Uniforme Bron Indeling U B I. De Uniforme Bron Indeling Potentieel. bodemvervuilende Activiteiten (ubi-code)

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "Uniforme Bron Indeling U B I. De Uniforme Bron Indeling Potentieel. bodemvervuilende Activiteiten (ubi-code)"

Transcriptie

1 De Uniforme Bron Indeling Potentieel bodemvervuilende Activiteiten (ubi-code) geeft aan elke activiteit die mogelijk bodemverontreiniging kan veroorzaken een unieke code. De ubi-code is geënt op de Bedrijfsindeling Kamers van Koophandel 1995 (bik 95) en komt daar in grote lijnen ook mee overeen. Ten behoeve van de praktijk van de registratie van bodemverontreinigingsgevallen is op enkele punten van de bik 95 afgeweken, omdat activiteiten vanwege het bodem-vervuilende karakter of het specifieke bedrijfsproces, van een eigen code moesten worden voorzien. Deze publicatie is een gezamenlijke uitgave van het ministerie van VROM en het Interprovinciaal Overleg. Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer Uniforme Bron Indeling potentieel bodemvervuilende activiteiten april 2001 U B I Uniforme Bron Indeling potentieel bodemvervuilende activiteiten april 2001

2 Uniforme Bron Indeling

3 Uniforme Bron Indeling potentieel bodemvervuilende activiteiten

4 Inhoud Tekst en concept ReGister Historisch Onderzoeksbureau bv, Groningen en Arcadis Heidemij Advies, Arnhem Vormgeving Van Kelckhoven bno, Groningen Foto omslag Peter Tahl, Groningen Re Historisch onderzoeksbureau bv 1 Inleiding Onderzoeksvraag globis en de rol van een standaard activiteitencodering Projectorganisatie Leeswijzer 8 2 Onderzoeksopzet Inleiding Studie bestaande situatie (fase 1) De nieuwe activiteitencodering en conversie oud naar nieuw (fase 2) Kennisdatabank: activiteiten en stoffen (fase 3) De uitvoering van de conversie (fase 4) 11 3 Bestaande situatie: finabo en Activiteiten Inleiding De provincies en finabo Het gebruik van finabo globis Het gebruik van de activiteitencodering Wensen ten aanzien van de nieuwe codering De Best-Practice-module Informatie-uitwisseling in het algemeen De in gebruik zijnde activiteitencoderingen Standaard Bedrijfsindeling 1974 (sbi 74) en aanpassingen daarop Bedrijfsindeling Kamers van Koophandel en Fabrieken 1995 (bik 95) Het gebruik van activiteitencoderingen bij bodemsanering Deelconclusies 19 4 De Uniforme Bron Indeling (ubi-code) Inleiding Uitgangspunten ubi Werkwijze Enkele opmerkingen en kanttekeningen bij de ubi-code Resultaat Uitvoering van de conversie 24 5 Stoffenbestand en prioritering Inleiding Een bron-model Informatie per ubi-code Tracers in de bodem Kans (g) Parameters van de stoffen Toxiciteit van de stof Mobiliteit Indicatieve prioriteit per ubi-code De formule Aansluiting bij de monitoringsoperatie Uitbijters Uitbijters door hoge interventiewaarden metalen Stortplaatsen, dempingen, ophogingen Algemene uitbijters en overige activiteiten Toetsing van het model en de uitkomsten Vergelijking met Wbb-bestand Zuid-Holland Toetsing door deskundigen Vergelijking met andere modellen Nieuwkoop tauw/bsb-systematiek De iwaco-sytematiek sus-methode Wat is het ubi-model en wat is het niet De database 41 6 Gebruik en beheer Gebruik van de ubi-code, de stoffendatabank en de prioriteit Mutaties Lerend evalueren Beheer: aanvulling, bijstelling, uitwisseling en optimalisering 44 7 Conclusies en aanbevelingen 47 Bijlagen 49 Noten 96 April 2001 De ubi-code is door de combinatie ReGister Historisch Onderzoeksbureau bv en Arcadis Heidemij Advies bv samengesteld in opdracht van het Interprovinciaal Overleg. Deze publicatie is een gezamenlijke uitgave van het ministerie van vrom en het Interprovinciaal Overleg.

5 Onderzoeksvraag Inleiding Door de provincie Zuid-Holland, directie Water en Milieu is, namens de Kerngroep globis, aan de combinatie van ReGister historisch onderzoeksbureau bv en Arcadis Heidemij Advies opdracht verleend voor het standaardiseren van de provinciale codering en prioritering bodembedreigende activiteiten. De Kerngroep globis is belast met het ontwerpen van een nieuw provinciaal bodeminformatiesysteem in Nederland, dat door alle provincies gaat worden gebruikt voor het opslaan en ontsluiten van informatie over gevallen van bodemverontreiniging op hun grondgebied. 6 Binnen het project Standaardisatie codering en prioritering bodembedreigende activiteiten kunnen de volgende fasen worden onderscheiden: 7 1 Een studie van de situatie bij de twaalf provincies en de vier grote steden betreffende de gehanteerde activiteitencodering van bodembedreigende activiteiten; 2 Het opstellen van een nieuwe activiteitencodering van bodembedreigende activiteiten, die aansluit bij de Europese standaard op dit gebied en correspondeert met de overige in Nederland in gebruik zijnde coderingen. Tevens het mogelijk maken van een geautomatiseerde conversie van de bestaande naar de nieuwe activiteitencodering en het daartoe opstellen van een conversieprotocol; 3 Het leveren van een model op basis waarvan aan de potentieel bodemvervuilende activiteiten een indicatieve onderzoeksprioriteit kan worden verleend. Tevens het leveren van een database met per activiteit de voor de bodem relevante stoffen en de daaraan verbonden parameters. 4 Het uitvoeren van de daadwerkelijke conversie van de oude naar de nieuwe activiteitencodering in alle provincies en de vier grote steden. Vooralsnog is de vierde fase buiten beschouwing gebleven. De daadwerkelijke conversie zal later, eventueel individueel per provincie, worden uitgevoerd. globis en de rol van een standaard activiteitencodering 1.2 De standaardisatie van de activiteitencodering wordt uitgevoerd in het kader van de introductie van een nieuw provinciaal bodeminformatiesysteem, globis. Het nieuwe systeem geldt als de vervanger van het bestaande finabo-systeem. De indeling van bodemvervuilende activiteiten in standaardcategorieën vormt een belangrijk element in de opzet van globis. In de eerste plaats geeft de aard van de bedrijfsactiviteit een indicatie van de verontreiniging die op een locatie kan worden verwacht. Door aan de activiteit stoffen en gegevens over gemiddelde omvang te koppelen, kan een dergelijke indicatie nader worden ingevuld. Een standaardcodering voor bedrijfsactiviteiten is een noodzakelijke voorwaarde voor het vastleggen van ervaringsgegevens. Aan de hand van de codering kunnen locaties met een gelijke verontreinigingsbron, maar in verschillende stadia van onderzoek, met elkaar worden vergeleken en kunnen uitspraken worden gedaan met betrekking tot vervolgacties. Het is dan wel noodzakelijk dat geen misverstanden kunnen ontstaan over de aan een activiteit toegekende coderingen. Een standaardcodering kan daarin voorzien, al blijft een consequente toepassing natuurlijk wel noodzakelijk.

6 globis wordt per provincie ingezet. Het moet daarom technisch mogelijk zijn dat iedere provincie haar eigen activiteitencodering kan blijven hanteren. Het hanteren van een eenduidige codering door alle provincies is natuurlijk beter, omdat dan ook onderling tussen de provincies informatie kan worden uitgewisseld. Bij het opstellen van de nieuwe codering moet de mogelijkheid worden gecreëerd tot een latere conversie van de provinciaal gehanteerde coderingen naar de nieuwe codering. Inleiding Onderzoeksopzet In dit hoofdstuk zal per fase de gevolgde onderzoeksopzet worden beschreven. De beschrijving is beknopt en op hoofdlijnen. Eventuele bijzonderheden zijn steeds in de bijlagen opgenomen. De resultaten van het onderzoek zijn per fase in de volgende hoofdstukken opgenomen. 8 Projectorganisatie Leeswijzer Omdat een belangrijke karakteristiek van globis is de mogelijkheid tot uitwisseling van gegevens met andere overheden en partijen, is bij het samenstellen van een nieuwe codering ook naar andere systemen en bestanden en daarin gebruikte tabellen gekeken. Voorbeelden zijn bio-inventarisaties voormalige bedrijfsterreinen en de door gemeenten gebruikte bodeminformatiesystemen. Tenslotte is het van belang dat met de nieuwe codering wordt aangesloten bij de nationale en internationale standaard, om zo de vergelijking en uitwisseling met andere beleidsvelden mogelijk te maken. De vereisten voor de nieuwe Standaardcodering kunnen worden samengevat in de volgende kernbegrippen: Uniform: om informatie-uitwisseling met andere actoren binnen het beleidsterrein mogelijk te maken, moet de codering uniform zijn; Algemeen: de codering moet aansluiten bij de algemeen geldende bedrijfsindelingen, zoals in Europa, in Nederland en met name in het Handelsverkeer gebruikelijk zijn; Specifiek: de codering moet zijn toegesneden op bodemverontreiniging en er moet specifieke informatie over de te verwachten aard en omvang van de bodemverontreiniging aan kunnen worden gekoppeld; Conversie: de bestaande en bij de provincies in gebruik zijnde coderingen moeten naar de nieuwe codering kunnen worden overgezet. Het onderzoek in het kader van het project werd uitgevoerd door de combinatie van ReGister historisch onderzoeksbureau bv en Arcadis Heidemij Advies. Het project werd begeleid door een begeleidingscommissie bestaande uit vertegenwoordigers van de uitvoerende bureaus en van de provincies en de grote steden. In bijlage 1 is een lijst met de leden van de begeleidingscommissie opgenomen. De begeleidingscommissie kwam tot aan de bespreking van de eerste conceptrapportage drie maal bijeen, om de vorderingen van het onderzoek te bespreken. In hoofdstuk 2 wordt de tijdens het onderzoek gevolgde onderzoeksopzet in hoofdlijnen beschreven. De resultaten van de eerste fase van het onderzoek, de inventarisatie van de bestaande situatie en de in gebruik zijnde activiteitencoderingen, worden beschreven in hoofdstuk 3. Hoe op grond van de in fase 1 verzamelde informatie vervolgens de nieuwe codering is opgesteld, wordt beschreven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 beschrijft fase 3, de database met de stoffen per activiteit en de formule waarmee de indicatieve prioriteit van de activiteiten kan worden bepaald. Het gebruik, onderhoud en beheer van de nieuwe activiteitencodering en de daaraan gekoppelde stoffendatabase, zijn het onderwerp van hoofdstuk 6. Tenslotte worden enkele conclusies getrokken en aanbevelingen gedaan, met name met het oog op de uit te voeren conversie. Diverse schema s tabellen, nadere uitwerkingen en toelichtingen zijn in de bijlagen opgenomen. In de tekst wordt steeds naar de betreffende bijlage verwezen. Aan het begin van de bijlagen is een inhoudsopgave van de bijlagen opgenomen. Studie bestaande situatie (fase 1) 2.2 Het onderzoek in deze fase valt in twee delen uiteen: Het onderzoek naar het gebruik van de activiteitencodering bij de provincies en de grote steden en met name in finabo; Een inventarisatie van de bestaande tabellen met activiteitencoderingen, zoals in gebruik bij diverse instellingen als de Kamers van Koophandel, het cbs en de Stichtingen bsb en tevens een inventarisatie van de activiteitentabellen die worden gebruikt bij de meest courante bodeminformatiesystemen (bis). Bij de provincies is gesproken met de beheerder van het finabo-systeem en in meerdere provincies tevens met een projectleider bodemsanering. Met de grote steden is telefonisch overlegd. Een overzicht van de contactpersonen is als bijlage 2 opgenomen. Van de provincies is de volgende informatie gevraagd: De tabellen die worden gebruikt voor het benoemen van activiteiten als veroorzakers van bodemverontreiniging in finabo 1 (finabo-veld: Veroorzaker); Een overzicht van de daadwerkelijk ingevoerde activiteitencodes in finabo en daarmee ook de vullingsgraad van het veld Veroorzakercode in finabo; Activiteitencoderingen in gebruik bij overige bestanden, zoals bestanden met potentieel vervuilde locaties; Enige aanvullende informatie over het aantal in finabo opgenomen gevallen, de wijze waarop het systeem wordt gevuld, het gebruik van de activiteitencodes in het algemeen, de overgang van finabo naar globis en de verwachtingen van een Best-Practice-Module en het uitwisselen van informatie in globis. Een voorbeeld van de vragenlijst is als bijlage 3 in het rapport opgenomen. De vragenlijst is mede opgesteld aan de hand van de ervaringen die in de gesprekken met de eerste provincies zijn opgedaan. Voor het uit finabo destilleren van de daadwerkelijk ingevoerde activiteitencodes, is een sql-bestand gemaakt. Met behulp van dit bestand kon de gewenste informatie snel aan finabo worden ontleend. Van de grote steden maakt alleen Rotterdam ook gebruik van finabo; de overige steden hebben diverse andere systemen in gebruik. Aan de gemeenten werd een overzicht gevraagd van de door hen gebruikte activiteitencodes en de mogelijke aanpassingen die door hen op de standaardcoderingen waren gemaakt. Door het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) werden in geautomatiseerde vorm diverse activiteitentabellen met geautomatiseerde schakelschema s geleverd, die momenteel in gebruik zijn in Nederland en Europa. Daarbij konden tevens linken worden gelegd met vroeger gebruikte tabellen, zoals de sbi 74. Informatie over gevallen van bodemverontreiniging wordt op gemeentelijk niveau met name vastgelegd in Bodeminformatiesystemen. Van de meest courante systemen is nagegaan of een tabel met activiteitencoderingen wordt gebruikt voor het benoemen van de bron van de bodemverontreiniging en zo ja, welke tabel dat is. Belangrijke verzamelaars en beheerders van informatie over bodemverontreiniging zijn de provinciale bsb-stichtingen. Voor informatie over de bij de Stichtingen gehanteerde activiteitencoderingen is contact gezocht met de Stichting bsb 9

7 10 Friesland. Deze wees op een project van het ministerie van vrom naar de omvang en samenstelling van de BSB-operatie als geheel. Mogelijk worden daarbij ook gegevens gekoppeld en geëxtrapoleerd aan de hand van de activiteitencoderingen. Met de projectleiders van dit project bij het ministerie van vrom is contact gezocht, om te bezien of er mogelijkheden zijn om informatie en kennis uit te wisselen over activiteitencoderingen, stoffen, urgentie en dergelijke (zie ook fase 3). Voor het beter in beeld krijgen van de mogelijkheden en problemen van informatieuitwisseling tussen overheden en met name provincies en gemeenten, is de gemeente Leeuwarden bezocht. Samen met de provincie Fryslân neemt de gemeente deel in een proefproject in het kader van de Minimale Dataset Bodem. Gekeken is naar hoe de uitwisseling verloopt, wat de mogelijkheden zijn in relatie tot de Best- Practice-Module van globis en welke rol de activiteitencodering daarin speelt. De uitvoering van de conversie (fase 4) 2.5 De gegevens zijn per activiteit verzameld in een database. Voor het bepalen van de prioriteitsscore per activiteit is nu een formule ontwikkeld, zodat de prioriteitsscore niet langer door interpretatie maar door berekening wordt bepaald. Deze fase is vooralsnog buiten beschouwing gebleven, omdat nog niet duidelijk is of de geautomatiseerde conversie ook daadwerkelijk zal worden uitgevoerd en ook globis nog niet gereed is. De voor de conversie benodigde koppeling tussen de oude en de nieuwe tabellen is echter al gelegd en ook is duidelijk hoe de conversie per provincie moet worden uitgevoerd en welke randvoorwaarden daarbij gelden. 11 De nieuwe activiteitencodering en conversie oud naar nieuw (fase 2) 2.3 Voor het kunnen samenstellen van een nieuwe activiteitencodering, zijn in de eerste plaats de bestaande algemene coderingen, zoals sbi 74, de bik 95 en de nace, verzameld. Tevens zijn de diverse door de provincies en de grote steden gebruikte coderingen bijeen gebracht (zie fase 1). Via een database in de vorm van een schakelbord zijn omschrijvingen van activiteiten aan elkaar gekoppeld. Vanuit deze database is de nieuwe code samengesteld. Door de verschillende activiteitencoderingen via het schakelbord aan de nieuwe code te koppelen, is een geautomatiseerde conversie van de oude naar de nieuwe code voor elke tabel in principe mogelijk gemaakt. De bijzonderheden omtrent de gekoppelde coderingen zijn per provincie in een logboek bijgehouden. Om de activiteitencodering goed te kunnen onderscheiden als een nieuwe en op bodemvervuiling gerichte lijst, is voor de code ook een nieuwe naam gevonden, namelijk de Uniforme Bron Indeling (ubi). Deze nieuwe naam zal vanaf hier in dit rapport ook worden gebruikt. Kennisdatabank: activiteiten en stoffen (fase 3) 2.4 Aan de hand van een uitgebreide literatuurstudie en de informatie uit honderden historische onderzoeken en bodemonderzoeken, is door ReGister/Arcadis een Kennisdatabank opgezet met gegevens over potentieel bodemvervuilende activiteiten. Van de verschillende activiteiten werden de volgende parameters verzameld: De stoffen die als gevolg van de activiteiten mogelijk in de bodem terecht zijn gekomen; De eigenschappen van de stoffen, zoals toxiciteit en mobiliteit; De kans dat die stoffen in de bodem terecht zijn gekomen, volgens een indicatieve schaal. Door interpretatie van de verzamelde parameters werd aan elke activiteit een score toegekend (1-6), die de relatieve kans op en mogelijke ernst en omvang van bodemverontreiniging uitdrukte. De in de Kennisdatabank verzamelde informatie diende als basis voor het opstellen van een prioriteringsmodel, waarmee bestanden met potentieel vervuilde locaties van een relatieve, indicatieve prioriteit kunnen worden voorzien. De al bestaande database is nu, in het kader van dit project, geactualiseerd en verder aangevuld. Het aanvullende onderzoek is opnieuw uitgevoerd aan de hand van literatuurstudie en beschikbare praktijkgegevens van uitgevoerde historische en bodemonderzoeken. Op de exacte invulling van de database en de keuzes die bij het bepalen van de relevante parameters zijn gemaakt, zal in hoofdstuk 5 nader worden ingegaan.

