ŠKODA Octavia INSTRUCTIEBOEKJE

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "ŠKODA Octavia INSTRUCTIEBOEKJE"

Transcriptie

1 ŠKODA Octavia INSTRUCTIEBOEKJE

2 Inleiding U heeft gekozen voor een Škoda. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke uitrustingen, die u in het dagelijkse verkeer zeker zult willen gebruiken. Daarom adviseren wij u, dit instructieboekje aandachtig te lezen, zodat u uw wagen snel en volledig leert kennen. Mocht u vragen over of problemen met uw wagen hebben, neem dan contact op met een Škoda Servicepartner of de importeur. Daar zijn vragen, opmerkingen en kritiek altijd welkom. Afwijkende nationale wettelijke bepalingen hebben voorrang op de in dit instructieboekje verstrekte informatie. Wij wensen u veel plezier met uw Škoda en te allen tijde een goede reis. Uw Škoda Auto

3 2 Inleiding Wagendocumentatie In de wagendocumentatie van uw wagen vindt u naast dit instructieboekje ook het Serviceplan en Hulp onderweg. Bovendien kunnen afhankelijk van type en uitrustingsniveau verschillende instructieboekjes en aanvullingen op het instructieboekje aanwezig zijn (bijvoorbeeld radio-instructieboekje). Mocht een van de bovengenoemde documenten ontbreken, neem dan direct contact op met een geautoriseerde Škoda Servicepartner. Deze helpt u graag verder. Let erop dat de informatie in de technische wagendocumentatie altijd voorrang heeft op de in dit instructieboekje verstrekte informatie. Instructieboekje In dit instructieboekje worden altijd alle uitrustingsvarianten beschreven, zonder dat deze als meeruitvoering, modelvariant of marktafhankelijke uitrusting worden aangegeven. Daarom hoeven in uw wagen niet alle uitrustingscomponenten die in dit instructieboekje worden beschreven, aanwezig te zijn. De uitrustingsomvang van uw wagen wordt beschreven in de verkoopdocumentatie die u bij de aanschaf van de wagen hebt ontvangen. Meer informatie krijgt u bij uw Škoda-dealer. De afbeeldingen kunnen op kleine details afwijken van uw wagen; zij zijn slechts als algemene informatie op te vatten. Behalve de informatie over de bediening vindt u in het instructieboekje ook belangrijke gebruiks- en onderhoudsinformatie voor uw veiligheid en voor het waardebehoud van uw wagen. U vindt hierin waardevolle tips en ondersteuning. Bovendien komt u te weten, hoe u veilig, economisch en milieuvriendelijk met uw wagen kunt rijden. Maar ook de andere hoofdstukken van dit instructieboekje zijn belangrijk, het deskundige gebruik van de wagen dient - naast het regelmatig verzorgen en onderhouden - voor het waardebehoud en is bovendien in vele gevallen één van de voorwaarden bij eventuele garantieclaims. Het Serviceplan bevat: Wagengegevens Service-intervallen Overzicht van de servicewerkzaamheden Bewijs van uitgevoerde servicebeurten Bevestiging van de mobiliteitsgarantie (geldt alleen in sommige landen) Belangrijke aanwijzingen voor de garantie. De bevestigingen van uitgevoerde servicewerkzaamheden zijn één van de voorwaarden bij eventuele garantieclaims. Geef het Serviceplan daarom altijd af als u uw wagen naar een geautoriseerde Škoda Servicepartner brengt. Indien u uw Serviceplan bent kwijtgeraakt of als het versleten is, kunt u contact opnemen met de geautoriseerde Škoda Servicepartner, die het regelmatig onderhoud aan uw wagen uitvoert. Hier krijgt u een duplicaat van het document, waarin alle tot op heden uitgevoerde servicewerkzaamheden gedocumenteerd worden. Hulp onderweg Bevat de belangrijkste telefoonnummers in de afzonderlijke landen evenals adressen en telefoonnummers van de Škoda-importeurs. Houd om veiligheidsredenen ook rekening met de informatie over accessoires, wijzigingen en het vervangen van onderdelen bladzijde 205.

4 Inhoudsopgave 3 Inhoudsopgave Opbouw van dit instructieboekje (toelichtingen) Bediening Bestuurdersruimte Overzicht Beknopte informatie Basisfuncties en belangrijke aanwijzingen..... Instrumenten en controlelampjes Overzicht instrumentenpaneel Toerenteller Snelheidsmeter Koelvloeistoftemperatuurmeter Brandstofmeter Kilometerteller Service-intervalindicatie Digitale klok Schakeladvies Multifunctie-indicatie (boordcomputer) MAXI DOT-display (informatiedisplay) Auto-Check-Control Controlelampjes Openen en sluiten Sleutels Kindersloten Centrale vergrendeling Afstandsbediening Synchronisatie van de afstandsbediening Alarmsysteem Elektrische ruitbediening Elektrisch schuif-/kanteldak Licht en zicht Licht Binnenverlichting Zicht Ruitenwisser- en sproeierinstallatie Achteruitkijkspiegel Zitten en opbergen Voorstoelen Voorstoelen elektrisch instellen Hoofdsteunen Middelste hoofdsteun achterin Achterbank Pedalen Bagageruimte Scheidingsnet (Combi) Dakdragersysteem Bekerhouder Parkeertickethouder Asbak Sigarettenaansteker, stopcontacten Opbergvakken Overzicht Dashboardkastje Koeling van het dashboardkastje Opbergvak aan bestuurderszijde Opbergvak in het dashboard Opbergvak voorin de middenconsole Bagagenet aan de middenconsole voorin Brillenvak Opbergvak in de voorportieren Opbergvak onder de bijrijdersstoel Armsteun van de voorstoelen met opbergvak.. Armsteun van de achterbank met opbergvak... Opbergvak achterin de middenconsole Achterbankleuning met skiluik Skizak Zijvak Opbergvak achter de achterbank (Combi) Kledinghaken Verwarming en airconditioning Inleiding Beschrijving en aanwijzingen Economisch gebruik van de airconditioning.... Storingen Luchtuitstroomopeningen Verwarming Airconditioning (handmatige airconditioning)... Climatronic (automatische airconditioning)..... Extra verwarming (interieurvoorverwarming en - ventilatie) Wegrijden en rijden Stand van het stuurwiel instellen Contactslot Motor starten Motor afzetten Schakelen (schakelbak) Handrem Parkeerhulp achter Parkeerhulp voor en achter Snelheidsregelsysteem (SRS) (Start-stopsysteem) Automatische versnellingsbak Automatische versnellingsbak Communiceren Multifunctiestuurwiel Mobiele telefoons en communicatiesystemen.. Universele telefoonvoorbereiding GSM II Spraakbediening Universele telefoonvoorbereiding GSM III Spraakbediening Internetverbinding Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

5 4 Inhoudsopgave Muziekweergave via Bluetooth Multimedia Veiligheid Passieve veiligheid Basisinformatie Juiste zithouding Veiligheidsgordels Waarom veiligheidsgordels? Het natuurkundige principe van een frontale aanrijding Belangrijke veiligheidsinstructies bij de omgang met veiligheidsgordels Hoe worden veiligheidsgordels correct omgegespt? Airbagsysteem Beschrijving van het airbagsysteem Voorairbags Zij-airbags Hoofdairbags Airbag buiten werking stellen Veilig vervoer van kinderen Wat u moet weten als u kinderen vervoert!.... Kinderzitje Kinderzitje bevestigen met het ISOFIX -systeem Kinderzitje bevestigen met het Top Tether -systeem Bandenspanningscontrole Dieselpartikelfilter (dieselmotor) Rijden en milieu De eerste kilometer - en daarna Katalysator Economisch en milieubewust rijden Milieuvriendelijkheid Rijden in het buitenland Schade aan de wagen voorkomen Rijden over ondergelopen wegen Rijden met een aanhangwagen Aanhangwagengebruik Raadgevingen voor het gebruik Verbanddoos en gevarendriehoek (Octavia).... Verbanddoos en gevarendriehoek (Combi)..... Brandblusser Wagengereedschap Reservewiel Wiel verwisselen Bandenreparatieset Starthulp Wagen afslepen Zekeringen en gloeilampjes Elektrische zekeringen Gloeilampjes en voor het rijden.... Intelligente techniek Elektronisch stabiliseringsprogramma (ESP).... Remmen Rembekrachtiger Antiblokkeersysteem (ABS) Remassistent Bergwegrijhulp Elektromechanische stuurbekrachtiging Verzorging en reiniging van de wagen Algemeen Verzorging van de wagen, buitenzijde Verzorging van de wagen, binnenzijde Brandstof Benzine Biobrandstof ethanol E Diesel Tanken Controleren en bijvullen Motorruimte Motorolie Koelsysteem Remvloeistof Accu Ruitensproeiersysteem Velgen en banden Wielen Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen Algemeen Algemene aanwijzingen Gebruikte afkortingen Rijprestaties Gewicht Identificatiegegevens Brandstofverbruik volgens ECE-normen en EGrichtlijnen Afmetingen Motoroliespecificaties Motor 1,2 l/77 kw TSI - EU Motor 1,4 l/59 kw - EU4, EU Motor 1,4 l/90 kw TSI - EU Motor 1,6 l/75 kw - EU2, EU4, EU Motor 1,8 l/118 kw TSI - EU5, EU2 DDK (1,8 l/112 kw TSI - EU5) Motor 2,0 l/147 kw TSI - EU5, EU2 DDK Motor 1,6 l/77 kw TDI CR - EU Motor 1,9 l/77 kw TDI PD - EU Motor 2,0 l/81 kw TDI CR - EU4, EU

6 Inhoudsopgave 5 Motor 2,0 l/103 kw TDI CR - EU4, EU Motor 2,0 l/125 kw TDI CR - EU Trefwoordenlijst Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

7 6 Opbouw van dit instructieboekje (toelichtingen) Opbouw van dit instructieboekje (toelichtingen) Dit instructieboekje is systematisch opgebouwd, om zo het vinden van de benodigde informatie te vergemakkelijken. Hoofdstukken, inhoudsopgave en trefwoordenlijst De tekst in dit instructieboekje is in relatief korte paragrafen ingedeeld, die in overzichtelijke hoofdstukken zijn samengevat. Het actuele hoofdstuk staat vermeld aan onderzijde van de rechterpagina. De in hoofdstukken ingedeelde inhoudsopgave en de uitgebreide trefwoordenlijst aan het einde van het instructieboekje helpen u de gewenste informatie snel te vinden. Paragrafen De meeste paragrafen gelden voor alle wagens. Aangezien er vele uitrustingsvarianten mogelijk zijn, is het niet te vermijden dat ondanks de indeling in paragrafen af en toe ook uitrustingen worden beschreven waarmee uw wagen niet is uitgerust. Korte beschrijving en instructie Elke paragraaf is voorzien van een titel. Hierna volgt een korte beschrijving (in grote cursieve letters), waarin wordt aangegeven wat er in deze paragraaf wordt behandeld. Na de afbeelding volgt meestal een instructie (in relatief grote letters), waarin de benodigde handelingen worden beschreven. Uit te voeren handelingen worden met een verbindingsstreepje aangegeven. Richtingsinformatie Alle richtingsinformatie, zoals links, rechts, voor, achter, heeft betrekking op de rijrichting van de wagen. Verklaring van symbolen Einde van een paragraaf. De paragraaf gaat op de volgende bladzijde verder. en Alle vier soorten aanwijzingen die in de tekst worden gebruikt, zijn altijd aan het einde van de betreffende paragraaf aangegeven. De belangrijkste aanwijzingen zijn voorzien van de titel ATTENTIE. Deze ATTENTIE-aanwijzingen wijzen u op ernstig gevaar voor ongevallen of verwondingen. In de tekst staat vaak een dubbele pijl, gevolgd door een klein attentieteken. Dit symbool wijst u op een ATTENTIE-aanwijzing aan het einde van de paragraaf waarmee absoluut rekening moet worden gehouden. Voorzichtig! Een Voorzichtig-aanwijzing wijst u op mogelijke schaden aan uw wagen (bijvoorbeeld schade aan de versnellingsbak), of op algemene gevaren voor ongevallen. Milieu Een Milieu-aanwijzing wijst u op het behoud van het milieu. Hier vindt u bijvoorbeeld adviezen voor een lager brandstofverbruik. Een normale wijst u in het algemeen op belangrijke informatie.

8 7 Bediening Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

9 8 Bestuurdersruimte Afb. 1 Bestuurdersruimte

10 Bestuurdersruimte 9 Bestuurdersruimte Overzicht Dit overzicht dient om u te helpen snel vertrouwd te raken met de displays en de bedieningselementen. A1 A2 A3 A4 Elektrische ruitbediening Elektrische buitenspiegelverstelling Luchtroosters Hendel voor multifunctieschakelaar: Knipperlichten, grootlicht en parkeerlicht, grootlichtsignaal Snelheidsregelsysteem A5 Stuurwiel: met claxon met bestuurdersairbag met bedieningstoetsen voor radio, radio-navigatiesysteem en A6 A7 A8 A9 A10 A11 A12 A13 A14 A15 A16 A17 A18 A19 A20 telefoon Instrumentenpaneel: Instrumenten en controlelampjes Hendel voor multifunctieschakelaar: Multifunctie-indicatie Ruitenwisser- en sproeierinstallatie Draaiknop voor de verwarming van de bestuurdersstoel Luchtroosters Knop voor alarmlichten Opbergvak in het dashboard Afhankelijk van de uitrusting: Radio Radio-navigatiesysteem Draaiknop voor de verwarming van de bijrijdersstoel Dashboardkastje Schakelaar voor bijrijdersvoorairbag (in dashboardkastje) Bijrijdersairbag Zekeringenhouder (aan zijkant van dashboard) Lichtschakelaar Draaiknop voor instrumentenpaneelverlichting en draaiknop voor lichtbundelhoogteverstelling Ontgrendelingshendel motorkap , A21 A22 A23 A24 A25 A26 A27 Opbergvak aan bestuurderszijde Hendel voor stuurwielverstelling Contactslot Afhankelijk van de uitrusting: Bediening voor verwarming Bediening airconditioning Bediening Climatronic ASR-schakelaar Parkeerhulp voor en achter Afhankelijk van de uitrusting: Versnellingshendel (schakelbak) A28 A29 A30 Keuzehendel (automatische versnellingsbak) Bandenspanningscontrole Afhankelijk van de uitrusting: Asbak Opbergvak Controlelampje voor buiten werking gestelde bijrijdersairbag Bij wagens die af fabriek met een radio of radio-navigatiesysteem zijn uitgerust, is een apart instructiebeokje voor de bediening van deze apparaten bijgevoegd. Bij wagens met rechts stuur wijkt de plaatsing van de bedieningselementen ten dele af van de in bladzijde 8, afb. 1 getoonde plaatsing. De symbolen van de verschillende bedieningselementen komen echter wel overeen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

11 10 Beknopte informatie Beknopte informatie Basisfuncties en belangrijke aanwijzingen Stuurwiel verstellen Inleiding Het hoofdstuk Beknopte informatie dient voor een snelle kennismaking met de belangrijkste bedieningselementen van de wagen. Alle aanwijzingen in de volgende hoofdstukken van het instructieboekje moeten beslist in acht worden genomen. Wagen ont- en vergrendelen Afb. 3 Verstelbaar stuurwiel: Hendel aan de stuurkolom / de juiste afstand van de bestuurder tot het stuurwiel Het stuurwiel kan in hoogte en lengterichting worden versteld. De hendel onder het stuurwiel omlaagklappen afb. 3 - links. Het stuurwiel in de gewenste stand zetten (in hoogte en lengterichting). De hendel tot de aanslag omhoogdrukken. Afb. 2 Sleutel met afstandsbediening A1 Wagen ontgrendelen A2 Achterklep ontgrendelen A3 Wagen vergrendelen A4 Sleutel uitklappen/inklappen Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 42, Wagen ont- en vergrendelen. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 106, Stand van het stuurwiel instellen. De stuurkolom zodanig verstellen dat de afstand tussen stuurwiel en borstbeen ten minste 25 cm bedraagt afb. 3 - rechts. Als de minimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Het stuurwiel mag tijdens het rijden niet worden versteld! Vanwege de veiligheid moet de hendel altijd stevig omhooggedrukt zijn, zodat de stand van het stuurwiel tijdens het rijden niet onbedoeld verandert - gevaar voor ongevallen!

12 Beknopte informatie 11 Hoogteverstelling veiligheidsgordels A2 Zittinghoogte instellen A3 Schuine stand van de rugleuning instellen A4 Lendensteun instellen Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 66, Voorstoelen instellen. De bestuurdersstoel alleen verstellen bij stilstaande wagen - gevaar voor ongevallen! Afb. 4 Voorstoel: Hoogteverstelling veiligheidsgordels Buitenspiegels elektrisch verstellen Voor het instellen op de doorvoerplaat drukken en deze naar boven of naar beneden schuiven afb. 4. Na het verstellen met een ruk aan de veiligheidsgordel trekken om te controleren of de doorvoerplaat goed is vergrendeld. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 145, Hoogteverstelling veiligheidsgordels bij de voorstoelen. De hoogte van de gordel zo instellen, dat de schoudergordel ongeveer over het midden van de schouder - maar in geen geval langs de hals - loopt! Voorstoelen verstellen Afb. 6 Binnenzijde portier: Draaiknop Buitenspiegelverwarming Buitenspiegels links en rechts tegelijkertijd instellen Rechterbuitenspiegel instellen Bediening uitschakelen Beide buitenspiegels inklappen Afb. 5 Bedieningselementen op de stoel Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 64, Buitenspiegels. A1 Stoel in lengterichting instellen Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

13 12 Beknopte informatie Verlichting in- en uitschakelen Knipperlicht- en grootlichthendel Afb. 7 Dashboard: Lichtschakelaar Afb. 8 De knipperlicht- en grootlichthendel Automatische lichtinschakeling Alle verlichting uitschakelen/dagrijlicht Stadslicht inschakelen Dim- en grootlicht inschakelen Mistlampen Mistachterlicht A Knipperlicht rechts AB Knipperlicht links AC Omschakelen tussen dim- en grootlicht AD Grootlichtsignaal Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 56, De knipperlicht- en grootlichthendel. Ruitenwisserhendel Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 50, Licht in- en uitschakelen. Afb. 9 Ruitenwisserhendel A Intervalschakelaar, gevoeligheidsinstelling van de regensensor A0 Wissen uitgeschakeld A1 Intervalwissen A2 Langzaam wissen

14 Beknopte informatie 13 A3 A4 A5 Snel wissen Tipwissen Wis-wasautomaat Tanken Achterruitwisser A6 Intervalwissen - elke 6 seconden A7 Wis-wasautomaat Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 60, Ruitenwisser. Elektrische ruitbediening Afb. 11 Rechterachterzijde: Tankklep openen / tankklep met losgeschroefde vuldop De tanklep wordt automatisch met de centrale vergrendeling vergrendeld resp. ontgrendeld. Tankdop openen In het midden van het linkergedeelte van de tankklep in pijlrichting drukken afb links. Afb. 10 Schakelaars in het bestuurdersportier A Schakelaar voor ruitbediening in het bestuurdersportier AB Schakelaar voor ruitbediening in het bijrijdersportier AC Schakelaar voor ruitbediening in het rechterachterportier AD Schakelaar voor ruitbediening in het linkerachterportier AS Veiligheidsschakelaar Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 45, Elektrische ruitbediening. De tankdop van de brandstofvulpijp met een hand vasthouden en met de andere hand ontgrendelen door de sleutel linksom te draaien (geldt voor wagens zonder automatische ontgrendeling van de tankklep). De tankdop linksom losdraaien en van bovenaf in de tankdopklep aanbrengen afb. 11 rechts. Tankdop sluiten De tankdop rechtsom vastdraaien, totdat deze hoorbaar vergrendelt. De tankdop van de brandstofvulpijp met een hand vasthouden en met de andere hand vergrendelen door de sleutel rechtsom te draaien (geldt voor wagens zonder automatische vergrendeling van de tankklep). De tankklep sluiten tot deze vergrendelt. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 187, Tanken. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

15 14 Beknopte informatie Ontgrendelen van de motorkap Motoroliepeil controleren Afb. 12 Ontgrendelingshendel motorkap Afb. 14 Oliepeilstok Aan de ontgrendelingshendel trekken onder het dashboard aan bestuurderszijde afb. 12. Motorkap openen A Motorolie mag niet worden bijgevuld. AB Motorolie mag worden bijgevuld. AC Motorolie moet worden bijgevuld. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 191, Motoroliepeil controleren. Afb. 13 Grille: Borghendel / tegenhouden van de motorkap met de motorkapsteun Aan de ontgrendelingshendel trekken in pijlrichting A1 afb. 13, de motorkap wordt ontgrendeld. De motorkapsteun uit de houder nemen en in de hiervoor bestemde opening aanbrengen. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 189, Motorkap openen en sluiten. A2

16 Instrumenten en controlelampjes 15 Instrumenten en controlelampjes Overzicht instrumentenpaneel Afb. 15 Instrumentenpaneel A1 A2 A3 A4 A5 Toerenteller bladzijde 15 Snelheidsmeter bladzijde 16 Koelvloeistoftemperatuurmeter bladzijde 16 Display met teller voor afgelegde afstand bladzijde 16 met service-intervalindicatie bladzijde 17 met digitale klok bladzijde 18 met multifunctie-indicatie bladzijde 18 met informatiedisplay bladzijde 22 Knop voor keuze van de modus (knop draaien) resp. voor de instelling (knop indrukken): Instellen van uren/minuten Activeren/deactiveren van de tweede snelheid in mph resp. in km/h Service-intervallen - Weergave van de resterende dagen en het aantal kilometers resp. mijlen tot de eerstvolgende Grote Onderhoud Service/Reset 1) Dagteller voor de afgelegde rijafstand terugzetten Service-intervalindicatie terugzetten Weergavemodus activeren/deactiveren A6 Brandstofmeter bladzijde 16 Toerenteller Het rode bereik van de schaal van de toerenteller A1 afb. 15 geeft het bereik aan waarin het motorregelapparaat begint het motortoerental te begrenzen. Het motorregelapparaat begrenst het motortoerental op een veilige grenswaarde. Vóór het bereiken van het rode bereik van de toerentellerschaal naar de eerstvolgende versnelling opschakelen resp. keuzehendelstand D kiezen van de automatische versnellingsbak. Hoge motortoerentallen vermijden tijdens de inrijperiode en voordat de motor op bedrijfstemperatuur is bladzijde ) Geldt voor landen waarin de waarden in Britse maateenheden worden aangeduid. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

17 16 Instrumenten en controlelampjes Milieu Tijdig opschakelen bespaart brandstof, vermindert het motorgeluid, spaart het milieu en heeft een positief effect op de levensduur en betrouwbaarheid van de motor. Snelheidsmeter Snelheidswaarschuwing Bij het overschrijden van een snelheid van 120 km/h klinkt er een signaaltoon. Als weer langzamer dan deze snelheidsgrens wordt gereden, verdwijnt de signaaltoon Koelvloeistoftemperatuurmeter De koelvloeistoftemperatuurmeter A3 bladzijde 15, afb. 15 werkt alleen bij ingeschakeld contact. Om motorschade te vermijden, de volgende aanwijzingen voor de temperatuurbereiken aanhouden: Koud bereik Als de naald zich in het linkergedeelte van de schaal bevindt, heeft de motor zijn bedrijfstemperatuur nog niet bereikt. Hoge motortoerentallen, volgas en zware motorbelasting vermijden. Bereik bedrijfswarme motor De motor heeft zijn bedrijfstemperatuur bereikt als de naald in het middelste gedeelte van de schaal staat. Bij zware motorbelasting en hoge buitentemperaturen kan de naald ook verder naar rechts lopen. Dit kan geen kwaad, zolang het waarschuwingssymbool in het instrumentenpaneel niet knippert. Als het symbool in het instrumentenpaneel knippert, is de koelvloeistoftemperatuur te hoog of het koelvoeistofpeil te laag. Let op de aanwijzingen bladzijde 30, Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil. De waarschuwingsaanwijzingen bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte in acht nemen voordat de motorkap wordt geopend en het koelvloeistofpeil wordt gecontroleerd. Voorzichtig! Verstralers en andere aanbouwdelen voor de verseluchttoevoer verslechteren de koelwerking van de koelvloeistof. Bij hoge buitentemperaturen en sterke motorbelasting bestaat dan gevaar voor oververhitting van de motor! Brandstofmeter De brandstofmeter A6 bladzijde 15, afb. 15 werkt alleen bij ingeschakeld contact. De tankinhoud bedraagt circa 55 liter resp. 60 liter 2). Wanneer de naald de reservemarkering bereikt, gaat het waarschuwingssymbool in het instrumentenpaneel branden Er zit dan nog circa 9 liter brandstof in de tank. Dit symbool herinnert u eraan, dat u moet tanken. Op het informatiedisplay wordt weergegeven: Please refuel. (Tanken a.u.b.) Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal. Voorzichtig! De brandstoftank nooit volledig leegrijden! Een onregelmatige brandstoftoevoer kan tot een onregelmatig draaiende motor leiden. Onverbrande brandstof kan in het uitlaatsysteem komen en de katalysator beschadigen. Na het voltanken kan het voorkomen dat bij een dynamische rit (bijvoorbeeld veel bochten, remmen, bergafwaarts en bergopwaarts rijden) de brandstofmeter iets minder aangeeft. Als wordt gestopt of bij een minder dynamische rit wordt de juiste brandstofhoeveelheid weer weergegeven. Dit effect is geen storing. Kilometerteller De weergave van de afgelegde afstand vindt plaats in kilometers (km). In sommige landen wordt de eenheid mijlen gebruikt. 2) Geldt voor Octavia Combi 4x4 en Octavia Scout.

18 Instrumenten en controlelampjes 17 Terugstelknop Als de terugstelknop A5 bladzijde 15, afb. 15 ca. 1 seconde ingedrukt wordt gehouden, wordt de dagteller op nul teruggezet. Kilometerdagteller (trip) De dagteller voor de afgelegde afstand geeft de afstand aan die is afgelegd sinds de teller voor het laatst is teruggezet - in stappen van 100 m resp. 1/10 mijlen. Kilometertotaalteller De kilometertotaalteller geeft het aantal kilometers, resp. mijlen weer die de wagen in totaal heeft afgelegd. Storingsindicatie Als een storing in het instrumentenpaneel aanwezig is, wordt op het display continu Error weergegeven. De storing zo snel mogelijk door een specialist laten verhelpen. Om veiligheidsredenen de dagteller nooit terugstellen tijdens het rijden! Als bij wagens die met een informatiedisplay zijn uitgerust de weergave van de tweede snelheid in mph resp. in km/h is geactiveerd, wordt deze rijsnelheid in plaats van de kilometertotaalteller weergegeven. Service-intervalindicatie Afb. 16 Service-intervalindicatie: Afhankelijk van de uitvoering van de wagen kan de weergave op het display afwijken. Service-intervalindicatie Vóór het bereiken van de servicetermijn wordt na het inschakelen van het contact een sleutelsymbool en het nog resterende aantal kilometers weergegeven afb. 16. Tegelijkertijd verschijnt het resterende aantal dagen tot de volgende servicetermijn. Op het informatiedisplay wordt weergegeven: Service in... km or... days. (Servicebeurt na... km of... dagen.) De kilometerweergave of de dagweergave loopt tot de vastgestelde servicetermijn in stappen van 100 km of hele dagen terug. Als de vastgestelde servicetermijn is bereikt, verschijnt op het display gedurende 20 seconden een knipperend sleutelsymbool en de tekst Service. Op het informatiedisplay wordt weergegeven: Service now! (Servicebeurt nu!) Weergave van de afstand en dagen tot de eerstvolgende onderhoudstermijn De nog resterende afstand en dagen tot de eerstvolgende servicetermijn kan op elk moment met toets A5 worden opgeroepen bladzijde 15, afb. 15. Op het display verschijnt gedurende 10 seconden een sleutelsymbool en een weergave van het resterende aantal kilometers. Tegelijkertijd verschijnt het resterende aantal dagen tot de volgende servicetermijn. Bij wagens met een informatiedisplay kan deze weergave in het menu Settings (Instellingen) bladzijde 24 worden opgeroepen. Op het informatiedisplay wordt gedurende 10 seconden weergegeven: Service in... km or... days. (Servicebeurt na... km of... dagen.) Service-intervalindicatie terugzetten Terugzetten van de service-intervalindicatie is pas mogelijk als op het display in het instrumentenpaneel een servicemelding of ten minste een waarschuwing verschijnt. Wij adviseren het terugzetten door een specialist te laten uitvoeren. De specialist: zet na de betreffende Grote Onderhoud Service het geheugen van de indicatie terug, noteert de onderhoudsbeurt in het serviceplan, Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

19 18 Instrumenten en controlelampjes brengt de sticker met de aantekening voor de volgende onderhoudsbeurt aan op de zijkant van het dashboard aan bestuurderszijde. De service-intervalindicaties kunnen ook met knop A5 bladzijde 15, afb. 15 worden teruggezet. Bij wagens met een informatiedisplay kan deze weergave in het menu Settings (Instellingen) bladzijde 24 worden opgeroepen. De tijd mag om veiligheidsredenen niet tijdens het rijden, maar alleen bij stilstaande wagen worden ingesteld! Schakeladvies Voorzichtig! Wij adviseren het terugzetten niet zelf uit te voeren, omdat dit tot een verkeerde instelling van de service-intervalindicatie en daardoor ook tot storingen in de wagen kan leiden. De indicatie nooit tussen de service-intervallen in terugzetten, omdat er anders verkeerde gegevens worden weergegeven. Wanneer de accuklemmen worden losgemaakt, blijven de waarden van de service-intervalindicatie behouden. Als het instrumentenpaneel na een reparatie wordt vervangen, moeten in de teller voor de service-intervalindicatie de juiste waarden worden ingevoerd. Deze werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door een specialist. Na het terugzetten van de indicatie met variabele onderhoudsintervallen (QG1) worden de gegevens net als bij wagens met vaste onderhoudsintervallen (QG2) weergegeven. Om deze reden adviseren wij de service-intervalindicatie alleen te laten terugzetten door een geautoriseerde specialist, die het terugzetten uitvoert met behulp van een wagensysteemtester. Voor meer informatie over de onderhoudsintervallen, zie de brochure Serviceplan. Digitale klok De klok stelt u met draaiknop A5 in bladzijde 15, afb. 15. Door aan knop A5 te draaien kiest u de aanduiding die u wilt veranderen en door de knop in te drukken voert u de wijziging van de gekozen aanduiding uit. Bij wagens die met een informatiedisplay zijn uitgerust, kan de klok worden ingesteld in het menu Time (Tijd) bladzijde 24. Op het display in het instrumentenpaneel wordt informatie over de ingeschakelde versnelling A afb. 17 weergegeven. Om een zo laag mogelijk brandstofverbruik te bereiken, wordt op het display advies gegeven voor het inschakelen van een andere versnelling. Als het regelapparaat herkent dat het gunstig is om van versnelling te veranderen, wordt op het display een pijl AB weergegeven. De pijl wijst omhoog of omlaag, afhankelijk van het advies om op of terug te schakelen. Tegelijkertijd wordt in plaats van de momenteel ingeschakelde versnelling A de aanbevolen versnelling getoond. Multifunctie-indicatie (boordcomputer) Inleiding Afb. 17 Schakeladvies De multifunctie-indicatie wordt afhankelijk van de uitvoering van de wagen op het display bladzijde 19, afb. 18 of op het informatiedisplay weergegeven bladzijde 22. De multifunctie-indicatie biedt een reeks nuttige informatie:

20 Instrumenten en controlelampjes 19 Buitentemperatuur bladzijde 20 Rijtijd bladzijde 20 Momenteel brandstofverbruik bladzijde 21 Gemiddeld brandstofverbruik bladzijde 21 Actieradius bladzijde 21 Afgelegde afstand bladzijde 21 Gemiddelde snelheid bladzijde 21 Actuele snelheid bladzijde 21 Olietemperatuur bladzijde 21 Snelheidswaarschuwing bladzijde 21 Bij wagens die met een informatiedisplay zijn uitgerust, is het mogelijk de weergave van enkele gegevens uit te schakelen. Bij bepaalde landuitvoeringen geschiedt de weergave in het Engelse maatstelsel. Als de weergave van de tweede snelheid in mph wordt geactiveerd, wordt de actuele snelheid in km/h op het display niet weergegeven. Geheugen De multifunctie-indicatie is uitgerust met twee automatisch werkende geheugens. In het midden van het displayveld wordt het geselecteerde geheugen weergegeven afb. 18. De gegevens van het ritgeheugen (geheugen 1) worden weergegeven als op het display een 1 verschijnt. Als er een 2 verschijnt, worden de gegevens van het reisgeheugen (geheugen 2) weergegeven. Het omschakelen van het geheugen gebeurt met toets AB bladzijde 20, afb. 19 op de ruitenwisserhendel of met toets AD op het bladzijde 20, afb. 19 multifunctiestuurwiel. Ritgeheugen (geheugen 1) Het ritgeheugen verzamelt de rij-informatie vanaf het inschakelen tot aan het uitschakelen van het contact. Als de rit binnen 2 uur na het uitschakelen van het contact wordt voortgezet, worden de nieuw toegevoegde waarden meegenomen in de berekening van de actuele rij-informatie. Bij een onderbreking van de rit van meer dan 2 uur wordt het geheugen automatisch gewist. Reisgeheugen (geheugen 2) Het reisgeheugen verzamelt de ritgegevens van een willekeurig aantal individuele ritten tot in totaal 19 uur en 59 minuten rijtijd of km gereden kilometers. 99 uur en 59 minuten rijtijd of een traject van km bij wagens met een informatiedisplay. Als een van de genoemde waarden wordt overschreden, wordt het geheugen gewist en begint de berekening opnieuw. Het reisgeheugen wordt in tegenstelling tot het ritgeheugen niet na een onderbreking van meer dan 2 uur gewist. Als de accuklemmen worden losgemaakt, worden alle waarden in de geheugens 1 en 2 gewist. Afb. 18 Multifunctie-indicatie Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

21 20 Instrumenten en controlelampjes Bediening met de toetsen op de ruitenwisserhendel en op het multifunctiestuurwiel Met toets AB op de ruitenwisserhendel of toets AD op het multifunctiestuurwiel worden de volgende waarden van het geselecteerde geheugen op nul gezet: gemiddeld brandstofverbruik, afgelegde afstand, gemiddelde snelheid, rijtijd. De multifunctie-indicatie kan alleen worden bediend bij ingeschakeld contact. Na het inschakelen van het contact wordt de functie weergegeven die voor het uitschakelen als laatste werd gekozen. Buitentemperatuur Afb. 19 Multifunctie-indicatie: Bedieningselementen op de ruitenwisserhendel / bedieningselementen op het multifunctiestuurwiel Tuimelschakelaar A en toets AB bevinden zich op de ruitenwisserhendel afb. 19. Het omschakelen en terugzetten op het multifunctiestuurwiel vindt plaats met kartelwiel AD. Geheugen kiezen Door het kort aantippen van toets AB op de ruitenwisserhendel of door kort aantippen van toets AD op het multifunctiestuurwiel wordt het gewenste geheugen geselecteerd. Functies met behulp van de ruitenwisserhendel selecteren Tuimelschakelaar A aan de boven- of onderzijde langer dan 0,5 seconden indrukken. Daardoor worden na elkaar de afzonderlijke functies van de multifunctie-indicatie opgeroepen. Functies met behulp van het multifunctiestuurwiel selecteren Het menu van de multifunctie-indicatie wordt opgeroepen door op toets AC te drukken. Het kartelwiel AD naar boven of naar beneden draaien. Hiermee worden de verschillende functies van de multifunctie-indicatie na elkaar opgeroepen. De buitentemperatuur wordt bij ingeschakeld contact op het display weergegeven. Als de buitentemperatuur tot beneden +4 C daalt, verschijnt een sneeuwvloksymbool voor de temperatuurweergave (waarschuwingssignaal gladheid) en klinkt er een waarschuwingssignaal. Na het indrukken van tuimelschakelaar A op de ruitenwisserhendel afb. 19 resp. toets AC op het multifunctiestuurwiel afb. 19 wordt de functie getoond die het laatst werd weergegeven. Ga er niet alleen op basis van de buitentemperatuurmeter van uit dat het op de weg niet glad is. Denk eraan dat ook bij buitentemperaturen van rond +4 C gladheid kan optreden - waarschuwing voor gladheid! Rijtijd Op het display verschijnt de rijtijd die is verstreken sinds het geheugen voor het laatst is gewist. Als u de rijtijd vanaf een bepaald tijdstip wilt meten, moet u op dat tijdstip het geheugen wissen door toets AB op de ruitenwisserhendel afb. 19 of het kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel afb. 19 langer dan 1 seconde ingedrukt te houden. De hoogste waarde die kan worden weergegeven bedraagt voor beide geheugens 19 uur en 59 minuten. 99 uur en 59 minuten bij wagens met een informatiedisplay. Als deze waarde wordt overschreden, start de weergave weer vanaf nul. Functie op nul zetten Het gewenste geheugen selecteren. Toets AB of toets AD langer dan 1 seconde indrukken.

22 Instrumenten en controlelampjes 21 Actueel brandstofverbruik Op het display wordt het actuele brandstofverbruik in l/100 km aangegeven. Met behulp van de afgelezen gegevens kunt u uw rijgedrag aanpassen aan het gewenste verbruik. Bij een stilstaande of langzaam rijdende wagen wordt het brandstofverbruik weergegeven in l/h. Tijdens het rijden wordt de weergegeven waarde elke 0,5 seconden geactualiseerd. Gemiddeld brandstofverbruik Op het display wordt het gemiddelde brandstofverbruik in l/100 km sinds de laatste keer wissen van het geheugen weergegeven bladzijde 19. Met behulp van de afgelezen gegevens kunt u uw rijgedrag aanpassen aan het gewenste verbruik. Als u het gemiddelde brandstofverbruik vanaf een bepaald tijdstip wilt meten, moet u op dat tijdstip het geheugen wissen met toets AB op de ruitenwisserhendel bladzijde 20, afb. 19 of kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel bladzijde 20, afb. 19. Na het wissen verschijnen op het display gedurende de eerste 100 m streepjes. Tijdens het rijden wordt de weergegeven waarde elke 5 seconden geactualiseerd. De verbruikte hoeveelheid brandstof wordt niet weergegeven. Actieradius Op het display wordt de geschatte actieradius in kilometers aangegeven. Deze geeft aan welke afstand uw wagen met de huidige tankvulling en bij dezelfde rijstijl nog kan afleggen. De weergave vindt plaats in stappen van 10 km. Als het controlelampje voor de brandstofreserve gaat branden, verandert de weergave in stappen van 5 km. Bij het berekenen van de actieradius wordt het brandstofverbruik gedurende de laatste 50 km als basis genomen. Als u zuiniger rijdt, neemt de actieradius toe. Als het geheugen is gewist (na het losmaken van de accuklemmen), wordt voor de actieradius uitgegaan van een brandstofverbruik van 10 l/100 km; daarna vindt een aanpassing plaats overeenkomstig uw rijstijl. Afgelegde afstand Op het display verschijnt de afgelegde afstand sinds het geheugen voor het laatst is gewist bladzijde 19. Als u de afgelegde afstand vanaf een bepaald tijdstip wilt meten, moet u op dat tijdstip het geheugen wissen met toets AB bladzijde 20, afb. 19 op de ruitenwisserhendel of kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel bladzijde 20, afb. 19. De maximaal weer te geven waarde voor beide geheugens is km, resp km bij wagens met informatiedisplay. Als deze waarde wordt overschreden, start de weergave weer vanaf nul. Gemiddelde snelheid Op het display wordt de gemiddelde snelheid in km/h sinds de laatste keer wissen van het geheugen weergegeven bladzijde 19. Als u de gemiddelde snelheid vanaf een bepaald tijdstip wilt meten, moet u bij het begin van de meting het geheugen op nul zetten met toets AB op de ruitenwisserhendel bladzijde 20, afb. 19 of kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel bladzijde 20, afb. 19. Na het wissen verschijnen op het display gedurende de eerste ca. 300 m streepjes. Tijdens het rijden wordt de weergegeven waarde elke 5 seconden geactualiseerd. Actuele snelheid Op het display wordt de actuele snelheid aangegeven, die identiek is aan de weergave van de snelheidsmeter A2 bladzijde 15, afb. 15. Olietemperatuur Als de olietemperatuur lager is dan 50 C of als in het systeem voor het controleren van de olietemperatuur een storing aanwezig is, worden in plaats van de olietemperatuur drie streepjes aangegeven. Snelheidswaarschuwing Snelheidslimiet bij stilstaande wagen instellen Met toets A op de ruitenwisserhendel bladzijde 20, afb. 19 of met het kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel bladzijde 20, afb. 19 het menupunt Waarschuwing bij snelheidsoverschrijding selecteren. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

23 22 Instrumenten en controlelampjes Met toets AB op de ruitenwisserhendel of met het kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel kunt u de mogelijkheid voor het instellen van de snelheidslimiet activeren (waarde knippert). Met toets A op de ruitenwisserhendel of met het kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel de gewenste snelheidslimiet instellen, bijvoorbeeld 50 km/h. Met toets AB op de ruitenwisserhendel of met het kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel de gewenste snelheidslimiet bevestigen of 5 seconden wachten, de instelling wordt automatisch opgeslagen (de waarde knippert niet meer). Zo kan de snelheidslimiet in stappen van 5 km/h worden ingesteld. Snelheidslimiet bij rijdende wagen instellen Met toets A op de ruitenwisserhendel of met het kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel het menupunt Waarschuwing bij snelheidsoverschrijding selecteren. Met de gewenste snelheid gaan rijden, bijvoorbeeld 50 km/h. Met toets AB op de ruitenwisserhendel of met het kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel kunt u de actuele snelheid als snelheidslimiet overnemen (waarde knippert). Als u de ingestelde snelheidslimiet wilt wijzigen, gebeurt dit in stappen van 5 km/h (bijvoorbeeld de overgenomen snelheid 47 km/h wordt verhoogd naar 50 km/h resp. verlaagd naar 45 km/h). Met toets AB op de ruitenwisserhendel of met het kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel de gewenste snelheidslimiet bevestigen of 5 seconden wachten, de instelling wordt automatisch opgeslagen (de waarde knippert niet meer). Snelheidslimiet wijzigen of wissen Met toets A op de ruitenwisserhendel of met het kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel het menupunt Waarschuwing bij snelheidsoverschrijding selecteren. De snelheidlimiet kan worden gewist door op toets AB op de ruitenwisserhendel of het kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel te drukken. Meerdere malen op toets AB op de ruitenwisserhendel of het kartelwiel AD op het multifunctiestuurwiel drukken en de mogelijkheid tot het wijzigen van de snelheidslimiet wordt geactiveerd. Als de ingestelde snelheidslimiet wordt overschreden, klinkt een akoestisch waarschuwingsignaal. Tegelijkertijd verschijnt op het display de melding Waarschuwing bij snelheidsoverschrijding met de waarde van de ingestelde limiet. De ingestelde snelheidslimiet blijft ook na het uitschakelen van het contact opgeslagen. Houd uw aandacht in de eerste plaats bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de volledige verantwoordelijkheid voor een veilig verkeersgedrag. MAXI DOT-display (informatiedisplay) Inleiding Het informatiedisplay informeert u op comfortabele manier over de actuele bedrijfstoestand van uw wagen. Bovendien toont het informatiedisplay (afhankelijk van de uitvoering van de wagen) informatie van de radio, telefoon, multifunctie-indicatie, het radionavigatiesysteem, een op de MDI-ingang aangesloten apparaat en de automatische versnellingsbak. Bij ingeschakeld contact en tijdens het rijden worden in de wagen altijd bepaalde functies en toestanden gecontroleerd. Functiestoringen, eventueel noodzakelijke reparaties en andere informatie wordt door rode symbolen bladzijde 24 en gele symbolen bladzijde 24 aangegeven. Het verschijnen van sommige symbolen gaat gepaard met een akoestisch waarschuwingssignaal. Bovendien worden er op het display informatie- en waarschuwingsteksten weergegeven bladzijde 26. Op het display kunnen (afhankelijk van de uitvoering van de wagen) de volgende gegevens worden weergegeven: Hoofdmenu bladzijde 23 Waarschuwing portier, bagageruimte en motorkap bladzijde 23 Service-intervalindicatie bladzijde 17 Keuzehendelstand van de automatische versnellingsbak bladzijde 116

24 Instrumenten en controlelampjes 23 Hoofdmenu Afb. 20 Informatiedisplay: Bedieningselementen op de ruitenwisserhendel / bedieningselementen op het multifunctiestuurwiel Bediening met de toetsen op de ruitenwisserhendel Het Main menu (Hoofdmenu) wordt geactiveerd als tuimelschakelaar A afb. 20 langer dan 1 seconde wordt ingedrukt. Met behulp van tuimelschakelaar A kunnen de afzonderlijke menu's worden geselecteerd. Na het kort aantippen van toets AB wordt de geselecteerde informatie aangegeven. Bediening met de toetsen op het multifunctiestuurwiel Het Main menu (Hoofdmenu) wordt geactiveerd als tuimelschakelaar A afb. 20 langer dan 1 seconde wordt ingedrukt. Door kort op toets AC te drukken, komt u een niveau hoger. Door aan het kartelwiel AD te draaien, kunnen de afzonderlijke menu's worden geselecteerd. Na het kort aantippen van kartelwiel AD wordt het geselecteerde menu aangegeven. U kunt (afhankelijk van de uitvoering van de wagen) de volgende gegevens selecteren: MFD (MFA) bladzijde 18 Audio (Audio) Navigation (Navigatie) Phone (Telefoon) bladzijde 124 Aux. heating (Interieurvoorverwarming) bladzijde 102 Assistants (Hulpsyst.) bladzijde 52 Vehicle status (Wagenstatus) bladzijde 24 Settings (Instellingen) bladzijde 24 Het menupunt Audio (Audio) wordt alleen weergegeven als de af fabriek ingebouwde autoradio is ingeschakeld. Het menupunt Navigation (Navigatie) wordt alleen weergegeven als het af fabriek ingebouwde radionavigatiesysteem is ingeschakeld. Het menupunt Aux. heating (Interieurvoorverwarming) wordt alleen weergegeven als de wagen af fabriek met een interieurvoorverwarming is uitgerust. Het menupunt Assistants (Hulpsyst.) wordt alleen weergegeven als de wagen met bochtenverlichting is uitgerust. Als op het informatiedisplay waarschuwingsmeldingen worden weergegeven, moeten deze meldingen met toets AB op de ruitenwisserhendel resp. met toets AD op het multifunctiestuurwiel worden bevestigd om het hoofdmenu op te roepen. Als het informatiedisplay niet wordt bediend, schakelt het menu na 10 seconden altijd over naar een van de hogere niveaus. De bediening van de af fabriek ingebouwde autoradio resp. het radionavigatiesysteem wordt in een afzonderlijke instructieboekje beschreven, dat bij de wagendocumentatie is gevoegd. Waarschuwing portier, bagageruimte en motorkap De waarschuwing voor portier, achterklep en motorkap verschijnt als ten minste één portier, de achterklep of de motorkap niet gesloten is. Het symbool geeft aan welk portier resp. dat de achterklep of motorkap niet gesloten is. Het symbool verdwijnt zodra de portieren, achterklep en motorkap volledig gesloten zijn. Bij geopend portier, achterklep en motorkap en een snelheid van meer dan 6 km/h klinkt er een waarschuwingssignaal. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

25 24 Instrumenten en controlelampjes Auto-Check-Control Wagentoestand De Auto-Check-Control controleert de toestand van bepaalde functies en componenten van de wagen. De controle vindt bij ingeschakeld contact continu plaats, zowel bij stilstaande wagen als tijdens het rijden. Enkele functiestoringen, dringend noodzakelijke reparaties, onderhoudswerkzaamheden of andere gegevens worden op het display in het instrumentenpaneel aangegeven. Deze informatie wordt, afhankelijk van de prioriteit, met rode en gele lichtsymbolen aangegeven. De rode symbolen duiden op een gevaar (prioriteit 1), terwijl de gele een waarschuwing (prioriteit 2) aangeven. Daarnaast verschijnen in aanvulling op de symbolen aanwijzingen voor de bestuurder bladzijde 26. Als in het menu het punt Vehicle status (Wagenstatus) wordt aangegeven, is ten minste een storingsmelding aanwezig. Na het selecteren van dit menu word de eerste storingsmelding aangegeven. Als meerdere storingsmeldingen aanwezig zijn, verschijnt op het display onder de melding bijvoorbeeld 1/3. Dat betekent dat de eerste van in totaal drie meldingen wordt aangegeven. De aangegeven storingsmeldingen zo snel mogelijk controleren. Zolang de functiestoringen niet zijn verholpen, worden de symbolen telkens weer aangegeven. Na de eerste weergave worden de symbolen zonder aanwijzingen voor de bestuurder aangegeven. Als een storing optreedt, klinkt naast het aangeven van het symbool en de tekst ook een waarschuwingssignaal: Prioriteit 1 - drie waarschuwingstonen Prioriteit 2 - een waarschuwingstoon Rode symbolen Een rood symbool duidt op een gevaar. De wagen tot stilstand brengen. De motor afzetten. De aangegeven functie controleren. Indien nodig de hulp inroepen van een specialist. Betekenis van rode symbolen: Motoroliedruk te laag bladzijde 30 Als een rood symbool verschijnt, klinken drie opeenvolgende waarschuwingstonen. Gele symbolen Een geel symbool duidt op een waarschuwing. De desbetreffende functie zo snel mogelijk controleren. Betekenis van gele symbolen: Als een geel symbool verschijnt, klinkt in sommige landen ook een waarschuwingstoon. Als meerdere functiestoringen van prioriteit 2 aanwezig zijn, verschijnen de symbolen achter elkaar gedurende telkens circa 5 seconden. Instellingen Oververhitte koppelingen van de automatische versnellingsbak DSG Motoroliepeil controleren, motoroliesensor defect Probleem met de motoroliedruk bladzijde 34 bladzijde 3 4 De wagen direct door een specialist laten controleren. Samen met dit symbool wordt informatie over het maximaal toelaatbare motortoerental weergegeven. U kunt via het informatiedisplay bepaalde instellingen zelf wijzigen. De actuele instelling wordt op het informatiedisplay in het betreffende menu boven onder de streep aangegeven. U kunt (afhankelijk van de uitvoering van de wagen) de volgende gegevens selecteren: Language (Taal/Language) MFD Data (MFA-data) Convenience (Comfort) Lights & Vision (Licht & Zicht)

26 Instrumenten en controlelampjes 25 Time (Tijd) Winter tyres (Winterbanden) Units (Eenheden) Assistants (Hulpsyst.) Alt. speed dis. (2e snelheid) Service interval (Servicebeurt) Factory setting (Fabrieksinst.) Back (Terug) Na het selecteren van het menupunt Back (Terug) komt u een niveau hoger in het menu. Taal Hier kunt u instellen, in welke taal de waarschuwings- en informatieteksten moeten worden aangegeven. Weergaven van de multifunctie-indicatie Hier kunt u enkele weergaven van de multifunctie-indicatie in- resp. uitschakelen. Comfort Hier kunt u de volgende functies inschakelen, uitschakelen of instellen: Rain closing (Regensluiting) ATA confirm (Bev. alarm) Central locking (Centrale vergr.) Window op. (Ruitbediening) In-/uitschakelen van de functie automatisch sluiten van de ruiten en het schuif-kanteldak bij regen bij een vergrendelde wagen a). Als het niet regent en de functie is ingesteld, worden de ruiten inclusief het schuif-kanteldak automatisch na ca. 12 uur gesloten. In-/uitschakelen van de akoestische signalering van de activering van het alarmsysteem. In-/uitschakelen van de functie afzonderlijke portierontgrendeling en automatisch sluiten. Hier kunt u de comfortbediening voor alleen de ruit aan bestuurderszijde of voor alle ruiten instellen. Mirror down (Spglkanteling) Mirror adjust. (Spiegelverst.) Factory setting (Fabrieksinst.) In-/uitschakelen van de functie spiegelkanteling aan bijrijderszijde bij het inschakelen van de achteruitversnelling b). In-/uitschakelen van de functie gelijktijdige buitenspiegelverstelling links en rechts. Fabrieksinstelling voor comfort herstellen. a) Deze functie is alleen aanwezig bij wagens met regensensor aanwezig. b) Deze functie is alleen aanwezig bij wagens met elektrische verstelbare bestuurdersstoel. Licht en zicht Hier kunt u de volgende functies inschakelen, uitschakelen of instellen: Coming Home (Coming Home) Leaving Home (Leaving Home) Dayl. dri. light (Dagrijverl.) Lane ch. flash (Comf. knip.) Rear wiper (A. ruitwisser) Travel mode (Reismodus) Factory setting (Fabrieksinst.) In-/uitschakelen en instelling van de brandduur van de functie Coming Home. In-/uitschakelen en instelling van de brandduur van de functie Leaving Home. In-/uitschakelen van de functie DAY LIGHT. In-/uitschakelen van de functie comfortknipperen. In-/uitschakelen van de functie automatisch wissen van de achterruit. In-/uitschakelen van de functie reismodus. Fabrieksinstelling van de verlichting herstellen. Tijd Hier kunt u de tijd, het tijdformaat (12- resp. 24-uursaanduiding) en de omschakeling tussen zomer- en wintertijd instellen. Winterbanden Hier kunt u instellen bij welke snelheid een waarschuwingstoon moet klinken. Deze functie kunt u bijvoorbeeld gebruiken bij winterbanden, waarbij de toegestane maximumsnelheid lager is dan de maximumsnelheid van de wagen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

27 26 Instrumenten en controlelampjes Bij het overschrijden van de snelheid verschijnt er op het informatiedisplay: Winter tyres max. speed... km/h (Winterbanden maximaal... km/h) Eenheden Hier kunt u de eenheden voor temperatuur, verbruik en afgelegde afstand instellen. Hulpsystemen Hier kunt u de geluiden van de akoestische signalen van de parkeerhulp aanpassen. Servicebeurt Hier kunt u het resterende aantal kilometers en dagen tot de volgende servicetermijn oproepen en de service-intervalindicatie terugzetten. Fabrieksinst. Na het selecteren van het menu Fabrieksinst. wordt de fabrieksinstelling voor het informatiedisplay weer ingesteld. Tweede snelheid Hier kunt u de weergave van de tweede snelheid in mph resp. in km/h inschakelen 3). 3) Geldt voor landen waarin de waarden in Britse maateenheden worden aangeduid. Controlelampjes Overzicht De controlelampjes geven bepaalde functies resp. storingen aan. Afb. 21 Instrumentenpaneel met controlelampjes

28 Instrumenten en controlelampjes 27 Knipperlichten (links) bladzijde 28 Knipperlichten (rechts) bladzijde 28 Mistlampen bladzijde 28 Grootlicht bladzijde 28 Dimlicht bladzijde 28 Mistachterlicht bladzijde 28 Snelheidsregelsysteem bladzijde 28 Defecte gloeilamp bladzijde 28 Roetfilter (dieselmotor) bladzijde 28 Airbagsysteem bladzijde 29 Uitlaatgascontrolesysteem bladzijde 29 Elektromechanische stuurbekrachtiging bladzijde 29 Motoroliedruk bladzijde 30 Controle van de motorelektronica (benzinemotor) bladzijde 30 Voorgloeisysteem (dieselmotor) bladzijde 30 Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil bladzijde 30 Aandrijfslipregeling (ASR) bladzijde 31 Elektronisch stabiliseringsprogramma (ESP) bladzijde 31 Aandrijfslipregeling (ASR) uitschakelen bladzijde 31 Keuzehendelvergrendeling bladzijde 32 Bandenspanningswaarden bladzijde 32 Antiblokkeersysteem (ABS) bladzijde 32 Motorkap bladzijde 32 Gordelwaarschuwingslampje bladzijde 33 Achterklep bladzijde 33 Geopend portier bladzijde 33 Vloeistofpeil in de ruitensproeierinstallatie bladzijde 33 Remsysteem bladzijde 33 Handrem bladzijde 34 Dynamo bladzijde 34 Motoroliepeil bladzijde 34 Brandstofreserve bladzijde 34 Als brandende controlelampjes en de bijbehorende meldingen en waarschuwingsaanwijzingen worden genegeerd, kan dit leiden tot ernstig lichamelijk letsel of ernstige schade aan de wagen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

29 28 Instrumenten en controlelampjes Vervolg De motorruimte van de wagen is een gevaarlijke omgeving. Bij werkzaamheden in de motorruimte, bijvoorbeeld het controleren en bijvullen van bedrijfsvloeistoffen, kunnen letsel, verbrandingen, ongevallen en brand ontstaan. Let op de volgende waarschuwingsaanwijzingen bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte. De plaatsing van de controlelampjes is afhankelijk van het motortype. De afgebeelde symbolen in de hiernavolgende beschrijving kunt u terugvinden als controlelampje in het instrumentenpaneel. Storingen worden in het instrumentenpaneel als rode symbolen (prioriteit 1 - gevaar) of gele symbolen (prioriteit 2 - waarschuwing) aangegeven. Knipperlichten Afhankelijk van de stand van de knipperlichtschakelaar knippert het linker of rechter controlelampje. Als een gloeilamp van een knipperlicht defect is, knippert het controlelampje ongeveer twee keer zo snel. Dit geldt niet bij aanhangwagengebruik. Bij ingeschakelde alarmlichten knipperen alle knipperlichten alsmede de beide controlelampjes. Verdere aanwijzingen voor de knipperlichten bladzijde 56. Mistlampen Het controlelampje brandt bij ingeschakelde mistlampen bladzijde 54. Grootlicht Het controlelampje brandt bij ingeschakeld grootlicht of bij een grootlichtsignaal. Verdere aanwijzingen voor het grootlicht bladzijde 56. Dimlicht Het controlelampje brandt bij ingeschakeld dimlicht bladzijde 50. Mistachterlicht Het controlelampje brandt bij ingeschakeld mistachterlicht bladzijde 54. Snelheidsregelsysteem Het controlelampje brandt als het snelheidsregelsysteem actief is. Defecte lamp Het controlelampje brandt bij een defecte gloeilamp: tot 2 seconden na het inschakelen van het contact, bij het inschakelen van de defecte gloeilamp. Op het informatiedisplay aangeven tekst, bijvoorbeeld: Check front right dipped beam! (Dimlicht rechtsvoor controleren!) Roetfilter (dieselmotor) Als het controlelampje gaat branden, betekent dit dat het roetfilter door het veelvuldig rijden van korte afstanden met roet is verstopt. Om het roetfilter te reinigen moet zo snel mogelijk, als de verkeerssituatie dit toelaat, gedurende minstens 15 minuten of tot het doven van het controlelampje in de 4e of 5e versnelling (automatische versnellingsbak: in keuzehendelstand S) met een snelheid van minstens 60 km/h bij een motortoerental tussen /min worden gereden. Hierdoor stijgt de uitlaatgastemperatuur en wordt het roet in het roetfilter verbrand. Hierbij altijd de geldende snelheidslimieten aanhouden. Na de succesvolle reiniging van het roetfilter dooft het controlelampje. Als het filter niet succesvol is gereinigd, dooft het controlelampje niet en begint het controlelampje te knipperen. Op het informatiedisplay wordt weergegeven Diesel-particle filter: Owner's manual! (Roetfilter: Instructieboekje!). Daarna schakelt het motorregelapparaat de motor in het noodprogramma, waarbij minder

30 Instrumenten en controlelampjes 29 motorvermogen beschikbaar is. Na het uitschakelen en weer inschakelen van het contact brandt het controlelampje. Direct een specialist opzoeken. Wanneer u het brandende controlelampje en de bijbehorende beschrijvingen en waarschuwingsaanwijzingen negeert, kan dit verwondingen of schade aan de wagen tot gevolg hebben. De snelheid altijd aan het weer, het wegdek en de terrein- en verkeersomstandigheden aanpassen. Het door het controlelampje gegeven rij-advies mag u er nooit toe verleiden de wettelijke bepalingen in het verkeer te negeren. Voorzichtig! Zolang het controlelampje brandt, moet u rekening houden met een hoger brandstofverbruik en eventueel ook verminderd motorvermogen. Meer informatie over het roetfilter bladzijde 169. Airbagsysteem Controle van het airbagsysteem Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Als het controlelampje niet dooft of tijdens het rijden gaat branden, is er sprake van een storing. Dat geldt ook als het controlelampje bij het inschakelen van het contact niet gaat branden. Op het informatiedisplay weergegeven tekst: Error: Airbag (Storing: airbag) De actieve staat van het airbagsysteem wordt elektronisch gecontroleerd, ook als een airbag buiten werking is gesteld. Als de voor-, zij- resp. hoofdairbag of gordelspanner met de wagensysteemtester buiten werking is gesteld, geldt het volgende: Het controlelampje gaat na het inschakelen van het contact gedurende 4 seconden branden en knippert vervolgens nog 12 seconden met intervallen van 2seconden. Op het informatiedisplay weergegeven tekst: Airbag/belt tensioner deactivated (Airbag/gorderspanner uitgeschakeld.) Als de airbag met de airbagschakelaar in het opbergvak aan bijrijderszijde buiten werking is gesteld, geldt het volgende: Het controlelampje gaat na het inschakelen van het contact gedurende vier seconden branden. De buiten werking gestelde airbag wordt in het middenstuk van het dashboard aangegeven door het branden van het controlelampje (airbag buiten werking gesteld) bladzijde 154. Als zich een storing voordoet, het airbagsysteem direct door een specialist laten controleren. Anders bestaat het gevaar dat de airbags bij een ongeval niet worden geactiveerd. Uitlaatgascontrolesysteem Het controlelampje gaat branden na het inschakelen van het contact. Als het controlelampje na het starten van de motor niet dooft of tijdens het rijden gaat branden, is er sprake van een storing in een uitlaatgasrelevante component. Het door de motorregeling gekozen noodprogramma stelt u in staat voorzichtig naar de dichtstbijzijnde specialist te rijden. Elektromechanische stuurbekrachtiging Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Als het controlelampje na het inschakelen van het contact of tijdens het rijden constant brandt, is er sprake van een storing in de elektromechanische stuurbekrachtiging. Als het gele controlelampje brandt, is de stuurbekrachtiging gedeeltelijk uitgevallen en kan voor het sturen meer kracht nodig zijn. Als het rode controlelampje brandt, is de stuurbekrachtiging volledig uitgevallen en is voor het sturen aanmerkelijk meer kracht nodig. Meer informatie bladzijde 167. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

31 30 Instrumenten en controlelampjes Als de stuurbekrachtiging defect is, neem dan contact op met een specialist. Als het gele controlelampje na het opnieuw starten van de motor en een korte rit dooft, hoeft geen specialist te worden opgezocht. Als de accukabels zijn losgemaakt en weer aangesloten, gaat na het inschakelen van het contact het gele controlelampje branden. Na even te hebben gereden moet het controlelampje doven. Motoroliedruk Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. 4) Als het controlelampje na het starten van de motor niet dooft of tijdens het rijden gaat knipperen, stoppen en de motor afzetten. Het oliepeil controleren en zo nodig motorolie bijvullen bladzijde 192, Motorolie bijvullen. Als extra waarschuwing klinken drie akoestische signalen. Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van motorolie niet mogelijk is, de rit niet voortzetten. De motor uit laten en de hulp inroepen van een specialist, omdat er anders zware motorschade kan ontstaan. Als het controlelampje knippert, niet verder rijden, ook al is het oliepeil in orde. De motor ook niet stationair laten draaien. De hulp van de dichtstbijzijnde specialist inroepen. Op het informatiedisplay weergegeven tekst: Oil Pressure: Engine off! Owner's manual (Oliedruk: Motor uit! Instructieboekje!) Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan op een veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlichten in. Vervolg Het rode oliedrukcontrolelampje werkt niet als oliepeilindicatie! Daarom moet het oliepeil regelmatig, bij voorkeur bij elke tankstop, worden gecontroleerd. Controle van de motorelektronica (benzinemotor) Het controlelampje (Electronic Power Control) gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Als het controlelampje na het starten van de motor niet dooft of weer gaat branden, is er sprake van een storing in de motorregeling. Het door de motorregeling gekozen noodprogramma stelt u in staat voorzichtig naar de dichtstbijzijnde specialist te rijden. Voorgloeisysteem (dieselmotor) Bij koude motor brandt het controlelampje bij het inschakelen van het contact (voorgloeistand) A2 bladzijde 106. Na het doven van het controlelampje kan de motor worden gestart. Als de motor op bedrijfstemperatuur is resp. bij buitentemperaturen boven +5 C brandt het voorgloeicontrolelampje ongeveer een seconde. Dat betekent dat de motor direct kan worden gestart. Als het controlelampje niet gaat branden of continu brandt, is een storing in het voorgloeisysteem aanwezig; zo snel mogelijk de hulp van een specialist inroepen. Begint het controlelampje tijdens het rijden te knipperen, is er een storing in de motorregeling aanwezig. Het door de motorregeling gekozen noodprogramma stelt u in staat voorzichtig naar de dichtstbijzijnde specialist te rijden. Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. 5) Als het controlelampje niet dooft of tijdens het rijden gaat knipperen, is de koelvloeistoftemperatuur te hoog of het koelvloeistofpeil te laag. 4) Bij wagens met informatiedisplay brandt het controlelampje na het inschakelen van het contact niet, maar alleen als er een storing aanwezig is of als het motoroliepeil te laag is. 5) Bij wagens met informatiedisplay brandt het controlelampje na het inschakelen van het contact niet, maar alleen als er een storing aanwezig is of als het motoroliepeil te laag is.

32 Instrumenten en controlelampjes 31 Als extra waarschuwingssignaal klinken drie akoestische signalen. In dat geval stoppen, de motor afzetten en het koelvloeistofpeil controleren; zo nodig koelvloeistof bijvullen. Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van koelvloeistof niet mogelijk is, mag de reis niet worden voortgezet. De motor uit laten en de hulp inroepen van een specialist, omdat er anders zware motorschade kan ontstaan. Als het koelvloeistofpeil binnen het voorgeschreven bereik ligt, kan een te hoge temperatuur worden veroorzaakt door een storing van de koelluchtventilator. De zekering van de koelluchtventilator controleren en zo nodig vervangen bladzijde 221, Zekeringenoverzicht in de motorruimte. Als het controlelampje niet dooft, hoewel het koelvloeistofpeil en ook de ventilatorzekering in orde zijn, de rit niet voortzetten. De hulp van een specialist inroepen. Let op de volgende aanwijzingen bladzijde 192, Koelsysteem. Op het informatiedisplay weergegeven tekst: Check coolant! Owner's manual! (Koelvloeistof controleren! Instructieboekje!) Als u om technische redenen moet stoppen, de wagen op een veilige afstand van het overige verkeer parkeren, de motor uitschakelen en de alarmknipperlichten inschakelen bladzijde 56. Voorzichtig het koelvloeistofexpansiereservoir openen. Bij een warme motor staat het koelsysteem onder druk - gevaar voor verbranding! Laat daarom voor het losdraaien van de vuldop de motor afkoelen. De koelluchtventilator niet aanraken. De koelluchtventilator kan ook bij uitgeschakeld contact vanzelf worden ingeschakeld. Aandrijfslipregeling (ASR) Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Als tijdens het rijden een regelproces plaatsvindt, gaat het controlelampje knipperen. Als in het ASR-systeem een storing aanwezig is, brandt het controlelampje continu. Omdat de ASR samenwerkt met het ABS, brandt bij het uitvallen van het ABS ook het ASR-controlelampje. Als het controlelampje direct na het starten van de motor gaat branden, kan de ASR om technische redenen uitgeschakeld zijn. In dit geval kunt u de ASR door het uit- en inschakelen van het contact opnieuw inschakelen. Wanneer het controlelampje dooft, werkt de ASR weer naar behoren. Meer informatie over de ASR bladzijde 164, Aandrijfslipregeling (ASR). Als de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, gaat na het inschakelen van het contact het controlelampje branden. Na even te hebben gereden moet het controlelampje doven. Aandrijfslipregeling (ASR) uitschakelen Door het indrukken van de toets bladzijde 164, afb. 152 wordt de ASR uitgeschakeld en gaat het ASR-controlelampje branden. Elektronisch stabiliseringsprogramma (ESP) Het controlelampje gaat bij het inschakelen van het contact enkele seconden branden. Als het ESP actief bezig is de wagen te stabiliseren, knippert het controlelampje in het instrumentenpaneel. Bij een storing in het ESP brandt het controlelampje continu. Omdat het ESP samenwerkt met het ABS, brandt bij het uitvallen van het ABS ook het ESP-controlelampje. Als het controlelampje direct na het starten van de motor gaat branden, kan het ESP om technische redenen uitgeschakeld zijn. In dit geval kunt u het ESP door het uit- en inschakelen van het contact opnieuw inschakelen. Wanneer het controlelampje dooft, werkt het ESP weer naar behoren. Meer informatie over het ESP bladzijde 163, Elektronisch stabiliseringsprogramma (ESP). Elektronisch sperdifferentieel (EDS) Het EDS is onderdeel van het ESP. Een EDS-storing wordt aangegeven door het branden van het ESP-controlelampje in het instrumentenpaneel. Hiertoe direct een specialist raadplegen. Zie voor meer informatie over het EDS bladzijde 164, Elektronisch sperdifferentieel (EDS en XDS). Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

33 32 Instrumenten en controlelampjes Als de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, gaat na het inschakelen van het contact het controlelampje branden. Na even te hebben gereden moet het controlelampje doven. Keuzehendelvergrendeling Als het groene controlelampje gaat branden, het rempedaal bedienen. Dat is nodig om de keuzehendel vanuit stand P of N te kunnen bewegen. Meer informatie over de keuzehendelvergrendeling bladzijde 119. Bandenspanning Het controlelampje gaat branden, als de bandenspanning van een van de banden aanmerkelijk is teruggelopen. De snelheid verlagen en de spanning in alle banden zo snel mogelijk controleren resp. corrigeren bladzijde 200. Als het controlelampje knippert, is er sprake van een systeemstoring. Neem contact op met een specialist en laat de storing verhelpen. Meer informatie over het bandenspanningscontrolesysteem bladzijde 168. Als het controlelampje gaat branden, moet direct de snelheid worden verlaagd en heftige stuur- en remmanoeuvres worden vermeden. Bij de eerstvolgende gelegenheid direct stoppen en de banden en bandenspanningen controleren. Onder bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld bij een sportieve rijstijl en op gladde of onverharde wegen) kan het controlelampje vertraagd of helemaal niet gaan branden. Als de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, gaat na het inschakelen van het contact het controlelampje branden. Na even te hebben gereden moet het controlelampje doven. Antiblokkeersysteem (ABS) Het controlelampje gaat na het inschakelen van het contact resp. tijdens het starten enkele seconden branden. Het lampje dooft als de automatische controleprocedure is voltooid. Storing in het ABS Als het ABS-controlelampje binnen enkele seconden na het inschakelen van het contact niet dooft, helemaal niet gaat branden of tijdens het rijden gaat branden, vertoont het systeem een storing. Voor het afremmen van de wagen wordt alleen nog het gewone remsysteem gebruikt. Direct een specialist opzoeken en uw rijstijl overeenkomstig aanpassen, omdat u niet op de hoogte bent van de exacte omvang van de schade. Meer informatie over het ABS bladzijde 166, Antiblokkeersysteem (ABS). Storing in het gehele remsysteem Als het ABS-controlelampje samen met het controlelampje voor het remsysteem gaat branden (bij niet aangetrokken handrem), is niet alleen het ABS, maar ook een ander deel van het remsysteem defect. Als het controlelampje van het remsysteem samen met het ABS-controlelampje gaat branden, direct stoppen en het remvloeistofpeil in het reservoir controleren bladzijde 195, Remvloeistof. Als het vloeistofpeil tot onder de MIN-markering is gedaald, rijd dan niet verder - gevaar voor ongevallen! De hulp inroepen van een specialist. Let bij het openen van de motorkap en het controleren van het remvloeistofpeil op de aanwijzingen bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte. Als het remvloeistofpeil in orde is, is de regelfunctie van het ABS uitgevallen. De achterwielen kunnen dan bij het remmen zeer snel blokkeren. Dit kan onder bepaalde omstandigheden tot het uitbreken van de achterkant van de wagen leiden - slipgevaar! Rijd voorzichtig naar de dichtstbijzijnde specialist en laat de storing verhelpen. Motorkap Het controlelampje brandt als de motorkap ontgrendeld is. Als tijdens het rijden de achterklep opengaat, gaat het controlelampje branden en klinkt er een akoestisch signaal. Dit controlelampje brandt ook bij uitgeschakeld contact. Het controlelampje brandt maximaal 5 minuten lang. Het controlelampje geeft de correcte werking van het ABS aan.

34 Instrumenten en controlelampjes 33 Bij wagens met informatiedisplay wordt dit controlelampje door een wagensymbool vervangen bladzijde 23. Gordelwaarschuwingslampje Het controlelampje gaat branden na het inschakelen van het contact, als herinnering dat de bestuurder resp. bijrijder de veiligheidsgordel moet omgespen. Het controlelampje dooft pas als de bestuurder de veiligheidsgordel heeft omgedaan. Als de bestuurder resp. bijrijder de veiligheidsgordel niet heeft omgegespt, klinkt bij wagensnelheden boven 20 km/h een continue waarschuwingstoon en knippert tegelijkertijd het controlelampje. Indien de bestuurder de veiligheidsgordel niet binnen 90 seconden omdoet, wordt de waarschuwingstoon uitgeschakeld en blijft het controlelampje continu branden. Meer informatie over de veiligheidsgordels bladzijde 143, Veiligheidsgordels. Achterklep Het controlelampje gaat branden als het contact is ingeschakeld en de achterklep geopend is. Als tijdens het rijden de achterklep opengaat, gaat het controlelampje branden en klinkt er een akoestisch signaal. Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal. Dit controlelampje brandt ook bij uitgeschakeld contact. Het controlelampje brandt maximaal 5 minuten lang. Bij wagens met informatiedisplay wordt dit controlelampje door een wagensymbool vervangen bladzijde 23. Portier open Het controlelampje brandt als een of meer portieren geopend zijn. Als tijdens het rijden een portier wordt geopend, gaat het controlelampje branden en klinkt er een akoestisch signaal. Dit controlelampje brandt ook bij uitgeschakeld contact. Het controlelampje brandt maximaal 5 minuten lang. Bij wagens met informatiedisplay wordt dit controlelampje door een wagensymbool vervangen bladzijde 23. Vloeistofpeil in de ruitensproeierinstallatie Het controlelampje gaat branden bij ingeschakeld contact als het vloeistofpeil in de ruitensproeierinstallatie te laag is. Vloeistof bijvullen bladzijde 199. Op het informatiedisplay weergegeven tekst: Top up wash fluid! (Sproeiervloeistof bijvullen!) Remsysteem Het controlelampje brandt bij een laag remvloeistofpeil of een storing van het ABS. Als het controlelampje knippert en er drie akoestische signalen klinken, stoppen en het remvloeistofpeil controleren. Op het informatiedisplay weergegeven tekst: Brake fluid: Owner's manual (Remvloeistof: Instructieboekje!) Bij een ABS-storing die ook de werking van het remsysteem beïnvloedt (bijvoorbeeld de remdrukverdeling), gaat het ABS-controlelampje branden en begint tegelijkertijd het controlelampje voor het remsysteem te knipperen. Vermoedelijk is niet alleen het ABS, maar ook een ander deel van het remsysteem defect. Als extra waarschuwing klinken drie akoestische signalen. Op weg naar de dichtstbijzijnde specialist moet rekening worden gehouden met een hogere rempedaaldruk, een langere remweg en een grotere vrije slag van het rempedaal. Meer informatie over het remsysteem bladzijde 165, Remmen. Let bij het openen van de motorkap en het controleren van het remvloeistofpeil op de aanwijzingen bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte. Als het controlelampje voor het remsysteem enkele seconden na het inschakelen van het contact niet dooft of tijdens het rijden gaat branden, direct stoppen en het remvloeistofpeil in het reservoir controleren bladzijde 195. Als het vloeistofpeil tot onder de MIN-markering is gedaald, rijd dan niet verder - gevaar voor ongevallen! De hulp inroepen van een specialist. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

35 34 Instrumenten en controlelampjes Handrem Het controlelampje brandt ook bij aangetrokken handrem. Bovendien wordt een akoestische waarschuwing gegeven, als u met de wagen minstens 3 seconden met een snelheid van meer dan 6 km/h hebt gereden. Op het informatiedisplay weergegeven tekst: Release parking brake! (Parkeerrem loszetten!) Dynamo Het controlelampje gaat branden na het inschakelen van het contact. Het lampje moet doven na het starten van de motor. Als het controlelampje na het starten van de motor niet dooft of tijdens het rijden gaat branden, moet u naar de dichtstbijzijnde specialist gaan. Omdat daarbij de accu wordt ontladen, moet u alle niet beslist noodzakelijke stroomverbruikers uitschakelen. Voorzichtig! Als tijdens het rijden behalve het controlelampje ook het controlelampje (koelsysteemstoring) op het display gaat branden, moet u direct stoppen en de motor afzetten - gevaar voor motorschade! Motoroliepeil Controlelampje brandt Als het controlelampje brandt, is waarschijnlijk het oliepeil te laag. Het oliepeil zo snel mogelijk controleren resp. motorolie bijvullen bladzijde 192, Motorolie bijvullen. Als extra waarschuwingssignaal klinkt een akoestisch signaal. Op het informatiedisplay weergegeven tekst: Check oil level! (Oliepeil controleren!) Als de motorkap langer dan 30 seconden geopend blijft, dooft het controlelampje. Als er geen motorolie wordt bijgevuld, gaat het controlelampje na circa 100 km weer branden. Controlelampje knippert Als er een storing aan de motoroliepeilsensor optreedt, wordt dit na het inschakelen van het contact bovendien aangegeven door een akoestisch signaal en het meerdere malen gaan branden van het controlelampje. De motor direct door een specialist laten controleren. Op het informatiedisplay weergegeven tekst: Oil sensor Workshop! (Oliesensor: Werkplaats!) Brandstofreserve Het controlelampje gaat branden als de brandstofvoorraad in de tank minder dan 9 liter is. Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal. Op het informatiedisplay weergegeven tekst: Please refuel! Range...km (Tanken a.u.b.! Actieradius:...km) De tekst op het informatiedisplay dooft pas als er is getankt en een kort stuk is gereden. Temperatuur van de koppelingen van de automatische versnellingsbak DSG Als de temperatuur van de koppelingen van de automatische versnellingsbak DSG te hoog is, wordt op het informatiedisplay het symbool en de waarschuwingstekst weergegeven: Gearbox overheated. Stop! Owner's man.! (Versnellingsbak oververhit. Stop! Instructieboekje!). Als waarschuwing klinkt bovendien een akoestisch signaal. Als om technische redenen moet worden gestopt, parkeer de wagen dan op een veilige afstand van het verkeer, zet de motor af en schakel de alarmlichten in.

36 Instrumenten en controlelampjes 35 Voorzichtig! Als de koppelingen van de automatische versnellingsbak oververhit zijn, stoppen en de motor afzetten. Wachten tot het symbool met de waarschuwingstekst verdwijnt - gevaar voor schade aan de versnellingsbak! Na het verdwijnen van het symbool en de waarschuwingstekst kunt u de rit voortzetten. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

37 36 Openen en sluiten Openen en sluiten Sleutels Omschrijving Bij verlies van een sleutel contact opnemen met een geautoriseerde Škoda Servicepartner, die voor een vervangende sleutel kan zorgen. Batterij in de sleutel met radiografische afstandsbediening vervangen Afb. 22 Sleutelset zonder afstandsbediening / sleutel met afstandsbediening Met de wagen worden twee sleutels meegeleverd. Afhankelijk van de uitrusting kan de wagen voorzien zijn van sleutels zonder radiografische afstandsbediening afb links, of met radiografische afstandsbediening afb rechts. Als u de wagen verlaat - ook al is het maar voor even - altijd de sleutel uit het contactslot verwijderen. Dat geldt vooral als er kinderen in de wagen achterblijven. De kinderen zouden anders de motor kunnen starten of elektrische systemen (bijv. elektrisch bediende ruiten) kunnen bedienen - gevaar voor ongevallen! De contactsleutel pas uit het contactslot verwijderen als de wagen tot stilstand is gekomen! Het stuurslot zou anders ongewild kunnen vergrendelen - gevaar voor ongevallen! Voorzichtig! Elke sleutel bevat elektronische componenten; u dient de sleutels dan ook tegen vocht en harde schokken te beschermen. De groef in de sleutel absoluut schoon houden, omdat verontreinigingen (textielvezels, stof en dergelijke) de werking van de slotcilinder en van het contactslot negatief kunnen beïnvloeden. Afb. 23 Sleutel met radiografische afstandsbediening - Deksel verwijderen / batterij uitnemen Elke radiografische afstandsbediening heeft een batterij, die onder deksel AB is aangebracht afb. 23. Als de batterij leeg is, knippert na het indrukken van een toets op de afstandsbediening het rode controlelampje A niet afb. 22. Wij raden u aan de batterij van de afstandsbediening door een geautoriseerde Škoda Servicepartner te laten vervangen. Als u de lege batterij echter zelf wilt vervangen, als volgt te werk gaan: De sleutel uitklappen. Het deksel op de plaatsen van de pijlen A1 met de duim of met een platte schroevendraaier loswippen en verwijderen afb. 23. De batterij op de plaats van de pijl A2 omlaagdrukken en de lege batterij uit de sleutel nemen afb. 23. De nieuwe batterij aanbrengen. Let erop, dat het + -teken op de batterij naar boven gekeerd is. De juiste polariteit is afgebeeld op het batterijdeksel. Het batterijdeksel op de sleutel aanbrengen en aandrukken tot het hoorbaar vastklikt.

