90ste vergadering Donderdag 6 september 1990

Maat: px
Weergave met pagina beginnen:

Download "90ste vergadering Donderdag 6 september 1990"

Transcriptie

1 90ste vergadering onderdag Aanvang uur Voorzitter: Van is Tegenwoordig zijn 83 leden, te weten: Achttienribbe-Buijs, Beijlen-Geerts, Beinema, J.H. van den Berg, J.T. van den Berg, Biesheuvel, Blaauw, Blauw, V.A.M. van der Burg, Buurmeijer, Castricum, e Cloe, ijkstal, Van is, oelman-pel, Van Erp, Franssen, Van Gelder, Ginjaar Maas, Gualthérie van Weezel, Haas-Berger, Van der Heijden, Hillen, Huibers, Huys, Janmaat, A. de Jong, G. de Jong, M..Th.M. de Jong, Kamp, Kersten, e Kok, Koning, e Korte, Laning-Boersema, Lankhorst, Lansink, Leerling, Leers, Leijnse, Lilipaly, Melkert, Middel, Van Middelkoop, Moor, Mulder-van am, Netelenbos, Niessen, Nijland, Van Noord, Nuis, Paulis, Reitsma, Van Rijn-Vellekoop, Roosen-van Pelt, Van Rooy, Rosenmöller, Ruigrok-Verreijt, Scheltema-de Nie, Schoots, Smits, Soutendijk-van Appeldoorn, Spieker, Stoffelen, Swildens-Rozendaal, Tegelaar-Boonacker, G.H. Terpstra, Tommel, Tuinstra, Van der Vaart, Valk, Ter Veer, Versnel-Schmitz, e Visser, Vliegenthart, Voorhoeve, Vriens-Auerbach, Wiebenga, Willems, Witteveen-Hevinga, Wolters, Ybema en Van Zijl, en de heer Kok, vice-minister-presi dent, minister van Financiën, en mevrouw e Graaff-Nauta, staatsse cretaris van Binnenlandse Zaken. e voorzitter: Ik deel aan de Kamer mede, dat zijn ingekomen berichten van verhindering van de leden: Schutte, wegens heugelijke familie omstandigheden; Eversdijk, Feenstra en Van Gijzel, wegens verblijf buitenslands; Melkert, wegens verblijf buitens lands, voor de middagvergadering; Groenman en Schimmel, wegens bezigheden elders; Van der Vlies, wegens het bijwonen van een begrafenis. eze berichten worden voor kennisgeving aangenomen. Aan de orde is de behandeling van: - het wetsvoorstel Regeling provincie en gemeentegrenzen langs de Noordzeekust van de gemeente en Helder tot en met de gemeente Sluis en wijziging van de Financiële-Verhoudings wet 1984 (21019) e algemene beraadslaging wordt geopend. Mevrouw Tegelaar-Boonacker (CA): Mijnheer de voorzitter! e schriftelijke voorbereiding van het wetsvoorstel Regeling provincie en gemeentegrenzen langs de Noord zeekust is zeer uitvoerig geweest. e staatssecretaris heeft in de nota naar aanleiding van het eindverslag veel aandacht besteed aan hetgeen door ons is aangedragen. aarom kunnen wij hier volstaan met een korte beschouwing. Er zijn wat het CA betreft slechts twee punten overgebleven die nu in de plenaire behandeling tot een oplossing moeten worden gebracht. Het gaat daarbij om de zeewaartse begrenzing van de gemeente Goedereede en die van de gemeente Rotterdam. Wat het eerste punt betreft is de CA-fractie thans wel overtuigd door de argumenten van de staatssecretaris. Wij waren het er al over eens dat alle zandbanken die bij laag water te voet bereikbaar zijn, provinciaal en gemeentelijk moeten zijn ingedeeld. Uit de nota van Rjjkswaterstaat blijkt nu dat de geul naar de zandbanken die bekend staan als de Bollen van de Ooster, onder normale omstandigheden niet doorwaadbaar is. Wij betreuren het dat door de gemeente Rotterdam en door de provincie Zuid-Holland een tegenovergestelde mening zo stellig aan ons werd gemeld bij brief van 27 maart Wij gaan echter uit van de recente nota van de ienst getijdewateren. aarom acht mijn fractie het juist dat deze banken in het ter tafel liggende wetsvoorstel niet bij de gemeente Goedereede worden mgedeeld. Wel verzoekt mijn fractie de regering, de bestuurlijke indeling van de Bollen van de Ooster te bevorderen wanneer de Bollen door verzanding van de geul tussen de Bollen en het vasteland bij laag water te voet bereikbaar worden. Kan de staatssecretaris dit toezeggen? Het verzoek van B en W van Goede reede om de vaargeul in zijn geheel bij die gemeente in te delen heeft onze instemming en is inmiddels overge nomen door de staatssecretaris. Wat het tweede punt betreft, de gemeente Rotterdam, kan de CA-fractie het standpunt van de regering niet geheel delen. e in het wetsvoorstel beoogde westelijke begrenzing van de gemeente Rotterdam biedt weliswaar nog voldoende ruimte voor uitbreiding van de Maasvlakte, zoals op de kaart bij deel van het tweede structuur schema Verkeer en vervoer is ingetekend, maar de tekst van de planologische kernbeslissing, waarin Grenzen Noordzeekust TK

2 Tegelaar-Boonacker gesproken wordt van 500 ha bruto of meer, maakt de honorering van een wat verdergaande ruimtelijke claim van Rotterdam en de provincie Zuid-Holland niet bij voorbaat onmogelijk. Nu is het hier natuurlijk niet de plaats en de tijd om over de ruimtelijke reservering voor een eventuele tweede Maasvlakte te praten. at zal gebeuren bij de behandeling van het tweede SW, waarin het tweede structuurschema Zeehavens is opgenomen. Maar aan de andere kant mag men zich ook niet bij die behandeling gehinderd voelen door een wat te eng getrok ken zeewaartse gemeentelijke begrenzing van Rotterdam. Mijn fractie is van mening dat, om dit te voorkomen, het door Rotterdam en de provincie Zuid-Holland voorgestel de alternatief ter hoogte van de Maasvlakte enige voorkeur verdient boven de in het wetsvoorstel getrokken grens. Mijn fractie wil deze alternatieve begrenzing echter beperken tot de gemeentegrens van Rotterdam, waarbij de zuidelijke kant haaks wordt getrokken op de westgrens tot de gemeentegrens van Westvoorne, zoals die in het wetsvoorstel is aangegeven. Op die manier wordt geen extra wateropper vlakte toegedeeld aan Westvoorne en Goedereede, waardoor ook de kosten voor het Rijk worden beperkt. Een hiertoe strekkend amendement is ingediend, mede namens mevrouw Van Rijn, de woordvoerster van de fractie van de PvdA. Om enigszins illustratief aan te geven waar het om gaat, is aan de achterzijde van het rondgedeelde blad waarop het amendement is afgedrukt, een kaartje opgenomen waarop de door ons beoogde verruiming van het gebied bij Rotterdam gearceerd is weergege ven. it kaartje maakt echter geen deel uit van het amendement, evenmin als de laatste zin van de toelichting, omdat het hier een globale intekening betreft. Wat de overige gemeenten aangaat steunen wij het wetsvoorstel en spreken wij onze tevredenheid uit over de uiteindelijke totstandkoming van een wetttelijke regeling voor de zeewaartse begrenzing van alle Nederlandse kustgemeenten. Inwerkingtreding per 1 januari 1991 zal de afronding zijn van een overleg met betrokken gemeenten en provincies dat ruim tien jaar heeft geduurd, nadat het eerste ICONA-ad vies ter zake werd uitgebracht. Mijnheer de voorzitter! Als ik het openhartige interview met mevrouw e Graaff-Nauta in NRC Handelsblad van afgeiopen zaterdag goed heb gelezen, breekt er nu weer een van de mooiere momenten aan in het leven van de staatssecretaris, omdat een wetsvoorstel is afgerond en hopelijk binnen niet al te lange tijd in het Staatsblad zal komen. e CA-fractie heeft hier met genoegen aan willen meewerken. Mevrouw Van Rijn-Vellekoop (PvdA): Mijnheer de voorzitter! Ik sluit mij aan bij de woorden van mevrouw Tegelaar betreffende de opmerking van de staatssecretaris in haar interview, dat dit soort wetsont werpen lang duren. Ik vraag mij af waarom het zo vreselijk lang moet duren - meer dan tien jaar - voordat een simpel wetsontwerp waarover nauwelijks politieke discussie is, in de Staatscourant kan komen. it is geen verwijt aan deze staatssecretaris. Allerlei invloeden hebben hier een rol gespeeld. Wij zijn al in 1979 of nog eerder aan dit wetsontwerp begonnen. Ik herinner mij uit een "vorig leven" dat wij de discussie over de Slufter-locatie voerden, waarbij Rotterdam en Westvoorne nadrukkelijk stelden: eerst de locatie, dan pas de herinde ling van de gemeente. e voorwaar de voor Westvoorne was dat de demarcatielijn bij de gemeentelijke herindeling gehandhaafd bleef, omdat men anders grote bezwaren tegen de slufterlocatie zou hebben. ergelijke zeer belangrijke ontwikke lingen in het Zeehavengebied maken dat een wetsontwerp blijft liggen. Aan de andere kant vind ik het onjuist dat er niet eerst een bestuur lijke herindeling plaatsvindt en daarna pas een invulling van de locaties, zoals deze nu heeft plaatsgevonden. Misschien is dit een beetje achteraf kijken, maar wij vinden een bestuurlijke verantwoor delijkheid noodzakelijk voor gebieden die aan de Noordzeekant liggen. Wij behoeven dan ook geen discussies te voeren over wie het bevoegd gezag is bij een dergelijke grote milieuhy giënische ingreep, etcetera. e discussies die naderhand gevoerd werden, maakten dat alles wat moeizaam verliep. Toen het wetsontwerp eenmaal bij de Kamer lag, bleek dat de cijfers niet klopten, ondanks alle tijd die eraan besteed was. at was enigszins slordig. Verder was er de discussie of de geulen al dan niet doorwaadbaar waren. Ik had als eenvoudig kamerlid niet de neiging om lieslaarzen aan te trekken en het zelf te gaan proberen. Maar het moet niet mogelijk zijn dat dergelijke discussies op het laatste nippertje worden ingebracht. Ik heb het allemaal aangehoord en mij afgevraagd: kun je er wel of kun je er niet doorheen? it is zeer relevant bij de bestuurlijke indeling. eze kwestie is op het laatste nippertje opgelost. Er is een nieuw rapport verschenen. at dit in een zo laat stadium moest gebeuren, verdient niet de schoon heidsprijs. Het overleg tussen Zuid-Holland, Rotterdam en het ministerie daaromtrent had best wat eerder kunnen plaatsvinden. Ik verwijt dit echter niet de staatssecre taris, maar constateer slechts dat het allemaal niet even netjes is gegaan. Er ligt nu een wetsvoorstel waarin alle gemeenten zijn ingedeeld, van en Helder tot Sluis. Noord-Holland levert voor onze fractie geen knelpunten op. Wat Zeeland betreft heeft een discussie over de Bollen plaatsgevonden. Ik vind het verstan dig dat Zuid Holland uiteindelijk heeft geschreven: laat nu maar, want er ligt een rapport. aar werd echter aan toegevoegd dat je er eventueel nog doorheen kunt als het laagwater is, maar aan dat soort discussies wil ik niet meedoen. Als echter aanslib bing plaatsvindt - dat is in dat gebied nogal gebruikehjk en de bereikbaarheid inderdaad heel goed is, dan verzoek ik de staatssecretaris niet tien jaar te wachten, maar zo snel mogelijk bestuurlijk in te delen. Problemen van openbare orde hoeven dan geen punt van discussie meer te zijn. e vraag die rest, is of eventueel nog iets gedaan moet worden aan de bereikbaarheid ten opzichte van Goeree. Ik kom nu op Rotterdam. Vanaf het begin heeft deze gemeente gezegd dat zij bestuurlijke ruimte nodig heeft om een eventuele uitbreiding van de Maasvlakte op eenvoudige wijze te realiseren. Mijn fractie heeft daar begrip voor en wij steunen dan ook het door Rotterdam ingediende amendement ter zake. Ons is gebleken dat tegen een zo ruime interpretatie van de ruimte voor Rotterdam waarbij Westvoorne en Goedereede ook nog ruimte zouden krijgen nogal wat bezwaren werden gemaakt door de staatsse cretaris. Bovendien was er misschien Grenzen Noordzeekust TK

3 Van Rijn-Vellekoop geen meerderheid voor in deze Kamer. aarom hebben wij, met mevrouw Tegelaar, een beperkter amendement ingediend waarmee Rotterdam de nodige ruimte krijgt om, als dat nodig zou zijn, bestuurlij ke verantwoordelijkheid te nemen voor een uitbreiding van de Maas vlakte. at dit in de toekomst nodig kan zijn, mag blijken uit de recent gegeven prognoses van het havenbe drijf. Aangezien wij allemaal zeggen dat de grote steden kansen moeten krijgen en de motor van de economie ook de ruimte moet hebben, moeten nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn. Ik zeg echter nadrukkelijk dat wij slechts de bestuurlijke randvoorwaar den geven. Een uitgebreide discussie over de vraag of de uitbreiding van de Maasvlakte nodig is, moet hiermee niet impliciet plaatsgevon den hebben. ie moet plaatsvinden bij de behandeling van het structuur schema Zeehavens in het SW. Bovendien moet er natuurlijk een heel goede MER-procedure komen en moeten de milieuhygiënische en waterstaatkundige kanten bekeken worden, maar niet de bestuurlijke kant, want die moet dan klaar zijn. Vandaar ons beperkte amendement. e financiële consequenties zijn ook beperkt en daar zijn nauwelijks problemen mee te verwachten. Mijn fractie is van mening dat dit voor Rotterdam de goede oplossmg kan zijn. Alle kustgemeenten zijn met dit wetsvoorstel ingedeeld. Er is een taak volbracht en naar onze mening is het een goede zaak dat er bestuur lijke duidelijkheid zal bestaan over wie verantwoordelijk is voor de gebieden die net buiten de laagwa tergrens liggen. Oe heer Van den Berg (SGP): Mijnheer de voorzitter! Met dit wetsvoorstel wordt de provinciale en gemeentelijke indeling van de Noordzee afgerond. e fractie van de SGP acht dit een goede zaak. Voor een goede bestuurlijke organisatie achten wij deze regeling onontbeer lijk. e hantering van de ICONA-norm heeft geleid tot een redelijk duidelijk beeld. Ook de desbetreffende provincies hebben, zij het soms node, daarmee ingestemd. Van de reste rende onduidelijkheden en knelpun ten is er een aantal naar aanleiding van de discussies in het voorlopig verslag en het eindverslag inmiddels wat ons betreft naar tevredenheid opgelost Ik noem in het bijzonder de door mijn fractie bepleite aanpassing van de indeling tussen Goedereede en Westvoorne, met het oog op het Slijkgat. Wij spreken graag onze waardering uit aan het adres van de staatssecretaris voor het overnemen van dit voorstel. Over de bereikbaarheid van het bankengebied voor de kust van Goeree-Overflakkee zijn al vele woorden gesproken en geschreven. Wij waarderen het dat de staatsse cretaris deze discussie, die toch veel weg leek te krijgen van touwtrekken, op een zeer effectieve wijze heeft beëindigd, namelijk door middel van een rapport van Rijkswaterstaat. Misschien was het een wat omslach tige methode maar in elk geval is nu iedereen overtuigd. at blijkt ook uit de brief van GS van Zuid-Holland en B en W van Rotterdam van 15 augustus. Overigens heb ik niet getracht, persoonlijk ter plaatse dit probleem nader te onderzoeken; dat ieek mij toch wat riskant. Wèl heb ik in Goedereede nagegaan hoe men daar over deze problematiek dacht nog voor het rapport van Rijkswater staat verscheen. Toen bleek al dat niemand daar van eventuele door waadbaarheid van het desbetreffen de gebied op de hoogte was. lemand drukte het als volgt uit: het is doorwaadbaar als je onder water door kunt lopen. at lijkt mij niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Problematisch is het grensbeloop bij de Slufter en de Maasvlakte. GS van Zuid-Holland en B en W van Rotterdam hebben op dit punt een ruimer grensbeloop bepleit dan in het wetsvoorstel wordt gedaan. Er zijn indertijd wat dit betreft twee concrete varianten ter tafel gebracht, A en B, waarmee aan de wensen van de genoemde instanties tegemoet kon worden gekomen. Inmiddels hebben zij, door middel van de genoemde brief van 15 augustus, terecht variant B laten vallen omdat men daarbij uitging van de aanvanke lijk omstreden doorwaadbaarheid bij Goeree. Blijft over variant A, die nog altijd een veel ruimer grensbeloop bij de Maasvlakte beoogt dan het wetsvoorstel. In de nota naar aanleiding van het eindverslag wijst de staatssecretaris deze uitbreiding met een aantal duidelijke argumenten af. GS van Zuid-Holland en B en W van Rotter dam stellen echter in hun brief van 15 augustus dat het structuurschema ruimere marges aangeeft dan in de nota naar aanleiding van het eindverslag wordt gesuggereerd. Zij gaan voorts nader in op de voorne mens met betrekking tot de ontwik keling van een tweede Maasvlakte In de op 9 augustus gepubliceerde nieuwe goederenstroomprognose van het Rotterdamse havenbedrijf wordt bovendien gesproken over forse ontwikkelingen met een ruimtebeslag van circa 1200 ha netto ofwel 2000 tot 2500 ha bruto. aarmee is er sprake van een aanzienlijke overschrijding van het in het structuurschema genoemde aantal. Naar aanleiding van deze gegevens nodigt onze fractie de staatssecretaris uit om de in het wetsvoorstel neergelegde keuze opnieuw van argumenten te voorzien. Indien er sprake is van concrete, thans aanwijsbare ontwikkelingen zou daarvoor naar ons oordeel ook thans bestuurlijk ruimte moeten worden geschapen. Financiële argumenten, dan wel het argument dat grensaanpassing te zijner tijd vrij snel zou kunnen worden gerealiseerd via een AMvB, mogen er wat ons betreft niet zonder meer toe leiden dat de grenzen nu te krap worden vastgesteld. Er is te meer reden om de staatssecretaris uit te nodigen om op deze problematiek nader in te gaan, gelet op het amendement nr. 12 van mevrouw Van Rijn en mevrouw Tegelaar. Zoals uit mijn opmerkingen blijkt, staan wij niet onsympathiek tegenover dit amende ment maar wij wachten graag de reactie van de staatssecretaris af voor wij hierover ons definitief oordeel geven. Met de tweede nota van wijziging is het probleem van de doorsnijding van het Slijkgat opgelost. Het gaat om de vaargeul naar Stellendam die in het oorspronkelijke voorstel grotendeels bij Goedereede was ingedeeld maar ook voor een gedeelte binnen de grenzen van Westvoorne viel. Terecht is nu ook hier het uitgangspunt gevolgd dat doorsnijdingen van vaarwegen zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. at dit "foutje" zo laat is ontdekt, komt wellicht doordat het Slijkgat niet zo duidelijk op de desbetreffende kaarten was afgebeeld. Het herstel hiervan leverde echter weinig problemen op omdat een soort uitruil van vergelijkbare stukken water kon plaatsvinden. Hierdoor komt de vaargeul nu geheel binnen de Grenzen Noordzeekust TK

