MillPlus IT NC Software V5.10 Besturingshandboek V1.0 09/2002
Software-versie V510 2002-09-26 HEIDENHAIN NUMERIC B.V. EINDHOVEN, NEDERLAND 2002 De uitgever is niet verantwoordelijk voor de specificaties in de informatie die in deze handleiding worden vermeld. Voor de specificaties van deze numerieke besturing wordt verwezen naar de bestelgegevens en de daarbij behorende beschrijving van specificaties. Alle rechten voorbehouden. Volledige of gedeeltelijke verveelvoudiging van deze handleiding is uitsluitend toegestaan met schriftelijke toestemming van de uitgever. Wijzigingen en correcties voorbehouden. Aan de informatie, afbeeldingen en beschrijvingen kunnen geen rechten worden ontleend. 358 651-70 DER6-32.8-2626_000
INHOUDSOPGAVE Inhoudsopgave Inhoudsopgave...i 1. Inleiding... 1 1.1 MillPlus IT-software en functies... 2 1.2 Softwareversie V510... 3 1.3 Systeem met één/dubbele processor - Inleiding... 4 1.3.1 DP-bestandsbeheer... 4 1.3.2 Uitschakelen van de MillPlus IT op een systeem met dubbele processor... 5 2. Veiligheid... 7 3. Toetsenbord-layout / Beeldschermopbouw... 9 3.1 Beeldschermweergave... 9 3.2 Toetsenbord-layout / Beeldschermopbouw (LE412)... 9 3.2.1 Beeldscherm insteltoetsen... 10 3.3 Bedieningspaneel... 11 3.4 Handwiel HR410 (HCU)... 12 3.4.1 Handwiel activeren/annuleren... 12 3.5 Concept van de 4 processen... 13 3.6 Het verlaten van een functie... 13 3.7 Terug naar het vorige softkey-niveau... 14 3.8 Combinatie van softkey-groepen... 14 3.9 Omschakelen tussen grote en kleine letters... 14 3.10 Keuze in het menu Easy Operate, ICP en IPP... 15 3.11 Snelle keuze van de modus... 15 3.12 Softkey Status... 15 3.13 User-softkeys... 16 3.13.1 Het definiëren van de user-softkeys... 16 3.14 Procesniveau Handmatig... 18 3.15 Procesniveau Automatisch... 19 3.16 Procesniveau Programma... 19 3.17 Procesniveau Bewaken... 20 4. Werkstukcoördinaten... 21 4.1 Coördinatensysteem en bewegingsrichtingen... 21 4.2 Assen... 21 4.3 Nulpunten... 21 4.4 Carthesische coördinaten... 22 4.5 Poolcoördinaten... 22 4.5.1 Toekenning van poolcoördinaten... 22 4.6 FSP-coördinaten... 23 5. Machine inschakelen / Referentiepunt... 25 5.1 Machine inschakelen (voorbeeld)... 25 5.2 Referentiepunten benaderen... 25 5.3 Vlak instellen... 26 6. Handbediening... 27 6.1 Assen verplaatsen... 27 6.1.1 Stappenproces, met ijlgang verplaatsen... 27 6.1.2 Continu proces... 28 6.1.3 Eilgang verfahren... 28 6.1.4 Vrije stapgrootte... 29 6.1.5 Spil en andere assen verplaatsen (Jog-as)... 29 6.2 Verplaatsen in FSP... 30 6.3 Omschakelen voeding/continue verplaatsing... 31 6.4 Ingave van F, S en T... 32 26-9-2002 MillPlus IT V510 i
INHOUDSOPGAVE 7. Vrije ingave (MDI)...33 7.1 Vrije ingave...33 7.2 Regel afbreken (MDI)...34 8. Assen instellen...35 8.1 Kant vastleggen...35 8.2 Middelpunt vastleggen...37 8.3 Actuele waarde instellen...37 8.4 Gereedschap meten...38 9. Gegevens inlezen / uitlezen en bestandsbeheer...39 9.1 Data-overdracht...39 9.2 Besturing op randapparatuur afstemmen...39 9.3 Afkortingen geheugennamen...39 9.4 Inlezen...40 9.4.1 Programma inlezen (PM, MM)...40 9.4.2 Tabellen inlezen (TM..PO)...40 9.5 Uitlezen...41 9.5.1 Beveiliging van gegevens...41 9.5.2 Programma uitlezen (PM, MM)...41 9.5.3 Tabel uitlezen (TM-LB)...41 9.6 Mini-PC...41 9.7 Bestanden selecteren...42 9.8 Bestandsbeheer...43 9.8.1 Bestand wijzigen...44 9.8.2 Bestand hernoemen/verplaatsen...45 9.8.2.1 Bestand verwijderen...45 9.8.3 Bestand attribuut (beveiligen/beveiliging opheffen)...46 9.8.4 Bestand kopiëren...47 9.8.5 Kopiëren : Locale bestanden...48 9.8.6 Kopiëren : netwerk directory...49 9.8.7 Directory aanmaken...50 9.8.8 Directory verwijderen...51 9.9 Ethernet-interface...52 9.9.1 Server kiezen...52 9.9.2 Schrijven naar de server...53 9.9.3 Lezen vanaf de server...53 10. Programma ingeven / bewerken...55 10.1 DIN/ISO Editor...55 10.2 IPP Editor...55 10.3 Ingavehulp...55 10.4 Nieuw Programmanummer (Hooftprogramma/Makro) ingeven...55 10.5 Nieuw programmanummer (hoofdprogramma/macro) ingeven...55 10.6 Programma kiezen (hoofdprogramma / macro)...56 10.7 Opslaan op harddisk...57 10.8 Programmaregel ingeven...57 10.9 Programmaregel tussenvoegen...57 10.10 Tekstingave...58 10.11 Rekenkundige ingave...58 10.12 Positie-overname in het programma (DIN-editor)...58 10.13 Adres wissen...59 10.14 Bewerkingsfunctie...59 10.14.1 Regel wissen...59 10.14.2 Zoeken & vervangen...59 10.14.3 Teken zoeken...60 10.14.4 Hernummeren...60 10.14.5 Blok (wissen, hernummeren...61 10.14.6 Blok (verplaatsen, kopiëren)...61 10.15 File editor...62 ii Heidenhain 26-9-2002
INHOUDSOPGAVE 10.15.1 Ongedaan maken (undo)... 63 10.15.2 Sprong naar regelnummer... 63 11. Programma testloop... 65 11.1 Testmodus... 65 11.1.1 Optie Testloop selecteren... 65 11.1.2 Testloop uitvoeren... 65 11.2 Grafische test... 66 11.2.1 Grafische functies... 66 11.2.2 Grafische weergave... 66 11.2.3 Grafiekopties... 66 11.2.4 Draadmodel uitvoeren... 67 11.2.5 Werken met de grafische weergave (voorbeeld)... 67 11.2.6 Volumemodel uitvoeren... 68 11.3 Schatting looptijd in grafische weergave.... 68 11.3.1 Tijd per gereedschap... 69 12. Programma activeren/uitvoeren... 71 12.1 Programma activeren... 71 12.2 Gewijzigd programma direct activeren... 71 12.3 CAD mode... 72 12.4 Programma uitvoeren... 73 12.5 Programma regel voor regel uitvoeren... 73 12.6 Regel overslaan... 73 12.7 Stop naar keuze... 73 12.8 Bewerkingsstatus... 74 12.9 Programmastatus... 74 12.10 Naladen (BTR)... 76 12.11 Autostart... 77 12.11.1 Autostart instellen... 77 12.11.2 Autostart activeren... 78 13. Programma onderbreken/afbreken, Regel zoeken... 79 13.1 Programma-afloop onderbreken... 79 13.2 Fouten en meldingen op het beeldscherm wissen... 79 13.3 Programma afbreken... 79 13.4 Cyclus afbreken... 80 13.5 CNC resetten... 80 13.6 Regel zoeken... 81 14. Technologie... 83 14.1 Technologie-tabel... 83 14.1.1 Gereedschap met verschillende radiussen... 84 14.1.2 Tabelwaarden voor tappen... 84 14.1.3 Relatie tussen F1 en F2... 84 14.1.4 Relatie tussen S1 en S2... 84 14.2 Opslaan van technologietabellen... 85 14.3 Materiaaltype-tabel... 85 14.4 Bewerkingstype... 86 14.5 Gereedschapstype... 87 14.6 Toepassing van de technologie... 88 15. Gereedschap... 89 15.1 Gereedschapsadressen... 90 15.2 Codering van het gereedschap... 91 15.3 Oproepen van gereedschapsgegevens... 91 15.4 Inlezen gereedschapsgeheugen... 92 15.5 Standtijdbewaking van gereedschap... 94 15.6 Breukbewaking van gereedschap... 94 15.7 Gereedschap handmatig verwisselen (voorbeeld)... 95 26-9-2002 MillPlus IT V510 iii
INHOUDSOPGAVE 15.8 Gereedschapsbeheer...96 15.8.1 Gereedschapscorrectie...96 15.8.2 Gereedschap uit het gereedschapsmagazijn verwijderen (voorbeeld)...99 15.9 Handmatig meten...100 15.10 Functie uitgebreide gereedschapsmeting activeren...100 15.11 Inleiding in het lasermeten...101 15.11.1 Tastbewegingen...101 15.12 Algemene informatie...101 15.12.1 Gereedschapswissel...101 15.12.2 Gereedschapsgegevens lezen / schrijven...101 15.12.3 Bedrijfsmode Programmatest en regelsprong...102 15.12.4 Problemen bij koelmiddel...102 15.12.5 Problemen bij koelmiddelnevel...102 15.12.6 Problemen bij verontreinigde optiek...103 15.12.7 Invloedsfactoren op de absolute nauwkeurigheid...103 15.13 Gereedschapsmeting met het lasermeetsysteem...104 15.14 Lasermeetcycli in het programma...105 15.14.1 Voorbeeld...105 15.15 Gereedschapsfoutmeldingen...105 15.16 Gereedschapsmeting met de TT120/TT130...106 15.17 Machineconstanten instellen...107 15.18 TT120/TT130-meetcycli voor automatisch bedrijf...108 15.18.1 Voorbeeld...108 16. Tabellen...109 16.1 NP-verschuiving...109 16.2 Parameter (E)...110 16.3 Punt (P)...111 16.3.1 Palletnulpunt...112 17. Automatisering...113 18. Installeren...115 18.1 Logboek...115 18.1.1 Logboek fouten...115 18.2 Diagnose...116 18.2.1 Diagnose op afstand...116 18.3 Klok...117 18.4 IPLC-monitor...118 18.4.1 I/O-Beschrijving...118 18.5 Temperatuurcompensatie...119 18.6 Assendiagnose...119 19. EASYoperate...121 19.1 Aanroepen van EASYoperate-mode...122 19.1.1 EASYoperate verlaten...122 19.2 Basisfuncties van EASYoperate...123 19.2.1 Tabel - Functie...123 19.3 Cyclus/vrije invoer kiezen, starten en/of opslaan...125 19.3.1 Start zonder opslaan, opslaan zonder start...125 19.4 Hoofdmenu Frezen:...126 19.5 Menu: Werkstuknulpunt meten...127 19.5.1 Informationsfenster G62x-Meting...127 19.6 Menü: FST...128 19.7 Menu: Patroon...129 19.7.1 Absolute incrementele invoer...129 19.8 Menu: Vlakfrezen...130 19.9 Menu: Boren...130 19.10 Menu: Frezen...131 19.11 Menü: DIN / ISO...131 iv Heidenhain 26-9-2002
INHOUDSOPGAVE 19.12 Hoofdmenu: Draaien... 132 19.12.1 Draaimode inschakelen... 132 19.12.2 Freesmode inschakelen... 133 19.13 Menu: Hoofdmenu Draaien:... 134 19.14 Menü: FST... 135 19.15 Menu: Verspanen... 136 19.16 Menu: Insteken... 137 19.17 Voorbeeld in tabel... 138 20. Interactieve contourprogrammering (ICP)... 141 20.1 Algemeen... 141 20.2 ICP-menu met grafische symbolen... 142 20.3 Nieuwe ICP-programma's... 144 20.3.1 Ingave van de ICP-modus... 144 20.3.2 ICP verlaten... 145 20.4 Bewerken van bestaande programma's... 145 20.4.1 Element veranderen... 145 20.4.2 Element tussenvoegen... 147 20.4.3 Element verwijderen... 148 20.5 ICP-programmeerinstructies... 149 20.5.1 Hulpelementen in ICP... 149 20.5.2 Hulppunten... 150 20.5.3 Opgevraagde hoekparameters... 150 20.5.4 Rechte doorsnijdt cirkel... 150 20.5.5 Rondingen... 150 20.6 ICP-programmeervoorbeeld... 151 20.6.1 Met behulp van ICP gemaakt programma... 153 20.6.2 Alternatieve ICP-programmeermethoden... 154 21. Interactieve deelprogrammering (IPP) / GRAPHIPROG... 155 21.1 Algemeen... 155 21.1.1 Inleiding tot Interactive Part Programming (IPP)... 155 21.1.2 Voorbereiding op de IPP-programmering... 155 21.1.3 IPP-programmeervolgorde... 155 21.2 Symbolen van het IPP-hoofdmenu met grafische weergaven... 156 21.3 IPP-Grafieksymboolmenu... 157 21.4 Nieuwe IPP-programma's... 159 21.4.1 Ingave van de IPP-modus... 159 21.4.2 IPP verlaten... 159 21.4.3 Ingave van programmagegevens... 160 21.4.4 IPP-programmalijst... 161 21.5 Bewerken van IPP-programma's (regel veranderen... 161 21.5.1 Features veranderen... 162 21.5.2 Feature invoegen... 165 21.5.3 Feature verwijderen... 165 21.5.4 Selecteren van een gereedschap tijdens het editenerror! Bookmark not defined... 165 21.5.5 Grafische weergave van de contour (test)... 166 21.5.6 IPP-programma's uitvoeren... 166 21.5.7 Bewerkingsvlak omzetten G17 <-> G18... 166 21.6 IPP-programmeerinstructies... 167 21.6.1 Toepassen van ICP voor het definiëren van contouren... 167 21.6.2 IPP-voorstellen... 167 21.6.3 Maximale voedingssnelheden en spiltoerentallen... 167 21.6.4 Optimalisatie van de programmeer- en bewerkingstijden... 167 21.6.5 IPP-programma's veranderen met de DIN-editor... 167 22. Programmastructuur en regelformaat... 169 22.1 Gedeelte van programma... 169 22.2 Geheugenaanduiding... 169 22.3 Programmanummer... 169 26-9-2002 MillPlus IT V510 v
INHOUDSOPGAVE 22.4 Programmaregel...169 22.5 Regelnummer...169 22.6 Programmawoord...169 22.7 Ingaveformaten van de asadressen...169 23. G-functies...171 23.1 IJlgang G0...171 23.2 Rechtlijnig bewerken G1...172 23.3 Cirkel met de klok mee / tegen de klok in G2/G3...175 23.4 G4 Wachttijd...182 23.5 Spline-interpolatie G6...183 23.6 Bewerkingsvlak zwenken G7...185 23.7 Zwenken van het bewerkingsvlak...191 23.7.1 Inleiding...191 23.7.2 Machinetypes...192 23.7.3 Kinematisch model...193 23.7.4 Handbediening...194 23.7.5 Display...194 23.7.6 Selectie-as / stelas...195 23.7.7 Referentiepunt...195 23.7.8 Onderbreking...196 23.7.9 Foutmeldingen...196 23.7.10 Machine-constanten...197 23.8 Gereedschaprichting zwenken G8...198 23.9 Poolpositie definiëren G9...202 23.10 Poolcoördinaat, hoekafronding, afkanting G11...206 23.11 Herhaalfunctie G14...207 23.12 Bewerkingsvlak XY, gereedschapas Z G17...208 23.13 Bewerkingsvlak XZ, gereedschapas Y G18...208 23.14 Bewerkingsvlak YZ, gereedschapas X G19...208 23.15 Oproepen van onderprogramma's (oproepen van macro) G22...209 23.16 Aanroepen van hoofdprogramma G23...210 23.17 Inschakelen / uitschakelen van de voedings- en spindel-override G25/G26...211 23.18 Positioneerfuncties verwijderen/activeren G27/G28...212 23.18.1 Look Ahead Feed...212 23.18.2 Positioneerfuncties G27/G28...212 23.19 Voorwaardelijk sprongcommando G29...214 23.20 G33 Basis draadsnijden...215 23.21 G36/G37 Beginnen/ Eindigen met draaibedrijf...215 23.22 Overmaat activeren/deactiveren G39...216 23.23 Geen gereedschapsradiuscorrectie G40...218 23.24 Gereedschapsradiuscorrectie (links/rechts) G41/G42...219 23.25 Gereedschapsradiuscorrectie tot/voorbij het eindpunt G43/G44...221 23.26 Meten van een punt G45...222 23.27 Meten van een volledige cirkel G46...224 23.28 Meettaster kalibreren G46 + M26...226 23.29 Vergelijking van de tolerantiewaarden G49...227 23.30 Verrekenen van de meetwaarden G50...228 23.31 Uitzetten/activeren van de asverschuiving G51/G52...232 23.32 Uitzetten/activeren van de nulpuntsverschuiving G53/G54...G59...233 23.33 Uitgebreide nulpuntverschuiving G54 MC84>0...234 23.34 Tangentiaal aanlopen G61...236 23.35 Tangentiaal uitlopen G62...239 23.36 Uitzetten/activeren van de geometrieberekening G63/G64...241 23.37 Maateenheid INCH/METRISCH G70/G71...242 23.38 Verwijderen/activeren in-/uitzoomen resp. spiegelen G72/G73...243 23.39 Programmeerbare absolute positie G74...245 23.40 Boutgaten op cirkel G77...247 23.41 Puntdefinitie G78...249 23.42 Activeren van een cyclus G79...250 vi Heidenhain 26-9-2002
INHOUDSOPGAVE 23.43 Boorcyclus G81... 251 23.44 Diepgatboorcyclus G83... 252 23.45 Tapcyclus G84... 253 23.46 Ruimcyclus G85... 255 23.47 Kottercyclus G86... 256 23.48 Rechthoekige-kamerfreescyclus G87... 257 23.49 Spiebaanfreescyclus G88... 258 23.50 Rondkamerfreescyclus G89... 259 23.51 Programmering met absolute/incrementele coördinaten G90/G91... 260 23.52 Woordgewijs programmeren in absolute/incrementele coördinaten... 261 23.53 Nulpuntsverschuiving incrementeel/absoluut en/of draaien van het coördinatensysteem incrementeel/absoluut G92/G93... 262 23.54 Voeding in mm/min (Inch/min) / mm/omw(inch/omw) G94/G95... 265 23.55 Definitie van het grafisch venster G98... 266 23.56 Grafische definitie van materiaal G99... 267 23.57 G106 Kinematica verrekenen: uit... 268 23.58 G108 Kinematica verrekenen: aan... 269 23.59 G141 3D-Gereedschapscorrectie met dynamisch TCPM... 271 23.60 Lineaire meetbeweging G145... 281 23.61 Opvragen van de status van de meettaster G148... 284 23.62 Opvragen van de gereedschap- of nulpuntsverschuivingswaarden G149... 285 23.63 Veranderen van de gereedschap- of nulpuntsverschuivingswaarden G150... 287 23.64 G174 Gereedschap terugtrekken... 288 23.65 Cilinderinterpolatie opheffen of het basis-coördinatensysteem activeren G180... 290 23.66 Basis-coördinatensysteem/cilinder-coördinatensysteem G182... 291 23.67 Definitie van het grafisch venster G195... 295 23.68 Einde grafische contourbeschrijving G196... 295 23.69 Begin van de binnen-/buitencontourbeschrijving G197/G198... 296 23.70 Begin grafische contourbeschrijving G199... 297 23.71 Universeel-kamerfreescyclus G200-G208... 300 23.72 Macro's voor het berekenen van de contourkamercyclus G200... 301 23.73 Start contourkamer-freescyclus G201... 302 23.74 Einde contourkamercyclus G202... 303 23.75 Start kamercontourbeschrijving G203... 303 23.76 Einde kamercontourbeschrijving G204... 303 23.77 Start eilandcontourbeschrijving G205... 304 23.78 Einde van de eilandcontourbeschrijving G206... 304 23.79 Oproepen eilandcontour-macro G207... 305 23.80 Contourbeschrijving parallellogram G208... 307 23.81 G227/G228 Onbalansmonitor: UIT/AAN... 310 23.82 G240/G241 Contour bewaking: UIT/AAN... 311 24. Specifieke G-functies voor macro's... 313 24.1 Overzicht: Specifieke G-functies voor macro's... 313 24.2 Foutmeldingsfuncties... 314 24.2.1 G300 Oproep programma fout... 314 24.2.2 G301 Foutmelding in ingelezen programma of macro... 315 24.3 Ausführungs- Funktionen... 316 24.3.1 G302 Radiuscorrectie parameters overschrijven... 316 24.3.2 G303 M19 met programmeerbare richting... 316 24.4 Opvraagfuncties... 317 24.4.1 G319 Opvragen van actieve technologie... 317 24.4.2 G320 Opvragen van actuele G-gegevens... 318 24.4.3 G321 Opvragen gereedschapstabel... 321 24.4.4 G322 Opvragen machineconstanten... 322 24.4.5 G324 Opvragen van actuele modale G-functie... 323 24.4.6 G325 Opvragen actuele modale M-functie... 324 24.4.7 G326 Opvragen van actuele aspositie... 325 24.4.8 G327 Opvragen bedieningsmodus... 326 24.4.9 G329 Opvragen kinematische correctiewaarde... 327 26-9-2002 MillPlus IT V510 vii
