongeval en ernstig letsel. Antiblokkeersysteem (ABS) Het ABS verhindert het blokkeren van de wielen bij het remmen. Algemeen Het ABS levert een belangrijke bijdrage aan de actieve rijveiligheid. T.o.v. auto's zonder ABS-remsysteem blijft de auto bestuurbaar bij sterk afremmen op een gladde weg omdat de wielen niet blokkeren. U mag er echter niet van uitgaan, dat door het ABS onder alle omstandigheden de remweg korter wordt. De remweg kan bijv. op grind of verse sneeuw, ook als u voorzichtig en langzaam rijdt, iets langer worden. Werking Bij het bereiken van een rijsnelheid van ca. 20 km/h wordt de automatische testprocedure gestart, wat ca. 1 seconde lang hoorbaar is aan een pompgeluid. Als één wiel een t.o.v. de rijsnelheid te lage rotatiesnelheid bereikt en neigt te blokkeren, wordt de remdruk voor dit wiel verlaagd. Dit regelproces is duidelijk merkbaar aan de pulserende beweging van het rempedaal in combinatie met geluid. Hierdoor wordt u er als bestuurder op geattendeerd, dat de wielen neigen te blokkeren (ABSregelbereik). Om ervoor te zorgen dat het ABS in dit gebied optimaal kan afregelen, moet het rempedaal ingedrukt blijven. In geen geval pompend remmen! Ook het ABS kan de natuurkundige wetten niet overwinnen. Houd hier rekening mee, vooral op een glad of nat wegdek. Als het ABS in het regelgebied komt, moet de snelheid direct worden aangepast aan de staat van het wegdek

145 Intelligente techniek 143 Vervolg en de verkeerssituatie. Het hogere veiligheidspotentieel door het ABS mag geen aanleiding zijn tot het nemen van veiligheidsrisico's - kans op ongevallen! In geval van een storing aan het ABS blijft alleen het normale remsysteem functioneren. Zoek onmiddellijk een servicedealer op en pas uw rijstijl aan volgens de beschadiging van de abs, omdat u de juiste omvang van de schade en de beperking van de remfunctie niet kent. Als in het ABS een storing optreedt, wordt dit door een controlelampje weergegeven bladzijde 31. Wijzigingen aan de auto (bijv. aan de motor, de remmen, het onderstel of een andere band-velgcombinatie ) kunnen de werking van het ABS beïnvloeden bladzijde 187, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Remassistent (remkrachtverhoger)* De remassistent (remkrachtverhoger) verhoogt bij sterk afremmen (bijv. in gevaarlijke situaties) de remkracht en maakt een snelle opbouw van de benodigde druk in het remsysteem mogelijk. De meeste bestuurders zullen in een gevaarlijke situatie op tijd remmen, maar drukken het rempedaal niet met genoeg kracht in. Hierdoor kan de maximale remvertraging niet worden bereikt waardoor de auto nog een extra afstand aflegt. De remassistent wordt door het zeer snel indrukken van het rempedaal geactiveerd. Hierdoor ontstaat een veel hogere remdruk dan bij normaal remmen. Hierdoor kan ook bij een verhoudingsgewijs geringe weerstand van het rempedaal binnen de kortste tijd een voldoende hoge druk in het remsysteem worden opgebouwd, die voor de maximale remvertraging nodig is. Voor het verkrijgen van de kortst mogelijke remweg moet het rempedaal blijvend worden ingedrukt. De remassistent draagt er in noodsituaties toe bij, door een snelle drukopbouw in het remsysteem, de remweg te verkorten. Dit systeem benut alle voordelen van het ABS. Na het loslaten van het rempedaal wordt de werking van de remassistent (remkrachtverhoger) automatisch uitgeschakeld en het remsysteem werkt weer op de gebruikelijke wijze. Bediening Veiligheid en voor het rijden De remassistent (remkrachtverhoger) maakt deel uit van het ESP-systeem. Bij een storing aan het ESP valt ook de remassistent (remkrachtverhoger) uit. Meer details met betrekking tot het ESP bladzijde 139. Ook de remassistent (remkrachtverhoger) kan, wat betreft de remweg, de natuurkundige wetten niet overwinnen. Pas de rijsnelheid aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie aan. De hogere veiligheidsfactor, die de remassistent (remkrachtverhoger) biedt, mag niet leiden tot het nemen van grotere risico's. Assistenten voor rijden op hellende wegen* De assistent voor het rijden het op hellende wegen vergemakkelijkt het rijden op hellingen. Het systeem ondersteunt het wegrijden, doordat het de door het rempedaal opgewekte remdruk nog ca. 2 seconden na het loslaten van het rempedaal in stand houdt. De bestuurder kan dan ook de voet van het rempedaal nemen en het gaspedaal indrukken en op een helling wegrijden, zonder de handrem te gebruiken. De remdruk loopt geleidelijk terug als er meer gas wordt gegeven. Als de auto niet binnen 2 seconden wegrijdt, zal deze achteruit gaan rollen. De assistent voor het rijden op hellende wegen is actief bij een helling vanaf 3%, als het bestuurdersportier gesloten is. Het is altijd actief bij het wegrijden in zowel voorwaartse als achterwaartse richting op een helling. Bij het hellingafwaarts rijden is het systeem niet actief. Elektrohydraulische stuurbekrachtiging Door de stuurbekrachtiging is voor het besturen minder kracht nodig. De stuurkarakteristiek kan door een Škoda-dealer worden gewijzigd. Als het stuurwiel bij stilstand tegen de eindaanslag wordt gedraaid, wordt de stuurbekrachtiging zeer zwaar belast. In deze stand zal de stuurbekrachtiging geluid produceren. Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

146 144 Intelligente techniek Bij het uitvallen van de stuurbekrachtiging of bij niet-draaiende motor (wegslepen) blijft de auto volledig bestuurbaar. Voor het sturen is dan echter aanzienlijk meer kracht nodig. Als de accu is ontladen en de motor met behulp van startkabels moet worden gestart, kan het voorkomen dat de hydraulische pomp van de stuurbekrachtiging door de te lage boordspanning niet aanloopt. Dit wordt door het gaan branden van het controlelampje aangegeven. De servo-stuurbekrachtiging werkt weer als door het draaien van de motor de accu tot een bepaalde spanningswaarde is geladen. De stuurbekrachtiging werkt ook weer als de motor met de eigen accu kan worden gestart. Bij een storing aan de stuurbekrachtiging brandt op het instrumentenpaneel het controlelampje bladzijde 25. Voorzichtig! Draai het stuurwiel bij draaiende motor niet langer dan 15 seconden tegen de eindaanslag - kans op beschadiging van de stuurbekrachtiging! Bij lekkage of bij een defect systeem moet, indien mogelijk, direct contact worden opgenomen met een Škoda-dealer. Bandendrukcontrole* Afb. 128 Toets voor het instellen van de bandenspanningscontrolewaarde Het bandenspanningscontrolesysteem vergelijkt met behulp van de ABS-sensoren het toerental en zodoende de bandomtrek van de afzonderlijke wielen. Bij een aanzienlijke wijziging van de bandenspanning en daarmee de omvang van een band licht het controlelampje op het instrumentenpaneel op bladzijde 30. Het bandenspanningscontrolesysteem werkt met een vertraging of te gevoelig als: de structuur van de band is beschadigd, de auto eenzijdig of met een belasting op het dak is geladen, de wielen van één as zwaarder zijn belast (bijv. bij het rijden met een aanhangwagen of bij het bergopwaarts of bergafwaarts rijden), de auto gebruikt wordt bij ongunstige winterse omstandigheden of op een onverharde ondergrond, sneeuwkettingen of het noodwiel* zijn gemonteerd, de bestuurder een sportieve rijstijl aanhoudt (met hoge acceleratie en hoge snelheid in bochten). Basisinstelling van het systeem Na een wijziging van de bandenspanning of na het verwisselen van een of meerdere wielen moet de basisafstelling van het systeem als volgt worden uitgevoerd. Pomp alle banden op tot aan de voorgeschreven bandenspanning bladzijde 181. Contact inschakelen. Druk de toets afb. 128 langer dan 2 seconden in. Tijdens het indrukken van de toets brandt het controlelampje. Gelijktijdig worden de basiswaarden opgeslagen, wat bevestigd wordt door een akoestisch signaal en het aansluitend hierop uitgaan van het controlelampje. Als het controlelampje na de basisafstelling niet uitgaat, is er een storing in het systeem. Neem direct contact op met de Škoda-dealer. Functiebeschrijving Op de basisafstelling van het systeem volgt het aanleren van de bandenspanning en daarna de bandenspanningscontrole in de afzonderlijke banden. Controlelampje brandt Als de bandenspanning van minimaal één wiel t.o.v. de in het geheugen opgeslagen basiswaarde aanzienlijk lager is, brandt het controlelampje. Vul alle banden

147 Intelligente techniek 145 tot de voorgeschreven bandenspanning bladzijde 181, Levensduur van de banden en voer daarna de basisafstelling van het systeem uit. Controlelampje knippert Bij een knipperend controlelampje is er sprake van een systeemstoring. Neem direct contact op met de Škoda-dealer. Roetfilter* (dieselmotor) In de roetfilter worden de bij de verbranding van dieselolie gevormde roetdeeltjes verzameld en verbrand. Bij een brandend controlelampje moet direct de snelheid worden verlaagd en heftige stuur- en remmanoeuvres moeten worden vermeden. Bij de eerste mogelijkheid stoppen en de staat van de banden en de bandenspanning controleren. Voor de correcte bandenspanning is de bestuurder verantwoordelijk. De bandenspanning moet dan ook regelmatig worden gecontroleerd. Onder bepaalde omstandigheden (bijv. bij een sportieve rijstijl, op gladde of onverharde wegen) kan het controlelampje vertraagd of helemaal niet gaan branden. Het bandenspanningscontrolesysteem ontslaat de bestuurder niet van zijn verantwoordelijkheid voor de juiste bandenspanning. De bandendrukcontrole: vervangt de regelmatige bandenspanningscontrole niet, omdat het systeem een gelijkmatig drukverlies niet zal herkennen; kan bij een zeer snel teruglopen van de bandenspanning niet waarschuwen, bijv. bij een klapband. In dit geval probeert u de auto voorzichtig zonder heftige stuurbewegingen en zonder al te sterk afremmen tot stilstand brengen. Afb. 129 Sticker met de voertuiggegevens Of uw auto is voorzien van een roetfilter herkent u aan de code 7GG, 7MB of 7MG op de sticker met wagengegevens, zie afb De sticker met autogegevens bevindt zich op de vloer van de bagageruimte en is ook in het serviceplan geplakt. de roetfilter filtert de roetdeeltjes praktisch volledig uit de uitlaatgassen. Het roet wordt in de roetfilter opgeslagen en hier regelmatig verbrand. Om deze procedure te ondersteunen adviseren wij om het maken van korte ritten te vermijden. Een dichtgeslibde roetfilter of een storing wordt door het controlelampje gemeld bladzijde 33, Roetfilter* (dieselmotor). De roetfilter wordt erg heet. Parkeer dan ook niet op plaatsen waarbij de hete filter direct in contact kan komen met droog gras of andere brandbare materialen - brandgevaar! Maak ook nooit gebruik van beschermingsmiddelen voor de wagenonderzijde of corrosiewerende middelen voor uitlaatpijpen, katalysatoren, hitteschilden of roetfilter. Als de motor op bedrijfstemperatuur is, kunnen deze middelen ontsteken - brandgevaar! Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

148 146 Intelligente techniek Door het gebruik van dieselolie met een hoog zwavelpercentage kan de levensduur van de roetfilter aanzienlijk teruglopen. Bij uw dealer kunt u informeren in welke landen dieselolie met een hoog zwavelpercentage wordt geleverd.

149 Rijden en milieu 147 Rijden en milieu De eerste kilometer en daarna Nieuwe motor Gedurende de eerste kilometer moet de motor worden ingereden. Tot km Rijd niet sneller dan 3/4 van de maximumsnelheid van de ingeschakelde versnelling, d.w.z tot 3/4 van het maximummotortoerental. Geef geen vol gas. Vermijd hoge toerentallen. Niet met een aanhangwagen rijden. Van tot km Verhoog de snelheid geleidelijk tot aan de maximumsnelheid van de ingeschakelde versnelling, d.w.z. tot aan het max.toerental. Gedurende de eerste uren heeft de motor een hogere inwendige weerstand dan later, als alle draaiende gedeeltes op elkaar zijn ingelopen. In hoeverre de motor goed wordt ingereden is sterk afhankelijk van de rijstijl tijdens de eerste km. Ook na de inrijperiode moet het rijden met onnodig hoge motortoerentallen worden voorkomen. Het maximumtoerental wordt aangegeven door het begin van het rode vlak op de wijzerschaal van de toerenteller. Bij auto's met schakelbak moet uiterlijk zodra het rode vlak wordt bereikt naar de eerst hogere versnelling worden overgeschakeld. Buitengewoon hoge motortoerentallen bij het accelereren (gas geven) worden automatisch begrenst, maar de motor is niet tegen te hoge toerentallen beschermd wanneer verkeerd lager geschakeld wordt, waardoor het motortoerental plotseling boven het toegestane maximum toerental kan komen en dus tot de beschadiging van de motor. Voor auto's met schakelbak geldt andersom ook: voorkom het rijden met een te laag toerental. Schakel terug als de motor niet meer mooi ronddraait. Voorzichtig! Alle snelheids- en toerentalgegevens gelden alleen bij een op bedrijfstemperatuur zijnde motor. Laat een koude motor nooit met een hoog toerental draaien - dit geldt zowel bij een stilstaande auto als bij het rijden in de diverse versnellingen. Milieu Rijd niet met onnodig hoge toerentallen - vroeg opschakelen helpt brandstof te besparen, verlaagt de geluidsproductie en ontziet het milieu en is goed voor de levensduur en betrouwbaarheid van de motor. Nieuwe banden Nieuwe banden moeten worden ingereden, omdat zij in nieuwe staat nog niet over een optimale grip beschikken. Met dit feit moet u tijdens de eerste 500 km rekening houden en bijzonder voorzichtig rijden. Nieuwe remblokken Houd er rekening mee, dat nieuwe remblokken tot ca. 200 km nog niet de volle remcapaciteit leveren. Nieuwe remblokken moeten eerst inlopen, voordat zij de optimale frictie ontwikkelen. De iets lagere remcapaciteit kan door een hogere druk op het rempedaal worden gecompenseerd. Deze opmerking geldt ook voor op een later tijdstip vervangen remblokken. Tijdens de inrijperiode moet ook worden voorkomen dat de remmen zwaar worden belast. Hiertoe rekenen wij o.a. extreem afremmen, vooral vanuit hoge snelheden zoals die bijv. kunnen ontstaan bij het rijden van passen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

150 148 Rijden en milieu Katalysator Een correcte werking van het uitlaatgasreinigingssysteem (katalysator) is voor een milieuvriendelijk gebruik van de auto van doorslaggevende betekenis. Let op de volgende aanwijzingen: Tank bij auto's met benzinemotor alleen loodvrije benzine bladzijde 166, Soort benzine. Rijd de tank nooit helemaal leeg. Schakel tijdens het rijden het contact niet uit. Vul niet te veel olie in de motor bij bladzijde 172, Motorolie bijvullen. Trek de auto niet over een afstand van meer dan 50 m aan bladzijde 197, Aanslepen. Als de auto in een land moet worden gebruikt waar geen loodvrije benzine leverbaar is, moet bij terugkeer of bij het invoeren in een land waar een katalysator is verplicht, de katalysator worden vervangen. In verband met de hoge temperaturen die rondom de uitlaatgaskatalysator kunnen ontstaan, moet de auto zo worden geparkeerd dat de katalysator niet met licht ontvlambare materialen onder de auto in aanraking kan komen - brandgevaar! Gebruik nooit beschermingsmiddelen voor de wagenonderzijde of anticorrosiemiddelen voor het uitlaatsysteem, de katalysatoren of hitteschilden. Tijdens het rijden kunnen deze materialen vlam vatten - brandgevaar! Voorzichtig! Bij auto's met katalysator mag de tank nooit geheel worden leeggereden. De onregelmatige brandstofvoorziening kan tot het uitblijven van een ontbranding leiden. Er kan dan onverbrande brandstof in het uitlaatsysteem terechtkomen en de katalysator beschadigen. Al één tankvulling met loodhoudende benzine leidt tot het uitvallen van de katalysator. Als u tijdens het rijden merkt dat de motor overslaat, het vermogen terugloopt of dat de motor onregelmatig draait, verlaag dan direct de snelheid en laat de auto door de dichtstbijzijnde Škoda-dealer controleren. De beschreven symptomen kunnen duiden op een storing in het ontstekingssysteem. Er kan dan onverbrande brandstof in het uitlaatsysteem terechtkomen en de katalysator beschadigen. Milieu Ook bij een correct functionerend uitlaatgassysteem kan onder bepaalde omstandigheden tijdens het draaien van de motor een zwavelachtige uitlaatgasgeur worden gevormd. Dit is afhankelijk van het zwavelpercentage in de brandstof. Meestal is de oplossing loodvrije benzine van een ander merk of op een ander tankstation te tanken. Economisch en milieubewust rijden Algemeen De persoonlijke rijstijl is een belangrijke factor. Het brandstofverbruik, de belasting van het milieu en de slijtage aan motor, remmen en banden is in belangrijke mate afhankelijk van drie factoren: persoonlijke rijstijl; individuele gebruikseisen; technische voorwaarden. Door een anticiperende en economische rijstijl kunt u het brandstofverbruik gemakkelijk zo'n 10-15% reduceren. Dit hoofdstuk moet met enkele tips ertoe bijdragen het milieu en gelijktijdig uw portemonnee te ontzien. Vanzelfsprekend wordt het brandstofverbruik ook door factoren bepaald waarop u als bestuurder geen invloed heeft. Het is bijv. normaal dat het verbruik in de winter of onder moeilijke omstandigheden, bij een slecht wegdek, gebruik van een aanhangwagen enz. oploopt.

151 Rijden en milieu 149 De auto heeft af fabriek de technische vereisten voor een zuinig brandstofverbruik en economisch gebruik. Bijzondere nadruk moet worden gelegd op een zo gering mogelijke belasting van het milieu. Om ervoor te zorgen dat deze eigenschappen optimaal worden gebruikt en behouden blijven, is het noodzakelijk, de aanwijzingen in dit hoofdstuk in acht te nemen. Anticiperend rijden Bij het accelereren gebruikt een auto de meeste brandstof. Voorkom onnodig accelereren en remmen Als u anticiperend rijdt, hoeft u minder te remmen en ten gevolge hiervan ook weer minder te accelereren. Laat de auto uitrollen indien dit mogelijk is, bijvoorbeeld als zichtbaar is dat het eerstvolgende verkeerslicht op rood staat. Energiebesparend schakelen Vroeg opschakelen spaart brandstof. Automatische versnellingsbak Druk het gaspedaal langzaam in. Druk het gaspedaal echter niet tot aan de kickdownstand in. Een effectieve wijze om brandstof te besparen, is vroegtijdig opschakelen. Wie tot aan de maximumversnelling de betreffende versnelling accelereert verbruikt onnodig veel brandstof. De afb. 130 toont de verhouding tussen het brandstofverbruik en de snelheid in de betreffende versnellingen. Het brandstofverbruik in de 1ste versnelling is het hoogst. In de hoogste versnelling is het gebruik het laagst. Door vroegtijdig opschakelen en laat terugschakelen wordt het brandstofverbruik laag gehouden. Schakeladvies voor verandering van versnelling* Op de display van het instrumentenpaneel wordt een informatie over de geschakelde versnelling A afb. 130 weergegeven. Om zo min mogelijk brandstof te verbruiken wordt op het display een advies tot het schakelen in een andere versnelling getoond. Als het regelapparaat herkent dat het gunstig is om van versnelling te veranderen, wordt op de display een pijl AB weergegeven. De pijl wijst naar boven of naar beneden, naargelang wordt aanbevolen om naar boven of naar beneden te schakelen. Gelijktijdig word tin de plaats van de actueel ingeschakeld versnelling A de aanbevolen versnelling aangeduid. Afb. 130 Brandstofverbruik / Schakeladvies voor verandering van versnelling Volg ook de informatie op de multi-functie-indicatie* op bladzijde 19. Schakelbak Rijd in de eerste versnelling slechts ca. één wagenlengte. Schakel altijd over naar de eerstvolgende hogere versnelling als het toerental ca tot bedraagt. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

152 150 Rijden en milieu Vermijd vol gas Langzamer rijden heet brandstof besparen. Door met gevoel gas te geven wordt niet alleen het brandstofverbruik aanzienlijk verminderd, maar ook de belasting van het milieu en de slijtage aan de auto worden in positieve zin beïnvloed. De maximumsnelheid van uw auto nooit gebruiken. Het brandstofverbruik, de uitstoot van schadelijke stoffen en de rijgeluiden nemen bij hoge snelheden in onevenredige mate toe. De afb. 131 toont de verhouding van het brandstofverbruik ten opzichte van de snelheid. Als de mogelijke topsnelheid van uw auto slechts voor driekwart wordt benut, daalt het brandstofverbruik met ongeveer de helft. Stationair draaien reduceren Ook stationair draaien kost brandstof. Afb. 131 Brandstofverbruik in l/100 km en snelheid in km/u Regelmatig onderhoud Een slecht afgestelde motor kost onnodig veel brandstof. Door regelmatig onderhoud door uw Škoda-dealer kunnen reeds voor het gebruik van uw auto de voorwaarden voor brandstofbesparing worden geschapen. De staat van het onderhoud van uw auto heeft niet alleen een gunstig effect op de verkeersveiligheid en het behoud van de waarde van uw auto, maar ook op het brandstofverbruik. Een slecht afgestelde motor kan tot zo'n 10 % hoger brandstofverbruik leiden! De geplande onderhoudswerkzaamheden moeten exact volgens het serviceplan door een Škoda-dealer worden uitgevoerd. Controleer ook het oliepeil na het tanken. Het olieverbruik is in belangrijke mate afhankelijk van de belasting en het toerental van de motor. Al naargelang de rijstijl kan het olieverbruik tot 0,5 l/1 000 km bedragen. Het is normaal dat het olieverbruik van een nieuwe motor pas na een bepaalde tijd zijn laagste waarde bereikt. Het olieverbruik van een nieuwe auto kan dan ook pas goed worden beoordeeld na een afstand van ca km. Milieu Door het gebruik van synthetische dunloopoliesoorten kan een extra reducering van het brandstofverbruik worden verkregen. Om lekkages in een vroeg stadium te kunnen opsporen, moet u de grond onder de auto regelmatig controleren. Als daar vlekken van olie of andere bedrijfsvloeistoffen te zien zijn, laat dan de auto door een Škoda-dealer controleren. In de file, voor spoorbomen en bij verkeerslichten die langdurig op rood staan, is het zinvol de motor af te zetten. Al na een motorpauze van seconden is de brandstofbesparing groter dan de hoeveelheid brandstof die voor het opnieuw starten van de motor nodig is. Bij stationair toerental duurt het erg lang totdat de motor zijn bedrijfstemperatuur bereikt. Tijdens de warmdraaifase zijn echter slijtage en de uitstoot aan schadelijke stoffen zeer hoog. Rijd dan ook direct na het starten van de motor weg. Vermijd daarbij echter hoge toerentallen.

153 Rijden en milieu 151 Minder korte ritten Korte ritten kosten verhoudingsgewijs gezien veel brandstof Vermijd bij koude motor ritten onder de 4 km. De motor en de katalysator moeten eerst hun optimale bedrijfstemperatuur hebben bereikt, om het verbruik en de uitstoot van schadelijke stoffen op een effectieve wijze te reduceren. De koude motor verbruikt direct na de start ca l brandstof per 100 km. Na ca. één kilometer daalt het verbruik al tot 10 l/100 km. Pas na ca. 4 tot 10 kilometer is de motor op bedrijfstemperatuur (afhankelijk van de buitentemperatuur en van het type motor) en heeft het verbruik zich genormaliseerd. Korte ritten moeten dan ook, indien mogelijk, worden vermeden. Van doorslaggevende betekenis is in dit verband ook de omgevingstemperatuur. De afb. 132 geeft het brandstofverbruik voor dezelfde afstand, eenmaal bij +20 C en eenmaal bij -10 C weer. Uw auto gebruikt in de winter meer brandstof dan in de zomer. Let op de bandenspanning Een correcte bandenspanning spaart brandstof. Afb. 132 Brandstofverbruik in l/100 km bij verschillende temperaturen Let altijd op de juiste bandenspanning. Door een te lage bandenspanning neemt de rolweerstand toe. Hierdoor loopt niet alleen het brandstofverbruik op, maar ook de bandenslijtage neemt toe en de rijeigenschappen lopen terug. Controleer de bandenspanning altijd bij koude banden. Rijd met de winterbanden niet het gehele jaar, deze verhogen het brandstofverbruik met zo'n 10%. Bovendien produceren deze meer geluid. Geen onnodige ballast Het transport van ballast kost brandstof. Omdat elke kilo meer gewicht het brandstofverbruik verhoogt, loont het zich een blik in de bagageruimte te werpen, om onnodige ballast te voorkomen. Vooral in het stadsverkeer, wanneer er vaker moet worden geaccelereerd, beïnvloedt het gewicht van de auto het brandstofverbruik aanzienlijk. Als vuistregel geldt, dat per 100 kg gewicht het brandstofverbruik met ca. 1 l/100 km toeneemt. Vaak blijft echter ook een dakimperiaal voor het gemak gemonteerd, ofschoon deze niet meer nodig is. Door de verhoogde luchtweerstand verbruikt uw auto met een onbeladen imperiaal bij een snelheid van km ca. 1 l meer brandstof dan normaal. Stroom sparen Het opwekken van stroom kost brandstof. Schakel elektrische verbruikers uit als deze niet meer nodig zijn. Met behulp van de dynamo wordt bij draaiende motor stroom opgewekt en aan de verbruikers geleverd. Des te meer elektrische verbruikers in het boordnet zijn ingeschakeld, des te meer brandstof voor de aandrijving van de dynamo nodig is. Schriftelijke controle van het brandstofverbruik Wie zijn brandstofverbruik wil controleren, moet een kilometerregistratie bijhouden. Dit kost relatief weinig tijd en is zeker de moeite waard. U kunt een wijziging (positief of negatief) vroegtijdig vaststellen en - indien nodig - maatregelen treffen. Als een te hoog brandstofverbruik wordt vastgesteld, moet u nagaan, hoe, waar en onder welke omstandigheden sinds de laatste tankstop is gereden. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

154 152 Rijden en milieu Milieu-aspecten Bij de constructie, de keuze van de materialen en de productie van uw nieuwe Škoda speelt de milieubescherming een beslissende rol. O.a. wordt aan de onderstaande punten veel aandacht besteed. Constructieve maatregelen Demontagevriendelijke uitvoering van de aansluitingen. Vereenvoudigde demontage door de modulaire constructie. Gebruik van zuiverder materialen. Codering van alle kunststofdelen volgens VDA-richtlijn 260. Reductie brandstofverbruik en uitlaatgasemmissie CO 2. Minimalisering van de kans op ontsnappen van brandstof bij een aanrijding. Vermindering van het geluid. Materiaalkeuze Verdergaand gebruik van recyclebare materialen. Airconditioning met fluorkoolwaterstofvrij koelmedium. Geen cadmium. Geen asbest. Reducering van het uitdampen van kunststoffen. Fabricage Oplosmiddelvrije conservering van holle ruimtes. Oplosmiddelvrije conservering voor het transport van de fabrikant naar de klant. Gebruik van oplosmiddelvrije lijmen. Geen toepassing van fluorkoolwaterstoffen in de productie. Geen gebruik van kwik. Gebruik van watergedragen lakken. Terugname en verwerking van oude auto's Škoda Auto houdt zich aan de eisen die de markt stelt aan zijn producten met betrekking tot het milieu en zijn natuurlijke hulpbronnen. Alle nieuwe Škoda-auto's zijn voor 95 % recyclebaar (herbruikbaar) en kunnen in principe 12) worden teruggegeven. In vele landen worden landelijk dekkende terugnamesystemen opgebouwd waarbinnen u uw auto voor sloop kunt inleveren. Na de teruggave ontvangt u een bevestiging waarin de milieuverantwoorde verwerking wordt gedocumenteerd. Auto's met speciale op- en aanbouwen Technische documentatie over de uitgevoerde wijzigingen moet door de eigenaar van de auto worden bewaard, zodat deze later kan worden overhandigd aan de bewerker van de oude auto (sloopauto). Op deze wijze is een milieuverantwoorde verwerking gewaarborgd. Rijden in het buitenland Algemeen In het buitenland kunnen ook andere omstandigheden gelden. In bepaalde landen is het ook mogelijk dat het Škoda-dealernet slechts gedeeltelijk functioneert of nog niet volledig is uitgebouwd. Hierdoor kan het zijn dat bepaalde onderdelen moeilijker leverbaar zijn en dat het personeel van de Škoda-dealer slechts in beperkte mate reparaties kan uitvoeren. Škoda A.G. in de Tsjechische Republiek en de betreffende importeurs verstrekken echter graag alle gewenste inlichtingen inzake de benodigde technische voorbereiding van de auto, noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden en de reparatiemogelijkheden. Loodvrije benzine Auto's met benzinemotor mogen alleen loodvrije benzine tanken bladzijde 148. Informatie met betrekking tot de mogelijkheden voor het tanken van loodvrije benzine kan worden opgevraagd bij automobielclubs. Koplampen Het dimlicht van de koplampen van uw auto is asymmetrisch ingesteld. Dit betekent dat de rand van het wegdek aan de zijde waarop u rijdt, sterker wordt verlicht. Als u in 12) Onder voorbehoud van naleving van de nationale wettelijke voorschriften.

