INVESTERINGSSTATUUT 2.0
|
|
|
- Hendrik ter Linde
- 9 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 INVESTERINGSSTATUUT 2.0 Versiedatum: 21 januari 2015 Versie: 2.0 Status: vastgesteld Vastgesteld MT: Goedgekeurd RvC:
2 INHOUDSOPGAVE 1 Inleiding Inleiding en doel van het Investeringsstatuut Definitie van investering Verantwoordelijkheid voor actualiteit Investeringsstatuut Positionering van het investeringstatuut Vaststelling van het statuut Versie beheer Investeringen in onroerend goed Procedures Statutaire bepalingen Procuratie en mandatering Projectfasering Procesbeschrijvingen Risicomanagement bij projecten Toetsingscriteria Organisatorisch kader Strategisch kader Financieel kader op projectniveau Bepalen rendementseis Rendementsverwachting Toetsen rendementseis aan rendementsverwachting Overige gegevens Financiële risico analyse Financieel kader op organisatieniveau Toetsen aan algemene financiële stuurgetallen Risico s Partnerselectie Besluitvorming Bijlagen Financiële parameters Begripsomschrijvingen
3 1 INLEIDING 1.1 Inleiding en doel van het Investeringsstatuut Woningcorporaties en dus ook Samenwerking Vlaardingen zijn in eerste instantie woningverhuurders. Het grootste deel van de vastgoedportefeuille van Samenwerking Vlaardingen bestaat uit woningen die verhuurd zijn en naar verwachting ook verhuurd zullen blijven. De kasstromen zijn goed voorspelbaar en een eventuele waardeontwikkeling speelt, zolang de woning in de verhuur blijft, een bescheiden rol. Dit investeringsstatuut bevat een afwegingskader voor investeringsbeslissingen van zowel woningen als bedrijfs onroerend goed (inclusief maatschappelijk vastgoed). Het is op de volgende wijze uitgewerkt: 1. Procedures 2. Toetsingscriteria a. Organisatorisch kader b. Strategisch kader c. Financieel kader op projectniveau d. Financieel kader op organisatieniveau e. Risicobeheersing f. Partnerselectie De ontwikkeling van grond kan gezien worden als eerste fase in een levenscyclus van vastgoed. In de regel kent de levensloop van vastgoed drie fasen. De eerste fase is dus de grondexploitatie, dit wil zeggen de inzet van eigen grond en/of opstal of aankoop van niet bouw- en woonrijpe grond en vervolgens het bouw- en woonrijp maken van deze grond. Deze fase eindigt met de levering van bouw- en woonrijpe grond aan de ontwikkelingsfase. Indien grond bouw- en woonrijp wordt verkregen, dan wordt de fase Grondexploitatie overgeslagen. De tweede fase is de ontwikkelingsfase; hierin wordt het vastgoed ontwikkeld. De tweede fase eindigt met de oplevering van het vastgoed. De derde en laatste fase is de exploitatie van het vastgoed. De derde fase eindigt met het einde van de exploitatie van het vastgoed. De opstallen worden gesloopt en de grond (eventueel) weer bouw- en woonrijp gemaakt. Fase 1 Grond exploitatie Fase 2 Ptojectontwikkeling Fase 3 Exploitatie Schema 1 De levensloop van vastgoed Fase 1 en Fase 2 kenmerken zich doordat er nagenoeg alleen uitgaven worden gedaan, er zijn geen of nauwelijks inkomende kasstromen in deze fasen. De opbrengsten moeten vooral worden gerealiseerd in fase 3 de exploitatiefase. Ook Samenwerking Vlaardingen investeert veel geld in projecten. Wil Samenwerking Vlaardingen dat ook in de toekomst blijven doen dan zal niet alleen het deel Vreemd Vermogen, maar ook het Eigen Vermogen moeten worden terugverdiend. Daartoe worden eisen gesteld aan het rendement (per project) te behalen op het Vreemd Vermogen en het rendement te behalen op het Eigen Vermogen. Aan een project met een hoog maatschappelijke belang wil Samenwerking Vlaardingen lagere rendementseisen stellen dan aan commerciële projecten (omdat de rendementseis op Eigen Vermogen bij investeringen voor maatschappelijke projecten lager kan worden gesteld). Het is niet automatisch zo dat een laag rendement een hoog maatschappelijk belang oplevert. Cruciaal is dat inzichtelijk is waardoor het lagere rendement wordt veroorzaakt en dat deze oorzaak voor Samenwerking Vlaardingen acceptabel is. In de documentatie van de besluitvorming (faseverslagen) moet dit inzichtelijk zijn gemaakt. 3
4 Het doel van dit investeringsstatuut kan daarmee als volgt worden geformuleerd: Doel van dit investeringsstatuut is kaders te bieden waaraan voorgenomen investeringen getoetst worden en daarmee risico s te reduceren. Elk project dient aan een aantal toetsingscriteria te voldoen. Aan welke toetsingscriteria moet worden voldaan en de belangrijkste procedures voor investeringen wordt in hoofdstuk 2 verder uitgewerkt. Gestart wordt met het benoemen van de verantwoordelijkheid voor de actualiteit van het Investeringsstatuut. 1.2 Definitie van investering Een investering is de inzet van (financiële) middelen die, in maatschappelijke of financiële zin, hun nut afwerpen voor een periode van meer dan 1 jaar. Investeringen (haalbaarheidsfase en realisatiefase) boven het in het directie- en managementreglement genoemd maximumbedrag worden altijd vooraf ter goedkeuring voorgelegd aan de RvC. Onder investeringen in de zin van het investeringsstatuut worden verstaan: a. Nieuwbouw; b. Herstructurering; c. Sloop (desinvestering); d. Aankoop met als doel nieuwbouw, herstructurering of sloop; e. Verbetering en/of levensduurverlenging; f. Verkoop (desinvestering). 1.3 Verantwoordelijkheid voor actualiteit Investeringsstatuut Het investeringsstatuut kent geen vooraf vastgestelde houdbaarheidsdatum. Indien noodzakelijk (vanuit de praktijk getoetst) zal het statuut worden aangepast. 1.4 Positionering van het investeringstatuut Het investeringsstatuut wordt nadrukkelijk als een toetsingskader gepositioneerd. Dat betekent dat besluiten rond het aangaan van nieuwe investeringen aan dit toetsingskader worden getoetst. In dit statuut zijn kaders uitgewerkt voor de besluitvorming van investeringen. 1.5 Vaststelling van het statuut Het investeringsstatuut wordt vastgesteld door het bestuur en vervolgens goedgekeurd door de RvC. Wijzigingen kunnen alleen worden doorgevoerd na een besluit daartoe door de RvC. 1.6 Versie beheer De Controller is verantwoordelijk voor het opstellen en actueel houden van het investeringsstatuut. Deze versie van het investeringsstatuut is door het bestuur vastgesteld in het MT-overleg van... De Raad van Commissarissen heeft dit statuut goedgekeurd in de vergadering van. 4