8 3 Bestaande situatie: finabo en Activiteiten Inleiding 3.1 Door de bezoeken aan c.q. de gesprekken met de provincies en de grote steden, is informatie verzameld over het gebruik van de activiteitencoderingen, in het bijzonder in finabo. Tevens zijn in deze fase van het onderzoek de bestaande en in gebruik zijnde activiteitencoderingen verzameld en op hun gebruiksmogelijkheden getoetst. Verder is nog enige aanvullende informatie verzameld. In dit hoofdstuk zullen de resultaten van het onderzoek in deze eerste fase worden besproken. De vragenlijst aan de hand waarvan de gesprekken werden gevoerd, is opgenomen als bijlage 3. Als bijlage 4 is een overzicht opgenomen met de kerngegevens per provincie, die in dit hoofdstuk worden besproken. 12 De provincies en finabo 3.2 De informatie over bekende gevallen van bodemverontreiniging worden bij de provincies opgeslagen in het registratiesysteem finabo. Alleen de provincie Gelderland heeft een ander systeem in gebruik. Om de conversie van de activiteitencoderingen in het veld Veroorzakercode van finabo mogelijk te maken, was het nodig enige informatie te verzamelen over het gebruik van finabo en de wijze van invoer van de gegevens. De informatie is verdeeld over de onderstaande subparagrafen Het gebruik van finabo De provincies hebben in de periode finabo als centraal registratiesysteem in gebruik genomen. Daarvoor waren of andere systemen in gebruik (Ibs-Rbase, mjp, tekstfiles, database) of werd de informatie alleen opgeslagen in het papieren archief. Meestal werd met de introductie van finabo, voor zover mogelijk, de inhoud van de oude bestanden in het nieuwe systeem ingelezen. In het algemeen werd daarbij, voor zover nog bekend, de informatie van alle bekende en in het oude systeem aanwezige gevallen overgenomen. In een enkele provincie werden echter alleen de toen nog lopende (dus niet-afgesloten) gevallen opgenomen. Het aantal in finabo voorkomende gevallen varieert sterk. Uiteraard in de eerste plaats vanwege de omvang van de provincie, maar daarnaast ook omdat de aard van de in het systeem opgenomen informatie verschilt. De meeste provincies nemen een locatie op in finabo wanneer de melding daarvan binnenkomt of wanneer een locatie voor de uitvoering van een oriënterend onderzoek wordt geselecteerd. In eerste instantie worden alleen de administratieve gegevens ingevoerd, zoals het adres, de coördinaten en de locatiecode. Overwegend wordt een locatie, ongeacht het resultaat van het bodemonderzoek in finabo gehandhaafd. Het gebeurt echter ook dat locaties die voor een oriënterend onderzoek zijn geselecteerd, weer worden afgevoerd wanneer bij het bodemonderzoek geen verontreiniging is aangetroffen of er geen aanleiding is tot uitvoering van een nader onderzoek. Na uitvoering van het bodemonderzoek worden de gegevens van de locatie in finabo verder aangevuld met de fysieke bodemparameters. De invoer van de gegevens in finabo verschilt per provincie. Er zijn meerdere provincies die de invoer geheel of ten dele hebben gecentraliseerd. Meestal worden de administratieve locatiegegevens centraal ingevoerd en zijn de projectleiders verantwoordelijk voor de invoer van de bodemtechnische informatie. In een aantal provincies zijn de projectleiders geheel verantwoordelijk voor de invoer. De centrale invoer is meestal ingesteld, omdat bleek dat informatie slecht en vaak ook onvolledig werd ingevuld. Naast finabo zijn er nog enkele systemen of bestanden waarin informatie over bodemverontreiniging wordt opgeslagen. Vrijwel alle provincies beschikken over een bestand met potentieel vervuilde locaties, gebaseerd op een inventarisatie van de archieven van de Kamers van Koophandel en vervallen Hinderwetvergunningen.

9 globis In deze bestanden worden ook activiteitencoderingen gebruikt. Daarnaast zijn er bestanden met de in het kader van het navos-project onderzochte stortplaatsen. Alle provincies zijn van plan om van finabo over te gaan naar globis. De meeste provincies vrezen echter dat de overzetting van de inhoud van het oude naar het nieuwe systeem niet geautomatiseerd kan worden uitgevoerd. Als reden wordt hiervoor enerzijds de opbouw van finabo genoemd, maar anderzijds ook de gebrekkige vulling van het systeem, waardoor vele gegevens ontbreken die voor een goed functioneren van globis nodig zijn. De ervaringen die door provincies zijn opgedaan met de tussentijdse rapportage via rambo, hebben dat gevoel versterkt. Vandaar dat diverse provincies sterk overwegen of inmiddels al hebben besloten, de dossiers van alle in het archief aanwezige gevallen opnieuw handmatig in globis in te voeren. Op die manier wordt tevens beoogd een belangrijke kwaliteitsimpuls te geven aan het informatiebeheer over de bodemkwaliteit in de provincie. De provincie Zuid-Holland heeft al een dergelijke actie achter de rug. De informatie in finabo bleek dusdanig incompleet, dat besloten werd de dossiers opnieuw in te voeren. Dit resulteerde in een tussenbestand, boom, dat overigens weer te veel informatie bleek te bevatten, zodat het werd teruggebracht tot boom-. Inmiddels is van daaruit finabo+ tot stand gekomen. Wanneer opnieuw handmatig de dossiers in globis worden ingevoerd, is uiteraard ook een geautomatiseerde uitvoering van de conversie van de oude naar de nieuwe activiteitencodering, niet zinvol. Dan kunnen beter opnieuw vanuit de dossiers de bronnen van de bodemverontreiniging worden vastgesteld en direct aan de nieuwe code (ubi) worden gekoppeld. Daarmee wordt direct ook het probleem ondervangen van de vele gevallen waarbij de activiteitencodering niet of slechts in algemene termen is ingevuld (zie volgende subparagraaf) Wensen ten aanzien van de nieuwe codering voorbeeld zoekmachine Met betrekking tot de wensen inzake de eisen waaraan de nieuwe activiteitencodering moet voldoen, staan een logische opbouw en goede zoekmogelijkheden voorop. Vanuit de eerste algemene sectoren en bedrijfstakken, moet desgewenst een keuze voor een meer gedetailleerde code en omschrijving kunnen worden gemaakt. Iets dergelijks zou moeten worden gerealiseerd middels doorklikschermpjes en -buttons, zodat stapsgewijs tot een meer gedetailleerd niveau in de codering kan worden doorgedrongen. Tevens wordt veel waarde gehecht aan een zoekmachine, waarmee door het intikken van een kenmerkend deel van de omschrijving, door de zoekmachine een voorstel voor de in te voeren omschrijving en code wordt gedaan. Hieronder is een voorbeeld van een dergelijke zoekmachine opgenomen: gebruiker toetst zoekmachine toont met scores of metaal in volgende opties klassenindeling metaalwarenindustrie score 314 / klasse 7 metaalconstructiebedrijf score 204 / klasse 6 metaaloppervlaktebehandelingsbedrijf score 320 / klasse 7 metaalpijpenfabriek score 204 / klasse 6 metaalverlakkerij score 320 / klasse 7 metaalharderij score 160 / klasse 5 Een doorkiessysteem en een zoekmachine zullen bij het inbouwen van de nieuwe ubi-codetabel in globis, waarschijnlijk betrekkelijk eenvoudig kunnen worden gerealiseerd Het gebruik van de activiteitencodering Achter het veld Veroorzakercode hangt in finabo een referentietabel met de activiteitencodes van de verschillende activiteiten die de bodemverontreiniging kunnen hebben veroorzaakt. Het betreft een ingekorte versie van de Standaard Bedrijfsindeling 1974 (sbi 74) van de Kamers van Koophandel, het zogenaamde Groene Boekje. Vanuit deze tabel kan een code en een omschrijving worden gekozen. Enkele provincies hebben een aanpassing op de lijst gemaakt en enkele codes die voor hun grondgebied relevant zijn toegevoegd, zoals in Noord-Brabant enkele specifieke deelactiviteiten in de leerindustrie. Het invullen van de activiteitencode bij het veld Veroorzakercode is in finabo niet verplicht. De vulling van het veld is in veel provincies dan ook matig of zelfs gering. Gemiddeld is in ongeveer de helft van de gevallen een activiteitencode ingevuld. Er zijn ook uitschieters naar beneden van 20% en zelfs 0%, maar ook naar boven van 81% en 90%. Omdat de sbi 74-tabel alleen maar bedrijfsactiviteiten kent en niet elk geval van bodemverontreiniging door een bedrijf is veroorzaakt, kan ook niet altijd een code worden toegekend. In dergelijke gevallen is geen enkele code, vier kruisjes, de code 9999 of een code voor particuliere huishoudens (bij hbo-tanks) ingevoerd. Uit de gesprekken kwam naar voren dat het bepalen van de activiteitencodering bij het veld Veroorzakercode, bij de meeste projectleiders geen hoge prioriteit heeft. Zij concentreren zich met name op het invoeren van de bodemtechnische gegevens. Bovendien moeten de projectleiders in de meeste gevallen zelf een veroorzakende activiteit met bijbehorende code uit het rapport van het bodemonderzoek zien te destilleren. Uiteindelijk wordt dan vaak geen code of een vrij algemene code ingevoerd De Best-Practice-module Over het gewenste detailniveau van de ubi-code lopen de meningen uiteen. Met behulp van een meer gedetailleerde code kan de bron van de verontreiniging zo precies mogelijk worden benoemd en kunnen daarmee ook de te verwachten stoffen en de onderzoeksstrategie zo goed mogelijk worden bepaald. Tevens kan daarmee een onderscheid worden gemaakt tussen bijvoorbeeld oude activiteiten, zoals een scheepswerf waar voor 1900 houten schepen werden gebouwd en een moderne jachtwerf waar slechts polyester wordt toegepast. Ook wordt door het toekennen van een gedetailleerde code met een dito omschrijving, direct in het systeem duidelijk om welk bedrijf het gaat, wat de herkenbaarheid van de locaties zal vergroten. Als argument voor een minder vergaande detaillering wordt gewezen op het feit dat bij het maken van selecties uit de bestanden mogelijk locaties worden gemist, omdat niet is gedacht aan enkele naastgelegen codes die vrijwel hetzelfde productieproces betreffen. Zo zouden bij een selectie van alle galvanobedrijven de eveneens zeer bodembedreigende vernikkelarijen en verchroominrichtingen, die net een paar codes verder liggen, kunnen worden gemist. Gewezen werd ook op het feit, dat het vaak vrijwel onmogelijk is om aan het rapport van een bodemonderzoek, een gedetailleerde code en omschrijving van de activiteiten te ontlenen. Een te gedetailleerde code zou verder tot veel onnodig zoekwerk leiden, wat demotivatie bij de invoer van de codes tot gevolg zou kunnen hebben. Tenslotte werd gesteld, dat het bepalen van de juiste code, te veel historische en procestechnische kennis zou vergen, wanneer de code te gedetailleerd zou worden. Een belangrijk onderdeel van globis en de met het bever-traject ingezette beleidsvernieuwing wordt gevormd door de te ontwikkelen slimme methodieken, waarmee de bodemproblematiek op een adequate wijze kan worden aangepakt.

10 Informatie-uitwisseling in het algemeen De Best-Practice-Module speelt daarin een centrale rol. Via deze module moeten ervaringsgegevens over gelijksoortige gevallen van bodemverontreiniging tussen de gebruikers van globis kunnen worden uitgewisseld. Het gaat dan om ervaringen op het vlak van te verwachten stoffen, gekozen onderzoeksstrategieën, saneringstechnieken en kostenramingen. Bij een dergelijke uitwisseling van gegevens is de activiteitencodering waarmee de bron van de verontreiniging wordt aangeduid essentieel. Wanneer gewerkt wordt met een algemene, uniforme codering van de verontreinigingsbronnen ( zoals de ubi-code), kunnen op grond van de bron gelijksoortige gevallen worden geselecteerd en met elkaar worden vergeleken. Ook andere factoren zijn bij het vergelijken van gevallen van belang, zoals grondsoort en ligging van de locatie, maar daarvoor bestaan al uniforme coderingen. Momenteel vindt tussen de provincies onderling weinig informatie-uitwisseling plaats over de meer technische en financiële aspecten van bodemsanering. De provincies konden zich daarom desgevraagd ook nog geen concrete voorstelling maken van hoe een dergelijke uitwisselingsmodule er in de praktijk uit zou moeten zien. Waarschijnlijk zal de module, wanneer deze er eenmaal is en dus ook een meer concrete invulling heeft gekregen, vanzelf zijn eigen behoefte en vraag genereren. Meer informatieverkeer vindt plaats tussen de provincies en de gemeenten, zoals de BIO-bestanden met potentieel vervuilde locaties, die in meerdere provincies ook aan de gemeenten ter beschikking worden gesteld. Zeker nu vanwege het Investeringsfonds Stedelijke Vernieuwing (ISV) de nodige taken en bevoegdheden aan de grotere gemeenten worden overgedragen, wordt ook informatie met hen uitgewisseld. Een structurele vorm is er echter niet. Gevallen van bodemverontreiniging komen vaak via de gemeente bij de provincie terecht. Er is echter geen vast format waarin informatie over gevallen van bodemverontreiniging, of door gemeenten of door onderzoeksbureaus, moet worden aangeleverd. Slechts in een enkel geval dienen de kerngegevens, naast in rapportvorm, ook apart op een standaardformulier te worden aangeleverd, zoals bijvoorbeeld het l-formulier in Fryslân. In het kader van het project Minimale Dataset Bodem wordt momenteel op drie plaatsen een pilotproject uitgevoerd met betrekking tot het uitwisselen van gegevens tussen provincies en gemeenten. Deelnemers zijn de provincie Fryslân en de gemeente Leeuwarden, de provincie Gelderland en de gemeente Duiven en de provincie Zeeland en de gemeente Goes. De gemeente Leeuwarden is als participant in het pilotproject bezocht en gevraagd wat de eerste ervaringen zijn met het uitwisselen van informatie tussen gemeente en provincie. Al in de eerste fase van de pilot werden de volgende knelpunten gesignaleerd: De provincie redeneert in financieel-administratieve gevallen van bodemverontreiniging, waarop ook het finabo-systeem is ingericht. De gemeente gebruikt echter een bodeminformatiesysteem dat locatiegericht is en dus redeneert vanuit de fysieke plek waar de verontreiniging is aangetroffen; finabo werkt met bepaalde fases tot waar het onderzoek is gevorderd, in het bis bestaat de fasering uit de verschillende onderzoeksvormen, zoals verkennend onderzoek, naderonderzoek, saneringsonderzoek en dergelijke; Er bestaat een groot kwaliteitsverschil tussen de bij de gemeente beschikbare informatie en de informatie die is opgenomen in finabo; De diverse codetabellen corresponderen niet met elkaar, waaronder de activiteitencodering waarmee de bron van de verontreiniging wordt benoemd; De wederzijds gehanteerde definities sluiten niet op elkaar aan. De in gebruik zijnde activiteitencoderingen voorbeeld sbi Standaard Bedrijfsindeling 1974 (sbi 74) en aanpassingen daarop De gesignaleerde problemen maken duidelijk dat het uitwisselen van bodeminformatie tussen gemeenten en provincies geen eenvoudige zaak is en de nodige haken en ogen kent. Mede door de aanschaf van één en hetzelfde bodeminformatiesysteem door alle gemeenten in de provincie te bevorderen en zelf ook dat systeem in gebruik te nemen, hopen meerdere provincies de informatie-uitwisseling te bevorderen. Overigens spelen de verontreinigingsbron en de activiteitencodering daarbij geen rol. De meest courante bodeminformatiesystemen, uitgezonderd BIS4all van Centric, kennen ook geen vaste tabel waarmee de verontreinigingsbron moet worden benoemd. Met de introductie van een provinciewijd bodeminformatiesysteem wordt dat probleem dus niet verholpen. Voor het benoemen en categoriseren van economische activiteiten die bij het Handelsregister van de Kamers van Koophandel staan ingeschreven, werd in 1974 een codering in gebruik genomen, de Standaard Bedrijfsindeling 1974 (SBI 74). De code bestaat uit een viercijferige indeling, die als volgt verloopt: 2(000) Bedrijfstak Industrie 20(00) Bedrijfsklasse Voedings- en genotmiddelenindustrie 209(0) Bedrijfsgroep Cacao-, chocolade- en suikerwerkenindustrie 2091 Bedrijfssubgroep Cacao- en chocoladefabrieken Aan de hand van de codering kon worden gewerkt aan een uniformering van de inschrijving in het Handelsregister en konden ook kerngegevens over bepaalde activiteiten worden verzameld. Naast de Kamers van Koophandel maakte ook het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs) gebruik van sbi 74 bij het verzamelen van statische kerncijfers over de Nederlandse Economie. Daartoe waren op de codering enkele kleine aanpassingen gemaakt, die eigenlijk meer verbijzonderingen binnen bepaalde groepen waren. Een wezenlijk verschil was er niet. Door het ingenieursbureau dhv is ten behoeve van de vergunningverlening en controle in het kader van de Hinderwet en later de Wet Milieubeheer, in 1989 een uitbreiding van sbi 74 gemaakt, waarmee vergunningplichtige activiteiten konden worden benoemd. Aan de codering zijn per activiteit kerncijfers gekoppeld over de afstand voor geur-, stof-, trilling- en geluidbelasting en een index voor lucht, water, bodem en explosiegevaar. Om alle activiteiten te kunnen benoemen is de viercijferige codering voor enkele groepen uitgebreid met een vijfde getal en is voorafgaand aan de bedrijfsactiviteiten een algemene categorie met machines en installaties toegevoegd, die niet direct aan een bedrijfsproces verbonden zijn. Deze codering vormt de basis van de publicatie Bedrijven en Milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (vng) 2, die gebruikt wordt bij het beoordelen en controleren van Milieuvergunningen. Door ReGister wordt voor inventarisaties van Kamer van Koophandel- en Hinderwetarchieven een veel uitgebreidere lijst gebruikt, die overigens wel geënt is op de sbi 74. De code is zescijferig en de eerste vier cijfers corresponderen met sbi 74. Door de uitbreiding van de code kunnen historische en specifieke activiteiten ook worden benoemd, wat met het oog op de aard en omvang van de mogelijke bodemverontreiniging belangrijk kan zijn. 17