38 Openen en sluiten 37 Milieu De lege batterij milieuvriendelijk afvoeren. Bij het vervangen van de batterij op de juiste polariteit letten. De nieuwe batterij moet dezelfde specificaties hebben als de originele. Als de wagen na vervanging van de batterij niet met de afstandsbediening kan worden geopend en gesloten, moet het systeem worden gesynchroniseerd bladzijde 43. Elektronische wegrijblokkering De elektronische wegrijblokkering voorkomt het gebruik van de wagen door onbevoegden. In de sleutelkop bevindt zich een elektronische chip. Met behulp hiervan wordt de wegrijblokkering uitgeschakeld als de sleutel in het contactslot wordt gestoken. Als de sleutel uit het contactslot wordt verwijderd, wordt de elektronische wegrijblokkering automatisch geactiveerd. De motor kan alleen met een correct gecodeerde en originele Škoda sleutel worden gestart. Kindersloten De kindersloten voorkomen dat de achterportieren van binnenuit kunnen worden geopend. Afb. 24 Kindersloten aan de achterportieren De achterportieren zijn uitgerust met een kinderslot. Het kinderslot wordt met de sleutel in- en uitgeschakeld. Kinderslot inschakelen Met de sleutel de sleuf van het achterportier in pijlrichting draaien afb. 24. Kinderslot uitschakelen De sleuf met de sleutel rechtsom tegen de pijlrichting in draaien. Bij ingeschakeld kinderslot is de slotgreep van de portieren van binnenuit geblokkeerd. U kunt het portier alleen van buitenaf openen. Centrale vergrendeling Omschrijving Bij gebruik van de centrale vergrendeling en ontgrendeling worden alle portieren en de tankklep gelijktijdig vergrendeld resp. ontgrendeld (indien dit in het menupunt Settings (Instellingen) - Convenience (Comfort) van het informatiedisplay niet anders is ingesteld). De achterklep wordt bij het openen ontgrendeld. Deze kan worden geopend door het indrukken van de handgreep boven de kentekenplaat bladzijde 41. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

39 38 Openen en sluiten Bediening van de centrale vergrendeling is mogelijk: van buitenaf met de contactsleutel bladzijde 39, met de knoppen voor de centrale vergrendeling bladzijde 40, met een sleutel met radiografische afstandsbediening bladzijde 42. Controlelampje in het bestuurdersportier Na het vergrendelen van de wagen knippert het controlelampje ca. 2 seconden snel, daarna begint het gelijkmatig en met langere tussenpozen te knipperen. Als de wagen wordt vergrendeld terwijl de safebeveiliging bladzijde 38 niet actief is, knippert het controlelampje in het bestuurdersportier circa 2 seconden snel, dooft vervolgens en begint na circa 30 seconden langzaam te knipperen. Als het controlelampje eerst circa 2 seconden snel knippert, daarna circa 30 seconden continu brandt en vervolgens langzaam gaat knipperen, is er in het systeem van de centrale vergrendeling of de interieurbewaking een storing aanwezig bladzijde 44. Neem contact op met een specialist. Comfortbediening van de ruiten Bij het ontgrendelen en vergrendelen van de wagen kunnen de elektrisch bediende ruiten worden geopend en gesloten bladzijde 46. Eénportierontgrendeling Met deze functie is het mogelijk alleen het bestuurdersportier te ontgrendelen. De andere portieren en de tankklep blijven vergrendeld en worden pas ontgrendeld bij de volgende ontgrendeling. Deze functie kunt u door een specialist laten inschakelen. Bij wagens met een informatiedisplay kan deze functie in het menu Settings (Instellingen) - Convenience (Comfort) - Door open (Portierontgrendeling) worden ingeschakeld. Automatisch vergrendelen en ontgrendelen Alle portieren en de achterklep worden vanaf een snelheid van circa 15 km/h automatisch vergrendeld. Als de contactsleutel uit het contactslot wordt verwijderd, wordt de wagen automatisch weer ontgrendeld. Bovendien kan de wagen door de bestuurder worden ontgrendeld door het indrukken van de knop van de centrale vergrendeling of door aan de slotgreep te trekken. Deze functie kunt u door een specialist laten inschakelen. Bij wagens met een informatiedisplay kan deze functie in het menu Settings (Instellingen) - Convenience (Comfort) - Door open (Portierontgrendeling) worden ingeschakeld. De vergrendeling van de portieren voorkomt het onwillekeurig openen in een buitengewone situatie (ongeval). Vergrendelde portieren voorkomen ook het ongewenst binnendringen van buitenstaanders - bijvoorbeeld op kruisingen. Ze maken het hulpverleners in geval van nood echter moeilijker in de wagen te komen - levensgevaar! Bij een ongeval met geactiveerde airbag(s) worden de vergrendelde portieren automatisch ontgrendeld om hulpverleners toegang tot de wagen te verschaffen. Bij het uitvallen van de centrale vergrendeling kunnen alleen de voorportieren met de sleutel worden ont- en vergrendeld. De andere portieren en de achterklep kunnen handmatig worden ont- resp. vergrendeld. Noodvergrendeling van het portier bladzijde 40. Noodontgrendeling van de achterklep bladzijde 41. Safebeveiliging De centrale vergrendeling is uitgerust met een safebeveiliging. Als de wagen van buitenaf wordt vergrendeld, worden de portiersloten automatisch geblokkeerd. Het controlelampje in het bestuurdersportier knippert ca. 2 seconden snel, daarna begint het gelijkmatig en met langere tussenpozen te knipperen. Met de portiergreep kunnen de portieren noch van binnenuit, noch van buitenaf worden geopend. Daardoor wordt het openbreken van de wagen bemoeilijkt. De safebeveiliging kan door een dubbele vergrendeling binnen 2 seconden worden gedeactiveerd. Als de safebeveiliging wordt gedeactiveerd, knippert het controlelampje in het bestuurdersportier circa 2 seconden snel, dooft vervolgens en begint na circa 30 seconden weer gelijkmatig met lange tussenpozen te knipperen. De volgende keer dat de wagen wordt ont- en vergrendeld, is de safebeveiliging weer geactiveerd. Als de wagen is vergrendeld terwijl de safebeveiliging gedeactiveerd is, kunnen de portieren als volgt van binnenuit worden geopend: De slotgreep bedienen om het portier te ontgrendelen. Door de slotgreep nogmaals te bedienen wordt het portier geopend.

40 Openen en sluiten 39 Bij van buitenaf vergrendelde wagen met geactiveerde safebeveiliging mogen geen personen en huisdieren in de wagen achterblijven, omdat van binnenuit noch de portieren, noch de ruiten kunnen worden geopend. De vergrendelde portieren maken het hulpverleners in geval van nood moeilijk in de wagen te komen - levensgevaar! Het alarmsysteem wordt geactiveerd bij het vergrendelen van de wagen, ook als de safebeveiliging is gedeactiveerd. De interieurbewaking wordt hierbij echter niet geactiveerd. Indien na het afsluiten van de wagen de functie Safelock wordt geactiveerd, verschijnt de melding CHECK DEADLOCK (LET OP SAFELOCK) op het display in het instrumentenpaneel. Bij wagens met een informatiedisplay verschijnt de melding Check deadlock! Owner's manual! (Let op SAFE-vergrendeling! Instructieboekje!). Met de sleutel ontgrendelen De safebeveiliging wordt gedeactiveerd. De ruiten gaan open zolang de sleutel in de ontgrendelingsstand wordt gehouden. Het controlelampje in het bestuurdersportier stopt met knipperen als de wagen niet met een alarmsysteem is uitgerust bladzijde 43. Als de wagen over een alarmsysteem beschikt, moet na het ontgrendelen van het portier binnen 15 seconden de sleutel in het contactslot worden gestoken en het contact worden ingeschakeld om het alarmsysteem te deactiveren. Als binnen 15 seconden het contact niet wordt ingeschakeld, zal het alarm afgaan. Met de sleutel vergrendelen De sleutel in de slotcilinder van het bestuurdersportier tegen de rijrichting in (vergrendelingsstand) AB draaien afb. 25. De portieren, de achterklep en de tankklep worden vergrendeld. De via het portiercontact geschakelde binnenverlichting dooft. De ruiten en het elektrische schuif-/kanteldak gaan dicht zolang de sleutel in de vergrendelingsstand wordt gehouden. De safebeveiliging wordt direct geactiveerd. Het controlelampje in het bestuurdersportier begint te knipperen. Als het bestuurdersportier geopend is, kan de wagen niet worden vergrendeld. Afb. 25 Sleutelbewegingen voor het ont- en vergrendelen De sleutel in de slotcilinder van het bestuurdersportier in rijrichting (ontgrendelingsstand) A draaien afb. 25. Aan de portiergreep trekken en het portier openen. Alle portieren (bij wagens met alarmsysteem alleen het bestuurdersportier) en de tankklep worden ontgrendeld. De achterklep wordt ontgrendeld. De via het portiercontact geschakelde binnenverlichting gaat branden. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

41 40 Openen en sluiten Schakelaar voor centrale vergrendeling Afb. 26 Middenconsole: Schakelaar voor centrale vergrendeling Als de wagen niet door externe aansturing vergrendeld is, kunt u deze met de tuimelschakelaar ook bij uitgeschakeld contact ver- en ontgrendelen. De centrale vergrendeling werkt ook bij uitgeschakeld contact. Alle portieren en de achterklep worden vergrendeld. Omdat echter bij vergrendelde portieren in geval van nood hulpverlening van buitenaf wordt bemoeilijkt, moeten kinderen nooit zonder toezicht in de wagen worden achtergelaten. Vergrendelde portieren maken het hulpverleners in geval van nood moeilijk om in de wagen te komen - levensgevaar! Als de safebeveiliging is geactiveerd bladzijde 38, werken de slotgrepen en de schakelaars voor de centrale vergrendeling niet. Noodvergrendeling van de portieren Alle portieren en de achterklep vergrendelen Schakelaar A1 indrukken afb. 26. Het symbool in de schakelaar gaat branden. Alle portieren en de achterklep ontgrendelen Schakelaar A2 indrukken afb. 26. Het symbool in de schakelaar dooft. Als de wagen met knop A1 is vergrendeld, geldt het volgende: Het openen van de portieren en de achterklep van buitenaf is niet mogelijk (vanuit veiligheidsoogpunt, bijvoorbeeld bij het stoppen bij een kruising). U kunt de portieren van binnenuit afzonderlijk ontgrendelen en openen door aan de slotgreep te trekken. Zolang een portier geopend is 6), kan de wagen niet worden vergrendeld om te voorkomen dat de sleutel per ongeluk in de wagen blijft liggen. Bij een ongeval met geactiveerde airbag(s) worden de van binnenuit vergrendelde portieren automatisch ontgrendeld om hulpverleners toegang tot de wagen te verschaffen. Door knop A1 resp. A2 in te drukken en vast te houden, kunt u de ruiten comfortabel sluiten resp. openen bladzijde 46. 6) Geldt niet voor de achterklep. Afb. 27 Achterportier: Noodvergrendeling van het portier Aan de kopse kant van de portieren die geen slotcilinder hebben, bevindt zich een noodslotmechanisme; dit is pas zichtbaar na het openen van het portier. Vergrendeling De afdekplaat A uitbouwen afb. 27. De sleutel in de opening onder de afdekplaat steken en de arreteerhendel tot de aanslag naar binnen drukken. De afdekplaat weer aanbrengen. Na het sluiten van het portier kan dit niet meer van buitenaf worden geopend. Het portier kan door eenmaal aan de slotgreep te trekken van binnenuit worden ontgrendeld en vervolgens van buitenaf worden geopend. AB

42 Openen en sluiten 41 Achterklep Na het sluiten van de achterklep wordt deze binnen 1 seconde automatisch vergrendeld en wordt het alarmsysteem geactiveerd. Dat geldt alleen als de wagen vóór het sluiten van de achterklep vergrendeld was. Bij het wegrijden, vanaf een snelheid van meer dan 5 km/h, wordt de bedieningsfunctie van de handgreep boven de kentekenplaat uitgeschakeld. Na het stoppen en openen van een portier wordt de bedieningsfunctie van de handgreep weer ingeschakeld. Afb. 28 Greep van de achterklep Noodontgrendeling van de achterklep (Octavia) Na het ontgrendelen van de wagen met de sleutel resp. de radiografische afstandsbediening kan de achterklep worden geopend door het indrukken van de handgreep boven de kentekenplaat. Openen van de achterklep De greep afb. 28 indrukken en tegelijkertijd de achterklep omhoogzwenken. Sluiten van de achterklep De achterklep omlaagzwenken en met een lichte zwaai sluiten. In de binnenbekleding van de achterklep bevindt zich een greep, die het sluiten vergemakkelijkt. Na het sluiten controleren of de achterklep goed is vergrendeld. Anders zou de achterklep tijdens het rijden plotseling open kunnen gaan, ook wanneer het slot van de achterklep is vergrendeld - gevaar voor ongevallen! Nooit met een geopende achterklep rijden, omdat dan giftige uitlaatgassen het interieur kunnen binnendringen - vergiftigingsgevaar! Bij het sluiten van de achterklep niet op de achterruit drukken, deze zou kunnen barsten - gevaar voor verwondingen! Afb. 29 Noodontgrendeling van de achterklep In geval van een storing aan de centrale vergrendeling kunt u de achterklep als volgt openen: De rugleuning van de achterbank naar voren klappen bladzijde 70. De gevarendriehoek A afb. 29 verwijderen. De bedieningshendel in pijlrichting drukken om de achterklep te ontgrendelen. De bedieningshendel bevindt zich onder de afdekplaat AB. De achterklep openen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

43 42 Openen en sluiten Noodontgrendeling van de achterklep (Combi) Afb. 30 Noodontgrendeling van de achterklep In geval van een storing aan de centrale vergrendeling kunt u de achterklep als volgt openen: De rugleuning van de achterbank naar voren klappen bladzijde 70. De afdekking van het slot omhoogklappen afb. 30. Met behulp van een smal voorwerp, bijvoorbeeld een schroevendraaier, de bedieningshendel A tot de aanslag in pijlrichting drukken; de achterklep wordt ontgrendeld. De achterklep openen. Bij vervanging van een verloren sleutel en na reparatie of vervanging van de ontvanger moet het systeem door een geautoriseerde Škoda Servicepartner worden geïnitialiseerd. Pas daarna kunt u de sleutel met radiografische afstandsbediening weer gebruiken. Bij ingeschakeld contact wordt de afstandsbediening automatisch gedeactiveerd. De werking van de afstandsbediening kan door interferentie van zenders in de buurt van de wagen die op dezelfde frequentie werken (bijvoorbeeld mobiele telefoons, tv-zenders) tijdelijk worden gestoord. Als de centrale vergrendeling resp. het alarmsysteem alleen vanaf een afstand van minder dan 3 m op de afstandsbediening reageert, moet de batterij worden vervangen bladzijde 36. Als het bestuurdersportier is geopend, kan de wagen niet met de radiografische afstandsbediening worden vergrendeld. Wagen ont- en vergrendelen Afstandsbediening Omschrijving Met de sleutel met radiografische afstandsbediening kunt u: de wagen ont- en vergrendelen, de achterklep ontgrendelen, de ruiten elektrisch openen en sluiten. De zender met de batterij is ondergebracht in de sleutel met radiografische afstandsbediening. De ontvanger bevindt zich in het interieur van de wagen. Het bereik van de sleutel met radiografische afstandsbediening bedraagt circa 10 m. Als de batterij bijna leeg is, neemt het bereik van de afstandsbediening af. De sleutel heeft een uitklapbare sleutelbaard, die wordt gebruikt voor het handmatig ont- en vergrendelen van de wagen en voor het starten van de motor. Afb. 31 Sleutel met afstandsbediening Wagen ontgrendelen Knop A1 afb. 31 gedurende circa 1 seconde indrukken. Wagen vergrendelen Knop A3 gedurende circa 1 seconde indrukken.

44 Openen en sluiten 43 Safebeveiliging deactiveren Knop A3 tweemaal binnen 2 seconden indrukken. Extra informatie bladzijde 38. Ontgrendeling van de achterklep Knop A2 gedurende circa 1 seconde indrukken. Extra informatie bladzijde 41. Uitklappen van de sleutel Knop A4 indrukken. Inklappen van de sleutel Knop A4 indrukken en de sleutelbaard terug in de behuizing klappen. Het ontgrendelen van de wagen wordt aangegeven door het tweemaal knipperen van de knipperlichten. Als u de wagen met knop A1 ontgrendelt en daarna binnen 30 seconden geen portier of de achterklep opent, wordt de wagen automatisch weer vergrendeld en wordt de safebeveiliging resp. het alarmsysteem weer geactiveerd. Hierdoor wordt het ongewild ontgrendelen van de wagen voorkomen. Bovendien worden bij het ontgrendelen van de wagen de aan de sleutel toegewezen elektrische instelbare stoelen en buitenspiegels ingesteld. De opgeslagen instelling van de bestuurdersstoel en de buitenspiegels wordt opgeroepen. Aanduiding van de vergrendeling Een correcte vergrendeling van de wagen wordt aangegeven door het eenmaal knipperen van de knipperlichten. Als er bij het vergrendelen van de wagen met knop A3 enkele portieren of de achterklep niet gesloten zijn, knipperen de knipperlichten pas na het sluiten. Bij een van buitenaf vergrendelde wagen met geactiveerde safebeveiliging mogen geen personen in de wagen achterblijven, omdat van binnenuit noch de portieren, noch de ruiten kunnen worden geopend. De vergrendelde portieren maken het hulpverleners in geval van nood moeilijk in de wagen te komen - levensgevaar! De radiografische afstandsbediening alleen gebruiken als de portieren en de achterklep gesloten zijn en u visueel contact met de wagen hebt. In de wagen mag de vergrendelingstoets van de afstandsbediening niet worden ingedrukt als de sleutel nog niet in het contactslot is gestoken, zodat de wagen niet onbedoeld wordt vergrendeld en het alarmsysteem wordt geactiveerd. Als dat toch mocht gebeuren, de ontgrendelingsknop van de afstandsbediening indrukken. Synchronisatie van de afstandsbediening Als de wagen niet met de afstandsbediening kan worden ontgrendeld, is het mogelijk dat de code van de sleutel en het regelapparaat in de wagen niet meer overeenstemt. Dat kan gebeuren als de knoppen van de sleutel met radiografische afstandsbediening meerdere malen buiten het werkingsgebied van het systeem zijn ingedrukt of als de batterij van de afstandsbediening is vervangen. Daartoe moet de code als volgt worden gesynchroniseerd: een willekeurige knop op de afstandsbediening indrukken. Na het indrukken van de knop het portier binnen 1 minuut met behulp van de sleutel ontgrendelen. Alarmsysteem Omschrijving Het alarmsysteem verhoogt de beveiliging tegen inbraakpogingen in de wagen. Het systeem geeft akoestische en optische waarschuwingssignalen bij een poging tot inbraak in de wagen. Hoe wordt het alarmsysteem geactiveerd? Het alarmsysteem wordt automatisch geactiveerd bij het vergrendelen van de wagen met de sleutel in het bestuurdersportier of met de radiografische afstandsbediening. Het systeem wordt circa 30 seconden na het vergrendelen geactiveerd. Hoe wordt het alarmsysteem gedeactiveerd? Het alarmsysteem wordt gedeactiveerd bij het ontgrendelen van de wagen, maar alleen bij gebruik van de radiografische afstandsbediening. Als de wagen niet binnen 30 seconden na het versturen van het radiosignaal wordt geopend, wordt het alarmsysteem weer geactiveerd. Als de wagen wordt ontgrendeld met behulp van de sleutel in het bestuurdersportier, moet binnen 15 seconden na het ontgrendelen van het portier de sleutel in het contactslot worden gestoken en het contact worden ingeschakeld om het alarmsy- Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

45 44 Openen en sluiten steem te deactiveren. Als binnen 15 seconden het contact niet wordt ingeschakeld, zal het alarm afgaan. Wanneer gaat het alarm af? Van de vergrendelde wagen worden de volgende onderdelen bewaakt: Motorkap, Achterklep, Portieren, Contactslot, Wagenhelling bladzijde 44, Interieur bladzijde 44, Spanningsdaling in het boordnet, Stopcontact van de af fabriek gemonteerde trekhaak. Als een van de beide accupolen bij geactiveerd alarmsysteem wordt losgemaakt, gaat het alarm direct af. Hoe wordt het alarm gestopt? Het alarm wordt gestopt door de wagen met de radiografische afstandsbediening te ontgrendelen of door het contact in te schakelen. De levensduur van de batterij van de alarmsirene bedraagt 6 jaar. Meer informatie kunt u krijgen bij een specialist. Om een correcte werking van het alarmsysteem te waarborgen, moet u voor het verlaten van de wagen controleren of alle portieren, alle ruiten en het elektrische schuif-/kanteldak zijn gesloten. Door de codering van de radiografische afstandsbediening en de ontvanger wordt het gebruik van radiografische afstandsbedieningen van andere voertuigen uitgesloten. Interieurbewaking en afsleepalarm Afb. 32 Knop van interieurbewaking en afsleepalarm Interieurbewaking en afsleepalarm uitschakelen Het contact uitschakelen. Het bestuurdersportier openen. Knop in de B-stijl aan bestuurderszijde afb. 32 indrukken; de verlichting van het symbool in de knop wijzigt van rood naar oranje. De wagen binnen 30 seconden vergrendelen. De interieurbewaking en het afsleepalarm worden automatisch weer ingeschakeld bij de eerstvolgende vergrendeling van de wagen. De interieurbewaking en het afsleepalarm uitschakelen als de mogelijkheid bestaat dat het alarm zal afgaan door bewegingen in het interieur (bijvoorbeeld door kinderen of huisdieren) resp. als de wagen wordt vervoerd (bijvoorbeeld per spoor of boot) of moet worden afgesleept. De interieurbewaking en het afsleepalarm kunnen ook worden uitgeschakeld door de safebeveiliging te deactiveren bladzijde 38. Een geopend brillenvak veroorzaakt een verminderde werking van de interieurbewaking. Om een ongehinderde werking van de interieurbewaking te waarborgen, moet voor het vergrendelen van de wagen altijd het brillenvak worden gesloten.

46 Openen en sluiten 45 Elektrische ruitbediening Schakelaars in het bestuurdersportier AD Schakelaar voor ruitbediening in het linkerachterportier AS Veiligheidsschakelaar Veiligheidsschakelaar Door het indrukken van de veiligheidsschakelaar AS afb. 33 kunnen de schakelaars voor de ruitbediening in de achterportieren worden uitgeschakeld. Door het opnieuw indrukken van de veiligheidsschakelaar AS zijn de schakelaars voor de ruitbediening in de achterportieren weer actief. Als de schakelaars in de achterportieren zijn uitgeschakeld, brandt het controlelampje in de veiligheidsschakelaar AS. De elektrische ruitbediening werkt alleen als het contact is ingeschakeld. Ruiten openen De ruit wordt geopend door de betreffende schakelaar in het portier iets omlaag te drukken. Als de schakelaar wordt losgelaten, stopt de bediening. Bovendien kan de ruit automatisch worden geopend door de schakelaar tot de aanslag omlaag te drukken (volledig openen). Bij het opnieuw indrukken van de schakelaar stopt de ruit direct. Ruiten sluiten Afb. 33 Schakelaars in het bestuurdersportier De ruit wordt gesloten door de betreffende schakelaar iets omhoog te trekken. Als de schakelaar wordt losgelaten, stopt de bediening. Bovendien kan de ruit automatisch worden gesloten door de schakelaar tot de aanslag omhoog te trekken (volledig sluiten). Bij het opnieuw omhoogtrekken van de schakelaar stopt de ruit direct. De schakelaars voor de verschillende ruiten bevinden zich in de armleuning van het bestuurdersportier afb. 33, het bijrijdersportier en in de achterportieren bladzijde 46. Schakelaars voor de ruitbediening in de armleuning van de bestuurder A Schakelaar voor ruitbediening in het bestuurdersportier AB Schakelaar voor ruitbediening in het bijrijdersportier AC Schakelaar voor ruitbediening in het rechterachterportier Als de wagen van buitenaf wordt afgesloten, mogen er geen personen in de wagen achterblijven, omdat de ruiten in geval van nood niet van binnenuit kunnen worden geopend. Het systeem is uitgerust met een sluitkrachtbegrenzing bladzijde 46. Bij weerstand door een obstakel wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit weer enkele centimeters omlaag. Daarna de ruit voorzichtig sluiten! Anders zou u aanzienlijke verwondingen door knellen kunnen veroorzaken! Als er op de zitplaatsen achterin kinderen worden vervoerd, wordt geadviseerd de elektrische ruitbediening van de achterportieren uit te schakelen (veiligheidsschakelaar) AS afb. 33. Voorzichtig! De ruiten schoon houden, om een correcte werking van de elektrische ruitbedieningen te waarborgen. Als de ruiten bevroren zijn, eerst het ijs bladzijde 181 verwijderen en pas dan de ruitbediening in werking stellen, omdat het ruitmechanisme anders beschadigd kan raken. Als het contact wordt uitgeschakeld, kunnen de ruiten nog circa 10 minuten worden geopend of gesloten. De automatische ruitbedieningsfunctie werkt gedurende deze periode. Bij het openen van het bestuurders- of bijrijdersportier wordt de elektrische ruitbediening volledig uitgeschakeld. Voor het ventileren van het interieur tijdens het rijden bij voorkeur gebruikmaken van het aanwezige verwarmings-, airconditioning- en ventilatiesysteem. Als de ruiten openstaan, kan er stof of ander vuil in de wagen terechtkomen en kan er bovendien bij bepaalde snelheden windgeruis ontstaan. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

47 46 Openen en sluiten Schakelaars in het bijrijdersportier en in de achterportieren Als het contact wordt uitgeschakeld, kunnen de ruiten nog circa 10 minuten worden geopend of gesloten. De automatische ruitbedieningsfunctie werkt gedurende deze periode. Bij het openen van het bestuurders- of bijrijdersportier wordt de elektrische ruitbediening volledig uitgeschakeld. Als de kindersloten zijn ingeschakeld, wordt de verlichting van de schakelaars voor de ruitbediening in de achterportieren niet geactiveerd. Krachtbegrenzing van de ruitbediening In deze portieren bevindt zich een schakelaar voor de betreffende ruit. Ruiten openen De betreffende schakelaar onderaan iets indrukken en zo lang ingedrukt houden, tot de ruit de gewenste stand heeft bereikt. Bovendien kan de ruit automatisch worden geopend door de schakelaar onderaan tot de aanslag in te drukken (volledig openen). Bij het opnieuw indrukken van de schakelaar stopt de ruit direct. Ruiten sluiten De betreffende schakelaar bovenaan iets indrukken en zo lang ingedrukt houden, tot de ruit de gewenste stand heeft bereikt. Bovendien kan de ruit automatisch worden gesloten door de schakelaar bovenaan tot de aanslag in te drukken (volledig sluiten). Bij het opnieuw indrukken van de schakelaar stopt de ruit direct. Afb. 34 Plaats van de schakelaars in het bijrijdersportier Het systeem is uitgerust met een sluitkrachtbegrenzing bladzijde 46. Bij weerstand door een obstakel wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit weer enkele centimeters omlaag. Daarna de ruit voorzichtig sluiten! Anders zou u aanzienlijke verwondingen door knellen kunnen veroorzaken! De elektrisch bediende ruiten zijn uitgerust met een krachtbegrenzing. Deze vermindert het gevaar voor verwondingen door knellen bij het sluiten van de ruit. Bij weerstand door een obstakel wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit weer enkele centimeters omlaag. Als het obstakel het sluiten van de ruit gedurende 10 seconden verhindert, wordt de sluitprocedure opnieuw onderbroken en gaat de ruit enkele centimeters omlaag. Als wordt geprobeerd de ruit te sluiten binnen 10 seconden nadat deze voor de tweede keer weer enkele centimeters is geopend en het obstakel nog steeds niet is verwijderd, wordt de sluitprocedure slechts onderbroken. Gedurende deze periode is het niet mogelijk de ruit automatisch te sluiten. De krachtbegrenzing is nog ingeschakeld. De krachtbegrenzing is pas uitgeschakeld als binnen de volgende 10 seconden wordt geprobeerd de ruit te sluiten - de ruit wordt nu met volle kracht gesloten! Als u langer dan 10 seconden wacht, is de krachtbegrenzing weer ingeschakeld. De ruiten voorzichtig sluiten! Anders zou u aanzienlijke verwondingen door knellen kunnen veroorzaken! Comfortbediening van de ruiten Bij het ont- en vergrendelen van de wagen kunnen de elektrisch bediende ruiten als volgt worden geopend en gesloten (schuif-/kanteldak alleen gesloten): Ruiten openen De sleutel in de slotcilinder van het bestuurdersportier in de ontgrendelingsstand houden of de ontgrendelingstoets van de radiografische afstandsbediening ingedrukt houden, totdat alle ruiten zijn geopend.

48 Openen en sluiten 47 Ruiten sluiten De sleutel in de slotcilinder van het bestuurdersportier in de vergrendelingsstand houden of de vergrendelingstoets van de radiografische afstandsbediening ingedrukt houden, totdat alle ruiten zijn gesloten. Door het loslaten van de sleutel of de vergrendelingstoets kunt u het openen of sluiten van de ruiten direct onderbreken. Het systeem is uitgerust met een sluitkrachtbegrenzing bladzijde 46. Bij weerstand door een obstakel wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit weer enkele centimeters omlaag. Daarna de ruit voorzichtig sluiten! Anders zou u aanzienlijke verwondingen door knellen kunnen veroorzaken! Bij wagens met alarmsysteem is het comfortopenen van de ruiten met de sleutel in de slotcilinder slechts mogelijk gedurende 45 seconden na deactivering resp. na activering van het alarmsysteem. Het systeem is uitgerust met een sluitkrachtbegrenzing bladzijde 46. Bij weerstand door een obstakel wordt het sluiten onderbroken en gaat de ruit weer enkele centimeters omlaag. Daarna de ruit voorzichtig sluiten! Anders zou u aanzienlijke verwondingen door knellen kunnen veroorzaken! Voorzichtig! De ruiten schoon houden, om een correcte werking van de elektrische ruitbedieningen te waarborgen. Als de ruiten bevroren zijn, eerst het ijs bladzijde 181 verwijderen en pas dan de ruitbediening in werking stellen, omdat het ruitmechanisme anders beschadigd kan raken. Elektrisch schuif-/kanteldak Omschrijving Storingen Elektrische ruitbediening uitgevallen Als de accu is losgekoppeld en daarna weer is aangesloten, werkt de elektrische ruitbediening niet. Het systeem moet worden geactiveerd. De werking kan als volgt worden hersteld: Het contact inschakelen. Voorzichtig aan de bovenzijde van de betreffende schakelaar trekken en deze vasthouden tot de ruit gesloten is. De schakelaar loslaten. De betreffende schakelaar opnieuw gedurende circa 3 seconden naar boven trekken. Winterse omstandigheden In de winter kan ijsvorming bij het sluiten van de ruiten extra weerstand veroorzaken, waardoor de ruit bij het sluiten stopt en weer enkele centimeters omlaag beweegt. Om de ruit toch te kunnen sluiten, moet de krachtbegrenzing worden uitgeschakeld bladzijde 46, Krachtbegrenzing van de ruitbediening. Afb. 35 Deel van de hemelbekleding: Draaischakelaar voor het elektrische schuif-/kanteldak Het schuif-/kanteldak wordt bediend met de draaischakelaar afb. 35 en werkt alleen bij ingeschakeld contact. De draaischakelaar heeft meerdere standen. Als het contact wordt uitgeschakeld, kan het schuif-/kanteldak nog circa 10 minuten worden geopend, gesloten en omhooggezet. Zodra echter een van de voorportieren wordt geopend, kan het schuif-/kanteldak niet meer worden bediend. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

49 48 Openen en sluiten Als de accukabels zijn losgemaakt en weer zijn aangesloten, kan het gebeuren dat het schuif-/kanteldak niet volledig sluit. Daarom moet de draaischakelaar in de schakelaarstand A worden gezet en aan de voorzijde circa 10 seconden lang worden ingedrukt. Openschuiven en omhoogzetten Comfortstand De schakelaar in stand AC draaien bladzijde 47, afb. 35. Volledig openschuiven De schakelaar in stand AB draaien en in deze stand vasthouden (tegen de veerdruk in). Omhoogzetten De schakelaar in stand AD draaien. Als het schuif-/kanteldak in de comfortstand staat, is de intensiteit van het windgeruis veel lager. Het zonnescherm wordt bij het openschuiven van het dak automatisch mee geopend. Het scherm kan bij gesloten schuif-/kanteldak met de hand open en dicht worden geschoven. volledig open. Het schuif-/kanteldak kan zonder sluitkrachtbegrenzing volledig worden gesloten door de schakelaar in stand A bladzijde 47, afb. 35 zo lang aan de voorzijde in te drukken, tot het schuif-/kanteldak volledig is gesloten. Het schuif-/kanteldak voorzichtig sluiten - gevaar voor verwondingen! Comfortbediening Een open schuif-/kanteldak kan ook van buitenaf worden gesloten. De sleutel in de slotcilinder van het bestuurdersportier in de vergrendelingsstand houden of de vergrendelingstoets van de radiografische afstandsbediening zo lang ingedrukt houden, tot het schuif-/kanteldak is gesloten. Na het loslaten van de sleutel of de vergrendelingstoets stopt de bediening. Het schuif-/kanteldak voorzichtig sluiten - gevaar voor verwondingen! Bij het comfortsluiten werkt de sluitkrachtbegrenzing niet. Noodbediening Voorzichtig! In de winterperiode moet u vóór het openen eventueel aanwezige ijs en sneeuw van het schuif-/kanteldak verwijderen om beschadiging van het openingsmechanisme en de afdichting te voorkomen. Sluiten Schuif-/kanteldak dichtschuiven/sluiten De schakelaar in stand A draaien bladzijde 47, afb. 35. Veiligheidssluiting Het schuif-/kanteldak is met sluitkrachtbegrenzing uitgerust. Als een obstakel (bijvoorbeeld ijs) het sluiten verhindert, stopt het schuif-/kanteldak en gaat het Afb. 36 Deel van de hemelbekleding: Losdrukpunten voor de schroevendraaier / opening voor aanbrengen van de sleutel Als het systeem een storing vertoont, kan het schuif-/kanteldak met de hand worden gesloten resp. geopend.

50 Openen en sluiten 49 Een schroevendraaier met de platte kant voorzichtig aan de achterzijde van de afdekking voor de elektrische aandrijving plaatsen, op de plaatsen gemarkeerd met de pijlen A1 bladzijde 48, afb links. Afdekking naar beneden losdrukken. Een inbussleutel maat 4 op de plaats van de pijl A2 tot de aanslag in de opening steken en het schuif-/kanteldak sluiten of openen bladzijde 48, afb rechts. De afdekking weer aanbrengen door eerst de kunststof nokken op hun plaats te brengen en vervolgens de afdekking omhoog te drukken. De storing door een specialist laten verhelpen. Na elke noodbediening (met de inbussleutel) moet het schuif-/kanteldak in de basisstand worden gebracht. Daarom moet de draaischakelaar in de schakelaarstand A bladzijde 47, afb. 35 worden gezet en aan de voorzijde circa 10 seconden lang worden ingedrukt. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

51 50 Licht en zicht Licht en zicht Licht Licht in- en uitschakelen Nooit rijden met alleen ingeschakeld stadslicht - gevaar voor ongevallen! Het stadslicht is niet fel genoeg om de weg voor u voldoende te verlichten of om door andere verkeersdeelnemers te worden gezien. Daarom in het donker of bij slecht zicht altijd het dimlicht inschakelen. Stadslicht inschakelen De lichtschakelaar afb. 37 in stand draaien. Dim- en grootlicht inschakelen De lichtschakelaar in stand draaien. Voor het inschakelen van het grootlicht de grootlichthendel licht naar voren drukken bladzijde 56, afb. 43 in de geveerde stand. Licht uitschakelen (uitgezonderd dagrijverlichting) De lichtschakelaar in stand 0 draaien. Afb. 37 Dashboard: Lichtschakelaar Het dimlicht brandt zolang de ontsteking is ingeschakeld en de lichtschakelaar in stand of staat. Na het uitschakelen van het contact wordt het dimlicht automatisch uitgeschakeld en brandt alleen nog het stadslicht. Na het verwijderen van de contactsleutel dooft ook het stadslicht. Bij wagens met aparte lampen voor de dagrijverlichting in de mistlampen of in de voorbumper brandt het dimlicht in stand 0 van de lichtschakelaar ook niet bij ingeschakeld contact. Bij wagens met Rechts stuur zijn de schakelaars gedeeltelijk anders gerangschikt afb. 37 dan aangegeven. De symbolen die de schakelaarstanden aangeven, zijn echter gelijk. Als de lichtschakelaar in stand staat, de contactsleutel is verwijderd en het bestuurdersportier is geopend, klinkt een akoestisch waarschuwingssignaal. Bij het sluiten van het bestuurdersportier (contact uit) wordt het akoestische waarschuwingssignaal via het portiercontact uitgeschakeld. De wagen kan met ingeschakeld stadslicht worden geparkeerd. Als de lichtschakelaar in stand staat en de contactsleutel wordt verwijderd, dan gaan de lichten uit. Als u de wagen gedurende langere tijd parkeert, adviseren wij de verlichting uit te schakelen of alleen het parkeerlicht aan te laten. Het inschakelen van de hiervoor beschreven verlichting mag alleen plaatsvinden in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. Als er in de lichtschakelaar een storing optreedt, wordt het dimlicht automatisch ingeschakeld. Bij koel of vochtig weer kunnen de koplampen aan de binnenzijde tijdelijk beslaan. Doorslaggevend hierbij is het temperatuurverschil tussen de binnen- en buitenzijde van het koplampglas. Bij ingeschakelde rijverlichting is het lichtdoorlatende gedeelte al na korte tijd vrij van condensaanslag. Eventueel kan het koplampglas bij de randen nog beslagen zijn. Dit geldt ook voor de achterlichten en de knipperlichten. De condensvorming heeft geen invloed op de levensduur van de verlichting.

52 Licht en zicht 51 DAY LIGHT (dagrijverlichting) Automatische aansturing rijverlichting Dagrijverlichting inschakelen Het contact inschakelen zonder de lichtschakelaar uit stand 0 resp. te draaien. Functie dagrijverlichting deactiveren Maximaal drie seconden na het inschakelen van het contact de knipperlichthendel naar het stuurwiel trekken en tegelijkertijd omlaagdrukken en ten minste drie seconden in deze stand vasthouden. Functie dagrijverlichting activeren Maximaal drie seconden na het inschakelen van het contact de knipperlichthendel naar het stuurwiel trekken en tegelijkertijd omhoogdrukken en ten minste drie seconden in deze stand vasthouden. Bij wagens die zijn voorzien van een informatiedisplay, kunt u de functie dagrijverlichting in het menu activeren resp. deactiveren: Settings (Instellingen) Lights & Vision (Licht & Zicht) Bij wagens met afzonderlijke lampen voor de dagrijverlichting in de mistlampen of in de voorbumper branden bij geactiveerde dagrijverlichting het stadslicht (zowel voor als achter) en de kentekenplaatverlichting niet. Als de wagen niet met afzonderlijke lampen voor de dagrijverlichting is uitgerust, wordt de dagrijverlichting gerealiseerd door een combinatie van dimlicht, stadslicht (voor en achter) inclusief de kentekenplaatverlichting. In sommige landen schrijven de nationale wettelijke bepalingen voor dat bij de geactiveerde dagrijverlichting samen met de afzonderlijke lampen voor de dagrijverlichting ook het stadslicht achter moet branden. Bij ingeschakelde dagrijverlichting is de verlichting van het instrumentenpaneel uitgeschakeld, echter bij duisternis wordt deze in de stand ingeschakeld en gaat het dimlicht met volledige sterkte branden (100 % van het vermogen). Automatische aansturing rijverlichting inschakelen De lichtschakelaar afb. 38 in stand draaien. Automatische aansturing rijverlichting uitschakelen De lichtschakelaar in stand 0, of draaien. Afb. 38 Dashboard: Lichtschakelaar Als de lichtschakelaar in stand staat, brandt bij ingeschakeld contact symbool naast de lichtschakelaar. Wanneer het dimlicht is geactiveerd met de lichtsensor, brandt naast de lichtschakelaar ook het symbool. Als de verlichting automatisch wordt ingeschakeld, branden gelijktijdig het stadsen dimlicht alsmede de kentekenplaatverlichting. Als de automatische verlichting is ingeschakeld, wordt de verlichting geregeld met de lichtsensor in de steun van de achteruitkijkspiegel. Als de lichtintensiteit onder de ingestelde waarde daalt, bijvoorbeeld bij het overdag inrijden van een tunnel, gaan automatisch het stads- en dimlicht alsmede de kentekenplaatverlichting branden. Als de lichtintensiteit weer stijgt, schakelt de verlichting automatisch weer uit. Snelwegverlichting Als de automatische verlichting is ingeschakeld en de wagensnelheid ten minste 10 seconden hoger is dan 140 km/h, wordt automatisch het stads-, en dimlicht ingeschakeld. Als de wagensnelheid ten minste 2 minuten lager is dan 65 km/h, wordt de verlichting uitgeschakeld. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

53 52 Licht en zicht Regenverlichting Wanneer de ruitenwissers langer dan 10 seconden in de stand regensensor of continuwissen gedurende meer dan 15 seconden (stand 2 of 3) bladzijde 60 zijn ingeschakeld, wordt automatisch het stads-, en dimlicht ingeschakeld. De verlichting wordt automatisch uitgeschakeld, als de ruitenwissers langer dan 4 minuten niet in de stand regensensor of continuwissen worden ingeschakeld. De automatische verlichtingsinschakeling functioneert alleen als assistent. De bestuurder wordt daarmee niet van de plicht ontslagen, de verlichting te controleren en de verlichting afhankelijk van de omstandigheden in te schakelen. De lichtsensor herkent bijvoorbeeld geen regen of mist. Wij adviseren bij deze omstandigheden het dimlicht in te schakelen! Geen stickers voor de lichtsensor plakken, zodat de werking van de lichtsensor niet wordt beïnvloed of geblokkeerd. Voor het gebruik van de automatische lichtinschakeling gelden dezelfde regels als voor de handmatig ingeschakelde verlichting bladzijde 50. Bochtenverlichting De bochtenverlichting dient voor het verlichten van bochten door het meedraaien van de lichtbundel van de koplampen met xenonverlichting. Deze functie wordt geactiveerd bij een snelheid van meer dan 10 km/h. Het meedraaien van de koplampen kan via menupunt Assistants (Hulpsyst.) in het hoofdmenu van het informatiedisplay bladzijde 23 worden uit- of ingeschakeld. Als de bochtenverlichting defect is, worden de koplampen automatisch in een noodpositie gezet, die het eventueel verblinden van tegenliggers verhindert. Hierdoor wordt het verlichte gedeelte van de rijbaan kleiner. Voorzichtig rijden en snel mogelijk een specialist opzoeken. Parkeerlicht Parkeerlicht Het contact uitschakelen. De knipperlichthendel bladzijde 56, afb. 43 naar boven, resp. naar beneden trekken - het parkeerlicht aan de rechter-, resp. linkerzijde van de wagen wordt ingeschakeld. Het parkeerlicht kan alleen worden bediend bij uitgeschakeld contact. Wanneer het rechter- of linkerknipperlicht is ingeschakeld en het contact wordt uitgeschakeld, wordt het parkeerlicht niet automatisch ingeschakeld. Parkeerlicht aan beide zijden De lichtschakelaar in stand draaien en de auto vergrendelen. Coming-homefunctie De functie schakelt bij duisternis kortstondig de verlichting in na het verlaten van de wagen. Coming-homefunctie inschakelen De lichtschakelaar staat in de stand automatische aansturing rijverlichting en het dimlicht brandt. Het contact uitschakelen. Na het openen van het bestuurdersportier schakelt de functie coming-homefunctie in. Alle portieren en de achterklep sluiten resp. de wagen vergrendelen. Na korte tijd wordt alle verlichting uitgeschakeld. De coming-homefunctie schakelt afhankelijk van de uitrusting de volgende verlichting in: stadslicht, dimlicht, omgevingsverlichting in de buitenspiegels, kentekenplaatverlichting.

54 Licht en zicht 53 Coming-homefunctie De verlichting gaat 10 seconden na het sluiten van alle portieren en de achterklep uit. Als een portier of de achterklep geopend blijft, gaat de verlichting 60 seconden na het uitschakelen van het contact uit. De coming-homefunctie wordt aangestuurd door de lichtsensor van de binnenspiegel. Als de lichtintensiteit groter is dan de ingestelde waarde van de lichtsensor, dan wordt de coming-homefunctie na het uitschakelen van het contact niet ingeschakeld. Als de coming-homefunctie permanent is ingeschakeld, dan wordt de accu met name bij korte ritten sterk belast. Het inschakelen van de hiervoor beschreven verlichting mag alleen plaatsvinden in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. De verlichtingsduur voor de coming-homefunctie kan via het informatiedisplay worden gewijzigd. Leaving-homefunctie Met de functie kan bij het naderen van de wagen de verlichting worden ingeschakeld. Leaving-homefunctie inschakelen De lichtschakelaar staat in de stand automatische aansturing rijverlichting. De wagen met de afstandbediening ontgrendelen - de verlichting gaat branden. De leaving-homefunctie schakelt afhankelijk van de uitrusting de volgende verlichting in: stadslicht, dimlicht, omgevingsverlichting in de buitenspiegels, kentekenplaatverlichting. dan wordt de leaving-homefunctie na het ontgrendelen van de wagen met de afstandsbediening niet ingeschakeld. Na het ontgrendelen van de wagen met de afstandsbediening wordt de verlichting gedurende 10 seconden ingeschakeld. De leaving-homefunctie wordt ook na het inschakelen van het contact of na het vergrendelen van de wagen uitgeschakeld. Als binnen 30 seconden geen portier wordt geopend, gaat de verlichting uit en wordt de wagen automatisch vergrendeld. Als de leaving-homefunctie permanent is ingeschakeld, dan stijgt de belasting van de accu met name bij korte ritten. Het inschakelen van de hiervoor beschreven verlichting mag alleen plaatsvinden in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. De verlichtingsduur voor de leaving-homefunctie kan via het informatiedisplay worden gewijzigd. Toeristisch licht Deze functie maakt rijden mogelijk in landen waar aan de andere kant van de weg wordt gereden, links-/rechtsrijdend verkeer, zonder tegenliggers te verblinden. Bij actieve functie Toeristisch licht is het opzijzwenken van de koplampen gedeactiveerd. De functie Toeristisch licht kan worden geactiveerd / gedeactiveerd via het informatiedisplay in het menu: Settings (Instellingen) Lights & Vision (Licht & Zicht) Travel mode (Reismodus) Off (Uit) Switched on (Ingeschakeld) Leaving-homefunctie De leaving-homefunctie wordt aangestuurd door de lichtsensor van de binnenspiegel. Als de lichtintensiteit groter is dan de ingestelde waarde van de lichtsensor, Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

55 54 Licht en zicht Mistlampen de achteruitversnelling is niet ingeschakeld. Als bij een geactiveerde CORNER-functie de achteruitversnelling wordt ingeschakeld, gaan beide mistlampen branden. Mistachterlicht Mistlampen inschakelen Eerst de lichtschakelaar in stand of afb. 39 draaien. De lichtschakelaar in stand A1 uittrekken. Afb. 39 Dashboard: Lichtschakelaar Bij ingeschakelde mistlampen brandt in het instrumentenpaneel het controlelampje bladzijde 26. Mistlampen met CORNER-functie Mistlampen met CORNER-functie zijn bedoeld voor een betere verlichting van de omgeving in de buurt van de wagen bij het afslaan, inparkeren enzovoort. Mistachterlicht inschakelen Eerst de lichtschakelaar in stand of afb. 39 draaien. De lichtschakelaar in stand A2 uittrekken. Bij ingeschakeld mistachterlicht brandt in het instrumentenpaneel het controlelampje bladzijde 26. Als de wagen met een trekhaak af fabriek of een trekhaak uit het originele Škoda accessoireprogramma is uitgerust en met een aanhangwagen en ingeschakeld mistachterlicht wordt gereden, brandt alleen het mistachterlicht van de aanhangwagen. Het mistachterlicht bevindt zich in de achterlichtunit aan bestuurderszijde. Voorzichtig! Om verblinding van het achteropkomende verkeer te vermijden, mag het mistachterlicht alleen worden ingeschakeld bij slecht zicht (de betreffende wettelijke bepalingen in acht nemen). De mistlampen met CORNER-functie worden afhankelijk van de stuurhoek resp. na het inschakelen van het knipperlicht 7) aan de hand van de volgende voorwaarden geregeld: de wagen staat stil en de motor draait of rijdt met een snelheid van max. 40 km/h, de dagrijverlichting is niet ingeschakeld, het dimlicht is ingeschakeld of de lichtschakelaar staat in de stand en de intensiteit van het omgevingslicht veroorzaakt het inschakelen van het dimlicht, de mistlampen zijn niet ingeschakeld, 7) Bij een conflict tussen de beide inschakelvarianten, bijvoorbeeld als het stuurwiel volledig naar links is verdraaid en het rechterknipperlicht is ingeschakeld, heeft de richtingaanwijzer de hoogste prioriteit.

56 Licht en zicht 55 Instrumentenverlichting De helderheid van de instrumentenverlichting kan worden ingesteld. Lichtbundelhoogteverstelling van de koplampen Bij ingeschakeld dimlicht kan de reikwijdte van de lichtbundel van de koplampen worden aangepast aan de belasting van de wagen. Afb. 40 Dashboard: Instrumentenverlichting Afb. 41 Dashboard: Lichtbundelhoogteverstelling Instrumentenverlichting De verlichting inschakelen. De draaiknop afb. 40 draaien tot de gewenste helderheid van de instrumentenverlichting is bereikt. De verlichtingsintensiteit van het informatiedisplay bladzijde 22 wordt automatisch ingesteld. De regeling van de instrumentenverlichting met de draaiknop is alleen mogelijk, als de lichtintensiteit onder de ingestelde waarde van de lichtsensor daalt. Net zo lang aan de draaiknop afb. 41, draaien, tot het dimlicht zodanig is ingesteld dat andere verkeersdeelnemers niet worden verblind. Instelstanden De standen komen ongeveer overeen met de volgende beladingstoestanden: A- Wagen voorin bezet, bagageruimte leeg. A1 Wagen volledig bezet, bagageruimte leeg. A2 Wagen volledig bezet, bagageruimte beladen. A3 Bestuurdersstoel bezet, bagageruimte beladen. Voorzichtig! De lichtbundelhoogteverstelling altijd zo instellen dat: andere verkeersdeelnemers, in het bijzonder tegemoetkomende wagens, niet verblind worden, de lichtbundelhoogte voldoende is voor veilig rijden. De koplampen met xenonverlichting passen zich bij het inschakelen van het contact en tijdens het rijden automatisch aan bij de beladings- en rijomstandigheden van de wagen (bijvoorbeeld accelereren, remmen). Wagens met xenonverlichting, beschikken niet over een handmatige regelmogelijkheid van de lichtbundelhoogte. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

57 56 Licht en zicht Knop voor alarmlichten De knipperlicht- en grootlichthendel Met de knipperlicht- en grootlichthendel worden ook het parkeerlicht en het grootlichtsignaal bediend. Afb. 42 Dashboard: Knop voor alarmlichten De knop afb. 42, indrukken om de alarmlichten in- of uit te schakelen. Als de alarmlichten zijn ingeschakeld, knipperen alle knipperlichten van de wagen tegelijkertijd. Het controlelampje voor de knipperlichten en het controlelampje in de knop knipperen eveneens. De alarmlichten kunnen ook worden ingeschakeld als het contact is uitgeschakeld. Bij een ongeval waarbij een airbag wordt geactiveerd, worden de alarmlichten automatisch ingeschakeld. Bij gebruik van de alarmlichten de wettelijke bepalingen in acht nemen. De alarmlichten inschakelen als u bijvoorbeeld: de staart van een file bereikt, stilstaat met pech of in geval van nood. De knipperlicht- en grootlichthendel heeft de volgende functies: Knipperlicht rechts en links Afb. 43 De knipperlicht- en grootlichthendel De hendel omhoog- A of omlaagdrukken afb. 43 AB. Als u slechts driemaal wilt knipperen, de hendel even aantippen tot het bovenste of onderste drukpunt en vervolgens weer loslaten (het zogeheten comfortknipperen). Deze functie kunt u in het informatiedisplay bladzijde 22 activeren/deactiveren. Knipperen voor het wisselen van rijstrook - om slechts even te knipperen, de hendel tot aan het drukpunt naar boven of beneden drukken en in deze stand vasthouden. Grootlicht Het dimlicht inschakelen. De hendel naar voren in pijlrichting AC drukken (tegen de veerdruk in). Het grootlicht schakelt u uit door de hendel in pijlrichting AD naar het stuurwiel te drukken (tegen de veerdruk in). Grootlichtsignaal De hendel naar het stuurwiel (geveerde stand) in pijlrichting AD trekken - het grootlicht en controlelampje in het instrumentenpaneel branden.

58 Licht en zicht 57 Parkeerlicht Voor beschrijving van de bediening zie bladzijde 52, Parkeerlicht. en over de lichtfuncties De knipperlichten werken alleen bij ingeschakeld contact. Het betreffende controlelampje of in het instrumentenpaneel knippert eveneens. Na het rijden door een bocht worden de knipperlichten automatisch uitgeschakeld. Als een gloeilamp van het knipperlicht defect is, knippert het controlelampje ongeveer twee keer zo snel. Voorzichtig! Het grootlicht resp. grootlichtsignaal alleen gebruiken als de andere verkeersdeelnemers daardoor niet worden verblind. De hierboven beschreven verlichtings- en signaalsystemen alleen gebruiken in overeenstemming met de wettelijke bepalingen. Binnenverlichting Binnenverlichting - uitvoering 1 Binnenverlichting uitschakelen De schakelaar A in de middenstand O drukken. Bediening van de verlichting met de portiercontactschakelaar De schakelaar A naar het midden van de verlichtingseenheid drukken, het symbool verschijnt. Leeslampjes De knop AB indrukken om de alarmlichten in- of uit te schakelen. Als de bediening van de verlichting met de portiercontactschakelaar is ingeschakeld (schakelaar A in stand ), gaat de verlichting branden, als: de wagen wordt ontgrendeld, een portier wordt geopend, de contactsleutel wordt verwijderd. Als de bediening van de verlichting met de portiercontactschakelaar is ingeschakeld (schakelaar A in stand ), gaat de verlichting uit, als: de wagen wordt vergrendeld, het contact wordt ingeschakeld, circa 30 seconden na het sluiten van alle portieren. Als een portier geopend blijft, of de schakelaar A staat in stand dan gaat de binnenverlichting na 10 minuten uit zodat de accu niet ontladen wordt. Wij adviseren u om de gloeilampjes te laten vervangen door een specialist. Afb. 44 Binnenverlichting - uitvoering 1 Binnenverlichting inschakelen De schakelaar A naar de rand van de verlichtingseenheid drukken, het symbool afb. 44 verschijnt. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

59 58 Licht en zicht Binnenverlichting - uitvoering 2 Waarschuwingslampje voorportier Afb. 45 Binnenverlichting - uitvoering 2 Afb. 46 Voorportier: Waarschuwingslampje Binnenverlichting inschakelen De schakelaar in stand afb. 45 drukken. Binnenverlichting uitschakelen De schakelaar in stand O drukken. Bediening van de verlichting met de portiercontactschakelaar De schakelaar in stand drukken. Voor de binnenverlichting - uitvoering 2 gelden dezelfde regelprincipes als voor bladzijde 58. Verlichting van het dashboardkastje Bij het openen van de klep van het dashboardkastje gaat het lampje in het dashboardkastje branden. Het lampje wordt bij ingeschakeld stadslicht automatisch ingeschakeld en bij het sluiten van de klep weer uitgeschakeld. Het waarschuwingslampje bevindt zich onder in de portierbekleding afb. 46. Bij het openen van het voorportier gaat het waarschuwingslampje altijd branden. Het gaat circa 10 minuten na het openen van het portier uit - zodat het ontladen van de accu wordt verhinderd. Bij sommige wagens is in plaats van het waarschuwingslampje alleen een reflector ingebouwd. Instapverlichting De verlichting bevindt zich aan de onderzijde van de buitenspiegel. De lichtbundel is gericht op het instapgebied van het voorportier. De verlichting gaat branden bij de portierontgrendeling of bij het openen van de achterklep. De verlichting gaat uit bij het inschakelen van het contact of 30 seconden na het sluiten van alle portieren en de achterklep. Als een portier of de achterklep geopend blijft, gaat bij uitgeschakeld contact de verlichting binnen 2 minuten uit. Als de instapverlichting brandt, de afdekking niet aanraken - gevaar voor verbrandingen!

60 Licht en zicht 59 Bagageruimteverlichting De verlichting wordt bij het openen van de achterklep automatisch ingeschakeld. Als de klep langer dan circa 10 minuten geopend blijft, wordt de bagageruimteverlichting automatisch uitgeschakeld. De plaats en de vorm van de toets kunnen afwijken, afhankelijk van de uitrusting van de wagen. Zonnekleppen Zicht Achterruitverwarming Afb. 48 Zonneklep: Opzij draaien / dubbele zonneklep De achterruitverwarming wordt door het indrukken van schakelaar afb. 47 in- resp. uitgeschakeld - het controlelampje in de schakelaar gaat branden resp. dooft. De achterruitverwarming werkt alleen als de motor draait. Na 10 minuten schakelt de achterruitverwarming vanzelf uit. Afb. 47 Toets voor achterruitverwarming Milieu Zodra de ruit ontwasemd is, moet de verwarming worden uitgeschakeld. Het lagere stroomverbruik heeft een gunstig effect op het brandstofverbruik bladzijde 174, Stroom besparen. De zonnekleppen voor de bestuurder resp. bijrijder kunnen uit de houder worden getrokken en naar het portier in pijlrichting A1 afb. 48 worden gedraaid. De make-upspiegels in de zonnekleppen zijn van afdekkingen voorzien. De afdichting in pijlrichting A2 schuiven. Bij wagens die zijn voorzien van dubbele zonnekleppen, kunt u na het opzij draaien van de zonneklep de hulpklep nog uitklappen in de richting van de pijl A3. De zonnekleppen mogen niet in het werkingsgebied van de hoofdairbag naar de zijruiten worden gedraaid, als daaraan voorwerpen zijn bevestigd, zoals balpennen enzovoort. Bij het activeren van de hoofdairbags zouden de inzittenden letsel kunnen oplopen. Als de boordspanning daalt, wordt de achterruitverwarming automatisch uitgeschakeld om de motorregeling van voldoende elektrische energie te kunnen voorzien. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

61 60 Licht en zicht Rolgordijn Ruitenwisser- en sproeierinstallatie Ruitenwisser Met de ruitenwisserhendel kunt u de ruitenwissers en de wiswasautomaat bedienen. Afb. 49 Uitrollen / rolgordijn uitbouwen Het rolgordijn bevindt zich in een behuizing op de bagegeruimteafdekking. Indien nodig, kunt u de behuizing met het rolgordijn uit de bagageruimteafdekking uitbouwen. Eruit trekken Het rolgordijn aan de lus A uittrekken en in de houder AB afb. 49 hangen. Oprollen Het rolgordijn losmaken uit de houders AB en zo aan de lus A vasthouden, dat het rolgordijn langzaam en zonder te beschadigen in de behuizing op de bagageruimteafdekking kan rollen. Uitbouwen De bevestigingelementen uit de bagageruimteafdekking losmaken AC. Het rolgordijn weer in de behuizing op de bagageruimteafdekking rollen. De borging in pijlrichting A1 drukken en het rolgordijn in pijlrichting A2 verwijderen. Afb. 50 Ruitenwisserhendel De ruitenwisserhendel afb. 50 kent de volgende standen: Tipwissen Als u de voorruit slechts kortstondig wilt wissen, de ruitenwisserhendel kort tegen de veerdruk A4 drukken. Als de hendel langer dan 1 seconde in de onderste stand wordt gehouden, gaat de ruitenwisser sneller bewegen. Intervalwissen De hendel omhoog in stand A1 zetten. Met de schakelaar A de gewenste pauze instellen tussen de afzonderlijke wisbewegingen. Langzaam wissen De hendel omhoog in stand A2 zetten. Snel wissen De hendel omhoog in stand A3 zetten.

62 Licht en zicht 61 Wis-wasautomaat van de voorruit De hendel tegen de veerdruk in naar het stuurwiel toe trekken in stand A5 ; de sproeierinstallatie gaat direct sproeien, terwijl even later de ruitenwissers gaan wissen. Bij een snelheid van meer dan 120 km/h werken de sproeierinstallatie en de ruitenwissers gelijktijdig. De hendel loslaten. De sproeierinstallatie stopt en de wissers maken nog 3 tot 4 wisbewegingen (afhankelijk van de tijd dat de sproeierinstallatie was ingeschakeld). Bij een snelheid van meer dan 2 km/h maakt de wisser 5 seconden na de laatste wisbeweging nog een wisslag om de laatste druppels van de ruit te wissen. Deze functie kunt u door een specialist laten in- of uitschakelen. Regensensor De hendel in positie A1 draaien. Met de schakelaar A kunt u de gevoeligheid van de sensor individueel instellen. Wissen van de achterruit De hendel van het stuurwiel af drukken in stand A6 ; de ruitenwisser maakt elke 6 seconden een wisbeweging. Wis-/wasautomaat van de achterruit De hendel tegen de veerdruk in volledig naar voren van het stuurwiel af drukken in stand A7 ; de sproeierinstallatie gaat direct sproeien, terwijl even later de ruitenwisser gaat wissen. Zolang u de hendel in deze stand houdt, werken de wisser en de sproeierinstallatie. Na het loslaten van de hendel stopt de sproeierinstallatie en maakt de wisser nog 2 tot 3 wisbewegingen (afhankelijk van de tijd dat de sproeierinstallatie was ingeschakeld). Na het loslaten blijft de hendel staan in stand A6. Ruitenwissers uitschakelen De hendel terugzetten in stand A0. Elke keer dat de ruitenwissers worden uitgeschakeld of elke derde keer dat het contact wordt uitgeschakeld, wordt de ruststand van de ruitenwissers gewijzigd, wat een voortijdige veroudering van de wisserrubbers tegengaat. De ruitenwissers en de sproeierinstallatie werken alleen bij ingeschakeld contact en gesloten motorkap 8). 8) Bij wagens die geen contactschakelaar voor de motorkap hebben, werken de ruitenwissers en -sproeiers ook bij geopende motorkap. Bij intervalwissen worden de intervallen ook snelheidsafhankelijk aangestuurd. De regensensor regelt afhankelijk van de regenintensiteit automatisch de pauze tussen de afzonderlijke wisbewegingen. Als de ruitenwissers van de voorruit zijn ingeschakeld, wordt bij het inschakelen van de achteruitversnelling de achterruit eenmaal gewist. Bijvullen van sproeiervloeistof bladzijde 199. Winterstand Als de ruitenwissers zich in de ruststand bevinden, kunnen ze niet van de voorruit worden weggeklapt. Om deze reden adviseren wij de ruststand van de ruitenwissers in de winter zodanig te wijzigen, dat ze gemakkelijk van de voorruit kunnen worden weggeklapt. Deze ruststand kan als volgt worden ingesteld: De ruitenwissers inschakelen. Het contact uitschakelen. De ruitenwissers blijven in de stand staan, waarin ze zich bevinden op het moment dat het contact wordt uitgeschakeld. Als winterstand kunt u ook de servicestand gebruiken bladzijde 62. Voor een helder zicht en veilig rijden zijn goede ruitenwisserbladen beslist noodzakelijk bladzijde 62. Bij lage temperaturen de ruitensproeierinstallatie niet gebruiken zonder eerst de voorruit te verwarmen. De ruitenreiniger zou anders kunnen vastvriezen op de voorruit en het zicht naar voren beperken. De regensensor dient slechts als hulpmiddel. De bestuurder wordt daarmee niet van de plicht ontslagen, de ruitenwisserfunctie afhankelijk van het zicht handmatig in te stellen. Voorzichtig! Bij vorst moet u, voordat u de ruitenwissers voor de eerste keer inschakelt, controleren of de ruitenwisserbladen niet zijn vastgevroren! Als de ruitenwissers worden ingeschakeld terwijl de ruitenwisserbladen zijn vastgevroren, kunnen zowel de ruitenwisserbladen als de ruitenwissermotor worden beschadigd! Als langzaam A2 of snel A3 wissen is ingeschakeld bladzijde 60, afb. 50 en de rijsnelheid van de wagen afneemt tot minder dan 4 km/h, wordt automatisch een lagere wisserstand ingeschakeld. Bij een snelheidsverhoging tot meer dan 8 km/h wordt de eerdere wisserstand weer ingesteld. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

63 62 Licht en zicht Bij een obstakel op de voorruit probeert de wisser dit obstakel weg te schuiven. Indien het obstakel de wisser blijft blokkeren, blijft de wisser om beschadiging van de wisser te voorkomen na 5 pogingen het obstakel te verwijderen, automatisch staan. Het obstakel verwijderen en de wisser opnieuw inschakelen. De ruitensproeiers van de voorruit worden bij draaiende motor en een buitentemperatuur van minder dan +10 C verwarmd. De inhoud van het ruitensproeierreservoir bedraagt 3 liter. Bij wagens die met koplampsproeiers zijn uitgerust, bedraagt de inhoud 5,5 liter. Bij wagens met interieurvoorverwarming bedraagt de inhoud van het ruitensproeierreservoir 4,5 liter. Automatische achterruitwisser (Combi) Als de ruitenwisserhendel in stand A2 bladzijde 60, afb. 50 resp. A3 staat, wordt de achterruit bij een snelheid van meer dan 5 km/h elke 30 seconden resp. 10 seconden gewist. Bij een actieve regensensor (de hendel bevindt zich in de stand A1 ) is de functie alleen actief als de ruitenwisser voor continu wist (geen pauze tussen de wisbewegingen). Activering/deactivering De functie automatische ruitenwisser wordt geactiveerd/gedeactiveerd in het informatiedisplay in het menu: Settings (Instellingen) Lights & Vision (Licht & Zicht) Rear wiper (A. ruitwisser) De functie automatische achterruitwisser geldt alleen voor Combi uitvoeringen die zijn voorzien van een informatiedisplay. Af fabriek is de functie geactiveerd. Koplampsproeiers De koplampen worden gereinigd na elke vijfde bediening van de ruitensproeierinstallatie en als het dim- of grootlicht ingeschakeld is en als de ruitenwisserhendel circa 1 seconde in stand A5 bladzijde 60, afb. 50 wordt vastgehouden. Voor het reinigen van de koplampen worden de koplampsproeiers door waterdruk uit de bumper omhooggebracht. Op gezette tijden, bijvoorbeeld tijdens een tankstop, hardnekkig vastzittend vuil (zoals insectenresten) van de koplampen verwijderen. Let op de volgende aanwijzingen bladzijde 181, De koplampglazen. Om in de winter verzekerd te zijn van de werking van de koplampsproeiers moet u de houders van de koplampsproeiers in de bumper sneeuwvrij maken en ijs met een ontdooispray verwijderen. Voorzichtig! De koplampsproeiers nooit met de hand naar buiten trekken - gevaar voor beschadiging! Ruitenwisserbladen voor de voorruit vervangen Afb. 51 Ruitenwisserblad van voorruit De wisserarmen kunnen in de ruststand niet van de voorruit worden weggeklapt. Voor het vervangen moeten de wisserarmen in de servicestand worden gezet. Servicestand voor het vervangen van wisserbladen De motorkap sluiten. Het contact in- en weer uitschakelen. Vervolgens binnen 20 seconden de ruitenwisserhendel in de stand A4 bladzijde 60, afb. 50 drukken - de wisserarmen gaan naar de servicestand. Ruitenwisserblad verwijderen De ruitenwisserarm van de ruit wegklappen en het ruitenwisserblad haaks op de ruitenwisserarm zetten. Het wisserblad in pijlrichting afb. 51 verwijderen.

64 Licht en zicht 63 Ruitenwisserblad bevestigen Het nieuwe wisserblad over de wisserarm schuiven en het wisserblad in de verticale stand draaien. Controleren of het ruitenwisserblad correct is bevestigd. De ruitenwisserarmen terugklappen op de voorruit en het contact inschakelen. Door de ruitenwisserhendel tegen de veerdruk in te drukken in stand A4 bladzijde 62, afb. 51 of bij het rijden met een snelheid hoger dan 4 km/h keren de ruitenwisserarmen in de ruststand terug. Voor een helder zicht zijn goede ruitenwisserbladen beslist noodzakelijk. Ruitenwisserbladen mogen niet door stof, insectenresten en conserveringswas verontreinigd zijn. Schrapen of strepen trekken door de ruitenwisserbladen kan te wijten zijn aan wasresten die op de ruit zijn achtergebleven bij het wassen van de wagen in een automatische wasstraat. Daarom moeten steeds nadat de wagen in een automatische wasstraat is gewassen waarbij tevens was is aangebracht, de rubbers van de ruitenwisserbladen worden ontvet. Als de voorste ruitenwisserarmen zijn weggeklapt, mag het contact niet worden ingeschakeld. De ruitenwissers keren dan terug in de ruststand en kunnen daarbij de lak van de motorkap beschadigen. Als met de ruitenwissers niet voorzichtig wordt omgegaan, is gevaar voor beschadiging van de voorruit aanwezig. Om streepvorming te voorkomen, moet u de ruitenwisserbladen regelmatig met een ruitenreiniger schoonmaken. Bij sterke vervuiling, bijvoorbeeld door insectenresten, moeten de ruitenwisserbladen met een spons of een doek worden schoongemaakt. Om veiligheidsredenen moet u de ruitenwisserbladen jaarlijks een- tot tweemaal vervangen. Deze zijn verkrijgbaar bij een geautoriseerde Škoda Servicepartner. Ruitenwisserblad voor achterruit vervangen Ruitenwisserblad verwijderen De ruitenwisserarm van de ruit wegklappen en het ruitenwisserblad haaks op de ruitenwisserarm zetten afb. 52. De ruitenwisserarm met een hand bij het bovenste deel vasthouden. Met de andere hand de vergrendeling A in pijlrichting ontgrendelen en het ruitenwisserblad verwijderen. Ruitenwisserblad bevestigen Het ruitenwisserblad op de ruitenwisserarm aanbrengen en vergrendeling vergrendelen. Controleren of het ruitenwisserblad correct is bevestigd. De ruitenwisserarm terugklappen op de ruit. Hierbij gelden dezelfde opmerkingen als bij bladzijde 62. Achteruitkijkspiegel Afb. 52 Ruitenwisserblad voor achterruit A Handmatig dimbare binnenspiegel Basisinstelling De hendel onderaan de spiegel naar voren zetten. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

65 64 Licht en zicht Spiegel dimmen De hendel onderaan de spiegel naar achteren trekken. Buitenspiegels De buitenspiegels zijn elektrisch verstelbaar. Zelfdimmende binnenspiegel Afb. 54 Binnenzijde portier: Draaiknop Inschakelen van de zelfdimfunctie Op de toets AB afb. 53 drukken, het controlelampje A brandt. Uitschakelen van de zelfdimfunctie Afb. 53 Zelfdimmende binnenspiegel Opnieuw op toets AB drukken - het controlelampje A dooft. Als de zelfdimfunctie is ingeschakeld, dimt de spiegel automatisch afhankelijk van de lichtinval van achteren. Aan de onderzijde van de spiegel bevindt zich geen hendel. Na het inschakelen van de achteruitversnelling schakelt de spiegel altijd terug in de normale positie. De zelfdimmende spiegel functioneert alleen storingsvrij, als het rolgordijn zich opgerold in de behuizing op de bagageruimteafdekking bevindt resp. als de lichtinval op de binnenspiegel niet door andere obstakels wordt beïnvloed. Geen stickers voor de lichtsensor plakken, zodat de zelfdimfunctie niet wordt beïnvloed of geblokkeerd. Wanneer de zelfdimfunctie wordt uitgeschakeld, wordt ook de zelfdimfunctie van de buitenspiegels uitgeschakeld. De buitenspiegels moeten voor het begin van de rit zodanig worden ingesteld dat het zicht naar achteren gewaarborgd is. Buitenspiegelverwarming De draaiknop in de stand afb. 54 zetten. De buitenspiegelverwarming werkt alleen bij draaiende motor en tot een buitentemperatuur van +20 C. Buitenspiegels links en rechts tegelijkertijd instellen De draaiknop in de stand zetten. De beweging van het spiegelglas is identiek aan de beweging van de draaiknop. Het gelijktijdig of afzonderlijk verstellen van de spiegels is mogelijk via het informatiedisplay bladzijde 24 in het menupunt Mirror adjust. (Spiegelverst.). Rechterbuitenspiegel instellen De draaiknop in de stand zetten. De beweging van het spiegelglas is identiek aan de beweging van de draaiknop. Bediening uitschakelen De draaiknop in de stand zetten. Beide buitenspiegels inklappen De draaiknop in de stand zetten.

66 Licht en zicht 65 Inklapbare buitenspiegels met behulp van de sleutel met radiografische afstandsbediening inklappen Als alle ruiten zijn gesloten, gedurende circa 2 seconden op de vergrendelingsknop A3 van de radiografische afstandsbediening bladzijde 42, afb. 31 drukken. Spiegelglas van buitenspiegel aan bijrijderszijde kantelen Bij wagens met geheugen voor de bestuurdersstoel kantelt het spiegelglas iets omlaag, wanneer de achteruitversnelling wordt ingeschakeld en de draaiknop zich in de stand bladzijde 64, afb. 54 bevindt. Daardoor is bij het inparkeren de stoeprand zichtbaar. De spiegel keert weer terug in de uitgangsstand, nadat de draaiknop uit de stand in een andere wordt gezet of wanneer de snelheid hoger is dan 15 km/h. Geheugen voor de buitenspiegel Bij wagens met geheugen voor de bestuurdersstoel wordt bij het opslaan van de zitpositie automatisch ook de betreffende stand van de spiegels opgeslagen bladzijde 67. Convexe (bolvormige) of asferische (verschillende bollingen) buitenspiegels vergroten het gezichtsveld. Objecten in de spiegel lijken echter kleiner te zijn. Daarom zijn deze spiegels maar beperkt geschikt om de afstand tot achterliggers in te schatten. Zo mogelijk de binnenspiegel gebruiken om de afstand tot achteropkomend verkeer te bepalen. Het spiegelglas van de buitenspiegels niet aanraken als de spiegelverwarming is ingeschakeld. Als het elektrische verstelmechanisme eens zou uitvallen, kunt u beide buitenspiegels met de hand verstellen door op de rand van het spiegelvlak te drukken. Bij een storing van de elektrische spiegelverstelling contact opnemen met een specialist. Zelfdimmende buitenspiegel aan bestuurderszijde De buitenspiegel aan bestuurderszijde dimt samen met de binnenspiegel. Als de zelfdimfunctie is ingeschakeld, dimt de spiegel automatisch afhankelijk van de lichtinval van achteren. Na het inschakelen van de achteruitversnelling schakelt de spiegel altijd terug in de normale (niet gedimde) stand. De zelfdimmende spiegel functioneert alleen storingsvrij, als het rolgordijn zich opgerold in de behuizing bevindt resp. als de lichtinval op de binnenspiegel niet door andere obstakels wordt beïnvloed. Geen stickers voor de lichtsensor plakken, zodat de zelfdimfunctie niet wordt beïnvloed of geblokkeerd. Wanneer de zelfdimfunctie van de binnenspiegel wordt uitgeschakeld, wordt ook de zelfdimfunctie van de buitenspiegels uitgeschakeld. Als de spiegels met de afstandsbediening van de sleutel zijn ingeklapt, worden deze na het openen van het portier resp. het inschakelen van het contact teruggeklapt in de rijstand. Als de buitenspiegel zij ingeklapt met de draaiknop bladzijde 64, afb. 54, kunnen deze alleen met de draaiknop weer worden teruggezet in de rijstand. Wanneer de buitenspiegels met de afstandsbediening van de sleutel zijn ingeklapt en voor het inschakelen van het contact stond de draaiknop in de stand inklappen, dan blijven de spiegels ingeklapt bij de eerstvolgende keer dat het contact wordt ingeschakeld. Het terugklappen in de rijstand volgt na het bedienen van de draaiknop in een andere stand dan de stand voor het inklappen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

67 66 Zitten en opbergen Zitten en opbergen Voorstoelen Voorstoelen instellen Basisinformatie De voorstoelen kunnen op vele manieren worden ingesteld en hiermee aan de specifieke wensen van bestuurder en bijrijder worden aangepast. De juiste instelling van de stoelen is bijzonder belangrijk voor: het eenvoudig en snel bereiken van alle bedieningselementen, een ontspannen, minder vermoeiende lichaamshouding, de optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels en de airbags. Neem nooit meer personen mee dan er zitplaatsen aanwezig zijn in de wagen. Iedere inzittende in de wagen moet de bij die zitplaats horende veiligheidsgordel juist omgespen en dragen. Kinderen moeten met een geschikt veiligheidssysteem worden vastgezet bladzijde 155, Veilig vervoer van kinderen. De voorstoelen en de hoofdsteunen moet u altijd overeenkomstig uw lichaamslengte verstellen en ook de veiligheidsgordels moet u altijd juist omgespen om u en uw medepassagiers een optimale bescherming te bieden. De voeten altijd tijdens het rijden in de voetenruimte houden - leg uw voeten nooit op het dashboard, uit het raam of op de zittingen! Dat geldt ook voor de passagiers. Door een verkeerde zithouding stelt u zich bij remmen of een aanrijding bloot aan een verhoogd risico van lichamelijk letsel. Bij een activering van de airbag kunt u zich door een verkeerde zithouding dodelijk verwonden! Voor de bestuurder en de bijrijder is het belangrijk om een afstand van ten minste 25 cm tot het stuurwiel of het dashboard aan te houden. Als de minimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Bovendien moeten de voorstoelen en de hoofdsteunen altijd in overeenstemming met de lichaamsgrootte zijn ingesteld. Zorg ervoor dat zich geen voorwerpen in de voetenruimte bevinden omdat deze voorwerpen bij een rij- of remactie tussen de pedalen kunnen komen. U zou dan niet in staat zijn te koppelen, te remmen of gas te geven. Geen voorwerpen op de bijrijdersstoel vervoeren, behalve als ze daarvoor bedoeld zijn (bijvoorbeeld een kinderzitje) - gevaar voor ongevallen! Afb. 55 Bedieningselementen op de stoel Stoel in lengterichting verstellen Hendel A1 afb. 55 naar boven trekken en de stoel in de gewenste stand schuiven. Hendel A1 loslaten en de stoel verschuiven tot de vergrendeling hoorbaar vastklikt. Zittinghoogte instellen Om de stoel hoger te zetten, hendel A2 naar boven trekken of pompbewegingen met de hendel maken. Om de stoel lager te zetten, hendel A2 naar beneden drukken of pompbewegingen met de hendel maken. Schuine stand van de rugleuning instellen De rugleuning ontlasten (niet leunen tegen de rugleuning) en handwiel verdraaien om de stand van de rugleuning in te stellen. Lendensteun instellen Wiel A4 verdraaien tot de optimale welving in het lendengedeelte is ingesteld. De bestuurdersstoel moet zodanig zijn ingesteld dat de pedalen met licht gebogen knieën geheel kunnen worden ingetrapt. De leuning van de bestuurdersstoel moet zo worden ingesteld, dat het bovenste punt van het stuurwiel met licht gebogen armen kan worden bereikt. A3

68 Zitten en opbergen 67 De bestuurdersstoel alleen verstellen bij stilstaande wagen - gevaar voor ongevallen! Voorzichtig te werk gaan bij het verstellen van de stoelen! Door onoplettend verstellen kan letsel door knellen ontstaan. Tijdens het rijden mag de leuning niet te schuin naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordels en de airbags in negatieve zin worden beïnvloed - gevaar voor verwondingen! Voorstoelen elektrisch instellen Stoel verstellen Verstelling van de rugleuning Schakelaar AB in de richting van de gewenste instelling drukken. Lendensteun instellen Om de welving van de lendensteun te vergroten, schakelaar AC aan de voorzijde indrukken. Om de welving van de lendensteun te verkleinen, schakelaar AC aan de achterzijde indrukken. Om de welving van de lendensteun hoger te zetten, schakelaar AC aan de bovenzijde indrukken. Om de welving van de lendensteun lager te zetten, schakelaar AC aan de onderzijde indrukken. Met schakelaar A wordt de stoel naar boven/beneden en naar voren/achteren versteld, met schakelaar AB wordt de rugleuning naar voren of naar achteren bewogen. Afb. 56 Zijaanzicht: Bedieningselementen voor stoelverstelling / Stoelverstelschakelaars Voor het verstellen de juiste zitpositie innemen bladzijde 66. Stoel in lengterichting verstellen Schakelaar A afb. 56 naar voren resp. naar achteren A1 drukken. Hoogte van de zitting instellen Schakelaar A naar boven resp. naar beneden drukken. De bestuurdersstoel alleen verstellen bij stilstaande wagen - gevaar voor ongevallen! Voorzichtig te werk gaan bij het verstellen van de stoel! Door ongecontroleerd of onachtzaam verstellen kan letsel door knellen ontstaan. Omdat de stoelen ook bij uitgeschakeld contact kunnen worden versteld (ook als de contactsleutel uit het contact is getrokken), mogen kinderen nooit zonder toezicht in de wagen achterblijven. Tijdens het rijden mag de leuning niet te schuin naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordels en de airbags in negatieve zin worden beïnvloed - gevaar voor verwondingen! Als tijdens het verstellen de beweging wordt onderbroken, de verstelschakelaar opnieuw in de betreffende richting drukken en de verstelling uitvoeren tot de gewenste stand. Schuine stand van de zitting instellen Schakelaar A aan de voorzijde in pijlrichting A2 resp. aan de achterzijde in pijlrichting A3 drukken. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

69 68 Zitten en opbergen Instelling opslaan Noodonderbreking U kunt de verstelling altijd onderbreken door op een willekeurige toets van de bestuurdersstoel te drukken. Afb. 57 Bestuurdersstoel: Geheugentoetsen en de SET-toets Stoel- en buitenspiegelinstellingen voor het vooruitrijden opslaan Het contact inschakelen. De stoel instellen bladzijde 67. Beide buitenspiegels instellen bladzijde 64. Toets SET A indrukken afb. 57. Een van de geheugentoetsen AB binnen 10 seconden na het indrukken van toets SET indrukken - een bevestigingstoon bevestigt het opslaan van de stoelinstelling. Buitenspiegelinstelling voor het achteruitrijden opslaan Het contact inschakelen. De buitenspiegelverstelling in stand zetten bladzijde 64. De achteruitversnelling inschakelen. De rechterbuitenspiegel in de gewenste stand zetten bladzijde 64. Versnelling uitschakelen. De ingestelde stand van de buitenspiegel wordt opgeslagen. Geheugentoetsen Het geheugen voor de stoel biedt u de mogelijkheid om een individuele stand voor de bestuurdersstoel en de buitenspiegels op te slaan. Elk van de drie geheugentoetsen AB afb. 57 kan aan een individuele stand worden toegewezen, d.w.z. in totaal drie. Na het indrukken van de betreffende geheugentoets AB worden de stoel en de buitenspiegels automatisch in de stand gezet, die aan deze toets is toegewezen bladzijde 68. Wij adviseren u om bij het reserveren van de geheugentoetsen met de voorste toets te beginnen en elke volgende bestuurder een geheugentoets toe te wijzen. Elke keer dat een nieuwe instelling onder dezelfde toets wordt opgeslagen, worden de bestaande instellingen gewist. Elke keer dat de stoel- en buitenspiegelinstellingen voor het vooruitrijden opnieuw worden opgeslagen, moet ook de individuele instelling van de rechterbuitenspiegel voor het achteruitrijden opnieuw worden opgeslagen. Sleutel met radiografische afstandsbediening aan de geheugentoetsen toewijzen Na het opslaan van de stoel- en spiegelinstellingen heeft u 10 seconden de tijd om de radiografische afstandsbediening aan de betreffende geheugentoets toe te wijzen. De sleutel uit het contact trekken. De ontgrendelingstoets indrukken bladzijde 42; na een geslaagde toewijzing klinkt er een akoestisch signaal. De instelling is opgeslagen onder de gekozen geheugentoets. Om de in het geheugen opgeslagen instellingen ook via de radiografische afstandsbediening te kunnen oproepen, moet de radiografische afstandsbediening aan een geheugentoets worden toegewezen. Een volgende sleutel met radiografische afstandsbediening kunt u, indien gewenst, via een geautoriseerde Škoda Servicepartners aanschaffen en deze sleutel aan een andere geheugentoets toewijzen. Als de radiografische afstandsbediening al eerder aan een andere geheugentoets was toegewezen, dan wordt deze door de nieuwe toewijzing gewist. Als de radiografische afstandsbediening aan een geheugentoets wordt toegewezen die al aan een andere radiografische afstandsbediening is toegewezen, dan wordt ook in dit geval de oude toewijzing door de nieuwe toewijzing gewist.