INHOUDSOPGAVE 24.5 Schrijffuncties...328 24.5.1 G331 Wegschrijven naar de gereedschapstabel...328 24.5.2 G339 Schrijven kinematische correctiewaarde...330 24.6 Rekenfuncties...331 24.6.1 G341 Berekening van G7-vlakhoeken...331 24.7 Schrijffuncties met formaat...333 24.7.1 Bestand voor het definiëren en vullen van een bereik (array) met basisinstellingen......333 24.7.2 E-parameters bereik (array)...334 24.7.3 Configuratiebestand voor het definiëren van een bestand of venster (weergave/ingave)...335 24.7.4 G350 Schrijven naar venster...336 24.7.4.1 Schrijven naar venster...336 24.7.4.2 Schrijven naar venster en vragen om information...337 24.7.5 G351 Schrijven naar bestand...338 25. Gereedschapmeetcycli voor lasermetingen...341 25.1 Algemene aanwijzingen...341 25.2 G600 Lasersysteem: kalibreren...342 25.3 G601 Lasersysteem: lengte meten...344 25.4 G602 Lasersysteem: lengte en radius meten...346 25.5 G603 Lasersysteem: Controle van afzonderlijke sneden...348 25.6 G604 Lasersysteem: Controle op gereedschapsbreuk...349 26. Gereedschapsmeetcycli voor meetsysteem TT130...351 26.1 Algemene aanwijzigen voor meetsysteem TT130...351 26.2 G606 TT130: kalibreren...352 26.3 G607 TT130: Gereedschapslengte meten...353 26.4 G608 TT130: Gereedschapsradius meten...355 26.5 G609 TT130: Gereedschap compleet meten...357 26.6 G610 TT130: Breukbewaking...359 26.7 G611 TT130: Meten van draaigereedschappen...361 26.8 G615 Laser: Meten van draaigereedschappen...362 27. Meetcycli...363 27.1 Inleiding meetcycli...363 27.2 Beschrijving adressen...364 27.3 G620 Hoek meten...366 27.4 G621 Positie meten...368 27.5 G622 Hoekpunt meten buiten...369 27.6 G623 Hoekpunt meten binnen...371 27.7 G626 Rechthoek meten buiten...373 27.8 G627 Rechthoek meten binnen...375 27.9 G628 Cirkel meten buiten...377 27.10 G629 Cirkel meten binnen...379 27.11 G631 Scheefstand meten...381 27.12 G640 Draaitafelcentrum bepalen...383 28. Bewerkings- en positiecycli...385 28.1 Overzicht van bewerkings- en positiecycli:...385 28.2 Inleiding...386 28.3 Beschrijving van de adressen...387 28.4 G700 Vlakdraaien...388 28.5 G730 Vlakken...390 28.6 G771 Bewerking op lijn...392 28.7 G772 Bewerking op vierhoek...393 Voorbeeld...393 28.8 G773 Bewerking op raster...394 Voorbeeld...394 28.9 G777 Bewerking op cirkel...395 viii Heidenhain 26-9-2002
INHOUDSOPGAVE 28.10 G779 Bewerking op positie... 397 Voorbeeld... 397 28.11 G781 Boren / centeren... 398 Voorbeeld... 398 28.12 G782 Diepboren... 399 28.13 G783 Diepboren met extra spaanbreken... 402 28.14 G784 Tappen... 404 28.15 G785 Ruimen... 406 28.16 G786 Kotteren... 407 28.17 G787 Kamerfrezen... 409 28.18 G788 Spiebaanfrezen... 411 28.19 G789 Rondkamerfrezen... 413 28.20 G790 Terugwaartsverzinken... 415 Voorbeeld... 416 28.21 G794 Tappen, interpolerend... 417 28.22 G797 Kamernafrezen... 419 28.23 G798 Spiebaannafrezen... 421 28.24 G799 Ronde kamer nafrezen... 423 29. Draaien... 425 29.1 Inleiding... 425 29.2 Machineconstanten... 426 29.3 G36/G37 Inschakelen/beëindigen van draaien... 427 29.4 G17 Vlak voor draaien (G17 Y1=1 Z1=2)... 428 29.5 G33 Draadsnijden... 429 29.6 G94/G95 Uitbreiding keuze voedingseenheid... 431 29.7 G96/G97 Constante snijsnelheid... 432 29.8 Draaigereedschap definiëren in de gereedschapstabel... 433 29.9 G302 Overlappende gereedschapsgegevens... 434 29.10 G611 TT130: Draaigereedschappen meten... 435 29.11 G615 Lasersysteem: L/R-Metting van Draaigereedschappen... 437 29.12 Inleiding... 439 29.12.1 Allgemeine Information... 439 29.12.2 Beschrijving van onbalans... 439 29.12.3 G227/G228 Onbalansmonitor... 440 29.12.4 G691 Meten van onbalans... 441 29.12.5 G692 Controleren van onbalans... 443 29.13 Draaicycli... 444 29.13.1 G822 Afspanen langs... 445 29.13.2 G823 Afspanen dwars... 446 29.13.3 G826 Afspanen langs, nabewerken... 447 29.13.4 G827 Afspanen dwars, nabewerken... 448 29.13.5 G832 Snedeopdeling langs... 449 29.13.6 G833 Snedeopdeling dwars... 450 29.13.7 G836 Snedeopdeling langs, nabewerken... 451 29.13.8 G837 Snedeopdeling dwars, nabewerken... 452 29.13.9 G842 Groefsteken langs... 453 29.13.10 G843 Groefsteken radiaal... 454 29.13.11 G846 Groefsteken langs, nabewerken... 455 29.13.12 G847 Groefsteken dwars, nabewerken... 456 29.14 Voorbeelden... 457 29.15 Overzicht gebruikelijke G-Functies in draaibedrijf... 459 30. G-functies met Design-cycli gemaakt... 461 30.1 Design-cycli... 461 31. Lijst van de G-functies, M-functies... 463 31.1 G-functies... 463 31.2 Lijst van G-functies voor macro's... 465 31.3 Lijst van G-functies voor meetcycli... 466 26-9-2002 MillPlus IT V510 ix
INHOUDSOPGAVE 31.4 Lijst van G-functies voor freescycli...466 31.5 Lijst van G-functies voor draaicycli...467 31.6 Basis M-functies...468 31.7 Machine-afhankelijke M-functies...469 32. Technologische commando's...471 32.1 Voedingssnelheid...471 32.2 Spiltoerental...471 Gereedschapnummer...472 33. E-parameters en rekenkundige functies...473 33.1 E-Parameters...473 33.2 Rekenkundige functies...473 33.3 Uitgebreide berekeningen...474 33.3.1 E-parameters...474 33.3.2 Gehele getallen...474 33.3.3 Gehele getallen met grootste waarde...474 33.3.4 Gehele getallen met kleinste waarde...474 33.3.5 Afronden...475 33.3.6 Restdeel na deling...475 33.3.7 Teken...475 33.3.8 Parameternummer van variabele:...475 34. Algemeen...477 34.1 Operator-machineconstanten...477 34.2 Machineconstanten in bewakingsbestand...477 34.2.1 Lijst met operator-machineconstanten...477 34.3 Aansluitkabel voor data-interfaces...479 34.4 Instellen van Ethernet-interface...479 34.4.1 Aansluitmogelijkheden Ethernet-interface...479 34.4.2 Aansluitkabel voor Ethernet-interface...480 34.4.3 MillPlus Ethernet-interface configureren (bestand tcpip.cfg...480 x Heidenhain 26-9-2002
INLEIDING 1. Inleiding Geachte klant Deze handleiding is bedoeld om u te ondersteunen bij de bediening en de programmering van het besturingssysteem. Ons verzoek aan u: Leest u de informatie die voor u in dit handboek is samengevat, voordat u met uw nieuwe machine aan het werk gaat. U krijgt zo belangrijke aanwijzingen voor de bediening van de machine en de bedrijfszekerheid ervan, zodat u de machine veilig en effectief kunt gebruiken. Enkele tips met betrekking tot uw veiligheid: Dit handboek is absoluut noodzakelijk om veilig met de machine te kunnen werken. U dient ervoor te zorgen dat het onder handbereik bij de machine ligt. Zonder de noodzakelijke opleiding te hebben gevolgd - intern, via opleidingsinstituten of in één van de opleidingscentra - mag niemand, zelfs niet voor even, met de machine werken. Lees de algemene Veiligheidsvoorschriften van uw branche-organisatie. Indien deze binnen uw bedrijf niet zichtbaar aanwezig zijn, vraag de verantwoordelijke veiligheidsfunctionaris er dan om. Neem de instructies voor een gebruik conform de voorschriften in acht. Het besturingssysteem wordt via machineconstanten op de machine afgestemd. Een deel van deze constanten is toegankelijk voor de gebruiker. Voorzichtig! Om de constanten te kunnen aanpassen, dienen zowel de betekenis als de functies ervan goed te worden begrepen. Als dat niet het geval is, gelieve u contact met onze klantenservice op te nemen. Het besturingssysteem is voorzien van een back-up batterij, die de inhoud van het geheugen na het uitschakelen van het systeem gedurende circa drie jaar bewaart (echter alleen als de accu goed functioneert!). De gebruiker dient zijn programma's en specifieke gegevens (bijv. technologiegegevens, machineconstanten etc.) altijd op zijn PC of vanaf diskette uit te lezen. Op deze wijze wordt voorkomen, dat er in geval van een systeemstoring of een defecte backup-batterij gegevens onherroepelijk verloren gaan. In het kader van de verdere ontwikkeling behouden wij ons het recht voor de constructie, de uitrusting of het toebehoren te wijzigen. Aan de gegevens, afbeeldingen en beschrijvingen kunnen derhalve geen rechten worden ontleend. Vergissingen voorbehouden. De MillPlus IT-besturing is leverbaar als systeem met één of met een dubbele processor. Overal waar dit logo wordt getoond, geldt de beschrijving voor het systeem met een dubbele processor. 26-9-2002 MillPlus IT V510 1
INLEIDING 1.1 MillPlus IT-software en functies Dit handboek beschrijft functies die in de MillPlus IT (VME en LE4xx hardware) vanaf de volgende NCsoftware-nummers - V420 (LE4xx) Softwarenummer 344 198-xx - V500 (LE4xx) Systeem met één processor, softwarenummer 349 643-xx - V500 (LE4xx) Systeem met dubbele processor, softwarenummer 360 476-xx - V510 (LE4xx) Systeem met één processor, softwarenummer 358 643-xx - V510 (LE4xx) Systeem met dubbele processor, softwarenummer 358 644-xx beschikbaar zijn. De machinefabrikant stemt de beschikbare functies van de MillPlus IT via machineparameters op de betreffende machine af. Daarom zijn in dit handboek ook functies beschreven die niet op elke MillPlus IT beschikbaar zijn. De onderstaande MillPlus IT-functies zijn bijvoorbeeld niet op alle machines beschikbaar: - Draaien uitgebreid - gereedschapsmeting met de TT120/TT130 - gereedschapsmeting met het lasermeetsysteem - Ethernet-interface (TCP/IP) - Autostart (warmloopprogramma) U kunt met de machinefabrikant contact opnemen, om met de individuele ondersteuning van de aangestuurde machine vertrouwd te raken. 2 Heidenhain 26-9-2002
INLEIDING 1.2 Softwareversie V510 Opmerking De V510-software is geschikt voor systemen met één en met een dubbele processor. Bediening: Bestandsbeheerfunctie van menubalk naar softkeybalk omgezet EASYoperate Bij de handbediening is de menukeuze Instellen voor asdiagnose en machinemacro's toegevoegd Bediening: systeem met dubbele processor Besturing uitschakelen Uitbreiding diagnose/helpfuncties Toegevoegde G-functies: G33 Cyclus schroefdraadsnijden voor draaien G106 Kinematica verrekenen: uit G108 Kinematica verrekenen: aan G610 Breukbewaking TT130 G61 Draaigereedschap opmeten TT130 G615 Lasersysteem L/R-meting van draaigereedschap Meetcycli G620 Hoek meten G621 Positie meten G622 Hoek meten buiten G623 Hoek meten binnen G624 Hoekpunt en hoek meten (buiten) G625 Hoekpunt en hoek meten (binnen) G626 Rechthoek meten buiten G627 Rechthoek meten binnen G628 Cirkel meten buiten G629 Cirkel meten binnen Meetcycli in het schuine vlak (G7): G631 Vlak van scheefstand meten G640 Kinematisch middelpunt van de rotatie bepalen Boorcycli G781 Boren / centreren G782 Diepboren G783 Diepboren met extra spaanbreken G784 Tappen G785 Ruimen G786 Kotteren G790 Terugwaarts verzinken G794 Tappen (interpolerend) Positiecycli (patroon) G771 Bewerking op lijn G772 Bewerking op vierhoek G773 Bewerking op raster G777 Bewerking op cirkel G779 Bewerking op positie Speciale cycli G700 Vlakdraaien G730 Vlakken Freescycli G787 Kamerfrezen G788 Spiebaanfrezen G789 Rondkamerfrezen G797 Kamer nafrezen G798 Spiebaan nafrezen G799 Rondkamer nafrezen Gewijzigde functies: G4 Wachttijd in omwentelingen G320 uitgebreid met I1=63 t/m 65 G324 uitgebreid met I1=29 G106 of G108 G326 uitgebreid met adres D7= Cycle Design: geringe uitbreidingen (INCH) 26-9-2002 MillPlus IT V510 3
INLEIDING 1.3 Systeem met één/dubbele processor - Inleiding Systeem met één processor: SP Systeem met dubbele processor: DP V500 en de opvolgende versie V510 kunnen beide op SP/DP-systemen draaien. DP-MillPlus IT heeft een front-end Windows-besturingssysteem. 1.3.1 DP-bestandsbeheer 1 Lijst met directory's 2 Softkey voor de vensterkeuze 3 Inhoud van de huidige directory 4 Bekijken van het huidige bestand Opmerking: Met de linker touchpad-toets kan een bestand geselecteerd worden. De rechter touchpad-toets heeft dezelfde functies, die ook via de softkeys ter beschikking staan. Cursorbediening en dubbelklikken zoals bij Windows. 4 Heidenhain 26-9-2002
INLEIDING 1.3.2 Uitschakelen van de MillPlus IT op een systeem met dubbele processor Druk eerst op Noodstop, zodat dat de motoren zeker uitgeschakeld zijn! Druk op de Windows-toets op het PC-toetsenbord van uw MillPlus IT. Windows opent nu de START -functie. Kies Afsluiten... Windows vraagt om een bevestiging. Als u geen noodstop hebt uitgevoerd, verschijnt de volgende melding Opmerking Als u het besturingssysteem net inschakelt, hoeft u niet te wachten tot de software van het besturingssysteem is opgestart. Zodra de startprocedure loopt, kunt u al op Ctrl/Esc drukken, waardoor ook de volgende procedure wordt bereikt. 26-9-2002 MillPlus IT V510 5
INLEIDING 6 Heidenhain 26-9-2002
VEILIGHEID 2. Veiligheid Symbolen en verklaring van de instructies: Geldt wanneer er sprake is van direct gevaar voor personen. "ONDER SPANNING STAANDE DELEN". Alleen toegankelijk voor daartoe bevoegde vakmensen! Duidt op gevaar door onder spanning staande delen die vóór de aanvang van de reparatie stroomloos dienen te worden gemaakt. Geldt voor werk- of bedrijfsprocedures die nauwkeurig dienen te worden gevolgd, om gevaarlijke situaties of lichamelijk letsel en beschadiging van de installatie te voorkomen. Duidt op voor personen mogelijk gevaarlijke situaties. Voor bijzonderheden van technische aard, die de gebruiker in acht dient te nemen. Naast de instructies in de gebruiksaanwijzing dient rekening te worden gehouden met de algemeen geldende veiligheidsvoorschriften en ongevalpreventievoorschriften. 26-9-2002 MillPlus IT V510 7
VEILIGHEID 8 Heidenhain 26-9-2002
3. Toetsenbord-layout / Beeldschermopbouw 3.1 Beeldschermweergave TOETSENBORD-LAYOUT / BEELDSCHERMOPBOUW 1 Procesniveau 2 Softkeys voor de machinefuncties 3 Softkeys 4 Machine-informatie 3.2 Toetsenbord-layout / Beeldschermopbouw (LE412) 1 VGA-beeldscherm 2 Softkeys machinefuncties 3 Softkeys 4 Informatietoets 5 Toets zonder funktie 6 Beeldscherm insteltoetsen (zie volgende pagina) 7 Toetsen zonder funktie 26-9-2002 MillPlus IT V510 9
TOETSENBORD-LAYOUT / BEELDSCHERMOPBOUW 3.2.1 Beeldscherm insteltoetsen De insteltoetsen voor het beeldscherm hebben verschillende functies afhankelijk van de gekozen mode. Nog geen functie gekozen: 1 Demagnetiseren 2-4 Oproepen instelmenu Instelmenu op het beeldscherm: 1 Verlaten instelmenu (nieuwe instellingen worden bewaard) 2 Oplichten van ondermenu naar onderen verschuiven (als onderste regel van menu 1 bereikt is en nogmaals gedrukt wordt dan wordt automatisch menu 2 gekozen) 3 Oplichten van ondermenu naar boven verschuiven (als de bovenste regel van menu 2 bereikt is en nogmaals gedrukt wordt dan wordt automatisch menu 1 gekozen) 4 Aktiveren van het oplichtende ondermenu Ondermenu op het beeldscherm: 1 Verlaten instelmenu (nieuwe instellingen worden bewaard) 2 Waarde verkleinen Beeld naar links, resp. naar onder verschuiven 3 Waarde vergroten Beeld naar rechts, resp. naar boven verschuiven 4 Terug naar menu 1 of menu 2 (nieuwe instellingen worden bewaard) Beeldscherminstellingen 1 2 3 4 CONTRAST Contrast aanpassen BRIGHTNESS Helderheid aanpassen H-POSITION Horizontale beeldpositie aanpassen H-SIZE Beeldbreedte aanpassen V-POSITION Vertikale beeldpositie aanpassen V-SIZE Beeldhoogte aanpassen SIDE-PIN Kussenvormige vertekening corrigeren TRAPEZOID Trapeziumvormige vertekening corrigeren ROTATION Beeldscheefstelling corrigeren COLORTEMP Kleurtemperatuur aanpassen R-GAIN Kleurinstelling rood aanpassen B-GAIN Kleurinstelling blauw aanpassen RECALL Geen functie 10 Heidenhain 26-9-2002
TOETSENBORD-LAYOUT / BEELDSCHERMOPBOUW 3.3 Bedieningspaneel 1 Regeling van de ijlgangsnelheid. 2 Machine AAN 3 NOODSTOP 4 Regeling van de voedingssnelheid 5 Spil AAN rechtsom, stop, AAN linksom 6 Asbewegingstoetsen voor andere assen 7 Asbewegingstoetsen en ijlgang 8 Regeling van het spiltoerental 9 Machinefunktietoetsen; De functie van deze toetsen wordt door de machinefabrikant bepaald. Zie uw machinehandboek. 10 Voeding- en spil-stop 11 Voeding-STOP 12 START 13 Hoofdbedrijfswijzen 14 Touchpad Opmerking De toetsen (F11, F12, Prt Sc Sys Rq, Pause Break) hebben hier geen enkele functie en kunnen daarom beter niet gebruikt worden. 26-9-2002 MillPlus IT V510 11
TOETSENBORD-LAYOUT / BEELDSCHERMOPBOUW 3.4 Handwiel HR410 (HCU) 1. NOODSTOP 1 2. Handwiel 3. Veiligheidsknoppen 2 4. Toetsen voor het kiezen van assen 3 5. Toetsen voor het vastleggen van langzame, middelmatige of snelle voeding; de verschillende voedingen worden door de machinefabrikant vastgelegd 4 X Y Z IV V 8 6. Richting, waarin de CNC, de gekozen as laat bewegen 5 7. Machinefunctietoetsen (worden door de machinefabrikant vastgelegd) 8. Toets voor het overnemen van de actuele positie - Actuele waarde instellen - Gereedschap meten - Programma-editor 6 7 - + FCT FCT FCT A B C De rode LED's laten zien, welke as en welke voeding u gekozen heeft. 3.4.1 Handwiel activeren/annuleren Door de linker veiligheidsknop ingedrukt te houden, wordt het handwiel geactiveerd. Rechtsboven op het beeldscherm verschijnt dan: HCU. Het annuleren gebeurt, door de linker veiligheidsknop los te laten. Opmerking De bediening wordt door de machinefabrikant bepaald. Zie uw machinehandboek. 12 Heidenhain 26-9-2002
TOETSENBORD-LAYOUT / BEELDSCHERMOPBOUW 3.5 Concept van de 4 processen 4 3 2 1 1. Handbediening: Handmatig bedienen 2. Automatisch bedrijf: Programma uitvoeren 3. Programma: Programma aanmaken 4. Bewaken: Beheer van tabellen, bestanden en communicatie Basisprincipe: De 4 procesniveaus functioneren met enkele beperkingen parallel aan elkaar. Voorbeeld van parallelle functies: Tijdens Automatisch bedrijf kan een programma worden uitgevoerd, terwijl gelijktijdig bij Programma een nieuw programma kan worden aangemaakt. Voorbeeld van een beperking: Wanneer de Handbediening actief is, kan er bij Automatisch bedrijf geen programma worden uitgevoerd. 3.6 Het verlaten van een functie Om een functie of modus te verlaten, nogmaals op Menu drukken of Om een functie te verlaten, een ander proces te kiezen of hetzelfde procesniveau opnieuw te kiezen, wordt het procesniveau op die plaats gestart waar u het verlaten hebt. Een functie wordt definitief verlaten door het kiezen van een nieuwe functie binnen hetzelfde procesniveau. 26-9-2002 MillPlus IT V510 13