11 Bedrijfsindeling Kamers van Koophandel en Fabrieken 1995 (bik 95) voorbeeld bik 95 In 1993 werd door het cbs een nieuwe bedrijfsindeling in gebruik genomen, de sbi 93. Deze code was geënt op de wereldwijde codering van de Verenigde Naties, de isic, waarvan ook weer een Europese afgeleide was gemaakt, de nace. De nieuwe codering verschilde aanzienlijk van de oude. Nieuwe bedrijfstakken, zoals in de computerbranche en de dienstverlening, zijn in de nieuwe code opgenomen en de nieuwe code is ook veel gedetailleerder dan de oude. In 1995 namen ook de Kamers van Koophandel de nieuwe codering over, echter wel met enkele aanpassingen. Zo kent de bik 95 meer bedrijfsgroepen om de bedrijfsactiviteiten nog beter te kunnen typeren. In totaal worden 1900 verschillende activiteiten onderscheiden en is circa 50% van de codes in vergelijking met sbi 74 veranderd. De opbouw van de bik 95 is als volgt: D Sectie Industrie DA Subsectie Vervaardiging van voedings- en genotmiddelen 15 Afdeling Vervaardiging van voedingsmiddelen en dranken 158 Groep Vervaardiging van overige voedingsmiddelen 1584 Klasse Vervaardiging van cacaobonen en chocolade en suikerwerk Subklasse Vervaardiging van chocolade en suikerwerk Branche Vervaardiging van chocolade Deelconclusies 3.4 Op grond van de resultaten van fase 1 kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Alle op het beleidsterrein bodemsanering gebruikte activiteitencoderingen zijn geënt op sbi 74; De activiteitencodering in het veld Veroorzakercode in finabo wordt lang niet altijd ingevuld en er worden vaak alleen algemene codes gebruikt; De meeste provincies overwegen of hebben inmiddels besloten om de dossiers van de in finabo opgenomen gevallen van bodemverontreiniging handmatig in te voeren in globis, omdat finabo onvoldoende gevuld is; De nieuwe ubi-code moet zodanig zijn samengesteld, dat zowel voor een algemene als voor een gedetailleerde code kan worden gekozen en dat de benodigde coderingen snel en eenvoudig kunnen worden opgezocht; Er vindt (nog) weinig uitwisseling van informatie plaats tussen de toekomstige gebruikers van globis Het gebruik van activiteitencoderingen bij bodemsanering De nace maakt geen gebruik van de laatste twee categorieën, de Subklasse en de branche. De sbi 93 van het cbs maakt geen gebruik van de laatste categorie, de branche. Verder komen de indelingen wel met elkaar overeen. De provincies maken bij het benoemen van de (potentiële) bronnen van bodemverontreiniging gebruik van de sbi 74-tabel, soms voorzien van enige aanpassingen. Een uittreksel van deze tabel hangt ook als referentietabel achter finabo. In de bestanden met potentieel vervuilde locaties, ontstaan door inventarisaties van archieven van de Kamer van Koophandel en Hinderwetvergunningen, wordt ook steeds sbi 74 gebruikt, eveneens soms met enkele aanpassingen om met name historische activiteiten te kunnen plaatsen. De Stichtingen bsb maken nog gebruik van sbi 74. Er is besloten de indeling te blijven gebruiken, omdat in de bestanden met potentieel vervuilde huidige bedrijfsterreinen, die destijds vanuit de Kamers van Koophandel zijn aangemaakt, ook de sbi 74 is gehanteerd en het overzetten daarvan naar de nieuwe codering te bewerkelijk zou zijn. De meest courante bodeminformatiesystemen, Nazca, Strabis en bis4all, hebben ook de mogelijkheid om de bron van de verontreiniging te benoemen. Alleen achter bis4all hangen referentietabellen met coderingen. Standaard kan uit drie verschillende tabellen worden gekozen, namelijk de cbs 93-tabel, de sbi 74-tabel en de dhv/vng-tabel. Het invullen van de activiteitencode is echter facultatief en desgewenst kunnen ook andere tabellen achter bis4all worden geplaatst. In Nazca en Strabis wordt geen gebruik gemaakt van activiteitencoderingen en dus zijn er ook geen standaardtabellen.

12 4 De Uniforme Bron Indeling (ubi-code) Inleiding 4.1 Op grond van de informatie verkregen van de provincies en de grote gemeenten en de inventarisatie van de bestaande en in gebruik zijnde activiteitencoderingen, is vervolgens de Uniforme Bron Indeling (ubi) samengesteld. In dit hoofdstuk worden de uitgangspunten die daarbij zijn gehanteerd, de werkwijze, de opbouw en enkele specifieke aandachtspunten beschreven. Van de ubi-code zelf is een boekwerkje gemaakt, dat als losse bijlage bij het rapport is verschenen. 20 Uitgangspunten ubi 4.2 Bij het bepalen van de uitgangspunten voor de ubi, is in de eerste plaats gekeken naar de criteria waaraan volgens de Kerngroep globis de nieuwe codering zou moeten voldoen 3 : Uniform: De code is uniform voor alle organisaties die globis gebruiken, dus voor alle huidige bevoegde gezagen. Bij het kiezen van zo n uniforme indeling dient de omgeving van deze bevoegde gezagen te worden betrokken vanwege de informatieuitwisseling met hen. Algemeen: De code sluit aan bij de algemene indeling van bedrijfsactiviteiten, zoals die van de Kamers van Koophandel of het cbs of bij een eventuele nen-norm. Toegesneden: De code is in voldoende mate toegesneden op de problematiek van de bodemsanering. De indeling dient bijvoorbeeld rekening te houden met vervuilende activiteiten in het verleden, moet voldoende gedetailleerd zijn en dient ook activiteiten als stortplaatsen en dempingen te omvatten. Conversie: De code dient een eenvoudige conversie te bieden van de categorieindelingen die momenteel door de toekomstige globis-gebruikers worden gehanteerd Uit de gesprekken met de provincies en de grote steden kwamen enkele aanvullende wensen naar voren: De code zou een logische opbouw moeten hebben, waarbij vanuit een eerste grovere indeling een keuze voor een meer gedetailleerd niveau zou kunnen worden gemaakt; Het zoeken naar de gewenste code zou eenvoudig moeten verlopen en er zou voor het bepalen van de juiste code niet te veel procestechnische of historische kennis nodig moeten zijn. Over de gewenste mate van verfijning bestaat geen directe overeenstemming bij de gebruikers van de code. De een vindt het belangrijk dat alle daadwerkelijke bronnen van bodemverontreiniging met een eigen karakter ook een eigen codering krijgen, de ander vindt een indeling op hoofdcategorieën voldoende. Op grond van het bovenstaande zijn enkele keuzes gemaakt, die als randvoorwaarden bij het samenstellen van de ubi zijn gehanteerd: De nieuwe code, de ubi, is geënt op de bik 95-code van de Kamers van Koophandel. Deze code sluit aan bij de internationale normen en is het meest gedetailleerd. De code heeft ook een vrij algemeen verbruik en sluit ook aan bij de codering zoals die door het cbs wordt gebruikt. De sbi 74 wordt weliswaar nog vrij algemeen gebruikt maar is verouderd en sluit niet aan bij de internationaal gehanteerde indelingen (Criterium 2) Aan de ubi zijn activiteiten toegevoegd die niet expliciet in de bik 95 voorkomen, maar vanwege het aspect van de bodemverontreiniging wel als een aparte code in de lijst moeten voorkomen. Het gaat dan om verdachte deelactiviteiten, historische activiteiten en potentieel vervuilende activiteiten als dempingen, ophogingen en stortplaatsen, die geen bedrijfsactiviteiten zijn en dus in de bik 95 niet voorkomen (Criterium 3) De ubi is opgesteld na een inventarisatie van de bij de toekomstige gebruikers van globis en de meest betrokken overige instanties en bedrijven, in gebruik zijnde

13 22 Werkwijze 4.3 activiteitencoderingen. Tevens is gebruik gemaakt van de inventarisaties van een groot scala aan historische activiteiten die mogelijk bodemverontreiniging kunnen hebben veroorzaakt. Alle verschillende coderingen zijn ondergebracht in een groot schakelbord, van waaruit de nieuwe ubi is bepaald. Vanuit het schakelbord kunnen de coderingen ook naar de ubi worden geconverteerd. (Criteria 1, 3 en 4). Door gebruik te maken van de bik 95 en de nieuwe code daarop te enten, is ook de opbouw van grof- naar fijnmazig overgenomen en kan dus desgewenst bij het toekennen van de codes voor een hoog of een laag detailniveau worden gekozen. Daarbij is een logische indeling gevolgd en zijn soortgelijke processen en activiteiten zo goed mogelijk bij elkaar geplaatst. (Criteria 5 en 6) Zoals in het vorige hoofdstuk beschreven, zijn van alle provincies, de grote steden, de Kamers van Koophandel, het cbs, de Stichting bsb en producenten van bodeminformatiesystemen de door hen gebruikte activiteitencoderingen verzameld. Als eerste stap zijn deze tabellen in een grote database opgenomen, die als schakelbord tussen de verschillende coderingen fungeert. Vervolgens zijn de coderingen door middel van handmatig plakken en knippen aan de uitgebreide ReGister-tabel gekoppeld. De ReGister-tabel is daarbij als uitgangspunt genomen, omdat deze het meest uitgebreid en compleet is (circa 3000 omschrijvingen en codes). De lijst is samengesteld aan de hand van de vele grootschalige inventarisaties van potentieel vervuilde bedrijfsterreinen, die door ReGister inmiddels zijn uitgevoerd en waarbij vele honderdduizenden Hinderwetvergunningen en dossiers uit het Handelsregister zijn doorgenomen. Van de vele aangetroffen bedrijfsomschrijvingen is een bestand aangelegd, dat aan de sbi 74-tabel is gekoppeld. Alle door de provincies en anderen gebruikte omschrijvingen en codes zijn in het schakelbord ondergebracht en aan de ReGister-lijst gekoppeld. De ReGister-lijst is tevens verbonden met de Kennisdatabank, waarin voor bijna alle potentieel bodemvervuilende activiteiten informatie over de relevante stoffen en de parameters van die stoffen is verzameld (zie Hoofdstuk 5). Door vergelijking van de omschrijvingen van de activiteiten en de bij die activiteiten horende stoffen, is de lijst systematisch gescreend. Enkele opmerkingen en kanttekeningen bij de ubi-code 4.4 De bik 95 is als uitgangspunt voor de ubi-code zoveel mogelijk in tact gehouden. De bestaande codes zijn aangehouden en niet gewijzigd, maar vanwege de duidelijkheid en de geautomatiseerde zoekmogelijkheden, zijn de omschrijvingen van de activiteiten wel aangepast. Het betrof vooral het inkorten van de omschrijvingen en het duidelijker naar voren brengen van de daadwerkelijke activiteit in de naam. Op sommige punten was het echter onvermijdelijk dat de code werd uitgebreid, omdat bepaalde specifieke takken van nijverheid anders niet goed konden worden geplaatst. De uitbreiding heeft echter alleen plaats gevonden vanaf de klasse, dat wil zeggen na de eerste drie cijfers. Het begin van de bik 95 is dus steeds onveranderd gelaten. Tot en met het groepsniveau, dus de eerste drie cijfers, komt de ubi volledig overeen met de bik 95. De nieuwe ubi-code is als Uniforme Bron Indeling bedoeld voor het benoemen van (potentiële) bronnen van bodemverontreiniging. Bij het onderzoek naar de door de provincies en anderen gebruikte activiteitencoderingen, is gebleken dat in de referentietabellen en bij de ingevoerde codes ook een groot aantal niet-bodembedreigende activiteiten worden genoemd. Omdat uitgangspunt is, dat de door de provincies gehanteerde tabellen en ingevoerde codes naar de nieuwe ubi-code moeten kunnen worden geconverteerd, zijn deze activiteiten wel gekoppeld, maar voorzien van een algemene code [000000, onverdachte activiteit]. Een overzicht van de als onverdacht beschouwde activiteiten is opgenomen als bijlage 5 in dit rapport. De gronden waarop een activiteit als niet-potentieel bodemvervuilend is beoordeeld, worden nader toegelicht in hoofdstuk 5, dat handelt over de aan activiteiten verbonden stoffen en prioriteitsscores. Niet-bedrijfsactiviteiten, zoals dempingen, stortplaatsen en ophogingen, zijn in de afdeling Milieudienstverlening (90) ondergebracht, omdat daarin nog voldoende ruimte voor uitbreiding van de code bestond. Een restcategorie van activiteiten die niet kon worden geplaatst en waarvan het productieproces onbekend is, is aangemaakt als groep 999, met een verdere onderverdeling naar de verschillende activiteiten Bij het screenen van de lijst zijn de volgende criteria gehanteerd: Wanneer het productieproces overeen kwam, de te verwachten tracers in de bodem gelijk waren en de herkenbaarheid van de activiteit niet om een aparte code vroeg, zijn de codes samengevoegd in één nieuwe ubi-code met omschrijving. Wanneer de structuur van de bik 95 te ingrijpend zou moeten worden aangepast om alle activiteiten onder verschillende codes onder te kunnen brengen en de in de bodem te verwachten tracers overeen kwamen, zijn de activiteiten in een verzamelcategorie ondergebracht. Een voorbeeld hiervan is de branche van de Bankwerkerijen, gereedschapslijperijen, waarin verschillende activiteiten als de machinebankwerkerijen, graveerbedrijven, metaalstraalinrichtingen, gereedschapslijperijen, cylinderslijperijen en dergelijke zijn ondergebracht. De bik 95 bood in deze klasse onvoldoende mogelijkheden tot verdere uitbreiding van het aantal branches. Duidelijk verschillende activiteiten, zowel in de tijd als qua proces, zijn apart gehouden en hebben een eigen code en omschrijving gekregen. Daartoe is op plaatsen de bik 95 aangepast. Een goed voorbeeld hiervan is de scheepsbouwsector, waarin onderscheid is gemaakt tussen de bouw van metalen schepen (na 1890), houten schepen (voor 1890) en polyester schepen (na 1950). De verschillende werftypen geven een totaal verschillende kans op bodemverontreiniging en moeten dus goed van elkaar worden onderscheiden. Vanuit de enerzijds ingedikte en anderzijds verder uitgewerkte ReGister-lijst, zijn aan de hand van bik 95 nieuwe activiteitencodes toegekend. Uiteindelijk resteerden aldus circa 1321 unieke ubi-codes met omschrijvingen. Een veel gebruikte code in finabo is 9900 Particuliere Huishoudens. Een huishouden op zich kan moeilijk als een bron van bodemverontreiniging worden beschouwd. Deze code en omschrijving zijn meestal toegekend aan de particuliere bezitters van een hbo-tank die heeft gelekt en als gevolg waarvan bodemverontreiniging is ontstaan. In de referentietabel achter finabo is geen aparte code voor een onder- of bovengrondse tank aanwezig en dus is een andere oplossing gezocht. In de nieuwe ubi-code zijn codes opgenomen voor zowel ondergrondse als bovengrondse hbo-tanks. Wanneer wordt besloten de bodemdossiers handmatig in globis in te voeren, kan alsnog de juiste code voor de bron van de verontreiniging worden toegekend. Wanneer de codes geautomatiseerd worden geconverteerd is dat uiteraard niet mogelijk. De codes en omschrijvingen particulier (bijv. hbo-tanks) en particuliere huishoudens zijn eveneens gekoppeld aan de code onverdachte activiteit. Bij het toekennen van de activiteitencodering is in finabo soms de bron van de verontreiniging verwisseld met het huidige object op de locatie. Zo zijn de codes van sportvelden, bankgebouwen en dergelijke gebruikt, terwijl die moeilijk als een bron van bodemverontreiniging kunnen worden beschouwd. Waarschijnlijk was de bron van de verontreiniging onbekend en is het huidige gebruik van de locatie ingevoerd. Ook deze codes en omschrijvingen zijn gekoppeld aan de code voor onverdachte activiteiten.