155 Rijden en milieu 153 het buitenland op de andere weghelft moet rijden, verblindt u het tegemoetkomende verkeer. Rijden door water op straten Halogeen-projectorkoplamp De aanpassing van de koplampen (geldt voor voertuigen die gebouwd zijn voor linksen rechts rijdend verkeer) kan gebeuren door omschakeling van een afdekplaat bij een servicedealer. Halogeenkoplamp Om verblinding van het tegemoetkomende verkeer te voorkomen, is het nodig een bepaald gedeelte van de koplamp af te plakken. Koplampklevers kunt u kopen in het assortiment van origineel Skoda toebehoren. Uitgebreidere informatie met betrekking tot het afplakken of het omschakelen van de koplampen verkrijgt u bij uw servicedealer. Voorkomen van schade aan de auto Op wegen met een slecht wegdek alsmede bij het tegen een stoeprand rijden, steile opritten e.d. moet u erop letten, dat de laagliggende delen zoals bijv. de spoiler en de uitlaat deze niet raken en daardoor worden beschadigd. Dit geldt vooral voor auto's met een verlaagd onderstel (sportonderstel) en bij een volle belading van de auto. Afb. 133 Oversteken van waadplaatsen Om de wagen bij het rijden door water, bv. overstroomde straten, tegen beschadiging te beschermen, moet u op het volgende letten: Voor u door water rijdt, moet u vaststellen hoe diep het water is. Het water mag maximaal tot aan de dorpelrand van de wagen komen afb Rij maximaal op stapvoetse snelheid. Bij een hogere snelheid kan zich voor de wagen een golf vormen die ertoe kan leiden dat het water in het luchtaanzuigsysteem van de motor, of in andere delen van het water binnendringt. Blijf in geen geval in het water staan, rijd niet achteruit en schakel de motor nooit uit. Het rijden door water, slijk, modder en dergelijke kan de remwerking verminderen en kan de remweg verlengen - gevaar van ongevallen! Vermijd onmiddellijk na het rijden door water om plots te remmen of sterke remmanoeuvres te maken. Na het rijden door water moeten de remmen door interval-remmen zo snel mogelijk gereinigd en gedroogd worden. Rem de remmen alleen droog en schoon door vanaf een hogere snelheid af te remmen als de staat van het wegdek en de verkeerssituatie dit toestaan. Andere verkeersdeelnemers mogen niet in gevaar worden gebracht. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

156 154 Rijden en milieu Voorzichtig! Bij het rijden door water kunnen onderdelen van de auto zoals b.v. de motor, de versnellingsbak, de catalystor, het onderstel of de elektronica zwaar beschadigd worden. Tegemoetkomende wagens veroorzaken golven die de toegelaten waterhoogte voor uw wagen kunnen overschrijden. Onder water kunnen gaten, slijk of stenen verborgen zitten die het rijden door water kunnen bemoeilijkheden of verhinderen. Rijd niet door zout water. Het water kan corrosie veroorzaken. Alle wagendelen die met zout water in contact gekomen zijn onmiddellijk met zoet water afspoelen. Als u door water gereden bent, raden we aan om uw auto in een vakbedrijf te laten nakijken.

157 Rijden met aanhangwagen 155 Rijden met aanhangwagen Gebruik aanhangwagen Technische voorwaarden De trekhaak moet aan bepaalde voorwaarden voldoen. Uw auto is voornamelijk bedoeld voor het vervoer van personen en bagage. Hij kan echter ook - bij de juiste technische uitrusting - worden gebruikt voor het trekken van een aanhangwagen. Als uw auto is uitgevoerd met een originele Škoda trekhaak voldoet deze aan alle technische en wettelijke eisen. Voor de elektrische aansluiting tussen de auto en de aanhangwagen is uw auto voorzien van een 13-polige contactdoos. Als de te trekken aanhangwagen is voorzien van een 7-polige steker kan worden gebruikgemaakt van een hiervoor bedoelde adapterkabel 13) uit het originele Škoda-accessoireprogramma. Het naderhand inbouwen van een trekhaak moet plaatsvinden aan de hand van de gegevens van de fabrikant. Details over het naderhand inbouwen van een trekhaak en over de vergroting van de capaciteit van het koelsysteem zijn bekend bij de servicedealers. Wij adviseren, de originele de Škoda-trekhaak door een servicedealer te laten inbouwen. Daar zijn alle relevante details met betrekking tot het naderhand inbouwen bekend. Bij een niet-vakkundige inbouw is de kans op ongevallen aanwezig! Gebruiksinstructies Bij het rijden met een aanhangwagen moet op enkele punten worden gelet. Aanhangwagengewicht Het toelaatbare aanhangwagengewicht mag in geen geval worden overschreden. Als het maximaal toelaatbare aanhangwagengewicht niet volledig wordt gebruikt, kunnen verhoudingsgewijs steilere hellingen worden genomen. Het aangegeven aanhangwagengewicht geldt alleen voor hoogtes tot 1000 m boven de zeespiegel. Bij benzinemotoren zonder belading geldt dat door de teruglopende luchtdichtheid bij een toenemende hoogte het motorvermogen terugloopt en daarmee ook het klimvermogen, daarom moet het aanhangwagengewicht met 10% worden verlaagd per aangevangen m verdere hoogtetoename. Het treingewicht is de som van het gewicht van de (beladen) auto en de (beladen) aanhangwagen. Bij het rijden op grotere hoogtes moet hiermee rekening worden gehouden. Benzinemotoren met belading hebben een luchtdrukcompensator zodat hun vermogen niet afhankelijk is van de hoogte boven de zeespiegel. De aanhangwagen- en kogeldrukgegevens op het typeplaatje van de trekhaak zijn slechts de testgegevens van de trekhaak. De gegevens die betrekking hebben op de auto en die vaak onder deze waarden liggen vindt u in de documentatie die bij de auto hoort. Verdeling van de belading Verdeel de belading van de aanhangwagen zo, dat de zware voorwerpen zich zo dicht mogelijk bij de as bevinden. Borg de voorwerpen zodat deze niet kunnen gaan schuiven. Bandenspanning Pas de bandenspanning van de auto aan aan de volle belading, bladzijde 181. Zie voor de bandenspanning van de aanhangwagen de adviezen van de fabrikant. 13) In enkele landen wordt de adapter met de trekhaak meegeleverd. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

158 156 Rijden met aanhangwagen buitenspiegel Als de verkeerssituatie achter de aanhangwagen niet met de standaard spiegels kan worden overzien, moet u extra buitenspiegels laten aanbrengen. Beide buitenspiegels moeten op wegklapbare steunen worden bevestigd. Stel de spiegels zo af, dat deze voldoende zicht naar achteren bieden. Koplampen Controleer voor het begin van de rit bij een aangekoppelde aanhangwagen ook de afstelling van de koplampen. Corrigeer zo nodig de afstelling m.b.v. de lichtbundelhoogteverstelling bladzijde 51. Afneembare kogelkop De kogelkop is bij auto's met trekhaak af fabriek afneembaar en leverbaar als origineel Škoda-accessoire. Deze bevindt zich samen met een aparte montagehandleiding in de reservewielkom in de bagageruimte van de auto. Wij adviseren bij regelmatig gebruik van een aanhangwagen uw auto ook tussen de onderhoudsintervallen door te laten controleren. Bij het aan- en loskoppelen van de aanhangwagen moet de handrem van de trekkende auto zijn aangetrokken. Houd het mechanisme van de kogelkop van de trekhaak schoon en gebruik voor het onderhoud een hiervoor bedoeld conserveringsmiddel. en voor het rijden Het rijden met aanhangwagen vereist bijzondere voorzichtigheid. Rijd indien mogelijk niet met een lege trekkende auto en een volbeladen aanhangwagen. Rijd niet met de wettelijk toegestane maximumsnelheden. Dit geldt vooral op hellingen. Rem op tijd. Let bij hoge buitentemperaturen op de koelvloeistoftemperatuurmeter. Gewichtsverdeling Bij een lege auto en een beladen aanhangwagen is de gewichtsverdeling zeer ongunstig. Als toch met een dergelijke combinatie moet worden gereden, moet een lage snelheid worden aangehouden. Rijsnelheid Rijd voor de zekerheid niet sneller dan 80 km/h. Dit geldt ook voor landen waarin hogere snelheden zijn toegestaan. Omdat met een toenemende snelheid de rijstabiliteit van de combinatie terugloopt, moet bij ongunstige weg-, weers- en windverhoudingen, vooral op hellingen, worden afgezien van de wettelijk toegestane maximumsnelheid. In elk geval moet de snelheid direct worden verlaagd, zodra u ook maar de geringste slingerbeweging van de aanhangwagen bemerkt. Probeer in geen geval de combinatie door te accelereren recht te trekken. Rem op tijd! Bij een aanhangwagen met oplooprem eerst voorzichtig remmen en daarna vlot afremmen. Zo worden remschokken door blokkerende aanhangwagenwielen voorkomen. Schakel op een helling op tijd terug, zodat op de motor kan worden afgeremd. Oververhitting van de motor Als bij hoge buitentemperaturen op een lange helling in een lage versnelling met een hoog motortoerental moet worden gereden, moet vooral op de koelvloeistoftemperatuurmeter worden gelet bladzijde 16. Als de meter van de koelvloeistoftemperatuurmeter meer naar het rechter- of in het rode vlak loopt, moet de snelheid direct worden verlaagd. Als het controlelampje op het instrumentenpaneel knippert, stop dan en zet de motor af. Wacht enkele minuten en controleer het koelvloeistofpeil in het koelvloeistofexpansiereservoir bladzijde 174, Koelvloeistofpeil controleren. Let op de volgende aanwijzingen bladzijde 28, Koelvloeistoftemperatuur/Koelvloeistofpeil. De koelvloeistoftemperatuur kan door het inschakelen van de verwarming worden verlaagd. Het verhogen van de koelcapaciteit van de koelluchtventilator is door het terugschakelen en door het verhogen van het motortoerental niet mogelijk - het toerental van de koelluchtventilator is onafhankelijk van het motortoerental. Ook bij het rijden met

159 Rijden met aanhangwagen 157 een aanhangwagen moet dan ook niet worden teruggeschakeld zolang de motor op een helling zonder dat de snelheid sterk terugloopt blijft trekken. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

160 158 Rijden met aanhangwagen

161 Verzorging en reiniging van de auto 159 Gebruikvoorschriften Verzorging en reiniging van de auto Algemeen Verzorging is het behoud van uw auto. Regelmatige, vakkundige verzorging van uw auto zorgt voor het behoud van zijn waarde. Bovendien kan dit ook één van de voorwaarden zijn voor het behouden van het recht op garantie bij eventuele corrosie en lakschade aan de carrosserie. Wij adviseren, de conserveringsmiddelen uit het originele Škoda-assortiment te gebruiken. Neem de gebruiksvoorschriften op de verpakking in acht. Bij verkeerde toepassing kunnen onderhoudsmiddelen schadelijk zijn voor de gezondheid. Onderhoudsmiddelen moeten dan ook buiten het bereik van kinderen worden bewaard - kans op vergiftiging! Milieu Kies bij de aanschaf van onderhoudsmiddelen voor de auto voor milieuvriendelijke producten. Resten van onderhoudsmiddelen horen niet bij het huisvuil. Verzorging buitenzijde auto Auto wassen Vaak wassen beschermt de auto. De beste bescherming van de auto tegen schadelijke invloeden van het milieu is vaak wassen en conserveren. Hoe vaak uw auto moet worden gewassen, hangt van veel factoren af zoals: Bediening Veiligheid en voor het rijden gebruiksfrequentie; wijze van parkeren (garage, onder bomen etc.); tijd van het jaar; weersomstandigheden; milieu-invloeden. Hoe langer insectenresten, vogelpoep, hars van bomen, straat- en industriestof, teer, roetdeeltjes, wegenzout en andere agressieve afzettingen op de lak blijven zitten, des te sterker is het vernielende effect. Hoge temperaturen, bijv. door intensieve zonnestraling, versterken het etsende effect. Zo kan het onder bepaalde omstandigheden noodzakelijk zijn de auto wekelijks te wassen. Het is echter ook mogelijk dat een keer per maand wassen voldoende is als de auto van een goede waslaag is voorzien. Aan het einde van de strooiperiode moet ook de onderzijde van de auto beslist grondig worden afgespoeld. Wassen van de auto in de winter: Vocht en ijs in het remsysteem kunnen een nadelig effect op de remwerking hebben - kans op ongevallen! Automatische wasinstallaties De autolak heeft een zodanig weerstandsvermogen dat de auto onder normale omstandigheden probleemloos in automatische wasinstallaties kan worden gewassen. Wel is het zo dat de werkelijke belasting van de lak hoofdzakelijk afhankelijk is van de constructie van de wasinstallatie, de filtering van het waswater en de gebruikte was- en onderhoudsmiddelen. Als de lak er na het wassen mat uitziet of zelfs krassen vertoont, moet u de exploitant van de wasinstallatie hier direct op attenderen. Ga zo nodig naar een andere wasinstallatie. Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

162 160 Verzorging en reiniging van de auto Vóór het wassen van de auto in een automatische wasstraat hoeven, behalve de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen (sluiten van de ruiten en het schuif-/kanteldak e.d.) geen verdere maatregelen te worden genomen. Als uw auto is voorzien van speciale aanbouwdelen - bijv. spoilers, imperiaal, autotelefoonantenne -, kunt u het beste vooraf contact opnemen met de exploitant van de wasinstallatie. Na een wasbeurt in een automatische wasinstallatie met aansluitende conservering moeten de rubbers van de ruitenwisserbladen worden ontvet. Met de hand wassen Bij het wassen met de hand moet het vuil eerst met veel water worden ingeweekt; daarna moet het vuil zo goed mogelijk worden afgespoeld. Daarna reinigt u de auto met een zachte spons, een washand of een wasborstel met geringe druk. Werk daarbij van boven naar beneden - te beginnen met het dak. Reinig de gespoten vlakken van de auto slechts met een geringe druk. Gebruik alleen bij hardnekkig vuil een autoshampoo. Spoel de spons of de washand regelmatig goed uit. Wielen, dorpels en dergelijke maakt u als laatste schoon. Gebruik hiervoor een tweede (andere) spons. Spoel de auto na het wassen goed af en wrijf hem aansluitend hierop droog met een zeem. Was de auto alleen bij uitgeschakeld contact - kans op ongevallen! Bescherm uw handen en armen tegen metaaldelen met scherpe randen als u de onderzijde, de binnenzijde van de wielkuipen of de wieldoppen reinigt - kans op snijwonden. Voorzichtig! Was uw auto niet in de felle zon - kans op lakschade. Als u de auto in de winter met een slang afspuit, let er dan op dat de waterstraal niet direct op de slotcilinders of op de naden van de portieren, de motorkap of de achterklep worden gericht - kans op bevriezen. Gebruik op gespoten delen geen insectensponsjes, ruwe keukensponzen of iets dergelijks - kans op beschadiging van de lak. Milieu Was uw auto alleen op de speciaal daarvoor bedoelde wasplaatsen. Daar wordt ervoor gezorgd dat eventueel met olie verontreinigd vuil water niet in de riolering komt. In bepaalde gebieden is het wassen van auto's buiten zulke wasplaatsen zelfs verboden. Wassen met behulp van een hogedrukreiniger Bij het wassen van de auto met een hogedrukreiniger moeten beslist de bedieningsaanwijzingen voor de hogedrukreiniger worden opgevolgd. Dat geldt vooral voor de druk en de spuitafstand. Houd voldoende afstand ten opzichte van zachte materialen, zoals rubberslangen of dempings-, isolatiemateriaal. Gebruik in geen geval rotorsproeiers of zogenaamde vuilfrezen. Vooral banden mogen nooit met rotorsproeiers worden gereinigd. Zelfs bij een relatief grote spuitafstand en een zeer korte inwerktijd kan er al schade optreden. Voorzichtig! De temperatuur van het water mag maximaal 60 C bedragen, omdat anders de auto kan worden beschadigd. Conserveren Een goede conservering beschermt de lak van de auto goed tegen schadelijke milieuinvloeden en lichte mechanische invloeden.

163 Verzorging en reiniging van de auto 161 De auto moet op zijn laatst met een hoogwaardig conserveringsmiddel op vastewasbasis worden behandeld, als op de schone lak geen waterdruppels meer worden gevormd. Er kan een nieuwe laag hoogwaardige harde was op de schone lak worden aangebracht als deze na het wassen goed droog is. Ook wanneer regelmatig wasconserveringsmiddelen worden toegepast, adviseren we de lak minstens tweemaal per jaar met harde was te beschermen. Voorzichtig! Zorg ervoor dat er geen was op de ruiten komt. Polijsten Pas als de lak van uw auto er niet meer goed uitziet en als met conserveringsmiddelen geen glans meer kan worden bereikt, is polijsten (cleanen) noodzakelijk. Als de gebruikte cleaner geen conserverende bestanddelen bevat, moet in aansluiting hierop een laag was op de lak worden aangebracht bladzijde 160, Conserveren. Wij adviseren, de conserveringsmiddelen uit het originele Škoda-assortiment te gebruiken. Voorzichtig! Matgespoten onderdelen of kunststofdelen mogen niet met cleaner of harde was worden behandeld. Poets de lak niet in een stoffige omgeving, omdat de lak zou kunnen worden beschadigd. Verchroomde delen Reinig de verchroomde delen eerst met een vochtige doek en poets deze daarna met een zachte droge doek weer glanzend. Als dit niet voldoende is, gebruik dan een chroomonderhoudsmiddel uit het originele Škoda-accessoireprogramma. Voorzichtig! Poets de verchroomde delen niet in een stoffige omgeving, omdat er anders krassen op kunnen worden gevormd. Lakbeschadigingen Kleine lakbeschadigingen zoals krassen, schrammen of beschadigingen door steenslag direct behandelen, voordat er zich roest kan vormen. Deze werkzaamheden kunnen uiteraard ook door de servicedealers worden uitgevoerd. Hiervoor kunnen de servicedealers de bij de kleur van uw auto passende lakstiften of spuitbussen leveren. Het nummer van de originele lak van uw auto staat op de sticker met autogegevens bladzijde 211. Als er toch corrosie is ontstaan, moet deze grondig worden verwijderd. Breng op die plek een anticorrosiegrondlaag en daarna de lak aan. Deze werkzaamheden kunnen uiteraard ook door de servicedealers worden uitgevoerd. Kunststofdelen Kunststofdelen aan de buitenzijde worden door normaal wassen gereinigd. Als dat niet voldoende is, mogen kunststofdelen ook met speciale oplosmiddelvrije kunststofreinigingsmiddelen worden behandeld. Onderhoudsmiddelen voor lak zijn niet geschikt voor kunststofdelen. Voorzichtig! Oplosmiddel bevattende schoonmaakmiddelen tasten het materiaal aan en kunnen deze beschadigen. Ruiten Gebruik voor het verwijderen van sneeuw en ijs van de ruiten en spiegels alleen maar een plastic ijskrabber. Om daarbij beschadiging van het ruitoppervlak te voorkomen, moet de ijskrabber maar in één richting over de te reinigen ruit heen en weer worden bewogen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

164 162 Verzorging en reiniging van de auto Resten van rubber, olie, vet, was of siliconen kunnen met een speciale ruitenreiniger, resp. met een speciale siliconenverwijderaar worden verwijderd. U moet de ruiten ook regelmatig aan de binnenzijde schoonmaken. Gebruik voor het drogen van de ruiten na het wassen van de auto niet de zeem die voor het drogen van de carrosserie is gebruikt. Resten van conserveringsmiddelen op de zeem kunnen de ruiten vuil maken en het zicht verminderen. Er mogen aan de binnenzijde geen stickers op de achterruit worden geplakt, om beschadiging van de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming te voorkomen. Wij adviseren, de conserveringsmiddelen uit het originele Škoda-assortiment te gebruiken. Voorzichtig! Verwijder nooit sneeuw of ijs van de ruiten door middel van warm of heet water - kans op scheurvorming in het glas! Let erop dat bij het verwijderen van ijs en sneeuw op de ruiten en de spiegelglazen de lak van de auto niet wordt beschadigd. Koplampglazen Gebruik voor het reinigen van de koplampen geen agressieve reinigings- of chemische oplosmiddelen - kans op beschadiging van de kunststofglazen. Maak gebruik van zeep en schoon, warm water. Voorzichtig! Veeg de koplampen nooit droog af en gebruik voor het reinigen van de kunststofglazen geen scherpe voorwerpen, dit kan tot beschadiging van de beschermcoating en in aansluiting daarop tot scheurtjes in de koplampglazen leiden, bijv. door invloed van chemische middelen. Pakkingen De afdichtrubbers van portieren, kleppen en ruiten blijven soepel en hebben een langere levensduur als deze af en toe met een onderhoudsmiddel voor rubber (bijv. een siliconenvrije oliespray) worden behandeld. Bovendien wordt zo voortijdige slijtage van de afdichtrubbers voorkomen en daarmee lekkages. De portieren gaan gemakkelijker open. Goed onderhouden afdichtrubbers vriezen in de winter niet vast. Slotcilinder Voor het ontdooien van slotcilinders adviseren wij de spray, die smeermiddel en anticorrosiemiddel bevat, uit het originele Škoda-accessoireprogramma te gebruiken. Let erop dat er bij het wassen van de auto zo min mogelijk water in de slotcilinders komt. Wielen Stalen velgen Bij het regelmatig wassen van de auto moeten ook de velgen en wielsierdoppen grondig worden gewassen. Zo wordt voorkomen dat remstof, vuil en wegenzout op de velgen gaan vastzitten. Hardnekkig vastklevende remstof kan met een industrieel reinigingsmiddel worden verwijderd. Repareer lakbeschadigingen aan de velgen voordat er roest ontstaat. Lichtmetalen velgen Om ervoor te zorgen dat het decoratieve uiterlijk van de lichtmetalen velgen lange tijd behouden blijft, is regelmatig onderhoud ervan nodig. Vooral wegenzout en remstof moet elke twee weken van de lichtmetalen velgen worden verwijderd, anders wordt het lichtmetaal aangetast. Na een grondige wasbeurt behandelt u de velgen met een beschermingsmiddel voor lichtmetalen velgen dat geen zuurhoudende componenten bevat. Elke drie maanden moeten de velgen worden voorzien van een harde waslaag. Voor het behandelen van de velgen mogen geen middelen worden gebruikt die materiaal wegnemen. Een eventuele beschadiging van de laklaag op de velgen moet direct worden gerepareerd. Wij adviseren, de conserveringsmiddelen uit het originele Škoda-assortiment te gebruiken.

