Pendelen in Vlaanderen
|
|
|
- Nathalie de Valk
- 10 jaren geleden
- Aantal bezoeken:
Transcriptie
1 Pendelen in Vlaanderen Een analyse van het woon-werkverkeer op basis van SEE2001 Pickery, J. (2005). Koning Auto regeert? Pendelgedrag en attitudes tegenover aspecten van het mobiliteitsbeleid in Vlaanderen. In APS, Vlaanderen gepeild! (pp ). Brussel: Administratie Planning en Statistiek, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Deze bijdrage beschrijft het verplaatsingsgedrag van de Vlamingen, meer bepaald het woon-werkverkeer, zoals dat gerapporteerd werd in de laatste volkstelling. De analyse toont eens te meer dat de auto zeer dominant is. Bijna 70% van de werkende Vlamingen gebruikt de auto als bestuurder om naar het werk te gaan. Scholingsniveau, af te leggen afstand en locatie van de woning zijn belangrijke verklarende variabelen voor het autogebruik. Inleiding en beschrijving van de data In dit artikel bekijken we het pendelgedrag van de Vlamingen met een focus op de keuze van vervoermiddelen. De Vlaamse overheid wil de inspanningen voor het openbaar vervoer immers prioritair concentreren op het woon-werkverkeer (en het woon-schoolvervoer). Het stimuleren van alternatieve modi bij de vervoerswijzekeuze is een expliciete beleidsdoelstelling. Om dat pendelgedrag in kaart te brengen, gebruiken we een steekproef van de laatste volkstelling, ook wel bekend als de Socio-Economische Enquête 2001 (SEE2001). Die enquête werd gehouden bij alle inwoners van België, ingeschreven in de gemeentelijke bevolkingsregisters op 1 oktober Alle personen, Belgen én buitenlanders die op dat moment hun hoofdverblijfplaats hadden in België, werden ondervraagd. Elk huishouden ontving één woning-/huishoudformulier en één individueel formulier voor elke persoon in het huishouden. De individuele formulieren bevatten onder meer vragen over het gevolgde onderwijs en de tewerkstellingssituatie van de persoon en ook over de woon-werkverplaatsing of woon-schoolverplaatsing. De deelname aan SEE2001 was verplicht en kan ook goed genoemd worden. Meer dan 96% van de aangeschreven respondenten in België nam deel aan de enquête (al dan niet na een herinnering/verwittiging). Voor het Vlaams Gewest liggen de cijfers zelfs nog iets hoger: 98,1% van de Vlaamse huishoudens stuurde het formulier terug. In de grote steden was er iets minder medewerking, maar voor Antwerpen en Gent werd nog altijd een responsgraad van 94,8% respectievelijk 96,3% gehaald. In tegenstelling tot de zeer lage unit-nonrespons was de item-nonrespons voor een aantal vragen wel aanzienlijk. Uit het bestand op huishoudniveau dat op basis van de ingevulde formulieren samengesteld werd, trok het Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS) voor de administratie Planning en Statistiek (APS) een 10%-steekproef van de inwoners van het Vlaamse Gewest. In die steekproef werden enkel de individuele huishoudens opgenomen. Collectieve huishoudens werden buiten beschouwing gelaten. In een tweede bestand werden de persoonsgegevens verzameld van alle gezinsleden van de huishoudens die geselecteerd werden. 76 OVER. WERK Tijdschrift van het Steunpunt WAV / Uitgeverij Acco 4/2005