70 Zitten en opbergen 69 De toewijzing van de radiografische afstandsbediening aan een geheugentoets blijft echter bewaard na een nieuwe toewijzing van de stoelen en buitenspiegels. Na de geslaagde toewijzing knipperen de knipperlichten en klinkt er een akoestische bevestiging. De instelling is opgeslagen onder de gekozen geheugentoets. Stoel- en spiegelinstellingen oproepen De opgeslagen instellingen kunnen zowel via de geheugentoetsen als via de radiografische afstandsbediening worden opgeroepen. Oproepen via de geheugentoetsen Om de opgeslagen instelling op te roepen, heeft u twee mogelijkheden: Geheugen-tipautomaat: de gewenste geheugentoets AB kort indrukken bladzijde 68, afb. 57. De stoel en de buitenspiegels worden automatisch in de opgeslagen stand gezet (dat geldt alleen als het contact is ingeschakeld en de snelheid lager dan 5 km/h is). Geheugen-toetsbediening: De gewenste geheugentoets AB zolang indrukken en ingedrukt houden, tot de stoel en de buitenspiegels in de opgeslagen stand staan. Oproepen via de radiografische afstandsbediening Als het bestuurdersportier gesloten en het contact uitgeschakeld is, de ontgrendelingsknop op de radiografische afstandsbediening bladzijde 42 kort indrukken en vervolgens het bestuurdersportier openen. De stoel en de buitenspiegels gaan nu automatisch naar de opgeslagen stand. Buitenspiegelinstelling voor het achteruitrijden oproepen Voor het inschakelen van de achteruitversnelling de draaiknop voor de buitenspiegelinstelling in de stand draaien bladzijde 64. De spiegel keert weer terug naar de oorspronkelijke stand als de draaiknop vanuit stand in een andere wordt gezet of als de snelheid hoger dan 15 km/h is. Noodonderbreking U kunt de verstelling altijd onderbreken door op een willekeurige toets van de bestuurdersstoel te drukken. Als de hellingshoek van de rugleuning ten opzichte van de zitting groter dan 102 is, wordt bij het oproepen via een korte druk op de geheugentoets de leuning na het bereiken van deze hoek gestopt. Na het bereiken van de opgeslagen hellingshoek is het noodzakelijk om de geheugentoets in te drukken en zolang ingedrukt te houden, tot de stoel in een van de opgeslagen standen is ingesteld. Hoofdsteunen Afb. 58 Hoofdsteun: Instellen / uittrekken De optimale bescherming wordt verkregen als de bovenkant van de hoofdsteun op dezelfde hoogte ligt als het bovenste deel van uw hoofd. Hoogte van de hoofdsteunen instellen De hoofdsteun aan de zijkant met beide handen vastpakken en in de gewenste stand omhoog schuiven afb links. Om de hoofdsteun naar beneden te schuiven, de vergrendelingsknop met een hand ingedrukt houden afb rechts en met de andere hand de hoofdsteun omlaag drukken. Hoofdsteun uit- en inbouwen De hoofdsteun tot de aanslag uit de rugleuning trekken (bij de hoofdsteunen achterin de achterbankleuning naar voren klappen). De vergrendelingsknop in pijlrichting indrukken afb rechts en de hoofdsteun eruit trekken. Om de hoofdsteun weer in te bouwen de hoofdsteun zo ver naar beneden in de rugleuning schuiven tot de vergrendelingsknop hoorbaar vastklikt. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

71 70 Zitten en opbergen De voorste hoofdsteunen en achterste buitenste hoofdsteunen zijn in hoogte verstelbaar. De middelste hoofdsteun achterin kan in twee standen worden ingesteld. De hoofdsteunen moeten overeenkomstig de lichaamslengte worden ingesteld. Correct ingestelde hoofdsteunen bieden samen met de veiligheidsgordels een effectieve bescherming van de inzittenden bladzijde 140, Juiste zithouding. De hoofdsteunen moeten correct zijn ingesteld om de inzittenden bij een aanrijding effectief te kunnen beschermen. Nooit met uitgebouwde hoofdsteunen rijden - gevaar voor verwondingen! Indien de zitplaatsen achterin bezet zijn, mogen de hoofdsteunen achterin niet in de onderste stand staan. Middelste hoofdsteun achterin Om de hoofdsteun weer in te bouwen de hoofdsteun zo ver naar beneden in de rugleuning schuiven tot de vergrendelingsknop hoorbaar vastklikt. De hoofdsteunen moeten correct zijn ingesteld om de inzittenden bij een aanrijding effectief te kunnen beschermen. Nooit met uitgebouwde hoofdsteunen rijden - gevaar voor verwondingen! Indien de zitplaatsen achterin bezet zijn, mogen de hoofdsteunen achterin niet in de onderste stand staan. Achterbank Achterbank naar voren klappen Afb. 59 Achterbank: Middelste hoofdsteun In sommige landen vereisen de nationale wettelijke bepalingen dat de zitplaatsen achterin zijn uitgerust met bevestigingsogen voor kinderzitjes met het Top Tether -systeem bladzijde 160, Kinderzitje bevestigen met het Top Tether - systeem. Bij wagens die met dergelijke bevestigingsogen zijn uitgerust, bestaat er een afwijkende volgorde voor het uitbouwen van de middelste hoofdsteun. Uit- en inbouwen van de middelste hoofdsteun achterin De hoofdsteun tot de aanslag uit de rugleuning trekken. De vergrendeling in pijlrichting A drukken en tegelijkertijd met een vlakke schroevendraaier met een breedte van max. 5 mm de vergrendeling in de opening AB indrukken en de hoofdsteun eruit trekken. Afb. 60 Zitting naar voren klappen / rugleuning ontgrendelen Voor het vergroten van de bagageruimte kan de achterbank naar voren worden geklapt, of kan de zitting worden weggenomen. Bij wagens met gedeelde achterbank kunnen de stoelen ook afzonderlijk naar voren worden geklapt. Achterbank naar voren klappen Alvorens de achterbank naar voren te klappen de voorstoelen zodanig verstellen dat deze door de naar voren geklapte achterbank niet worden beschadigd. Zitting in pijlrichting A1 omhoogtrekken en in pijlrichting A2 naar voren klappen afb. 60. De ontgrendelingsknop A indrukken en de rugleuning naar voren klappen.

72 Zitten en opbergen 71 Indien de voorstoelen te ver naar achteren staan, adviseren wij de hoofdsteunen achterin te verwijderen, voordat de rugleuningen naar voren worden geklapt. De verwijderde hoofdsteunen zodanig opbergen dat ze niet kunnen worden beschadigd of vervuild. Let ook op de aanwijzingen in bladzijde 73. Stoelen in de uitgangspositie brengen Vervolg Voordat de rugleuning in de vergrendelde stand wordt teruggeklapt de achterste zijdelingse veiligheidsgordel achter de rand van de zijbekleding leggen. Voorkom dat de veiligheidsgordel tussen rugleuning en zijbekleding wordt ingeklemd en hierdoor wordt beschadigd. Zittingen uitbouwen Afb. 61 Rugleuning vergrendelen Stoelen in de uitgangspositie brengen De hoofdsteun in de iets opgetilde rugleuning aanbrengen. De achterste zijdelingse veiligheidsgordel AC afb. 61 achter de rand van de zijbekleding leggen. Vervolgens de rugleuning terugklappen tot de vergrendelingsknop vergrendelt - dit controleren door aan de rugleuning te trekken. Verzeker u ervan dat de rode markering AB niet zichtbaar is bladzijde 70, afb. 60. Zitting in de uitgangspositie brengen. Na het terugklappen van de zittingen en rugleuningen moeten de gordels en gordelsloten zich in hun oorspronkelijke posities bevinden - ze moeten direct kunnen worden gebruikt. De rugleuningen moeten correct vergrendeld zijn, zodat bij plotselinge remmanoeuvres geen voorwerpen uit de bagageruimte naar voren kunnen glijden - gevaar voor verwondingen! Let erop dat de rugleuningen correct vergrendeld zijn. Alleen dan kan de 3- puntsgordel voor de middelste zitplaats goed zijn werk doen. Afb. 62 Zittingen uitbouwen De bagageruimte bij wagens met gedeelde achterbank kan verder worden vergroot door de zittingen te verwijderen. Uitbouwen De zitting naar voren klappen. De draadbeugel in pijlrichting afb. 62 drukken en de zitting uit de bevestiging verwijderen. Inbouwen De draadbeugel in pijlrichting drukken en in de bevestiging aanbrengen. De zitting in de uitgangspositie terugklappen. Voorzichtig! Bij wagens met achterbankverwarming is het noodzakelijk om voor het verwijderen van de zitting de stekker van de stroomvoorziening los te maken. Bij het inbouwen van de zitting is het noodzakelijk om de stekker weer aan te sluiten. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

73 72 Zitten en opbergen Armsteun van de achterbank De armsteun kan ter verhoging van het comfort aan de lus naar beneden worden geklapt afb. 63. Stoelverwarming Afb. 63 Achterbank: Armsteun Door eenmaal te drukken wordt de verwarming met de hoogste intensiteit ingeschakeld - stand 3. Dit wordt aangegeven door drie controlelampjes in de schakelaar. Door nogmaals op de schakelaar te drukken, wordt de verwarmingsintensiteit teruggeregeld tot de verwarming uitschakelt. De verwarmingsintensiteit wordt aangegeven aan de hand van het aantal brandende controlelampjes in de schakelaar. Als de verwarming van de zitplaatsen achterin op de hoogste intensiteit - stand 3 - wordt ingesteld, wordt na 10 minuten automatisch overgeschakeld naar stand 2 (in de schakelaar branden twee controlelampjes). Bij beperkte pijn- en/of temperatuurwaarneming, bijvoorbeeld door medicijngebruik, door verlamming of door chronische ziekte (bijvoorbeeld diabetes), raden wij aan geheel af te zien van het gebruik van de stoelverwarming. Het kan leiden tot moeilijk te genezen verbrandingen aan rug, zitvlak en benen. Als u de stoelverwarming toch wilt gebruiken, adviseren wij, bij langere ritten regelmatig een pauze in te lassen, zodat het lichaam zich kan herstellen van de belasting die tijdens het rijden ontstaat. Om uw concrete situatie te beoordelen wendt u zich tot uw behandelend arts. Afb. 64 Knoppen voor verwarming van de voorstoelen / achterbank De rugleuningen en zittingen van de voorstoelen en de beide buitenste zitplaatsen achterin kunnen elektrisch worden verwarmd. Door het vlak van de knop met het symbool afb links in te drukken, kan de stoelverwarming van de bestuurders- en bijrijdersstoel worden ingeschakeld en geregeld. Door de knop afb rechts in te drukken kan de verwarming van de linker- resp. rechterzitplaats achterin worden ingeschakeld en geregeld. Voorzichtig! Om de verwarmingselementen van de stoelverwarming niet te beschadigen, mag u niet op de stoelen knielen en moet puntbelasting worden voorkomen. Indien de stoelen niet door personen zijn bezet of zich hierop voorwerpen bevinden, bijvoorbeeld een kinderzitje, tas of dergelijke, de stoelverwarming niet gebruiken. Er kan een storing optreden in de verwarmingselementen van de stoelverwarming. De stoelen niet vochtig schoonmaken bladzijde 183. De stoelverwarming alleen bij draaiende motor inschakelen. Hierdoor wordt de accu minder belast. Als de boordspanning daalt, wordt de stoelverwarming automatisch uitgeschakeld om de motorregeling van voldoende elektrische energie te kunnen voorzien.

74 Zitten en opbergen 73 Pedalen Met het oog op een veilige bediening van de pedalen alleen vloermatten uit het originele Škoda accessoireprogramma aanbrengen. De pedalen moeten zonder belemmeringen kunnen worden bediend! Bij storingen aan het remsysteem kan de pedaalslag groter worden. Geen matten of andere extra vloerbedekking in de buurt van de pedalen leggen, omdat alle pedalen volledig moeten kunnen worden ingetrapt en ongehinderd in hun uitgangsstand moeten kunnen terugkomen - gevaar voor ongevallen! Op de bodem mogen daarom geen voorwerpen worden neergelegd die onder de pedalen kunnen glijden. U zou dan niet meer in staat zijn te remmen, te koppelen of gas te geven - gevaar voor ongevallen! Bagageruimte Bagageruimte beladen In het belang van de goede rijeigenschappen moet op het volgende worden gelet: De bagage zo gelijkmatig mogelijk over de bagageruimte verdelen. Zware voorwerpen zo ver mogelijk naar voren plaatsen. De bagage aan de bevestigingsogen of met het bagagenet bevestigen bladzijde 74. Bij een aanrijding of een ongeval kunnen ook kleine en lichte voorwerpen zoveel kinetische energie genereren dat zij zwaar lichamelijk letsel kunnen veroorzaken. De grootte van de kinetische energie is afhankelijk van de rijsnelheid en van het gewicht van het voorwerp. De rijsnelheid is daarbij de meest bepalende factor. Voorbeeld: Een losliggend voorwerp met een gewicht van 4,5 kg krijgt bij een frontale aanrijding met 50 km/h een energie die 20 keer zo groot is dan zijn eigen gewicht. Dit betekent dat er een kracht van ca. 90 kg ontstaat. U kunt zich voorstellen wat voor lichamelijk letsel kan ontstaan als dit door het interieur vliegende projectiel een inzittende treft. Voorwerpen in de bagageruimte opbergen en deze met de bevestigingsogen bevestigen. Losse voorwerpen kunnen bij een plotselinge manoeuvre alsmede bij ongevallen door het interieur rondvliegen en de inzittenden of andere verkeersdeelnemers zware verwondingen toebrengen. Dit gevaar voor verwondingen wordt nog eens extra vergroot als rondvliegende voorwerpen worden geraakt door een activerende airbag. In dit geval kunnen de teruggeslingerde voorwerpen de inzittenden verwonden - levensgevaar. Houd er rekening mee dat bij het vervoeren van zware of grote voorwerpen de rij-eigenschappen veranderen door de verplaatsing van het zwaartepunt. Snelheid en rijstijl moeten hierop worden afgestemd. De lading moet zo goed vastgezet zijn, dat bij plotselinge rij- en remmanoeuvres geen voorwerpen naar voren kunnen glijden - gevaar voor verwondingen! Nooit met een geopende achterklep rijden, omdat dan giftige uitlaatgassen het interieur kunnen binnendringen - vergiftigingsgevaar! In geen geval de toegestane asbelastingen en het maximaal toelaatbaar gewicht van de wagen overschrijden - gevaar voor ongevallen! Nooit personen meenemen in de bagageruimte! Voorzichtig! Erop letten, dat vervoerde voorwerpen met scherpe randen geen schade aan de volgende onderdelen veroorzaken: Verwarmingsdraden op de achterruit, Draden van de in de achterruit geïntegreerde antenne (Octavia), Draden van de in de achterste zijruiten geïntegreerde antenne (Combi). De bandenspanning moet aan de belading worden aangepast bladzijde 200. Voertuigen van de categorie N1 Bij voertuigen van de categorie N1 die niet van een veiligheidsrek voorzien zijn, moet voor de bevestiging van de lading een vastsjorset worden gebruikt die voldoet aan de norm EN (1-4). Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

75 74 Zitten en opbergen Bevestigingselementen Bagagenetten - Octavia Afb. 65 Bagageruimte: Bevestigingselementen Octavia / Combi Aan de zijkant van de bagageruimte bevinden zich elementen voor het vastzetten van bagage. Aan deze ogen kan ook een bodembagagenet voor het vasthouden van kleine voorwerpen worden aangebracht. Het bodembagagenet bevindt zich, samen met de inbouwhandleiding, in een bak onder de bagageruimtebodem achter het reservewiel. De te vervoeren lading moet zodanig worden bevestigd, dat deze tijdens het rijden en bij het remmen niet kan bewegen. Wordt bagage of worden voorwerpen met ongeschikte of beschadigde spanbanden aan de bevestigingselementen vastgemaakt, dan kan bij remmanoeuvres of ongevallen lichamelijk letsel ontstaan. Om te voorkomen dat bagage naar voren kan vliegen altijd geschikte bevestigingsbanden gebruiken die aan de bevestigingselementen moeten worden bevestigd. Afb. 66 Bagagenet: Dwarstas / langstas Bevestigingsvoorbeelden van het bagagenet als dwarstas afb. 66 links en langstas afb rechts. Het bagagenet is in een opbergvak achter het reservewiel onder de bagageruimtebodem opgeborgen. Het bagagenet is geschikt voor een belading met voorwerpen tot 1,5 kg. Zwaardere voorwerpen worden niet voldoende beveiligd - gevaar voor letsel en beschadiging van het net! De te vervoeren lading moet zodanig worden bevestigd, dat deze tijdens het rijden en bij het remmen niet kan bewegen. Voorzichtig! In de netten geen voorwerpen met scherpe randen plaatsen - gevaar voor beschadiging van het net. De bovenste voorste bevestigingsogen bevinden zich achter de omklapbare achterbankleuning afb. 65.

76 Zitten en opbergen 75 Bagagenetten - Combi Uitklapbare dubbele haak (Octavia) Afb. 68 Bagageruimte: uitklapbare dubbele haak Afb. 67 Bagagenet: Langstas / verdeling van de bagageruimte Bevestigingsvoorbeelden van het bagagenet als langstas afb links en als verdeling van de bagageruimte met behulp van het net afb rechts. Het bagagenet is in een opbergvak achter het reservewiel onder de bagageruimtebodem opgeborgen. Het bagagenet is geschikt voor een belading met voorwerpen tot 1,5 kg. Zwaardere voorwerpen worden niet voldoende beveiligd - gevaar voor letsel en beschadiging van het net! De te vervoeren lading moet zodanig worden bevestigd, dat deze tijdens het rijden en bij het remmen niet kan bewegen. Afhankelijk van de uitvoering van de wagen bevindt zich aan een of aan beide zijden van de bagageruimte een uitklapbare dubbele haak voor de bevestiging van kleinere bagagestukken, zoals tassen e.d. afb. 68. Voorzichtig! Aan elke zijde van de dubbele haak kan bagage tot maximaal 5 kg worden opgehangen. Uitklapbare haak (Combi) Voorzichtig! In de netten geen voorwerpen met scherpe randen plaatsen - gevaar voor beschadiging van het net. Afb. 69 Bagageruimte: uitklapbare haak Aan beide zijden van de bagageruimte bevinden zich uitklapbare haken voor de bevestiging van kleinere bagagestukken, zoals tassen e.d. afb. 69. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

77 76 Zitten en opbergen Voorzichtig! Aan de haken kan bagage met een gewicht tot max. 7,5 kg worden opgehangen. Bagageruimtebodem bevestigen In het bagagenet mogen alleen voorwerpen worden meegenomen tot maximaal 1,5 kg. Zwaardere voorwerpen worden niet voldoende beveiligd - gevaar voor verwondingen! In het bagagenet geen voorwerpen met scherpe randen opbergen, omdat deze het bagagenet kunnen beschadigen. Hoedenplank (Octavia) De hoedenplank achter de hoofdsteunen achterin kan alleen worden gebruikt voor het deponeren van lichte en zachte voorwerpen. Afb. 70 Bagageruimte: Bevestiging van de bagageruimtebodem Octavia / Combi Op de bagageruimtebodem bevindt zich een lus (Octavia) resp. haak (Combi). De opgetilde bagageruimtebodem kan, om bijvoorbeeld bij het reservewiel te komen, aan een haak aan de hoedenplank (Octavia) afb links resp. aan het frame van de achterklep (Combi) afb rechts worden bevestigd. Bagagenet (Octavia) Afb. 72 Uitbouwen van de hoedenplank Als u grotere voorwerpen wilt vervoeren, kan zo nodig de hoedenplank worden uitgebouwd. De ophangkoorden loshaken A1 afb. 72. De afdekking in de horizontale stand zetten. De afdekking uit de bevestiging A2 horizontaal naar achteren trekken. Bij het inbouwen eerst de bagageruimteafdekking in de houders A2 schuiven en vervolgens de ophangkoorden A1 aan de achterklep bevestigen. Afb. 71 Bagageruimte: Bagagenet Het bagagenet is bedoeld voor het vervoeren van lichte voorwerpen. De uitgebouwde hoedenplank kan achter de achterbankleuning worden opgeborgen.

78 Zitten en opbergen 77 Op de hoedenplank mogen geen voorwerpen worden neergelegd, die de inzittenden in gevaar zouden kunnen brengen bij plotseling remmen of bij een aanrijding. Voorzichtig! Let erop dat de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming niet door op de hoedenplank neergelegde voorwerpen worden beschadigd. Bij het openen van de achterklep wordt de hoedenplank mee opgetild. Uitbouwen Voor het vervoeren van grotere bagagestukken kan de volledig opgerolde bagageruimteafdekking worden uitgebouwd door op de zijkant van de dwarsstang in pijlrichting A3 te drukken en de bagageruimteafdekking in pijlrichting A4 te verwijderen. Op de bagageruimteafdekking mogen geen voorwerpen worden gelegd. Inverdeling van de variabele bagageruimtevloer in de bagageruimte Oprolbare bagageruimteafdekking (Combi) Afb. 74 Bagageruimte: Bagageruimte met variabele bagageruimtevloer indelen Afb. 73 Bagageruimte: Oprolbare bagageruimteafdekking / oprolbare bagageruimteafdekking uitnemen Eruit trekken De oprolbare bagageruimteafdekking in pijlrichting A1 tot aan de aanslag in de borgstand trekken afb. 73. De bagageruimte kan met de variabele bagageruimtevloer in compartimenten worden verdeeld. Het deel met de bevestiging optillen en vergrendelen door dit in de sleuven te schuiven afb. 74. Oprollen De afdekking aan de handgreep in de pijlrichting A2 drukken, de afdekking rolt automatisch op. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

79 78 Zitten en opbergen Variabele bagageruimtevloer in de bagageruimte uitbouwen Scheidingsnet (Combi) Gebruik van het bagagescheidingsnet achter de achterbank Afb. 75 Bagageruimte: Variabele bagageruimtevloer uitbouwen / Geleidingen uitbouwen De variabele bagageruimtevloer maakt een eenvoudiger gebruik van omvangrijke bagage mogelijk. De variabele bagageruimtevloer kan zo nodig worden uitgebouwd. De variabele bagageruimtevloer ontgrendelen door de vergrendelingsogen A afb. 75 circa 90 naar links te draaien. Door de beweging in pijlrichting te volgen de bagageruimtevloer samenklappen en verwijderen. De geleidingen AB ontgrendelen door de opzetbevestigingsogen AC circa 90 naar rechts te draaien. Let er bij het inbouwen van de variabele bagageruimtevloer op, dat de geleidingen en de variabele bagageruimtevloer correct zijn aangebracht. Als dit niet het geval is, bestaat er gevaar voor verwonding van de inzittenden. Voorzichtig! De maximale belasting van de variabele bagageruimtevloer bedraagt 75 kg. Afb. 76 Wegklappen van de opbergvakafdekking / bagagescheidingsnet eruit trekken Eruit trekken De opbergvakafdekking achter de achterbank neerklappen afb links. Het bagagescheidingsnet aan lip A uit behuizing AB in de richting van de bevestigingen AC trekken. De dwarsstang in een van de steunen AC plaatsen en de dwarsstang naar voren drukken. Op dezelfde wijze de dwarsstang aan de andere wagenzijde bevestigen, steun AC. De opbergvakafdekking naar beneden klappen. Oprollen De opbergvakafdekking achter de achterbank wegklappen afb. 76. De dwarsstang eerst aan de ene en daarna aan de andere zijde iets naar achteren trekken en de dwarsstang uit de steunen AC nemen. De dwarsstang zo houden dat het bagagescheidingsnet langzaam en zonder beschadiging in behuizing AB kan oprollen. De opbergvakafdekking naar beneden klappen. Als u de gehele bagageruimte wilt gebruiken, kan de oprolbare bagageruimteafdekking worden uitgebouwd bladzijde 77, afb. 73.

80 Zitten en opbergen 79 Controleer of de dwarsstang in de voorste stand in de bevestigingen AC is gestoken! Let erop dat de rugleuning correct is vergrendeld. Alleen dan kan de 3-puntsgordel voor de middelste zitplaats goed zijn werk doen. Gebruik van het bagagescheidingsnet achter de voorstoelen Na het terugklappen van de zittingen en de rugleuningen moeten de gordelsloten en veiligheidsgordels zich in de uitgangspositie bevinden - ze moeten klaar voor gebruik zijn. De rugleuningen moeten correct vergrendeld zijn, zodat bij plotselinge remmanoeuvres geen voorwerpen uit de bagageruimte naar voren kunnen glijden - gevaar voor verwondingen! Let erop dat de rugleuning correct is vergrendeld. Alleen dan kan de 3-puntsgordel voor de middelste zitplaats goed zijn werk doen. Controleer of de dwarsstang in de voorste stand in de bevestigingen AC is gestoken! Bagagescheidingsnetbehuizing uit- en inbouwen Afb. 77 Bagagescheidingsnet eruit trekken Eruit trekken De achterbank naar voren klappen bladzijde 70. Het scheidingsnet aan lip A afb. 77 uit behuizing AB trekken. De dwarsstang eerst aan een zijde in steun AC plaatsen en de dwarsstang naar voren drukken. Op dezelfde wijze de dwarsstang aan de andere wagenzijde bevestigen, steun AC. Oprollen De dwarsstang eerst aan de ene en daarna aan de andere zijde iets naar achteren trekken en de dwarsstang uit de steunen AC nemen. De dwarsstang zo houden dat het bagagescheidingsnet langzaam en zonder beschadiging in behuizing AB kan oprollen. De achterbank in de uitgangspositie terugklappen. Uitbouwen De achterbank naar voren klappen bladzijde 70. Afb. 78 Achterbank: Bagagescheidingsnetbehuizing Het rechterachterportier openen. De bagagescheidingsnetbehuizing A afb. 78 in pijlrichting A1 schuiven en deze uit de steun nemen van de achterbank in pijlrichting A2. Inbouwen De uitsparingen van de bagagescheidingsnetbehuizing in de steunen in de rugleuningen van de achterbank plaatsen. De bagagescheidingsnetbehuizing tegen pijlrichting A1 tot aan de aanslag schuiven. De achterbank in de uitgangspositie terugklappen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

81 80 Zitten en opbergen Let erop dat de rugleuning correct is vergrendeld. Alleen dan kan de 3-puntsgordel voor de middelste zitplaats goed zijn werk doen. Bevestigingspunten (Octavia) Dakdragersysteem Omschrijving Voorzichtig! Alleen door Škoda Auto goedgekeurde dakdragers gebruiken. Als u andere dakdragersystemen gebruikt of de dragers niet volgens voorschrift monteert, is daardoor ontstane schade aan de wagen uitgesloten van de garantie. Daarom beslist de meegeleverde montagehandleiding van het dakdragersysteem in acht nemen. Bij auto's met elektrisch schuif-kanteldak moet erop worden gelet dat het geopende schuif-kanteldak niet tegen de daklading aankomt. Let erop dat de geopende achterklep niet tegen de lading op het dak stoot. Milieu Door de hogere luchtweerstand neemt het brandstofverbruik toe. Voor een wagen die af fabriek niet is uitgevoerd met een dakreling, is deze verkrijgbaar uit het originele Škoda accessoireprogramma. De aanwijzingen met betrekking tot de montage en demontage in de bijgeleverde handleiding opvolgen. Neem bij onduidelijkheden contact op met een specialist. Afbeelding geldt niet voor Combi's. Daklading Afb. 79 Bevestigingspunten voor basisdragers De belading gelijkmatig op het dakdragersysteem verdelen. De toegestane dakbelasting (inclusief het dakdragersysteem) van 75 kg en het toegestane totaalgewicht van de auto mogen niet worden overschreden. Bij gebruik van dakdragersystemen met een lager draagvermogen kunt u niet volledig profiteren van de toegestane dakbelasting. In die gevallen mag u de dakdragers maar belasten tot de maximale gewichtsgrens die in de montagehandleiding is aangegeven. De lading op het dak moet goed worden bevestigd - gevaar voor ongevallen! U mag de toegestane dakbelasting, de toegestane asbelasting en het toegestane totaalgewicht van uw auto in geen geval overschrijden - gevaar voor ongevallen! Houd er rekening mee dat de rijeigenschappen bij het vervoeren van zware, resp. grote voorwerpen op de dakdragers veranderen door de verplaatsing van het zwaartepunt, resp. door het grotere aangrijpingsvlak van de wind - gevaar

82 Zitten en opbergen 81 Vervolg voor ongevallen! Uw rijstijl en snelheid daarom beslist aan de omstandigheden aanpassen. Bekerhouder in de middenconsole achterin Bekerhouder Bekerhouder voorin de middenconsole Afb. 81 Achterstuk middenconsole: Bekerhouder Bij A op de afdekplaat drukken afb de bekerhouder schuift iets naar buiten. De bekerhouder tot de aanslag eruit trekken. De bekerhouder instellen door het verschuiven van de klemplaat AB. Afb. 80 Voorstuk middenconsole: Bekerhouder In de uitsparingen kunnen twee bekers worden geplaatst afb. 80. Plaats geen bekers met hete drank in de bekerhouder. Als de auto rijdt, kan deze worden gemorst - gevaar voor brandwonden! Geen breekbare bekers (bijv. glas, porselein) gebruiken. U zou daardoor bij een aanrijding gewond kunnen raken. Plaats geen bekers met hete drank in de bekerhouder. Als de auto rijdt, kan deze worden gemorst - gevaar voor brandwonden! Geen breekbare bekers (bijv. glas, porselein) gebruiken. U zou daardoor bij een aanrijding gewond kunnen raken. Voorzichtig! De bekers in de bekerhouder tijdens het rijden niet open laten. Drank kan bijv. bij het remmen gemorst worden en schade aan de wagen toebrengen. Voorzichtig! De bekers in de bekerhouder tijdens het rijden niet open laten. Drank kan bijvoorbeeld bij het remmen worden gemorst en daarbij elektrische onderdelen of de stoelbekleding beschadigen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

83 82 Zitten en opbergen Parkeertickethouder Asbakinzetstuk verwijderen Bij AB op het asbakinzetstuk drukken (het inzetstuk komt eruit) en dit verwijderen. Asbakinzetstuk aanbrengen Het asbakinzetstuk in de bevestiging plaatsen en erin drukken. Nooit brandbare voorwerpen in de asbak leggen - brandgevaar! Afb. 82 Voorruit: Parkeertickethouder De tickethouder dient bijvoorbeeld voor het bevestigen van het parkeerticket op parkeerplaatsen waar moet worden betaald. Voor het begin van de rit moet het ticket altijd worden verwijderd, zodat het zicht van de bestuurder niet wordt gehinderd. Asbak achterin - lage middenconsole Asbak Asbak voorin Afb. 84 Lage middenconsole: Asbak achterin Asbak openen Het deksel van de asbak aan de onderrand A vastpakken en in pijlrichting afb. 84 openklappen. Asbak verwijderen De asbak aan greep AB vastpakken en naar boven toe verwijderen. Afb. 83 Middenconsole: Asbak voorin / Asbakinzetstuk voorin verwijderen Asbak openen Op het onderste gedeelte van het deksel van de asbak drukken - zie afb. 83. A Asbak plaatsen De asbak in de console plaatsen en erin drukken. Nooit brandbare voorwerpen in de asbak leggen - brandgevaar!

84 Zitten en opbergen 83 Asbak achterin - hoge middenconsole Sigarettenaansteker, stopcontacten Sigarettenaansteker Het stopcontact van de sigarettenaansteker kan ook voor andere elektrische apparaten worden gebruikt. Afb. 85 Hoge middenconsole: Asbak achterin Asbak openen Bij A op het bovenste gedeelte van het deksel van de asbak drukken afb. 85. Asbakinzetstuk verwijderen Het deksel van de asbak licht tot de aanslag omlaagdrukken. Het asbakinzetstuk bij de afdekking AB vastpakken en verwijderen. Asbakinzetstuk aanbrengen Het asbakinzetstuk in de bevestiging plaatsen en erin drukken. Nooit brandbare voorwerpen in de asbak leggen - brandgevaar! Bediening van de sigarettenaansteker De knop van de sigarettenaansteker indrukken afb. 86. Wachten tot de knop weer naar buiten springt. De sigarettenaansteker direct eruit nemen en gebruiken. De sigarettenaansteker weer in het stopcontact steken. Afb. 86 Middenconsole: Sigarettenaansteker Gebruik van het stopcontact De sigarettenaansteker resp. de afdekking van het stopcontact verwijderen. De stekker van het elektrische apparaat in het stopcontact steken. Het 12 V stopcontact kan ook voor andere elektrische accessoires met een vermogen tot 120 watt worden gebruikt. Wees voorzichtig bij het gebruik van de sigarettenaansteker! Door onachtzaam of ongecontroleerd gebruik van de sigarettenaansteker kunnen verbrandingen worden veroorzaakt. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

85 84 Zitten en opbergen Vervolg De sigarettenaansteker en het stopcontact werken ook bij uitgeschakeld contact en als de contactsleutel uit het contact is getrokken. Daarom nooit kinderen zonder toezicht in de auto achterlaten. Voorzichtig! Ter voorkoming van beschadiging van het stopcontact alleen passende stekkers gebruiken. Bij stilstaande motor en ingeschakelde verbruikers wordt de accu ontladen - gevaar voor een lege accu! Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 205, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Stopcontact in bagageruimte (Combi) Afb. 87 Bagageruimte: Stopcontact Het afdekkapje van het stopcontact openen afb. 87. De stekker van het elektrische apparaat in het stopcontact steken. Het stopcontact mag alleen voor de aansluiting van vrijgegeven elektrische accessoires met een vermogensafname van maximaal 120 watt worden gebruikt. Bij stilstaande motor wordt daarbij echter de accu ontladen. Hier gelden dezelfde opmerkingen als bij bladzijde 83, Sigarettenaansteker, stopcontacten. Zie voor verdere aanwijzingen bladzijde 205, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Opbergvakken Overzicht In uw auto treft u de volgende opbergmogelijkheden aan: Dashboardkastje bladzijde 85 Opbergvak aan bestuurderszijde bladzijde 85 Opbergvak in het dashboard bladzijde 86 Opbergvak voorin de middenconsole bladzijde 86 Bagagenet aan de middenconsole voorin bladzijde 86 Brillenvak bladzijde 87 Opbergvak in de voorportieren bladzijde 87 Opbergvak onder de bijrijdersstoel bladzijde 87 Armsteun van de voorstoelen met opbergvak bladzijde 88 Armsteun van de achterbank met opbergvak bladzijde 88 Opbergvak achterin de middenconsole bladzijde 89 Achterbankleuning met skiluik bladzijde 89 Uitneembare skizak bladzijde 90 Zijvak bladzijde 90 Opbergvak achter de achterbank (Combi) bladzijde 91 Kledinghaken bladzijde 91 Niets op het dashboard leggen. Deze voorwerpen zouden tijdens het rijden (bij accelereren of rijden in de bocht) kunnen verschuiven of vallen en uw aandacht van de verkeerssituatie afleiden - gevaar voor ongevallen!

86 Zitten en opbergen 85 Vervolg Let erop dat er tijdens het rijden geen voorwerpen vanuit de middenconsole of vanuit andere opbergruimten in de voetenruimte van de bestuurder terecht kunnen komen. U zou dan niet meer in staat zijn te remmen, te koppelen of gas te geven - gevaar voor ongevallen! Koeling van het dashboardkastje Het dashboardkastje is bij wagens met airconditioning uitgerust met een afsluitbare luchttoevoer. Dashboardkastje Afb. 89 Dashboardkastje: Bediening van de koeling Met de draaiknop afb. 89 wordt de luchttoevoer geopend resp. gesloten. Dashboardkastje openen en sluiten Op de handgreep van het deksel drukken afb het deksel klapt naar beneden toe open. Het deksel naar boven klappen tot het hoorbaar vastklikt. Afb. 88 Dashboard: Dashboardkastje Aan de binnenzijde van het deksel zit een pennenhouder en notitieblokhouder. Als de luchttoevoer is geopend en de airconditioning is ingeschakeld, stroomt gekoelde lucht in het dashboardkastje. Als de luchttoevoer bij uitgeschakelde airconditioning wordt geopend, stroomt aangezogen buitenlucht of interieurlucht in het dashboardkastje. Als de verwarming is ingeschakeld of de koeling van het dashboardkastje niet wordt gebruikt, adviseren wij u de luchttoevoer uit te schakelen. Opbergvak aan bestuurderszijde Om veiligheidsredenen moet het opbergvak tijdens het rijden altijd zijn gesloten. Tijdens het rijden geen bekers met hete drank in de bekerhouder plaatsen. Gemorste drank kan schade aan het elektrisch systeem en de bekleding veroorzaken. Hete drank kan brandwonden veroorzaken. Afb. 90 Dashboard: Opbergvak aan bestuurderszijde Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

87 86 Zitten en opbergen Het opbergvak wordt geopend door de handgreep op te tillen en het opbergvak in pijlrichting bladzijde 85, afb. 90 open te klappen. Opbergvak voorin de middenconsole Om veiligheidsredenen moet het opbergvak tijdens het rijden altijd zijn gesloten. Opbergvak in het dashboard Afb. 92 Voorstuk middenconsole: Opbergvak Bij A op het onderste deel van het deksel van het opbergvak drukken afb het deksel klapt open. Afb. 91 Dashboard: Opbergvak Op het midden van het opbergvak drukken afb het deksel klapt open. Bepaalde type-uitvoeringen hebben een opbergvak zonder deksel. Het opbergvak is geen vervanging voor de asbak en mag ook niet als zodanig worden gebruikt - brandgevaar! Bagagenet aan de middenconsole voorin Het opbergvak is geen vervanging voor de asbak en mag ook niet als zodanig worden gebruikt - brandgevaar! Om veiligheidsredenen moet het opbergvak tijdens het rijden altijd zijn gesloten. In het opbergvak geen licht ontvlambare voorwerpen leggen of voorwerpen die gevoelig zijn voor warmte (bijv. aanstekers, spuitbussen, brillen, koolzuurhoudende dranken). Afb. 93 Voorstuk middenconsole: Bagagenet Het bagagenet aan de middenconsole voorin afb. 93 is bestemd voor het vervoeren van kleine voorwerpen.

88 Zitten en opbergen 87 In het bagagenet mogen alleen voorwerpen worden meegenomen tot maximaal 0,5 kg. Zwaardere voorwerpen worden niet voldoende beveiligd - gevaar voor verwondingen! In het bagagenet geen voorwerpen met scherpe randen opbergen, omdat deze het bagagenet kunnen beschadigen. Opbergvak in de voorportieren Brillenvak Afb. 95 Opbergvak in de voorportieren Bij AB in het opbergvak van de voorportieren bevindt zich een flessenhouder. Afb. 94 Deel van de hemelbekleding: Brillenvak Op de klep van het opbergvak drukken, het opbergvak klapt naar beneden toe open afb. 94. Om ervoor te zorgen dat de werking van de zijairbags niet kan worden beïnvloed, mag gedeelte A afb. 95 van het opbergvak alleen worden gebruikt voor het opbergen van voorwerpen die niet uitsteken. Opbergvak onder de bijrijdersstoel Voorzichtig! Het opbergvak mag alleen worden geopend voor het uitnemen of inleggen van de bril en moet verder gesloten blijven. In het opbergvak geen warmtegevoelige voorwerpen leggen - deze kunnen worden beschadigd. Afb. 96 Bijrijdersstoel: Opbergvak Om de klep te openen de sluiting iets kantelen en de klep opentrekken afb. 96. Om de klep te sluiten de sluiting iets kantelen en de klep dichtdrukken. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

89 88 Zitten en opbergen Voorzichtig! Het opbergvak is bedoeld om kleine voorwerpen tot 1,5 kg in te bewaren. Armsteun van de voorstoelen met opbergvak Luchtinlaat sluiten De afsluiting A tot de aanslag naar beneden schuiven. Bij wagens met airconditioning is het opbergvak uitgerust met een afsluitbare inlaat voor geklimatiseerde lucht. Bij geopende luchttoevoer stroomt lucht in het opbergvak met een temperatuur die gelijk is aan die uit de luchtuitstroomopeningen. Er stroomt lucht naar het opbergvak als de draaiknop voor de luchtverdeling in stand staat. In deze stand stroomt een maximale hoeveelheid lucht in het opbergvak (ook afhankelijk van de stand van de draaiknop voor de aanjager). Het opbergvak kan bijvoorbeeld voor het koelen van blikjes enz. worden gebruikt. Indien u de luchttoevoer in het opbergvak niet wilt gebruiken, moet de afsluiting altijd gesloten zijn. Afb. 97 Armsteun: Opbergvak / koeling van het opbergvak De armsteun is in hoogte en lengterichting verstelbaar. Opbergvak openen Het deksel van de armsteun in pijlrichting openen afb links. Voor het bedienen van de handrem het deksel van de armsteun tot de aanslag naar achteren schuiven. Armsteun van de achterbank met opbergvak Opbergvak sluiten Het deksel tot de aanslag openen, pas dan kan het naar beneden worden geklapt. Hoogte instellen Eerst het deksel naar beneden klappen en dan in pijlrichting in een van de vier standen tillen. In lengterichting verstellen Het deksel in de gewenste stand schuiven Luchtinlaat openen De afsluiting A naar boven trekken. Afb. 98 Armsteun van de achterbank In de armsteun bevindt zich een opbergvak. Om het opbergvak te openen op de knop aan de voorzijde drukken afb. 98 en het deksel optillen.

90 Zitten en opbergen 89 Opbergvak achterin de middenconsole armsteun en het deksel van de passagiersruimte resp. bagageruimte kunnen worden opgegeklapt. Openen vanuit het interieur De armsteun van de achterbank aan de lus omlaagklappen bladzijde 72. De handgreep tot de aanslag naar boven trekken en het deksel naar beneden toe openklappen afb links. Het opbergvak is uitgerust met een uitneembaar inzetstuk. Het opbergvak openen door aan de bovenste rand van het opbergvak A in pijlrichting afb. 99 te trekken. Het opbergvak is geen vervanging voor de asbak en mag ook niet als zodanig worden gebruikt - brandgevaar! Achterbankleuning met skiluik Afb. 99 Achterstuk middenconsole: Opbergvak Openen vanuit de bagageruimte De ontgrendelingsknop naar beneden schuiven afb rechts en het deksel (met armsteun) naar voren klappen. Sluiten Het deksel en de armsteun tot de aanslag naar boven klappen - het deksel moet hoorbaar vergrendelen. Let erop dat de armsteun na het sluiten altijd vergrendeld is. Dit is te herkennen aan het feit dat de rode markering boven de ontgrendelingsknop A vanuit de bagageruimte niet zichtbaar is. Het skiluik is uitsluitend bestemd voor het vervoeren van ski's, die zich in de correct bevestigde, uitneembare skizak moeten bevinden bladzijde 90. Afb. 100 Achterbank: Greep van het deksel / Bagageruimte: Ontgrendelingsknop Na het openklappen van de armsteun en het deksel komt in de rugleuning een opening vrij, waardoor de uitneembare skizak met ski's kan worden gestoken. De Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

91 90 Zitten en opbergen Skizak De uitneembare skizak dient uitsluitend voor het vervoeren van ski's. Inpakken Afb. 101 Bevestiging van de uitneembare skizak De achterklep openen. De armsteun achterin en het deksel in de rugleuning naar beneden klappen bladzijde 89, Achterbankleuning met skiluik. De lege uitneembare skizak zodanig aanbrengen, dat het uiteinde met de ritssluiting zich in de bagageruimte bevindt. De ski's vanuit de bagageruimte in de uitneembare skizak schuiven. Vastzetten De trekband A aan het vrije uiteinde vóór de bindingen stevig om de ski's vastmaken afb De rugleuning iets naar voren klappen. De bevestigingsriem AB door de opening in de rugleuning aan de bovenzijde van de rugleuning steken. Vervolgens de rugleuning terugklappen tot de vergrendelingsknop vastklikt - dit controleren door aan de rugleuning te trekken. De bevestigingsriem AB in het slot AC steken tot hij hoorbaar vastklikt. Bij wagens die van een bagagescheidingsnet zijn voorzien, de bevestigingsriem AB tot voorbij het frame met opgerold scheidingsnet trekken. Na de bevestiging van het bagagescheidingsnet is het niet meer mogelijk om het bagagescheidingsnet uit te rollen. Na het inpakken van de ski's moet de skizak met de bevestigingsriem AB worden vastgezet. De trekband A moet stevig om de ski's zijn vastgemaakt. Let erop dat de trekband A vóór de binding van de ski's zit (zie ook de markering op de uitneembare skizak). De uitneembare skizak is geschikt voor vier paar ski's. Het totale gewicht van de vervoerde ski's mag niet meer dan 17 kg bedragen. De ski's en de stokken met de punten maar achteren in de uitneembare skizak schuiven. Als zich meerdere paren ski's in de skizak bevinden, erop letten dat de bindingen op gelijke hoogte liggen. Een lege (droge) skizak zorgvuldig opvouwen, in de bagageruimte leggen en vastbinden om verschuiven te voorkomen. De uitneembare skizak mag nooit vochtig worden opgevouwen of vochtig worden opgeborgen. Zijvak Het opbergvak kunt u openen door de sluitingen in pijlrichting te draaien. In dit opbergvak is de cd-wisselaar ondergebracht. Afb. 102 Bagageruimte: Zijvak

92 Zitten en opbergen 91 Opbergvak achter de achterbank (Combi) Vervolg Alleen lichte kleding ophangen en erop letten dat er geen zware of scherpe voorwerpen in de zakken zitten. De maximale toelaatbare belasting van de haken bedraagt 2 kg. Geen klerenhangers voor het ophangen van de kleding gebruiken, omdat daardoor de werking van de hoofdairbags wordt beïnvloed. Afb. 103 Uitbouwen van het opbergvak Uitbouwen Eerst de oprolbare bagageruimteafdekking verwijderen bladzijde 77. Het frame met beide handen vastpakken en verwijderen door te trekken in pijlrichting afb Inbouwen Het frame tot de aanslag in de bevestiging schuiven. De oprolbare bagageruimteafdekking weer aanbrengen. In het opbergvak alleen kleine en lichte voorwerpen leggen tot een maximumgewicht van 3 kg. Zware voorwerpen kunnen bij een ongeval uit het vak vliegen - gevaar voor verwondingen! Om deze reden moet het opbergvak altijd afgedekt zijn door het voorste deel van de bagageruimteafdekking. Kledinghaken Op de middelste portierstijlen en aan de achterste grepen van de hemelbekleding boven de achterportieren zitten kledinghaken. Zorg ervoor dat opgehangen kleding het zicht naar achteren niet belemmert. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

93 92 Verwarming en airconditioning Verwarming en airconditioning Inleiding Beschrijving en aanwijzingen Het verwarmingsvermogen is afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur, het volledige verwarmingsvermogen wordt daarom pas bij bedrijfswarme motor bereikt. Bij ingeschakelde koelfunctie worden de temperatuur en de luchtvochtigheid in het interieur van de wagen verlaagd. Hierdoor wordt bij hoge buitentemperaturen en hoge luchtvochtigheid het comfort van de inzittenden verhoogd. In het koude jaargetijde wordt het beslaan van de ruiten voorkomen. Om de koelwerking te verhogen, kan kortstondig de circulatiefunctie worden ingeschakeld - Airconditioning bladzijde 99, Climatronic bladzijde 101. De luchtinlaat voor de voorruit moet vrij van ijs, sneeuw en bladeren zijn, zodat verwarming en koeling optimaal kunnen functioneren. Na het inschakelen van de koelfunctie kan condenswater van de verdamper van de airconditioning lekken en onder de wagen een waterplas vormen. Dit is normaal en geen teken van lekkage! Voor de verkeersveiligheid is het belangrijk dat alle ruiten vrij zijn van ijs, sneeuw en condens. Maak uzelf daarom vertrouwd met de juiste bediening van de verwarming en ventilatie, met het vocht- en vorstvrij maken van de ruiten alsmede de koelfunctie. De circulatiefunctie niet gedurende langere tijd ingeschakeld laten, omdat door de verbruikte lucht vermoeidheidsverschijnselen bij de bestuurder en medepassagiers kunnen optreden, waardoor de oplettendheid vermindert. Ook kunnen de ruiten beslaan. Het gevaar voor ongevallen neem toe. De circulatiefunctie uitschakelen, zodra de ruiten beslaan. De verbruikte lucht wordt via de ontluchtingsopeningen in de bagageruimte afgevoerd. Als de circulatiefunctie is ingeschakeld, adviseren wij in de wagen niet te roken, omdat de aangezogen rook neerslaat op de verdamper van het airconditioningsysteem. Dit zorgt tijdens het gebruik van de airconditioning voor een blijvende stankoverlast die alleen met veel moeite en hoge kosten (vervanging van de verdamper) kan worden opgelost. Let ook op de aanwijzingen voor de circulatiefunctie bij gebruik van de verwarming bladzijde 96 resp. de airconditioning bladzijde 99 of Climatronic bladzijde 101. Om de verwarming, airconditioning of Climatronic optimaal te kunnen laten functioneren, mogen de luchtroosters niet zijn afgedekt. Economisch gebruik van de airconditioning In de koelfunctie verbruikt de compressor van de airconditioning motorvermogen en beïnvloedt hiermee het brandstofverbruik. Indien het interieur van de geparkeerde wagen door zonnestraling sterk is opgewarmd, verdient het aanbeveling de ruiten of portieren kort te openen, zodat de warme lucht kan ontsnappen. Als de ruiten geopend zijn, mag de koeling tijdens het rijden niet ingeschakeld zijn. Indien de gewenste interieurtemperatuur ook zonder inschakeling van de koeling kan worden bereikt, dient de stand voor frisse lucht te worden gekozen. Milieu Door brandstof te besparen, verlaagt u de uitstoot van schadelijke stoffen. Storingen Indien de koeling bij buitentemperaturen van meer dan +5 C niet functioneert, is er sprake van een storing. Dit kan de volgende oorzaken hebben: De zekering van de airconditioning is defect. De zekering controleren en deze zo nodig vervangen bladzijde 220. De koeling is automatisch tijdelijk uitgeschakeld, omdat de koelvloeistoftemperatuur van de motor te hoog is bladzijde 16. De koeling uitschakelen indien u de storing niet zelf kunt oplossen of het koelvermogen afneemt. Contact opnemen met een specialist.

94 Verwarming en airconditioning 93 Luchtuitstroomopeningen Luchtstroom wijzigen Om de hoogte van de luchtstroom te wijzigen het rooster van de uitstroomopeningen met het verticale kartelwiel naar boven of naar beneden draaien. Om de luchtstroom in horizontale richting te wijzigen het horizontale kartelwiel van de uitstroomopening naar links of rechts draaien. De luchtuitstroomopeningen 3, 4 afb. 104 en 6 afb. 105 kunnen afzonderlijk worden geopend en gesloten. De luchtuitstroomopeningen 6 zijn alleen aanwezig bij wagens met hoge middenconsole. Uit de geopende luchtuitstroomopeningen stroomt, afhankelijk van de stand van de verwarming resp. de airconditioning en de klimatologische omstandigheden, niet opgewarmde resp. gekoelde lucht. Afb. 104 Luchtuitstroomopeningen voor De luchtuitstroomopeningen 2 zorgen tijdens het ventileren resp. koelen voor een comfortabele (tochtvrije) ventilatie van het interieur, ook als de luchtuitstroomopeningen 4 gesloten zijn. Afb. 105 Luchtuitstroomopeningen achter Luchtuitstroomopeningen openen Het verticale kartelwiel verdraaien (niet in de eindstand). Luchtuitstroomopeningen sluiten Het verticale wiel in de eindstand draaien. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

95 94 Verwarming en airconditioning Verwarming Bediening Het verwarmingssysteem stuurt lucht naar het interieur en verwarmt dit zo nodig. Achterruitverwarming Toets A2 indrukken. Extra informatie bladzijde 59, Achterruitverwarming. Extra verwarming (interieurvoorverwarming) Toets A3 indrukken om de extra verwarming (interieurvoorverwarming en - ventilatie) rechtstreeks in- of uit te schakelen. Extra informatie bladzijde 102, Extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie). Alle bedieningselementen, uitgezonderd de draaischakelaar AB, kunnen op iedere willekeurige tussenliggende stand worden ingesteld. Om het beslaan van de ruiten te voorkomen, moet de aanjager steeds ingeschakeld zijn. Indien de luchtverdeling op de ruiten wordt ingesteld, wordt de volledige luchthoeveelheid voor het ontwasemen van de ruiten gebruikt en stroomt geen lucht in de voetenruimte. Dit kan tot beperking van het verwarmingscomfort leiden. Afb. 106 Verwarming: Bedieningselementen Temperatuur instellen De draaiknop A afb. 106 naar rechts draaien om de temperatuur te verhogen. De draaiknop A naar links draaien om de temperatuur te verlagen. Aanjager regelen De aanjagerschakelaar AB in een van de standen 1 t/m 4 draaien om de aanjager in te schakelen. De aanjagerschakelaar AB in stand 0 draaien om de aanjager uit te schakelen. Om de toevoer van frisse lucht te sluiten de toets A1 gebruiken - Circulatiefunctie bladzijde 96. Regeling voor luchtverdeling Met de luchtverdeelregelaar AC kunt u de luchtuitstroomrichting regelen bladzijde 93.

96 Verwarming en airconditioning 95 Verwarming instellen Aanbevolen basisinstellingen van de verwarmingbedieningselementen voor: Instellingen Voorruit en zijruiten ontdooien Voorruit en zijruiten ontwasemen De snelste verwarming Aangename verwarming Frisse lucht - ventilatie Tot de aanslag naar rechts Stand van de draaiknop A AB AC Gewenste temperatuur Tot de aanslag naar rechts Gewenste temperatuur Tot de aanslag naar links Toets A1 Luchtroosters 3 3 Niet inschakelen Openen en op de zijruit richten 2 of 3 Niet inschakelen Openen en op de zijruit richten 3 Kort inschakelen Openen 2 of 3 Niet inschakelen Openen Gewenste stand Niet inschakelen Openen Bedieningselementen A, AB, AC en de toets A1 bladzijde 94, afb Luchtroosters 3 bladzijde 93, afb Wij adviseren u de luchtroosters 4 bladzijde 93, afb. 104 in de geopende stand te laten. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

97 96 Verwarming en airconditioning Circulatiefunctie In de circulatiefunctie wordt de lucht uit het interieur aangezogen en weer in het interieur geleid. In de circulatiefunctie wordt voorkomen dat bijvoorbeeld buitenlucht met sterke geuren in het interieur kan komen, bijvoorbeeld bij het rijden door tunnels of in files. Circulatiefunctie inschakelen Op toets drukken - het controlelampje in de toets bladzijde 94, afb. 106 gaat branden. Circulatiefunctie uitschakelen Opnieuw op toets drukken - het controlelampje in de toets gaat uit. Als de luchtverdeelregelaar AC in stand bladzijde 94, afb. 106 staat, wordt de circulatiefunctie automatisch uitgeschakeld. Door opnieuw op toets te drukken, kan ook in deze stand de circulatiefunctie weer worden ingeschakeld. De circulatiefunctie niet gedurende langere tijd ingeschakeld laten, omdat door de verbruikte lucht vermoeidheidsverschijnselen bij de bestuurder en medepassagiers kunnen optreden, waardoor de oplettendheid vermindert. Ook kunnen de ruiten beslaan. Het gevaar voor ongevallen neem toe. De circulatiefunctie uitschakelen, zodra de ruiten beslaan. De koelfunctie werkt alleen als de toets AC afb. 107 A1 is ingedrukt en aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: motor draait, buitentemperatuur hoger dan ca. +2 C en aanjagerschakelaar ingeschakeld (stand 1 t/m 4). Uit de roosters kan bij ingeschakelde koelfunctie onder bepaalde omstandigheden lucht met een temperatuur van ca. 5 C stromen. Bij een langdurige ongelijkmatige verdeling van de lucht uit de luchtroosters en grote temperatuurverschillen, bijvoorbeeld bij het uitstappen uit de wagen, kunnen bij hiervoor gevoelige personen verkoudheidsverschijnselen optreden. Wij adviseren u de airconditioning eenmaal per jaar door een specialist te laten reinigen. In landen met een hoge luchtvochtigheid adviseren wij u deze instelling niet te gebruiken. Bediening Airconditioning (handmatige airconditioning) Omschrijving De airconditioning is een gecombineerd koelings- en verwarmingssysteem. Hiermee is in elk jaargetijde een optimale regeling van de luchttemperatuur mogelijk. Beschrijving van de airconditioning Een storingsvrije werking van de airconditioning is belangrijk voor uw veiligheid en het rijcomfort. Afb. 107 Airconditioning: Bedieningselementen Temperatuur instellen De draaiknop A afb. 107 naar rechts draaien om de temperatuur te verhogen. De draaiknop A naar links draaien om de temperatuur te verlagen.

98 Verwarming en airconditioning 97 Aanjager regelen De aanjagerschakelaar AB in een van de standen 1 t/m 4 draaien om de aanjager in te schakelen. De aanjagerschakelaar AB in stand 0 draaien om de aanjager uit te schakelen. Om de toevoer van frisse lucht te sluiten de toets A4 gebruiken - Circulatiefunctie bladzijde 99. Regeling voor luchtverdeling Met de luchtverdeelregelaar AC kunt u de luchtuitstroomrichting regelen bladzijde 93. Koeling in- en uitschakelen Toets AC A1 indrukken afb In de toets brandt het controlelampje. Door opnieuw de toets AC in te drukken, wordt de koeling uitgeschakeld. Het controlelampje in de toets gaat uit. Achterruitverwarming Toets A2 indrukken. Extra informatie bladzijde 59, Achterruitverwarming. Extra verwarming (interieurvoorverwarming) Toets A3 indrukken om de extra verwarming (interieurvoorverwarming en - ventilatie) rechtstreeks in- of uit te schakelen. Extra informatie bladzijde 102, Extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie). Bij het ontdooien van de voorruit en zijruiten wordt het volledige verwarmingsvermogen gebruikt. Er wordt geen warme lucht naar de voetenruimte gestuurd. Dit kan tot beperking van het verwarmingscomfort leiden. Het controlelampje in de toets AC brandt ook na het inschakelen als niet aan alle voorwaarden voor de werking van de koelfunctie wordt voldaan. Hiermee wordt aangegeven dat de koeling beschikbaar is als aan alle voorwaarden wordt voldaan bladzijde 96, Beschrijving van de airconditioning. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

99 98 Verwarming en airconditioning Airconditioning instellen Aanbevolen basisinstellingen voor de bedieningselementen van de airconditioning voor de betreffende bedrijfsfuncties: Instellingen Voorruit en zijruiten ontdooien - ontwasemen a) De snelste verwarming Aangename verwarming De snelste afkoeling Optimale koeling Frisse lucht - ventilatie Stand van de draaiknop Toets A AB AC A1 A4 Luchtroosters 3 Gewenste temperatuur Wordt automatisch geactiveerd b) Niet inschakelen Openen en op de zijruit richten 3 of 4 Tot de aanslag naar rechts 3 Uitgeschakeld Kort inschakelen Openen Gewenste temperatuur 2 of 3 Uitgeschakeld Niet inschakelen Openen Tot de aanslag naar links Kort 4, dan 2 of 3 Ingeschakeld Kort inschakelen Openen Gewenste temperatuur Tot de aanslag naar links 1, 2 resp. 3 Ingeschakeld Niet inschakelen Openen en naar het dak richten Gewenste stand Uitgeschakeld Niet inschakelen Openen a) In landen met een hoge luchtvochtigheid adviseren wij u deze instelling niet te gebruiken. Het ruitoppervlak kan hierdoor sterk afkoelen en aan de buitenzijde beslaan. b) Het controlelampje in de toets A1 brandt ook na het inschakelen als niet aan alle voorwaarden voor de werking van de koelfunctie wordt voldaan. Hiermee wordt aangegeven dat de koeling beschikbaar is als aan alle voorwaarden wordt voldaan bladzijde 96, Beschrijving van de airconditioning. Bedieningselementen A, AB, AC en de toets A1 en A4 bladzijde 96, afb Luchtroosters 3 bladzijde 93, afb Wij adviseren u de luchtroosters 4 bladzijde 93, afb. 104 in de geopende stand te laten.

100 Verwarming en airconditioning 99 Circulatiefunctie In de circulatiefunctie wordt de lucht uit het interieur aangezogen en weer in het interieur geleid. In de circulatiefunctie wordt voorkomen dat bijvoorbeeld buitenlucht met sterke geuren in het interieur kan komen, bijvoorbeeld bij het rijden door tunnels of in files. Circulatiefunctie inschakelen Op toets A4 bladzijde 96, afb. 107 drukken, in de toets brandt het controlelampje. Circulatiefunctie uitschakelen Opnieuw op toets drukken - het controlelampje in de toets gaat uit. Als de luchtverdeelregelaar AC in stand bladzijde 96, afb. 107 staat, wordt de circulatiefunctie automatisch uitgeschakeld. Door opnieuw op toets te drukken, kan ook in deze stand de circulatiefunctie weer worden ingeschakeld. De circulatiefunctie niet gedurende langere tijd ingeschakeld laten, omdat door de verbruikte lucht vermoeidheidsverschijnselen bij de bestuurder en medepassagiers kunnen optreden, waardoor de oplettendheid vermindert. Ook kunnen de ruiten beslaan. Het gevaar voor ongevallen neem toe. De circulatiefunctie uitschakelen, zodra de ruiten beslaan. Beschrijving van de Climatronic De koeling werkt alleen als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: motor draait, buitentemperatuur hoger dan ca. +2 C, AC ingeschakeld. Om bij hoge belasting van de motor de koeling te garanderen, wordt de aircocompressor bij een hoge koelvloeistoftemperatuur uitgeschakeld Aanbevolen instelling voor alle jaargetijden: De gewenste temperatuur instellen, wij adviseren 22 C. Toets AUTO indrukken bladzijde 100, afb De luchtroosters 3 en 4 zodanig instellen dat de luchtstroom licht naar boven is gericht. Wij adviseren u de Climatronic eenmaal per jaar door een specialist te laten reinigen. Bij wagens die af fabriek van autoradio of radio-navigatiesysteem zijn voorzien, wordt de informatie van de Climatronic ook op dat display weergegeven. Deze functie kan worden uitgeschakeld, zie de gebruiksaanwijzing van de radio resp. het radio-navigatiesysteem. Climatronic (automatische airconditioning) Omschrijving De Climatronic is een automatisch verwarmings-, ventilatie- en koelsysteem dat een optimaal comfort voor de inzittenden biedt. De Climatronic houdt een ingestelde comforttemperatuur volledig automatisch constant. Daartoe worden de temperatuur van de uitstromende lucht, de aanjagerstanden en de luchtverdeling vanzelf gewijzigd. Het systeem houdt ook met sterke zonnestralen rekening, zodat het niet nodig is het systeem met de hand bij te stellen. De automatische regeling bladzijde 100 garandeert een optimaal comfort in ieder jaargetijde. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

101 100 Verwarming en airconditioning Overzicht van de bedieningselementen Met de bedieningselementen kan de temperatuur aan de linker- en rechterzijde afzonderlijk worden ingesteld. Onder de bovenste reeks toetsen bevindt zich de interieurtemperatuursensor. De sensor niet afdekken of afplakken, omdat anders de werking van de Climatronic ongunstig wordt beïnvloed. Automatische regeling De automatische regeling dient ertoe de temperatuur constant te houden en de ruiten in het interieur te ontvochtigen. Automatische regeling inschakelen Een temperatuur tussen +18 C en +26 C instellen. De luchtroosters 3 en 4 bladzijde 93, afb. 104 zodanig instellen dat de luchtstroom licht naar boven is gericht. Toets AUTO indrukken. In de rechter- of linkerbovenhoek gaat een controlelampje branden, afhankelijk van welke stand het laatst is geselecteerd. Afb. 108 Climatronic: Bedieningselementen Toetsen A1 Voorruit intensief ontwasemen A2 Luchtstroom naar de ruiten A3 Luchtstroom naar het bovenlichaam A4 Luchtstroom naar de voetenruimte A5 Circulatiefunctie met sensor voor luchtkwaliteit A6 Achterruitverwarming Toetsen/draaiknop A7 Instelling van de temperatuur voor de linkerzijde, bediening van de stoelverwarming van de linkervoorstoel A8 Automatische regeling AUTO A9 Climatronic uitschakelen OFF A10 Instelling van het aanjagertoerental A11 Toets voor rechtstreeks in- of uitschakelen van de extra verwarming (interieurvoorverwarming) bladzijde 102 A12 In- en uitschakelen van de temperatuurinstelling in Dual-stand DUAL A13 Koeling in- en uitschakelen AC A14 Instelling van de temperatuur voor de rechterzijde, bediening van de stoelverwarming van de rechtervoorstoel Als het controlelampje in de rechterbovenhoek van de toets AUTO brandt, werkt de Climatronic in de HIGH -stand. De HIGH -stand is de standaardinstelling van de Climatronic. Door nogmaals de toets AUTO in te drukken, schakelt de Climatronic om naar de LOW -stand en gaat het controlelampje in de linkerbovenhoek branden. De Climatronic gebruikt in deze stand alleen lage aanjagertoerentallen. Dat is aangenamer met betrekking tot het geluidsniveau, maar het gevolg is wel dat de effectiviteit van de airconditioning afneemt, met name bij een volledig bezette auto. Door de toets AUTO opnieuw in te drukken, wordt omgeschakeld naar de HIGH - stand. De automatische regeling wordt uitgeschakeld, als een toets voor de luchtverdeling wordt bediend of het aanjagertoerental wordt verhoogd of verlaagd. De temperatuur wordt nog steeds geregeld. Koeling in- en uitschakelen Koeling in- en uitschakelen Toets AC indrukken afb In de toets brandt het controlelampje. Door opnieuw de toets AC in te drukken, wordt de koeling uitgeschakeld. Het controlelampje in de toets gaat uit. Alleen de ventilatiefunctie blijft actief, waardoor geen lagere temperatuur dan de buitentemperatuur kan worden bereikt.

102 Verwarming en airconditioning 101 Temperatuur instellen De temperatuur in het interieur kan afzonderlijk worden ingesteld voor de linker- en rechterzijde. Na het inschakelen van het contact kan met de draaiknop A7 bladzijde 100, afb. 108 de temperatuur voor beide zijden worden ingesteld. Om de temperatuur voor de rechterzijde in te stellen, aan de draaiknop A14 draaien. Het controlelampje in de toets DUAL gaat branden; hiermee wordt aangegeven dat er verschillende temperaturen voor de linker- en rechterzijde kunnen worden ingesteld. Als het controlelampje in de toets DUAL brandt, kan met de draaiknop A7 niet de temperatuur voor beide zijden worden ingesteld. Deze functie weer instellen door de toets DUAL in te drukken. Het controlelampje in de toets, dat de mogelijkheid aangeeft om verschillende temperaturen voor de linker- en rechterzijde te kunnen instellen, gaat uit. De interieurtemperatuur kan tussen +18 C en +26 C worden ingesteld. In dit gebied wordt de interieurtemperatuur automatisch geregeld. Als een lagere temperatuur dan +18 C wordt gekozen, gaat bij het begin van de numerieke schaal een blauw symbool branden. Als een hogere temperatuur dan +26 C wordt gekozen, gaat aan het einde van de numerieke schaal een rood symbool branden. In de beide eindstanden levert de Climatronic het maximale koel- resp. verwarmingsvermogen. Er vindt hierbij geen temperatuurregeling plaats. Bij een langdurige ongelijkmatige verdeling van de lucht uit de luchtroosters (met name in de beenruimte) en grote temperatuurverschillen, bijvoorbeeld bij het uitstappen uit de wagen, kunnen bij hiervoor gevoelige personen verkoudheidsverschijnselen optreden. Circulatiefunctie In de circulatiefunctie wordt de lucht uit het interieur aangezogen en weer in het interieur geleid. Als de automatische circulatiefunctie is ingeschakeld, meet een sensor voor luchtkwaliteit de concentratie schadelijke stoffen in de aangezogen lucht. functie automatisch uitgeschakeld, waardoor weer frisse lucht naar het interieur kan stromen. Circulatiefunctie inschakelen Herhaaldelijk op toets drukken, tot het controlelampje aan de linkerzijde van de toets gaat branden. Automatische circulatiefunctie inschakelen Herhaaldelijk op toets drukken, tot het controlelampje aan de rechterzijde van de toets gaat branden. Automatische circulatiefunctie tijdelijk uitschakelen Als de sensor voor luchtkwaliteit bij onaangename geuren de circulatiefunctie niet automatisch inschakelt, kunt u deze zelf inschakelen door op de toets te drukken. In de toets brandt het controlelampje aan de linkerzijde. Circulatiefunctie uitschakelen Op de toets AUTO drukken of herhaaldelijk op toets drukken, tot de controlelampjes in de toets uitgaan. De circulatiefunctie niet gedurende langere tijd ingeschakeld laten, omdat door de verbruikte lucht vermoeidheidsverschijnselen bij de bestuurder en medepassagiers kunnen optreden, waardoor de oplettendheid vermindert. Ook kunnen de ruiten beslaan. Het gevaar voor ongevallen neem toe. De circulatiefunctie uitschakelen, zodra de ruiten beslaan. Als de voorruit beslaat, op toets A1 drukken bladzijde 100, afb Nadat de voorruit ontwasemd is, op toets AUTO drukken. De automatische circulatiefunctie werkt alleen als de buitentemperatuur hoger dan circa 2 C is. In de circulatiefunctie wordt voorkomen dat bijvoorbeeld buitenlucht met sterke geuren in het interieur van de wagen kan komen, bijvoorbeeld bij het rijden door tunnels of in files. Wanneer bij ingeschakelde automatische circulatiefunctie de sensor voor luchtkwaliteit een aanzienlijke toename van de concentratie schadelijke stoffen herkent, wordt tijdelijk de circulatiefunctie ingeschakeld. Zodra de concentratie schadelijke stoffen naar het normale niveau daalt, wordt de circulatie- Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

103 102 Verwarming en airconditioning Aanjager regelen Er zijn zeven aanjagerstanden beschikbaar. De Climatronic regelt de aanjagerstanden automatisch afhankelijk van de interieurtemperatuur. De aanjagerstanden kunnen echter handmatig aan de persoonlijke wensen worden aangepast. Opnieuw op toets aan de linkerzijde (aanjagertoerental verlagen) resp. aan de rechterzijde (aanjagertoerental verhogen) drukken. Als de aanjager wordt uitgeschakeld, wordt de Climatronic uitgeschakeld. Het ingestelde aanjagertoerental wordt aangegeven door het aantal brandende controlelampjes boven de toets. De verbruikte lucht kan vermoeidheidsverschijnselen bij de bestuurder en medepassagiers veroorzaken, waardoor de oplettendheid vermindert. Ook kunnen de ruiten beslaan. Het gevaar voor ongevallen neem toe. De Climatronic niet langer uitschakelen dan noodzakelijk. De Climatronic direct inschakelen, zodra de ruiten beslaan. Voorruit ontwasemen Voorruit ontwasemen - inschakelen Op toets drukken bladzijde 100, afb Voorruit ontwasemen - uitschakelen Opnieuw op toets of de toets AUTO drukken. De temperatuur wordt automatisch geregeld. Uit de luchtroosters 1 stroomt meer lucht. Extra verwarming (interieurvoorverwarming en - ventilatie) Beschrijving en belangrijke aanwijzingen De extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) verwarmt resp. ventileert het interieur onafhankelijk van de motor. Extra verwarming (interieurvoorverwarming) De extra verwarming (interieurvoorverwarming) werkt in combinatie met de verwarming. Airconditioning resp. Climatronic. Deze kan zowel bij stilstand, bij afgezette motor voor voorverwarming van de wagen als tijdens het rijden (bijvoorbeeld tijdens de opwarmfase van de motor) worden gebruikt. Als bij stilstaande wagen zonder draaiende motor de interieurvoorverwarming is ingeschakeld, wordt ook de motor voorverwarmd. De extra verwarming (interieurvoorverwarming) verwarmt de koelvloeistof door het verbranden van brandstof uit de brandstoftank van de wagen. De koelvloeistof verwarmt de lucht, die (als het aanjagertoerental niet op nul is ingesteld) in de passagiersruimte stroomt. Interieurvoorventilatie De interieurvoorventilatie dient om bij afgezette motor frisse lucht naar het interieur te voeren, waardoor de temperatuur in het interieur effectief wordt verlaagd (bijvoorbeeld als de wagen in de zon staat geparkeerd). De interieurvoorverwarming mag nooit in gesloten ruimtes worden gebruikt - vergiftigingsgevaar! De extra verwarming mag tijdens het tanken niet werken - brandgevaar. De uitlaatpijp van de extra verwarming bevindt zich aan de onderzijde van de wagen. Zorg daarom dat de wagen bij het gebruik van de interieurvoorverwarming niet zodanig is geparkeerd, dat de uitlaatgassen van de interieurvoorverwarming in contact kunnen komen met licht ontvlambare materialen (bijvoorbeeld droog gras) of licht ontvlambare stoffen (bijvoorbeeld gemorste brandstof).

104 Verwarming en airconditioning 103 Als de extra verwarming werkt, wordt brandstof uit de tank van de wagen verbruikt. De interieurvoorverwarming controleert zelf het brandstofpeil in de tank. Als zich nog maar een geringe hoeveelheid brandstof in de tank bevindt, wordt de werking van de interieurvoorverwarming geblokkeerd. De uitlaatpijp van de extra verwarming, die zich aan de onderzijde van de wagen bevindt, mag niet verstopt zijn en de uitlaatgasstroom mag niet geblokkeerd zijn. Als de interieurvoorverwarming en -ventilatie werkt, wordt de accu ontladen. Wanneer de interieurvoorverwarming en -ventilatie over een langere periode meerdere malen is gebruikt, moet enkele kilometers met de wagen worden gereden om de accu op te laden. De interieurvoorverwarming schakelt de aanjager pas in, als de koelvloeistoftemperatuur een waarde van circa 50 C heeft bereikt. Bij lage buitentemperaturen kan er vanuit de motorruimte waterdampvorming ontstaan. Dat is een normaal verschijnsel en geen reden om u zorgen te maken. Na het uitschakelen van de extra verwarming draait de waterpomp nog korte tijd door. De interieurvoorverwarming en -ventilatie wordt uitgeschakeld resp. niet ingeschakeld als de accu een lage ladingstoestand heeft. De extra verwarming (interieurvoorverwarming) wordt niet ingeschakeld, als het volgende op het informatiedisplay wordt aangegeven of voor het uitschakelen van het contact is aangegeven: Please refuel! (Tanken a.u.b.!) De luchtinlaat voor de voorruit moet vrij van ijs, sneeuw en bladeren zijn, zodat de extra verwarming optimaal kan functioneren. Om ervoor te zorgen dat na het inschakelen van de extra verwarming de warme lucht in het interieur kan stromen, de door u gewoonlijk ingestelde comforttemperatuur selecteren en de luchtroosters in de geopende stand laten staan. Het wordt aanbevolen om de luchtstroom in de stand of te zetten. Rechtstreeks in- en uitschakelen Afb. 109 Toets voor rechtstreeks in- of uitschakelen van de extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) op het bedieningselement van de airconditioning De extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) kan op elk gewenst moment rechtstreeks met de toets op het bedieningselement van de airconditioning, Climatronic of verwarming afb. 109 in- of uitgeschakeld worden. Als u de interieurvoorverwarming en -ventilatie niet zelf uitschakelt, wordt deze na afloop van de ingestelde inschakelduur automatisch uitgeschakeld; in het menu Running time (inschakelduur). Bediening Om ervoor te zorgen dat de extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) naar behoren werkt, is het noodzakelijk om vóór uw programmering een basisafstelling uit te voeren. Basisinstelling Selecteer op het informatiedisplay in het Main menu (hoofdmenu) het menupunt Aux. heating (Int.voorverw.). Selecteer in het menu Aux. heating (Int.voorverw.) het menupunt Day of the wk. (Weekdag) en stel de actuele dag in. Door het selecteren van het menupunt Back (Terug) komt u een niveau hoger in het menu Aux. heating (Int.voorverw.). Selecteer in het menu Aux. Heating (Int.voorverw.) het menupunt Running time (Duur) en stel in stappen van 5 minuten de gewenste inschakelduur in. De looptijd varieert van 10 tot 60 minuten. Door het selecteren van het menupunt Back (Terug) komt u in het menu Aux. heating (Int.voorverw.). Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

105 104 Verwarming en airconditioning Selecteer in het menu Aux. heating (Int.voorverw.) het menupunt Mode (Functie). Selecteer in het menu Mode (Functie) de gewenste functie Heating (Verw. duur) of Ventilation (Vent. duur). Programmering Voor het programmeren van de extra verwarming (interieurvoorverwarming en - ventilatie) staan in het menu Aux. heating (Int.voorverw.) drie inschakeltijden ter beschikking: Starting time 1 (Starttijd 1) Starting time 2 (Starttijd 2) Starting time 3 (Starttijd 3) Bij elke inschakeltijd kunnen de dag en de tijd (uren en minuten) voor het inschakelen van de interieurvoorverwarming resp. -ventilatie worden ingesteld. Bij het selecteren van de dag bevindt zich tussen zondag en maandag een spatie. Als deze spatie wordt geselecteerd, vindt activering plaats zonder inachtneming van de dag. Als het instelmenu wordt verlaten door het selecteren van het menu Back (terug) of door langer dan 10 seconden geen wijzigingen op het display uit te voeren, worden de ingestelde waarden opgeslagen, maar wordt de inschakeltijd niet actief. De beide andere inschakeltijden kunnen op dezelfde manier worden geprogrammeerd en opgeslagen. Er kan altijd maar één geprogrammeerde inschakeltijd actief zijn. De als laatste geprogrammeerde inschakeltijd blijft actief. Nadat de interieurvoorverwarming op de ingestelde tijd is geactiveerd, moet opnieuw een selectie worden geactiveerd. Het wijzigen van de actieve inschakeltijd vindt plaats na het selecteren van het menupunt Activate (Activeren) in het menu Aux. heating (Int.voorverw.) door het selecteren van een van de inschakeltijden. Een voorwaarde voor het correct inschakelen van de extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) op de geprogrammeerde inschakeltijd is een juiste instelling van de actuele tijd en weekdag bladzijde 103. Als het systeem werkt, brandt in de toets voor rechtstreeks in- of uitschakelen van de extra verwarming een controlelampje. Het geactiveerde systeem wordt na afloop van de inschakelduur uitgeschakeld of kan eerder worden uitgeschakeld door het indrukken van de toets voor rechtstreeks in- of uitschakelen van de extra verwarming bladzijde 103. Een willekeurige inschakeltijd kan worden gedeactiveerd door het selecteren van het menupunt Deactivate (Deactiveren) in het menu Activate (Activeren). Na het selecteren van het menu Factory setting (Fabrieksinstellingen) in het menu Aux. heating (Int.voorverw.) is het mogelijk om terug te keren naar de fabrieksinstelling. Radiografische afstandsbediening De extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) kan met de radiografische afstandsbediening in- en uitgeschakeld worden. Inschakelen: op de knop ON drukken. Uitschakelen: op de knop OFF drukken. Afb. 110 Extra verwarming: Radiografische afstandsbediening De zender en de batterij zijn ondergebracht in de behuizing van de radiografische afstandsbediening. De ontvanger bevindt zich in het interieur van de wagen. De effectieve reikwijdte is met volledig geladen batterij maximaal 600 m. Om de extra verwarming in of uit te schakelen de radiografische afstandsbediening verticaal houden, met de antenne A afb. 110 naar boven. De antenne daarbij niet met de vingers of de handpalm afdekken. Door obstakels tussen de radiografische afstandsbediening en de wagen, slechte weersomstandigheden en een leegrakende batterij kan het bereik aanzienlijk verminderen. Het feilloos in- en uitschakelen van de extra verwarming met de radiografische afstandsbediening is alleen mogelijk, wanneer de afstand tussen de afstandsbediening en de wagen ten minste 2 m bedraagt.