165 Verzorging en reiniging van de auto 163 Denk er bij het reinigen van de wielen aan dat vocht, ijs en wegenzout de werking van de remmen nadelig kunnen beïnvloeden - kans op ongevallen! Sterke vervuiling kan tot onbalans van de wielen leiden. Dit kan leiden tot trillingen die op het stuurwiel worden overgebracht en onder bepaalde omstandigheden tot voortijdige slijtage van de stuurinrichting kunnen leiden. Daarom is het nodig dat dit vuil wordt verwijderd. Conservering auto-onderzijde De onderzijde van de auto heeft een permanente bescherming tegen chemische en mechanische invloeden. Omdat bij het rijden beschadiging van de beschermingslaag niet is uitgesloten, raden we aan de beschermingslaag aan de onderzijde van de auto regelmatig - het beste aan het begin en einde van het koude jaargetijde - te laten controleren en zo nodig te laten bijwerken. De servicedealers hebben de beschikking over de daarvoor benodigde spuitmiddelen, hebben de noodzakelijke apparatuur en kennen de toepassingsvoorschriften. Daarom adviseren wij, de werkzaamheden voor het bijwerken van de lak of maatregelen met betrekking tot extra carrosseriebescherming door een servicedealer te laten uitvoeren. Maak ook nooit gebruik van beschermingsmiddelen voor de wagenonderzijde of corrosiewerende middelen voor uitlaatpijpen, katalysatoren, roetfilter of hitteschilden. Als de motor op bedrijfstemperatuur is, kunnen deze middelen ontsteken - brandgevaar! Conservering van holle ruimtes Deze conservering hoeft niet te worden gecontroleerd en heeft ook geen nabehandeling nodig. Als bij hoge temperaturen een beetje was uit de holle ruimtes stroomt, verwijder dit dan met een kunststofspatel en verwijder de vlekken met wasbenzine. Bij het gebruik van wasbenzine voor het verwijderen van was moeten de veiligheids- en milieuvoorschriften in acht worden genomen - brandgevaar! motorruimte Vooral in de winter als veel op wegen wordt gereden waar zout is gestrooid, is een goede bescherming tegen corrosie heel belangrijk. Daarom moet de gehele motorruimte voor en na de strooiperiode grondig worden gereinigd om te voorkomen dat het strooizout zijn vernietigende werk kan doen. Škoda-dealers beschikken over de door de fabriek daarvoor aanbevolen reinigingsmiddelen en de benodigde installaties. Voordat er werkzaamheden in de motorruimte worden uitgevoerd, is het noodzakelijk de aanwijzingen in dit hoofdstuk op te volgen bladzijde 170. Laat de motor afkoelen voordat de motorruimte wordt gereinigd. Voorzichtig! Het reinigen van de motor mag alleen bij uitgeschakeld contact gebeuren. Vóór het reinigen van de motorruimte wordt aanbevolen de dynamo af te dekken. Milieu Omdat er bij het reinigen van de motor benzine, vet en olieresten worden afgespoeld, moet het vervuilde water met een olieafscheider worden gereinigd. Daarom mag het reinigen van de motor alleen in werkplaatsen of benzinestations worden uitgevoerd (als deze hiervoor tenminste zijn toegerust). Alle aan corrosie blootgestelde holle ruimtes van de auto zijn af fabriek van conserveringswas voorzien die permanente bescherming biedt. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

166 164 Verzorging en reiniging van de auto Verzorging binnenzijde auto Kunststofdelen, kunstleer en stoffen Kunststofdelen en kunstleer kunnen met een vochtige doek worden gereinigd. Als dat niet voldoende is mogen deze delen alleen maar met speciale oplosmiddelvrije kunststofreinigings- en onderhoudsmiddelen worden behandeld. Bekledingsstoffen en de stoffen bekleding van portieren, hoedenplank, hemelbekleding enz. behandelt u met speciale reinigingsmiddelen en zo nodig met droog schuim en een zachte spons of borstel. Wij adviseren, de reinigingsmiddelen uit het originele Škoda-assortiment te gebruiken. Voorzichtig! Oplosmiddel bevattende schoonmaakmiddelen tasten het materiaal aan en kunnen deze beschadigen. Stoffen bekleding van de elektrisch verwarmde stoelen Reinig stoelbekleding niet met vocht omdat dit tot beschadiging van het stoelverwarmingssysteem kan leiden. Reinig de bekleding met speciale middelen, bijv. droog schuim. Wij adviseren, de reinigingsmiddelen uit het originele Škoda-assortiment te gebruiken. Natuurlijk leer Natuurlijk leer heeft hele bijzondere aandacht en onderhoud nodig. Leer moet, afhankelijk van het gebruik, van tijd tot tijd aan de hand van de volgende instructies worden behandeld. Normaal reinigen Maak vuile leervlakken met een licht vochtige katoenen of wollen doek schoon. Sterkere vervuiling Reinig sterker vervuilde plaatsen met een in een zeepoplossing geweekte doek (2 eetlepels neutrale zeep op 1 liter water). Zorg ervoor dat het leer op geen enkele plaats door en door vochtig wordt en dat er geen water in de stiknaden komt. Droog het leer met een zachte droge doek af. Vlekken verwijderen Verwijder verse vlekken op waterbasis (bijv. koffie, thee, sappen, bloed enz.) met een absorberende doek of keukenpapier of gebruik bij een reeds opgedroogde vlek de reiniger uit de onderhoudsset Verwijder verse vlekken op vetbasis (bijv. boter, mayonaise, chocolade enz.) met een zuigende doek of keukenpapier of met de reiniger uit de onderhoudsset als de vlek nog niet in het oppervlak is gedrongen. Gebruik bij ingedroogde vetvlekken een vetoplosserspray. Verwijder speciale vlekken (bijv. ballpoint, viltstift, nagellak, dispersieverf, schoencrème enz.) met een voor leer geschikte speciale vlekkenverwijderaar. Leeronderhoud Behandel het leer elk halfjaar met de bij servicedealers leverbare leeronderhoudsmiddelen. Breng het onderhoudsmiddel heel zuinig aan. Droog het leer met een zachte doek af. Als u vragen hebt over het reinigen en onderhouden van de leren bekleding van uw auto adviseren wij u contact op te nemen met een Škoda-dealer. Wij adviseren, de reinigingsmiddelen uit het originele Škoda-assortiment te gebruiken. Voorzichtig! U mag het leer in geen geval met oplosmiddelen (bijv. benzine, terpentine), boenwas, schoencrème en dergelijke behandelen.

167 Verzorging en reiniging van de auto 165 Voorkom dat de auto lange tijd in de felle zon staat om verbleken van het leer te voorkomen. Als de auto langere tijd buiten moet staan, kunt u het leer tegen directe zonnestraling afdekken. Scherpe voorwerpen aan kledingstukken zoals ritssluitingen, klinknagels, riemen met scherpe randen kunnen blijvende krassen of schaafsporen in het oppervlak achterlaten. Gebruik regelmatig en na elke reiniging een onderhoudscrème met lichtbescherming en impregneereffect. De crème voedt het leer, maakt het ademend en soepel en brengt vocht in. Tegelijkertijd wordt een beschermlaag voor het oppervlak opgebouwd. Reinig het leer om de 2 tot 3 maanden, verwijder vers vuil. Verwijder net ontstane vlekken van ballpoints, inkt, lippenstift, schoenpoets enz. zo snel mogelijk. Onderhoud ook de leerkleur. Werk afwijkende plekken zo nodig bij met een speciale gekleurde leercrème. Het leder is een natuurlijk materiaal met specefieke eigenschappen. Gedurende het gebruik van de auto kunnen op de leder gedeeltes van de bekleding kleine optische veranderingen ontstaan (zoals b.v. vouwen als gevolg van de belasting van de bekleding). Vervolg Reinig de veiligheidsgordels nooit chemisch omdat chemische reinigingsmiddelen het weefsel kunnen vernielen. De veiligheidsgordels mogen ook niet met etsende vloeistoffen (zuren e.d.) in aanraking komen. Gordels met beschadigingen aan het materiaalweefsel, de verbindingen, de oprolautomaat of het slotdeel kunnen door een servicedealer worden vervangen. Vóór het oprollen moeten automatische gordels helemaal droog zijn. Veiligheidsgordels Houd de veiligheidsgordels schoon! Was vuile veiligheidsgordels met een milde zeepoplossing. Controleer regelmatig de staat van uw veiligheidsgordels. Bij een sterk vervuilde gordelband kan het oprollen van de automatische gordel negatief worden beïnvloed. De veiligheidsgordels mogen voor het reinigen niet worden uitgebouwd. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

168 166 Brandstof Brandstof Benzine Soort benzine Uw auto kan met loodvrije benzine die voldoet aan de norm EN 228 worden gebruikt. De verschillende soorten benzine onderscheiden zich door het octaangetal (RON). De informatie over de RON die uw nmotor nodig heeft, bevindt zich aan de binnenzijde van de tankklep bladzijde 167. Voorgeschreven brandstof - loodvrije benzine 95/91 RON Gebruik loodvrije benzine 95 RON. U kunt ook loodvrije benzine 91 ROZ gebruiken, maar dit leidt tot een licht vermogensverlies. Als u in geval van nood een benzine met een lager dan het voorgeschreven octaangetaal moet tanken, mag u de rit slechts met matige toerentallen en met minder motorbelasting voortzetten. De rit met hoge toerentallen of een hoge motorbelasting kunnen de motor zwaar beschadigen! Tank zo snel mogelijk benzine met het voorgeschreven octaangetal. Voorgeschreven brandstof - loodvrije benzine min. 95 RON Gebruik loodvrije benzine 95 RON. Als geen benzine 95 ROZ beschikbaar is, kan in geval van nood benzine 91 ROZ getankt worden. U mag d rit alleen met matige toerentallen en een minimale motorbelasting voortzetten. De rit met hoge toerentallen of een hoge motorbelasting kunnen de motor zwaar beschadigen! Tank zo snel mogelijk benzine met het voorgeschreven octaangetal. De benzine met lager octaangetal als 91 mag u ook in geval van nood niet gebruiken, anders kan de motor zwaar beschadigd worden! Verdere aanwijzingen met betrekking tot het tanken vindt u op bladzijde 167, Tanken. Loodvrije benzine met een hoger octaangetal Loodvrije benzine met een hoger octaangetal dan het voorgeschreven octaangetaal, kan zonder beperkingen worden gebruikt. Bij wagens met voorgeschreven loodvrije benzine 95/91 RON brengt het gebruik van benzine met een hoger octaangetal dan 95 noch een merkbare vermogensverhoging, noch een lager brandstofverbruik teweeg. Bij wagens met voorgeschreven loodvrije benzine min. 95 RON kan het gebruik van benzine met een hoger octaangetal dan 95 een vermogensverhoging en een een lager brandstofverbruik opleveren. Voorzichtig! Alle Škoda-auto's met benzinemotoren zijn uitgerust met een katalysator en mogen alleen met loodvrije benzine worden gebruikt. Al één tankvulling met loodhoudende benzine leidt tot vernieling van de katalysator! Tank alleen brandstof die voldoet aan de norm EN 228. Als u benzine met een lager dan het voorgeschreven octaangetal gebruikt, kan de motor zwaar worden beschadigd! Het soepel draaien, het vermogen en de levensduur van de motor worden in belangrijke mate beïnvloed door de kwaliteit van de benzine. Voeg aan de benzine geen toevoegingen toe. Diesel Dieselolie Uw wagen mag alleen met Dieselbrandstof worden gebruikt die voldoet aan de norm EN 590 (in Duitsland ook DIN 51628, in Oostenrijk ook ÖNORM C 1590).

169 Brandstof 167 Brandstoftoevoegingen Brandstoftoevoegingen, zogenaamde vloeibaarheidsverbeteraars (benzine en overeenkomstige middelen), mogen niet aan de dieselolie worden toegevoegd. Bij slechte kwaliteit dieselolie is het nodig het brandstoffilter vaker dan in het serviceplan is aangegeven, door een Škoda-dealer te laten aftappen. en met betrekking tot het tanken vindt u op bladzijde 167, Tanken. Voorzichtig! Gebrruik daarom alleen dieselbrandstof die voldoet aan de norm EN 590 (in Duitsland ook DIN 51628, in Oostenrijk ook ÖNORM C 1590). Al een tankvulling met dieselbrandstof die niet aan de norm voldoet, kan beschadiging van motordeln, het smeerstysteem, het brandstof- en uitlaatgassysteem leiden. Als u per vergissing een andere brandstof dan dieselbrandstof volgens de hierboven genoemde normen (bv. benzine) getankt heeft, start dan in geen geval de motor! Dit kan zware motorbeschadiging veroorzaken! Contacteer een vakbedrijf. Water in het brandstoffilter kan leiden tot motorstoringen. Uw auto is niet aangepast voor het gebruik van biodiesel (RME), daarom mag deze brandstof niet worden getankt. Het gebruik van biobrandstof (RME) kan leiden tot defecten aan de motor of aan het brandstofsysteem. en de tankstations in de betreffende landen zijn op de hoogte van de landelijke dieseloliesamenstelling. Brandstoffiltervoorverwarming De auto is uitgevoerd met een brandstoffiltervoorverwarmingssysteem. Door dit systeem is de betrouwbaarheid van de dieselolie tot ongeveer -25 C gewaarborgd. Voorzichtig! Brandstoftoevoegingen incl. benzine mogen voor de verbetering van de vloeibaarheid niet aan de dieselolie worden toegevoegd. Tanken Gebruik in de winter Winterdieselolie Door tankstations wordt in de wintermaanden een andere dieselolie dan in de zomermaanden geleverd. Bij het gebruik van zomerdieselolie kunnen bij temperaturen onder 0 C storingen optreden, omdat de dieselolie door paraffineafscheiding te stroperig wordt. Daarom is door de norm EN 590 (in Duitsland ook DIN 51628, in Oostenrijk ook ÖNORM C 1590) voor enkel seizoenen de dieselbrandstofklasse voorgeschreven die in het overeenkomstige seizoen verkocht wordt. Winterdieselolie is bij -20 C nog volledig bedrijfszeker. In landen met andere klimatologische omstandigheden wordt meestal dieselolie aangeboden die andere temperatuureigenschappen bezit. De erkende Škoda-dealers Afb. 134 Rechterachterzijde: Tankklep / tankklep met losgeschroefde tankdop Tankafsluiting openen Klap de tankdopklep met de hand op afb De tankdop van de vulpijp met behulp van de contactsleutel naar links toe ontgrendelen. Schroef de tankdop linksom los en plaats de tankdop van bovenaf op de tankklep afb. 134 rechts. Tankdop sluiten Schroef de tankdop rechtsom tot deze hoorbaar wordt vergrendeld. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

170 168 Brandstof Vergrendel de tankdop van de brandstofvulopening door de autosleutel naar rechts te draaien en verwijder de sleutel. Druk de tankdopklep dicht. Aan de binnenzijde van de tankdopklep staat de juiste brandstof voor uw auto. Verdere aanwijzingen met betrekking tot de brandstof bladzijde 166. Als u toch een reservejerrycan mee wilt nemen, houd dan rekening met de wettelijke voorschriften. Om veiligheidsredenen adviseren wij geen jerrycan in de auto mee te nemen. Bij een aanrijding zou de jerrycan kunnen worden beschadigd en zou er brandstof kunnen wegstromen. Voorzichtig! Veeg de overgestroomde brandstof van de lak - kans op lakschade! Bij auto's met katalysator mag de tank nooit geheel worden leeggereden. Door de onregelmatige benzinetoevoer kan de motor overslaan en zal de onverbrande brandstof terechtkomen in het uitlaatsysteem, wat kan leiden tot oververhitting en beschadiging van de katalysator. Let er bij het aanbrengen van het tankpistool in de vulpijp op dat de klep in de vulpijp iets wordt opengedrukt. Anders vult u onbedoeld het volume dat dient voor de uitzetting van de brandstof bij het warm worden. Dit kan leiden tot het overlopen van de brandstof of tot beschadiging van de onderdelen van de brandstoftank. Zodra het op de juiste wijze bediende automatische vulpistool voor de eerste keer afslaat, is de brandstoftank vol. Vul niet meer bij - omdat anders het volume nodig voor het uitzetten van de brandstof, wordt gevuld. De tankinhoud bedraagt circa 45 liter, waarvan 7liter als reserve.

171 Controleren en navullen 169 Controleren en navullen motorruimte Ontgrendeling van de motorkap Ontgrendeling motorkap Trek aan de ontgrendelingshendel, linksonder het dashboard afb De motorkap springt door veerkracht uit zijn vergrendeling. Motorkap openen en sluiten Afb. 135 Ontgrendelingshendel voor motorkap Motorkap openen Ontgrendel de motorkap afb Controleer voor het openen van de motorkap of de ruitenwisserarmen niet van de voorruit zijn weggeklapt omdat er in dat geval schade aan de lak kan ontstaan. Trek de vergrendelingshendel afb. 136, de motorkap wordt ontgrendeld. Pak de motorkap vast en til deze op. Neem de motorkapsteun uit de klem en zet hem in de daarvoor bestemde opening afb. 136 rechts. Motorkap sluiten Til de motorkap iets op en haak de motorkapsteun los. Druk de motorkapsteun in de daarvoor bestemde klem. Laat de motorkap vanaf een hoogte van ca. 30 cm in de vergrendeling vallen - motorkap niet nadrukken! Open nooit de motorkap als u ziet dat er stoom of koelvloeistof uit de motorruimte komt - kans op verbranding! Wacht totdat er geen stoom of koelvloeistof meer naar buiten komt. Uit zekerheidsoverwegingen moet de motorkap tijdens het rijden altijd gesloten zijn. Daarom moet na het sluiten van de motorkap altijd worden gecontroleerd of de kap goed is vergrendeld. Als u tijdens het rijden merkt dat de kap niet goed is vergrendeld, stop dan direct en sluit de motorkap - kans op ongevallen! Afb. 136 Radiateurgrille: Borghendel / Borging van de motorkap met behulp van de motorkapsteun Voorzichtig! Controleer voor het openen van de motorkap of de ruitenwisserarmen niet van de voorruit zijn weggeklapt. Anders kan er lakschade ontstaan. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

172 170 Controleren en navullen Werkzaamheden in de motorruimte Bij alle werkzaamheden in de motorruimte is bijzondere voorzichtigheid geboden! Bij werkzaamheden in de motorruimte, bijv. controleren en bijvullen van de bedrijfsvloeistoffen, kunnen letsel, verbrandingen, ongevallen en brand ontstaan. Daarom moeten de onderstaand weergegeven waarschuwingen en de algemene veiligheidsregels beslist in acht worden genomen. De motorruimte van de auto is een gevaarlijke omgeving. Open nooit de motorkap als u ziet dat er stoom of koelvloeistof uit de motorruimte komt - kans op verbranding! Wacht totdat er geen stoom of koelvloeistof meer naar buiten komt. Zet de motor uit en trek de contactsleutel uit het contactslot. Handrem stevig aantrekken. Zet bij auto's met handgeschakelde versnellingsbak de versnellingshendel in de vrijstand, bij auto's met automatische versnellingsbak de keuzehendel in de stand P. Laat de motor afkoelen. Zorg ervoor dat er geen kinderen in de buurt van de motorruimte kunnen komen. Raak geen hete motordelen aan - verbrandingsgevaar! Mors nooit bedrijfsvloeistoffen over de hete motor. Deze vloeistoffen (bijv. de in de ruitensproeiervloeistof aanwezige antivries) kunnen ontbranden! Vermijd kortsluiting in het elektrische systeem - vooral op de accu. Grijp nooit in de ventilator van de radiateur zolang de motor warm is. De ventilator kan plotseling worden ingeschakeld! Open nooit de dop van het koelvloeistofexpansiereservoir zolang de motor warm is. Het koelsysteem staat onder druk! Dek de dop van het expansiereservoir bij het losdraaien met een grote doek af om het gezicht, de handen en de armen tegen de hete stoom of de hete koelvloeistof te beschermen. Vervolg Laat geen voorwerpen, zoals bijv. poetsdoeken of gereedschap achter in de motorruimte. Als onder de auto moet worden gewerkt, moet deze tegen wegrollen worden beveiligd en met geschikte bokken op veilige wijze worden ondersteund omdat alleen de krik niet voldoende is - kans op letsel! Als u testwerkzaamheden moet uitvoeren bij draaiende motor, dan vormen de draaiende delen (bijv. geribde riem, dynamo, koelvloeistofradiateur) en het hoogspanningssysteem een extra gevaar. Let bovendien op het volgende: Raak nooit de elektrische bedrading van het ontstekingssysteem aan. Voorkom beslist dat u met sieraden, losse kledingstukken of lang haar in aanraking komt met draaiende delen van de motor - levensgevaar! Doe dan ook vooraf de sieraden af, bindt de haren bij elkaar en draag nauwsluitende kleding. Neem ook de onderstaand weergegeven waarschuwingen in acht als er werkzaamheden aan het brandstofsysteem of aan het elektrische systeem noodzakelijk zijn: Koppel altijd de autoaccu los van het boordnet. Rook niet. Werk nooit in de buurt van open vuur. Houd altijd een goed werkende brandblusser paraat. Voorzichtig! Let er bij het bijvullen van bedrijfsvloeistoffen op dat de vloeistoffen in geen geval worden verwisseld. Dit kan namelijk tot ernstige storingen en tot schade aan de auto leiden!

173 Controleren en navullen 171 Overzicht motorruimte De belangrijkste controlepunten. Motorolie Motoroliepeil controleren De oliepeilstok geeft het motoroliepeil aan. Afb. 138 Oliepeilstok Afb. 137 Dieselmotor 1,6 l/77 kw A1 A2 A3 Koelvloeistofexpansiereservoir Ruitensproeiervloeistofreservoir Motorolievulopening A4 Motoroliepeilstok A5 A6 Remvloeistofreservoir Accu (onder kap) De indeling van de motorruimte is bij de andere motoren praktisch gelijk. Oliepeil controleren Controleer of de auto op een horizontale ondergrond staat. Zet de motor af. Open de motorkap in Werkzaamheden in de motorruimte op bladzijde 170. Wacht een paar minuten en trek de oliepeilstok uit het blok. Veeg de oliepeilstok met een schone doek af en schuif hem er tot aan de aanslag weer in. Trek de oliepeilstok er vervolgens weer uit en lees het oliepeil af. Oliepeil in vlak Aa U mag geen olie bijvullen. Oliepeil in vlak Ab U kunt olie bijvullen. Het kan gebeuren dat het oliepeil daarna in het vlak Aa ligt. Oliepeil in vlak Ac U moet olie bijvullen. Het is optimaal als het oliepeil daarna in het vlak Ab staat. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

174 172 Controleren en navullen Het is normaal dat de motor olie verbruikt. Afhankelijk van de rijstijl en de bedrijfsomstandigheden kan het olieverbruik tot 0,5 l/1 000 km bedragen. Tijdens de eerste kilometer kan het verbruik ook daarboven liggen. Daarom moet het oliepeil regelmatig, bij voorkeur bij elke tankstop of vóór langere ritten, worden gecontroleerd. Als de motor zwaar wordt belast, zoals bijv. tijdens lange ritten op de autobaan in de zomer, bij het rijden met een aanhangwagen of bij het rijden over passen in het hooggebergte, adviseren wij, het oliepeil in het vlak Aa - maar niet daarboven - te houden. Een te laag oliepeil wordt door het controlelampje op het instrumentenpaneel* aangegeven bladzijde 29. Controleer in dat geval zo snel mogelijk het oliepeil. Vul de benodigde hoeveelheid olie bij. Lees en volg voor alle werkzaamheden in de motorruimte de aanwijzingen met betrekking tot gevaar op bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte. Voorzichtig! Controleer het oliepeil bij auto's met een 1,2 l/44 kw motor altijd bij een koude motor, bij andere wagens bij een warme motor. Anders zou het meetresultaat verkeerd kunnen zijn en onnodig olie worden bijgevuld - kans op motorschade! Het oliepeil mag in geen geval boven vlak Aa liggen. Gevaar voor beschadiging van de katalysator. Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van motorolie niet mogelijk is, mag de reis niet worden vervolgd. Zet de motor af en neem contact op met een Škoda-dealer, om te voorkomen dat zware motorschade ontstaat. Motorolie bijvullen Controleer het oliepeil bladzijde 171. Schroef de dop van de motorolievulopening af. Veeg de olie op de afdichtvlakken van het deksel en op het tegenoverliggend vlak met een schone doek af. Vul de geschikte olie bij in porties van 0,5 liter bladzijde 214. Controleer het oliepeil bladzijde 171. Draai de dop van de vulopening zorgvuldig weer dicht en schuif de peilstok er tot de aanslag in. Tijdens het bijvullen mag er geen olie op hete motoronderdelen terechtkomen - Brandgevaar! Lees en volg voor alle werkzaamheden in de motorruimte de aanwijzingen met betrekking tot gevaar op bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte. Milieu Het oliepeil mag in geen geval boven het vlak Aa bladzijde 171 liggen. Anders wordt de olie via de carterontluchting aangezogen en kan deze via het uitlaatsysteem in de atmosfeer terechtkomen. De olie kan in de katalysator verbranden en deze beschadigen. Motorolie verversen De motorolie moet volgens de in het serviceplan aangegeven intervallen of volgens de service-intervalindicatie worden vervangen bladzijde 17. Ververs alleen zelf de motorolie als u over de benodigde vakkennis beschikt! Lees en volg voor alle werkzaamheden in de motorruimte de aanwijzingen met betrekking tot gevaar op bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte. Laat de motor eerst afkoelen, draag een oogbescherming en handschoenen - gevaar voor brandwonden door hete olie.

175 Controleren en navullen 173 Voorzichtig! U mag aan de motorolie geen dopes toevoegen - kans op motorschade! Schade die door dergelijke middelen ontstaat komt niet in aanmerking voor garantie. Milieu De olie mag in geen geval in de riolering of in de bodem terechtkomen. Laat, vanwege de problemen bij de afvoer ervan, het vereiste speciale gereedschap en de noodzakelijke kennis, het vervangen van de olie en het oliefilter bij voorkeur door een erkende Škoda-dealer uitvoeren. Als de huid met olie in contact is gekomen, moet de huid aansluitend hierop grondig worden gewassen. Koelsysteem Koelvloeistof De koelvloeistof zorgt voor de koeling van de motor. Het koelsysteem heeft onder normale bedrijfsomstandigheden bijna geen onderhoud nodig. De koelvloeistof bestaat uit water met 40% antivries. Deze mengverhouding garandeert niet alleen dat het koelsysteem is beschermd tegen vorst tot -25 C, maar beschermt ook het koel- en verwarmingssysteem tegen corrosie. Bovendien voorkomt het mengsel kalkafzetting en verhoogt het het kookpunt van de koelvloeistof duidelijk. De concentratie antivries in de koelvloeistof mag u om deze reden ook in de zomer of in landen met een warm klimaat niet verlagen door bijvullen met water. Het antivriespercentage in de koelvloeistof moet minimaal 40 % bedragen. Als vanwege het klimaat een sterkere vorstbescherming noodzakelijk is, kunt u het percentage antivries verhogen, echter slechts tot 60 % (vorstbescherming tot ca. -40 C). Daarna loopt de bescherming tegen bevriezing al weer terug. Auto's voor landen met een koud klimaat (bijv. Zweden, Noorwegen, Finland) krijgen al af fabriek een koelvloeistof met een vorstbescherming tot ongeveer -35 C. Het antivriespercentage moet in deze landen minimaal 50% bedragen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Koelvloeistof: Het koelsysteem is af fabriek met koelvloeistof gevuld (kleur lila) die voldoet aan de specificatie TL-VW 774 G. Voor het bijvullen adviseren wij koelvloeistof G12 PLUS - PLUS (lila kleur) te gebruiken. Wij adviseren, bij vragen met betrekking tot de koelvloeistof of als u een andere koelvloeistof wilt bijvullen, contact op te nemen met een Škoda-dealer. De juiste antivries is leverbaar via een servicedealer. Vulhoeveelheid koelvloeistof Benzinemotoren Inhoud 1,2 l/44 kw - EU5 5,5 1,2 l/51 kw - EU5 / EU2 DDK 5,5 1,4 l/63 kw - EU5 5,5 1,2 l/63 kw TSI - EU5 7,7 1,2 l/77 kw TSI - EU5 7,7 Dieselmotoren Inhoud 1,2 l/55 kw TDI CR DPF - EU5 6,6 1,6 l/55 kw TDI CR DPF - EU5 8,4 1,6 l/66 kw TDI CR DPF - EU5 8,4 1,6 l/77 kw TDI CR DPF - EU5 8,4 Voorzichtig! Andere koelvloeistofdopes kunnen vooral de bescherming tegen corrosie aanzienlijk verminderen. De door corrosie ontstane storingen kunnen tot verlies van koelvloeistof en aansluitend daarop tot ernstige motorschade leiden. Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

176 174 Controleren en navullen Koelvloeistofpeil controleren Lees en volg voor alle werkzaamheden in de motorruimte de aanwijzingen met betrekking tot gevaar op bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte. Afb. 139 Motorruimte: Koelvloeistofexpansiereservoir Het koelvloeistofexpansiereservoir bevindt zich rechts in de motorruimte. Zet de motor af. Open de motorkap in Werkzaamheden in de motorruimte op bladzijde 170. Controleer het koelvloeistofpeil op het koelvloeistofexpansiereservoir afb Het koelvloeistofpeil moet bij koude motor tussen de markeringen MIN AB en MAX A liggen. Bij warme motor kan het peil ook iets boven de markering MAX liggen. Een te laag koelvloeistofpeil in het expansiereservoir wordt door het controlelampje in het instrumentenpaneel bladzijde 28 aangegeven. Toch raden we aan het koelvloeistofpeil van tijd tot tijd direct op het reservoir te controleren. Verlies van koelvloeistof Koelvloeistofverlies duidt in de eerste plaats op lekkages. Volsta niet met het bijvullen van koelvloeistof. Laat het koelsysteem direct door een Škoda-dealer controleren. Als het systeem geheel lekvrij is, kunnen koelvloeistofverliezen alleen maar optreden doordat de koelvloeistof door oververhitting het kookpunt heeft bereikt en via het overdrukventiel in de dop van het expansiereservoir ontsnapt. Voorzichtig! Als de oorzaak van de oververhitting niet kan worden gevonden en verholpen moet zo snel mogelijk contact worden opgenomen met een Škoda-dealer, anders kan ernstige motorschade ontstaan. Koelvloeistof bijvullen Zet de motor af. Laat de motor afkoelen. Leg een doek op de dop van het koelvloeistofexpansiereservoir afb. 139 en draai de dop voorzichtig linksom los. Vul koelvloeistof bij. Draai de dop dicht tot deze hoorbaar aangrijpt. De koelvloeistof die u bijvult, moet aan bepaalde specificaties voldoen bladzijde 173, Koelvloeistof. Als in geval van nood de antivries G12 PLUS - PLUS niet beschikbaar is, vul dan geen andere antivries bij. Vul in zo'n geval alleen water bij en laat de juiste mengverhouding tussen water en antivries zo snel mogelijk door een Škoda-dealer herstellen. Gebruik voor het bijvullen uitsluitend nieuwe koelvloeistof. Niet tot boven de MAX -markering bijvullen! Overtollige koelvloeistof wordt bij verwarming via de overdrukklep in de afsluitdop van het expansiereservoir uit het koelsysteem gedrukt. Bij een vrij groot koelvloeistofverlies de koelvloeistof alleen maar bij een afgekoelde motor bijvullen. Zo voorkomt u schade aan de motor.