2 De woon-werkpendel in Vlaanderen De afstand tot het werk In onze analyse concentreren we ons op de mensen die werken, aangezien zij toch een heel ander pendelprofiel hebben dan de studerenden. Bovendien beperken we ons tot de groep die minstens drie dagen per week naar het werk pendelt. Slechts een kleine groep legt de afstand van thuis naar de werkplaats maar een of twee keer per week af (ongeveer 2,5%). Die groep heeft een iets ander pendelprofiel en heeft bovendien minder impact op files en andere mobiliteitsproblemen. In de steekproef van SEE2001 waarover wij beschikken, zitten nog meer dan mensen die beantwoorden aan onze selectie: werken en minstens drie dagen pendelen. Die groep is dus zeker nog voldoende groot om er heel relevante en gedetailleerde informatie uit te halen. Gemiddeld zijn die pendelaars zowel s morgens als s avonds iets minder dan een halfuur onderweg voor hun woon-werkverplaatsing. In die tijd leggen ze gemiddeld 19 kilometer enkel af. Maar dat gemiddelde verhult natuurlijk grote verschillen. Ongeveer 28,5% woont op minder dan 5 kilometer van het werk en voor bijna 48% bedraagt de af te leggen afstand minder dan 10 kilometer. Bijna 12% moet echter meer dan 40 afleggen. De variabele die de grootste impact heeft op de af te leggen afstand is het opleidingsniveau van de werkende. Zoals tabel 1 toont, werken hogeropgeleiden vaker verder van huis. Van de twee groepen met het laagste onderwijsniveau werkt bijna 10% binnen 1 kilometer van zijn woonplaats. Bij de universitair geschoolden is dat minder dan 5%. Nog opvallender is het aandeel waarvoor de werkplaats zich bevindt op meer dan 40 kilometer van thuis. Dat stijgt mee met het opleidingsniveau, van minder dan 7% voor de mensen met ten hoogste een diploma lager onderwijs tot bijna 24% voor universitair geschoolden. Dat laatste percentage is overigens bijna dubbel zo hoog als het percentage bij de mensen met een diploma hoger onderwijs buiten de universiteit, die nochtans het tweede hoogste aandeel langeafstandspendelaars tellen. Gebruikte vervoermiddelen De respondenten werd gevraagd de vervoermiddelen aan te kruisen die zij meestal gebruiken om de weg naar het werk volledig af te leggen. In het daaropvolgende lijstje werden zeven vervoermiddelen opgesomd en eveneens de antwoordmogelijk geen (uitsluitend te voet) opgenomen. Deze vraagstelling heeft het nadeel dat te voet niet gecombineerd kan worden met andere vervoermiddelen. Er mag bovendien aangenomen worden dat niet alle respondenten de vraaginstructie op dezelfde manier hebben gevolgd. Uit de antwoordprofielen kan opgemaakt worden dat sommige respondenten meerdere vervoermiddelen aankruisen omdat zij die combineren terwijl andere respondenten meerdere vervoermiddelen opgeven omdat zij die afwisselen (bijvoorbeeld afhankelijk van de weersomstandigheden). De tijdsperiode waarin de formulieren ingevuld worden kan zo ook een impact hebben op de bekomen antwoorden. Als de respondenten de vragenlijst in de winter invullen, bestaat de kans dat zij hun gebruik van de fiets in de zomer vergeten te vermelden. Rekening houdend met de antwoordpatronen op de andere vragen (bijvoorbeeld afstand en duur), kan er echter van uitgegaan worden dat het bij de meeste respondenten wel over een combinatie gaat. Ondanks deze beperkingen kan er toch veel informatie uit de antwoorden op deze vragen gehaald worden. In tabel 2 tonen we de combinaties van gebruikte vervoermiddelen. De tabel toont de dominantie van de auto: 65% van de regelmatig (minstens drie dagen per week) pendelende werkende mensen gebruikt uitsluitend de auto als bestuurder om op het werk te geraken. Alleen de fiets haalt nog een percentage in de buurt van 10%, alle andere vervoermiddelencombinaties komen veel minder frequent voor. Deze dominantie van de auto wordt extra benadrukt omdat autogebruik relatief weinig gecombineerd wordt met andere vervoersmodi. Vergelijk bijvoorbeeld met de trein: 5,5% van de werkenden gebruikt de trein om op het werk te geraken. Maar 60% van de treinpendelaars gebruikt ook nog een of meerdere andere vervoermiddelen. Zo zijn er slechts 2,2% uitsluitend treingebruikers. De andere treinpendelaars zijn verdeeld over verschillende categorieën, bijvoorbeeld ook bij overige combi- OVER. WERK Tijdschrift van het Steunpunt WAV / Uitgeverij Acco 4/