14 24 Gebleken is ook dat veel met algemene codes en omschrijvingen is gewerkt, zoals 2900 Chemische Industrie, 3500 machine-industrie en 6100 Groothandel. Onder deze codes vallen een breed scala aan verschillende activiteiten, vaak ook met zeer verschillende tracers en kansen op bodemverontreiniging. Ook hier geldt dat de algemene codes bij een geautomatiseerde conversie niet nader kunnen worden gespecificeerd. Bij een handmatige dossierinvoer zouden de verontreinigende activiteiten wellicht nader kunnen worden bepaald. In de ubi-code is zo goed mogelijk een onderscheid gemaakt tussen de verschillende activiteiten. Deelactiviteiten hebben zoveel mogelijk een eigen code gekregen, zoals ondergrondse en bovengrondse olietanks, kolenopslagplaatsen en dergelijke. Dit is gedaan omdat deze deelactiviteiten ook in combinatie met een onverdachte hoofdactiviteit kunnen voorkomen, zoals een bankgebouw. Voor enkele algemene industrieën, zoals meelfabrieken en suikerwerkenindustrie, die qua productieproces niet bodemvervuilend zijn, maar wel als gevolg van brandstofopslag en machineonderhoud mogelijk bodemverontreiniging hebben veroorzaakt, zijn enkele algemene, karakteristieke tracers bepaald. Reden hiervoor is dat stookolie, huisbrandolie en kolenopslag lange tijd niet onder de Hinderwet vielen en dus bij inventarisaties van potentieel vervuilde locaties vaak niet als deelactiviteit kunnen worden geconstateerd. voorbeeld schakelbord sbi-codes overeenkomen met de codes uit de referentielijst. Eventuele afwijkingen of aanvullingen werden geïnventariseerd en vervolgens gemuteerd in de bijbehorende referentielijst. 4 Via handmatig plakken en knippen is de referentielijst aan de uitgebreide ReGister-tabel gekoppeld. De ReGister-tabel is als uitgangspunt genomen, omdat deze lijst het meest uitgebreid en compleet is in vergelijking tot andere lijsten (circa 3000 sbi-codes). Het schakelbord heeft de volgende structuur: ubi ubi-omschrijving rg omschrijving ref omschrijving 2051 houtwarenindustrie houtdraaierijen 2557 houtdraaierijen lijstenmakerij encadreerinrichting en encadreerinrichting lijstenmakerij lijstenmakerij 2554 lijstenfabrieken encadreerinrichting en cadreerinrichtingen grafkistenfabriek grafkistenfabriek 2572 grafkistenfabrieken e.d. 25 Resultaat Uitvoering van de conversie De ubi-code bestaat uit 1321 verschillende codes en omschrijvingen van activiteiten die, uitgezonderd de verzamelcode voor onverdachte activiteiten, betrekking hebben op potentieel bodemvervuilende activiteiten. De ubi-code is, naast in digitale vorm, ook in boekvorm beschikbaar. Van de code is een boekwerkje gemaakt, waarin tevens een inleiding op de totstandkoming en een handleiding voor gebruik van de code zijn opgenomen. In de handleiding wordt uitgelegd hoe de ubi-code het beste kan worden gehanteerd en hoe moet worden omgegaan met de keuze voor een algemene of juist een gedetailleerde code. Uit het onderzoek, zoals beschreven in hoofdstuk 3 van het rapport, is gebleken, dat de meeste provincies van plan zijn om de dossiers van de in finabo opgenomen gevallen, handmatig opnieuw in te voeren. Een geautomatiseerde conversie van de in finabo opgenomen activiteitencoderingen is dan niet meer nodig. De bestanden met potentieel vervuilde locaties, zoals Hinderwet- en Kamer van Koophandelbestanden, waarin de activiteitencoderingen ook een belangrijke plaats innemen, kunnen overwegend wel zonder problemen geautomatiseerd worden overgezet. voorbeeld afwijking codes Doordat alle aanvullingen in de referentielijst zijn opgenomen en de afwijkingen zijn geïnventariseerd, kunnen alle lijsten geconverteerd worden via de bijbehorende referentielijst. Het aantal afwijkingen met de referentielijst was overigens erg gering, namelijk ongeveer 0,25% van de codes per provincie. Een voorbeeld van een afwijking is in onderstaande tabel opgenomen. referentie omschrijving code Zeeland omschrijving 6293 groothandel in slachtafvallen 6293 Groothandel oude materialen en afvalstoffen 6671 detailhandel in huisbrandstoffen 6670 Detailhandel in huisbrandstoffen Per provincie zijn afzonderlijke tabellen gemaakt, waarmee de conversie kan worden uitgevoerd. De daadwerkelijke conversie is uiteindelijk niets anders dan het automatisch omzetten van de referentielijst naar de nieuwe ubi-codering. Hoe dit technisch precies in elkaar steekt, is als bijlage 6 in het rapport opgenomen. De tabellen kunnen uiteraard ook worden gebruikt bij het handmatig overzetten van de coderingen naar de nieuwe ubi-code. Of een geautomatiseerde conversie nu wel of niet mogelijk is, het moet altijd duidelijk zijn wat de relatie is tussen een oude sbi-code en een nieuwe ubi-code. De verzamelde in gebruik zijnde activiteitencoderingen zijn daartoe gematched met de nieuwe ubi-code. Het 'matchen' vindt plaats binnen een schakelbord. Hierbij is sprake van éénrichtingsverkeer: met een sbi-code kan maar één ubi-code corresponderen Omgekeerd geldt echter dat een ubi-codering naar meerdere sbi-codes kan verwijzen. De provincies en de grote steden maken in hun bestanden voor het merendeel gebruik van dezelfde activiteitencodering. Het bleek daarom niet zinvol om voor elke provincie afzonderlijk telkens de complete lijst met activiteitencoderingen in het schakelbord in te voeren. Eerst is de meest uitgebreide coderingslijst in het schakelbord verwerkt, waarna deze dient als referentielijst voor de overige provincies en de grote steden. Vervolgens is per provincie gecontroleerd of de gehanteerde

15 5 Stoffenbestand en prioritering Inleiding 5.1 Fase 3 van het project betreft de aanpassing en actualisering van de Kennisdatabank met informatie over potentieel vervuilende activiteiten en de daarmee verbonden formule waarmee indicatieve prioriteitsscores aan individuele activiteiten kunnen worden toegekend. In dit hoofdstuk worden de opbouw van het model en de keuzes die daarbij zijn gemaakt nader beschreven. 26 Een bron-model 5.2 De in de Kennisdatabank verzamelde gegevens en de formule waarmee een indicatieve prioriteit kan worden berekend, hebben uitsluitend betrekking op de bron van de mogelijke bodemverontreiniging. De bron kan een chemische wasserij, een demping, een houtwarenfabriek of een andere activiteit zijn, die met een ubi-code is benoemd. 27 Bij het bepalen van de uiteindelijke omvang, ernst en urgentie van een verontreinigde locatie, spelen naast de bron meer factoren een rol, zoals het pad en het object. Onder het pad wordt de locale bodemsituatie verstaan, bijvoorbeeld een kleiof een zandbodem, de situatie met betrekking tot het grondwater en dergelijke. Het object is het huidige gebruik van de verontreinigde locatie, bijvoorbeeld een bedrijfsterrein, een woning of een groenstrook. Pad en object hebben geen directe relatie met een bepaalde bron van bodemverontreiniging, maar zijn onafhankelijke geografische parameters die aan een bepaalde locatie zijn verbonden. Beide zijn hier buiten beschouwing gebleven. Het stoffenbestand en de formule hebben uitsluitend betrekking op de bron van de mogelijke verontreiniging. De indicatieve prioriteit wordt met de formule berekend voor een individuele activiteit. Elke ubi-code heeft een eigen indicatieve prioriteit. Een bedrijf kan tegelijkertijd verschillende activiteiten uitoefenen. Een bekend voorbeeld is de combinatie van een smederij met een verkooppunt voor vloeibare brandstoffen. Op een locatie, een fysieke geografische plek, kunnen in de loop der jaren ook meerdere bedrijven gevestigd zijn geweest met verschillende activiteiten. Er kunnen dus meerdere en verschillende bronnen van bodemverontreiniging op een locatie actief zijn geweest. Bij het bepalen van de onderzoeksurgentie voor een locatie, moet in theorie rekening worden gehouden met alle activiteiten die op een locatie hebben plaats gevonden en mogelijk een bijdrage aan de verontreiniging hebben geleverd. Om de onderzoeksprioriteit van een locatie te bepalen, kunnen de indicatieve prioriteiten van alle uitgevoerde activiteiten als een reeks worden geteld. In de praktijk zal echter meestal één activiteit als potentiële bron dominant zijn en kan de prioritering van de locaties het beste worden gedaan op grond van de hoogst scorende activiteit. Bij een locatie waar een chemische wasserij, een smederij en een autoreparatiebedrijf waren gevestigd, wordt de onderzoeksprioriteit bepaald door de wasserij. De verdachte deellocaties van de smederij en het autoreparatiebedrijf zullen bij het historisch onderzoek en het bodemonderzoek wel worden onderzocht, maar voor het bepalen van de onderzoeksprioriteit in eerste aanleg zijn zij niet van belang. Bij het prioriteren van locaties waarbij sprake kan zijn van meerdere activiteiten, moet het programma altijd zo zijn georganiseerd, dat de hoogst scorende activiteit voorop komt te staan en als bepalend criterium bij de selectie kan worden gekozen. 5 Informatie 5.3 per ubi-code Tracers in de bodem Per ubi-code is gekeken welke stoffen als gevolg van de activiteiten mogelijk in de bodem terecht zijn gekomen. Daartoe is een uitgebreide literatuurstudie naar bedrijfsprocessen uitgevoerd. Een overzicht van de geraadpleegde literatuur is opgenomen als bijlage 12. De verzamelde informatie is aangevuld en getoetst aan de hand van informatie uit de praktijk.

16 De tracers zijn de voor het productieproces kenmerkende stoffen, die als gevolg van de betreffende activiteit bij bodemonderzoek het meest waarschijnlijk in de bodem kunnen worden aangetroffen. Wanneer een tracer in de bodem wordt omgezet in een toxischer afbraakproduct, dan is deze toxischer metaboliet als vervanger van de tracer in de database opgenomen en in de formule meegewogen. In totaal zijn 166 verschillende stoffen als tracer in de Kennisdatabank opgenomen. Niet alle stoffen zijn als tracer van een bepaalde activiteit even belangrijk. Daarom zijn per activiteit, voor zover aanwezig, ook de dominante tracers bepaald. Deze hebben in de uiteindelijke formule ter bepaling van de indicatieve prioriteit ook meer gewicht gekregen. Bij de hoogste g-waarde 1000 is de kans op ernstige en omvangrijke bodemverontreiniging als gevolg van de activiteit met de genoemde tracers vrijwel maximaal, gezien de omvang van het gebruik en de rol die ze in het productieproces spelen. Bij activiteiten met de g-waarde 5 worden weliswaar tracers gebruikt, maar is de kans op bodemverontreiniging, gezien de kleine schaal waarop ze worden gebruikt en de rol binnen het productieproces, zeer klein. Van een geheel onverdachte activiteit kan echter niet worden gesproken. De overige g-waarden liggen tussen deze twee uitersten in. De g-waarde zegt dus niets over de toxiciteit van de tracers. De g-waarden zijn per activiteit bepaald aan de hand van bestudering van het productieproces en praktijkgegevens uit bodemonderzoeken. 28 Niet voor alle ubicodes konden de tracers worden bepaald. Daarbij kunnen drie groepen worden onderscheiden: De algemene ubi-codes, die met het oog op de conversie van in finabo gebruikte codes naar de ubi-code, in de lijst zijn opgenomen. De codes zijn te algemeen van aard om er stoffen aan te kunnen verbinden. Bij het toekennen van een ubi-code aan een activiteit moeten deze codes zoveel mogelijk worden gemeden. Het is beter dan verschillende deelactiviteiten te kiezen en deze met een ubi-code te benoemen. De ubi-codes voor stortplaatsen, dempingen, zellingen en ophogingen. Het bleek niet mogelijk om hiervoor karakteristieke tracers te benoemen. Omdat bekend is dat deze ubi-codes vaak wel een ernstige verontreiniging kunnen hebben veroorzaakt, moeten ze los van de uitkomsten van het ubi-model toch als potentieel ernstige locatie worden geselecteerd. Wellicht kunnen door nadere studie toch nog tracers worden bepaald. Een restcategorie van onbekende activiteiten (ubi-code: ) en enkele activiteiten die nog niet zijn uitgezocht. Bij deze laatste ubi-codes gaat het overigens niet om activiteiten die op voorhand als potentieel ernstig vervuilend moeten worden beschouwd. Door middel van verdere studie kunnen deze ubi-codes mogelijk toch nader worden ingevuld. Parameters van de stoffen Toxiciteit van de stof Het bodemvervuilende karakter van een stof wordt in principe door twee aspecten bepaald, namelijk de toxiciteit en de mobiliteit. Voor beide parameters is gezocht naar een zo goed mogelijke waarde, die in de formule voor het bepalen van de indicatieve prioriteit per ubi-code kan worden gebruikt. Er zijn verschillende manieren waarop de toxiciteit van een stof kan worden bepaald. Vaak wordt uitgegaan van arbo-normen of vergiftigingscijfers. Voorbeelden hiervan zijn de mac-waarden en de eg-klassegrenzen (r28=zeer giftig; r25=giftig; r22=schadelijk). In dit verband is gekozen voor de interventiewaarden uit de Leidraad Bodembescherming. De motivatie voor die keuze is drieledig: De interventiewaarde is specifiek gericht op de bodem en sluit dus goed aan bij het doel waarvoor het model is gemaakt; De interventiewaarde is kwantitatief en specifiek voor een bepaalde stof bepaald. Daarmee wordt het probleem van vervlakking, dat optreedt bij een indeling in klassen, voorkomen; De interventiewaarden zijn algemeen aanvaard in het beleidsveld bodemsanering en worden regelmatig door het rivm geactualiseerd Kans (g) Een overzicht van de ubi-codes zonder tracers is opgenomen als bijlage 7 De kans dat verontreinigende stoffen in de bodem terecht komen, is niet voor elke activiteit even groot. Verschillende factoren spelen daarbij een rol: De schaal (omvang) waarop de stoffen in het bedrijf worden gebruikt; De rol van de stoffen in het productieproces, als kostbaar eindproduct, afvalproduct of hulpstof; De kans op emissie van de stoffen naar de bodem Een probleem is wel dat de interventiewaarden alleen voor de leidraadstoffen, een beperkt aantal stoffen, zijn berekend. Een flink aantal van de 166 stoffen die in de database als tracers aan een bepaald productieproces zijn verbonden, komen in de Leidraad niet voor. Er kunnen zich derhalve de volgende situaties voordoen: Een tracer komt voor als leidraadstof in de circulaire Leidraad Bodembescherming; Een tracer komt niet voor als leidraadstof, maar komt wat betreft stofeigenschappen overeen met een specifieke leidraadstof; Een tracer komt niet voor als leidraadstof en komt wat betreft stofeigenschappen ook niet overeen met een leidraadstof. Deze factoren zijn samengenomen in de g-waarde of productieschaal. Het betreft een relatieve en geen absolute waarde, die als een extra factor in de formule voor het bepalen van de prioriteit wordt meegewogen. De g-waarde is in de formule voor het bepalen van de indicatieve prioriteit een belangrijke factor, omdat daarin de kans op het ontstaan van bodemverontreiniging per activiteit wordt uitgedrukt. De g-waarde is niet gebonden aan een bepaalde tracer, maar aan een activiteit als geheel. Per ubi-code is een g-waarde toegekend. De toegekende waarde varieert tussen 1000 en 5, zodat het maximale verschil dat een g-waarde in de formule kan uitdrukken een factor 200 bedraagt. Er worden zeven verschillende g-waarden gehanteerd, namelijk: Met betrekking tot de toepassing van de tracers in de formule, is per situatie als volgt gehandeld: Ad 1 De tracer komt voor als leidraadstof en dus kan de interventiewaarde direct worden gebruikt in de formule voor de prioriteitsberekening; Ad 2 De tracer komt niet voor als leidraadstof. Van de tracer is vervolgens de chemische textuur bepaald en vastgesteld of een leidraadstof, wat betreft stofeigenschappen, overeenkomt met de tracer. Wanneer een leidraadstof overeenkwam met de tracer, is in de formule de interventiewaarde van deze leidraadstof gebruikt. Wanneer meerdere leidraadstoffen met de chemische textuur van de tracer overeenkomen, is voor de meest kritische stof gekozen. Ad 3 Wanneer er geen leidraadstof werd gevonden die qua chemische textuur overeenkwam met de tracer, is de tracer niet meegewogen in de formule voor de