5 2 INVESTERINGEN IN ONROEREND GOED 2.1 Procedures Statutaire bepalingen In de statuten van Samenwerking Vlaardingen is in artikel 7 lid 4 j aangegeven welke investeringsbeslissingen de voorafgaande goedkeuring van de Raad van Commissarissen behoeven. Dit is als volgt geformuleerd: investeringen boven een door de Raad van Commissarissen te bepalen waarde. De in dit lid vermelde besluit zijn onderworpen aan de voorafgaande goedkeuring van de RvC indien het belang hoger is dan 3 miljoen, conform de nieuwe Woningwet Procuratie en mandatering Dit investeringsstatuut heeft tot doel de directeur-bestuurder een handelingskader en de Raad van Commissarissen(RvC) een toetsingskader te bieden voor beoordeling van investeringsvoorstellen. Investeringsvoorstellen hebben veelal betrekking op nieuwbouw, hoogniveaurenovatie, aankoop van gronden en/of gebouwen en hebben bijna per definitie een hoger risicoprofiel. Op basis van de herziene Woningwet (Novelle) moeten investeringen boven de 3 miljoen ter goedkeuring voorgelegd worden aan de RvC. De investeringsvoorstellen worden enerzijds gebundeld in de begroting en meerjarenbegroting (voor zover van toepassing) en anderzijds separaat weergegeven via een fasedocument als het een bedrag van 3 miljoen te boven gaat. In bijlage 2 van het Directie- en Managementreglement zijn de bevoegdheden tot het aangaan en voldoen van verplichtingen uitgewerkt van de medewerkers, managers, directeurbestuurder en de Raad van Commissarissen Projectfasering Samenwerking Vlaardingen kent een projectfasering met besluitvormingsmomenten door directeurbestuurder (in het MT) en vervolgens de Raad van Commissarissen. Deze projectfasering kent een vaste structuur. Deze structuur is gebaseerd op Risicomanagement (project wordt organisatorisch van grof naar fijn uitgewerkt en financieel van klein naar groot) en praktische hanteerbaarheid. De projectfasering die wordt aangehouden is als volgt: Nr Hoofdfase Fase Directeurbestuurder (in MT) 1 Initiatief Start Haalbaarheid Goedkeuren 2 Definitie Projectplan Voorlopig Ontwerp Vaststellen Definitief Ontwerp 3 Realisatie Goedkeuren * Raad van Commissarissen Goedkeuren 4 Nazorg Goedkeuren * Kennis nemen *Uitsluitend binnen kaders van het Projectplan, anders goedkeuring Raad van Commissarissen noodzakelijk Iedere fase wordt afgesloten met een faseverslag welke een vast format kent. Eén van de onderdelen van het format is een paragraaf over projectrisico's. De belangrijkste projectrisico's en beheersingsmaatregelen worden door de projectmanager benoemd. Hierdoor zijn de projectrisico s transparant gemaakt binnen Samenwerking Vlaardingen. Het Projectplan wordt vastgesteld in het MT door de directeurbestuurder. 5
6 2.1.4 Procesbeschrijvingen De projectfasen zijn uitgewerkt in procesbeschrijvingen per fase. In de procesbeschrijvingen zijn op een voor Samenwerking Vlaardingen gestandaardiseerde wijze de volgende kaders benoemd: 1. Doelstelling van het proces van investeringen 2. Prestatie-indicatoren 3. Risico s voor het proces van investeringen. Per projectfase zijn de activiteiten (Wat), de verantwoordelijke medewerkers (Wie), de volgorde van de activiteiten (Wanneer) en de belangrijkste producten (waaronder Faseverslagen) benoemd. Daarnaast zijn belangrijke beheersingsmaatregelen benoemd in de procesbeschrijvingen Risicomanagement bij projecten Ieder kwartaal vindt overleg plaats tussen de afdelingen Vastgoed, Woondiensten en Middelen over de risico's van de totale ontwikkelportefeuille van Samenwerking Vlaardingen. Deze bespreking levert een gekwantificeerde risicoanalyse op. Naast deze kwantitatieve risicoanalyse wordt per kwartaal een kwalitatieve (korte) tekstuele toelichting op de projecten in ontwikkeling opgesteld. Zowel de kwantitatieve risicoanalyse als de kwalitatieve toelichtingen worden opgenomen in de managementrapportage, welke per kwartaal wordt verstrekt aan de Raad van Commissarissen. 6
7 3 TOETSINGSCRITERIA Naast de procedures en reglementen is het toetsingskader relevant. Het toetsingskader bevat de volgende randvoorwaarden: 1. Organisatorisch (3.1) 2. Strategisch (3.2) 3. Financieel op projectniveau (3.3) 4. Financieel op Organisatieniveau (3.4) 5. Risico (3.5) 6. Partnerselectie (3.6) 3.1 Organisatorisch kader Allereerst is belangrijk inzichtelijk te krijgen of Samenwerking Vlaardingen voldoende capaciteit heeft om het investeringsproject ook daadwerkelijk uit te voeren. Hierbij gaat het specifiek om het organisatorische kader. Het financiële kader wordt in paragraaf 3.3 en 3.4 verder uitgewerkt. Bij de beoordeling van de capaciteitsvraag van de organisatie speelt een aantal zaken een rol: de gewenste ontwikkelportefeuille de kennis van en de risico s in het te ontwikkelen vastgoed (uiteraard) de beschikbare interne capaciteit; de mogelijkheid tot inhuur van extra capaciteit Jaarlijks wordt in de Planning & Control cyclus (opstellen begroting, financiële meerjarenraming en afdelingsplannen) de capaciteitsvraag op organisatieniveau uitgewerkt. Naast deze jaarlijkse afweging voor de noodzakelijke capaciteit van Samenwerking Vlaardingen dient in ieder faseverslag specifiek aandacht aan het organisatorisch aspect invulling te worden gegeven. Er wordt niet alleen aandacht geschonken aan het volume van de capaciteit (kwantiteit), maar ook aan de kwaliteit van de capaciteit. Inzichtelijk moet worden gemaakt welke capaciteiten intern en/of extern worden gevraagd bij de uitvoering van het project in het onderdeel samenstelling van het projectteam. Of de organisatie van het project voldoet aan de organisatorische voorwaarden wordt door de directeurbestuurder beslist in het MT. 3.2 Strategisch kader Een project moet voldoen aan het strategisch kader van Samenwerking Vlaardingen. Zowel in de Aanleiding van het project als de Doelstelling dient duidelijk te worden aangegeven wat met het project wordt beoogd. Bij de beoordeling voor huurwoningen heeft de afdeling Woondiensten een belangrijke rol. Zij zullen voor de huurwoningen moeten bewaken of wordt voldaan aan het strategisch kader van Samenwerking Vlaardingen, zoals beantwoording van de vraag of de voorgenomen investering past binnen het huurbeleid en of de wensen van de huurders voldoende tot uitdrukking worden gebracht in de uitwerking van het project. De beslissing of voldaan wordt aan het strategisch kader vindt in het MT plaats door de directeurbestuurder, mede op basis van voorliggende adviezen van betrokken medewerkers en afdelingen. Daarbij zullen ook vragen beantwoord moeten worden of het investeringsvoorstel voldoet aan het vigerend beleidsplan en past binnen de begroting of eventueel meerjarenbegroting. 