177 Controleren en navullen 175 Het koelsysteem staat onder druk! Draai de dop van het koelvloeistofexpansiereservoir niet los bij hete motor - kans op verbranding! De antivries en daarmee de hele koelvloeistof is schadelijk voor de gezondheid. Vermijd contact met de koelvloeistof. Ook de dampen van de koelvloeistof zijn schadelijk voor de gezondheid. Bewaar antivries altijd in de originele blikken en op een veilige plaats, buiten bereik van kinderen - kans op vergiftiging! Als u koelvloeistofspatten in de ogen hebt gekregen, spoel de ogen dan direct met schoon water en consulteer zo snel mogelijk een arts. Laat u ook direct medisch behandelen als u per vergissing koelvloeistof hebt gedronken. de warme motorruimte ook nog eens door sterke zonnestraling wordt opgewarmd. Bij werkzaamheden in de motorruimte moet u er rekening mee houden dat de koelluchtventilator plotseling kan inschakelen - kans op letsel! Remvloeistof Remvloeistofpeil controleren Voorzichtig! Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van koelvloeistof niet mogelijk is, mag de reis niet worden vervolgd. Zet de motor af en neem contact op met een Škoda-dealer, om te voorkomen dat zware motorschade ontstaat. Milieu Als de koelvloeistof moet worden afgetapt, mag het niet weer worden gebruikt. De vloeistof moet worden opgevangen en met inachtneming van de milieuvoorschriften worden afgevoerd. Koelluchtventilator De koelluchtventilator kan plotseling inschakelen. De koelluchtventilator wordt door een elektromotor aangedreven en via een thermoschakelaar, afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur, aangestuurd. Na het afzetten van de motor kan de koelluchtventilator - ook bij uitgeschakeld contact - nog ongeveer 10 minuten doordraaien. Hij kan ook na enige tijd plotseling weer inschakelen als de koelvloeistoftemperatuur door stuwwarmte is opgelopen of Bediening Veiligheid en voor het rijden Afb. 140 Motorruimte: remvloeistofreservoir Het remvloeistofreservoir bevindt zich links in de motorruimte. Bij auto's met stuur rechts bevindt het reservoir zich aan de andere zijde van de motorruimte. Zet de motor af. Open de motorkap in Werkzaamheden in de motorruimte op bladzijde 170. Controleer het remvloeistofpeil in het reservoir afb Het peil moet tussen de markeringen MIN en MAX liggen. Een geringe daling van het vloeistofpeil ontstaat bij het rijden door de slijtage en de automatische bijstelling van de remblokken en is daarom normaal. Als het vloeistofpeil echter binnen korte tijd duidelijk daalt of tot onder de markering MIN zakt, kan dit te wijten zijn aan een lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofpeil te laag is, wordt dit door het oplichten van het controlelampje in het instru- Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

178 176 Controleren en navullen mentenpaneel aangegeven bladzijde 31. In dit geval moet direct worden gestopt en mag er niet verder worden gereden! Roep deskundige hulp in. Lees en volg voor alle werkzaamheden in de motorruimte de aanwijzingen met betrekking tot gevaar op bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte. Als het vloeistofpeil tot onder de MIN-markering is gedaald, rijd dan niet verder - kans op ongevallen! Roep deskundige hulp in. Remvloeistof vervangen Remvloeistof trekt vocht aan. De vloeistof neemt dan ook in de loop van de tijd vocht uit de omringende lucht op. Een te hoog percentage water in de remvloeistof kan de oorzaak van corrosie in het remsysteem zijn. Het percentage water verlaagt bovendien het kookpunt van de remvloeistof. Daarom moet de remvloeistof elke twee jaar worden vervangen. Er mag alleen nieuwe, door Škoda Auto vrijgegeven, originele remvloeistof worden gebruikt. De remvloeistof moet aan een van de volgende normen resp. specificaties voldoen: VW , FMVSS 116 DOT4, DIN ISO 4925 CLASS 4. Wij adviseren, het vervangen van de remvloeistof in het kader van een Grote Onderhoud Service door een erkende Škoda-dealer te laten uitvoeren. Bij gebruik van te oude remvloeistof kunnen bij grote belasting van de remmen luchtbellen in het remsysteem ontstaan. Daardoor wordt de remwerking en dientengevolge de rijveiligheid negatief beïnvloed. Remvloeistof is giftig! Daarom moet deze in een afgesloten originele verpakking en buiten het bereik van kinderen en onbevoegde personen worden bewaard. Voorzichtig! Remvloeistof tast de lak van de auto aan. Milieu In verband met de problemen met de afvoer (chemisch afval), het benodigde speciale gereedschap en de nodige vakkennis, adviseren wij het verversen van de remvloeistof aan een Škoda-dealer over te laten. Accu Werkzaamheden aan de accu Afb. 141 Accu: Afdekking opklappen (automatische versnellingsbak) / (versnellingsbak) De accu bevindt zich in de motorruimte in een kunststofbox. Ontgrendel de vergrendeling aan de pluspoolzijde van de accu afb Klap de afdekking in pijlrichting op afb. 141 links (automatische versnellingsbak) resp. afb. 141 rechts (schakelbak). Het inbouwen van de accuafdekplaat aan de pluspoolzijde vindt in omgekeerde volgorde plaats. Het uit- en inbouwen van de accu wordt afgeraden omdat dit onder bepaalde omstandigheden kan leiden tot een ernstige beschadiging van de accu en de zekeringhouder. Neem contact op met een Škoda-dealer.

179 Controleren en navullen 177 Bij werkzaamheden aan de accu en aan het elektrische systeem kunnen letsel, verbrandingen, ongevallen en brand ontstaan. Daarom moeten de onderstaand weergegeven waarschuwingen en de algemene veiligheidsregels beslist in acht worden genomen. Het accuzuur heeft een sterke etsende werking, er moet daarom uiterst zorgvuldig mee worden omgegaan. Draag bij het werken aan de accu beschermende handschoenen, oog- en huidbeschermers. Etsende dampen in de lucht zorgen voor irritatie van de luchtwegen en leiden tot ontstekingen aan bindvlies en luchtwegen. Het accuzuur heeft een etsende werking op tandglazuur, na huidcontact ontstaan diepe wonden die lange tijd nodig hebben om te genezen. Frequent contact met verdunde zuren veroorzaakt huidziektes (ontstekingen, zweren, kloven). Als de zuren in aanraking komen met water, vindt verdunning plaats die gepaard gaat met een aanzienlijke warmteontwikkeling. Kantel de accu niet, want er kan accuzuur uit de ontluchtingsopeningen van de accu lopen. Ogen beschermen door middel van een veiligheidsbril of veiligheidskap! Er is kans op blindheid! Als u accuzuur in de ogen krijgt, moet u het betreffende oog een aantal minuten met schoon water spoelen. Roep daarna direct medische hulp in. Zuurspatten op de huid of kleding zo gauw mogelijk met zeep neutraliseren en daarna met veel water naspoelen. Als u zuur hebt gedronken, direct medische hulp inroepen. Houd kinderen uit de buurt van de accu. Bij het laden van accu's komt waterstof vrij en ontstaat er een uiterst explosief knalgasmengsel. Een explosie kan ook worden veroorzaakt door een vonk die ontstaat bij het loskoppelen van de accu of het lostrekken van een stekerverbinding bij ingeschakeld contact. Door het overbruggen van de accupolen (bijv. door metalen voorwerpen, bekabeling) ontstaat kortsluiting. Eventuele gevolgen van kortsluiting: smelten van loodstrippen, explosie en accubrand, zuurspetters. Open vuur en licht, roken en bezigheden waarbij vonken ontstaan, zijn verboden. Vermijd vonkvorming bij het hanteren van bedrading en elektrische apparatuur. Bij sterke vonkvorming bestaat kans op letsel. Vervolg Voor alle werkzaamheden aan de elektrische installatie moet de motor, het contact alsmede alle elektrische verbruikers worden uitgezet en moet de accumassakabel (-) op de accu worden losgemaakt. Als u gloeilampen wilt vervangen, moet u de betreffende verlichting uitschakelen. Laadt nooit een bevroren of ontdooide accu op - kans op explosie en bijtende zuren! Vervang een bevroren accu. Maak nooit gebruik van een beschadigde accu - explosiegevaar! Vervang een beschadigde accu direct. Voorzichtig! U mag de accukabels alleen bij uitgeschakeld contact losmaken, omdat anders de elektrische installatie (elektronische componenten) van de auto kunnen worden beschadigd. Bij het loskoppelen van de accu van het boordnet koppelt u eerst de minpool (-) van de accu los. Pas daarna koppelt u de pluspool (+) los. Bij het weer aansluiten van de accu moet u eerst de pluspool (+) en pas daarna de minpool (-) van de accu aansluiten. U mag de aansluitkabels in geen geval verwisselen - kans op brand in de bedrading. Zorg ervoor dat het accuzuur niet in aanraking komt met de carrosserie, omdat dan de lak kan worden aangetast. Om de accu tegen UV-stralen te beschermen mag de accu niet aan direct daglicht worden blootgesteld. Milieu Een afgedankte accu is schadelijk afval voor het milieu - wij adviseren dan ook voor het milieuverantwoord afvoeren van de accu's contact op te nemen met een Škodadealer. Neem ook na het aansluiten van de accu de aanwijzingen in acht bladzijde 179, Accu los-, resp. vastkoppelen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

180 178 Controleren en navullen Accu met tweekleurig display Reserve-accu's met tweekleurig display die bij de originele Škoda-onderdelen gekocht worden, hebben de code Dx, waarbij x voor een variabel teken staat. De precieze code kan b.v DB zijn. Accu met driekleurig display Aan de bovenzijde van de accu is een display voor de elektrolytpeil en de laadtoestand, het zogenoemd magisch oog afb De kleur van deze indicatie wijzigt al naargelang de laadtoestand en elektrolytpeil van de accu. Afb. 142 Accu: Scherm Aan de bovenzijde van de accu is een indicatie voor het elektrolytpeil, het zogenoemd magisch oog afb De kleur van deze indicatie wijzigt al naargelang de elektrolytpeil van de accu. Luchtbellen kunnen van invloed zijn op de kleur van het display. Klop daarom voor de controle voorzichtig op het display. Zwarte kleur - elektrolytpeil in orde. Kleurloze of lichtgele kleur - elektrolytpeil te laag, de accu moet worden vervangen. Accu's die ouder zijn dan 5 jaar moeten worden vervangen. Wij adviseren, de controle en het vervangen van de accu door een dealer te laten uitvoeren. Voorzichtig! Bij een stilstand van de auto van langer dan 3 tot 4 weken wordt de accu ontladen, omdat enkele verbruikers ook in ruststand stroom verbruiken (bijv. regelapparaten). U kunt het ontladen van de accu voorkomen, door de minpool van de accu los te koppelen, of de accu doorlopend met een zeer lage laadstroom op te laden. Let bij werkzaamheden aan de accu op de aanwijzingen in Werkzaamheden aan de accu op bladzijde 176. Accu's met tweekleurig display, die af fabriek gemonteerd zijn, zijn met een code gemarkeerd die altijd met 5K0 begint. De precieze code kan b.v. 5K D zijn. Luchtbellen kunnen van invloed zijn op de kleur van het display. Klop daarom voor de controle voorzichtig op het display. Groene kleur - de accu is voldoende geladen. Donkere kleur - de accu moet worden geladen. Kleurloze of gele kleur - elektrolytpeil te laag, de accu moet worden vervangen. Accu's die ouder zijn dan 5 jaar moeten worden vervangen. Wij adviseren, de controle en het vervangen van de accu door een dealer te laten uitvoeren. Voorzichtig! Bij een stilstand van de auto van langer dan 3 tot 4 weken wordt de accu ontladen, omdat enkele verbruikers ook in ruststand stroom verbruiken (bijv. regelapparaten). U kunt het ontladen van de accu voorkomen, door de minpool van de accu los te koppelen, of de accu doorlopend met een zeer lage laadstroom op te laden. Let bij werkzaamheden aan de accu op de aanwijzingen in Werkzaamheden aan de accu op bladzijde 176. Accu's met driekleurig display, die af fabriek gemonteerd zijn, zijn met een code gemarkeerd die altijd met 1J0, 7N0 of 3B0 begint. De precieze code kan b.v. 1J AC zijn. Reserve-accu's met driekleurig display die bij de originele Škoda-onderdelen gekocht worden, hebben de code Ax, waarbij x voor een variabel teken staat. De precieze code kan b.v AB zijn.

181 Controleren en navullen 179 Elektrolytpeil controleren De accu is onder normale bedrijfsomstandigheden praktisch onderhoudsvrij. Bij hoge buitentemperaturen of lange dagelijkse ritten raden we toch aan het elektrolytpeil van tijd tot tijd door een Škoda-dealer te laten controleren. Laat na elke keer laden bladzijde 179 ook het elektrolytpeil controleren. Het elektrolytpeil wordt ook in het kader van de Grote Onderhoud Service gecontroleerd. Rijden in de winter Vooral in de winter wordt de accu zwaar op de proef gesteld. Bovendien beschikt hij bij lage temperaturen nog maar over een deel van de startcapaciteit die hij bij normale temperaturen heeft. Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 C bevriezen. Wij adviseren daarom, de accu voor het begin van het koude jaargetijde door een Škoda-dealer te laten controleren en zo nodig te laten opladen. Accu laden Een geladen accu is een absolute voorwaarde voor goed starten van de motor. Lees de waarschuwingsaanwijzingen in Werkzaamheden aan de accu op bladzijde 176 en. Schakel het contact en alle stroomverbruikers uit. Alleen bij snelladen : koppel beide aansluitkabels los (eerst min, dan plus ). klem de poolklemmen van de acculader aan op de accupolen (rood = plus, zwart = min ). steek dan pas de steker van het laadapparaat in het stopcontact en schakel het apparaat in. Aan het einde van het laadproces: schakel het laadapparaat uit en trek de steker uit het stopcontact. neem nu pas de poolklemmen van het laadapparaat los. Bediening Veiligheid en voor het rijden sluit de aansluitkabels weer op de accu aan (eerst plus, dan min ). Bij het laden met geringe stroomsterktes (bijv. met een hobbylader) hoeven de aansluitkabels normaal gesproken niet van de accu te worden losgekoppeld. Neem in ieder geval de aanwijzingen van de fabrikant van het laadapparaat in acht. Voor het geheel laden van de accu moet een laadstroom van 0,1 van de accucapaciteit (of lager) worden ingesteld. Vóór het laden met hoge stroomsterktes, het zogenaamde snelladen, moeten de beide accukabels echter wel worden losgemaakt. Het snelladen van een accu is gevaarlijk in Werkzaamheden aan de accu op bladzijde 176. Dit vereist een speciaal laadapparaat en de noodzakelijke kennis. Wij adviseren dan ook, uw accu alleen door een Škoda-dealer te laten laden met behulp van een snellader. Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 C bevriezen. We raden aan een ontdooide accu niet meer te gebruiken omdat de accubehuizing door de ijsvorming kan zijn gescheurd en daardoor het accuzuur eruit kan lopen. Bij het laden hoeven de afsluitdoppen van de accu niet te worden geopend. Laadt nooit een bevroren of ontdooide accu op - kans op explosie en bijtende zuren! Vervang een bevroren accu. Accu los-, resp. vastkoppelen Na het loskoppelen en weer vastkoppelen van de accu zijn aanvankelijk de volgende functies buiten werking of kunnen niet meer storingvrij worden gebruikt: werking Ingebruikneming Elektrische ruitbediening (storingen) bladzijde 45 Radio - codenummer invoeren zie radiohandleiding Uren instellen bladzijde 18 Gegevens van de multi-functie-indicatie* zijn gewist bladzijde 19 Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

182 180 Controleren en navullen Wij adviseren, de auto door een Škoda-dealer te laten controleren, zodat de volledige werking van alle elektrische systemen is gegarandeerd. Accu vervangen Als de accu wordt vervangen, moet de nieuwe accu dezelfde capaciteit, spanning (12 volt), stroomsterkte en dezelfde grootte hebben. De Škoda-dealers beschikken over geschikte accutypen. Door de speciale eisen die worden gesteld aan de afvoer van de oude accu, adviseren wij, de accu alleen maar door een Škoda-dealer te laten vervangen. Gewoon water is niet voldoende om de ruiten en de koplampen intensief te reinigen. Wij adviseren daarom schoon water met een ruitenreiniger uit het originele Škodaaccessoireprogramma (in de winter met antivries) te gebruiken om het vastzittende vuil te verwijderen. Neem bij het gebruik van reinigingsmiddelen de gebruiksvoorschriften op de verpakking in acht. Ook als uw auto verwarmbare ruitensproeiers* heeft, moet u in de winter altijd antivries aan het water toevoegen. Als er geen ruitenreiniger met antivries beschikbaar is, kan ook spiritus worden gebruikt. Het percentage spiritus mag daarbij niet meer dan 15 % bedragen. Let er echter op de beveiliging tegen bevriezing bij deze concentratie slechts tot -5 C loopt. Milieu Accu's bevatten giftige substanties zoals zwavelzuur en lood. Ze moeten daarom volgens voorschrift worden afgevoerd en horen in elk geval niet bij het huisvuil thuis! Ruitensproeiersysteem Afb. 143 Motorruimte: Ruitensproeiervloeistofreservoir Het ruitensproeierreservoir bevat de reinigingsvloeistof voor de voorruit, resp. achterruit en de koplampsproeiers*. Het reservoir bevindt zich in de motorruimte vooraan aan de rechterkant van de wagen afb Bij enkele wagens bevindt het reservoir zich aan de linkerkant van de wagen, naast de accu. De inhoud van het reservoir bedraagt ca. 3,5 liter, bij auto's met koplampreinigingssysteem ca. 5,4 liter. Lees en volg voor alle werkzaamheden in de motorruimte de aanwijzingen met betrekking tot gevaar op bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte. Voorzichtig! U mag de ruitensproeiervloeistof in geen geval mengen met antivries voor de radiateur of andere dergelijke middelen. Als de auto is uitgevoerd met koplampsproeiers, mag aan de ruitensproeiervloeistof alleen een reinigingsmiddel worden toegevoegd dat de polycarbonaatcoating van de koplamp niet aantast. Neem contact op met uw Škoda-dealer, die u informeert welke reinigingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Neem bij het bijvullen van de vloeistof de zeef niet uit het ruitensproeiervloeistofreservoir omdat het leidingsysteem dan vervuild kan raken en daardoor de goede werking van het ruitensproeiersysteem kan worden verstoord.

183 Wielen en banden 181 Wielen en banden Wielen Algemene aanwijzingen Nieuwe banden hebben in het begin nog niet de optimale grip en moeten dan ook de eerste 500 km met een matige snelheid en een hierbij behorende voorzichtige rijstijl worden ingereden. Dat komt ook de levensduur van de banden ten goede Op basis van constructiekenmerken en de vorm van het profiel kan de profieldiepte van nieuwe banden - afhankelijk van de uitvoering en het fabrikaat - verschillen vertonen. Om beschadiging van banden en velgen te voorkomen, mogen trottoirs of soortgelijke obstakels alleen maar langzaam en zo mogelijk onder een rechte hoek worden genomen. Controleer de banden regelmatig op beschadigingen (inkepingen, insnijdingen, scheuren en bulten). Verwijder ongerechtigheden uit het bandenprofiel. Beschadigingen aan de band en aan de velg treden vaak ongemerkt op. Ongewone trillingen of zijwaarts trekken van de auto kan duiden op bandenschade. Als u vermoedt dat een band is beschadigd, verlaag dan direct de snelheid en stop! Controleer de banden op beschadigingen (builen, scheuren e.d.). Als er geen beschadigingen zichtbaar zijn, rijd dan langzaam en voorzichtig naar de dichtstbijzijnde Škoda-dealer om uw auto te laten controleren. Bescherm de banden zodat deze niet in contact kunnen komen met olie, vet en brandstof. Vervang zoekgeraakte ventieldopjes direct. Als de wielen worden verwijderd, moeten deze vooraf worden afgetekend zodat bij het weer monteren de huidige draairichting kan worden gehandhaafd. Bewaar gedemonteerde wielen, resp. banden altijd op een koele, droge en zo mogelijk donkere plaats. Banden die niet op een velg zijn gemonteerd, moeten staande worden bewaard. Draairichtinggebonden banden* De draairichting is door een pijl op de bandwang gekenmerkt. De op deze wijze aangegeven draairichting moet beslist worden aangehouden. Alleen dan kunnen de optimale eigenschappen van deze banden met betrekking tot de grip, het bandengeluid, slijtage en aquaplaning volledig tot hun recht komen. Verdere aanwijzingen met betrekking tot de montage van draairichtinggebonden banden bladzijde 185. Nieuwe banden leveren tijdens de eerste 500 km nog niet de optimale grip, rijd dan ook voorzichtig - kans op ongevallen! Rijd nooit met beschadigde banden - kans op ongevallen! Let op de afwijkende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot de banden. Levensduur van de banden Afb. 144 Open tankdopklep met een tabel van bandenmaten en -spanningwaarden De levensduur van de banden is in belangrijke mate afhankelijk van de onderstaande punten: Bandenspanning Een te lage of te hoge bandenspanning leidt tot een aanzienlijk kortere levensduur van de banden en heeft een zeer ongunstig effect op de wegligging van de auto. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

184 182 Wielen en banden Vooral bij hoge snelheden is de bandenspanning van het allergrootste belang. Controleer de bandenspanning dan ook minstens eenmaal per maand en voor elke grote rit. Denk bij deze gelegenheid ook aan het reservewiel*. De bandenspanningswaarden voor zomerbanden staan aan de binnenzijde van de tankdopklep bladzijde 181, afb De bandenspanningswaarden voor winterbanden zijn 20 kpa (0,2 bar) hoger dan die voor de zomerbanden bladzijde 185. Voor de bandenspanning van het reservewiel moet de hoogste bandenspanning die voor de auto is voorgeschreven, worden aangehouden. Controleer de bandenspanning altijd bij koude banden. Verlaag bij warme banden de hiermee gepaard gaande hogere bandenspanning niet. Pas bij een grotere wijziging van de belading de bandenspanning overeenkomstig aan. Bandenvuldruk - Bandenmaat 185/55 R15 Voor banden met de bandenmaat 185/55 R15, die voor het gebruik van sneeuwketingen bestemd zijn, gelden dezelfde vuldrukwaarden als voor banden met bandnenmaat 195/55 R15, zie binnenkant van de tankklep. Voor wagens Fabia Combi Scout gelden voor de banden met de bandenmaat 185/55 R15, de voor het gebruik van sneeuwkettingen bepaald zijn, de volgende vuldrukwaarden in kpa. Motor Deelbelasting Volledige belasting 1,2/63 kw TSI 220/230 1,4/63 kw 220/290 1,2/77 kw TSI 230/300 1,6/77 kw 220/ /300 1,2/55 kw TDI CR 230/300 1,6/66 kw TDI CR 220/290 1,6/77 kw TDI CR 220/290 Wielen balanceren De wielen van een nieuwe auto zijn gebalanceerd. Tijdens het rijden kan echter door verschillende invloeden onbalans ontstaan, die zich kenbaar maakt door trillingen in het stuur. Omdat onbalans ook tot een hogere slijtage van stuurinrichting, wielophanging en banden leidt, moeten de wielen opnieuw worden gebalanceerd. Bovendien moet een wiel na de montage van een nieuwe band en na elke bandenreparatie opnieuw worden gebalanceerd. Uitlijningsfouten Een verkeerde wieluitlijning voor of achter zorgt niet alleen voor een hogere en vaak eenzijdige bandenslijtage, maar heeft ook een negatieve invloed op de rijveiligheid. Neem bij extreme bandenslijtage contact op met uw Škoda-dealer. Bij een te lage bandenspanning moet de band een hogere afrolweerstand overwinnen. Hierdoor loopt bij hogere snelheden de temperatuur van de band sterk op. Dit kan weer leiden tot het loslaten van het loopvlak en zelfs tot een klapband. Vervang een beschadigde velg of band direct. Banden die ouder zijn dan 6 jaar mogen alleen in geval van nood worden gemonteerd en rijd hiermee voorzichtig. Milieu Een te lage bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik. Rijstijl Snel bochtenwerk, snel accelereren en sterk afremmen (piepende banden) verhogen de bandenslijtage.