17 Mobiliteit Indicatieve prioriteit 5.5 per UBI-code De formule risicoberekening. Overigens was dit maar bij twee tracers het geval, namelijk voor aceton en glycerol. Een overzicht van de tracers die in de Kennisdatabank voorkomen en de koppeling met de leidraadstoffen, is als bijlage 8 opgenomen in dit rapport. Naast de toxiciteit van de stof, wordt ook de mobiliteit van de stof geacht een rol te spelen bij het beoordelen van het bodemvervuilende karakter van een stof. Over mobiliteit wordt echter verschillend gedacht. Met name in oudere studies wordt mobiliteit nog als een positief gegeven gewaardeerd. Immers door het verspreiden van vooral oudere verontreinigingen als gevolg van de mobiliteit van de stoffen, zou de verontreiniging mogelijk niet meer aanwezig zijn en in ieder geval in verdunde vorm en dus minder urgent. Een voorbeeld van deze benadering is de studie van Nieuwkoop (zie 5.7.1). Anderzijds wordt het verspreiden van de verontreiniging over een groter gebied momenteel toch meestal als een negatief gegeven beschouwt. Een groter gebied raakt met de stoffen verontreinigd en met name de verspreiding in het grondwater is ongewenst. Los van dit verschil in waardering, wordt mobiliteit algemeen als een factor van belang gezien bij het beoordelen van het bodemvervuilende karakter van stoffen. Aanvankelijk waren in het ubi-model voor het bepalen van de mobiliteit van een stof de constante van Henry en de log Koc genomen. Deze bleken echter voor een groot aantal tracers niet bekend en wanneer wel bekend niet eenduidig te bepalen. Vervolgens werd gekozen voor het oplosbaarheidcijfer S in mg stof/liter water, dat ook in het sus-model wordt gebruikt (zie hierna in 5.7.3). De oplosbaarheid van een stof is echter, zeker voor metalen, sterk afhankelijk van de Ph-waarde (zuurgraad) van de grond ter plaatse en daarmee dus eigenlijk een padafhankelijk gegeven. Tevens bleek bij de eerste test met de formule, dat het toevoegen van de oplosbaarheidcijfers aan de formule in combinatie met de interventiewaarde, nauwelijks verschillen te weeg bracht in de onderlinge rangorde naar prioriteit tussen de ubi-codes. Daarom is besloten de mobiliteit verder als aparte parameter in de formule buiten beschouwing te laten. Bovendien is bij de berekening van de interventiewaarden in de Leidraad bodembescherming ook al rekening gehouden met mobiliteitsaspecten. Impliciet weegt de mobiliteit dus toch nog mee in de formule. De formule drukt simpelweg het volgende uit: Risico = toxiciteit * trefkans. In de formule zijn de volgende parameters meegenomen: Toxiciteit, uitgedrukt in de interventiewaarden van de Leidraad bodembescherming; Kans, uitgedrukt in een g-waarde. Van de toxiciteit gepresenteerd door de interventiewaarden, zijn de reciprocewaarden genomen. Hierdoor krijgt een lage interventiewaarde een hoge score en andersom. Dit is ook de bedoeling, immers een stof met een interventiewaarde van 1 is giftiger dan een stof met een interventiewaarde van 40. nsx = g/100 * <som>ln ((1000/i-waarde)*(2 indien dominant)) nsx: Indicatieve prioriteit g: Kans i-waarde: Interventiewaarde Leidraad Bodembescherming Aansluiting bij de monitoringsoperatie Bovendien is per ubi-code ook aangegeven welke tracers dominant zijn. Dominant betekent, dat deze tracers relatief een groot aandeel hebben binnen de desbetreffende bedrijfsactiviteit. Zo zijn bijvoorbeeld bij een meubelfabriek de tracers trichloorethaan en tolueen dominant en aniline niet. De dominante tracers tellen twee keer mee in de rekenkundige bewerking: <som> Ln ((1000/I-waarde)*(2 indien dominant)) Tot slot wordt het geheel vermenigvuldigd met de kans (g)/100. De productieschaal wordt door 100 gedeeld, omdat anders wederom erg grote getallen ontstaan. De volledige formule luidt dan: De uitkomsten van de formule kunnen in de Kennisdatabank per ubi-code worden afgelezen. Het ubi-model heeft de nodige raakvlakken met twee projecten uit het uitvoeringsprogramma bever, de beleidsvernieuwing bodemsanering. Het betreft de projecten Landsdekkend Beeld 2005 (c-7) en Monitoring Bodemsanering (c-2). In beide projecten speelt het inventariseren, prioriteren en onderzoeken van potentieel vervuilde locaties een belangrijke rol. Met name in de rapportage over de monitoring worden enkele uitspraken gedaan, definities genoemd die te maken hebben met het prioriteren van te onderzoeken locaties. In deze subparagraaf zal kort een vergelijking worden gemaakt tussen de voor de ubi-methode gekozen opzet en de in de rapportage van het Monitorings-project gemaakte indeling. In de rapportage Implementatie Monitoring Bodemsanering: Van start met indicatoren en gegevens ( ), worden locaties die verdacht worden van de aanwezigheid van bodemverontreiniging omschreven als, locaties waarbij op grond van de beschikbare informatie het vermoeden bestaat dat er bodemverontreiniging aanwezig is, zonder dat dit door middel van bodemonderzoek daadwerkelijk is vastgesteld. In de praktijk zullen dit de bestanden met potentieel vervuilde locaties (de pvl s) zijn, die in de meeste provincies door inventarisaties van hinderwetarchieven en archieven Kamers van Koophandel zijn verkregen. Daarnaast vallen hieronder ook de vele meldingen die door gemeenten en particulieren in de loop der jaren zijn gedaan inzake door hen geconstateerde mogelijke gevallen, maar waar nog geen bodemonderzoek is uitgevoerd. Vervolgens wordt binnen de verzameling verdachte locaties een onderscheid gemaakt in drie verschillende categorieën: Potentieel verontreinigde locaties; Potentieel ernstige locaties; Potentieel urgente locaties. 31 De reciprocewaarden van de interventiewaarden variëren tussen 0,0013 en Aangezien de range zo groot is, is het beter om met logaritmes te werken. Uitkomsten kleiner dan 1 krijgen met een logaritme echter een negatieve waarde. Omdat dit het rekenwerk onnodig bemoeilijkt, wordt de reciproce van de interventiewaarden met duizend vermenigvuldigd, alvorens de natuurlijke logaritme (Ln) wordt toegepast. Rekenkundig gebeurt dus het volgende: Ln(1000/I-waarde) Omdat aan een ubi-code meestal meerdere tracers zijn verbonden, worden de afzonderlijke toxiciteitsgegevens gesommeerd: <som>ln(1000/i-waarde). De verschillende categorieën sluiten elkaar uit. Het onderscheid tussen de categorieën wordt echter niet op eenduidige gronden gemaakt. De eerste groep met potentieel verontreinigde locaties wordt omschreven als een verzamelvijver met voormalige en huidige bedrijfsterreinen, dempingen etc, waarvan enkele kerngegevens bekend zijn, die nog niet gescreend zijn. De tweede groep van potentieel ernstige locaties is al wel gescreend. Locaties van voor 1987 zitten hier niet meer in, de adresgegevens zijn gecontroleerd en kleinschalige activiteiten met een geringe kans op bodemverontreiniging zijn er uit gehaald. De categorie van urgente locaties bevat de locaties waar activiteiten met een grote kans op

18 bodemverontreiniging hebben plaats gevonden en die gezien hun ligging (pad en object) in aanmerking komen voor een snelle aanpak. 32 De grenzen tussen de verschillende categorieën worden bepaald door slimme methodes en lerende trajecten, waarbij ervaringsgegevens worden teruggekoppeld naar de theoretische indeling. Locaties kunnen ook van de ene categorie degraderen of promoveren naar een andere. De indeling tussen de verschillende categorieën roept nog wel de nodige vraagtekens op en zal door de verschillende provincies en gemeenten nog nader moeten worden ingevuld. Prioriteit gezien de kans op en de ernst en omvang van mogelijke bodemverontreiniging, zoals bijvoorbeeld bepaald in de ubi-methode, is een van de bepalende factoren bij de indeling van de verschillende categorieën bij de monitoring, maar niet de enige. De genoemde kleinschalige activiteiten en de bekende gevallen, zoals autospuiterijen duiden op een dergelijke weging. Bij de weging van activiteiten en locaties op dergelijke gronden, kan het ubi-model als slimme methode goed worden gebruikt. De methode geeft immers aan wat de indicatieve prioriteit is van een bepaalde activiteit met het oog op de kans en aard van een mogelijke bodemverontreiniging. Hoe de uitkomsten van het ubi-model kunnen worden gelegd op de in de monitoringsoperatie voorgestelde indeling, is geen direct te beantwoorden vraag. Het ubi-model geeft als uitkomst een doorlopende cijferlijst, waarin de verschillende activiteiten onderling zijn gerangschikt. Om de activiteiten op de ranglijst vervolgens in de drie categorieën te verdelen (potentieel verontreinigd, potentieel ernstig, potentieel urgent) zullen op bepaalde punten in de lijst strepen moeten worden gezet. Waar de strepen precies worden gezet moet nader worden bepaald en valt buiten het kader van dit project. Bij het trekken van de strepen gaat het immers niet meer alleen om activiteiten, maar om locaties en dus ook om paden objectgegevens, ligging in statische en dynamische gegevens en de betrouwbaarheid van de bronnen waarop de vermelding als potentieel verdachte locatie is gebaseerd (Kamer van Koophandel of Hinderwet). Dat zijn parameters die hier buiten beschouwing zijn gebleven, maar wel als aanvulling op de uitkomsten van het ubi-model moeten worden toegepast. In het kader van het pilot-project Landsdekkend Beeld 2005 in de provincie Zuid-Holland (Bodem in Beeld), is een indeling gemaakt, die aansluit op de in de monitoringsoperatie voorgestelde indeling. Daarbij is een tweevoudig onderscheid voorgesteld, namelijk: Een onderscheid tussen potentieel ernstig en potentieel verontreinigd. De streep tussen beide categorieën is getrokken bij de nsx-score 100; Binnen de categorieën potentieel ernstig en potentieel verontreinigd een indeling in elk vier klassen. De indeling ziet er als volgt uit: Uitbijters Uitbijters door hoge interventiewaarden metalen Aan de indeling ligt geen berekening of formule ten grondslag. Er is met een open oog naar de volgorde in de rangschikking gekeken en daarbij is op enkele logische punten een streep getrokken. De meest kritische streep is die tussen de potentieel ernstige en de potentieel verontreinigde gevallen. De verdere klassenindeling is aangebracht om het absolute karakter van de scheiding tussen potentieel ernstig en potentieel verontreinigd te verzachten. De klassen 4 en 5 zouden als een soort van promotie-/degradatieklasse kunnen worden beschouwd. Ervaringscijfers moeten uitwijzen of de "streep" bij de nsx-100score een juiste keuze blijkt te zijn, of dat de lat lager of juist hoger moet worden gelegd. Door het aanbrengen van de klassenindeling is het ook mogelijk binnen de categorieën potentieel ernstig en potentieel verontreinigd nog een verdeling te maken. Onbekend is namelijk nog hoeveel, gerekend in aantallen te onderzoeken locaties, potentieel ernstige gevallen er zullen zijn. Mogelijk is het aantal veel te groot om binnen de gestelde termijn (2005) in eerste aanleg te onderzoeken. Aan de hand van de klassenindeling kan dan een verdere selectie worden gemaakt. Andersom is het ook mogelijk om bijvoorbeeld locaties uit klasse 4 alsnog ook voor 2005 te gaan onderzoeken. De gemaakte indeling en de grens tussen potentieel ernstig en potentieel verontreinigd moeten worden getoetst. Aan de hand van praktijkgegevens zal moeten worden getest of de indeling juist is, of dat de grens zal moeten worden verlegd. De in de monitoringsoperatie gevraagde indeling naar potentiële urgentie kan niet alleen aan de hand van brongegevens worden gemaakt. Daarvoor zijn meer parameters vereist, zoals de ligging van de locatie, het huidige gebruik, de grondsoort en ruimtelijke plannen. Die indeling valt buiten het bereik van dit project. Wanneer de uitkomsten van de formule worden bekeken, zijn enkele uitbijters aan te wijzen. Uitbijters zijn potentieel bodemvervuilende activiteiten (ubi-codes) die, na uitvoering van de berekening volgens de beschreven formule, te laag in de rangschikking staan. Het betreft activiteiten waarbij de tracers alleen uit zware metalen bestaan. De metalen hebben in de Leidraad Bodembescherming relatief hoge interventiewaarden gekregen en scoren daardoor in het ubi-model laag. Van meerdere van deze activiteiten is echter bekend dat zij toch zeer ernstige gevallen van bodemverontreiniging kunnen veroorzaken. Bovendien wordt bij deze activiteiten op grote schaal gebruik gemaakt van zouten, die mogelijk (veel) toxischer zijn dan de oorspronkelijke metalen en ook een veel groter verspreidingsrisico impliceren. Enkele voorbeelden van uitbijters die worden veroorzaakt doordat eigenlijk alleen zware metalen als tracer worden genoemd, zijn de volgende: 33 Indeling klassen klasse nsx-score omschrijving klasse < 500 Potentieel ernstig verontreinigd klasse < 300 Potentieel ernstig verontreinigd klasse < 200 Potentieel ernstig verontreinigd klasse < 100 Potentieel ernstig verontreinigd klasse 4 99 < 50 Potentieel verontreinigd klasse 3 49 < 10 Potentieel verontreinigd klasse 2 9 < 1 Potentieel verontreinigd klasse 1 0,99 < 0,00 Potentieel verontreinigd Uitbijters zware metalen ubi-code Omschrijving nsx-score klasse primaire zinkfabriek tinwitmolen loodwitmolen zinkwitmolen Van de loodwitmolen is bekend, dat deze zeer ernstige gevallen van bodemverontreiniging kan hebben veroorzaakt. Doordat de tracer lood een hoge

19 34 interventiewaarde heeft, scoort de activiteit relatief te laag. Dit probleem wordt in de eerste plaats veroorzaakt door het typische productieproces waarbij mest werd gebruikt, die nadien weer over de naburige landerijen werd verspreid en tot plaatselijk enorme concentraties lood in de bodem kan hebben geleid. In de tweede plaats is loodwit eigenlijk niet lood, maar PbCo 3. Pb(OH) 2 (vermoedelijk toxischer dan lood), waarvoor in de Leidraad geen equivalent aanwezig is. Bij de bereiding van loodwit werd veel loodacetaat uitgespoeld, hetgeen feitelijk mobiel lood is, omdat door het bufferend vermogen van de bodem het lood uiteindelijk neerslaat. In feite lijkt de activiteit dus op een galvaniseerinrichting, waar ook lood op een dergelijke manier wordt toegepast. Een galvaniseerbedrijf scoort hoger, niet zozeer op de metalen, maar op de gebruikte ontvetters. Een zelfde soort redenering gaat op voor de andere genoemde activiteiten, waarbij de primaire zinkfabriek uiteraard nog wel hoog scoort, maar eigenlijk in de allerhoogste regionen thuis zou moeten horen. Zeker gezien de verontreiniging die op en in de wijde omgeving van de primaire zinkfabriek in Budel is ontstaan. De uitkomst van het ubi-model is door een aantal experts beoordeeld. Uit die beoordeling zijn nog enkele uitbijters naar voren gekomen (zie bijlage 11). In de beheersfase van het ubi-model (zie hoofdstuk 6) zal naar deze ubi s nog nader studie worden verricht en zal worden geprobeerd aan de hand van ervaringsgegevens het model verder te ijken. nsx-scores stortplaatsen c.a. Om de stortplaatsen, erfverhardingen, dempingen e.d. toch gewoon in het ubimodel te laten meelopen, zijn aan de Kennisdatabank twee stoffen toegevoegd, namelijk stort en stort niet ernstig. Aan stort is een interventiewaarde van 4E-15 toegekend en aan stort-niet ernstig een interventiewaarde van 6,7. Aan de verschillende ubi-codes zijn vervolgens g-waarden toegekend, waarna een berekening met de formule het volgende beeld geeft: omschrijving stof g-waarde nsx klasse Stortplaats pot. ernstig stort Demping pot. ernstig stort Ophooglaag pot. ernstig stort Zelling pot. ernstig stort Erfverharding pot. ernstig stort Stortplaats pot. verontreinigd stort n.e Demping pot. verontreinigd stort n.e Ophooglaag pot. verontreinigd stort n.e Zelling pot. verontreinigd stort n.e Erfverharding pot. verontreinigd stort n.e Stortplaatsen, dempingen, ophogingen Indeling stortplaatsen Potentieel ernstig Een categorie waar moeilijk bepaalde tracers aan kunnen worden gekoppeld, vormen de stortplaatsen, dempingen en erfverhardingen met diverse materialen. Daardoor kunnen ze ook niet van een specifieke nsx-score worden voorzien. Anderzijds is bekend dat veel stortplaatsen wel degelijk een ernstig geval van bodemverontreiniging kunnen vormen. In het Wbb-bestand van de provincie Zuid-Holland heeft bijvoorbeeld 61% van de vermeldingen te maken met een stortplaats, demping of erfverharding als bron van de verontreiniging. Om deze belangrijke categorie bij de prioritering niet tussen de wal en het schip te laten verdwijnen, is een methode bedacht om ze toch via het model te prioriteren. In de eerste plaats is op grond van literatuurstudie, beschikbare rapportages en gegevens uit de beschikbare finabo-bestanden, een globale indeling gemaakt tussen potentieel ernstig verontreinigde en potentieel verontreinigde stortplaatsen. De indeling is in onderstaande tabel opgenomen. Potentieel verontreinigd Algemene uitbijters en overige activiteiten Op grond van deze rekenkundige exercitie komen de verschillende soorten stortplaatsen, dempingen, ophooglagen, erfverhardingen en zellingen toch op de plaats terecht waar ze, gezien de ervaringsgegevens, thuishoren en lopen ze mee in de prioritering van de potentieel verdachte locaties. Wellicht kan in de beheersfase van het ubi-model nog aan een verdere verbetering van de indeling worden gewerkt en kunnen dan alsnog echte tracers worden toegevoegd. Een laatste groep van uitbijters wordt gevormd door de activiteiten met een dusdanig algemeen karakter, dat daaraan geen tracers konden worden gekoppeld. Het betreft bijvoorbeeld de omschrijvingen als metaalindustrie algemeen, groothandel en dergelijke. De specifieke aard van de activiteiten is onbekend en dus is het onmogelijk om deze activiteiten te prioriteren. Een overzicht van deze ubi-codes en activiteiten is opgenomen als bijlage 7. Tenslotte is er een aantal activiteiten waarvan de aard van de bezigheden en de gebruikte stoffen onbekend zijn. Ook deze konden daardoor niet van een score worden voorzien. In de beheersfase van het ubi-model zal verder onderzoek naar deze activiteiten worden gedaan, zodat ze dan alsnog van tracers en een g-waarde kunnen worden voorzien en in de prioritering kunnen worden meegenomen. Een overzicht van deze activiteiten is eveneens in bijlage 7 opgenomen. Baggerspecie Bouw- en of sloopafval Chemisch afval Industrieel- en/of bedrijfsafval Kolengruis en/of sintels Ongespecificeerd Rioolslib Shredder Slakken Zinkassen Agrarisch afval en/of takkenbossen Faecaliën Grond Huishoudelijk afval Houtafval Lompen Veegvuil Toetsing van het model en de uitkomsten Vergelijking met Wbb-bestand Zuid-Holland De werking van het model en de uitkomsten zijn op twee manieren getoetst. In de eerste plaats is een vergelijking gemaakt tussen de nsx-scores uit het ubi-model en de kwalificaties die in het Wbb-bestand van Zuid-Holland aan gevallen van bodemverontreiniging met vergelijkbare activiteiten zijn gegeven. In de tweede plaats zijn het model en de uitkomsten voorgelegd aan een aantal deskundigen, die over ruime ervaring op het gebied van bodemsanering beschikken. In de provincie Zuid-Holland zijn de ubi-codes al gekoppeld aan de locaties die voorkomen in het Wbb-bestand van de provincie. Op basis van de ubi-codes kon een vergelijking worden gemaakt tussen de in het ubi-model aan bepaalde activiteiten toegekende nsx-scores en de in het Wbb-bestand opgenomen praktijkgegevens.