106 Verwarming en airconditioning 105 Controlelampje in de radiografische afstandsbediening Het controlelampje op de radiografische afstandsbediening bladzijde 104, afb. 110 geeft na het indrukken van een knop aan, of het radiosignaal door de extra verwarming is ontvangen en of de batterij voldoende geladen is. Weergave controlelampje Brandt 2 seconden groen. Brandt 2 seconden rood. Knippert 2 seconden langzaam groen. Knippert 2 seconden snel groen. Knippert 2 seconden rood. Knippert 2 seconden oranje, daarna groen resp. rood. Brandt 2 seconden oranje, knippert daarna groen resp. rood. Knippert 5 seconden oranje. Betekenis De extra verwarming is ingeschakeld. De extra verwarming is uitgeschakeld. Het inschakelsignaal is niet ontvangen. De extra verwarming is geblokkeerd, bijvoorbeeld omdat de brandstoftank bijna leeg is of de extra verwarming een storing heeft. Het uitschakelsignaal is niet ontvangen. De batterij is zwak, het in- resp. uitschakelsignaal is echter wel ontvangen. De batterij is zwak, het in- resp. uitschakelsignaal is niet ontvangen. De batterij is leeg, het in- resp. uitschakelsignaal is niet ontvangen. Milieu De lege batterij milieuvriendelijk afvoeren. Bij het vervangen van de batterij op de juiste polariteit letten. De nieuwe batterij moet dezelfde specificaties hebben als de originele. Voorzichtig! De radiografische afstandsbediening bevat elektronische componenten. Bescherm de afstandsbediening daarom tegen vocht, sterke schokken en direct zonlicht. Batterij van de radiografische afstandsbediening vervangen Als het controlelampje op de radiografische afstandsbediening een zwakke of lege batterij aangeeft, bladzijde 104, afb. 110, moet deze worden vervangen. De batterij zit onder een deksel aan de achterzijde van de radiografische afstandsbediening. Steek een munt in de sleuf van het batterijdeksel en draai deze naar links om het deksel te ontgrendelen. Vervang de batterij, breng het deksel aan en vergrendel het deksel door dit naar rechts te draaien. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

107 106 Wegrijden en rijden Wegrijden en rijden Stand van het stuurwiel instellen Vervolg bestuurdersvoorairbag letsel aan uw armen, handen en hoofd kunnen worden toegebracht. Contactslot Afb. 111 Verstelbaar stuurwiel: Hendel onder de stuurkolom / veilige afstand tot het stuurwiel Het stuurwiel kan in hoogte en lengterichting worden versteld. De bestuurdersstoel instellen bladzijde 11. De hendel onder het stuurwiel omlaagklappen afb links. Het stuurwiel in de gewenste stand zetten (in hoogte en lengterichting). De hendel tot de aanslag omhoogdrukken. Het stuurwiel mag tijdens het rijden niet worden versteld! De bestuurder moet een afstand van ten minste 25 cm tot het stuurwiel aanhouden afb rechts. Als de minimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Vanwege de veiligheid moet de hendel altijd stevig omhooggedrukt zijn, zodat de stand van het stuurwiel tijdens het rijden niet onbedoeld verandert - gevaar voor ongevallen! Als u het stuurwiel verder in de richting van uw hoofd instelt, neemt bij een ongeval de beschermende werking van de bestuurdersairbag af. Controleren dat het stuurwiel naar de borst is gericht. Het stuurwiel tijdens het rijden met beide handen vasthouden aan de buitenzijde van het stuur op kwart over negen. Nooit het stuurwiel op '12-uur' vasthouden of in een andere stand (bijvoorbeeld in het midden of aan de binnenzijde van het stuurwiel). In dergelijke gevallen zou bij activering van de Afb. 112 Contactslotstanden Benzinemotoren A1 - Contact uitgeschakeld, motor afgezet, stuurwiel kan worden geblokkeerd A2 - Contact ingeschakeld A3 - Motor starten Dieselmotoren A1 - Brandstoftoevoer onderbroken, contact uitgeschakeld, motor afgezet, stuurwiel kan worden geblokkeerd A2 - Motor voorgloeien, contact ingeschakeld Tijdens het voorgloeien mogen geen grote elektrische verbruikers zijn ingeschakeld - de accu wordt anders onnodig belast. A3 - Motor starten Voor alle wagens geldt: Stand A1 Voor het vergrendelen van het stuurwiel de sleutel uit het contactslot verwijderen en het stuurwiel iets verdraaien tot de vergrendelingspen hoorbaar vastklikt. Het

108 Wegrijden en rijden 107 stuurwiel altijd vergrendelen als u de wagen verlaat. Zo wordt een mogelijke diefstal van uw wagen bemoeilijkt. Stand A2 Als de contactsleutel niet of slechts moeizaam in deze stand kan worden gedraaid, het stuurwiel iets heen en weer bewegen - daardoor wordt het stuurslot ontlast. Stand A3 In deze stand wordt de motor gestart. Tegelijkertijd worden het dim- of grootlicht resp. andere elektrische verbruikers met een groot verbruik kort uitgeschakeld. Na het loslaten van de sleutel keert de contactsleutel in stand A2 terug. Vóór het opnieuw starten moet de contactsleutel altijd in stand A1 worden teruggedraaid. De startherhaalblokkering in het contactslot voorkomt dat de startmotor bij draaiende motor de starterkrans raakt en daardoor beschadigd wordt. Uittrekblokkering contactsleutel (automatische versnellingsbak) De contactsleutel kan na het uitschakelen van het contact alleen worden verwijderd als de keuzehendel zich in stand P bevindt. Als de wagen rolt en de motor niet draait, moet de contactsleutel altijd in stand A2 (contact ingeschakeld) staan. Deze stand wordt aangegeven door het branden van de controlelampjes. Als dat niet het geval is, zou het stuurwiel onverwacht kunnen vergrendelen - gevaar voor ongevallen! De sleutel pas uit het contactslot trekken als de wagen tot stilstand is gekomen (door het aantrekken van de handrem of de keuzehendel in stand P te zetten). Het stuurslot kan direct blokkeren - gevaar voor ongevallen! Wanneer u de wagen verlaat, ook al is het maar even, altijd de sleutel uit het contact verwijderen. Dat geldt vooral als er kinderen in de wagen achterblijven. De kinderen zouden anders de motor kunnen starten of delen van de elektrische uitrusting (bijvoorbeeld de elektrische ruitbediening) kunnen bedienen - gevaar voor ongevallen resp. verwondingen! Motor starten Algemeen De motor kan alleen met een originele sleutel worden gestart. Schakelbak Voor het starten de versnellingshendel in de neutraalstand zetten en de handrem stevig aantrekken. Het rempedaal intrappen en ingetrapt houden tot de motor aanslaat. Als de motor zonder ingetrapt koppelingspedaal wordt gestart, slaat de motor niet aan en verschijnt in het informatiedisplay de melding Depress clutch! (Koppeling intrappen!) resp. op het display van het instrumentenpaneel CLUTCH (KOPPELING). Zodra de motor aanslaat de sleutel direct loslaten - anders kan de startmotor worden beschadigd. Automatische versnellingsbak Voor het starten de keuzeheden in stand P of N zetten en de handrem stevig aantrekken. Zodra de motor aanslaat de sleutel direct loslaten - anders kan de startmotor worden beschadigd. Na het starten van een koude motor kan er korte tijd meer motorgeluid te horen zijn, omdat in de hydraulische klepspelingscompensatie eerst oliedruk moet worden opgebouwd. Dat is een normaal verschijnsel en geen reden om u zorgen te maken. Als de motor niet aanslaat... Als starthulp kunt u de accu van een andere wagen gebruiken bladzijde 215. Nooit de motor laten draaien in ongeventileerde of afgesloten ruimtes. De uitlaatgassen van de motor bevatten onder andere het geur- en kleurloze koolmonoxide, een giftig gas - levensgevaar! Koolmonoxide kan tot bewusteloosheid leiden en dodelijk zijn. Nooit uw wagen met draaiende motor onbeheerd achterlaten. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

109 108 Wegrijden en rijden Voorzichtig! De startmotor mag alleen worden ingeschakeld (contactslotstand A3 ), als de motor niet draait. Als de startmotor direct nadat de motor is afgezet weer wordt ingeschakeld, kan de startmotor resp. de motor worden beschadigd. Hoge motortoerentallen, volgas en hoge motorbelasting vermijden, zolang de motor zijn bedrijfstemperatuur nog niet heeft bereikt - gevaar voor motorschade! De motor niet proberen te starten door de wagen aan te slepen - gevaar voor motorschade. Bij wagens met katalysator kan onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen en hierin tot ontbranding komen. Dit zou tot ernstige beschadiging van de katalysator leiden. Als starthulp kunt u de accu van een andere wagen gebruiken bladzijde 215, Starthulp. Milieu De motor niet met stationair toerental laten warmdraaien. Direct wegrijden. Daardoor bereikt de motor sneller zijn bedrijfstemperatuur en is de uitstoot van schadelijke gassen minder. Benzinemotoren Deze motoren zijn voorzien van een inspuitsysteem, dat bij elke buitentemperatuur automatisch het juiste brandstof-luchtmengsel levert. Voor en tijdens het starten geen gas geven. Als de motor niet aanslaat, het starten na tien seconden afbreken en na een halve minuut opnieuw proberen. Als de motor dan nog steeds niet aanslaat, kan de zekering van de elektrische brandstofpomp defect zijn. De zekering controleren en deze zo nodig vervangen bladzijde 220. De hulp van de dichtstbijzijnde specialist inroepen. Bij een zeer warme motor kan het noodzakelijk zijn om na het aanslaan van de motor een beetje gas bij te geven. Dieselmotoren Voorgloeisysteem Dieselmotoren zijn uitgerust met een voorgloeisysteem, waarbij de voorgloeitijd automatisch wordt geregeld aan de hand de koelvloeistof- en buitentemperatuur. Na het inschakelen van het contact gaat het controlelampje voorgloeitijd branden. Tijdens het voorgloeien mogen geen grote elektrische verbruikers zijn ingeschakeld - de accu wordt anders onnodig belast. Direct nadat het controlelampje voorgloeitijd is gedoofd, moet de motor worden gestart. Als de motor al op bedrijfstemperatuur is resp. bij buitentemperaturen boven +5 C brandt het controlelampje voorgloeitijd ongeveer een seconde. Dat betekent dat de motor direct kan worden gestart. Als de motor niet aanslaat, het starten na tien seconden afbreken en na een halve minuut opnieuw proberen. Als de motor dan nog steeds niet aanslaat, kan de zekering van het dieselvoorgloeisysteem defect zijn. De zekering controleren en deze zo nodig vervangen bladzijde 220. De hulp van de dichtstbijzijnde specialist inroepen. Starten na leeggereden brandstoftank Als de brandstoftank volledig is leeggereden, kan het starten na het tanken tot wel een minuut langer duren dan normaal. Dat komt omdat het brandstofsysteem tijdens het starten eerst weer volledig met brandstof moet worden gevuld. Motor afzetten De motor wordt afgezet door de contactsleutel in stand A1 te draaien bladzijde 106, afb Nooit de motor afzetten voordat de wagen stilstaat - gevaar voor ongevallen! De rembekrachtiger werkt alleen als de motor draait. Wanneer de motor is afgezet, heeft u meer kracht nodig om te remmen. Omdat de wagen in een dergelijke situatie bij het remmen anders reageert dan normaal, kan dit tot een ongeval en ernstige verwondingen leiden. Voorzichtig! Na langdurige hoge motorbelasting moet u de motor na afloop van de rit niet direct afzetten, maar nog circa 2 minuten stationair laten draaien. Daarmee wordt warmteophoping in de afgezette motor voorkomen.

110 Wegrijden en rijden 109 Nadat de motor is afgezet, kan de koelluchtventilator ook bij uitgeschakeld contact nog circa tien minuten verder draaien. De koelluchtventilator kan echter ook na enige tijd weer worden ingeschakeld, wanneer de koelvloeistoftemperatuur door warmteophoping oploopt of wanneer de motorruimte bij warme motor door sterke zonnestraling verder wordt opgewarmd. Bij werkzaamheden in de motorruimte daarom bijzonder voorzichtig te werk gaan bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte. Tijdens het schakelen het koppelingspedaal altijd volledig intrappen, om onnodige slijtage en beschadigingen te vermijden. Handrem Schakelen (schakelbak) Afb. 114 Middenconsole: Handrem Handrem aantrekken De handremhendel volledig omhoogtrekken. De achteruitversnelling alleen inschakelen als de wagen stilstaat. Het koppelingspedaal volledig intrappen en ingetrapt houden. Om schakelgeluiden te voorkomen een moment wachten alvorens de achteruitversnelling in te schakelen. Wanneer de achteruitversnelling en het contact zijn ingeschakeld, branden de achteruitrijlampen. Afb. 113 Schakelschema: 5-versnellings schakelbak of 6-versnellings schakelbak Nooit tijdens het rijden de achteruitversnelling inschakelen - gevaar voor ongevallen! Tijdens het rijden uw hand niet op de versnellingshendel laten rusten. De druk van de hand wordt overgedragen op de schakelgaffels in de versnellingsbak. Dit kan op termijn tot voortijdige slijtage van de schakelgaffels leiden. Handrem loszetten De handremhendel iets omhoogtrekken en tegelijkertijd de vergrendelknop afb. 114 indrukken. De hendel met de knop ingedrukt volledig omlaagdrukken. Bij aangetrokken handrem en ingeschakeld contact brandt het handremcontrolelampje. Als u per ongeluk met een aangetrokken handrem wegrijdt, klinkt er een waarschuwingstoon en verschijnt er op het informatiedisplay de aanwijzing: Release parking brake! (Parkeerrem loszetten!) De handremwaarschuwing wordt geactiveerd als u langer dan 3 seconden met een snelheid van meer dan 6 km/h rijdt. Let erop dat de aangetrokken handrem volledig moet worden losgezet. Een slechts gedeeltelijk losgezette handrem kan leiden tot oververhitting van de achterremmen en daardoor de werking van het remsysteem negatief beïn- Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

111 110 Wegrijden en rijden Vervolg vloeden - gevaar voor ongevallen! Bovendien leidt dit tot voortijdige slijtage van de achterremmen. Kinderen nooit zonder toezicht in de wagen achterlaten. De kinderen kunnen anders bijvoorbeeld de handrem loszetten of de versnelling uitschakelen. De wagen zou zich in beweging kunnen zetten - gevaar voor ongevallen! Voorzichtig! Nadat de wagen tot stilstand is gekomen, altijd eerst de handrem stevig aantrekken en vervolgens bovendien nog een versnelling inschakelen (schakelbak) resp. de keuzehendel in stand P zetten (automatische versnellingsbak). Parkeerhulp achter De parkeerhulp waarschuwt voor obstakels achter de wagen. aanhoudende toon - 5 cm verder achter de wagen. De wagen kan door een ingebouwde afneembare trekhaak langer worden. Bij af fabriek ingebouwde radio-navigatiesystemen en autoradio's kan de afstand tot het obstakel op het display grafisch worden weergegeven. Bij auto's met af fabriek ingebouwde trekhaak worden bij aanhangwagengebruik de sensoren achter uitgeschakeld. De bestuurder wordt hierover geïnformeerd door een grafische weergave (wagen met aanhangwagen) op het display van de radio of het radio-navigatiesysteem. Bij sommige af fabriek ingebouwde radio's of radio-navigatiesystemen kan worden ingesteld dat bij een actieve parkeerhulp het volume hiervan wordt verminderd, zie het instructieboekje van de radio resp. het radionavigatiesysteem. Hierdoor is de parkeerhulp beter hoorbaar. Activeren Als het contact is ingeschakeld, wordt de parkeerhulp bij het inschakelen van de achteruitversnelling automatisch geactiveerd. Dit wordt door een kort akoestisch signaal bevestigd. Deactiveren Door de versnellingshendel uit de achteruitversnelling te halen, wordt de parkeerhulp gedeactiveerd. Afb. 115 Parkeerhulp: Detectiebereik van de sensoren achter De akoestische parkeerhulp bepaalt met behulp van ultrasoonsensoren de afstand van de achterbumper tot een obstakel achter de wagen. De geluiden van de parkeerhulp kunnen in het menu van het informatiedisplay worden aangepast bladzijde 24. De sensoren bevinden zich in de achterbumper. Reikwijdte van de sensoren De afstandswaarschuwing begint bij een afstand van circa 160 cm tot het obstakel (zone A afb. 115). Met de vermindering van de afstand wordt het interval tussen de toonimpulsen korter. Vanaf een afstand van ca. 30 cm (zone AB ) klinkt een aanhoudende toon - gevarenzone. Vanaf hier moet u niet verder achteruitrijden! Als de wagen af fabriek van een trekhaak is voorzien, begint de signaleringsgrens van de gevarenzone - De parkeerhulp is geen vervanging voor de oplettendheid van de bestuurder, zodat de verantwoordelijkheid bij het parkeren en vergelijkbare rijmanoeuvres altijd bij de bestuurder ligt. Daarom bij het achteruitrijden controleren of zich achter de wagen geen obstakel, bijvoorbeeld een steen, dunne kolom, aanhangerdissel of iets dergelijks, bevindt. Dit obstakel ligt mogelijk buiten het geregistreerde bereik. Oppervlakken van bepaalde voorwerpen en van kleding kunnen de signalen van de parkeerhulp niet altijd reflecteren. Daarom kunnen deze voorwerpen of personen die dergelijke kleding dragen, niet door de sensoren van de parkeerhulp worden herkend. Bij aanhangwagengebruik is de parkeerhulp buiten werking (geldt voor wagens met af fabriek ingebouwde trekhaak). Als met ingeschakeld contact na het inschakelen van de achteruitversnelling circa 3 seconden lang een waarschuwingstoon klinkt en er zich geen obstakel in de buurt van de wagen bevindt, is er sprake van een systeemstoring. De storing door een specialist laten verhelpen.

112 Wegrijden en rijden 111 Om te zorgen dat de parkeerhulp goed kan werken, moeten de sensoren schoon schoon en ijsvrij worden gehouden. Parkeerhulp voor en achter De parkeerhulp waarschuwt voor obstakels voor en achter de wagen. radio-navigatiesysteem. Bij sommige af fabriek ingebouwde radio's of radio-navigatiesystemen kan worden ingesteld dat bij een actieve parkeerhulp het volume hiervan wordt verminderd, zie het instructieboekje van de radio resp. het radionavigatiesysteem. Hierdoor is de parkeerhulp beter hoorbaar. Activeren De parkeerhulp wordt geactiveerd door bij ingeschakeld contact de achteruitversnelling in te schakelen of door op de toets afb links te drukken, in de toets brandt het symbool. De activering wordt aangegeven met een korte bevestigingstoon. Deactiveren De parkeerhulp wordt gedeactiveerd door op de toets afb links te drukken of bij een snelheid hoger dan 10 km/h - het symbool in de toets dooft. Afb. 116 Activeren van de parkeerhulp / detectiebereik van de sensoren voor De akoestische parkeerhulp bepaalt met behulp van ultrasoonsensoren de afstand van de voor- of achterbumper tot een obstakel. De sensoren bevinden zich in de voor- en achterbumper. De geluidssignalen voor de parkeerhulp voor zijn standaard hoger dan voor de parkeerhulp achter. De geluiden van de parkeerhulp kunnen in het menu van het informatiedisplay worden aangepast bladzijde 24. Reikwijdte van de sensoren De afstandswaarschuwing begint bij een afstand van circa 120 cm tot het obstakel voor de wagen (zone A afb. 116) en circa 160 cm tot het obstakel achter de wagen (zone AB bladzijde 110, afb. 115). Met de vermindering van de afstand wordt het interval tussen de geluidsimpulsen korter. Vanaf een afstand van ca. 30 cm (zone AB ) klinkt een aanhoudende toon - gevarenzone. Vanaf dit moment niet verder rijden! Als de wagen af fabriek van een trekhaak is voorzien, begint de signaleringsgrens van de gevarenzone - aanhoudende toon - 5 cm verder achter de wagen. De wagen kan door een ingebouwde afneembare trekhaak langer worden. Bij af fabriek ingebouwde radio-navigatiesystemen en autoradio's kan de afstand tot het obstakel op het display grafisch worden weergegeven. Bij auto's met af fabriek ingebouwde trekhaak worden bij aanhangwagengebruik de sensoren achter uitgeschakeld. De bestuurder wordt hierover geïnformeerd door een grafische weergave (wagen met aanhangwagen) op het display van de radio of het De parkeerhulp is geen vervanging voor de oplettendheid van de bestuurder, zodat de verantwoordelijkheid bij het parkeren en vergelijkbare rijmanoeuvres altijd bij de bestuurder ligt. Daarom bij het achteruitrijden controleren of zich achter de wagen geen obstakel, bijvoorbeeld een steen, dunne kolom, aanhangerdissel of iets dergelijks, bevindt. Dit obstakel ligt mogelijk buiten het geregistreerde bereik. Oppervlakken van bepaalde voorwerpen en van kleding kunnen de signalen van de parkeerhulp niet altijd reflecteren. Daarom kunnen deze voorwerpen of personen die dergelijke kleding dragen, niet door de sensoren van de parkeerhulp worden herkend. Bij aanhangwagengebruik functioneert alleen de parkeerhulp voor (geldt alleen voor wagens met af fabriek ingebouwde trekhaak). Als na activering van het systeem circa 3 seconden lang een waarschuwingstoon klinkt en er zich geen obstakel in de buurt van de wagen bevindt, is er sprake van een systeemstoring. De storing wordt tevens aangegeven door het knipperen van het symbool in de toets afb links. De storing door een specialist laten verhelpen. Om te zorgen dat de parkeerhulp goed kan werken, moeten de sensoren schoon schoon en ijsvrij worden gehouden. Als de parkeerhulp geactiveerd is en de keuzehendel van de automatische versnellingsbak in stand AP staat, wordt de waarschuwingstoon onderbroken (wagen kan zich niet bewegen). Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

113 112 Wegrijden en rijden Snelheidsregelsysteem (SRS) Snelheid opslaan Inleiding Het snelheidsregelsysteem (SRS) houdt de ingestelde snelheid, hoger dan 30 km/h (20 mph), constant, zonder dat u het gaspedaal hoeft te bedienen. Dit is echter alleen mogelijk als motorvermogen resp. motorremwerking dit toelaten. Met behulp van het snelheidsregelsysteem kunt u - met name op lange afstanden - de gasvoet ontlasten. Om veiligheidsredenen mag het snelheidsregelsysteem bij druk verkeer en ongunstige wegdekomstandigheden (bijvoorbeeld gladheid, steenslag) niet worden gebruikt - gevaar voor ongevallen! Om het onbedoeld gebruik van het snelheidsregelsysteem te voorkomen, het systeem na het gebruik altijd uitschakelen. Wagens met schakelbak: Als bij ingeschakeld snelheidsregelsysteem de neutraalstand wordt ingeschakeld, altijd het koppelingspedaal volledig intrappen! Anders kan de motor onbedoeld met een hoger toerental gaan draaien. Bij het rijden op steile afdalingen kan het snelheidsregelsysteem de snelheid niet constant houden. Door het eigen gewicht van de wagen neemt de snelheid dan toe. Daarom tijdig terugschakelen naar een lagere versnelling of de wagen met de voetrem afremmen. Bij wagens met automatische versnellingsbak kan het snelheidsregelsysteem niet worden ingeschakeld als de keuzehendel zich in stand P, N, of R bevindt. Afb. 117 Bedieningshendel: Tuimelschakelaar en schakelaar van het snelheidsregelsysteem Bediend wordt het snelheidsregelsysteem met de schakelaar A afb. 117 en de tuimelschakelaar AB in de linker hendel van de multifunctieschakelaar. De schakelaar A in stand ON drukken. Na het bereiken van de gewenste snelheid tuimelschakelaar AB in de stand SET drukken. Na het loslaten van tuimelschakelaar AB vanuit de stand SET wordt de opgeslagen snelheid constant gehouden zonder bediening van het gaspedaal. De snelheid kan worden verhoogd door het gaspedaal in te drukken. Na het loslaten van het gaspedaal wordt de snelheid weer verminderd tot de eerder opgeslagen waarde. Dit geldt echter niet wanneer de opgeslagen snelheid gedurende langer dan 5 minuten met meer dan 10 km/h wordt overschreden. De opgeslagen snelheid wordt dan uit het geheugen gewist. De snelheid moet opnieuw worden opgeslagen. De snelheid kan op de gebruikelijke wijze worden verlaagd. Door het bedienen van het rem- of koppelingspedaal wordt het systeem tijdelijk uitgeschakeld bladzijde 113. De opgeslagen snelheid mag pas weer worden hervat als deze niet te hoog is voor de actuele verkeerssituatie.

114 Wegrijden en rijden 113 Opgeslagen snelheid wijzigen De snelheid kan ook worden gewijzigd zonder bediening van het gaspedaal. Sneller De opgeslagen snelheid kan zonder bediening van het gaspedaal door het indrukken van tuimelschakelaar AB bladzijde 112, afb. 117 in de stand RES worden verhoogd. Als de tuimelschakelaar in de stand RES wordt gehouden, wordt de snelheid voortdurend verhoogd. Na het bereiken van de gewenste snelheid de tuimelschakelaar loslaten. Daardoor wordt de nieuw opgeslagen snelheid in het geheugen bewaard. Langzamer De opgeslagen snelheid kan door het indrukken van tuimelschakelaar AB in de stand SET worden verlaagd. Als de tuimelschakelaar in de stand SET wordt gehouden, wordt de snelheid voortdurend verlaagd. Na het bereiken van de gewenste snelheid de tuimelschakelaar loslaten. Daardoor wordt de nieuw opgeslagen snelheid in het geheugen bewaard. Als de tuimelschakelaar bij een snelheid van minder dan 30 km/h wordt losgelaten, wordt de snelheid niet opgeslagen en wordt het geheugen gewist De snelheid moet na een snelheidsverhoging tot meer dan 30 km/h opnieuw worden opgeslagen door het indrukken van tuimelschakelaar AB in de stand SET. Snelheidsregelsysteem tijdelijk uitschakelen Het snelheidsregelsysteem schakelt u door het bedienen van het rem- of koppelingspedaal tijdelijk uit, bij wagens met automatische versnellingsbak alleen met het rempedaal. Het snelheidsregelsysteem kan ook tijdelijk worden uitgeschakeld door schakelaar A in de middenstand te drukken. De opgeslagen snelheid blijft daarbij in het geheugen bewaard. De opgeslagen snelheid wordt hervat na het loslaten van het rem- of koppelingspedaal, bij auto's met automatische versnellingsbak alleen na het loslaten van het rempedaal, en na het kort drukken van de tuimelschakelaar AB bladzijde 112, afb. 117 in stand RES. De opgeslagen snelheid mag pas weer worden hervat als deze niet te hoog is voor de actuele verkeerssituatie. Snelheidsregelsysteem volledig uitschakelen Schakelaar A bladzijde 112, afb. 117 naar rechts in stand OFF drukken. (Start-stopsysteem) Afb. 118 Dashboard: Toets start-stopsysteem Het start-stopsysteem ondersteunt u bij het besparen van brandstof en het verminderen van de emissie van schadelijke stoffen en CO 2. De functie wordt elke keer als het contact wordt ingeschakeld automatisch geactiveerd. In de start-stopfunctie wordt de motor bij stilstand van de wagen automatisch afgezet, bijvoorbeeld voor een verkeerslicht. Op het display in het instrumentenpaneel wordt informatie over de actuele status van het start-stopsysteem weergegeven. Automatische motoruitschakeling (stop-fase) De wagen afremmen tot stilstand (zo nodig de handrem aantrekken). Uit de versnelling schakelen. Het koppelingspedaal loslaten. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

115 114 Wegrijden en rijden Automatisch herstarten (start-fase) Het koppelingspedaal intrappen. Start-stopsysteem in- en uitschakelen Het start-stopsysteem kan door op de toets bladzijde 113, afb. 118 te drukken worden in- en uitgeschakeld. Bij gedeactiveerde start-stopfunctie brandt het controlelampje in de toets. Als de wagen bij het handmatig uitschakelen in de stopstand staat, start de motor direct. Het start-stopsysteem is zeer complex. Enkele van de procedures zijn zonder de juiste documentatie moeilijk te controleren. In het volgende overzicht worden de randvoorwaarden voor een optimale werking van het start-stopsysteem genoemd. Voorwaarden voor de automatische motoruitschakeling (stop-fase) De versnellingshendel staat in de neutraalstand. Het koppelingspedaal is niet ingetrapt. De bestuurder heeft de veiligheidsgordel omgegespt. Het bestuurdersportier is gesloten. De motorkap is gesloten. De wagen staat stil. De af fabriek gemonteerde trekhaak is niet elektrisch met een aanhangwagen verbonden. De motor is op bedrijfstemperatuur. De ladingstoestand van de accu is voldoende. De wagen staat niet op een helling. Het motortoerental is lager dan /min. De temperatuur van de accu is niet te laag of te hoog. De druk in het remsysteem is voldoende. Het verschil tussen de buitentemperatuur en de ingestelde interieurtemperatuur is niet te groot. De rijsnelheid sinds de laatste keer dat de motor werd afgezet was hoger dan 3km/h. Er is geen reiniging van het roefilter actief bladzijde 28. De voorwielen zijn niet te sterk gedraaid (het stuurwiel is minder dan 3/4 omwenteling gedraaid). Voorwaarden voor een automatische herstart (start-fase) Het koppelingspedaal is ingetrapt. De max./min. temperatuur is ingesteld. De ontwasemingsfunctie van de voorruit is ingeschakeld. Er is een hoge aanjagerstand gekozen. De start-stoptoets wordt ingedrukt. Voorwaarden voor een automatische herstart zonder ingreep van de bestuurder De wagen rijdt met een snelheid van meer dan 3 km/h. Het verschil tussen de buitentemperatuur en de in het interieur ingestelde temperatuur is te groot. De ladingstoestand van de accu is niet voldoende. De druk in het remsysteem is niet voldoende. Meldingen in het instrumentenpaneel (geldt voor wagens zonder informatiedisplay) ERROR: START STOP (STORING: START STOP) START STOP NOT POSSIBLE (START STOP NIET MOGELIJK) START STOP ACTIVE (START STOP ACTIEF) SWITCH OFF IGNITION (CONTACT UITSCHAKELEN) START MANUALLY (HANDM STARTEN) Storing in het start-stopsysteem De automatische motoruitschakeling is niet mogelijk Automatische motoruitschakeling (stop-fase) Het contact uitschakelen De motor handmatig starten

116 Wegrijden en rijden 115 Bij afgezette motor werken de rembekrachtiger en de stuurbekrachtiging niet. De wagen nooit met afgezette motor laten rollen. Voorzichtig! Als het start-stopsysteem gedurende een zeer lange periode bij zeer hoge buitentemperaturen wordt gebruikt, kan de accu worden beschadigd. Veranderingen in de buitentemperatuur kunnen na meerdere uren merkbaar worden aan de inwendige temperatuur van de accu. Indien de wagen bijvoorbeeld langere tijd bij temperaturen onder het vriespunt in de buitenlucht staat of in direct zonlicht staat geparkeerd, kan het meerdere uren duren voordat de inwendige temperatuur van de accu geschikte waarden bereikt voor een correcte werking van het start-stopsysteem. In enkele gevallen kan het noodzakelijk zijn de motor handmatig met de sleutel te starten (bijvoorbeeld bij een niet omgegespte veiligheidsgordel of een geopend portier gedurende meer dan 30 seconden). Let op de betreffende meldingen op het display in het instrumentenpaneel. Indien de Climatronic wordt gebruikt in de automatische modus, kan onder bepaalde omstandigheden de motor niet automatisch worden afgezet. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

117 116 Automatische versnellingsbak Automatische versnellingsbak Automatische versnellingsbak en voor het rijden met de 6-traps automaat De maximumsnelheid wordt in de 5e versnelling bereikt. De 6e versnelling dient als economisch rijprogramma, dat erop gericht is het brandstofverbruik te verminderen. Het op- en terugschakelen gebeurt automatisch. De versnellingsbak kan echter ook in de tiptronic-stand worden gezet. In deze stand is het mogelijk handmatig te schakelen bladzijde 120. Wegrijden en rijden Het rempedaal helemaal intrappen en ingetrapt houden. De blokkeertoets (toets in de keuzehendel) indrukken, de keuzehendel in de gewenste stand, bijvoorbeeld in D bladzijde 118 zetten, en de blokkeertoets weer loslaten. Eventjes wachten totdat de versnelling wordt ingeschakeld (lichte schakelschok voelbaar). Het rempedaal loslaten en gas geven. Stoppen Als tijdelijk moet worden gestopt, bijvoorbeeld bij kruispunten, hoeft keuzehendelstand N niet te worden ingeschakeld. Het is voldoende, de wagen op zijn plaats te houden door het rempedaal ingetrapt te houden. De motor kan echter alleen stationair draaien. Parkeren Het rempedaal intrappen en ingetrapt houden. De handrem stevig aantrekken. De grendelknop in de keuzehendel indrukken, de keuzehendel in stand P zetten en de grendelknop loslaten. De motor kan alleen in de keuzehendelstanden P of N gestart worden. Als de keuzehendel zich bij het inschakelen van het stuurslot, het in- en uitschakelen van het contact of het starten van de motor niet in stand P of N bevindt, wordt op het informatiedisplay de volgende melding weergegeven Move selector lever to position P/N! (Keuzehendel in stand P/N zetten!) resp. op het display van het instrumentenpaneel P/N. Bij het parkeren op vlak terrein is het voldoende keuzehendelstand P in te schakelen. Op een helling moet eerst de handrem stevig worden aangetrokken en pas dan keuzehendelstand P worden ingeschakeld. Hierdoor wordt bereikt dat het blokkeermechanisme niet te zwaar wordt belast en dat de keuzehendel gemakkelijker uit stand P kan worden genomen. Als de keuzehendel zich bij het openen van het bestuurdersportier en uitgeschakeld contact niet in stand P of bij het uitschakelen van het contact en geopend bestuurdersportier niet in stand P bevindt, verschijnt op het informatiedisplay Move selector lever to position P! (Keuzehendel in stand P zetten!) resp. op het dislay van het instrumentenpaneel P. De melding verdwijnt na enkele seconden door het inschakelen van het contact of wanneer de keuzehendel in stand P wordt gezet. Als u de keuzehendel tijdens het rijden per ongeluk in stand N hebt gezet, moet u het gas loslaten en wachten totdat de motor weer stationair draait voordat u de keuzehendel in een rijstand kunt zetten. Geen gas geven als u bij stilstaande wagen en draaiende motor een andere keuzehendelstand inschakelt - gevaar voor ongevallen! Nooit tijdens het rijden de keuzehendel in stand R of P zetten - gevaar voor ongevallen! Bij stilstaande wagen en draaiende motor moet de wagen in alle keuzehendelstanden (behalve P en N) met het rempedaal tegen worden gehouden, omdat ook bij stationair draaiende motor de krachtoverbrenging niet volledig wordt onderbroken - de wagen kruipt. en voor het rijden met de DSG-versnellingsbak De afkorting DSG staat voor Direct shift gearbox (direct aangestuurde schakelbak). Voor de krachtoverbrenging tussen de motor en de versnellingsbak zorgen twee afzonderlijke koppelingen. Deze vervangen de koppelomvormer van de conventionele automatische versnellingsbak. Hun schakeling is zo afgestemd, dat bij het schakelen geen schok optreedt en de vermogensoverdracht van de motor naar de voorwielen niet wordt onderbroken. Het op- en terugschakelen gebeurt automa-

118 Automatische versnellingsbak 117 tisch. De versnellingsbak kan echter ook in de tiptronic-stand worden gezet. In deze stand is het mogelijk handmatig te schakelen bladzijde 120. Wegrijden en rijden Het rempedaal helemaal intrappen en ingetrapt houden. De blokkeertoets (toets in de keuzehendel) indrukken, de keuzehendel in de gewenste stand, bijvoorbeeld in D bladzijde 118 zetten, en de blokkeertoets weer loslaten. Het rempedaal loslaten en gas geven. Stoppen Als tijdelijk moet worden gestopt, bijvoorbeeld bij kruispunten, hoeft keuzehendelstand N niet te worden ingeschakeld. Het is voldoende, de wagen op zijn plaats te houden door het rempedaal ingetrapt te houden. De motor kan echter alleen stationair draaien. Parkeren Het rempedaal intrappen en ingetrapt houden. De handrem stevig aantrekken. De grendelknop in de keuzehendel indrukken, de keuzehendel in stand P zetten en de grendelknop loslaten. De motor kan alleen in de keuzehendelstanden P of N gestart worden. Als de keuzehendel zich bij het inschakelen van het stuurslot, het in- en uitschakelen van het contact of het starten van de motor niet in stand P of N bevindt, wordt op het informatiedisplay de volgende melding weergegeven Move selector lever to position P/N! (Keuzehendel in stand P/N zetten!) resp. op het display van het instrumentenpaneel P/N. Bij temperaturen onder -10 C kan de motor alleen in keuzehendelstand P worden gestart. Bij het parkeren op vlak terrein is het voldoende keuzehendelstand P in te schakelen. Op een helling moet eerst de handrem stevig worden aangetrokken en pas dan keuzehendelstand P worden ingeschakeld. Hierdoor wordt bereikt dat het blokkeermechanisme niet te zwaar wordt belast en dat de keuzehendel gemakkelijker uit stand P kan worden genomen. Als de keuzehendel zich bij het openen van het bestuurdersportier en uitgeschakeld contact niet in stand P of bij het uitschakelen van het contact en geopend bestuurdersportier niet in stand P bevindt, verschijnt op het informatiedisplay Move selector lever to position P! (Keuzehendel in stand P zetten!) resp. op het dislay van het instrumentenpaneel P. De melding verdwijnt na enkele seconden door het inschakelen van het contact of wanneer de keuzehendel in stand P wordt gezet. Als u de keuzehendel tijdens het rijden per ongeluk in stand N hebt gezet, moet u het gas loslaten en wachten totdat de motor weer stationair draait voordat u de keuzehendel in een rijstand kunt zetten. Geen gas geven als u bij stilstaande wagen en draaiende motor een andere keuzehendelstand inschakelt - gevaar voor ongevallen! Nooit tijdens het rijden de keuzehendel in stand R of P zetten - gevaar voor ongevallen! Wanneer u op een helling stopt, nooit proberen de wagen met ingeschakelde keuzehendelstand op zijn plaats te houden met behulp van het gas, dat wil zeggen met slippende koppeling. Hierdoor kan de koppeling oververhit raken. Bij gevaar voor oververhitting van de koppeling als gevolg van overbelasting zou de koppeling automatisch openen en zou de wagen achteruit rollen - gevaar voor ongevallen! Wanneer u op een helling moet stoppen, het rempedaal intrappen en vasthouden, zodat de wagen niet kan terugrollen. Voorzichtig! De dubbele koppeling van de DSG-versnellingsbak is met een overbelastingsbeveiliging uitgerust. Als de up-hill functie wordt gebruikt en de auto stilstaat of langzaam bergop rijdt, worden de koppelingen aan hogere temperaturen blootgesteld. Als oververhitting optreedt, verschijnt op het informatiedisplay het controlelampje en een waarschuwingstekst bladzijde 34. In dat geval de wagen stoppen, de motor afzetten en wachten tot het controlelampje en de waarschuwingstekst doven - gevaar voor schade aan de versnellingsbak! Na het doven van het symbool en de waarschuwingstekst kunt u de rit voortzetten. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

119 118 Automatische versnellingsbak Keuzehendelstanden Afb. 119 Keuzehendel / informatiedisplay: Keuzehendelstanden De actuele keuzehendelstand wordt op het informatiedisplay van het instrumentenpaneel weergegeven afb rechts. In de standen D en S wordt op het display bovendien de op dat moment ingeschakelde versnelling weergegeven. AP - Parkeervergrendeling In deze stand zijn de aangedreven wielen mechanisch geblokkeerd. De parkeervergrendeling mag alleen bij stilstaande wagen worden ingeschakeld. Als u de keuzehendel in resp. uit deze stand wilt brengen, moet u de vergrendeltoets in de keuzehendel en het rempedaal tegelijkertijd bedienen. Als de accu leeg is, kan de keuzehendel niet uit stand P worden genomen. AR - Achteruitversnelling De achteruitversnelling mag alleen bij stilstaande wagen en stationair draaiende motor worden ingeschakeld. Vóór het inschakelen van stand R vanuit stand P of N moet het rempedaal worden ingetrapt en tegelijkertijd de vergrendeltoets worden ingedrukt. Als het contact is ingeschakeld en de keuzehendel in stand R staat, branden de achteruitrijlampen. AN - Neutraal (neutraalstand) In deze stand staat de versnellingsbak in de neutraalstand. Als u de keuzehendel vanuit stand N (wanneer de hendel langer dan 2 seconden in deze stand heeft gestaan) in stand D of R wilt zetten, moet u bij snelheden onder 5 km/h en bij stilstaande wagen en ingeschakeld contact het rempedaal intrappen. AD - Stand voor vooruitrijden In deze stand worden de vooruitversnellingen, afhankelijk van de motorbelasting, rijsnelheid en het dynamische schakelprogramma, automatisch op- en teruggeschakeld. Voor het inschakelen van stand D vanuit N moet bij een snelheid beneden 5 km/h resp. bij stilstaande wagen het rempedaal worden ingetrapt. Onder bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld bij het rijden in de bergen of bij aanhangwagengebruik) kan het gunstig zijn tijdelijk naar het handmatige schakelprogramma bladzijde 120 over te schakelen, om de overbrengingsverhouding handmatig aan de rijomstandigheden aan te passen. AS - Stand voor sportief rijden Door laat op te schakelen wordt het vermogenspotentieel van de motor optimaal benut. Terugschakelen gebeurt bij hogere motortoerentallen dan in stand D. In stand S schakelt de versnellingsbak niet naar de 6e versnelling, omdat de maximumsnelheid in de 5e versnelling wordt bereikt 9). Als de keuzehendel in stand S wordt gezet vanuit stand D, moet de vergrendeltoets in de keuzehendel worden ingedrukt. Nooit tijdens het rijden de keuzehendel in stand R of P zetten - gevaar voor ongevallen! Bij stilstaande wagen en draaiende motor moet de wagen in alle keuzehendelstanden (behalve P en N) met het rempedaal tegen worden gehouden, omdat ook bij stationair draaiende motor de krachtoverbrenging niet volledig wordt onderbroken - de wagen kruipt. Als bij stilstaande wagen een rijstand is ingeschakeld, mag in geen geval onachtzaam gas worden gegeven (bijvoorbeeld met de hand vanuit de motorruimte). De wagen zet zich anders direct in beweging - eventueel ook als de handrem stevig is aangetrokken - gevaar voor ongevallen! Voordat u of anderen de motorkap openen en aan de draaiende motor gaan werken, moet de keurzehendel in stand P worden gezet en de handrem stevig worden aangetrokken - gevaar voor ongevallen! Let op de volgende waarschuwingsaanwijzingen bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte. 9) Geldt niet voor wagens met DSG-versnellingsbak.

120 Automatische versnellingsbak 119 Keuzehendelvergrendeling Automatische keuzehendelvergrendeling De keuzehendel is in de standen P en N bij ingeschakeld contact geblokkeerd. Voor het ontgrendelen van de hendel uit deze stand moet het rempedaal worden ingetrapt. Als herinnering voor de bestuurder brandt in de keuzehendelstanden P en N het controlelampje bladzijde 32 in het instrumentenpaneel. Een tijdvertragingselement zorgt ervoor dat bij het snel schakelen via stand N (bijvoorbeeld van R naar D) de keuzehendel niet blokkeert. Hierdoor wordt bijvoorbeeld het vrijrijden van een vastgereden wagen mogelijk. Als de keuzehendel zich langer dan 2 seconden in stand N bevindt terwijl het rempedaal niet is ingetrapt, wordt de keuzehendelvergrendeling geactiveerd. De keuzehendelvergrendeling werkt alleen bij stilstaande wagen en bij snelheden tot 5 km/h. Bij hogere snelheden wordt de vergrendeling in stand N automatisch uitgeschakeld. Grendelknop De grendelknop in de keuzehendel voorkomt het per ongeluk inschakelen van enkele keuzehendelstanden. Als de grendelknop wordt ingedrukt, wordt de keuzehendelvergrendeling uitgeschakeld. Uittrekblokkering contactsleutel De contactsleutel kan na het uitschakelen van het contact alleen worden verwijderd als de keuzehendel zich in stand P bevindt. Als de contactsleutel is verwijderd, is de keuzehendel in stand P geblokkeerd. Kick-downfunctie De kick-downfunctie maakt een maximale acceleratie mogelijk. Als het gaspedaal volledig wordt ingetrapt, wordt in elk rijprogramma de kickdownfunctie geactiveerd Deze functie is onafhankelijk van de rijprogramma's en houdt geen rekening met de actuele keuzehendelstand (D, S of tiptronic), en dient voor het maximaal accelereren van de wagen met gebruikmaking van het maximale vermogenspotentieel van de motor. De versnellingsbak schakelt afhankelijk van de rijomstandigheden een of meerdere versnellingen terug en de wagen accelereert. Opschakelen naar een hogere versnelling gebeurt pas als het maximaal voorgeschreven motortoerental wordt bereikt. Let erop dat bij een glad, glibberig wegdek de aangedreven wielen kunnen doordraaien door het bedienen van de kick-downfunctie - slipgevaar! Dynamisch schakelprogramma De automatische versnellingsbak van uw wagen wordt elektronisch geregeld. Het op- en terugschakelen gebeurt automatisch afhankelijk van de geprogrammeerde rijprogramma's. Bij een beheerste rijstijl kiest de versnellingsbak het meest economische rijprogramma. Vroeg opschakelen en laat terugschakelen heeft een gunstige invloed op het brandstofverbruik. Bij een sportieve rijstijl met snelle gaspedaalbewegingen, bij krachtig accelereren en veelvuldig wisselende snelheden en bij het rijden met de topsnelheid past de versnellingsbak zich na het volledig intrappen van het gaspedaal (kick-downfunctie) aan deze rijstijl aan en schakelt vroeger terug, vaak ook meerdere versnellingen in vergelijking met een beheerste rijstijl. De keuze van het op dat moment meest gunstige schakelprogramma is een continu proces. Onafhankelijk daarvan is het mogelijk, door snel gas te geven naar een dynamischer schakelprogramma te wisselen of terug te schakelen. Daarbij schakelt de versnellingsbak terug naar een versnelling die bij de rijsnelheid past en maakt zo snel accelereren mogelijk (bijvoorbeeld om in te halen), zonder dat u het gaspedaal tot het kick-downbereik hoeft in te drukken. Nadat de versnellingsbak weer heeft opgeschakeld, wordt bij overeenkomstige rijstijl weer het oorspronkelijke programma aangenomen. Bij het het rijden in de bergen wordt de gekozen versnelling aan de hellingen en afdalingen aangepast. Daardoor worden pendelschakelingen bij bergop rijden vermeden. Bij bergaf rijden is het mogelijk in de tiptronic-stand terug te schakelen om op de motor te kunnen afremmen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

121 120 Automatische versnellingsbak Tiptronic De tiptronic biedt de bestuurder de mogelijkheid ook handmatig te schakelen. Handmatig schakelen op het multifunctiestuurwiel Afb. 121 Multifunctiestuurwiel: Handmatig schakelen Afb. 120 Keuzehendel: Handmatig schakelen / Informatiedisplay: Handmatig schakelen De ingeschakelde keuzehendelstand wordt samen met de ingeschakelde versnelling op het informatiedisplay in het instrumentenpaneel weergegeven afb rechts. Omschakelen op handmatig schakelen De keuzehendel vanuit stand D naar rechts drukken. Na het omschakelen wordt op het display de momenteel ingeschakelde versnelling weergegeven. Opschakelen De keuzehendel (in de tiptronic-stand) naar voren aantippen afb. 120 A+. Terugschakelen De keuzehendel (in de tiptronic-stand) naar achteren aantippen A-. Het omschakelen naar handmatig schakelen is zowel bij stilstaande wagen als tijdens het rijden mogelijk. Bij het accelereren schakelt de versnellingsbak automatisch op naar de volgende versnelling, kort voordat het maximaal toegestane motortoerental wordt bereikt. Als een lagere versnelling wordt gekozen, schakelt de versnellingsbak pas terug wanneer een te hoog motortoerental niet meer mogelijk is. Als de kick-downfunctie wordt bediend, schakelt de versnellingsbak, afhankelijk van snelheid en motortoerental, naar een lagere versnelling terug. Omschakelen op handmatig schakelen De keuzehendel vanuit stand D naar rechts drukken. Na het omschakelen wordt op het display de momenteel ingeschakelde versnelling weergegeven. Opschakelen De rechterpeddel + afb. 121 naar het multifunctiestuurwiel drukken. Terugschakelen De linkerpeddel - afb. 121 naar het multifunctiestuurwiel drukken. Tijdelijk omschakelen op handmatig schakelen Als de keuzehendel in de stand D of S staat, de linkerpeddel - of de rechterpeddel + naar het multifunctiestuurwiel drukken. Als de peddels - of + enige tijd niet worden bediend, wordt het handmatig schakelen uitgeschakeld. Het tijdelijk omschakelen op handmatig schakelen kunt u ook zelf uitschakelen door de rechterpeddel + langer dan 1 seconde ingedrukt te houden. Noodprogramma In geval van een systeemstoring is er een noodprogramma. Bij functiestoringen van de elektronica van de versnellingsbak werkt de versnellingsbak in een overeenkomstig noodprogramma. Dit wordt aangegeven door het branden resp. doven van alle segmenten op het display. Een functiestoring kan de volgende effecten hebben:

122 Automatische versnellingsbak 121 De versnellingsbak schakelt alleen in bepaalde rijstanden. De achteruitversnelling R kan niet worden gebruikt. Het handmatige schakelprogramma (tiptronic) bevindt zich in de noodloopmodus Wanneer de versnellingsbak in de noodloopmodus is omgeschakeld, zo snel mogelijk een specialist opzoeken om de storing te laten verhelpen. Noodontrendeling keuzehendel Afb. 122 Noodontgrendeling keuzehendel Als de stroomvoorziening wordt onderbroken (bijvoorbeeld door een ontladen accu van de wagen of een defecte zekering) of een defect van de keuzehendelblokkering optreedt, kan de keuzehendel niet meer op de normale manier uit stand P worden verplaatst en kan de wagen niet meer worden bewogen. De noodontgrendeling voor de keuzehendel moet worden gebruikt. De handrem stevig aantrekken. Het opbergvak in de middenconsole voorin resp. de asbak voorin openen. Afdekking links- en rechtsvoor voorzichtig omhoogtrekken. Afdekking achter omhoogtrekken. Met een vinger het gele kunststof deel in pijlrichting afb. 122 drukken. Tegelijkertijd de vergrendeltoets in de keuzehendel indrukken en de hendel in stand N zetten (als de keuzehendel weer in stand P wordt gezet, wordt deze opnieuw vergrendeld). Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

123 122 Communiceren Communiceren Multifunctiestuurwiel Radio en radio-navigatiesysteem op het multifunctiestuurwiel bedienen Afb. 123 Multifunctiestuurwiel: Bedieningstoetsen De toetsen voor de bediening van de basisfuncties van de af fabriek ingebouwde radio en het radio-navigatiesysteem bevinden zich op het multifunctiestuurwiel afb De radio en het radio-navigatiesysteem kunnen natuurlijk ook nog steeds op het apparaat zelf worden bediend. Een beschrijving vindt u in het bijbehorende instructieboekje. Als het stadslicht ingeschakeld is, zijn ook de toetsen van het multifunctiestuurwiel verlicht. De toetsen gelden voor de functie waarin de radio resp. het radio-navigatiesysteem zich op dat moment bevindt. Door de toetsen in te drukken resp. te draaien kunnen de volgende functies worden uitgevoerd.

124 Communiceren 123 Toets Handeling Radio, verkeersmelding Cd / cd-wisselaar / mp3 Navigatie A1 A1 A1 A1 A2 A2 A3 A3 kort drukken Geluid uit-/inschakelen / Activering en deactivering van de spraakbediening a) lang drukken naar boven draaien naar beneden draaien kort drukken uit- / inschakelen Volume verhogen Volume verlagen Wisselen naar de volgende opgeslagen radiozender Wisselen naar de volgende opgeslagen verkeersmelding Onderbreking van de verkeersmelding Wisselen naar de volgende titel lang drukken Onderbreking van de verkeersmelding snel vooruit kort drukken Wisselen naar de vorige opgeslagen radiozender Wisselen naar de vorige opgeslagen verkeersmelding Onderbreking van de verkeersmelding Wisselen naar de vorige titel lang drukken Onderbreking van de verkeersmelding snel achteruit geen functie A4 A5 kort drukken kort drukken Wisselen van audiobron Hoofdmenu openen A6 A6 A6 kort drukken Onderbreking van de verkeersmelding geen functie naar boven draaien naar beneden draaien Weergave van de opgeslagen/ontvangbare zenders naar boven bladeren Onderbreking van de verkeersmelding Weergave van de opgeslagen/ontvangbare zenders naar beneden bladeren Onderbreking van de verkeersmelding Wisselen naar de vorige titel Wisselen naar de volgende titel geen functie a) Geldt voor het radio-navigatiesysteem Columbus: De luidsprekers in de wagen zijn afgestemd op een uitgangsvermogen van de radio en het radio-navigatiesysteem van 4x20 W. Bij de uitrusting soundsysteem zijn de luidsprekers afgestemd op een uitgangsvermogen van de versterker van 4x40 W + 6x20 W. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

125 124 Communiceren Mobiele telefoons en communicatiesystemen Het inbouwen van mobiele telefoons en communicatiesystemen in een wagen moet door een specialist worden uitgevoerd. Škoda Auto geeft het gebruik vrij voor mobiele telefoons en communicatiesystemen met een vakkundig geïnstalleerde buitenantenne en een maximaal zendvermogen tot 10 watt. Voor meer informatie over het inbouwen van mobiele telefoons en communicatiesystemen met een vermogen van meer dan 10 watt dient u een specialist te raadplegen. Deze vertelt u welke technische mogelijkheden er zijn voor het achteraf inbouwen van mobiele telefoons. Als u in het interieur van de wagen een mobiele telefoon gebruikt die niet in de telefoonadapter is aangebracht en dus geen verbinding met de buitenantenne heeft, kan de elektromagnetische straling de actuele grenswaarde overschrijden. Als voor uw mobiele telefoon een passende adapter verkrijgbaar is, de mobiele telefoon alleen in de adapter gebruiken, zodat de straling van de mobiele telefoon in de wagen tot een minimum beperkt blijft. Dat heeft ook een positieve invloed op de kwaliteit van de verbinding. Bij gebruik van mobiele telefoons of communicatiesystemen kunnen storingen in de werking van de elektronica van uw wagen optreden. Dit kan veroorzaakt worden door: ontbreken buitenantenne, onjuist geïnstalleerde buitenantenne, een zendvermogen boven 10 watt. Het gebruik van mobiele telefoons of communicatiesystemen in de wagen zonder buitenantenne resp. een verkeerd gemonteerde buitenantenne kan tot een toename van de sterkte van het elektromagnetische veld in het interieur van de wagen leiden. Houd uw aandacht in de eerste plaats bij het autorijden! Communicatiesystemen, mobiele telefoons resp. houders daarvan mogen niet bij de afdekkingen van de airbags of nabij het werkingsgebied van de airbags gemonteerd worden. Anders kunnen bij een ongeval personen gewond raken. Laat een mobiele telefoon nooit liggen op een stoel, op het dashboard of op een andere plek van waaruit de telefoon bij een plotselinge remmanoeuvre, een ongeval of een aanrijding kan worden weggeslingerd. Inzittenden kunnen hierdoor worden verwond. Neem de landspecifieke voorschriften voor het gebruik van mobiele telefoons in de wagen in acht. Universele telefoonvoorbereiding GSM II Inleiding De universele telefoonvoorbereiding GSM II is een ingebouwde handsfreeset en biedt de mogelijkheid tot een comfortbediening door middel van spraakbediening, via het multifunctiestuurwiel of het radio-navigatiesysteem. De volledige communicatie tussen de telefoon en de handfreeset van uw wagen verloopt via de Bluetooth -technologie. De adapter dient alleen voor het opladen van de telefoon en voor het overdragen van het signaal naar de buitenantenne van de wagen. Voor een optimale signaaloverdracht moet de telefoon met adapter in de telefoonhouder blijven. Daarnaast kan het volume tijdens het gesprek op elk moment individueel met de instelknop van de radio resp. het radio-navigatiesysteem of met de toetsen op het multifunctiestuurwiel worden veranderd. Houd uw aandacht in de eerste plaats bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de volledige verantwoordelijkheid voor een veilig verkeersgedrag. Het telefoonsysteem alleen gebruiken als u uw wagen volledig onder controle hebt. Let op de volgende aanwijzingen bladzijde 124, Mobiele telefoons en communicatiesystemen. Indien u nog vragen hebt, kunt u contact opnemen met een geautoriseerde Škoda Servicepartner. Intern telefoonboek Onderdeel van de telefoonvoorbereiding met spraakbediening is een intern telefoonboek. In het interne telefoonboek zijn vrije geheugenplaatsen beschik-

126 Communiceren 125 baar. Elk contact kan maximaal 4 nummers bevatten. Het gebruik van dit interne telefoonboek is afhankelijk van het type mobiele telefoon. Bij wagens die met het radio-navigatiesysteem Columbus zijn uitgerust, kunnen op het display maximaal 1200 telefooncontacten worden weergegeven. Nadat de telefoon de eerste keer is verbonden, begint het systeem het telefoonboek uit de telefoon en op de simkaart in het geheugen van het regelapparaat te laden. Bij elke verdere verbinding van de telefoon met de handsfreeset wordt het betreffende telefoonboek dan alleen geüpdatet. Het updaten kan enkele minuten duren. Gedurende deze tijd is het telefoonboek beschikbaar dat bij de laatst voltooide update is opgeslagen. Nieuw opgeslagen telefoonnummers worden pas na beëindiging van de update aangegeven. Indien meer dan contacten zijn opgeslagen, is het telefoonboek niet volledig. Als het tijdens het updaten zich een telefonisch contact voordoet (bijvoorbeeld binnenkomend of uitgaand gesprek, dialoog van de spraakbediening), wordt het updaten onderbroken. Na beëindiging van het telefonische contact begint de update opnieuw. Verbinding van de mobiele telefoon met de handsfreeset Om een mobiele telefoon met de handsfreeset te kunnen verbinden, moet de telefoon hieraan worden gekoppeld. Meer informatie hierover vindt u in het instructieboekje van uw mobiele telefoon. Voor de koppeling moeten de volgende stappen worden uitgevoerd: In uw telefoon Bluetooth en de zichtbaarheid van uw mobiele telefoon activeren. Het contact inschakelen. Op het informatiedisplay het menu Phone (Telefoon) - Phone search (Zoek telefoon) selecteren en wachten tot het regelapparaat het zoeken heeft beëindigd. In het menu van de gevonden apparaten uw mobiele telefoon selecteren. De PIN bevestigen (standaard 1234). Als de handsfreeset zich op het display van de mobiele telefoon (standaard met SKODA_BT ) meldt, binnen 30 seconden de PIN (standaard 1234) invoeren en wachten tot de koppeling voltooid is 10). Na beëindiging van de koppeling op het informatiedisplay het aanmaken van het nieuwe gebruikersprofiel bevestigen. Als geen vrije plaats meer beschikbaar is voor het aanmaken van het nieuwe gebruikersprofiel, een bestaand gebruikersprofiel wissen. Indien het niet lukt om binnen 3 minuten na het inschakelen van het contact uw mobiele telefoon aan de handsfreeset te koppelen, het contact uit- en weer inschakelen. De handsfreeset is weer 3 minuten zichtbaar. De zichtbaarheid van de Bluetooth -eenheid wordt automatisch uitgeschakeld als de wagen zich in beweging zet of als de mobiele telefoon met de eenheid wordt verbonden. Tijdens de koppelingsprocedure mag geen andere mobiele telefoon met de handsfreeset verbonden zijn. Er kunnen maximaal vier mobiele telefoons aan de handsfreeset worden gekoppeld, waarbij slechts één mobiele telefoon met de handsfreeset kan communiceren. Verbinding met een reeds gekoppelde mobiele telefoon Na het inschakelen van het contact wordt de verbinding bij een reeds gekoppelde mobiele telefoon automatisch tot stand gebracht 10). Bij het mobiele apparaat controleren of de automatische verbinding tot stand is gebracht. Verbinding verbreken Door het verwijderen van de contactsleutel. Door het loskoppelen van het apparaat op het informatiedisplay. Door het loskoppelen van het apparaat in de mobiele telefoon. Verbindingsproblemen oplossen Indien het systeem de melding No paired phone found (Geen verbonden tel. gevonden) geeft, de actuele functie van de telefoon controleren Is de telefoon ingeschakeld? Is de PIN-code ingevoerd? Is Bluetooth actief? Is de zichtbaarheid van de mobiele telefoon actief? Is de telefoon al aan de handsfreeset gekoppeld? Bij luchtvervoer moet de Bluetooth -functie van de handsfreeset door een expert worden uitgeschakeld! 10) Sommige mobiele telefoons hebben een menu waarin een code moet worden ingevoerd om de Bluetooth -verbinding tot stand te kunnen brengen. Indien dit het geval is, moet deze code telkens worden ingevoerd als een Bluetooth-verbinding tot stand wordt gebracht. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

127 126 Communiceren Geldt niet voor alle mobiele telefoons die communicatie via Bluetooth mogelijk maken. Een geautoriseerde Škoda Servicepartner kan u vertellen of uw telefoon compatibel is met een universele telefoonvoorbereiding GSM II. Als voor uw mobiele telefoon een passende adapter verkrijgbaar is, de mobiele telefoon alleen in de adapter gebruiken, zodat de straling van de mobiele telefoon in de wagen tot een minimum beperkt blijft. Het gebruik van de mobiele telefoon met de adapter waarborgt een optimale zend- en ontvangstkwaliteit en biedt tegelijkertijd het voordeel dat de batterij in de mobiele telefoon wordt opgeladen. Het bereik van de Bluetooth -verbinding met de handsfreeset is beperkt tot het interieur van de wagen. Het bereik is afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, bijvoorbeeld obstakels tussen de apparaten en onderlinge storingen met andere apparaten. Als de mobiele telefoon zich bijvoorbeeld in een jaszak bevindt, kan dit voor problemen zorgen bij het tot stand brengen van de Bluetooth -verbinding met de handsfreeset en de gegevensoverdracht bemoeilijken. Telefoon met de adapter verwijderen De vergrendelingen aan de zijkanten van de houder afb. 124 tegelijkertijd indrukken en de telefoon uit de adapter verwijderen. Voorzichtig! Als de mobiele telefoon tijdens het gesprek uit de houder wordt verwijderd, kan de verbinding hierdoor worden verbroken. Door het verwijderen wordt de verbinding met de af fabriek gemonteerde antenne onderbroken, zodat de kwaliteit van het zend- en ontvangstsignaalt afneemt. Bovendien wordt de battterij van de telefoon dan niet meer opgeladen. Telefoongesprekken met behulp van de adapter bedienen Telefoon met de adapter aanbrengen Afb. 125 Afbeelding: Adapter met een toets / adapter met twee toetsen Afb. 124 Universele voorbereiding voor de telefoon Af fabriek wordt slechts één telefoonhouder meegeleverd. Een adapter voor de telefoon kan uit het originele Škoda accessoireprogramma worden aangeschaft. Telefoon met de adapter aanbrengen Eerst de adapter A in pijlrichting afb. 124 tot de aanslag in de houder schuiven. De adapter iets omlaag drukken, tot deze goed vastklikt. De telefoon in de adapter A aanbrengen (overeenkomstig de handleiding van de fabrikant). Functieoverzicht van de toets (PTT - push to talk ) op de adapter afb. 125: Activering/deactivering van de spraakbediening Gesprek aannemen/beëindigen Op enkele adapters bevindt zich behalve de toets ook nog de toets SOS afb rechts. Nadat de toets 2 seconden is ingedrukt, wordt het nummer 112 (alarmnummer) gekozen. De aangegeven adapters dienen slechts als voorbeeld. Bij wagens die met het radio-navigatiesysteem Columbus zijn uitgerust, hebben de toetsen en SOS geen functie.

128 Communiceren 127 Bediening van de telefoon op het multifunctiestuurwiel Afb. 126 Multifunctiestuurwiel: Bedieningstoetsen voor de telefoon Om de bestuurder bij het bedienen van de telefoon zo weinig mogelijk van het verkeer af te leiden, zijn op het stuurwiel toetsen aangebracht voor de eenvoudige bediening van de basisfuncties van de telefoon afb Dit geldt echter alleen als uw wagen af fabriek met de telefoonvoorbereiding is uitgerust. Als het stadslicht ingeschakeld is, zijn ook de toetsen van het multifunctiestuurwiel verlicht. Overzicht van de verschillende functies ten opzichte van het multifunctiestuurwiel zonder telefoonbediening bladzijde 122. Toets Handeling Functie Activering en deactivering van de spraakbediening (toets PTT - Push to talk) A1 kort drukken Afbreken van de weergegeven melding A1 naar boven draaien Volume verhogen A1 A2 A2 A3 A3 A4 A4 A4 A4 A4 A4 naar beneden draaien kort drukken lang drukken kort drukken lang drukken kort drukken lang drukken naar boven draaien naar beneden draaien snel draaien naar boven snel draaien naar beneden Volume verlagen Gesprek aannemen, gesprek beëindigen, toegang tot het hoofdmenu van de telefoon, lijst met geselecteerde nummers, gekozen contact opbellen Gesprek afwijzen, privégesprek Terugkeren naar één niveau hoger (afhankelijk van de actuele positie in het menu) Verlaten van het telefoonmenu Selecteren van het menupunt Naar de volgende beginletter in het telefoonboek Het laatst gebruikte menu, naam De volgende menukeuze, naam Naar de vorige beginletter in het telefoonboek Naar de volgende beginletter in het telefoonboek De toetsen bedienen de functies voor de bedrijfsfunctie waarin de telefoon zich op dat moment bevindt. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

129 128 Communiceren Telefoon via het informatiedisplay bedienen In het menu Phone (Telefoon) kunnen de volgende menupunten worden geselecteerd: Phone book (Telefoonboek) Dial number (Nummer kiezen) 11) Call register (Oproeplijsten) Voice mailbox (Voic box) Bluetooth (Bluetooth) 11) Settings (Instellingen) 12) Back (Terug) Phone book (Telefoonboek) In het menupunt Phone book (Telefoonboek) bevindt zich de lijst met contacten die uit het telefoongeheugen en van de simkaart van de mobiele telefoon zijn gedownload. Dial number (Nummer kiezen) In het menupunt Dial number (Nummer kiezen) kunt u willekeurige telefoonnummers opslaan. Met behulp van het kartelwiel selecteert u achter elkaar de gewenste cijfers en bevestigt deze door het indrukken van het kartelwiel. U kunt cijfers 0-9, symbolen,, # en functies Cancel (Annuleren), Call (Oproep), Delete (Wissen) selecteren. Call register (Oproeplijsten) In het menupunt Call register (Oproeplijsten) kunnen de volgende menupunten worden geselecteerd: Missed calls (Gemiste) Dialled numbers (Gekozen) Received calls (Beantwoorde) Bluetooth (Bluetooth) In het menu Bluetooth (Bluetooth) kunnen de volgende menupunten worden geselecteerd: User (Gebruiker) - het overzicht van de opgeslagen gebruikers New user (Nwe. gebruiker) - Zoeken van nieuwe telefoons die zich in het ontvangstbereik bevinden Visibility (Zichtbaarheid) - Inschakelen van de zichtbaarheid van de telefooneenheid voor andere apparaten Media player (Mediaspeler) Active device (Actief apparaat) Paired devices (Gekoppelde app) Search (Zoeken) Phone name (Telefoonnaam) - de mogelijkheid de naam van de telefooneenheid te wijzigen (ingesteld als SKODA_BT) Settings (Instellingen) In het menu Settings (Instellingen) kunnen de volgende menupunten worden geselecteerd: Phone book (Telefoonboek) Update (Bijwerken) 13). List (Sortering) Surname (Achternaam) First name (Voornaam) Ring tone (Beltoon) Back (Terug) Terugkeren naar het basismenu van de telefoon. Voice mailbox (Voic box) In het menu Voice mailbox (Voic box) kan het nummer van de voic box worden ingesteld 13) en vervolgens het nummer worden gekozen. 11) Bij wagens die met het radio-navigatiesysteem Amundsen+ zijn uitgerust, is deze functie via het menu van het radio-navigatiesysteem bereikbaar, zie instructieboekje Amundsen+. 12) Bij wagens die met het radio-navigatiesysteem Amundsen+ zijn uitgerust, is deze functie niet beschikbaar. 13) Bij wagens die met het radio-navigatiesysteem Amundsen+ zijn uitgerust, is deze functie via het menu van het radio-navigatiesysteem bereikbaar, zie instructieboekje Amundsen+.

130 Communiceren 129 Spraakbediening Dialoog Bij wagens die af fabriek met het navigatiesysteem Columbus zijn uitgerust, is de spraakbediening alleen mogelijk via dit apparaat, zie instructieboekje Columbus. De tijd waarin het telefoonsysteem gereed is spraakcommando's aan te nemen en spraakcommando's kan uitvoeren, wordt DIALOOG genoemd. Het systeem geeft akoestische terugmeldingen en begeleidt u eventueel door de betreffende functies. Een optimale verstaanbaarheid van de spraakcommando's is afhankelijk van de volgende factoren: Met een normaal volume spreken, zonder beklemtoning en zonder overdreven lange spreekpauzes. Een slechte articulatie vermijden. Portieren, ruiten en het schuifdak sluiten om storende buitengeluiden te beperken resp. te voorkomen. Bij hogere snelheden wordt geadviseerd luider te spreken, om de hogere omgevingsgeluiden te overstemmen. Tijdens de dialoog andere geluiden in de wagen, bijvoorbeeld tegelijkertijd sprekende inzittenden, vermijden. Niet spreken wanneer het systeem een melding geeft. De microfoon voor de spraakbediening is in de hemelbekleding aangebracht en op de bestuurder en bijrijder gericht. Hierdoor kunnen zowel de bestuurder als de bijrijder het systeem bedienen. Als een spraakcommando niet wordt herkend, antwoordt het systeem met Pardon? en kan een nieuwe invoer plaatsvinden. Na de tweede mislukte poging herhaalt het systeem de hulp. Na de derde mislukte poging volgt het antwoord Actie geannuleerd en wordt de dialoog beëindigd. Spraakbediening inschakelen (dialoog) door kort indrukken van toets op de adapter 14) bladzijde 126, afb. 125, door lang indrukken van toets A1 op het multifunctiestuurwiel bladzijde 127, afb ) Geldt niet voor wagens die met het radio-navigatiesysteem Columbus zijn uitgerust. Spraakbediening uitschakelen (dialoog) Als het systeem net een melding geeft, moet de actuele melding worden beëindigd: door kort indrukken van toets op de adapter 14) ; door lang indrukken van toets A1 op het multifunctiestuurwiel. Als het systeem een spraakcommando verwacht, kunt u de dialoog zelf beëindigen: met het spraakcommando ANNULEREN, door kort indrukken van toets op de adapter 14) ; door lang indrukken van toets A1 op het multifunctiestuurwiel. Bij een binnenkomend gesprek wordt de dialoog direct beëindigd. De spraakbediening is alleen mogelijk bij wagens die zijn uitgerust met een multifunctiestuurwiel met telefoonbediening of een telefoonhouder en adapter. Spraakcommando's Basisspraakcommando's voor bediening van het telefoonregelapparaat Spraakcommando HELP BELLEN XYZ TELEFOONBOEK OPROEPLIJSTEN NUMMER KIEZEN OPNIEUW KIEZEN MUZIEK a) Handeling Na dit commando geeft het systeem alle mogelijke commando's weer. Met dit commando belt u het contact uit het telefoonboek bladzijde 130. Na dit commando kunt u bijvoorbeeld het telefoonboek laten weergeven, een spraakinvoer voor het contact aanpassen of wissen en dergelijke. Lijsten met gekozen nummers, gemiste oproepen en dergelijke. Na dit commando kan een telefoonnummer worden ingevoerd, zodat u een verbinding met de gewenste gesprekspartner tot stand kunt brengen. Na dit commando kiest het systeem het laatst gekozen nummer. Weergave van de muziek op de mobiele telefoon of een ander gekoppeld apparaat. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

131 130 Communiceren a) Spraakcommando MEER OPTIES INSTELLINGEN ANNULEREN Na het uitspreken van het commando NUMMER KIEZEN vraagt het systeem u een telefoonnummer in te voeren. Het telefoonnummer kan worden ingevoerd als een achter elkaar uitgesproken cijferketen (compleet nummer), in de vorm van een numerieke reeks (gescheiden door korte spreekpauzes) of door afzonderlijk uitgesproken cijfers. Na elke numerieke reeks (gescheiden door korte spreekpauzes) worden alle tot dan herkende cijfers door het systeem herhaald. Toegestaan zijn de cijfers 0-9, symbolen +,, #. Het systeem herkent geen samenhangende cijfercombinaties, bijvoorbeeld drieëntwintig, maar alleen afzonderlijk uitgesproken cijfers (twee, drie). Naam opbellen Na dit commando biedt het systeem nog andere contextafhankelijke commando's aan. Instellen van Bluetooth, dialoog enzovoort. De dialoog wordt beëindigd. Bij wagens die met het radio-navigatiesysteem Amundsen+ zijn uitgerust, is deze functie via het menu van het radio-navigatiesysteem bereikbaar, zie instructieboekje Amundsen+. De spraakbediening inschakelen bladzijde 129, Spraakbediening. Na de signaaltoon het commando BELLEN XYZ spreken. Voorbeeld voor het bellen van een naam uit het telefoonboek Spraakcommando BELLEN XYZ bijvoorbeeld WERK BELLEN XYZ WERK Weergave Handeling Zeg thuis, werk, mobiel XYZ werk wordt gekozen. XYZ werk wordt gekozen. Ingesproken boodschap voor een contact opslaan Als bij sommige contacten de automatische naamherkenning niet goed werkt, is het mogelijk voor dit contact een eigen spaakvermelding in het menupunt Phone book (Telefoonboek) - Voice Tag (Belnaam) - Record (Opnemen) op te slaan. Een eigen spraakvermelding kan ook met behulp van de spraakbediening in het menu MEER OPTIES worden opgeslagen. Muziekweergave via Bluetooth De universele telefoonvoorbereiding GSM III maakt de muziekweergave via Bluetooth mogelijk van apparaten zoals mp3-speler, mobiele telefoon of notebook. Om de muziek via Bluetooth te kunnen weergeven, moet het betreffende apparaat eerst via het menu Phone (Telefoon) - Bluetooth (Bluetooth) - Media player (Mediaplayer) aan de handsfreeset worden gekoppeld. De muziekweergave van het aangesloten apparaat kan via de handsfreeset met de spraakbediening bladzijde 129, Spraakcommando's worden bediend of rechtstreeks via het aangesloten apparaat. Het te verbinden apparaat moet het Bluetooth profiel A2DP ondersteunen, zie het instructieboekje van het te verbinden apparaat. Deze functie is niet beschikbaar bij wagens die met de autoradio Blues zijn uitgerust. Universele telefoonvoorbereiding GSM III Inleiding De universele telefoonvoorbereiding GSM II is een ingebouwde handsfreeset en biedt de mogelijkheid tot een comfortbediening door middel van spraakbediening, via het multifunctiestuurwiel of het radio-navigatiesysteem. De universele telefoonvoorbereiding GSM III omvat de volgende functies: Intern telefoonboek bladzijde 131. Comfortbediening met het multifunctiestuurwiel bladzijde 133 en weergave op het informatiedisplay bladzijde 134. Spraakbediening van de telefoon, inclusief spraakbedienung voor de telefooncontacten bladzijde 136. Internetverbinding bladzijde 137. Muziekweergave van de telefoon of andere multimedia-apparaten bladzijde 137. Weergave van sms bladzijde 134. De volledige communicatie tussen de telefoon en de handsfreeset van uw wagen verloopt via de volgende Bluetooth -profielen.

132 Communiceren 131 rsap - Remote SIM access profile Na het verbinden van de telefoon met de handsfreeset met behulp van het rsapprofiel meldt de telefoon zich af bij het GSM-net en verloopt de communicatie met het net via het regelapparaat over de binnenantenne. In de telefoon blijft alleen de Bluetooth -interface actief. In dit geval kan men alleen kiezen voor het verbreken van de verbinding met het regelapparaat resp. het uitschakelen van de Bluetooth - verbinding of het bellen van het alarmnummer 112 (geldt alleen voor sommige landen). HFP - Hands Free Profile Na het verbinden van de telefoon met de handsfreeset met behulp van het HFPprofiel gebruikt de telefoon voor de communicatie met het GSM-net nog steeds de GSM-module en de interne antenne. Houd uw aandacht in de eerste plaats bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de volledige verantwoordelijkheid voor een veilig verkeersgedrag. Het telefoonsysteem alleen gebruiken als u uw wagen volledig onder controle hebt. Het volume kan tijdens het gesprek op elk moment individueel met de instelknop van de radio resp. het radio-navigatiesysteem of met de toetsen op het multifunctiestuurwiel worden veranderd. Let op de volgende aanwijzingen bladzijde 124, Mobiele telefoons en communicatiesystemen. Indien u nog vragen hebt, kunt u contact opnemen met een geautoriseerde Škoda Servicepartner. Intern telefoonboek Onderdeel van de telefoonvoorbereiding met spraakbediening is een intern telefoonboek. In het interne telefoonboek zijn vrije geheugenplaatsen beschikbaar. Elk contact kan maximaal 5 nummers bevatten. Het gebruik van dit interne telefoonboek is afhankelijk van het type mobiele telefoon. Bij wagens die met het radio-navigatiesysteem Columbus zijn uitgerust, kunnen op het display van dit apparaat maximaal telefooncontacten worden weergegeven. Nadat de telefoon de eerste keer is verbonden, begint het systeem het telefoonboek uit de telefoon en op de simkaart in het geheugen van het regelapparaat te laden. Indien het telefoonboek van de mobiele telefoon meer dan vermeldingen bevat, geeft het systeem bij het downloaden de melding Phone book not fully loaded (Telefoonboek niet volledig geladen). Bij elke verdere verbinding van de telefoon met de handsfreeset wordt het betreffende telefoonboek dan alleen geüpdatet. Het updaten kan enkele minuten duren. Gedurende deze tijd is het telefoonboek beschikbaar dat bij de laatst voltooide update is opgeslagen. Nieuw opgeslagen telefoonnummers worden pas na beëindiging van de update aangegeven. Als het tijdens het updaten zich een telefonisch contact voordoet (bijvoorbeeld binnenkomend of uitgaand gesprek, dialoog van de spraakbediening), wordt het updaten onderbroken. Na beëindiging van het telefonische contact begint de update opnieuw. Verbinding van de telefoon met de handsfreeset Om een mobiele telefoon met de handsfreeset te kunnen verbinden, moet de telefoon hieraan worden gekoppeld. Meer informatie hierover vindt u in het instructieboekje van uw mobiele telefoon. Voor de koppeling moeten de volgende stappen worden uitgevoerd. Koppeling van de telefoon met de handsfreeset via het HFP-profiel In uw telefoon Bluetooth en de zichtbaarheid van uw mobiele telefoon activeren. Het contact inschakelen. Op het informatiedisplay het menu Phone (Telefoon) - Phone search (Zoek telefoon) selecteren en wachten tot het regelapparaat het zoeken heeft beëindigd. In het menu van de gevonden apparaten uw mobiele telefoon selecteren. Binnen 30 seconden de 16-cijferige code invoeren die op het informatiedisplay wordt weergegeven en bevestigen conform de aanwijzingen op het display van uw telefoon. Voor het opslaan van een nieuwe gebruiker resp. het downloaden van het telefoonboek en de identificatiegegevens van de simkaart de aanwijzingen op het informatiedisplay en op de mobiele telefoon opvolgen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

133 132 Communiceren Koppeling van de telefoon met de handsfreeset via het rsap-profiel In uw telefoon Bluetooth en de zichtbaarheid van uw mobiele telefoon activeren. Bij sommige telefoons is het noodzakelijk eerst de rsap-functie in te schakelen. Het contact inschakelen. Op het informatiedisplay het menu Phone (Telefoon) - Phone search (Zoek telefoon) selecteren en wachten tot het regelapparaat het zoeken heeft beëindigd. In het menu van de gevonden apparaten uw mobiele telefoon selecteren. Binnen 30 seconden de 16-cijferige code invoeren die op het informatiedisplay wordt weergegeven en bevestigen conform de aanwijzingen op het display van uw telefoon. Indien uw simkaart door een pincode is geblokkeerd de pincode van de simkaart van uw telefoon invoeren. De telefoon wordt gekoppeld met het regelapparaat (bij de eerste koppeling kan deze alleen op het informatiedisplay en alleen bij stilstaande wagen worden ingevoerd, omdat u alleen in dit geval kunt kiezen of de pincode moet worden opgeslagen). Voor het de eerste keer opslaan van een nieuwe gebruiker de aanwijzingen op het informatiedisplay opvolgen. Voor het downloaden van het telefoonboek en de identificatiegegevens van de simkaart in het regelapparaat opnieuw het rsap verzoek op uw mobiele telefoon bevestigen. De telefoon maakt bij voorkeur verbinding via het rsap-profiel. Als de pincode is opgeslagen, wordt de telefoon automatisch gevonden bij de volgende keer inschakelen van het contact en met de handsfreeset verbonden. Op uw mobiele telefoon controleren of deze automatisch is verbonden. Verbinding verbreken De verbinding met de handsfreeset wordt verbroken: Door het verwijderen van de sleutel uit het contactslot (tijdens het voeren van een gesprek wordt de verbinding niet verbroken). Na het verbreken van de verbinding in de telefoon. Door het verbreken van de verbinding op het informatiedisplay in het menu Bluetooth (Bluetooth) - User (Gebruiker) - Gebruiker selecteren - Disconnect (Verbreken). Bij wagens die af fabriek met een radio of radio-navigatiesysteem zijn uitgerust, is het mogelijk het gesprek te beëindigen door na het verwijderen van de sleutel uit het contactslot op het icoontje te drukken op het touchscreen van de radio 15) resp. het radio-navigatiesysteem, zie het instructieboekje van de radio resp. het radionavigatiesysteem. Houd uw aandacht in de eerste plaats bij het verkeer! Als bestuurder draagt u de volledige verantwoordelijkheid voor een veilig verkeersgedrag. Het telefoonsysteem alleen gebruiken als u uw wagen volledig onder controle hebt - gevaar voor ongevallen! Bij luchtvervoer moet de Bluetooth -functie van de handsfreeset door een specialist worden uitgeschakeld! In het geheugen van het regelapparaat kunnen maximaal drie gebruikers worden opgeslagen, waarbij de handsfreeset slechts met een actief kan communiceren. Indien een vierde mobiele telefoon moet worden gekoppeld, dient u een gebruiker te wissen. Geldt niet voor alle mobiele telefoons die communicatie via Bluetooth mogelijk maken. Een geautoriseerde Škoda Servicepartner kan u vertellen of uw telefoon compatibel is met een universele telefoonvoorbereiding GSM III. Bij de verbinding met het regelapparaat de aanwijzingen op uw mobiele telefoon opvolgen. Het bereik van de Bluetooth -verbinding met de handsfreeset is beperkt tot het interieur van de wagen. Het bereik is afhankelijk van de plaatselijke omstandigheden, bijvoorbeeld obstakels tussen de apparaten en onderlinge storingen met andere apparaten. 15) Geldt niet voor de radio's Swing en Blues.