3.3 Financieel kader op projectniveau In paragraaf 1.1. gaven we aan dat we voor investeringen met een hoog maatschappelijk belang genoegen willen nemen met een lager rendement. Hoe we deze rendementseis opbouwen leggen we uit in paragraaf Bepalen rendementseis Tegenwoordig moet al het vastgoed, dus ook de vastgoedinvesteringen, worden opgedeeld in vastgoed waarvoor staatssteun is toegestaan en vastgoed waarvoor geen staatssteun is toegestaan. Daarnaast onderscheiden we woningen en overige vastgoed (aangeduid als Bedrijfs Onroerend Goed, te noemen BOG). Woningen waarvoor staatssteun is toegestaan worden ook aangeduid als DAEB (Diensten voor Algemeen Economisch Belang) woningen, BOG waarvoor staatssteun is toegestaan noemen we Maatschappelijk Onroerend Goed (MOG). Gecombineerd leidt dat tot vier categorieën vastgoed met elk een eigen rendementseis: 7
8 a. Voor de realisatie en exploitatie van DAEB woningen b. Voor de realisatie en exploitatie van Maatschappelijk Onroerend Goed c. Voor de realisatie en exploitatie van niet DAEB woningen d. Voor de realisatie en exploitatie van Bedrijfsmatig Onroerend Goed Het algemene uitgangspunt bij het vaststellen van een rendementseis is dat een vastgoedobject een marktconform rendement dient te behalen, tenzij er een maatschappelijke functie mee gediend is. De activiteiten c. en d. hebben een marktconforme rendementseis. Voor het vastgoed onder punt a. en b. kan een lagere rendementseis gelden. Hiermee kan het maatschappelijk element van deze investering worden meegewogen in de investeringsbeslissing. Dit maakt dat in dit statuut uitgegaan wordt van het Pas toe of leg uit principe. Er wordt getoetst aan een financiële rendementseis; in het projectvoorstel moet worden opgenomen welke maatschappelijke doelen worden beoogd en de wijze waarop deze moeten worden bereikt. De afslag op het marktconforme rendement dat Samenwerking Vlaardingen accepteert moet worden getoetst aan de maatschappelijke opbrengst. De maatschappelijke opbrengst komt tot uitdrukking door een kwalitatieve weergave van het maatschappelijke belang van de investering. Onderscheid wordt gemaakt in maatschappelijk belang en uiteraard geen maatschappelijk belang. Het maatschappelijk belang moet zo objectief mogelijk worden vastgesteld. De rendementseis betreft zowel het direct rendement (kasstromen) als het indirecte rendement (waardeontwikkeling van het vastgoed). De rendementseisen worden bepaald op basis van het kader zoals opgenomen in tabel 1. Jaarlijks wordt in de begroting voor het komend jaar de dan geldende rendementseisen voor nieuwe projecten benoemd Eigen vermogen Risicoopslag Vreemd vermogen Eigen vermogen Verhouding Vreemd vermogen Bandbreedte rendementseis DAEB (ook renovatie) investeringen 2,0% 1,0% - 2,0% 4,25% 50% : 50% 3,10% - 3,60% Maatschappelijk vastgoed 2,0% 2,0% - 4,0% 4,25% 50% : 50% 3,60% - 4,60% Niet-DAEB woningen 4,0% 2,0% - 4,0% 5,00% 50% : 50% 4,90% - 5,90% Bedrijfsonroerend Goed 4,0% 2,0% - 4,0% 5,00% 50% : 50% 5,50% - 6,50% Nieuwbouw koopwoningen 5,0% 2,0% - 4,0% 5,00% 100% : 0% 7,00% - 9,00% Tabel Rendementsverwachting Voor elk project wordt een rendementsverwachting opgesteld. Deze rendementsverwachting is gebaseerd op een realistische kasstroomprognose specifiek voor het complex. In de rendementsverwachting wordt meegenomen de stichtingskosten, dan wel de aankoopprijs, de verwachte inkomsten, de verwachte exploitatielasten die drukken op het complex en de restwaarde aan het einde van beschouwde exploitatieperiode. We beschouwen de restwaarde aan het einde van een overzichtelijke periode, namelijk 15 jaar. De ingeschatte kasstroomprognoses worden verdisconteerd tegen een percentage waarbij de ingaande en uitgaande kasstroom aan elkaar gelijk zijn. Dit berekende percentage is de internal rate of return (IRR). De geprognosticeerde huurprijzen dienen afgestemd te zijn met de verantwoordelijke Manager Woondiensten. Bij de bepaling van de huurprijs wordt niet alleen gekeken naar de woningwaardering of een percentage daarvan, maar wordt ook naar de markthuur gekeken. De exploitatielasten, met name de onderhoudskosten (gemiddeld over 50 jaar) dienen afgestemd te zijn met de verantwoordelijke Manager Vastgoed. In principe zijn de geprognosticeerde kosten en opbrengsten voor deze functionarissen taakstellend bij acceptatie van het project. De juistheid en aanvaardbaarheid van de berekeningen en aannames worden gecontroleerd door de afdeling Middelen. Voor de inschatting van de verwachte marktwaarde ontwikkeling van de woningen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van onafhankelijk en zo objectief mogelijke marktinformatie. 8