3 Tabel 1. Afstand tot het werk volgens onderwijsniveau Onderwijsniveau Af te leggen afstand 0 tot 1 2 tot 3 4 tot 5 6 tot tot tot of meer N Lager onderwijs aantal % binnen onderwijsniveau 9,8% 13,6% 12,8% 22,6% 20,6% 13,7% 6,8% Lager secundair aantal % binnen onderwijsniveau 9,3% 11,9% 11,8% 21,6% 22,4% 14,8% 8,1% Hoger secundair aantal % binnen onderwijsniveau 8,1% 10,2% 10,7% 20,3% 23,3% 17,6% 9,7% Hoger niet-universitair aantal % binnen onderwijsniveau 7,4% 9,8% 9,2% 18,1% 22,9% 20,0% 12,7% Universitair aantal % binnen onderwijsniveau 5,7% 7,0% 7,0% 13,8% 19,4% 23,2% 23,8% Totaal aantal % 8,0% 10,2% 10,2% 19,3% 22,4% 18,1% 11,8% Bron: NIS, SEE2001, 10%-steekproef 78 OVER. WERK Tijdschrift van het Steunpunt WAV / Uitgeverij Acco 4/2005
4 naties, een restcategorie die weinig voorkomende vervoermiddelencombinaties groepeert. Toch blijft meer dan 65% een zeer opvallend cijfer, dat echter in de lijn ligt van de resultaten van bijvoorbeeld het onderzoek verplaatsingsgedrag Vlaanderen (62% autobestuurder, 7% autopassagier als hoofdvervoermiddel, zie Zwerts & Nuyts, 2004). De keuze voor een vervoermiddel wordt natuurlijk sterk bepaald door de af te leggen afstand. De snelheid die behaald kan worden, is waarschijnlijk de rationele verklaring hiervoor. Maar als we de meest gebruikte vervoerswijzen voor de verschillende categorieën van afstanden bekijken, blijkt dat de auto ook al voor kleine afstanden snel dominant wordt. Van de mensen die tot 1 kilometer moeten pendelen, doet 70% dat te voet of per fiets. Maar meer dan 21% gebruikt voor die afstand uitsluitend de eigen auto. Vanaf 2 kilometer is de auto al het populairste vervoermiddel. Tussen 2 en 3 kilometer bedraagt het aantal respondenten dat uitsluitend de eigen auto vermeldt wel nog minder dan 50%, maar vanaf 4 kilometer is het altijd meer dan 60%. Het aantal autogebruikers stijgt met de afstand tot 20 kilometer. Van dan af is er een lichte daling in het aandeel uitsluitend autogebruikers in het voordeel van de trein, die zich iets sterker doorzet voor de langste afstanden (meer dan 40 kilometer). Wanneer we proberen te verklaren welke vervoerswijze iemand kiest als hij zich naar zijn werk verplaatst, zijn er natuurlijk nog andere elementen die een rol spelen naast de af te leggen afstand: kenmerken van de persoon en ook de plaats waar hij woont. Om de effecten van de woonplaats te onderzoeken, hebben we alle woonplaatsen van de respondenten ingedeeld in acht categorieën volgens de ruimtelijke indeling van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen: centrumgemeente grootstedelijk gebied (alleen Antwerpen en Gent), centrumge- Tabel 2. Gebruikte (combinaties van) vervoermiddelen voor de woon-werkverplaatsing Frequentie Percentage Uitsluitend auto als bestuurder ,1 Uitsluitend fiets ,8 Uitsluitend te voet ,6 Uitsluitend auto als passagier ,5 Uitsluitend bus, tram of metro ,9 Uitsluitend brommer ,8 Uitsluitend vervoer georganiseerd door werkgever ,5 Uitsluitend trein ,2 Overige combinaties ,0 Auto als bestuurder + auto als passagier ,0 Auto als bestuurder + trein ,0 Auto als bestuurder + fiets ,9 Bus, tram of metro + trein ,8 Fiets + trein ,6 Auto als bestuurder + bus, tram of metro ,5 Bus, tram of metro + auto als passagier 644 0,3 Fiets + bus, tram of metro 620 0,3 Fiets + auto als passagier 519 0,2 N Bron: NIS, SEE2001, 10%-steekproef OVER. WERK Tijdschrift van het Steunpunt WAV / Uitgeverij Acco 4/