185 Wielen en banden 183 Slijtage-indicator Bij bepaalde slijtageverschijnselen op het loopvlak van de banden kan het zinvol zijn, de wielen kruiselings te verwisselen (alleen bij niet-draairichtinggebonden banden). De details zijn bij de servicedealers bekend. Om tot een gelijkmatige slijtage van alle wielen en een optimale levensduur te komen adviseren wij de wielen elke km te verwisselen. Nieuwe banden en velgen In de groeven van het profiel van de originele band zijn dwars op de draairichting 1,6 mm hoge slijtage-indicatoren aangebracht. Deze slijtage-indicatoren zijn afhankelijk van de fabrikant 6-, 8-maal op gelijke afstanden op de bandomtrek aangebracht afb De markeringen op de wang in de vorm van de letters TWI, driehoekssymbool of andere symbolen, geven de plaats van de slijtage-indicatoren aan. Bij een profieldiepte van 1,6 mm - gemeten in de groeven naast de slijtage-indicatoren - is de wettelijk toegestane minimale profieldiepte bereikt (in een aantal landen kunnen andere waarden gelden). De banden moeten direct worden vervangen als deze tot aan de slijtageindicatoren zijn versleten - kans op ongevallen! Let op de wettelijk voorgeschreven minimale profieldiepte. Versleten banden beïnvloeden bij hoge snelheden op een nat wegdek de benodigde grip op het wegdek in negatieve zin. Er kan aquaplaning optreden (ongecontroleerde bewegingen van de auto - drijven op een nat wegdek). Wielen verwisselen Afb. 145 Bandenprofiel met slijtageindicator Bij een duidelijk sterke slijtage van de voorbanden adviseren wij, de voorwielen te verwisselen met de achterwielen. Hierdoor kennen alle banden ongeveer dezelfde levensduur. Banden en velgen zijn belangrijke constructie-elementen. Monteer daarom alleen door Škoda Auto vrijgegeven banden en velgen. Deze zijn exact op het type auto afgestemd en dragen in belangrijke mate bij aan een goede wegligging en veilige rijeigenschappen. Monteer op alle 4 de wielen alleen radiaalbanden met dezelfde constructie, maat (afrolomtrek) en hetzelfde profiel per as. De servicedealer beschikt over de actuele informatie over welke bandenmerken voor uw auto zijn vrijgegeven. Wij adviseren, alle werkzaamheden aan banden of wielen door een servicedealer te laten uitvoeren. Deze beschikt over de benodigde speciale gereedschappen en onderdelen, heeft de vereiste vakkennis en is ingesteld op de opslag en het afvoeren van oude banden. Vele servicedealers beschikken bovendien over een ruim assortiment velgen en banden. De voor uw auto vrijgegeven band-velgcombinaties staan in de documentatie die bij de auto hoort. De typegoedkeuring is afhankelijk van de wetgeving in de afzonderlijke landen. Het kennen van de betekenis van de gegevens op de band vergemakkelijkt het maken van de juiste keuze. Banden zijn op de wang voorzien van bijv. het volgende opschrift: 185 / 65 R T Dit betekent: 185 Bandenbreedte in mm 65 Hoogte-breedteverhouding in % R Codeletter voor bandenconstructie - Radiaal Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

186 184 Wielen en banden Voor banden gelden de volgende snelheidsbegrenzingen. De productiedatum staat eveneens op de wang van de band (eventueel alleen aan de binnenzijde van de band). DOT Velgdiameter in inches 86 Draagvermogen T Lettercode snelheid Lettercode snelheid Q R S T U H V W Toelaatbare topsnelheid 160 km/u 170 km/u 180 km/u 190 km/u 200 km/u 210 km/u 240 km/u 270 km/u betekent bijvoorbeeld, dat de band in de 13de week van het jaar 2010 is geproduceerd. Als het reservewiel* qua uitvoering afwijkt van de gemonteerde banden (bijv. bij winter- of low-sectionband), mag het reservewiel* alleen in geval van pech kortstondig en met de overeenkomstige voorzichtige rijstijl worden gebruikt. Het reservewiel moet zo snel mogelijk weer door het normaal gemonteerde wiel worden vervangen. Vervolg Monteer dan ook uitsluitend die banden of velgen die door Škoda Auto A.G. voor uw auto zijn vrijgegeven. Als dit wordt nagelaten kan de verkeersveiligheid negatief worden beïnvloed - kans op ongevallen! Bovendien kan in Nederland de door de Rijksdienst voor het Wegverkeer verleende typegoedkeuring haar geldigheid verliezen. De toegestane maximumsnelheid van uw banden mag in geen geval worden overschreden kans op een ongeval door een beschadigde band en verlies van controle over de auto. Banden die ouder zijn dan 6 jaar mogen alleen in geval van nood worden gemonteerd en rijd hiermee voorzichtig. Monteer nooit gebruikte banden waarvan de voorgeschiedenis onbekend is. Banden verouderen, ook als deze niet of slechts weinig zijn gebruikt. Op het reservewiel mag alleen in geval van nood een gebruikte band worden gemonteerd en dan alleen wanneer zeer voorzichtig wordt gereden. In het belang van de verkeersveiligheid banden zo mogelijk niet apart maar minstens per as vervangen. De banden met de grootste profieldiepte moeten altijd op de voorwielen worden gemonteerd. Milieu Oude gebruikte banden moeten volgens voorschrift worden opgeslagen en afgevoerd. Om technische redenen kunnen normaal gesproken de velgen van een andere auto niet worden gemonteerd. Dit geldt onder bepaalde omstandigheden zelfs voor de velgen van hetzelfde autotype. Wielbouten De velgen en de wielbouten zijn constructief op elkaar afgestemd. Bij het monteren van andere velgen - bijv. lichtmetalen velgen of velgen met winterbanden - moeten daarom steeds de bijbehorende wielbouten met de juiste lengte en bolvorm onder de boutkop worden gebruikt. De bevestiging van de velgen en de werking van het remsysteem zijn hiervan afhankelijk. Als naderhand wielsierdoppen worden gemonteerd, moet erop worden gelet, dat voldoende luchttoevoer voor de koeling van het remsysteem blijft gegarandeerd.

187 Wielen en banden 185 Servicedealers worden constant op de hoogte gehouden over de technische mogelijkheden van de velg-bandcombinaties en wielsierdoppen. Als de wielbouten niet goed worden vastgedraaid kan het wiel tijdens het rijden loslopen - kans op ongevallen! De wielbouten moeten schoon en goed gangbaar zijn. Zij mogen nooit met vet of olie worden ingesmeerd. Als de wielbouten met een te laag aantrekmoment werden vastgedraaid, kan de velg tijdens het rijden loslopen - kans op ongevallen! Een te hoog aantrekmoment kan de bouten en de schroefdraad beschadigen en leiden tot een blijvende vervorming van de draagvlakken op de velg. Voorzichtig! Het voorgeschreven aantrekmoment van de wielbouten is bij stalen en lichtmetalen velgen 120 Nm. Winterbanden Bij winterse omstandigheden worden de rijeigenschappen van de auto door winterbanden duidelijk verbeterd. Zomerbanden bieden door hun constructie (breedte, rubbersamenstelling, profielvorm) bij temperaturen beneden 7 C, minder grip op ijs en sneeuw. Dit geldt vooral voor auto's die zijn voorzien van low-sectionbanden of hogesnelheidsbanden (codeletter H, V of W op de flank van de band). Om de best mogelijke rijeigenschappen te verkrijgen, moeten op alle vier de wielen winterbanden worden gemonteerd. Er mogen alleen winterbanden worden gemonteerd, die voor de auto zijn vrijgegeven. De toegestane winterbandmaten staan vermeld in de documentatie die bij de auto hoort. De bandenmaten zijn afhankelijk van de nationale wettelijke voorschriften. Let erop dat de bandenspanning 20 kpa (0,2 bar) hoger moet zijn dan bij zomerbanden bladzijde 181. Winterbanden verliezen hun wintereigenschappen grotendeels, als het profiel tot op ca. 4 mm is afgesleten. Ook door veroudering gaan de eigenschappen van winterbanden achteruit - ook als de profieldiepte nog duidelijk boven de 4 mm ligt. Voor winterbanden gelden snelheidsbeperkingen net zoals voor zomerbanden bladzijde 183,. Er mogen winterbanden met een lagere snelheidscategorie worden gemonteerd op voorwaarde dat de toegestane topsnelheid van deze banden niet wordt overschreden ook niet als de mogelijke topsnelheid van de auto hoger ligt. Bij het overschrijden van de toegestane maximumsnelheid van de betreffende bandencategorie kunnen de banden worden beschadigd. Let bij het gebruik van winterbanden op de aanwijzingen bladzijde 181. In plaats van winterbanden kunnen ook zogenaamde all-wheatherbanden worden gemonteerd. Neem als een en ander niet duidelijk is, contact op met een Škoda-dealer, die u kan informeren over de voor uw banden geldende topsnelheid. De toelaatbare topsnelheid van uw winterbanden mag in geen geval worden overschreden - kans op een ongeval door een beschadigde band en het verlies over de controle van de auto. Milieu Monteer tijdig weer de zomerbanden, omdat de rijeigenschappen met zomerbanden op sneeuw- en ijsvrije wegen alsmede bij temperaturen boven 7 C duidelijk beter zijn - kortere remweg, minder afrolgeluid, minder bandenslijtage en lager brandstofverbruik. Let op de afwijkende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot de banden. Draairichtinggebonden banden* De draairichting is door een pijl op de bandwang gekenmerkt. De op deze wijze aangegeven draairichting moet beslist worden aangehouden. Alleen zo kunnen de Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

188 186 Wielen en banden optimale eigenschappen van deze banden met betrekking tot de grip, het bandengeluid, slijtage en aquaplaning volledig tot hun recht komen. Als het reservewiel* bij een lekke band met geen voorgeschreven draairichting of in tegengestelde richting aan de draairichting moet worden gemonteerd, moet bijzonder voorzichtig worden gereden, omdat de optimale eigenschappen van de band in deze situatie niet meer gelden. Dit is vooral bij een nat wegdek belangrijk. Let op de aanwijzingen bladzijde 190, Reservewiel*. Bij een lekke band moet deze zo snel mogelijk worden vervangen en moet de juiste draairichting bij alle banden weer worden hersteld. Sneeuwkettingen De sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen worden gemonteerd. Onder winterse omstandigheden verbeteren de sneeuwkettingen niet alleen de trekkracht, maar ook het remgedrag. De montage van sneeuwkettingen is om technische redenen alleen bij de hiernavolgende velg-bandcombinaties toegestaan. Let op de gegevens in de meegeleverde montagehandleiding van de sneeuwkettingfabrikant. Voorzichtig! Bij het rijden op sneeuwvrije trajecten moeten de sneeuwkettingen worden verwijderd. Deze hebben invloed op de rijeigenschappen, beschadigen de banden en slijten zeer snel. Monteer alleen sneeuwkettingen die behoren tot originele Škoda-accessoires. Als er wordt gereden met sneeuwkettingen moet de aandrijf-slipregeling (ASR) worden uitgeschakeld. Velgmaat Inpersdiepte (ET) Bandenmaat 5J x mm 165/70 6J x mm 185/60 6J x mm 185/55 Gebruik alleen sneeuwkettingen waarvan de schakels en sloten niet groter dan 12 mm zijn. Verwijder voor de montage van de sneeuwkettingen de wieldoppen. Let op de verschillende nationale voorschriften met betrekking tot de demontage van sneeuwkettingen en de maximale rijsnelheid met sneeuwkettingen.

189 Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen 187 Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen Accessoires en onderdelen Škoda-auto's zijn volgens de nieuwste inzichten van de veiligheidstechniek geconstrueerd. Om dit te behouden mag de uitvoering zoals deze af fabriek is geleverd niet zonder meer worden gewijzigd. Als uw auto naderhand wordt voorzien van accessoires, technische wijzigingen worden uitgevoerd of als op een later moment onderdelen moeten worden vervangen, moet met de volgende aanwijzingen rekening worden gehouden: Voor de aankoop van accessoires en voor het uitvoeren van technische wijzigingen moet steeds het advies worden gevraagd van een Škoda-dealer. Dit geldt vooral bij het aankopen van accessoires in het buitenland. Vrijgegeven Škoda-accessoires en originele Škoda-onderdelen zijn bij de servicedealers verkrijgbaar die ook de montage van onderdelen vakkundig uitvoeren, die ergens anders verkregen zijn. Alle originele Škoda-accessoires die in de catalogus van originele accessoires staan, zoals bijv. spoilers, transportsystemen, kinderzitjes enz. zijn gehomologeerd. Radio's, antennes en andere elektrische accessoires mogen alleen door servicedealers worden ingebouwd. Als bij uw auto technische wijzigingen moeten worden uitgevoerd, moeten de door Škoda Auto voorgeschreven richtlijnen worden opgevolgd. Hierdoor wordt voorkomen dat er schade aan de auto ontstaat, de verkeers- en de bedrijfszekerheid blijven behouden en de wijzigingen zijn toegestaan. De servicedealers voeren ook deze werkzaamheden vakkundig uit en zullen in bepaalde situaties verwijzen naar een andere specialist. Schade die door technische wijzigingen die zonder toestemming van Škoda Auto werden doorgevoerd is ontstaan, is uitgesloten van het recht op garantie. Vervolg In uw eigen belang adviseren wij u voor uw Škoda alleen gebruik te maken van uitdrukkelijk vrijgegeven Škoda-accessoires en originele Škoda-onderdelen. Voor deze originele Škoda-onderdelen wordt de betrouwbaarheid, veiligheid en geschiktheid gecontroleerd. Bij het gebruik van andere producten kunnen wij, ondanks een voortdurende observatie van de markt, de geschiktheid hiervan voor uw auto niet garanderen (ook niet in die gevallen waar een attest of een toelating kan worden overlegd). Technische wijzigingen Ingrepen op elektronische componenten en de software hiervan kunnen leiden tot storingen. Door de koppelingen van de elektronische componenten kunnen deze storingen ook niet-direct betreffende systemen beïnvloeden. Dit betekent dat de bedrijfsveiligheid van uw auto aanzienlijk in gevaar kan zijn gebracht, een verhoogde slijtage van de onderdelen kan optreden en ten slotte kan de typegoedkeuring van uw auto vervallen. U hebt er vast wel begrip voor dat Škoda Auto AG voor schade en/of gebreken die ontstaan ten gevolge van ondeskundige handelingen of acties, geen garantie kan verlenen. Wij adviseren dan ook alle werkzaamheden uitsluitend door servicedealers uit te laten voeren die originele Škoda-onderdelen gebruiken. Werkzaamheden of wijzigingen aan uw auto die op een ondeskundige wijze zijn uitgevoerd, kunnen leiden tot storingen - kans op ongevallen! Auto's van de categorie N1 De wagen van categorie N1 is en wagen die voor het transport van ladingen met een maximumgewicht van 3,5 ton gebouwd en gefabriceerd is. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

190 188 Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen

191 Raad en daad 189 Raad en daad Raad en daad Verbanddoos* en Gevarendriehoek* Lees de instructies die op de brandblusser zijn aangebracht zorgvuldig door. De brandblusser moet door een daartoe bevoegd persoon eenmaal per jaar worden gecontroleerd (let op de eventueel afwijkende nationale wettelijke voorschriften). Als de brandblusser niet correct is bevestigd zou deze bij een plotselinge manoeuvre of bij een aanrijding door het interieur kunnen worden geslingerd en letsel veroorzaken. Afb. 146 Plaats van de gevarendriehoek De verbanddoos moet zo worden opgeborgen dat deze indien nodig direct onder handbereik is. Een gevarendriehoek met de maximale buitenmaten 39 x 68 x 450 mm kan in de bekleding van de achterwand met rubberbanden worden bevestigd afb Als u daarnaast de auto nog wilt voorzien van een gevarendriehoek, neem dan contact op met de Škoda-dealer. De verbanddoos moet zo worden opgeborgen dat deze bij een noodremming of bij een aanrijding niet kan leiden tot letsel voor de inzittenden. De brandblusser moet aan de wettelijk geldende eisen die eraan worden gesteld voldoen. Let op de vervaldatum van de brandblusser. Als de brandblusser na het verlopen van de vervaldatum wordt gebruikt, is de juiste werking niet meer gegarandeerd. De brandblusser behoort slechts tot de leveringsomvang in bepaalde exportuitvoeringen. Boordgereedschap Let bij de verbanddoos op de houdbaarheidsdatum. Brandblusser* De brandblusser is met een riem onder de bestuurdersstoel bevestigd. Bediening Veiligheid en voor het rijden Afb. 147 Bagageruimte: Opbergvak voor het boordgereedschap Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

192 190 Raad en daad Het boordgereedschap en de krik* met een sticker met aanwijzingen bevinden zich in een kunststofbox in het reservewiel* bladzijde 189, afb. 147; hier is er ook plaats voor de verwijderbare trekhaak van de aanhangwagen. Tot het boordgereedschap behoren de volgende delen (al naargelang de uitrusting): Wielsleutel*; Draadbeugel voor het lostrekken van de wielsierdoppen; Sleepoog; Adapter voor veiligheidswielbouten*. Trektang voor wielboutdoppen Reservelampenset schroevendraaier* Voordat de krik weer op zijn plaats wordt aangebracht, moet de krikarm geheel worden ingeschroefd. De af fabriek meegeleverde krik is alleen bestemd voor uw type auto. Krik in geen geval hiermee zwaardere auto's of andere lasten op - kans op letsel! Controleer of het boordgereedschap goed is bevestigd in de bagageruimte. Bandenreparatieset De bandenreparatieset is bedoeld voor het repareren van kleine bandenlekkages. Tot de bandenreparatieset behoren een compressor,. een spuitbus, een gebruiksaanwijzing en toebehoren. Het repareren van de band met behulp van de bandenreparatieset vervangt in geen geval een vakkundige bandenreparatie, deze reparatie is alleen maar bedoeld om de dichtstbijzijnde werkplaats te kunnen bereiken. De reparatie kan direct op de auto plaatsvinden. Lees voor de reparatie beslist de bijgeleverde gebruiksaanwijzing door. De bandenreparatieset is in een ingelegd schuimfstofdeel onder de bekleding van de kofferruimte resp. in het rechter gedeelte van de kofferruimte opgeborgen. Reservewiel* Het reservewiel bevindt zich in de kom voor het reservewiel in de bagageruimte onder de bekleding. Het reservewiel ligt in een kom onder de vloerbedekking van de bagageruimte en is samen met een box voor het boordgereedschap met een speciale bout bevestigd afb Het is belangrijk de bandenspanning van het reservewiel te controleren (bij voorkeur bij elke bandenspanningscontrole - zie de sticker op de tankdopklep bladzijde 167) zodat het reservewiel op elk moment kan worden gemonteerd. Draairichtinggebonden banden* Afb. 148 Bagageruimte: Reservewiel Bij montage van deze banden moet op het volgende worden gelet: Bij auto's met draairichtinggebonden banden wordt gebruikgemaakt van een reservewiel met andere afmetingen. Het wiel is voorzien van een waarschuwingssticker. Na de montage van het wiel mag de waarschuwingssticker niet afgedekt worden. Rijd met dit reservewiel niet sneller dan 80 km/h en rijd bijzonder voorzichtig. Vermijd het accelereren met vol gas, sterk afremmen en snel bochtenwerk. De bandenspanning van dit reservewiel is gelijk aan de bandenspanning van de standaard gemonteerde banden. Gebruik dit reservewiel alleen tot aan de dichtstbijzijnde Škoda-dealer, omdat dit wiel niet voor continu gebruik is bestemd.

193 Raad en daad 191 Wiel verwisselen Voorbereidingen Voor de eigenlijke verwisseling van het wiel moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd. Parkeer de auto bij een lekke band zo ver mogelijk weg van het rijdende verkeer. De plaats waar de auto wordt geparkeerd moet vlak zijn. Laat alle medepassagiers uitstappen. Tijdens het verwisselen van het wiel mogen de passagiers niet op de weg staan (bij voorkeur achter de vangrail). Trek de handrem vast aan. Schakel de 1e versnelling in, resp. zet bij auto's met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P. Als er een aanhangwagen is aangekoppeld, moet deze worden afgekoppeld. Neem het boordgereedschap en het reservewiel* uit de bagageruimte bladzijde 189. Als u op de rijbaan staat, schakel dan de alarmlichten in en plaats de gevarendriehoek op de voorgeschreven afstand - let hierbij op de nationale wettelijke voorschriften. U beschermt daarmee niet alleen uzelf maar ook de andere weggebruikers. Bij opgekrikte auto nooit de motor starten - kans op letsel. Voorzichtig! Als u het wiel op een helling moet verwisselen, blokkeer dan het tegenoverliggende wiel met behulp van een steen of iets dergelijks, om zo de auto tegen onverwacht wegrollen te beveiligen. Neem de wettelijke nationale voorschriften in acht. Wiel verwisselen Verwissel het wiel zo veel mogelijk op een horizontaal vlak. Neem de wieldop* bladzijde 192 weg bladzijde 192. Draai de wielbouten iets los bladzijde 193. Krik de auto zo ver op dat het te verwisselen wiel de bodem niet meer raakt bladzijde 193. Draai de wielbouten los en leg deze op een schone ondergrond (doek, papier o.i.d.). Neem het wiel weg. Breng het reservewiel* aan en draai de wielbouten handvast. Wagen laten zakken. Draai met behulp van de wielsleutel afwisselend steeds de tegenover elkaar liggende wielbouten (kruiselings) vast bladzijde 193. Monteer de wieldop. Alle wielbouten moeten schoon en goed gangbaar zijn. In geen geval mogen de wielbouten worden ingevet of ingeolied! Let bij de montage van draairichtinggebonden banden op de draairichting bladzijde 181. Afsluitende werkzaamheden Na het vervangen van de band moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd. Berg het boordgereedschap op zijn plaats op. Leg de vervangen band in de kofferruimte. Controleer zo snel mogelijk de bandenspanning van het gemonteerde reservewiel. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

194 192 Raad en daad Laat het aantrekmoment van de wielbouten zo snel mogelijk met een momentsleutel controleren. Stalen en lichtmetalen velgen moeten met een aantrekmoment van 120 Nm worden vastgezet. Verwissel de beschadigde band resp. informeer bij een vakbedrijf naar de reparatiemogelijkheden. Als de auto achteraf met andere banden dan af fabriek wordt uitgerust, moeten de aanwijzingen op bladzijde 183, Nieuwe banden en velgen in acht worden genomen. Als bij het verwisselen van een wiel wordt geconstateerd, dat de wielbouten zijn geoxideerd en zwaar draaien, moeten de bouten voor het controleren van het aantrekmoment worden vervangen. Rijd tot aan het controleren van het aantrekmoment voorzichtig en alleen met een matige snelheid. Wielsierdop* Schuif de wielsleutel door de beugel, laat de wielsleutel op de band steunen en trek de wielsierdop los afb Inbouwen Druk de wieldop eerst bij de uitsparing voor het ventiel op de velg. Druk aansluitend hierop de wieldop zo op de velg, dat deze over de gehele omtrek correct aangrijpt. Voorzichtig! Druk de wieldop met de hand aan, sla hier niet op! Bij het slaan, vooral op die plaatsen waar de wieldop nog niet in de velg zit, kan de geleiding en de centrering van de wieldop worden beschadigd. Controleer voor de montage van de wieldop op een stalen velg waarbij een veiligheidsbout is aangebracht, of deze bout in de boring vlak bij het ventiel is aangebracht bladzijde 194, Beveiliging van de wielen tegen diefstal*. Wielbouten met afdekkappen* De wieldoppen beschermen de wielbouten. Afb. 150 Wiel verwisselen: De afdekkap van de wielbout trekken Lostrekken Afb. 149 Wielsierdop verwijderen Haak de draadbeugel uit het boordgereedschap vast aan de versterkte rand van de wielkuip. Lostrekken Steek de kunststofklem (bij het boordgereedschap) zo ver op de wieldop, dat de groeven aan de binnenzijde van de klem tegen de kraag van de wieldop vallen. Trek de wieldop met behulp van de kunststofklem los afb. 150.

195 Raad en daad 193 Inbouwen Schuif de doppen op de bouten. Wielbouten losdraaien en vastdraaien Voordat de auto wordt opgekrikt, moeten de wielbouten een slag los worden gedraaid. Als de bouten niet met de hand kunnen worden losgedraaid, kunt u voorzichtig met de voet op het uiteinde van de wielsleutel drukken. Houdt u zich daarbij vast aan de auto en neem een veilige stand aan. Auto opkrikken Om het wiel te kunnen verwijderen, moet de auto met behulp van de krik worden opgekrikt. Afb. 151 Wiel verwisselen: Wielbouten een slag losdraaien Wielbouten een slag losdraaien Steek de wielsleutel tot aan de aanslag op de wielbout 14). Pak de sleutel bij het sleuteluiteinde vast en draai de bout ca. één omwenteling naar links afb Wielbouten vastdraaien Steek de wielsleutel tot aan de aanslag op de wielbout 14). Pak de sleutel bij het sleuteluiteinde vast en draai de bout rechtsom tot deze vastzit. Draai de wielbouten slechts iets los (ca. één slag), zolang de auto niet met behulp van de krik is opgekrikt - kans op ongevallen! 14) Voor het los- en vastdraaien van de veiligheidswielbouten moet de betreffende adapter worden gebruikt bladzijde 194. Bediening Veiligheid en voor het rijden Afb. 152 Wiel verwisselen: Kriksteunpunten Kies voor het plaatsen van de krik het steunpunt - stempel in de dorpel, dat het dichtst bij de lekke band ligt afb Draai de krik onder het kriksteunpunt zo ver omhoog, dat de klauw van de krik net onder de verticale rand van de dorpel ligt. Breng de krik zodanig aan dat de klauw om de verticale rand bij de stempel van de dorpel A grijpt en de krikvoet AB over zijn gehele oppervlak op een vaste ondergrond staat. Draai de krik zo ver naar boven, dat het wiel net vrijkomt van de grond. Als de krik op een zachte, gladde ondergrond staat, kan dit ertoe leiden dat de auto van de krik glijdt. Plaats daarom de wagenkrik op een stevige ondergrond of maak gebruik van een grote stabiele onderlegger. Op een gladde ondergrond, zoals bijv. kinderkopjes of een tegelvloer, moet een stroeve onderlegger (bijv. een rubbermat) worden gebruikt. Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

196 194 Raad en daad Krik de auto altijd op terwijl de portieren zijn gesloten - kans op letsel. Voorkom het wegglijden van de krikvoet door gepaste maatregelen - kans op letsel! Plaats de krik alleen op een stevige en vlakke ondergrond. Als de krik niet op de voorgeschreven plaats wordt aangebracht, kan dit leiden tot beschadigingen aan de auto. Bovendien kan de krik wegglijden doordat deze niet voldoende grip op de auto heeft - kans op letsel! Start nooit de motor als de auto is opgekrikt - kans op ongevallen. Ga nooit onder de auto liggen als de auto alleen met behulp van de krik is opgekrikt. Als u onder de opgekrikte auto moet werken, moet u daartoe geschikte bokken onder de auto aanbrengen - kans op letsel! Beveiliging van de wielen tegen diefstal* Voor het losdraaien van de wielbeveiligingsbouten is een speciale adapter nodig. Draai de wielbout los of vast bladzijde 193. Breng na het lostrekken van de adapter de wieldop weer aan of schuif de afdekkap op de veiligheidswielbout. Laat het aantrekmoment zo snel mogelijk met een momentsleutel controleren. Stalen en lichtmetalen velgen moeten met een aantrekmoment van 120 Nm worden vastgezet. Bij auto's met wielbeveiligingsbouten (één bout per wiel) kunnen deze bouten alleen met behulp van de meegeleverde adapter worden los- en vastgedraaid. Het is raadzaam om het op de kop van de adapter of op de kop van de veiligheidsbout ingeslagen codenummer te noteren. Aan de hand van dit nummer kunt u, indien nodig, een reserveadapter bij de servicedealer bestellen. Wij adviseren, de adapter voor de wielbouten steeds in de auto mee te nemen. Deze moet bij het boordgereedschap worden bewaard. Voorzichtig! Als de wielbeveiligingsbout te vast wordt aangedraaid, kan dit leiden tot beschadiging van de wielbeveiligingsbout en de adapter. Bij stalen velgen moet de diefstalvertragende wielbout altijd in die boring worden aangebracht die het dichtst bij het ventiel ligt. Als dit wordt nagelaten kan de wieldop niet worden gemonteerd en tijdens de montage worden beschadigd. De diefstalvertragende wielboutset kunt u via elke servicedealer verkrijgen. Afb. 153 Wielbeveiligingsbout met adapter Trek de wielsierdoppen/wielsierkappen van de velg of de afdekdop van de wielbeveiligingsbout. Breng de adapter AB met de vertande kant in de binnenste vertanding van de kop van de wielbeveiligingsbout A aan. Druk de wielsleutel tot aan de aanslag op de adapter AB. Starthulp Voorbereiding Als de motor niet aanslaat omdat de accu is ontladen, kan de accu van een andere auto voor het starten worden gebruikt. Daarvoor is echter een starthulpkabel nodig.