9 3.3.3 Toetsen rendementseis aan rendementsverwachting Indien het verwachte rendement niet voldoet aan de gestelde rendementseis gaat het project in principe niet door. In het projectvoorstel kan door het projectteam (onder leiding van projectmanager) via Pas toe of leg uit duidelijk worden gemaakt waarom het toch verantwoord wordt geacht te investeren. Uiteraard staat het de directeurbestuurder en de Raad van Commissarissen vrij anders te beslissen, maar uitgangspunt in dit investeringstatuut is dat op basis van een realistische taakstellende exploitatie opzet aan de rendementseis moet worden voldaan Overige gegevens Naast deze overwegingen moeten de gevolgen van de investeringsbeslissing duidelijk in beeld worden gebracht. Dit betekent dat bij iedere investeringsvoorstel het volgende wordt weergegeven: a. De getaxeerde directe opbrengstwaarde (voor huur- en natuurlijk koopwoningen). Dit is het afwegingskader voor te ontwikkelen vastgoed dat direct zal worden verkocht. b. De geschatte marktwaarde (kasstromen voor de komende 15 jaren ingeschat, met een getaxeerde restwaarde aan het einde van die termijn van 15 jaar). Dit is het afwegingskader voor de te ontwikkelen vastgoed in de huursector. c. De waarde van het te verhuren vastgoed conform de berekeningsystematiek CFV/WSW wordt inzichtelijk gemaakt zodat de gevolgen voor de jaarrekening duidelijk worden op het moment van de investeringsbeslissing. Er wordt geen maximum gesteld aan de onrendabele top. De onrendabele top wordt genomen conform de IFEC (Intern Geformaliseerd Extern Gecommuniceerd) norm. Dit wil zeggen de aanvraag voor de bouwvergunning bij de opstalrealisatie en bij de grondexploitatie het sloopbesluit en/of de communicatie met de gemeente. Of een project als hard of zacht wordt beschouwd (inclusief argumenten daarvoor) wordt opgenomen in het investeringsvoorstel en het bestuursverslag. Deze begrippen sluiten ook aan bij de nieuwe Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving 645. Hierin wordt aangegeven dat het niet DAEB bezit moet worden gewaardeerd tegen marktwaarde. Deze marktwaarde van huurwoningen sluit aan bij het waardebegrip zoals benoemd bij b. Hierdoor is het vereiste inzicht aanwezig indien kan worden volstaan bij een administratieve scheiding tussen DAEB en niet DAEB bezit zoals op dit moment in de nog vast te stellen vernieuwde Woningwet voorzien. Indien juridische scheiding plaats zal moeten vinden, dan zullen de projectdefinities moeten worden aangepast en zullen de ontwikkelactiviteiten in één of meerdere entiteiten moeten worden ondergebracht Financiële risico analyse De financiële risico s kunnen per project fors verschillen. De basis doorrekening ingevolge paragraaf en geeft onvoldoende inzicht op de gevolgen van financiële risico s. Naast dit basis scenario worden de effecten in beeld gebracht van: tegenvallende huuropbrengsten -10%; afwijking in de stichtingskosten 5 tot 10%; effect van hogere onderhoudslasten +10%. 3.4 Financieel kader op organisatieniveau Nu inzichtelijk is gemaakt of het project voldoet aan het financieel kader op projectniveau, moet nog worden gewogen of op organisatieniveau de investeringen kunnen worden gedragen. In feite gebeurt dit in de opstelling van de Financiële Meerjarenraming (zie ook ). Daar wordt de hele ontwikkelportefeuille doorgerekend en vertaald naar de geprognosticeerde kasstromen voor de komende 10 jaren. Zoals in aangegeven dient van projecten die niet zijn opgenomen in de FMR de effecten te worden weergegeven op de kasstroomprognoses Toetsen aan algemene financiële stuurgetallen In principe moet een investering zijn opgenomen in de financiële meerjarenraming (FMR). Een belangrijke eis die we stellen aan de meerjaren raming is dat deze financierbaar is. Indien een project in de goedgekeurde meerjarenraming is opgenomen, dan staat daarmee in principe de financierbaarheid van de investering vast. Indien het voorstel niet in de FMR is opgenomen dan moet het effect van de investering op de financiële kengetallen voor de lange termijn worden weergegeven. De belangrijkste drie vragen zijn welk deel van het project in het voorstel financierbaar is en tegen welke voorwaarden, vooral rente, deze financiering zal worden verstrekt. Bij deze beoordeling spelen de volgende overwegingen een rol: 9
10 1. Solvabiliteit Meet de omvang van het weerstandsvermogen van de corporatie in relatie tot het totale vermogen. Als kritieke grenswaarde voor de solvabiliteit wordt een norm van 22,5% gehanteerd op basis van bedrijfswaarde. 2. Liquiditeit Interest Coverage ratio (ICR) De ICR meet in hoeverre Samenwerking Vlaardingen in de meetperiode in staat is (geweest) de renteuitgaven op het vreemd vermogen te voldoen uit de kasstroom uit operationele activiteiten. Als kritieke grenswaarde voor de ICR wordt een norm van 1,4 gehanteerd. 3. Loan to value (LTV) Meet in hoeverre de kasstroom genererende capaciteit van de portefeuille op lange termijn, gemeten aan de hand van de Bedrijfswaarde van de portefeuille vastgoed in exploitatie, in een gezonde verhouding staat tot de schuldpositie. Als kritieke grenswaarde voor de LTV wordt een norm van 75% gehanteerd. 4. Aflossingsratio Debt Service Coverage Ratio (DSCR) Meet in hoeverre Samenwerking in staat is om voldoende kasstromen te genereren om, indien nodig, voldoende aflossingen op het vreemd vermogen te kunnen voldoen. Als kritieke grenswaarde voor de DSCR wordt een norm van 1 gehanteerd. 3.5 Risico s Op projectniveau worden in de faseverslagen de risico s inzichtelijk gemaakt in de Risicoparagraaf waar direct de belangrijkste beheersmaatregelen worden benoemd. Naast deze gestructureerde rapportages zijn vanuit risico oogpunt de volgende beslissingen zeer relevant en dienen gedocumenteerd te worden aangeboden ter besluitvorming in het MT en indien noodzakelijk aan de Raad van Commissarissen: a. Aankopen registergoederen (zie ook artikel 7.4. lid a) b. Sloopbesluit c. Start verkoop d. Gunning project aan aannemer e. Substantiële afwijkingen op goedgekeurde fasedocumenten In het MT wordt door de directeur-bestuurder besloten of op projectniveau het risico aanvaardbaar is. Naast deze risicoanalyse op projectniveau speelt een aantal risico beheersende maatregelen op organisatieniveau waaraan het project wordt getoetst: Het aantal onverkochte opgeleverde nieuwbouwwoningen (koop) mag op bedrijfsniveau op ieder moment niet meer dan 1 % van het woningbezit bedragen (2012: 40 stuks). Per project moet voldaan worden aan 60% voorverkoop voor start bouw. In gevallen dat wordt afgeweken van dit voorverkooppercentage wordt dit vooraf ter goedkeuring voor gelegd (zie ). Het risicovolume op organisatieniveau (hoofdstuk 3 Bestuursverslag) mag niet leiden tot een daling van de solvabiliteit beneden een waarde van de laatst vastgestelde minimale solvabiliteit (inclusief VPB beklemming) zoals benoemd door het Centraal Fonds voor de Volkshuisvesting in haar continuïteitsoordeel (aangepast op de solvabiliteit van de laatste jaarrekening) met een opslag van 5%. 3.6 Partnerselectie Bij de partnerselectie zijn binnen Samenwerking Vlaardingen de volgende randvoorwaarden benoemd: De Integriteitcode van Samenwerking Vlaardingen Verbindingenstatuut zoals vastgesteld door Samenwerking Vlaardingen Betrouwbaarheids- en financiële toetsing Het aanbestedingsbeleid van Samenwerking Vlaardingen. Indien wordt afgeweken van deze standaarden dient dit in het faseverslag expliciet te worden opgenomen en voorgelegd ter besluitvorming in het MT en eventueel Raad van Commissarissen. 10