134 Communiceren 133 Bediening van de telefoon op het multifunctiestuurwiel Afb. 127 Multifunctiestuurwiel: Bedieningstoetsen voor de telefoon Om de bestuurder bij het bedienen van de telefoon zo weinig mogelijk van het verkeer af te leiden, zijn op het stuurwiel toetsen aangebracht voor de eenvoudige bediening van de basisfuncties van de telefoon afb Dit geldt echter alleen als uw wagen af fabriek met de telefoonvoorbereiding is uitgerust. Als het stadslicht ingeschakeld is, zijn ook de toetsen van het multifunctiestuurwiel verlicht. Overzicht van de verschillende functies ten opzichte van het multifunctiestuurwiel zonder telefoonbediening bladzijde 122. Toets Handeling Functie Activering en deactivering van de spraakbediening (toets PTT - Push to talk) A1 kort drukken Afbreken van de weergegeven melding A1 naar boven draaien Volume verhogen A1 A2 A2 A3 A3 A4 A4 A4 A4 A4 A4 naar beneden draaien kort drukken lang drukken kort drukken lang drukken kort drukken lang drukken naar boven draaien naar beneden draaien snel draaien naar boven snel draaien naar beneden Volume verlagen Gesprek aannemen, gesprek beëindigen, toegang tot het hoofdmenu van de telefoon, lijst met geselecteerde nummers, gekozen contact opbellen Gesprek aannemen, lijst van de laatste oproepen, toegang tot het hoofdmenu van de telefoon, lijst met geselecteerde nummers Terugkeren naar één niveau hoger (afhankelijk van de actuele positie in het menu) Verlaten van het telefoonmenu Menukeuze bevestigen Naar de volgende beginletter in het telefoonboek Het laatst gebruikte menu, naam De volgende menukeuze, naam Naar de vorige beginletter in het telefoonboek Naar de volgende beginletter in het telefoonboek Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

135 134 Communiceren De toetsen bedienen de functies voor de bedrijfsfunctie waarin de telefoon zich op dat moment bevindt. Telefoon via het informatiedisplay bedienen Indien geen telefoon met de handsfreeset is verbonden, verschijnt na de keuze van het menu Phone (Telefoon) de melding No paired phone found. (Geen gekopp. tel. gevonden.) en de volgende menupunten: Help (Help) dit menupunt verschijnt als in het geheugen van het regelapparaat geen gekoppelde telefoon is opgeslagen. Connect (Verbinden) dit menupunt verschijnt als in het geheugen van het regelapparaat een of meerdere gekoppelde telefoons zijn opgeslagen. Phone search (Zoek telefoon) Media player (Mediaplayer) Active device (Actief apparaat) Paired devices (Gekopp. appar.) Search (Zoeken) Visibility (Zichtbaarheid) SOS (SOS) Als een telefoon met de handsfreeset is gekoppeld, kunt u in het menu Phone (Telefoon) de volgende menupunten kiezen: Phone book (Telefoonboek) Dial number (Nummer kiezen) Call register (Oproeplijsten) Voice mailbox (Voic box) Messages (Berichten) 16) Bluetooth (Bluetooth) Settings (Instellingen) Back (Terug) Phone book (Telefoonboek) In het menupunt Phone book (Telefoonboek) bevindt zich de lijst met contacten die uit het telefoongeheugen en van de simkaart van de mobiele telefoon zijn gedownload. Bij elk telefooncontact zijn de volgende functies beschikbaar: 16) Alleen bij verbinding van de telefoon met de handsfreeset via het rsap-profiel. Telefoonnummer weergeven Voice Tag (Spraakvermeld.) Replay (Weergeven) Record (Opnemen) Dial number (Nummer kiezen) In het menupunt Dial number (Nummer kiezen) kunt u willekeurige telefoonnummers opslaan. Met behulp van het kartelwiel selecteert u achter elkaar de gewenste cijfers en bevestig deze door het indrukken van het kartelwiel. U kunt de cijfers 0-9, de symbolen +,, # en de functies Delete (Wissen), Call (Oproep), Back (Terug) selecteren. Call register (Oproeplijsten) In het menupunt Call register (Oproeplijsten) kunnen de volgende menupunten worden geselecteerd: Missed (Gemiste) Received (Beantwoorde) Dialled numbers (Gekozen) Delete lists (Lijsten wissen) Voice mailbox (Voic box) In het menu Voice mailbox (Voic box) kan het nummer van de voic box worden ingesteld, worden opgeslagen en vervolgens het nummer worden gekozen. Met behulp van het kartelwiel selecteert u achter elkaar de gewenste cijfers en bevestig deze door het indrukken van het kartelwiel. U kunt de cijfers 0-9, het symbool + en de functies Delete (Wissen), Call (Oproep), Save (Opslaan), Back (Terug) selecteren. Messages (Berichten) In het menupunt Messages (Berichten) staat een lijst van ontvangen tekstberichten. Na het oproepen van een bericht worden de volgende functies weergegeven: Show (Weergeven) Read (Lezen) - het systeem leest het gekozen bericht voor via de boordluidsprekers Send time (Zendtijdstip) Callback (Terugbellen) Copy (Kopiëren) - kopieert het binnengekomen bericht naar de simkaart Delete lists (Lijsten wissen)

136 Communiceren 135 Bluetooth (Bluetooth) In het menu Bluetooth (Bluetooth) kunnen de volgende menupunten worden geselecteerd: User (Gebruiker) - het overzicht van de opgeslagen gebruikers Connect (Verbinden) Disconnect (Verbreken) Rename (Hernoemen) Delete (Wissen) New user (Nwe. gebruiker) - zoeken van gebruikers die zich in het ontvangstbereik bevinden Visibility (Zichtbaarheid) - inschakelen van de zichtbaarheid van de handsfreeset voor andere apparaten Media player (Mediaplayer) Active device (Actief apparaat) Paired devices (Gekopp. appar.) Connect (Verbinden) Rename (Hernoemen) Delete (Wissen) Authorisation (Autoriseren) Search (Zoeken) - beschikbare mediaplayers zoeken Visibility (Zichtbaarheid) - inschakelen van de zichtbaarheid van de handsfreeset mediaplayer in de omgeving Extras (Accessoire) Modem - overzicht van de actieve en gekoppelde apparaten voor het verbinden met het internet Active device (Actief apparaat) Paired devices (Gekopp. appar.) Phone name (Telefoonnaam) - de mogelijkheid de naam van de handsfreeset te wijzigen (ingesteld als SKODA_BT) Settings (Instellingen) In het menu Settings (Instellingen) kunnen de volgende menupunten worden geselecteerd: Phone book (Telefoonboek) Update (Bijwerken) - inlezen van het telefoonboek Select memory (Geheugenkeuze) SIM & phone (Sim & mob. tel.) SIM card (Simkaart) Mobile phone (Mobiele telefoon) - uitgangsinstelling; om ook de contacten van de simkaart te laden, is het noodzakelijk naar het menupunt SIM & phone (Sim & mob. tel.) te wisselen List (Sorteren) Surname (Achternaam) First name (Voornaam) Own number (Eigen nummer) - optionele weergave van het eigen telefoonnumer op het display van de gesprekspartner (deze functie is afhankelijk van de telefoonprovider) Network depnd. (Netafhankelijk) Yes (Ja) No (Nee) Signal settings (Signaalinstell.) Ring tone (Beltoon) Volume (Volume) Turn vol. up (Harder) Turn vol. down (Zachter) Phone settings (Telefooninstell.) Select operator (Providerkeuze) Automatic (Automatisch) Manual (Handmatig) Network mode (Netwerkmodus) GSM (GSM) Automatic (Automatisch) SIM mode (Simmodus) - geldt voor telefoons met het rsap-profiel die het tegelijkertijd gebruiken van twee simkaarten ondersteunen - U heeft de keuze welke simkaart met de handsfreeset moet worden verbonden Change (Wisselen) Phone Mode (Telefoonmodus) - wisselen tussen de rsap-modus en HFPmodus Premium (Premium) - rsap-modus Handsfree (Handsfree) - HFP-modus Off time (Uitschakeltijd) - instellling in stappen van vijf minuten Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

137 136 Communiceren Data (Gegevens) - instellingen van het internet access point, details hierover zijn verkrijgbaar bij uw telefoonprovider Switch off ph. (Tel. uitschakelen) - het uitschakelen van de telefooneenheid (telefoon blijft gekoppeld) Back (Terug) Terugkeren naar het hoofdmenu van het informatiedisplay. Spraakbediening Dialoog Bij wagens die af fabriek met het navigatiesysteem Columbus zijn uitgerust, is de spraakbediening alleen mogelijk via dit apparaat, zie instructieboekje Columbus. De tijd waarin het telefoonsysteem gereed is spraakcommando's aan te nemen en spraakcommando's kan uitvoeren, wordt DIALOOG genoemd. Het systeem geeft akoestische terugmeldingen en begeleidt u eventueel door de betreffende functies. Een optimale verstaanbaarheid van de spraakcommando's is afhankelijk van de volgende factoren: Met een normaal volume spreken, zonder beklemtoning en zonder overdreven lange spreekpauzes. Een slechte articulatie vermijden. Portieren, ruiten en het schuifdak sluiten om storende buitengeluiden te beperken resp. te voorkomen. Bij hogere snelheden wordt geadviseerd luider te spreken, om de hogere omgevingsgeluiden te overstemmen. Tijdens de dialoog andere geluiden in de wagen, bijvoorbeeld tegelijkertijd sprekende inzittenden, vermijden. Niet spreken wanneer het systeem een melding geeft. De microfoon voor de spraakbediening is in de hemelbekleding aangebracht en op de bestuurder en bijrijder gericht. Hierdoor kunnen zowel de bestuurder als de bijrijder het systeem bedienen. Spraakbediening inschakelen (dialoog) U kunt de dialoog op ieder gewenst moment starten door op toets A1 op het multifunctiestuurwiel bladzijde 133 te drukken. Als het systeem uw commando niet herkent, geeft het het eerste deel van de hulp weer en maakt hiermee een nieuwe invoer mogelijk. Na de tweede mislukte poging geeft het systeem het tweede deel van de hulp weer. Na de derde mislukte poging volgt het antwoord Actie geannuleerd en wordt de dialoog beëindigd. Spraakbediening uitschakelen (dialoog) Als het systeem net een melding geeft, moet de actuele melding worden beëindigd door op toets A1 op het multifunctiestuurwiel te drukken. Als het systeem een spraakcommando verwacht, kunt u de dialoog zelf beëindigen: met het spraakcommando ANNULEREN, door op toets A1 op het multifunctiestuurwiel te drukken. Bij een binnenkomend gesprek wordt de dialoog direct beëindigd. Spraakcommando's Basisspraakcommando's voor bediening van het telefoonregelapparaat Spraakcommando HELP NAAM OPBELLEN NUMMER KIEZEN OPNIEUW KIEZEN TELEFOONBOEK VOORLE- ZEN BERICHTEN VOORLEZEN Handeling Na dit commando geeft het systeem alle mogelijke commando's weer. Na dit commando kan een naam worden ingevoerd, zodat u een verbinding met de gewenste gesprekspartner tot stand kunt brengen. Na dit commando kan een telefoonnummer worden ingevoerd, zodat u een verbinding met de gewenste gesprekspartner tot stand kunt brengen. Het laatst gekozen telefoonnummer wordt opnieuw gekozen. Het systeem leest de contacten in het telefoonboek voor. Het systeem leest mededelingen voor die tijdens de verbinding van de telefoon met de handsfreeset zijn ontvangen.

138 Communiceren 137 Spraakcommando KORTE DIALOOG LANGE DIALOOG ANNULEREN Ingesproken boodschap voor een contact opslaan Als bij sommige contacten de automatische naamherkenning niet goed werkt, is het mogelijk voor dit contact een eigen spaakvermelding in het menupunt Phone book (Telefoonboek) - Voice Tag (Belnaam) - Record (Opnemen) op te slaan. Een eigen spraakvermelding kan ook met behulp van de spraakbediening in het menu MEER OPTIES worden opgeslagen. Internetverbinding Handeling De hulp is aanzienlijk gereduceerd (voorwaarde is een goede kennis van de bediening). De hulp is niet gereduceerd (geschikt voor beginnende gebruikers). De dialoog wordt beëindigd. Een internetverbinding is mogelijk via een notebook of een PDA. Het regelapparaat van de handsfreeset ondersteunt de GPRS, EDGE en UMTS/3G technologieën. Een internetverbindig is alleen mogelijk via een telefoon die via het rsap-profiel is gekoppeld. De procedure voor het maken van een internetverbinding kan afwijkend zijn, afhankelijk van het type en de versie van het besturingssysteem en het type van het aan te sluiten apparaat. Voor het maken van een internetverbinding is kennis van het besturingssysteem van het aan te sluiten apparaat noodzakelijk. Koppelingsprocedure De mobiele telefoon met de handsfreeset koppelen. In het menu Phone (Telefoon) - Settings (Instellingen) - Data (Gegevens) het access point instellen (afhankelijk van de provider, gewoonlijk internet ). In het menu Phone (Telefoon) - Bluetooth (Bluetooth) - Visibility (Zichtbaarheid) de zichtbaarheid van het handsfreesysteem voor andere apparaten inschakelen. Het aan te sluiten apparaat naar beschikbare Bluetooth -apparaten laten zoeken. In de lijst van gevonden apparaten de handsfreeset (standaard SKODA_BT ) kiezen. Op het aan te sluiten apparaat het wachtwoord invoeren en op mogelijke aanwijzingen op het aan te sluiten apparaat resp. op het informatiedisplay letten. In de internetbrowser het gewenste internetadres invoeren. Het besturingssysteem vraagt u het telefoonnummer voor de internettoegang in te voeren (afhankelijk van de provider, gewoonlijk *99# ). Muziekweergave via Bluetooth De universele telefoonvoorbereiding GSM III maakt de muziekweergave via Bluetooth mogelijk van apparaten zoals mp3-speler, mobiele telefoon of notebook. Om de muziek via Bluetooth te kunnen weergeven, moet het betreffende apparaat eerst via het menu Phone (Telefoon) - Bluetooth (Bluetooth) - Media player (Mediaplayer) aan de handsfreeset worden gekoppeld. De muziekweergave wordt op het aangesloten apparaat bediend. Het te verbinden apparaat moet het Bluetooth profiel A2DP ondersteunen, zie het instructieboekje van het te verbinden apparaat. Deze functie is niet beschikbaar bij wagens die met de autoradio Blues zijn uitgerust. Multimedia AUX-IN- en MDI-ingangen De AUX-IN-ingang bevindt zich onder de armleuning van de voorstoelen en is met gemarkeerd. De MDI-ingang zit in het opbergvak aan de bijrijderszijde. De AUX-IN- en MDI-ingangen dienen voor het aansluiten van externe audiobronnen (bijvoorbeeld een ipod of mp3-speler) en voor de weergave van muziek op deze apparaten via de af fabriek ingebouwde autoradio resp. het radio-navigatiesysteem. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

139 138 Communiceren De beschrijving van de bediening vindt u in het betreffende instructieboekje van de autoradio resp. het radio-navigatiesysteem. De luidsprekers in de wagen zijn afgestemd op een uitgangsvermogen van de radio en het radio-navigatiesysteem van 4x20 W. Bij de uitrusting soundsysteem zijn de luidsprekers afgestemd op een uitgangsvermogen van de versterker van 4x40 W + 6x20 W. Cd-wisselaar Afb. 128 Cd-wisselaar Op de gewenste toets AD drukken en de cd in de cd-opening AB aanbrengen. Een cd uitschuiven Kort op toets A drukken om een cd te verwijderen. Bij de bezette plaatsen branden nu de led's in de toetsen AD. Op de betreffende toets AD drukken. De cd wordt uitgeschoven. Alle cd's uitschuiven De toets A langer dan 2 seconden ingedrukt houden om de cd's uit te schuiven. Alle cd's in de cd-wisselaar worden na elkaar uitgeschoven. De cd altijd met de bedrukte zijde naar boven in de cd-opening AB aanbrengen. De cd nooit met geweld in de cd-opening aanbrengen, de cd wordt automatisch naar binnen getrokken. Na het aanbrengen van een cd in de cd-wisselaar moet u een moment wachten tot de led in de betreffende toets AD brandt. Vervolgens is de cd-opening AB vrij voor het aanbrengen van de volgende cd. Indien een plaats wordt gekozen die reeds bezet is, wordt de cd weer uitgeschoven. De uitgeschoven cd verwijderen en de gewenste cd aanbrengen. De cd-wisselaar voor de radio en het radio-navigatiesysteem bevinden zich in het linker zijvak van de bagageruimte. Een cd aanbrengen Op toets AC afb. 128 drukken en de cd in de cd-opening AB aanbrengen. De cd wordt automatisch op de laagste vrije plaats in de cd-wisselaar geladen. De led in de betreffende toets AD knippert niet meer. Cd-wisselaar met cd's vullen De toets AC langer dan 2 seconden ingedrukt houden en de cd's na elkaar (maximaal 6 cd's) in de cd-opening AB aanbrengen. De led's in de toetsen AD knipperen niet meer. Een cd op een bepaalde plaats aanbrengen Kort op toets AC drukken. De led's in de toetsen AD branden bij de reeds bezette plaatsen en knipperen bij de vrije plaatsen.

140 Passieve veiligheid 139 Veiligheid Passieve veiligheid Basisinformatie Veiligheid komt op de eerste plaats Passieve veiligheidsmaatregelen verlagen het risico van lichamelijk letsel in ongevalssituaties. In dit hoofdstuk vindt u belangrijke informatie, tips en aanwijzingen met betrekking tot het thema passieve veiligheid in uw wagen. We hebben hier alles samengevat wat u bijvoorbeeld over veiligheidsgordels, airbags, kinderzitjes en de veiligheid van kinderen moet weten. Daarom in uw eigen belang en in het belang van de passagiers de aanwijzingen en waarschuwingen in dit hoofdstuk in acht nemen. In dit hoofdstuk vindt u belangrijke informatie voor bestuurder en bijrijder over de omgang met de wagen. Meer informatie met betrekking tot de veiligheid die uw en uw passagiers aangaan, vindt u in het volgende hoofdstuk in dit instructieboekje. De complete documentatie moet altijd in de wagen aanwezig zijn. Dit is vooral belangrijk als u de auto verhuurt of verkoopt. Veiligheidsuitrustingen De veiligheidsuitrustingen maken deel uit van de bescherming voor de inzittenden en kunnen het gevaar voor verwondingen bij een ongeval reduceren. Uw veiligheid en de veiligheid van uw passagiers mag u niet op het spel zetten. In het geval van een aanrijding kunnen de veiligheidsuitrustingen het risico van lichamelijk letsel verminderen. De volgende opsomming omvat een deel van de veiligheidsuitrustingen in uw wagen: 3-puntsgordels voor alle stoelen, gordelspankrachtbegrenzers voor voorstoelen en buitenste zitplaatsen achterin, gordelspanners voor de voorstoelen, hoogteverstelling voor de veiligheidsgordels van de voorstoelen, voorairbags voor de bestuurder en bijrijder, zij-airbags, hoofdairbags, bevestigingspunten voor kinderzitjes met ISOFIX -systeem, bevestigingspunten voor kinderzitjes met Top Tether -systeem, in hoogte verstelbare hoofdsteunen, verstelbare stuurkolom. De genoemde veiligheidsuitrustingen werken samen om u en uw passagiers in ongevalsituaties zo goed mogelijk te beschermen. Deze veiligheidsuitrustingen zijn u en uw passagiers van geen nut als u en uw passagiers een verkeerde zithouding innemen of deze voorzieningen niet juist verstellen of gebruiken. Daarom krijgt u informatie waarom deze voorzieningen zo belangrijk zijn, hoe ze u beschermen, waarop moet worden gelet bij het gebruik ervan en hoe u en uw passagiers het grootste voordeel uit de aanwezige veiligheidsvoorzieningen kunnen halen. In dit instructieboekje vindt u belangrijke waarschuwingsaanwijzingen die u en uw passagiers in acht dienen te nemen om het gevaar voor verwondingen te verkleinen. Veiligheid gaat iedereen iets aan! Voor elke rit De bestuurder draagt altijd de verantwoording voor zijn passagiers en voor de bedrijfsveiligheid van de wagen. Voor uw eigen veiligheid en voor de veiligheid van uw passagiers moet voor elke rit op de onderstaande punten worden gelet. controleren of de verlichting en de knipperlichten correct functioneren, de bandenspanning controleren, ervoor zorgen dat alle ruiten een helder en goed zicht naar buiten bieden, meegenomen bagagestukken goed vastzetten bladzijde 73, Bagageruimte beladen, Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

141 140 Passieve veiligheid controleren of er geen voorwerpen zijn die de bediening van de pedalen kunnen beïnvloeden, de spiegels, de voorstoel en de hoofdsteun op uw lichaamslengte afstellen, de passagiers erop wijzen de hoofdsteunen aan te passen aan hun lichaamslengte, kinderen beschermen met een geschikt kinderzitje en een op een juiste wijze omgegespte veiligheidsgordel bladzijde 155, Veilig vervoer van kinderen, de juiste zithouding innemen bladzijde 140, Juiste zithouding. Ook passagiers erop attenderen de juiste zithouding in te nemen, de veiligheidsgordel juist omgespen. Ook passagiers erop wijzen de veiligheidsgordels juist om te gespen bladzijde 145, Hoe worden veiligheidsgordels correct omgegespt?. Wat beïnvloedt de rijveiligheid? De rijveiligheid wordt in hoge mate bepaald door de rijstijl en het gedrag van alle inzittenden. Als bestuurder draagt u de verantwoordelijkheid voor uzelf en uw passagiers. Als uw rijveiligheid wordt beïnvloed, brengt u niet alleen uzelf, maar ook andere verkeersdeelnemers in gevaar. Daarom op de volgende aanwijzingen letten: laat u niet afleiden van het verkeer bijvoorbeeld door uw passagiers of een telefoongesprek, niet rijden als uw rijvaardigheid is verminderd (bijvoorbeeld door medicijnen, alcohol, drugs), de verkeersregels en de aangegeven snelheid aanhouden, de snelheid altijd aan de weg-, verkeers- en weersomstandigheden aanpassen, op lange ritten regelmatig pauzeren - uiterlijk om de twee uur. Juiste zithouding Juiste zithouding van de bestuurder De juiste zithouding van de bestuurder is belangrijk voor een veilige en ontspannen rit. Afb. 129 De juiste afstand van de bestuurder tot het stuurwiel / de juiste instelling van de hoofdsteun van de bestuurder Met het oog op uw eigen veiligheid en om het gevaar voor verwondingen bij een ongeval te verminderen, adviseren wij de volgende instelling. Het stuurwiel zodanig instellen dat de afstand tussen het stuurwiel en het borstbeen ten minste 25 cm bedraagt afb links. De bestuurdersstoel in lengterichting zodanig verstellen, dat u de pedalen met licht gebogen benen geheel kunt intrappen. De leuning zodanig verstellen, dat u het stuurwiel op het bovenste punt met licht gebogen armen kunt vastpakken. De hoofdsteun zodanig instellen, dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo goed mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van het hoofd afb rechts. De veiligheidsgordel juist omgespen bladzijde 145, Hoe worden veiligheidsgordels correct omgegespt?. Handmatige verstelling van de bestuurdersstoel bladzijde 11, Voorstoelen verstellen. Elektrische verstelling van de bestuurdersstoel bladzijde 67, Voorstoelen elektrisch instellen.

142 Passieve veiligheid 141 De voorstoelen en de hoofdsteunen moet u altijd overeenkomstig uw lichaamslengte verstellen en ook de veiligheidsgordels moet u altijd juist omgespen om u en uw medepassagiers een optimale bescherming te bieden. De bestuurder moet een afstand tot het stuurwiel van ten minste 25 cm aanhouden bladzijde 140, afb links. Als de minimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Het stuurwiel tijdens het rijden met beide handen vasthouden aan de buitenzijde van het stuur op kwart over negen. Nooit het stuurwiel op '12-uur' vasthouden of in een andere stand (bijvoorbeeld in het midden of aan de binnenzijde van het stuurwiel). In dergelijke gevallen zou bij activering van de bestuurdersvoorairbag letsel aan uw armen, handen en hoofd kunnen worden toegebracht. Tijdens het rijden mag de leuning niet te schuin naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordels en de airbags in negatieve zin worden beïnvloed - gevaar voor verwondingen! Zorg ervoor dat zich geen voorwerpen in de voetenruimte bevinden omdat deze voorwerpen bij een rij- of remactie tussen de pedalen kunnen komen. U zou dan niet in staat zijn te koppelen, te remmen of gas te geven. Juiste zithouding van de bijrijder De bijrijder moet een minimale afstand van 25 cm ten opzichte van het dashboard aanhouden, zodat de airbag bij een activering de grootst mogelijke veiligheid biedt. Voor uw eigen veiligheid en om het gevaar voor verwondingen bij een ongeval te verminderen, adviseren wij de volgende instelling: De bijrijdersstoel zover mogelijk naar achteren verschuiven. De hoofdsteun zodanig instellen, dat de bovenzijde van de hoofdsteun zo goed mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van het hoofd bladzijde 140, afb rechts. De veiligheidsgordel juist omgespen bladzijde 145, Hoe worden veiligheidsgordels correct omgegespt?. In uitzonderingsgevallen kunt u de bijrijdersairbag buiten werking stellen bladzijde 153, Airbag buiten werking stellen. Handmatige verstelling van de bijrijdersstoel bladzijde 11, Voorstoelen verstellen. Elektrische verstelling van de bijrijdersstoel bladzijde 67, Voorstoelen elektrisch instellen. De voorstoelen en de hoofdsteunen moet u altijd overeenkomstig uw lichaamslengte verstellen en ook de veiligheidsgordels moet u altijd juist omgespen om u en uw medepassagiers een optimale bescherming te bieden. De bijrijder moet een afstand tot het dashboard van ten minste 25 cm aanhouden. Als de minimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! De voeten altijd tijdens het rijden in de voetenruimte houden - leg uw voeten nooit op het dashboard, uit het raam of op de zittingen! Door een verkeerde zithouding stelt u zich bij remmen of een aanrijding bloot aan een verhoogd risico van lichamelijk letsel. Bij een activering van de airbag kunt u zich door een verkeerde zithouding dodelijk verwonden! Tijdens het rijden mag de leuning niet te schuin naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordels en de airbags in negatieve zin worden beïnvloed - gevaar voor verwondingen! Juiste zithouding van de passagiers op de achterbank De passagiers achterin moeten rechtop zitten, de voeten in de voetenruimte houden en de gordel juist hebben omgegespt. Om het gevaar voor verwondingen bij plotseling remmen of een ongeval te verminderen, moeten de passagiers op de achterbank op het volgende letten: De hoofdsteunen zodanig instellen, dat de bovenzijde van de hoofdsteunen zo goed mogelijk in lijn ligt met het bovenste gedeelte van het hoofd bladzijde 140, afb rechts. De veiligheidsgordel juist omgespen bladzijde 145, Hoe worden veiligheidsgordels correct omgegespt?. Een geschikt kinderveiligheidssysteem gebruiken als u kinderen in de wagen meeneemt bladzijde 155, Veilig vervoer van kinderen. De hoofdsteunen moeten altijd overeenkomstig de lichaamslengte worden ingesteld om u en uw passagiers een optimale bescherming te bieden. De voeten altijd tijdens het rijden in de voetenruimte houden - leg uw voeten nooit op het dashboard, uit het raam of op de zittingen. Door een verkeerde Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

143 142 Passieve veiligheid Vervolg zithouding stelt u zich bij remmen of een aanrijding bloot aan een verhoogd risico van lichamelijk letsel. Bij het activeren van de hoofdairbag neemt bij een verkeerde zithouding het gevaar voor ongevallen toe of kunt u zich dodelijk verwonden! Zitten de passagiers op de achterbank niet rechtop, dan is het gevaar voor verwondingen door een verkeerd gordelverloop groter. Voorbeelden van een verkeerde zithouding Een verkeerde zithouding kan voor de inzittenden ernstig lichamelijk letsel tot gevolg hebben met zelfs dodelijke afloop. zonder omgegespte veiligheidsgordel rijden, in de bagageruimte verblijven. Door een verkeerde zithouding stelt de inzittende zich bloot aan levensgevaarlijke risico's van lichamelijk letsel wanneer een airbags wordt geactiveerd en hem daarbij raakt. Voor het begin van de rit de juiste zithouding innemen en deze tijdens het rijden niet wijzigen. Vóór elke rit de passagiers erop wijzen de juiste zithouding in te nemen en deze houding ook tijdens de rit niet te wijzigen. Veiligheidsgordels kunnen alleen bij een juist gordelverloop hun optimale beschermende werking bieden. Verkeerde zithoudingen reduceren de beschermende werking van de veiligheidsgordels aanzienlijk en vergroten het risico van lichamelijk letsel door een verkeerd gordelverloop. Als bestuurder draagt u de verantwoordelijkheid voor uzelf, voor alle passagiers en in het bijzonder voor kinderen. Nooit toestaan dat iemand tijdens het rijden een verkeerde zithouding inneemt in de wagen. De volgende opsomming omvat voorbeelden van zithoudingen die voor de inzittenden gevaarlijk kunnen zijn. Deze opsomming is niet volledig, maar dient slechts ter informatie. Daarom nooit tijdens de rit: in de wagen gaan staan, op de stoelen gaan staan, op de stoelen knielen, de stoelleuning sterk naar achteren kantelen, tegen het dashboard leunen, op de achterbank gaan liggen, alleen op het voorste deel van de zitting gaan zitten, dwars op de zitting gaan zitten, uit de ruitopeningen leunen, de voeten in de ruitopeningen houden, de voeten op het dashboard leggen, de voeten op de zitting leggen, iemand in de voetenruimte meenemen,

144 Veiligheidsgordels 143 Veiligheidsgordels Waarom veiligheidsgordels? Vervolg Ook zwangere vrouwen moeten altijd de veiligheidsgordel dragen. Alleen dat biedt de beste bescherming voor het ongeboren kind bladzijde 145, Hoe worden veiligheidsgordels correct omgegespt?. Voor de optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels is het gordelverloop van groot belang. Hoe de veiligheidsgordel moet worden gedragen staat op de volgende bladzijden beschreven. Afb. 130 Bestuurder met omgegespte veiligheidsgordel Het is bewezen dat veiligheidsgordels goede bescherming bieden bij ongelukken afb In de meeste landen is het gebruik van veiligheidsgordels daarom wettelijk voorgeschreven. Veiligheidsgordels die correct worden gedragen, houden de inzittenden van de auto in de juiste zitpositie afb De gordels reduceren de bewegingsenergie aanzienlijk. Verder voorkomen ze ongecontroleerde bewegingen die zwaar letsel tot gevolg kunnen hebben. Inzittenden van de wagen met goed vastgegespte veiligheidsgordels profiteren in hoge mate van het feit dat de bewegingsenergie optimaal via de gordels wordt opgevangen. Ook garanderen de structuur van de voorzijde en andere passieve veiligheidskenmerken van uw wagen, zoals het airbagsysteem, een reductie van de bewegingsenergie. De energie die ontstaat wordt op deze wijze verminderd en het risico van lichamelijk letsel wordt kleiner. Ongevalsstatistieken hebben uitgewezen dat het correct omgespen van de veiligheidsgordels het risico van lichamelijk letsel aanzienlijk verkleint en de kans een zwaar ongeval te overleven vergroot bladzijde 143. Bij het vervoeren van kinderen moet u rekening houden met speciale veiligheidsaspecten bladzijde 155, Veilig vervoer van kinderen. Vóór elke rit de veiligheidsgordel correct omgespen - ook in stadsverkeer! Dat geldt ook voor de inzittenden op de achterbank - gevaar voor verwondingen! Bij het gebruik van de veiligheidsgordels de afwijkende wettelijke bepalingen in acht nemen. Het natuurkundige principe van een frontale aanrijding Afb. 131 De bestuurder zonder veiligheidsgordel wordt naar voren geslingerd / de passagier zonder veiligheidsgordel op de achterbank wordt naar voren geslingerd Het natuurkundige principe van een frontale botsing is gemakkelijk te verklaren: Zodra de wagen in beweging is gekomen, ontstaat zowel bij de wagen als bij de inzittenden van de wagen bewegingsenergie, de zogenaamde kinetische energie. De mate van kinetische energie is sterk afhankelijk van de snelheid van de wagen en van het gewicht van de wagen en de inzittenden. Bij stijgende snelheid en toenemend gewicht moet bij een ongeval meer energie worden afgebouwd. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

145 144 Veiligheidsgordels De snelheid van de wagen is echter de belangrijkste factor. Als bijvoorbeeld de snelheid van 25 km/h naar 50 km/h wordt verdubbeld, wordt de bewegingsenergie verviervoudigd! De veelgehoorde mening dat het mogelijk is het lichaam bij een lichte aanrijding met de handen tegen te houden, is verkeerd. Al bij geringe aanrijdingssnelheden worden krachten op het lichaam werkzaam die niet meer kunnen worden opgevangen. Ook al rijdt u maar met een snelheid van 30 km/h tot 50 km/h, dan nog zijn bij een ongeluk krachten op het lichaam werkzaam die gemakkelijk meer dan N (Newton) kunnen bedragen. Dat komt overeen met een gewicht van één ton (1.000 kg). Bij een frontale botsing worden niet-vastgegespte inzittenden naar voren geslingerd en slaan zij ongecontroleerd tegen delen van het interieur, zoals het stuurwiel, het dashboard en de voorruit bladzijde 143, afb links. De inzittenden zonder gordel kunnen onder bepaalde omstandigheden zelfs uit de auto worden geslingerd. Dit kan zware verwondingen tot gevolg hebben. Ook voor inzittenden op de achterbank is het belangrijk de gordel juist om te gespen omdat zij bij een aanrijding ongecontroleerd door de wagen worden geslingerd. Een inzittende op de achterbank die geen gordel draagt brengt niet alleen zichzelf in gevaar, maar ook degene die vóór hem zit bladzijde 143, afb rechts. Belangrijke veiligheidsinstructies bij de omgang met veiligheidsgordels Juist gebruik van de veiligheidsgordels reduceert het gevaar voor verwondingen aanzienlijk! De gordel mag niet zijn vastgeklemd, zijn verdraaid of langs scherpe randen schuren. Voor de optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels is het gordelverloop van groot belang bladzijde 145, Hoe worden veiligheidsgordels correct omgegespt?. Met een veiligheidsgordel mogen nooit twee personen (ook geen kinderen) worden vastgegespt. De maximale beschermende werking van de veiligheidsgordels en het airbagsysteem wordt alleen bij een correcte zitpositie bereikt bladzijde 140, Juiste zithouding. Vervolg De gordel mag niet over harde of breekbare voorwerpen (bril, balpen, sleutelbos, enz.) heen liggen, omdat deze letsel kunnen veroorzaken. Veel lagen kleding en ook losse kleding (bijv. een mantel over een colbert) belemmeren het correct aanliggen en de werking van de veiligheidsgordels. Het gebruik van klemmen of andere voorwerpen voor het instellen van de veiligheidsgordels (bijv. voor het inkorten van de veiligheidsgordels bij kleinere personen) is verboden. De slotgesp mag alleen in het bij de betreffende zitting behorende slotdeel worden gestoken. Het verkeerd omdoen van de veiligheidsgordel beïnvloedt de beschermende werking hiervan en de kans op letsel neemt toe. De leuningen mogen niet te ver naar achteren staan, omdat anders de werking van de veiligheidsgordel teniet kan worden gedaan. De 3-puntsgordels voor de zitplaatsen achterin kunnen alleen goed functioneren als de achterbankrugleuning correct is vergrendeld bladzijde 70. De gordelband moet schoon worden gehouden. Een vervuilde veiligheidsgordel kan de werking van de veiligheidsgordel negatief beïnvloeden bladzijde 184, Veiligheidsgordels. De invoertrechter voor de slotgesp mag niet verstopt zijn door papier of iets dergelijks omdat anders de slotgesp niet goed kan worden vastgeklikt. Regelmatig de staat van de veiligheidsgordels controleren. Als beschadigingen van de veiligheidsgordel, de gordelverbindingen, de gordeloprolautomaat of het slot worden vastgesteld, moet de betreffende veiligheidsgordel door een specialist worden vervangen. De veiligheidsgordels mogen niet worden uitgebouwd en op geen enkele manier worden gewijzigd. Nooit proberen om de veiligheidsgordels zelf te repareren. Veiligheidsgordels die tijdens een ongeval worden belast en daardoor uitgerekt worden, moeten worden vervangen - bij voorkeur door een specialist. Tevens moeten de verankeringen van de veiligheidsgordels worden gecontroleerd. In sommige landen kunnen veiligheidsgordels worden gebruikt waarvan de werking afwijkt van de op de volgende bladzijden beschreven veiligheidsgordels.

146 Veiligheidsgordels 145 Hoe worden veiligheidsgordels correct omgegespt? 3-puntsgordels omgespen Eerst de gordels omgespen, dan starten! Afb. 132 Verloop van de gordelband van de schouder- en heupgordel / gordelverloop bij zwangere vrouwen De stoel en de hoofdsteun goed instellen voordat de gordel wordt omgegespt bladzijde 140, Juiste zithouding. Veiligheidsgordel aan de slotgesp langzaam en gelijkmatig over borst en bekken trekken. Gesp in het bij de zitting behorende gordelslot steken tot deze hoorbaar vastklikt. Aan de veiligheidsgordel trekken en controleren of de slotgesp ook goed in het slot is vastgeklikt. Elke 3-puntsgordel is uitgerust met een gordeloprolautomaat. Deze automaat waarborgt volledige bewegingsvrijheid als er langzaam aan de gordel wordt getrokken. Bij plotseling remmen blokkeert de automaat echter. De veiligheidsgordels blokkeren ook bij het accelereren, bij het rijden in de bergen en door bochten. Ook zwangere vrouwen moeten altijd de veiligheidsgordel dragen. Het schoudergordeldeel mag nooit over de hals lopen maar moet ongeveer over het midden van de schouder lopen en goed tegen het bovenlichaam aanliggen. Het heupgordeldeel moet vóór het bekken worden gelegd, mag niet Vervolg over de buik lopen en moet altijd strak tegen het lichaam aanliggen afb links. De gordel zo nodig uitlijnen. Bij zwangere vrouwen moet het gedeelte van de de heupgordel zo diep mogelijk tegen het bekken liggen, zodat er geen druk op de onderbuik wordt uitgeoefend afb rechts. Altijd op het juiste verloop van de veiligheidsgordel letten. Een verkeerd gedragen veiligheidsgordel kan zelfs bij een lichte aanrijding tot letsel leiden. Een te los gedragen veiligheidsgordel kan tot letsel leiden, omdat uw lichaam bij een ongeval door de bewegingsenergie verder naar voren komt en dan abrupt door de veiligheidsgordel wordt afgeremd. De slotgesp mag alleen in het bij de betreffende zitting behorende slot worden gestoken. Als u dit niet doet, wordt de beschermende werking van de veiligheidsgordel nadelig beïnvloed en is het risico van lichamelijk letsel groter. Hoogteverstelling veiligheidsgordels bij de voorstoelen Afb. 133 Voorstoel: Hoogteverstelling veiligheidsgordels Met behulp van de hoogteverstelling kan het verloop van de voorste 3-puntsgordel ter hoogte van de schouder aan het lichaam worden aangepast. Voor het instellen op de doorvoerplaat drukken en deze naar boven of naar beneden schuiven afb Na het verstellen met een ruk aan de veiligheidsgordel trekken om te controleren of de doorvoerplaat goed is vergrendeld. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

147 146 Veiligheidsgordels De hoogte van de veiligheidsgordel zo instellen, dat de schoudergordel ongeveer over het midden van de schouder - maar in geen geval langs de hals - loopt. Voor het aanpassen van het verloop van de gordelband kan op de voorstoelen ook de stoelhoogteverstelling worden gebruikt. Veiligheidsgordels losmaken Bij een frontale aanrijding resp. een aanrijding van opzij met een bepaalde zwaarte wordt de omgegespte 3-puntgordel aan de zijde van de aanrijding automatisch gespannen. Bij lichte frontale botsingen, aanrijdingen van opzij en van achteren, bij een koprol en bij ongevallen waarbij geen grote krachten van voren werkzaam zijn, vindt er geen activering van de gordelspanners plaats. Alle werkzaamheden aan het systeem evenals het uit- en inbouwen van systeemonderdelen vanwege andere reparatiedoeleinden mogen alleen door een specialist worden uitgevoerd. De beschermende werking van het systeem is slechts beperkt tot één aanrijding. Als de gordelspanners werden geactiveerd, moet het systeem worden vervangen. Als de wagen wordt verkocht, moet dit instructieboekje worden overhandigd aan de koper. Afb. 134 Slotgesp uit het gordelslot losmaken Rode knop in het gordelslot indrukken afb De slotgesp springt door veerdruk uit het slot. De gordel met de hand teruggeleiden, zodat de oprolautomaat de gordelband tot het einde gemakkelijk kan oprollen. Bij het activeren van de gordelspanners komt rook vrij. Dat is geen teken dat de auto in brand staat. Als de wagen of afzonderlijke onderdelen van het systeem worden verschroot, beslist de geldende veiligheidsvoorschriften opvolgen. Deze voorschriften zijn bekend bij specialisten en bij hen kunt u ook gedetailleerde informatie krijgen. Bij het afvoeren en verwerken van de auto of van delen van het airbagsysteem de nationale wettelijke bepalingen in acht nemen. Een kunststofknop in de gordel houdt de gordelgesp zo dat hij makkelijk kan worden vastgepakt. Gordelspanners De veiligheid van bestuurder en bijrijder die een gordel dragen wordt door de gordelspanners op de oprolautomaten van de voorste 3-puntsgordels vergroot. Bij een frontale aanrijding vanaf een bepaalde zwaarte worden de 3-puntgordels automatisch gespannen. De gordelspanners kunnen ook bij niet gedragen veiligheidsgordels worden geactiveerd.

148 Airbagsysteem 147 Airbagsysteem Beschrijving van het airbagsysteem Algemene aanwijzingen over het airbagsysteem Het voorairbagsysteem biedt in aanvulling op de 3-puntsgordels extra bescherming voor het hoofd- en borstbereik van de bestuurder en bijrijder bij ernstige frontale aanrijdingen. Bij aanrijdingen van opzij beperkt de zij-airbag het gevaar voor verwondingen van de inzittenden aan lichaamsdelen die zich aan de zijde van de aanrijding bevinden. Na inschakelen van het contact is het airbagsysteem actief. De paraatheid van het airbagsysteem wordt elektronisch gecontroleerd. Elke keer wanneer het contact wordt ingeschakeld, gaat het airbagcontrolelampje enkele seconden branden. Het airbagsysteem bestaat (afhankelijk van de wagenuitvoering) uit: een elektronisch regelapparaat, de voorairbags, voor de bestuurder en bijrijder bladzijde 148, de zij-airbags bladzijde 150, hoofdairbags bladzijde 152, een airbagcontrolelampje in het instrumentenpaneel bladzijde 29, een schakelaar voor de bijrijdersairbag bladzijde 154, een controlelampje voor het buiten werking stellen van de bijrijdersairbag in het middenstuk van het dashboard bladzijde 154. Er is sprake van een storing in het airbagsysteem, als: het airbagcontrolelampje niet gaat branden wanneer het contact wordt ingeschakeld, het controlelampje niet circa 4 seconden na het inschakelen van het contact dooft, het airbagcontrolelampje na het inschakelen van het contact dooft en weer gaat branden, het airbagcontrolelampje tijdens het rijden gaat branden of knipperen, het airbagcontrolelampje van de buiten werking gestelde bijrijdersairbag in het middenstuk van het dasboard knippert. Om ervoor te zorgen dat de inzittenden bij het activeren van de airbags zo optimaal mogelijk worden beschermd, moet de instelling van de voorstoelen aan de lichaamsgrootte zijn aangepast bladzijde 140, Juiste zithouding. Wanneer u tijdens het rijden geen veiligheidsgordels hebt omgegespt, te ver naar voren leunt of een andere verkeerde zitpositie inneemt, staat u bij een ongeval bloot aan een verhoogd gevaar voor letsel. Als zich een storing voordoet, het airbagsysteem direct door een specialist laten controleren. Anders bestaat het gevaar dat de airbags bij een ongeval niet worden geactiveerd. Aan de delen van het airbagsysteem mag geen enkele verandering worden aangebracht. Het is niet toegestaan wijzigingen aan te brengen aan de afzonderlijke delen van het airbagsysteem, omdat dit tot activeren van een airbag kan leiden. De beschermende werking van het airbagsysteem is beperkt tot slechts één ongeval. Als de airbag is geactiveerd, moet het airbagsysteem worden vervangen. Het airbagsysteem is gedurende zijn gehele levensduur onderhoudsvrij. Bij verkoop van de wagen de complete wagendocumentatie aan de nieuwe eigenaar overhandigen. Let op dat ook de documentatie voor een eventueel buiten werking gestelde airbag aan bijrijderzijde daarbij hoort! Als de wagen of afzonderlijke onderdelen van het airbagsysteem worden verschroot, beslist de betreffende veiligheidsvoorschriften opvolgen. Deze voorschriften zijn bekend bij de geautoriseerde Škoda Servicepartners. Bij het afvoeren en verwerken van de wagen of van delen van het airbagsysteem de nationale wettelijke bepalingen in acht nemen. Wanneer worden de airbags geactiveerd? Het airbagsysteem is zo geconstrueerd dat bij heftige frontale botsingen de bestuurders- en bijrijdersairbag worden geactiveerd. Bij heftig aanrijdingen van opzij worden de zij-airbag in de voorstoel en de hoofdairbag aan de zijde van de aanrijding geactiveerd. Bij bijzondere aanrijdingsituaties kunnen zowel de voor- als de zij- en hoofdairbags gelijktijdig worden geactiveerd. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

149 148 Airbagsysteem Bij minder ernstige frontale botsingen en aanrijdingen van opzij of van achteren en het kantelen of over de kop slaan van de wagen worden de airbags niet geactiveerd. Activeringsfactoren De voor elke situatie geldende activeringsvoorwaarden van het airbagsysteem kunnen niet exact worden gedefinieerd, omdat de omstandigheden bij ongevallen zeer ver uiteen kunnen lopen. Een belangrijke rol hierbij spelen bijvoorbeeld factoren zoals de aard van het obstakel dat door de wagen wordt geraakt (hard, zacht), de botsingshoek, rijsnelheid enz. Doorslaggevend voor de activering van de airbags is de bij de botsing optredende mate van vertraging. Het regelapparaat analyseert het verloop van de botsing en activeert het betreffende veiligheidssysteem. Als de tijdens de botsing optredende en gemeten vertraging van de wagen onder de in het regelapparaat aangegeven referentiewaarden blijft, worden de airbags niet geactiveerd, hoewel de wagen als gevolg van de botsing vrij sterk vervormd kan zijn. De airbags worden niet geactiveerd bij: uitgeschakeld contact, minder ernstige frontale botsing, minder ernstige aanrijding van opzij, aanrijding van achteren, het over de kop slaan van de wagen. Bij het opblazen van de airbag komt een grijswit of rood, onschadelijk gas vrij. Dat is volkomen normaal en betekent niet dat er in de wagen brand is uitgebroken. Als zich een ongeval met activering van een airbag voordoet: gaat de binnenverlichting branden (wanneer de schakelaar voor de binnenverlichting in de de portiercontactstand staat, worden de alarmlichten ingeschakeld, worden alle portieren ontgrendeld, wordt de brandstoftoevoer naar de motor onderbroken. Voorairbags Beschrijving van de voorairbags Het airbagsysteem is geen vervanging van de veiligheidsgordel! Afb. 135 Bestuurdersairbag in het stuurwiel / bijrijdersairbag in het dashboard De voorairbag voor de bestuurder is in het stuurwiel aangebracht afb links. De bijrijdersvoorairbag is in het dasboard aangebracht, boven het opbergvak afb rechts. Elke inbouwplaats is gemarkeerd met de tekst AIRBAG. Het voorairbagsysteem biedt in aanvulling op de 3-puntsgordels extra bescherming voor het hoofd- en borstbereik van de bestuurder en bijrijder bij ernstige frontale aanrijdingen bladzijde 149. De airbag is geen vervanging van de veiligheidsgordel, maar een deel van het totale passieve veiligheidsconcept van de wagen. Let op dat de beste beschermende werking van de airbag alleen in combinatie met omgegespte veiligheidsgordels wordt bereikt. Buiten hun normale beschermde werking hebben de veiligheidsgordels ook als taak, de bestuurder en bijrijder bij een frontale botsing zodanig op hun plaats te houden dat de voorairbag zijn maximale bescherming kan bieden. Daarom moeten de veiligheidsgordels niet alleen in verband met de wettelijke bepalingen, maar ook om veiligheidsredenen altijd worden gedragen bladzijde 143, Waarom veiligheidsgordels?. Na het activeren van de bijrijdersvoorairbag moet het dashboard worden vervangen.

150 Airbagsysteem 149 Functie van de voorairbags Het gevaar voor letsel aan hoofd en bovenlichaam wordt door de volledig opgeblazen airbags gereduceerd. Belangrijke veiligheidsaanwijzingen over het voorairbagsysteem Het juiste gebruik van het airbagsysteem vermindert de kans op letsel aanzienlijk! Afb. 136 Gasgevulde airbags Afb. 137 Veilige afstand tot het stuurwiel Het airbagsysteem is zo geconstrueerd, dat bij heftige frontale botsingen de airbags voor de bestuurder en bijrijder worden geactiveerd. Bij bijzondere aanrijdingsituaties kunnen zowel de voor- als de zij- en hoofdairbags gelijktijdig worden geactiveerd. Wanneer de airbags worden geactiveerd, vullen deze zich met drijfgas en worden ze vóór de bestuurder en bijrijder opgeblazen afb Het opblazen van de airbag vindt in een fractie van een seconde en met hoge snelheid plaats, om bij een ongeval extra bescherming te kunnen bieden. Bij het contact met de volledig opgeblazen airbag wordt de voorwaartse beweging van de bestuurder en de bijrijder gedempt en het gevaar voor letsel voor hoofd en bovenlichaam verminderd. De speciaal ontwikkelde airbag zorgt ervoor dat het drijfgas (afhankelijk van de belasting door de betreffende persoon) geleidelijk ontsnapt, waardoor hoofd en bovenlichaam worden opgevangen. Na het ongeval is de airbag daarom weer zo ver leeggelopen, dat ook het zicht naar voren weer vrij is. Bij het opblazen van de airbags komt een grijswit, onschadelijk gas vrij. Dat is volkomen normaal en betekent niet dat er in de wagen brand is uitgebroken. Bij het activeren van de airbag treden grote krachten op, zodat bij een verkeerde stoelinstelling of zitpositie letsel kan optreden in Belangrijke veiligheidsaanwijzingen over het voorairbagsysteem. Kinderen nooit onbeschermd op de voorstoel van de wagen meenemen. Als airbags bij een ongeval worden geactiveerd, zouden kinderen zwaar gewond kunnen raken of zelfs worden gedood! Het is belangrijk dat de bestuurder en bijrijder een afstand van minstens 25 cm tot het stuurwiel resp. het dashboard aanhouden afb Als de minimumafstand niet wordt aangehouden, kan het airbagsysteem u niet beschermen - levensgevaar! Bovendien moeten de voorstoelen en de hoofdsteunen altijd in overeenstemming met de lichaamsgrootte zijn ingesteld. Als op de bijrijdersstoel een naar achteren gericht kinderzitje wordt gebruikt (in sommige landen bij gebruik van een naar voren gericht kinderzitje), moet de bijrijdersvoorairbag buiten werking worden gesteld bladzijde 153, Airbag buiten werking stellen. Als dit niet wordt gedaan, zou het kind door het activeren van de bijrijdersvoorairbag zwaar gewond kunnen raken of zelfs worden gedood. In sommige landen vereisen de nationale wettelijke bepalingen eveneens het buiten werking stellen van de zij- resp. hoofdairbag aan bijrijderszijde. Bij het vervoeren van kinderen op de bijrijdersstoel de betreffende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. Tussen de inzittenden voorin en het werkingsgebied van de airbag mogen zich geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden. Het stuurwiel en het oppervlak van de airbageenheid in het dashboard aan bijrijderszijde niet beplakken, bekleden of op andere wijze bewerken. Deze delen mogen alleen met een droge of met water vochtig gemaakte doek worden Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

151 150 Airbagsysteem Vervolg gereinigd. Op de afdekkingen van de airbageenheid of in de onmiddellijke nabijheid daarvan mogen geen voorwerpen worden gemonteerd, zoals bekerhouders, telefoonhouders enzovoorts. Aan de delen van het airbagsysteem mag geen enkele verandering worden aangebracht. Alle werkzaamheden aan het airbagsysteem evenals het in- en uitbouwen van onderdelen van het systeem vanwege andere reparatiewerkzaamheden (bijvoorbeeld het stuurwiel uitbouwen) mogen alleen door een specialist worden uitgevoerd. Nooit wijzigingen aan de voorbumper of aan de carrosserie aanbrengen. Nooit voorwerpen op het dashboardoppervlak van de bijrijdersairbag neerleggen. Buiten hun normale beschermde werking hebben de veiligheidsgordels ook als taak, de bestuurder en bijrijder bij een aanrijding van opzij zodanig op hun plaats te houden, dat de zij-airbag zijn maximale bescherming kan bieden. Daarom moeten de veiligheidsgordels niet alleen vanwege wettelijke bepalingen, maar ook vanwege de veiligheid altijd worden gebruikt. Werking van de zij-airbags Het gevaar voor letsel aan het bovenlichaam wordt door de volledig opgeblazen zij-airbags gereduceerd. Zij-airbags Beschrijving van de zij-airbags De zij-airbag vergroot bij een aanrijding van opzij de bescherming van de inzittenden. Afb. 138 Bestuurdersstoel: Inbouwplaats van de airbag De zij-airbags zijn in de rugleuning van de voorstoelen aangebracht en in het midden van het opschrift AIRBAG afb. 138 voorzien. Het zij-airbagsysteem biedt als aanvulling op de 3-puntsgordel extra bescherming voor het bovenlichaam (borst, buik en bekken) van de inzittenden bij ernstige aanrijdingen van opzij bladzijde 151. Afb. 139 Gasgevulde zij-airbag Bij het activeren van de zij-airbags worden aan de betreffende zijde ook de hoofdairbag en de gordelspanner automatisch geactiveerd. Bij bijzondere aanrijdingsituaties kunnen zowel de voor- als de zij- en hoofdairbags gelijktijdig worden geactiveerd. Als een airbag wordt geactiveerd, wordt deze gevuld met drijfgas. Het opblazen van de airbag vindt in een fractie van een seconde en met hoge snelheid plaats, om bij een ongeval extra bescherming te kunnen bieden afb Bij het opblazen van de airbags komt een grijswit, onschadelijk gas vrij. Dat is volkomen normaal en betekent niet dat er in de wagen brand is uitgebroken. Bij het contact met de volledig opgeblazen airbag wordt de voorwaartse beweging van de inzittenden gedempt en het gevaar voor letsel voor het volledige bovenlichaam (borst, buik en bekken) aan de zijde die naar het portier is gericht verminderd.

152 Airbagsysteem 151 Belangrijke veiligheidsaanwijzingen over de zij-airbag Het juiste gebruik van het airbagsysteem vermindert de kans op letsel aanzienlijk! Als op de bijrijdersstoel een naar achteren gericht kinderzitje wordt gebruikt (in sommige landen bij gebruik van een naar voren gericht kinderzitje), moet de bijrijdersvoorairbag buiten werking worden gesteld bladzijde 153, Airbag buiten werking stellen. Als dit niet wordt gedaan, zou het kind door het activeren van de bijrijdersvoorairbag zwaar gewond kunnen raken of zelfs worden gedood. Bij het vervoeren van kinderen op de bijrijdersstoel de betreffende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. Uw hoofd mag zich nooit binnen het activeringsbereik van de zij-airbag bevinden. Anders zou u bij een ongeval zwaar gewond kunnen raken. Dit geldt met name voor kinderen die niet in een geschikt kinderzitje worden vervoerd bladzijde 157, Veilig vervoer van kinderen en de zij-airbag. Als kinderen tijdens het rijden een verkeerde zithouding innemen, worden zij bij een ongeval blootgesteld aan een verhoogd gevaar voor letsel. Dit kan zwaar letsel tot gevolg hebben bladzijde 155, Wat u moet weten als u kinderen vervoert!. Tussen de personen en het werkingsgebied van de airbag mogen zich geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden. Op de portieren mogen geen accessoires, zoals bekerhouders, aangebracht zijn. Het regelapparaat van de airbags werkt met druksensoren, die in de voorportieren zijn gemonteerd. Daarom mogen zowel aan de portieren als aan de portierbekledingen geen aanpassingen (bijvoorbeeld inbouwen van extra luidsprekers) worden uitgevoerd. De daarbij optredende beschadigingen kunnen de werking van het airbagsysteem negatief beïnvloeden. Alle werkzaamheden aan de voorportieren en de portierbekleding mogen alleen door een specialist worden uitgevoerd. Bij een aanrijding van opzij kunnen de zij-airbags niet correct functioneren als de sensoren de luchtdruktoename binnen de portieren niet correct kunnen meten, omdat de lucht door grotere, niet-afgesloten openingen in de portierbekleding kan ontsnappen. Nooit met verwijderde portierbekleding aan de binnenkant rijden. Nooit gaan rijden als er delen van de portierbekleding aan de binnenzijde zijn verwijderd en de daarbij ontstane openingen niet correct zijn afgedicht. Nooit gaan rijden als de luidsprekers in de portieren zijn verwijderd, behalve als de luidsprekeropeningen correct zijn afgedicht. Vervolg Altijd zorgen voor afgedekte of opgevulde openingen als er extra luidsprekers of andere uitrustingsonderdelen in de portierbekleding aan de binnenzijde zijn ingebouwd. Werkzaamheden altijd laten uitvoeren door een geautoriseerde Škoda Servicepartner of door een specialist. Aan de kledinghaken in de wagen uitsluitend kleding met weinig gewicht ophangen. Zware of scherpe voorwerpen in de zakken van de kledingstukken verwijderen. Er mogen geen grote krachten, zoals krachtig stoten, trappen enzovoorts, op de rugleuningen worden uitgeoefend, omdat anders het systeem kan worden beschadigd. De zij-airbags zouden in dat geval niet in werking treden! U mag geen stoelhoezen op de bestuurders- of bijrijdersstoel aanbrengen die niet uitdrukkelijk door Škoda Auto zijn vrijgegeven. Omdat de airbag uit de rugleuning naar buiten komt, zou bij het gebruik van niet vrijgegeven stoelhoezen de beschermende werking van de zij-airbags aanzienlijk worden belemmerd. Beschadigingen van de originele stoelhoezen in de buurt van de zij-airbageenheden moeten direct door een specialist worden gerepareerd. De airbageenheden in de voorstoelen mogen geen beschadigingen, scheuren en diepe krassen vertonen. Openen met geweld is niet toegestaan. Alle werkzaamheden aan de zij-airbags evenals het in- en uitbouwen van onderdelen van het systeem vanwege andere reparatiewerkzaamheden (bijvoorbeeld stoelen uitbouwen) mogen alleen door een specialist worden uitgevoerd. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

153 152 Airbagsysteem Hoofdairbags Beschrijving van de hoofdairbags De hoofdairbag vergroot bij een aanrijding van opzij samen met de zij-airbag de bescherming van de inzittenden. Werking van de hoofdairbags Het gevaar voor letsel aan hoofd en nek wordt bij aanrijdingen van opzij door de volledig opgeblazen airbags gereduceerd. Afb. 141 Gasgevulde hoofdairbag Afb. 140 Inbouwplaats van de hoofdairbag De hoofdairbags zijn boven de portieren aan beide zijden in het interieur van de wagen aangebracht afb Elke inbouwplaats van de hoofdairbags is gemarkeerd met de tekst AIRBAG. De hoofdairbags bieden samen met de 3-puntsgordels en de zij-airbags extra bescherming voor hoofd en nek van de inzittenden bij zware aanrijdingen van opzij bladzijde 153, Belangrijke veiligheidsaanwijzingen over de hoofdairbag. Buiten hun normale beschermde werking hebben de veiligheidsgordels ook als taak, de bestuurder en bijrijder bij een aanrijding van opzij zodanig op hun plaats te houden, dat de hoofdairbag maximale bescherming kan bieden. Daarom moeten de veiligheidsgordels niet alleen in verband met de wettelijke bepalingen, maar ook om veiligheidsredenen altijd worden gedragen bladzijde 143, Waarom veiligheidsgordels?. Samen met andere componenten (bijvoorbeeld dwarsbalken in de portieren, stabiele voertuigstructuur) vormen de hoofdairbags de consequente verdere ontwikkeling van de bescherming van de inzittenden bij een aanrijding van opzij. Bij een aanrijding van opzij wordt de hoofdairbag samen met de betreffende zijairbag afb. 141 en de gordelspanner aan de wagenzijde van de aanrijding geactiveerd. Wanneer het systeem wordt geactiveerd, vullen de airbags zich met gas en bedekken ze de gehele zijruiten, inclusief de portierstijlen afb De beschermende werking van de hoofdairbags komt daarmee tegelijkertijd zowel de inzittende voorin aan de zijde van de aanrijding als de inzittenden achterin ten goede. De opgeblazen hoofdairbag zorgt ervoor dat het hoofd wordt gedempt wanneer dit met delen van het interieur of voorwerpen van buiten de wagen in contact komt. Door de verminderde belasting en de minder krachtige bewegingen van het hoofd wordt bovendien de belasting van de nek verminderd. Ook bij een botsing onder een hoek biedt de hoofdairbag door het bedekken van de voorste portierstijlen extra bescherming. Bij bijzondere aanrijdingsituaties kunnen zowel de voor- als de zij- en hoofdairbags gelijktijdig worden geactiveerd. Het opblazen van de airbag vindt in een fractie van een seconde en met hoge snelheid plaats, om bij een ongeval extra bescherming te kunnen bieden. Bij het opblazen van de airbags komt een grijswit, onschadelijk gas vrij. Dat is volkomen normaal en betekent niet dat er in de wagen brand is uitgebroken.

154 Airbagsysteem 153 Belangrijke veiligheidsaanwijzingen over de hoofdairbag Het juiste gebruik van het airbagsysteem vermindert de kans op letsel aanzienlijk! Als op de bijrijdersstoel een naar achteren gericht kinderzitje wordt gebruikt (in sommige landen bij gebruik van een naar voren gericht kinderzitje), moet de bijrijdersvoorairbag buiten werking worden gesteld bladzijde 153, Airbag buiten werking stellen. Als dit niet wordt gedaan, zou het kind door het activeren van de bijrijdersvoorairbag zwaar gewond kunnen raken of zelfs worden gedood. Bij het vervoeren van kinderen op de bijrijdersstoel de betreffende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. In het activeringsbereik van de hoofdairbag mogen zich geen voorwerpen bevinden, zodat de airbags ongehinderd kunnen worden opgeblazen. Aan de kledinghaken in de wagen uitsluitend kleding met weinig gewicht ophangen. Zware of scherpe voorwerpen in de zakken van de kledingstukken verwijderen. Bovendien mogen voor het ophangen van kleding geen kledinghangers worden gebruikt. Het airbagregelapparaat werkt met de sensoren die in de voorportieren zijn aangebracht. Daarom mogen zowel aan de portieren als aan de portierbekledingen geen aanpassingen (bijvoorbeeld inbouwen van extra luidsprekers) worden uitgevoerd. De daarbij optredende beschadigingen kunnen de werking van het airbagsysteem negatief beïnvloeden. Alle werkzaamheden aan de voorportieren en de portierbekleding mogen alleen door een specialist worden uitgevoerd. Tussen de personen en het werkingsgebied van de airbag mogen zich geen andere personen, dieren of voorwerpen bevinden. Bovendien mag niemand van de inzittenden tijdens het rijden met het hoofd uit het raam leunen of armen en handen uit het raam steken. De zonnekleppen mogen niet in het werkingsgebied van de hoofdairbag naar de zijruiten worden gedraaid, als daaraan voorwerpen zijn bevestigd, zoals balpennen enzovoort. Bij het activeren van de hoofdairbags zouden de inzittenden letsel kunnen oplopen. Door het aanbrengen van niet voorziene accessoires bij de hoofdairbags kan bij een activering de beschermende werking van de hoofdairbag aanzienlijk worden belemmerd. Bij het opblazen van de geactiveerde hoofdairbag kunnen eventueel onderdelen van de betreffende accessoires het interieur worden binnengeslingerd en de inzittenden verwonden bladzijde 205, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Vervolg Alle werkzaamheden aan de hoofdairbags evenals het in- en uitbouwen van onderdelen van het systeem vanwege andere reparatiewerkzaamheden (bijvoorbeeld hemelbekleding uitbouwen) mogen alleen door een specialist worden uitgevoerd. Airbag buiten werking stellen Airbags buiten werking stellen Buiten werking gestelde airbags zo snel mogelijk weer in paraatheid brengen, zodat deze weer hun beschermende werking weer kunnen vervullen. Uw wagen biedt de technische mogelijkheid de voor-, zij- resp. hoofdairbags uit te schakelen (buiten werking te stellen). Het buiten werking stellen van de airbags laten uitvoeren door een specialist. Bij wagens die zijn uitgerust met de schakelaar voor het buiten werking stellen van de airbags kan de bijrijdersvoorairbag met deze schakelaar buiten werking worden gesteld bladzijde 154. Het buiten werking stellen van de airbags is alleen bedoeld voor bepaalde situaties, bijvoorbeeld als: in uitzonderingsgevallen een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel moet worden gebruikt (in sommige landen in verband met afwijkende wettelijke bepalingen in rijrichting) bladzijde 155, Belangrijke veiligheidsaanwijzingen bij het gebruik van kinderzitjes, ondanks een correcte instelling van de bestuurdersstoel de afstand van ten minste 25 cm tussen het midden van het stuurwiel en het borstbeen niet kan worden aangehouden, in verband met een handicap speciale accessoires in de buurt van het stuurwiel nodig zijn, andere stoelen worden gemonteerd (bijvoorbeeld orthopedische stoelen zonder zij-airbag). Controle van het airbagsysteem De actieve staat van het airbagsysteem wordt elektronisch gecontroleerd, ook als een airbag buiten werking is gesteld. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

155 154 Airbagsysteem Als de airbag met een diagnoseapparaat buiten werking is gesteld: Het controlelampje van het airbagsysteem brandt na het inschakelen van het contact gedurende 4 seconden en knippert vervolgens 12 seconden met intervallen van 2 seconden. Als de airbag met de airbagschakelaar in het opbergvak buiten werking is gesteld, geldt het volgende: na het inschakelen van het contact gaat het airbagcontrolelampje in het instrumentenpaneel circa 4 seconden branden, als er airbags buiten werking zijn gesteld, wordt dit in het middenstuk van het dashboard aangegeven door het branden van het controlelampje afb rechts. Een geautoriseerde Škoda Servicepartner kan u vertellen, of en welke airbags volgens de nationale wetgeving bij uw wagen buiten werking moeten worden gesteld. Schakelaar voor bijrijdersvoorairbag Controleren, of bij ingeschakeld contact het controlelampje in het middenstuk van het dashboard brandt afb rechts. Airbag in paraatheid brengen Het contact uitschakelen. Met de sleutel de sleuf van de airbagschakelaar in de stand A1 (ON) afb. 142 draaien. Controleren, of bij ingeschakeld contact het airbagcontrolelampje in het middenstuk van het dashboard niet brandt afb rechts. De airbag mag alleen in uitzonderlijke gevallen buiten werking worden gesteld bladzijde 153. Controlelampje (airbag buiten werking gesteld) Het airbagcontrolelampje bevindt zich in het middenstuk van het dashboard afb rechts. Als de bijrijdersvoorairbag buiten werking is gesteld, gaat circa 4 seconden na het inschakelen van het contact het controlelampje branden. Als het controlelampje knippert, is er een systeemstoring in de airbaguitschakeling aanwezig. Ga dan zo snel mogelijk naar een specialist. Afb. 142 Dashboardkastje: Schakelaar voor bijrijdersvoorairbag / controlelampje voor buiten werking gestelde bijrijdersairbag De bestuurder is verantwoordelijk voor het buiten werking stellen of in paraat brengen van de airbag. De airbag alleen bij afgezet contact buiten werking stellen! Anders kunt u een storing in het systeem voor het buiten werking stellen van de airbag veroorzaken. Als het controlelampje (airbag buiten werking gesteld) knippert: De airbag voor de bijrijder wordt bij een ongeval niet geactiveerd! Het systeem zo snel mogelijk door een specialist laten controleren. Met de schakelaar wordt alleen de bijrijdersvoorairbag buiten werking gesteld. Airbag buiten werking stellen Het contact uitschakelen. Met de sleutel de sleuf van de airbagschakelaar in de stand A2 (OFF) afb. 142 draaien.

156 Veilig vervoer van kinderen 155 Veilig vervoer van kinderen Wat u moet weten als u kinderen vervoert! Inleiding tot het thema Ongevalsstatistieken tonen aan dat het, in het algemeen gesproken, voor kinderen op de achterbank veiliger is dan op de bijrijdersstoel. Kinderen kleiner dan 1,50 m en lichter dan 36 kg moeten onder normale omstandigheden op de achterbank zitten (hierbij de eventueel afwijkende nationale wettelijke bepalingen in acht nemen). Afhankelijk van lichaamsgrootte en gewicht moeten ze daar door een kinderveiligheidssysteem of door de aanwezige veiligheidsgordels worden beschermd. Het kinderzitje moet om veiligheidsredenen achter de bijrijdersstoel zijn gemonteerd. De natuurkundige wetten bij een ongeval gelden vanzelfsprekend ook voor kinderen bladzijde 143, Het natuurkundige principe van een frontale aanrijding. In tegenstelling tot volwassenen zijn de spieren en botten van kinderen nog niet helemaal volgroeid. Kinderen staan daarom bloot aan een groter risico op letsel. Om dit risico op lichamelijk letsel te verkleinen, mogen kinderen alleen in speciale kinderzitjes worden vervoerd! Alleen kinderzitjes gebruiken die wettelijk zijn goedgekeurd, geschikt zijn voor kinderen en die voldoen aan de norm ECE-R 44, die kinderzitjes in 5 groepen onderverdeelt bladzijde 157, Indeling van kinderzitjes in gewichtsgroepen. Kinderveiligheidssystemen die conform de ECE-R 44 norm zijn getest, hebben op het stoeltje een niet verwijderbaar keurmerk (grote E in een cirkel, daaronder het keuringsnummer). Wij adviseren u kinderzitjes uit het originele Škoda accessoireprogramma te gebruiken. Deze kinderzitjes werden voor het gebruik in Škoda-wagens ontwikkeld en getest. Zij voldoen aan de ECE-R 44 norm. Voor het inbouwen en het gebruik van kinderzitjes moeten de nationale wettelijke bepalingen en de aanwijzingen van de betreffende kinderzitjesfabrikant in acht worden genomen bladzijde 155. Afwijkende nationale wettelijke bepalingen hebben voorrang op de in dit instructieboekje verstrekte informatie. Belangrijke veiligheidsaanwijzingen bij het gebruik van kinderzitjes Het juiste gebruik van de kinderzitjes reduceert het gevaar voor verwondingen aanzienlijk! Alle inzittenden - in het bijzonder kinderen - moeten tijdens het rijden de gordel op de correcte manier dragen. Kinderen met een lichaamslengte onder de 1,50 m en lichter dan 36 kg mogen zonder kinderveiligheidssysteem geen gebruikmaken van een normale veiligheidsgordel, omdat deze letsel aan buik en hals zou kunnen veroorzaken. De nationale wettelijke bepalingen in acht nemen. In geen geval mogen kinderen - ook geen baby's! - op schoot worden meegenomen. U kunt een kind veilig vervoeren in een geschikt kinderzitje bladzijde 157, Kinderzitje! In een kinderzitje mag slechts één kind worden vastgegespt. Het kind nooit zonder toezicht in het kinderzitje laten zitten. Bij bepaalde externe klimatologische omstandigheden kunnen in de wagen levensbedreigende temperaturen ontstaan. Uw kind nooit toestaan, niet-vastgegespt in een wagen te worden meegenomen. Kinderen mogen tijdens het rijden ook nooit in de wagen staan of op hun knieën zitten. Bij een ongeval wordt het kind door de wagen geslingerd en kan zichzelf en andere inzittenden daardoor levensgevaarlijk verwonden. Als kinderen tijdens het rijden naar voren leunen of een verkeerde zithouding innemen, staan ze bij een ongeval bloot aan een groter risico op lichamelijk letsel. Dit geldt in het bijzonder voor kinderen die op de bijrijdersstoel worden vervoerd als het airbagsysteem bij een ongeval wordt geactiveerd. Dit kan levensgevaarlijk of zelfs dodelijk letsel tot gevolg hebben. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

157 156 Veilig vervoer van kinderen Vervolg Voor de optimale beschermende werking van de veiligheidsgordels is het gordelverloop van groot belang bladzijde 145, Hoe worden veiligheidsgordels correct omgegespt?. Let voor het goede verloop van de gordels beslist op de gegevens van de fabrikant van het kinderzitje. Een verkeerd gedragen veiligheidsgordel kan zelfs bij een lichte aanrijding tot letsel leiden. Er moet worden gecontroleerd of de veiligheidsgordels correct over het lichaam lopen. Bovendien moet erop worden gelet, dat de gordel niet door eventuele scherpe randen kan worden beschadigd. Bij gebruik van een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel, moet de bijrijdersvoorairbag beslist buiten werking worden gesteld bladzijde 154. Als dit niet wordt gedaan, zou het kind door het activeren van de bijrijdersvoorairbag zwaar gewond kunnen raken of zelfs worden gedood. Bij het vervoeren van kinderen op de bijrijdersstoel de betreffende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. Gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel Kinderzitjes moeten altijd op de achterbank worden bevestigd. Attentie - groot gevaar! Nooit een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel gebruiken. Dit kinderzitje bevindt zich in het gebied waar de bijrijdersvoorairbag naar buiten komt. De airbag kan bij activering het kind zwaar of zelfs levensgevaarlijk verwonden. Op dit feit wordt geattendeerd door de sticker op de middenstijl aan bijrijderszijde afb De sticker is zichtbaar na het openen van het bijrijdersportier. Voor sommige landen is de sticker ook op de zonneklep aan bijrijderszijde aangebracht. Als u desondanks een en naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel wilt gebruiken, moet de bijrijdersvoorairbag beslist buiten werking worden gesteld bladzijde 153, Airbag buiten werking stellen. Als dit niet wordt gedaan, zou het kind door het activeren van de bijrijdersvoorairbag zwaar gewond kunnen raken of zelfs worden gedood. Bij het vervoeren van kinderen op de bijrijdersstoel de betreffende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. Als de bijrijdersvoorairbag met de wagensysteemtester door een specialist buiten werking is gesteld, blijven de bijrijderszij-airbag en -hoofdairbag paraat. De eventueel afwijkende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. Bij gebruik van een naar voren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel moet deze stoel volledig naar achteren en omhoog worden ingesteld. De rugleuning moet rechtop worden gezet. Zodra het kinderzitje op de bijrijdersstoel niet meer wordt gebruikt, moet de bijrijdersairbags weer in paraatheid worden gebracht. Afb. 143 Sticker op de middelste carrosseriestijl aan bijrijderszijde Wij adviseren om veiligheidsredenen kinderveiligheidssystemen zo veel mogelijk op de achterbank te monteren. Als u echter toch een kinderzitje op de bijrijdersstoel wilt gebruiken, moet u afhankelijk van het ingebouwde airbagsysteem op de volgende waarschuwingsaanwijzingen letten.

158 Veilig vervoer van kinderen 157 Veilig vervoer van kinderen en de zij-airbag Kinderen mogen zich nooit in het gebied bevinden waarin de zij- en hoofdairbag naar buiten komen. Vervolg op de bijrijdersstoel de betreffende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. Ter voorkoming van zwaar letsel moeten kinderen altijd in de wagen worden vastgezet met een veiligheidssysteem dat in overeenstemming is met de leeftijd, het gewicht en de lichaamslengte van het kind. Kinderen mogen zich nooit met het hoofd in het gebied bevinden waar de zijairbag naar buiten komt - gevaar voor verwondingen! Geen voorwerpen in het werkingsgebied van de zij-airbags leggen - gevaar voor verwondingen! Kinderzitje Afb. 144 Het niet goed vastgezette kind in een niet-correcte zithouding - in gevaar gebracht door de zij-airbag / het met een kinderzitje wel goed vastgezette kind. De zij-airbags bieden de inzittenden van de wagen bij aanrijdingen van opzij meer bescherming. Om deze bescherming ook daadwerkelijk te kunnen bieden, moet het ontvouwen van de zij-airbag binnen een fractie van een seconde plaatsvinden bladzijde 150, Werking van de zij-airbags. De airbag ontwikkelt hierbij zoveel kracht, dat wanneer de rugleuning niet in een rechte stand staat de inzittenden door de airbag resp. door aanwezige voorwerpen in het gebied waar de zij-airbag naar buiten komt letsel kunnen worden toegebracht. Dit geldt met name voor kinderen als zij niet worden vervoerd volgens de wettelijke voorschriften. Het kind is op de stoel vastgezet met een voor zijn leeftijd geschikt kinderzitje. Tussen het kind en het gebied waarin de zij- en hoofdairbags naar buiten komen, is voldoende ruimte. De airbag biedt zo een optimale bescherming. Als op de bijrijdersstoel een naar achteren gericht kinderzitje wordt gebruikt (in sommige landen bij gebruik van een naar voren gericht kinderzitje), moet de bijrijdersvoorairbag buiten werking worden gesteld bladzijde 153. Als dit niet wordt gedaan, zou het kind door het activeren van de bijrijdersvoorairbag zwaar gewond kunnen raken of zelfs worden gedood. Bij het vervoeren van kinderen Indeling van kinderzitjes in gewichtsgroepen Er mogen alleen kinderzitjes worden gebruikt die officieel zijn goedgekeurd en voor het kind geschikt zijn. Voor kinderzitjes geldt de ECE-R 44 norm. ECE-R betekent: Richtlijn van de Economische Commissie voor Europa (Economic Commission for Europe - Regulation). Kinderzitjes die conform de ECE-R 44 norm zijn getest, hebben op het stoeltje een niet verwijderbaar keurmerk (grote E in een cirkel, daaronder het keuringsnummer). Kinderzitjes zijn ingedeeld in 5 gewichtsgroepen: Groep Gewicht kg bladzijde tot 13 kg bladzijde kg bladzijde kg bladzijde kg bladzijde 159 Kinderen groter dan 1,50 m en zwaarder dan 36 kg kunnen gebruikmaken van normale veiligheidsgordels zonder zitkussen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

159 158 Veilig vervoer van kinderen Gebruik van kinderzitjes Overzicht van de bruikbaarheid van kinderzitjes op de betreffende stoelen volgens de ECE-R 44 norm: AU A+ AT Kinderzitje volgens groep en 3 Bijrijdersstoel Achterbank buitenste zitplaats Achterbank midden AU A+ AU A+ AT AU AU A+ AU A+ AT AU AU A+ AU A+ AT AU AU AU AU Universele categorie - stoel is geschikt voor alle toegelaten kinderzitjes. De stoel kan met bevestigingsogen voor het ISOFIX -systeem worden uitgerust. De gedeelde achterbank - achterbank kan met bevestigingsogen voor het Top Tether -systeem zijn uitgerust bladzijde 160, Kinderzitje bevestigen met het Top Tether -systeem. Als de wagen met een bijrijdersairbag is uitgerust, mogen naar achteren gerichte kinderzitjes niet op de bijrijdersstoel worden gebruikt bladzijde 156, Gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel. Als u in uitzonderingsgevallen een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel wilt gebruiken, moet de bijrijdersvoorairbag beslist door een specialist of met de sleutel voor de bijrijdersairbag buiten werking worden gesteld bladzijde 154, Schakelaar voor bijrijdersvoorairbag. De eventueel afwijkende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. Als dat niet gebeurt, kan bij activering van de bijrijdersairbag het kind op de bijrijdersstoel zwaar lichamelijk tot zelfs dodelijk letsel worden toegebracht. Zodra het kinderzitje op de bijrijdersstoel niet meer wordt gebruikt, moet de bijrijdersairbag weer in paraatheid worden gebracht. Kinderzitjes voor groep 1 Kinderzitjes voor groep 0/0+ Afb. 146 Naar voren gericht kinderzitje met veiligheidskussen volgens groep 1 op de achterbank Afb. 145 Kinderzitje voor groep 0/0+ Voor baby's tot circa 9 maanden met een gewicht van maximaal 10 kg resp. kinderen tot circa 18 maanden met een gewicht van maximaal 13 kg zijn tegen de rijrichting in bevestigde kinderzitjes het meest geschikt afb Kinderzitjes volgens groep 1 zijn geschikt voor baby's en peuters tot circa 4 jaar met een gewicht tussen 9-18 kg. Voor kinderen die behoren tot het onderste deel van deze groep zijn kinderzitjes waarin het kind tegen de rijrichting in zit het meest geschikt. Voor kinderen die bovenin de groep 0+ vallen zijn naar voren gerichte kinderzitjes het meest geschikt afb Als de wagen met een bijrijdersairbag is uitgerust, mogen naar achteren gerichte kinderzitjes niet op de bijrijdersstoel worden gebruikt bladzijde 156, Gebruik van kinderzitjes op de bijrijdersstoel.