TOETSENBORD-LAYOUT / BEELDSCHERMOPBOUW 3.7 Terug naar het vorige softkey-niveau Drukken om terug te keren naar de vorige softkey-groep (indien aanwezig). 3.8 Combinatie van softkey-groepen Voorbeeld Behalve de actuele softkey-groep kunnen in dezelfde modus ook andere softkey-groepen actief zijn. Gebruiker-softkey-groep voor het bewerken van DIN/ISO-programma's Tweemaal op toets van een bedrijfswijze drukken: Softkey-groep voor het bewerken Info-softkey-groep Bekijken van de ingevoerde gereedschappen in de gereedschappentabel Bekijken van nulpuntverschuivingstabel. Bekijken van de G-funktie-lijst. 3.9 Omschakelen tussen grote en kleine letters met 14 Heidenhain 26-9-2002
3.10 Keuze in het menu Easy Operate, ICP en IPP TOETSENBORD-LAYOUT / BEELDSCHERMOPBOUW 1. Ga met de cursortoetsen naar links, rechts, omhoog en omlaag door het menu. De keuze wordt gemaakt met behulp van de ENTER-toets. 2. Of druk op een cijfertoets 1-9. In dat geval wordt de ENTER-toets niet gebruikt.. 3.11 Snelle keuze van de modus Tweecijferig modusnummer. (1e cijfer: positie van het menu, 2e cijfer: positie van de modus) Voorbeeld: keuze van klok 3.12 Softkey Status De statusweergave van de softkeys informeert u over de actuele toestand. Voorbeeld Softkey grijs (Softkey niet actief) Softkey blauw (Softkey actief) 26-9-2002 MillPlus IT V510 15
TOETSENBORD-LAYOUT / BEELDSCHERMOPBOUW 3.13 User-softkeys De user-softkeys worden gebruikt om de meest voorkomende functies snel te kunnen gebruiken. De user-softkeys verschijnen, wanneer de druktoets voor het actieve procesniveau nogmaals wordt ingedrukt Wanneer deze toets nogmaals wordt ingedrukt, verdwijnen de user-softkeys. De vorige functie wordt weer actief.. 3.13.1 Het definiëren van de user-softkeys Via helpvenster zoeken 16 Heidenhain 26-9-2002
TOETSENBORD-LAYOUT / BEELDSCHERMOPBOUW Tabel met toets Taste Befehl Aktions- Wert Taste Befehl direct menu command 7000-7499 <-- (Cursor left) 49 number command 80000-89999 ^ (Cursor Up) 51 Delay command 9000-9999 v (Cursor Down) 52 hor. softkey 1 101 --> (Cursor right) 50 hor. softkey 2 102 clear 15 Aktions- Wert hor. softkey 3 103 escape 166 hor. softkey 4 104 back space 154 hor. softkey 5 105 key pad "." 39 hor. softkey 6 143 key pad "=" 40 hor. softkey 7 144 key pad "+" 45 hor. softkey 8 145 key pad "-" 46 menu 38 key pad "/" 47 number "0" 0 key pad "*" 48 number "1" 1 help 153 number "2" 2 store/select 53 number "3" 3 tab 171 number "4" 4 ASCII "(" 1044 number "5" 5 ASCII ")" 1045 number "6" 6 ASCII "*" 1046 number "7" 7 ASCII "+" 1047 number "8" 8 ASCII "," 1048 number "9" 9 ASCII "-" 1049 process manual 139 ASCII "." 1050 process automatic 162 ASCII "/" 1051 process program 140 ASCII "0" ASCII "9" process control 141 store 53 ASCII "A" ASCII "Z" enter 54 insert 168 ASCII "a" ASCII "z" home 176 page Up 170 delete 163 end 165 page Down 169 1052 1061 1068 1094 1101 1127 Procesniveau Handmatig: S11 t/m S18 (softkey 1-8) Procesniveau Automatisch: S21 t/m S28 (softkey 1-8) Procesniveau Programma: S31 t/m S38 (softkey 1-8) Procesniveau Bewaken: S41 t/m S48 (softkey 1-8) 26-9-2002 MillPlus IT V510 17
TOETSENBORD-LAYOUT / BEELDSCHERMOPBOUW Ingave softkeytekst: - De softkeytekst moet tussen haakjes staan. - 2 regels, maximaal 9 tekens per regel. - Teken "\" geeft zachte return aan. Voorbeelden SF1: S31 A1=38 A2=1 A3=1 Bestand\programma selecteren SF3: S33 A1=38 A2=2 A3=1 DIN/ISO\ingave 3.14 Procesniveau Handmatig 18 Heidenhain 26-9-2002
TOETSENBORD-LAYOUT / BEELDSCHERMOPBOUW 3.15 Procesniveau Automatisch 3.16 Procesniveau Programma 26-9-2002 MillPlus IT V510 19
TOETSENBORD-LAYOUT / BEELDSCHERMOPBOUW 3.17 Procesniveau Bewaken 20 Heidenhain 26-9-2002
WERKSTUKCOÖRDINATEN 4. Werkstukcoördinaten 4.1 Coördinatensysteem en bewegingsrichtingen 4.2 Assen +Z +C +Y +B +A +X 4.3 Nulpunten W R M R M W R Referentiepunt M Machinenulpunt W Werkstuknulpunt 26-9-2002 MillPlus IT V510 21
WERKSTUKCOÖRDINATEN 4.4 Carthesische coördinaten Absolute coördinaten (G90) Incrementele coördinaten (G91) Het woordgewijs programmeren in absolute/incrementele coördinaten (X90,X91,Y90...) vindt onafhankelijk van de modaal geldende maateenheid G90/G91 plaats. 4.5 Poolcoördinaten Absolute coördinaten (G90) Incrementele coördinaten (G91) Let op Het programmeren in poolcoördinaten wordt niet beïnvloed door het woordgewijs programmeren in absolute/incrementele coördinaten. Als er een poolpunt is geprogrammeerd (zie G9), zijn de programmaregels met poolprogrammering (hoek en lengte) niet langer aan het nulpunt, maar aan het laatst geprogrammeerde poolpunt, gerelateerd. 4.5.1 Toekenning van poolcoördinaten Poolcoördina Hoekreferenti Beweging B1=+ ten e-as X Y G17 +X +X nach +Y Z X G18 +Z +Z nach +X Y Z G19 +Y +Y nach +Z 22 Heidenhain 26-9-2002
WERKSTUKCOÖRDINATEN 4.6 FSP-coördinaten Op het beeldscherm kan de positie zowel in het vlak G7 (Xp,Zp) als in machinecoördinaten (X,Z) worden weergegeven. Beide posities zijn gebaseerd op het actieve nulpunt G52 + G54 + G92/G93. 26-9-2002 MillPlus IT V510 23
WERKSTUKCOÖRDINATEN 24 Heidenhain 26-9-2002
5. Machine inschakelen / Referentiepunt 5.1 Machine inschakelen (voorbeeld) Hoofdschakelaar AAN Besturing en meetsystemen worden van spanning voorzien. MACHINE INSCHAKELEN / REFERENTIEPUNT Ongevalsrisico door elektrische spanning! Geen open componenten in de schakelkast aanraken, aangezien deze onder spanning kunnen staan.. Overtuig u ervan dat niemand gevaar loopt door het starten van de machine vóórdat u deze inschakelt / in gang zet. Overtuig u ervan dat alleen bevoegd personeel met de machine gaat werken! NOODSTOP-schakelaar ontgrendelen. Machine AAN (toets ingedrukt houden) en op CLEAR drukken. Starten en afsluiten van de software op het dubbel-processor-system zie hoofdstuk 3. 5.2 Referentiepunten benaderen Selecteren van één of meerdere assen Referentiepunt benaderen (RPF) Let op Gevaar van botsing! Vóór 'Referentiepunt benaderen' zijn de software-eindschakelaars niet actief en kunnen de assleden in botsing komen met de mechanische eindaanslag. De operator dient zich er vóór 'Referentiepunt benaderen' van te overtuigen dat er bij het benaderen van de referentiepunten geen botsing met de machine kan plaatsvinden! 26-9-2002 MillPlus IT V510 25
MACHINE INSCHAKELEN / REFERENTIEPUNT 5.3 Vlak instellen Via softkey kan het bewerkingsvlak worden gekozen. In het bewerkingsprogramma is de functie G17, G18 of G19 bepalend en de softkeyinstelling wordt overschreven. Keuze van vlak 26 Heidenhain 26-9-2002
HANDBEDIENING 6. Handbediening De assen van de machine kunnen zowel met ijlgang als met instelbare stappen handmatig worden verplaatst. De verplaatsingssnelheid kan worden geregeld met behulp van de voedings-override. Het is mogelijk om twee assen tegelijkertijd te verplaatsen. Ook de werkspil kan handmatig worden verplaatst. Overige assen bijv. vijfde as of spil moeten eerst worden geselecteerd. 6.1 Assen verplaatsen De assen worden met behulp van de asbewegingstoetsen verplaatst. Let op: 1. Z-as 2 Y-as 3 X-as 4 As 4 5 As 5 6 Met ijlgang verplaatsen Selecteer as 4 met mc153. Selecteer as 5 met mc154. 6.1.1 Stappenproces, met ijlgang verplaatsen Instellen of de machine-as bij indrukken van de asbewegingstoets in stappen of met ijlgang wordt verplaatst. 26-9-2002 MillPlus IT V510 27
HANDBEDIENING 6.1.2 Continu proces Met ijlgang verplaatsen met behulp van de asbewegingstoets en de toets Start. De as wordt net zolang verplaatst, totdat zij wordt gestopt. Gelijktijdig indrukken met: -Voeding uit MC -Er kunnen hoogstens 2 assen gelijktijdig worden verplaatst. -Stop met toets 'Voeding-STOP' of 'Voeding- en spil-stop' 6.1.3 Eilgang verfahren Gelijktijdig indrukken 28 Heidenhain 26-9-2002
HANDBEDIENING 6.1.4 Vrije stapgrootte Met de functie 'Vrije stapgrootte' kan men de juiste stap voor de verplaatsing van uw machine instellen. Vrije stapgrootte gebruiken: 6.1.5 Spil en andere assen verplaatsen (Jog-as) 26-9-2002 MillPlus IT V510 29
HANDBEDIENING 6.2 Verplaatsen in FSP Na het inschakelen van het "vrije bewerkingsvlak" is verplaatsing in het FSP-vlak mogelijk of kunnen de machine-assen worden verplaatst. Verplaatsen inrije bewerkingsvlak. Verplaatsen van de machine-assen. 30 Heidenhain 26-9-2002
HANDBEDIENING 6.3 Omschakelen voeding/continue verplaatsing 26-9-2002 MillPlus IT V510 31
HANDBEDIENING 6.4 Ingave van F, S en T Invoeren van het gereedschapnummer, het spiltoerental, de voeding en de M-functie. Activeer gereedschapswissel Schakel spil in (M3 of M4) 32 Heidenhain 26-9-2002
VRIJE INGAVE (MDI) 7. Vrije ingave (MDI) 7.1 Vrije ingave Invoeren van een instructie in de commandoregel met daaropvolgende uitvoering. Adres en adresgegevens via toetsenbord ingeven. Programmaregel uitvoeren.. Wanneer de regel is uitgevoerd, blijft de modus "Vrije ingave" actief. Opmerking Wanneer een vrije ingave gestart wordt, wordt deze ingave in de MDI-buffer opgeslagen. Eerdere gestarte ingaven kunnen bereikt worden door cursor of. De MDI-buffer kan maxumaal 15 ingaven bevatten. Verdere nieuwe ingaven drukken de oudste ingaven uit de buffer. De laatste bufferplaats is altijd leeg. Zie ook het hoofdstuk 'Easy Operate'. 26-9-2002 MillPlus IT V510 33
VRIJE INGAVE (MDI) 7.2 Regel afbreken (MDI) of Regelgewijze programma-afloop onderbreken De actuele regel wordt afgebroken. 34 Heidenhain 26-9-2002
ASSEN INSTELLEN 8. Assen instellen Bij "Kant vastleggen", "Middelpunt vastleggen" en "Preset assen", bestaat de mogelijkheid om na het kiezen van de softkeytoets "Selecteer nulpunt", de huidige nulpuntverschuiving op te heffen. 8.1 Kant vastleggen 26-9-2002 MillPlus IT V510 35
ASSEN INSTELLEN Ingave W nulpuntsverschuiving activeren. Kant benaderen verschuivingswaarden (X, Y, Z, R) ingeven Tot Op de softkey drukken, waarop wordt aangegeven vanuit welke richting de kant is benaderd. De nulpuntsverschuiving wordt voor de gekozen as en richting berekend en in het geheugen voor de nulpuntsverschuiving opge slagen. De verschuivingswaarde wordt in de actuele asweergave overgenomen. Weergave van het geheugen voor de nulpuntverschuiving. 36 Heidenhain 26-9-2002
ASSEN INSTELLEN 8.2 Middelpunt vastleggen Procedure: als bij "Kant vastleggen". waarde in het hoofdvlak activeren waarde in de gereedschapas activeren 8.3 Actuele waarde instellen Om het werkstuk te kunnen bewerken, moeten het werkstuknulpunt en het machinenulpunt op elkaar worden afgestemd. Het werkstuknulpunt wordt door de operator bepaald en wordt door middel van nulpuntsverschuiving aan het besturingssysteem doorgegeven. - Keuze van het nulpunt. - Positie met de asverplaatsingstoetsen benaderen. - Invoeren van de actuele aswaarden. Overname van de ingegeven actuele aswaarden in de asweergave en overname van de nulpunten in de tabel Nulpuntsverschuiving. 26-9-2002 MillPlus IT V510 37
ASSEN INSTELLEN 8.4 Gereedschap meten Met "Gereedschap meten" kunnen de gereedschapscorrectiewaarden (radius en lengte) voor het actieve gereedschap worden bepaald. De vastgestelde correctiewaarden worden overgenomen in de tabel Gereedschap. Voorbeeld van het meten van de gereedschaplengte. - Activeer de bewerkingsvlakken (b.v. G17) - Activeer de nulpuntsverschuiving (b.v. G54 of G54 I10) - Verwissel het gereedschap in de spil (b.v. T1) Onder L en R worden de huidige gereedschapwaarden getoond. Radius meten: - Geef referentiepositie in (bijv. X20) - Benader referentiepositie - Gereedschapradius bepalen met softkeys Lengte meten: - Geef referentiepositie in (bijv. Z0) - Benader referentiepositie - Gereedschaplengte bepalen met softkey Let op Zie het hoofdstuk Gereedschap voor nadere informatie. 38 Heidenhain 26-9-2002
9. Gegevens inlezen / uitlezen en bestandsbeheer GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER Data-overdracht bei een dubbel-processor-system is niet aktief. Data van een tabel wordt d.m.v. Windows Explorer ingelezen. 9.1 Data-overdracht 9.2 Besturing op randapparatuur afstemmen Let op Machineconstanten voor apparatuur: 900-910- 920-780-783 790-797- 908 918 928 930-936 795 799 Regelnummer > 9000, zie de lijst met de operator-machineconstanten (MC772-774). 9.3 Afkortingen geheugennamen Let op: - Bij mc84=0 is de code voor de NP-verschuiving ZO.ZO en bij mc84>0 ZE.ZE. 26-9-2002 MillPlus IT V510 39
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.4 Inlezen 9.4.1 Programma inlezen (PM, MM) Selecteer PM of MM. Selecteer hoofdprogramma of macro uit de lijst 9.4.2 Tabellen inlezen (TM..PO) Selecteer tabel uit de lijst Let op Na het inlezen moeten de technologietabellen op harddisk bewaard worden (CNC bewaart altijd op de Startup-directory), zodat deze na het uit- en inschakelen van de besturing, weer geactiveerd worden. 40 Heidenhain 26-9-2002
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.5 Uitlezen 9.5.1 Beveiliging van gegevens De gebruiker moet zijn programma's (PM en MM) en specifieke gegevens (b.v. technologische gegevens, machineconstanten, gereedschap etc.) regelmatig op de PC of op diskette opslaan, om te voorkomen dat gegevens definitief verloren gaan. 9.5.2 Programma uitlezen (PM, MM) Selecteer hoofdprogramma of macro uit de lijst programma kiezen 9.5.3 Tabel uitlezen (TM-LB) Seleccionar da lista programa principal ou macro. 9.6 Mini-PC Diskettestation 3,5" 26-9-2002 MillPlus IT V510 41
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.7 Bestanden selecteren met met een bestand selecteren een bestand selecteren. Hiermee schakelt u tussen <geselecteerd> / <niet geselecteerd> voor het bestand waarop de cursor staat. De cursor springt naar het volgende bestand. met alle bestanden in de directory worden geselecteerd alle selecties worden gewist Geselecteerde bestanden herkent u aan het symbool vóór de naam. Let op: In de onderstaande menu's kunnen bestanden op deze wijze worden geselecteerd: Bestand Beheer/Wijzigen: Bestand wissen Bestandsattribuut Communicatie: Uitlezen Inlezen Een ingegeven doelbestand wordt bij meerdere geselecteerde bronbestanden genegeerd. Het doelbestand wordt dan in de doeldirectory opgenomen. Het bestand waarop de cursor staat, maar dat niet is geselecteerd, wordt niet meegenomen. 42 Heidenhain 26-9-2002
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.8 Bestandsbeheer Bij aflevering is op de harddisk een directory-structuur aangemaakt. Deze structuur ziet er als volgt uit: \STARTUP -WORK -TEMP De de technologietabellen en de macro's op de directory Startup en de actuele directory worden tijdens het initialiseren van de CNC in het RAM-geheugen van de CNC geladen. Uitvoering van een programma met fouten kan tot gevaarlijke situaties leiden. De programma's in de procesniveaus "Automatisch" en "Programma" worden altijd vanaf harddisk geselecteerd. In de procesniveaus kan van directory gewisseld worden. Bij het selecteren van programma's, worden deze in het werkgeheugen (DRAM) geladen. Opmerkingen - Wanneer er tijdens het laden een foutief bestand wordt gevonden, wordt het laden afgebroken. - Programma's worden bij het laden gecontroleerd. Indien er tijdens het laden een fout optreedt, wordt de foute programmaregel van een foutmelding voorzien en tussen haakjes geplaatst. Voorbeeld: N.. G301 (O... "Foute inhoud oorspronkelijke regel") - In de directory Startup worden de technologietabellen en de IPP-Setup-macro bewaard. Het is aan te bevelen om geen andere programma's in de directory Startup te bewaren. Enige uitzonderingen zijn bijv. macro's die door meerdere hoofdprogramma's worden aangeroepen. - Tijdens het copieren, hernoemen of laden, wordt het programmanummer in de eerste regel van het programma aangepast aan de bestandsnaam, vooropgesteld dat de bestandsnaam overeenkomt met een geldig programmanummer. - Hoofdprogramma's (oproep met G23) en macro's (oproep met G22) moeten in dezelfde directory staan als het actieve hoofdprogramma. - Bij het verlaten van de editor verschijnt de vraag, of de veranderingen bewaard moeten worden. Veranderingen in het actieve hoofdprogramma en de daartoebehorende macro's, worden automatisch bewaard. - Grote programma's, die niet in het werkgeheugen passen, moeten met de softkey "CADmode" uitgevoerd worden. Het is daarentegen wel mogelijk, om d.m.v. een programma dat niet in "CAD-mode" uitgevoerd wordt, met G23 een groot programma op te roepen en uit te voeren. 26-9-2002 MillPlus IT V510 43
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.8.1 Bestand wijzigen Selecteer bestand of geef bestandsnaam in (bijv. 2222.pm) Open bestand 44 Heidenhain 26-9-2002
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.8.2 Bestand hernoemen/verplaatsen Het herbenoemen/verplaatsen van een bestand gaat op dezelfde wijze als een bestand kopiren. 9.8.2.1 Bestand verwijderen Programma's kunnen alleen in de actuele directory worden gewist. Bij het wissen van een complete directory (*.*) wordt de inhoud gewist. De directory wordt niet gewist. Selecteer programma of geef programmanummer in. 26-9-2002 MillPlus IT V510 45
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.8.3 Bestand attribuut (beveiligen/beveiliging opheffen) Selecteer programma of geef programmanummer in. 46 Heidenhain 26-9-2002