5 meente regionaalstedelijk gebied (Mechelen, Turnhout, Leuven, Brugge... in totaal elf steden), grootstedelijk gebied (de rand rond Antwerpen en Gent), regionaalstedelijk gebied (de rand rond die elf andere steden), structuurondersteunend kleinstedelijk gebied (Lier, Geel, Mol, Aarschot, Tienen,... twintig steden), kleinstedelijk gebied op provinciaal niveau (Boom, Heist-op-den-Berg, Hoogstraten, Menen, Geraardsbergen, Ninove,... vierentwintig steden of stadjes), het Vlaamse stedelijk gebied rond Brussel (Dilbeek, Sint-Pietersleeuw, Vilvoorde... veertien gemeenten) en het buitengebied (al de rest). Voor de inwoners van al die ruimtelijke categorieën blijft de auto het meest gebruikte vervoermiddel. Maar, er zijn toch opvallende verschillen in het aantal keren dat auto als bestuurder als enige vervoermiddel wordt vermeld. Bij inwoners van de grootsteden Antwerpen en Gent geldt dat voor minder dan 55% terwijl 70% van de inwoners van het buitengebied en van de inwoners van Vlaams stedelijk gebied rond Brussel uitsluitend de eigen auto gebruikt. Fietsen gebeurt het vaakst in de centrumgemeenten van het regionaalstedelijk gebied. De Vlaamse rand valt hier op door zijn lage cijfer. In de steden wordt het vaakst naar het werk gewandeld, in dalende volgorde volgens de grootte van de stad (meeste wandelaars in de grootsteden, vervolgens in de regionale steden en dan in het structuurondersteunend kleinstedelijk gebied). Dat geldt duidelijk niet voor de randgemeenten van deze steden. In de randgemeenten van Antwerpen en Gent is er bijvoorbeeld een zeer laag percentage wandelaars. Deze resultaten zijn natuurlijk niet zo toevallig. In grootsteden is er meer werkgelegenheid zodat inwoners vaker dicht bij hun werk wonen. De ruimere tewerkstellingsmogelijkheden in de nabije omgeving gelden ook voor de regionale steden en waarschijnlijk zijn die steden verkeersveiliger en fietsvriendelijker dan de grootsteden. In die zin worden de verschillen die we vinden mee bepaald door de afstand die de respondenten moeten afleggen naar hun werk. Bovendien is het openbaar vervoer in de steden beter uitgebouwd zodat er meer alternatieven zijn voor de auto. Toch blijkt (opnieuw) dat de keuze voor duurzaam vervoer makkelijker of evidenter is voor mensen die in een stad wonen. Als we kijken naar de verschillen in gebruikte vervoerswijzen volgens persoonskenmerken blijken de verschillen volgens leeftijd beperkter dan de verschillen volgens opleidingsniveau. De jongste groep werkenden (18 tot 24 jaar) rijdt het minst vaak met de eigen auto naar het werk (dit komt waarschijnlijk ook omdat een deel ervan nog niet over een rijbewijs of over een eigen auto beschikt), maar die groep gaat ook niet vaker te voet of met de fiets naar het werk. De meeste fietsers vinden we in de op een na oudste groep (45 tot 54 jaar) en de meeste wandelaars in de oudste groep (55 tot 64). Opleidingsniveau is een veel belangrijkere discriminerende variabele. Mensen met een diploma hoger onderwijs gebruiken veel vaker uitsluitend de auto dan lageropgeleiden. Hiermee samenhangend treffen we bij de lageropgeleiden meer wandelaars en (veel) meer fietsers aan. De verschillende achtergrondkenmerken hangen natuurlijk onderling samen (ouderen hebben over het algemeen een lager opleidingsniveau) en er zijn ook samenhangen tussen de achtergrondkenmerken en de afstandsvariabelen. Om voor deze samenhangen te controleren werd een multivariate analyse uitgevoerd. Die analyse bevestigt de effecten die we hierboven besproken hebben als nettoeffecten. Dat wil dus zeggen dat ze gelden onafhankelijk van de andere variabelen. Hogeropgeleiden hebben dus meer kans om de auto te gebruiken onafhankelijk van de afstand die ze moeten afleggen. Inwoners van Antwerpen en Gent hebben minder kans om de auto te nemen, onafhankelijk van hun scholingsniveau. Een afstand tussen 10 en 20 zet mensen er