160 Veilig vervoer van kinderen 159 Als u in uitzonderingsgevallen een naar achteren gericht kinderzitje op de bijrijdersstoel wilt gebruiken, moet de bijrijdersvoorairbag beslist door een specialist of met de sleutel voor de bijrijdersairbag buiten werking worden gesteld bladzijde 154, Schakelaar voor bijrijdersvoorairbag. De eventueel afwijkende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. Als dat niet gebeurt, kan bij activering van de bijrijdersairbag het kind op de bijrijdersstoel zwaar lichamelijk tot zelfs dodelijk letsel worden toegebracht. Zodra het kinderzitje op de bijrijdersstoel niet meer wordt gebruikt, moet de bijrijdersairbag weer in paraatheid worden gebracht. Vervolg maar mag niet over de buik lopen. Zo nodig het heupgordelgedeelte voor het bekken straktrekken. De eventueel afwijkende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. Kinderzitjes voor groep 3 Kinderzitjes voor groep 2 Afb. 148 Kinderzitje voor groep 3 op de achterbank waarbij het kind met het gezicht naar voren is gekeerd Afb. 147 Kinderzitje voor groep 2 op de achterbank waarbij het kind met het gezicht naar voren is gekeerd Voor kinderen tot circa 7 jaar met een gewicht tussen kg zijn kinderzitjes in combinatie met 3-puntsgordels het meest geschikt afb Bij het vervoeren van kinderen op de bijrijdersstoel de betreffende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. Indien nodig de bijrijdersairbag met de schakelaar voor de bijrijdersairbag of door een specialist buiten werking laten stellen bladzijde 154, Schakelaar voor bijrijdersvoorairbag. Het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel moet ongeveer over het midden van de schouder lopen en strak tegen het bovenlichaam aanliggen. Deze mag in geen geval over de hals lopen. Het heupgordelgedeelte van de veiligheidsgordel moet voor het bekken langs lopen en daar stevig tegenaan liggen, Voor kinderen vanaf circa 7 jaar met een gewicht tussen kg en kleiner dan 150 cm zijn kinderzitjes (zitkussen) in combinatie met 3-puntsgordels het meest geschikt afb Kinderen groter dan 1,50 m en zwaarder dan 36 kg kunnen gebruikmaken van normale veiligheidsgordels zonder zitkussen. Bij het vervoeren van kinderen op de bijrijdersstoel de betreffende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. Indien nodig de bijrijdersairbag met de schakelaar voor de bijrijdersairbag of door een specialist buiten werking laten stellen bladzijde 154, Schakelaar voor bijrijdersvoorairbag. Het schoudergedeelte van de veiligheidsgordel moet ongeveer over het midden van de schouder lopen en strak tegen het bovenlichaam aanliggen. Deze mag in geen geval over de hals lopen. Het heupgordelgedeelte van de veiligheidsgordel moet voor het bekken langs lopen en daar stevig tegenaan liggen, maar mag niet over de buik lopen. Zo nodig het heupgordelgedeelte voor het bekken straktrekken. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

161 160 Veilig vervoer van kinderen Vervolg De eventueel afwijkende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot het gebruik van kinderzitjes in acht nemen. Kinderzitje bevestigen met het ISOFIX -systeem Afb. 149 Bevestigingsogen (ISOFIX-systeem) / het ISOFIX-kinderzitje wordt in de gemonteerde trechterstukken geschoven Tussen de rugleuning en zitting van de bijrijdersstoel bevinden zich twee bevestigingsogen voor de bevestiging van een kinderzitje met het ISOFIX -systeem. Bij de buitenste achterzitplaatsen bevinden de bevestigingsogen zich onder de bekleding. De betreffende plaatsen zijn gemarkeerd met labels met de tekst ISOFIX afb links. Kinderzitje monteren De treksluitingen tussen de zitting en rugleuning van de buitenste achterzitplaats openen. De trechterstukken A over de bevestigingsogen AB tussen rugleuning en de zitting aanbrengen afb De bevestigingsarmen van het kinderzitje in pijlrichting A1 in de bevestigingsogen schuiven, tot ze hoorbaar vastklikken afb Aan beide zijden van het kinderzitje de montage controleren door aan het kinderzitje te trekken. Kinderzitjes met het ISOFIX -systeem kunnen snel, gemakkelijk en veilig worden gemonteerd. Bij het in- en uitbouwen van het kinderzitje beslist de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje in acht nemen. Kinderzitjes met ISOFIX -systeem kunnen alleen in een wagen met ISOFIX - systeem worden ingebouwd en bevestigd als deze volgens de norm ECE-R 44 voor dit model zijn goedgekeurd. Kinderzitjes met het ISOFIX -systeem zijn uit het originele Škoda accessoireprogramma verkrijgbaar. Een exacte montage-instructie wordt met het kinderzitje meegeleverd. De bevestigingsogen zijn alleen bedoeld voor kinderzitjes met het ISOFIX - systeem. Daarom nooit andere kinderzitjes, gordels of voorwerpen aan de bevestigingsogen monteren - levensgevaar! Voor gebruik van een kinderzitje met het ISOFIX -systeem dat u voor een andere wagen had aangeschaft, aan een geautoriseerde Škoda Servicepartner vragen of het kinderzitje ook voor deze wagen geschikt is. Sommige kinderzitjes met het ISOFIX -systeem kunnen met behulp van normale 3-puntsgordels worden bevestigd. Bij het in- en uitbouwen van het kinderzitje beslist de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje in acht nemen. Kinderzitjes met ISOFIX -systeem zijn op dit moment leverbaar voor kinderen met een lichaamsgewicht tot circa 18 kg. Dit komt overeen met een leeftijd tot circa 4 jaar. De kinderzitjes kunnen ook met het Top Tether -systeem worden uitgerust bladzijde 160. Kinderzitje bevestigen met het Top Tether -systeem Afb. 150 Achterbank: Top Tether

162 Veilig vervoer van kinderen 161 In sommige landen vereisen de nationale wettelijke bepalingen dat de zitplaatsen achterin zijn uitgerust met bevestigingsogen voor kinderzitjes met het Top Tether -systeem afb Het in- en uitbouwen van het kinderzitje met het Top Tether -systeem altijd uitvoeren volgens de meegeleverde gebruiksaanwijzing van de fabrikant van het kinderzitje. De kinderzitjes met het Top Tether -systeem alleen op de daarvoor bestemde plaatsen bevestigen bladzijde 160, afb In geen geval mag u de wagen zelf aanpassen, bijvoorbeeld door bouten of andere bevestigingen te monteren. Op de belangrijke veiligheidsaanwijzingen voor het gebruik van kinderzitjes letten. Het overgebleven deel van de gordel van het Top Tether -systeem bergt u op in de tas, die op het kinderzitje is aangebracht. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

163 162 Veilig vervoer van kinderen

164 Intelligente techniek 163 en voor het rijden Intelligente techniek Elektronisch stabiliseringsprogramma (ESP) Algemeen Afb. 151 ESP-systeem: ASR-schakelaar Met behulp van het ESP wordt de controle over de wagen tijdens rijdynamische grenssituaties vergroot, bijvoorbeeld bij het snel inrijden van een bocht. Afhankelijk van de staat van het wegdek wordt het slipgevaar gereduceerd en daarmee de rijstabiliteit van de wagen verbeterd. Het systeem werkt bij alle snelheden. In het elektronische stabiliseringsprogramma zijn de volgende systemen geïntegreerd: elektronisch sperdifferentieel (EDS), aandrijfslipregeling (ASR), actieve stuurondersteuning (DSR), antiblokkeersysteem (ABS), remassistent, bergwegrijhulp. Het ESP kan niet met de toets afb. 151 worden uitgeschakeld, alleen de ASR wordt uitgeschakeld, waarbij het controlelampje in het instrumentenpaneel gaat branden. Werking Het ESP wordt bij het starten van de motor automatisch ingeschakeld en voert daarbij een zelftest uit. Het ESP-regelapparaat verwerkt de gegevens van de afzonderlijke systemen. Het verwerkt bovendien extra meetgegevens die door de uiterst gevoelige sensoren worden aangeleverd: de draaisnelheid van de wagen om de hoogte-as, de dwarsversnelling, de remdruk en de stuurhoek. Op basis van de stuuruitslag en de rijsnelheid wordt de door de bestuurder gekozen rijrichting bepaald, die constant met het werkelijke gedrag van de wagen wordt vergeleken. Bij afwijkingen, bijvoorbeeld bij de neiging tot slippen, remt het ESP het betreffende wiel automatisch af. Door de bij het afremmen van het wiel uitgeoefende krachten wordt de wagen weer gestabiliseerd. Bij overstuur (neiging tot het uitbreken van de achterzijde) vindt de remingreep voornamelijk plaats bij het voorwiel aan de buitenzijde van de bocht, en bij onderstuur (neiging tot het rechtuitschuiven uit de bocht) bij het achterwiel aan de binnenzijde van de bocht. Deze remingreep gaat gepaard met geluiden. Tijdens een ingreep van het systeem knippert het controlelampje in het instrumentenpaneel bladzijde 31. Het ESP werkt samen met het ABS bladzijde 166, Antiblokkeersysteem (ABS). Bij een storing van het ABS valt ook de ESP-functie uit. Bij een storing van het ESP brandt in het instrumentenpaneel het ESP-controlelampje bladzijde 31. De natuurkundige grenzen kunnen ook door het ESP niet worden overwonnen. Ook bij wagens met ESP moet u uw rijstijl steeds aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie aanpassen. Dat geldt in het bijzonder op een glad en nat wegdek. Het hogere veiligheidspotentieel mag geen aanleiding zijn tot het nemen van veiligheidsrisico's - gevaar voor ongevallen! Om een storingvrije werking van het ESP te garanderen, moeten op alle vier de wielen dezelfde banden zijn gemonteerd. Onderlinge verschillen in de afrolomtrek Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

165 164 Intelligente techniek van de band kunnen leiden tot een niet-gewenste vermindering van het motorvermogen. Veranderingen aan de wagen (bijvoorbeeld aan de motor, aan de remmen, aan het onderstel of een andere band-velgcombinatie) kunnen de werking van het ESP beïnvloeden bladzijde 205, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Elektronisch sperdifferentieel (EDS en XDS) Het elektronisch sperdifferentieel verhindert het doordraaien van een afzonderlijk wiel. Algemeen Door het EDS wordt bij slechte wegdek het wegrijden vanuit stilstand, het accelereren en het bergop rijden aanzienlijk vergemakkelijkt resp. mogelijk gemaakt. Werking Het EDS werkt automatisch, d.w.z. zonder activering door de bestuurder. Het systeem controleert met behulp van de ABS-sensoren de toerentallen van de aangedreven wielen. Als op een gladde ondergrond slechts één aangedreven wiel doordraait, treedt er een verschil in toerental tussen de aangedreven wielen op. Het EDS remt het doordraaiende wiel af en het differentieel brengt een groter deel van de aandrijfkracht over op het andere aangedreven wiel. Deze regeling gaat gepaard met geluid. Bij het accelereren op een glad wegdek, bijvoorbeeld bij ijzel en sneeuw, voorzichtig gas geven. De aangedreven wielen kunnen ondanks het EDS doordraaien en daardoor de rijstabiliteit beïnvloeden - gevaar voor ongevallen! Ook bij wagens met EDS moet u uw rijstijl steeds aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie aanpassen. Het hogere veiligheidspotentieel mag geen aanleiding zijn tot het nemen van veiligheidsrisico's - gevaar voor ongevallen! Als het ABS- of ESP-controlelampje gaat branden, kan er ook sprake zijn van een storing in het EDS. Zo snel mogelijk een specialist opzoeken. Veranderingen aan de wagen (bijvoorbeeld aan de motor, aan de remmen, aan het onderstel of een andere band-velgcombinatie) kunnen de werking van het EDS beïnvloeden bladzijde 205, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Aandrijfslipregeling (ASR) De aandrijfslipregeling voorkomt het doordraaien van de aangedreven wielen bij het accelereren. Oververhitting van de remmen Om te voorkomen dat het afgeremde wiel niet te heet wordt, schakelt het EDS bij een buitengewoon zware belasting automatisch uit. Er kan normaal met de wagen worden gereden en deze heeft dezelfde eigenschappen als een wagen zonder EDS. Zodra de rem afgekoeld is, schakelt het EDS automatisch weer in. XDS-functie (alleen voor Octavia RS) De XDS-functie is een uitbreiding op het elektronische sperdifferentieel. De XDSfunctie reageert niet op aandrijfslip, maar op de ontlasting van het voorwiel in de binnenbocht bij snel rijden door bochten. Door een actieve remingreep op de rem van het wiel in de binnenbocht wordt doordraaien voorkomen. Daarmee wordt de tractie verbeterd en volgt de wagen langer het gewenste spoor. Afb. 152 ASR-schakelaar Algemeen Door de ASR wordt bij slecht wegdek het wegrijden vanuit stilstand, het accelereren en het bergop rijden aanzienlijk vergemakkelijkt resp. mogelijk gemaakt.

166 Intelligente techniek 165 Werking De ASR wordt bij het starten van de motor automatisch ingeschakeld en voert daarbij een zelftest uit. Het systeem controleert de toerentallen van de aangedreven wielen met behulp van de ABS-sensoren. Als de wielen doordraaien, wordt door de automatische reductie van het motortoerental de aandrijfkracht aangepast aan de staat van het wegdek. Het systeem werkt bij alle snelheden. De ASR werkt in combinatie met het ABS bladzijde 166, Antiblokkeersysteem (ABS). Bij een storing van het ABS valt ook de ASR uit. Bij een storing van de ASR brandt in het instrumentenpaneel het ASR-controlelampje bladzijde 31. Tijdens een ingreep van het systeem knippert het ASR-controlelampje in het instrumentenpaneel bladzijde 31. Uitschakelen Het ASR-systeem kan zo nodig worden uitgeschakeld door op toets bladzijde 164, afb. 152 te drukken resp. bij wagens met ESP door op toets bladzijde 163, afb. 151 te drukken. Bij uitgeschakelde ASR brandt in het instrumentenpaneel het controlelampje. De ASR moet normaliter altijd zijn ingeschakeld. Alleen in bepaalde uitzonderingssituaties, als slip wel gewenst is, kan het zinvol zijn het systeem uit te schakelen. Voorbeelden: bij het rijden met sneeuwkettingen bij het rijden in verse sneeuw of op een losse ondergrond bij het losschommelen van de vastgereden wagen. Vervolgens moet de ASR weer worden ingeschakeld. De rijstijl moet altijd worden aangepast aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie. Het hogere veiligheidspotentieel mag geen aanleiding zijn tot het nemen van veiligheidsrisico's - gevaar voor ongevallen! Om een storingvrije werking van de ASR te garanderen, moeten bij alle vier de wielen dezelfde banden zijn gemonteerd. Onderlinge verschillen in de afrolomtrek van de band kunnen leiden tot een niet-gewenste vermindering van het motorvermogen. Veranderingen aan de wagen (bijvoorbeeld aan de motor, aan de remmen, aan het onderstel of een andere band-velgcombinatie) kunnen de werking van de ASR beïnvloeden bladzijde 205, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Actieve stuurondersteuning (DSR) Deze functie ondersteunt de bestuurder in kritieke situaties bij het tegensturen om de wagen te stabiliseren. De actieve stuurondersteuning wordt bijvoorbeeld geactiveerd bij hard remmen op verschillende soorten wegdek aan de rechter- en linkerzijde van de wagen. De wagen stuurt ook met deze functie niet zelf! De bestuurder blijft steeds verantwoordelijk voor het besturen van de wagen! Remmen Wat beïnvloedt de werking van de remmen in negatieve zin? Slijtage De slijtage van de remblokken is sterk afhankelijk van de gebruiksomstandigheden en de rijstijl. Als vaak in de stad wordt gereden, veel korte ritten worden gemaakt of een zeer sportieve rijstijl wordt aangehouden, moet de remblokdikte ook tussen de Grote Onderhoud Services door worden gecontroleerd door een specialist. Vocht of strooizout In bepaalde situaties, bijvoorbeeld na het rijden door een diepe plas, bij hevige regenval of na het wassen van de wagen kunnen de remmen later aangrijpen door vocht of in de winter door ijsvorming op de remschijven en de remblokken. De remmen moeten dan ook zo snel mogelijk worden drooggeremd door enkele keren te remmen. Ook bij ritten op met zout gestrooide wegen kan de volledige remwerking vertraagd inzetten, als langere tijd niet werd geremd. De zoutlaag op de remschijven en remblokken moet bij het remmen eerst worden afgesleten. Corrosie Corrosie op de remschijven en vervuiling van de remblokken worden bevorderd door langdurig stilstaan en matig gebruik van de remmen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

167 166 Intelligente techniek Bij geringe belasting van het remsysteem en de aanwezigheid van corrosie wordt geadviseerd om door meerdere malen krachtig te remmen bij hoge snelheid de remschijven te reinigen. Storing in het remsysteem Als u merkt dat de remweg plotseling langer is en het rempedaal een langere slag maakt, is het mogelijk dat een remcircuit van het tweecircuitsremsysteem is uitgevallen. Rijd in dit geval direct naar de dichtstbijzijnde specialist om de storing te laten verhelpen. Onderweg hierheen met een lagere snelheid rijden en stel u erop in dat voor het remmen een hogere pedaaldruk nodig is. Laag remvloeistofpeil Bij een te laag remvloeistofpeil kunnen er storingen in het remsysteem optreden. Het remvloeistofpeil wordt elektronisch bewaakt bladzijde 33, Remsysteem. Rem de remschijven alleen schoon en droog als de verkeerssituatie dit toelaat. Andere verkeersdeelnemers mogen niet in gevaar worden gebracht. Bij het naderhand monteren van een frontspoiler, wieldoppen, enz. moet worden veiliggesteld dat de luchttoevoer naar de voorremmen niet wordt beïnvloed, omdat het remsysteem anders te heet kan worden. Houd er rekening mee dat nieuwe remblokken tot circa 200 km nog niet hun volledige remwerking hebben bereikt Nieuwe remblokken moeten eerst inremmen, voordat ze de optimale wrijvingskracht bieden. De iets lagere remkracht kunt u echter compenseren door het rempedaal steviger in te drukken. Deze aanwijzing heeft ook betrekking op remblokken die eventueel later worden vervangen. Voorzichtig! Nooit de remmen laten aanlopen door de voet op het rempedaal te houden als u niet hoeft te remmen. Dit leidt tot oververhitting van de remmen en daardoor tot een langere remweg en een hogere slijtage. Voordat u langdurig bergafwaarts gaat rijden, de snelheid verminderen, een versnelling terugschakelen (schakelbak) resp. een lagere rijstand selecteren (automatische versnellingsbak). Hierdoor wordt de remwerking van de motor benut en worden de remmen ontlast. Als u daarnaast toch nog moet remmen, de voet niet continu op het rempedaal houden, maar met intervallen remmen. Bij een noodremming vanaf snelheden van meer dan 60 km/h resp. bij een ABSingreep die langer dan 1,5 seconde duurt, gaat het remlicht automatisch knipperen. Nadat de snelheid tot onder 10 km/h is gedaald of de wagen tot stilstand is gebracht, stopt het knipperen van het remlicht en worden de alarmlichten ingeschakeld. Als de wagen weer accelereert of wegrijdt, worden de alarmlichten automatisch uitgeschakeld. Rembekrachtiger De rembekrachtiger verhoogt de druk die op het rempedaal wordt uitgeoefend. De benodigde druk wordt alleen geleverd bij draaiende motor. De motor nooit afzetten voordat de wagen stilstaat. De rembekrachtiger werkt alleen als de motor draait. Wanneer de motor is afgezet, heeft u meer kracht nodig om te remmen. Omdat de wagen in een dergelijke situatie bij het remmen anders reageert dan normaal, kan dit tot een ongeval en ernstige verwondingen leiden. Bij het stoppen of remmen met een wagen met benzinemotor en schakelbak bij lage toerentallen het koppelingspedaal intrappen. Als dit wordt nagelaten, kan dit een negatieve invloed op de rembekrachtiger hebben. U zult het rempedaal met meer kracht moeten intrappen dan u gewend bent - gevaar voor ongevallen! Antiblokkeersysteem (ABS) Het ABS voorkomt het blokkeren van de wielen bij het remmen. Algemeen Het ABS levert een belangrijke bijdrage aan de actieve rijveiligheid. Ten opzichte van wagens zonder ABS blijft de wagen bestuurbaar bij sterk afremmen op een gladde weg, omdat de wielen niet blokkeren. U mag er echter niet van uitgaan, dat door het ABS onder alle omstandigheden de remweg korter wordt. De remweg kan bijvoorbeeld op grind of verse sneeuw, ook als u voorzichtig en langzaam rijdt, iets langer worden.

168 Intelligente techniek 167 Werking Als één wiel een ten opzichte van de rijsnelheid een te lage rotatiesnelheid bereikt en neigt te blokkeren, wordt de remdruk voor dit wiel verlaagd. Dit regelproces is duidelijk merkbaar aan de pulserende beweging van het rempedaal in combinatie met geluid. Hierdoor wordt u als bestuurder erop geattendeerd, dat de wielen neigen te blokkeren (ABS-regelgebied). Om een optimale regeling van het ABS in dit rembereik te waarborgen, moet het rempedaal ingetrapt blijven. In geen geval pompend remmen! Bij het bereiken van een snelheid van circa 20 km/h wordt een automatische controle uitgevoerd, waarbij circa 1 seconde een pompgeluid hoorbaar kan zijn. Ook het ABS kan de natuurkundige wetten niet overwinnen. Houd hier rekening mee, vooral op een glad of nat wegdek. Als het ABS in het regelgebied komt, moet de snelheid direct worden aangepast aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie. Het hogere veiligheidspotentieel door het ABS mag geen aanleiding zijn tot het nemen van veiligheidsrisico's - gevaar voor ongevallen! In geval van een storing van het ABS blijft alleen het normale remsysteem functioneren. Direct een specialist opzoeken en uw rijstijl overeenkomstig de beschadiging van het ABS aanpassen, omdat u niet op de hoogte bent van de exacte omvang van de schade en de beperking van de remwerking. Als een storing in het ABS optreedt, wordt dit door een controlelampje aangegeven bladzijde 32. Veranderingen aan de wagen (bijvoorbeeld aan de motor, aan de remmen, aan het onderstel of een andere band-velgcombinatie) kunnen de werking van het ABS beïnvloeden bladzijde 205, Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen. Remassistent De remassistent vergroot de remkracht bij sterk afremmen (bijvoorbeeld in gevaarlijke situaties) en maakt een snelle opbouw van de benodigde druk in het remsysteem mogelijk. De meeste bestuurders zullen in een gevaarlijke situatie op tijd remmen, maar drukken het rempedaal niet krachtig genoeg in. Hierdoor kan de maximale remvertraging niet worden bereikt, waardoor de wagen nog een extra afstand aflegt. De remassistent wordt geactiveerd door het zeer snel indrukken van het rempedaal. Hierdoor ontstaat een veel hogere remdruk dan bij normaal remmen. Daardoor kan ook bij een naar verhouding geringe weerstand van het rempedaal binnen de kortste tijd voldoende druk in het remsysteem worden opgebouwd, die nodig is om de wagen maximaal af te remmen. Om de kortst mogelijke remweg te bereiken, moet het rempedaal verder krachtig worden ingedrukt. De remassistent helpt u in noodsituaties, doordat de drukopbouw in het remsysteem sneller wordt uitgevoerd. Dit systeem benut alle voordelen van het ABS. Na het loslaten van het rempedaal wordt de werking van de remassistent automatisch uitgeschakeld en werkt het remsysteem weer op de gebruikelijke wijze. De remassistent is onderdeel van het ESP. Bij een storing van het ESP valt ook de remassistent uit. Meer informatie over het ESP bladzijde 163. Ook de remassistent kan, wat betreft de remweg, de natuurkundige wetten niet overwinnen. De rijstijl aanpassen aan de staat van het wegdek en de verkeerssituatie. Het hogere veiligheidspotentieel dat de remassistent biedt, mag geen aanleiding zijn tot het nemen van grotere veiligheidsrisico's. Bergwegrijhulp De bergwegrijhulp vergemakkelijkt het wegrijden op hellingen. Het systeem vergemakkelijkt het wegrijden, doordat het de door de bediening van het rempedaal gegenereerde remdruk nog circa twee seconden na het loslaten van het rempedaal vasthoudt. De bestuurder kan dus de voet van het rempedaal naar het gaspedaal verplaatsen en op de helling wegrijden, zonder de handrem te hoeven bedienen. De remdruk daalt geleidelijk, hoe meer gas er wordt gegeven. Als de wagen niet binnen twee seconden wegrijdt, begint deze terug te rollen. De bergwegrijhulp is actief vanaf een helling van 5 %, als het bestuurdersportier gesloten is. Dit systeem is alleen actief bij het vooruit of achteruit wegrijden op een helling. Het werkt niet bij het bergaf rijden. Elektromechanische stuurbekrachtiging Door de stuurbekrachtiging is voor het sturen minder kracht nodig. Bij de elektromechanische stuurbekrachtiging wordt de mate van bekrachtiging automatisch aangepast aan de rijsnelheid en de stuurinslag. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

169 168 Intelligente techniek Bij het uitvallen van de stuurbekrachtiging of als de motor niet draait (afslepen), blijft de wagen volledig bestuurbaar. Voor het sturen moet echter meer kracht worden uitgeoefend. Bij een storing van de stuurbekrachtiging gaat het controlelampje resp. in het instrumentenpaneel bladzijde 29 branden. Als de stuurbekrachtiging defect is, neem dan contact op met een specialist. Bandenspanningscontrole Basisinstelling van het systeem Na een verandering van de bandenspanningen, na het vervangen van een of meerdere wielen, een positieverandering van een wiel op de wagen (bijvoorbeeld omwisselen van de wielen tussen de assen) of als het controlelampje tijdens het rijden gaat branden, moet als volgt een basisinstelling van het systeem worden uitgevoerd. Alle banden oppompen tot de voorgeschreven spanning bladzijde 200. Het contact inschakelen. Toets afb. 153 langer dan 2 seconden indrukken. Tijdens het indrukken van de toets brandt het controlelampje. Tegelijkertijd wordt het geheugen van het systeem gewist en wordt de nieuwe kalibratie gestart, wat wordt bevestigd met een akoestisch signaal en daaropvolgend het doven van het controlelampje. Als het controlelampje na de basisinstelling niet dooft, is er een storing in het systeem aanwezig. Ga naar de dichtstbijzijnde specialist. Controlelampje brandt Als de bandenspanning van ten minste een wiel aanzienlijk lager is dan de opgeslagen basiswaarde, brandt het controlelampje. Afb. 153 Toets voor het instellen van de bandenspanningswaarde De bandenspanningscontrole vergelijkt met behulp van de ABS-sensoren het toerental en daarmee de afrolomtrek van de afzonderlijke wielen. Bij een verandering van de afrolomtrek van een wiel gaat het controlelampje in het instrumentenpaneel bladzijde 32 branden en klinkt er een akoestisch signaal. De afrolomtrek van een band kan veranderen, als: de bandenspanning te laag is, de structuur van de band beschadigd is, de wagen eenzijdig beladen is, de wielen van één as zwaarder zijn belast (bijvoorbeeld bij het rijden met een aanhangwagen of bij bergop of bergaf rijden), sneeuwkettingen zijn gemonteerd, het noodwiel is gemonteerd, een wiel per as is vervangen. Controlelampje knippert Als het controlelampje knippert, is er sprake van een systeemstoring. Ga naar de dichtstbijzijnde specialist. Als het controlelampje gaat branden, moet direct de snelheid worden verlaagd en heftige stuur- en remmanoeuvres worden vermeden. Bij de eerstvolgende gelegenheid direct stoppen en de banden en bandenspanningen controleren. De bestuurder is verantwoordelijk voor de juiste bandenspanning. Daarom moet de bandenspanning regelmatig worden gecontroleerd. Onder bepaalde omstandigheden (bijvoorbeeld bij een sportieve rijstijl en op gladde of onverharde wegen) kan het controlelampje vertraagd of helemaal niet gaan branden. De bestuurder blijft ondanks de bandenspanningscontrole echter te allen tijde zelf verantwoordelijk voor de bandenspanning. De bandenspanningscontrole:

170 Intelligente techniek 169 vervangt de regelmatige bandenspanningscontrole niet, omdat het systeem een gelijkmatig drukverlies niet kan herkennen, kan bij een zeer snel teruglopende bandenspanning niet waarschuwen, bijvoorbeeld bij een klapband. In zo'n geval proberen de wagen voorzichtig zonder heftige stuurbewegingen en zonder al te sterk afremmen tot stilstand brengen. Om een correcte werking van het bandenspanningscontrolesysteem te waarborgen, moet elke km of 1x per jaar de basisafstelling opnieuw worden uitgevoerd. Dieselpartikelfilter (dieselmotor) In het roetfilter worden de roetdeeltjes die ontstaan bij de verbranding van dieselbrandstof verzameld en verbrand. Het roetfilter bereikt zeer hoge temperaturen. Daarom niet parkeren op plaatsen waar het zeer hete filter rechtstreeks met droog gras of ander brandbaar materiaal in contact kan komen - brandgevaar! Nooit een bodembeschermlaag of corrosiewerend middel op uitlaten, katalysatoren, roetfilters of hitteschilden aanbrengen. Als de motor zijn bedrijfstemperatuur heeft bereikt, kunnen deze middelen vlam kunnen vatten - brandgevaar. Door het gebruik van dieselbrandstof met een hoog zwavelgehalte kan de levensduur van het roetfilter aanzienlijk worden bekort. Een specialist kan u vertellen in welke landen dieselbrandstof met een hoog zwavelgehalte wordt gebruikt. Afb. 154 Sticker met wagengegevens Of uw wagen met een roetfilter is uitgerust, herkent u aan de code 7GG, 7MB of 7MG op de sticker met wagengegevens, zie afb De sticker met wagengegevens bevindt zich op de bodem van de bagageruimte en is ook in het Serviceplan geplakt. Het roetfilter filtert de roetdeeltjes bijna volledig uit het uitlaatgas. Het roet verzamelt zich in het roetfilter en wordt hier regelmatig verbrand Om dit proces te ondersteunen, adviseren wij u om continu stadsverkeer te vermijden. Een verzadigd roetfilter of een onjuiste werking wordt door het controlelampje aangegeven. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

171 170 Rijden en milieu Rijden en milieu De eerste kilometer - en daarna Nieuwe motor Gedurende de eerste kilometer moet de motor worden ingereden. Tot kilometer In elke versnelling niet sneller dan met 3/4 van de topsnelheid voor de betreffende versnelling rijden, dus tot hooguit 3/4 van het maximum toelaatbare motortoerental. Geen volgas geven. Hoge motortoerentallen vermijden. Niet met een aanhangwagen rijden. Van tot kilometer In elke versnelling mogen de rijprestaties geleidelijk worden opgevoerd tot de topsnelheid voor de betreffende versnelling, dus tot het maximum toelaatbare motortoerental. Tijdens de eerste bedrijfsuren heeft de motor een hogere inwendige wrijving dan later, wanneer alle bewegende delen op elkaar zijn aangepast. De rijstijl gedurende de eerste kilometer is bepalend voor het resultaat van dit inloopproces. Ook na de inrijperiode moet nooit met onnodig hoge motortoerentallen worden gereden. Het maximum toelaatbare motortoerental wordt aangegeven door het begin van het rode gebied op de schaal van de toerenteller. Bij wagens met schakelbak moet uiterlijk bij het bereiken van het rode bereik naar de volgende versnelling worden opgeschakeld. Buitengewoon hoge motortoerentallen bij het accelereren (gas geven) worden automatisch begrensd, maar de motor is niet tegen te hoge toerentallen beveiligd die het gevolg zijn van verkeerd terugschakelen, waardoor het motortoerental plotseling boven het toegestane maximumtoerental kan komen en de motor kan worden beschadigd. Voor wagens met schakelbak geldt echter ook: rijd niet met een te laag toerental. Terugschakelen als de motor niet meer regelmatig draait. Voorzichtig! Alle snelheids- en toerentalvermeldingen gelden alleen als de motor op bedrijfstemperatuur is. Een koude motor nooit met hoge toerentallen laten draaien - niet als de wagen stilstaat en ook niet bij het rijden in de verschillende versnellingen. Milieu Niet met onnodig hoge motortoerentallen rijden - vroeg opschakelen bespaart brandstof, vermindert het motorgeluid en spaart het milieu. Nieuwe banden Nieuwe banden moeten worden ingereden, want in het begin hebben ze nog geen optimale grip. Hier moet u gedurende de eerste 500 km alert op zijn en dus bijzonder voorzichtig rijden. Nieuwe remblokken Houd er rekening mee dat nieuwe remblokken tot circa 200 km nog niet hun volledige remwerking hebben bereikt Nieuwe remblokken moeten eerst inremmen, voordat ze de optimale wrijvingskracht bieden. De iets lagere remkracht kunt u echter compenseren door het rempedaal steviger in te drukken. Deze aanwijzing heeft ook betrekking op remblokken die eventueel later worden vervangen. Tijdens de inrijperiode moet extreme belasting van de remmen worden vermeden. Hieronder valt bijvoorbeeld hard remmen, met name vanuit zeer hoge snelheden, evenals rijden door een dal. Katalysator Een correcte werking van het uitlaatgasreinigingssysteem (katalysator) is van doorslaggevend belang voor het op milieubewuste wijze gebruik maken van de wagen. De volgende aanwijzingen in acht nemen:

172 Rijden en milieu 171 Bij wagens met benzinemotor alleen loodvrije benzine tanken bladzijde 185, Loodvrije benzine. De tank nooit volledig leegrijden. Tijdens het rijden niet het contact uitschakelen. Niet te veel motorolie toevoegen bladzijde 192, Motorolie bijvullen. Als de wagen in een land wordt gebruikt waar geen loodvrije benzine verkrijgbaar is, moet u later bij gebruik in een land waar katalysatoren verplicht zijn de katalysator laten vervangen. Vanwege de hoge temperaturen die bij de katalysator kunnen optreden, moet de wagen zodanig worden geparkeerd dat de katalysator niet met licht ontvlambaar materiaal onder de wagen in aanraking komt - brandgevaar! Nooit een bodembeschermlaag of corrosiewerend middel op uitlaten, katalysatoren of hitteschilden aanbrengen. Tijdens het rijden zouden deze middelen vlam kunnen vatten - brandgevaar! Voorzichtig! Bij wagens met katalysator nooit de brandstoftank helemaal leegrijden. De onregelmatige brandstofvoorziening kan tot overslaan van de ontsteking leiden. Onverbrande brandstof kan in het uitlaatsysteem komen en de katalysator beschadigen. Slechts één keer tanken van loodhoudende benzine leidt al tot ernstige beschadiging van de katalysator. Indien u tijdens het rijden overslaan van de ontsteking, vermogensverlies of niet mooi rond draaien van de motor constateert, de snelheid direct verlagen en de wagen door de dichtstbijzijnde specialist laten controleren. De beschreven symptomen kunnen worden veroorzaakt door een storing van het ontstekingssysteem. Onverbrande brandstof kan in het uitlaatsysteem komen en de katalysator beschadigen. Milieu Ook bij een goed werkend uitlaatsysteem kan bij bepaalde bedrijfstoestanden van de motor een zwavelachtige uitlaatgaslucht ontstaan. Dit hangt af van het zwavelgehalte van de brandstof. Vaak is het voldoende om loodvrije benzine van een andere maatschappij of bij een ander tankstation te tanken. Economisch en milieubewust rijden Algemeen De persoonlijke rijstijl is een belangrijke factor. Het brandstofverbruik, de belasting van het milieu en de slijtage van motor, remmen en banden hangen voornamelijk van drie factoren af: persoonlijke rijstijl, gebruiksomstandigheden, technische voorzieningen. Door een anticiperende en zuinige rijstijl kan het brandstofverbruik gemakkelijk met procent worden gereduceerd. Dit hoofdstuk kan u met enkele tips helpen om het milieu en tegelijkertijd uw portemonnee minder te belasten. Vanzelfsprekend wordt het brandstofverbruik ook beïnvloed door elementen waarop de bestuurder geen invloed heeft. Het is bijvoorbeeld normaal dat het verbruik toeneemt in de winter of onder zware omstandigheden, bij een slechte staat van het wegdek, het rijden met een aanhangwagen, enzovoorts. De wagen beschikt af fabriek over de technische voorzieningen voor een zuinig en economisch gebruik. Bijzondere nadruk is gelegd op een zo gering mogelijke belasting van het milieu. Om te zorgen dat deze eigenschappen ook zo goed mogelijk worden benut en in de praktijk worden gebracht, moeten de volgende aanwijzingen in dit hoofdstuk in acht worden genomen. Bij het accelereren moet het optimale motortoerental worden aangehouden om een hoog brandstofverbruik en resonantieverschijnselen van de wagen te vermijden. Anticiperend rijden Bij het accelereren verbruikt een wagen de meeste brandstof. Onnodig accelereren en remmen vermijden. Als u anticiperend rijdt, hoeft u minder te remmen en dientengevolge ook minder te accelereren. De wagen laten uitrollen wanneer dit mogelijk is, bijvoorbeeld wanneer u ziet dat het volgende verkeerslicht op rood staat. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

173 172 Rijden en milieu Energiebesparend schakelen Vroeg opschakelen bespaart brandstof. Volgas vermijden Langzamer rijden om brandstof te sparen. Afb. 155 Brandstofverbruik in l/100 km en snelheid in km/h Afb. 156 Brandstofverbruik in l/100 km en snelheid in km/h Schakelbak Niet meer dan ongeveer een wagenlengte in de eerste versnelling rijden. Naar de eerstvolgende hogere versnelling opschakelen bij een toerental van circa tot 2.500/min. Een effectieve manier om brandstof te besparen is vroeg opschakelen. Wie te ver in de versnellingen doortrekt, verbruikt onnodig brandstof. Automatische versnellingsbak Het gaspedaal langzaam intrappen. Het gaspedaal echter niet tot de kickdownstand intrappen. Als het gaspedaal bij de automatische versnellingsbak slechts langzaam wordt ingetrapt, wordt automatisch een economisch programma geselecteerd. Door vroeg op en terug te schakelen wordt het brandstofverbruik laag gehouden. Algemeen afb. 155 toont de relatie tussen brandstofverbruik en de rijsnelheid in de diverse versnellingen. Het verbruik is het hoogst in de 1e versnelling en het laagst in de 5e resp. 6e versnelling. Houd eveneens rekening met de informatie op de multifunctie-indicatie bladzijde 18. Door met beleid gas te geven wordt niet alleen het brandstofverbruik aanzienlijk verminderd, maar worden ook de belasting van het milieu en de slijtage van uw wagen positief beïnvloed. Indien mogelijk nooit uw wagen op topsnelheid rijden. Brandstofverbruik, uitstoot van schadelijke stoffen en rijgeluid nemen bij hoge snelheden onevenredig sterk toe. afb. 156 toont de relatie tussen brandstofverbruik en de snelheid. Als u de rijsnelheid van uw wagen beperkt tot driekwart van de mogelijke topsnelheid, daalt het brandstofverbruik met de helft. Stationair draaien verminderen Ook stationair draaien van de motor kost brandstof. In files, bij overwegbomen en verkeerslichten met een lange roodfase is het zinvol om de motor af te zetten. Al na seconden is de brandstofbesparing met afgezette motor groter dan de hoeveelheid brandstof die nodig is om de motor opnieuw te starten. Bij stationair toerental duurt het zeer lang voordat de motor op bedrijfstemperatuur is. Tijdens de warmdraaifase zijn de slijtage en de uitstoot van schadelijke stoffen ook nog eens bijzonder hoog. Daarom direct na het starten van de motor wegrijden. Hierbij echter hoge toerentallen vermijden.

174 Rijden en milieu 173 Regelmatig onderhoud Een slecht afgestelde motor verbruikt onnodig veel brandstof. Door regelmatig onderhoud bij een specialist kan al voor het rijden aan een voorwaarde voor zuinig rijden worden voldaan. De onderhoudstoestand van uw wagen heeft niet alleen invloed op de verkeersveiligheid en waardevastheid, maar ook op het brandstofverbruik. Bij een slecht afgestelde motor kan het brandstofverbruik tot wel 10 % hoger zijn dan normaal! De reguliere onderhoudswerkzaamheden moeten exact volgens het Serviceplan worden uitgevoerd door een specialist. Ook het oliepeil controleren na het tanken. Het olieverbruik is in hoge mate afhankelijk van de belasting en het toerental van de motor. Afhankelijk van de rijstijl kan het olieverbruik maximaal 0,5 l/1.000 km bedragen. Het is normaal dat het olieverbruik van een nieuwe motor pas na een bepaalde tijd zijn laagste waarde bereikt. Het olieverbruik van een nieuwe wagen kan daarom pas na ongeveer km goed worden beoordeeld. Milieu Door de toepassing van synthetische oliesoorten met lage viscositeit kan een nog lager verbruik worden bereikt. Om lekkages tijdig te herkennen, de grond onder de wagen regelmatig controleren. Als daar vlekken van olie of andere bedrijfsvloeistoffen zichtbaar zijn, de wagen door een specialist laten controleren. Minder korte afstanden rijden Korte afstanden kosten naar verhouding veel brandstof. Bij een koude motor afstanden van minder dan 4 km vermijden. De motor en de katalysator moeten hun optimale bedrijfstemperatuur hebben bereikt voor een effectieve reductie van het verbruik en de uitstoot van schadelijke stoffen. Het brandstofverbruik van een koude motor bedraagt direct het starten circa l/100 km. Na ongeveer een kilometer daalt het verbruik naar circa 10 l/100 km. Pas na ongeveer 4 tot 10 kilometer is de motor op bedrijfstemperatuur (afhankelijk van buitentemperatuur en motortype) en heeft het verbruik zich genormaliseerd. Korte afstanden moeten daarom indien mogelijk worden vermeden. Belangrijk hierbij is ook de omgevingstemperatuur. afb. 157 toont het verschil in brandstofverbruik voor dezelfde afstand, eenmaal bij +20 C en eenmaal bij -10 C. Uw wagen heeft in de winter een hoger brandstofverbruik dan in de zomer. Bandenspanning controleren De juiste bandenspanning bespaart brandstof. Altijd op de juiste bandenspanning letten. Door een te lage bandenspanning neemt de rolweerstand toe. Daardoor stijgt niet alleen het brandstofverbruik, ook de bandenslijtage neemt toe en het rijgedrag van de wagen verslechtert. De bandenspanning altijd controleren als de banden koud zijn. Winterbanden niet het hele jaar door gebruiken, want dat kost tot wel 10 % meer brandstof. Bovendien produceren ze meer afrolgeluid. Geen onnodige ballast Het vervoer van ballast kost brandstof. Omdat elke kilogram extra gewicht het brandstofverbruik verhoogt, is het zinvol een kijkje in de bagageruimte te nemen en onnodige ballast te verwijderen. Met name in stadsverkeer, waar vaak moet worden geaccelereerd, beïnvloedt het gewicht van de wagen het brandstofverbruik aanzienlijk. Als vuistregel geldt dat per 100 kg extra gewicht het verbruik met circa 1 l/100 km toeneemt. Vaak blijft ook een dakdragersysteem gemakshalve gemonteerd, zelfs als dit niet meer nodig is. Door de hogere luchtweerstand verbruikt de wagen met een onbeladen dakdragersysteem bij een snelheid van km/h circa 10 % meer brandstof dan normaal. Afb. 157 Brandstofverbruik in l/100 km bij verschillende temperaturen Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

175 174 Rijden en milieu Stroom besparen Het opwekken van stroom kost brandstof. Elektrische verbruikers die niet meer nodig zijn, altijd uitschakelen. Met behulp van de dynamo wordt bij draaiende motor stroom opgewekt en aan het boordnet geleverd. Hoe meer elektrische verbruikers in het boordnet ingeschakeld zijn, hoe meer brandstof er nodig is voor het aandrijven van de dynamo. Schriftelijke controle van het brandstofverbruik Wie zijn brandstofverbruik wil controleren, doet er goed aan een rittenboek bij te houden. Het extra werk is relatief gering, maar beslist de moeite waard. U kunt veranderingen (positief en negatief) vroegtijdig vaststellen en, indien noodzakelijk, iets daartegen ondernemen. Als u een te hoog verbruik constateert, dient u te bepalen hoe, waar en onder welke omstandigheden u met de laatste tankvulling hebt gereden. Milieuvriendelijkheid Bij de constructie, materiaalkeuze en productie van uw nieuwe Škoda speelt milieubescherming een doorslaggevende rol. Hierbij krijgen onder andere de volgende punten bijzondere aandacht: Constructieve maatregelen Demontagevriendelijke uitvoering van de verbindingen. Eenvoudige demontage door modulaire constructie. Verbeterde homogeniteit van de materialen. Codering van alle kunststof delen volgens VDA-aanbeveling 260. Verlaging van brandstofverbruik en CO 2 -uitstoot. Minimalisering van brandstoflekkage bij een ongeval. Vermindering van het verbruik. Materiaalkeuze Zeer verregaand gebruik van recycleerbare materialen. Airconditioning met CFK-vrij koelmedium. Geen cadmium. Geen asbest. Vermindering van het uitdampen van kunststoffen. Productie Oplosmiddelvrije conservering van de holle ruimtes. Oplosmiddelvrije conservering bij het vervoer van de fabrikant naar de klant. Gebruik van oplosmiddelvrije lijmsoorten. Geen gebruik van CFK bij de productie. Geen gebruik van kwik. Gebruik van watergedragen lakken. Terugname en recycling van autowrakken Škoda Auto voldoet aan de eisen voor het merk en zijn producten op het gebied van bescherming van milieu en hulpbronnen. Alle nieuwe Škoda-wagens zijn voor 95 % recycleerbaar en kunnen altijd 17) worden teruggegeven. In veel landen staat een netwerk van verzamelpunten en demontagebedrijven ter beschikking om uw wagen terug te nemen. Na de teruggave ontvangt u een bevestiging die een milieuverantwoorde recycling van de afgedankte wagen waarborgt. voor wagens met bijzondere aanbouw- en opbouwdelen Technische documentatie over uitgevoerde wijzigingen dient te worden bewaard door de eigenaar van de wagen om deze later te kunnen overhandigen aan het demontagebedrijf. Op deze manier wordt een milieuverantwoorde recycling gewaarborgd. Meer informatie over terugname en recycling van afgedankte wagens krijgt u bij een geautoriseerde Škoda Servicepartner. Rijden in het buitenland Algemeen In het buitenland kunnen de omstandigheden afwijkend zijn. In sommige landen is het ook mogelijk dat het Škoda Servicepartnernetwerk slechts beperkt of niet aanwezig is. In een dergelijke situatie kan het verkrijgen van bepaalde onderdelen gecompliceerd zijn en kan het personeel van de betreffende specialist reparatiewerkzaamheden slechts tot op zekere hoogte uitvoeren. Škoda 17) Onder voorbehoud dat aan de nationale wettelijke bepalingen wordt voldaan.

176 Rijden en milieu 175 Auto in de Tsjechische Republiek en de betreffende importeurs verschaffen u graag informatie over de technische voorbereidingen voor uw wagen, over de noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden en over de reparatiemogelijkheden. Rijden over ondergelopen wegen Loodvrije benzine Bij wagens met benzinemotor mag alleen loodvrije benzine worden getankt bladzijde 170. Informatie over het tankstationnetwerk voor loodvrije benzine wordt bijvoorbeeld aangeboden door automobielclubs. Koplampen Het dimlicht van de koplampen is asymmetrisch afgesteld. Dit zorgt voor een betere verlichting van de weghelft waarop u rijdt. Wanneer u in het buitenland aan de andere kant van de weg rijdt, wordt het tegemoetkomende verkeer verblind. Om verblinding van het tegemoetkomende verkeer te voorkomen, moet een aanpassing aan de koplampen worden uitgevoerd door een specialist. De aanpassing van xenonkoplampen (geldt voor wagens die voor het rijden bij rechtsrijdend én linksrijdend verkeer geconstrueerd zijn) vindt plaats in het menu Settings (Instellingen), Lights & Vision (Licht & zicht), Travel mode (Reismodus) in het hoofdmenu van het informatiedisplay bladzijde 22. Schade aan de wagen voorkomen Op slechte straten en wegen evenals bij het oprijden van stoepranden, steile opritten enz. moet erop worden gelet dat laagliggende delen van de wagen, zoals spoiler en uitlaat, niet de grond raken en daardoor worden beschadigd. Dit geldt in het bijzonder voor wagens met verlaagd onderstel (sportonderstel) en bij volle belading van de wagen. Afb. 158 Door water rijden Om beschadigingen aan de wagen bij het doorkruisen van bijvoorbeeld overstroomde wegen te voorkomen, op het volgende letten: Vóór het rijden door water de diepte van het water vaststellen. Het water mag maximaal tot aan de dorpelrand van de wagen komen afb Maximaal stapvoets rijden. Als sneller wordt gereden kan zich een boeggolf voor de wagen vormen, waardoor water het luchtinlaatsysteem van de motor of andere delen van de wagen kan binnendringen. Nooit in het water blijven stilstaan, nooit achteruitrijden en ook de motor niet afzetten. Het rijden door water, modder, natte sneeuw en dergelijke kan de remwerking verminderen en kan de remweg verlengen - gevaar voor ongevallen! Vermijd onmiddellijk na het rijden door water plotselinge en sterke remmanoeuvres. Na het rijden door water moeten de remmen door interval-remmen zo snel mogelijk gereinigd en gedroogd worden. Rem de remschijven alleen schoon en droog als de verkeerssituatie dit toelaat. Andere verkeersdeelnemers mogen niet in gevaar worden gebracht. Voorzichtig! Bij het rijden door water kunnen onderdelen van de auto zoals de motor, de versnellingsbak, de katalysator, het onderstel of de elektronica zwaar beschadigd worden. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

177 176 Rijden en milieu Tegenliggers zorgen voor golven, die de toelaatbare waterhoogte voor uw wagen kunnen overschrijden. Onder water kunnen gaten, modder of stenen verborgen zitten die het rijden door water kunnen bemoeilijken of verhinderen. Niet door zout water rijden. Het zout kan corrosie veroorzaken. Alle wagendelen die met zout water in contact gekomen zijn onmiddellijk met zoet water afspoelen. Als u door water gereden bent de wagen door een specialist laten nakijken.

178 Rijden met een aanhangwagen 177 Rijden met een aanhangwagen Aanhangwagengebruik Technische voorwaarden Uw wagen is hoofdzakelijk bedoeld voor het transport van personen en bagage. Bij de juiste technische uitrusting kan de wagen ook gebruikt worden voor het trekken van een aanhangwagen. Als uw wagen al af fabriek met een trekhaak uitgerust is of met een trekhaak uit het originele Škoda accessoireprogramma, voldoet deze aan alle technische en wettelijke eisen. De elektrische verbinding tussen trekkende wagen en aanhangwagen geschiedt via een 13-polig aanhangwagenstopcontact. Als de betreffende aanhangwagen over een 7-polige stekker beschikt, kunt u een overeenkomstige adapter uit het originele Škoda accessoireprogramma gebruiken. Het naderhand inbouwen van een trekhaak moet volgens de voorschriften van de trekhaakfabrikant gebeuren. Meer informatie over het naderhand monteren van een trekhaak en eventueel noodzakelijke veranderingen aan het koelsysteem krijgt u bij een geautoriseerde Škoda Servicepartner. Wij adviseren u de trekhaak uit het originele Škoda accessoireprogramma door een geautoriseerde Škoda Servicepartner te laten inbouwen. Alle relevante gegevens over het naderhand inbouwen zijn bij de Servicepartner bekend. Bij ondeskundige montage bestaat gevaar voor ongevallen! en voor het gebruik Aanhangwagengewicht Het toelaatbare aanhangwagengewicht mag in geen geval worden overschreden. Als u het toelaatbare aanhangwagengewicht niet volledig gebruikt, kunt u overeenkomstig steilere hellingen nemen. De vermelde aanhangwagengewichten gelden alleen voor hoogten tot m boven zeeniveau (NAP). Aangezien het motorvermogen bij toenemende hoogte door de afnemende luchtdichtheid daalt en daardoor ook het klimvermogen vermindert, moet het toelaatbare gewicht van de combinatie vanaf de hierboven vermelde hoogte per m hoogtetoename telkens met 10 % worden verminderd. Het treingewicht is het gewicht van de (beladen) wagen en de (beladen) aanhangwagen bij elkaar. Bij het rijden in hooggelegen gebieden moet met het bovengenoemde rekening worden gehouden. De gegevens over het aanhangwagengewicht en de kogeldruk op het typeplaatje van de trekhaak zijn slechts testwaarden. De wagenspecifieke waarden, die vaak onder deze waarden liggen, zijn in de wagenpapieren opgenomen. Verdelen van de lading Belading in de aanhangwagen zo verdelen, dat zware voorwerpen zo dicht mogelijk bij de as liggen. De voorwerpen vastzetten, zodat deze niet kunnen verschuiven. Bandenspanningswaarden De bandenspanning van uw wagen aanpassen voor de volledige belasting bladzijde 200. De bandenspanning van de aanhangwagen kiezen volgens de aanbevelingen van de aanhangerfabrikant. Buitenspiegels Als u het verkeer achter de aanhangwagen niet met de gewone buitenspiegels kunt overzien, moet u extra buitenspiegels laten plaatsen. Beide buitenspiegels moeten aan inklapbare uitstekende delen zijn bevestigd. De buitenspiegels zo instellen, dat u goed zicht naar achteren heeft. Koplampen Voordat u gaat rijden met een aangekoppelde aanhangwagen ook de afstelling van de koplampen controleren. Zo nodig de instelling veranderen met behulp van de lichtbundelhoogteverstelling bladzijde 55. Afneembare kogelkop De kogelkop kan bij auto's met een trekhaak worden verwijderd en is bovendien leverbaar als origineel Škoda accessoire. Hij bevindt zich samen met een afzonderlijke montagehandleiding in de reservewielkuip in de bagageruimte van de wagen. Als u vaak met een aanhangwagen rijdt, adviseren wij een extra controle van uw wagen tussen de onderhoudsbeurten in. Bij het aan- en loskoppelen van de aanhangwagen moet de handrem van de trekkende wagen aangetrokken zijn. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

179 178 Rijden met een aanhangwagen en voor het rijden Indien mogelijk niet met een lege wagen en een beladen aanhangwagen rijden. Niet op de grens van de wettelijke maximumsnelheden rijden. Dit geldt vooral voor het rijden op hellingen. Op tijd remmen. Bij hoge buitentemperaturen op de koelvloeistoftemperatuurmeter letten. De koelvloeistoftemperatuur kan worden verlaagd door de verwarming in te schakelen. Het vergroten van de koelende werking van de koelluchtventilator is niet mogelijk door terugschakelen of door verhogen van het motortoerental - het ventilatortoerental is onafhankelijk van het motortoerental. Ook bij het rijden met een aanhangwagen moet daarom niet worden teruggeschakeld, zolang de motor een helling haalt zonder al te groot snelheidsverlies. Gewichtsverdeling Bij een lege wagen en een beladen aanhangwagen is de gewichtsverdeling zeer ongunstig. Als u toch met deze combinatie moet rijden, rijd dan bijzonder langzaam. Rijsnelheid In verband met de veiligheid niet harder dan 80 km/h rijden. Dat geldt ook voor landen waarin een hogere maximumsnelheid geldt. Omdat bij toenemende snelheid de rijstabiliteit van de wagen met aanhangwagen afneemt, moet onder ongunstige weg-, weers- en windomstandigheden, vooral bij afdalingen, niet de wettelijk toegestane maximumsnelheid worden aangehouden. In elk geval de snelheid direct verlagen, zodra u ook maar de minste slingerbeweging van de aanhangwagen waarneemt. In geen geval proberen de wagen met aanhangwagen weer recht te krijgen door te accelereren. Op tijd remmen! Bij een aanhangwagen met oplooprem eerst zacht, daarna stevig remmen. Zo voorkomt u remstoten door blokkerende wielen van de aanhangwagen. Voor afdalingen tijdig een lagere versnelling kiezen, zodat de motor als rem kan fungeren. Oververhitting van de motor Wanneer bij hoge buitentemperaturen langdurig in een lage versnelling en met een hoog motortoerental bergop moet worden gereden, moet de koelvloeistoftemperatuurmeter goed in de gaten worden gehouden bladzijde 16, Koelvloeistoftemperatuurmeter. Als de naald van de koelvloeistoftemperatuurmeter zich naar rechts resp. naar het rode gedeelte van de meter beweegt, direct snelheid minderen. Als het controlelampje in het instrumentenpaneel gaat knipperen, stoppen en de motor afzetten. Enkele minuten wachten en het koelvloeistofpeil in het expansiereservoir controleren bladzijde 193, Koelvloeistofpeil controleren. Let op de volgende aanwijzingen bladzijde 30, Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil.

180 Verzorging en reiniging van de wagen 179 Raadgevingen voor het gebruik Verzorging en reiniging van de wagen Algemeen Verzorging is het behoud van de wagen. Regelmatig en deskundig onderhoud is belangrijk voor het waardebehoud van de wagen. Bovendien kan dit één van de voorwaarden zijn voor het behoud van garantie-aanspraken bij eventuele corrosie- en lakschade aan de carrosserie. Wij adviseren onderhoudsmiddelen uit het originele Škoda accessoireprogramma te gebruiken, die bij geautoriseerde Škoda Servicepartners verkrijgbaar zijn. De gebruiksvoorschriften op de verpakking in acht nemen. Bij verkeerde toepassing kunnen onderhoudsmiddelen schadelijk zijn voor de gezondheid. Onderhoudsmiddelen moeten dan ook veilig, buiten het bereik van kinderen worden bewaard - kans op vergiftiging! Milieu Bij de aanschaf van onderhoudsmiddelen voor de wagen gaat de voorkeur uit naar milieuvriendelijke producten. Verpakkingen met resten van onderhoudsmiddelen horen niet bij het huisvuil. Verzorging van de wagen, buitenzijde Wagen wassen Vaak wassen beschermt de wagen. De beste bescherming van de wagen tegen schadelijke milieu-invloeden is de wagen vaak te wassen en te conserveren. Hoe vaak uw wagen moet worden gewassen, hangt van veel factoren af zoals: gebruiksfrequentie, parkeergelegenheid (garage, onder bomen enzovoort), jaargetijde, weersomstandigheden, milieu-invloeden. Hoe langer insectenresten, vogelpoep, hars van bomen, straat- en industriestof, teer, roetdeeltjes, wegenzout en andere agressieve afzettingen op de lak blijven zitten, des te schadelijker dit is. Hoge temperaturen, bijvoorbeeld door intensieve zonnestraling, versterken de bijtende werking. Zo kan het onder bepaalde omstandigheden noodzakelijk zijn de wagen wekelijks te wassen. Het is echter ook mogelijk dat maandelijks wassen voldoende is als de wagen van een goede waslaag is voorzien. Aan het einde van een strooiperiode moet ook de onderzijde van de wagen beslist grondig worden afgespoeld. Wassen van de wagen in de winter: Vocht en ijs in het remsysteem kunnen een nadelig effect op de remwerking hebben - kans op ongevallen! Automatische wasinstallaties De lak van de wagen is zo sterk, dat de wagen normaliter zonder problemen in automatische wasinstallaties kan worden gewassen. De feitelijke belasting van de lak is sterk afhankelijk van de constructie van de wasinstallatie en de wasborstels, de filtering van het water en het soort was- resp. onderhoudsmiddel. Als de lak er na het wassen mat uitziet of zelfs krassen vertoont, kunt u de exploitant van de wasinstallatie hier op attenderen. Zo nodig een andere wasinstallatie kiezen. Vóór het wassen van de wagen in een automatische wasstraat hoeven, behalve de gebruikelijke voorzorgsmaatregelen (sluiten van de ruiten en het schuif-kanteldak, verwijderen van de buitenantenne e.d.) geen verdere maatregelen te worden genomen. Als uw wagen is voorzien van speciale aanbouwdelen - bijvoorbeeld spoilers, imperiaal, autotelefoonantenne - kunt u het beste vooraf contact opnemen met de exploitant van de wasinstallatie. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

181 180 Verzorging en reiniging van de wagen Na een wasbeurt in een automatische wasinstallatie met aansluitende conservering moeten de rubbers van de ruitenwisserbladen worden ontvet. Met de hand wassen Bij het wassen met de hand eerst het vuil met voldoende water inweken en zo goed mogelijk afspoelen. Daarna de wagen met een zachte spons, een speciale washandschoen of een wasborstel met lichte druk schoonmaken. Daarbij van boven naar beneden werken - te beginnen met het dak. De lakoppervlakken van de wagen slechts met lichte druk reinigen. Alleen bij hardnekkige vervuiling gebruikmaken van autoshampoo. De spons of de washandschoen vaak uitspoelen. Wielen, dorpels en dergelijke als laatste schoonmaken. Hiervoor een tweede spons gebruiken. De wagen na het wassen grondig afspoelen en drogen met een zeem. De wagen alleen wassen bij uitgeschakeld contact - gevaar voor ongevallen! De handen en armen beschermen tegen delen met scherpe randen, wanneer u bijvoorbeeld de onderkant of de binnenkant van de wielkasten schoonmaakt - gevaar voor verwondingen! Voorzichtig! De wagen niet in de felle zon wassen - gevaar voor lakschade. Als de wagen in de winter met een slang wordt afgespoten, mag de waterstraal niet direct op de slotcilinders of op de naden van de portieren, de motorkap of de achterklep worden gericht - gevaar voor bevriezen. Op het lakoppervlak geen insectensponsjes, ruwe keukensponsjes e.d. gebruiken - gevaar voor beschadiging van de lak. Milieu De wagen alleen wassen op speciaal daarvoor bedoelde wasplaatsen. Daar wordt ervoor gezorgd dat eventueel met olie verontreinigd vuil water niet in de riolering komt. In bepaalde gebieden is het wassen van wagens buiten zulke wasplaatsen zelfs verboden. Wassen met hogedrukreiniger Bij het wassen van de wagen met een hogedrukreiniger moeten beslist de bedieningsaanwijzingen voor de hogedrukreiniger worden opgevolgd. Dat geldt vooral voor de druk en de spuitafstand. Voldoende afstand houden tot zachte materialen, zoals rubber slangen of isolatiemateriaal. In geen geval roterende sproeikoppen of zogenaamde vuilfrezen gebruiken! Vooral banden mogen nooit met roterende sproeikoppen worden gereinigd. Zelfs bij een relatief grote sproeiafstand en een heel korte inwerktijd kan zichtbare en zelfs niet-zichtbare schade aan de band ontstaan - gevaar voor ongevallen! Voorzichtig! De temperatuur van het water mag maximaal 60 C bedragen, omdat anders de wagen kan worden beschadigd. Conserveren Een goede conservering beschermt de wagenlak uitgebreid tegen schadelijke milieu-invloeden en lichte mechanische inwerkingen. De wagen moet uiterlijk dan met een hoogwaardig conserveringsmiddel op basis van vaste was worden behandeld, als op de schone lak geen waterdruppels meer worden gevormd. Er kan een nieuwe laag hoogwaardige harde was op de schone lak worden aangebracht als deze na het wassen goed droog is. Ook wanneer regelmatig wasconserveringsmiddelen worden toegepast, adviseren we de lak minstens tweemaal per jaar met harde was te beschermen. Voorzichtig! Er mag nooit was op de ruiten terechtkomen. Polijsten Alleen als de lak van uw wagen dof is geworden en als u met conserveringsmiddelen geen glans meer kunt verkrijgen, is polijsten nodig.

182 Verzorging en reiniging van de wagen 181 Als het gebruikte polijstmiddel geen conserverende bestanddelen bevat, moet de lak hierna nog worden geconserveerd bladzijde 180. Wij adviseren u, conserveringsmiddelen uit het originele Škoda accessoireprogramma te gebruiken. Voorzichtig! Mat gelakte delen of kunststof delen mogen niet met polijstmiddelen of vaste was worden behandeld. De lak van de wagen niet in een stoffige omgeving polijsten, anders kan de lak worden beschadigd. Verchroomde delen Reinig de verchroomde delen eerst met een vochtige doek en poets deze daarna met een zachte droge doek weer glanzend. Als de verchroomde delen op deze manier niet volledig schoon worden, hiervoor bedoelde onderhoudsmiddelen voor chroom gebruiken. Voorzichtig! De verchroomde delen niet in een stoffige omgeving polijsten, anders kan de lak worden beschadigd. Lakbeschadigingen Kleine lakbeschadigingen zoals krassen, schrammen of beschadigingen door steenslag direct met lak (Škoda lakstift) afdekken, voordat er zich roest kan vormen. Deze werkzaamheden kunnen uiteraard ook door een geautoriseerde Škoda Servicepartner worden uitgevoerd. Hiertoe kunnen de geautoriseerde Škoda Servicepartners de bij de kleur van uw wagen passende lakstiften of spuitbussen leveren. Het nummer van de originele lak van uw wagen staat op de sticker met wagengegevens bladzijde 232. Als er toch corrosie is ontstaan, moet deze grondig worden verwijderd. Op deze plekken een corrosiewerende grondlaag en daarna de lak aanbrengen. Deze werkzaamheden kunnen uiteraard ook door een geautoriseerde Škoda Servicepartner worden uitgevoerd. Kunststof delen Kunststof delen aan de buitenzijde worden door normaal wassen gereinigd. Als dat niet voldoende is, mogen kunststofdelen ook met speciale oplosmiddelvrije kunststofreinigingsmiddelen worden behandeld. Onderhoudsmiddelen voor lak zijn niet geschikt voor kunststof delen. Voorzichtig! Schoonmaakmiddelen met oplosmiddel tasten het materiaal aan en kunnen het beschadigen. Ruiten Voor het verwijderen van sneeuw en ijs van de ruiten en spiegels alleen een kunststof krabber gebruiken. Om daarbij beschadigingen aan het ruitoppervlak te voorkomen, mag de ijskrabber niet heen-en-weer bewogen worden, maar slechts in één richting over de ruit worden geschoven. Resten van rubber, olie, vet, was of siliconen kunnen worden verwijderd met een speciale ruitenreiniger resp. met een speciale siliconenverwijderaar. De ruiten moeten ook regelmatig aan de binnenzijde worden gereinigd. Voor het drogen van de ruiten na het wassen van de wagen niet de zeem gebruiken die voor het drogen van de carrosserie is gebruikt. Resten van conserveringsmiddelen op de zeem kunnen de ruiten vuil maken en het zicht verminderen. Om beschadiging van de verwarmingsdraden van de achterruitverwarming te voorkomen, mogen aan de binnenzijde geen stickers op de achterruit worden geplakt. Voorzichtig! Nooit sneeuw of ijs van de ruiten en spiegels met warm of heet water verwijderen - gevaar voor scheurvorming in het glas! Erop letten dat bij het verwijderen van sneeuw en ijs van ruiten en spiegelglazen niet de lak van de wagen wordt beschadigd. De koplampglazen Voor het reinigen van de koplampen geen agressieve reinigingsmiddelen of chemische oplosmiddelen gebruiken - kans op beschadiging van de kunststofglazen. Zeep en schoon, warm water gebruiken. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

183 182 Verzorging en reiniging van de wagen Voorzichtig! Koplampen nooit droog afvegen en voor de reiniging van de kunststofglazen geen scherpe voorwerpen gebruiken, dit kan tot beschadiging van de beschermende laag en tot scheurvorming van de koplampglazen leiden, bijvoorbeeld door de invloed van chemische middelen. Afdichtingen De afdichtrubbers van portieren, achterklep, motorkap, ruiten enz. blijven soepel en gaan langer mee, wanneer de afdichtrubbers af en toe met een verzorgingsmiddel voor rubber (bijvoorbeeld een spray met siliconenvrije olie) worden behandeld. Door het onderhoud van de afdichtrubbers voorkomt u voortijdige slijtage van de afdichtrubbers en lekkage. De portieren kunnen gemakkelijker worden geopend. Goed onderhouden afdichtrubbers vriezen 's winters niet vast. Slotcilinders Voor het ontdooien van slotcilinders speciaal hiervoor bedoelde producten gebruiken. Let erop dat er bij het wassen van de wagen zo min mogelijk water in de slotcilinders komt. Wielen Stalen velgen Bij het regelmatig wassen van de wagen moeten ook de velgen en wieldoppen grondig worden gewassen. Zo wordt voorkomen dat remstof, vuil en wegenzout op de velgen gaat vastzitten. Hardnekkig vastklevend remstof kan met een industrieel reinigingsmiddel worden verwijderd. Lakbeschadigingen aan de velgen repareren, voordat er roest ontstaat. Lichtmetalen velgen Regelmatig onderhoud is nodig, zodat de lichtmetalen velgen er lang goed uit blijven zien. Vooral strooizout en remstof moet elke twee weken van de lichtmetalen velgen worden verwijderd, anders wordt het lichtmetaal aangetast. Na een grondige wasbeurt de velgen behandelen met een beschermingsmiddel voor lichtmetalen velgen dat geen zuurhoudende componenten bevat. Wij adviseren de velgen elke drie maanden te voorzien van een harde waslaag. Voor de behandeling van de velgen mogen geen middelen met een schurende werking worden gebruikt. Een eventuele beschadiging van de laklaag op de velgen moet direct worden gerepareerd. Bij het reinigen van de wielen eraan denken dat vocht, ijs en wegenzout de werking van de remmen nadelig kan beïnvloeden - kans op ongevallen! Sterke vervuiling op de wielen kan tot onbalans van de wielen leiden. Dit kan leiden tot trillingen die op het stuurwiel worden overgebracht en onder bepaalde omstandigheden tot voortijdige slijtage van de stuurinrichting kunnen leiden. Daarom is het nodig dat dit vuil wordt verwijderd. Bodembescherming De onderzijde van de wagen is tegen chemische en mechanische invloeden beschermd. Omdat bij het rijden beschadiging van de beschermlaag niet is uitgesloten, adviseren wij de beschermlaag aan de onderzijde van de wagen regelmatig - het beste aan het begin en einde van het koude jaargetijde - te laten controleren en zo nodig te laten bijwerken. De geautoriseerde Škoda Servicepartners beschikken over de geschikte middelen, hebben de noodzakelijke apparatuur en kennen de toepassingsvoorschriften. Daarom adviseren wij het bijwerken van de beschermlaag of aanvullende maatregelen voor bescherming tegen corrosie door een geautoriseerde Škoda Servicepartner te laten uitvoeren. Nooit een bodembeschermlaag of corrosiewerend middel op uitlaten, katalysatoren, roetfilters of hitteschilden aanbrengen. Als de motor op bedrijfstemperatuur is, kunnen deze middelen ontsteken - brandgevaar! Conservering van de holle ruimtes Alle aan corrosie blootgestelde holle ruimtes van de wagen zijn af fabriek voorzien van conserveringswas die permanente bescherming biedt.

184 Verzorging en reiniging van de wagen 183 Deze conservering hoeft niet te worden gecontroleerd en heeft ook geen nabehandeling nodig. Als bij hoge temperaturen een beetje was uit de holle ruimtes stroomt, kan dit met een kunststofspatel worden verwijderd en de vlek met wasbenzine worden gereinigd. Bij het gebruik van wasbenzine voor het verwijderen van was moeten de veiligheids- en milieuvoorschriften in acht worden genomen - brandgevaar! Verzorging van de wagen, binnenzijde Kunststof onderdelen, kunstleer en stoffen Kunststof onderdelen en kunstleer kunnen met een vochtige doek worden gereinigd. Mocht dat niet volstaan, dan mogen deze delen alleen met speciale oplossingsmiddelvrije kunststofreinigings- en verzorgingsmiddelen worden behandeld. Bekledingsstoffen en stoffen bekleding van de portieren, hoedenplank, hemelbekleding enz. behandelen met speciale reinigingsmiddelen, zo nodig met droogschuim en een zachte spons of borstel. Voorzichtig! Schoonmaakmiddelen met oplosmiddel tasten het materiaal aan en kunnen het beschadigen. Stoffen bekleding van elektrisch verwarmde stoelen Stoelbekleding niet vochtig reinigen, omdat dit tot beschadiging van het stoelverwarmingssysteem kan leiden. De bekleding reinigen met speciale middelen, bijvoorbeeld droogschuim of dergelijke. Natuurnappa Natuurnappa heeft zeer bijzondere aandacht en onderhoud nodig. Normaal reinigen Vuil leder met een licht vochtige katoenen of wollen doek schoonmaken. Sterkere verontreiniging Sterk vervuilde plekken reinigen met een doek, gedrenkt in een zeepoplossing (2 eetlepels neutrale zeep op 1 liter water). Let erop dat het leer nergens te nat wordt en dat er geen water in de naden sijpelt. Het leer met een zachte, droge doek uitwrijven. Vlekken verwijderen Verse vlekken op waterbasis (zoals koffie, thee, sap, bloed enz.) met een absorberende doek of keukenrol verwijderen resp. bij een reeds ingedroogde vlek het reinigingsmiddel uit de onderhoudsset gebruiken. Verse vlekken op vetbasis (zoals boter, mayonaise, chocolade enz.) met een absorberende doek of keukenrol resp. met het reinigingsmiddel uit de onderhoudsset verwijderen als de vlek nog niet in het oppervlak is getrokken. Bij ingedroogde vetvlekken een vetoplossende spray gebruiken. Speciale vlekken (zoals van balpen, viltstift, nagellak, dispersieverf, schoenpoets) met een voor leder geschikte speciale vlekkenverwijderaar behandelen. Onderhoud van leer Het leer elk half jaar behandelen met een speciaal verzorgingsmiddel voor leer. Het verzorgingsmiddel uiterst dun aanbrengen. Het leer met een zachte doek afdrogen. Voorzichtig! Het leer mag in geen geval met oplosmiddelen (zoals benzine, terpentine), boenwas, schoenpoets e.d. worden behandeld. Langdurig parkeren in de brandende zon voorkomen om verkleuring van het leer te voorkomen. Indien de wagen langere tijd buiten wordt geparkeerd het leer tegen directe zonnestraling beschermen door de wagen af te dekken. Scherpe voorwerpen van kledingstukken, zoals ritssluitingen, knopen, scherpe gespen, kunnen blijvende krassen of schaafplekken in het oppervlak achterlaten. Leer moet, afhankelijk van het gebruik, van tijd tot tijd aan de hand van de volgende gebruiksaanwijzing worden verzorgd. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

185 184 Verzorging en reiniging van de wagen Regelmatig en na elke reiniging een verzorgende crème gebruiken die bescherming tegen licht biedt en het leer impregneert. De crème voedt het leer, zorgt ervoor dat het leer kan ademen en voorkomt uitdroging. Tegelijkertijd wordt er een beschermende laag op het oppervlak gevormd. Het leer elke twee tot drie maanden schoonmaken, nieuwe verontreinigingen direct verwijderen. Verse vlekken zoals van balpen, inkt, lippenstift, schoenpoets etc. zo snel mogelijk verwijderen. Ook de leerkleur onderhouden. Afwijkende plekken naar behoefte met een speciaal gekleurde leercrème opfrissen. Leer is een natuurlijk materiaal met specifieke eigenschappen. Bij het gebruik van de wagen kunnen in de leren bekleding optische veranderingen ontstaan (bijvoorbeeld vouwen of kreuken als gevolg van de belasting van de bekleding). Veiligheidsgordels Veiligheidsgordels schoonhouden! Vervuilde veiligheidsgordels met mild zeepsop schoonmaken. Regelmatig de staat van de veiligheidsgordels controleren. Bij een sterk vervuilde gordelband kan het oprollen van de automatische gordel worden belemmerd. De veiligheidsgordels mogen voor het schoonmaken niet worden uitgebouwd. Veiligheidsgordels nooit chemisch reinigen omdat chemische reinigingsmiddelen het materiaal kunnen beschadigen. De veiligheidsgordels mogen ook niet met bijtende vloeistoffen (zuren e.d.) in contact komen. Gordels met beschadigingen aan de stof, de verbindingen, de oprolautomaat of het slotgedeelte door een specialist laten vervangen. De gordels moeten volledig droog zijn voordat ze worden opgerold.

186 Brandstof 185 Brandstof Benzine Loodvrije benzine Uw wagen is alleen geschikt voor het rijden op loodvrije benzine die aan de norm EN 228 voldoet (in Duitsland ook DIN resp. E10 voor loodvrije benzine met octaangetal RON 95 en RON 91 of DIN resp. E5 voor loodvrije benzine met octaangetal 98). De informatie over het octaangetal dat uw motor nodig heeft, bevindt zich aan de binnenzijde van de tankklep bladzijde 187, afb rechts. Voorgeschreven brandstof - loodvrije benzine RON 95/91 Loodvrije benzine RON 95 gebruiken. Er kan eveneens loodvrije benzine RON 91 worden gebruikt, maar dit leidt tot een licht vermogensverlies. Als u in geval van nood benzine met een lager dan voorgeschreven octaangetal moet tanken, mag u de rit alleen met gemiddelde toerentallen en een geringere motorbelasting voortzetten. Door hoge motortoerentallen of een grote motorbelasting kan de motor zware schade oplopen! Zo snel mogelijk weer benzine met het voorgeschreven octaangetal tanken. Voorgeschreven brandstof - loodvrije benzine min. RON 95 Loodvrije benzine RON 95 gebruiken. Als loodvrije benzine RON 95 niet beschikbaar is, kan in geval van nood benzine RON 91 worden getankt. U mag de rit dan alleen met gemiddelde toerentallen en een minimale motorbelasting voortzetten. Door hoge motortoerentallen of een grote motorbelasting kan de motor zware schade oplopen! Zo snel mogelijk weer benzine met het voorgeschreven octaangetal tanken. Benzine met een lager octaangetal dan RON 91 mag zelfs in noodsituaties niet worden getankt, omdat er anders ernstige schade aan de motor kan optreden! Zie voor meer aanwijzingen over het tanken bladzijde 187, Tanken. Loodvrije benzine met een hoger octaangetal Loodvrije benzine met een hoger octaangetal dan voorgeschreven kan zonder beperkingen worden gebruikt. Bij wagens waarvoor loodvrije benzine RON 95/91 wordt voorgeschreven, zorgt het gebruik van benzine met een hoger octaangetal dan RON 95 niet voor een merkbare vermogenstoename of een lager brandstofverbruik. Bij wagens waarvoor loodvrije benzine RON min. 95 wordt voorgeschreven, kan het gebruik van benzine met een hoger octaangetal dan RON 95 voor een vermogenstoename en een lager brandstofverbruik zorgen. Voorgeschreven brandstof - loodvrije benzine RON 98/95 Loodvrije benzine RON 98 gebruiken. Er kan eveneens loodvrije benzine RON 95 worden gebruikt, maar dit leidt tot een licht vermogensverlies. Als loodvrije benzine RON 98 of RON 95 niet beschikbaar is, kan in geval van nood benzine RON 91 worden getankt. U mag de rit dan alleen met gemiddelde toerentallen en een minimale motorbelasting voortzetten. Door hoge motortoerentallen of een grote motorbelasting kan de motor zware schade oplopen! Zo snel mogelijk weer benzine met het voorgeschreven octaangetal tanken. Benzine met een lager octaangetal dan RON 91 mag zelfs in noodsituaties niet worden getankt, omdat er anders ernstige schade aan de motor kan optreden! Voorzichtig! Alle Škoda-wagens met benzinemotor zijn uitgerust met een katalysator en mogen alleen met loodvrije benzine worden gebruikt. Slechts één keer tanken van loodhoudende benzine leidt al tot ernstige beschadiging van de katalysator! Alleen loodvrije benzine gebruiken die aan de norm EN 228 voldoet (in Duitsland ook DIN resp. E10 voor loodvrije benzine met het octaangetal RON 95 en RON 91 of DIN resp. E5 voor loodvrije benzine met het octaangetal 98). Als benzine met een lager dan voorgeschreven octaangetal wordt gebruikt, kan de motor ernstige schade oplopen! Biobrandstof ethanol E85 Ethanol E85 Geldt alleen voor wagens met 1,6/75 kw MultiFuel-motor. Biobrandstof ethanol E85 bestaat voor 85% uit bio-ethanol en voor 15% uit loodvrije benzine overeenkomstig de norm (DIN) EN 228. De biobrandstof ethanol E85 kan met loodvrije benzine overeenkomstig de norm (DIN) EN 228 in iedere willekeurige verhouding worden gemengd. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

187 186 Brandstof Minimaal 5 minuten zonder onderbreking met de wagen rijden als u biobrandstof ethanol E85 heeft getankt, zodat het motorregelapparaat het aandeel biobrandstof in de brandstof kan bepalen. Gedurende deze tijd niet volgas of met hoge toerentallen rijden. Gedurende dit proces kan het stationair toerental schommelen. Winterse omstandigheden Bij het meenemen van een jerrycan moeten de wettelijke voorschriften in acht worden genomen. Om veiligheidsredenen adviseren wij geen jerrycan mee te nemen. Bij een ongeval kan de jerrycan worden beschadigd en kan brandstof wegstromen. Voorzichtig! Slechts één keer tanken van een andere biobrandstof dan ethanol E85 kan tot schade aan het brandstofsysteem van de motor leiden. Indien de wagen gedurende langere tijd wordt stilgezet loodvrije benzine overeenkomstig (DIN) EN 228 tanken, omdat ethanol E85 geringe hoeveelheden verontreinigingen kan bevatten die tot corrosie kunnen leiden. Milieu Als ethanol E85 wordt gebruikt, verlaagt dit de CO 2 -uitstoot van de wagen met maximaal 5 %. Aangezien de hoeveelheid energie in bio-ethanol kleiner is dan in loodvrije benzine, kan het brandstofverbruik bij gebruik van ethanol E85 met maximaal 33% toenemen. Biobrandstof ethanol E85 bevat ten opzichte van loodvrije benzine slechte een geringe hoeveelheid aan additieven. Daarom adviseren wij iedere km (bijvoorbeeld voor het olie verversen) de tank volledig te vullen met loodvrije benzine overeenkomstig EN 228 en deze leeg te rijden, zodat de motor schoon blijft. Let erop dat de tank niet volledig wordt leeggereden bladzijde 187, Tanken. Voor het olie verversen geldt een interval van km. Als biobrandstof ethanol E85 bij zeer lage temperaturen wordt gebruikt, is het noodzakelijk de motor voor te verwarmen alvorens deze te starten. De stekker voor het voorverwarmen van de motor bevindt zich in de voorbumper naast de mistlamp afb Buitentemperatuur lager dan -10 C lager dan -15 C lager dan -25 C Afb. 159 MultiFuel - stekker Voorverwarmingsduur wij adviseren maximaal 1 uur minimaal 1 uur minimaal 2 uur Indien het voorverwarmen van de motor bij buitentemperaturen lager dan -10 C niet mogelijk is, moet het aandeel loodvrije benzine overeenkomstig EN 228 hoog zijn. Hierdoor worden de koudestarteigenschappen van de motor aanzienlijk verbeterd. Indien de brandstoftank gevuld is met biobrandstof ethanol E85 kan de motor bij temperaturen lager dan -15 C zeer slecht starten of helemaal niet starten. Milieu Het gebruik van de motorvoorverwarming bij temperaturen lager dan -10 C heeft een positief effect op het brandstofverbruik en hiermee op het milieu. In de bagageruimte bevindt zich een verlengkabel voor aansluiting op het lichtnet.

188 Brandstof 187 Diesel Dieselolie Uw wagen is alleen geschikt voor dieselolie die aan de norm EN 590 voldoet (in Duitsland ook DIN 51628, in Oostenrijk ook ÖNORM C 1590, in Rusland ook GOST R / EN 590:2004). Brandstoftoevoegingen Brandstoftoevoegingen, zogeheten vloeiverbeteraars (benzine en soortgelijke middelen), mogen niet worden toegevoegd aan de dieselolie. Zie voor aanwijzingen over het tanken bladzijde 187, Tanken. Voorzichtig! Uw wagen is alleen geschikt voor dieselolie die aan de norm EN 590 voldoet (in Duitsland ook DIN 51628, in Oostenrijk ook ÖNORM C 1590, in Rusland ook GOST R / EN 590:2004). Slechts een keer tanken van dieselolie die niet voldoet aan de voorgeschreven norm kan al tot beschadiging van onderdelen van de motor, het smeersysteem, het brandstofsysteem en het uitlaatsysteem leiden. Als u per ongeluk een andere brandstof dan dieselolie volgens bovengenoemde normen (bijvoorbeeld benzine) hebt getankt, niet de motor starten of het contact inschakelen! Dit kan zware schade aan de motor veroorzaken! Contact opnemen met een specialist om het brandstofsysteem van de motor te laten reinigen. Water in het brandstoffilter kan leiden tot motorstoringen. Uw wagen is niet aangepast voor het gebruik van biobrandstof (RME), daarom mag deze brandstof niet worden getankt en gebruikt. Het gebruik van biobrandstof (RME) kan schade veroorzaken aan de motor of het brandstofsysteem. Winterse omstandigheden Winterdiesel Door tankstations wordt in de wintermaanden een andere dieselolie dan in de zomermaanden geleverd. Bij het gebruik van zomerdiesel kunnen bij temperaturen onder 0 C storingen optreden, omdat de dieselolie door stolling van de paraffine te stroperig wordt. Daarom wordt door de norm EN 590 (in Duitsland ook DIN 51628, in Oostenrijk ook ÖNORM C 1590, in Rusland ook GOST R / EN 590:2004) voor elk jaargetijde de dieselolieklasse voorgeschreven die in het betreffende jaargetijde mag worden verkocht. Winterdiesel is bij -20 C nog volledig geschikt voor gebruik. In landen met andere klimatologische omstandigheden wordt meestal dieselolie aangeboden die andere temperatuureigenschappen bezit. De geautoriseerde Škoda Servicepartners en de tankstations zijn op de hoogte van de in het betreffende land gebruikte dieselolie. Brandstoffilter-voorverwarming De wagen is uitgerust met een brandstoffilter-voorverwarmingssysteem. Door dit systeem is de betrouwbaarheid van de dieselolie tot ongeveer -25 C gewaarborgd. Voorzichtig! Er mogen geen brandstoftoevoegingen, waaronder benzine, voor het verbeteren van de vloeibaarheid aan de dieselolie worden toegevoegd. Tanken Afb. 160 Rechterachterzijde: Tankklep openen / tankklep met losgeschroefde vuldop De tanklep wordt automatisch met de centrale vergrendeling vergrendeld resp. ontgrendeld. Tankdop openen In het midden van het linkergedeelte van de tankklep in pijlrichting A1 afb. 160 drukken. De tankdop van de brandstofvulpijp met een hand vasthouden en met de andere hand ontgrendelen door de sleutel linksom te draaien (geldt voor wagens zonder automatische ontgrendeling van de tankklep). De tankdop linksom losdraaien en van bovenaf in de tankdopklep aanbrengen afb rechts. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

189 188 Brandstof Tankdop sluiten De tankdop rechtsom vastdraaien, totdat deze hoorbaar vergrendelt. De tankdop van de brandstofvulpijp met een hand vasthouden en met de andere hand vergrendelen door de sleutel rechtsom te draaien (geldt voor wagens zonder automatische vergrendeling van de tankklep). De tankklep sluiten tot deze vergrendelt. Aan de binnenzijde van de tankklep vindt u de juiste brandstofsoort voor uw wagen, evenals de bandenmaat en de bandenspanning. Zie voor meer aanwijzingen over de brandstof bladzijde 185. De tankinhoud bedraagt circa 55 liter resp. 60 liter 18). Bij het meenemen van een jerrycan moeten de wettelijke voorschriften in acht worden genomen. Om veiligheidsredenen adviseren wij geen jerrycan mee te nemen. Bij een ongeval kan de jerrycan worden beschadigd en kan brandstof wegstromen. Voorzichtig! Vóór het tanken is het noodzakelijk de extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) uit te schakelen. Gemorste brandstof direct van de wagenlak verwijderen - gevaar voor lakschade! Bij wagens met katalysator nooit de brandstoftank helemaal leegrijden. De onregelmatige brandstofvoorziening kan leiden tot overslaan van de ontsteking, waardoor onverbrande brandstof in het uitlaatsysteem terechtkomt en oververhitting en beschadiging van de katalysator kan optreden. Zodra het correct bediende automatische vulpistool de eerste keer afslaat, is de brandstoftank vol. Vul niet meer bij, omdat anders het benodigde volume voor het uitzetten van de brandstof wordt gevuld. 18) Geldt voor Octavia Combi 4x4 en Octavia Scout.