20 Toetsing door deskundigen Vergelijking met 5.9 andere modellen Nieuwkoop Uitgangspunt daarbij was vooral het toetsen van de streep bij nsx-score 100 tussen de potentieel ernstige activiteiten en de potentieel verontreinigende activiteiten. De kwalificatie uit het ubi-model potentieel ernstig verontreinigd (nsx(100) werd daarbij gelijkgesteld aan de kwalificaties urgent en ernstig in het Wbb-bestand. De kwalificatie potentieel verontreinigd uit het ubi-model werd gelijkgesteld aan de kwalificatie niet-ernstig uit het Wbb-bestand. Uit de vergelijking bleek, dat de uitkomsten van het ubi-model op het punt van het onderscheid tussen potentieel verontreinigd en potentieel ernstig verontreinigd meer dan goed overeenstemmen met wat in de praktijk uit de bodemonderzoeksgegevens naar voren komt. Slechts bij 3% van de Wbb-locaties bleek dat er in de praktijk sprake was van een ernstig of urgent geval, terwijl op grond van het ubi-model slechts een niet-ernstig geval (potentieel verontreinigd) mocht worden verwacht. Andersom bleek in 12% van de gevallen in het Wbb-bestand sprake te zijn van een niet-ernstig geval, terwijl het ubi-model een potentieel ernstig geval had voorspeld. Dit laatste verschil is echter niet erg relevant, omdat het verschil met name wordt veroorzaakt door het grote aantal benzineservicestations in het Wbbbestand, die door het ubi-model terecht als potentieel ernstig worden beschouwd, maar waarbij in de praktijk voor ongeveer 10% geen sprake blijkt te zijn van een ernstig of urgent geval. Toekenning van een score op basis van 90% van de gevallen, is echter meer dan te rechtvaardigen. De uitkomsten van de toets zijn in meer uitgewerkte vorm opgenomen in bijlage 10. Het was aanvankelijk de bedoeling om het ubi-model en de uitkomsten daarvan te laten toetsen door de Werkgroep Urgentie & Interventiewaarden (ui). In de praktijk bleek dit echter op korte termijn moeilijk te realiseren. Daarom zijn enkele leden van de ui gevraagd om de beoordeling op persoonlijke titel uit te voeren. De uitkomsten daarvan zijn opgenomen in bijlage 11. In algemene zin konden de geraadpleegde deskundigen zich vinden in de opzet van de formule en de parameters die voor het bepalen van het bodemvervuilende karakter van de activiteiten waren gekozen. Vragen werden vooral gesteld over de vertaling van de tracers naar leidraadstoffen, de mogelijkheden tot een verdere verfijning van het model en een mogelijke verdere koppeling met pad en objectgegevens. Daarnaast werden bij ongeveer dertig ubi-codes vraagtekens gezet met betrekking tot de genoemde tracers en de (te lage) plaats van de ubi-code op de ranglijst. De meeste opmerkingen waren gebaseerd op de praktijkervaringen van de deskundigen met het onderzoek naar en de sanering van bepaalde activiteiten. Veel van de opmerkingen zijn direct in de Kennisdatabank verwerkt. Naar aanleiding van de opmerkingen zal naar enkele ubi-codes nog nadere studie worden verricht. De uitkomsten van de toets door de deskundigen zijn verder uitgewerkt in bijlage 11. Door Jurgen Nieuwkoop is als promotieonderzoek aan de Technische Universiteit van Eindhoven, in 1993 een systematiek ontwikkeld voor het bepalen van de indicatieve prioriteit van potentieel vervuilde voormalige bedrijfsterreinen. In dat kader zijn door hem 96 afdelingen en groepen (twee- en driecijferig sbi s) onderzocht op hun potentieel bodemvervuilende karakter. Voor het bepalen van de prioriteitsscore wordt door Nieuwkoop ongeveer dezelfde insteek gekozen als in de ubi-methode tauw/bsb-systematiek Voor het bepalen van de indicatieve prioriteit gebruikt Nieuwkoop de volgende parameters: De toxiciteit van de gebruikte stoffen; De persistentie c.q. mobiliteit van de stoffen; Het stofaandeel van een stof in het productieproces; De kans op emissie naar de bodem; De gemiddelde bedrijfsgrootte; De gemiddelde levensduur van een bedrijf. De eerste twee factoren worden ook in het ubi-model meegenomen. De kans op emissie naar de bodem en de gemiddelde bedrijfsgrootte zijn meegewogen in de g-waarde en voor een groot deel ook opgenomen in de toekenning van de separate ubi-codes. Het individuele aandeel van een stof in de afzonderlijke productieprocessen is niet uitgezocht. Wel is het belang van een stof meegewogen in de keuze van de tracers, omdat alleen de belangrijkste stoffen als tracers zijn opgenomen. De gemiddelde levensduur is nogal een arbitrair gegeven, want betrouwbare gegevens voor het bepalen hiervan ontbreken, zeker wanneer de activiteiten meer op detailniveau moeten worden beschouwd. Het aantal door Nieuwkoop beschouwde categorieën is beperkt. Veel activiteiten blijven buiten beschouwing en de productieprocessen worden veelal naar algemene stofcategorieën vertaald. In algemeen termen komt de strekking van het model echter overeen met het ubi-model. Opvallend is trouwens dat mobiliteit in het model van Nieuwkoop anders wordt gewaardeerd, namelijk als een positieve waarde. Hoe mobieler de stoffen, des te lager de uiteindelijke prioriteit. In opdracht van de Commissie bodemsanering van in gebruik zijnde bedrijfsterreinen, heeft tauw in 1987 een methodiek ontwikkeld voor het bepalen van een onderzoeksprioriteit per bedrijf. Er heeft een uitgebreide vergelijking plaats gevonden tussen de ubi-methode en de tauw/bsb-systematiek, omdat deze methode een vrij uitgebreide toepassing heeft gekregen. Voor het uitvoeren van de vergelijking is gebruik gemaakt van de documentatie die aan het tauw/bsb-systeem ten grondslag ligt en de ervaringen die ReGister in de praktijk heeft opgedaan met het model in de provincie Gelderland. Een uitgebreid verslag van de vergelijking is als bijlage 9 in het rapport opgenomen. Hier wordt met een samenvatting volstaan. Bij de bepaling van de prioriteitsscore wordt in de tauw/bsb-systematiek gekeken naar twee elementen die samen de bronscore van de potentiële verontreiniging van de grond op het bedrijfsterrein bepalen, namelijk de toxiciteit en mobiliteit van de stofgroepen en de kans op het ontstaan van de verontreiniging. Per activiteit zijn maximaal twee stofgroepen bepaald die mogelijk de grond hebben verontreinigd en één stofgroep voor het grondwater. Deze stofgroepen zijn ingedeeld in risicoklassen op basis van toxiciteit en mobiliteit. De kans op bodemverontreiniging wordt bepaald op grond van de datum van vestiging van het bedrijf en de duur van de periode waarin het bedrijf op de locatie gevestigd was. Op grond van deze factoren wordt de bronscore bepaald. Door tauw zijn in een verdere uitbreiding van het model ook methodes voor het bepalen van een pad- en een objectscore aangebracht. Het bepalen van de tracers per activiteit is in de tauw/bsb-systematiek gebeurd op het niveau van de stofgroep. De toxiciteit is niet afzonderlijk per stof bepaald, maar door middel van een indeling in maximaal drie klassen. Ook de mobiliteit is via een indeling in drie klassen vastgesteld. Bovendien worden maximaal drie stofgroepen meegewogen. Het model gaat op dit punt belangrijk grover te werk dan de ubi-systematiek. 37

Het UBI-model: historie en perspectief. De opdracht April 2008: zeven jaar UBI-model Aanpassingen Ontwikkelingen

Het UBI-model: historie en perspectief. De opdracht April 2008: zeven jaar UBI-model Aanpassingen Ontwikkelingen Het UBI-model: historie en perspectief De opdracht April 2008: zeven jaar UBI-model Aanpassingen Ontwikkelingen De opdracht Het opstellen van een model, dat per activiteit een indruk geeft van de kans

Nadere informatie

Actiepunten zoals vastgesteld op de bijeenkomst van 27 juni 2007. B. Aanpassingen in de klassenindeling voor de SUBi-codes

Actiepunten zoals vastgesteld op de bijeenkomst van 27 juni 2007. B. Aanpassingen in de klassenindeling voor de SUBi-codes Actiepunten zoals vastgesteld op de bijeenkomst van 27 juni 2007. A. Het benoemen van de SUBI-codes Besloten wordt om de reden voor het spoedeisende karakter van de zogenaamde Spoed-UBI s niet in het publieke

Nadere informatie

Bodeminformatie. Vreijenpolderstraat 4 te Oostdijk. Legenda. Overzicht aanwezige ondergrondse tanks. Onderzoeken

Bodeminformatie. Vreijenpolderstraat 4 te Oostdijk. Legenda. Overzicht aanwezige ondergrondse tanks. Onderzoeken Vreijenpolderstraat 4 te Oostdijk Bodeminformatie Legenda Geselecteerde locatie 25-meter straal Perceelgrenzen Locaties Verontreinigingscontouren Saneringscontouren Historisch Bodembestand (HBB) Overzicht

Nadere informatie

Bodemrapportage. Dynamisch Rapport - 27-08-2014. Legenda. Bodemlocaties

Bodemrapportage. Dynamisch Rapport - 27-08-2014. Legenda. Bodemlocaties Bodemrapportage Dynamisch Rapport - 27-08-2014 Legenda Geselecteerd gebied 25-meter buffer Bodemonderzoeken Historisch Bodembestand (HBB) Bodemlocaties Coördinaten volgens RDM (Rijksdriehoeksmeting) Middelpunt:

Nadere informatie

Rapport bodeminformatie

Rapport bodeminformatie Rapport bodeminformatie Rapport bodeminformatie Percelen Perceelnummers Geselecteerd gebied Locatiegegevens Locatienaam Coördinaten volgens RDM (Rijksdriehoeksmeting) middelpunt: x 258014.8 y 492124.2

Nadere informatie

Oranjelaan 7 te Hilversum. Bodeminformatie. Legenda Geselecteerde locatie

Oranjelaan 7 te Hilversum. Bodeminformatie. Legenda Geselecteerde locatie Oranjelaan 7 te Hilversum Bodeminformatie Legenda Geselecteerde locatie 50-meter contour Verontreinigingscontouren Saneringscontouren Gebouwen Percelen (c) 2010 Gemeente Hilversum - Pagina 1 van 7-13-12-2012

Nadere informatie

Bodeminformatie. Albertus Perkstraat 109 te Hilversum. Legenda. Wet milieubeheer bedrijven

Bodeminformatie. Albertus Perkstraat 109 te Hilversum. Legenda. Wet milieubeheer bedrijven Albertus Perkstraat 109 te Hilversum Bodeminformatie Legenda Geselecteerde locatie 50-meter straal Percelen Onderzoeken Verontreinigingscontouren Saneringscontouren Gebouwen Wet milieubeheer bedrijven

Nadere informatie

Bodemrapportage. Pascallaan 15 Lelystad. HBB-locaties

Bodemrapportage. Pascallaan 15 Lelystad. HBB-locaties Bodemrapportage Pascallaan 15 Lelystad WBB-locaties Geselecteerd gebied HBB-locaties Coördinaten volgens RDM (Rijksdriehoeksmeting) middelpunt: X 162746 Y 498700 buffer: 250 meter Datum rapportage: 27-03-2015

Nadere informatie

Uittreksel bodeminformatie

Uittreksel bodeminformatie Uittreksel bodeminformatie Hyacinthenlaan 62 te Bennebroek Geselecteerd perceel 25-meter buffer Perceelgrenzen Locatiecontouren Hbb locaties Ondergrondse tanks Saneringscontour Verontreinigingscontour

Nadere informatie

Nieuwsbrief artikel 55ab Wet bodembescherming (Wbb): Aan de slag met de aanpak van de spoedlocaties

Nieuwsbrief artikel 55ab Wet bodembescherming (Wbb): Aan de slag met de aanpak van de spoedlocaties Nieuwsbrief artikel 55ab Wet bodembescherming (Wbb): Aan de slag met de aanpak van de spoedlocaties Beste collega s, De Wet bodembescherming is per 1 februari ondermeer gewijzigd om belemmeringen voor

Nadere informatie

Bodeminformatie. Gijsbrecht van Amstelstraat 92 te Hilversum. Legenda. Wet milieubeheer bedrijven

Bodeminformatie. Gijsbrecht van Amstelstraat 92 te Hilversum. Legenda. Wet milieubeheer bedrijven Bodeminformatie Gijsbrecht van Amstelstraat 92 te Hilversum Legenda Geselecteerde locatie 50-meter straal Percelen Onderzoeken Verontreinigingscontouren Saneringscontouren Gebouwen Wet milieubeheer bedrijven

Nadere informatie

Bodemrapportage. Lisdoddeweg 36 LELYSTAD. HBB-locaties

Bodemrapportage. Lisdoddeweg 36 LELYSTAD. HBB-locaties Bodemrapportage Lisdoddeweg 36 LELYSTAD WBB-locaties Geselecteerd gebied HBB-locaties Coördinaten volgens RDM (Rijksdriehoeksmeting) middelpunt: X 168521 Y 500544 buffer: 250 meter Datum rapportage: 20-03-2013

Nadere informatie

Niet. Bevoegd Gezag. Bodem-loket Bodem-loket Algemene locatiegegevens. X X X /bodeminformatie/locatie/@sikb_id

Niet. Bevoegd Gezag. Bodem-loket Bodem-loket Algemene locatiegegevens. X X X /bodeminformatie/locatie/@sikb_id veldnaam volgens protocol SIKB 0101 locatiecode_bevoegd_gezag bis_loccode rapporteur_monitoring gegevensbeheerder naam straat huisnummer huisletter lettertoevoeging postcode omschrijving volgens protocol

Nadere informatie

Brederodestraat!26!B!! Zandvoort!

Brederodestraat!26!B!! Zandvoort! Brederodestraat26B Zandvoort Vraagprijs 700.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]+31235420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl Brederodestraat26BIZandvoort DezeVRIJSTAANDEwoningmetOPRITenGARAGEisin1974ontworpendoorarchitectGiesSterrenburg

Nadere informatie

Bodeminformatie. Naarderstraat 55 te Hilversum. Legenda. Wet milieubeheer bedrijven

Bodeminformatie. Naarderstraat 55 te Hilversum. Legenda. Wet milieubeheer bedrijven Naarderstraat 55 te Hilversum Bodeminformatie Legenda Geselecteerde locatie 50-meter straal Percelen Onderzoeken Verontreinigingscontouren Saneringscontouren Gebouwen Wet milieubeheer bedrijven Brandstoftanks

Nadere informatie

123 Historisch onderzoeksbureau Postbus 70126 9704 AC Groningen T 050 318 90 70 F 050 313 04 03 E info@ho-register.nl

123 Historisch onderzoeksbureau Postbus 70126 9704 AC Groningen T 050 318 90 70 F 050 313 04 03 E info@ho-register.nl UBI 3.0 Toelichting op de aanpassingen 12 december 2007 projectnummer 06022 123 Historisch onderzoeksbureau Postbus 70126 9704 AC Groningen T 050 318 90 70 F 050 313 04 03 E info@ho-register.nl Inhoudsopgave

Nadere informatie

Fazantenlaan!39!! Heemstede!