11 3.7 Besluitvorming In principe vindt de besluitvorming over investeringen boven het bedrag van 3 miljoen plaats door middel van vaststelling door de directeur-bestuurder, goedkeuring door de Raad van Commissarissen en instemming van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw. Als van deze volgorde wordt afgeweken, wordt dit met redenen omkleed. 11
12 Lijst met afkortingen BBSH Besluit beheer sociale huursector CFV Centraal Fonds Volkshuisvesting DAEB Diensten van Algemeen Economisch Belang FMR Financiële meerjarenraming IRR Internal Rate of Retrun VpB Vennootschapsbelasting WSW Waarborgfonds Sociale Woningbouw 12
13 4 BIJLAGEN 4.1 Financiële parameters De parameters worden jaarlijks geactualiseerd ten tijde van het opstellen van de meerjarenprognose en goedgekeurd door de Raad van Commissarissen. Financiële parameters: - IRR rendementen (paragraaf 3.3.1) - ICR - DSCR - LTV - Solvabiliteit 4.2 Begripsomschrijvingen Huur De feitelijke huur die naar verwachting voor het project wordt gerealiseerd. Hierbij wordt er rekening gehouden met prestatieafspraken met de gemeente en met het huurbeleid van samenwerking. Het huurniveau wordt getoetst aan de marktsituatie in de regio en tevens aan de maximaal redelijke huur op basis van het woningwaarderingstelsel. Stichtingskosten De stichtingskosten van een nieuwbouwproject bestaan uit: - Grondkosten - Bouwkosten (aanneemsom) - Direct bijkomende kosten (o.a. architect en adviseurs) - Algemene kosten (algemene kosten van afdeling projectontwikkeling) - Financieringskosten (opgelopen rente op de geïnvesteerde bedragen gedurende het project) - Onvoorziene kosten (risicobuffer) De stichtingskosten van een renovatieproject bestaan uit: - Bouwkosten (aanneemsom) - Direct bijkomende kosten (o.a. architect en adviseurs) - Algemene kosten (algemene kosten van afdeling projectontwikkeling) - Financieringskosten (opgelopen rente op de geïnvesteerde bedragen gedurende het project) - Onvoorziene kosten (risicobuffer) - De kosten van uitplaatsing van zittende bewoners en de huurderving als gevolg van de leegstand voor renovatie en sloop. Onderhoudslasten De onderhoudslasten dienen afgestemd te zijn op het project (type product, de gebruikte installaties, en gebruikte materialen) en gericht te zijn op het behoud van het kwaliteitsniveau en wordt getoetst door de Manager Vastgoed. Beheerslasten De beheerslasten worden afgeleid van een inschatting van de vastgoedgerelateerde beheerslasten van Samenwerking. Hieronder vallen de lasten voor het administratief, het financieel en het technisch beheer. Onder administratief en financieel beheer wordt onder andere verstaan het incasseren van de huren en het uitvoeren van de daarbij behorende administratieve taken, het verzorgen van betalingen, het verwerken van huurindexeringen en het administratief afhandelen van mutaties. Onder technisch beheer wordt onder andere verstaan het uitvoeren van technische inspecties en het opstellen van onderhoudsprognoses. Belastingen en verzekeringen De lasten voor belastingen en verzekeringen worden op basis van ervaringscijfers en de werkelijke gemeentelijke belastingstarieven ingeschat voor het desbetreffende complex. 13
14 Verhuurderheffing De door het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) beoogde verhuurderheffing wordt gekoppeld aan de verhuur van gereguleerde woningen (DAEB) en is daarmee tevens een vastgoedgerelateerde heffing. Ten behoeve van de rendementsberekening wordt daarom rekening gehouden met de etra lasten door de verhuurderheffing. Exit-Yield (eindwaarde) De eindwaarde ten behoeve van de marktwaarde in verhuurde staat wordt bepaald op basis van een exit-yield. Deze exit-yield wordt afgeleid van het bruto aanvangrendement (BAR), waarbij rekening wordt gehouden met een verouderingsopslag. De BAR is projectspecifiek en afhankelijk van de stichtingskosten en de huuropbrengsten van het project in jaar 1. De verouderingsopslag is vastgesteld op 1% x de BAR per exploitatiejaar. Een BAR van 6% leidt dan tot een exit-yield van 7% in jaar 15. Leegwaarde en verkoopkosten De leegwaarde is gebaseerd op een marktconforme verkoopwaarde voor het specifieke project. Hierbij wordt rekening gehouden met de kosten voor de verkoop van de woning, zoals het verkoopklaar maken en de bemiddelingskosten van en makelaar/taxateur. Mutatiegraad De mutatiegraad van het project wordt ingeschat op basis van eigen ervaringscijfers voor soortgelijke objecten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de huurmutatiegraad en de verkoopmutatiegraad. Inflatie Ten behoeve van de inschatting van het inflatiepercentage wordt aangesloten bij de inflatiereeks zoals vastgesteld en opgenomen in de meerjarenbegroting van Samenwerking. Dit geldt voor de prijsinflatie, de bouw- en onderhoudskosten en de looninflatie. 14
INVESTERINGSSTATUUT. Versiedatum: 20-8-2012 Versie: 1.4 Status: Vastgesteld Vastgesteld MT: 21-08-2012 Goedgekeurd RvC: Ter goedkeuring
INVESTERINGSSTATUUT Versiedatum: 20-8-2012 Versie: 1.4 Status: Vastgesteld Vastgesteld MT: 21-08-2012 Goedgekeurd RvC: Ter goedkeuring Inhoud 1 Inleiding... 3 1.1 Inleiding en doel van het Investeringsstatuut...