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.8.4 Bestand kopiëren De bediening van de functie <Bestand: kopiëren> is gelijk aan die voor het kopiëren via Ethernet of het lokaal kopiëren op de harde schijf. De keuze van de bron- of doeldirectory bepaalt of van Ethernet gebruik wordt gemaakt. Kopiëren in de huidige directory: Naam van doelbestand ingeven (bijv. 20001.PM): 26-9-2002 MillPlus IT V510 47
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.8.5 Kopiëren : Locale bestanden Directory kiezen Directory activeren 48 Heidenhain 26-9-2002
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.8.6 Kopiëren : netwerk directory Directory kiezen Directory activeren 26-9-2002 MillPlus IT V510 49
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.8.7 Directory aanmaken Er kan een nieuwe directory worden aangemaakt. De naam van de directory mag uit maximaal 11 tekens bestaan (DOS-formaat 8.3 tekens). Er mogen maximaal 5 niveaus in de directory worden aangebracht. Directory kiezen Geef naam van directory in (NEWDIR) 50 Heidenhain 26-9-2002
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.8.8 Directory verwijderen. De directory moet leeg zijn. De aktueleddirectory kann niet verwijderd worden. Directory kiezen Directory verwijderen 26-9-2002 MillPlus IT V510 51
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.9 Ethernet-interface Wanneer de MillPlus op een netwerk wordt aangesloten, zijn extra drives beschikbaar. Alleen de functie Bestand kopiëren geldt ook voor netwerk-drives. Voor het instellen van de interface zie hoofdstuk Diversen. 9.9.1 Server kiezen De server is de component in het netwerk via welke gegevens worden uitgewisseld. Er kan telkens maar een server actief zijn. In het configuratiebestand is gedefinieerd welke servers mogelijk zijn. Er kan telkens maar één actieve server worden gekozen. Seleccionar o servidor Server activeren Let op Ethernet biedt geen 'beveiliging' wanneer twee 'Clients' hetzelfde bestand op de server 'aanspreken'. In dit geval kan een bestand dat werd overgezonden, beschadigd zijn. 52 Heidenhain 26-9-2002
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 9.9.2 Schrijven naar de server Het verzenden van bestanden van de actieve directory op de harde schijf van de CNC naar de ingestelde directory op de server. -Bron-directory kiezen op CNC -Doel-directory kiezen op server -Doel-bestandsnaam ingeven Bestand naar de server schrijven 9.9.3 Lezen vanaf de server Het kopiëren van de bestanden op de server naar de actieve directory op de harde schijf van de CNC. -Bron-directory kiezen op server Bestand lezen vanaf de server -Doel-directory kiezen op CNC -Doel-bestandsnaam ingeven Bestand naar de server CNC 26-9-2002 MillPlus IT V510 53
GEGEVENS INLEZEN / UITLEZEN EN BESTANDSBEHEER 54 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA INGEVEN / BEWERKEN 10. Programma ingeven / bewerken 10.1 DIN/ISO Editor Om DIN/ISO-programma's te bewerken. 10.2 IPP Editor Om IPP-programma's te bewerken 10.3 Ingavehulp Beschikbaar zijn: Interactieve deelprogrammering (Interactive Part Programming (IPP)) Interactieve contourprogrammering (Interactive Contour Programming (ICP)) Ondersteuning voor G-functies 10.4 Nieuw Programmanummer (Hooftprogramma/Makro) ingeven Selekteren van bestand-type pm, *mm: Programmavenster met hoofd- en makroprogramma samen. 10.5 Nieuw programmanummer (hoofdprogramma/macro) ingeven 26-9-2002 MillPlus IT V510 55
PROGRAMMA INGEVEN / BEWERKEN Ingave van het programmanummer (1-999 999 9) Voorbeeld: 10002 Start de actieve editor met het nieuwe programmanummer. Opmerking Hoofdprogramma's (oproep met G23) en macro's (oproep met G22) moeten in dezelfde directory staan als het actieve hoofdprogramma. 10.6 Programma kiezen (hoofdprogramma / macro) Selecteer programma bijv. 1234567.PM Bij de ingave van het programmanummer, hoeven de extensies.pm of MM niet te worden ingeven. 56 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA INGEVEN / BEWERKEN Een programma activeren om te wijzigen. De vraag om op te slaan na het wijzigen en daarna het vernieuwde programma selecteren m.b.v. menu. Veranderingen in het actieve hoofdprogramma en de daartoebehorende macro's, worden automatisch bewaard. 10.7 Opslaan op harddisk Programma op de harddisk opslaan.. 10.8 Programmaregel ingeven Direct op cursorpositie met ASCII-toetsenbord. 10.9 Programmaregel tussenvoegen Selecteer regelnummer waarna een regel moet worden tussengevoegd. 26-9-2002 MillPlus IT V510 57
PROGRAMMA INGEVEN / BEWERKEN Regel wijzigen en afsluiten 10.10 Tekstingave Tekst na parameters tussen haakjes, max. grootte 124 tekens. Voorbeeld: G1 X50 Y83 M13 (koelmiddel inschakelen). 10.11 Rekenkundige ingave De functies sin(..) cos(..) tan(..) asin(..) acos(..) atan(..) sqrt(..) abs(..) int(..) mogen alleen met kleine letters worden geschreven. In een functie mogen geen spaties worden gebruikt. Max. grootte van een uitdrukking in een regel: 248 tekens 10.12 Positie-overname in het programma (DIN-editor) Selecteert de assen die overgenomen moeten worden. Neemt de actuele positie van de geselecteerde assen in het programma over naar de DIN-editor Overname positie met de HR410. Selecteer de assen die overgenomen moeten worden.. Opmerking Neemt de actuele positie van de geselecteerde assen in het programma over, en wel op de cursorpositie. Daarna wordt automatisch een <Enter> toegevoegd. De positie kan ook worden overgenomen, terwijl de machine beweegt.. 58 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA INGEVEN / BEWERKEN Wanneer G0 X100 in de regel staat vermeld en de positie X121 Y122 wordt overgenomen, is de uiteindelijke regel als volgt: G0 X100 X121 Y122. Daarna moet de programmeur een van de beide X-adressen wissen 10.13 Adres wissen Wist het teken dat links van de cursor staat.. De als laatste gewiste adressen binnen een regel terughalen. 10.14 Bewerkingsfunctie De BEWERKINGS-softkeys activeren. De BEWERKINGS-softkeys activeren. 10.14.1 Regel wissen Hiermee wordt meteen de actieve regel gewist (met de cursor aangegeven). 10.14.2 Zoeken & vervangen Ingave karakters 26-9-2002 MillPlus IT V510 59
PROGRAMMA INGEVEN / BEWERKEN 10.14.3 Teken zoeken. Ingave karakters 10.14.4 Hernummeren Regelnummers van de programmaregels worden opnieuw doorgenummerd. Opmerking De nieuwe nummering begint met het nummer van de eerste (gemarkeerde) regel. 60 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA INGEVEN / BEWERKEN 10.14.5 Blok (wissen, hernummeren Markeer een programmaregel/-blok Functie uitvoeren Let op De nieuwe nummering begint met het regelnummer van de eerste geselecteerde regel. 10.14.6 Blok (verplaatsen, kopiëren) Markeer een programmaregel/-blok. Programmaregel/-blok tussentijds opslaan Regelnummer kiezen Programmaregel/-blok in het programma opslaan 26-9-2002 MillPlus IT V510 61
PROGRAMMA INGEVEN / BEWERKEN 10.15 File editor Voer het programmnummer in, bijvoorbeeld: 4444.pm Of Bloknummer kiezen Wijzigingen worden direct aktief. In de File Editor vindt bij het invoeren en opslaan geen controle van de records plaats. Controleer het programma met behulp van de grafische testrun-functie. De functies Grafische test, Ondersteuning, ICP en Technologie worden niet ondersteund door de File Editor. Kenmerken: Voor het bewerken van programma's van meer dan 1Mbyte Geen controle van records bij het invoeren en opslaan Bewerken van actieve programma's is niet mogelijk Geen ondersteuning van de NC-taal bij het bewerken 62 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA INGEVEN / BEWERKEN 10.15.1 Ongedaan maken (undo) Er kunnen maximaal 100 acties ongedaan worden gemaakt. De volgende acties kunnen niet ongedaan worden gemaakt: -blok selecteren, wissen, verplaatsen, kopiëren -blok schrijven / bestand invoegen -zoeken & vervangen 10.15.2 Sprong naar regelnummer Let op: Het regelnummer is het regelnummer in het bestand en niet het regelnummer N in een programma. 26-9-2002 MillPlus IT V510 63
PROGRAMMA INGEVEN / BEWERKEN 64 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA TESTLOOP 11. Programma testloop 11.1 Testmodus In testmodus wordt met verhoogde voeding (MC 741) verspaand. Programma activeren. 11.1.1 Optie Testloop selecteren Geen uitvoer van M, S en T Let op: assen blokkeren MC 100 C3 (1e as) MC 105 C3 (2e as) MC 110 C3 (3e as) MC 115 C3 (4e as) 11.1.2 Testloop uitvoeren Testloop starten 26-9-2002 MillPlus IT V510 65
PROGRAMMA TESTLOOP 11.2 Grafische test Programma activeren. 11.2.1 Grafische functies 2D / 2.5D / 3D beeld selecteren bijv. 3D beeld 11.2.2 Grafische weergave Grafische weergave Tekening stapsgewijs vergroten Tekening stapsgewijs verkleinen 11.2.3 Grafiekopties 66 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA TESTLOOP 11.2.4 Draadmodel uitvoeren Testloop starten 11.2.5 Werken met de grafische weergave (voorbeeld) - Programma activeren. - Optie grafische weergave kiezen. - Grafische weergave draadmodel of volume kiezen. - Programma starten. 26-9-2002 MillPlus IT V510 67
PROGRAMMA TESTLOOP 11.2.6 Volumemodel uitvoeren Testloop starten 11.3 Schatting looptijd in grafische weergave. Tijdens de grafische weergave wordt de voor de grafische uitvoering benodigde tijd in de bewerkingsstatus weergegeven. De uitvoeringstijd wordt uit de geprogrammeerde weglengte en de voeding (correctie = 100%) berekend. Bij deze berekende waarde wordt 10% opgeteld voor het afremmen/versnellen op de hoeken. Bij hoge geprogrammeerde voeding is de geschatte looptijd korter dan de werkelijke looptijd, omdat de machine niet kan volgen. Opmerking De tijd van de M-functies wordt niet in de schatting meegenomen. 68 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA TESTLOOP 11.3.1 Tijd per gereedschap De geschatte bewerkingstijd wordt ook per gereedschap berekend. Daarbij wordt alleen rekening gehouden met de tijd gedurende welke met voedingssnelheid verplaatst wordt. 26-9-2002 MillPlus IT V510 69
PROGRAMMA TESTLOOP 70 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA ACTIVEREN/UITVOEREN 12. Programma activeren/uitvoeren 12.1 Programma activeren Ga met de cursor naar het gewenste programma of geef het programmanummer in. Automatisch wordt mode "Uitvoeren: bewerken" geactiveerd. 12.2 Gewijzigd programma direct activeren Programma wijzigen 26-9-2002 MillPlus IT V510 71
PROGRAMMA ACTIVEREN/UITVOEREN 12.3 CAD mode De functie "CAD mode" wordt gebruikt om programma's die meer geheugenruimte nodig hebben dan de CNC-RAM heeft, uit te kunnen voeren. De BTR-geheugenruimte is in MC93 vastgelegd (voorstel 128 kbyte). CAD mode Colocar o cursor sobre o programa desejado ou introduzir o número de programa. Automatisch wordt mode "Uitvoeren: bewerken" geactiveerd Let op: Er mogen geen functies G23, G14, G29 of de parameter E0 in hoofdprogramma's staan. "Regel zoeken" achterwaarts is niet mogelijk. 72 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA ACTIVEREN/UITVOEREN 12.4 Programma uitvoeren 12.5 Programma regel voor regel uitvoeren 12.6 Regel overslaan Let op: De programmaregel moet beginnen met '/', b.v.: /N5 G1 X100 12.7 Stop naar keuze Stop nadat M1 is uitgevoerd. 26-9-2002 MillPlus IT V510 73
PROGRAMMA ACTIVEREN/UITVOEREN 12.8 Bewerkingsstatus In de bewerkingsstatus wordt de nesting-diepte achter MM vermeld: Opmerkingen - Tijdens BTR- en CAD-bedrijf houden de BTR-macro's geen rekening met de nesting-diepte - De eerste nesting- of herhalingsdiepte is '1' en wordt niet aangegeven. 12.9 Programmastatus De volgende elementen worden daarbij weergegeven: -Actuele gereedschapslengte (L+L4=) en gereedschapsradius (R+R4=). -Actuele gereedschapsovermaat G39 L en R -De positie ten opzichte van het machinenulpunt -De actuele nulpuntverschuiving G52, G54 (Inn of G54-G59) -De actuele nulpuntverschuiving G92 en/of G93 -De complete 'nestingsboom' van de hoofdprogramma's, macro's en herhalingen 74 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA ACTIVEREN/UITVOEREN Opmerkingen -De nestingsboom kan maximaal twee hoofdprogramma's, acht onderprogramma's en vier herhalingen bevatten. Zo nodig, wordt er automatisch door het venster gescrolld. -Bij herhaling wordt alleen het aantal 'nog uit te voeren' herhalingen weergegeven. -De <programmastatus> kan tijdens de grafische weergave niet worden gekozen. -Sprongen in het programma worden niet in de nestingsboom weergegeven. 26-9-2002 MillPlus IT V510 75
PROGRAMMA ACTIVEREN/UITVOEREN 12.10 Naladen (BTR) De functie "Naladen" wordt gebruikt om programma's die meer geheugenruimte nodig hebben dan de CNC-RAM heeft, direct van externe apparatuur uit te kunnen voeren. De BTR-geheugenruimte is in MC93 vastgelegd (voorstel 128 kbyte). Met naladen kunnen programma's van externe apparatuur worden uitgevoerd. Periferie gereedmaken voor het verzenden van data. (Bijvoorbeeld: extern apparaat met DNC-verbinding) Invoeren van een programma of een programma kiezen met behulp van de cursortoetsen. Van een extern apparaat Het programma wordt uitgevoerd Let op: Er mogen geen functies G23, G14, G29 of de parameter E0 in hoofdprogramma's staan. "Regel zoeken" is niet mogelijk. 76 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA ACTIVEREN/UITVOEREN 12.11 Autostart De machine moet 's morgens voordat het eerste werkstuk wordt geproduceerd al op bedrijfstemperatuur zijn. De machine wordt op bedrijfstemperatuur gebracht door een zogenoemd warmloopprogramma op te starten waarmee b.v. de spil gedurende enige tijd draait. Dit warmloopprogramma moet enige tijd voordat met de werkzaamheden wordt begonnen, automatisch worden gestart. Het is de verantwoordelijkheid van de operator ervoor te zorgen dat op het tijdstip van de <Autostart> de machine ook werkelijk in de juiste bedrijfsmode staat. Op dit tijdstip wordt altijd de aktuele regel of het aktuele programma gestart. Het kan bijvoorbeeld gebeuren dat de operator een programma regel voor regel uitvoert, terwijl er gelijktijdig via autostart een <Start> plaatsvindt. In dat geval wordt de actieve regel 'onverwacht' uitgevoerd. 12.11.1 Autostart instellen Valideert de ingevoerde waarden en slaat deze op De invoervelden op deze pagina worden gewist 26-9-2002 MillPlus IT V510 77
PROGRAMMA ACTIVEREN/UITVOEREN 12.11.2 Autostart activeren Let op: De CNC en machine moeten in de juiste bedrijfsmode worden achtergelaten. Wanneer er geen programma is ingevoerd, wordt het actieve programma gestart. Wanneer de autostart actief is, wordt dit door een gele achtergrond van de klok aangegeven. 78 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA ONDERBREKEN/AFBREKEN, REGEL ZOEKEN 13. Programma onderbreken/afbreken, Regel zoeken 13.1 Programma-afloop onderbreken Tijdens de bewerking en in de modus voor regelgewijze programma-afloop kan de programmaafloop te allen tijde worden afgebroken. Voeding-stop of Vorschub- und Spindel-Stop Tijdens een programma onderbreking kan met de geprogrammeerde voeding bewogen worden d.m.v. de jog-toetsen (behalve bij draadsnijden). 13.2 Fouten en meldingen op het beeldscherm wissen Fouten en berichten op het beeldscherm wissen. Het programma wordt niet afgebroken. 13.3 Programma afbreken Programma-afloop onderbreken Keer terug naar het begin van het programma. Alleen de gereedschapcorrectie van het actuele gereedschap, het bewerkingsvlak en de nulpuntsverschuivingen blijven actief. Getoonde fouten en meldingen worden gewist. 26-9-2002 MillPlus IT V510 79
PROGRAMMA ONDERBREKEN/AFBREKEN, REGEL ZOEKEN 13.4 Cyclus afbreken Programma afloop van cyclus onderbreken. Cyclus afbreken en verplaatsing naar het uitganspunt. Programma voortzetten vanaf volgende regel. 13.5 CNC resetten Alle functies resetten (instelwaarden zijn actief) en alle modale parameters wissen. Programma afbreken 80 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMA ONDERBREKEN/AFBREKEN, REGEL ZOEKEN 13.6 Regel zoeken Regel zoeken (bijv. instap in een programma na een programma-onderbreking) Ingave van regelnummer of Regel selecteren Terug naar programma Opmerking Regel zoeken in de herhalingsfunctie (G14) of het subprogramma (G22): - Programmaregel G14 of G22 zoeken. - Regel G14 of G22 afwerken (regelgewijs). - Regel zoeken in de herhalingsfunctie of het subprogramma. Zoeken in macro's: Er kan alleen naar regels gezocht worden, niet naar karakters. 26-9-2002 MillPlus IT V510 81
PROGRAMMA ONDERBREKEN/AFBREKEN, REGEL ZOEKEN 82 Heidenhain 26-9-2002
TECHNOLOGIE 14. Technologie De op de praktijk afgestemde bepaling van de snijwaarden is op grond van de verschillende gereedschappen, te snijden materialen, coatings, snijgeometrieën, toepassingsmogelijkheden, werkstukmaterialen e.d. veelomvattend. De door de snijwaarde-computer geadviseerde waarden voor de voeding en het toerental kunnen daarom niet met alle omstandigheden rekening houden en moeten daarom zonodig door de gebruiker geoptimaliseerd worden. De door de fabrikanten van het gereedschap aanbevolen snijwaarden zouden daarbij goed van pas kunnen komen. 14.1 Technologie-tabel Q1= Materiaalcode; bestand voor de materiaalteksten. Q2= Bewerkingsprocescode; bestand voor de bewerkingsteksten. Q3= Gereedschaptypecode; het bestand van de gereedschaptypeteksten. R Gereedschapradius (in mm). Bij een ingave R=O wordt u gevraagd de werkstukradius in te voeren, wanneer de voedingssnelheid of het spiltoerental berekend dient te worden in een andere maateenheid dan in de technologietabel is aangegeven (de geprogrammeerde gegevens zijn bijv. in omw/min aangegeven, terwijl deze in de technologietabel in m/min zijn aangegeven). 26-9-2002 MillPlus IT V510 83