Fazantenlaan!39!! Heemstede! Fazantenlaan39 Heemstede Vraagprijs 375.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]+31235420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl Dezeroyale,UITGEBOUWDEHOEKWONINGmetoprit,ruimeGARAGEenzonnigeVOORIenACHTERTUIN

Nadere informatie

Bestemmingsplan. Twee Kernen - 2012. Voorontwerp. Bijlage 5 - Historisch bodemonderzoek Lithoijen

Bestemmingsplan. Twee Kernen - 2012. Voorontwerp. Bijlage 5 - Historisch bodemonderzoek Lithoijen Bestemmingsplan Twee Kernen - 2012 Bijlage 5 - Historisch bodemonderzoek Lithoijen Voorontwerp HISTORISCH BODEMONDERZOEK KERN LITHOIJEN TBV BESTEMMINGSPLAN TWEE KERNENPLAN 2011 LITH EN LITHOIJEN GEMEENTE

Nadere informatie

Legenda Plangebied (Toemaakdek beheergebied ODWH) Gemeentegrenzen Toemaakdek binnen plangebied Toemaakdek buiten plangebied

Legenda Plangebied (Toemaakdek beheergebied ODWH) Gemeentegrenzen Toemaakdek binnen plangebied Toemaakdek buiten plangebied Legenda Plangebied (Toemaakdek beheergebied ODWH) Gemeentegrenzen Toemaakdek binnen plangebied Toemaakdek buiten plangebied 0 0,9 1,8 22-01-2013 2,7 3,6 km ± Bijlage 3 Selectiecriteria Bijlage 3 : Selectiecriteria

Nadere informatie

Omgevingsrapport. Benedenkerkstraat 1 te Waspik. bodembedreigende activiteiten. Overzicht aanwezige ondergrondse tanks. Overzicht locatiegegevens

Omgevingsrapport. Benedenkerkstraat 1 te Waspik. bodembedreigende activiteiten. Overzicht aanwezige ondergrondse tanks. Overzicht locatiegegevens Omgevingsrapport Benedenkerkstraat 1 te Waspik Geselecteerd perceel 25-meter buffer Perceelgrenzen Overzicht onderzoekgegevens Overzicht historische bodembedreigende activiteiten Overzicht aanwezige ondergrondse

Nadere informatie

Bodeminformatie. Blokhoeve 1 (Nieuwegein) Legenda. Bodemonderzoeken en saneringsrapporten

Bodeminformatie. Blokhoeve 1 (Nieuwegein) Legenda. Bodemonderzoeken en saneringsrapporten Blokhoeve 1 (Nieuwegein) Bodeminformatie Legenda Geselecteerd perceel 50-meter contour Wegen Oppervlaktewater Bebouwing Overige Boomgaarden Asbestkansenkaart Bodemonderzoeken en saneringsrapporten Wbb-locaties

Nadere informatie

Aanvraag bodeminformatie

Aanvraag bodeminformatie Aanvraag bodeminformatie Ordernummer 563325 Datum 08-12-2014 Uw bedrijfsgegevens 1 Naam bedrijf/organisatie/stichting 1 KvK-nummer 1 Straat 1 1 1 Postcode/Plaats 1 1 Contactpersoon 2 Naam 1 1 1 Geslacht

Nadere informatie

Bodeminformatie. Vaartweg 123A te Hilversum. Legenda. Wet milieubeheer bedrijven

Bodeminformatie. Vaartweg 123A te Hilversum. Legenda. Wet milieubeheer bedrijven Vaartweg 123A te Hilversum Bodeminformatie Legenda Geselecteerde locatie 50-meter straal Percelen Onderzoeken Verontreinigingscontouren Saneringscontouren Gebouwen Wet milieubeheer bedrijven Brandstoftanks

Nadere informatie

MELDINGENFORMULIER NADER ONDERZOEK EN/OF SANERINGSPLAN

MELDINGENFORMULIER NADER ONDERZOEK EN/OF SANERINGSPLAN MELDINGENFORMULIER NADER ONDERZOEK EN/OF SANERINGSPLAN Algemeen 1. Gegevens locatie Locatienaam 2. Melding betreft Nader onderzoek (art. 29 in samenhang met art. 37) Saneringsplan (art. 28/39) Deelsaneringsplan

Nadere informatie

Van UBI-model naar UBI-profiel

Van UBI-model naar UBI-profiel 1 Van UBI-model naar UBI-profiel 1. Een nieuwe rol voor de UBI Tijdens de vergadering van de UBI-beheergroep van 13 maart 2008 is geconstateerd dat na de realisatie en introductie van versie 3.0 het UBI-model

Nadere informatie

Aan: Gemeente Baarn T.a.v. de heer W. Stolp Postbus 1003 3740 BA Baarn. Geachte heer Stolp,

Aan: Gemeente Baarn T.a.v. de heer W. Stolp Postbus 1003 3740 BA Baarn. Geachte heer Stolp, Dienst Water en Milieu Aan: Gemeente Baarn T.a.v. de heer W. Stolp Postbus 13 374 BA Baarn Pythagoraslaan 11 Postbus 83 358 TH Utrecht Tel. 3-2589111 Fax 3-258342 http://www.provincie-utrecht.nl Datum

Nadere informatie

Informatie over bodemgesteldheid

Informatie over bodemgesteldheid gemeente Zaanstad Klantcontact Vergunningen DLA Piper Nederland N.V. T.H.R. Holslag-Broek Stadhuisplein 100 1506 MZ Zaandam Postbus 2000 1500 GA Zaandam 1070 AG Amsterdam Telefoon 14 075 antwoord@zaanstad.nl

Nadere informatie

Fysieke Vaardigheid Toets DJI

Fysieke Vaardigheid Toets DJI Fysieke Vaardigheid Toets DJI Naar normering van toetstijden dr. R.H. Bakker dr. G.J. Dijkstra TGO, februari 2013 TGO Fysieke Vaardigheid Toets DJI: naar normering van toetstijden 1 TGO Fysieke Vaardigheid

Nadere informatie

BODEMVERONTREINIGING Tot én met de bodem uitgezocht...

BODEMVERONTREINIGING Tot én met de bodem uitgezocht... BODEMVERONTREINIGING Tot én met de bodem uitgezocht... Technische toelichting 9 september 2014 ...dat vraagt om een toelichting... Sanering Lekkerkerk (1980) INHOUD Algemeen (Nederland): > Historie bodembeleid

Nadere informatie

Laan van Heemstede 56 A 3297AJ PUTTERSHOEK

Laan van Heemstede 56 A 3297AJ PUTTERSHOEK Laan van Heemstede 56 A 3297AJ PUTTERSHOEK Referentienummer 1196568534 21 mei 2012 Datum 21 mei 2012 Makelaardij de Jong B.V. te PUTTERSHOEK I N H O U D Inhoud Leeswijzer 1 Object 1.1 Kadastrale kenmerken

Nadere informatie

Rekenkamercommissie Wijdemeren

Rekenkamercommissie Wijdemeren Rekenkamercommissie Wijdemeren Protocol voor het uitvoeren van onderzoek 1. Opstellen onderzoeksopdracht De in het werkprogramma beschreven onderzoeksonderwerpen worden verder uitgewerkt in de vorm van

Nadere informatie

Generaal!Bothastraat!40!! Haarlem!

Generaal!Bothastraat!40!! Haarlem! GeneraalBothastraat40 Haarlem Vraagprijs 225.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]+31235420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl DitCHARMANTEenGEMODERNISEERDEWOONHUISmetaanbouwenDIEPEZONNIGETUINophet

Nadere informatie

Tenzij anders staat aangegeven, bevat het rapport gemiddelde scores (schoolcijfer).

Tenzij anders staat aangegeven, bevat het rapport gemiddelde scores (schoolcijfer). Instelling: (45) Stadsarchief Amsterdam Toelichting op het rapport Dit rapport bestaat uit 3 onderdelen. Deel 1 Resultaten Dit deel bevat de actuele resultaten van uw instelling. Indien eerder aan de Kwaliteitsmonitor

Nadere informatie

Meesterjoostenlaan!27!! Haarlem!

Meesterjoostenlaan!27!! Haarlem! Meesterjoostenlaan27 Haarlem Vraagprijs 250.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]+31235420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl DezeCHARMANTEenSFEERVOLLESTADSWONINGligtaaneenpittoreskenautoluwstraatjeindegewilde

Nadere informatie

Rapportage beoordelen en incidenteel belonen 2012

Rapportage beoordelen en incidenteel belonen 2012 Rapportage beoordelen en incidenteel belonen 2012 Oktober 2013 Samenvatting Provinciebreed wordt er in 2012 met 91% van de medewerkers een planningsgesprek gevoerd, met 81% een voortgangsgesprek en met

Nadere informatie

Bodeminformatie. Nieuwegein Bodemrapportage Plettenburg 10. Legenda. Bodemonderzoeken en saneringsrapporten

Bodeminformatie. Nieuwegein Bodemrapportage Plettenburg 10. Legenda. Bodemonderzoeken en saneringsrapporten Bodeminformatie Nieuwegein Bodemrapportage Plettenburg 10 Legenda Geselecteerd perceel 50-meter contour Boomgaarden Wegen Bebouwing Oppervlaktewater Slootdempingen Overige Boerderij-locaties Bodemonderzoeken

Nadere informatie

Het digitaal samenstellen en uniformeren van projectdocumentatie.

Het digitaal samenstellen en uniformeren van projectdocumentatie. Het digitaal samenstellen en uniformeren van projectdocumentatie. As-Built Documentatie digitaal op orde Als uw bedrijf actief is in de Marine, Off-Shore, energie of chemische industrie, dan heeft u voor

Nadere informatie

Gegevens aanvraag Datum aanvraag 29 jan 2015 Datum rapportage 29 jan 2015

Gegevens aanvraag Datum aanvraag 29 jan 2015 Datum rapportage 29 jan 2015 Omgevingsrapportage Kleine Houtstraat 73 te HAARLEM Gegevens aanvraag Datum aanvraag 29 jan 2015 Datum rapportage 29 jan 2015 1/16 Inleiding Voor u ligt een rapportage van de gemeente Haarlem over de milieuhygiënische

Nadere informatie

Vraagprijs) )245.000,=)kosten)koper)

Vraagprijs) )245.000,=)kosten)koper) VanEgmondstraat38rood Haarlem Vraagprijs) )245.000,=)kosten)koper) GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]02395420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl DezeROYALEBOVENWONINGmetBALKONénTERRASligtineengezelligestraatindegeliefde

Nadere informatie

Gijsbrecht!van!Aemstelstraat!221!! Haarlem!

Gijsbrecht!van!Aemstelstraat!221!! Haarlem! GijsbrechtvanAemstelstraat221 Haarlem Vraagprijs 185.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]02395420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl IdealeSTARTERSWONING,gelegenineenrustigebuurtinhetpopulaireVONDELKWARTIER.Dewoning

Nadere informatie

Vraagprijs) )159.000,=)kosten)koper)

Vraagprijs) )159.000,=)kosten)koper) Charta779Vaart141 Haarlem Vraagprijs 159.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]02395420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl DitLICHTEenROYAAL49KAMERappartement(94m2ligtaandegunstigezijdevanderustige

Nadere informatie

Nieuwe!Gracht!34!+36+38!! Haarlem!

Nieuwe!Gracht!34!+36+38!! Haarlem! NieuweGracht34+36+38 Haarlem Vraagprijs 950.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]02395420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl NieuweGracht34+36+389Haarlem BentuklaarvooreenPRACHTIGEUITDAGING?DitMONUMENTALEGRACHTENPANDmetachterliggende

Nadere informatie

Morinnesteeg!12!! Haarlem!

Morinnesteeg!12!! Haarlem! Morinnesteeg12 Haarlem Vraagprijs 398.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]02395420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl DitMODERNEenin2005LUXEverbouwdewoonhuisstaatineenRUSTIG,bijnadorpsaandoendstraatje,

Nadere informatie

Projectplan. Kernregistratie Medewerkers en inowit

Projectplan. Kernregistratie Medewerkers en inowit Projectplan Kernregistratie Medewerkers en inowit Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (Josien Oosterhoff) Veiligheidsregio Haaglanden (Marieke van den Berg) NetAge AG5 28 augustus 2013 Inhoudsopgave 1 Inleiding...

Nadere informatie

Eindrapportage Asbest signaleringsonderzoek Provincie Noord-Holland

Eindrapportage Asbest signaleringsonderzoek Provincie Noord-Holland Postadres Syncera Rijnsburgstraat 9-11 1059 AT AMSTERDAM t 020-7514300 f 020-7514600 www.syncera.nl Postadres ReGister Lucasbolwerk 7 3512 EG UTRECHT t 030-2613854 f 030-2614754 www.ho-register.nl Eindrapportage

Nadere informatie

Geadresseerde. Datum 19 februari 2010 Betreft Advies uitwisselen en ontsluiten bodeminformatie. Geachte bodemcollega,

Geadresseerde. Datum 19 februari 2010 Betreft Advies uitwisselen en ontsluiten bodeminformatie. Geachte bodemcollega, > Retouradres Postbus 93144, 2509 AC Den Haag Geadresseerde NL Milieu en Leefomgeving Juliana van Stolberglaan 3 2595 CA Den Haag Postbus 93144 2509 AC Den Haag www.agentschapnl.nl Contactpersoon Jan Klein

Nadere informatie

Vragen & Antwoorden over bodemverontreiniging

Vragen & Antwoorden over bodemverontreiniging Vragen & Antwoorden over bodemverontreiniging Hieronder staan veel gestelde vragen en antwoorden over bodemverontreiniging en spoedlocaties. Het gaat om algemene vragen en vragen over de specifieke Rotterdamse

Nadere informatie

Vraagprijs) )175.000,=)kosten)koper)

Vraagprijs) )175.000,=)kosten)koper) Tempeliersstraat47zw Haarlem Vraagprijs 175.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]02395420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl Deze29kamerBENEDENWONINGmetACHTERTUINligtaaneengezelligestraat,omdehoekvanhet

Nadere informatie

S A U S R R A O E. Naar lagere lokale emissies in de stadsregio Arnhem Nijmegen

S A U S R R A O E. Naar lagere lokale emissies in de stadsregio Arnhem Nijmegen S R L G S A H R R U T Y O U A E E D R A F O R A S Naar lagere lokale emissies in de stadsregio Arnhem Nijmegen Eolus Naar lagere lokale emissies in de stadsregio Arnhem Nijmegen Het programma Eolus beantwoordt

Nadere informatie

Oranjekade!7!! Haarlem!

Oranjekade!7!! Haarlem! Oranjekade7 Haarlem Vraagprijs 600.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]+31235420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl Oranjekade7 tehaarlem DitROYALEenKLASSIEKEOBJECTligtopeenUITSTEKENDELOCATIEmetVRIJUITZICHToverdeLeidsevaart

Nadere informatie

De Ruiter Boringen en Bemalingen bv

De Ruiter Boringen en Bemalingen bv De Ruiter Boringen en Bemalingen bv Haarlemmerstraatweg 79, 1165 MK Halfweg / Postbus 14, 1160 AA Zwanenburg Telefoon (020) 407 21 00 / Fax (020) 407 21 14 Postbank 657035 / ABN AMRO bank Zwanenburg 47.24.51.839

Nadere informatie

Bodemrapportage. Industrieweg 50 te ZOETERWOUDE. Legenda. Bodemlocaties. Onderzoeksrapporten. Geselecteerd perceel

Bodemrapportage. Industrieweg 50 te ZOETERWOUDE. Legenda. Bodemlocaties. Onderzoeksrapporten. Geselecteerd perceel Bodemrapportage Industrieweg 50 te ZOETERWOUDE Legenda Bodemlocaties Onderzoeksrapporten Historisch bodembestand Kadaster Bebouwing Wegen Water Afscheiding Geselecteerd perceel 25-meter buffer Coördinaten

Nadere informatie

RAPPORT VAN BEVINDINGEN KORT ONDERZOEK SPECIAAL BASISONDERWIJS

RAPPORT VAN BEVINDINGEN KORT ONDERZOEK SPECIAAL BASISONDERWIJS Inspectie van het Onderwijs Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap RAPPORT VAN BEVINDINGEN KORT ONDERZOEK SPECIAAL BASISONDERWIJS SSBO De Prinsenhof Plaats nummer Onderzoeksnummer Datum onderzoek

Nadere informatie

Inrichting Systeem: Locaties & Toegang

Inrichting Systeem: Locaties & Toegang Inrichting Systeem: Locaties & Toegang EasySecure International B.V. +31(0)88 0000 083 Info@EasySecure.nl Support.EasySecure.nl v2.0.11 22-09-2014 In deze handleidingen worden de volgende functies binnen

Nadere informatie

Melding Wet bodembescherming

Melding Wet bodembescherming Melding Wet bodembescherming Dit formulier opsturen naar: Gemeente Heerlen Afdeling Stadsplanning t.a.v. bureau milieu en duurzaamheid 36040 Postbus 1 6400 AA Heerlen 14 045 +31(0)45 560 50 40 www.heerlen.nl

Nadere informatie

Professionalisering van de vastgoedinformatievoorziening. Startnotitie. Versie: 19 juni 2006. Albert van Tuil Reinout Schaatsbergen

Professionalisering van de vastgoedinformatievoorziening. Startnotitie. Versie: 19 juni 2006. Albert van Tuil Reinout Schaatsbergen Professionalisering van de vastgoedinformatievoorziening Startnotitie Versie: 19 juni 2006 Albert van Tuil Reinout Schaatsbergen Inleiding Zoals in een memo van 7 maart 2006 aan het MT van de gemeente

Nadere informatie

&' ( ! "" # $ %&'& +,-&!"". -456. ,,,&29.&. #8&:&% 8 *1 /10 329.&. !"#$!#%! $ "&'()' *!# +#!$ #", -)./ '.0'' 1+2, -)./ '.0'. 3334&!