197 Raad en daad 195 Beide accu's moeten een nominale spanning van 12 V hebben. De capaciteit (Ah) van de stroom leverende accu mag niet wezenlijk lager zijn dan de capaciteit van de ontladen accu. Starthulpkabel Gebruik alleen starthulpkabels met voldoende grote diameter en met geïsoleerde aansluittangen. Let op de gegevens van de fabrikant. Pluskabel - kleurcodering, over het algemeen rood. Minkabel - kleurcodering, meestal zwart Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 C bevriezen. Probeer bij een bevroren accu de auto niet te starten door middel van starthulpkabels - kans op explosie! Ook na het ontdooien van de accu kan schade ontstaan door het weglekken van agressieve accuvloeistof. Vervang een bevroren accu dan ook. Let op de waarschuwingsaanwijzingen bij werkzaamheden in de motorruimte bladzijde 170. Tussen de beide auto's mag geen contact bestaan, omdat er anders al bij het aansluiten van de pluspolen een stroomverbinding tot stand zou worden gebracht. De ontladen accu moet volgens voorschrift op de elektrische installatie zijn aangesloten. Schakel de telefoon uit of neem de handleiding van de telefoon voor dit soort gevallen in acht. Wij raden u an om de starthulpkabel in een gespecialiseerde winkel van de accufabrikant te kopen. Motor starten Starthulpkabel beslist in de volgende volgorde aansluiten: Afb. 154 Starten met behulp van de accu van een andere auto: A - ontladen accu, B - stroom leverende accu Pluspolen met elkaar verbinden Sluit het ene uiteinde A1 aan op de pluspool afb. 154 van de ontladen accu A. Sluit het andere uiteinde A2 aan op de pluspool van de stroom leverende accu AB. Minpool en het motorblok met elkaar verbinden Bevestig het ene uiteinde A3 op de minpool van de stroom leverende accu AB. Sluit het andere uiteinde A4 aan op een massief, vast met het motorblok verbonden metalen onderdeel of direct op het motorblok zelf. Motor starten Start de motor van de stroom leverende auto en laat deze stationair draaien. Start nu de motor van de auto met de ontladen accu. Als de motor niet aanslaat, de startprocedure na ca. 10 seconden onderbreken en na ca. een halve minuut herhalen. Koppel de starthulpkabels op de motor precies in omgekeerde volgorde weer los. De niet-geïsoleerde delen van de pooltangen mogen in geen geval met elkaar in aanraking komen. Bovendien mag de op de pluspool van de accu Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

198 196 Raad en daad Vervolg aangesloten starthulpkabel niet met elektrisch geleidende delen van de auto in aanraking komen - kans op kortsluiting! Sluit de starthulpkabel niet op de minpool van de ontladen accu aan. Door vonkvorming bij het starten zou uit de accu stromend knalgas kunnen ontsteken. Sluit het uiteinde van de kabel A4 niet aan op delen van het brandstof- en remsysteem. Breng de starthulpkabels zo aan, dat deze niet door draaiende delen in de motorruimte kunnen worden beschadigd. Buig niet over de accu heen - kans op letsel door chemicaliën! De sluitdoppen van de accucellen moeten zijn vastgeschroefd. Ontstekingsbronnen (open verlichting, brandende sigaretten enz.) uit de buurt van de accu houden - explosiegevaar! Gebruik de starthulp nooit bij accu's met te lage elektrolytpeil - kans op explosie en bijtende zuren! Weg- en aanslepen Algemeen Bij het gebruik van een sleepkabel moet op het volgende worden gelet: Bestuurder van de trekkende auto Geef pas goed gas als de kabel strak staat. Laat de koppeling bij het wegrijden voorzichtig opkomen. Bestuurder van de getrokken auto Schakel het contact in zodat het stuurwiel niet is geblokkeerd en zo de knipperlichten, de claxon, de ruitenwissers en de ruitensproeierinstallatie kunnen worden ingeschakeld. Schakel de vrijstand in of plaats bij een automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand N. Houd er rekening mee dat de rembekrachtiger en de stuurbekrachtiging alleen bij draaiende motor functioneren. Bij stilstaande motor moet het rempedaal met aanzienlijk meer kracht worden ingedrukt en is voor het sturen veel meer kracht nodig. Let erop dat de kabel altijd strak blijft staan. Sleepkabel of sleepstang Het gemakkelijkst en veiligst rijdt u met een sleep stang. Alleen als er geen passende sleepstang beschikbaar is, moet een sleep kabel worden gebruikt. De sleepkabel moet elastisch zijn, zodat beide auto's niet aan schokbelastingen worden blootgesteld. Gebruik daarom alleen uit synthetische garens vervaardigde kabels. Bevestig de sleepkabel of de sleepstang alleen aan de daarvoor bedoelde sleepogen bladzijde 197, Voorste sleepoog of bladzijde 197, Achterste sleepoog. Rijstijl Voor het slepen is een zekere ervaring nodig. Beide bestuurders moeten op de hoogte zijn van de ins and outs van het slepen. Bestuurders die geen ervaring hebben moeten afzien van het aanslepen of wegslepen. U dient er altijd op te letten dat er geen ontoelaatbare trekkracht en schokkende belasting optreden. Bij het slepen over onverharde wegen bestaat altijd het gevaar dat de bevestigingsdelen worden overbelast en worden beschadigd. Voorzichtig! Als er door een defect geen versnellingsbakolie meer in de versnellingsbak zit, mag de auto alleen met opgetakelde aangedreven wielen of met een autoambulance of aanhangwagen worden vervoerd. Neem bij het aanslepen of wegslepen van de wagen de wettelijke voorschriften in acht, vooral met betrekking tot de in te schakelen signaalvoorzieningen.

199 Raad en daad 197 De sleepkabel mag niet zijn verdraaid omdat onder bepaalde omstandigheden het voorste sleepoog van uw auto zou kunnen worden losgedraaid. Achterste sleepoog Voorste sleepoog Het sleepoog ligt in de box van het boordgereedschap. Afb. 156 Sleepoog achter Het achterste sleepoog bevindt zich rechts onder de achterbumper afb Afb. 155 Voorbumper: Beschermingsrooster/ Montage sleepoog Druk op de bovenste helft van de afdekking in de richting van de pijl A1 afb Trek de afdekking uit de bumper los. Draai het sleepoog met de hand zo ver mogelijk linksom afb. 155 en zet hem met de wielsleutel vast (wielsleutel door het oog steken). Om de afdekking na het uitdraaien van het sleepoog trug in te bouwen, zet u deze in de uitsparingen en daarna drukt u op de rechterkant van de afdekking. De afdekkap moet goed vastklikken. Aanslepen Als de motor niet aanslaat, adviseren wij de auto niet door middel van aanslepen te starten. Er moet worden geprobeerd de motor met behulp van starthulpkabels te starten bladzijde 194 of de diensten van de mobiele service in te roepen. Als uw auto desondanks toch moet worden aangesleept: Schakel bij stilstaande auto de 2e of 3e versnelling in. Druk het koppelingspedaal in en houd dit ingedrukt. Contact inschakelen. Laat, zodra beide auto's rijden, het koppelingspedaal langzaam opkomen. Trap zo gauw de motor loopt het koppelingspedaal in en zet de versnellingsbak in de vrijstand. Bij het aanslepen bestaat er meer kans op een ongeval, bijv. door achterop de trekkende auto te rijden. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

200 198 Raad en daad Voorzichtig! Bij auto's met katalysator mag de motor niet worden gestart door de auto over een afstand van meer dan 50 meter aan te slepen. Er kan dan onverbrande brandstof in de katalysator komen waardoor deze beschadigd kan raken. Wegslepen bij schakelbak Let op de aanwijzingen bladzijde 196. De auto kan met behulp van een sleepstang of een sleepkabel of met een opgetakelde voor- of achteras worden weggesleept. De maximale sleepsnelheid bedraagt 50 km/uur. Afslepen bij automatische versnellingsbak Let op de aanwijzingen bladzijde 196. De auto kan met behulp van een sleepstang of een sleepkabel worden weggesleept. Let hierbij op de volgende aanwijzingen: Plaats de keuzehendel in stand N. De maximale sleepsnelheid bedraagt 50 km/uur. De maximaal toegestane sleepafstand bedraagt 50 km. Bij een stilstaande motor werkt de versnellingsbakoliepomp niet; de versnellingsbak wordt dan ook bij hogere snelheden en een grotere sleepafstand niet meer voldoende gesmeerd. Voorzichtig! Als de auto met behulp van een takelwagen wordt weggesleept, mag dat alleen met opgetakelde voorwielen gebeuren. Bij een auto waarbij de achterwielen zij opgetakeld wordt de automatische versnellingsbak beschadigd! Als normaal wegslepen niet mogelijk is of als de sleepafstand langer dan 50 km is, moet de auto op een speciale autotransporter of aanhangwagen worden vervoerd.

201 Zekeringen en gloeilampen 199 Zekeringen en gloeilampen Elektrische zekeringen Zekeringen in het dashboard vervangen Defecte zekeringen moeten worden vervangen. Afb. 157 Dashboardonderzijde: deksel zekeringhouder De afzonderlijke stroomkringen zijn door middel van smeltzekeringen beveiligd. De zekeringen bevinden zich aan de linkerzijde van het dashboard achter het deksel van de zekeringhouder. Schakel het contact en de betreffende stroomverbruiker uit. Kantel voorzichtig het deksel in de richting van de pijl en neem het deksel uit het dashboard afb Stel vast welke zekering bij de uitgevallen verbruiker hoort bladzijde 200, Zekeringenoverzicht op dashboard. Trek de kunststofklem uit de houder in het zekeringdeksel, plaats deze op de betreffende zekering en trek de zekering los. Defecte zekeringen zijn te herkennen aan het gesmolten metaalstripje. Vervang de doorgebrande zekering door een nieuwe zekering met hetzelfde ampèrage. Breng het deksel van de zekeringenhouder zo aan in het dashboard dat de geleidenokken in de openingen van het dashboard worden geschoven en klik het deksel vast door deze aan te drukken. Wij adviseren steeds een doosje met reservezekeringen in de auto mee te nemen. Reservezekeringen kunt u uit het assorciment van Škoda-accessoires resp. bij uw dealer kopen 15). Kleurcode van de zekeringen Kleur Max. stroomsterkte in ampère lichtbruin 5 bruin 7,5 Rood 10 In blauwe kleur 15 In gele kleur 20 Wit 25 groen 30 Voorzichtig! Repareer de zekeringen niet en vervang deze ook niet door zwaardere - brandgevaar! Bovendien kunnen andere delen van de elektrische installatie worden beschadigd. Als een nieuw geplaatste zekering na korte tijd weer doorbrandt, moet de elektrische installatie zo snel mogelijk door een Škoda-dealer worden gecontroleerd. Wij adviseren deze zekeringen door een Škoda-dealer te laten vervangen. 15) In enkele landen is het doosje met reservezekeringen deel van de basisuitrusting. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

202 200 Zekeringen en gloeilampen Zekeringenoverzicht op dashboard Afb. 158 Schematische weergave van de zekeringhouder voor auto's met stuur links / auto's met stuur rechts Enkele van de genoemde verbruikers behoren alleen standaard bij bepaalde modeluitvoeringen of zijn alleen voor bepaalde modellen als meeruitvoering leverbaar. Pr. Verbruiker Ampère 1 Vrij 2 Start-Stop 5 3 Instrumentenpaneel, lichtbundelhoogteverstelling 10 4 ABS-regelapparaat 5 5 Benzinemotor: Snelheidsregelsysteem 5 6 Achteruitrijlamp (schakelbak) 10 7 Ontstekingssysteem 15 Motorregelapparaat, automatiche versnellingsbak 7,5 8 Rempedaalschakelaar, ventilator voor koelvloeistof Vrij Bediening voor verwarming, aircoregelapparaat, parkeerhulp, regelapparaat voor bochtverlichting, ventilator voor koelvloeistof 11 Spiegelverstelling 5 5 Pr. Verbruiker Ampère 12 Regelapparaat voor aanhangwagendetectie 5 13 Regelapparaat voor automatische versnellingsbak 5 14 Motor voor halogeen-motor met bochtverlichting Navigatie PDA 5 16 Elektrohydraulische stuurbekrachtiging 5 17 Radio 10 Dagrijlicht 7,5 18 Spiegelverwarming 5 19 S-contact 5 20 Motorregelapparaat 5 Motorregelapparaat 7,5 Benzinepomprelais 15 Regelapparaat voor brandstofpomp Achteruitrijlichten, mistlampen met de functie CORNER Bediening voor verwarming, aircoregelapparaat, parkeerhulp, telefoon, instrumentenpaneel, stuurhoeksensor, ESP, regelapparaat 7,5 boordnet, multifunctioneel stuurwiel 23 Interieurverlichting, opbergvak en bagageruimte, stadslicht Centraal regelapparaat van de wagen 5 25 Stoelverwarming Achterruitwisser Vrij 28 Benzinemotor: AKF-klep, benzinemotor: regelklep Verstuiving, waterpomp 10

203 Zekeringen en gloeilampen 201 Pr. Verbruiker Ampère Brandstofpomp Ontstekingssysteem 20 Snelheidsregelinstallatie, bediening van het relais voor PTC 5 31 Lambdasonde Hogedrukpomp, drukventiel Motorregelapparaat 30/15 34 Motorregelapparaat 15 Onderdrukpomp Stroomtoevoer contactslot 5 36 Grootlicht Mistachterlicht 7,5 38 Mistlichten Aanjager Verwarmde ruitensproeiers/voorruit, ruitensproeierinstallatie Vrij 42 Achterruitverwarming Claxon: Ruitenwissers vóór Centraal regelapparaat voor comfortsysteem 25/10 46 Alarminstallatie Sigarettenaansteker, stopcontact in bagageruimte a) ABS Knipperlampen, remlampen Radio Elektrische ruitbediening (voor en achter) - linkerzijde 25 Pr. Verbruiker Ampère 52 Elektrische ruitbediening (voor en achter) - rechterzijde Parkeerlicht - linkerkant 5 Elektrisch schuif-/kanteldak Alarminstallatie 15/5 55 Regelapparaat voor automatische versnellingsbak DSG Koplampsproeier 25 Parkeerlicht - rechterkant 5 57 Dimlicht links, lichtbundelhoogteverstelling Dimlicht rechts 15 a) Een aangesloten elektrische verbruiker bij een uitgeschakelde motor kan leiden tot het ontladen van de accu. Zekeringen op de accu vervangen (schakelbak, automatische versnellingsbak DSG) Afb. 159 Accu: deksel zekeringhouder Druk gelijktijdig de vergrendelingen van de zekeringafdekkap A in afb. 159 en schuif de afdekkap in de richting van de pijl AB. Ontgrndel met een platte schroevendraaier de halteringen in de openingen AC en klap de afdekking naar boven in pijlrichting AD. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

204 202 Zekeringen en gloeilampen Stel vast welke zekering bij de uitgevallen verbruiker hoort. Defecte zekeringen zijn te herkennen aan het gesmolten metaalstripje. Vervang de doorgebrande zekering door een nieuwe zekering met hetzelfde ampèrage. Voorzichtig! Repareer de zekeringen niet en vervang deze ook niet door zwaardere - brandgevaar! Bovendien kunnen andere delen van de elektrische installatie worden beschadigd. Als een nieuw geplaatste zekering na korte tijd weer doorbrandt, moet de elektrische installatie zo snel mogelijk door een Škoda-dealer worden gecontroleerd. Wij adviseren deze zekeringen door een Škoda-dealer te laten vervangen. Zekeringen op de accu vervangen (schakelbak, automatische versnellingsbak DSG) Pr. Verbruiker Ampère 1 dynamo Vrij 3 Interieur 80 4 Elektrische extra verwarming 60 5 Interieur 40 6 Gloeibougies, koelluchtventilator 50 7 Elektrohydraulische stuurbekrachtiging 50 8 ABS, of ASR, of ESP 25 9 Koelluchtventilator Koelluchtventilator 5 11 ABS, of ASR, of ESP Centraal regelapparaat 5 13 Automatische versnellingsbak elektrische extra verwarming 5 40 Voorzichtig! Let op de volgende aanwijzingen in Zekeringen op de accu vervangen (schakelbak, automatische versnellingsbak DSG) op bladzijde 201. Afb. 160 Schematische weergave van het zekeringenoverzicht op de accu De zekeringen 1-7 bij uw dealer laten vervangen. Enkele van de genoemde verbruikers behoren alleen standaard bij bepaalde modeluitvoeringen of zijn alleen voor bepaalde modellen als meeruitvoering leverbaar.

205 Zekeringen en gloeilampen 203 Zekeringen op de accu vervangen (automatische versnellingsbak) Zekeringenoverzicht op de accu (automatische versnellingsbak) Afb. 162 Schematische weergave van het zekeringenoverzicht op de accu Afb. 161 Accu: Opklappen van de pluspoolafdekkap / zekeringsdeksel Klap de accupluspoolkap (+) op afb Druk op de vergrendelingen van de zekeringenafdekkap A afb. 161 en klap de afdekkappen op. Druk gelijktijdig de vergrendelingen van de zekeringafdekkappen AB in en schuif de afdekkap in de richting van de pijl weg. Stel vast welke zekering bij de uitgevallen verbruiker hoort bladzijde 203, Zekeringenoverzicht op de accu (automatische versnellingsbak). Defecte zekeringen zijn te herkennen aan het gesmolten metaalstripje. Vervang de doorgebrande zekering door een nieuwe zekering met hetzelfde ampèrage. Voorzichtig! Repareer de zekeringen niet en vervang deze ook niet door zwaardere - brandgevaar! Bovendien kunnen andere delen van de elektrische installatie worden beschadigd. Als een nieuw geplaatste zekering na korte tijd weer doorbrandt, moet de elektrische installatie zo snel mogelijk door een Škoda-dealer worden gecontroleerd. Wij adviseren deze zekeringen door een Škoda-dealer te laten vervangen. Enkele auto's zijn alleen uitgevoerd met de afdekkap AB afb Enkele van de genoemde verbruikers behoren alleen standaard bij bepaalde modeluitvoeringen of zijn alleen voor bepaalde modellen als meeruitvoering leverbaar. Pr. Verbruiker Ampère 1 dynamo Interieur 80 3 Elektrische extra verwarming 60 4 ESP 40 5 Elektrohydraulische stuurbekrachtiging 50 6 Gloeibougies 50 7 ESP 25 8 Koelluchtventilator 30 9 Airconditioning 5 10 ABS Centraal regelapparaat 5 12 Automatische versnellingsbak elektrische extra verwarming 5 40 Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

206 204 Zekeringen en gloeilampen Voorzichtig! Let op de volgende aanwijzingen in Zekeringen op de accu vervangen (automatische versnellingsbak). Gloeilampen Gloeilampen vervangen Vóór het vervangen van een gloeilamp moet altijd eerst de betreffende lamp worden uitgeschakeld. Het glas van de gloeilamp niet met blote vingers aanraken (ook de allerkleinste vervuiling verkort de levensduur van de gloeilamp). Gebruik een schone doek, servet o.i.d. Defecte gloeilampen mogen alleen worden vervangen door gloeilampen van hetzelfde type. De typeaanduiding staat op de lampvoet of op het glas van de lamp. De vervanging van enkele gloeilampen kan niet zelf worden uitgevoerd, omdat hiervoor specialistische kennis nodig is. Om de gloeilampen te kunnen vervangen, moeten andere delen van de auto worden gedemonteerd. Dit geldt vooral voor gloeilampen die alleen vanuit de motorruimte bereikbaar zijn. Wij adviseren dan ook deze gloeilampen door een servicedealer te laten vervangen of een specialist te hulp te roepen. Houd er rekening mee dat in de motorruimte gevaarlijke situaties kunnen ontstaan bladzijde 170, Werkzaamheden in de motorruimte. Wij adviseren steeds een doosje met reservelampen in de auto mee te nemen. Reservelampen kunt u uit het Škoda-accessoires resp. bij uw dealer verkrijgen 16). Er bevindt zich een bergruimte voor de lampen in de doos in het Reservewiel. Lampen - overzicht Koplampen vóór Halogeenkoplamp Halogeen-projectorkoplamp Dimlicht H4 H7 Grootlicht H4 H7 Stadslicht W5W Knipperlichten PY21W Mistlichten* H8/HB4 a) Dagrijlicht* a) Geldt voor Scout auto's. Achterlichteenheid Achteruitrijlampen Knipperlichten Remlichten Mistachterlicht Stadslicht P21W Lamp P21W PY21W P21W P21W 2x W5W Overige Lamp Zijknipperlichten WY5W Kentekenplaatverlichting C5W / T4W (5W) 3. Remlicht Led Interieurverlichting voor/achter C10W Leeslampjes W5W Bagageruimtelampje W5W Licht in het opbergvak W5W 16) In enkele landen is het doosje met reservelampen deel van de basisuitrusting.

207 Zekeringen en gloeilampen 205 Gloeilampen H7 en H4 staan onder druk en kunnen bij vervanging van de gloeilamp springen - kans op letsel! Wij adviseren bij het vervangen van gloeilampen handschoenen en een veiligheidsbril te dragen. Dimlicht en groot licht (halogeenkoplamp) In deze handleiding is alleen maar het vervangen van die lampen beschreven waarbij dat zonder complicaties mogelijk is. Het vervangen van de andere gloeilampen moet aan een Škoda-dealer * worden overgelaten. Koplamp, voor Afb. 164 Uitbouwen van de gloeilamp voor dim- en groot licht Open de motorkap. Neem de afdekkap weg A afb Trek de steker van de lamp, ontgrendel de veerdraadbeugel en trek de lamp naar achteren uit. De lamp H4 vervangen, in de uitsparing in de reflector plaatsen (met de fixeernokken in de uitsparingen) met behulp van de borgbeugel vergrendelen, de afdekkap aanbrengen en de steker aansluiten. Wij adviseren, na het vervangen van een gloeilamp de koplampafstelling door een Škoda-dealer te laten controleren. Afb. 163 Montagestand van de lampen: Halogeen-koplampen / halogeen-projectkoplampen Dimlicht (halogeen-projectorkoplamp) Posities van de gloeilampen in de halogeen-koplamp afb. 163 links en in de halogeen-projectorkoplamp afb. 163 rechts. A AB A1 A2 A3 - dimlicht, groot licht en stadslicht - knipperlicht, voor - dimlicht - groot licht en stadslicht - knipperlicht, voor Afb. 165 Uitbouwen van de gloeilamp voor dimlicht Open de motorkap. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

208 206 Zekeringen en gloeilampen Neem de afdekkap weg A1 bladzijde 205, afb. 163 rechts. De steker met de gloeilamp tot aan de aanslag naar links draaien en wegnemen. De halogeengloeilamp H7 vervangen, de steker met de nieuwe halogeengloeilamp aanbrengen en tot aan de aanslag naar rechts draaien. Plaats de beschermkap. Wij adviseren, na het vervangen van een gloeilamp de koplampafstelling door een Škoda-dealer te laten controleren. Groot licht (Halogeen-projectorkoplamp) Draai de fitting AB (halogeen-koplamp) bladzijde 205, afb. 163 resp. de fitting A3 (halogeen-projectorkoplamp) naar links en verwijder deze samen met de gloeilamp voor het knipperlicht. Vervang de defecte gloeilamp. Plaats de lampfitting met gloeilamp in de koplamp. Borg de lampfitting door deze naar zover naar rechts te draaien dat deze aangrijpt. Stadslicht voor Open de motorkap. Verwijder de beschermkap A (halogeen-koplamp) resp. A2 (halogeen-projectorkoplamp) bladzijde 205, afb Pak de gloeilamphouder vast en trek deze uit de koplamp. De gloeilamp in de gloeilamphouder vervangen en weer in de koplamp steken. Dagrijlicht en mistlampen Afb. 166 Uitbouwen van de gloeilamp voor groot licht Open de motorkap. Neem de afdekkap weg A2 bladzijde 205, afb. 163 rechts. De steker met de gloeilamp tot aan de aanslag naar links draaien en wegnemen. De halogeengloeilamp H7 vervangen, de steker met de nieuwe halogeengloeilamp aanbrengen en tot aan de aanslag naar rechts draaien. Plaats de beschermkap. Wij adviseren, na het vervangen van een gloeilamp de koplampafstelling door een Škoda-dealer te laten controleren. Knipperlicht, voor Open de motorkap. Afb. 167 Voorbumper: Beschermrooster/ uitbouwen van de mistlamp Schakel het contact en de verlichting uit. Pak het beschermrooster op de met een pijl gemarkeerde plaats vast afb. 167 links en neem dit weg. Steek uw hand in de opening, waarin het beschermrooster was en druk de springveer afb. 167 rechts.