het meest toe aan om naar de auto te grijpen, onafhankelijk van de overige bepalende kenmerken. Besluit Verplaatsingsgedrag was slechts één module van SEE2001. De bevraging ervan was niet uitgebreid en de hier gepresenteerde analyse blijft dus ook beperkt. Ook zijn de cijfers niet heel recent (oktober 2001). Maar hier staat een zeer grote steekproef tegenover die toch veel informatie biedt. Zo toont het artikel dat de auto nog steeds het dominante vervoermiddel is voor de woon-werkverplaatsing 80 OVER. WERK Tijdschrift van het Steunpunt WAV / Uitgeverij Acco 4/2005
6 van de Vlaming. Er kunnen een aantal achtergrondkenmerken gevonden worden die samenhangen met de vervoermiddelenkeuze (leeftijd, opleidingsniveau, woonplaats) maar ook voor relatief kleine afstanden gebruikt de meerderheid toch uitsluitend de auto. Bibliografie Zwerts, E. & Nuyts, A. (2004). Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen Brussel-Diepenbeek: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap/Universiteit Hasselt. Jan Pickery Administratie Planning en Statistiek Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap OVER. WERK Tijdschrift van het Steunpunt WAV / Uitgeverij Acco 4/
Onderzoek verplaatsingsgedrag Vlaanderen ( ) Analyserapport
Onderzoek verplaatsingsgedrag Vlaanderen (2015-2016) Analyserapport 1 INLEIDING Sinds 1994 voert de Vlaamse Overheid onderzoek uit naar het verplaatsingsgedrag van Vlamingen. Dit onderzoek wordt het Onderzoek
10 SAMENVATTING 23. 10.1 Schets van de steekproef. 10.2 Kencijfers huishoudens. 10.3 Kencijfers personen
10 SAMENVATTING 23 10.1 Schets van de steekproef Van december 2000 tot december 2001 werd er in Vlaams-Brabant een onderzoek naar het verplaatsingsgedrag uitgevoerd. Het onderzoeksgebied Vlaams-Brabant
Eerste resultaten van de Monitor-enquête over de mobiliteit van de Belgen
Eerste resultaten van de Monitor-enquête over de mobiliteit van de Belgen Inleiding De FOD Mobiliteit en Vervoer en het Vias-instituut hebben een grote enquête georganiseerd om de mobiliteitsgewoonten
Tabel 69: Verdeling van het gavpppd volgens geslacht en hoofdvervoerswijze. meerdere verplaatsingen heeft gemaakt.
2.2 Gavpppd en socio-economische kenmerken Iedereen die mobiliteit en verplaatsingsgedrag bestudeert, heeft wellicht al wel eens van een studie gehoord waarin socio-economische kenmerken gebruikt worden
Mobiliteitsclub VAB onderzoek jongeren en mobiliteit
1 Maarten Matienko maarten.matienko @vab.be t 03 210 70 80 m 0495 53 61 42 Jongeren en mobiliteit 13 november 2017 Mobiliteitsclub VAB onderzoek jongeren en mobiliteit Sterke groei van het autogebruik
5 Bij de analyse maken we geen gebruik meer van de 2 e invuldag
5 Bij de analyse maken we geen gebruik meer van de 2 e invuldag Bij alle tot op heden uitgevoerde OVG s in Vlaanderen (Vlaanderen april 1994-april 1995, Vlaanderen januari 2000-januari 2001, de stadsgewesten
3 Gemiddeld aantal afgelegde kilometer per persoon per dag (gaakpppd)
3 Gemiddeld aantal afgelegde kilometer per persoon per dag (gaakpppd) 3.1 Algemeen Het gemiddeld aantal afgelegde kilometer per persoon per dag bedraagt anno 2008 41,6 km 1. Ook voor deze indicator beschikken
Pendelarbeid tussen Gewesten en provincies
ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 19 juli 2007 Pendelarbeid tussen Gewesten en provincies Eén op de tien Belgen werkt in een ander gewest; één op de vijf in een andere
Vervoer in het dagelijks leven
Vervoer in het dagelijks leven Doordat de afstanden tot voorzieningen vandaag de dag steeds groter worden neemt het belang van vervoer in het dagelijks leven toe. In april 2014 zijn de leden van het Groninger
Het is ook deze volgorde die we gebruiken voor deze samenvatting.