Investeringsstatuut SWB
Investeringsstatuut SWB Status: definitief Vastgesteld MT 13-2-2012 Vastgesteld RvC 14-3-2012 Raymond Rensen Lienden, maart 2012 INHOUDSOPGAVE 1. Inleiding 3 1.1. Inleiding en doel van het Investeringsstatuut
Investeringsstatuut. Van Alckmaer voor Wonen
Investeringsstatuut Van Alckmaer voor Wonen Vastgesteld op 13 maart 2015 Inhoudsopgave 1 Algemeen... 2 1.1 Inleiding... 2 1.2 Toepassingskader... 2 1.3 Positionering van het investeringsstatuut... 2 2
Investeringsstatuut 4 december
Investeringsstatuut 4 december 2013 0 ARTIKEL 1 ALGEMEEN Per 1 juli 2011 is de nieuwe Governance code woningcorporaties van kracht. In deze code is onder meer opgenomen dat iedere corporatie een toetsingskader
Woningstichting Berg en Terblijt
Woningstichting Berg en Terblijt Investeringsstatuut 1. Inleiding Sinds 1 juli 2015 is de nieuwe Woningwet van kracht. De nieuwe Woningwet geeft bij de governance aspecten ook extra aandacht aan verbindingen
Investeringsstatuut Stichting Woontij
Investeringsstatuut Stichting Woontij 1 Inhoudsopgave 1. Inleiding 3 2. Procedures en besluitvorming 4 3. Organisatorische toets 5 4. Strategische koers 5 5. Financiële toets 6 6. Risicotoets 8 7. Partnerselectie
Investeringsstatuut onderhoud en ontwikkeling vastgoed
Investeringsstatuut onderhoud en ontwikkeling vastgoed Versie 1.4 (goedgekeurd door de RvC op 6 december 2012) Datum 22 november 2012 Auteur Robert van Veen en Frank aan de Wiel Afdeling Vastgoed en Financiën
Investerings- en financieel statuut
Investerings- en financieel statuut Inleiding Het belang van financiële sturing is in de afgelopen jaren toegenomen. Wijzigingen in de wettelijke regels, waaronder de scheiding van DAEB en niet-daeb activiteiten
15 november 2012. Investeringsstatuut Maasvallei
15 november 2012 Investeringsstatuut Maasvallei Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 2 Beleid en strategie 3 3 Processen 4 4 Strategische samenwerking en verbindingen 4 5 Risicobeheersing 5 6 Financiën 5 6.1 Financieel
Investeringsstatuut Stichting Wonen Zuid. Werk in uitvoering
Investeringsstatuut Stichting Wonen Zuid Werk in uitvoering Vastgesteld door de Bestuurder op 17-06-2014 Goedgekeurd door de Raad van Commissarissen op 26-03-2015 INHOUD INVESTERINGSSTATUUT INLEIDING...
Investeringsstatuut Woningstichting Leusden
Investeringsstatuut Woningstichting Leusden 1 Inleiding Dit investeringsstatuut van Woningstichting Leusden (WSL) beschrijft onder welke condities WSL (incl. haar verbindingen) investeringsbeslissingen
Versie 2013-08. TREASURYSTATUUT Stichting Woontij
Versie 2013-08 TREASURYSTATUUT Stichting Woontij 1. Inleiding Een groot deel van de kosten bij een wooncorporatie bestaat uit rente. Richtlijnen ten aanzien van financieren en beleggen zijn belangrijk.
VOLKSHUISVESTING ARNHEM INVESTERINGSSTATUUT
VOLKSHUISVESTING ARNHEM INVESTERINGSSTATUUT Vastgesteld door Directeur / Bestuurder op 8 november 2011 Goedgekeurd door Raad van Commissarissen op 13 februari 2012 INLEIDING Per 1 juli 2011 is de nieuwe
Investeringsstatuut STICHTING PLAVEI
Investeringsstatuut STICHTING PLAVEI Inhoudsopgave 1. Inleiding... 3 1.1. Algemeen... 3 1.2. Wettelijk kader Investeringsstatuut... 3 1.3. Doel Investeringsstatuut... 4 1.4. Doelstellingen investeringen...
INVESTERINGSSTATUUT Sprengenland Wonen
1 INVESTERINGSSTATUUT Sprengenland Wonen Versie : 2013-001 Ingangsdatum : 1 december 2013 Vastgesteld door het bestuur : 7 november 2013 Goedgekeurd door de Raad van Commissarissen : 25 november 2013 2
Investeringsstatuut. Wooncompagnie. 15 december 2014. Definitief. Rogier Vrolijk Controlling T (0229) 75 11 61 [email protected].
Investeringsstatuut Wooncompagnie Datum 15 december 2014 Versienummer Definitief Auteur Rogier Vrolijk Controlling T (0229) 75 11 61 [email protected] Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 1.1 Algemeen
Activiteiten Beter Wonen in ALMELO
Bijlage 3 Financiële paragraaf Beter Wonen Het bod in aantallen In onderstaande tabellen wordt de inhoud van het bod van Beter Wonen, zoals hiervoor is verwoord, concreet gemaakt in meetbare grootheden
CENTRAAL FONDS VOLKSHUISVESTING
Onroerende zaken in exploitatie, bestemd voor verkoop Bij het bepalen van de bedrijfswaarde van voor verkoop bestemde huurwoningen verwijst de richtlijn voor woningcorporaties (RJ 645) naar de richtlijn
VERDIEPING FINANCIAL RISK - UITLEG EN BEREKENING FINANCIËLE RATIO S
VERDIEPING FINANCIAL RISK - UITLEG EN BEREKENING FINANCIËLE RATIO S 1 Risico Beoordelingsmodel WSW Risico Management Model WSW baseert zijn risicobeoordeling op het bedrijfsmodel van een corporatie WSW
Investeringsstatuut Wonen Midden-Delfland
Investeringsstatuut Wonen Midden-Delfland September 2015 1 Inhoud 1 Inleiding 1.1 Algemeen 1.2 Wettelijk kader investeringsstatuut 1.3 Doel investeringsstatuut 1.4 Governance 1.5 Vaststelling, goedkeuring
Financieel Statuut. Woonstichting SSW
Financieel Statuut Woonstichting SSW Vastgesteld: RvC 21 januari 2014 Inhoudsopgave 1 Inleiding... 3 2 Interne sturing SSW... 3 3 Financiële kaders SSW... 4 4 Vertaling van de financiële kaders naar de
Knelpuntenanalyse Novelle en BTIV 2015
Knelpuntenanalyse Novelle en BTIV 2015 Frank Vermeij Augustus 2014 Inhoudsopgave 1 Inleiding... 3 2 Aanpak... 3 3 Juridische scheiding... 3 3.1 Aannames... 3 3.2 Resultaten... 4 4 Administratieve scheiding...