4 Van den Berg grenzen van Goedereede te liggen en wordt er geen schade gedaan aan het uitgangspunt van een zo duidelijk mogelijk grensbeloop. Ik meen dat iedereen met deze wijziging kan instemmen, zodat dit een uiterst acceptabel oplossing oplevert. Op onze suggestie om de begren zing, gelet op de noordwaartse beweging die er in het Slijkgat zou zijn, nog wat verder naar het noorden aan te passen, heeft de staatssecre taris geantwoord dat dit niet nodig is omdat de bedoelde beweging slechts gering is en het oostelijke gedeelte van de vaargeul zich gedurende de laatste jaren juist in zuidelijke richting verplaatst. Ik ben graag bereid, dit aan te nemen maar mochten in de toekomst noordwaartse bewegingen toch sterker blijken te zijn, dan lijkt het mij juist dat de begrenzing alsnog wordt aangepast omdat anders de vaargeul in de lengterichting toch weer zou worden doorsneden door gemeentegrenzen. Ikverzoekde staatssecretaris, hierop attent te zijn. Mijnheer de voorzitter! Ik zal niet verder ingaan op andere elementen van het wetsvoorstel die al genoeg zaam zijn uitgediscussieerd, zoals de indeling van Neeltje Jans bij Veere. Wij hadden daar aanvankelijk wat vragen over, maar de argumentatie van de regering op dit punt heeft ons overtuigd, met name het argument dat er een veel bredere bestuurhjke afweging zou moeten piaatsvinden wil je in dit kader en op dit moment iets aan die grenzen veranderen. at heeft ons wel overtuigd, alhoewel de staatssecretaris heeft dat ook toegegeven als je op de kaart kijkt, het grensbeloop toch niet zo voor de hand liggend is. Ik vraag nog even de aandacht voor de ontwikkelingen rond de zogenaamde voordelta, waarover ook in de stukken het een en ander is gesteld. Het gaat om banken en bankvorming waar geen sprake is van doorwaadbaarheid. Volgens de huidige normen behoeven die niet gemeentelijk te worden ingedeeld. Toch zou daar wel eens sprake kunnen zijn van ontwikkelingen die uit een oogpunt van natuurbescher ming en natuurbehoud bestuurlijk ingrijpen noodzakelijk kunnen maken. Wij horen nu al eens klachten over rustverstoring door recreanten met bootjes en zelfs met surfplanken. Het lijkt mij goed om die ontwikkelingen kritisch te volgen. Op zich sluiten wij niet uit dat voor zulke gebieden, gezien de in het geding zijnde natuurwaarden, op een gegeven moment een gemeentelijke indeling wenselijk is. Een bestemmingsplan zou een instrument kunnen zijn tegen ongewenste ontwikkelingen. Wij verzoeken de regering op dit punt de ontwikkelingen attent en nauwlettend te volgen. Ik wil de staatssecretaris nog een verduidelijking vragen. In de schrifte lijke voorbereidmg is ook onzerzijds de afstemming van bevoegdheden ter sprake gebracht, bijvoorbeeld in het kader van de rampenbestrijding op zee. at punt blijft veel aandacht verdienen Een schip kan bij een ramp binnen bepaalde gemeente grenzen zijn en ook gemeentegren zen overschrijden. Het moet dan wel duidelijk zijn wie waartoe bevoegd is en wat de kustwacht in zo'n geval kan en mag doen. Wellicht kan de staatssecretaris hieraan nog een korte uiteenzetting wijden, met name in het licht van de coördinatie tussen de verschillende overheden, Rijkswa terstaat en de kustwacht, ook met het oog op de bestrijding van kustverontreiniging tengevolge van bijvoorbeeld olielozingen. In ieder geval daarom hebben wij dit punt een en andermaal naar voren gebracht is juist in het kader van het voorkomen en het bestrijden van rampen een volstrekte helderheid en duidelijkheid over bevelsverantwoor delijkheden en de bevoegdheidsver deling essentieel. aarom bevelen wij dit punt nog eens in de aandacht aan. e heer Koning (VV): Mijnheer de voorzitter! In het vanmorgen reeds meer aangehaalde interview van de staatssecretaris met NRC Handels blad heeft zij onder meer opgemerkt dat zij liever met de PvdA regeert dan met de VV. Ik herinner mij een dergelijke opmerking van een latere minister-president, de heer Van Agt, uit het jaar Ik wil de staatsse cretaris erop wijzen dat hij zijn bekomst heeft gekregen van het regeren met de PvdA. Ik wacht dus maar af wat er met de staatssecreta ris in dezen gebeurt. Ik wil alleen maar zeggen dat zij over het algemeen gesproken wat betreft het beleid inzake de gemeentehjke herindeling, indeling of regeling meer steun voor haar beleid heeft gehad van de zijde van de PvdA en de VV te zamen dan van haar eigen geestverwanten. Mijnheer de voorzitter! Het beleid van de staatssecretaris op het terrein van de gemeentelijke indeling, herindeling en regeling heeft in het algemeen gesproken de steun en de sympathie van mijn fractie. Zij weet zich daarvan overtuigd, ook voor de toekomst. Het wetsontwerp zoals het er nu ligt, heeft in het algemeen gesproken de instemming van de VV-fractie. Nu weet de staatssecretaris evenzeer dat er geen gevoeliger aard van wetsontwerpen is voor amendering vatbaar dan gemeentelijke indeling, herindeling en regeling. Ook daaraan ontkornt dit wetsontwerp niet. In de toekomst - ik zeg dat de staatsse cretaris graag toe - zal ik mij bij amendering prudent proberen op te stellen, al is de verleiding voor een kamerlid groot om dit soort wetsont werpen, die in algemene zin vaak technisch en niet politiekvan aard zijn men kan natuurlijk over de totale aard van de gemeentelijke herindeling spreken - te amenderen. Zoals ik al zei, ben ik het eens met het wetsontwerp, al wil ik bij twee punten nog kanttekeningen plaatsen, te weten de gemeentelijke herinde ling van Neeltje Jans en de situatie bij Rotterdam. Eerst Neeltje Jans. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp komt tot uitdrukking dat de regering heeft geworsteld met de vraag wat er met Neeltje Jans zou moeten gebeuren. In de nota naar aanleiding van het eindverslag schrijft de regering echter dat dit wetsontwerp niet de juiste plaats is om daarover te spreken. aar zit natuurlijk een zekere tegenstrijdigheid in, want eerst heeft zij zich wel diepgaand op dit onderwerp beraden om vervol gens te concluderen dat dat niet past. Ik wil de staatssecretaris op dit punt echter volgen, al vraag ik haar wel, de gemeentelijke indeling van Neeltje Jans nog eens te bezien. Uit eigen ervaring in de afgelopen jaren weet ik dat het provinciaal bestuur van Zeeland en het gemeentebestuur van Veere zich buitengewoon veel moeite hebben getroost om te komen tot een goede aanpak van de planalogie, van het bestuur, van de inrichting van het eiland Neeltje Jans. Ik weet dit, omdat ik er in het verleden als domeinbeheerder verantwoordelijk voor was. Ik wijs er echter op, dat Neeltje Jans dichter bij Westerschouwen ligt, een van onze allerbelangrljkste recreatiegemeen ten. e druk van daaruit op Neeltje Grenzen Noordzeekust TK

5 Koning Jans zal ongetwijfeld zeer groot zijn, met alle daaruit voortvloeiende vragen, zoals die om politietoezicht, brandweerdiensten enz. Ik ben het met de heer Van den Berg en de staatssecretaris eens dat de behan deling van dit wetsontwerp niet het meest geëigende moment is om hierover te spreken, ook al heeft de Kamer natuurhjk volledig het recht om bij amendement te trachten te bewerkstelligen dat een verandering wordt aangebracht. at zou, geloof ik, niet van prudentie getuigen. Het grondwettelijk recht van de Kamer om te amenderen blijft natuurlijk overeind staan, welke procedures er ook gelden bij gemeentelijke herindeling. Nogmaals, zou de staatssecretaris deze kwestie nog eens willen bezien? Mijnheer de voorzitter! an de situatie bij Rotterdam. Inhoudelijk behoef ik daar niet veel over te zeggen. Ik onderschrijf het betoog dat hierover door mevrouw Van Rijn is gehouden. Het is volgens mij wenselijk dat er duidelijkheid over het bestuur ontstaat, zodat niet te snel wederom naar het wapen van de gemeentelijke indeling behoeft te worden gegrepen om ter plekke ruimte te verschaffen. In beginsel onderschrijf ik dan ook het op dit punt ingediende amendement, al moet ik daar wel enkele opmerkingen bij plaatsen. Voor het zomerreces heeft mevrouw Van Rijn mij ge vraagd, een dergelijk amendement mede te ondertekenen. Er was dus een amendement gemaakt dat mijn handtekening droeg, evenals die van mevrouw Tegelaar. Tijdens de viering van 175 jaar Eerste Kamer deelde mevrouw Tegelaar mij mede dat zij tot de conclusie was gekomen dat het amendement, zoals het daar lag, te ruim was, met name in financieel opzicht, en dat zij haar handtekening wilde terugtrekken. Zij zou hierover overleg voeren met mevrouw Van Rijn. Wie schetst mijn verbazing toen ik later moest concluderen dat het amendement mij niet wederom ter ondertekening was voorgelegd. Ik wees zoëven al op het technische, niet politieke karakter van dit wetsvoorstel. Het is goed gebruik in dit huis, dat ook de oppositie indien van dezelfde gevoelens wordt uitgenodigd om mede te werken, in de vorm van onderteke ning, aan amendering. Sterker nog, het wordt vreemd indien een uitnodiging tot ondertekening niet gestand kan worden gedaan. Ik denk dat wij hier te maken hebben met een amesvrede. Op 3 augustus 1529 werd te Kamerijk een vredes verdrag tussen Karel V en Frans I van Frankrijk gesloten, bewerkstelligd door de moeder van Frans I, Louise van Savoye en haar schoonzuster, de hertogin-weduwe van Savoye, Margaretha van Oostenrijk, de tante. En er moesten opofferingen worden gedaan. e een gaf dit, de ander gaf dat. Zo gaf Frankrijk zijn aanspraken op Italië op en kreeg Habsburg daar het nodige voor terug. En wat denk ik dat er gebeurd is, als ik het geheel zo overzie? Toen mevrouw Tegelaar haar steun aan het amendement-van Rijn terugtrok, was er geen meerderheid meer in de Kamer. En het is in het belang van Rotterdam dat daar een uitbreiding ter plaatse tot stand komt. Ik veronderstel dat mevrouw Van Rijn en mevrouw Tegelaar zal mij wel tegenspreken als het niet zo is - de medewerking van mevrouwtegelaar voor een nieuw amendement heeft moeten kopen. En wat was het offer dat mevrouw Van Rijn moest brengen? at was de medeonderte kening door mij, opdat het amende ment de naam Van Rijn/Tegelaar zou krijgen. Men weet hoe het in dit huis gaat. Een amendement dat meer dan twee ondertekenaars heeft, wordt genoemd naar de eerste onderteke naar en vervolgens voorzien van de letters c.s., terwijl een amendement dat voorzien is van twee namen, naar beide ondertekenaars wordt ge noemd. Mijnheer de voorzitter, dit amende ment is werkelijk een voorbeeld van sociale vernieuwing. Het is een hemelbestormend amendement. Vandaar dat mijn oordeel over het gedrag van mevrouw Tegelaar mild is. Wat wil mevrouw Tegelaar namelijk graag? at haar naam in de parlementaire annalen wordt opgenomen als mede-indiener van dit hoogst belangrijke amendement. Zij ziet vanzelfsprekend graag dat ook de pers morgen in brede commenta ren vermeld dat zij de medeonderte kenaar van dit amendement is. En ik heb daar begrip voor. Mevrouw Tegelaar zit vier jaar in de Kamer en is nog niet opgevallen door een geweldige publiciteit. En wat is er dan plezieriger dan op deze wijze in de krant te komen? Mijn oordeel is dus mild en ik ga verder. Ik doe vanaf deze plaats een dringende oproep op de pers, die hier "in zo grote getalen" op de tribune zit bij de behandeling van dit hoogst belang wekkende wetsvoorstel, om breeduit de naam van mevrouw Tegelaar bij dit wijzigingsontwerp in de kolom men te vermelden. e heer Van Middelkoop (GPV): Mijnheer de voorzitter! Ik zal het niet wagen om qua oppositionele toonzetting te concurreren met de heer Koning. Het was ook niet mijn voornemen om te reageren op het interview met de staatssecretaris in NRC Handelsblad. Maar toen ik de heer Koning zojuist hoorde, dacht ik toch dat hij nog iets verder had moeten redeneren en de consequen tie van zijn redenering had moeten trekken En dat is dat deze staatsse cretaris het liefst regeert zonder het CA. En dat zou een heel curieuze figuur zijn geworden. Maar goed, ter zake. Voorstellen tot regeling van gemeentegrenzen mogen zich altijd in de warme belangstelling van de betrokken gemeentebesturen verheugen. Zelden blijkt de band tussen bestuur ders en bestuurden op het lokale vlak zo sterk te zijn als op het moment dat deze band bij wet dreigt te worden verbroken. Maar ook als het niet gaat om de positie van burgers, maar alleen van water, zoals bij het onderhavige wetsvoorstel, komen de lokale besturen in het geweer, goed gedocumenteerd met het oog op de financiële consequenties van het voorstel. Uiteraard is dat hun goed recht. En het is onze taak, de argumenten voor en tegen te wegen. Eigenlijk is het merkwaardig dat wij nog zo lang moeten spreken over de vraag waar de grenzen van provin cies en gemeenten aan de zeezijde liggen. Weliswaar is het gebruik van het zeewater langs de kust in de loop der jaren intensiever en verscheide ner geworden, maar badgasten hebben nooit de neiging gehad om uitsluitend op het strand te verblij ven. En de besturen van badplaatsen hebben zich altijd gerealiseerd dat zij een taak hebben ten opzichte van het baden in zee. e Scheveningse bader die indertijd meende, de Haagse politieverordening op dit punt aan zijn laars te kunnen lappen, omdat deze verordening niet zou gelden voor het zeegebied, maar alleen voor het strand, vond de rechter niet aan zijn zijde. e rechter herinnerde eraan dat de overheid van de aan zee gelegen plaatsen al Grenzen Noordzeekust TK

6 Van Middelkoop vanouds verordeningen had vastge steld die ook golden voor het onmiddellijk langs het strand gelegen zeegedeelte Eveneens is vanouds duldelijk tot hoever de landsgrens zich in zee uitstrekt. e conclusie lijkt dan voor de hand te liggen dat ook de grenzen van de kustprovincies en gemeenten op drie Engelse mijlen uit de laagwaterlijn liggen, waardoor er sprake is van één territoriale grens voor alle gebiedscorporaties. ie vraag lag ook ten grondslag aan de studie welke uiteindelijk tot dit wetsvoorstel leidde. e provincie besturen hebben hiervoor op inhoudelijke gronden sterk gepleit, maar het was een aantal vakdeparte menten dat op even inhoudelijke gronden deze logica afwees. Het gevolg is dat wij nu een wetsvoorstel bespreken, waarin een compromis is vervat en waarin op tamelijk arbitrai re wijze een grens wordt aangege ven. Ook ik voelde er aanvankelijk wel wat voor, de zaak simpel te houden door de provincie en gemeentegren zen te laten samenvallen met de landsgrens. Ik moet echter erkennen dat daartegen zowel historische als inhoudelijke argumenten zijn aan te voeren. Historisch gezien is het in ieder geval opmerkelijk dat grote wateroppervlakten die onmiskenbaar behoren tot het territoir van het Rijk, niet gemeentelijk waren ingedeeld. Zo is de gemeente Muiden eind vorige eeuw bij wet uitgebreid met het nabij gelegen eilandje in de toenmalige Zuiderzee, nadat gebleken was dat de bewoners van dit eilandje bij gebreke van een gemeentelijke indeling geen aangifte voor de burgerlijke stand konden doen. Meer van dergelijke voorbeel den zijn bekend. e gemeentelijke en provinciale indeling van het Ussel meer is dan ook van zeer recente datum. Nog sprekender is het voorbeeld van de Haarlemmermeer, die pas gemeentelijk werd ingedeeld na de inpoldering. Aan de historie zijn dan ook geen argumenten te ontlenen voor de stelling dat gemeente en provincie grenzen aan zee moeten samenvallen met de landsgrens. Tegenover de inhoudelijke argumenten welke de provincies aanvankelijk aanvoerden voor een dergelijk samenvallen, staat het reële bezwaar dat op deze wijze de uitoefening van het toezicht op de kustwateren over een groot aantal overheden verdeeld zal zijn. at mag verantwoord zijn voor de waterstrook direct grenzend aan de kust, maar naarmate de afstand groter wordt, vormt het kustwater toch primair onderdeel van de zee. Het toezicht daar dient zoveel mogelijk in handen van één overheidsinstantie te zijn. Waar de grens dan precies getrokken wordt, is arbitrair. Over het algemeen hebben de betrokken overheden zich verenigd met een grens op 1 km van de laagwater springlijn. Als zoveel betrokkenen het daarover eens zijn, is het niet aan mij de juistheid ervan in twijfel te trekken. e problemen doen zich dan ook, zoals zo vaak, niet voor ten aanzien van het uitgangspunt van de regeling, maar ten aanzien van de uitzonderingen op de regel. Ik wil daarover, na alles wat gezegd en geschreven is, kort zijn. Ik kan mij niet aan de de indruk onttrekken, dat het in de discussie met Zuid-Holland en Rotterdam vooral om de centen gaat. e varianten die door provincie en gemeente voorgesteld zijn, zijn niet onredelijk. Vooral variant B zorgt voor een duidelijke begrenzing. Het enige dat ertegen is, is dat deze variant de overige gemeenten en provincies samen zo'n ƒ per jaar kost, tenzij het Rijk voor dit bedrag over de brug komt. Maar als wij vragen naar de redelijkheid van deze extra uitgave, dan houden provincie en gemeente zich op de vlakte. Ik wil graag onze grootste zeehaven ter wille zijn, maar als het niet verder komt dan de stelling dat de haven van Rotterdam behoefte heeft aan ruimte zonder dat dit kan worden geconcretiseerd, dan ben ik daarvan niet zo onder de indruk. it geldt te meer nu het wetsvoorstel dat wijziging van gemeentegrenzen bij AMvB mogelijk maakt, ook spoedig tot stand lijkt te zullen komen. Het inmiddels ingediende amende ment, zo bekritiseerd door de heer Koning, gaat een stuk verder dan waarover ik het nu heb. Ik wacht dan ook met belangstelling het antwoord van de staatssecretaris af: haar argumentatie en wellicht ook het financiële plaatje dat daarbij hoort, want dat heb ik nog niet gezien. Het is een goede zaak dat de staatssecretaris naar aanleiding van de kritiek van Zuid-Holland en Rotterdam een onderzoek heeft laten instellen naar de bereikbaarheid van het bankengebied van de kust van Goeree-Overflakkee. aaruit kan worden afgeleid dat redelijkerwijze niet volgehouden kan worden dat de zogenaamde Bollen te voet bereik baar zijn en dus bij de gemeente Goedereede moeten worden ingedeeld. Ingewikkelder ligt de situatie langs de Zeeuwse kust. at Vlissingen een relatief groot deel van het kustwater krijgt toegewezen, ligt in verband met de functie van deze gemeente voor de hand. In feite sluit dit aan bij de bestaande situatie. Minder voor de hand liggend is de indeling van Neeltje Jans en zijn omgeving. Ik kan mij wel indenken dat het gemeente bestuur van Wissenkerke bitter teleurgesteld is over de gang van zaken. Eerst is in de ontwerp-regeling de worst voorgehouden van toevoe ging van een flink stuk grond en water aan Wissenkerke. aarna hoort men lange tijd niets, behalve dat er elders nader overleg werd gevoerd en ten slotte kwam het bericht dat alles toch maar bij het oude moest blijven. Toch zijn de argumenten die met name in de memorie van antwoord worden genoemd om geen wijziging te brengen in de huidige indeling van Neeltje Jans overtui gend. e gemeente Veere heeft steeds een belangrijke rol gespeeld rondom dit voormalige werkeiland en doet dit nog steeds. Het enkele feit dat de verbinding over de weg via het grondgebied van Wissenkerke loopt, vormt een onvoldoende argument om hieraan een eind te maken, zeker waar dit verstrekkende bestuurlijke gevolgen zal hebben. Ik ben het ermee eens dat, als dit al zou moeten gebeuren, dit niet even kan worden meegenomen in een wetsvoorstel Regeling grenzen langs de zee. Samenvattend: de hoofdlijn van het wetsvoorstel is acceptabel; de voorgestelde uitzonderingen lijken mij verdedigbaar. Rest nog de vraag naar de toekomst. Gaat de regering er nog van uit dat inwerkingtreding van de wet per 1 januari 1991 mogelijk zal zijn? Is het ook denkbaar deze datum zo nodig met terugwer kende kracht aan te houden? Wat zullen de bestuurlijke gevolgen voor de provincies en gemeenten zijn? Ik neem aan dat aanpassing van streek en bestemmingsplannen tot de belangrijkste gevolgen behoort? Zal dit als regel kunnen gebeuren in het kader van de periodieke aanpassing van deze plannen of zal een spoedige tussentijdse aanpassing nodig zijn? Misschien wil de staatssecretaris hierover haar mening geven? Grenzen Noordzeekust TK