190 Controleren en bijvullen 189 Controleren en bijvullen Motorruimte Ontgrendelen van de motorkap Ontgrendeling motorkap Aan de ontgrendelingshendel trekken onder het dashboard aan bestuurderszijde afb De motorkap springt door veerkracht uit zijn vergrendeling. Tegelijkertijd komt er een borghendel in de grille tevoorschijn. Motorkap openen en sluiten Afb. 161 Ontgrendelingshendel motorkap Motorkap openen De motorkap ontgrendelen afb Voor het openen van de motorkap controleren of de ruitenwisserarmen niet van de voorruit zijn weggeklapt, omdat er in dat geval schade aan de lak kan ontstaan. Aan de borghendel trekken in pijlrichting A1 afb. 162, de motorkap wordt ontgrendeld. Met de hand onder de grille grijpen en de motorkap optillen. De motorkapsteun uit de houder nemen en in de hiervoor bestemde opening aanbrengen A2. Motorkap sluiten De motorkap iets optillen en de motorkapsteun loshaken. De motorkapsteun in de daarvoor bestemde houder drukken. De motorkap vanaf een hoogte van circa 20 cm in de vergrendeling laten vallen - de motorkap niet nadrukken! Controleren of de motorkap goed gesloten is. De motorkap nooit openen als u ziet dat er stoom of koelvloeistof uit de motorruimte komt - gevaar voor verbranding! Wachten totdat er geen stoom of koelvloeistof meer naar buiten komt. Om veiligheidsredenen moet de motorkap tijdens het rijden altijd gesloten zijn. Daarom moet na het sluiten van de motorkap altijd worden gecontroleerd of de kap goed is vergrendeld. Als u tijdens het rijden merkt dat de kap niet goed is vergrendeld, stop dan direct en sluit de motorkap - gevaar voor ongevallen! Voorzichtig! De motorkap nooit openen aan de borghendel - gevaar voor beschadiging. Afb. 162 Grille: Borghendel / tegenhouden van de motorkap met de motorkapsteun Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

191 190 Controleren en bijvullen Werkzaamheden in de motorruimte Bij alle werkzaamheden in de motorruimte is bijzondere voorzichtigheid geboden! BBij werkzaamheden in de motorruimte, bijvoorbeeld het controleren en bijvullen van bedrijfsvloeistoffen, kunnen letsel, verbrandingen, ongevallen en brand ontstaan. Daarom moeten de onderstaand weergegeven waarschuwingen en de algemene veiligheidsregels beslist in acht worden genomen. De motorruimte van de wagen is een gevaarlijke omgeving. De motorkap nooit openen als u ziet dat er stoom of koelvloeistof uit de motorruimte komt - gevaar voor verbranding! Wachten totdat er geen stoom of koelvloeistof meer naar buiten komt. De motor afzetten en de sleutel uit het contact trekken. De handrem stevig aantrekken. Bij wagens met schakelbak de neutraalstand inschakelen, bij wagens met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P zetten. De motor laten afkoelen. Kinderen uit de buurt van de wagen houden. Geen hete motoronderdelen aanraken - gevaar voor verbranding! Nooit bedrijfsvloeistoffen over de hete motor morsen. Deze vloeistoffen (bijvoorbeeld de in de ruitensproeiervloeistof aanwezige antivries) kunnen ontbranden! Kortsluiting in het elektrische systeem voorkomen - vooral bij de accu. Nooit in de koelluchtventilator grijpen, zolang de motor warm is. De koelluchtventilator kan plotseling worden ingeschakeld! Nooit de vuldop van het koelvloeistofexpansiereservoir openen, zolang de motor warm is. Het koelsysteem staat onder druk! De vuldop bij het openen met een grote doek afdekken om gezicht, handen en armen tegen hete damp of hete koelvloeistof te beschermen. Geen voorwerpen, zoals poetsdoeken of gereedschap, in de motorruimte achterlaten. Wanneer er onder de wagen moet worden gewerkt, moet de wagen tegen wegrollen zijn beveiligd en met passende steunbokken goed worden ondersteund, de krik is hiervoor onvoldoende - gevaar voor verwondingen! Als er werkzaamheden aan de motor moeten worden uitgevoerd terwijl deze draait, bestaat er gevaar door draaiende delen (bijvoorbeeld de geribde riem, de Vervolg dynamo, de koelluchtventilator) en door de hoogspanningsontsteking. Ook op het volgende letten: Nooit de elektrische kabels van het ontstekingssysteem aanraken. Beslist voorkomen dat u bijvoorbeeld. met sieraden, loshangende kledingstukken of lange haren in draaiende delen van de motor komt - levensgevaarlijk! Daarom eerst sieraden afdoen, uw haar opsteken en kleding dragen die goed aansluit. Wanneer werkzaamheden aan het brandstofsysteem of aan de elektrische installatie noodzakelijk zijn, ook op de volgende waarschuwingsaanwijzingen letten: Altijd de accu van de wagen losmaken van de elektrische installatie. Niet roken. Nooit in de buurt van open vuur werken. Altijd een goed werkende brandblusser paraat houden. Voorzichtig! Er bij het bijvullen van vloeistoffen op letten dat de vloeistoffen in geen geval worden verwisseld. Anders zijn ernstige storingen en motorschade het gevolg! Overzicht motorruimte De belangrijkste controlepunten. Afb. 163 Benzinemotor 1,8 l/118 kw TSI

192 Controleren en bijvullen 191 A1 Koelvloeistofexpansiereservoir A2 Ruitensproeiervloeistofreservoir A3 A4 A5 A6 Motorolievulopening Motoroliepeilstok Remvloeistofreservoir Accu (onder een afdekking) De indeling van de motorruimte is bij alle benzine- en dieselmotoren praktisch gelijk. Motorolie Motoroliepeil controleren De oliepeilstok geeft het motoroliepeil aan. Afb. 164 Oliepeilstok Oliepeil controleren Verzeker u ervan dat de wagen op een vlakke ondergrond staat en dat de motor op bedrijfstemperatuur is. De motor afzetten. De motorkap openen in Werkzaamheden in de motorruimte op bladzijde 190. Een paar minuten wachten tot de motorolie in de carterpan is teruggestroomd en de oliepeilstok verwijderen. De oliepeilstok met een schone doek afvegen en tot aan de aanslag weer erin schuiven. De oliepeilstok er vervolgens weer uittrekken en het oliepeil aflezen. Oliepeil in gebied A U mag geen olie bijvullen. Oliepeil in gebied AB U kunt olie bijvullen. Het kan gebeuren dat het oliepeil daarna in gebied A ligt. Oliepeil in gebied AC U moet olie bijvullen bladzijde 192. Het is voldoende als het oliepeil daarna in gebied AB ligt. Het is normaal dat de motor olie verbruikt. Afhankelijk van de rijstijl en de gebruiksomstandigheden kan het olieverbruik tot ca. 0,5 l per km bedragen. Tijdens de eerste kilometer kan het olieverbruik daarboven liggen. Daarom moet het oliepeil regelmatig, bij voorkeur bij elke tankstop of voor een langere rit, worden gecontroleerd. Bij zware motorbelasting zoals bijvoorbeeld bij lange ritten over de snelweg in de zomer, bij het rijden met een aanhangwagen of bij het rijden in de bergen moet u proberen het oliepeil in gebied A - echter niet erboven - te houden. Een te laag oliepeil wordt door het controlelampje in het instrumentenpaneel aangegeven bladzijde 30, Motoroliedruk. In dat geval zo snel mogelijk het oliepeil controleren. De benodigde hoeveelheid olie bijvullen. Voorzichtig! Het motoroliepeil mag in geen geval boven gebied A liggen. Gevaar voor beschadiging van de katalysator. Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van motorolie niet mogelijk is, de rit niet voortzetten. De motor afzetten en de hulp inroepen van een specialist, omdat er anders zware motorschade kan ontstaan. Motoroliespecificaties bladzijde 231,. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

193 192 Controleren en bijvullen Motorolie bijvullen Het motoroliepeil controleren bladzijde 191. De dop van de motorolievulopening losschroeven. De geschikte olie met telkens 0,5 liter per keer bijvullen bladzijde 234, Motoroliespecificaties. Het oliepeil controleren bladzijde 191. De dop van de vulopening zorgvuldig weer dichtdraaien en de peilstok er tot de aanslag erin schuiven. Wanneer u olie bijvult, mag er geen olie op hete motordelen komen - brandgevaar! Voor aanvang van alle werkzaamheden in de motorruimte beslist de waarschuwingsaanwijzingen lezen en deze opvolgen bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte. Milieu Het motoroliepeil mag in geen geval boven gebied A bladzijde 191 liggen. Anders wordt de olie via de carterontluchting aangezogen en kan deze via het uitlaatsysteem in de atmosfeer terechtkomen. De olie kan in de katalysator verbranden en deze beschadigen. Motorolie verversen De motorolie moet volgens de in het Serviceplan aangegeven intervallen of volgens de service-intervalindicatie worden ververst bladzijde 17, Service-intervalindicatie. Motorolie alleen zelf verversen wanneer u over de noodzakelijke vakkennis beschikt! Voor aanvang van alle werkzaamheden in de motorruimte beslist de waarschuwingsaanwijzingen lezen en deze opvolgen bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte. De motor eerst laten afkoelen, oogbescherming en handschoenen dragen - verbrandingsgevaar door hete motorolie. Voorzichtig! Aan de motorolie geen extra additieven toevoegen - gevaar voor schade aan de motor! Schade die door zulke middelen ontstaat, is van garantie uitgesloten. Milieu De olie mag in geen geval in het riool of in de bodem terechtkomen. Vanwege de problemen bij het afvoeren, het vereiste speciale gereedschap en de noodzakelijke kennis het verversen van de olie en vervangen van het oliefilter bij voorkeur door een geautoriseerde Škoda Servicepartner laten uitvoeren. Als uw huid met motorolie in contact is gekomen, dan dient u uw huid vervolgens grondig te wassen. Koelsysteem Koelvloeistof De koelvloeistof zorgt voor de koeling van de motor. Het koelsysteem heeft onder normale bedrijfsomstandigheden bijna geen onderhoud nodig. De koelvloeistof bestaat uit water met 40% antivries. Deze mengverhouding garandeert niet alleen bescherming tegen bevriezing tot -25 C, maar beschermt ook het koel- en verwarmingssysteem tegen corrosie. Bovendien voorkomt het mengsel kalkafzetting en verhoogt het het kookpunt van de koelvloeistof duidelijk. De concentratie antivries in de koelvloeistof mag u om deze reden ook in de zomer of in landen met een warm klimaat niet verlagen door bijvullen met water. Het antivriespercentage in de koelvloeistof moet ten minste 40 % bedragen. Als vanwege het klimaat bescherming tegen strengere vorst wordt vereist, kunt u het percentage antivries verhogen, echter slechts tot 60 % (bescherming tegen bevriezing tot ca. -40 C). Daarna loopt de bescherming tegen bevriezing namelijk weer terug. Wagens voor landen met een koud klimaat (bijvoorbeeld Zweden, Noorwegen, Finland) zijn al af fabriek met koelmiddel met een bescherming tegen bevriezing tot circa -35 C gevuld. Het percentage antivries moet in deze landen ten minste 50 % bedragen.

194 Controleren en bijvullen 193 Koelvloeistof Het koelsysteem is af fabriek met koelvloeistof gevuld (kleur lila) die voldoet aan de specificatie TL-VW 774 G. Wij adviseren voor het bijvullen alleen de koelvloeistof te gebruiken die op het koelvloeistofexpansiereservoir is aangeven. Wij adviseren, bij vragen met betrekking tot de koelvloeistof of als u een andere koelvloeistof wilt bijvullen, contact op te nemen met een geautoriseerde Škoda Servicepartner. De juiste antivries is leverbaar via een geautoriseerde Škoda Servicepartner. De door corrosie ontstane storingen kunnen tot verlies van koelvloeistof en aansluitend daarop tot ernstige motorschade leiden. Bij wagens die met een onafhankelijke interieurvoorverwarming en -ventilatie zijn uitgerust, is het koelvloeistofvolume ca. 1 l groter. Koelvloeistofpeil controleren Vulhoeveelheid koelvloeistof Benzinemotoren Vulhoeveelheden (in liters) 1,2 l/77 kw TSI - EU5 7,7 1,4 l/59 kw - EU4 7,1 1,4 l/90 kw TSI - EU5 7,7 1,6 l/75 kw - EU4, EU2 7,4 1,8 l/118 kw TSI - EU5, EU2 DDK (1,8 l/112 kw TSI - EU5) 8,6 2,0 l/147 kw TSI - EU5 8,6 Dieselmotoren Vulhoeveelheden (in liters) 1,6 l/77 kw TDI CR - EU5 8,4 1,9 l/77 kw TDI PD - EU4, EU3 8,4 1,9 l/77 kw TDI PD DPF - EU4 8,4 2,0 l/81 kw TDI CR - EU4, EU5 8,4 2,0 l/103 kw TDI CR DPF - EU4, EU5 8,4 2,0 l/125 kw TDI CR - EU5 8,4 Voorzichtig! Andere koelvloeistofadditieven kunnen vooral de bescherming tegen corrosie aanzienlijk verminderen. Afb. 165 Motorruimte: Koelvloeistofexpansiereservoir Het koelvloeistofexpansiereservoir bevindt zich rechts in de motorruimte. De motor afzetten. De motorkap openen bladzijde 189. Het koelvloeistofpeil op het koelvloeistofexpansiereservoir controleren afb Het koelvloeistofpeil moet bij koude motor tussen de markeringen Ab (MIN) en Aa (MAX) liggen. Bij warme motor kan het peil ook iets boven de markering Aa (MAX) liggen. Een te laag koelvloeistofpeil in het koelvloeistofexpansiereservoir wordt door het controlelampje in het instrumentenpaneel bladzijde 30, Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil aangegeven. Toch raden wij aan het koelvloeistofpeil regelmatig via het reservoir te controleren. Verlies van koelvloeistof Koelvloeistofverlies duidt in de eerste plaats op lekkages. Volsta niet met het bijvullen van koelvloeistof. Het koelsysteem direct door een specialist laten controleren. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

195 194 Controleren en bijvullen Als het systeem geheel lekvrij is, kunnen koelvloeistofverliezen alleen maar optreden doordat de koelvloeistof door oververhitting het kookpunt heeft bereikt en via het overdrukventiel in de dop van het expansiereservoir ontsnapt. Voor aanvang van alle werkzaamheden in de motorruimte beslist de waarschuwingsaanwijzingen lezen en deze opvolgen bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte. Voorzichtig! Als de oorzaak van de oververhitting niet kan worden gevonden en verholpen, moet zo snel mogelijk contact worden opgenomen met een specialist, anders kan ernstige motorschade ontstaan. Koelvloeistof bijvullen De motor afzetten. De motor laten afkoelen. Een doek op de dop van het koelvloeistofexpansiereservoir bladzijde 193, afb. 165 leggen en de dop voorzichtig linksom losschroeven. De benodigde hoeveelheid koelvloeistof bijvullen. De dop dichtdraaien tot deze hoorbaar vergrendelt. De bijgevulde koelvloeistof moet aan een voorgeschreven specificatie voldoen bladzijde 192. Als in geval van nood niet de voorgeschreven antivries beschikbaar is, geen andere antivries bijvullen. In dit geval eerst alleen water gebruiken. De juiste mengverhouding met de voorgeschreven antivries zo snel mogelijk weer door een specialist laten herstellen. Voor het bijvullen alleen nieuwe koelvloeistof gebruiken. Geen koelvloeistof bijvullen tot boven de markering Aa (max.) bladzijde 193, afb. 165! Overtollige koelvloeistof wordt bij verwarming via het overdrukventiel in de dop van het expansiereservoir uit het koelsysteem gedrukt. Bij een vrij groot koelvloeistofverlies de koelvloeistof alleen maar bij een afgekoelde motor bijvullen. Zo voorkomt u schade aan de motor. Het koelsysteem staat onder druk! Nooit de vuldop van het koelvloeistofexpansiereservoir openen zolang de motor warm is - gevaar voor verbranding! De antivries en daarmee de hele koelvloeistof is schadelijk voor de gezondheid. Contact met de koelvloeistof vermijden. Ook de dampen van de koelvloeistof zijn schadelijk voor de gezondheid. Antivries altijd in de originele blikken en op een veilige plaats bewaren, buiten bereik van kinderen - vergiftigingsgevaar! Als u koelvloeistofspatten in de ogen hebt gekregen, spoel de ogen dan direct met schoon water en consulteer zo snel mogelijk een arts. Laat u ook direct medisch behandelen als u per vergissing koelvloeistof hebt gedronken. Voorzichtig! Als onder de gegeven omstandigheden het bijvullen van koelvloeistof niet mogelijk is, mag de reis niet worden voortgezet. De motor afzetten en de hulp inroepen van een specialist, omdat er anders zware motorschade kan ontstaan. Milieu Als de koelvloeistof moet worden afgetapt, mag het niet weer worden gebruikt. De vloeistof moet worden opgevangen en met inachtneming van de milieuvoorschriften worden afgevoerd. Koelluchtventilator De koelluchtventilator kan plotseling worden ingeschakeld. De koelluchtventilator wordt door een elektromotor aangedreven en afhankelijk van de koelvloeistoftemperatuur aangestuurd. Nadat de motor is afgezet, kan de koelluchtventilator ook bij uitgeschakeld contact nog circa tien minuten verder draaien. Hij kan ook na enige tijd plotseling weer inschakelen als de koelvloeistoftemperatuur door stuwwarmte is opgelopen of de warme motorruimte ook nog eens door sterke zonnestraling wordt opgewarmd.

196 Controleren en bijvullen 195 Bij werkzaamheden in de motorruimte moet u er rekening mee houden dat de koelluchtventilator plotseling kan inschakelen - gevaar voor verwondingen! Remvloeistof Remvloeistofpeil controleren Afb. 166 Motorruimte: Remvloeistofreservoir Het remvloeistofreservoir bevindt zich links in de motorruimte. Bij wagens met rechts stuur bevindt het reservoir zich aan de andere kant van de motorruimte. De motor afzetten. De motorkap openen bladzijde 189. Remvloeistofpeil in het remvloeistofreservoir controleren afb Het peil moet altijd tussen de markeringen MIN en MAX liggen. Een geringe daling van het vloeistofpeil ontstaat bij het rijden door de slijtage en de automatische bijstelling van de remblokken en is daarom normaal. Als het vloeistofpeil echter binnen korte tijd duidelijk daalt of tot onder de markering MIN zakt, kan dit worden veroorzaakt door een lekkage in het remsysteem. Als het remvloeistofpeil te laag is, wordt dit door het branden van het controlelelampje in het instrumentenpaneel aangegeven bladzijde 33, Remsysteem. In dit geval moet direct worden gestopt en mag er niet verder worden gereden! De hulp inroepen van een specialist. Voor aanvang van alle werkzaamheden in de motorruimte beslist de waarschuwingsaanwijzingen lezen en deze opvolgen bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte. Als het vloeistofpeil tot onder de MIN-markering is gedaald, rijd dan niet verder - gevaar voor ongevallen! De hulp inroepen van een specialist. Remvloeistof verversen Remvloeistof trekt vocht aan. De vloeistof neemt dan ook in de loop van de tijd vocht uit de omringende lucht op. Een te hoog percentage water in de remvloeistof kan corrosie in het remsysteem veroorzaken. Het percentage water verlaagt bovendien het kookpunt van de remvloeistof. Er mag alleen nieuwe, door Škoda Auto vrijgegeven, originele remvloeistof worden gebruikt. De remvloeistof moet aan een van de volgende normen resp. specificaties voldoen: VW FMVSS 116 DOT4 DIN ISO 4925 CLASS 4 Wij adviseren het verversen van de remvloeistof in het kader van een Grote Onderhoud Service door de geautoriseerde Škoda Servicepartner te laten uitvoeren. Bij gebruik van te oude remvloeistof kunnen bij grote belasting van de remmen luchtbellen in het remsysteem ontstaan. Daardoor wordt de remwerking en dientengevolge de rijveiligheid negatief beïnvloed. Voorzichtig! Remvloeistof tast de lak van de auto aan. Milieu Vanwege de problemen bij het afvoeren, het vereiste speciale gereedschap en de noodzakelijke kennis adviseren wij het verversen van de remvloeistof door een geautoriseerde Škoda Servicepartner te laten uitvoeren. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

197 196 Controleren en bijvullen Accu Algemene aanwijzingen Bij incorrecte manipulaties aan de accu kunnen beschadigingen optreden, daarom wordt geadviseerd alle werkzaamheden aan de accu door een geautoriseerde Škoda Servicepartner te laten uitvoeren. Bij werkzaamheden aan de accu of aan de elektrische installatie kunnen verwondingen, verbrandingen en gevaar voor ongevallen en brand ontstaan. Daarom moeten de onderstaand weergegeven waarschuwingen en de algemene veiligheidsregels beslist in acht worden genomen. Het accuzuur heeft een sterke bijtende werking, er moet daarom uiterst zorgvuldig mee worden omgegaan. Bij het werken aan de accu beschermende handschoenen, oog- en huidbeschermers dragen. Bijtende dampen in de lucht zorgen voor irritatie van de luchtwegen en leiden tot ontstekingen aan bindvlies en luchtwegen. Het accuzuur tast het tandglazuur aan, na contact met de huid ontstaan diepe en moeizaam genezende wonden. Frequent contact met verdunde zuren veroorzaakt huidziektes (ontstekingen, zweren, kloven). Als de zuren in aanraking komen met water, vindt verdunning plaats die gepaard gaat met een aanzienlijke warmteontwikkeling. De accu niet kantelen, omdat er accuzuur uit de ontluchtingsopeningen van de accu kan lopen. Ogen beschermen door middel van een veiligheidsbril of veiligheidskap! Er is kans op blindheid! Als u accuzuur in de ogen krijgt, moet u het betreffende oog een aantal minuten met schoon water spoelen. Daarna direct medische hulp inroepen. Zuurspatten op de huid of op de kleding direct met zeepsop neutraliseren en met veel water naspoelen. Na inwendig gebruik van accuzuur direct naar een arts gaan. Kinderen uit de buurt houden van de accu. Als een accu wordt geladen, ontstaat een licht ontvlambaar knalgas. Een explosie kan ook worden veroorzaakt door een vonk die ontstaat bij het loskoppelen van de accu of het lostrekken van een stekkerverbinding bij ingeschakeld contact. Door het overbruggen van de accupolen (bijvoorbeeld door metalen voorwerpen, bekabeling) ontstaat kortsluiting. Eventuele gevolgen van kortsluiting: smelten van loden strippen, explosie en accubrand, zuurspetters. Vervolg Open vuur en licht, roken en bezigheden waarbij vonken ontstaan, zijn verboden. Vonkvorming bij het hanteren van bedrading en elektrische apparatuur vermijden. Bij grote vonken bestaat gevaar voor verwondingen. Voor alle werkzaamheden aan de elektrische installatie moeten de motor, het contact alsmede alle elektrische verbruikers worden uitgezet en moet de massakabel (-) van de accu worden losgemaakt. Als u gloeilampjes wilt vervangen, moet u de betreffende verlichting uitschakelen. Nooit een bevroren of ontdooide accu opladen - explosiegevaar en gevaar door bijtende werking! Een bevroren accu vervangen. Nooit starthulp gebruiken bij accu's met een te laag elektrolytpeil - explosiegevaar en gevaar door bijtende werking! Nooit beschadigde accu's gebruiken explosiegevaar! Een beschadigde accu direct vervangen. Voorzichtig! De kabels van de accu alleen bij uitgeschakeld contact losmaken, omdat anders de elektrische installatie (elektronische componenten) van de wagen kunnen worden beschadigd. Bij het loskoppelen van de accu van het boordnet eerst de minpool (-) van de accu losmaken. Pas daarna de pluspool (+) losmaken. Bij het aansluiten van de accu moet u eerst de pluspool (+) en pas daarna de minpool (-) van de accu aansluiten. De aansluitkabels in geen geval verwisselen - kans op brand in de bedrading. Erop letten dat het accuzuur niet in aanraking komt met de carrosserie, omdat dan de lak kan worden aangetast. Om de accu tegen UV-stralen te beschermen, mag de accu niet aan direct daglicht worden blootgesteld. Als de wagen gedurende drie tot vier weken niet wordt gebruikt, kan de accu ontladen zijn. Dit wordt veroorzaakt doordat enkele apparaten ook in rusttoestand stroom verbruiken (bijvoorbeeld regelapparaten). U kunt het ontladen van de accu voorkomen door de minpool van de accu los te koppelen of de accu doorlopend met een zeer lage laadstroom op te laden. Milieu Een afgedankte accu is schadelijk afval voor het milieu - voor het met inachtneming van de milieuvoorschriften afvoeren van de accu contact opnemen met een specialist.

198 Controleren en bijvullen 197 Ook na het aansluiten van de accu de aanwijzingen in acht nemen bladzijde 198. Accu's die ouder zijn dan vijf jaar laten vervangen. Accu controleren Accuafdekking Afb. 168 Accu: Aanduiding elektrolytpeil Afb. 167 Motorruimte: Polyester afdekking van de accu / kunststof afdekking van de accu De accu bevindt zich in de motorruimte onder een polyester afdekking afb links resp. onder een kunststof afdekking afb rechts. De accuafdekking in pijlrichting openen A1 afb. 167 resp. op de vergrendeling A2 aan de zijkant van de accuafdekking drukken, de afdekking naar voren klappen en deze verwijderen. Het inbouwen van de accuafdekking gebeurt in omgekeerde volgorde. De rand van de polyester accuafdekking afb links wordt bij werkzaamheden aan de accu tussen accu en zijwand van de accuafdekking aangebracht. De accu is onder normale bedrijfsomstandigheden praktisch onderhoudsvrij. Wij adviseren het elektrolytpeil regelmatig door een specialist te laten controleren, met name in de volgende gevallen. Bij hoge buitentemperaturen. Bij lange dagelijkse ritten. Na het opladen bladzijde 198. Bij wagens die zijn uitgerust met een accu met een kleurindicator, het zogenaamde magische oog afb. 168, kan het elektrolytpeil aan de hand van de verkleuring worden vastgesteld. Luchtbellen kunnen van invloed zijn op de kleur van de indicator. Daarom voor de controle voorzichtig op de indicator tikken. Zwarte kleur - elektrolytpeil in orde. Kleurloze of lichtgele kleur - elektrolytpeil te laag, de accu moet worden vervangen. Het elektrolytpeil van de accu wordt ook regelmatig in het kader van de Grote Onderhoud Service bij een geautoriseerde Skoda Servicepartner gecontroleerd. Bij accu's met de aanduiding AGM kan het elektrolytpeil om technische redenen niet worden gecontroleerd. Wagens met start-stopsysteem zijn uitgerust met een accuregelapparaat voor het controleren van het energieniveau voor de terugkerende motorstart. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

199 198 Controleren en bijvullen Rijden in de winter Vooral in de winter wordt de accu zwaar op de proef gesteld. Bovendien beschikt hij bij lage temperaturen nog maar over een deel van de startcapaciteit die hij bij normale temperaturen heeft. Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 C bevriezen. Daarom wordt geadviseerd de accu vóór het begin van de winterperiode door een specialist te laten controleren en eventueel te laten opladen. Nooit een bevroren of ontdooide accu opladen - explosiegevaar en gevaar door bijtende werking! Een bevroren accu vervangen. Accu laden Een geladen accu is een absolute voorwaarde voor het goed starten van de motor. De waarschuwingsaanwijzingen in Algemene aanwijzingen op bladzijde 196 en lezen. Het contact en alle stroomverbruikers uitschakelen. Alleen bij snelladen : Beide aansluitkabels loskoppelen (eerst min, dan plus ). De poolklemmen van de acculader op de accupolen klemmen (rood = plus, zwart = min ). Nu de stekker van de acculader in het stopcontact steken en het apparaat inschakelen. Aan het einde van het laadproces: de acculader uitschakelen en de stekker uit het stopcontact trekken. Nu de poolklemmen van de acculader losnemen. De aansluitkabels zo nodig weer op de accu aankoppelen (eerst plus, dan min ). Bij het laden met geringe stroomsterktes (bijvoorbeeld met een hobbylader) hoeven de aansluitkabels normaal gesproken niet van de accu te worden losgemaakt. In elk geval de aanwijzingen van de fabrikant van de acculader in acht nemen. Voor het volledig laden van de accu moet een laadstroom van een tiende van de accucapaciteit (of lager) worden ingesteld. Vóór het laden met hoge stroomsterktes, het zogenaamde snelladen, moeten de beide aansluitkabels echter wel worden losgemaakt. Het snelladen van een accu is gevaarlijk in Algemene aanwijzingen op bladzijde 196. Hiervoor is een speciale acculader en vakkennis nodig. Wij adviseren het snelladen van accu's door een specialist te laten uitvoeren. Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 C bevriezen. Wij raden aan een ontdooide accu niet meer te gebruiken, omdat de accubehuizing door de ijsvorming kan zijn gescheurd en daardoor het accuzuur eruit kan lopen. Bij het laden hoeven de afsluitdoppen van de accu niet te worden geopend. Nooit een bevroren of ontdooide accu opladen - explosiegevaar en gevaar door bijtende werking! Een bevroren accu vervangen. Nooit een accu met een te laag elektrolytpeil opladen - explosiegevaar en gevaar door bijtende werking. Voorzichtig! Bij wagens met start-stopsysteem mag de accuklem van de acculader niet rechtstreeks op de minpool van de accu worden aangesloten, maar alleen op de motormassa bladzijde 217, afb Accukabels los- resp. vastmaken Na het los- en weer vastmaken van de accukabels zijn aanvankelijk de volgende functies buiten werking of kunnen niet meer storingvrij worden gebruikt: Functie Ingebruikname Elektrische ruitbediening (functiestoringen) bladzijde 47 Autoradio resp. radio-navigatiesysteem - codenummer invoeren Uren instellen bladzijde 18 De gegevens van de multifunctie-indicatie zijn gewist zie het instructieboekje van de autoradio resp. het radio-navigatiesysteem bladzijde 18 Wij adviseren de wagen door een geautoriseerde Škoda Servicepartner te laten controleren, zodat alle elektrische systemen weer optimaal werken.

200 Controleren en bijvullen 199 Accu vervangen Bij het vervangen van de accu moet de nieuwe accu dezelfde capaciteit, spanning (12 volt), stroomsterkte en dezelfde afmetingen hebben. Geschikte accu's zijn verkrijgbaar bij een geautoriseerde Škoda Servicepartner. Wij adviseren de accu door een geautoriseerde Škoda Servicepartner te laten vervangen, die de nieuwe accu vakkundig zal inbouwen en de oude accu met inachtneming van de mileuvoorschriften zal afvoeren. Voorzichtig! Wagens met start-stopsysteem zijn uitgerust met een speciaal type accu, waardoor het accuregelapparaat het energieniveau kan controleren voor de terugkerende motorstart. Dit type accu mag alleen door een accu van hetzelfde type worden vervangen. Milieu Accu's bevatten giftige stoffen zoals zwavelzuur en lood. Daarom moeten ze met inachtneming van de milieuvoorschriften worden afgevoerd en mogen ze in geen geval met het gewone afval worden meegegeven. Ruitensproeiersysteem Gewoon water is niet voldoende om de ruiten en de koplampen intensief te reinigen. Wij adviseren daarom schoon water met een ruitenreiniger uit het originele Škoda accessoireprogramma (in de winter met antivries) te gebruiken om het vastzittende vuil te verwijderen. Bij het gebruik van reinigingsmiddelen de gebruiksvoorschriften op de verpakking in acht nemen. Ook als uw wagen verwarmde ruitensproeiers heeft, moet in de winter toch altijd antivries aan de sproeiervloeistof worden toegevoegd. Als er geen ruitenreiniger met antivries beschikbaar is, kan ook spiritus worden gebruikt. Het percentage spiritus mag daarbij niet meer dan 15 % bedragen. Let erop dat de beveiliging tegen bevriezing bij deze concentratie slechts tot -5 C loopt. Voor aanvang van alle werkzaamheden in de motorruimte beslist de waarschuwingsaanwijzingen lezen en deze opvolgen bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte. Voorzichtig! In geen geval mag u de ruitensproeiervloeistof mengen met antivries voor de radiateur of andere middelen. Als de wagen met koplampsproeiers is uitgerust, mag aan de sproeiervloeistof alleen een reinigingsmiddel worden toegevoegd dat de polycarbonaat coating van de koplampen niet aantast. Contact opnemen met een geautoriseerde Škoda Servicepartner, die u bij het kiezen van het geschikte reinigingsmiddel kan helpen. Afb. 169 Motorruimte: Ruitensproeiervloeistofreservoir Het ruitensproeiervloeistofreservoir bevat de reinigingsvloeistof voor de voorruit resp. achterruit en de koplampsproeiers. Het reservoir bevindt zich rechtsvoor in de motorruimte afb De inhoud van het reservoir bedraagt circa 3 liter, bij wagens met koplampsproeiers circa 5,5 liter. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

201 200 Velgen en banden Velgen en banden Wielen Algemene aanwijzingen Nieuwe banden hebben in eerste instantie nog geen optimale grip. Het is noodzakelijk om de eerste 500 km met een matige snelheid en tevens met een voorzichtige rijstijl te rijden. Dat komt ook de levensduur van de banden ten goede. Op basis van constructiekenmerken en de vorm van het profiel kan de profieldiepte van nieuwe banden - afhankelijk van de uitvoering en het fabricaat - verschillen vertonen. Om beschadiging van banden en velgen te voorkomen, mogen trottoirs of soortgelijke obstakels alleen maar langzaam en zo mogelijk onder een rechte hoek worden genomen. Wij adviseren om banden en velgen regelmatig te controleren op beschadigingen (kerven, scheuren, bulten, vervormingen e.d.). Vreemde voorwerpen uit het bandenprofiel verwijderen. Beschadigingen van banden zijn vaak verborgen. Ongewone trillingen of scheeftrekken van de auto kan duiden op bandenschade. Als u vermoedt dat een wiel is beschadigd, verlaag dan direct de snelheid en stop! De banden controleren op beschadigingen (bulten, scheuren e.d.). Als er geen beschadigingen zichtbaar zijn, rijd dan langzaam en voorzichtig naar de dichtstbijzijnde specialist om uw wagen te laten controleren. Uw banden niet met olie, vet en brandstof in aanraking laten komen. Verloren ventieldopjes onmiddellijk vervangen. Wielen markeren voordat ze worden verwijderd, zodat ze bij het opnieuw monteren dezelfde draairichting kunnen behouden. Verwijderde wielen resp. banden koel, droog en zo donker mogelijk bewaren. Banden die niet op een velg zijn gemonteerd, moeten staande worden bewaard. Draairichtinggebonden banden De draairichting is door een pijl op de wang van de band gekenmerkt. De daarbij aangegeven draairichting beslist aanhouden. Alleen dan komen de optimale eigenschappen van deze band met betrekking tot grip, geluid van de banden, slijtage en aquaplaning volledig tot hun recht. Zie voor meer aanwijzingen over de montage van draairichtinggebonden banden bladzijde 204. Nieuwe banden leveren ongeveer de eerste 500 km nog niet de optimale grip, daarom voorzichtig rijden - gevaar voor ongevallen! Nooit met beschadigde banden rijden - gevaar voor ongevallen! Afwijkende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot de banden in acht nemen. Levensduur van banden Afb. 170 Geopende tankklep met een tabel voor bandenmaten en -spanningswaarden De levensduur van de banden is in belangrijke mate afhankelijk van de onderstaande punten: Bandenspanningswaarden Een te lage of te hoge bandenspanning verkort de levensduur van de banden en heeft een ongunstig effect op het rijgedrag van de wagen. Vooral bij hoge snelheden is de bandenspanning van groot belang. De bandenspanning, inclusief die van het reservewiel, dan ook minstens eenmaal per maand en voor elke grote rit controleren. De bandenspanningswaarden voor zomerbanden staan aan de binnenzijde van de tankklep afb De bandenspanningswaarden voor winterbanden liggen 20 kpa (0,2 bar) boven die van de zomerbanden bladzijde 203.

202 Velgen en banden 201 Voor banden met de maat 205/50 R17, die bestemd zijn voor het gebruik van sneeuwkettingen, gelden dezelfde bandenspanningswaarden als voor banden met bandenmaat 225/45 R17, zie bladzijde 200, afb Voor de bandenspanning van het reservewiel moet de hoogste bandenspanning die voor de wagen is voorgeschreven, worden aangehouden. De bandenspanning van het noodreservewiel R 18 bedraagt 420 kpa (4,2 bar). De bandenspanning altijd controleren als de banden koud zijn. Bij warme banden de hiermee gepaard gaande hogere bandenspanning niet verlagen. Bij een grotere wijziging van de belading de bandenspanning overeenkomstig aanpassen. Rijstijl Snel bochtenwerk, snel accelereren en sterk afremmen (piepende banden) verhogen de bandenslijtage. Wielen balanceren De wielen van een nieuwe wagen zijn gebalanceerd. Tijdens het rijden kan echter door verschillende invloeden een onbalans ontstaan die merkbaar is aan onrust in het stuurwiel. Omdat onbalans ook voor extra slijtage van de stuurinrichting en de banden zorgt, moeten de wielen in dit geval opnieuw worden gebalanceerd. Bovendien moet een wiel opnieuw worden gebalanceerd, nadat een nieuwe band is gemonteerd. Verkeerde uitlijning Een verkeerde wieluitlijning voor of achter zorgt niet alleen voor een hogere en vaak eenzijdige bandenslijtage, maar heeft ook een negatieve invloed op de rijveiligheid. Neem bij extreme bandenslijtage contact op met een specialist. Bij een te lage bandenspanning moet de band een hogere rolweerstand overwinnen. Hierdoor loopt bij hogere snelheden de temperatuur van de band sterk op. Dit kan tot het loslaten van het loopvlak en zelfs tot een klapband leiden. Beschadigde velgen of banden direct vervangen. Alleen in noodgevallen banden ouder dan 6 jaar monteren, en hiermee voorzichtig rijden. Slijtage-indicatoren Afb. 171 Bandenprofiel met slijtage-indicatoren In de profielgroeven van de originele banden bevinden zich dwars op de rijrichting 1,6 mm hoge slijtage-indicatoren. Deze slijtage-indicatoren zijn afhankelijk van het merk en type band 6-8 maal gelijkmatig verdeeld over de bandomtrek aangebracht afb Markeringen op de bandwangen (bijvoorbeeld de letters TWI of symbolen) geven de plaats van de slijtage-indicatoren aan. Bij 1,6 mm restprofiel - gemeten in de profielgroeven naast de slijtage-indicatoren - is de wettelijk toelaatbare minimumprofieldiepte bereikt (in sommige landen kunnen andere waarden gelden). Uiterlijk als de banden tot op de slijtage-indicatoren zijn versleten, moeten ze direct worden vervangen. De wettelijk toelaatbare minimumprofieldiepte moet in acht worden genomen. Versleten banden beïnvloeden bij hogere snelheden op nat wegdek het vereiste contact met het wegdek nadelig. Er kan aquaplaning optreden (ongecontroleerde bewegingen van de wagen - glijden op nat wegdek). Milieu Een te lage bandenspanning verhoogt het brandstofverbruik. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

203 202 Velgen en banden Wielen omwisselen Bij duidelijk sterke slijtage van de voorbanden is het aan te bevelen de voorwielen overeenkomstig het schema afb. 172 om te wisselen met de achterwielen. Daardoor krijgen de banden ongeveer dezelfde levensduur. Bij ongelijkmatige slijtagepatronen van de bandoppervlakken kan het zinvol zijn, de wielen kruiselings om te wisselen (alleen bij niet-draairichtinggebonden banden). Wij adviseren u contact op te nemen met een geautoriseerde Škoda Servicepartner, omdat die vertrouwd is met alle combinatiemogelijkheden. Voor een gelijkmatige slijtage van alle banden en om de optimale levensduur te behalen, adviseren wij om elke km de wielen te wisselen. Nieuwe banden resp. wielen Afb. 172 Wielen omwisselen Banden en velgen zijn belangrijke constructie-elementen. Daarom moeten de door Škoda Auto goedgekeurde banden en velgen worden gebruikt. Deze zijn exact op het model afgestemd en dragen daardoor wezenlijk bij aan de juiste wegligging en de veilige rijeigenschappen. Op alle vier de wielen alleen radiaalbanden van dezelfde constructie, maat (afrolomtrek) en met hetzelfde profiel op één as gebruiken. De geautoriseerde Škoda Servicepartners beschikken over actuele informatie over welke bandenmerken voor uw wagen goedgekeurd zijn. Wij adviseren u om alle werkzaamheden aan de banden of wielen bij een geautoriseerde Škoda Servicepartner te laten uitvoeren. De geautoriseerde Škoda Servicepartners zijn uitgerust met de benodigde speciale gereedschappen en onderdelen, de benodigde vakkennis en zijn op de recycling van oude banden ingesteld. Veel geautoriseerde Škoda Servicepartners hebben bovendien een aantrekkelijk banden- en velgenaanbod. De voor uw wagen toegestane band-/velgcombinaties staan vermeld in uw autopapieren. De toelating is van de wetgeving in de verschillende landen afhankelijk. Kennis van de bandengegevens maakt de juiste keuze gemakkelijker. Banden hebben op de wang van de band bijvoorbeeld het volgende opschrift: 195 / 65 R T Het betekent: Voor banden gelden de volgende snelheidsbegrenzingen: De productiedatum staat ook op de bandwang (eventueel alleen aan debinnenzijde van het wiel): DOT Bandbreedte in mm 65 Hoogte-/breedteverhouding in % R Code voor bandconstructie - Radiaal 15 Velgdiameter in inch 91 Belastingsindex T Snelheidscodeletter S T U H V W Y Snelheidscodeletter Toegestane maximumsnelheid 180 km/h 190 km/h 200 km/h 210 km/h 240 km/h 270 km/h 300 km/h betekent bijvoorbeeld dat de band in week 20 van het jaar 2011 is geproduceerd. Als de uitvoering van het reservewiel afwijkt van de banden waarmee wordt gereden - bijvoorbeeld bij winterbanden of brede banden - mag het reservewiel alleen in geval van pech korte tijd en met een voorzichtige rijstijl worden gebruikt. Dit wiel moet zo snel mogelijk weer door een normaal wiel vervangen worden.

204 Velgen en banden 203 Uitsluitend velgen of banden gebruiken, die door Škoda Auto voor uw model goedgekeurd zijn. Anders kan de verkeersveiligheid nadelig beïnvloed worden - gevaar voor ongevallen! Bovendien kan de typegoedkeuring van uw wagen voor het gebruik op de openbare weg komen te vervallen. De toegestane maximumsnelheid van de banden mag in geen geval worden overschreden gevaar voor een ongeval door een beschadigde band en verlies van controle over de wagen. Alleen in noodgevallen banden ouder dan 6 jaar monteren, en hiermee voorzichtig rijden. Nooit gebruikte banden monteren waarvan de voorgeschiedenis onbekend is. Banden verouderen, ook als deze niet of slechts weinig zijn gebruikt. Als reservewiel mag alleen in geval van nood een gebruikte band worden gemonteerd en dan alleen wanneer zeer voorzichtig wordt gereden. Om veiligheidsredenen banden zo mogelijk niet afzonderlijk vervangen, maar ten minste per as. De banden met de grotere profieldiepte moeten altijd op de voorwielen gebruikt worden. Milieu Oude banden moeten overeenkomstig de milieuvoorschriften worden opgeslagen en afgevoerd. Om technische redenen kunt u normaliter de velgen van andere wagens niet gebruiken. Dit geldt soms zelfs voor velgen van hetzelfde model wagen. Wielbouten Velgen en wielbouten zijn constructief op elkaar afgestemd. Bij het gebruik van andere velgen - bijvoorbeeld bij lichtmetalen velgen of winterbanden - moeten daarom altijd de bijbehorende wielbouten met de juiste lengte en vorm worden gebruikt. De bevestiging van de wielen en de werking van het remsysteem zijn hiervan afhankelijk. Wanneer naderhand wieldoppen worden gemonteerd, erop letten dat voldoende luchttoevoer voor de koeling van het remsysteem is gewaarborgd. Geautoriseerde Škoda Servicepartners worden constant op de hoogte gehouden over de technische mogelijkheden m.b.t. de montage van banden, velgen en wieldoppen. Bij verkeerde behandeling van de wielbouten kan het wiel tijdens het rijden losraken - gevaar voor ongevallen! Wielbouten moeten schoon zijn en licht draaien. Ze mogen echter nooit met vet of olie behandeld worden. Wanneer de wielbouten met een te laag aantrekmoment zijn aangetrokken, kunnen de velgen tijdens het rijden losraken - gevaar voor ongevallen! Een te hoog aantrekmoment kan de bouten en de schroefdraad beschadigen en kan leiden tot een blijvende vervorming van de draagvlakken op de velg. Voorzichtig! Het voorgeschreven aantrekmoment van de wielbouten bij stalen en lichtmetalen velgen bedraagt 120 Nm. Winterbanden In de winter worden de rij-eigenschappen van de wagen door winterbanden beduidend beter. Zomerbanden hebben op ijs, sneeuw en bij temperaturen onder 7 C vanwege hun constructie (breedte, rubbersamenstelling, profielvorm) minder grip. Dit geldt vooral voor wagens die met brede banden resp. hogesnelheidsbanden uitgerust zijn (codeletter H of V op de bandwang). Om de best mogelijke rijeigenschappen te verkrijgen, moeten op alle vier de wielen winterbanden worden gemonteerd. Er mogen alleen winterbanden worden gemonteerd, die voor de wagen zijn vrijgegeven. De toegelaten winterbandenmaten staan vermeld in de documentatie die bij de wagen hoort. De bandenmaten zijn afhankelijk van de nationale wettelijke voorschriften. Erop letten dat de bandenspanning 20 kpa (0,2 bar) hoger moet zijn dan bij zomerbanden bladzijde 200. Winterbanden verliezen grotendeels hun wintereigenschappen, als het bandenprofiel tot op 4 mm is afgesleten. Ook door veroudering gaan de eigenschappen van winterbanden achteruit - ook als de profieldiepte nog duidelijk meer dan 4 mm bedraagt. Voor winterbanden gelden snelheidsbeperkingen, net zoals voor zomerbanden bladzijde 202,. Er mogen winterbanden met een lagere snelheidscategorie worden gemonteerd op voorwaarde dat de toegestane topsnelheid van deze banden niet wordt over- Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

205 204 Velgen en banden schreden ook niet als de mogelijke topsnelheid van de wagen hoger ligt. Bij het overschrijden van de toegestane maximumsnelheid van de betreffende bandencategorie kunnen de banden worden beschadigd. Bij het gebruik van winterbanden de aanwijzingen in acht nemen bladzijde 200. In plaats van winterbanden kunnen ook zogenaamde allweather-banden worden gebruikt. Bij mogelijke onduidelijkheden contact opnemen met een specialist, die u kan informeren over de voor uw banden geldende topsnelheid. De toegestane maximumsnelheid van de winterbanden mag in geen geval worden overschreden gevaar voor een ongeval door een beschadigde band en verlies van controle over de wagen. Milieu Tijdig weer de zomerbanden monteren, omdat de rijeigenschappen met zomerbanden op sneeuw- en ijsvrije wegen alsmede bij temperaturen boven 7 C duidelijk beter zijn - kortere remweg, minder afrolgeluid, minder bandenslijtage en lager brandstofverbruik. Afwijkende nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot de banden in acht nemen. Draairichtinggebonden banden De draairichting is door een pijl op de wang van de band gekenmerkt. De daarbij aangegeven draairichting beslist aanhouden. Alleen zo komen de optimale eigenschappen van deze band met betrekking tot grip, afrolgeluid, slijtage en aquaplaning volledig tot hun recht. Als een wiel in een uitzonderingsgeval tegen de draairichting in moet worden gemonteerd, voorzichtig rijden omdat de optimale eigenschappen van de band in deze situatie niet meer gelden. Dit is vooral bij nat weer belangrijk. Raadpleeg hiertoe ook bladzijde 208, Reservewiel. Een lekke band moet zo snel mogelijk worden vervangen en de juiste draairichting moet bij alle banden weer worden hersteld. Sneeuwkettingen Sneeuwkettingen mogen alleen op de voorwielen worden gemonteerd. Bij winterse wegomstandigheden verbeteren sneeuwkettingen niet alleen de tractie, maar ook het remgedrag. De montage van sneeuwkettingen is om technische redenen alleen bij de volgende velg-bandcombinaties toegestaan. Velgmaat Inpersdiepte (ET) Bandenmaat 6J x 15 a) Voor het monteren van de sneeuwkettingen de wieldoppen verwijderen. De verschillende nationale wettelijke voorschriften met betrekking tot het gebruik van sneeuwkettingen en de maximumsnelheid met sneeuwkettingen in acht nemen. 47 mm 195/65 a) 6,5J x mm 195/65 a) 6J x mm 205/55 6J x 17 b) 45 mm 205/50 a) Alleen sneeuwkettingen gebruiken waarvan de schakels en sloten niet groter zijn dan 15 mm. b) Alleen sneeuwkettingen gebruiken waarvan de schakels en sloten niet groter zijn dan 9 mm. De gegevens in de meegeleverde montagehandleiding van de sneeuwkettingfabrikant in acht nemen. Voorzichtig! Bij het rijden op sneeuwvrije trajecten moeten de sneeuwkettingen worden verwijderd. Anders beïnvloeden ze de wegligging, beschadigen ze de banden en zijn ze snel versleten. Wij adviseren u, sneeuwkettingen uit het originele Škoda accessoireprogramma te gebruiken.

206 Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen 205 Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen Algemeen Škoda wagens zijn volgens de laatste stand van de veiligheidstechniek geconstrueerd. Om dat zo te houden, mag de de leveringstoestand af fabriek niet zo maar worden gewijzigd. De volgende aanwijzingen in acht nemen wanneer de wagen naderhand van accessoires wordt voorzien, onderdelen worden vervangen of technische wijzigingen aan de wagen worden doorgevoerd. Voor de aankoop van accessoires of onderdelen en alvorens technische wijzigingen door te voeren, moet altijd advies worden ingewonnen bij een geautoriseerde Škoda Servicepartner. Indien aan uw wagen technische wijzigingen worden uitgevoerd, dienen de door Škoda Auto voorgeschreven richtlijnen in acht te worden genomen. Door het opvolgen van deze richtlijnen en aanwijzingen blijft de verkeersveiligheid en betrouwbaarheid van uw wagen behouden. De wagen voldoet ook na het uitvoeren van de wijzigingen aan de wettelijke typegoedkeuring. Meer informatie krijgt u bij een geautoriseerde Škoda Servicepartner die ook alle noodzakelijke werkzaamheden vakkundig voor u kan uitvoeren. Wijzigingen van elektronische onderdelen en de bijbehorende software kunnen tot storingen leiden. Vanwege de koppeling van elektronische onderdelen kunnen deze storingen ook direct de werking van systemen belemmeren, die er in eerste instantie niet mee te maken hebben. Dit houdt in dat de verkeersveiligheid van de wagen in gevaar kan komen en een verhoogde onderdeelslijtage kan optreden. Schade die is ontstaan door technische wijzigingen zonder voorafgaande toestemming van Škoda Auto is van de garantie uitgesloten - raadpleeg hiertoe het garantiebewijs. Vervolg gevallen een rapport van een officiële technische keuringsdienst of van een overheidsinstantie is bijgevoegd. Originele Škoda accessoires en originele Škoda onderdelen zijn verkrijgbaar bij geautoriseerde Škoda Servicepartners. Deze kunnen ook de montage van de aangekochte onderdelen vakkundig voor u uitvoeren. We raden u daarom aan alle werkzaamheden uitsluitend te laten uitvoeren door een geautoriseerde Škoda Servicepartner. Alle originele Škoda accessoires uit het accessoireprogramma, zoals bijvoorbeeld trekhaken, kinderzitjes enzovoort, zijn gehomologeerd. Wij adviseren ook autoradio's, antennes en overige elektrische accessoires bij een geautoriseerde Škoda Servicepartner aan te schaffen en hier te laten inbouwen. Ondeskundig uitgevoerde werkzaamheden en veranderingen aan uw wagen kunnen storingen veroorzaken - gevaar voor ongevallen! We raden u aan voor uw Škoda alleen goedgekeurde originele Škoda accessoires en originele Škoda onderdelen te gebruiken. Voor deze originele Škoda onderdelen is de betrouwbaarheid, veiligheid en deugdelijkheid vastgesteld. Bij gebruik van andere producten kunnen we de betrouwbaarheid, veiligheid en geschiktheid voor uw wagen niet beoordelen - zelfs niet als in afzonderlijke Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

207 206 Accessoires, wijzigingen en vervanging van onderdelen

208 207 Verbanddoos en gevarendriehoek (Octavia) Verbanddoos en gevarendriehoek (Combi) Afb. 173 Plaats van de gevarendriehoek (Octavia) De verbanddoos is met behulp van een riem aan de rechterzijde van de bagageruimte bevestigd. De gevarendriehoek kan met rubber riemen in de bekleding van de achterwand worden bevestigd afb Als u een extra gevarendriehoek in de wagen wilt aanbrengen, neem dan contact op met een specialist. De houdbaarheidsdatum van de inhoud van de verbanddoos in acht nemen. Afb. 174 Plaats van de gevarendriehoek (Combi) Bij wagens in Combi-uitvoering zijn de verbanddoos en de gevarendriehoek in een opbergvak aan de rechterzijde in de bagageruimte ondergebracht. Het opbergvak kunt u openen door de sluitingen in pijlrichting te draaien afb Als u een extra gevarendriehoek in de wagen wilt aanbrengen, neem dan contact op met een specialist. De houdbaarheidsdatum van de inhoud van de verbanddoos in acht nemen. Brandblusser De brandblusser is met een riem in een houder onder de bestuurdersstoel bevestigd. Bij wagens met elektrisch verstelbare stoelen is de brandblusser in een houder onder de bestuurdersstoel bevestigd. De instructies die op de brandblusser zijn aangebracht zorgvuldig doorlezen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

209 208 De brandblusser moet door een daartoe bevoegd persoon eenmaal per jaar worden gecontroleerd (de eventueel afwijkende wettelijke bepalingen in acht nemen). Als de brandblusser niet correct is bevestigd, kan deze bij een plotselinge manoeuvre of bij een ongeval door het interieur worden geslingerd en letsel veroorzaken. De brandblusser moet voldoen aan de wettelijk geldende eisen voor brandblussers. Op de vervaldatum van de brandblusser letten. Als de brandblusser wordt gebruikt na afloop van de vervaldatum, is de juiste werking niet meer gegarandeerd. De brandblusser behoort in sommige landen tot de standaarduitrusting. Wagengereedschap wielsleutel, sleepoog, adapter voor diefstalbelemmerende wielbouten, setje vervangingsgloeilampen, schroevendraaier voor het verwijderen van de mistlampen 19). Voordat de krik weer op zijn plaats wordt aangebracht, moet de krikarm geheel worden ingeschroefd. De af fabriek meegeleverde krik is alleen voor uw wagenmodel bedoeld. In geen geval hiermee zwaardere voertuigen of andere lasten opkrikken - gevaar voor verwondingen! Controleren of het wagengereedschap goed in de bagageruimte is bevestigd. Let erop dat de box altijd met de riem is vastgezet. Reservewiel Afb. 175 Bagageruimte: Opbergvak voor het wagengereedschap Het wagengereedschap en de krik met sticker zijn in een kunststofbox in het reservewiel afb. 175 of in de ruimte voor het reservewiel aangebracht. Hier is ook plaats voor de afneembare kogelkop van de trekhaak. De box is met een riem aan het reservewiel bevestigd. Het wagengereedschap bevat de volgende onderdelen (afhankelijk van de uitrusting): draadbeugel voor het lostrekken van wieldoppen, kunststof klem voor wielboutdoppen, Het reservewiel bevindt zich in de kuip onder de bagageruimtebodem en is bevestigd met een speciale bout afb Voor het verwijderen van het reservewiel moet eerst de box met het wagengereedschap worden verwijderd afb ) Geldt voor Octavia RS en Octavia Scout. Afb. 176 Bagageruimte: Reservewiel

210 209 Het is belangrijk de bandenspanning van het reservewiel te controleren (bij voorkeur bij elke bandenspanningscontrole - zie de sticker op de tankklep bladzijde 200), zodat het reservewiel op elk moment kan worden gemonteerd. Noodreservewiel Of uw wagen met een noodreservewiel is uitgerust, kunt u zien aan een waarschuwingssticker op de velg van het noodreservewiel. Bij het rijden met een noodreservewiel de volgende aanwijzingen in acht nemen. Na de montage van het wiel mag de waarschuwingssticker niet zijn afgedekt. Met dit reservewiel niet sneller rijden dan 80 km/h en bij het rijden bijzonder alert zijn. Accelereren met volgas, sterk afremmen en snel bochtenwerk vermijden. De bandenspanning van dit reservewiel is gelijk aan de bandenspanning van de standaard gemonteerde banden. Het noodreservewiel R 18 moet een bandenspanning hebben van 420 kpa (4,2 bar)! Dit reservewiel alleen gebruiken tot aan de dichtstbijzijnde specialist, omdat dit wiel niet voor continu gebruik is bestemd. Op de velg van het noodreservewiel R 18 mogen geen andere zomer- of winterbanden worden gemonteerd. Wiel verwisselen Voorbereidende werkzaamheden Voor de eigenlijke verwisseling van het wiel moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd: De wagen bij bandenpech zo ver mogelijk weg van het rijdende verkeer plaatsen. De plaats waar de wagen wordt geparkeerd moet vlak zijn. Alle passagiers laten uitstappen. Tijdens het verwisselen van het wiel mogen de passagiers niet op de weg staan (bij voorkeur achter de vangrail). De handrem stevig aantrekken. De 1e versnelling inschakelen resp. bij wagens met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P zetten. Als een aanhangwagen is aangekoppeld, moet deze worden afgekoppeld. Het wagengereedschap bladzijde 208 en het reservewiel bladzijde 208 uit de bagageruimte nemen. Als u langs de rijbaan staat, de alarmlichten inschakelen en de gevarendriehoek op de voorgeschreven afstand plaatsen! Hierbij de nationale wettelijke voorschriften in acht nemen. U beschermt daarmee niet alleen uzelf, maar ook de andere weggebruikers. Bij opgekrikte wagen nooit de motor starten - gevaar voor verwondingen. Voorzichtig! Als u het wiel op een helling moet verwisselen, blokkeer dan het tegenoverliggende wiel met behulp van een steen of iets dergelijks, om zo de wagen tegen onverwachts wegrollen te beveiligen. De nationale wettelijke voorschriften in acht nemen. Wiel verwisselen Het verwisselen van een wiel indien mogelijk uitvoeren op een horizontaal vlak. De wieldop bladzijde 210 resp. de afdekkappen verwijderen bladzijde 210. Bij lichtmetalen velgen de naafdop verwijderen bladzijde 211. Eerst de veiligheidsbout en vervolgens de andere wielbouten iets losdraaien bladzijde 211. De wagen zo ver opkrikken dat het te verwisselen wiel de bodem niet meer raakt bladzijde 211. De wielbouten verwijderen en op een schone ondergrond leggen (doek, papier enz.). Het wiel verwijderen. Het reservewiel aanbrengen en de wielbouten handvast aandraaien. De wagen laten zakken. Met behulp van de wielsleutel de tegenover elkaar liggende wielbouten om en om (kruiselings) vastdraaien, de veiligheidsbout als laatste bladzijde 211. De wieldop/naafdop resp. de afdekkappen aanbrengen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

211 210 Alle wielbouten moeten schoon en goed gangbaar zijn. In geen geval mogen de wielbouten worden ingevet of ingeolied! Bij de montage van draairichtinggebonden banden op de draairichting letten bladzijde 200. Afsluitende werkzaamheden Na het vervangen van de band moeten de volgende werkzaamheden worden uitgevoerd. Het vervangen wiel in de uitsparing voor het reservewiel opbergen en vastzetten met een speciale bout bladzijde 208, afb Het wagengereedschap op de daarvoor bestemde plaats opbergen. De bandenspanning van het gemonteerde reservewiel zo snel mogelijk controleren. Het aantrekmoment van de wielbouten zo snel mogelijk met een momentsleutel laten controleren. Stalen en lichtmetalen wielen moeten met een aantrekmoment van 120 Nm worden vastgezet. De beschadigde band laten vervangen resp. bij een specialist informeren naar de reparatiemogelijkheden. Als de wagen naderhand met andere dan de af fabriek gemonteerde banden wordt uitgerust, moeten de aanwijzingen op bladzijde 202 in acht worden genomen. Als bij het verwisselen van een wiel wordt geconstateerd dat de wielbouten zijn geoxideerd en zwaar draaien, moeten de bouten voor het controleren van het aantrekmoment worden vervangen. Tot het controleren van het aantrekmoment voorzichtig en slechts met matige snelheid rijden. Grote wieldop Lostrekken De draadbeugel uit het wagengereedschap vasthaken aan de versterkte rand van de wieldop. De wielsleutel door de beugel schuiven, de wielsleutel op de band laten rusten en de wieldop lostrekken. Inbouwen De wieldop eerst bij de uitsparing voor het ventiel op de velg drukken. Vervolgens de wieldop zodanig op de velg drukken, dat deze over de gehele omtrek correct vastklikt. Voorzichtig! De wieldop met de hand aandrukken, niet erop slaan! Bij krachtige slagen, vooral op die plaatsen waar de wieldop nog niet op de velg zit, kan de geleiding en de centrering van de wieldop worden beschadigd. Voor de montage van de wieldop op een stalen velg waarbij een veiligheidsbout is aangebracht, controleren of deze bout in de boring vlak bij het ventiel is aangebracht bladzijde 212, Beveiliging van de wielen tegen diefstal. Wielbouten met afdekkappen Afb. 177 Verwijderen van de afdekkap Lostrekken De kunststof klem zo ver over de afdekkap schuiven, dat de haken aan de binnenzijde van de klem tegen de kraag van de afdekkap komen en vervolgens de afdekkap lostrekken afb. 177.

212 211 Inbouwen De afdekkappen tot de aanslag over de wielbouten schuiven. De afdekkappen bevinden zich in de kom van de bagageruimte. Naafdoppen Wielbouten losdraaien De wielsleutel tot de aanslag op de wielbout aanbrengen 20). Het uiteinde van de wielsleutel vastpakken en de bout circa een omwenteling linksom draaien afb Wielbouten vastdraaien De wielsleutel tot de aanslag op de wielbout aanbrengen 20). Het uiteinde van de wielsleutel vastpakken en de bout rechtsom draaien, tot deze vastzit. De wielbouten slechts enigszins losdraaien (circa een omwenteling), zolang de wagen niet met de krik is opgekrikt - gevaar voor ongevallen! Afb. 178 Verwijderen van de naafdop bij lichtmetalen velgen Lostrekken Voorzichtig de naafdop met behulp van de draadbeugel verwijderen afb Wielbouten los- en vastdraaien Voordat de wagen wordt opgekrikt, moeten de wielbouten één omwenteling worden losgedraaid. Als de bouten niet kunnen worden losgedraaid, kunt u voorzichtig met de voet op het uiteinde van de sleutel drukken. Houdt u zich daarbij vast aan de wagen en let erop dat u stevig staat. Wagen opkrikken Om het wiel te kunnen verwijderen moet de wagen met de krik omhoog worden gebracht. Afb. 179 Wiel verwisselen: Wielbouten losdraaien Afb. 180 Wiel verwisselen: Steunpunten voor de krik 20) Voor het los- en vastdraaien van de diefstalbelemmerende wielbouten de betreffende adapter gebruiken bladzijde 212. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

213 212 Voor het plaatsen van de krik het steunpunt kiezen, dat het dichtst bij de lekke band ligt bladzijde 211, afb Het steunpunt bevindt zich direct onder de inkeping in de dorpel. De inkeping is pas zichtbaar na het openen van het portier. De krik onder het steunpunt zo ver omhoogdraaien, tot de klauw van de krik zich direct onder de verticale rand van de dorpel bevindt. De krik zodanig uitrichten, dat de klauw om de rand van de dorpel A grijpt en de krikvoet AB vlak op de bodem rust. De krik zo ver omhoogdraaien, tot het wiel net vrij is van de bodem. Een zachte, gladde ondergrond onder de krik kan ertoe leiden dat de wagen van de krik afglijdt. Daarom de krik op een vaste ondergrond plaatsen of een groot en stabiel steunvlak gebruiken. Op een gladde ondergrond, bijvoorbeeld klinkers, tegelvloer enzovoort, een stroef steunvlak gebruiken (bijvoorbeeld een rubbermat). De wagen altijd opkrikken terwijl de portieren zijn gesloten - gevaar voor verwondingen! Met gepaste maatregelen voorkomen dat de krikvoet wegglijdt - gevaar voor verwondingen! Als de krik niet op de hiervoor bestemde plaatsen kan worden aangebracht, kan dit tot schade aan de wagen leiden. Bovendien kan de krik wegglijden doordat deze niet voldoende grip op de wagen heeft - gevaar voor verwondingen! Als u onder een omhooggebrachte wagen moet werken, moet u daartoe geschikte steunbokken onder de wagen aanbrengen - gevaar voor verwondingen! Beveiliging van de wielen tegen diefstal Om de diefstalbelemmerende wielbouten los te draaien is een speciale adapter nodig. Afb. 181 Afbeelding: Diefstalbelemmerende wielbout met adapter De wieldop/naafdop van de velg lostrekken of de afdekkap van de diefstalbelemmerende wielbout verwijderen. De adapter AB met de vertande zijde tot de aanslag in de binnenste vertanding van de veiligheidsbout A aanbrengen, zodat alleen nog de uitwendige zeskant uitsteekt afb De wielsleutel tot de aanslag op de adapter AB aanbrengen. De wielbout los- resp. vastdraaien bladzijde 211. Na het verwijderen van de adapter de wieldop/naafdop weer aanbrengen resp. de afdekkap weer over de veiligheidsbout schuiven. Het aantrekmoment zo snel mogelijk met een momentsleutel laten controleren. Stalen en lichtmetalen wielen moeten met een aantrekmoment van 120 Nm worden vastgezet. Bij wagens met diefstalbelemmerende wielbouten (één bout per wiel) kunnen deze alleen met behulp van de meegeleverde adapter worden losgedraaid resp. vastgezet. Het is raadzaam om het op de kop van de adapter of op de kop van de veiligheidsbout ingeslagen codenummer te noteren. Aan de hand van dit nummer kunt u, indien nodig, een reserveadapter bestellen bij een geautoriseerde Škoda Servicepartner. Wij adviseren om de adapter voor de wielbouten steeds in de wagen mee te nemen. Deze moet bij het wagengereedschap worden bewaard.

214 213 Voorzichtig! Als de diefstalbelemmerende wielbout te vast wordt aangedraaid, kan dit leiden tot beschadiging van de bout en de adapter. De diefstalbelemmerende wielboutenset kunt u bestellen bij een geautoriseerde Škoda Servicepartner. Bandenreparatieset Algemene aanwijzingen De bandenreparatieset bevindt zich in een box onder de bagageruimtebodem. Met de bandenreparatieset kunnen beschadigingen aan de banden tot een doorsnede van 4 mm, die door scherpe voorwerpen zijn veroorzaakt, veilig worden gedicht. Vreemde voorwerpen (bijvoorbeeld een schroef of een spijker) niet uit de band verwijderen! De reparatie kan direct op de wagen plaatsvinden. Het repareren van de band met behulp van de bandenreparatieset vervangt in geen geval een vakkundige bandenreparatie; deze reparatie is alleen maar bedoeld om de dichtstbijzijnde werkplaats te kunnen bereiken. De bandenreparatieset mag niet worden gebruikt: bij beschadiging van de velg, bij een buitentemperatuur onder -20 C (-4 F), bij beschadigingen groter dan 4 mm, bij beschadiging van de wang van de band, als met zeer lage bandenspanning of met een lege band wordt gereden, als de houdbaarheidsdatum (zie fles met bandenafdichtmiddel) is verstreken. Vervolg Wanneer u bandenpech hebt, de wagen zo ver mogelijk van het rijdende verkeer parkeren. De plek moet zo mogelijk over een stevige en vlakke ondergrond beschikken. Een met bandenafdichtmiddel gevulde band heeft niet dezelfde rijeigenschappen als een gewone band. Niet sneller rijden dan 80 km/h, resp. 50 mph. Accelereren met volgas, sterk afremmen en snel bochtenwerk vermijden. Na 10 minuten rijden de bandenspanning controleren! Het bandenafdichtmiddel is schadelijk voor de gezondheid en moet bij huidcontact onmiddellijk verwijderd worden. Milieu Gebruikt of verouderd bandenafdichtmiddel moet met inachtneming van de milieuvoorschriften worden afgevoerd. Let op de gebruiksaanwijzing van de fabrikant van de bandenreparatieset. Een nieuwe fles met bandenafdichtmiddel is verkrijgbaar uit het originele Škoda accessoireprogramma. De met de bandenreparatieset gerepareerde band zo snel mogelijk laten vervangen resp. bij een specialist informeren naar de reparatiemogelijkheden. Als u langs de rijbaan staat, de alarmlichten inschakelen en de gevarendriehoek op de voorgeschreven afstand plaatsen! Hierbij de nationale wettelijke voorschriften in acht nemen. U beschermt daarmee niet alleen uzelf, maar ook de andere weggebruikers. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

215 214 Onderdelen van de bandenreparatieset Afb. 182 Onderdelen van de bandenreparatieset De bandenreparatieset bestaat uit de volgende onderdelen: A1 ventielsleutel, A2 sticker met de snelheidsaanduiding max. 80 km/h resp. max. 50 mph A3 vulslang met sluitstop, A4 compressor, A5 bandenvulslang, A6 bandenspanningmeter, A7 luchtaftapventiel, A8 aan-uitschakelaar, A9 12 volt kabelstekker A10 fles met bandenafdichtmiddel, A11 reserve-ventielinzetstuk. De ventielsleutel A1 heeft aan de onderzijde een gleuf, waarin het ventielinzetstuk past. Alleen hiermee kan het ventielinzetstuk uit en weer in het ventiel worden gedraaid. Dat geldt ook voor het reserve-ventielinzetstuk A11. Voorbereidende werkzaamheden voor gebruik van de bandenreparatieset Voor het gebruik van de bandenreparatieset moeten de volgende voorbereidende werkzaamheden worden uitgevoerd: Wanneer u bandenpech hebt, de wagen zo ver mogelijk van het rijdende verkeer parkeren. De plek moet zo mogelijk over een stevige en vlakke ondergrond beschikken. Alle passagiers laten uitstappen. Tijdens het verwisselen van het wiel mogen de passagiers niet op de weg staan (bij voorkeur achter de vangrail). De motor afzetten en de 1e versnelling inschakelen resp. bij wagens met automatische versnellingsbak de keuzehendel in stand P zetten. De handrem stevig aantrekken. Controleren of de reparatie met de bandenreparatieset mogelijk is bladzijde 213, Algemene aanwijzingen. Als een aanhangwagen is aangekoppeld, moet deze worden afgekoppeld. De bandenreparatieset uit de bagageruimte nemen. De sticker A2 bladzijde 214, afb. 182 in het blikveld van de bestuurder op het dashboard plakken. Vreemde voorwerpen (bijvoorbeeld een schroef of een spijker) niet uit de band verwijderen. Het ventieldopje losdraaien. Met de ventielsleutel A1 het ventielinzetstuk uit het ventiel draaien en het ventielinzetstuk op een schone ondergrond leggen. Band afdichten en oppompen Band afdichten Het flesje met bandenafdichtmiddel A10 bladzijde 214, afb. 182 enkele malen krachtig schudden. De vulslang A3 stevig rechtsom op de fles draaien A10. De folie op de vuldop wordt hierbij automatisch doorgeprikt. De sluitstop van de vulslang A3 verwijderen en het open uiteinde op het ventiel van de band steken. De fles A10 ondersteboven houden en de gehele inhoud afdichtmiddel uit de fles in de band vullen. De lege fles met bandenafdichtmiddel van het ventiel verwijderen. Het ventielinzetstuk met ventielsleutel A1 weer in het ventiel draaien.

216 215 Band oppompen De vulslang A5 bladzijde 214, afb. 182 van de luchtcompressor stevig op het ventiel van de band draaien. Controleren of het luchtaftapventiel A7 dichtgedraaid is. Bij wagens met schakelbak de versnellingshendel in de neutraalstand zetten. De motor van de wagen starten en laten draaien. De stekker A9 in het 12 volt stopcontact steken bladzijde 83. De luchtcompressor met de aan-uitschakelaar A8 inschakelen. De luchtcompressor laten draaien, totdat de bandenspanning 2,0 2,5 bar bedraagt. Maximale looptijd 8 minuten! De luchtcompressor met de aan-uitschakelaar uitschakelen. Als de bandenspanning van 2,0 2,5 bar niet wordt bereikt, de vulslang A5 van het ventiel af schroeven. De wagen ca. 10 meter voor- of achteruitrijden zodat het afdichtmiddel zich in de band kan verdelen. De vulslang van de luchtcompressor A5 opnieuw stevig op het ventiel draaien en het oppompen herhalen. Als ook nu de vereiste bandenspanning niet wordt bereikt, dan is de band te zeer beschadigd. De band kunt u met de afdichtset niet voldoende afdichten. De luchtcompressor met de aan-uitschakelaar uitschakelen. De vulslang A5 van het ventiel losdraaien. Wanneer een bandenspanning van 2,0 2,5 bar is bereikt, kan de rit met maximaal 80 km/h resp. 50 mph worden voortgezet. Na 10 minuten rijden de bandenspanning controleren bladzijde 215, Controle na 10 minuten rijden. De luchtcompressor en de bandenvulslang kunnen bij het oppompen heet worden - gevaar voor verwondingen! De hete vulslang en hete luchtcompressor niet op brandbare materialen leggen - brandgevaar! Wanneer de band niet tot ten minste 2,0 bar kan worden opgepompt, is de beschadiging te groot. Het afdichtmiddel is niet in staat de band te dichten. Niet verder rijden! De hulp van een specialist inroepen. Voorzichtig! De compressor uiterlijk na 8 minuten draaien uitschakelen - gevaar voor oververhitting! De luchtcompressor enkele minuten laten afkoelen, voordat u deze opnieuw inschakelt. Controle na 10 minuten rijden Na 10 minuten rijden de bandenspanning controleren! De bandenspanning is 1,3 bar of lager: Niet verder rijden! De band kunt u met de afdichtset niet voldoende afdichten. De hulp inroepen van een specialist. De bandenspanning is 1,3 bar of hoger: De bandenspanning weer tot de juiste waarde corrigeren (zie binnenzijde van de tankklep). De rit voorzichtig voortzetten naar de dichtstbijzijnde specialist met maximaal 80 km/h resp. 50 mph. Starthulp Voorbereiding Als de motor niet wil starten omdat de accu is ontladen, kan de accu van een andere wagen worden gebruikt voor het starten. Daartoe is een startkabel nodig. Beide accu's moeten een nominale spanning van 12 V hebben. De capaciteit (Ah) van de stroomleverende accu mag niet wezenlijk lager zijn dan de capaciteit van de ontladen accu. Startkabel Alleen startkabels gebruiken met een voldoende grote diameter en met geïsoleerde poolklemmen. De aanwijzingen van de fabrikant in acht nemen. Pluskabel - kleuraanduiding in het algemeen rood. Minkabel - kleuraanduiding in het algemeen zwart. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

217 216 Een ontladen accu kan al bij temperaturen net onder 0 C bevriezen. Bij een bevroren accu niet proberen te starten met behulp van startkabels - explosiegevaar! Veiligheidsmaatregelen voor het werken in de motorruimte in acht nemen bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte. Tussen beide wagens mag geen contact bestaan, omdat er anders al bij het aansluiten van de pluspolen een stroomverbinding tot stand wordt gebracht. De ontladen accu moet volgens voorschrift op de elektrische installatie zijn aangesloten. De autotelefoon uitschakelen resp. de gebruiksaanwijzing van de autotelefoon voor dit soort gevallen in acht nemen. Wij adviseren de startkabels aan te schaffen bij een speciaalzaak voor voertuigaccu's. Motor starten De startkabels beslist in onderstaande volgorde aansluiten: Afb. 183 Starten met behulp van de accu van een andere wagen: A - ontladen accu, B - stroomleverende accu Minpool en motorblok met elkaar verbinden Het ene uiteinde A3 aansluiten op de minpool van de stroomleverende accu AB. Het andere uiteinde A4 aansluiten op een massief, vast met het motorblok verbonden metalen onderdeel of direct op het motorblok zelf. Motor starten De motor van de stroomleverende wagen starten en deze stationair laten draaien. Nu de motor van de wagen met de ontladen accu starten. Als de motor niet aanslaat, de startprocedure na circa 10 seconden afbreken en circa een halve minuut later herhalen. De startkabels precies in omgekeerde volgorde van de wagens loskoppelen. De niet-geïsoleerde delen van de poolklemmen mogen in geen geval met elkaar in aanraking komen. Bovendien mag de op de pluspool van de accu aangesloten startkabel niet met elektrisch geleidende delen van de wagen in aanraking komen - gevaar voor kortsluiting! De startkabel niet op de minpool van de ontladen accu aansluiten. Door vonkvorming bij het starten zou knalgas dat uit de accu stroomt, kunnen ontsteken. De startkabels zodanig aanbrengen, dat deze niet door draaiende delen in de motorruimte kunnen worden gegrepen. Niet over de accu's heen buigen - gevaar voor etsende werking! De sluitdoppen van de accucellen moeten zijn vastgeschroefd. Ontstekingsbronnen (open verlichting, brandende sigaretten enz.) uit de buurt van de accu houden - gevaar voor explosie! Nooit starthulp gebruiken bij accu's met een te laag elektrolytpeil - explosiegevaar en gevaar door bijtende werking! Pluspolen met elkaar verbinden Het ene uiteinde A1 afb. 183 aansluiten op de pluspool van de ontladen accu A. Het andere uiteinde A2 aansluiten op de pluspool van de stroomleverende accu AB.

218 217 Starthulp bij wagens met start-stopsysteem Bij wagens met start-stopsysteem mag de minkabel van de acculader nooit direct op de massapool van de wagenaccu worden aangesloten, maar uitsluitend op het massapunt van de motor afb Wagen afslepen Algemeen Afb. 184 Starthulp bij wagens met startstopsysteem Wagens met schakelbak kunnen me een sleepkabel resp. een sleepstang of met opgeheven voor- of achteras worden afgesleept. Wagens met automatische versnellingsbak kunnen met een sleepkabel resp. een sleepstang of met opgeheven vooras worden afgesleept. Als de wagen wordt gesleept met een opgeheven achteras, wordt de automatische versnellingsbak beschadigd! Wagens met 4-wielaandrijving kunnen met een sleepkabel resp. een sleepstang of met opgeheven vooras worden afgesleept. Het gemakkelijkst en veiligst rijdt u met een sleepstang. Alleen als er geen geschikte sleepstang beschikbaar is, moet een sleepkabel worden gebruikt. Bij het afslepen de volgende aanwijzingen in acht nemen: Bestuurder van de trekkende wagen De koppeling bij het wegrijden uiterst voorzichtig laten opkomen resp. bij een automatische versnellingsbak bijzonder voorzichtig gas geven. Bij wagens met schakelbak pas gas geven als de kabel strak staat. De maximumsleepsnelheid bedraagt 50 km/h. Bestuurder van de getrokken wagen Het contact inschakelen zodat het stuurwiel niet kan blokkeren en de knipperlichten, de claxon, de ruitenwissers en de ruitensproeierinstallatie kunnen worden ingeschakeld. Uit de versnelling schakelen resp. bij een automatische versnellingsbak keuzehendelstand N inschakelen. In acht nemen dat de rembekrachtiging en de stuurbekrachtiging alleen maar werken als de motor draait. Bij stilstaande motor moet het rempedaal met aanzienlijk meer kracht worden ingedrukt en is voor het sturen veel meer kracht nodig. Let bij het gebruik van een sleepkabel erop dat de kabel altijd strak blijft staan. Voorzichtig! De motor niet proberen te starten door de wagen aan te slepen - gevaar voor motorschade. Bij wagens met katalysator kan onverbrande brandstof in de katalysator terechtkomen en hierin tot ontbranding komen. Dit zou tot ernstige beschadiging van de katalysator leiden. Als starthulp kunt u de accu van een andere wagen gebruiken bladzijde 215, Starthulp. Als er door een defect geen versnellingsbakolie meer in de versnellingsbak zit, mag de wagen alleen met opgetakelde aangedreven wielen of met een autoambulance resp. aanhangwagen worden vervoerd. Als normaal slepen niet mogelijk is of als de sleepafstand groter is dan 50 km, moet de wagen op een speciaal transportvoertuig of een aanhangwagen worden vervoerd. De sleepkabel moet elastisch zijn, zodat beide wagens niet aan schokbelastingen worden blootgesteld. Daarom alleen kunststofvezel kabels of kabels van soortgelijk elastisch materiaal gebruiken. U dient er altijd op te letten dat er geen ontoelaatbare trekkrachten en geen schokbelastingen optreden. Bij het slepen over onverharde wegen bestaat altijd het gevaar, dat de bevestigingsdelen te zwaar worden belast en beschadigd raken. De sleepkabel resp. sleepstang alleen aan de hiervoor bestemde sleepogen bevestigen bladzijde 218, Sleepoog voor resp. bladzijde 219, Sleepoog achter. Voor het slepen is een zekere ervaring nodig. Beide bestuurders moeten met de bijzonderheden van het slepen vertrouwd zijn. Bestuurders die daarmee geen ervaring hebben, kunnen beter niet afslepen of worden afgesleept. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

219 218 Bij het afslepen resp. aanslepen van de wagen de nationale wettelijke bepalingen in acht nemen, vooral met betrekking tot de in te schakelen signalering De sleepkabel mag niet zijn verdraaid, omdat onder bepaalde omstandigheden het sleepoog voorop uw wagen zou kunnen worden losgedraaid. Voorste sleepoog Octavia RS en Octavia Scout Het sleepoog bevindt zich in de box van het wagengereedschap. Sleepoog voor Het sleepoog bevindt zich in de box van het wagengereedschap. Afb. 186 Voorbumper Octavia RS: Rooster / Octavia Scout: Afdekking Afb. 185 Voorbumper: Rooster / montage van het sleepoog De afdekking voorzichtig als volgt verwijderen. Een vinger in de opening A steken afb De afdekking eerst aan de bovenzijde bij de mistlamp losmaken door te trekken in pijlrichting A1. Vervolgens de afdekking in pijlrichting A2 ook aan de andere zijde losmaken en verwijderen. Het sleepoog met de hand linksom tot de aanslag vastdraaien afb rechts en stevig vastzetten. Voor het vastzetten adviseren wij bijvoorbeeld de wielsleutel, het bevestigingsoog van een andere wagen of een gelijksoortig voorwerp te gebruiken dat door het oog kan worden gestoken. Om de afdekking na het verwijderen van het sleepoog weer aan te brengen, deze eerst aan de zijde van het kenteken bevestigen. Vervolgens de afdekking aan de zijde van de mistlamp op zijn plaats drukken. De afdekking moet correct vastklikken. Voorzichtig! Het sleepoog moet altijd tot de aanslag worden vastgedraaid en stevig worden vastgezet, anders kan het sleepoog bij het af- of aanslepen losraken! Octavia RS Een vinger in de opening A van het rooster steken afb De afdekking ontgrendelen en verwijderen door te trekken in pijlrichting A1. Het sleepoog met de hand linksom tot de aanslag vastdraaien afb rechts en zo stevig mogelijk vastzetten. Na het eruit draaien van het sleepoog de afdekking aanbrengen en vastdrukken. De afdekking moet correct vastklikken. Octavia Scout Op het bovenste gedeelte van de afdekking drukken AB en deze verwijderen. Het sleepoog met de hand linksom tot de aanslag vastdraaien afb rechts en zo stevig mogelijk vastzetten. Voor het vastdraaien adviseren wij bijvoorbeeld de wielsleutel, het bevestigingsoog van een andere wagen of een gelijksoortig voorwerp te gebruiken dat door het oog kan worden gestoken. Na het eruit draaien van het sleepoog de afdekking aanbrengen en vastdrukken. De afdekking moet correct vastklikken. Voorzichtig! Het sleepoog moet altijd tot de aanslag worden vastgedraaid en stevig worden vastgezet, anders kan het sleepoog bij het af- of aanslepen losraken.