&' ( !  # $ %&'& +,-&!. -456. ,,,&29.&. #8&:&% 8 *1 /10 329.&. !#$!#%! $ &'()' *!# +#!$ #, -)./ '.0'' 1+2, -)./ '.0'. 3334&! ! "#$% ! "" # $ &' ( %&'& (&&&)& ** &) +,-&!"". /0101 2"".3& &' -456. %2)$.. *7-!8 0*##,,,&29.&. &) #8&:&% 8 *1 /10 329.&.!"#$!#%! $ "&'()' *!# +#!$ #", -)./ '.0'' 1+2, -)./ '.0'. 3334&!"#4" +"" 5 # 65%74

Nadere informatie

Werkplekinrichting (aangepast aan Arbowet 1 januari 2007)

Werkplekinrichting (aangepast aan Arbowet 1 januari 2007) Interne instructie Arbeidsinspectie Werkplekinrichting (aangepast aan Arbowet 1 januari 2007) INHOUDSOPGAVE 1. INLEIDING 2. WETTELIJKE GRONDSLAG 3. INSPECTIE 3.1 Beoordeling van de werkplek 3.1.1 Zitwerkplek

Nadere informatie

Provinciale Staten van Overijssel

Provinciale Staten van Overijssel www.prv-overijssel.nl Provinciale Staten van Overijssel Postadres Provincie Overijssel Postbus 10078 8000 GB Zwolle Telefoon 038 425 25 25 Telefax 038 425 75 02 Uw kenmerk Uw brief Ons kenmerk Datum EMT/2005/1830

Nadere informatie

Vraagprijs) )235.000,=)kosten)koper)

Vraagprijs) )235.000,=)kosten)koper) Bilderdijkstraat21zw Haarlem Vraagprijs 235.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]+31235420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl DezeSFEERVOLLEBENEDENWONINGmetZONNIGEACHTERTUINenACHTEROMligtaanderandvanhet

Nadere informatie

Programma van Eisen kwaliteitshandboek Natuurbeheer

Programma van Eisen kwaliteitshandboek Natuurbeheer Programma van Eisen kwaliteitshandboek Natuurbeheer In dit Programma van Eisen geeft de subsidiegever (in dit geval de provincie) aan, aan welke eisen een beheerder moet voldoen om voor certificering in

Nadere informatie

Verkennend bodemonderzoek plangebied t Spieghel, Grontmij, maart 2004

Verkennend bodemonderzoek plangebied t Spieghel, Grontmij, maart 2004 Verkennend bodemonderzoek plangebied t Spieghel, Grontmij, maart 2004 Conclusies Door middel van het uitgevoerde bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse

Nadere informatie

OVERZICHT VAN TOETSVORMEN

OVERZICHT VAN TOETSVORMEN OVERZICHT VAN TOETSVORMEN Om tot een zekere standaardisering van de gehanteerde toetsvormen en de daarbij geldende criteria te komen, is onderstaand overzicht vastgesteld. In de afstudeerprogramma's voor

Nadere informatie

vrom000845 Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer s-gravenhage, 16 oktober 2000

vrom000845 Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer s-gravenhage, 16 oktober 2000 vrom000845 Aan de Voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer s-gravenhage, 16 oktober 2000 Naar aanleiding van mijn brief van 31 mei 2000 heeft u mij

Nadere informatie

Inhoudsopgave. PlanCare Dossier V11.7 Onderhoud arrangement, product, handeling

Inhoudsopgave. PlanCare Dossier V11.7 Onderhoud arrangement, product, handeling Inhoudsopgave Inleiding... 2 Project/Product... 3 Proces... 3 Producten definiëren... 4 Producten koppelen aan een Project... 5 Koppelen van Personeel aan Producten... 8 Producten aan mutaties koppelen...

Nadere informatie

Overheid betaalt mee aan verplichte bodemsanering

Overheid betaalt mee aan verplichte bodemsanering Overheid betaalt mee aan verplichte bodemsanering Informatieblad voor bedrijven In juni 2001 hebben overheid en bedrijfsleven afspraken gemaakt over een nieuwe regeling voor bodemsaneringen op bedrijfsterreinen.

Nadere informatie

Provincies, natuurlijk doen! Aanvulling BBL-oud-grond

Provincies, natuurlijk doen! Aanvulling BBL-oud-grond Provincies, natuurlijk doen! Aanvulling BBL-oud-grond Aanvullend advies aan het Interprovinciaal Overleg over de verdelingsvraagstukken samenhangend met de BBL-oud-grond Juni 2013 Inhoud 1 Inleiding 2

Nadere informatie

Advies - Algemeen concept_software

Advies - Algemeen concept_software Met de invoering van de WFT is het advies van met name complexe producten niet meer hetzelfde. Aan de ene kant stelt de WFT dat het noodzakelijk is dat de adviseur een klantprofiel opstelt. Maar aan de

Nadere informatie

Wilhelminapark!23!! Haarlem!

Wilhelminapark!23!! Haarlem! Wilhelminapark23 Haarlem Vraagprijs 1.195.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]+31235420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl Wilhelminapark23FHaarlem DezeKARAKTERISTIEKEVRIJSTAANDEVILLA(ca.1900)staatindestijlvolleengeliefdeKoninginnebuurten

Nadere informatie

Vraagprijs) )225.000,=)kosten)koper)

Vraagprijs) )225.000,=)kosten)koper) Olmenstraat4rd Haarlem Vraagprijs 225.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]02395420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl DezeSFEERVOLLEenruimedubbeleBOVENWONINGligtinderustigeenkindvriendelijkeBOMENBUURT.

Nadere informatie

ALL-CRM Gebruikershandleiding AC-DataCumulator

ALL-CRM Gebruikershandleiding AC-DataCumulator ALL-CRM Gebruikershandleiding AC-DataCumulator Author: Bas Dijk Date: 23-04-2013 Version: v1.2 Reference: 2013, All-CRM 1 Inhoudsopgave 1 Inhoudsopgave 2 2 Inleiding 3 3 Gebruikershandleiding Windows Forms

Nadere informatie

Rapportage workfl ow

Rapportage workfl ow Rapportage workflow Rapportage registratie workflow C.G.A.M Wessels Introductie Workflow management (WFM) staat voor de automatisering van bedrijfsprocessen en werkstromen (regels, procedures en processen)

Nadere informatie

Bodemloket LDB LDB. X X X X X X /bodeminformatie/locatie/@sikb_id

Bodemloket LDB LDB. X X X X X X /bodeminformatie/locatie/@sikb_id Algemene locatiegegevens omschrijving volgens protocol Niet- pad in ML volgens protocol /bodeminformatie/locatie/@ locatiecode_bevoegd_gezag Unieke locatiecode afgegeven door bevoegd gezag ((2 letters)

Nadere informatie

Aanvraagformulier subsidieverlening Behorend bij hoofdstuk 3, paragraaf 2 van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering.

Aanvraagformulier subsidieverlening Behorend bij hoofdstuk 3, paragraaf 2 van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering. Aanvraagformulier subsidieverlening Behorend bij hoofdstuk 3, paragraaf 2 van het Besluit financiële bepalingen bodemsanering. U kunt dit formulier geheel ingevuld en ondertekend inleveren bij het bevoegd

Nadere informatie

Oplossingsvrij specificeren

Oplossingsvrij specificeren Oplossingsvrij specificeren ir. J.P. Eelants, projectmanager Infrabouwproces CROW Samenvatting De methodiek van oplossingsvrij specificeren richt zich niet alleen op het formuleren van functionele eisen.

Nadere informatie

MONITOR CAPACITEIT KINDEROPVANG 2008-2011 Capaciteitsgegevens in het jaar 2008

MONITOR CAPACITEIT KINDEROPVANG 2008-2011 Capaciteitsgegevens in het jaar 2008 MONITOR CAPACITEIT KINDEROPVANG 2008-2011 Capaciteitsgegevens in het jaar 2008 dr. M.C. Paulussen-Hoogeboom dr. M. Gemmeke Amsterdam, 11 februari 2009 Regioplan publicatienr. Regioplan Beleidsonderzoek

Nadere informatie

Locatie van banen, opleiding van niet werkend werkzoekenden, in- en uitstroom van uitkeringen

Locatie van banen, opleiding van niet werkend werkzoekenden, in- en uitstroom van uitkeringen Locatie van banen, opleiding van niet werkend werkzoekenden, in- en uitstroom van uitkeringen Gemeente Enschede 2002-2006 Centrum voor Beleidsstatistiek Frank van der Linden, Mariëtte Goedhuys-van der

Nadere informatie

Samenvatting projectplan Versterking bevolkingszorg

Samenvatting projectplan Versterking bevolkingszorg Aanleiding en projectdoelstellingen Aanleiding In 2011 werd door de (toenmalige) portefeuillehouder Bevolkingszorg in het DB Veiligheidsberaad geconstateerd dat de nog te vrijblijvend door de gemeenten

Nadere informatie

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Directie Gezond en Veilig Werken t.a.v. mevrouw Simone Wiers Postbus 90801 2509 LV DEN HAAG

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Directie Gezond en Veilig Werken t.a.v. mevrouw Simone Wiers Postbus 90801 2509 LV DEN HAAG Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Directie Gezond en Veilig Werken t.a.v. mevrouw Simone Wiers Postbus 90801 2509 LV DEN HAAG Meteren, 11 maart 2015 Rijksstraatweg 69 4194 SK METEREN Postbus

Nadere informatie

ONTWIKKEL EEN GEZAMENLIJKE VISIE OP HET DUURZAAM BODEMGEBRUIK. Bijeenkomst XXX dag-maand-jaar, Locatie

ONTWIKKEL EEN GEZAMENLIJKE VISIE OP HET DUURZAAM BODEMGEBRUIK. Bijeenkomst XXX dag-maand-jaar, Locatie ONTWIKKEL EEN GEZAMENLIJKE VISIE OP HET DUURZAAM BODEMGEBRUIK Bijeenkomst XXX dag-maand-jaar, Locatie OPZET VAN DE PRESENTATIE Bodemvisie Waarom? Doel Middel Ingrediënten SPRONG Wie, wat, waarom? Het proces

Nadere informatie

Bodemsanering, provincie Drenthe in landelijk perspectief (werkvoorraad, dekking personele kosten, kwaliteit van de handhaving)

Bodemsanering, provincie Drenthe in landelijk perspectief (werkvoorraad, dekking personele kosten, kwaliteit van de handhaving) 2005-214 Bodemsanering, provincie Drenthe in landelijk perspectief (werkvoorraad, dekking personele kosten, kwaliteit van de handhaving) Voorgestelde behandeling: - Statencommissie Omgevingsbeleid op 21

Nadere informatie

22 september 2011. Landmark Planscan. Verbindingsweg 4, 9566PM, VEELERVEEN Referentienummer: Adres: Powered by. 1161063433 Datum: 22 september 2011

22 september 2011. Landmark Planscan. Verbindingsweg 4, 9566PM, VEELERVEEN Referentienummer: Adres: Powered by. 1161063433 Datum: 22 september 2011 22 september 2011 Landmark Planscan Adres: Verbindingsweg 4, 9566PM, VEELERVEEN Referentienummer: 1161063433 Datum: 22 september 2011 Powered by I N H O U D Verbindingsweg 4 9566PM VEELERVEEN Inhoud Leeswijzer

Nadere informatie

Documentatierapport diploma s Voortgezet Algemeen Volwassenen Onderwijs (VAVO) voorlopig 2006-2007V1

Documentatierapport diploma s Voortgezet Algemeen Volwassenen Onderwijs (VAVO) voorlopig 2006-2007V1 Centraal Bureau voor de Statistiek Centrum voor Beleidsstatistiek Documentatierapport diploma s Voortgezet Algemeen Volwassenen Onderwijs (VAVO) voorlopig 2006-2007V1 VIDIV-nummer: 2008-240-mcb Datum:

Nadere informatie

Bijlage 3. Bodemonderzoek

Bijlage 3. Bodemonderzoek Bijlage 3 Bodemonderzoek Notitie Contactpersoon Hette David Verhave Datum 26 november 2012 Kenmerk N001-4821748HVR-ege-V03-NL Inventarisatie bodemonderzoek Oostland Lansingerland In het kader van de m.e.r.

Nadere informatie

Voorstel contactmoment

Voorstel contactmoment Voorstel contactmoment Welbergweg 80-84 Postbus 768 7550 AT Hengelo Tel: 074 259 40 08 Fax: 074 256 64 24 Door: N. Bruins 2-2- 2011 Versiebeheer Versie Status Datum Auteur Reden wijziging 0.1 Concept 20-01-

Nadere informatie

Van!Oldenbarneveltlaan!3!! Haarlem!

Van!Oldenbarneveltlaan!3!! Haarlem! VanOldenbarneveltlaan3 Haarlem Vraagprijs 795.000,=kostenkoper GedempteOudeGracht124 Haarlem [T]02395420244 www.mooijekindvleut.nl info@mooijekindvleut.nl DezeHALFVRIJSTAANDEVILLAmetfraaiestijlelementenenzeerveeloogvoordetailstaatopeenvande

Nadere informatie

BOLB - Bankafschrift import

BOLB - Bankafschrift import BOLB - Bankafschrift import Inhoud Algemeen Getoonde gegevens beperken Ophalen van bankafschriften Financiële rekening toekennen Tonen van de rekeninginformatie in Jack Bewerken van de regels in het bankafschrift

Nadere informatie

Publiceren Publiceren betekent dat u informatie over de vergunningen op uw eigen website openbaar maakt.

Publiceren Publiceren betekent dat u informatie over de vergunningen op uw eigen website openbaar maakt. Inleiding Het project Vergunningen op Internet van ICTU biedt een standaard voor het publiceren en uitwisselen van vergunningeninformatie. Deze standaard heet het Internet Publicatie Model (IPM). Het IPM

Nadere informatie

Gebiedsinventarisatie Noordeindseweg/ Noordersingel. Berkel en Rodenrijs (Lansingerland)

Gebiedsinventarisatie Noordeindseweg/ Noordersingel. Berkel en Rodenrijs (Lansingerland) Gebiedsinventarisatie Noordeindseweg/ Noordersingel Berkel en Rodenrijs (Lansingerland) Gebiedsinventarisatie Noordeindseweg/ Noordersingel Berkel en Rodenrijs (Lansingerland) Kwaliteitstoets Paraaf Autorisatie

Nadere informatie

4orange Connect. 4orange, 2015. Hogehilweg 24 1101 CD Amsterdam Zuidoost www.4orange.nl

4orange Connect. 4orange, 2015. Hogehilweg 24 1101 CD Amsterdam Zuidoost www.4orange.nl 4orange Connect 4orange, 2015 Hogehilweg 24 1101 CD Amsterdam Zuidoost www.4orange.nl 2 Inhoud Inhoud... 2 1. Achtergrond... 3 2) Browsen... 4 3) Scheduler... 4 4) Frequenties en kruistabellen... 4 5)

Nadere informatie

Registratie discriminatieklachten 2011

Registratie discriminatieklachten 2011 Centraal Bureau voor de Statistiek- Registratie discriminatieklachten 2011 Methode en uitkomsten Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen, augustus 2012. Inhoud 1 INLEIDING... 2 2 METHODE...

Nadere informatie

GGD ondersteuning asbest in scholen deel twee

GGD ondersteuning asbest in scholen deel twee GGD ondersteuning asbest in scholen deel twee Inzicht stand van zaken asbestinventarisaties scholen Auteur(s) GGD Amsterdam Fred Woudenberg GGD Amsterdam Inhoud 1 Inleiding 3 1.1 Eerste deel project 3

Nadere informatie

Raadsvergadering, 2 februari 2010. Voorstel aan de Raad. Onderwerp: Economisch Actie Programma

Raadsvergadering, 2 februari 2010. Voorstel aan de Raad. Onderwerp: Economisch Actie Programma Raadsvergadering, 2 februari 2010 Voorstel aan de Raad Onderwerp: Economisch Actie Programma Nr.: 369 Agendapunt: Voorbespreking & 15 Datum: 19 januari 2010 Onderdeel raadsprogramma: Portefeuillehouder:

Nadere informatie

Methoden voor het bepalen van mogelijke schade Aan mensen en goederen door het vrijkomen van gevaarlijke stoffen

Methoden voor het bepalen van mogelijke schade Aan mensen en goederen door het vrijkomen van gevaarlijke stoffen Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 1 Methoden voor het bepalen van mogelijke schade Aan mensen en goederen door het vrijkomen van gevaarlijke stoffen Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 1 Methoden voor

Nadere informatie

Nieuw in versie 3. 2005 P&A Group

Nieuw in versie 3. 2005 P&A Group Nieuw in versie 3 I Nieuw in versie 3 Inhoudsopgave Hoofdstuk 1 Nieuw in Versie 3 1 1.1 Algemeen... 1 Nieuwe... opzet 1 Beveiliging... 1 Systeem... opties 2 Scherm... openen 2 1.2 Het pakket... 4 Aangehechte...

Nadere informatie

Kenmerken van wanbetalers zorgverzekeringswet

Kenmerken van wanbetalers zorgverzekeringswet Publicatiedatum CBS-website: 16 juli 2007 Kenmerken van wanbetalers zorgverzekeringswet Centraal Bureau voor de Statistiek Samenvatting Op 1 januari 2006 is de nieuwe Zorgverzekeringswet inwerking getreden,

Nadere informatie

PlanCare Dossier V11.11 Tijdverantwoording. Inhoudsopgave

PlanCare Dossier V11.11 Tijdverantwoording. Inhoudsopgave Inhoudsopgave Inleiding... 2... 3 Leesmodus... 3 Schrijfmodus... 4 Verantwoording... 5 Wijzigen van een verantwoording... 8 Bevriezen en vrijgeven... 8 PlanCare Dossier V11.11 - Pagina 1 van 8 Inleiding

Nadere informatie

Goede gegevensvastlegging voor een betrouwbare HSMR

Goede gegevensvastlegging voor een betrouwbare HSMR Goede gegevensvastlegging voor een betrouwbare HSMR Een betrouwbare HSMR berekening is alleen mogelijk als ziekenhuizen volgens dezelfde regels, dus op uniforme wijze hun opnamen in de LMR (en diens opvolger

Nadere informatie

AFO 241 - Leveranciers

AFO 241 - Leveranciers AFO 241 - Leveranciers 241.1 Inleiding[//] Het systeem hanteert een authority bestand voor leveranciers waarin alle leveranciers opgenomen worden. Bij het invoeren van een bestelling wordt een leverancier

Nadere informatie