7 e heer Leerling (RPF): Voorzitter! Met herinneringen aan zon, zee, wind, water en strand nog vers in het geheugen spreken wij in deze eerste vergaderweek na het reces over de regeling van de provincie en gemeentegrenzen langs de Noord zeekust, en dat op een dag waarop de herfst zich nadrukkelijk aankon digt. Het wetsvoorstel beoogt te komen tot een afronding van de provinciale en gemeentelijke indeling van de Noordzee. Zoals bekend is de Noordzee voor zover die grenst aan de Waddeneilanden en de Wadden zee reeds ingedeeld. Nu is het de beurt aan het deel van de Noordzee kust tussen en Helder en Sluis. it betreft dan, zoals in de memorie van toelichting wordt aangegeven, een regeling in de betekenis van een wettelijke vastlegging van de grenzen, waarvan het beloop nog niet duidelijk is beschreven. Volgens de memorie van toelichting geldt dit ook voor sommige Zeeuwse gemeen ten. In een brief van 21 oktober 1987 stellen de gedeputeerde staten van Zeeland echter dat in de Zeeuwse situatie de gemeentelijke indeling door de wetgever vrijwel overal heeft plaatsgevonden. Hoe zijn deze beide standpunten met elkaar in overeen stemming te brengen? Voorzitter! Een vraag die bij mij opkomt is, waarom de regeling van de grenzen tussen gemeenten en provincies aan de Noordzeekust destijds niet tegelijkertijd met de gemeentelijke en provinciale indeling van de Waddenzee en de Waddenei landen tot stand gekomen is. Tevens is onzeker hoe lang deze regeling uiteraard na goedkeuring door de Eerste Kamer van kracht zal blijven. e staatssecretaris heeft in de tweede helft van juni een brief aan gedeputeerde staten van de provincies geschreven waarin de territoriale grenzen van de provincies ter discussie worden gesteld. Mijnheer de voorzitter! e belangrijkste uitgangspunten in het wetsvoorstel zijn: - het rapport van ICONA uit 1979 en - de voortzetting van de systematiek die bij de provinciale en gemeentelij ke indeling van de Waddenzee is gehanteerd. at wil zeggen: 1. het territoir van provincies en gemeenten mag zich in zee tot 1 km van de zogenaamde laag-laagwater springlijn strekken; 2. er komt een zo klein mogelijk aantal draaipunten in de langs rechte lijnen getrokken grens; 3. voor zover vaargeulen door gemeentegrenzen worden doorsne den, is doorsnijding in de breedte te prefereren boven doorsnijding in de lengte. Ik zou op deze punten kort willen ingaan. Allereerst de problematiek van het ICONA-rapport en de hierin gehanteerde grens van 1 km. Ten aanzien van dit rapport vraag ik mij af, of het, zoals in de brief van 21 oktober 1987 van gedeputeerde staten van Zeeland werd gesugge reerd, primairten doel had een standpunt te bepalen over de indeling van zeegebied dat grosso modo tot nu toe noch provinciaal noch gemeentelijk was ingedeeld. Kan de staatssecretaris dit bevesti gen en zo ja, doet de hantering van de 1-km-grens dan geen afbreuk aan de situatie in Zeeland waar de zeewaartse begrenzing van de Zeeuwse gemeenten reeds in de wet is geregeld? e betrokken Noord zeeprovincies aanvaarden het uitgangspunt van de 1-km-grens, hoewel zij liever zagen dat de gehele territoriale zeegrens tot het gebied van de provincies zou behoren. Bij het wetsvoorstel inzake de grenzen van de Nederlandse territoriale zee in 1985 is mijns inziens terecht uitgegaan van het scheppen van een ruime regeling voor de toepassing van wetgeving tot regeling van het scheepvaartverkeer en van een aantal milieuwetten met een specifiek belang voor het zeemilieu. e rijksoverheid heeft op het gebied van de scheepvaart en de handhaving van de diverse milieu wetten naar onze mening een belangrijke taak. at wordt met de dag duidelijker. aarnaast geeft de staatssecretaris toe dat objectief niet is aangegeven, tot welke territoriale grens een bepaald wateroppervlak uit bestuurlijk oogpunt relevant is voor de provincie dan wel de gemeente. Waarom gaat zij dan toch uit van de ICONA-norm? Hanteren de uitse en de Belgische overheden bijvoorbeeld ook deze 1-km-grens? Sprekend over onze buurlanden, herinner ik de staatssecretaris eraan dat tussen België en Nederland nog steeds de zogenaamde "Wielingen kwestie" niet is opgelost, een kwestie waarbij het gaat om de soevereiniteit over de zuidelijke Scheldegeul. Verzwakt de Neder landse regering de positie niet aanzienlijk door een deel van de Wielingen aan de provinciale en gemeentelijke indeling te onttrekken, zoals de Zeeuwse gedeputeerden beweren? Mijnheer de voorzitter! Het siert de staatssecretaris dat de 1-km-norm met enige souplesse is gehanteerd en is afgewogen tegen andere uitgangspunten. Ter vermindering van het aantal draaipunten betekent dit bijvoorbeeld dat de grens zich tussen de Zuidhollandse en de Zeeuwse eilanden iets verder dan 1 km van de kust verwijdert. Bovendien is het belangrijk dat vaargeulen zoveel mogelijk worden Ingedeeld bij dezelfde gemeente als de havens waar zij op aansluiten. it in het kader van het streven naar duidelijke bestuurlijke verhoudingen ten aanzien van de rampenbestrijding. Vanuit dit oogpunt zijn de keuzen bij en Helder en Vlissingen goede keuzen. Ik stel mij echter achter het principe dat voor zover vaargeulen door gemeentegrenzen worden doorsneden, een doorsnijding in de breedte te prefereren is boven doorsnijding in de lengte. Een doorsnijding in de breedte heeft onze voorkeur, daar dit de coördinatie bij rampen kan vergemakkelijken. it principe is toegepast voor de kust van en Helder en Vlissingen en volgens de nota van wijziging ook in het Slijkgat, de vaargeul naar de haven van Stellendam. Ik vraag mij af, waarom dit principe in eerste instantie niet bij het Slijkgat is toegepast. Was daar een speciale aanleiding voor? Mijnheer de voorzitter! Het onderhavige wetsvoorstel gaat reeds uit van een grotere uitbreiding van de Maasvlakte dan het tweede struc tuurschema inzake de zeehavens aangeeft. e fractie van de RPF meent dat de rijksoverheid, met het oog op Nederland als distributieland met Rotterdam als belangrijkste stedelijk knooppunt, met een dergelijke uitbreiding ter dege rekening moet houden. at geeft tegelijkertijd aan dat ik ook zeker sympathie heb voor het amendement dat is ingediend, niet alleen vanuit dit oogpunt maar ook bijvoorbeeld voor de langere termijn in het kader van de kustverdediging. Scenario's hierover worden onder andere in de discussienota over de kustverdedi ging na 1990 genoemd. Ik denk dan aan het zeewaartse alternatief, Grenzen Noordzeekust TK

8 Leerling waarin wordt uitgegaan van het kunstmatig verhogen van de voor de kust van Schouwen-uiveland en Goeree-Overflakkee liggende zandbanken. Bij realisering van dit alternatief zullen bijvoorbeeld de Bollen van de Ooster, die voor de kust van Goeree-Overflakkee liggen, bij laag water zeker te voet te bereiken zijn. Ik heb dat echter, evenals de andere collega's, in de praktijk niet gecontroleerd. e Bollen van de Ooster zullen bij realisering van dit alternatief in hun geheel bij de gemeente Goedereede moeten worden ingedeeld. In hoeverre heeft de staatssecretaris bij de vaststelling van de gemeentegrenzen al met genoemd scenario rekening gehou den? Mijnheer de voorzitter! Ten slotte wil ik ingaan op de financiële gevolgen voor de provincies en de gemeenten. Zoals bekend, is het criterium "buitenwater" een van de maatstaven die de rijksoverheid hanteert bij de algemene uitkering uit het Provincie en het Gemeentefonds aan provincies, respectievelijk gemeenten. Uit het financiële overzicht leid ik af dat Noord-Holland en Zuid Holland meer zullen ontvan gen en Zeeland minder. Van de gemeenten zullen met name Veere en Westerschouwen een financieel nadeel ondervinden. Met de staats secretaris ben ikvan mening dat vooral Veere voldoende financiële spankracht heeft om de gevolgen van de herindeling op te vangen. it zou verminderen indien het werkeiland Neeltje Jans aan de gemeente Veere onttrokken wordt. Ik neem aan, dat wij daarover nog wel iets zullen horen. Volgens de gedeputeerde staten in Zeeland zou er bij de rijksoverheid bij hulpverlening in het kustwater buiten de 1 km-grens eerder sprake zijn van een terugtreden dan van het oppakken van taken. oor privatise ring en het afstoten van rijkstaken naar de lagere overheden op het gebied van de rampenbestrijding - concreet kan men denken aan de hulpverlening bij calamiteiten in het vaargebied van de Westerschelde - zou de rijksoverheid zelf geen middelen ter beschikking hebben voor goede bestrijdingsmiddelen. aarom wordt de zogenaamde "waakvlamconstructie" ingevoerd, een constructie waarbij een beroep wordt gedaan op de lagere overhe den. Wordt door deze figuur en door het onthouden van zeegebied en bestuursbevoegdheden aan de iagere overheden geen afbreuk gedaan aan de mogelijkheden van gemeenten om een adequaat systeem van hulpverle ning op te zetten? Mijnheer de voorzitter! Het zal duidelijk zijn dat ik het voorstel als zodanig in grote lijnen ondersteun. Staatssecretaris e Graaff-Nauta: Mijnheer de voorzitter! Ik wil de verschillende afgevaardigden danken voor hun inbreng en voor hun steun aan en instemming met dit wetsvoor stel. Er zijn veel opmerkingen gemaakt. Het zal duidelijk zijn dat ik met een aantal daarvan zonder meer instem. aarnaast vind ik het goed om toch nog op een aantal opmerkin gen in te gaan. Ik zal dan in het bijzonder ingaan op de gestelde vragen en op het ingediende amendement. Mijnheer de voorzitter! Ik heb - dat is ook al gememoreerd - om verschillende redenen met genoegen uitgekeken naar deze behandeling. Hiermee wordt in feite een grote stap gezet in het kader van de afronding van een zaak die heel lang, sinds 1956 mevrouw Van Rijn heeft dat ook genoemd; ik sluit mij aan bij haar woorden heeft gesleept. In dat jaar namelijk kwam de indeling van delen van de Noordzee voor het eerst in de Kamer ter sprake. Na de Staatssecretaris e Graaff-Nauta van Binnenlandse Zaken provinciale en gemeentelijke indeling van de Waddenzee en het aangren zende deel van de Noordzee en van het Usselmeer is dit wetsvoorstel de voltooiing van de provinciale indeling van al het Nederlandse grondgebied dat daarvoor in aanmerking komt. Afgezien van de afronding van de verschillende indelingen van het Nederlandse water lost dit voorstel ook enkele concrete problemen op. e heer Leerling heeft daarop gewezen. Ook de heer Van den Berg heeft dat genoemd. Ik noem de onduidelijke grensbelopen bij de meeste Noordzeegemeenten, die vaak een heel onduidelijke grensom schrijving hebben die in een oude wet is vastgesteld. aarnaast hebben wij op dit terrein ook te maken met heel beweeglijke grenzen in bepaalde situaties, omdat die beweeglijke grens samenvalt met een vastgestel de dieptelijn. Niets is veranderlijker dan de mens, zegt men wel eens, maar de zeebodem is het ook. uidelijkere grensbelopen vormen niet alleen het algemeen uitgangs punt, maar ze zijn niet alleen voor het binnenlands bestuur, maar ook voor andere terreinen van overheidszorg van belang. Er zijn nu bijna tien jaar verlopen sinds het wetsvoorstel tot provinciale indeling in werking trad en bijna vier jaar sinds de inwerkingtreding van de gemeentelijke indeling van de Waddenzee. MevrouwTegelaar heeft Grenzen Noordzeekust TK

9 e Graaff-Nauta op die tien jaar gewezen. Mevrouw Van Rijn is daar ook op ingegaan. Zij heeft zeer terecht gezegd dat daarbij een aantal aspecten en invloeden een rol spelen. Ik kan erg goed met haar meevoelen, wanneer zij zegt: traagheid en slepende kwesties irriteren. Wij moeten proberen die irritatie te voorkomen. Ik hoop dat in ieder geval wat deze zaak betreft de irritatie snel tot het verleden behoort. Het langdurige tijdsverloop heeft te maken met de voorbereiding en het ingewikkelde karakter. Wij weten daar allemaal van. In het bijzonder het grensbeloop bij Zuid-Molland en Zeeland echter heeft erg veel tijd gekost, omdat wij een tweede ICONA-advies hebben gehad. e heer Van Middelkoop heeft gezegd: in bepaalde situaties is het eigenlijk arbitrair waar je een grens trekt. Anders gezegd, er zitten bij het trekken toch zekere arbitraire elementen. e heer Koning heeft dat punt ook genoemd. Verschillende zaken spelen daarbij een rol: praktische, inhoudelijke en histori sche. Grenzen trekken is inderdaad niet gemakkelijk. Het levert discussie op, want het raakt ook vaak de mensen in de buurt. Ook hier blijkt dat je zelfs in zee niet met een natte vinger een grens kunt trekken. Mijnheer de voorzitter! Ik ga graag in concreto op de opmerkingen en vragen in. e heer Leerling heeft gevraagd waarom dit nu geregeld wordt. Hij kijkt achterom en ik doe dat even met hem. Hij vraagt zich af waarom dit wetsvoorstel niettegelijk is behandeld met het wetsvoorstel inzake de indeling van de Wadden zee. Ik ben nu des te meer verheugd dat het onderdeel van de Waddenzee destijds uit het totale ICONA-pakket is gelicht. Anders hadden wij hier immers veel meer op tafel gehad. Het is er toen uitgelicht omdat men op plaatselijk en provinciaal niveau al een heel eind met de voorbereiding van de gemeentelijke en provinciale indeling van de Waddenzee gevor derd was. Ik kan nu alleen maar zeggen: gelukkig maar dat dit toen gebeurd is. e heer Leerling heeft ook gevraagd naar de ICONA-norm. Hij vroeg zich af wat die norm eigenlijk is. Ik wil dat nog wel een keer zeggen. e ICONA-norm houdt in dat de grenzen van de provincies en de gemeenten getrokken worden op een afstand van 1 km uit de zogenaamde laag-laagwater-springlijn. Ook daar hebben wij een afkorting voor. Het wil zeggen: gemlddeld de laagste waterlijn die verband houdt met een waterstand die eenmaal per maand bereikt wordt. e afstand van 1 km is gekozen, omdat binnen die afstand nog sprake lijkt te zijn van een effectieve invloed van provincie en gemeentebesturen op datgene wat zich voor de kust afspeelt. aar gaat het om. Het geeft bovendien voldoende marge voor zekere kustlijnveranderingen. In het tweede ICONA-advies is de norm in verband met de situatie in die zin aangevuld, dat bij de kust van de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden aanbevolen wordt om te komen tot een zeker vloeiend grensbeloop. Naar mijn mening wordt juist met die norm uit het tweede ICONA-avies een duidelijke evenwichtige afweging bereikt. e heer Van Middelkoop vroeg zich af of ook de streek en bestem mingsplannen zullen worden aangepast aan de nieuwe grensbelo pen. Hij vroeg op welke termijn en welke wijze dit dan zou geschieden en hij vroeg naar mijn mening daarover Ik kan niet meer zeggen dan dat het voor de hand ligt, te verwachten dat de provincie en gemeentebesturen zo snel mogelijk overgaan tot een aanpassing van de plannen aan het gewijzigde grensbe ioop. Ik denk echter wel dat het zal gaan om eenvoudige plannen, zeker wanneer maar een klein stukje wateroppervlak wordt toegevoegd. Wij zullen het erover eens zijn, dat de eerste verantwoordelijkheid hier ligt bij de gemeente en de provinciebe sturen. Zoals bekend is, heb ik in hen een groot vertrouwen; vandaar mijn antwoord. e heer Van Middelkoop ( (GPV): Ik had niet zozeer gevraagd naar de bevoegdheden van provincies en gemeenten. Ik begnjp immers best dat de staatssecretaris daar niets overte zeggen heeft. Mijn opmerkin gen waren gekoppeld aan mijn vraag over de inwerkingtreding van de wet. Staatssecretaris e Graaff-Nauta: aar kom ik nog op. e heer Van Middelkoop (GPV): Maar mijn opmerkingen daarover waren een consequentie van mijn vraag of het nog per 1 januari 1991 ingaat of eventueel later. En dat heeft natuurlijk consequentles voor de bevoegdheden die moeten worden uitgeoefend door provincies en gemeenten. Staatssecretaris e Graaff-Nauta: at is uiteraard het geval. e heer Van den Berg heeft gevraagd naar de wijze van coördina tie tussen overheden en Rijkswater staat in verband met rampenbestrij ding en olielozingen. Ik zal dit even kort schetsen. Olieverontreiniging wordt meestal door de kustwacht ontdekt. Rijkswaterstaat beoordeelt hoe de bestrijding van de olievlek moet plaatsvinden en pakt de bestrijding aan. Als er, ondanks de bestrijding van de olievlek op zee, toch olie op het strand dreigt te komen, gaat er een waarschuwing naar de desbetreffende gemeente en provincie. Als er olie op het strand komt, wordt de bestrijding in overleg tussen gemeente en Rijkswaterstaat aangepakt. Als het om kleine hoeveelheden gaat, is de gemeente verantwoordelijk. e praktijk leert dat er goed en sterk pragmatisch wordt samengewerkt. Ik meen dat die conclusie erg belangrijk is. e heer Van den Berg heeft ook nog een opmerking gemaakt over de rampenbestrijding in verband met de gemeentegrens. Hij heeft gevraagd of er op dat punt spanning bestaat en hoe het precies zit met de verant woordelijkheid van de burgemeester. In de mondingsgebieden daar gaat het om zijn duidelijke coördinatie-afspraken gemaakt tussen de uitvoerende instanties, zoals de rijkshavenmeester en de desbetreffende gemeente. aarmee bereikt men dat de bevelen die de rijkshavenmeester geeft, bijvoorbeeld aan kapiteins van schepen, zijn afgestemd op de maatregelen die het bevoegd gezag neemt ten aanzien van de ramp zelf. Anders gezegd, er is een duidelijke afstemming tussen die grenzen en de geografische grenzen. aarom moeten de scheepvaartgeulen ook zo veel mogelijk in dezelfde gemeente liggen en moeten ze niet in de lengte worden doorsneden. an is namelijk steeds duidelijk welke gemeente, welke burgemeester verantwoordelijk is voor de coördinatie. e heer Leerling heeft nog een vraag gesteld over de waakvlamcon structie op zee. Met de waakvlam constructie wordt het samenstel van contracten van het Rijk met bedrijven en instellingen bedoeld. ie contrac ten regelen de inzet van materieel in Grenzen Noordzeekust TK