220 219 Sleepoog achter Afb. 187 Achterbumper: Afdekking verwijderen / Achterbumper: Aanbrengen van het sleepoog Het onderste gedeelte van de afdekking ontgrendelen door dit in pijlrichting omlaag te trekken afb A1 Het bovenste gedeelte van de afdekking ontgrendelen en verwijderen door te trekken in pijlrichting A2. Het sleepoog met de hand linksom tot de aanslag vastdraaien afb rechts en zo stevig mogelijk vastzetten. Voor het vastdraaien adviseren wij bijvoorbeeld de wielsleutel, het bevestigingsoog van een andere wagen of een gelijksoortig voorwerp te gebruiken dat door het oog kan worden gestoken. Om de afdekking na het verwijderen van het sleepoog weer aan te brengen, deze eerst met het bovenste gedeelte bevestigen en vervolgens het onderste gedeelte vastdrukken. De afdekking moet correct vastklikken. Voorzichtig! Het sleepoog moet altijd tot de aanslag worden vastgedraaid en stevig worden nagetrokken, anders kan het sleepoog bij het af- of aanslepen losraken. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

221 220 Zekeringen en gloeilampjes Zekeringen en gloeilampjes Elektrische zekeringen Zekeringen in het dashboard vervangen Defecte zekeringen moeten worden vervangen. Afb. 188 Deksel zekeringhouder: Linkerzijde van het dashboard Kleurcode van de zekeringen Kleurcode Max. stroomsterkte in ampère Lichtbruin 5 Bruin 7,5 Rood 10 Blauw 15 Geel 20 Wit 25 Groen 30 Oranje 40 Rood 50 De afzonderlijke stroomkringen zijn door middel van smeltzekeringen beveiligd. De zekeringen bevinden zich aan de linkerzijde van het dashboard achter het deksel van de zekeringenhouder en onder het deksel links in de motorruimte. Het contact en de betreffende stroomverbruiker uitschakelen. Het deksel van de zekeringenhouder aan de zijkant van het dashboard m.b.v. een schroevendraaier afb. 188 resp. het deksel van de zekeringenhouder in de motorruimte bladzijde 220 verwijderen. Vaststellen welke zekering bij de betreffende verbruiker hoort bladzijde 222, Zekeringenoverzicht in het dashboard of bladzijde 221, Zekeringenoverzicht in de motorruimte. De kunststof klem uit de houder in het zekeringendeksel trekken, deze op de betreffende zekering plaatsen en de zekering lostrekken. Defecte zekeringen zijn te herkennen aan het gesmolten metaalstripje. De doorgebrande zekering door een nieuwe zekering met hetzelfde ampèrage vervangen. Het deksel van de zekeringenhouder weer plaatsen. Wij adviseren steeds een doosje met reservezekeringen in de auto mee te nemen. Reservezekeringen zijn verkrijgbaar uit het originele Škoda accessoireprogramma resp. bij een specialist. Voorzichtig! Zekeringen niet repareren en ook niet vervangen door zwaardere - brandgevaar! Bovendien kunnen andere delen van de elektrische installatie worden beschadigd. Als een nieuw geplaatste zekering na korte tijd weer doorbrandt, moet de elektrische installatie zo snel mogelijk door een specialist worden gecontroleerd. Zekeringendeksel in de motorruimte Afb. 189 Zekeringendeksel in de motorruimte

222 Zekeringen en gloeilampjes 221 Bij enkele wagens moet voor het verwijderen van het zekeringendeksel de accuafdekking worden uitgebouwd bladzijde 197. Zekeringendeksel uitbouwen De vergrendelingsbeugels A bladzijde 220, afb. 189 tot de aanslag verschuiven, achter de vergrendelingsbeugel verschijnt het symbool, en het deksel verwijderen. Zekeringendeksel inbouwen Het zekeringendeksel op de zekeringenbox aanbrengen en de vergrendelingsbeugels A tot de aanslag schuiven - achter de beugel wordt het symbool zichtbaar. Voorzichtig! Bij het ont- en vergrendelen van het zekeringendeksel moet dit aan de zijkanten naar de box worden gedrukt, anders kan het vergrendelingsmechanisme worden beschadigd. Het zekeringendeksel in de motorruimte zorgvuldig aanbrengen. Als het deksel niet correct wordt aangebracht, kan water bij de zekeringen komen, waardoor schade aan de wagen optreedt! Zekeringenoverzicht in de motorruimte Afb. 190 Schematische weergave van de zekeringenhouder in de motorruimte Enkele van de genoemde verbruikers behoren alleen standaard bij bepaalde typeuitvoeringen of zijn alleen voor bepaalde types als meeruitvoering leverbaar. Nr. F1 Verbruiker Vrij F2 Regelapparaat voor automatische versnellingsbak DQ 200 F3 F4 F5 F6 F7 F8 F9 F10 F11 F12 F13 F14 F15 F16 F17 F18 F19 F20 F21 F22 F23 Diagnosekabel Kleppen voor ABS Regelapparaat voor automatische versnellingsbak Instrumentenpaneel, ruitenwisserhendel en knipperlichthendel Voeding contact 15, startmotor Radio Vrij Motorregelapparaat, hoofdrelais Regelapparaat voor extra verwarming Regelapparaat voor CAN-bus Motorregelapparaat Contact Lambdasonde Relais voorgloeisysteem Centraal regelapparaat, koplamp rechts, achterlichtunit rechts Claxon Versterker voor digitale soundprocessor Ruitenwissers voor Waterpomp Klep voor brandstofdosering Lambdasonde Onderdrukpomp Koppelingspedaalschakelaar, rempedaalschakelaar Secundaire-luchtpomp Luchtmassameter Hogedrukbrandstofpomp Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

223 222 Zekeringen en gloeilampjes Nr. F24 F25 F26 F27 F28 Abbsorptie-koolfilter, uitlaatgasrecirculatieklep Pomp voor ABS Centraal regelapparaat, koplamp links, achterlichtunit links Secundaire-luchtpomp Voorgloeisysteem Vrij F29 Voeding contact 30 F30 Contact X a) a) Om bij het starten van de motor de accu niet onnodig te belasten, worden de stroomverbruikers op dit contact automatisch uitgeschakeld. Zekeringenoverzicht in het dashboard Enkele van de genoemde verbruikers behoren alleen standaard bij bepaalde typeuitvoeringen of zijn alleen voor bepaalde types als meeruitvoering leverbaar. Nr. Verbruiker Verbruiker 1 Diagnoseaansluiting, motorregelapparaat, elektrische brandstofpomp 2 Regelapparaat voor ABS, ESP 3 Airbag 4 Verwarming, airconditioning, achteruitrijlampen Afb. 191 Schematische weergave van de zekeringenhouder in het dashboard Nr. 5 Regelapparaat voor lichtbundelhoogteverstelling 6 7 Vrij 8 Vrij 9 Vrij 10 Vrij 11 Vrij Instrumentenpaneel, regelapparaat voor automatische versnellingsbak, regelapparaat voor elektromechanische stuurbekrachtiging, parkeerhulp, Haldex-koppeling 12 Regelapparaat voor centrale vergrendeling 13 Diagnoseaansluiting, lichtschakelaar 14 Regelapparaat voor automatische versnellingsbak, keuzehendelblokkering 15 Centraal regelapparaat - binnenverlichting 16 Climatronic 17 Vrij 18 Achterruitwisser 19 Regelapparaat voor aanhangwagenherkenning 20 Vrij 21 Bochtenverlichting linker- en rechterzijde 22 Aanjager voor Climatronic 23 Ruitbediening voor 24 Sigarettenaansteker 25 Verbruiker Achterruitverwarming Achterruitverwarming, extra verwarming (interieurvoorverwarming en -ventilatie) 26 Stopcontact in bagageruimte 27 Brandstofpomprelais, verstuivers (dieselmotor)

224 Zekeringen en gloeilampjes 223 Nr. Verbruiker 28 Radio 29 Motorregelapparaat, verwarming voor carterontluchting 30 Regelapparaat voor automatische versnellingsbak 31 Onderdrukpomp 32 Ruitbediening achter 33 Elektrisch schuif-kanteldak 34 Regelapparaat voor comfortfuncties 35 Alarmsysteem 36 Koplampsproeiers 37 Stoelverwarming voor 38 Stoelverwarming achter 39 Instrumentenpaneel, ruitenwisserhendel en knipperlichthendel 40 Aanjager voor verwarming en airconditioning 41 Vrij 42 Vrij 43 Trekhaak 44 Trekhaak 45 Trekhaak 46 Stoelverwarming 47 Relais voor extra verwarming 48 Telefoon 49 Lichtschakelaar Elektrisch verstelbare stoelen zijn beveiligd door automatische zekeringen, die na het verhelpen van de overbelasting na enkele seconden automatisch weer worden ingeschakeld. Gloeilampjes Gloeilampjes vervangen Vóór het vervangen van een gloeilampje moet altijd eerst de betreffende lichtbron worden uitgeschakeld. Defecte gloeilampjes mogen alleen worden vervangen door gloeilampjes van hetzelfde type. De typeaanduiding staat op de lampvoet of op het glas van de lamp. De vervanging van enkele gloeilampjes kan niet zelf worden uitgevoerd, omdat hiervoor specialistische kennis nodig is. Om de gloeilampjes te kunnen vervangen, moeten andere delen van de auto worden gedemonteerd. Dit geldt vooral voor gloeilampjes die alleen vanuit de motorruimte bereikbaar zijn. Wij adviseren dan ook deze gloeilampjes door een geautoriseerde Škoda Servicepartner te laten vervangen of in noodgevallen de hulp van een specialist in te roepen. De motorruimte van de wagen is een gevaarlijke omgeving bladzijde 190, Werkzaamheden in de motorruimte. Wij adviseren steeds een doosje met reservelampjes in de auto mee te nemen. Reservelampjes kunt u uit het originele Škoda accessoireprogramma resp. bij een specialist verkrijgen. Er bevindt zich een bergruimte voor de lampjes in de box in het reservewiel. Wagens met xenonlicht Bij wagens met xenonlicht moet het vervangen van de lampjes (dim-, stads- en grootlicht) door een specialist worden uitgevoerd. Lampen-overzicht Koplampen voor Halogeenkoplamp Xenonkoplamp Dimlicht H7 D1S Grootlicht H1 Stadslicht W5W/W5W BL Dagrijverlichting PY21W SLL/LED a) Knipperlichten PY21W Mistlampen H8/HB4 a) a) Octavia RS, Octavia Scout Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

225 224 Zekeringen en gloeilampjes Achterlichtunit (Octavia) Achteruitrijlampen Knipperlichten Duplolamp voor het rem- en achterlicht Duplolamp voor het mistachterlicht en achterste stadslicht. Stadslicht Achterlichtunit (Combi) Achteruitrijlamp, remlicht, stadslicht en mistachterlicht Knipperlichten Stadslicht Lamp P21W PY21W P21/4W P21/4W W3W Lamp P21W PY21W W3W Vervolg Wij adviseren bij het vervangen van gloeilampjes handschoenen en een veiligheidsbril te dragen. Bij gasontladingslampen (xenonlicht) mag alleen door specialisten aan het hoogspanningsgedeelte worden gewerkt - levensgevaar! Voorzichtig! Het lampglas van het gloeilampje niet met blote vingers aanraken (ook de kleinste vervuiling vermindert de werkingsduur van het gloeilampje). Een schone doek, servet of dergelijke gebruiken. In deze handleiding is alleen maar het vervangen van die lampen beschreven waarbij dat zonder complicaties mogelijk is. Het vervangen van de andere gloeilampjes moet aan een specialist worden overgelaten. Overige Zijdelingse knipperlichten Kentekenplaatverlichting Lamp Gloeilampjes H7 en H4 staan onder druk en kunnen bij vervanging van het gloeilampje springen - gevaar voor verwondingen! Led C5W 3. Remlichten Led Instapverlichting Binnenverlichting voor Leeslampjes Binnenverlichting achterin Bagageruimteverlichting Portierwaarschuwingslampje Lampje in dashboardkastje W5W C10W W5W C10W W5W C5W C3W Koplampen voor Posities van de gloeilampjes in de koplamp afb A - Knipperlicht voor AB - Stadslicht en dimlicht AC - Grootlicht Afb. 192 Koplampen: Inbouwpositie van de lampjes

226 Zekeringen en gloeilampjes 225 Uitbouwen van de koplamp Knipperlicht voor Afb. 193 Koplampen: Inbouwpositie van de lampjes Afb. 194 Uitbouwen van het gloeilampje voor het knipperlicht voor Om het gloeilampje van het stadslicht, dimlicht en grootlicht te vervangen, moet de koplamp worden uitgebouwd. Uitbouwen van de koplamp Het contact en alle verlichting uitschakelen. De motorkap openen bladzijde 189. De kunststof moer A afb. 193 losdraaien. De borging AB naar boven trekken. De borghendel van de koplamp tot de aanslag in pijlrichting A1 trekken. De stekker losmaken en de koplamp voorzichtig in pijlrichting A2 verwijderen. Het inbouwen gebeurt in omgekeerde volgorde. Na het inbouwen van de koplamp moet de koplampafstelling door een specialist worden gecontroleerd. Gloeilampje van knipperlicht voor vervangen Het contact en alle verlichting uitschakelen. De koplamp uitbouwen bladzijde 225. De fitting in pijlrichting OPEN draaien en deze samen met het gloeilampje voor het knipperlicht verwijderen afb De defecte gloeilamp in de fitting drukken, naar links draaien en verwijderen. Een nieuwe gloeilamp in de fitting drukken en het gloeilampje tot de aanslag naar rechts draaien. De fitting met de vervangen gloeilamp aanbrengen en borgen door hem in pijlrichting CLOSE naar rechts te draaien. Na het inbouwen van de koplamp moet de koplampafstelling door een specialist worden gecontroleerd. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

227 226 Zekeringen en gloeilampjes Stadslicht voor en dimlicht Na het inbouwen van de koplamp moet de koplampafstelling door een specialist worden gecontroleerd. Grootlicht Afb. 195 Uitbouwen van de gloeilampjes voor stads- en dimlicht Uitbouwen van het gloeilampje voor stadslicht Het contact en alle verlichting uitschakelen. De koplamp uitbouwen bladzijde 225. Beschermkap AB verwijderen bladzijde 224, afb Fitting A verwijderen afb De defecte lamp uit de fitting verwijderen en een nieuwe aanbrengen. De beschermkap terugplaatsen. Uitbouwen van het gloeilampje voor dimlicht Het contact en alle verlichting uitschakelen. De koplamp uitbouwen bladzijde 225. Beschermkap AB verwijderen bladzijde 224, afb De stekker met het gloeilampje AB tot de aanslag naar links draaien en eruitnemen afb Het lampje vervangen, de stekker met het nieuwe lampje erin plaatsen en tot de aanslag naar rechts draaien. De beschermkap terugplaatsen. Het contact en alle verlichting uitschakelen. De koplamp uitbouwen bladzijde 225. Beschermkap AC verwijderen bladzijde 224, afb De stekker A afb. 196 lostrekken. De draadbeugel AB in de richting van de koplamp drukken en naar de zijkant loshaken. Gloeilampje AC verwijderen en een nieuwe aanbrengen. De grendelnokken van de sokkel van het gloeilampje moeten hierbij in de uitsparingen op de reflector passen. Het inbouwen gebeurt in omgekeerde volgorde. Afb. 196 Uitbouwen van het gloeilampje voor grootlicht Na het inbouwen van de koplamp moet de koplampafstelling door een specialist worden gecontroleerd. Om het verwijderen van de fitting met het lampje voor stadslicht te vergemakkelijken, adviseren wij om eerst de stekker van het lampje voor dimlicht los te nemen.

228 Zekeringen en gloeilampjes 227 Mistlampen en dagrijverlichting Om de afdekking weer aan te brengen eerst een deel van de afdekking monteren, te beginnen aan de zijde van het kenteken. Vervolgens de afdekking aan de zijde van de mistlamp op zijn plaats drukken. De afdekking moet correct vastklikken. Afdekking van de mistlampen Octavia RS, Octavia Scout Afb. 197 Voorbumper: Rooster / uitbouwen van de mistlamp Stekker AB - Gloeilampje voor dagrijverlichting afb Stekker AC - Gloeilampje voor mistlamp. Uitbouwen van de afdekking Het contact en alle verlichting uitschakelen. Een vinger in de opening A steken afb Door te trekken in pijlrichting A1 de afdekking eerst aan de bovenzijde bij de mistlamp losmaken. Vervolgens de afdekking in pijlrichting A2 ook aan de andere zijde losmaken en verwijderen. Mistlamp uitbouwen Een hand in de opening steken waarin de afdekking zich bevond en de veerlip afb rechts indrukken. De mistlamp verwijderen. De stekker met het gloeilampje tot de aanslag naar links draaien en eruitnemen. Het lampje vervangen, de stekker met het nieuwe lampje erin plaatsen en tot de aanslag naar rechts draaien. Bij het inbouwen de mistlamp eerst met de vergrendeling aan die zijde aanbrengen, die het verst van de kentekenplaat is verwijderd. De mistlamp aan de zijde van het kenteken op zijn plaats drukken. Afb. 198 Voorbumper: Octavia RS / Octavia Scout Verwijderen van de afdekking - Octavia RS Het contact en alle verlichting uitschakelen. Een vinger in de opening A1 afb. 198 steken en de afdekking eruitnemen. Verwijderen van de afdekking - Octavia Scout Het contact en alle verlichting uitschakelen. De draadbeugel uit het wagengereedschap in de opening A2 boven de mistlamp steken en de afdekking eruitnemen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

229 228 Zekeringen en gloeilampjes Mistlampen Octavia RS, Octavia Scout Kentekenplaatverlichting Afb. 200 Kentekenplaatverlichting uitbouwen Afb. 199 Voorbumper: Mistlamp / Mistlamp: Gloeilampje vervangen Mistlamp uitbouwen Met behulp van de schroevendraaier uit het wagengereedschap 21) de schroeven eruit draaien afb links. De mistlamp verwijderen. Gloeilampje vervangen en mistlamp inbouwen De vergrendeling A1 van de stekker A indrukken en de stekker van de fitting AB losnemen. De fitting AB met het lampje tot de aanslag naar links draaien en deze eruitnemen. Het lampje vervangen, de fitting met het nieuwe lampje aanbrengen en deze tot de aanslag naar rechts draaien. De stekker A aansluiten op de fitting AB. De schroeven weer erin schroeven en de afdekking aanbrengen. De afdekking moet correct vastklikken. De achterklep openen en het lampglas losschroeven afb Het defecte lampje uit de houder nemen en een nieuw lampje plaatsen. Het lampglas weer aanbrengen en vastdrukken tot de aanslag - op de juiste plaatsing van het afdichtrubber letten. Het lampglas licht vastdraaien. Achterlichtunit (Octavia) Afb. 201 Bagageruimte: Afdekking voor de lamphouder / Uitbouwen van de lamphouder 21) Geldt voor Octavia RS en Octavia Scout. Gloeilampjes in de lamphouder vervangen Het contact en alle verlichting uitschakelen. De borging ontgrendelen en de afdekking van de lamphouder openen afb links.

230 Zekeringen en gloeilampjes 229 De grendelnokken in pijlrichting drukken en de lamphouder verwijderen bladzijde 228, afb rechts. De defecte gloeilamp in de fitting drukken, naar links draaien en verwijderen. Een nieuwe gloeilamp in de fitting drukken en het gloeilampje tot de aanslag naar rechts draaien. De lamphouder zodanig aanbrengen dat de grendelnokken in de behuizing vergrendelen. De afdekking van de lamphouder sluiten en vergrendelen. Gloeilamp voor stadsverlicht vervangen Het contact en alle verlichting uitschakelen. De borging ontgrendelen en de afdekking van de lamphouder openen bladzijde 228, afb links. De defecte gloeilamp (pijl A1, resp. A2 ) uit het huis nemen en vervangen door een nieuwe. De afdekking van de lamphouder sluiten en vergrendelen. De grendelnok in pijlrichting drukken en de lamphouder verwijderen afb rechts. De defecte gloeilamp in de fitting drukken, naar links draaien en verwijderen. Een nieuwe gloeilamp in de fitting drukken en het gloeilampje tot de aanslag naar rechts draaien. De lamphouder zodanig aanbrengen dat de grendelnokken in de behuizing vergrendelen. Het gloeilampje van het stadslicht achter (pijl A1 en A2 ) eruitnemen. De afdekking van de lamphouder sluiten. Gloeilamp voor stadsverlicht vervangen Het contact en alle verlichting uitschakelen. De afdekking van de lamphouder openen afb links. De defecte gloeilamp (pijl A1, resp. A2 ) uit het huis nemen en vervangen door een nieuwe. De afdekking van de lamphouder sluiten. Achterlichtunit (Combi) Afb. 202 Bagageruimte: Afdekking voor de lamphouder / Uitbouwen van de lamphouder Gloeilampjes in de lamphouder vervangen Het contact en alle verlichting uitschakelen. De afdekking van de lamphouder openen afb links. De gloeilampjes van het achterlicht (pijl A1 en A2 ) eruitnemen. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

231 230 Zekeringen en gloeilampjes

232 231 Algemene aanwijzingen De gegevens op het kentekenbewijs hebben voorrang boven de gegevens in de handleiding. Met welke motor uw wagen is uitgerust, kunt u zien op het kentekenbewijs of navragen bij een geautoriseerde Škoda Servicepartner. Gebruikte afkortingen Rijprestaties De rijprestaties zijn bepaald zonder prestatieverminderende meeruitvoeringen zoals bijvoorbeeld airconditioning. Gewicht Afkorting kw 1/min Nm g/km TSI TDI PD TDI CR M5/M6 AG6 DQ6/DQ7 DPF N1 Betekenis Kilowatt, eenheid voor het motorvermogen Omwentelingen per minuut van de motor Newtonmeter, eenheid voor het motorkoppel Uitgestoten hoeveelheid koolstofdioxide in gram per gereden kilometer Benzinemotor met turbo en een brandstofsysteem met directe inspuiting Dieselmotor met turbo en pomp-verstuiver inspuitsysteem Dieselmotor met turbo en common-railinspuitsysteem 5-versnellings /6 versnellings schakelbak 6-traps automaat 6-traps/7-traps DSG automaat Roetfilter Voertuigen van deze categorie zijn ontworpen en geproduceerd voor het vervoer van goederen met een maximaalgewicht van 3,5 ton Afb. 203 Typeplaatje Het aangegeven leeggewicht dient alleen ter oriëntatie. Het is gebaseerd op de basisuitrusting van de wagen zonder verdere meeruitvoeringen en accessoires. Het leeggewicht is bepaald met een bestuurder van 75 kg en een voor 90 % gevulde brandstoftank. Uit het verschil tussen het maximaal toelaatbaar gewicht en het leeggewicht is het mogelijk bij benadering het laadvermogen te bepalen. Bij het laadvermogen moet rekening worden gehouden met: medepassagiers, alle bagage en overige belading, bagage op het dak, incl. dakdragersysteem, bij gebruik van de trekhaak de betreffende kogeldruk (max. 75 kg). De volgende informatie staat vermeld op het typeplaatje afb. 203: Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

233 232 A1 Maximaal toelaatbaar gewicht A2 Het maximaal toelaatbaar gewicht van de combinatie bij gebruik van een aanhangwagen A3 Maximaal toelaatbare voorasbelasting A4 Maximaal toelaatbare achterasbelasting Het typeplaatje bevindt zich aan bestuurderszijde onderaan de stijl tussen de vooren achterportieren. Het maximaal toelaatbaar gewicht mag niet worden overschreden - gevaar voor ongevallen en beschadiging! Identificatiegegevens Voertuigidentificatienummer (VIN) Het voertuigidentificatienummer - VIN (chassisnummer) is in de motorruimte ingeslagen op de rechterveerpootsteun. Dit nummer staat ook op een plaatje in de linkeronderhoek van de voorruit. Motornummer Het motornummer is ingeslagen op het motorblok. Typeplaatje (productieplaatje) Het typeplaatjes bevindt zich onderaan op de linkermiddenstijl. Sticker op de tankklep De sticker bevindt zich aan de binnenzijde van de tankklep en bevat de volgende informatie: voorgeschreven brandstofsoort, bandenmaat, bandenspanningswaarden. Brandstofverbruik volgens ECE-normen en EGrichtlijnen In de praktijk kunnen, afhankelijk van meeruitvoering, rijstijl, verkeerssituatie, weersomstandigheden en toestand van de wagen, brandstofverbruikswaarden ontstaan die van de aangegeven waarden afwijken. Afb. 204 Sticker met wagengegevens Sticker met wagengegevens De sticker met wagengegevens afb. 204 bevindt zich op de bodem van de bagageruimte en is ook in het Serviceplan geplakt. Op de sticker met wagengegevens staan de volgende gegevens: A1 Voertuigidentificatienummer (VIN) A2 Model A3 Versnellingsbakcode, laknummer, interieuruitvoering, motorvermogen, motorcode A4 Gedeeltelijke beschrijving van de wagen A5 7GG, 7MB, 7MG - wagens met roetfilter bladzijde 169 Stadsverkeer De verbruiksmeting bij stadsverkeer begint met het starten van de koude motor. Vervolgens wordt een rit in normaal stadsverkeer gesimuleerd. Buitenwegen Bij de verbruiksmeting op buitenwegen wordt, net als in de dagelijkse praktijk, meerdere malen in alle versnellingen geaccelereerd en afgeremd. De rijsnelheid varieert daarbij tussen 0 en 120 km/h. Gecombineerd verbruik Het gecombineerd verbruik bestaat voor 37 % uit de waarde voor stadsverkeer en voor 63 % uit de waarde voor op buitenwegen.

234 233 Afmetingen Afmetingen (in mm) OCTAVIA OCTAVIA GreenLine OCTAVIA RS COMBI COMBI GreenLine COMBI RS COMBI 4x4 SCOUT Lengte Breedte Breedte incl. de buitenspiegels Hoogte Bodemvrijheid a) 1449 b) a) 125 b) b) b) a) 1455 b) a) 125 b) b) b) a) a) 179 Wielbasis Spoorbreedte voor/achter 1541/ / / / / / / /1500 a) b) De waarde is van toepassing op het pakket voor slechte wegen. De waarde is van toepassing op het SPORT-pakket. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

235 234 Motoroliespecificaties De motoroliesoort is volgens exacte specificaties bepaald. Af fabriek is de motor met een kwalitatief hoogwaardige olie gevuld, die - behalve in extreem koude klimaatzones - het hele jaar kan worden gebruikt. Bij het bijvullen kunnen verschillende oliën met elkaar worden gemengd. Dit geldt niet voor wagens met variabele service-intervallen (QG1). Motorolie wordt continu verder ontwikkeld. Alle gegevens in dit instructieboekje komen overeen met de stand van de gegevens ten tijde van het ter perse gaan van deze brochure. De geautoriseerde Škoda Servicepartners zijn door Škoda Auto over actuele wijzigingen geïnformeerd. Daarom het olieverversen door een geautoriseerde Škoda Servicepartner laten uitvoeren. De hierna aangegeven specificaties (VW-normen) moeten afzonderlijk of in combinatie met andere specificaties op de verpakking staan. Motoroliespecificaties voor wagens met variabele service-intervallen (QG1) Benzinemotoren Specificatie Inhoud a) 1,2 l/77 kw - EU5 VW ,6 1,4 l/59 kw - EU4 VW , VW ,2 1,4 l/90 kw TSI - EU5 VW , VW ,6 1,6l/75kW - EU4, EU2 VW , VW ,5 1,6 l/75 kw MultiFuel - EU4, EU2 VW , VW ,5 1,8 l/118 kw TSI - EU5, EU2 DDK 1,8 l/112 kw TSI - EU5 VW ,6 2,0 l/147 kw TSI - EU5 VW ,6 a) Olievulhoeveelheid met vervangen oliefilter. Motoroliepeil bij het vullen controleren, niet te veel bijvullen. Het motoroliepeil moet tussen de markeringen staan bladzijde 191. Dieselmotoren Specificatie Inhoud a) 1,6 l/77 kw TDI CR - EU5 VW ,3 1,9 l/77 kw TDI PD - EU4, EU3 VW , VW ,8 1,9 l/77 kw TDI PD DPF - EU4 VW ,3 2,0 l/81 kw TDI CR - EU4, EU5 VW ,3 2,0 l/103 kw TDI CR DPF - EU4, EU5 VW ,3 2,0 l/125 kw TDI CR - EU5 VW ,3 Motoroliespecificaties voor wagens met vaste service-intervallen (QG2) Benzinemotoren Specificatie Inhoud a) 1,2 l/77 kw - EU5 VW ,6 1,4 l/59 kw - EU4 VW , VW ,2 1,4 l/90 kw TSI - EU5 VW , VW ,6 1,6l/75kW - EU4, EU2 VW , VW ,5 1,6 l/75 kw MultiFuel - EU4, EU2 VW ,5 1,8 l/118 kw TSI - EU5, EU2 DDK 1,8 l/112 kw TSI - EU5 VW ,6 2,0 l/147 kw TSI - EU5 VW ,6 a) Olievulhoeveelheid met vervangen oliefilter. Motoroliepeil bij het vullen controleren, niet te veel bijvullen. Het motoroliepeil moet tussen de markeringen staan bladzijde 191. Indien de hierboven genoemde oliën niet beschikbaar zijn, kan voor het eenmalig bijvullen een olie met ACEA A2 resp. ACEA A3 specificatie worden gebruikt. Dieselmotoren Specificatie Inhoud a) 1,6 l/77 kw TDI CR - EU5 VW ,3 1,9 l/77 kw TDI PD - EU4, EU3 VW ,8 1,9 l/77 kw TDI PD DPF - EU4 VW ,3

236 235 Dieselmotoren Specificatie Inhoud a) 2,0 l/81 kw TDI CR - EU4, EU5 VW ,3 2,0 l/103 kw TDI CR DPF - EU4, EU5 VW ,3 2,0 l/125 kw TDI CR - EU5 VW ,3 Indien de hierboven genoemde oliën niet beschikbaar zijn, kan voor het eenmalig bijvullen een olie met ACEA B3 resp. ACEA B4 specificatie worden gebruikt. Voorzichtig! Voor wagens met variabele service-intervallen (QG1) mogen alleen de hiervoor genoemde oliën worden gebruikt. Om de eigenschappen van de motorolie te behouden, adviseren wij voor het bijvullen alleen oliën met dezelfde specificatie te gebruiken. In uitzonderingsgevallen mag maximaal 0,5 l motorolie met de specificatie VW (alleen benzinemotoren) resp. de specificatie VW (alleen dieselmotoren) worden bijgevuld. Andere motoroliën mogen niet worden gebruikt - gevaar voor schade aan de motor! Voor een langere rit adviseren wij motorolie overeenkomstig de specificatie voor uw wagen mee te nemen. Hierdoor heeft u altijd de juiste motorolie bij de hand om bij te vullen. Wij adviseren u oliën uit het assortiment originele Škoda onderdelen te gebruiken. Meer informatie - zie het Serviceplan. Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

237 236 Motor 1,2 l/77 kw TSI - EU5 Vermogen (kw bij 1/min) Max. koppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 77/ / /1197 Rijprestaties OCTAVIA M6 OCTAVIA DQ7 COMBI M6 COMBI DQ7 Maximale snelheid (km/h) Acceleratie km/h (s) 10,8 10,8 10,9 10,9 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 (in g/km) Stadsverkeer 7,1 7,0 7,1 7,0 Buitenwegen 4,9 5,2 4,9 5,2 Gecombineerd 5,7 5,9 5,7 5,9 CO 2 -emissie - gecombineerd Gewichten (in kg) Maximaal toelaatbaar gewicht Leeggewicht bedrijfsklaar Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, geremde aanhangwagen Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, niet geremde aanhangwagen 1200 a) /1400 b) (1200 a)b) ) c) 600 a) b) c) Hellingen tot 12 %. Hellingen tot 8 %. Voertuigen van de categorie N1.

238 237 Motor 1,4 l/59 kw - EU4, EU5 Vermogen (kw bij 1/min) Max. koppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 59/ /3800 4/1390 Rijprestaties OCTAVIA EU4 OCTAVIA EU5 COMBI EU4 COMBI EU5 Maximale snelheid (km/h) Acceleratie km/h (s) 14,2 14,3 14,3 14,4 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 (in g/km) Stadsverkeer 9,6 8,5 9,6 8,5 Buitenwegen 5,6 5,1 5,6 5,1 Gecombineerd 7,0 6,4 7,0 6,4 CO 2 -emissie - gecombineerd Gewichten (in kg) Maximaal toelaatbaar gewicht Leeggewicht bedrijfsklaar Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, geremde aanhangwagen Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, niet geremde aanhangwagen a) Hellingen tot 12 %. b) Hellingen tot 8 %. c) Voertuigen van de categorie N a) /1100 b) 600 (900 a)b) ) c) 900 a) /1100 b) 900 a) /1100 b) Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

239 238 Motor 1,4 l/90 kw TSI - EU5 Vermogen (kw bij 1/min) Max. koppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 90/ / /1390 Rijprestaties OCTAVIA M6 OCTAVIA DQ7 COMBI M6 COMBI DQ7 Maximale snelheid (km/h) 203 (205) a) (204) a) 201 Acceleratie km/h (s) 9,7 (9,8) a) 9,7 9,8 (9,9) a) 9,8 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 (in g/km) Stadsverkeer 8,5 (7,2) a) 8,0 8,5 (7,2) a) 8,0 Buitenwegen 5,0 (4,9) a) 5,3 5,0 (4,9) a) 5,3 Gecombineerd 6,3 (5,8) a) 6,3 6,3 (5,8) a) 6,3 CO 2 -emissie - gecombineerd 148 (134) a) (134) a) 147 Gewichten (in kg) Maximaal toelaatbaar gewicht 1910 (1925) a) (1940) a) 1945 Leeggewicht bedrijfsklaar 1310 (1325) a) (1340) a) 1345 Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, geremde aanhangwagen Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, niet geremde aanhangwagen 1200 b) /1400 c) (1200 b)c) ) d) 600 a) De waarde is van toepassing op het Green tec-pakket. b) Hellingen tot 12 %. c) Hellingen tot 8 %. d) Voertuigen van de categorie N1.

240 239 Motor 1,6 l/75 kw - EU2, EU4, EU5 Vermogen (kw bij 1/min) Max. koppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 75/ /3800 4/1595 Rijprestaties OCTAVIA M5 EU4 OCTAVIA M5 EU5 OCTAVIA M5 MultiFuel OCTAVIA AG6 COMBI M5 EU4 COMBI M5 EU5 COMBI M5 MultiFuel Maximale snelheid (km/h) Acceleratie km/h (s) 12,3 14,1 12,4 12,4 12,4 14,2 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 (in g/km) COMBI AG6 Stadsverkeer 10,0 9,6 9,4/13,0 a) 11,2 10,0 9,7 9,6/13,2 a) 11,2 Buitenwegen 5,8 5,5 5,5/7,5 a) 6,1 5,8 5,6 5,7/7,7 a) 6,1 Gecombineerd 7,4 7,1 7,0/9,5 a) 7,9 7,4 7,2 7,2/9,7 a) 7,9 CO 2 -emissie - gecombineerd /157 a) /162 a) 188 Gewichten (in kg) Maximaal toelaatbaar gewicht Leeggewicht bedrijfsklaar Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, geremde aanhangwagen Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, niet geremde aanhangwagen a) Bio-ethanol E85 b) Hellingen tot 12 %. c) Hellingen tot 8 %. d) Voertuigen van de categorie N b) /1400 c) (1200 b)c) ) d) 600 Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

241 240 Motor 1,8 l/118 kw TSI - EU5, EU2 DDK (1,8 l/112 kw TSI - EU5) Vermogen (kw bij 1/min) Max. koppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 118/ (112/ ) a) 250/ (250/ ) a) 4/1798 a) 1,8 l/112 kw TSI Rijprestaties OCTAVIA M6 OCTAVIA DQ7 COMBI M6 COMBI DQ7 COMBI 4x4 M6 SCOUT M6 Maximale snelheid (km/h) 223 (219) a) a) 1,8 l/112 kw TSI b) Hellingen tot 12 %. c) Hellingen tot 8 %. d) Voertuigen van de categorie N (218) a) 218 (214) a) 211 (208) a) Acceleratie km/h (s) 7,8 (8,1) a) 7,9 (8,2) a) 8,1 (8,4) a) 8,4 (8,7) a) Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 (in g/km) Stadsverkeer 9,5 9,1 9,5 9,1 10,3 10,2 Buitenwegen 5,5 5,4 5,5 5,4 6,2 6,4 Gecombineerd 6,9 6,6 6,9 6,6 7,7 7,8 CO 2 -emissie - gecombineerd Gewichten (in kg) Maximaal toelaatbaar gewicht Leeggewicht bedrijfsklaar Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, geremde aanhangwagen Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, niet geremde aanhangwagen 1300 b) /1400 c) (1300 b)c) ) d) b) /1600 c) (1500 b)c) ) d)

242 241 Motor 2,0 l/147 kw TSI - EU5, EU2 DDK Vermogen (kw bij 1/min) Max. koppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 147/ / /1984 Rijprestaties OCTAVIA RS M6 OCTAVIA RS DQ6 COMBI RS M6 COMBI RS DQ6 Maximale snelheid (km/h) Acceleratie km/h (s) 7,2 7,2 7,3 7,3 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 (in g/km) Stadsverkeer 10,2 10,4 10,2 10,4 Buitenwegen 5,9 6,2 5,9 6,2 Gecombineerd 7,5 7,7 7,5 7,7 CO 2 -emissie - gecombineerd Gewichten (in kg) Maximaal toelaatbaar gewicht 1915/1980 a) a) Voertuigen van de categorie N1. b) Hellingen tot 12 %. c) Hellingen tot 8 %. 1935/2000 a) 1930/1995 a) 1950/2015 a) Leeggewicht bedrijfsklaar Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, geremde aanhangwagen Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, niet geremde aanhangwagen 1400 b) /1600 c) (1400 b)c) ) a) 650 Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

243 242 Motor 1,6 l/77 kw TDI CR - EU5 Vermogen (kw bij 1/min) Max. koppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 77/ / /1598 Rijprestaties OCTAVIA M5 Maximale snelheid (km/h) 191 (192) a) OCTAVIA M5 GreenLine OCTAVIA DQ7 COMBI M5 COMBI M5 GreenLine COMBI DQ7 COMBI 4x4 M (191) a) Acceleratie km/h (s) 11,3 11,4 11,4 11,4 11,4 11,5 12,2 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 (in g/km) Stadsverkeer 5,7 (5,1) a) 4,7 5,6 5,7 (5,1) a) 5,3 5,6 6,7 Buitenwegen 3,9 (3,6) a) 3,4 4,2 3,9 (3,6) a) 3,5 4,2 4,6 Gecombineerd 4,5 (4,2) a) 3,8 4,7 4,5 (4,2) a) 4,1 4,7 5,4 CO 2 -emissie - gecombineerd 119 (109) a) (109) a) Gewichten (in kg) Maximaal toelaatbaar gewicht 1950 (1960) a) (1975) a) Leeggewicht bedrijfsklaar 1350 (1360) a) (1375) a) Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, geremde aanhangwagen Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, niet geremde aanhangwagen 1400 b) /1600 c) (1400 b)c) ) d) b) /1700 c) (1600 b)c) ) d) a) b) c) d) De waarde is van toepassing op het Green tec-pakket. Hellingen tot 12 %. Hellingen tot 8 %. Voertuigen van de categorie N1.

244 243 Motor 1,9 l/77 kw TDI PD - EU4 Vermogen (kw bij 1/min) Max. koppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 77/ /1900 4/1896 Rijprestaties OCTAVIA M5 OCTAVIA DQ6 COMBI M5 COMBI DQ6 COMBI 4x4 M6 Maximale snelheid (km/h) Acceleratie km/h (s) 11,8 12,2 11,9 12,3 12,9 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 (in g/km) Stadsverkeer 6,3 7,7 6,3 7,7 7,7 Buitenwegen 4,2 5,0 4,2 5,0 4,9 Gecombineerd 4,9 5,9 4,9 5,9 6,0 CO 2 -emissie - gecombineerd Gewichten (in kg) Maximaal toelaatbaar gewicht 1955/1945 a) a) Voertuigen van de categorie N1. b) Hellingen tot 12 %. c) Hellingen tot 8 %. 1980/1970 a) Leeggewicht bedrijfsklaar Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, geremde aanhangwagen Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, niet geremde aanhangwagen 1400 b) /1600 c) (1400 b)c) ) a) b) /1700 c) (1600 b)c) ) a) Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

245 244 Motor 2,0 l/81 kw TDI CR - EU4, EU5 Vermogen (kw bij 1/min) Max. koppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 81/ / /1968 Rijprestaties OCTAVIA M5 EU4 OCTAVIA M6 EU5 COMBI M5 EU4 COMBI M6 EU5 COMBI 4x4 M6 EU5 Maximale snelheid (km/h) Acceleratie km/h (s) 11,0 11,0 11,1 11,1 11,6 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 (in g/km) Stadsverkeer 6,5 6,1 6,5 6,2 7,2 Buitenwegen 4,3 4,0 4,3 4,1 4,7 Gecombineerd 5,0 4,8 5,0 4,9 5,6 CO 2 -emissie - gecombineerd Gewichten (in kg) Maximaal toelaatbaar gewicht Leeggewicht bedrijfsklaar Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, geremde aanhangwagen Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, niet geremde aanhangwagen a) Hellingen tot 12%. b) Hellingen tot 8%. c) Voertuigen van de categorie N a) /1600 b) (1400 a)b) ) c) a) /1700 b) (1600 a)b) ) c)

246 245 Motor 2,0 l/103 kw TDI CR - EU4, EU5 Vermogen (kw bij 1/min) Max. koppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 103/ EU4 103/ EU5 320/ /1968 Rijprestaties OCTAVIA M6 OCTAVIA DQ6 COMBI M6 COMBI DQ6 COMBI 4x4 M6 COMBI 4x4 DQ6 SCOUT M6 Maximale snelheid (km/h) Acceleratie km/h (s) 9,5 9,6 9,6 9,7 9,8 9,9 10,1 10,2 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 (in g/km) Stadsverkeer 6,1 6,7 6,2 7,0 7,2 7,3 7,4 7,4 Buitenwegen 4,0 4,5 4,1 4,6 4,7 5,2 5,1 5,5 Gecombineerd 4,8 5,3 4,9 5,4 5,6 5,9 5,9 6,2 CO 2 -emissie - gecombineerd Gewichten (in kg) Maximaal toelaatbaar gewicht /2005 a) a) Voertuigen van de categorie N1. b) Hellingen tot 12 %. c) Hellingen tot 8 %. SCOUT DQ Leeggewicht bedrijfsklaar Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, geremde aanhangwagen Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, niet geremde aanhangwagen 1400 b) /1600 c) (1400 b)c) ) a) b) /1700 c) (1600 b)c) ) a) Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

247 246 Motor 2,0 l/125 kw TDI CR - EU5 Vermogen (kw bij 1/min) Max. koppel (Nm bij 1/min) Aantal cilinders/cilinderinhoud (cm 3 ) 125/ / /1968 Rijprestaties OCTAVIA RS M6 OCTAVIA RS DQ6 COMBI RS M6 COMBI RS DQ6 Maximale snelheid (km/h) Acceleratie km/h (s) 8,3 8,3 8,4 8,4 Brandstofverbruik (in l/100 km) en CO 2 (in g/km) Stadsverkeer 7,5 7,9 7,5 7,9 Buitenwegen 4,6 4,9 4,6 4,9 Gecombineerd 5,7 6,0 5,7 6,0 CO 2 -emissie - gecombineerd Gewichten (in kg) Maximaal toelaatbaar gewicht 1950/2015 a) a) Voertuigen van de categorie N1. b) Hellingen tot 12 %. c) Hellingen tot 8 %. 1970/2035 a) 1965/2030 a) 1985/2050 a) Leeggewicht bedrijfsklaar Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, geremde aanhangwagen Maximaal toegestaan aanhangwagengewicht, niet geremde aanhangwagen 1400 b) /1600 c) (1400 b)c) ) a) 650

248 Trefwoordenlijst 247 Trefwoordenlijst A Aandrijfslipregeling (ASR) Controlelampje Aandrijfslipregeling (ASR) uitschakelen Controlelampje Aanhangwagen en voor het gebruik Aanhangwagengebruik ABS Controlelampje Accessoires Accu , 196 Lading Rijden in de winter Vervangen Accu bijladen Accu laden Controlelampje Achterbank Achterklep Controlelampje Verlichting Achterruit Verwarming Achterruit ontwasemen Achterruitverwarming Achteruitkijkspiegel Binnenspiegel Achteruitkijkspiegels Buitenspiegels Actieve stuurondersteuning Advies om te schakelen Afgelegde rijafstand Afslepen Afstandsbediening Synchronisatieprocedure Afzetten van de motor Airbag Activering Buiten werking stellen Controlelampje Hoofdairbag Voorairbag Zij-airbag Airbag buiten werking stellen Airbagsysteem Controlelampje Airconditioning Circulatiefunctie Luchtuitstroomopeningen Alarm Alarmlichten Controlelampje Alarmsysteem Antiblokkeersysteem Antiblokkeersysteem (ABS) Controlelampje Armsteun achterin , 88 Armsteun voorin Asbak ASR Controlelampje Auto-Check-Control Automatische aansturing rijverlichting Automatische bestuurdersstoelinstelling Automatische versnellingsbak Kick-down Noodontrendeling keuzehendel Noodprogramma Tiptronic Automatische wasinstallaties B Bagage Bagagenet Combi Octavia Bagageruimte , 73 Bevestiging van bagageruimtebodem Bevestigingsogen Uitklapbare dubbele haak Uitklapbare haak Bagageruimte - variabele bagageruimtevloer Banden Winterbanden Bandenreparatieset Bandenreparatie Bandenspanning Controlelampje Bekerhouder Voorin Bekerhouders Achterin Beladen Benzine Benzinemotoren Motor starten Bergwegrijhulp Bestuurdersruimte Overzicht Bevestigingselementen Binnenspiegel Binnenverlichting Bagageruimte Bochtenverlichting Bodembescherming Boordcomputer Brandstof Benzine Brandstofmeter Dieselolie Brandstofmeter Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

249 248 Trefwoordenlijst Brandstofreserve Controlelampje Brandstofverbruik Energie besparen Buitenland Buitenspiegels Buitenspiegelverwarming Buitentemperatuur C Centrale vergrendeling Ontgrendelen Vergrendelen Claxon Climatronic Circulatiefunctie Ruiten ontwasemen Climatronic (automatische airconditioning) Comfortbediening Communicatiesystemen Computer Conserveren Contact Contactslot Controlelampjes D Dagrijverlichting Dakantenne Dakdrager Dakdragersysteem Dashboard Dashboardkastje Verlichting De eerste km Diefstalbelemmerende wielbouten Diesel Dieselmotoren Motor starten Digitale klok Dimlicht Controlelampje Display Displays Dynamo Controlelampje E Economisch rijden EDS Eénportierontgrendeling Elektrisch schuif-/kanteldak Elektrisch verstelbare buitenspiegels Elektrische energie besparen Elektrische ruitbediening Met centrale vergrendeling Schakelaars in het bestuurdersportier Schakelaars in het bijrijdersportier en in de achterportieren Storingen Elektronisch sperdifferentieel Elektronisch stabiliseringsprogramma Elektronisch stabiliseringsprogramma (ESP) Controlelampje Elektronische wegrijblokkering ESP Controlelampje G Gereedschap Gevarendriehoek Gewicht Glazen dak Gloeilampjes vervangen Gordel Controlelampje Gordels Gordelspanners Gordelwaarschuwingslampje Grootlicht , 56 Controlelampje Grootlichtsignaal Grote wieldop GSM , 130 H Handbediend schakelen Handrem Controlelampje Hoedenplank Hoofdairbag Hoofdsteun Hoogteverstelling Hoogteverstelling veiligheidsgordels Veiligheidsgordels I Informatiedisplay Inparkeren Inrijden Instrumentenpaneel Instrumentenverlichting Interieurbewaking Internetverbinding Intervalwissen ISOFIX ISOFIX-systeem J Juiste zithouding K Kanteldak Katalysator

250 Trefwoordenlijst 249 Keuzehendel Keuzehendelstanden Keuzehendelvergrendeling Controlelampje Kilometerteller Kinderen en veiligheid Kindersloten Kinderzitje Indeling in gewichtsgroepen ISOFIX-systeem Op de bijrijdersstoel Veiligheidsaanwijzingen Kledinghaken Kleppen Klok Knipperlicht Knipperlichten Controlelampje Koelluchtventilator Koelvloeistof Bijvullen Controlelampje Koelvloeistofhoeveelheid Controlelampje Koelvloeistofpeil Controlelampje Koelvloeistoftemperatuur/koelvloeistofpeil Controlelampje Koelvloeistoftemperatuurmeter Koplampen Koplampsproeiers Mistlampen Koplampsproeiers Krik , 211 Kriksteunen L Laadvermogen Lak Lakbeschadigingen Lampen Controlelampje Lampjes Gloeilampjes vervangen Licht Bundelhoogte instelling Controlelampjes In- en uitschakelen Lichtbundelhoogteverstelling M Make-upspiegel Met de hand wassen Milieu Milieuaspecten Milieuvriendelijkheid Mistachterlicht Controlelampje Mistlampen Controlelampje Mistlampen met CORNER-functie Mobiele telefoon , 130 Spraakbediening Verbinding met de handsfreeset , 131 Motor Afzetten Starten Motor starten Na leeggereden tank Motorelektronica Controlelampje Motorkap , 189 Controlelampje Motorolie Bijvullen Controlelampje Controleren Verversen Motoroliepeil Controlelampje Motoroliepeil controleren Motoroliepeilstok Motorruimte Veiligheidsaanwijzingen Multifunctie-indicatie Multifunctiestuurwiel Multimedia AUX-IN Cd-wisselaar MDI N Noodontrendeling keuzehendel Noodreservewiel O Olie Controlelampje Onderhoud van leer Ontdooien van ruiten Ontgrendelen Afstandsbediening Centrale vergrendeling Ontgrendeling Opbergmogelijkheden Opbergvakken Oprolbare bagageruimteafdekking Opslaan voor boordcomputer Overzicht Bestuurdersruimte Overzicht motorruimte P Parkeerhulp Achter Voor en achter Parkeerlicht Parkeertickethouder Parkeren Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

251 250 Trefwoordenlijst Passieve veiligheid Pedalen Polijsten Portier Kindersloten Portier open Controlelampje Profieldiepte R Reiniging Rem Controlelampje Handrem Remassistent Rembekrachtiger Remmen Remvloeistof Reservewiel Richtingaanwijzers Controlelampje Rijden in de winter Accu Rijden in het buitenland Roetfilter Controlelampje Rolgordijn Ruitbediening Ruiten Ontdooien Ruitensproeierinstallatie Controlelampje Ruitensproeierreservoir Controlelampje Ruitensproeiers Ruitensproeiersysteem Ruitenwisser Ruitenwisserbladen Ruitenwisserbladen vervangen S Safebeveiliging Schade aan de wagen voorkomen Schakelaar voor centrale vergrendeling Schakelaars in het bestuurdersportier Elektrische ruitbediening Schakelbak Schakelen Scheidingsnet (Combi) Service-intervalindicatie Sigarettenaansteker Skiluik Skizak Sleutel met radiografische afstandsbediening aan de geheugentoetsen toewijzen Sleutels Sneeuwkettingen Snelheidsmeter Snelheidsregelsysteem Controlelampje Stabiliseringsprogramma Stadslicht Starten van de motor Benzinemotoren Dieselmotoren Starthulp , 216 Start-stopsysteem , 217 Stoelen instellen , 140 Elektrische Stoelverwarming Stopcontact Stuurbekrachtiging Controlelampje Stuurinrichting Actieve stuurondersteuning Stuurwiel instellen T Tanken Telefoon , 130 Temperatuur Buiten Temperatuur instellen Verwarming Tijd instellen Tiptronic Toelichtingen Toerenteller Top Tether U Uitlaatgas Controlelampje Uitlaatgascontrole Controlelampje V Vakken Veilig vervoer van kinderen Zij-airbag Veiligheid Veiligheidsaanwijzingen Motorruimte Veiligheidsgordels Controlelampje Gordelspanners Losmaken Omgespen Reiniging Veiligheidsinstructies Velgen Ventilatie Interieurvoorventilatie Ver- en ontgrendelen van binnenuit Veranderen van de koplamp-asymmetrie / afplakken 175 Verbanddoos

252 Trefwoordenlijst 251 Verchroomde delen Vergrendelen Afstandsbediening Centrale vergrendeling Vergrendeling Verlichting Automatisch Veranderen van de koplamp-asymmetrie / afplakken Versnellingsbak Mechanisch Vervangen van ruitenwisserbladen Vervanging van onderdelen Verversen van de motorolie Vervoer van kinderen Verwarmbare ruitensproeiers Verwarming Circulatiefunctie Extra verwarming (interieurvoorverwarming) 102 Ruiten ontwasemen Verzorging van de wagen Vloeistof in het ruitensproeierreservoir Controlelampje Voertuigcomputer Voor elke rit Voorairbag Voorgloeisysteem Controlelampje W Waarschuwingssymbolen Wagen wassen Wagengereedschap Wagentoestand Wassen Met hogedrukreiniger Wegrijblokkering Wiel Reserve Verwisselen Wiel verwisselen Wielbouten Wieldop Wielen Wielen omwisselen Wijzigingen Winterbanden Winterse omstandigheden Biodiesel Ruiten ontdooien Wis-wasautomaat X XDS Xenonlicht Z Zekeringen Zekeringen vervangen ZIj-airbag Zittingen uitbouwen Zonnekleppen Bediening Veiligheid en voor het rijden Raadgevingen voor het gebruik

253 Škoda Auto werkt voortdurend aan de verdere ontwikkeling van alle modellen en typen. Wij vragen u om begrip, dat om deze reden wijzigingen van de leveringsomvang in de vorm, uitvoering en techniek mogelijk zijn. De gegevens over leveringsomvang, uiterlijk, maten, gewichten, brandstofverbruik, normen en functies van de wagen komen overeen met de stand van de informatie op het moment van het ter perse gaan van deze brochure. Sommige uitrustingen worden pas op een later tijdstip geïntroduceerd (informatie hierover is verkrijgbaar bij geautoriseerde Škoda Servicepartners) of worden alleen in bepaalde markten aangeboden. Uit de gegevens, afbeeldingen en beschrijvingen in dit instructieboekje kunnen geen aanspraken worden afgeleid. Nadruk, reproductie, vertaling of andere vormen van gebruik, ook van gedeelten, is zonder schriftelijke toestemming van Škoda Auto niet toegestaan. Škoda Auto behoudt zich uitdrukkelijk alle rechten op grond van het auteursrecht voor. Wijzigingen voorbehouden. Uitgegeven door: ŠKODA AUTO a.s. ŠKODA AUTO a.s. 2011

254 Minimaliseren van het brandstofverbruik en de CO 2-uitstoot Start-stopsysteem* Recuperatie* Schakeladvies* Gewichtsbesparing Optimalisering van hoogvast plaatstaal, vermindering van de dikte van het plaatstaal en andere materialen Reservewiel vervangen door een bandenreparatieset Recycling Alle modellen worden tegenwoordig geproduceerd in overeenstemming met de geldende regelgeving op het gebied van recycling (richtlijn 2005/64/EG) Toepassing van herbruikbare en milieuvriendelijke materialen Bij voorkeur toepassing van gerecycled materiaal met dezelfde eigenschappen als nieuw materiaal Markering van de materialen om deze eenvoudig te kunnen sorteren Verlaging van het energieverbruik Toepassing van energiezuinige elektromechanische stuurbekrachtiging in plaats van hydraulische stuurbekrachtiging Optimalisering van het rendement van dynamo s Optimalisering van het verbruik en het stroomverbruik Optimalisering van de luchtweerstand en de rolweerstand Extra aerodynamische spoilers* Extra afdekkingen op het onderstel (CW-afdekkingen)* Geoptimaliseeerde koeling (inlaatrooster, extra afdichting)* Onderstel met 15 mm verlaagd* Banden met lage rolweerstand* * Toegepast bij de Greenline 2 modellen.

255 Zo helpt u het milieu Het benzineverbruik van uw Škoda en daarmee ook de hoeveelheid schadelijke stoffen in de uitlaatgassen wordt door uw rijstijl bepaald. De geluidsproduktie en de slijtage worden eveneens door de persoonlijke omgang met de auto beďnvloed. Hoe u met uw Škoda zo milieuvriendelijk mogelijk kunt rijden en daarbij ook nog geld kunt besparen staat in dit instructieboekje. Lees met het oog hierop het hoofdstuk Milieu na. Let bovendien op de in deze handleiding met een gemarkeerde teksten. Doe mee - uit respect voor het milieu. Návod k obsluze Octavia holandsky S Z PL

ŠKODA Fabia INSTRUCTIEBOEKJE

ŠKODA Fabia INSTRUCTIEBOEKJE ŠKODA Fabia INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een Škoda. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke uitrustingen,

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Roomster INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Roomster INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠKODA Roomster INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke opties,

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Fabia Instructieboekje

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Fabia Instructieboekje SIMPLY CLEVER ŠKODA Fabia Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Octavia Instructieboekje

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Octavia Instructieboekje SIMPLY CLEVER ŠKODA Octavia Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek

Nadere informatie

ŠkodaYeti INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaYeti INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaYeti INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Superb Instructieboekje

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Superb Instructieboekje SIMPLY CLEVER ŠKODA Superb Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Superb INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Superb INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠKODA Superb INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaRoomster INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter

IN EEN OOGOPSLAG. Panoramadak. Parkeerhulp achter Panoramadak Dankzij het brede glazen dak zijn het zicht en de lichtinval in het interieur ongekend. 78 Te openen achterruit (SW) Dankzij deze voorziening hebt u eenvoudig toegang tot de bagageruimte zonder

Nadere informatie

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S

F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S F I A T B R A V O 603.83.122 NL S N E L G I D S DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting - 2 Instrumentenpaneel - 3 Rechter hendel: bediening ruitenwissers, achterruitwisser, trip computer

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA YETI http://nl.yourpdfguides.com/dref/3579831

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA YETI http://nl.yourpdfguides.com/dref/3579831 U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor SKODA YETI. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de SKODA YETI in de gebruikershandleiding (informatie, specificaties,

Nadere informatie

ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaOctavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en

Nadere informatie

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33.

X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht brandt (met waarschuwingstoon) bij ingeschakelde ontsteking: Gordel omdoen, zie pagina 33. Instrumenten verklikkerlichten De verklikkerlichten die hier staan vermeld, zijn niet in alle auto s aanwezig. Deze beschrijving geldt voor alle instrumentenuitvoeringen. X Veiligheidsgordel 3 Verklikkerlicht

Nadere informatie

ŠkodaFabia MANUAL DE UTILIZARE SIMPLY CLEVER

ŠkodaFabia MANUAL DE UTILIZARE SIMPLY CLEVER ŠkodaFabia MANUAL DE UTILIZARE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S

F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S F I A T 5 0 0 603.83.297 NL S N E L G I D S Raadpleeg voor een uitvoerige beschrijving en meer informatie, of in noodgevallen, het instructieboek. DASHBOARD 1 Linker hendel: bediening buitenverlichting

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Yeti INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Yeti INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠKODA Yeti INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke

Nadere informatie

ŠKODA Octavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE

ŠKODA Octavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE ŠKODA Octavia Tour INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U heeft gekozen voor een Škoda. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke

Nadere informatie

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen

VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA. Rijschool van Zuylen VOERTUIGCONTROLE SEAT IBIZA OPENEN MOTORKAP Motorkap in gesloten toestand OPENEN MOTORKAP Trek de hendel naar achteren en de motorkap is ontgrendeld. OPENEN MOTORKAP In het midden van de motorkap, net

Nadere informatie

ŠkodaOctavia Supplement - voor voertuigen met LPG-aandrijving

ŠkodaOctavia Supplement - voor voertuigen met LPG-aandrijving SIMPLY CLEVER ŠkodaOctavia Supplement - voor voertuigen met LPG-aandrijving 01/2011 Aanvulling - voor wagens op LPG (autogas) 1 Aanvulling - voor wagens op LPG (autogas) Dit document vormt een aanvulling

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA OCTAVIA TOUR

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA OCTAVIA TOUR U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor SKODA OCTAVIA TOUR. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de SKODA OCTAVIA TOUR in de gebruikershandleiding

Nadere informatie

Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama

Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Instructie www.lolkama.com Instructie Voertuig (auto) controle Kia Cee d Autorijschool Lolkama Voor het CBR praktijkexamen worden door de examinator, controle vragen gesteld over de banden, motor, dashboard

Nadere informatie

Verkorte gebruiksaanwijzing

Verkorte gebruiksaanwijzing Verkorte gebruiksaanwijzing Fun2Go Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06

Nadere informatie

ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice!

ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice! Mobiliteitsservice: 088-2692888 Twijfelt u? Bel dan Van den Udenhout 073-64644444 Lampje Betekenis ROOD Niet goed, zet uw auto op een veilige plaats stil en bel de mobiliteitsservice! Centraal waarschuwingslampje:

Nadere informatie

Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN

Stoelen IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN IN DE JUISTE HOUDING ZITTEN E81931 2 U mag de stoel niet tijdens het rijden verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1 De stoel, de hoofdsteun, de

Nadere informatie

Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles

Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles ! Belangrijke informatie: Het monteren van elektrische uitrustingen of accessoires die niet onder een artikelnummer in het assortiment van Automobiles PEUGEOT voorkomen, kan storingen in het elektronisch

Nadere informatie

LCD scherm va LCD scherm

LCD scherm va LCD scherm scherm 1. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica

Nadere informatie

Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u het instructieboekje

Nadere informatie

PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide

PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! VOLVO V70 & XC70 quick guide VOLVO V70 & XC70 quick guide PROFICIAT MET UW NIEUWE VOLVO! Het ontdekken van een nieuwe auto is een spannende bezigheid. Neem deze beknopte handleiding door om nog meer plezier te beleven aan uw nieuwe

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Bekijk uw instructieboekje via de website van Citroën, rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en kunt u rechtstreeks

Nadere informatie

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN

Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN Voorstoelen HANDMATIG VERSTELBARE STOELEN verstellen. Als u dit toch doet, kunt u de macht over het stuur verliezen en letsel veroorzaken. 1. Verstelling naar voren/naar achteren. 2. Hoogteverstelling.

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Citigo INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Citigo INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠKODA Citigo INSTRUCTIEBOEKJE Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en talrijke

Nadere informatie

FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT PUNTO 603.81.046 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten

Nadere informatie

FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT PUNTO 603.45.567 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk

Nadere informatie

NL ESP-Systeem

NL ESP-Systeem 603.83.515 NL ESP-Systeem ESP-SYSTEEM (Electronic Stability Program) Dit systeem bewaakt de stabiliteit van de auto als de wielen hun grip verliezen, waardoor de auto beter op koers blijft. De werking

Nadere informatie

LCD scherm ve LCD scherm

LCD scherm ve LCD scherm scherm. Gebruik scherm Met het in Uw scooter ingebouwde scherm kunt U alle rij-, stuuracties, remmen en bedienen van het voertuig bepalen. De elektrische installatie van de scooter en de elektronica zelf

Nadere informatie

ŠkodaOctavia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaOctavia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaOctavia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto.

Nadere informatie

De voorkant. De zijkant. De banden

De voorkant. De zijkant. De banden Controlepunten: De voorkant De verlichting moet heel zijn en werken (de werking van de verlichting, remlichten en richtingaanwijzers kan voor je gaat rijden gecontroleerd worden door de examinator) De

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Citigo Instructieboekje

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Citigo Instructieboekje SIMPLY CLEVER ŠKODA Citigo Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en

Nadere informatie

Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina".

Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek Persoonlijke pagina. Bekijk uw gebruiksaanwijzing via de website van Peugeot, rubriek "Persoonlijke pagina". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie over het onderhoud van uw auto. Als u de gebruiksaanwijzing

Nadere informatie

Verkorte gebruiksaanwijzing

Verkorte gebruiksaanwijzing Verkorte gebruiksaanwijzing VeloPlus Contactgegevens fabrikant: Tel. +31 (0)315 257370 E-mail: [email protected] Website: www.vanraam.com Van Raam Aaltenseweg 56 7051 CM Varsseveld Nederland Versie 18.06

Nadere informatie

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET!

UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! UW INSTRUCTIEBOEKJE OP INTERNET! Citroën biedt u de mogelijkheid om gratis en eenvoudig uw boorddocumentatie online te raadplegen. Daarbij hebt u ook toegang tot het archief en tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

Uw auto komt tot leven op internet!

Uw auto komt tot leven op internet! Instructieboekje ! Dankzij de internetsite SERVICE BOX, biedt PEUGEOT u de mogelijkheid uw boorddocumentatie gratis en eenvoudig online te raadplegen. Met het gebruiksvriendelijke SERVICE BOX hebt u altijd

Nadere informatie

************************* **************** ******** ***

************************* **************** ******** *** Bij deelname aan het Tussentijdstoets moet je de volgende documenten overhandigen: een geldig theorie certificaat een wettelijk toegestaan, geldig identiteitsbewijs. ************************* ****************

Nadere informatie

Het online-instructieboekje

Het online-instructieboekje Het online-instructieboekje Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Citroën, in de rubriek "MyCitroën". Op deze persoonlijke pagina vindt u informatie over onze producten en diensten en

Nadere informatie

Verwarming en ventilatie

Verwarming en ventilatie Verwarming en ventilatie BEDIENINGSELEMENTEN 1. Temperatuurregeling. Afzonderlijk instelbaar voor de bestuurder en de passagier voorin. 2. Programma voor maximaal ontdooien. 3. Luchtverdeling. In de geselecteerde

Nadere informatie

De voorkant. De zijkant. De banden

De voorkant. De zijkant. De banden Controlepunten: In deze handleiding vind je de specifieke voertuigkenmerken van de Suzuki Swift. Algemene dingen kun je in je Ris praktijkboek vinden. Dus hier kun je b.v. vinden met welk knopje je de

Nadere informatie

FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT DUCATO 603.81.136 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boekje samengesteld om u de kwaliteiten

Nadere informatie

COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1. Feel the difference. FordKa Instructieboekje. Owner s handbook

COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1. Feel the difference. FordKa Instructieboekje. Owner s handbook COP LUM KA NL 16-07-2008 16:43 Pagina 1 FordKa Instructieboekje Owner s handbook Feel the difference K10468_Service_Portfolio_090508.1 1 09.05.2008 15:52:47 Uhr 001-025 Ford KA NL 22-07-2008 9:45 Pagina

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Yeti Instructieboekje

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Yeti Instructieboekje SIMPLY CLEVER ŠKODA Yeti Instructieboekje Voorwoord U heeft gekozen voor een ŠKODA. Hartelijk dank voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe ŠKODA krijgt u een wagen in uw bezit met de modernste techniek en

Nadere informatie

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu. F I A T D U C A T O G E B R U I K E N O N D E R H O U D Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Ducato. Wij hebben dit boek samengesteld

Nadere informatie

Alleen voor Trip 2, 2L, 3 en 5W Gebruikershandleiding. NEDERLANDS

Alleen voor Trip 2, 2L, 3 en 5W Gebruikershandleiding. NEDERLANDS Alleen voor Trip 2, 2L, 3 en 5W Gebruikershandleiding. NEDERLANDS WELKOM. Hartelijk dank voor je aankoop van een Bontrager Trip -computer. We hopen dat je vele kilometers lang plezier aan deze computer

Nadere informatie

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen

Stoelen VOORSTOELEN. Juiste zithouding H6544L. Stoelen Stoelen VOORSTOELEN De stoel nooit afstellen als het voertuig in beweging is. Als van deze instructies wordt afgeweken, kan dit leiden tot lichamelijk letsel of verlies van controle over het voertuig.

Nadere informatie

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN

Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN Kort overzicht Kort overzicht BEDIENINGSKNOPPEN 6 5 4 3 2 1 12 9 3 6 80 100 120 km/h 60 140 40 160 LAND - - ROVER 20 0 180 200 H4959 7 8 9 1. Frisseluchtrooster - bedieningsknop 2. Ventilator - regeling

Nadere informatie

Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C)

Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) COUPÉ EVO DASHBOARD Brandstofmeter met reserveaanduiding Buitentemperatuurmeter met ijzelalarm (lager dan 3 C) Chroomlook ringen instrumentenpaneel ControlelampjesRichtingaanwijzer links en rechts, mistlampen

Nadere informatie

ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

FIAT PANDA 603.81.058 NL INSTRUCTIEBOEK

FIAT PANDA 603.81.058 NL INSTRUCTIEBOEK FIAT PANDA 603.81.058 NL INSTRUCTIEBOEK Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Panda. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE

SIMPLY CLEVER. ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaSuperb INSTRUCTIEBOEKJE Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R U C T I E B O E K

F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R U C T I E B O E K F I A T P U N T O 530.02.145 NL I N S T R U C T I E B O E K I N S T R I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Punto. Wij hebben

Nadere informatie

INHOUDSOPGAVE LCD DISPLAY INTELLIGENT 800S... 2

INHOUDSOPGAVE LCD DISPLAY INTELLIGENT 800S... 2 E-BIKE HANDLEIDING INHOUDSOPGAVE LCD DISPLAY INTELLIGENT 800S... 2 LCD DISPLAY KEY-DISP KD21C... 5 LCD DISPLAY INTELLIGENT... 8 LCD DISPLAY BAFANG C07.UART... 10 LCD DISPLAY BAFANG (MODUS) DP C10.UART...

Nadere informatie

Trip 1 en Trip 4W Gebruikershandleiding. NEDERLANDS

Trip 1 en Trip 4W Gebruikershandleiding. NEDERLANDS Trip 1 en Trip 4W Gebruikershandleiding. NEDERLANDS WELKOM. Hartelijk dank voor je aankoop van een Bontrager Trip -computer. We hopen dat je vele kilometers lang plezier aan deze computer zult beleven.

Nadere informatie

Korte introductie van de Vogue E-bike. 1 Motor 2 Display 3 Accu 4 Controller 5 Pedaal sensor. Aan/uit knop

Korte introductie van de Vogue E-bike. 1 Motor 2 Display 3 Accu 4 Controller 5 Pedaal sensor. Aan/uit knop Korte introductie van de Vogue E-bike 1 Motor 2 Display 3 Accu 4 Controller 5 Pedaal sensor Aan/uit knop Om het display aan of uit te schakelen houdt u de aan/uit knop voor 2 seconden lang ingehouden.

Nadere informatie

Gemaksvoorzieningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING ZONNESCHERMEN

Gemaksvoorzieningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING ZONNESCHERMEN Gema ksvoorzie ningen ZONNEKLEPPEN DIMMER VOOR DE INSTRUMENTENVERLICHTING AUTO E80434 De zonneklep kan tegen verblinding naar beneden of zijwaarts worden geklapt. ZONNESCHERMEN E993 Verdraai het duimwieltje

Nadere informatie

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot".

Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek MyPeugeot. Het instructieboekje van uw auto is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek "MyPeugeot". Als u het instructieboekje online raadpleegt, hebt u tevens toegang tot de meest recente informatie.

Nadere informatie

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Octavia Instructieboekje

SIMPLY CLEVER. ŠKODA Octavia Instructieboekje SIMPLY CLEVER ŠKODA Octavia Instructieboekje Opbouw van dit instructieboekje (toelichtingen) Dit instructieboekje is systematisch opgebouwd, om zo het vinden van de benodigde informatie te vergemakkelijken.

Nadere informatie

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN AFTER SALES SERVICE INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager - Technisch

Nadere informatie

Voertuig Controle Golf 7

Voertuig Controle Golf 7 Voertuig Controle Golf 7 Voor het praktijkexamen wordt door de examinator een aantal vragen gesteld over de motor, de banden of het dashboard. Lees deze pagina een aantal keren aandachtig door zodat je

Nadere informatie

PEUGEOT PK ALLURE

PEUGEOT PK ALLURE PEUGEOT 308 110PK ALLURE Prijs voertuig : * 15 900 * Excl. kosten van inschrijving en brandstof. vermelding verplicht vanaf 1.1.79 conform decreet 78993 van 4.10.78 Garantie Leeuwekeur Comfort (6 Maand)

Nadere informatie

Duurzaam rijden, samen met ECOdrive

Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Duurzaam rijden, samen met ECOdrive Beknopte gebruiksaanwijzing Algemene versie 07-2014 Introductie Het duurzaam ondernemen wordt steeds belangrijker. Veel bedrijven zijn verplicht CO 2 -doelstellingen

Nadere informatie

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR

INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR CITROËN INFO DIAG DIAGNOSE- APPARATUUR LEXIA PROXIA CD 35 AFTER SALES SERVICE CITROËN DISTRIBUTEUR NIEUWE AUTO'S - Afleveringstechnicus - Coördinator terugroepacties CITROËN ERKEND REPARATEURS - Servicemanager

Nadere informatie

Voertuig Controle BMW 116d Sportline

Voertuig Controle BMW 116d Sportline Voertuig Controle BMW 116d Sportline Voor het praktijkexamen wordt door de examinator een aantal vragen gesteld over de motor, de banden of het dashboard. Lees deze pagina een aantal keren aandachtig door

Nadere informatie

Handleiding. E-Trendy Lithium fietscomputer. 1. Inleiding P. 2

Handleiding. E-Trendy Lithium fietscomputer. 1. Inleiding P. 2 Handleiding E-Trendy Lithium fietscomputer 1. Inleiding P. 2 2. Functie-overzicht en beschrijving bedientoetsen P. 3 2.1 Korte beschrijving van de gebruiks instellingen P. 3 2.2 Beschrijving weergave van

Nadere informatie

BE 1000 Brand BEDIENINGS INSTRUCTIE INHOUDSOPGAVE 30.0221.9535 A3

BE 1000 Brand BEDIENINGS INSTRUCTIE INHOUDSOPGAVE 30.0221.9535 A3 BEDIENINGS INSTRUCTIE BE 1000 Brand 30.0221.9535 A3 INHOUDSOPGAVE Inleiding en aanwijzingen voor de veiligheid............. 2 Toelichting weergave en bedieningselementen Display en toetsen.....................................

Nadere informatie

F I A T 5 0 0 530.02.160

F I A T 5 0 0 530.02.160 F I A T 5 0 0 530.02.160 I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze. Wij hebben dit boek samengesteld zodat u elk onderdeel

Nadere informatie

Wij raden u aan de waarschuwingen en tips aandachtig te lezen die worden voorafgegaan door de symbolen:

Wij raden u aan de waarschuwingen en tips aandachtig te lezen die worden voorafgegaan door de symbolen: F I A T B R A V O 603.81.708 NL I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze voor de Fiat Bravo. Wij hebben dit boek samengesteld

Nadere informatie

Praktijk Vragen over auto

Praktijk Vragen over auto Praktijk Vragen over auto 1 BANDEN: Wat moet je controleren op Auto banden 1- spannig: Meters/Lampjes Juiste banden spanning hangt af: Auto (merk, Type, gewicht) maat Gewicht lading (of aantal personen).

Nadere informatie

Handleiding. Trenergy E-relax fietscomputer. Pagina: 1

Handleiding. Trenergy E-relax fietscomputer.  Pagina: 1 Handleiding Trenergy E-relax fietscomputer www.trenergy.nl Pagina: 1 www.trenergy.nl Pagina: 2 Indeling handleiding Trenergy E-Relax 1. Inleiding P. 4 2. Functie-overzicht bedientoetsen P. 6 2.1 Korte

Nadere informatie

ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000

ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 INFOTEC AP/TAVG/MMXP/MUX BEVESTIGING DIAGNOSE BSI ELEKTRISCHE INSTALLATIE BI-VAN CAN COM2000 G05 CONTROLEPROCEDURE VAN DE FUNCTIE CENTRALE VERGRENDELING Toepassing bij PEUGEOT 206 (vanaf DAM-nr. 9076)

Nadere informatie

Uitrusting februari 2009

Uitrusting februari 2009 februari 2009 Design Passagiersstoel opklapbaar met verstelbare rugleuning Hoofdsteunen in de hoogte regelbaar Vloerbekleding in vast tapijt Verwarming/ontdooiing met 3 snelheden Dubbele, geforceerde geluidsisolatie

Nadere informatie

Volvo 940 Malmö, een eigen identiteit.

Volvo 940 Malmö, een eigen identiteit. Volvo 940 Malmö, een eigen identiteit. Een Volvo 940 Malmö staat borg voor kwaliteit die samen met zijn gedistingeerde uitstraling, een eigen identiteit weerspiegelt in een wereld waarin auto's steeds

Nadere informatie

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud

Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Inhoud Gefeliciteerd met uw nieuwe autoalarm! Lees de gebruikershandleiding voor gebruik zorgvuldig door en maak u vertrouwd met de verschillende functies van uw autoalarm. Deze handleiding beschrijft de functies

Nadere informatie

ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93

Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93 Datum/Date: 04/2003ne Update: 07/2007 Car Access System E60, E61, E63, E64, E70, E81, E87, E90, E91, E92, E93 Inleiding Het Car Access System (CAS) regelt de toegangsmogelijkheden tot de auto.ne De CASregeleenheid

Nadere informatie

ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER

ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER ŠkodaFabia INSTRUCTIEBOEKJE SIMPLY CLEVER Inleiding U hebt gekozen voor een Škoda - wij danken u hartelijk voor uw vertrouwen. Met uw nieuwe Škoda krijgt u een auto met ultramoderne techniek en talrijke

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA FABIA

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA FABIA U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor SKODA FABIA. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de SKODA FABIA in de gebruikershandleiding (informatie,

Nadere informatie

COP Quick start KA OLANDESE :32 Pagina 1. FordKa. Feel the difference

COP Quick start KA OLANDESE :32 Pagina 1. FordKa. Feel the difference OP Quick start K OLNS 7-07-2008 8:32 Pagina FordKa Kort Owner s overzicht handbook Feel the difference K0468_Service_Portfolio_090508. 09.05.2008 5:52:47 Uhr 604.39.307 PP K OL 8-07-2008 4:03 Pagina S

Nadere informatie

Inleiding. Inhoudsopgave. Wij wensen u veel plezier met uw nieuwe comfort-bedieningselement!

Inleiding. Inhoudsopgave. Wij wensen u veel plezier met uw nieuwe comfort-bedieningselement! Inleiding Inhoudsopgave Wij wensen u veel plezier met uw nieuwe comfort-bedieningselement! Deze handleiding geldt voor voertuigen met een voorbereiding mobiele telefoon ET5 (geen netwerk) in combinatie

Nadere informatie

GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART REMOTE

GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART REMOTE Voertuigverwarmingen Technische documentatie NL GEBRUIKSAANWIJZING EASYSTART REMOTE Bedieningselement voor de Eberspächer-standverwarmingen EasyStart Select Bedienungsanleitung EasyStart Remote Gebruiksaanwijzing

Nadere informatie

Het instructieboekje online

Het instructieboekje online INSTRUCTIEBOEKJE Het instructieboekje online Uw instructieboekje is ook te vinden op de website van Peugeot, in de rubriek " MyPeugeot". Op deze persoonlijke pagina staan adviezen en nuttige informatie

Nadere informatie

Groep 10 IMD42 Niels Cremers Marc Hensen Sander Keurentjes Mathijs Mejan. De Handleiding

Groep 10 IMD42 Niels Cremers Marc Hensen Sander Keurentjes Mathijs Mejan. De Handleiding Groep 10 IMD42 Niels Cremers Marc Hensen Sander Keurentjes Mathijs Mejan De Handleiding Index Inleiding... 3 De meters... 4 Het stuur... 6 Het navigatie systeem... 9 De Console... 10 De radio... 11 2 Inleiding

Nadere informatie

De nieuwe Toyota PROACE

De nieuwe Toyota PROACE De nieuwe Toyota PROACE 2 Goede zaak Dankzij een even rijke als veelzijdige standaarduitrusting verenigt de nieuwe Toyota PROACE het nuttige met het aangename. Zoals maximaal rijcomfort en een laadvolume

Nadere informatie

Handleiding: Rupsdumper roterende kipbak.

Handleiding: Rupsdumper roterende kipbak. Handleiding: Rupsdumper roterende kipbak. Veiligheidsvoorzieningen Beschermingsvoorzieningen mogen alleen worden verwijderd resp. geopend na stilstand van de dumper met geactiveerde parkeerrem, uitschakelen

Nadere informatie

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu.

veiligheid van de inzittenden; conditie van de auto; bescherming van het milieu. F I A T 5 0 0 603.81.189 I N S T R U C T I E B O E K Geachte cliënt, Hartelijk dank dat u voor een Fiat hebt gekozen en gefeliciteerd met uw keuze. Wij hebben dit boekje samengesteld zodat u elk onderdeel

Nadere informatie

Fleischmann Tachowagen HO

Fleischmann Tachowagen HO Algemene instellingen. Hoe snel, hoe lang, hoe breed? De tachowagen van Fleischmann vertelt het u. Eindelijk kunt u meten, hoe groot de afstand bijvoorbeeld tussen twee stations is, of met welke snelheid

Nadere informatie

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA FABIA

Uw gebruiksaanwijzing. SKODA FABIA U kunt de aanbevelingen in de handleiding, de technische gids of de installatie gids voor SKODA FABIA. U vindt de antwoorden op al uw vragen over de SKODA FABIA in de gebruikershandleiding (informatie,

Nadere informatie

INSTRUCTIEBOEK 530.05.014 NL ALFA

INSTRUCTIEBOEK 530.05.014 NL ALFA INSTRUCTIEBOEK 530.05.014 NL ALFA Geachte klant, Wij bedanken u dat u voor een Alfa Romeo hebt gekozen. Uw Alfa Spider is ontworpen voor een veilige, comfortabele en rustige rit, zoals u van Alfa Romeo

Nadere informatie

Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist

Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist Handleiding: Verreiker roterend max. hefvermogen 20,6 mtr. incl. machinist BEDIENINGSUITLEG 1 - Bestuurderszetel 17 - Hendel stuurafstelling 2 - Sleutelschakelaar (START) 18 - Bedieningshendel hijsen linker

Nadere informatie