TECHNOLOGIE F1 F2 S1 S2 Voedingssnelheid in mm/omw. De voedingssnelheid is afhankelijk van materiaal, bewer kingsproces, gereedschaptype en gereedschapradius en moet worden ontleend aan speciale tabellen of worden berekend. Voedingssnelheid per tand in mm/omw. Heeft betrekking op gereedschaptypen met meer dan één snijvlak. De voedingssnelheid voor de in de overige parameters gegeven combina tie van materiaal, bewerkingsproces, gereedschaptype en gereedschapradius moet worden ontleend aan speciale tabellen of worden berekend. Snijsnelheid in m/min. Spiltoerental in omw./min. Deze waarde dient ofwel te worden ontleend aan de betreffende documentatie van de fabrikant van het gereedschap of er dienen ervaringscijfers te worden gehanteerd. 14.1.1 Gereedschap met verschillende radiussen Het is niet noodzakelijk voor gelijksoortig gereedschap met verschillende radiussen voor elk gereedschap een eigen tabelwaarde te maken. Wanneer de combinatie van materiaal, bewerkingsproces en gereedschapstype ongewijzigd blijft, behoeven slechts twee tabelwaarden te worden gemaakt: een waarde voor de kleinste gereedschapradius en een waarde voor de grootste gereedschapradius. Technologie interpoleert vervolgens de voedingssnelheid en het toerental uit de beide tabelwaarden en doet voorstellen voor F1 en S1. 14.1.2 Tabelwaarden voor tappen In bepaalde gevallen is de interpolatie tussen tabelwaarden ongewenst of niet mogelijk, b.v. bij het tappen. De voedingssnelheid (F1) moet hier gelijk zijn aan de draadspoed. In dit geval is geen interpolatie mogelijk. 14.1.3 Relatie tussen F1 en F2 Voor het aangeven van de voedingssnelheid wordt zowel F1 als F2 gehanteerd. F1 dient meestal om de voedingssnelheden voor het tappen of voor het uitboren op een freesmachine te definiëren. Een frees beschikt meestal over meerdere snijvlakken (tanden). Voor het frezen worden de voedingssnelheden meestal met F2 aangegeven. F1 = F2 x aantal snijvlakken 14.1.4 Relatie tussen S1 en S2 S1 wordt in meter per minuut opgegeven. S2 wordt in omwentelingen per minuut opgegeven. S1 = (S2 x 2 x π x R) / 1000 R geeft de gereedschapradius aan. Let op: Er wordt een waarde toegekend aan parameter F1 of F2, niet aan beide. Hetzelfde geldt voor parameters S1 en S2. 84 Heidenhain 26-9-2002
TECHNOLOGIE 14.2 Opslaan van technologietabellen Opslaan van technologietabellen op harddisk. Opslaan van technologietabellen in het RAM- geheugen van de CNC(CNC_RAM). 14.3 Materiaaltype-tabel Definiëren van de te bewerken materialen. Q1= Materiaalcode Materialen met dezelfde bewerkingseigenschappen kunnen dezelfde materiaalcodes krijgen. De materialteksten moeten tussen haakjes staan. 26-9-2002 MillPlus IT V510 85
TECHNOLOGIE 14.4 Bewerkingstype Definiëren van de bewerking. Q2= Bewerkingsproces De materialteksten moeten tussen haakjes staan. 86 Heidenhain 26-9-2002
TECHNOLOGIE 14.5 Gereedschapstype Definiëren van de gereedschappen. Q3= Gereedschapstype De materialteksten moeten tussen haakjes staan. 26-9-2002 MillPlus IT V510 87
TECHNOLOGIE 14.6 Toepassing van de technologie Procesniveau "Programma" en programma selecteren. Een voorstel voor de voedingssnelheid en het spiltoerental kan worden gegenereerd met de volgende toetsen: Selecteer de gewenste materiaalbeschrijving Selecteer de gewenste bewerking. Selecteer het type gereedschap. Selecteer het gewenste gereedschapidentificatie-nummer. De voorgestelde gegevens voor F-, S- en T-waarden worden in de geselecteerde programmaregel overgenomen. 88 Heidenhain 26-9-2002
GEREEDSCHAP 15. Gereedschap Gereedschap wordt in het actuele programma gebruikt Invoer van klaartekst in de tabel. Tekst tussen haakjes invoeren. Bestandsfunctie. 26-9-2002 MillPlus IT V510 89
GEREEDSCHAP 15.1 Gereedschapsadressen P Magazijnplaats. Plaats van het gereedschap in het gereedschapsmagazijn (indien aanwezig). Plaats P0 is voor het ingespannen gereedschap gereserveerd en kan niet voor opslag van gereedschapsparameters worden gebruikt. Plaats 1 wordt als P1, plaats 2 als P2 etc. aangeduid. Het werkelijke aantal gereedschapsplaatsen in het magazijn wordt als machineconstante opgeslagen. T Identificatienummer, b.v. T 12345678.00 L Lengte R Radius C Hoekradius L4= Overmaat lengte R4= Overmaat radius Bij het meten worden L en/of R aangepast. L4= en/of R4= worden op nul ingesteld. Bij het controleren worden L en R niet aangepast. Alleen L4= en/of R4= worden gewijzigd. G Grafische weergave. Vastleggen van de gereedschapsvorm in de grafische weergavemodus. Q3 Type. De nummers voor aanduiding van het gereedschapstype kunnen in deze parameter worden ingegeven. Meettaster Q3=9999: spil roteren is geblokkeerd en ijlgang (MC) is beperkt. Q4 Aantal snijkanten I2= Snijrichting 3 rechtsom M3 4 linksom M4 A1 Insteekhoek (0,1-15 ) S Grootte (0=normaal, 1=overmaats). De grensmaten van het gereedschap en de diameter van waaraf gereedschap als overmaats wordt beschouwd, worden in het meegeleverde machinehandboek beschreven. De besturing houdt een magazijnplaats voor en na het overmaatse gereedschap vrij. E Status. De normale instelling is E0 (gereedschap vrijgegeven, niet gemeten). Wanneer de opgegeven gereedschapsstandtijd is overschreden, wordt E-1 automatisch ingesteld. Wanneer het gereedschap is vrijgegeven of gemeten, wordt E1 ingesteld. E-2,-3,-4 Gereedschap geblokkeerd ingesteld (nieuw vanaf V321). De machinefabrikant kan nog meer negatieve statuswaarden vastleggen. Raadpleeg het machinehandboek. M Standtijd (min) M1 Actuele standtijd (min) M2 Standtijdbewaking (0 = uit, 1 = aan) B Breuktolerantie (0 = MC-waarde) (maximaal 255) B1 Breukbewaking (0 = uit, 1 = aan) Volgende adres-selector L1 Eerste extra lengte R1 Eerste extra radius C1 Eerste extra hoekradius L2 Tweede extra lengte R2 Tweede extra radius C2 Tweede extra hoekradius Q5 Breukbewakingscyclus (0-9999) L5= Slijtagetolerantie lengte (mm) R5= Slijtagetolerantie radius (mm) Wanneer de afwijking bij de controle groter is dan deze waarden, volgt er een foutmelding. L6= Offset lengte (mm) Verschuiving (>=0) van de meetpositie ten opzichte van de gereedschapspunt. R6= Offset radius (mm) Verschuiving (>=0) van de meetpositie ten opzichte van het 90 Heidenhain 26-9-2002
GEREEDSCHAP 15.2 Codering van het gereedschap Het gereedschapidentificatienummer kan maximaal acht posities voor het gereedschapnummer bevatten, plus 2 decaden (00) voor de codering van het gereedschap (oorspronkelijk gereedschap of vervangend gereedschap). Voor het oorspronkelijk gereedschap kan de decade-ingave vervallen. Indien een vervangend gereedschap bij een gereedschap wordt ingevoerd, bijv. T1, dan geschiedt dit met behulp van de twee decaden (bijv. T1.01, T1.02, etc., d.w.z. dat deze gereedschappen vervangende gereedschappen zijn van T1). 15.3 Oproepen van gereedschapsgegevens Gereedschap wordt in het bewerkingsprogramma opgeroepen door middel van het adres T en een M-functie. Voorbeelden van het oproepen van gereedschap: Gereedschapnummer T.. [formaat 8.2] (max. 255 gereedschappen) N.. T1 M.. Oorspronkelijk gereedschap (T1-T99999999) N.. T1 Vervangend gereedschap (Tx.01-Tx.99) N.. T1.01 Activering: Automatische gereedschapwissel Handmatige gereedschapwissel Gereedschapgegevens activeren Eerste extra gereedschapcorrectie Tweede extra gereedschapcorrectie Vereiste gereedschapstandtijd T3=..[0-9999,9min] Snijkrachtbewaking T1=..[1..99] N.. T.. M6 N.. T.. M66 N.. T.. M67 N.. T.. T2=1 M6/M66/M67 N.. T.. T2=2 M6/M66/M67 N.. T.. T3=x M6/M66 N.. T.. T1=x M6/M66 Deactiveren (T1=0 of T1= niet geprogrammeerd) N.. T1=0 Modale parameters T, T1=, T2=. Voorlopige keuze van het gereedschap in het bewerkingsprogramma: Door gereedschapnummer T zonder commando voor een gereedschapswissel te programmeren, wordt een voorlopige keuze voor het volgende in te zetten gereedschap gemaakt. 26-9-2002 MillPlus IT V510 91
GEREEDSCHAP 15.4 Inlezen gereedschapsgeheugen Opties bij het inlezen van het gereedschapsgeheugen. De opties worden door MC774 gewijzigd: 0 De ingelezen adressen worden toegevoegd of overschrijven de bestaande adressen. 1 Het gereedschapsgeheugen wordt eerst gewist. Daarna worden de nieuwe adressen toegevoegd. 2 Het bestaande gereedschap wordt niet gewijzigd en bij het inlezen zonder foutmelding overgeslagen. 3 Gereedschap zonder P overschrijdt het eventueel bestaande gereedschap. De ingelezen adressen worden toegevoegd of overschrijden de bestaande adressen MC774 = 0 Bestaande TM In te lezen TM Resultaat Normaal P1 T1 L1 P2 T2 L2 P3 T3 R3 P1 T1 L1 P2 T2 L2 P3 T3 R3 Zonder T P1 T1 L1 P3 R3 Fout O/D 61 Zonder P P2 T2 L2 P1 T1 L1 P2 T2 L2 T3 R3 P1 T1 L1 P2 T2 L2 T bestaat reeds Geen P T bestaat reeds P1 T1 L1 P2 T2 L2 P1 T1 L1 P2 T2 L2 P25 T3 R3 (buiten magazijn) P3 T1 R1 Fout O/D 60 T1 R1 Fout O/D 62 Het gereedschapsgeheugen wordt eerst gewist. Daarna worden de nieuwe adressen toegevoegd MC774 = 1 Bestaande TM In te lezen TM Resultaat Normaal P1 T1 L1 P3 T3 R3 P3 T3 R3 P2 T2 L2 Zonder T P1 T1 L1 P3 R3 Fout O/D 61 P2 T2 L2 Zonder P P1 T1 L1 T3 R3 P25 T3 R3 (buiten P2 T2 L2 magazijn) T bestaat P1 T1 L1 P3 T1 R1 P3 T1 R1 reeds P2 T2 L2 Geen P P1 T1 L1 T1 R1 P25 T3 R3 (buiten T bestaat P2 T2 L2 magazijn) reeds 92 Heidenhain 26-9-2002
GEREEDSCHAP De bestaande gereedschappen worden niet gewijzigd en bij het inlezen zonder foutmelding overgeslagen MC774 = 2 Bestaande TM In te lezen TM Resultaat Normaal P1 T1 L1 P2 T2 L2 P3 T3 R3 P1 T1 L1 P2 T2 L2 P3 T3 R3 Zonder T P1 T1 L1 P3 R3 Fout O/D 61 Zonder P P2 T2 L2 P1 T1 L1 P2 T2 L2 T3 R3 P1 T1 L1 P2 T2 L2 T bestaat reeds Geen P T bestaat reeds P1 T1 L1 P2 T2 L2 P1 T1 L1 P2 T2 L2 P25 T3 R3 (buiten magazijn) P3 T1 R1 Fout O/D 60 T1 R1 overslaan Gereedschap zonder P overschrijft het eventueel reeds bestaande gereedschap. MC774 = 3 Bestaande TM In te lezen TM Resultaat Normaal P1 T1 L1 P2 T2 L2 P3 T3 R3 P1 T1 L1 P2 T2 L2 P3 T3 R3 Zonder T P1 T1 L1 P3 R3 Fout O/D 61 Zonder P P2 T2 L2 P1 T1 L1 P2 T2 L2 T3 R3 P1 T1 L1 P2 T2 L2 T bestaat reeds Geen P T bestaat reeds P1 T1 L1 P2 T2 L2 P1 T1 L1 P2 T2 L2 P25 T3 R3 (buiten magazijn) P3 T1 R1 Fout O/D 60 T1 R1 P1 T1 R1 P2 T2 L2 26-9-2002 MillPlus IT V510 93
GEREEDSCHAP 15.5 Standtijdbewaking van gereedschap Zodra de standtijd van gereedschap (M) of de vereiste standtijd (T3=..) van gereedschap is bereikt, wordt bij de volgende gereedschapswissel automatisch het vervangend gereedschap ingezet. Adressen in het gereedschapsgeheugen: M Standtijd gereedschap in minuten M1 Resterende standtijd (alleen weergave) M2 Standtijdbewaking gereedschap (0 = UIT, 1 = AAN). De resterende standtijd M1=... kan met de functie G149 opgevraagd en met de functie G150 in het gereedschapsgeheugen gewijzigd worden. 15.6 Breukbewaking van gereedschap Machines kunnen met gereedschapsbreukbewaking worden uitgerust. Deze functie kan alleen via macro's worden geprogrammeerd. De volgende adressen worden uit het gereedschapsgeheugen gehaald: B Breuktolerantie in mm R6= Radius-positie voor breukcontrole Bij overschrijding van de breuktolerantie wordt gereedschapsstatus E-4 ingesteld en verschijnt bovendien een foutmelding. Ook wanneer bij aanvang van de cyclus de gereedschapsstatus E=1 is, vindt er een breukcontrole plaats. Default-waarde voor tolerantie in MC33 ingevoerd. Breukbewaking wordt via MC32 geactiveerd. De breukbewaking van het gereedschap is een machine-afhankelijke functie. Raadpleeg uw machinehandboek! Opmerking Als origineel gereedschap is geblokkeerd, wordt automatisch vervangend gereedschap ingezet (indien aanwezig). Zie ook G604 94 Heidenhain 26-9-2002
GEREEDSCHAP 15.7 Gereedschap handmatig verwisselen (voorbeeld) De gereedschapswissel is een machine-afhankelijke functie. Raadpleeg uw machinehandboek! Gereedschapswissel opvragen: T... M66 Melding: int T.. De deur voor het werkbereik wordt ontgrendeld. Deur voor werkbereik openen. Volg de algemene veiligheidsinstructies op Op "Activeer gereedschap spannen" drukken Gereedschap vastpakken en draaitoets of pedaal voor het afspannen van de gereedschapsopspaninrichting indrukken en ingedrukt houden. Het gereedschap wordt afgespannen. Gereedschap verwijderen. Nieuw gereedschap inzetten. Draaitoets of pedaal loslaten en het opspannen door naschuiven van het gereedschap ondersteunen. Deuren voor het werkbereik sluiten. De deuren voor het werkbereik worden vergrendeld 26-9-2002 MillPlus IT V510 95
GEREEDSCHAP 15.8 Gereedschapsbeheer Via gereedschapsbeheer kan het gereedschap in het gereedschapsmagazijn worden geplaatst of daaruit worden verwijderd. De gereedschapsgegevens worden daarbij gelijktijdig in het gereedschapsgeheugen bijgewerkt. 15.8.1 Gereedschapscorrectie Gedurende de bewerking kunnen alle gereedschapsgegevens behalve die van het actuele gereedschap in de spil bewerkt worden.. 96 Heidenhain 26-9-2002
GEREEDSCHAP Regel kiezen of Invoer P12 Invoer L44 26-9-2002 MillPlus IT V510 97
GEREEDSCHAP 98 Heidenhain 26-9-2002
GEREEDSCHAP 15.8.2 Gereedschap uit het gereedschapsmagazijn verwijderen (voorbeeld) Gereedschap kiezen of gereedschapsnummer invoeren.. Gereedschapsmagazijn wordt gepositioneerd. Bevestiging dat het gereedschap is verwijderd. 26-9-2002 MillPlus IT V510 99
GEREEDSCHAP 15.9 Handmatig meten 15.10 Functie uitgebreide gereedschapsmeting activeren De machinefabrikant moet de machine en MillPlus voor het tastsysteem TT120/TT130 of het lasermeetsystem voorbereiden. Raadpleeg uw machinehandboek. Met het tastsysteem TT120/TT130 of het lasermeetsysteem en de gereedschapsmeetcycli van de MillPlus kan gereedschap automatisch worden gemeten: de correctiewaarden voor lengte en radius worden door MillPlus in het gereedschapsgeheugen opgeslagen en verrekend zodra er weer gereedschap wordt opgevraagd. Het menu en de bijbehorende machineconstanten worden via de onderstaande machineconstanten geactiveerd: MC261 >0: Meetcyclus-functies MC254 >0: Gereedschap meten MC840 =1: Meettaster aanwezig MC854 =1: Gereedschap-meetinstrument type (0=geen, 1=Laser, 2=TT120/TT130) MC859 =1: Signaaltype 2e taster MC356 Meten: Radiale as: 1=X, 2=Y, 3=Z MC357 Meten: Gereedschapsas 1=X, 2=Y, 3=Z MC358 Meten: 3e as 0=uit, 1=aan MC359 Radiale meetzijde: -1=neg, 0=aut, 1=pos MC370 Meten: Max. gereedschapsradius MC371 Meten: Max. gereedschapslengte MC372 Vrije ruimte onder laserstraal MC373 Vrije ruimte achter laserstraal MC350 Positie 1 as negatief MC351 Positie 1 as positief MC352 Positie 2 as negatief MC353 Positie 2 as positief MC354 Positie 3 as negatief MC355 Positie 3 as positief De exacte posities worden na het kalibreren in MC350 tot MC355 vastgelegd. MC392 Maximale meetfout met rot. gereedschap [µm] MC394 Tastaanzet niet rot. gereedschap [mm/min] MC395 Afstand onderkant gereedschap - bovenkant stift [µm] MC396 Stiftdiameter TT120/TT130 [µm] MC397 Veiligheidszone voorpositionering [µm] MC398 IJlgang in tastcyclus [mm/min] MC399 Maximale rotatiesnelheid [m/min] 100 Heidenhain 26-9-2002
GEREEDSCHAP 15.11 Inleiding in het lasermeten Redenen voor de contactloze gereedschapsmeting bij bedrijfstoerental: Bij hogesnelheidsfreesmachines ontstaan door hoge spiltoerentallen (vanaf 10 000 min -1 ) lengteveranderingen van de spilas. Bij bedrijfstoerental wordt de rotatiefout van het gereedschap meegemeten, die uiteindelijk voor de maatnauwkeurigheid van de bewerkte boring of het bewerkte vlak doorslaggevend is. Aan het gereedschap hechtende spanen en/of koeismeermiddelen worden door de centrifugaalkracht bij een hoog bedrijfstoerental weggeslingerd. Corrigeerbare fouten: Spilverplaatsing bij spillen met een hoge frequentie (ca. ± 0.15 mm) Gereedschapslengteafwijking door verschillende spankrachten (ca. ± 0.10 mm) Gereedschapsradiusafwijking door rotatiefouten (ca. ± 0.05 mm) Gereedschapscontourafwijking door slijtage of slijpfouten (ca. ± 0.08 mm) 15.11.1 Tastbewegingen Voedingssnelheid Globale positioneringen van het gereedschap ten opzichte van de laserstraal worden in ijlgang uitgevoerd. Fijne positioneringen worden met positioneervoeding uitgevoerd. 15.12 Algemene informatie Alle verplaatsingen (met uitzondering van het meetblok) kunnen via de override-schakelaar worden beïnvloed. Wanneer de cyclus door foutmeldingen wordt afgebroken, worden de reeds foutloos gemeten waarden niet in het gereedschapsbeheer ingevoerd. Er moet in principe altijd met een bedrijfswarme machine worden gekalibreerd en opgemeten. Bij een gemiddeld spiltoerental, een ingeschakelde koelmiddeltoevoer en bewogen NC-assen wordt een opwarmtijd van 15 minuten geadviseerd. Daardoor wordt gegarandeerd, dat er altijd dezelfde omgevingscondities voor het meetsysteem gelden. 15.12.1 Gereedschapswissel De gereedschapswissel moet in principe vóór het oproepen van een meetcyclus worden uitgevoerd. Voor het aanmaken van geïndexeerde gereedschapsnummers voor gereedschap met meerdere correctiegegevens bijv. getrapte boren, T-sleuffrezen etc. moeten R, R1 en R2 ingesteld zijn. Opmerking Meting van L1, R1, C1 en L2, R2, C2 is niet mogelijk. Wordt met roterende spil uitgevoerd. Afwijking van de werkelijke radiusmaat van maximaal ± 2 mm mag niet worden overschreden. 15.12.2 Gereedschapsgegevens lezen / schrijven Gereedschapslengteparameters in gereedschapsbeheer: Bij L=0 of wanneer L niet is ingevoerd, wordt de gereedschapslengte als onbekend aangenomen. In dat geval wordt bij het 1e meetblok een globale zoekprocedure uitgevoerd. De startpositie van het meetblok gerelateerd aan de maximaal toegestane gereedschaplengte Lmax bevindt zich ca. 5 mm boven de laserstraal; de eindpositie Iigt minimaal ca. 5 mm onder de laserstraal. Daardoor is gegarandeerd, dat zowel het langste als het kortste gereedschap binnen deze meetweg een schakelsignaal voor globale lengtebepaling activeert. Alle verdere fijne metingen worden dan gerelateerd aan deze globaal vastgestelde gereedschaplengte uitgevoerd. 26-9-2002 MillPlus IT V510 101