10 e Graaff-Nauta geval van nood en wel dat is zeer wezenlijk op zeer korte termijn. e heer Leerling heeft verder gevraagd of dit wetsvoorstel eigenlijk wel echt nodig is in de Zeeuwse situatie, aangezien de meeste grenzen van de Zeeuwse gemeenten wettelijk bepaald zijn. Hij heeft gelijk dat de meeste grenzen in wetten zijn beschreven, maar de wet geeft ze af en toe niet goed aan. e grenzen van Vlissingen zijn bijvoorbeeld niet exact beschreven. e grens van de gemeente Veere gaat uit van lijnen die men vanaf en naar kerktorens trekt en zijn gekoppeld aan beweeg lijke dieptelijnen. Kortom, er zijn echt voldoende redenen om ook in Zeeland te komen tot een deugdelijke en wettelijke vastlegging van grenzen en om daarmee ook de omvang zodanig te bepalen dat het vanuit bestuurlijk oogpunt goed te motive ren valt. e uniformiteit speelt bij deze zaak, uiteraard, een rol. e heer Leerling heeft nog even de Wielingen-kwestie genoemd. GS van Zeeland schrijven daarover in hun emdadvies dat het een oud grensge schil is en dat de Nederlandse positie in de Wielingen-kwestie zou verzwakken wanneer wateroppervlak aan provinciale en gemeentelijke indeling zou worden onttrokken. Volgens het wetsvoorstel, zoals het er nu ligt, is er van onttrekking van wateroppervlak bij de Wielingen geen sprake. In het wetsvoorstel wordt de grens van België ook niet beschreven, zodat het de Wielingen kwestie niet raakt. Mijnheer de voorzitter! e heer Van den Berg betuigde zijn instem ming met de tweede nota van wijziging en vroeg zich daarbij af of opnieuw een grenswijziging moet worden overwogen als de vaargeul de gemeentegrens in de toekomst zal doorsnijden. Ik acht die mogelijkheid zeer onwaarschijnlijk. Mocht een dergelijke situatie zich voordoen, dan kan het bij besluit van provinciale staten, na verschijning van het wetsontwerp-argi in het Staatsblad. Ik ga ervan uit dat het provinciaal bestuur die zaak zeker in de gaten zal houden. e heer Van den Berg heeft mij gevraagd of ik daarop attent wil zijn. Het lijkt mij de juiste bestuurlijke weg als ik deze vragen en zorgen op lange termijn aan het provinciaal bestuur van Zeeland doorgeef. e heer Leerling en mevrouw Tegelaar hebben vragen gesteld over de Bollen van de Ooster, waarbij men uitging van een eventuele bereikbaar heid te voet. Ik heb begrepen dat niemand serieus overwogen heeft om zelf na te gaan hoe het zit met die bereikbaarheid te voet. Ik heb dat ook niet overwogen. Rijkswaterstaat heeft daarover een perfect rapport gemaakt. Ik denk niet dat wij met zijn allen bang zijn voor natte voeten, maar het lijkt mij het ergste als je niet meer terug kunt. at staat ook heel duidelijk in het rapport van Rijkswa terstaat. Maar nu ter zake. Verhoging van de Bollen betekent nog niet dat de geul e Schaar tussen de Bollen en Goeree ook zal worden afgedamd. Uit het rapport van Rijkswaterstaat blijkt dat de ontwerpers van het zeewaartse alternatief dat ook niet voor ogen hadden. e regering heeft daarvoor ook niet gekozen. Alleen de projecten Texel en Zeeuwsch-Vlaan deren worden op haalbaarheid onderzocht. Kortom, aan de Bollen wordt niets gedaan. Mevrouw Tegelaar vroeg zich af wat er zou gebeuren als de situatie wijzigt. Zij dacht daarbij aan een rnogelijke verzanding of aan veranderingen door mensenhanden. Ik zeg haar gaarne toe dat wij een bestuurlijke indeling opnieuw onder ogen zullen zien als zich een wijziging in de situatie voordoet. e heren Koning en Van Middel koop noemden de herindeling van Neeltje Jans. e heer Koning heeft zeer terecht, gezien de lange historie, opgemerkt dat het eerste en het latere standpunt hierover tegenstrij dig lijken te zijn. Ik ben erg blij met zijn woorden en kan hierover kort opmerken dat een en ander het gevolg is van het tweede ICONA-ad vies. aarbij was de grens van Neeltje Jans niet meer aan de orde. e heren Koning en Van Middelkoop menen dat er toch over gesproken zou kunnen worden. Het verheugt mij dat beiden vinden dat een discussie daarover in feite niet thuishoort bij de behandeling van dit wetsontwerp. e heer Koning heeft nog even tussen door gezegd: als de staatssecretaris denkt dat dit er niet bij past en als wij menen dat wij moeten amenderen, dan doen wij dat. Ik had niet anders verwacht van de heer Koning. Hij heeft volledig gelijk, mijnheer de voorzitter. Zijn slotvraag was of ik de kwestie wilde bezien. Mij lijkt de meest juiste procedure dat ik aan het provinciaal bestuur van Zeeland, waar de eerste verantwoordelijkheid en de initiatieven liggen, vraag om bij het bespreken van grensbelopen in ieder geval ook dit punt te betrekken. Uiteraard zal de Kamer hierover dan ook worden geïnformeerd, mijnheer de voorzitter. Ik heb van de heer Koning begrepen dat hij het niet een kwestie van vandaag op morgen vindt, maar wel een zaak die in de gaten gehouden moet worden. Mijnheer de voorzitter! Ik kom vervolgens aan het punt van de indeling van de Maasvlakte. Ik kan het ook noemen: het grondgebied voor Rotterdam. Alle sprekers hebben hierover opmerkingen gemaakt of een standpunt weergege ven. Er is ook een amendement ingediend. Ik begrijp dat dit het amendement-van Rijn/Tegelaar c.s. had moeten zijn. Ik blijf het toch maar het amendement-van Rijn/Te gelaar noemen. In de memorie van antwoord maar ook in de nota naar aanleiding van het eindverslag heb ik mij steeds verzet tegen de gedachte die aan het amendement ten grondslag ligt. e heer Van Middelkoop heeft hiernaar ook gevraagd. Gedeeltelijk komt dit, omdat er aanvankelijk sprake was van een veel groter gebied dat extra-pro vinciaal en gemeentelijk zou moeten worden ingedeeld. Wij weten dat er aanvankelijk ook gedachten waren die in de richting gingen van toevoeging van grote wateropper vlakten aan de gemeenten Goederee de en Westvoorne. Ik ben de indieners van het amendement er erkentelijk voor dat zij zich in hun amendement beperkt hebben tot wat naar mijn mening de kern van de zaak is, namelijk: heeft de gemeente Rotterdam behoefte aan het extra wateroppervlak, ja dan nee? Ik heb steeds opgemerkt en ik ben het hierover nog steeds met mijzelf eens dat de plannen inzake mogelijke uitbreiding van de Maasvlakte te weinig concreet en te weinig uitgewerkt zijn om nu al te komen tot een corresponderende uitbreiding van de gemeente Rotterdam. Mijnheer de voorzitter! it is tegelijk een antwoord op de vraag van de heer Van den Berg. Aan de andere kant kan ik niet ontkennen dat, mocht het in de toekomst tot uitbreiding van de Maasvlakte komen, het nu vastleggen van een gemeentegrens die ruimte biedt voor zo'n uitbreiding, in de toekomst zeker tijd bespaart. Mevrouw Van Rijn heeft gezegd dat het een beperkt amendement is. Inderdaad. Ik ben het ook met mevrouw Van Rijn eens, dat wij nog eens duidelijk tegen elkaar en vooral naar buiten toe Grenzen Noordzeekust TK

11 e Graaff-Nauta moeten zeggen dat het niet om een inhoudelijke discussie gaat en dat wij hier geen standpunten innemen over al dan niet een uitbreiding en in welke mate. Mijnheer de voorzitter! Alles afwegende handhaaf ik rnljn bezwaar. Het is echter een bestuurlij ke afweging. Ik laat het oordeel over het amendement, na wat ik hierover geschreven en gezegd heb, aan de Kamer over. Ik denk dat dit stand punt de "amesvrede" zeker niet zal verstoren. e heer Van Middelkoop stelde een vraag over de financiële consequenties van het amendement voor het Provinciefonds. Er is sprake van een extra beslag op het Provin ciefonds van ƒ Het extra beslag was al, vanwege de mutaties in het waterareaal, ƒ it betekent dat de toevoeging aan het Provinciefonds, namelijk ƒ , kan blijven wat zij is, omdat die valt binnen onze afrondingsuitgangspun ten. e consequenties voor het Gemeentefonds zijn ƒ en dat is het extra bedrag dat toekomt aan de gemeente Rotterdam. Conform de gedragslijn wordt dit opgevangen binnen het Gemeentefonds. e heer Van Middelkoop vroeg of de datum van inwerkingtreding van 1 januari nog haalbaar is. Ik hoop dat van harte en heb daar ook voldoende vertrouwen in. Het zal afhangen van de Eerste Kamer, maar als de mening daar in dezelfde richting gaat als hier, namelijk dat het wetsvoorstel goed voorbereid en goed aanvaard baar is, hoeven wij ons geen zorgen te maken over de ingangsdatum. e heer Van Middelkoop vroeg zich af of terugwerkende kracht mogelijk zou zijn als de datum van inwerkingtre ding niet gehaald werd. aar ben ik geen voorstander van en dat kan ook alleen maar bij nadrukkelijk besluit van de Staten-Generaal. Maar ik wil me daar voorlopig geen zorgen over maken. Mijnheer de voorzitter! Ik sluit af met een opmerking naar aanleiding van een retorische vraag van de heer Leerling, namelijk hoe lang dit wetsvoorstel van kracht blijft en of mijn brief over de knelpunten bij de provinciegrenzen daar nog invloed op zal hebben. Neen, wij lossen hiermee knelpunten in dat gebied op en ik hoop dan ook dat dit wetsvoorstel heel erg lang van kracht blijft. e zaak is immers goed afgewogen en er worden knelpunten mee opgelost. Als er geen bijzondere dingen gebeuren, kunnen wij er dus lange tijd mee vooruit en naar mijn mening hoort dat ook zo. Mevrouw Tegelaar Boonacker (CA): Mijnheer de voorzitter! e plenaire behandeling gaat toch wat meer tijd kosten dan aanvankelijk gedacht werd. aar waren wij deze week al eerder slachtoffer van. Van de twee punten die door het CA genoemd werden, is bij het eerste, de kwestie van Goedereede, door de staatssecretaris naar tevredenheid een toezegging gedaan. Het tweede punt, namelijk Rotterdam, geeft wat meer proble men. e staatssecretaris verzet zich tegen de gedachte die aan het amendement ten grondslag ligt, hoewel zij het verder aan de Kamer overlaat. Haar erkentelijkheid voor de beperking van het amendement doet daar niets aan af. e discussie over de vraag of er behoefte aan dat water bij Rotterdam is, zal nog wel komen. Er is nu immers sprake van een weinig concreet plan voor Rotterdam en het CA doet daarover dan ook nog geen uitspraak. Maar de mogelijke tijdsbesparing in de toekomst, zoals de staatssecretaris zegt, lijkt mij erg belangrijk. Vandaar het amendement. e heer Koning heeft na zijn historische verhandelingen gepleit voor meer publiciteit voor mijn persoon. Ik moet zeggen dat ik daar geen behoefte aan heb. Wat dat betreft herken ik mij zeer wel in de figuur van de staatssecretaris zoals die naar voren komt in het meerma len genoemde interview. at is ook niet zo verwonderlijk, omdat onze politieke herkomst al dertig jaar dezelfde is. e recente historie is trouwens wat anders dan de heer Koning schetst. Het nu ingediende amendement verschilt immers enorm van een eerder in omloop gebracht maar niet ingediend amendement van mevrouw Van Rijn, waarop ook de namen van de heer Koning en mijzelf voorkwamen. at amende ment was in bespreking in het stadium, waarin wij overtuigd waren van de doorwaadbaarheid nabij Goedereede. Toen die veronderstel ling niet juist bleek te zijn en variant A toch werd gehandhaafd, trok ik mijn steun aan dit amendement terug. at het daardoor niet zou kunnen worden aangenomen, is getalsmatig niet juist. Ook als het CA niet meedoet, kunnen amende menten in deze Kamer een meerder heid halen. Helaas is dit meer dan eens gebleken, juist bij de gemeente lijke herindelingen waarover de heer Koning spreekt. aarom heb ik een nieuw amende ment voorgesteld om de uitbreiding van variant A te beperken tot een kwart of misschien een vijfde van de eerder beoogde uitbreiding. Om geen misverstanden te krijgen met het al in omloop zijnde amendement leek het mij beter, dit beperkte amendement ook wat de onderteke ning betreft te beperken. at het de steun heeft van collega's in de Kamer, stemt uiteraard tot tevreden heid. at zelfs de VV-oppositie meestemt met mijn amendement, heeft kennelijk te maken met een voorkeur voor het CA boven die ten opzichte van de PvdA. Ik weet niet of dat zo blijft, de geschiedenis zal het ieren. at de oppositie, cioor de heer Koning gevoerd, tot uitdrukking komt in zijn "milde beoordeling" van mijn persoon, is een feit waarmee hij mijns inziens wat voorbijgaat aan het aan de orde gestelde onderwerp. Echter, ik heb goed begrepen dat de heer Koning zich bij de dames had willen aansluiten. Welnu, voorzitter, dat kan dan bij de stemming gebeuren. Mevrouw Van Rijn-Vellekoop (PvdA): Mijnheer de voorzitter! e staatssecretaris heeft met betrekking tot ons amendement een afweging gemaakt waarvan men zou kunnen zeggen dat ze in de "49/51-sfeer" ligt. Ze vindt de plannen van Rotterdam te vaag maar erkent dat het amendement, als het in de toekomst werkelijk zo ver gaat, voordelen biedt. Voorzitter! e ervaring leert juist met betrekking tot dit gebied, waar de ontwikkelingen vaak zeer snel zijn verlopen ik kan wat dit betreft tot een oordeel komen omdat ik er heel dichtbij heb gezeten dat men hier niet op bestuurlijk achterlopende wetgeving kan wachten. Ik verwijs hierbij naar de discussies die in het verleden over vergunningverlening met betrekking tot niet-ingedeelde gebieden zijn gevoerd. aarbij rees de vraag wie het bevoegd gezag voor bepaalde gedeelten was. Soms ging het om de provincie, dan weer om het Rijk. Vooral als het gaat om gebieden die wat betreft natuur en milieu kwets Grenzen Noordzeekust TK

12 Van Rijn-Vellekoop baar zijn, moet er sprake zijn van een duidelijke bestuurlijke dekking. In het onderhavige gebied zijn er wat dit betreft nogal wat ongunstige ervaringen opgedaan. Het zijn de mogelijke toekomstige ontwikkelin gen die er wat ons betreft voor zorgen dat de balans nu doorslaat in de richting van indeling. Ongeacht de vraag of die ontwikkelingen al dan niet doorgaan, dergelijke discussies zijn daarmee voorkomen. Bij deze werkwijze kan er adequaat worden ingespeeld op de vraag naar economische ontwikkeling, maar kan er ook optimaal aandacht worden gegeven aan de milieuhygiemsche omstandigheden. Vandaar dat wij het amendement handhaven. Ik heb er kennis van genomen dat de staatsse cretaris de beslissing daarover aan de Kamer overlaat maar zij zal wel hebben begrepen dat de Kamer in meerderheid de door mij aangegeven argumentatie volgt. Collega Koning daagt mij uit om in te gaan op zijn, ik zou haast zeggen: demagogische, optreden. Voorzitter! In deze Kamer geldt vaak dat men, als men in de pers wil komen, demagogie moet bedrijven. Ik verdenk de heer Koning ervan dat dit een van de achterliggende gedachten is bij zijn optreden. Waar de inhoud van dit wetsvoorstel niet leidt tot spectaculair optreden, moet er blijkbaar naar andere middelen worden gezocht. Het is in dit kader dat ik zijn min of meer seksistische opmerkingen over "amesvrede" beschouw. Als mannen het hier met elkaar eens waren, heb ik nooit gemerkt dat het geslacht er zo expliciet bij werd vermeld. Als het om dames gaat, schijnt dat wèl altijd te moeten gebeuren. Voorzitter, wij zijn kamerleden. e heer Koning (VV): Het is toch een bekend voorbeeld van vrede: de "amesvrede" van 1529! Mevrouw Van Rijn-Vellekoop (PvdA): Heren kunnen natuurlijk geen vrede sluiten; vanuit hun macho-ima go dat zij toch moeten handhaven, willen zij altijd graag laten zien wie zij wel of niet zijn. In ieder geval heeft er geen enkele andere bedoeling achter gelegen dan er in gezamenlijk overleg proberen uit te komen. Het moet mij van het hart dat de heer Koning alleen maar kennis heeft genomen van het amendement en er niet op heeft gereageerd. Ik vind het prima dat hij ons amendement gaat steunen en ik hoop dat wij in de toekomst op een andere manier, eventueel met de oppositiepartij, amendementen in kunnen dienen. e heer Koning (VV): Het amende ment dat u in eerste aanleg hebt ingediend, hebt u aan mij voorge legd. Het amendement waarom het nu gaat, heb ik in deze zaal gekregen, al ondertekend. Mevrouw Van Rijn-Vellekoop (PvdA): Op het eerste amendement heb ik van u geen reactie gehad! e heer Koning (VV): Jawel, ik heb u gezegd dat ik het daarmee eens was. Mevrouw Van Rijn-Vellekoop (PvdA): Ik dacht dat u zei dat u het nog niet goed bekeken had, maar hoe dan ook, dat is nu historie. e vrede is in deze Kamer getekend en niet alleen tussen de dames. Ik wens de staatssecretaris succes met de behandeling van dit voorstel in de Eerste Kamer, opdat de afronding nog dit jaar kan plaatsvinden en de zaken op 1 januari 1991 geklaard zijn. Staatssecretaris e Graaff-IMauta: Mijnheer de voorzitter! Mevrouw Van Rijn wees op de nadelen van onzekerheid. Ik onderschrijf de door haar genoemde punten. Beiden proberen wij van onzekerheid een stukje zekerheid te maken. Het amendement is duidelijk en ik wacht het oordeel daarover af. e algemene beraadslaging wordt gesloten. e voorzitter: Ik stel voor, volgende week dinsdag bij leven en welzijn te stemmen over het amendement en het wetsvoorstel. aartoe wordt besloten. e vergadering wordt van uur tot uur geschorst. Voorzitter: Castricum e voorzitter: e ingekomen stukken staan op een lijst, die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan, dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd. Regeling van werkzaamheden e voorzitter: Op verzoek van de PvdA-fractie benoem ik: - in de vaste Commissie voor EG-zaken het lid Jurgens tot lid in plaats van het lid Witteveen-Hevinga en het lid Witteveen-Hevinga tot plv. lid in plaats van het lid Jurgens; - in de vaste Commissie voor Financiën het lid e Jong tot lid in de bestaande vacature; - in de vaste Commissie voor welzijn en cultuur het lid Ruigrok-Verreijt tot plv. lid in plaats van het lid Buurmeij er. Ik stel voor, de stukken en (Maatschappelijke opvang) - behandeld in een UCV op 2 juli 1990 voor kennisgeving aan te nemen. Ook stel ik voor, aanstaande dinsdag te stemmen over de tijdens de UCV van 2 juli 1990 over subsidiefraude voorgestelde motie-e Korte indien voldoende ondersteund over een uitruil van subsidieregelin gen tegen een tariefverlaging in de loon en inkomstenbelasting (17050, 21080, nr. 115). Verder stel ik voor, aan de orde te stellen en de behandeling ervan toe te voegen aan de agenda van volgende week: - het verslag van het op 4 juli 1990 gehouden mondeling overleg over het Kerndocument Gezondheidsbe leid (21545, nr. 5), met spreektijden van 2 minuten perfractie. Voor het debat over het NMP-plus, stel ik de volgende spreektijden voor: 45 minuten voor de fracties van CA en PvdA; 30 minuten voor de VV-fractie; 25 minuten voor de 66-fractie; 20 minuten voor de fractie van Groen Links; 15 minuten voor de fracties van SGP en GPV; 10 minuten voor de fracties van RPF en C. Verder stel ik voor, de minister van Financiën op dinsdag 18 september te uur in de gelegenheid te Regeling van werkzaamheden TK

13 voorzitter stellen, de rijksbegroting voor het jaar 1991 aan te bieden. Ten slotte stel ik voor, aan de orde te stellen en te behandelen in de vergaderingen van 19 en 20 septem ber: - het wetsvoorstel Nieuwe bepalin gen met betrekking tot gemeenten (Gemeentewet) (19403) (eerste termijn van de kant van de Kamer; met voortzetting in de week daarna); - het voorstel van wet van de leden Biesheuvel, Linschoten en Van Nieuwenhoven tot wijziging van de Organisatiewet Sociale Verzekering (overdracht van taken en samenwer king door de bedrijfsverenigingen) (21207) (indien de voorbereiding zal zijn voltooid); - het wetsvoorstel Aanpassing aan de Grondwet van de giftenaftrek in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 en van enige daarmee samenhangen de bepalingen in andere wetten (21335); - het wetsvoorstel Tijdelijke voorzie ning met betrekking tot de wettelijke minimumloonaanspraken van werknemers die gelijktijdig arbeid verrichten en onderricht ontvangen (21143); - het wetsvoorstel Wijziging van enkele wetten betreffende het doen vervallen van de eis van Nederlander schap voor bepaalde functies (21215). Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten. e voorzitter: Ik bepaal nader, dat de UCV van maandag 10 september van de vaste Commissie voor welzijn en cultuur en die van maandag 17 september van de vaste Commissie voor het midden en kleinbedrijf niet doorgaan. Ik bepaal, dat uitgebreide commis sievergaderingen zullen worden gehouden op maandag 24 septem ber: I. van tot uiterlijk uur van de vaste Commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid over het Kabinetsstandpunt Financiering Oudedagsvoorziening (20640); II. van tot uiterlijk uur van de vaste Commissie voor het milieubeheer over het Kabinetsstand punt Tien jaren-scenario bodemsane ring en bedrijfsterreinen (21557). Aan de orde is de behandeling van: - het wetsvoorstel Regeling van het assurantiebemiddelings bedrijf (Wet assurantiebemidde lingsbedrijf) (20925). e algemene beraadslaging wordt geopend. e heer Smits (CA): Mijnheer de voorzitter! Na de meer dan uitvoerige schriftelijke voorbereiding van het onderhavige wetsvoorstel zijn er in het kader van de plenaire behande ling van de Wet assurantiebemidde lingsbedrijf namens de CA-fractie slechts een beperkt aantal opmerkin gen te maken. Allereerst dank ik de regering voor de overvloedige wijze waarop zij de Kamer van allerlei informatiemateriaal met betrekking tot het onderhavige wetsvoorstel heeft voorzien. e CA-fractie spreekt de hoop uit, dat dit wets voorstel snel het Staatsblad zal bereiken. Een van de probleempunten rond deze wet blijft toch wel dat de Nederlander die ambitie heeft in het assurantiebemiddelingsbedrijf, in een nadelige positie verkeert ten opzichte van collega's uit andere EG-lidstaten. e CA-fractie heeft in het voorlopig verslag en eindverslag gemotiveerd uiting gegeven aan dit probleem. e erkenning van de minister van Financiën dat hij niet heeft willen e heer Smits (CA) ontkennen dat er sprake is van verschillende eisen voor degene die het beroep van assurantiebemidde laar voor het eerst in Nederland wil gaan uitoefenen, en degene die het beroep reeds in een andere EG-lid staat uitoefent en op basis van de richtlijn toegelaten moet worden tot het beroep van assurantiebemidde laar in Nederland, mag tot de conclusie leiden dat de regering het bezwaar van de CA-fractie deelt. Maar het lost niets op. Het is een goede zaak dat Nederland vesti gings en kwaliteitseisen stelt. Het mag echter niet zo zijn dat in het kader van de Europese integratie de laagste norm de maatstaf gaat worden. Het onderhavige wetsvoorstel zal ertoe leiden dat het aantal van vier registers zal verdwijnen, waarvoor één register met twee varianten in de plaats komt. Met name het huidige C en -register zal verdwijnen. Ondanks allerlei overgangsmaatrege len en hardheidsclausules zullen een aantal in het C en -register ingeschreven assurantiebemidde laars de eindstreep niet halen. it lijkt een wrange zaak, omdat de vergelijkbare collega-assurantiebe middelaar uit bijvoorbeeld Italië op grond van de wetgeving aldaar tengevolge van die Europese regelgeving als het ware zonder slag of stoot in Nederland kan gaan ondernemen. Assurantiebemiddeling TK