VASTGOEDSTURING OP COMPLEXNIVEAU
VASTGOEDSTURING OP COMPLEXNIVEAU INLEIDING In onze voorgaande blog hebben we verschillende gangbare waarderingsmethoden toegelicht: de historische kostprijs, de bedrijfswaarde en de marktwaarde. Dit deden
Financieel Statuut 2015 Status: Definitief
Financieel Statuut 2015 Status: Definitief 20151230 Financieel statuut 2015 definitief.doc 2 Inhoudsopgave 1. Waarom een financieel statuut... 4 1.1 Uitgangspunten... 4 1.2 Instrumenten... 4 1.3 Relatie
Investeringsstatuut. Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl
Investeringsstatuut Stichting Woonbedrijf SWS.Hhvl Versie 1.0 d.d. 07-02-2013 Versie is goedgekeurd in de RvC vergadering van 28-02-2013 1 Inhoud 1 Inleiding...3 1.1 Algemeen...3 1.2 Definities...3 1.3
8. Financiën. 8.1 Kerncijfers. 8.2 Algemeen. Niet-gerealiseerde waardeveranderingen. Loan to value 27%
8. Financiën 8.1 Kerncijfers Huuropbrengsten Bedrijfsopbrengsten Bedrijfslasten Bedrijfsresultaat Niet-gerealiseerde waardeveranderingen Resultaat na belastingen Maatschappelijke prestatie 40,1 miljoen
Van Marktwaarde naar Beleidswaarde
Van Marktwaarde naar Beleidswaarde Een handvat voor het nemen van investeringsbeslissingen in sociaal vastgoed januari 2018 De Marktwaarde is totaal ongeschikt voor het nemen van verantwoorde investeringsbeslissingen
Bijlage: Financiële paragraaf
Bijlage: Financiële paragraaf Disclaimer Het bod is onder voorbehoud van wijziging in wet- Ã regelgeving en veranderende marktsituatie. Havensteder werkt volgens het credo 'eerst verdienen, dan uitgeven'.
Beoordeling jaarrekening van een woningcorporatie versus WSW en CFV
Beoordeling jaarrekening van een woningcorporatie versus WSW en CFV FAMO, Den Haag Wim Pijffers, Senior Manager BDO Consultants B.V. 23 april 2015 Uw gesprekspartner Wim Pijffers Senior Manager Treasury
FINANCIËLE BIJLAGE VOORSTEL MFC. Inleiding
FINANCIËLE BIJLAGE VOORSTEL MFC Inleiding Om een solide financiële basis onder het Multifunctioneel Centrum (hierna: MFC) te realiseren is gezocht naar aanvullende partners. Inmiddels zijn de deelnemende
Toezichtkader Raad van Commissarissen. Stichting Woningcorporatie Plicht Getrouw. Identificatie:
Toezichtkader Raad van Commissarissen Stichting Woningcorporatie Plicht Getrouw Identificatie: Versie: februari 2019 Vastgesteld in vergadering RvC d.d.: 18 februari 2019 Gecommuniceerd met Bestuur: februari
Corporatie in Perspectief
Analyse CFV 2012 Corporatie in Perspectief L0249 Helmond CFV 2012 Corporatie in Perspectief L0249 Inhoud 1 Algemeen 1.1 Algemene gegevens corporatie 4 1.2 Samenstelling van het bezit 5 2 Volkshuisvestelijke
Spoedcursus corporatiefinanciën. Fleur Elderhorst Hoofd BNG Advies 17 juni 2015
Fleur Elderhorst Hoofd BNG Advies 17 juni 2015 BNG Advies ondersteunt haar cliënten bij het maken van afwegingen bij (des)investeringen, financiering, risico s Het resultaat van onze dienstverlening is
Verhuurderheffing en effecten investeringsfaciliteit
Verhuurderheffing en effecten investeringsfaciliteit Johan Conijn & Wolter Achterveld 30 mei 2013 Inhoudsopgave 1 Inleiding... 3 2 Gevolgen verhuurderheffing... 3 3 Gevolgen nieuwe investeringsfaciliteit,
Investeringsstatuut. Wooncompagnie. 4 november Concept. Rogier Vrolijk Controlling T (0229)
Investeringsstatuut Wooncompagnie Datum 4 november 2015 Versienummer Concept Auteur Rogier Vrolijk Controlling T (0229) 75 11 61 [email protected] Inhoudsopgave 1 Inleiding 3 1.1 Algemeen 3 1.2
TREASURY EN BELEGGINGSSTATUUT Stichting Woontij
TREASURY EN BELEGGINGSSTATUUT Stichting Woontij Versie 2015-06 1. Inleiding Een groot deel van de kosten bij een wooncorporatie bestaat uit rente. Richtlijnen ten aanzien van financieren en beleggen zijn
Corporatie in Perspectief
Analyse CFV 2013 Corporatie in Perspectief L0565 Alphen aan den Rijn CFV 2013 Corporatie in Perspectief L0565 Inhoud 1 Algemeen 1.1 Algemene gegevens corporatie 4 1.2 Samenstelling van het bezit 5 2 Volkshuisvestelijke
Q&A Handboek Marktwaardering
Q&A Handboek Marktwaardering Jaarrekening... 1 Oppervlakte... 1 Complex... 2 Splitsing daeb/niet daeb... 2 Model BOG/MOG... 2 Model parkeren... 2 Objectgegevens... 3 Mutatiekans... 3 Eindwaarde... 4 Contante
Woningwet op weg: Workshop spoedcursus corporatiefinanciën 30 september 2015. Eindhoven
Woningwet op weg: Workshop spoedcursus corporatiefinanciën 30 september 2015 Eindhoven Natasja Georgius-van Dijk Adviseur BNG Advies 30 september 2015 BNG Advies ondersteunt haar cliënten bij het maken
Wonen Noordwest Friesland
Investeringsstatuut Wonen Noordwest Friesland januari 2014 Sint Annaparochie Inhoudsopgave Inleiding... 3 1.1 Doelstellingen investeringsstatuut... 3 1.2 Reikwijdte en definitie investering... 3 1.3 Goedkeuring
Corporatie in Perspectief