GEREEDSCHAP Opmerking botsingsgevaar: Afwijking van de werkelijke lengtemaat van maximaal ± 5 mm mag niet worden overschreden. Afwijking van de werkelijke radiusmaat van maximaal ± 2 mm mag niet worden overschreden. De bewaking en begrenzing van de radiale insteekdiepte zijn alleen actief als een globale gereedschapradius wordt opgegeven. De bewaking en begrenzing van de axiale insteekdiepte zijn alleen actief als een globale gereedschapslengte wordt opgegeven. Gereedschapsradiusparameters in gereedschapsbeheer: Bij R=0 of wanneer R niet is ingevoerd, wordt de gereedschapradius als onbekend aangenomen. In dat geval wordt bij het 1e meetblok een globale zoekprocedure uitgevoerd. De startpositie van het meetblok gerelateerd aan de maximaal toegestane gereedschapradius Rmax bevindt zich ca. 2 mm vóór de laserstraal; de eindpositie gerelateerd aan de gereedschapsas ligt ca. 2 mm achter de laserstraal. 15.12.3 Bedrijfsmode Programmatest en regelsprong In de bedrijfsmode Programmatest of bij een actieve regelsprong worden de Blum-meetcycli overgeslagen. Als er voor de werkstukbewerking geldige gereedschapsgegevens in de gereedschapstabel aanwezig moeten zijn, dan moeten deze handmatig worden ingevoerd of door een apart uitgevoerde meetcyclus vooraf worden bepaald. 15.12.4 Problemen bij koelmiddel Voor het meten moet de koelmiddeltoevoer (buiten- en binnenkoelmiddel) uitgeschakeld worden. Indien mogelijk, niet direct na het uitschakelen van het koelmiddel meten. Indien nodig, een stilstandstijd invoegen. Wanneer zich koelsmeermiddel of spanen op de gereedschapsnijkanten hebben gehecht, moeten deze met lucht worden weggeblazen of worden verwijderd door het gereedschap met een hoog toerental te laten draaien. Hierbij mag het door de gereedschapsfabrikant max. toegestane toerental niet worden overschreden. Gereedschap waarbij het binnenkoelmiddel na uitschakeling nog nadruppelt, kan gedeeltelijk met een hoog toerental worden gereinigd. Gereedschapbreukbewaking is ook in dit geval met een beperkte nauwkeurigheid (fout > 0,1 mm) mogelijk. Door verandering van het spiltoerental kan de terugkaatsingshoek van het nadruppelende binnenkoelmiddel zo worden veranderd, dat de druppels niet ter plaatse van de beschermkap worden weggeslingerd. Als de optiek vaak verontreinigd wordt door koelmiddel of spanen, moeten zender en ontvanger bovendien met een beschermkap worden afgedekt. 15.12.5 Problemen bij koelmiddelnevel Koelmiddelnevel vermindert het lichtrendement bij de ontvanger; hoe sterker de nevelvorming, des te groter is het lichttraject tussen zender en ontvanger. In dat geval moet met een grotere versterking op de signaalontvanger worden gewerkt. Bij een zeer sterke koelmiddelnevel kan eventueel het laserlichtscherm niet worden ingezet. In dat geval moet de koelmiddelnevel afgezogen worden of moet er een stilstandstijd worden ingelast totdat de nevel is afgenomen. Ook met een gereduceerd lichtrendement kan een nauwkeurige meting worden uitgevoerd wanneer direct vóór de gereedschapsmeting een kalibrering wordt uitgevoerd. Constante nevel in de werkruimte kan worden gecompenseerd wanneer de kalibrering en de gereedschapsmeting niet aan één zijde maar aan beide zijden worden uitgevoerd en het gemiddelde van de deelresultaten wordt genomen (bijv. bij de gereedschapsdiameter). Wegens tijdsgebrek wordt normaal gesproken de voorkeur gegeven aan het meten aan één zijde. De meting wordt 10 keer uitgevoerd. Is de 10e meting weer verkeerd, dan volgt er een foutmelding. 102 Heidenhain 26-9-2002
GEREEDSCHAP 15.12.6 Problemen bij verontreinigde optiek Wanneer de optiek vaak verontreinigd is, moet de filtereenheid op olie- of waterresten in het filter worden gecontroleerd. Zo nodig moet de filtereenheid worden vervangen. Bovendien moeten de pneumatische leidingen van de beschermkap en sperlucht door nieuwe, schone leidingen worden vervangen, omdat de luchtstroom afzettingen in de leidingen voortdurend in het meetsysteem transporteert. De optische lenzen waarmee de zender en ontvanger wordt afgedekt, moeten zeer zorgvuldig schoongehouden worden. Indien nodig, moeten ze met een vochtig brildoekje worden gereinigd. Zelfs vingerafdrukken kunnen onnauwkeurigheid bij de metingen veroorzaken. Bij een juiste installatie van het pneumatisch systeem met de filtereenheid is de reinheid van het optisch systeem meestal tijdens een lange gebruiksduur gegarandeerd. 15.12.7 Invloedsfactoren op de absolute nauwkeurigheid In geval van een sterke koelmiddelnevel in de lichtbaan wordt de schakelpositie naar het midden van de laserstraal verschoven, d.w.z. het schakelsignaal wordt eerder gegeven. De gereedschapsgeometrie wordt daardoor schijnbaar groter gemeten (fout ca. <0,02 mm). Bij sterke verontreiniging van de gereedschapssnijkanten met koelsmeermiddel (smeermiddelfilm, geen druppels!) wordt de gereedschapsgeometrie groter gemeten (fout ca. <0,03 mm). Vergeleken met een gereedschaps-instelapparaat waarbij de gereedschapsgeometrie statisch volgens het optische principe van invallend of doorvallend licht met behulp van een CCD-camera wordt bepaald, kunnen er maatafwijkingen optreden, omdat met het lasermeetsysteem de gereedschapsgeometrie dynamisch in ingespannen toestand wordt bepaald. Bij de gereedschapslengtemeting wordt de werkelijke gereedschapslengte gemeten. Daarbij wordt rekening gehouden met de invoerfout van de gereedschapsopname (bij steile kegels een fout tot max. 0,07 mm aangetoond). Bij de gereedschapsradiusmeting worden bovendien de rondloopfout van de spil, de gereedschapswisselfout en de rotatiefout van klein, acentrisch opgespannen gereedschap in de meetwaarde meeberekend. De oppervlaktegesteldheid (mat, glanzend, metaalachtig) heeft bijna geen invloed op de nauwkeurigheid (fout < 0,005 mm). Dit geldt ook voor de oppervlaktekleur door verschillende coatings (HSS, VHM, PKD, TiN, TiCN). Het geadviseerde spiltoerental voor het opmeten van gereedschapslengte en -radius komt overeen met het bewerkingstoerental. Bij de meetsnelheid moet worden gelet op de systeemfout tengevolge van de voeding-toerentalverhouding. Toerental onder 100%, fout wordt groter Toerental boven 100%, fout wordt kleiner Voeding onder 100%, fout wordt kleiner Voeding boven 100%, fout wordt groter Om een resolutie van 1 µm te bereiken, wordt een meetsnelheid aangehouden van 0.001 mm/omwentelingen: De meetsnelheid moet tijdens de meting constant worden gehouden en mag niet via de overrideschakelaar worden beïnvloed of gereduceerd. 26-9-2002 MillPlus IT V510 103
GEREEDSCHAP 15.13 Gereedschapsmeting met het lasermeetsysteem Met het lasermeetsysteem en de gereedschapsmeetcycli van de MillPlus kan gereedschap automatisch worden gemeten. De correctiewaarden voor lengte en radius worden in het gereedschapsgeheugen opgeslagen. Na de keuze "Gereedschap meten" verschijnt het volgende menu-scherm (MC254=1): De volgende cycli zijn beschikbaar: Meten van lengte van centrisch gereedschap Meten van lengte en radius van nietcentrisch gereedschap Controle van afzonderlijke sneden Kalibrering van het lasermeetsysteem G601 G602 G603 G600 104 Heidenhain 26-9-2002
GEREEDSCHAP 15.14 Lasermeetcycli in het programma 15.14.1 Voorbeeld N12345 N1 G54 I1 N100 T1 M6... (frees D50)... \... Freesbewerking... / N191 G602 S3000 (lengte, radius slijtage meten) N200 T2 M6... (boor D4)... \... Boorbewerking... / N291 G604 S3000 (breukbewaking) N300 M30 Gereedschapsgeheugen bij programmabegin. Gereedschap is vooraf tijdens de meetcycli gemeten. De frees wordt na afloop van de standtijd of bij overschrijding van de slijtagegrens geblokkeerd (E-1). De boor wordt na afloop van de standtijd geblokkeerd (E-1). Bij breuk wordt de boor geblokkeerd (E-4) en wordt het programma gestopt, waarna een foutmelding verschijnt. Frees, diameter 50 mm, met vervangend gereedschap: P.. T1.01 L102.023 R24.978 L4=0 R4=0 E1 M15 M2=1 P.. T1.02 L102.167 R24.986 L4=0 R4=0 E1 M15 M2=1 Boor, diameter 4 mm, met vervangend gereedschap: P.. T2.01 L85.467 L4=0 E1 B1 M15 M2=1 P.. T2.02 L85.246 L4=0 E1 B1 M15 M2=1 15.15 Gereedschapsfoutmeldingen Indien een gereedschapsfout (breuk, slijtage of rondloop) wordt vastgesteld, wordt de E-status in de gereedschapstabel gewijzigd. E= -1 Gereedschap overschrijdt de tolerantiewaarden. E= -4 Gereedschap is gebroken. Details zijn bij de betreffende cycli beschreven. 26-9-2002 MillPlus IT V510 105
GEREEDSCHAP 15.16 Gereedschapsmeting met de TT120/TT130 Met de TT130 en de gereedschapsmeetcycli van de MillPlus kunt u automatisch gereedschap meten. De correctiewaarden voor lengte en radius worden in het gereedschapsgeheugen opgeslagen. Na de keuze "Gereedschap meten" verschijnt het volgende menuscherm (MC854=2): De onderstaande cycli zijn beschikbaar: Gereedschapslengte meten Gereedschapsradius meten Gereedschapslengte en -radius meten TT120/TT130 kalibreren G606 G607 G608 G605 Gereedschapslengte en -radius Alvorens u gereedschap voor de eerste keer gaat meten, voert u de geschatte radius (R10), de geschatte lengte (L100), het aantal sneden (Q4=4) en de snijrichting (I2=0) van het betreffende gereedschap in de gereedschapstabel in. Meetresultaten Bij de eerste meting overschrijft de MillPlus de gereedschapsradius (R10 door R10.012) en de gereedschapslengte (L100 door L99.456) in het gereedschapsgeheugen en wordt de overmaat R4 en L4 = 0 ingesteld. Gereedschap controleren Bij het controleren van gereedschap worden de gemeten gereedschapsgegevens vergeleken met die uit het gereedschapsgeheugen. De MillPlus berekent de afwijkingen met het juiste voorteken en voert deze als overmaat (R4=0.015 en L4=0.06) in het gereedschapsgeheugen in. Tastrichting radiale as De tastrichting is afhankelijk van de positie van het tastsysteem. Het tasten vindt automatisch plaats vanuit de richting waar het grootste verplaatsingsbereik beschikbaar is. 106 Heidenhain 26-9-2002
GEREEDSCHAP 15.17 Machineconstanten instellen De MillPlus gebruikt de tast-voeding uit MC394 voor het meten met staande spindel. Bij het meten met roterend gereedschap berekent de MillPlus automatisch het spindeltoerental en de tast-voeding. Het spindeltoerental kan daarbij als volgt worden berekend: MC399 n = ------------------ r 0.0063 Hierin: n MC399 R = toerental omw/min = maximaal toegestane rotatiesnelheid [m/min] = actieve gereedschapsradius [mm] De tast-voeding kan als volgt worden berekend: V = meettolerantie n Hierin: V Meettolerantie N = tast-voeding [mm/min] = meettolerantie [mm], afhankelijk van MC391 = toerental [1/min] Met: MC391 kan de berekening van de tast-voeding worden ingesteld: MC391=0: De meettolerantie blijft constant - onafhankelijk van de gereedschapsradius. Bij zeer groot gereedschap wordt de tast-voeding echter tot nul gereduceerd. Hoe lager u de maximale rotatiesnelheid (MC399) en de toegestane tolerantie (MC392) instelt, des te vroeger wordt dit effect merkbaar. MC391=1: De meettolerantie wijzigt naar mate de gereedschapsradius toeneemt. Hierdoor is ook bij grote gereedschapsradii een toereikende tast-voeding gegarandeerd. De MillPlus wijzigt de meettolerantie als volgt: Gereedschapsradius Meettolerantie tot 30 mm MC392 30 tot 60 mm 2 MC392 60 tot 90 mm 3 MC392 90 tot l20 mm 4 MC392 MC391=2: De tast-voeding blijft constant, de meetfout neemt echter lineair met een groter wordende gereedschapsradius toe: r MC392 Meettolerantie = ----------------- 5mm Hierin: r MC392 = gereedschapsradius [mm] = maximaal toegestane meetfout 26-9-2002 MillPlus IT V510 107
GEREEDSCHAP Overzicht machineconstanten: Via MC854 kan de TT120/TT130-functie worden geactiveerd. Nadat de CNC opnieuw is gestart, zijn de volgende machineconstanten beschikbaar. MC-NUMMER FUNCTIE INVOER MC391 Berekening van de tast-voeding. 0 Berekening van de tast-voeding met constante tolerantie 1 Berekening van de tast-voeding met variabele tolerantie 2 Berekening tast-voeding MC392 Maximaal toegestane meetfout bij 2 1000 µm gereedschapsmeting met roterend gereedschap MC394 Tast-voeding bij gereedschapsmeting 10 3000 mm/min met niet-roterend gereedschap MC395 Afstand onderkant gereedschap tot 1 100000 µm bovenkant van stift bij meting van gereedschapsradius. MC396 Diameter resp. kantlengte van de 1-100000 µm stift van de TT120/TT130. MC397 Veiligheidszone rondom de stift van 1 10000 µm de TT120 voor voorpositionering. MC398 Ijlgang in tastcyclus voor TT120. 10 10000 mm/min MC399 Maximaal toegestane 1 120 m/min rotatiesnelheid aan de snijkant van het gereedschap. MC854 Soort gereedschapsmeting 0=geen,1=laser,2=TT120/TT130 MC350 MC352 MC354 Coördinaten van het middelpunt van stift TT120, gerelateerd aan het machine-referentiepunt. -max - +max µm 15.18 TT120/TT130-meetcycli voor automatisch bedrijf 15.18.1 Voorbeeld N66666 N1 G54 I1 N100 T1 M6... (frees D50)... \... Freesbewerking... / N191 G609 (lengte, radius slijtage meten) N200 T2 M6... (boor D4)... \... Boorbewerking... / N291 G607 (lengte meten, breukbewaking) N300 M30 Gereedschapsgeheugen bij programmabegin. Gereedschap is vooraf via de meetcycli gemeten. De frees wordt na afloop van de standtijd of bij overschrijding van de slijtagegrens geblokkeerd (E-1). De boor wordt na afloop van de standtijd geblokkeerd (E-1). Bij breuk wordt de boor geblokkeerd (E-4) en wordt het programma gestopt, waarna een foutmelding verschijnt. Frees, diameter 50 mm, met vervangend gereedschap: P.. T1.01 L102.023 R24.978 L4=0 R4=0 E1 M15 M2=1 P.. T1.02 L102.167 R24.986 L4=0 R4=0 E1 M15 M2=1 Boor, diameter 4 mm, met vervangend gereedschap: P.. T2.01 L85.467 L4=0 E1 B1 M15 M2=1 R6=0 P.. T2.02 L85.246 L4=0 E1 B1 M15 M2=1 R6=0 108 Heidenhain 26-9-2002
TABELLEN 16. Tabellen 16.1 NP-verschuiving Overzicht en ingave Let op: mc84>0 Nulpuntverschuiving G54 I1-I99 Geheugennaam ZE.ZE mc84=0 Nulpuntverschuiving G51-G59 Geheugennaam ZO.ZO 26-9-2002 MillPlus IT V510 109
TABELLEN 16.2 Parameter (E) Overzicht en ingave van de E-Parameters 110 Heidenhain 26-9-2002
TABELLEN 16.3 Punt (P) Overzicht en ingave van de puntdefenities 26-9-2002 MillPlus IT V510 111
TABELLEN 16.3.1 Palletnulpunt Alleen bij geactiveerde ZE.ZE-geheugen: (zie nulpuntverschuiving). Opslaan van het palletnulpunt. Let op: Voor nadere informatie zie het technische handboek. 112 Heidenhain 26-9-2002
AUTOMATISERING 17. Automatisering Voor de functies Ext. programma-aanroep, opdrachtbeheer, palletbeheer en DNC-modus wordt verwezen naar de machinedocumentatie van de leverancier van de gereedschapmachine. 26-9-2002 MillPlus IT V510 113
AUTOMATISERING 114 Heidenhain 26-9-2002
INSTALLEREN 18. Installeren 18.1 Logboek In het logboek worden de laatste handelingen, gedaan via het toetsenbord, opgeslagen. 18.1.1 Logboek fouten Overzicht van de laatste foutmeldingen (alleen in de procesniveaus Handmatig en Automatisch). 26-9-2002 MillPlus IT V510 115
INSTALLEREN 18.2 Diagnose In de diagnose-functie kunnen informaties met betrekking tot het systeem worden weergegeven. 18.2.1 Diagnose op afstand CNC voorbereiden voor diagnose op afstand. De schermdisplay wordt naar zwart/wit omgeschakeld. 116 Heidenhain 26-9-2002
INSTALLEREN 18.3 Klok Invoeren en opslaan van de tijd. 26-9-2002 MillPlus IT V510 117
INSTALLEREN 18.4 IPLC-monitor Functie is uitsluitend bedoeld voor de Servicedienst. 18.4.1 I/O-Beschrijving Status-overzicht I / O -Beschrijving (alleen in de procesniveaus "Handmatig" en "Automatisch") 118 Heidenhain 26-9-2002
INSTALLEREN 18.5 Temperatuurcompensatie Functie is uitsluitend bedoeld voor de Servicedienst 18.6 Assendiagnose Functie is uitsluitend bedoeld voor de Servicedienst Let op: Alleen weergave als de diagnoseschakelaar aanstaat. 26-9-2002 MillPlus IT V510 119
INSTALLEREN 120 Heidenhain 26-9-2002
EASYOPERATE 19. EASYoperate In EASYoperate worden cycli en vrije invoer direct op de machine uitgevoerd. Via een grafisch menu kunnen cycli worden gekozen en met ondersteuning worden ingevoerd. Deze invoer kan in een lijst worden vastgelegd (met uitzondering van werkstuk meten). Wanneer de opgeslagen cycli en vrije invoer naar wens zijn, kan na een nieuwe start dit proces nogmaals worden uitgevoerd. Alvorens de bewerking kan worden gestart, moeten F,S,T worden geactiveerd en moet de spil worden ingeschakeld (niet voor grafische weergave). EASYoperate bij handbediening: Bij het instellen van complexe machines kunnen bepaalde handelingen direct en eenvoudig worden uitgevoerd, bijv. werkstuk meten en uitrichten. Voor het uitvoeren van eenvoudige bewerkingen die vaak aan een bewerkingsprogramma voorafgaan, is een eenvoudige bediening gewenst. Bewerkingen zijn bijv. oppervlak voorbewerken/nabewerken, bevestigingsvlak of gaten maken, enz. Nogmaals uitvoeren van opgeslagen cyclusinvoer (teach-in/play-back). Let op: de in de cycli toegepaste G-functies worden in het hoofdstuk G-functies nader omschreven. 26-9-2002 MillPlus IT V510 121