14 Smits In de nota naar aanleiding van het eindverslag geeft de minister van Financien gelukkig aan dat hij het zeer wel mogelijk acht dat de huidige assurantiebemiddelingspraktijken in de toekomst de nodige verande ringen zullen ondergaan, met name onder invloed van Europese regelge ving. Gesteld wordt dat in Brussel hiertoe reeds de nodige initiatieven worden ontwikkeld. Graag vernemen wij van de minister welke initiatieven dit betreft. e CA-fractie wil graag uit het antwoord van de minister vernemen dat tevens wordt gewerkt aan maatregelen die ertoe leiden, dat de kwaliteitseisen binnen de EG op een zelfde niveau worden gebracht, zodat de verschillen die er thans nog zijn, zullen verdwijnen. In mijn fractie werd aan dit punt nogal zwaar getild. Een van de argumenten om de Wet assurantiebemiddeling te vervangen door de Wet assurantiebemidde lingsbedrijf spruit voort uit de wens van de regering om uit een oogpunt van openbaar belang, zoals zij zegt, te komen tot een vermindering en vereenvoudiging van overheidsrege lingen. e vraag is of dit een vruchtbare stelling is. Uit sonderin gen bij de Sociaal-economische raad hebben wij begrepen dat de onderha vige wet juist leidt tot een taak en lastenverzwaring bij de SER. Is dit een juiste constatering en, zo ja, ten laste van wie zijn de budgettaire consequenties? In artikel 2 van het wetsvoorstel wordt aangegeven dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden "bepaald dat, en zo nodig onder welke voorwaarden, deze wet geheel of gedeeltelijk niet van toepassing is op de bemiddeling in bij dit besluit aan te wijzen vormen van verzeke ring." Op dit artikel willen wij met de PvdA een amendement indienen. Collega Van der Vaart, die hiertoe het initiatief heeft genomen, zal zo nodig dit amendement nog van een toelichting voorzien. oor de Consumentenbond is naar voren gebracht dat het wenselijk zou zijn om in de wet een artikel op te nemen, waarin wordt bepaald dat tussen de opdrachtgever en de assurantiebemiddelaar een stand aard-opdrachtformulier wordt ingevoerd, zodat de verzekeringne mer weet welke prestatie van de bemiddelaar mag worden verwacht. Uit dit opdrachtformulier dient volgens de Consumentenbond duidelijk te worden in welk opzicht de tussenpersoon voor hem werkt. Aan de zijde van de CA-fractie is geen bezwaar tegen een dergelijk stand aard-opdrachtformulier. Maar vanuit onze visie op de inrichting van de samenleving achten wij het aanbeve lenswaardiger dat de bedrijfstak zelf door middel van zelfregulering komt tot een dergelijk standaard-opdracht formulier. e bedrijfstak van de assurantiebemiddeling kent verschil lende voorbeelden van zelfregulering en weet zelf orde op zaken te stellen, zo is gebleken. Wellicht wil de minister in navolging van mijn oproep ook een beroep doen op deze bedrijfstak om door middel van zelfregulering tot een standaard-op drachtformulier te komen. Tot slot, voorzitter, is er de vraag of het wenselijk is, deze wet na bijvoorbeeld vijf jaar te evalueren. Wij denken dan aan vraagstukken zoals: 1. wordt er inderdaad gewerkt aan een standaard-opdrachtformulier; 2. zijn er ontwikkelingen met betrekking tot de beroepsaansprake lijkheidsverzekering; 3. hoe beïnvloedt de Europese eenwording de ontwikkeling van de assurantiebemiddeling; 4. wat zijn de consequenties van de versoepeling van het structuurbleid, waardoor bijvoorbeeld assurantiebe middelaars in bankdiensten kunnen gaan. e heer Van der Vaart (PvdA) Mijnheer de voorzitter! In het schriftelijk onderzoek is van de zijde van mijn fractie al het nodige over het wetsvoorstel gezegd. it is in zekere zin een understatement en ik kan nu dus aanmerkelijk korter zijn. Ik wil ook, net als mijn collega Smits, de minister en zijn ambtenaren zeer danken voor de gedegen beantwoor ding van de vele vragen die gesteld zijn. Niet in de laatste plaats wil ik dankzeggen voor de enquête die op ons verzoek gehouden is, waardoor wat beter in beeld komt wat wij aanrichten in deze beroepsgroep, alsmede voor de diverse nota's van wijziging, die ik toch zeer in het verlengde zie van de inbreng die wij geleverd hebben. Bij de beoordeling van het wetsvoorstel heb ik van het begin af aan gekeken of het consumentenbe lang aan de ene kant en het belang van de tussenpersonen en de verzekeraars aan de andere kant door het wetsvoorstel op evenwichte wijze werden gediend. Het is niet zo dat deze belangen zonder meer tegen strijdig zijn - zij zullen vaak parallel lopen maar er kunnen natuurlijk accenten worden gelegd. In het voorlopig verslag heb ik uitgesproken dat er naar de toenma lige taxatie toch wel een aantal kansen werden gemist op het punt van het dienen van het consumen tenbelang. e verhoging van de vakbekwaamheidseisen voor de tussenpersonen is hier positief te waarderen, maar voor het overige had de aanleiding inzake de deregu lering toch de overhand in het wetsvoorstel. Gaande de wetsbehan deling en kennis nemende van de nota's van wijziging is dat beeld stellig enigszins bijgekleurd. Ik hecht bijvoorbeeld zeer aan de bij de laatste nota van wijziging aange brachte verplichting tot het vermel den van volmachten door een tussenpersoon, waardoor je kunt zien of er een mogelijke spanning bestaat op het punt van het dienen van twee heren. Ik hecht ook zeer aan de overgangsregeling die geïntrodu ceerd is bij de eerste nota van wijziging, voor de wat oudere doch ervaren assurantiebemiddelaars. it is natuurlijk voor die beroepsgroep van belang, maar ook voor de klanten van deze mensen, die er waarschijn lijk niet om zitten te springen dat het de bemiddelaar opeens verboden wordt om nog langer werkzaam te zijn. Ik hecht ook aan de vrijstelling die min of meer in het vooruitzicht wordt gesteld voor een aantal voor de consument handige combinaties. Je koopt een fiets en je kunt tegelijker tijd een fietsverzekering afsluiten. at je daarvoor niet naar de tussen persoon hoeft ergens anders in de stad, lijkt mij zeer gewenst. Ik kom daar straks nog op terug. Niettemin is mijn aanvankelijke oordeel niet geheel weggenomen. Ik zou zelf een lichte voorkeur hebben gehad om de wettelijke regels nog wat aan te scherpen op het punt van het regelen van de onafhankelijkheid van de tussenpersonen en voorts in die zin, dat men verplicht is om het beste advies aan de tussenpersoon te geven en dat een beroepsaanspra kelijkheidsverzekering verplicht zou kunnen worden. Ik begin mij ook af te vragen of de diverse concurrentiebe perkende bepalingen in de wet, zoals het verbod op retourprovisie en het min of meer op verdekte wijze betalen van provisie via de premie van de verzekeraars, nog wel Assurantiebemiddeling TK

15 Van der Vaart allemaal in het belang van de consument zijn. at ik er uitemdelijk niet toe kom om daarover amende menten in te dienen of voor te stellen, is omdat er toch wel een aantal dingen tegenover staan. Ten eerste ben ik redelijk onder de indruk geraakt van de grote mate van de effectieve zelfregulering van deze branche. Er zijn dan ook nauwelijks gedocumenteerde misstanden. Wij hebben geen brieven gehad in het kader van de wetsbehandeling, aangevende dat er in deze branche iets mis is. Een aantal van de punten van mogelijke regelgeving die ik net heb genoemd, zijn in het kader van de zelfregulering behoorlijk adequaat geregeld. Een tweede punt is dat natuurlijk de hele voorbereiding van het wetsvoorstel op zichzelf noodt tot terughoudendheid met wat verder gaande wijzigingen van het wets voorstel. Het komt meer uit de dereguleringshoek dan vanuit een onderzoek naar bijvoorbeeld de structuur van de branche of de toekomst van de branche. Een derde punt is dat de doorha lingsgrond van de SER, op grond waarvan men de registratie van een tussenpersoon kan schrappen, aanmerkelijk is verbreed. Het belang van verzekerden is daar zeer nadrukkelijk aan de orde gekomen. e SER kan op zichzelf uit de voeten, als hij van dat artikel goed gebruik maakt. at leidt overigens wel tot de vraag hoe de SER met dat artikel omgaat. Het is natuurlijk vrij open geformuleerd. at is een punt waarop ik straks nog even terugkom. Ten vierde zijn er de EG-ontwikke lingen die enigszins tot terughou dendheid leiden om nu verdergaande wijzigingen voor te stellen. Men is daar druk aan het studeren op allerlei concurrentiebeperkende voorzienin gen en regelingen in allerlei lidstaten. at kan ook voor deze branche op termijn nog consequenties hebben. ie kunnen wij misschien beter even afwachten. Ten slotte is er de hele ontwikke ling op het punt van het bemiddelen in bankprodukten door assurantiebe middelaars. Wij zijn in feite bezig met een vrij gedetailleerde vestigingsre geling voor assurantietussenperso nen en het is de vraag of over vijf jaar die beroepsgroep als zodanig nog bestaat en of wij dan niet veel eerder zullen praten over bemiddelaars in financiële produkten in het algemeen en of wij dan misschien geen behoefte krijgen om de vestigingsre geling daarop toe te snijden. ie ontwikkelingen zijn echter nog gaande. Het is misschien beter daarop nu niet vooruit te lopen. e wettelijke voorzieningen op het bemiddelen in bankprodukten zijn echter nogal versnipperd. Hier valt inderdaad wel iets te verbeteren. Misschien moeten wij daaraan op termijn eens denken. it alles heeft mij tot de conclusie gebracht, dat wij niet moeten proberen de voorgestel de regelgeving te veel te wijzigen. Er is veel in beweging. Wij kunnen beter even afwachten. Ik ben echter met collega Smits van mening dat het nuttig kan zijn over vier a vijf jaar tot een evaluatie van deze regeling te komen en te bezien of het wetsvoor stel aan de wensen voldoet. Een volgende conclusie is dat hetgeen wij nu niet wettelijk regelen misschien via de lijn van zelfregule ring tot stand kan komen. ie schijnt immers goed te werken. Ook ik vind een standaard-opdrachtformulier een goede zaak. Ik heb daarover echter nog geen afgewogen oordeel. Ik zie enkele voordelen maar ook enkele nadelen. Het lijkt mij zeer goed als de minister het initatief neemt om samen met de branches deze zaak verder te verkennen. Het lijkt mij ook een goede zaak wanneer de consu mentenorganisaties wat nadrukkelij kerworden betrokken bij de bestaan de provicie-afspraken in deze branche. aarmee wordt omzichtig omgesprongen. Mijn volgende punt betreft de afschaffing van het C-register voor de bemiddelaars en de desbetreffen de enquête. Er blijken ongeveer 6000 tussenpersonen in het C-registerte staan die alsnog een diploma moeten halen, zij het dat er 1100 afvallen die nog dispensatie krijgen op grond van de oude overgangsbepalingen en 600 op grond van de nieuwe overgangsbepaling die wij gedurende de behandeling van de wet hebben geïntroduceerd. Het gaat dus om ongeveer 4000 mensen die alsnog aan de studie moeten. Naar mijn mening is het gerecht vaardigd jegens deze 4000 mensen dit register te laten vervallen. Wij geven namelijk vier jaar de tijd. Uit de stukken blijkt, dat de studieduur ongeveer 15 maanden bedraagt en de slaagkans 40% is. Vier jaar lijkt mij dan inderdaad ruim voldoende. Vervolgens zitten er bij degenen die het diploma moeten halen een groot aantal reisbureaus, plus minus 300, en ongeveer 700 rijwielhandela ren die in verzekeringsprodukten doen Ik hecht er zeer aan dat deze categorieën in artikel 2 worden gedekt en worden vrijgesteld van deze wet. Het lijkt mij namelijk voor de consument een zeer handige combinatie. In de stukken wordt steeds gesproken over fietsverzeke ringen. Ik zou daarbij echter ook de bromfietsverzekeringen willen betrekken. Ik verzoek de minister ons nu toe te zeggen, dat deze twee categorieën in ieder geval vrijgesteld worden. Als ik de cijfers zie van andere beroepen waarbij ook verzekerings activiteiten ontplooid worden, tref ik daarin geen categorieën aan die ook vrijgesteld moeten worden. Het gaat bijna altijd om beroepsgroepen die een vrij breed pakket aan verzeke ringsprodukten hebben. ie moeten dan inderdaad maar het diploma halen. Is de minister ook deze mening toegedaan? Ik ben van mening dat er ook wel enig werk verricht moet worden op het punt van de voorlichting. eze 4000 mensen moeten inderdaad op de hoogte gesteld worden van het feit dat zij aan de slag moeten als gevolg van deze nieuwe wet. Hoe wordt daarin voorzien? Een deel van de wet dat betrekking heeft op de gevolmachtigde agenten wordt in feite niet herzien, hoewel de werkgroep-nicaise eigenlijk afschaf fing van die hele regeling bepleitte. In de stukken wordt een onderzoek aangekondigd. Volgens de laatste informatie zou dat onderzoek nu afgerond moeten zijn. Ik vraag de minister naar de stand van zaken op dit moment. Ik wil daarbij overigens wel zeggen, dat naar mijn oordeel een wijziging van dit deel van de wet in feite niet nodig is. Misschien is de minister inmiddels ook tot die conclusie gekomen? Het amendement betreft artikel 2. Collega Smits heeft de strekking van het amendement reeds nader toegelicht. Wanneer wij als mede wetgever een wet goedkeuren, past het naar mijn mening niet een artikel in de wet te hebben waarin openlijk wordt gezegd dat de minister bij gedelegeerde wetgeving hele delen buiten werking kan stellen. eze bevoegdheid moet beperkt worden en daarvoor moeten criteria in de wet worden opgenomen. at is vrij gedegen onderzocht en dat blijkt ook uit de stukken. Bezien is of het niet mogelijk zou zijn om deze materiële Assurantiebemiddeling TK

16 Van der Vaart normen in de wet op te nemen, zodat het een echte gedelegeerde be voegdheid, zonder verdere procedu rele verplichtingen zou worden. at is gewoon niet gelukt. Omdat er zoveel zaken met verschillende redenen tot vrijstelling zijn die hieronder vallen, zou een vrij gedetailleerde aanvulling van de wet noodzakelijk zijn. Wat het materiële betreft, speelt voor mij bij dit artikel ook een rol dat een aantal beslissin gen over de vraag wie men zou willen vrijstellen, thuishoort in het publieke debat van de volksvertegenwoordi ging. Ik noem bijvoorbeeld de zaak van de fietsen en van de reisbureaus. at zijn typische consumentenbelan gen. Een beslissing hierover zouden wij hier ook moeten kunnen nemen. In amendement op stuk nr. 14 wordt een lichte voorhangprocedure geïntroduceerd: de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur wordt niet gedaan dan nadat het ontwerp in de Staatscourant is bekendgemaakt. e Kamerzou dan, zo nodig, het initiatief kunnen nemen om de minister daarop aan te spreken. e heer Van Erp (VV): Mijnheer de voorzitter! Over de geschiedenis van dit wetsontwerp wil ik alleen opmerken dat dertien jaar een hele tijd is, een tè lange tijd! Ik onder schrijf dan ook de vraag van de heer Smits om ervoor te zorgen dat dit wetsontwerp zo spoedig mogelijk kracht van wet krijgt. Ik verwijs allereerst naar de UCV die in 1983 op initiatief van de fracties van de PvdA en de VV is gehouden over het verzekeringswe zen in Nederland. estijds was het economisch belang een cruciaal belang, dus ook de grote bron van werkgelegenheid van het Nederland se verzekeringswezen, waaronder men verstaat: verzekeraars en tussenpersonen. Ook mag niet worden vergeten dat de huidige wet heeft geleid tot het meest professio nele assurantiebemiddelingsbedrijf in Europa en dat ten voordele van de consument. Met het Verenigd Koninkrijk heeft Nederland de best ontwikkelde assurantiebemiddelings bedrijven. us 1992 betekent naar de mening van de VV-fractie voor het verzekeringswezen in Nederland dan ook geen bedreiging maar goede kansen. Overigens moet in EG-ver band wel de harmonisatie voor regelgeving beperkt blijven tot wat strikt noodzakelijk is voor de bescherming van de consument. Juist het Nederlandse systeem: het normatieve toezichtsysteem en de grootst mogelijke onafhankelijke opstelling van het intermediair, hebben ervoor gezorgd dat Neder landse verzekeringen, inclusief de provisie, tot de goedkoopste van Europa behoren. Het thans aan de orde zijnde wetsontwerp vloeit voort uit de behoefte om te komen tot een vermindering en vereenvoudiging van overheidsregels. Als zodanig is dit toe te juichen. Toch is er wat dit wetsontwerp betreft ook sprake van een zekere lastenverzwaring en van een nieuwe vestigingsregeling. Kon men tot nu toe worden ingeschreven in het register zonder dat men beschikte over een diploma, bij het van kracht worden van dit wets ontwerp is die mogelijkheid uitgeslo ten en is er dus een drempel opgeworpen om zonder diploma als bemiddelaar in verzekenngen te starten. Wij onderschrijven de stelling dat verzekeraars er evenzeer belang bij hebben om een goede relatie met tussenpersonen in stand te houden dan een tussenpersoon heeft om de cliënten tevreden te houden. at houdt inderdaad in dat het initiatief tot het nemen van maatregelen tegen een tussenper soon uit moet gaan en ook zal gaan van de verzekeringnemer zelf. at wordt ook in de memorie van antwoord gesteld. Het meest effectieve sanctiemiddel is het verbreken van de contacten en de contracten met de tussenpersoon en eventueel het ruchtbaarheid geven aan slechte ervaringen. Een positieve mond-op-mond-reclame is juist voor een verzekeringsbemiddelaar van levensbelang, want bespreking van verzekeringsperikelen is altijd een dankbaar onderwerp. Ook om die reden zijn bemiddelaars aangesloten bij hun organisaties NVA en NBVA en willen zij graag voldoen aan de gedragsregels. Ik onderschrijf datgene wat de heer Van der Vaart hierover heeft gezegd. Het is een vorm van zelfregulering waar ook mijn fractie grote waarde aan hecht. Wij delen de mening van de indieners van het wetsontwerp dat het om die reden niet nodig is deze gedragsre gels op te nemen in de wet zelf. In dat kader heb ik nog een vraag naar aanleiding van het proefschrift van mevrouw mr. Vriesendorp. Zij wil een sterkere consumentenbescher ming, maar zij acht de gedragsregels hiervoor niet voldoende. Zij wijst op de vele procedures die worden gevoerd, waarbij consumenten in de knel raken. Ik heb geen inzicht in het aantal procedures. Ik vraag de minister dan ook of hij enig inzicht heeft in het aantal transacties per jaar het moet in de miljoenen lopen - en daar tegenover het aantal procedures. e Consumenten bond zou graag zien dat via zelfregu lering standaard-opdrachtformulieren worden ingevoerd, zodat de verzeke ringnemer weet welke prestatie van de bemiddelaar mag worden verwacht en in welk opzicht de tussenpersoon voor hem werkt. Ook de heer Smits en de heer Van der Vaart hebben daarop gewezen. Wil de minister dit stimuleren in het regelmatig contact met de organisa ties? Of zegt de minister: ik zie daar niks in; het hoeft voor mij niet? Het register is openbaar. Kan worden bevorderd dat het ter inzage ligt bij de kamers van koophandel? Als consumenten wordt geadviseerd goede voorlichting te krijgen, dan moeten zij ook een mogelijkheid hebben om dichtbij huis de registers in te kijken. Het lijkt mij een goede gedachte om de registers bij de kamers van koophandel te depone ren, opdat de consumenten en het bednjfsleven daarvan kennis kunnen nemen. Wij zien ook iets in de gedachte om na een periode de wet te evalueren om te zien of er voldoende mededinging is. Boeiend vonden wij de discussie tussen de PvdA en de regering over de kwestie om in het wetsvoorstel nader te regelen dat een tussenper soon steeds aan een verzekeringsne mer dient duidelijk te maken welke provisie is verbonden aan elk verzekeringsprodukt en dat de uitbetaalde provisie op de premieno ta wordt gespecificeerd. Wij delen de opvatting van de regering dat de uitvoering van deze gedachte tot meer complicaties aanleiding geeft dan men op het eerste gezicht zou denken. e argumenten daartegen zijn uitvoerig in de memorie van antwoord op het eindverslag opgenomen. Wij zijn het eens met de conclusie dat provisievermelding het accent te sterk zal leggen op het pnjsaspect in plaats van op de prijs-prestatieverhouding. In de memorie van antwoord op het eindverslag wordt gesteld dat het zeer wel mogelijk is dat de huidige Assurantiebemiddeling TK