Analyse CFV 2013 Corporatie in Perspectief L0837 Nieuwegein CFV 2013 Corporatie in Perspectief L0837 Inhoud 1 Algemeen 1.1 Algemene gegevens corporatie 4 1.2 Samenstelling van het bezit 5 2 Volkshuisvestelijke
WSW Risicobeoordelingsmodel. Financial Risk Definities en Scoringsrichtlijnen
WSW Risicobeoordelingsmodel Financial Risk Definities en Scoringsrichtlijnen Inleiding Dit document bevat een gedetailleerde uitwerking van de financiële ratio s die WSW hanteert bij de risicobeoordeling
INVESTERINGSSTATUUT. FidesWonen
INVESTERINGSSTATUUT FidesWonen Versie 1.0 Sommelsdijk, 20 november 2012 Inhoud Inhoud 2 1. Doelstelling 4 2. Bedrijfsvisie, visie en beleid 5 Bedrijfsvisie 5 Visie op investeringen 5 Beleid ten aanzien
Hoofdstuk 9: Financiële gang van zaken
Hoofdstuk 9: Financiële gang van zaken 9.1 Kerncijfers 9.2 Algemeen 9.3 Financiële kengetallen 9.4 Maatschappelijke prestatie 9.5 Toekomstige ontwikkelingen 9.5 Balans 9.6 Winst- en verliesrekening 9.1
TOELICHTING BESLISBOOM
TOELICHTING BESLISBOOM De beslisboom is bedoeld als hulpmiddel bij het maken van de keuze tussen administratief of juridisch scheiden. Ook gaat de beslisboom in op de mogelijkheid van vrijstelling van
Corporatie in Perspectief
Analyse CFV 2011 Corporatie in Perspectief L1691 Apeldoorn CFV 2011 Corporatie in Perspectief L1691 Inhoud 1 Algemeen 1.1 Algemene gegevens corporatie 4 1.2 Situering van het corporatiebezit: indicatie
Corporatie in Perspectief
Analyse CFV 2010 Corporatie in Perspectief L0669 Roermond CFV 2010 Corporatie in Perspectief L0669 Inhoud 1 Algemeen 1.1 Algemene gegevens corporatie 4 1.2 Situering van het corporatiebezit: indicatie
9. Financiele aspecten
9. Financiele aspecten ANNEXUM 9.1 Rendement Het beleid van het Fonds en de Beheerder is gericht op het behalen van een optimale opbrengst uit de verhuur en de verkoop van de vastgoedportefeuille. De kansen
Zie Bijlage 1: Voorbeeld teksten en tabellen voor bestuursverslag 2018, onderdeel beleidswaarde ter illustratie.
HANDREIKING VERWERKING BELEIDSWAARDE IN HET JAARVERSLAG 2018 VAN WONINGCORPORATIES Inleiding In de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving heeft Richtlijn 645 betrekking op de jaarverslaggeving van Toegelaten
Geconsolideerde balans per 31 december 2014 (na voorgestelde resultaatbestemming x 1.000)
Geconsolideerde balans per 31 december 2014 (na voorgestelde resultaatbestemming x 1.000) 31 December 2014 31 December 2013 VASTE ACTIVA Immateriële vaste activa Software en website 497 473 Materiële vaste
IMPLEMENTATIEPLAN HERZIENE WONINGWET (NOVELLE)
IMPLEMENTATIEPLAN HERZIENE WONINGWET (NOVELLE) DAEB portefeuille portefeuille HOOFDLIJNEN IMPLEMENTATIE HERZIENE WONINGWET Bepalen strategie 1. Richting kiezen Uitvoeren scheiding 2. Uitwerken administratieve/juridische
MEMO HERZIENING WONINGWET
MEMO HERZIENING WONINGWET Nieuwe corporatiebestel van kracht op 1 juli 2015 Op 17 maart 2015 heeft de Eerste Kamer unaniem ingestemd met de gewijzigde Woningwet 1 die tot doel heeft het functioneren van
Woningwet op weg: Workshop corporatiefinanciën 17 september 2015. Zwolle
Woningwet op weg: Workshop corporatiefinanciën 17 september 2015 Zwolle Gabriël de Groot Senior adviseur BNG Advies 17 september 2015 BNG Advies ondersteunt haar cliënten bij het maken van afwegingen bij
INVESTERINGSSTATUUT. DE RAAD VAN BESTUUR, het Directieteam gehoord, met goedkeuring van de Raad van Commissarissen, STELT VAST:
INVESTERINGSSTATUUT VAN: 1. Stichting Woonbron 2. nummer Handelsregister: 24108291. 3. datum laatste statutenwijziging: 19 januari 2006 4. datum goedkeuring RvC 17 maart 2015 5. datum inwerkingtreding
Samenvatting herziene Woningwet
Samenvatting herziene Woningwet 1. Algemeen De Tweede Kamer stemde op 5 juli unaniem in met de herziening van de Woningwet. In het najaar van 2012 wordt het wetsvoorstel door de Eerste Kamer besproken.
Leidraad economische parameters dpi 2018
Leidraad economische parameters dpi 2018 Leidraad economische parameters dpi 2018 Datum 23 Juli 2018 Leidraad economische parameters dpi 2018 23 juli 2018 Colofon Uitgegeven door Inspectie Leefomgeving
Corporatie in Perspectief
Analyse CFV 2009 in Perspectief L0339 Woningbouwvereniging 't Goede Woonhuys Hilversum CFV 2009 in Perspectief L0339 Inhoud 1 Algemeen 1.1 Algemene gegevens corporatie 4 1.2 Vraag- / aanbodverhoudingen
Direct rendement 3,1% 3,0% Indirect rendement 1,6% 2,0%
8. Financiën 8.1 Kerncijfers 2015 2014 Huuropbrengsten 43,2 miljoen 40,1 miljoen Bedrijfsopbrengsten 48,3 miljoen 44,6 miljoen Bedrijfslasten 29,9 miljoen 29,6 miljoen Bedrijfsresultaat 18,5 miljoen 15,0
Corporatie in Perspectief
Analyse CFV 2009 Corporatie in Perspectief L1548 Amstelveen CFV 2009 Corporatie in Perspectief L1548 Inhoud 1 Algemeen 1.1 Algemene gegevens corporatie 4 1.2 Vraag- / aanbodverhoudingen 4 1.3 Situering