EASYOPERATE 19.1 Aanroepen van EASYoperate-mode Bij handbediening wordt via de menuregel de EASYoperate-functie opgeroepen. Allereerst wordt het hoofdmenu met de basisfuncties getoond. EASYoperate wordt voor het programmeren van eenvoudige bewerkingsstappen op de machine gebruikt. In de EASYoperate-mode kunt u direct een cyclus kiezen en aansluitend uitvoeren. Daarna wordt de cyclus afgesloten en komt u weer in het hoofdmenu of met de softkey "Opslaan" in de tabel. Let op: 19.1.1 EASYoperate verlaten Wanneer de MillPlus over de functie draaien beschikt (via machine-instelgegevens MC314 geactiveerd), verschijnt de softkey "Frezen <> Draaien". Hiermee kunt u tussen frezen en draaien omschakelen. Bij draaien worden in het menu de desbetreffende draaicycli en functies getoond. Zie hoofdstuk EASYoperatehoofdmenu Draaien. EASYoperate kunt u tijdelijk verlaten, door een ander proces te kiezen. Als het procesniveau "Handbediening" opnieuw wordt gekozen, start EASYoperate op de plaats waar u EASYoperate heeft verlaten. EASYoperate kan worden afgesloten door de menutoets te selecteren. 122 Heidenhain 26-9-2002
EASYOPERATE 19.2 Basisfuncties van EASYoperate In de EASYoperate-mode toont het beeldscherm 2 vensters: links een tabel, rechts het hoofdmenu. Tabel: De opgeslagen invoergegevens (cycli en vrije invoer). De cursor wijst de actuele positie in de tabel aan. Hoofdmenu: Grafische selectie van de beschikbare cycli. De geselecteerde cyclus wordt met ondersteuning geprogrammeerd en kan vervolgens direct worden uitgevoerd en/of in de tabel worden vastgelegd. Omschakelen tussen frezen en draaien (afhankelijk van de machine). 19.2.1 Tabel - Functie De tabel wordt actief: de cursor in de tabel wordt blauw en kan met de cursortoetsen worden verplaatst. In het rechtervenster wordt gedetailleerde informatie getoond die bij de cursorregel hoort. De acties "Wijzigen, kopiëren en wissen" worden in de actuele cursorregel of in het cursorblok (blauw gemarkeerd) uitgevoerd. Een blok markeren binnen de tabelfunctie: Positionering van de cursor op de gewenste regel: houd "Shift ingedrukt en verplaats de cursor naar boven of naar beneden. Het gewenste blok is nu gemarkeerd (blauwe achtergrond). De markering wordt ongedaan gemaakt door op de ESC-toets of op een andere softkey dan "Kopiëren" of "Wissen" te klikken. In een tabel kan naast een freesbewerking ook een draaibankbewerking worden beschreven. Toevoegen is alleen in de draai- of freesmode mogelijk. Wijzigingen kunnen per regel worden aangebracht en er worden uitsluitend foutmeldingen gegeven, als de regel niet kan worden uitgevoerd. Het wissen of kopiëren van een regel kent geen beperkingen. 26-9-2002 MillPlus IT V510 123
EASYOPERATE In het linkervenster wordt via de tabel een statusvenster weergegeven. Hierin worden de modale functies getoond. De regel waarin de cursor staat, kan worden gewijzigd. De wijzigingen kunnen met dezelfde invoeropties worden aangebracht als waarmee de oorspronkelijke gegevens zijn ingevoerd. Wanneer de softkey "Gemarkeerd, wissen" is geactiveerd, worden de gemarkeerde regels direct gewist. Wanneer de softkey "Tabel wissen" wordt geactiveerd, verschijnt een nieuwe softkey-regel met de vraag "Ja/nee". Als u "Ja" kiest, wordt de volledige tabel gewist. Na klikken op de softkey "Kopiëren" krijgt de softkey een nieuwe functie: "Invoegen". De cursor naar de gewenste positie verplaatsen waar de kopie moet worden toegevoegd (achter de cursor) en op "Invoegen" klikken. De kopieerfunctie kan met de ESC-toets worden geannuleerd. Naar het hoofdmenu 124 Heidenhain 26-9-2002
EASYOPERATE 19.3 Cyclus/vrije invoer kiezen, starten en/of opslaan Nadat een cyclus (of vrije invoer) is gekozen en de gegevens zijn ingevoerd, zijn de volgende functies beschikbaar: Er wordt een 2,5D grafische simulatie gestart. Een nieuwe softkey-regel toont de andere functies. De bij deze cyclus behorende eerdere invoer (die is gestart of opgeslagen) wordt weer opgehaald. De cyclus (of vrije invoer) wordt in de tabel opgeslagen en de bediening gaat naar het hoofdmenu terug (met links de balk). De cyclus (of vrije invoer) wordt in de tabel opgeslagen en de bediening gaat naar het hoofdmenu terug (met links de balk). Wanneer een bewerkingscyclus (patroon) is gekozen, zijn nog meer softkey-functies beschikbaar: De actuele positie wordt in de invoervelden overgenomen. Voor ieder invoerveld geldt dat de positie incrementeel of absoluut kan worden ingevoerd. De jog-beweging kan worden gecontroleerd. Na invoer van een definitiecyclus komt u na klikken op de softkey "Opslaan" of "Terug" automatisch weer in het menupatroon. Bij de andere cycli blijft de cursor in het hoofdmenu op de laatst gekozen optie staan. 19.3.1 Start zonder opslaan, opslaan zonder start Start zonder opslaan In alle gevallen, uitgezonderd bij menukeuze, mag direct met de in het invoerveld ingevulde waarden worden gestart. Let op: de besturing houdt de ingevoerde waarden niet vast, als deze niet eerst worden opgeslagen. Opslaan zonder start Het is mogelijk de ingevoerde waarden op te slaan zonder te starten. Let op: de opgeslagen cycli en de vrije invoer zijn niet getest op gewenste uitvoering. Na het vastleggen in de tabel kunnen de cycli en de vrije invoer na een nieuwe start opnieuw worden uitgevoerd. 26-9-2002 MillPlus IT V510 125
EASYOPERATE 19.4 Hoofdmenu Frezen: Keuzemogelijkheden: Materiaal opmeten met meettaster Invoer FSTM en gereedschap meten Patroonposities vastleggen Regels frezen Boren Kamers MDI Vrije invoer (DIN/ISO) 126 Heidenhain 26-9-2002
EASYOPERATE 19.5 Menu: Werkstuknulpunt meten Keuzemogelijkheden: Hoek meten Hoek buiten meten Hoek binnen meten Positie meten Rechthoek buiten meten Rechthoek binnen meten Cirkel buiten meten Cirkel binnen meten G620 G622 G623 G621 G626 G627 G628 G629 Aanwijzing: verdere informatie vindt u in het hoofdstuk Gereedschap. 19.5.1 Informationsfenster G62x-Meting Nadat een G62x-functie is opgeroepen, kan het adres I5= worden ingevoerd. Wanneer de cyclus wordt gestart, verschijnt aan de linkerkant (over de ondersteunende afbeelding heen) een info-venster: meetwaarden worden getoond. Met de ESC-toets kan het venster worden gesloten: de ondersteunende afbeelding verschijnt weer. Aanwijzing voor het adres I5= ij G620: I5=0 meetwaarden worden alleen op het beeldscherm getoond. I5=1 meetwaarden worden opgeslagen voor een assentransformatie. I5=2 meetwaarden worden opgeslagen voor rotatie om de rondas Vlak waarin wordt gemeten Meetwaarde van de hoek Ingevoerde nominale waarde Afwijking van meetwaarde t.o.v. nominale waarde in graden of mm/100 mm 26-9-2002 MillPlus IT V510 127
EASYOPERATE 19.6 Menü: FST Keuzemogelijkheden: Gereedschap meten: Gereedschapsnummer met bijbehorende M-functie (met overzichtstabel van het gereedschap) Voeding en snijsnelheid met bijbehorende M-functie Laser- of TT130-metingen (via MC854 te selecteren) M-functie (met overzichtstabel van de M-functies) Lasermeting (MC854=1) Heidenhain TT130 (MC854=2) Aanwijzing: Verdere informatie vindt u in het hoofdstuk Gereedschap. 128 Heidenhain 26-9-2002
EASYOPERATE 19.7 Menu: Patroon Keuzemogelijkheden: Bewerking op positie Bewerking op cirkel Bewerking op lijn Bewerking op vierhoek Bewerking op raster G779 G777 G771 G772 G773 Opmerking bij alle bewerkingscycli: Alleen in EASYoperate beschikbaar. 19.7.1 Absolute incrementele invoer Alleen in bewerkingscycli kan met de softkey "Inc/abs" voor iedere positiewaarde worden beslist, of de waarde incrementeel of absoluut moet worden verrekend. Wanneer voor de waarde incrementeel is geactiveerd, staat naast het adres een deltateken. Als met de softkey "Act. pos. overname" een waarde in het X-, Y- of Z- invoerveld is ingegeven, dan is deze waarde automatisch absoluut. 26-9-2002 MillPlus IT V510 129
EASYOPERATE 19.8 Menu: Vlakfrezen Keuzemogelijkheden: Regels frezen G730 Als C2 niet is geprogrammeerd, bedraagt de breedte-instelling 67% * gereedschapsdiameter. Met het adres I1= kan de bewerkingsstrategie worden bepaald: zigzag, met tussentijdse bewegingen in ijlgang of volgens parallelle banen. 19.9 Menu: Boren Keuzemogelijkheden: Boren/centeren Diepboren Kotteren Tappen met voedingscompensatie. Alleen in EASYoperate beschikbaar. Tappen zonder voedingscompensatie. Alleen in EASYoperate beschikbaar. Ruimen Terugwaarts verzinken G781 G782 G786 G784 G794 G785 G790 Aanwijzing: Tappen: als de spoed (F1) niet is geprogrammeerd, is de voeding F. 130 Heidenhain 26-9-2002
EASYOPERATE 19.10 Menu: Frezen Keuzemogelijkheden: Kamerfrezen Rondkamerfrezen Spiebaanfrezen Kamer nafrezen Rondkamer nafrezen Spiebaan nafrezen G787 G789 G788 G797 G799 G798 Aanwijzing: Voor nadere informatie zie de G-functie bij de keuzemogelijkheden. Als C2 niet wordt geprogrammeerd, wordt de breedte-instelling gelijk aan de machineconstante MC720. 19.11 Menü: DIN / ISO Net als bij directe MDI-invoer is hier invoer van G, M, FST, enz. mogelijk. Nu kan deze invoer in de tabel worden vastgelegd. Commentaar wordt in de tabel tussen haakjes geplaatst. 26-9-2002 MillPlus IT V510 131
EASYOPERATE 19.12 Hoofdmenu: Draaien 19.12.1 Draaimode inschakelen Omschakelen tussen frezen en draaien. Er verschijnt een nieuw menu: Draaimode kiezen. Als dwe draaimode wordt ingeschakeld, moet het bewerkingsvlak worden gekozen: G17 (basisinstelling) of G18. Nu moet er worden gestart. Hierdoor wordt de machine in de mode Draaien gezet. In de draaimode zijn de draaicycli beschikbaar 132 Heidenhain 26-9-2002
EASYOPERATE 19.12.2 Freesmode inschakelen Omschakelen tussen draaien en frezen. Er verschijnt een nieuw menu: Freesmode kiezen. Als de mode Frezen wordt ingeschakeld, moet het bewerkingsvlak worden gekozen: G17 (basisinstelling) of G18. Nu moet er worden gestart. Hierdoor wordt de machine in de mode Frezen gezet. In de freesmode zijn de freescycli beschikbaar 26-9-2002 MillPlus IT V510 133
EASYOPERATE 19.13 Menu: Hoofdmenu Draaien: Keuzemogelijkheden: Invoer FST Verspanen Induiken MDI Vrije invoer (DIN / ISO) 134 Heidenhain 26-9-2002
EASYOPERATE 19.14 Menü: FST Keuzemogelijkheden: Gereedschapswissel Snijsnelheid, voeding instellen Tafeltoerental, voeding instellen Onbalans vastleggen Machinefuncties De gegevens voor het gereedschap (met F-functie), de constante snijsnelheid en het tafeltoerental kunnen worden ingevoerd. De onbalans van het werkstuk kan worden bepaald (G691). 26-9-2002 MillPlus IT V510 135
EASYOPERATE 19.15 Menu: Verspanen Keuzemogelijkheden: Verspanen langs Verspanen langs Verspanen dwars Verspanen dwars G822 G832 G823 G833 Voorbeeld: cyclus: verspanen langs (G822): 136 Heidenhain 26-9-2002
EASYOPERATE 19.16 Menu: Insteken Keuzemogelijkheden: Insteken axiaal Insteken radiaal G842 G843 Voorbeeld: cyclus: insteken axiaal (G842) 26-9-2002 MillPlus IT V510 137
EASYOPERATE 19.17 Voorbeeld in tabel Bediening via menu: Tabel: Commentaar: G54 I1 Nulpunt activeren T150 M67 Meettaster plaatsen M19 D25 Meettaster richten (Nulpunt meten met meettaster) G622 Hoek buiten meten G621 Positie meten I4=1 Hoeknummer B3=10 Afstand tot hoekpunt C1=10 Meetafstand I5=1 Meetwaarde niet opslaan I1=-3 Meetrichting=gereedschapsas C1=10 Meetafstand I5=1 Meetwaarde niet opslaan 138 Heidenhain 26-9-2002
EASYOPERATE (Vlakfrezen) T12 M67 Frees plaatsen F2000 S1000 M3 Voeding, toerental en rotatierichting G730 vlakken G779 Bewerking op positie B1=200, Zijdelengte B2=100 L5, L1=1 Hoogte en veiligheidsafstand C2=67 Procentuele snedebreedte C3=5 Radiale veiligheidsafstand I1=1 Bewerking: zigzag X0 Y0 Z0 Startpositie van vlakken 26-9-2002 MillPlus IT V510 139
EASYOPERATE 140 Heidenhain 26-9-2002
20. Interactieve contourprogrammering (ICP) 20.1 Algemeen INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) ICP kan met bestaande en/of nieuwe hoofdprogramma's of macro's worden toegepast. ICP kan bij DIN/ISO en bij IPP worden ingezet. De programmeur begint op een bepaalde plaats van de contour en werkt het gehele werkstuk af, ofwel met de klok mee of tegen de klok in, waarbij elke contour als een lineaire of cirkelvormige beweging wordt beschreven. Na deze eerste selectie staan andere mogelijkheden ter beschikking, totdat de beweging is gedefinieerd. Vervolgens wordt men verzocht de verplaatsingsinformatie op te geven. Zodra de ligging ervan bekend is, wordt met ICP elke contour getekend, en wel nadat de STORE-toets is ingedrukt. Dit hoeft echter niet altijd zo te zijn. Indien een contour niet meteen kan worden opgenomen, wordt deze met de daaropvolgende contour samengevoegd, totdat voldoende verplaatsingsinformatie beschikbaar is, om de exacte ligging ervan te kunnen berekenen. 26-9-2002 MillPlus IT V510 141
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) 20.2 ICP-menu met grafische symbolen ICP bezit een dynamische menustructuur. Afhankelijk van de daarvoor geselecteerde optie worden opties geopend of geblokkeerd. ٱ Middelpunt t Eindpunt Hulppunt Hoofdniveau van het menu Menu voor lineaire beweging Menu voor cirkelvormige beweging met de klok mee Menu voor cirkelvormige beweging tegen de klok in 142 Heidenhain 26-9-2002
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) Menu voor lineaire beweging horizontaal Menu voor lineaire beweging verticaal Menu voor ronding Menu voor snijpunt 26-9-2002 MillPlus IT V510 143
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) 20.3 Nieuwe ICP-programma's 20.3.1 Ingave van de ICP-modus Nieuwe programma's kunnen volledig leeg zijn, afgezien van de kopregel. In dat geval wordt de programmeur gesommeerd een beginpunt in te geven. Geef voor alle aangegeven parameters een waarde in, ook wanneer deze waarde 0 zou bedragen. Opmerking ICP houdt geen rekening met een met G9 geprogrammeerde poolpositie. G9 moet voor ICP geannuleerd worden. 144 Heidenhain 26-9-2002
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) 20.3.2 ICP verlaten ICP beeindigen door aktiveren van de softkey. of De modus ICP INGAVE kan tijdens het ingeven van de gegevens te allen tijde worden verlaten. Het verlaten van ICP tijdens de contourprogrammering kan echter tot een foutmelding leiden bij het opnieuw ingeven van ICP. De betreffende programmaregel of de regels dienen te worden gezocht en gewist. 20.4 Bewerken van bestaande programma's Indien een bestaand programma wordt gebruikt, moet de cursor op die plaats in het programma worden gepositioneerd, waar ICP dient te starten. Loop met behulp van de cursortoets omhoog / omlaag door het programma; het desbetreffende contourdeel wordt in het grafisch venster wit weergegeven. Het deel van het programma vóór de cursorpositie wordt door ICP doorzocht op een G64-functie zonder G63 (de cursor bevindt zich in een ICP-gedeelte in het programma). Indien de cursor zich buiten een G64-G63-gedeelte bevindt, worden deze G-functies door ICP in opeenvolgende programmaregels ondergebracht. Vooraf wordt onderzocht of er in het programma ten minste voor de adressen van het hoofdvlak, een verplaatsingsbeweging is geprogrammeerd. Indien dit niet het geval is, wordt de gebruiker verzocht een verplaatsingsbeweging in te geven. 20.4.1 Element veranderen Selecteer ICP. Selecteer programmaregel, b.v. N8. 26-9-2002 MillPlus IT V510 145
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) Het contourelement kan anders worden gedefinieerd. Er kan bijv. slechts één adreswaarde worden veranderd. Geef de adreswaarden in. of Het element wordt opgeslagen en de contour wordt opnieuw berekend en weergegeven. 146 Heidenhain 26-9-2002
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) Zijn alle veranderingen in de verandermodus uitgevoerd? Nee? Volgend element. Ja? Opmerking Bij sommige elementen (afrondingscirkels) zijn er meer mogelijke keuzes. De mogelijke keuzes kunnen alleen in "Element veranderen" geselecteerd worden. 20.4.2 Element tussenvoegen Invoegpositie contourelement / selecteer regel 26-9-2002 MillPlus IT V510 147
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) Opmerking Bij sommige elementen zijn er meerdere ingavemogelijkheden: selecteren van de mogelijkheden 20.4.3 Element verwijderen Selecteer het te verwijderen contourelement / Selecteer regel. Let op: Door het verwijderen, veranderen of tussenvoegen van een regel kunnen onderbroken contouren worden verkregen, waarbij het veranderde element of de volgende elementen met behulp van witte streeplijnen worden weergegeven. Grafische weergave van de contour Verkleinen Vergroten Origineelgrootte 148 Heidenhain 26-9-2002