209 Zekeringen en gloeilampen 207 Verwijder de mistlampen. Draai de steker A met de lamp voor het dagrijlicht resp. de steker AB met de lamp van de mistlamp tot aan de aanslag naar links en verwijder deze. De lamp vervangen, de steker met de nieuwe lamp aanbrengen en tot aan de aanslag naar rechts draaien. Voor het inbouwen de mistlamp eerst met de nok aan de zijde plaatsen, die verder weg is van het nummerbord. Druk de koplamp bij het kenteken liggende zijde aan. Breng het rooster eerst met de nok aan de van de kentekenplaat afgewende zijde aan. Druk het rooster bij de bij het kenteken liggende zijde aan. Afdekking van de mistlamp Fabia Scout Afb. 168 Voorbumper: Fabia Scout Uitbouw van de afdekking - Fabia Scout Schakel het contact en de verlichting uit. In de opening boven de mistlamp afb. 168 steekt u de draadbeugel uit het boordgereedschap en verwijdert u de afdekking. Mistlamp Fabia Scout Afb. 169 Voorbumper: Mistlamp / vervangen van de lampen Mistlampen uitbouwen Draai met behulp van de schroevendraaier*, die deel uitmaakt van het boordgereedschap 17), de bouten los afb Verwijder de mistlampen. Vervanging van de lampen en mislampen inbouwen Druk op de zekering A1 afb. 169 van de stekker A en verwijder de stekker uit de fitting AB. Drai de fitting AB met de lamp naar links tot de aanslag en verwijder deze. Vervang de lamp en breng de fitting met de nieuwe lamp terug aan in de behuizing en draai ze naar rechts tot de aanslag. Steek de stekker A in de fitting AB. Draai de bouten terug aan en breng de afdekking aan. De afdekkap moet goed vastklikken. 17) Geldt voor Fabia Scout. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

210 208 Zekeringen en gloeilampen Kentekenplaatverlichting Afb. 170 Kentekenplaatverlichting uitbouwen Pak de achterlichteenheid vast en neem deze voorzichtig met een kantelende beweging naar achteren toe weg. Trek niet de tule met de kabels uit de carrosserie. Vervang de defecte gloeilamp bladzijde 208. Voor het hermonteren moet de achterlichteenheid slechts met de bout A in de uitsparing van de carrosserie worden geplaatst afb Druk de achterlichteenheid voorzichtig dusdanig in de carrosserie dat de pennen AB in de opname van de carrosserie vallen. Houd met een hand de achterlichteenheid vast, schroef met de andere hand de moer op de schroefdraad en draai deze vast afb Open de kofferklep en schroef het lampglas los afb Trek de defecte gloeilamp uit de houder en breng een nieuwe gloeilamp aan. Plaats het lampglas weer en druk deze tot de aanslag in - let op de juiste installatiepositie van het afdichtrubber. Schroef het lampglas iets vast. Achterlichteenheid Voorzichtig! Let er bij het uit- en inbouwen van de achterlichteenheid op dat de lak en de achterlichteenheid niet worden beschadigd. Voor het los- en vastdraaien van de kunststofmoer kan worden gebruikgemaakt van een muntje. Gloeilampen in de achterlichteenheid vervangen Afb. 171 Achterlichteenheid uitbouwen / achterlichteenheid inbouwen Open de kofferklep/achterklep. Houd met een hand de achterlichteenheid vast en schroef met de andere hand de kunststofmoer los afb Afb. 172 Achterlichteenheid: Montagestand van de lampen Om een gloeilamp te vervangen, de steker van de gloeilamp naar links draaien (in de richting van de pijl op het huis) en moet deze uit het huis worden genomen. Vervang de gloeilamp, steek de lampsteker terug in het huis en draai deze tot aan de aanslag naar rechts (tegengesteld aan de richting van de pijl op het huis).

211 Zekeringen en gloeilampen 209 Montagestand van de gloeilampen in de achterlichteenheid bladzijde 208, afb A1 - mistachterlicht/achteruitrijlamp A2 - Knipperlicht A3 - Remlicht A4 - Stadslicht Bagageruimtelampje Afb. 173 Bagageruimtelampje uitbouwen Open de kofferklep/achterklep. Steek een schroevendraaier in de sleuf onder het lamphuis afb. 173 Wip het lamphuis er voorzichtig uit. Trek de steker los. Vervang de defecte gloeilamp. De steker weer aansluiten. Plaats de lamp eerst aan de zijde van de stekerverbinding en druk deze vervolgens aan de andere zijde tot de aanslag in. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

212 210 Zekeringen en gloeilampen

213 Technische gegevens 211 Technische gegevens Technische gegevens Algemene aanwijzingen De gegevens van het kentekenbewijs hebben voorrang op de gegevens in het instructieboekje. Met welke motor uw auto is uitgerust, ziet u op het kentekenbewijs of kunt u navragen bij uw servicedealer. Gebruikte afkortingen Afkorting Betekenis kw Kilowatt, maateenheid voor motorvermogen 1 1/min Aantal krukasomwentelingen per minuut Nm Newtonmeter, maateenheid voor motorkoppel g/km Uitgestoten hoeveelheid kooldioxide in grammen per gereden kilometer ROZ Research-octaangetal, maateenheid voor klopvastheid van benzine TSI Benzinemotor met een uitlaatgasturbo en een systeem voor directe inspuiting van brandstof TDI CR Dieselmotor met een uitlaatgasturbo en inspuitsysteem Common-Rail M5 5 versnellingsschakelbak AQ6 Automatische 6-versnellingsbak DQ7 automatische 7-traps-versnellingsbak DSG DPF Dieseldeeltjesfilter Rijprestaties De vermelde prestaties werden gemeten zonder snelheidremmende uitrustingen, zoals b.v. airconditioning. Gewichten Afhankelijk van de omvang van de speciale uitrustingen neemt het laadvermogen af. Tot het ledig gewicht telt een voor 90% gevulde brandstoftank. In de vermelde waarde en de nullastwaarde is ook 75 kg als gewicht van de bestuurder opgenomen. Identificatiegegevens Afb. 174 Sticker met de voertuiggegevens Sticker met de voertuiggegevens De sticker met autogegevens afb. 174 bevindt zich op de vloer van de bagageruimte en is ook in het serviceplan geplakt. De sticker met autogegevens bevat de volgende gegevens: A1 Chassisnummer (VIN) A2 Wagentype Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

214 212 Technische gegevens A3 A4 A5 Versnellingsbakcode, laknummer, interieuruitvoeringscode, motorvermogen, motorcode Gedeeltelijke beschrijving van de auto 7GG, 7MB, 7MG - auto's met DPF bladzijde 145 Chassisnummer (VIN) Het chassisnummer - VIN (voertuigidentificatienummer) is in de motorruimte op de rechter schokdempersteun ingeslagen. Dit nummer staat ook op het plaatje in de linker onderhoek, onder de voorruit (samen met een VIN-streepjescode). Motornummer Het motornummer is in het motorblok ingeslagen. Typeplaatje (productieplaatje) Het typeplaatje bevindt zich in de motorruimte, voor op de linker veerpootsteun. Buiten de bebouwde kom Bij de meting van het brandstofverbruik buiten de bebouwde kom wordt met de auto, zoals bij het dagelijkse gebruik, meerdere malen in alle versnellingen geaccelereerd en gedecelereerd. De rijsnelheid varieert tussen de 0 tot 120 km/h. Gecombineerd verkeer De verbruikswaarde in het gecombineerde verkeer bestaan voor 37% uit stadsverkeer en 63% uit verkeer buiten de bebouwde kom. Houd er rekening mee dat de gegevens op het kentekenbewijs steeds voorrang hebben. Stickers op de tankdopklep De stickers bevinden zich aan de binnenzijde van de tankdopklep. Zij bevatten de volgende gegevens: Voorgeschreven type brandstof; Bandenmaat; Bandenspanning. Brandstofverbruik volgens ECE-voorschriften en EUrichtlijnen Afhankelijk van de omvang van de speciale uitvoering, de rijstijl, de verkeerssituatie, de weersinvloeden en de staat van de auto kunnen bij het gebruik van de auto in de praktijk brandstofverbruikswaarden worden gemeten die afwijken van de vermelde gegevens. Stadsverkeer De verbruiksmeting in het stadsverkeer start met het starten van de koude motor. Hierna wordt het normale stadsverkeer gesimuleerd.

215 Technische gegevens 213 Afmetingen Afmetingen (in mm) FABIA FABIA SCOUT COMBI COMBI SCOUT Lengte Breedte Breedte incl. buitenspiegel Hoogte 1498/1513 a) /1484 b) a) De waarde komt overeen met uitvoering met versterkte vering/demping. b) De waarde komt overeen met uitvoering met het Sport-pakket. 1498/1513 a) /1484 b) 1498/1513 a) /1484 b) 1498/1513 a) /1484 b) Vrije hoogte 134/149 a) /119 b) /149 a) /119 b) 135 Wielbasis Spoorbreedte voor/achter 1433/ / / /1426 Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

216 214 Technische gegevens Motoroliespecificaties De soort motorolie is gebaseerd op nauwkeurige specificaties. Af fabriek is de auto gevuld met een kwalitatief hoogwaardige olie waarmee het hele jaar - behalve in extreme klimaatzones - kan worden gereden. Bij het bijvullen kunt u verschillende oliën met elkaar mengen. Dit geldt niet voor auto's met flexibele onderhoudsintervallen (QG1). De motoroliën worden vanzelfsprekend steeds verder ontwikkeld. Daarom zijn de gegevens in dit instructieboekje gebaseerd op de stand van zaken op het moment van de sluiting van de redactie. Servicedealers worden door Škoda Auto geïnformeerd over de actuele stand van zaken met betrekking tot wijzigingen en dergelijke. Wij adviseren de oliewissel door een Škoda-dealer te laten uitvoeren. De hiernaast aangegeven specificaties (VW-normen) moeten afzonderlijk of in combinatie met andere specificaties op het olieblik staan. Motoroliespecificaties voor auto's met flexibele onderhoudsintervallen (QG1) Benzinemotoren Specificatie Inhoud a) 1,2 l/44 kw - EU5 VW , VW ,8 1,2 l/51 kw - EU5 / EU2 DDK VW , VW ,8 1,4 l/63 kw - EU5 VW , VW ,2 1,2 l/63 kw TSI - EU5 VW ,6 1,2 l/77 kw TSI - EU5 VW ,6 a) Olie-inhoud met oliefiltervanging. Oliepeil tijdens het vullen controleren, niet te veel bijvullen. Het oliepeil moet tussen de markeringen staan bladzijde 171, Motoroliepeil controleren. Dieselmotoren Specificatie Inhoud a) 1,2 l/55 kw TDI CR DPF - EU5 VW ,3 1,6 l/55 kw TDI CR DPF - EU5 VW ,3 1,6 l/66 kw TDI CR DPF - EU5 VW ,3 1,6 l/77 kw TDI CR DPF - EU5 VW ,3 Motoroliespecificatie voor auto's met vaste onderhoudsintervallen (QG2) Benzinemotoren Specificatie Inhoud a) 1,2 l/44 kw - EU5 VW , VW ,8 1,2 l/51 kw - EU5 / EU2 DDK VW , VW ,8 1,4 l/63 kw - EU5 VW , VW ,2 1,2 l/63 kw TSI - EU5 VW ,6 1,2 l/77 kw TSI - EU5 VW ,6 a) Olie-inhoud met oliefiltervanging. Oliepeil tijdens het vullen controleren, niet te veel bijvullen. Het oliepeil moet tussen de markeringen staan bladzijde 171, Motoroliepeil controleren. Als de bovengenoemde oliën niet beschikbaar zijn kan men eenmalig voor het bijvullen olie volgens ACEA A2 resp. ACEA A3 gebruiken. Dieselmotoren Specificatie Inhoud a) 1,2 l/55 kw TDI CR DPF - EU5 VW ,3 1,6 l/55 kw TDI CR DPF - EU5 VW ,3 1,6 l/66 kw TDI CR DPF - EU5 VW ,3 1,6 l/77 kw TDI CR DPF - EU5 VW ,3 Als de bovengenoemde oliën niet beschikbaar zijn kan men eenmalig voor het bijvullen olie volgens ACEA B3 resp. ACEA B4 gebruiken.

217 Technische gegevens 215 Voorzichtig! Voor auto's met flexibele onderhoudsintervallen (QG1) mogen alleen de bovenstaande oliën worden gebruikt. Om ervoor te zorgen dat de eigenschappen van de motorolie behouden blijven, adviseren wij voor het bijvullen alleen die olie te nemen die dezelfde specificatie heeft. In een uitzonderingsgeval mag slechts eenmaal maximaal 0,5 l motorolie met de specificatie VW (alleen benzinemotoren) of specificatie VW (alleen dieselmotoren) worden bijgevuld. Andere motoroliën mogen niet worden gebruikt - kans op motorschade! Voor het maken van een lange rit adviseren wij motorolie met de specificatie die is voorgeschreven aan te schaffen en mee te nemen. Zo beschikt u altijd over de juiste motorolie voor het bijvullen. We adviseren gebruik te maken van oliën uit het originele Škoda-assortiment. Zie voor verdere informatie het serviceplan. Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

218 216 Technische gegevens 1,2 l/44 kw - EU 5 Motor Vermogen kw bij 1/min 44/5200 Max. koppel Nm bij 1/min 108/3000 Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 3/1198 Rijprestaties FABIA COMBI Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h s 16,5 16,7 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) FABIA COMBI In stad 7,5 7,5 Buiten stad 4,7 4,7 Combinatie 5,7 5,7 CO 2 -uitstoot - combinatie

219 Technische gegevens 217 Gewichten (in kg) Maximum toegelaten gewicht Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttig laadvermogen b) FABIA a) COMBI a) a) 485 a) Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak b) a) b) Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd (800/500) c) (900/500) d) (800/450) c) (900/450) d) a) b) c) d) Auto's van de categorie N1. Afhankelijk van de speciale uitrusting. Hellingen tot 12% Hellingen tot 8% Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

220 218 Technische gegevens 1,2 l/51 kw - EU 5/EU 2DDK Motor Vermogen kw bij 1/min 51/5400 Max. koppel Nm bij 1/min 112/3000 Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 3/1198 Rijprestaties FABIA COMBI Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h s 14,9 15,0 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) FABIA COMBI In stad 7,3 7,3 Buiten stad 4,5 4,5 Combinatie 5,5 5,5 CO 2 -uitstoot - combinatie

221 Technische gegevens 219 Gewichten (in kg) Maximum toegelaten gewicht Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttig laadvermogen b) Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak tab. op bladzijde 219 FABIA a) COMBI a) a) 485 a) a) 435 a) Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd (800/500) c) (900/500) d) (800/450) c) (900/450) d) a) b) c) d) Auto's van de categorie N1. Afhankelijk van de speciale uitrusting. Hellingen tot 12% Hellingen tot 8% Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

222 220 Technische gegevens 1,2 l/63 kw TSI - EU 5 Motor Vermogen kw bij 1/min 63/4800 Max. koppel Nm bij 1/min 160/ Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 4/1197 Rijprestaties FABIA COMBI Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h s 11,7 11,8 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) FABIA COMBI In stad 6,6 6,6 Buiten stad 4,4 4,4 Combinatie 5,2 5,2 CO 2 -uitstoot - combinatie

223 Technische gegevens 221 Gewichten (in kg) Maximum toegelaten gewicht Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttig laadvermogen b) FABIA a) Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak b) 480 a) 450 COMBI a) a) 485 a) Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd (1000/500) c) (1200/500) d) b) (1000/450) c) (1200/450) d) a) b) c) d) Auto's van de categorie N1. Afhankelijk van de speciale uitrusting. Hellingen tot 12% Hellingen tot 8% Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

224 222 Technische gegevens 1,2 l/77 kw TSI - EU 5 Motor Vermogen kw bij 1/min 77/5000 Max. koppel Nm bij 1/min 175/ Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 4/1197 Rijprestaties Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) FABIA COMBI M5 DQ7 M5 DQ7 Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h s 10,1 10,2 10,2 10,3 FABIA M5 In stad 6,8 7,0 6,8 7,0 Buiten stad 4,5 4,4 4,5 4,4 Combinatie 5,3 5,3 5,3 5,3 CO 2 -uitstoot - combinatie FABIA DQ7 COMBI M5 COMBI DQ7

225 Technische gegevens 223 Gewichten (in kg) Maximum toegelaten gewicht FABIA COMBI M5 DQ7 M5 DQ a) a) 1560 a) 1594 a) Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttig laadvermogen b) a) 500 a) 485 a) 485 a) Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak b) a) a) a) a) Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd (1000/500) c) (1200/500) d) (1000/500) c) (1000/450) c) (1000/450) c) (1200/500) d) (1200/450) d) (1200/450) d) a) b) c) d) Auto's van de categorie N1. Afhankelijk van de speciale uitrusting. Hellingen tot 12% Hellingen tot 8% Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

226 224 Technische gegevens 1,4 l/63 kw - EU 5 Motor Vermogen kw bij 1/min 63/5000 Max. koppel Nm bij 1/min 132/3800 Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 4/1390 Rijprestaties FABIA COMBI Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h s 12,2 12,3 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) FABIA COMBI In stad 8,0 8,0 Buiten stad 4,7 4,7 Combinatie 5,9 5,9 CO 2 -uitstoot - combinatie

227 Technische gegevens 225 Gewichten (in kg) Maximum toegelaten gewicht Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttig laadvermogen b) FABIA a) COMBI a) a) 485 b) Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak b) a) b) Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd (1000/500) c) (1200/500) d) (1000/450) c) (1200/450) d) a) b) c) d) Auto's van de categorie N1. Afhankelijk van de speciale uitrusting. Hellingen tot 12% Hellingen tot 8% Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

228 226 Technische gegevens 1,2 l/55 kw TDI CR DPF - EU5 Motor Vermogen kw bij 1/min 55/4000 Max. koppel Nm bij 1/min 180/ Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 3/1199 Rijprestaties Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h s 14,2 14,3 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) FABIA In stad 4,8 a) /4,9 b) a) Bij leeg gewicht met speciale uitrusting tot 1280 kg. b) Bij leeg gewicht met speciale uitrusting boven 1280 kg. FABIA COMBI 4,8 a) /4,9 b) Buiten stad 3,3 a) /3,4 b) 3,3 a) /3,4 b) Combinatie 3,8 a) /3,9 b) 3,8 a) /3,9 b) CO 2 -uitstoot - combinatie 99 a) /102 b) 99 a) /102 b) COMBI

229 Technische gegevens 227 Gewichten (in kg) Maximum toegelaten gewicht Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttig laadvermogen b) FABIA a) COMBI a) a) 485 a) Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak b) a) a) Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd (1000/500) c) (1200/500) d) (1000/450) c) (1200/450) d) a) b) c) d) Auto's van de categorie N1. Afhankelijk van de speciale uitrusting. Hellingen tot 12% Hellingen tot 8% Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

230 228 Technische gegevens 1,6 l/55 kw TDI CR - EU 5 Motor Vermogen kw bij 1/min 55/4000 Max. koppel Nm bij 1/min 195/ Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 4/1598 Rijprestaties FABIA COMBI Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h s 14,1 14,2 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) FABIA Combi In stad 5,1 5,1 Buiten stad 3,6 3,6 Combinatie 4,2 4,2 CO 2 -uitstoot - combinatie

231 Technische gegevens 229 Gewichten (in kg) Maximum toegelaten gewicht Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttig laadvermogen b) FABIA a) COMBI a) a) 485 b) Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak b) a) a) Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd (1000/500) c) (1200/500) d) (1000/450) c) (1200/450) d) a) b) c) d) Auto's van de categorie N1. Afhankelijk van de speciale uitrusting. Hellingen tot 12% Hellingen tot 8% Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

232 230 Technische gegevens 1,6 l/66 kw TDI CR - EU 5 Motor Vermogen kw bij 1/min 66/4200 Max. koppel Nm bij 1/min 230/ Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 4/1598 Rijprestaties FABIA COMBI Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h s 12,6 12,7 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) FABIA Combi In stad 5,1 5,1 Buiten stad 3,6 3,6 Combinatie 4,2 4,2 CO 2 -uitstoot - combinatie

233 Technische gegevens 231 Gewichten (in kg) Maximum toegelaten gewicht Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttig laadvermogen b) FABIA a) COMBI a) a) 485 b) Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak b) a) a) Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd (1200/500) c) (1200/500) d) (1200/450) c) (1200/450) d) a) b) c) d) Auto's van de categorie N1. Afhankelijk van de speciale uitrusting. Hellingen tot 12% Hellingen tot 8% Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

234 232 Technische gegevens 1,6 l/77 kw TDI CR - EU 5 Motor Vermogen kw bij 1/min 77/4400 Max. koppel Nm bij 1/min 250/ Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 4/1598 Rijprestaties FABIA COMBI Maximale snelheid km/u Acceleratie km/h s 10,9 11,0 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 -uitstoot (in g/km) FABIA COMBI In stad 5,1 5,1 Buiten stad 3,6 3,6 Combinatie 4,2 4,2 CO 2 -uitstoot - combinatie

235 Technische gegevens 233 Gewichten (in kg) Maximum toegelaten gewicht Gewicht in lege toestand, rijklaar Nuttig laadvermogen b) FABIA a) COMBI a) a) 485 a) Nuttig laadvermogen bij gebruik van de trekhaak b) a) a) Toelaatbare voorasbelasting Toelaatbare achterasbelasting Toegestaan aanhangwagengewicht, aanhangwagen geremd (1200/500) c) (1200/500) d) (1200/450) c) (1200/450) d) a) b) c) d) Auto's van de categorie N1. Afhankelijk van de speciale uitrusting. Hellingen tot 12% Hellingen tot 8% Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

236 234 Technische gegevens

237 Trefwoordenlijst 235 Trefwoordenlijst A Aan- en wegslepen Automatische versnellingsbak Aandrijfslipregeling (ASR) Controlelamp Aanhangwagen Gebruiksinstructies Aanslepen ABS Controlelamp Accessoires Accu , 176 Elektrolytpeil controleren Laden Rijden in de winter Vervangen Accu laden Controlelampjes Achterklep Controlelampje Achterruit condensvrij maken Achterruitverwarming Achterstoelen Achteruitkijkspiegel Actieradius Afgelegde afstand Afsleepbewaking Afstandsbediening Synchronisatieprocedure Afzetten van de motor Airbag Activering Controlelampje Hoofdairbag Voorairbag Zijairbag Airbag uitschakelen Airbagsysteem Controlelampje Airconditioning Alarm Alarmlichten Controlelampjes Alarmsysteem , 51 Antiblokkeersysteem Antiblokkeersysteem (ABS) Controlelamp Armleuningen voor Asbak ASR Controlelamp Assistent voor rijden op hellende wegen Auto opkrikken Auto wassen Auto-Check-Control Autocomputer Automatische versnellingsbak Keuzehendel - noodontgrendeling Kick down Tiptronic Automatische wasinstallaties AUX-IN B Bagageruimte Bevestigingsogen Inklapbare haak Bagageruimte - variable laadvloer Banden Winterbanden Bandendrukcontrole Bandenreparatieset bandenspanning Controlelampje Bekerhouder Achter Voor Benzine Benzinemotoren Motor starten Bevestigingselementen Bevestigingsnet Bevestigingsogen Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

238 236 Trefwoordenlijst Binnenverlichting achter voor Bochtverlichting Boordcomputer Boordgereedschap Brandstof Benzine Brandstofmeter Controlelampjes Dieselolie Brandstofmeter Brandstofreserve Controlelampjes Brandstofverbruik , 148 Energie besparen Buitenland Buitenspiegel Buitenspiegelverwarming Buitentemperatuur C Centrale vergrendeling Ontgrendelen Vergrendelen Circulatiefunctie Claxon Climatronic Ruiten ontwasemen Temperatuur instellen Climatronic (automatische airco) Cockpit Overzicht Comfortbediening Computer Conserveren Conservering auto-onderzijde Contact Contactslot Controlelampjes D Dagrijlicht , 206 Dakantenne Dashboard De eerste km Dieselmotoren Motor starten Dieselolie Digitale klok Dimlicht , 205 Controlelampjes Display Draairichtinggebonden banden Dynamo Controlelampjes E Economisch rijden EDS Eén portier openen Elektrisch instelbare achteruitkijkspiegel Elektrisch schuif-/kanteldak Elektrische energie besparen Elektrische ruitbediening Centrale vergrendeling Functiestoringen Elektronisch sperdifferentieel Elektronisch sperdifferentieel (EDS) Elektronisch stabiliteitsprogramma (ESP) Controlelampje Elektronische differentieelblokkering Controlelamp Elektronische wegrijblokkering ESP Controlelampje F Fietsendrager G Gebruik aanhangwagen Gebruik in de winter Biodiesel Geheugen voor boordcomputer Gereedschap Gevarendriehoek Glazen dak Gloeilampen Gloeilampen vervangen Gordelhoogte-instelling Gordels Gordelspanner

239 Gordelwaarschuwingslampje Groot licht , 52, 205 Controlelampjes GSM H Halogeen-projectorkoplampen met bochtverlichtingsfunctie Handmatig schakelen Handrem Hoedenplank , 66 Hoeveelheid koelvloeistof Controlelampje Hoofdairbag Hoofdsteunen I IBinnenverlichting Bagageruimte Imperiaal Informatiedisplay Inrijden instrumentenpaneel Interieurbewaking Intervalwissen ISOFIX ISOFIX-systeem J Juiste zitpositie K Kanteldak Katalysator Keuzehendel Keuzehendel - noodontgrendeling Keuzehendelstanden Kilometertotaalteller Kinderen en veiligheid Kinderslot Kinderzitje Indeling in groepen ISOFIX-systeem Op de voorpassagiersstoel Veiligheidsaanwijzingen Kledinghaakje Klok Knipperlicht Knipperlichten Controlelampjes Koelluchtventilator Koelvloeistof Bijvullen Controlelamp Koelvloeistofstand Controlelampje Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil Controlelampjes Koelvloeistoftemperatuurmeter Kofferklep Verlichting Koplamp, voor Trefwoordenlijst 237 Koplampen Koplampsproeiers Mistlampen Koplampen omschakelen/afplakken Koplampsproeiers Krachtbegrenzing van de ruitbediening Krik Kriksteunpunten L Laden Lak Lakbeschadigingen Lampen Controlelamp Omschakelen/afplakken Leeronderhoud Lichtbundelhoogteverstelling Lichtsignaal M Make-upspiegel MDI Met de hand wassen Milieu Milieu-aspecten , 152 Mistachterlicht Controlelampjes Mistlamp Mistlampen Controlelampjes Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

240 238 Trefwoordenlijst Mistlicht met de functie CORNER Mobiele telefoon Verbinding met het handnvrij systeem Motor afzetten Starten Motor starten Benzinemotoren Motorelektronica Controlelampjes Motorkap , 169 Motorolie Bijvullen Controlelampjes Controleren Verversen Motoroliepeil controleren Motorruimte Veiligheidsaanwijzingen Multi-functie-indicatie Multifunctioneel stuurwiel N Nieuwe banden Noodvergrendeling van het portier O Olie Controlelampjes Verversen Oliepeilstok Olieverversing Ontdooien van de ruiten Ontgrendelen Afstandsbediening Ontgrendeling , 36 Opbergruimtes Opbergvak Verlichting Opbergvakken Openen van het portier Controlelampje Oprolbare hoedenplank Overzicht Cockpit Overzicht motorruimte P Parkeerhulp Parkeertickethouder Parkeren Passieve veiligheid Pedalen Polijsten Portier Controlelampje Kinderslot Profieldiepte R Radio-installaties Reinigen Rem Handrem Rembekrachtiger Remmen Remsysteem Controlelampje Remvloeistof Reservewiel Richtingaanwijzers Controlelampjes Rijden in de winter Accu Ruiten ontdooien Sneeuwkettingen Rijden in het buitenland Koplampen Rijtijd Roetfilter Controlelampje Ruitbediening Ruiten Ontdooien Ruitensproeierinstallatie Controlelampjes Ruitensproeiers Ruitensproeiersysteem Ruitensproeiervloeistofreservoir Controlelampjes Ruitenwisser S Safe-beveiliging