17 Van Erp assurantiebemiddelmgspraktijk de nodige veranderingen zal ondergaan, met name onder invloed van de Europese regelgeving. Aan welke veranderingen wordt daarbij ge dacht? Zijn die al enigszins in beeld te brengen? Aan ondernemers wordt steeds voorgehouden dat zij moeten inspelen op de veranderingen die Europa 1992 met zich brengt, maar zij moeten dan wel tijdig weten welke veranderingen dat kunnen zijn. Kan de minister hierop ingaan? In de memorie van antwoord op het eindverslag is gesproken over de definitie van het woord "bemidde len". Ik denk dat de heer Van der Vaart geen komma of punt, letter of woord uit de wet heeft overgeslagen ter behandeling, waarvoor overigens mijn complimenten. Ikwil mij echter in de discussie mengen, omdat ik met een vraag bleef zitten toen ik dit las. e bewindslieden zeggen dat van bemiddelen sprake is bij handelingen die erop gericht zijn een contact tot stand te brengen tussen twee partijen Indien de bemoeienis beperkt blijft tot het vaststellen van de meest passende verzekering en het verder aan de klant wordt overgelaten wat hij met deze informatie doet, kortom, als het contact geen contract oplevert, zou er geen sprake zijn van bemiddeling. Ik zet vraagtekens bij die opvatting. Contact en uitwisseling van informa tie over en weer met het motief een contract tot stand te brengen, is in mijn visie ook bemiddeling. Mijnheer de voorzitter! Het onderhavige wetsvoorstel is een degelijk stuk werk. Het biedt een sterke bescherming aan de consu ment. Het is overigens jammer dat niet voorkomen kan worden dat ambtenaren in de tijd van de belastingbetaler ook tussenpersoon spelen Ik heb vanmorgen nog eens een uitdraai gemaakt van het aantal vragen dat aan kamerleden is gesteld over assurantie, bemiddeling en ambtenaren die betrokken zijn bij bemiddeling in welke vorm dan ook. at zijn nogal wat vragen en antwoorden. Met dit wetsvoorstel is dat probleem niet opgelost, want het gaat dan over de "direct writers", zoals men die in verzekeringskringen noemt. Mijn vraag is: kan op enige wijze voorkomen worden dat ambtenaren in de tijd van de belastingbetaler ook tussenpersoon spelen? Met name bij gemeenten en departementen is dat kwaad nog steeds niet uitgeroeid. Wat denkt deze minister van Financiën hieraan te doen? Juist het ministerie van Financiën zou moeten voorkomen dat dergelijke oneigenlijke bemiddelings praktijken ontstaan. Ik zie graag dat de ministervan Financiën daarop actie onderneemt want het levert nog bezuinigingen op ook. Voorzitter! Ik heb kennis genomen van het ingediende amendement van de heren Van der Vaart en Smits. Een dergelijke voorhangprocedure in lichte vorm door middel van een voorpublikatie spreekt mij erg aan. Ik zal mijn fractie dan ook adviseren, voor dit amendement te stemmen. e heer Ybema (66): Mijnheer de voorzitter! e bedoeling van het wetsvoorstel dat wij vanmiddag behandelen, is te komen tot een vermindering van overheidsregule ring. at voornemen komt volgens de fractie van 66 niet volledig uit de verf. Onze conclusie op dat punt is dat het wetsvoorstel meer moderni seert dan dereguleert. Het bevat daarentegen ook enkele belangrijke vereenvoudigingen, dat zeg ik er onmiddellijk bij. Het hoofdpunt bij onze beoordeling van het wetsvoorstel is de relatie verzekeringnemer-tussenpersoon verzekeraar. Mijn fractie onderschrijft vooralsnog de conclusie uit het proefschrift van mevrouw Vriesen dorp-van Seumeren dat de band tussen de tussenpersoon en de verzekeraar in de praktijk vaak sterker is dan de band tussen de tussenper soon en de verzekeringnemer. e minister heeft in de schriftelijke inbreng daarop gereageerd door te zeggen dat er eigenlijk sprake is van een samenwerkingsovereenkomst en een rekening-courantverhouding tussen de verzekeraar en de tussen persoon en dat dit constructies zijn die vooral zijn ingegeven vanuit praktische overwegingen. Zij kunnen niet zozeer worden gebruikt als argument voor de constatering dat er sprake zou zijn van een hechte relatie. Volgens mij is de rechtsposi tie van de verzekeringnemer in relatie tot de tussenpersoon daarmee niet echt geregeld, en daar gaat het toch met name om. at is het gevoelige punt in de beoordeling van die relatie. Voor de consument is het heel moeilijk om vast te stellen of en, zo ja, in welke mate de tussenper soon in zijn ogen te kort schiet omdat zijn rechtsverhouding met de tussenpersoon voor hem niet duidelijk is. ie situatie wordt in dit wetsvoorstel niet veranderd. Mede met het oog daarop pleit mijn fractie samen met alle andere fracties die tot nu toe hebben gesproken voor het invoeren van een zogenaamd standaard-opdrachtfor mulier. Wij hebben geen behoefte aan een wettelijke regeling van een dergelijk formulier. Indien het mogelijk is om het formulier via zelfregulering in overleg met de branche tot stand te brengen, dan verdient dat onze voorkeur. aarmee wordt voor de verzekeringnemer immers duidelijk wie zijn tussenper soon is, van wie hij een bepaalde prestatie mag verwachten en aan wie eventuele fouten kunnen worden toegerekend. Ik wil met andere collega's graag van de minister weten of hij bereid is, initiatieven te nemen om in het overleg met de branche tot een dergelijk formulier te komen. Mijnheer de voorzitter! Het tweede punt waarbij ik even kort wil stilstaan is het volgende. Wanneer de tussenpersoon niet aan zijn verplich tingen voldoet, moet de consument dit kunnen vaststellen en zou dit consequenties moeten kunnen hebben voor de verplichting tot het betalen van provisie door de verzekeringnemer. Het moeilijke punt daarbij is dat de verzekeringnemer geen zicht heeft op de hoogte van het door hem betaalde provisiebe drag. Het beste zou zijn om het premiebedrag en de provisie apart te laten afrekenen. Mijn fractie kan zich voorstellen dat dit om praktische redenen niet goed mogelijk is. Misschien is het mogelijk om in het door mij al eerder aangehaalde reguliere overleg tussen de minister en de branche te pleiten voor een explicietere formulering van het door de verzekeringnemer te betalen premie en provisiebedrag? Ook een dergelijke praktische maatregel kan in de visie van mijn fractie de positie van de consument versterken en de markt doorzichtiger maken. Ik hoor graag op dat punt de reactie van de minister. In artikel 14 van het wetsvoorstel dat voorligt, wordt het verbod op retourprovisie geregeld. Uit oogpunt van deregulering en het versterken van de concurrentiemogelijkheden zou dit artikel geschrapt kunnen worden. e tussenpersoon heeft dan de mogelijkheid om lagere provisie kosten aan de consument door te Assurantiebemiddeling TK

18 Ybema berekenen. it draagt dan bij tot een gezonde prijsconcurrentie tussen de bemiddelaars. Op zichzelf lijkt mij dit een plausibele redenering die bij kan dragen tot deregulering en tot een versterking van de concurrentie. Ik hoor graag een nadere reactie van de minister. In artikel 14 van de huidige wet is de mogelijkheid opgenomen dat nadere regels gesteld worden voor de maximale provisie voor tussenper sonen. ie bevoegdheid zal nu, tegen het uitdrukkelijke advies van de SER in, verdwijnen. Het argument van de regering daarvoor is dat deze bevoegdheid al dertig jaar niet is gebruikt, derhalve een dode letter is gebleken en dus kan verdwijnen. at argument vindt mijn fractie niet zo overtuigend. Het afschaffen van een bepaling die een dode letter is, is ook niet echt een kwestie van deregule ring. Er is dan sprake van een formele deregulering, maar niet van een werkelijke deregulering, omdat de regelgeving op dat punt in de praktijk kennelijk niet nodig is gebleken. e bevoegdheid die nu nog in artikel 14 is geregeld, kan in de ogen van mijn fractie toch een zekere preventieve werking hebben, het "stok achter de deur"-effect. Ook op dat punt zou ik graag een nader standpunt van de minister willen horen. Mijnheer de voorzitter! e invloed van de Europese integratie en de interne markt geldt ook op dit terrein. Tijdens het enkele maanden geleden gehouden Bipar-congres heeft de vice-president van de Europese Commissie Sir Leon Brittan aangege ven dat de distributie van verzekerin gen en de bemiddeling in verzekerin gen steeds belangrijker worden in de Europese Gemeenschappen. Voorts werd in zijn verhaal duidelijk dat de Europese Commissie onder meer overweegt, met aanbevelingen te komen voor wat naar haar mening essentiële en effectieve normen zijn voor de toelating van het beroep als assurantietussenpersoon. eze aanbevelingen zouden zowel hulp moeten bieden aan nationale wetgevers, als ook een richtsnoer zijn voor de beroepsorganisaties in het geval van zelfregulering. Is er intussen al meer zicht op deze concrete voornemens van de Europese Commissie? Wat kan dat betekenen voor het thans voorliggen de wetsvoorstel? Mede gelet op de invloed van de Europese eenwording is de fractie van 66 van mening dat dit wets voorstel na een aantal jaren vier a vijf jaar - zou moeten worden geëvalueerd. an kunnen vragen worden beantwoord als: hoe zit het met de concurrentie, wordt er inderdaad gewerkt met een stand aard-opdrachtenformulier, hoe zit het met de onafhankelijkheid van de tussenpersonen in de praktijk van het huidige wettelijke regime en wat zijn de consequenties van de liberalise ring van het structuurbeleid. Ook op dat punt hoor ik graag een reactie van de regering. Mijn laatste opmerking betreft het amendement van collega's Van der Vaart en Smits. Ook mijn fractie komt het voor dat, gelet op de vrij absolute bevoegdheden die in artikel 2 aan de regering zijn gegeven, zorgvuldigheid en procedures, het aanbeveling zou kunnen verdienen om met een lichte voorhangprocedure te gaan werken. Wat dat betreft staan wij positief tegenover dat amendement. Minister Kok: Mijnheer de voorzitter! Ik dank de Kamer voor haar inbreng bij de mondelinge behandeling van dit wetsontwerp. Hieraan is verschillende sprekers hebben daar ook op gewezen al een zeer uitvoerige en op onderdelen gedetail leerde schriftelijke behandeling voorafgegaan. Het doet mij deugd, te e heer Kok, minister van Financiën kunnen constateren dat de Kamer dit wetsontwerp in grote lijnen steunt. Het ontwerp kent immers al een heel lange voorgeschiedenis. Ik ben de heer Van Erp dankbaar voor de korte beschrijving van enkele belangrijke momenten uit de periode van dertien jaar die hij noemde. Na die lange voorgeschiedenis is het van belang om te kunnen vaststellen dat veel van de in de aanloop van het wets ontwerp opgeworpen problemen door de bedrijfstak zelf bleken te kunnen worden opgelost, waardoor de discussie geleidelijkaan wat verschoven is naar enkele overblij vende vraagstukken. Het huidige ontwerp, waarin zowel verzekeraars als tussenpersonen zich hebben kunnen vinden, vormt naar mijn mening een goede basis voor een verdere ontwikkeling van de bedrijfs tak. En ik zeg graag naar aanleiding van daarover gemaakte opmerkingen toe dat ik alles zal doen wat in mijn vermogen ligt om een snelle verschijning in het Staatsblad te bevorderen. Ook de Eerste Kamer zal dit onderwerp spoedig in behande ling kunnen nemen. Voorzitter! Alle sprekers menen dat het wenselijk is om na een aantal jaren tot een evaluatie te komen. Als gewogen gemiddelde van de vanmiddag genoemde aantallen komt een periode van vijf jaar naar voren. at lijkt mij prima. Er zijn ook enkele elementen genoemd die dan in het Assurantiebemiddeling TK

19 Kok bijzonder tegen het licht moeten worden gehouden. Ik neem daarvan kennis. Bij zo'n evaluatie zal moeten worden geprobeerd een brede waaier van aspecten te beoordelen e Europese ontwikkelingen geven ook aanleiding om te mogen veronder stellen dat wij over een aantal jaren op een andere wijze tegen de problematiek in deze branche zullen aankijken. Ik zeg graag toe dat ik zal bevorderen dat een dergelijke evaluatie mogelijk wordt gemaakt. Het lijkt mij ook verstandig om op dat moment preciezer te formuleren wat de ijkpunten zijn die aan de evaluatie ten grondslag worden gelegd. Er is uiteraard discussie mogelijk over de vraag of hierbij werkelijk in alle opzichten sprake is van deregu lering. Om de woorden van de heer Ybema te gebruiken, het gaat in een aantal opzichten om stroomlijning, om een zekere modernisering. Het wetsvoorstel is indertijd mede in dat teken geplaatst en op die wijze bij de presentatie aan de Staten-Generaal voorgelegd. Er is in ieder geval een zekere beperkmg van de mate van gedetailleerdheid van regelgeving van de zijde van de overheid. at daarmee tegelijkertijd ook een bepaalde taak voor de SER wordt uitgebreid is juist. Ik kom daar nog op terug. Aan het slot van mijn antwoord zal ik spreken over het voorgelegde amendement. Eerst ga ik in op een aantal opmerkingen en vragen. e heer Smits wees erop dat zijn fractie er zwaar aan tilt dat assurantietus senpersonen uit andere EG-lidstaten op basis van werkervaring in Nederland werkzaam mogen zijn, terwijl van Nederlanders hiervoor vakbekwaamheidsdiploma's vereist worden. Ondanks het feit dat hiervoor een rechtvaardiging gevonden kan worden in het Europese beleid heeft de heer Smits gevraagd of verdere ongelijkheid zoveel mogelijk beperkt kan worden. Van mijn kant wil ik zeggen dat de door de heer Smits geschetste ongelijkheid een onvermijdelijke consequentie is van het doel van de richtlijn voor de toelating van assurantietussenpersonen uit de EG-lidstaten, namelijk het stellen van uniforme eisen voor toelating van personen uit andere lidstaten. Voor toelating tot een andere lidstaat zijn hierdoor voor allen de eisen gelijk geworden. eze eisen zullen echter vrijwel steeds verschillen van de eisen die gelden voor toelating tot het beroep in eigen land. Hier ligt ook precies een deel van het probleem. e enige mogelijkheid om dit verschil nu op te heffen zou zijn, de vakbekwaamheidseisen in Nederland drastisch te verlagen. Het komt mij voor dat dit ook voor de geachte afgevaardigde, mede vanuit een oogpunt van goede consumen tenbescherming, een ongewenste ontwikkeling zou zijn. Er is terecht op gewezen, onder meer door de heer Van Erp, dat de vakbekwaamheid van degenen die in het verzekeringswezen werkzaam zijn, waaronder ook de assurantietus senpersonen, een belangrijk element is met oog op een goede kwaliteit van de dienstverlening. Ook de consument kan hier positief gebruik van maken. Op de langere duur moet het mogelijk zijn om de verschillen op te heffen, doordat de vakbekwaamheids eisen elders in Europa worden verhoogd. Ik kan mij voorstellen dat er elders in Europa, zeker in het licht van Europa 1992 en wat hierop volgt, en ook in het licht van de gewenste consumentenbescherming en kwaliteitsverbetering, discussies op gang komen over de vraag, hoe de weg te vinden naar een verhoging van de vakbekwaamheidseisen daar. Hierin zou de positieve waardering die Nederland over het algemeen krijgt op dit punt, een bepaalde voorbeeldfunctie kunnen hebben. Het vakbekwame intermediair vormt een belangrijk verkoopnet voor elke verzekeraar die de markt wil betre den en kan daarom een belangrijke taak vervullen bij de integratie van de Europese verzekeringsmarkt. ie functie van de assurantietussenper soon benadrukken wij steeds in Brussel. Wij doen dit niet zonder succes, gezien het feit dat de Europese Commissie heeft aange kondigd met aanbevelingen te zullen komen voor de eisen die aan de onafhankelijke tussenpersonen moeten worden gesteld. Als het intermediair elders in Europa dezelfde functie zal gaan vervullen als in Nederland, zullen ook de vakbekwaamheidseisen in de diverse landen elkaar steeds meer gaan benaderen. Overigens wil ik de ongerustheid van de heer Smits dat Nederland voor die tijd overspoeld zal worden door buitenlandse tussenpersonen, enigszins wegnemen. Op basis van de richtlijn uit 1976 staan er tot op heden slechts dertien tussenperso nen ingeschreven. Wat niet is, zou echter kunnen komen. Het blijft dus van belang om hierop attent te zijn, ook in het Brusselse overleg dat wordt gevoerd. it brengt mij bij enkele andere opmerkingen over te verwachten initiatieven vanuit Brussel oor meerdere sprekers is gevraagd welke activiteiten er op Europees niveau worden ondernomen met betrekking tot de assurantiebemiddeling. eze activiteiten kunnen in twee categorie ën worden onderscheiden. In de eerste plaats de beoordeling door de Europese Commissie van door de bedrijfstak aangemelde marktafspra ken. In de tweede plaats initiatieven tot voorbereiding van nieuwe regelgeving. Bij het eerste gaat het in de assurantiebemiddeling vooral om de privaatrechtelijke provisie-overeen komst. e afspraken die tussen verzekeraars en intermediairs zijn gemaakt over de provisie, zijn in Brussel aangemeld voor een vrijstelling in het kader van artikel 85 van het EG-verdrag. In december 1989 is een voorstel gepubliceerd voor een door de Commissie uit te werken raadsverordening ter zake van het treffen van een generieke vrijstelling. Het betreft een generieke vrijstelling van de mededingingsre gels voor afspraken die van cruciaal belang zijn voor het goed functione ren van de bedrijfstak. Het opnemen van de provisie-over eenkomst in de groepsvrijstelling is onderwerp van bespreking geweest. Na nadere overweging is dit echter niet gebeurd, omdat slechts enkele van die overeenkomsten zijn aangemeld, waaronder die van Nederland. eze kwestie zou dan ook slechts voor enkele landen van belang zijn. aarom zal die overeen komst afzonderlijk worden bekeken. Het oordeel van de commissie hieromtrent wordt afgewacht, waarbij ik aanteken dat het niet opnemen in de groepsvrijstelling op geen enkele wijze een beoordeling van de merites van de zaak inhoudt. Ter zake van eventuele initiatieven tot voorbereiding van nieuwe regelgeving, heeft de vice-voorzitter van de Europese Commissie onlangs laten weten dat de Commissie een onderzoek instelt naar de uitvoering van de richtlijn van 1977 inzake de toelating van assurantietussenperso nen in andere lidstaten. aarbij wordt tevens overwogen om aanbevelingen te doen waarin de Commissie Assurantiebemiddeling TK