9 Samenvatting 9.1 Schets van de steekproef Van januari 2000 tot januari 2001 werd bij 2500 gezinnen in het stadfsgewest Hasselt-Genk een onderzoek naar het verplaatsingsgedrag uitgevoerd. Hierbij werd
FACTS & FIGURES Bioscoopbezoek Mathijs De Baere
Inleiding Al begin 20ste eeuw opende de eerste bioscopen hun deuren in België en midden de jaren twintig van de 20 e eeuw telde België al meer dan 1000 bioscopen (Convents, 2007; Biltereyst & Meers, 2007)
1.1 Verplaatsingskilometers
1.1 Verplaatsingskilometers 1.1.1 Verplaatsingskilometers Gemiddeld aantal afgelegde kilometers per persoon per dag OVG 3 OVG 4.1 OVG 4.2 OVG 4.3 OVG 4.4 OVG 4.5 OVG 5.1 algemeen gemiddelde algemeen gemiddelde
De bruisende stad. Beleidskader
De bruisende stad Vlaams Regeerakkoord: Beleidskader» Werk maken van duurzame, creatieve steden» Stedelijke kernen uitbouwen tot aantrekkelijke woonkernen met een interessant cultureel, onderwijs-, verzorgings-,
ONDERZOEK VERPLAATSINGSGEDRAG VLAAMS-BRABANT
P H L PROVINCIALE HOGESCHOOL LIMBURG DEPARTEMENT ARCHITECTUUR ONDERZOEKSCEL A rchitectuur M obiliteit O mgeving ONDERZOEK VERPLAATSINGSGEDRAG VLAAMS-BRABANT DECEMBER 2000-DECEMBER 2001 DEEL 1: METHODOLOGISCHE
RESULTATEN PUBLIEKSBEVRAGING MOBILITEITSPLAN VLAANDEREN
Vakgroep Pleinlaan http://www.vub.ac.be/tor/ 2, Sociologie, 1050 Brussel Onderzoeksgroep TOR RESULTATEN PUBLIEKSBEVRAGING MOBILITEITSPLAN VLAANDEREN TOR 2011/28 Glorieux, I., S. Sanctobin, T.P. Van Tienoven
Kinderopvang cijfert. Voorrangsgroepen
Kinderopvang cijfert Voorrangsgroepen 2015-2016 Inleiding Elke subsidiegroep met subsidie inkomenstarief (trap 2 of T2) moet op jaarbasis minstens 20% kinderen uit specifieke voorranggroepen opvangen.
Kinderopvang cijfert 1. Het bezettingspercentage 2015
Kinderopvang cijfert 1 Het bezettingspercentage INLEIDING Het decreet voor baby s en peuters introduceerde het principe bestellen is betalen in de kinderopvang. Organisatoren met inkomenstarief werken
Verplaatsingsgedrag Wetenschap of waarzeggerij
Verplaatsingsgedrag Wetenschap of waarzeggerij Prof. Dr. Geert Wets IMOB Universiteit Hasselt www.imob.uhasselt.be [email protected] Afstand devalueert Eeuwen: Andere stad = dagreis te voet Vandaag:
Sportparticipatie van de 55-plusser in Vlaanderen. Marc Theeboom Inge Derom Zeno Nols
Sportparticipatie van de 55-plusser in Vlaanderen Marc Theeboom Inge Derom Zeno Nols Participatiesurvey 2014 (PaS 2014) Wetenschappelijke Steunpunten Cultuur, Jeugd, Sport en Media (2012-2016) Representatieve
4 BEPALEN VAN GEWICHTEN
4 BEPALEN VAN GEWICHTEN Van het totaal aantal huishoudens die uit het Rijksregister geselecteerd waren (zgn. bruto-steekproef), hebben er een aantal niet meegewerkt aan de enquête. Zulke non-respons veroorzaakt
Onderzoek Trappers. rapportage. Opdrachtgever. Opdrachtnemer. Nationale Fiets Projecten Postbus 594 8440 AN Heerenveen
Onderzoek Trappers rapportage Opdrachtgever Nationale Fiets Projecten Postbus 594 8440 AN Heerenveen Opdrachtnemer DTV Consultants B.V. Ruben van den Hamsvoort en Alex van Ingen POM 8267 Breda, maart 2009
Inspiratie- en referentieprojecten ontwerpopdracht transporttechniek-ecostad
Inspiratie- en referentieprojecten ontwerpopdracht transporttechniek-ecostad Verplaatsingen in Vlaanderen vandaag (2007) Dagelijks gebruik transportmiddel of enkele keren per week 89% de auto 48% de fiets
Sportparticipatie en fysieke activiteit
Sportparticipatie en fysieke activiteit Gepensioneerden Het doel van deze vragenlijst is wat meer te weten te komen over uw eigen sportbeoefening. Graag hadden wij op uw medewerking gerekend. Deze vragenlijst