241 Trefwoordenlijst 239 Schakelaar in bestuurdersportier Centrale vergrendeling Schakelbak schakeling Service-indicatie Service-interval-indicatie Sigarettenaansteker Sleepoog Achter Voor Sleutel Sneeuwkettingen Snelheidsmeter Snelheidsregelsysteem Controlelampje Stabiliteitsprogramma (ESP) Stadslicht , 52 Starten met behulp van externe spanningsbron 195 Starten van de motor Dieselmotoren Starthulp Stoelen Verwarming Stoelen instellen , 114 Stopcontact Stuurbekrachtiging Controlelampjes Stuurwiel instellen T Tanken Telefoon Temperatuur buiten Temperatuur instellen Airconditioning Verwarming Tijd instellen Tiptronic Toelichtingen Toerenteller Toeristisch licht Toestand auto Toets in bestuurdersportier Elektrische ruitbediening U Uitlaatgas Controlelampjes Uitlaatgascontrole Controlelampjes V Veiligheid Veiligheid van kinderen Zijairbag Veiligheidsaanwijzingen Motorruimte Veiligheidsgordel Controlelampje Veiligheidsgordels Afdoen Hoogte-instelling Omdoen Reiniging Veiligheidsaanwijzingen Velgen Ver- en ontgrendelen van binnenuit Verbanddoos Verchroomde delen Vergrendelen Afstandsbediening Centrale vergrendeling , 38 Vergrendeling , 36 Vergrendeling van het portier In geval van nood Verlichting Controlelampjes In- en uitschakelen Lichtbundelhoogteverstelling Verlichting in- en uitschakelen Verlichting van het interieur achter voor Versnellingsbak Mechanische Vervangen van de wisserbladen Vervoer van kinderen Verwarmde ruitensproeiers Verwarming Verzorging van de auto Vloeistof in ruitensproeierreservoir Controlelampjes Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

242 240 Trefwoordenlijst Voor elke rit Voorairbag Voorgloei-installatie Controlelampjes Voorkomen van schade aan de auto Voorstoelverwarming W Z Zekering Overzicht Zekeringen Zekeringen vervangen Zijairbag Zonnekleppen Waarschuwingssymbolen Wassen Met behulp van een hogedrukreiniger Weergaven Wegrijblokkering Wegslepen Wiel Reservewiel Verwisselen Wiel verwisselen Wielbeveiligingsbouten Wielbouten Losdraaien en vastdraaien Veiligheid Wieldop Wielen Wielen verwisselen Wielsierdop Winterbanden Wis-/wasautomaat Wisserbladen Wisserbladen vervangen

243 Aantekeningen 241 Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

244 242 Aantekeningen

245 Aantekeningen 243 Bediening Veiligheid en voor het rijden Gebruikvoorschriften Raad en daad Technische gegevens

246 Skoda Auto werkt continue aan de doorontwikkeling van alle typen modellen. Heeft u er alstublieft begrip voor, dat daarom ten alle tijde veranderingen van de levering in vorm, uitrusting en techniek mogelijk zijn. De gegevens met betrekking tot de leveringsomvang, het voorkomen, de prestaties, maten, gewichten, brandstofverbruik, normen en functies van de auto beantwoorden aan de stand van de informatie op het moment van sluiting van de redactie. Enkele van de uitvoeringen zijn mogelijkerwijs pas later leverbaar (informatie geeft uw lokale Škoda-dealer) of worden slechts op bepaalde markten aangeboden. Daarom kan er niet gereclameerd worden naar aanleiding van de aanduidingen, afbeeldingen en beschrijvingen in deze gebruiksaanwijzing. Nadruk, kopiëren, vertaling of een ander gebruik, ook uitzonderingen, is zonder schriftelijk toestemming van Skoda Auto niet toegestaan. Alle rechten volgens het auteursrecht blijven uitdrukkelijk aan Skoda Auto voorbehouden. Onder voorbehoud van veranderingen van dit werk. Uitgegeven door: ŠKODA AUTO a.s. ŠKODA AUTO a.s. 2010

247 ŠkodaService ŠkodaOriginele Onderdelen ŠkodaOriginele Accessoires SIMPLY CLEVER

248 Zo helpt u het milieu Het benzineverbruik van uw Škoda en daarmee ook de hoeveelheid schadelijke stoffen in de uitlaatgassen wordt door uw rijstijl bepaald. De geluidsproduktie en de slijtage worden eveneens door de persoonlijke omgang met de auto beďnvloed. Hoe u met uw Škoda zo milieuvriendelijk mogelijk kunt rijden en daarbij ook nog geld kunt besparen staat in dit instructieboekje. Lees met het oog hierop het hoofdstuk Milieu na. Let bovendien op de in deze handleiding met een gemarkeerde teksten. Doe mee - uit respect voor het milieu. Návod k obsluze Fabia holandsky S J FA

SIMPLY CLEVER. ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

ŠkodaYeti INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaYeti INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaYeti INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Roomster INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Roomster INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠKODA Roomster INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke opties,

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA YETI http://nl.yourpdfguides.com/dref/3579831

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA YETI http://nl.yourpdfguides.com/dref/3579831 U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor SKODA YETI. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de SKODA YETI in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties,

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en

Nadere informatie

ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en

Nadere informatie

ŠKODA Fabia INSTRUCTIEBOEKJE

ŠKODA Fabia INSTRUCTIEBOEKJE ŠKODA Fabia INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een Škoda. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke uitrustingen,

Nadere informatie

ŠkodaFabia MANUAL DE UTILIZARE SIMPLY CLEVER

ŠkodaFabia MANUAL DE UTILIZARE SIMPLY CLEVER ŠkodaFabia MANUAL DE UTILIZARE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

ŠKODA Octavia INSTRUCTIEBOEKJE

ŠKODA Octavia INSTRUCTIEBOEKJE ŠKODA Octavia INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een Škoda. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke uitrustingen,

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Superb INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Superb INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠKODA Superb INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Fabia Instructieboekje

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Fabia Instructieboekje SIMPLY CLEVER ŠKODA Fabia Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Octavia Instructieboekje

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Octavia Instructieboekje SIMPLY CLEVER ŠKODA Octavia Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Superb Instructieboekje

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Superb Instructieboekje SIMPLY CLEVER ŠKODA Superb Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder

Nadere informatie

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer

Nadere informatie

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33.

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33. Instrumenten verklikkerlichten De verklikkerlichten die hier staan vermeld, zijn niet in alle auto s aanwezig. Deze beschrijving geldt voor alle instrumentenuitvoeringen. X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht

Nadere informatie

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting

Nadere informatie

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA OPENEN MOTORKAP Motorkap in gesloten toestand OPENEN MOTORKAP Trek de hendel naar achteren en de motorkap is ontgrendeld. OPENEN MOTORKAP In het midden van de motorkap, net

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA FABIA

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA FABIA U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor SKODA FABIA. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de SKODA FABIA in de gebruikershandleiding (informatie,

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA FABIA

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA FABIA U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor SKODA FABIA. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de SKODA FABIA in de gebruikershandleiding (informatie,

Nadere informatie

ŠkodaOctavia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaOctavia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaOctavia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama

Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Instructie www.lolkama.com Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Voor het CBR praktijkexamen worden door de examinator, controle vragen gesteld over de banden, motor, dashboard

Nadere informatie

ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

De voorkant. De zijkant. De banden

De voorkant. De zijkant. De banden Controlepunten: De voorkant De verlichting moet heel zijn en werken (de werking van de verlichting, remlichten en richtingaanwijzers kan voor je gaat rijden gecontroleerd worden door de examinator) De

Nadere informatie

LCD scherm va LCD scherm

LCD scherm va LCD scherm scherm 1. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica

Nadere informatie

Verkorte gebruiksaanwijzing

Verkorte gebruiksaanwijzing Verkorte gebruiksaanwijzing Fun2Go Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06

Nadere informatie

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Lees de gebruikershandleiding voor gebruik zorgvuldig door en maak u vertrouwd met de verschillende functies van uw autoalarm. Deze handleiding beschrijft de functies

Nadere informatie

Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u het instructieboekje

Nadere informatie

LCD scherm ve LCD scherm

LCD scherm ve LCD scherm scherm. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica zelf

Nadere informatie

Korte introductie van de Vogue E-bike. 1 Motor 2 Display 3 Accu 4 Controller 5 Pedaal sensor. Aan/uit knop

Korte introductie van de Vogue E-bike. 1 Motor 2 Display 3 Accu 4 Controller 5 Pedaal sensor. Aan/uit knop Korte introductie van de Vogue E-bike 1 Motor 2 Display 3 Accu 4 Controller 5 Pedaal sensor Aan/uit knop Om het display aan of uit te schakelen houdt u de aan/uit knop voor 2 seconden lang ingehouden.

Nadere informatie

De voorkant. De zijkant. De banden

De voorkant. De zijkant. De banden Controlepunten: In deze handleiding vind je de specifieke voertuigkenmerken van de Suzuki Swift. Algemene dingen kun je in je Ris praktijkboek vinden. Dus hier kun je b.v. vinden met welk knopje je de

Nadere informatie

GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART REMOTE

GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART REMOTE Voertuigverwarmingen Technische documentatie NL GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART REMOTE Bedieningselement voor de Eberspächer-standverwarmingen EasyStart Select Bedienungsanleitung EasyStart Remote Gebruiksaanwijzing

Nadere informatie

Handleiding. E-Trendy Lithium fietscomputer. 1. Inleiding P. 2

Handleiding. E-Trendy Lithium fietscomputer. 1. Inleiding P. 2 Handleiding E-Trendy Lithium fietscomputer 1. Inleiding P. 2 2. Functie-overzicht en beschrijving bedientoetsen P. 3 2.1 Korte beschrijving van de gebruiks instellingen P. 3 2.2 Beschrijving weergave van

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Bekijk uw instructieboekje via de website van Citroën, rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en kunt u rechtstreeks

Nadere informatie

Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles

Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles ! Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het elektronisch

Nadere informatie

INHOUDSOPGAVE LCD DISPLAY INTELLIGENT 800S... 2

INHOUDSOPGAVE LCD DISPLAY INTELLIGENT 800S... 2 E-BIKE HANDLEIDING INHOUDSOPGAVE LCD DISPLAY INTELLIGENT 800S... 2 LCD DISPLAY KEY-DISP KD21C... 5 LCD DISPLAY INTELLIGENT... 8 LCD DISPLAY BAFANG C07.UART... 10 LCD DISPLAY BAFANG (MODUS) DP C10.UART...

Nadere informatie

FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk

Nadere informatie

Splash 5 deurs. Samenvatting. Nieuwe look! 5 jaar garantie en assistance Laag verbruik Verhoogde instap Handige stadswagen Groot laadvlak Magic Days

Splash 5 deurs. Samenvatting. Nieuwe look! 5 jaar garantie en assistance Laag verbruik Verhoogde instap Handige stadswagen Groot laadvlak Magic Days Splash 5 deurs Nieuwe look! 5 jaar garantie en assistance Laag verbruik Verhoogde instap Handige stadswagen Groot laadvlak Magic Days Samenvatting Splash 5 deurs 1.0 benzine 5 MT (), Tweewielaandrijving,

Nadere informatie

Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5

Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5 Nederlandstalige handleiding Autoalarm AS5 Inhoud verpakking: Alarmunit Sirene Handzender ( 2 stuks) Kabels incl. zekeringen Zoekfunctie Stil alarm Startblokkering Paniek functie Anti carjacking Aansturing

Nadere informatie

Voertuig Controle Golf 7

Voertuig Controle Golf 7 Voertuig Controle Golf 7 Voor het praktijkexamen wordt door de examinator een aantal vragen gesteld over de motor, de banden of het dashboard. Lees deze pagina een aantal keren aandachtig door zodat je

Nadere informatie

Handleiding. Trenergy E-relax fietscomputer. Pagina: 1

Handleiding. Trenergy E-relax fietscomputer.  Pagina: 1 Handleiding Trenergy E-relax fietscomputer www.trenergy.nl Pagina: 1 www.trenergy.nl Pagina: 2 Indeling handleiding Trenergy E-Relax 1. Inleiding P. 4 2. Functie-overzicht bedientoetsen P. 6 2.1 Korte

Nadere informatie

BE 1000 Brand BEDIENINGS INSTRUCTIE INHOUDSOPGAVE 30.0221.9535 A3

BE 1000 Brand BEDIENINGS INSTRUCTIE INHOUDSOPGAVE 30.0221.9535 A3 BEDIENINGS INSTRUCTIE BE 1000 Brand 30.0221.9535 A3 INHOUDSOPGAVE Inleiding en aanwijzingen voor de veiligheid............. 2 Toelichting weergave en bedieningselementen Display en toetsen.....................................

Nadere informatie

Duurzaam rijden, samen met ECOdrive

Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Beknopte gebruiksaanwijzing Algemene versie 07-2014 Introductie Het duurzaam ondernemen wordt steeds belangrijker. Veel bedrijven zijn verplicht CO 2 -doelstellingen

Nadere informatie

Handleiding. Bijlage LCD Display. +32 (0)

Handleiding. Bijlage LCD Display. +32 (0) Handleiding Bijlage LCD Display +32 (0) 485 68 25 62 [email protected] www.turbobike.be LCD-Display handleiding Functies 01 Omhoog knop 06 Tijd indicator 02 Aan/uit knop 07 Wandel-assistentie 03 Omlaag

Nadere informatie

Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina".

Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek Persoonlijke pagina. Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u de gebruiksaanwijzing

Nadere informatie

Gebruiksaanwijzing kort

Gebruiksaanwijzing kort Fun2Go Van Raam BV Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Tel. : +31 (0)315 257370 E-mail : [email protected] Internet : www.vanraam.nl Versie 17.04 Positie zitting Om de positie van de stoel correct

Nadere informatie

Volkswagen Marine. Scheepsmotoren. Extra bedieningshandleiding Multi-functie-indicatie. SDI en TDI. 2002 Volkswagen Marine

Volkswagen Marine. Scheepsmotoren. Extra bedieningshandleiding Multi-functie-indicatie. SDI en TDI. 2002 Volkswagen Marine Titel_MFA_1004_32_2.qxd 26.10.2004 12:33 Uhr Seite 1 Extra bedieningshandleiding Multi-functie-indicatie Volkswagen Marine Scheepsmotoren SDI en TDI 2002 Volkswagen Marine De teksten, afbeeldingen en normen

Nadere informatie

PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide

PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide VOLVO V70 & XC70 quick guide PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid. Neem deze beknopte handleiding door om nog meer plezier te beleven aan uw nieuwe

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto.

Nadere informatie

BIZOBIKE Display handleiding E-Motion

BIZOBIKE Display handleiding E-Motion BIZOBIKE Display handleiding E-Motion Inhoudsopgave Materiaal & kleur 1 Functies 1 Interface 1 Installatie 1 Powerknop 1 Wandel assistent 2 Achtergrond verlichting 2 Batterij capaciteit 2 Afstand & trip

Nadere informatie

GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART TIMER

GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART TIMER Voertuigverwarmingen Technische documentatie GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART TIMER NL Bedieningselement voor de Eberspächer-standverwarmingen Hoofdstuk Naam hoofdstuk Inhoud hoofdstuk Pagina 1 Inleiding 1.1

Nadere informatie

COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1. Feel the difference. FordKa Instructieboekje. Owner s handbook

COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1. Feel the difference. FordKa Instructieboekje. Owner s handbook COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1 FordKa Instructieboekje Owner s handbook Feel the difference K10468_Service_Portfolio_090508.1 1 09.05.2008 15:52:47 Uhr 001-025 Ford KA NL 22-07-2008 9:45 Pagina

Nadere informatie

NL ESP-Systeem

NL ESP-Systeem 603.83.515 NL ESP-Systeem ESP-SYSTEEM (Electronic Stability Program) Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft. De werking

Nadere informatie

Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93

Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93 Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93 Inleiding Het Car Access System (CAS) regelt de toegangsmogelijkheden tot de auto.ne De CASregeleenheid

Nadere informatie

Bedieningsinstructie

Bedieningsinstructie Bedieningsinstructie Kamerthermostaat ModuLine 00 763 7600 (203/08) NL 763 7600-000.TD Inhoudsopgave Inhoudsopgave Uitleg van de symbolen................. 2 2 Inleiding.............................. 2

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en

Nadere informatie

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu. F I A T D U C A T O G E B R U I K E N O N D E R H O U D Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boek samengesteld

Nadere informatie

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1. Verstelling naar voren/naar achteren. 2. Hoogteverstelling.

Nadere informatie

FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten

Nadere informatie

Uw auto komt tot leven op internet!

Uw auto komt tot leven op internet! Instructieboekje ! Dankzij de internetsite SERVICE BOX, biedt PEUGEOT u de mogelijkheid uw boorddocumentatie gratis en eenvoudig online te raadplegen. Met het gebruiksvriendelijke SERVICE BOX hebt u altijd

Nadere informatie

Voertuig Controle BMW 116d Sportline

Voertuig Controle BMW 116d Sportline Voertuig Controle BMW 116d Sportline Voor het praktijkexamen wordt door de examinator een aantal vragen gesteld over de motor, de banden of het dashboard. Lees deze pagina een aantal keren aandachtig door

Nadere informatie

FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten

Nadere informatie

Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist

Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist BEDIENINGSUITLEG 1 - Bestuurderszetel 17 - Hendel stuurafstelling 2 - Sleutelschakelaar (START) 18 - Bedieningshendel hijsen linker

Nadere informatie

Verwarming en ventilatie

Verwarming en ventilatie Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde

Nadere informatie

Configuratie. Jimny 3 deurs. Samenvatting

Configuratie. Jimny 3 deurs. Samenvatting Jimny 3 deurs 5 jaar garantie en assistance Compacte 4x4 Uitstekende terreincapaciteiten Laagste kostprijs per kilometer Uniek in zijn segment Krachtige motor Bekijk alle 4x4's van Suzuki Samenvatting

Nadere informatie

************************* **************** ******** ***

************************* **************** ******** *** Bij deelname aan het Tussentijdstoets moet je de volgende documenten overhandigen: een geldig theorie certificaat een wettelijk toegestaan, geldig identiteitsbewijs. ************************* ****************

Nadere informatie

HANDLEIDING MINI ONE MINI COOPER MINI COOPER S

HANDLEIDING MINI ONE MINI COOPER MINI COOPER S HANDLEIDING MINI ONE MINI COOPER MINI COOPER S HARTELIJK GEFELICITEERD MET UW NIEUWE MINI INHOUDSOPGAVE Over deze handleiding Opmerkingen met betrekking tot de handleiding 6 Gebruikte symbolen 6 Symbool

Nadere informatie

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN Kort overzicht Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN 6 5 4 3 2 1 12 9 3 6 80 100 120 km/h 60 140 40 160 LAND - - ROVER 20 0 180 200 H4959 7 8 9 1. Frisseluchtrooster - bedieningsknop 2. Ventilator - regeling

Nadere informatie

F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R U C T I E B O E K

F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R U C T I E B O E K F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben

Nadere informatie

Handleiding: instellen en werking LCD display t.b.v. ombouwset 004 en prolithium Velvet. Gefeliciteerd met de aankoop van een R A T - Holland product!

Handleiding: instellen en werking LCD display t.b.v. ombouwset 004 en prolithium Velvet. Gefeliciteerd met de aankoop van een R A T - Holland product! Handleiding: instellen en werking LCD display t.b.v. ombouwset 004 en prolithium Velvet Beste Gebruiker, Gefeliciteerd met de aankoop van een R A T - Holland product! Neemt u a.u.b. deze handleiding zorgvuldig

Nadere informatie

ŠKODA Octavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE

ŠKODA Octavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE ŠKODA Octavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een Škoda. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke

Nadere informatie

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! Citroën biedt u de mogelijkheid om gratis en eenvoudig uw boorddocumentatie online te raadplegen. Daarbij hebt u ook toegang tot het archief en tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

Bedieningselement voor de Eeberspächer-standverwarmingen A WORLD OF COMFORT

Bedieningselement voor de Eeberspächer-standverwarmingen A WORLD OF COMFORT Voertuigverwarmingen Technische documentatie Gebruiksaanwijzing EasyStart Timer NL Gebruiksaanwijzing Beknopte handleiding Inbouwhandleiding Bedieningselement voor de Eeberspächer-standverwarmingen A WORLD

Nadere informatie

Verkorte gebruiksaanwijzing

Verkorte gebruiksaanwijzing Verkorte gebruiksaanwijzing VeloPlus Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06

Nadere informatie

ŠkodaOctavia Supplement - voor voertuigen met LPG-aandrijving

ŠkodaOctavia Supplement - voor voertuigen met LPG-aandrijving SIMPLY CLEVER ŠkodaOctavia Supplement - voor voertuigen met LPG-aandrijving 01/2011 Aanvulling - voor wagens op LPG (autogas) 1 Aanvulling - voor wagens op LPG (autogas) Dit document vormt een aanvulling

Nadere informatie

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN AFTER SALES SERVICE INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager - Technisch

Nadere informatie

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR LEXIA PROXIA CD 35 AFTER SALES SERVICE CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager

Nadere informatie

GEBRUIKERSHANDLEIDING

GEBRUIKERSHANDLEIDING GEBRUIKERSHANDLEIDING INHOUD 1. Inleiding 2. Batterij en lader 2.1 Het uitnemen en plaatsen van de batterij 2.2 De laadprocedure 2.3 Slaapfunctie batterij 2.4 Tips gebruik batterij 3. De display 3.1 Functies

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN AFTER SALES SERVICE INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager - Technisch

Nadere informatie

DACIA LOGAN VAN/PICK-UP PRIJSLIJST januari 2012

DACIA LOGAN VAN/PICK-UP PRIJSLIJST januari 2012 DACIA LOGAN VAN/PICK-UP PRIJSLIJST januari 2012 VERSIEPRIJZEN LOGAN VAN/PICK-UP Dacia Logan Van Motor Uitvoering CATALOGUSPRIJS BTW BPM* CONSUMENTENPRIJS Netto INCL. BTW en BPM 1.6 MPI 85 Euro 5 Logan

Nadere informatie

GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding

GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding GT-912/GT-913/GT-914 Gebruikers handleiding Rho-Delta b.v. Escudostraat 2 2991 XV Barendrecht Tel. +03110-4795755 Fax. +03110-2927461 www.rhodelta.nl [email protected] - OMSCHRIJVING De GT-912 /GT-913/GT-914

Nadere informatie

y Verwarming op brandstof 87

y Verwarming op brandstof 87 Klimat 5 1 y Verwarming op brandstof 87 912-B, 912-D Op. no. 87516 01- Benzine 30618 095-1 Diesel 3730 340-1 20000 excl. automaat Benzine 30618 095-1 Er is een nieuwe generatie verwarming geïntroduceerd

Nadere informatie

COCKPIT 2 FC 520/ 530 / 535

COCKPIT 2 FC 520/ 530 / 535 COCKPIT 2 FC 520/ 530 / 535 NL GEBRUIKSAANWIJZING www.trelock.de 100 U hebt gekozen voor een TRELOCKfietscomputer FC 520 (Uni-Base), FC 530 (Uni-Base) of FC 535 (Night-Light-Base). Daarmee heeft u een

Nadere informatie

Clifford Electronics Benelux bv. Tel.+31 20 40 40 919 Fax. +31 20 40 40 948

Clifford Electronics Benelux bv. Tel.+31 20 40 40 919 Fax. +31 20 40 40 948 Clifford Electronics Benelux bv. Tel.+31 20 40 40 919 Fax. +31 20 40 40 948 Belangrijke informatie Gefeliciteerd met de aankoop van uw voertuig beveiligingsysteem. Het is ontworpen om jaren van probleemloze

Nadere informatie

Art-No NL Handleiding

Art-No NL Handleiding Art-No. 18141 NL Handleiding Art-No. 18142 Digitale momentsleutel Art.nr. 18141 3/8 aandrijving, 17-170 Nm Art.nr. 18142 1/2 aandrijving, 20-200 Nm Handleiding Inhoud verpakking: Momentsleutel Batterijen,

Nadere informatie

Swift 3 deurs. Samenvatting. Manueel of automaat Laag verbruik Lage CO 2

Swift 3 deurs. Samenvatting. Manueel of automaat Laag verbruik Lage CO 2 Swift 3 deurs Manueel of automaat Laag verbruik Lage CO 2 -uitstoot 5 jaar garantie en assistance Standaard ESP Standaard 7 airbags 0% JKP Samenvatting Swift 3 deurs 1.3 DDiS 5 M/T (), Tweewielaandrijving,

Nadere informatie

Manualul dvs. SKODA FABIA

Manualul dvs. SKODA FABIA Puteţi citi recomandări în ghidul utilizatorului, ghidul tehnice sau de ghidul de instalare pentru SKODA FABIA. Veţi găsi răspunsuri la toate întrebările dvs. pe SKODA FABIA în manualul de utilizare (informaţii,

Nadere informatie

GEBRUIKSAANWIJZING EN. PROJECTION ALARM CLOCK INSTRUCTION MANUAL DE. PROJEKTIONSWECKER

GEBRUIKSAANWIJZING EN. PROJECTION ALARM CLOCK INSTRUCTION MANUAL DE. PROJEKTIONSWECKER PRC 280 NL. PROJECTIE WEKKER EN. PROJECTION ALARM CLOCK DE. PROJEKTIONSWECKER FR. RÉVEILLE PROJECTION GEBRUIKSAANWIJZING INSTRUCTION MANUAL BEDIENUNGSANLEITUNG MODE D EMPLOI GEBRUIKSAANWIJZING Wij feliciteren

Nadere informatie

ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice!

ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice! Mobiliteitsservice: 088-2692888 Twijfelt u? Bel dan Van den Udenhout 073-64644444 Lampje Betekenis ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice! Centraal waarschuwingslampje:

Nadere informatie

Gemaksvoorzieningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING ZONNESCHERMEN

Gemaksvoorzieningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING ZONNESCHERMEN Gema ksvoorzie ningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING AUTO E80434 De zonneklep kan tegen verblinding naar beneden of zijwaarts worden geklapt. ZONNESCHERMEN E993 Verdraai het duimwieltje

Nadere informatie

Parameters Zichtbaarheid. Inleiding

Parameters Zichtbaarheid. Inleiding Inleiding Inleiding De lijst van parameters in dit document is beperkt tot die parameters die relevant worden geacht voor carrosseriebouwers. Neem contact op met een een erkende Scania werkplaats voor

Nadere informatie

Praktijk Vragen over auto

Praktijk Vragen over auto Praktijk Vragen over auto 1 BANDEN: Wat moet je controleren op Auto banden 1- spannig: Meters/Lampjes Juiste banden spanning hangt af: Auto (merk, Type, gewicht) maat Gewicht lading (of aantal personen).

Nadere informatie

Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C)

Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) COUPÉ EVO DASHBOARD Brandstofmeter met reserveaanduiding Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) Chroomlook ringen instrumentenpaneel ControlelampjesRichtingaanwijzer links en rechts, mistlampen

Nadere informatie

Inbouw handleiding Multi-Media Unit Mitsubishi Lancer

Inbouw handleiding Multi-Media Unit Mitsubishi Lancer Inbouw handleiding Multi-Media Unit Mitsubishi Lancer WWW.NAVIGATIEDEAL.nl Thommas de Wit Inhoud Inbouw procedure... 2 Demontage originele radio... 2 Montage Navigatiesysteem... 3 Instellingen... 5 In-leren

Nadere informatie

ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000

ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 INFOTEC AP/TAVG/MMXP/MUX BEVESTIGING DIAGNOSE BSI ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 G05 CONTROLEPROCEDURE VAN DE FUNCTIE CENTRALE VERGRENDELING Toepassing bij PEUGEOT 206 (vanaf DAM-nr. 9076)

Nadere informatie