20 Kok uiteenzet wat volgens haar de essentiële normen zijn voor de toelating tot het beroep van assuran tiebemiddelaar. ie normen zouden de nationale wetgevers of, in geval van zelfregulering, de beroepsorgani saties een houvast moeten bieden bij de regelgeving in eigen land. Richtlijnen op dit punt zijn vooralsnog niet voorzien, maar ik kan de Kamer verzekeren dat ik - zeker tegen de achtergrond van de huidige discussie over het onderhavige wetsvoorstel - ook attent zal zijn en blijven op het stimuleren van ontwikkelingen op dit punt die ook in het belang van Nederland zijn. Mijnheer de voorzitter! Ik ga niet uitvoerig in op de op zichzelf uitdagend geformuleerde vraag van de heer Van Erp over Europa 1992 en de veranderingen die daardoor zouden kunnen ontstaan, ook voor het Nederlandse verzekeringswezen. Hij vroeg zich af of de branche en de mensen die daarin werkzaam zijn, wel in voldoende mate daarop zijn voorbereid. Ik deel zijn opvatting dat de uitgangspositie van de Nederland se verzekeringsbranche internatio naal niet slecht is. Een overdreven huiver voor de negatieve gevolgen die Europa 1992 met zich zou brengen, is dus niet nodig. aar staat tegenover dat het van groot belang is dat ook in de branche zelf, op basis van de eigen verantwoordelijkheden alles wordt gedaan om te zorgen dat wij zo goed mogelijk voorbereid aan de start verschijnen van het nieuwe Europa met de gefinaliseerde interne markt. Het is mij bekend dat daarvoor in de branche forse activiteiten worden ontwikkeld. Men bezint zich in ruimere zin op de positie van het verzekeringswezen in de jaren negentig. Men bezint zich ook op de sociale en maatschappelijke positie van het verzekeringswezen in de samenleving. Men is ook op zoek naar een zekere herdefiniëring van het evenwicht tussen bedrijfsecono mische belangen en de sociale en maatschappelijke verantwoordelijk heden die het verzekeringswezen draagt. In die bezinning worden niet alleen zaken als branchevervaging, maar ook de Europese eenwording volop meegenomen. Ik heb er dan ook vertrouwen in dat de branche zich terdege voorbereidt. Van mijn kant wil ik uiteraard alles doen om te helpen bevorderen dat dit proces wordt ondersteund, door van de zijde van de overheid voorlichting of informatie te geven waar dat mogelijk is. Mijnheer de voorzitter! e heer Smits vroeg of het wetsvoorstel tot taakverzwaring bij de SER leidt en, zo ja, voor wie dan de budgettaire consequenties zijn. Het antwoord daarop is dat enerzijds opheffing van C en -registers in de eerste plaats zal leiden tot lastenverlichting. Anderzijds zal er door delegatie van taken sprake zijn van enige nieuwe taken voor de SER. Per saldo zullen de kosten die daaraan verbonden zijn waarschijnlijk niet betekenend behoeven toe te nemen, behalve misschien in de overgangsperiode. Ik stel in elk geval vast dat de SER nadrukkelijk bij het voorbereidings proces van het wetsvoorstel is betrokken. e vraag wie de kosten van de SER draagt, laat zich beant woorden met de mededeling dat de kosten van de SER ten aanzien van de uitvoering van de wet worden omgeslagen over tussenpersonen, verzekeraars en gevolmachtigden. Mijnheer de voorzitter! Alle sprekers hebben gevraagd naar nadere mededelingen van de regering over de wenselijkheid van een standaard-opdrachtformulier. e duidelijkheid van de verhouding tussen de tussenpersoon en de cliënt zou kunnen worden vergroot wanneer de cliënt de tussenpersoon een schriftelijke opdracht zou verlenen waarin wordt omschreven wat van de tussenpersoon wordt verwacht. Voorzitter! Ik stel voorop dat een schriftelijke opdracht in een groot aantal gevallen meer duidelijk heid suggereert dan in werkelijkheid het geval kan zijn. Ook zonder zo'n formulier leidt de opdracht aan de tussenpersoon om te bemiddelen tot een aantal verplichtingen voor de tussenpersoon. Het niet nakomen van die verplichtingen kan leiden tot aansprakelijkheid jegens de cliënt, zulks wegens wanprestatie of wellicht zelfs onrechtmatige daad. Een formulier op zichzelf kan daaraan weinig toevoegen. Bovendien kan de gedachte van het opdrachtformulier ook suggereren dat de opdrachtge ver een scherp omlijnd beeld heeft van de te verstrekken opdracht. Soms is dat het geval maar niet zelden zullen consumenten niet in staat zijn om te concretiseren wat zij precies van de tussenpersoon verwachten, buiten het afsluiten van een bepaalde verzekering. Een verplichting tot het afsluiten van de beste verzekering biedt niet altijd voldoende houvast omdat niet steeds objectief meetbaar is wat de "beste verzekering" zou moeten worden genoemd. eze bezwaren in aanmerking nemend, ben ik van oordeel dat er geen aanleiding zou zijn om een opdrachtformulier voor te schrijven. Uiteraard laat dit onverlet dat de bedrijfstakorganisaties vrij zijn om, in overleg met consumentenorganisa ties, na te gaan of afspraken in die richting zouden kunnen worden gemaakt. Het ligt naar mijn mening voor de hand dat hierover door de bedrijfstakorganisaties wordt nagedacht en dat er overleg over wordt gevoerd in het kader van de zo veel besproken zelfregulering. Er is hier ook sprake van een duidelijke eigen verantwoordelijkheid waar het gaat om het zo goed mogelijk behartigen van het consumentenbe lang. Ik zie niet direct voor de minister van Financiën een aanleiding om hierin een sterk stimulerende rol te spelen maar in de contacten die er in een zekere frequentie met de bedrijfstak zijn, zal ik nagaan hoe aldaar de stand van het denken over deze kwestie is. Ook zal ik nagaan of er mogelijkheden zijn om hierover besprekingen te voeren met consu mentenorganisaties. Mijn eindoor deel over deze kwestie zou ik willen opschorten totdat ik de geactuali seerde zienswijzen van de meest betrokkenen heb kunnen vernemen. e heer Ybema (66): Mijn conclusie is dat de minister in elk geval dit punt aan de orde zal stellen in het overleg met de branche. Minister Kok: Alleen al het feit dat deze kwestie hier zo nadrukkelijk naar voren wordt gebracht, leidt tot die conclusie. Bovendien worden de aspecten van de eigen verantwoor delijkheid en de zelfregulering onderstreept. Er wordt voorts niet aangedrongen op een duidelijk voorschrift van de regering, maar alle sprekers hebben erop aangedrongen dat mogelijkheden en beperkingen worden onderzocht. eze overwegin gen geven mij voldoende aanleiding om deze zaak in het overleg met de branche ter sprake te brengen en te bezien hoe de reacties daarop zijn en hoever men op dit terrein zelf al is gevorderd. Voorzitter! e heer Van der Vaart heeft aandacht gevraagd voor het feit dat tussenpersonen steeds vaker ook in bancaire diensten bemiddelen, Assurantiebemiddeling TK

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1989-1990 21 300 V Vaststelling van de begroting van de uitgaven en van de ontvangsten van hoofdstuk V (Ministerie van Buitenlandse Zaken) voor het jaar

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1990-21 800 IX B Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van hoofdstuk IX B (Ministerie van Financiën) voor het jaar Nr. 25 VERSLAG

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1993-1994 23816 Gemeentelijke indeling van het tot de provincie Flevoland behorende zuidelijke deel van het Usselmeer en opheffing van het openbaar lichaam

Nadere informatie

R A A D V O O R G E S C H I L L E N van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants

R A A D V O O R G E S C H I L L E N van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants Nummer 5052181 R A A D V O O R G E S C H I L L E N van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants heeft bij wijze van bindend advies de volgende uitspraak gedaan in zake het geschil tussen: X eiseres

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1997 1998 25 656 Samenvoeging van de gemeenten Buren, Lienden en Maurik Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING Inhoudsopgave Het advies van de Raad van State wordt

Nadere informatie

Aan de orde is het VAO Persoonsgebondenbudget (AO d.d. 21/11).

Aan de orde is het VAO Persoonsgebondenbudget (AO d.d. 21/11). Persoonsgebondenbudget Aan de orde is het VAO Persoonsgebondenbudget (AO d.d. 21/11). Mevrouw Bergkamp (D66): Voorzitter. Eigen regie en keuzevrijheid voor de zorg en ondersteuning die je nodig hebt, zijn

Nadere informatie

' Zie de brief van deze organisaties van 2 november 1999 aan de Vaste Tweede Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

' Zie de brief van deze organisaties van 2 november 1999 aan de Vaste Tweede Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Stichting van de Arbeid Pens./1253 Aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Postbus 90801 2509 LV Den Haag Den Haag : 8 februari 2000 Ons kenmerk : S.A. 00.02835/K Uwkenmeik : SV/VP/99/68981

Nadere informatie

No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012

No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012 ... No.W03.12.0197/II 's-gravenhage, 16 juli 2012 Bij Kabinetsmissive van 18 juni 2012, no.12.001344, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering

Nadere informatie

Advies. Gemeenteraad. Westland. Prof. mr. D.J. Elzinga. Mr. dr. F. de Vries

Advies. Gemeenteraad. Westland. Prof. mr. D.J. Elzinga. Mr. dr. F. de Vries Advies Gemeenteraad Westland Prof. mr. D.J. Elzinga Mr. dr. F. de Vries Inhoud Casus... 2 Vragen... 2 Benoeming van publieke bestuurders... 3 Onduidelijkheid in wet- en regelgeving... 4 Dubbele geheimhouding?...

Nadere informatie

Reactienota en eindconclusie inzake de visie op de lokaal-bestuurlijke inrichting van Zuidoost-Fryslân en de Friese Waddeneilanden

Reactienota en eindconclusie inzake de visie op de lokaal-bestuurlijke inrichting van Zuidoost-Fryslân en de Friese Waddeneilanden Reactienota en eindconclusie inzake de visie op de lokaal-bestuurlijke inrichting van Zuidoost-Fryslân en de Friese Waddeneilanden 1. Inleiding Op 11 april 2012 hebben wij onze visie op de lokaal-bestuurlijke

Nadere informatie

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG. heeft op 11 april 2011 het navolgende arbitrale vonnis gewezen in de zaak van:

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG. heeft op 11 april 2011 het navolgende arbitrale vonnis gewezen in de zaak van: SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG Kenmerk: 11/06 Het Scheidsgerecht, samengesteld als volgt: mr. A. Hammerstein, wonende te Arnhem, voorzitter, mr. E.D. Rentema, wonende te Dordrecht, drs. A.G. Vennegoor-Kalter,

Nadere informatie

Project Mainportontwikkeling Rotterdam Procedurewijzer

Project Mainportontwikkeling Rotterdam Procedurewijzer Project Mainportontwikkeling Rotterdam Procedurewijzer meer ruimte voor haven verbetering kwaliteit leefomgeving 2 Projecten voor haven en leefomgeving procedures voor de uitvoering Het Project Mainportontwikkeling

Nadere informatie

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid.

De Commissie heeft vastgesteld dat tussenkomst van de Ombudsman Financiële Dienstverlening niet tot oplossing van het geschil heeft geleid. Uitspraak Geschillencommissie Financiële Dienstverlening nr. 21 d.d. 2 april 2009 (mr. M.M. Mendel, voorzitter, mr. E.M. Dil - Stork en mr. B. Sluijters) 1. Procedure De Commissie beslist met inachtneming

Nadere informatie

College voor geschillen medezeggenschap defensie

College voor geschillen medezeggenschap defensie ADVIES Dossiernr: Advies van het College voor geschillen medezeggenschap defensie aan de Bevelhebber der Zeestrijdkrachten naar aanleiding van een verzoek om advies inzake een tussen: de Commandant Maritieme

Nadere informatie

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige

De Minister van Veiligheid en Justitie. Postbus 20301 2500 EH Den Haag. Advies wetsvoorstel toevoegen gegevens aan procesdossier minderjarige POSTADRES Postbus 93374, 2509 AJ Den Haag BEZOEKADRES Juliana van Stolberglaan 4-10 TEL 070-88 88 500 FAX 070-88 88 501 INTERNET www.cbpweb.nl www.mijnprivacy.nl AAN De Minister van Veiligheid en Justitie

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Zitting 1981-1982 17 333 Voorstel van Wet van het lid Wilbers tot wijziging van de Omroepwet inzake de verdeelsleutel voor de verdeling van de zendtijd onder de omroeporganisaties

Nadere informatie

Correspondentieadres: Hollandseweg 20 3227 CB Oudenhoorn Tel. 0181-461429

Correspondentieadres: Hollandseweg 20 3227 CB Oudenhoorn Tel. 0181-461429 Correspondentieadres: Hollandseweg 20 3227 CB Oudenhoorn Tel. 0181-461429 Aan de griffier van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken van de Tweede Kamer de heer drs. M.J. van der Leeden Postbus 20018

Nadere informatie

Evaluatie Wet controle op rechtspersonen. Verslag van een schriftelijk overleg Vastgesteld

Evaluatie Wet controle op rechtspersonen. Verslag van een schriftelijk overleg Vastgesteld 33750-VI Nr. Evaluatie Wet controle op rechtspersonen Verslag van een schriftelijk overleg Vastgesteld De vaste commissie voor Veiligheid en Justitie heeft een aantal vragen ter beantwoording voorgelegd

Nadere informatie

Taxatie. Onjuiste taxatiewaarde. Taxatie buiten aanwezigheid van de belanghebbende partij.

Taxatie. Onjuiste taxatiewaarde. Taxatie buiten aanwezigheid van de belanghebbende partij. Taxatie. Onjuiste taxatiewaarde. Taxatie buiten aanwezigheid van de belanghebbende partij. Klaagster heeft in verband met de verdeling van een gemeenschap van goederen verschillende gerechtelijke procedures

Nadere informatie

Rapport. Datum: 27 augustus 1998 Rapportnummer: 1998/353

Rapport. Datum: 27 augustus 1998 Rapportnummer: 1998/353 Rapport Datum: 27 augustus 1998 Rapportnummer: 1998/353 2 Klacht Op 1 mei 1998 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw S. te Zutphen, met een klacht over een gedraging van de Belastingdienst/Ondernemingen

Nadere informatie

MEMORIE VAN TOELICHTING ALGEMEEN. 1. Inleiding

MEMORIE VAN TOELICHTING ALGEMEEN. 1. Inleiding Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde nader inhoud te geven aan het beginsel van openbaarheid van de behandeling van zaken betreffende personen- en familierecht MEMORIE VAN

Nadere informatie

Rapport. Datum: 1 september 2003 Rapportnummer: 2003/290

Rapport. Datum: 1 september 2003 Rapportnummer: 2003/290 Rapport Datum: 1 september 2003 Rapportnummer: 2003/290 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de Sociale verzekeringsbank, vestiging Nijmegen, hem in het kader van de klachtenprocedure niet in de gelegenheid

Nadere informatie

Rijswijk DE OCTROOIGEMACHTIGDEN telefoon 070-3905578 -------- fax 070-3905171 Beschikking A. - B.

Rijswijk DE OCTROOIGEMACHTIGDEN telefoon 070-3905578 -------- fax 070-3905171 Beschikking A. - B. Postbus 3219, 2280 GE Rijswijk -------- Beschikking A. - B. 1.1 Bij brief van 6 juni 2000 heeft de heer A. (hierna A.) aan de Raad van Toezicht (hierna de Raad) verzocht om een oordeel te geven over een

Nadere informatie

Aan Provinciale Staten van Overijssel

Aan Provinciale Staten van Overijssel www.prv-overijssel.nl Aan Provinciale Staten van Overijssel Postadres Provincie Overijssel Postbus 10078 8000 GB Zwolle Telefoon 038 425 25 25 Telefax 038 425 48 52 Uw kenmerk Uw brief Ons kenmerk Datum

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Zitting 1979-1980 15 637 Casinospelen Nr. 2 Het vroegere stuk is gedrukt in de zitting 1978-1979 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN Aan de heer Voorzitter

Nadere informatie

Inleiding. Partijen. Inhoud overeenkomst

Inleiding. Partijen. Inhoud overeenkomst Notitie bij raadsvoorstel Bestuursovereenkomst tussen de provincie Noord-Brabant en de gemeenten in de provincie Noord-Brabant in het kader van de uitvoering van reconstructieen gebiedsplannen ex artikel

Nadere informatie

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz. Wijziging van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers in verband met de aanpassing van de duur van de voortgezette uitkering (Wet aanpassing duur voortgezette uitkering Appa) Wij Willem-Alexander,

Nadere informatie

RAADSVOORSTEL. Vaststellen van de 2 e herziening bestemmingsplan Amsterdamse Bos Woonschepen en de Woonschepenverordening

RAADSVOORSTEL. Vaststellen van de 2 e herziening bestemmingsplan Amsterdamse Bos Woonschepen en de Woonschepenverordening RAADSVOORSTEL Raadsvoorstel nr Portefeuillehouder wethouder P.A. Bot Datum B&W-besluit 28 april 2015 Voor de raadsvergadering van 3 juni 2015 Afdeling ROV Behandelend ambtenaar (voor technische vragen)

Nadere informatie

Rapport. Datum: 30 december 2004 Rapportnummer: 2004/497

Rapport. Datum: 30 december 2004 Rapportnummer: 2004/497 Rapport Datum: 30 december 2004 Rapportnummer: 2004/497 2 Klacht Verzoeker klaagt over de wijze waarop het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft gereageerd op zijn brieven waarin hij klachten

Nadere informatie

Rolnummer 4560. Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T

Rolnummer 4560. Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T Rolnummer 4560 Arrest nr. 21/2009 van 12 februari 2009 A R R E S T In zake : de prejudiciële vraag over artikel 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten

Nadere informatie

Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Lagere Publiekrechtelijke Lichamen

Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Lagere Publiekrechtelijke Lichamen Bedrijfscommissiekamer voor de Overheid voor Lagere Publiekrechtelijke Lichamen Rolnummer: LPL 97.021 VERSLAG VAN BEVINDINGEN VAN DE BEDRIJFSCOMMISSIE-KAMER VOOR DE OVERHEID VOOR LAGERE PUBLIEKRECHTELIJKE

Nadere informatie

Rapport. Datum: 24 februari 2005 Rapportnummer: 2005/053

Rapport. Datum: 24 februari 2005 Rapportnummer: 2005/053 Rapport Datum: 24 februari 2005 Rapportnummer: 2005/053 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat het Korps landelijke politiediensten onvoldoende voortvarend heeft gereageerd op het door hem bij brief van

Nadere informatie

Betreft: Herindelingsontwerp samenvoeging provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland

Betreft: Herindelingsontwerp samenvoeging provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland Leeuwarden 15 oktober 2013 Aan: Ministerie van BZK, Postbus 20011, 2500 AE Den Haag Betreft: Herindelingsontwerp samenvoeging provincies Noord-Holland, Utrecht en Flevoland Zienswijze Noordvleugelprovincie

Nadere informatie

Rapport. Verslag van Rapport over een klacht over de SVB te Amstelveen. Datum: 22 januari 2013. Rapportnummer: 2013/007

Rapport. Verslag van Rapport over een klacht over de SVB te Amstelveen. Datum: 22 januari 2013. Rapportnummer: 2013/007 Rapport Verslag van Rapport over een klacht over de SVB te Amstelveen Datum: 22 januari 2013 Rapportnummer: 2013/007 2 De klacht en de achtergronden De Nationale ombudsman ontving in het voorjaar van 2012

Nadere informatie

Partijen: De medezeggenschapsraad van de openbare basisschool "De Quint" te Alkmaar, nader aan te duiden als medezeggenschapsraad (MR)

Partijen: De medezeggenschapsraad van de openbare basisschool De Quint te Alkmaar, nader aan te duiden als medezeggenschapsraad (MR) Uitspraaknr. G416 Datum: 17 november 1993 Soort geschil: Interpretatiegeschil Partijen: De medezeggenschapsraad van de openbare basisschool "De Quint" te Alkmaar, nader aan te duiden als medezeggenschapsraad

Nadere informatie

Zienswijzennota bestemmingsplan Feerwerd

Zienswijzennota bestemmingsplan Feerwerd Zienswijzennota bestemmingsplan Feerwerd Zienswijzennota bestemmingsplan Feerwerd Inhoud Rapport 2 juli 2013 Projectnummer 275.00.01.11.05 I n h o u d s o p g a v e 1 Z i e n s w i j z e n 5 1.1 Inleiding

Nadere informatie

Rapport. Datum: 30 juli 2001 Rapportnummer: 2001/231

Rapport. Datum: 30 juli 2001 Rapportnummer: 2001/231 Rapport Datum: 30 juli 2001 Rapportnummer: 2001/231 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de directeur van de dienst Openbare Werken van de gemeente Haarlemmermeer: 1. zijn toezegging van 19 december 2000

Nadere informatie

College van Gedeputeerde Staten statenvoorstel

College van Gedeputeerde Staten statenvoorstel PS2008BEM30-1 - College van Gedeputeerde Staten statenvoorstel Datum : 16 september 2008 Nummer PS : PS2008BEM30 Afdeling : BJZ Commissie : BEM Registratienummer : 2008INT229327 Portefeuillehouder : Dekker

Nadere informatie

Beoordeling. Bevindingen. h2>klacht

Beoordeling. Bevindingen. h2>klacht Rapport 2 h2>klacht Verzoeker klaagt erover dat het College voor Zorgverzekeringen (CVZ) zijn verzoek om een vergoeding van zijn particuliere zorgverzekeringspremie over de periode januari tot mei 2007

Nadere informatie

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen te Rotterdam.

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen te Rotterdam. Rapport Rapport betreffende een klacht over het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen te Rotterdam. Datum: 8 oktober 2015 Rapportnummer: 2015/151 2 Samenvatting De vader en moeder van Y. zijn gescheiden.

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2003.1733 (052.03) ingediend door: hierna te noemen 'klager', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht Verzekeringen

Nadere informatie

Verordening 217 Concept aangeboden aan de Provinciale Staten

Verordening 217 Concept aangeboden aan de Provinciale Staten Verordening 217 Concept aangeboden aan de Provinciale Staten Controleverordening Randstedelijke Rekenkamer De Randstedelijke Rekenkamer besluit: overwegende dat: op grond van de wet van 2 juli 2003, Stb.