Deeltijdarbeid. WAV-Rapport. Seppe Van Gils. Maart 2004
Deeltijdarbeid Seppe Van Gils Maart 2004 WAV-Rapport Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming Interuniversitair samenwerkingsverband E. Van Evenstraat 2 blok C 3000 Leuven T:32(0)16 32 32 39 F:32(0)16
ONDERZOEK VERPLAATSINGSGEDRAG ANTWERPEN. Personenvragenlijst:
ONDERZOEK VERPLAATSINGSGEDRAG ANTWERPEN Personenvragenlijst: in te vullen door iedereen in het huishouden vanaf 6 jaar (ouders mogen hun kinderen helpen bij het invullen) Deze personenvragenlijst bestaat
Contactpersoon Fabrice DE CAFMEYER
Goiendag! Om de drie jaar moet elke instelling van publiek of privaat recht die meer dan 100 personeelsleden op dezelfde plaats tewerkstelt in het Brussels Gewest een bedrijfsvervoerplan (BVP) opstellen
De invloed van de residentiële mismatch op het verplaatsingsgedrag in Vlaanderen
De invloed van de residentiële mismatch op het verplaatsingsgedrag in Vlaanderen De laatste decennia is het autogebruik sterk toegenomen. Het toenemende gebruik van de wagen brengt echter negatieve gevolgen
RESULTATEN VAN DE ENQUETE NAAR MENINGEN VAN VLAAMSE STUDENTEN OVER HET STUDEREN AAN DE OPEN UNIVERSITEIT - SEPTEMBER 2007 -
RESULTATEN VAN DE ENQUETE NAAR MENINGEN VAN VLAAMSE STUDENTEN OVER HET STUDEREN AAN DE OPEN UNIVERSITEIT - SEPTEMBER 2007 - Uitgevoerd: september 2007 Onderzoekers: drs. Herman Kiesel, drs. Lic. Rick Coone,
plage-lestijden onderwijzer
plage-lestijden onderwijzer Schooljaar 2010-2011 - Schooljaar 2011-2012 Vlaams ministerie van Onderwijs & Vorming Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) Koning Albert II-laan 15, 1210 Brussel http://www.ond.vlaanderen.be/wegwijs/agodi
verkeer veilige veiligheid verbindingen BIJLAGE 6: TAG CLOUDS MOBILITEIT staat stad stiptheid stress tijd tram trein treinen uur veilig
flexibiliteit genoeg geraken gezondheid goed goede goedkoop grote BIJLAGE 6: TAG CLOUDS MOBILITEIT Grafische voorstelling open antwoorden andere belangrijke zaken bij verplaatsingen aankomen aansluiting
KOV Uitbreiding inkomensgerelateerde opvangplaatsen vanaf 2011 aanvulling
15 maart 2011 Nr. 07/11 Bestemd voor: Alle Leden Uitbreiding inkomensgerelateerde opvangplaatsen vanaf 2011 aanvulling Op 02.02.2011 zonden we u een @ctua -5/11 aangaande de uitbreiding van de inkomensgerelateerde
VERDELING VAN PERSONEN VOLGENS RIJBEWIJSBEZIT (VANAF 6 JAAR)
3 RIJBEWIJSBEZIT TABEL 1 VERDELING VAN PERSONEN VOLGENS RIJBEWIJSBEZIT (VANAF 6 JAAR) Cumulative Cumulative RYBEWYS Frequency Percent Frequency Percent ƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒƒ
Workshop Afstemmen van ruimte en mobiliteit. Mobiliteit in stedelijke regio s 23/11/15
Workshop Afstemmen van ruimte en mobiliteit Mobiliteit in stedelijke regio s 23/11/15 Strategische visie BRV over mobiliteit in stedelijke regio s 20/11/2015 3 20/11/2015 4 20/11/2015 5 20/11/2015 6 Stellingen
Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.3 (2010-2011)
Onderzoek Verplaatsingsgedrag Vlaanderen 4.3 (2010-2011) Verkeerskundige interpretatie van de belangrijkste tabellen (Analyserapport) D. Janssens, S. Reumers, K. Declercq, G. Wets Contact: Prof. dr. Davy
BRUSSEL, HEEN EN TERUG Hoofdstuk 19
Hoofdstuk 19 Maarten Tielens Kort samengevat Zowat een op vijf van de werkende Vlamingen werkt in een andere provincie dan de eigen woonplaats. Hooggeschoolden pendelen dubbel zo veel als laaggeschoolden.
Kinderen en verkeersveiligheid: hoe kijken ze er zelf tegen aan?
Kinderen en verkeersveiligheid: hoe kijken ze er zelf tegen aan? Samenvatting In het kader van een belevingsonderzoek gaven 2500 Vlaamse jongeren tussen 10 en 13 jaar hun mening over mobiliteit en hun
Nationale verkeersonveiligheidsenquête 2017
Nationale verkeersonveiligheidsenquête 2017 Inleiding Sinds 2012 bevraagt Vias institute elk jaar een representatieve steekproef van Belgische respondenten over hun onveiligheidsgevoel. Elk jaar zorgen
Omnibusenquête deelrapport. Zoetermeer FM
Omnibusenquête 2015 deelrapport Zoetermeer FM Omnibusenquête 2015 deelrapport Zoetermeer FM OMNIBUSENQUÊTE 2015 deelrapport ZOETERMEER FM Zoetermeer, 18 december 2015 Gemeente Zoetermeer Afdeling Juridische
De honden en katten van de Belgen
ALGEMENE DIRECTIE STATISTIEK EN ECONOMISCHE INFORMATIE PERSBERICHT 31 juli 2007 De honden en katten van de Belgen Highlights Ons land telde in 2004 1.064.000 honden en 1.954.000 katten; In vergelijking
PERSBERICHT CIM 22/04/2015
PERSBERICHT CIM 22/04/2015 Nieuwe CIM studie over kijkgedrag op nieuwe schermen Belgen keken nooit eerder zoveel naar TV-content Het CIM, verantwoordelijk voor kijkcijferstudies in België, volgt sinds
vervoerkosten horeca
vervoerkosten horeca Folder_transport_HORECA_2012_NL.indd 1 04/03/12 09:20 Folder_transport_HORECA_2012_NL.indd 2 04/03/12 09:20 Vervoerkosten woon-werk verkeer De werkgever komt financieel tussen in de
1. Verplaatsingskilometers
1. Verplaatsingskilometers 1.1 Verplaatsingskilometers OVG 3 OVG 4.1 OVG 4.2 OVG 4.3 OVG 4.4 algemeen gemiddelde 41,64 38,23 36,98 42,12 41,46 algemeen gemiddelde waarbij outliers werden weggelaten 38,4
Onderzoek vervoersnoden en -wensen van personen met een beperking. Mobiliteitscongres Iedereen op weg - 13 oktober 2014 An Neven, onderzoeker IMOB
Onderzoek vervoersnoden en -wensen van personen met een beperking Mobiliteitscongres Iedereen op weg - 13 oktober 2014 An Neven, onderzoeker IMOB Welk onderzoek? Businessplan voor een gebiedsdekkend, complementair
FACTS & FIGURES Participatie aan erfgoedactiviteiten Mathijs De Baere
Inleiding Erfgoed is een brede en overkoepelende term waarbinnen roerend, onroerend en immaterieel erfgoed wordt onderscheiden. Deze drie categorieën zijn in de praktijk sterk verweven met elkaar, maar
Trendbarometer hotels 2012 Finaal rapport
Trendbarometer hotels 2012 Finaal rapport Trendbarometer hotels 2012 Inlichtingen [email protected] Tel +32 (0)2 504 25 15 Verantwoordelijke uitgever: Peter De Wilde - Toerisme Vlaanderen
Bijlage 8. Enquête. Analyse- en Oplossingsrichtingenfase MIRT-onderzoek Bereikbaarheid Rotterdam Den Haag
Bijlage 8 Enquête Analyse- en Oplossingsrichtingenfase MIRT-onderzoek Bereikbaarheid Rotterdam Den Haag documenttitel: BIJLAGE 8 ENQUÊTE ANALYSE- EN OPLOSSINGSRICHTINGENFASE MIRT-ONDERZOEK BEREIKBAARHEID
PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN
PROVINCIERAAD VAN ANTWERPEN Vergadering van 26 november 2015 Verslag van de deputatie Bevoegd deputatielid: Luk Lemmens Telefoon: 03 240 52 65 Agenda nr. 2/21 Studie BFF 2.0: uitwerking netwerk - provinciale
Beroepsbevolking en Pendel 2013
Dit factsheet is gebaseerd op een onderzoek onder 26. Flevolanders. Eind 213 is het onderzoek afgenomen middels een vragenlijst. De respons was 17%. Met de toepassing van wegingsfactoren is het onderzoek
Meer vrouwen werken minder, minder mannen werken meer
Gezin en arbeid Meer vrouwen werken minder, minder mannen werken meer Veranderingen in de tijdsbesteding van mannen en vrouwen tussen 1999 en 2004 Het onderzoek Tijdsbesteding van de Vlamingen: een tijdsbudgetonderzoek