Nadere informatie

Nota van Zienswijzen behorende bij het Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, De Leijkens

Nota van Zienswijzen behorende bij het Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, De Leijkens Nota van Zienswijzen behorende bij het Bestemmingsplan Buitengebied Rucphen 2012, De Leijkens Rucphen, 7 november 2012 INHOUD; 1. Procedure 2. Ingediende zienswijzen 3. Inhoud zienswijzen en inhoudelijke

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1986-1987 17910 De grote-stedenproblematiek Nr. 21 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Nadere informatie

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG. Partijen zullen hierna worden aangeduid als de stichting en de arts.

SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG. Partijen zullen hierna worden aangeduid als de stichting en de arts. SCHEIDSGERECHT GEZONDHEIDSZORG Kenmerk: 08/30 Vonnis in de zaak van: De Stichting A., gevestigd te Z., eiseres in conventie, verweerster in reconventie, tegen: B., plastisch chirurg, wonende te Y., verweerder

Nadere informatie

Ivo Opstelten Minister van Veiligheid en Justitie Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG

Ivo Opstelten Minister van Veiligheid en Justitie Postbus 20301 2500 EH DEN HAAG Post Bits of Freedom Bank 55 47 06 512 M +31 613380036 Postbus 10746 KvK 34 12 12 86 E ton.siedsma@bof.nl 1001 ES Amsterdam W https://www.bof.nl Ivo Opstelten Minister van Veiligheid en Justitie Postbus

Nadere informatie

Nota van B&W. Portefeuilehouder J.C.W. Nederstigt

Nota van B&W. Portefeuilehouder J.C.W. Nederstigt gemeente Haarlemmermeer Nota van B&W onderwerp instellen van (hoger) beroep tegen de beslissing (op bezwaar) van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland inzake de geweigerde ontheffing voor Windpark Haarlemmermeer

Nadere informatie

BIJLAGE I BIJ NOTULEN 1992-2 af d. 1 Adv.es niet-ambtelyke adviescommissie WOB. Uw kenmerk WJZ 92020104/3223 d.d. 30 maart 1992

BIJLAGE I BIJ NOTULEN 1992-2 af d. 1 Adv.es niet-ambtelyke adviescommissie WOB. Uw kenmerk WJZ 92020104/3223 d.d. 30 maart 1992 BIJLAGE I BIJ NOTULEN 1992-2 af d. 1 Adv.es niet-ambtelyke adviescommissie WOB. Onderwijsraad Aan de staatssecretaris van onderwijs en wetenschappen, de heer drs. J. Wallage Postbus 25000, 2700 LZ Zoetermeer.

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2012 2013 33 451 Wijziging van de Wet op de rechterlijke indeling, de Wet op de rechterlijke organisatie en enige andere wetten in verband met de vorming

Nadere informatie

Rapport. Rapport over een klacht over de Provincie Noord-Holland. Publicatiedatum: 23 september 2014. Rapportnummer: 2014 /124

Rapport. Rapport over een klacht over de Provincie Noord-Holland. Publicatiedatum: 23 september 2014. Rapportnummer: 2014 /124 Rapport Rapport over een klacht over de Provincie Noord-Holland. Publicatiedatum: 23 september 2014 Rapportnummer: 2014 /124 20 14/124 d e Natio nale o mb ud sman 1/6 Klacht T evens klaagt hij erover dat

Nadere informatie

DE PROCEDURE IN TUCHTZAKEN VAN DE ORDE DER GENEESHEREN

DE PROCEDURE IN TUCHTZAKEN VAN DE ORDE DER GENEESHEREN DE PROCEDURE IN TUCHTZAKEN VAN DE ORDE DER GENEESHEREN Inleiding. Nico Biesmans, Magistraat-assessor Provinciale Raad van Antwerpen Bij de oprichting van de Orde der Geneesheren heeft de wetgever het toezicht

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 1991-199 300 VIII Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van hoofdstuk VIII (Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen) voor het jaar199

Nadere informatie

Uitspraaknr. 06.056. De klacht. De feiten. De visie van partijen

Uitspraaknr. 06.056. De klacht. De feiten. De visie van partijen Landelijke Klachtencommissie onderwijs (mr. M.E.A. Wildenburg, S.J. Drijver, R.C.A. Wilcke) Uitspraaknr. 06.056 Datum: 27 juli 2006 Belemmerde communicatie, zonder reden melden van vermoedelijk ongeoorloofd

Nadere informatie

Geachte heer/mevrouw,

Geachte heer/mevrouw, Van: Aan: Onderwerp: Brief gemeente Utrechtse Heuvelrug met zienswijze Noordvleugelprovincie Datum: dinsdag, 1 oktober 2013 14:05:40 Bijlagen: Verzonden brief UH met Zienswijze Noordvleugelprovincie.pdf

Nadere informatie

Rapport. Datum: 29 maart 2005 Rapportnummer: 2005/091

Rapport. Datum: 29 maart 2005 Rapportnummer: 2005/091 Rapport Datum: 29 maart 2005 Rapportnummer: 2005/091 2 Klacht Verzoeker klaagt erover dat de Directeur van de Voedsel en Waren Autoriteit van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hem

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2013 2014 33 755 Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en van de Invorderingswet 1990 in verband met de wijziging van de percentages belasting-

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN ingediend door: U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2002.1004 (026.02) tegen: hierna te noemen 'klager', hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht Verzekeringen

Nadere informatie

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge. Datum: 24 mei 2013. Rapportnummer: 2013/057

Rapport. Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge. Datum: 24 mei 2013. Rapportnummer: 2013/057 Rapport Rapport betreffende een klacht over het college van burgemeester en wethouders van Halderberge Datum: 24 mei 2013 Rapportnummer: 2013/057 2 Klacht Verzoeker, een advocaat, klaagt erover dat het

Nadere informatie

Aan het college van Gedeputeerde Staten i.a.a. de leden van Provinciale Staten Postbus 6001 4330 LA Middelburg. onderwerp: resultaat overleg BJZ

Aan het college van Gedeputeerde Staten i.a.a. de leden van Provinciale Staten Postbus 6001 4330 LA Middelburg. onderwerp: resultaat overleg BJZ Aan het college van Gedeputeerde Staten i.a.a. de leden van Provinciale Staten Postbus 6001 4330 LA Middelburg onderwerp: resultaat overleg BJZ Middelburg, 10 november 2011 Geacht college, Het spijt mij

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2009 2010 30 520 Voorstel van wet van het lid Van Dam houdende wijziging van Boek 2 en Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (stilzwijgende verlenging en opzegtermijn

Nadere informatie

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Postbus 20011 2500 EA Den Haag

De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Postbus 20011 2500 EA Den Haag De Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Postbus 20011 2500 EA Den Haag Onderwerp Advies inzake de wijziging van het Kiesbesluit in verband met de invoering van het stemmen met

Nadere informatie

: beslissing op bezwaarschrift afwijzing verzoek inpassingsplan Lage Weide, gemeente Utrecht. Besluit pag. 4. Toelichting pag. 5

: beslissing op bezwaarschrift afwijzing verzoek inpassingsplan Lage Weide, gemeente Utrecht. Besluit pag. 4. Toelichting pag. 5 College van Gedeputeerde Staten statenvoorstel DATUM 12 mei 2015 NUMMER PS PS2015RGW06 AFDELING FLO/ MEC COMMISSIE RGW STELLER Dorien van Cooten & Henk de Vries DOORKIESNUMMER DOCUMENTUMNUMMER 8150FBF3

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2010 2011 32 467 Oprichting van het College voor de rechten van de mens (Wet College voor de rechten van de mens) Nr. 9 AMENDEMENT VAN HET LID HEIJNEN Ontvangen

Nadere informatie

Over Plantinga s argument voor de existentie van een noodzakelijk bestaand individueel ding. G.J.E. Rutten

Over Plantinga s argument voor de existentie van een noodzakelijk bestaand individueel ding. G.J.E. Rutten 1 Over Plantinga s argument voor de existentie van een noodzakelijk bestaand individueel ding G.J.E. Rutten Introductie In dit artikel wil ik het argument van de Amerikaanse filosoof Alvin Plantinga voor

Nadere informatie

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder.

het college van bestuur van de Universiteit Leiden, gevestigd te Leiden, verweerder. Zaaknummer: 2008/008 Rechter(s): mrs. Loeb, Lubberdink, Mollee Datum uitspraak: 20 juni 2008 Partijen: appellant tegen college van bestuur van de Universiteit Leiden Trefwoorden: Bijzondere omstandigheden,

Nadere informatie

31 mei 2012 z2012-00245

31 mei 2012 z2012-00245 De Staatssecretaris van Financiën Postbus 20201 2500 EE DEN HAAG 31 mei 2012 26 maart 2012 Adviesaanvraag inzake openbaarheid WOZwaarde Geachte, Bij brief van 22 maart 2012 verzoekt u, mede namens de Minister

Nadere informatie

Datum van inontvangstneming : 10/06/2014

Datum van inontvangstneming : 10/06/2014 Datum van inontvangstneming : 10/06/2014 I' Hoge Raad der Nederlanden Derde Kamer w ~e' {J.J ::li "~.8 ;.l_~ ( E..::r,",'_ t"::) ('0",,1 l:'jt:: ~~ ~ )(, ::li oe i~..- ~ c:: L'..J Nr. 12/03718 28 maart

Nadere informatie

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 26 september 2006 (OR. en) 12758/06 Interinstitutioneel dossier: 2005/0204 (CNS) ASIM 63 OC 655

RAAD VAN DE EUROPESE UNIE. Brussel, 26 september 2006 (OR. en) 12758/06 Interinstitutioneel dossier: 2005/0204 (CNS) ASIM 63 OC 655 RAAD VAN DE EUROPESE UNIE Brussel, 26 september 2006 (OR. en) 12758/06 Interinstitutioneel dossier: 2005/0204 (CNS) ASIM 63 OC 655 WETGEVINGSBESLUITEN EN ANDERE INSTRUMENTEN Betreft: BESCHIKKING VAN DE

Nadere informatie

Directie Financiële Markten. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. 5 juli 2007 FM 2007-01654 M

Directie Financiële Markten. De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG. 5 juli 2007 FM 2007-01654 M Directie Financiële Markten De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA DEN HAAG Datum Uw brief (Kenmerk) Ons kenmerk 5 juli 2007 FM 2007-01654 M Onderwerp Wetgevingsoverleg

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1991-1992 22 300 XIV Vaststelling van de begroting van de uitgaven en de ontvangsten van hoofdstuk XIV (Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij)

Nadere informatie

RAADSVOORSTEL 10.0116. Rv. nr..: 10.0116 B&W-besluit d.d.: 5-10-2010 B&W-besluit nr.: 10.1042

RAADSVOORSTEL 10.0116. Rv. nr..: 10.0116 B&W-besluit d.d.: 5-10-2010 B&W-besluit nr.: 10.1042 RAADSVOORSTEL 10.0116 Rv. nr..: 10.0116 B&W-besluit d.d.: 5-10-2010 B&W-besluit nr.: 10.1042 Naam programma +onderdeel: Bereikbaarheid Onderwerp: Besluitvorming ten aanzien van het advies Sleutel tot een

Nadere informatie

Advies niet-ambtelijke adviescommissie WOB. Onderwijsraad

Advies niet-ambtelijke adviescommissie WOB. Onderwijsraad ÜT? R>2 3 Advies niet-ambtelijke adviescommissie WOB. Onderwijsraad Aan de minister van onderwijs en wetenschappen, de heer drs. W.J. Deetman, Postbus 25000, 2700 LZ Zoetermeer. Nassaulaan 6 2514 JS 's-gravenhage

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Uit de stukken is, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, het navolgende gebleken.

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN. Uit de stukken is, voor zover voor de beoordeling van de klacht van belang, het navolgende gebleken. RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2002.3660 (105.02) ingediend door: hierna te noemen 'klager', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht Verzekeringen

Nadere informatie

afspraken die in het Najaarsoverleg 2008 zijn gemaakt. Volstaan wordt dan ook met hiernaar te verwijzen.

afspraken die in het Najaarsoverleg 2008 zijn gemaakt. Volstaan wordt dan ook met hiernaar te verwijzen. Reactie op de brief van de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) inzake het wetsvoorstel tot wijziging van Boek 7, titel 10, van het Burgerlijk Wetboek in verband met het limiteren van de hoogte van de

Nadere informatie

Behoort bij schrijven no. 689.865

Behoort bij schrijven no. 689.865 Behoort bij schrijven no. 689.865 Ex. no.,2-c VERKIEZING TWEEDE KAMER 1963 - PSP Bij de ruim 70,000, door de PSP in maart 1962 gewonnen t.o.v. 1959» voegden zich op 15 mei jl. die van nog bijna 8.000 kiezers.

Nadere informatie

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN

RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN RAAD VAN TOEZICHT VERZEKERINGEN U I T S P R A A K Nr. i n d e k l a c h t nr. 2004.2196 (047.04) ingediend door: hierna te noemen 'klager', tegen: hierna te noemen 'verzekeraar'. De Raad van Toezicht Verzekeringen

Nadere informatie

Raadsinformatiebrief Nr. :

Raadsinformatiebrief Nr. : Raadsinformatiebrief Nr. : Reg.nr. : 5241196 B&W verg. : 14 oktober 2015 Onderwerp: Ontwerpbestemmingsplan Molengat 1) Status Het voorliggende bestemmingsplan Molengat betreft een ontwerpbestemmingsplan

Nadere informatie

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden Jaargang 2005 303 Wet van 7 april 2005, houdende wijziging van de Wet op de waterhuishouding en de Wet milieubeheer ten behoeve van de implementatie van richtlijn

Nadere informatie

Afgesproken maatregelen

Afgesproken maatregelen logoocw De voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Postbus 20018 2500 EA Den Haag Den Haag Ons kenmerk 4 april 2005 PO/KO/2005/14655 Onderwerp particulier onderwijs Tijdens het vragenuurtje

Nadere informatie

Beleidsregel Besluit locatiegebonden subsidies 2005 voor de stedelijke regio Emmen

Beleidsregel Besluit locatiegebonden subsidies 2005 voor de stedelijke regio Emmen Beleidsregel Besluit locatiegebonden subsidies 2005 voor de stedelijke regio Emmen (geconsolideerde versie, geldend vanaf 13-12-2007 tot 21-6-2011) Gegevens van de regeling Overheidsorganisatie Officiële

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1991-1992 22011 Hoofdlijnen van een nieuwe uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen Nr. 15 VERSLAG VAN EEN MONDELING OVERLEG Vastgesteld 3 september

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1986-1987 Herziening van het stelsel van sociale zekerheid BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede

Nadere informatie

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de heer mr. K.G. de Vries Staatssecretaris van Financiën de heer drs. W.J.

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de heer mr. K.G. de Vries Staatssecretaris van Financiën de heer drs. W.J. Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de heer mr. K.G. de Vries Staatssecretaris van Financiën de heer drs. W.J. Bos Bijlagen -- Inlichtingen bij W.M.C. van Zaalen Onderwerp Artikel

Nadere informatie

HOLLAND ZUID - 7 FEB. 20U. Gedeputeerde Staten

HOLLAND ZUID - 7 FEB. 20U. Gedeputeerde Staten Gedeputeerde Staten p r HOLLAND ZUID College van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland Postbus 3061 2601 DB DELFT Directie Leefomgeving en Bestuur Afdeling Water en Groen Contact mw. G.J.H. Bongers T

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 2001 2002 26 732 Algehele herziening van de Vreemdelingenwet (Vreemdelingenwet 2000) Nr. 98 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE Aan de Voorzitter

Nadere informatie

Voorstellen aan de raad van de gemeente Wester-Koggenland jaar 2006 VoorsteInr.: Agendapunt: Vergadering: 8 juni 2006

Voorstellen aan de raad van de gemeente Wester-Koggenland jaar 2006 VoorsteInr.: Agendapunt: Vergadering: 8 juni 2006 ~. Voorstellen aan de raad van de gemeente Wester-Koggenland jaar 2006 Voorstenr.: Agendapunt: Vergadering: 8 juni 2006, Vaststelling intememeentelijk DlÎmtelijk structuurplan voor de gemeenten Obdam Wester

Nadere informatie

Raadsvoorstel agendapunt

Raadsvoorstel agendapunt Raadsvoorstel agendapunt Aan de raad van de gemeente IJsselstein Zaaknummer : 193184 Datum : 17 november 2015 Programma : Woon en leefomgeving Blad : 1 van 5 Cluster : Ruimte Portefeuillehouder: dhr. H.C.V.

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1998 1999 26 272 Wijziging van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (aanpassing regime ter zake van de afkoop van verplichtingen tot alimentatie of tot verrekening

Nadere informatie

1 Voorzitter en dagelijks bestuur

1 Voorzitter en dagelijks bestuur Verordening Reglement van orde van de Sociaal-Economische Raad (Tekst bijgewerkt tot en met de eerste wijziging bij verordening van 20 februari 2015) Verordening van de Sociaal-Economische Raad van 25

Nadere informatie

Te treffen maatregel voor deze doelgroep: Forfaitaire uitkering afhankelijk van de huwelijksduur van de betrokkenen.

Te treffen maatregel voor deze doelgroep: Forfaitaire uitkering afhankelijk van de huwelijksduur van de betrokkenen. Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Binnenhof 1a 2513 AA s-gravenhage Postbus 90801 2509 LV Den Haag Anna van Hannoverstraat 4 Telefoon

Nadere informatie

Rapport. Datum: 3 juni 1998 Rapportnummer: 1998/207

Rapport. Datum: 3 juni 1998 Rapportnummer: 1998/207 Rapport Datum: 3 juni 1998 Rapportnummer: 1998/207 2 Klacht Op 26 maart 1996 ontving de Nationale ombudsman een verzoekschrift van mevrouw M. te Oldenzaal met een klacht over een gedraging van het regionale

Nadere informatie

Wat is een constitutie?

Wat is een constitutie? Wat is een constitutie? Veel landen op de wereld worden op een democratische manier bestuurd. Een democratie staat echter niet op zichzelf. Bij een democratie hoort namelijk een rechtsstaat. Democratie

Nadere informatie

Controleverordening gemeente Papendrecht 2015

Controleverordening gemeente Papendrecht 2015 Controleverordening gemeente Papendrecht 2015 Verordening voor de controle op het financieel beheer en op de inrichting van de financiële organisatie van de gemeente Papendrecht Inhoudsopgave Controleverordening

Nadere informatie

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Tweede Kamer der Staten-Generaal Tweede Kamer der Staten-Generaal 2 Vergaderjaar 1988-1989 20 808 Inkomensbeleid 1989 Nr. 3 LIJST VAN VRAGEN Vastgesteld 28 oktober 1988 De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid 1 heeft

Nadere informatie

STIJLEN VAN BEÏNVLOEDING. Inleiding

STIJLEN VAN BEÏNVLOEDING. Inleiding STIJLEN VAN BEÏNVLOEDING Inleiding De door leidinggevenden gehanteerde stijlen van beïnvloeding kunnen grofweg in twee categorieën worden ingedeeld, te weten profileren en respecteren. Er zijn twee profilerende

Nadere informatie

gericht tegen het besluit tot afwijzing van een verzoek om vergoeding van geleden planschade.

gericht tegen het besluit tot afwijzing van een verzoek om vergoeding van geleden planschade. Besluitvormende raadsvergadering: 16 september 2008 Portefeuillehouder: G.J.J. Burger AAN DE GEMEENTERAAD Nummer : 2008/54 Datum : 26 augustus 2008 Onderwerp : Nemen van een beslissing op een bezwaarschrift

Nadere informatie

Rapport. Openbaar Klacht over UWVWerkbedrijf uit Amsterdam. Datum: 29 juli 2011. Rapportnummer: 2011/217

Rapport. Openbaar Klacht over UWVWerkbedrijf uit Amsterdam. Datum: 29 juli 2011. Rapportnummer: 2011/217 Rapport Openbaar Klacht over UWVWerkbedrijf uit Amsterdam. Datum: 29 juli 2011 Rapportnummer: 2011/217 2 KLACHT Verzoekster klaagt erover dat het UWVWerkbedrijf te Amsterdam haar klacht gegrond heeft verklaard

Nadere informatie

Vereniging Omwonenden Luchthaven Eelde

Vereniging Omwonenden Luchthaven Eelde Vereniging Omwonenden Luchthaven Eelde 'voor de kwaliteit van de leefomgeving' Aan de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal Postbus 20017 2500 EA Den Haag Betreft: Ernstige tekortkomingen in wetvoorstel

Nadere informatie

2015D08919 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

2015D08919 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG 2015D08919 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG De vaste commissie voor Financiën heeft op 11 maart 2015 een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Financiën over zijn brief

Nadere informatie

PERMANENTE VERTEGENWOORDIGING VAN NEDERLAND

PERMANENTE VERTEGENWOORDIGING VAN NEDERLAND PERMANENTE VERTEGENWOORDIGING VAN NEDERLAND bij de Ij Naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud van II hedenmorgen doe ik U hierbij een Nota toekomen die enige Jl_S bedachten bevat over de wijze waarop

Nadere informatie