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) 20.5 ICP-programmeerinstructies 20.5.1 Hulpelementen in ICP Voorbeeld Lijnen en snijpunten kunnen door hulpelementen, bijv. hulplijnen of snijpunten, gedefinieerd worden.met hulpelementen is het mogelijk om ontbrekende coördinaten of hoeken te berekenen. De berekende waarden worden altijd voor iedere element aangegeven. Met de softkey "Coordin. vastzet." worden deze berekende waarden vastgehouden. Daarna kunnen de hulpelementen verwijderd worden en de gewenste cirkel of rechte opnieuw ingevoerd worden. Y 30 80 46 X N100 G0 X-80 Y0 Beginpunt N101 G64 ICP selecteren N102 G2 I0 J0 Cirkel met middelpunt N103 G2 R17 Ronding (met de klok mee) N104 G1 X0 Y0 B1=-60 Hulplijn met eindpunt en hoek, snijpunt 2 kiezen - Cursor op regel N103 plaatsen. - Beeld: x -57.211 y 55.918 Beginpunt (kleine letters) X -30.332 Y 52.536 Eindpunt (hoofdletters) I -45.054 J 44.036 R17 Middelpunt en straal - Deze cöordinaten met F7 "Coordin. vastzet." vasthouden. - Hulplijn ronding N103 en N104 verwijderen. - Programmaregel N103 (cirkel met middelpunt) en N104 opnieuw invoeren: N103 G2 I-45.054 J44.036 N104 G3 X-46 Y0 R46 N105 G63 Cirkel (met de klok mee) met middelpunt Cirkel (tegen de klok in) met eindpunt en straal 26-9-2002 MillPlus IT V510 149
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) 20.5.2 Hulppunten De programmeeroptie "Hulppunt" in ICP biedt een eenvoudige oplossing voor het definiëren van eindpunten van de assen in complexe contouren. Deze optie wordt gebruikt, wanneer het aseindpunt onbekend is. Zodra het aseindpunt door de volgende of de daaropvolgende bewegingen is bepaald, wordt deze opgenomen. 20.5.3 Opgevraagde hoekparameters Voor sommige rechte-interpolatiebewegingen is een hoekparameter noodzakelijk (aangegeven in relatie tot het horizontale vlak). 20.5.4 Rechte doorsnijdt cirkel ICP tekent de rechte die door de cirkel loopt; de snijpunten (1 en 2) worden gemarkeerd. De programmeur wordt verzocht het juiste snijpunt te selecteren. 20.5.5 Rondingen De beweging die voorafgaat aan de ronding kan op elke gewenste wijze worden gemaakt, ook met eindpunt. De ronding wordt slechts aangegeven als radius. De positie en het start- en eindpunt worden door ICP berekend, zodra er voldoende gegevens aanwezig zijn om deze op te nemen. 150 Heidenhain 26-9-2002
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) 20.6 ICP-programmeervoorbeeld Maak eerst een nieuw programma N111111 met startpunt X0, Y0, Z0. L1 X0 Y=12.7 Enter, Store C1 I=12.7 J=12.7 Enter, Store L2 C2 I = 76.2 J = 63.5 R = 7.94 Enter, Store L3 B1 = -135 Enter, Store C3 R = 10 Enter, Store L4 X = 120 Y = 19.05 Enter, Store C4 I = 96.2 J = 25 R = 12 Enter, Store 26-9-2002 MillPlus IT V510 151
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) L5 X = 120 Y = 19.05 Enter, Store C5 I = 114.3 J = 6.35 R = 12.7 Enter, Store L6 X = 120.65 Y = 0 B1 = -135 Enter, Store L7 C6 R = 1 Enter, Store C7 I = 38.1 J = 0 R = 10 Enter, Store C8 R = 1 Enter, Store L8 X = 0 Y = 0 Enter, Store 152 Heidenhain 26-9-2002
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) 20.6.1 Met behulp van ICP gemaakt programma N111111 (met behulp van ICP gemaakt PROGRAMMA) N1 G0 X0 Y0 Z0 N2 G64 N4 G1 X0 Y12.7 N5 G2 I12.7 J12.7 R1=0 N6 G1 R1=0 N7 G2 I76.2 J63.5 R7.94 R1=0 N8 G1 B1=-135 N9 G3 R10 N10 G1 X120 Y19.05 B1=0 I1=0 J1=2 N11 G3 I96.2 J25 R12 J1=1 N12 G1 X120 Y19.05 B1=0 I1=0 J1=2 N13 G2 I114.3 J6.35 R12.7 J1=1 N14 G1 X120.65 Y0 B1=-135 N15 G1 B1=180 J1=1 N16 G2 R1 N17 G3 I38.1 J0 R10 J1=1 N18 G2 R1 N19 G1 X0 Y0 B1=180 N3 G63 26-9-2002 MillPlus IT V510 153
INTERACTIEVE CONTOURPROGRAMMERING (ICP) 20.6.2 Alternatieve ICP-programmeermethoden In het bovenstaande voorbeeld wordt slechts één methode getoond, om de afzonderlijke bewegingen te programmeren. Hetzelfde resultaat kan op verschillende manieren worden bereikt. Onderstaand zijn de verschillende mogelijkheden voor het programmeren van lijn 1 en cirkel 1 weergegeven: X = 0 Y = 12.7 N4 G1 X0 Y12. N5 G2 I12.7 J12.7 R1=07 I = 12.7 J = 12.7 1. Lijn als raaklijn I = 12.7 N4 G1 R1=0 J = 12.7 N5 G2 I12.7 J12.7 R12.7 R1=0 R = 12.7 2. Lijn met hulppunt X = 0 Y = 10 N4 G1 X0 Y10 I1=0 J1=2 N5 G2 I12.7 J12.7 R12.7 R1=0 I = 12.7 J = 12.7 R = 12.7 3. Lijn met hoek B1 = 90 N4 G1 B1=90 J1=2 N5 G2 I12.7 J12.7 R12.7 R1=0 I = 12.7 J = 12.7 R = 12.7 4. Verticale lijn Y12.7 N4 G1 Y12.7 B1=90 N5 G2 I12.7 J12.7 I = 12.7 J = 12.7 154 Heidenhain 26-9-2002
INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG 21. Interactieve deelprogrammering (IPP) / GRAPHIPROG 21.1 Algemeen 21.1.1 Inleiding tot Interactive Part Programming (IPP) Bij toepassing van de Interactive Part Programming moet voor het maken van een programma een selectie worden gemaakt uit enkele features en bewerkingsstrategieën. Kennis van de DINprogrammering is meestal niet noodzakelijk. De IPP-technologievoorstellen worden gedaan op basis van de informatie in de technologiedatabase. De daarin opgeslagen informatie is gebaseerd op eigen ervaring in de werkplaats. Zie tevens het hoofdstuk Technologie. Elke feature begint met een blok dat de aanduiding van de feature en een identificatienummer bevat. Er kan te allen tijde van IPP- naar DIN-programmering worden overgeschakeld. Een simulatie van de bewerkingsafloop is tijdens het maken van een programma te allen tijde mogelijk. 21.1.2 Voorbereiding op de IPP-programmering - De technologietabellen moeten geschikte gegevens bevatten. - De IPP-startmacro moet de juiste gegevens bevatten. Opmerkingen - Zorg er altijd voor dat de terugtrekbeweging van de gereedschapas in E714 groot genoeg is om een botsing tussen gereedschap en werkstuk of spangereedschap te voorkomen - De gereedschapstabel moet een opsomming geven van de meest gebruikte gereedschappen. - Wanneer in de gereedschaptabel niet het juiste gereedschap is vermeld, zal IPP in deze tabel een nieuw gereedschap aanmaken. Alle, met behulp van ICP geschapen gereedschappen, zijn in de gereeedschaptabel in te voeren. M6 wordt bij de simulatie in M67 omgezet. 21.1.3 IPP-programmeervolgorde De werkwijze bij het programmeren van een nieuw programma in IPP wordt onderstaand beschreven: 1. Definieer eerst een ruwdeel. 2. Tevens kan naar keuze het type van de te gebruiken spaninrichting voor het greedschap worden gedefinieerd 3. Programmeer het werkstuk met behulp van de IPP-features. 4. Kies feature M30 om het programma af te sluiten. 26-9-2002 MillPlus IT V510 155
INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG 21.2 Symbolen van het IPP-hoofdmenu met grafische weergaven Boren Einde van het programma Programmende Vlakfrezen en kantfrezen Contour-invoer, schroefdraadfrezen Kamer met en zonder eilanden Instellen (materiaal, nulpunten en spaninrichting) Oproepen van hoofdprogramma of macro 156 Heidenhain 26-9-2002
21.3 IPP-Grafieksymboolmenu INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG 26-9-2002 MillPlus IT V510 157
INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG 158 Heidenhain 26-9-2002
21.4 Nieuwe IPP-programma's INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG 21.4.1 Ingave van de IPP-modus Keuze programma Let op: Indien de ingave van IPP niet mogelijk is, dient te worden gecontroleerd, of in alle assen het referentiepunt is benaderd en of G19, G91, G182, G201, G64 of G199 actief is. 21.4.2 IPP verlaten IPP verlaten Let op: Wanneer IPP tijdens het programmeren wordt verlaten, resulteert dit in een incompleet programma. 26-9-2002 MillPlus IT V510 159
INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG 21.4.3 Ingave van programmagegevens Nadat een bewerking met behulp van de feature is gedefinieerd, verschijnt het gegevensinvoervenster met de adressen die voor de volledige definitie noodzakelijk zijn. Voor elk adres dient een waarde te worden ingegeven. Voor een groot aantal adressen wordt reeds een waarde voorgesteld. Opslaan van de in te voeren waarden en de beeldschermweergaven van de volgende gegevensinvoer Opslaan van de in te voeren waarden en verlaten van de gegevensinvoer. Let op: Terug zonder gegevens op te slaan. Wanneer u de gegevensinvoer-modus tijdens het programmeren verlaat, kan hierdoor soms een onvolledig programma ontstaan. De desbetreffende feature moet dan gewist en opnieuw geprogrammeerd worden. 160 Heidenhain 26-9-2002
INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG 21.4.4 IPP-programmalijst Het programmavenster geeft enkel de namen weer van de in het deelprogramma gebruikte features. 21.5 Bewerken van IPP-programma's (regel veranderen 26-9-2002 MillPlus IT V510 161
INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG 21.5.1 Features veranderen Selecteer de te veranderen feature. Het is nu mogelijk de feature anders te definiëren. 162 Heidenhain 26-9-2002
Zo kan er bijvoorbeeld een adreswaarde worden gewijzigd. Adreswaarden invoeren. INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG De feature wordt onmiddellijk gegenereerd. Wijzigingen met behulp van de grafische weergave controleren. 26-9-2002 MillPlus IT V510 163
INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG Zijn alle wijzigingen in het programma doorgevoerd? Als dit niet het geval is dan het volgende feature kiezen. Volgende feature. Opmerking Als er binnen een IPP-programmablok een feature wordt gewijzigd, moet het complete IPPprogrammablok met de softkey: doorlopen worden. Doorgevoerde wijzigingen worden in de volgende features van het IPPprogrammablok overgenomen. 164 Heidenhain 26-9-2002
INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG 21.5.2 Feature invoegen Bij het invoegen van een IPP-feature wordt de betreffende feature ná de gekozen plaats ingevoegd. Invoegpositie feature kiezen. Feature definiëren en programmagegevens invoeren. Terug naar de editor. Let op: Bij het frezen van kamers wordt macronummer 8000 voorgesteld. Wijzig dit nummer, als dit macronummer reeds bestaat. 21.5.3 Feature verwijderen Bij het verwijderen van een IPP-feature worden alle bijbehorende aanwijzingen in het programma gewist. De te wissen feature kiezen. De te wissen feature wordt meteen gewist. 21.5.4 Selecteren van een gereedschap tijdens het editenerror! Bookmark not defined. 26-9-2002 MillPlus IT V510 165
INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG Gereedschap kiezen. Gereedschap in dialoogvenster kopiëren. 21.5.5 Grafische weergave van de contour (test) Controleer het deelprogramma snel op een juiste afloop en op de correctheid ervan. Terug naar ingave 21.5.6 IPP-programma's uitvoeren Voordat een deelprogramma wordt uitgevoerd, dient de operator: Alle met behulp van IPP gegenereerde gereedschappen in het magazijn en in de actuele gereedschapstabel in te voeren. 21.5.7 Bewerkingsvlak omzetten G17 <-> G18 In IPP worden programma's in principe in het bewerkingsvlak G17 (XY-vlak) aangemaakt. Wanneer de bewerking op de machine in bewerkingsvlak G18 (XZ-vlak) moet plaatsvinden, moet het programma eerst van G17 naar G18 worden omgezet. Het is mogelijk deze omzetting weer ongedaan te maken. Bewerken is eveneens alleen in G17 mogelijk. 166 Heidenhain 26-9-2002
21.6 IPP-programmeerinstructies INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG 21.6.1 Toepassen van ICP voor het definiëren van contouren Na het selecteren van een van de opties voor de vrijgevormde kamercontour of de contourinsteek wordt ICP automatisch geladen. Vooraf wordt gecontroleerd of er in het programma ten minste voor de X- en Y-assen een verplaatsing is geprogrammeerd. Indien dit niet het geval is, wordt de gebruiker gevraagd een verplaatsing in te geven. 21.6.2 IPP-voorstellen De tijdens de gegevensinvoer in IPP gemaakte voorstellen zijn gebaseerd op de in de CNC opgeslagen tabelgegevens (gereedschaps- en technologietabellen) en op een speciale IPPstartmacro. De voorstellen in de IPP-startmacro kunnen aan de individuele wensen worden aangepast. 21.6.3 Maximale voedingssnelheden en spiltoerentallen De in de IPP-modus voorgestelde voedingssnelheden en spiltoerentallen worden berekend aan de hand van de gegevens uit de technologietabellen. Indien de beperkingen van de gebruikte gereedschappen daarin niet worden meegerekend, kunnen de voorgestelde voedingssnelheden en spiltoerentallen mogelijkerwijs de voor deze gereedschapsmachine geldende, maximaal toelaatbare waarden overschrijden. Daarom dienen de beperkingen van de desbetreffende gereedschapsmachine in de gegevens die in de technologietabellen zijn opgeslagen, te worden verwerkt. Het machineconstanten-geheugen bevat de maximaal toelaatbare waarden van de voedingssnelheden en de spiltoerentallen voor deze gereedschapsmachine. 21.6.4 Optimalisatie van de programmeer- en bewerkingstijden 1. Boring centreren, gereedschap wisselen en boren. Deze handeling voor elke boring herhalen. 2. Alle boringen centreren, gereedschap wisselen en alle boringen maken. Let op Selecteer altijd vóór de IPP-programmering de toe te passen optimalisatiestrategie, nooit erna! 21.6.5 IPP-programma's veranderen met de DIN-editor Wij raden u aan om alle met IPP gemaakte programma's, ook m.b.v. IPP te veranderen. Indien dit niet gewenst of mogelijk is, dan kan het programma ook met de hand veranderd worden dankzij het door IPP geproduceerde Standaard-DIN-code programma. Met de hand doorgevoerde programmaveranderingen gaan verloren indien een met de hand veranderde feature naderhand in de IPP-modus "Cyclus veranderen" gewijzigd wordt, omdat IPP het volledige feature wist en opnieuw produceert. 26-9-2002 MillPlus IT V510 167
INTERACTIEVE DEELPROGRAMMERING (IPP) / GRAPHIPROG 168 Heidenhain 26-9-2002
GEDEELTE VAN PROGRAMMA 22. Programmastructuur en regelformaat 22.1 Gedeelte van programma %PM9001 N9001 N1 G17 S630 T1 M6 N2 G54 N3 G0 X60 Y30 Z-8 M3 N4 G1 Z-10 F50 N5 G43 X80 F100 N6 G42 : M30 22.2 Geheugenaanduiding Hoofdprogramma: programmanummer.pm of %PM Subprogramma: programmanummer.mm of %MM 22.3 Programmanummer N1 - N9999999 22.4 Programmaregel Een programmaregel is uit meerdere programmawoorden (max. 255 karakters) opgebouwd. Elk adres kan slechts eenmaal in de programmaregel worden gebruikt. 1 Regelnummer N1 2 Geometrische commando's G17 S630 3 Technologische commando's (S,F,T,M) T1 M3 In zijn geheel N1 G17 S630 T1 M3 22.5 Regelnummer N1 - N9999999 De volgorde van de regelnummers is niet belangrijk. De regels worden in de geprogrammeerde volgorde uitgevoerd. 22.6 Programmawoord Adres, voorteken, getal (een positief voorteken kan achterwege blijven) Positief woord X21.43 Negatief woord Y-13.8 Geïndexeerd woord Berekend woord 22.7 Ingaveformaten van de asadressen X1=15.3 Z=12.5+30 Y=2^5 Y=sqrt(25) Metrisch 6.3 X123456.789 Inch 5.4 X12345.6789 26-9-2002 MillPlus IT V510 169
INGAVEFORMATEN VAN DE ASADRESSEN 170 Heidenhain 26-9-2002
IJLGANG G0 23. G-functies 23.1 IJlgang G0 N... G0 [Ascoördinaten] Parameters Voorbeeld N... G0 X25 Y15 Z30 Gelijktijdige beweging in het hoofdvlak XY, daarna in de gereedschapas Let op: Aan het begin van een programma en na een gereedschaps- of zwenkkopwissel moet in een programmaregel voor verplaatsingen elke actieve as worden geprogrammeerd. Daardoor staat elke as in de uitgangspositie. De positioneringslogica legt de volgorde van de verplaatsingen in ijlgang vast. Gereedschapverplaatsing:naar werkstuk G17,18,19 van werkstuk weg G17,18,19 1. Asverplaatsing 4.+5 4.+5 4.+5 Z Y X 2. Asverplaatsing X+Y X+Z Y+Z X+Y X+Z Y+Z 3. Asverplaatsing Z Y X 4.+5. 4.+5. 4.+5. 26-9-2002 MillPlus IT V510 171
RECHTLIJNIG BEWERKEN G1 23.2 Rechtlijnig bewerken G1 Lineaire interpolatie in het hoofdvlak N.. G1 {X..} {Y..} {Z..} {F..} 3 D-interpolatie: N.. G1 X.. Y.. Z.. {F..} Een roterende as: N.. G1 {A..} {B..} {C..} {A40=..} {B40=..} {C40=..} {F...} Meerdere assen: N... G1 {X..} {Y..} {Z..} {A..} {B..} {C..} {A40=..} {B40=..} {C40=..} {F...} Parameters Voorbeelden 1. 3 D-interpolatie : N14 G0 X10 Y5 Z20 N15 G1 X20 Y10 Z40 F100 Gelijktijdige beweging van de assen: 172 Heidenhain 26-9-2002
RECHTLIJNIG BEWERKEN G1 2. Programmering van roterende assen, met of zonder lineaire as Een roterende as en een lineaire as: Z- en C-as (X- en A-as) (Y- en B-as) Schroefdraad in een cilindervlak: : N10 G18 N11 T1 M6 S2000 F200 N12 G0 X0 Z80 Y22 C0 M3 N13 G1 Y18 N14 Z20 C3600 C40=18 N15 G0 Y25 : Gereedschap in de spil verwisselen Gereedschap naar de gewenste positie brengen Spiraal frezen, 10 omwentelingen 26-9-2002 MillPlus IT V510 173
RECHTLIJNIG BEWERKEN G1 Lineaire as met meer roterende assen C40=..(gemiddelde baanradius) C40=(Rb+Re):2 Rb(beginradius) Re(eindradius) Spiraal: N10 G17 T1 M6 Gereedschap in de spil verwisselen N11 G54 Nulpuntverschuiving N12 G0 X0 Y5 Z3 C0 S200 M3 N13 G1 Z-2 F100 Uitgangspositie benaderen N14 Y29 C1440 C40=17 F200 Spiraal frezen, 4 omwentelingen N15 G0 Z100 Let op: MACHINES MET KINEMATISCH MODEL (vanaf V410) In machines met een kinematisch model wordt de rotatieasradius automatisch berekend. A40=, B40= of C40= hoeft niet meer te worden geprogrammeerd. De nieuwe optie wordt via G94 F5=1 geprogrammeerd. 174 Heidenhain 26-9-2002
23.3 Cirkel met de klok mee / tegen de klok in G2/G3 Volledige cirkel: N.. G2/G3 [middelpunt] Cirkelboog kleiner dan of gelijk aan 180 : N.. G2/G3 [eindpunt] R.. Cirkelboog groter dan 180 : N.. G2/G3 [middelpunt] [eindpunt] N.. G2/G3 [middelpunt] B5=.. CIRKEL MET DE KLOK MEE / TEGEN DE KLOK IN G2/G3 2.5D-interpolatie: N... G2/G3 [middelpunt] [eindpunt van de cirkelboog] [eindpunt op de lineaire of roterende as] Spiraal: N... G2/G3 [middelpunt] [eindpunt van de cirkelboog] [eindpunt op de lineaire of roterende as] [spoed] N... G2/G3 [middelpunt] [spoed] B5=... Parameters G2 / G3 Voorbeelden Cirkelboog kleiner dan of gelijk aan 180 N20 G3 X45 Y35 R10 Cirkel tegen de klok in N10 G1 X55 Y25 F100 Lineaire b 26-9-2002 MillPlus IT V510 175
CIRKEL MET DE KLOK MEE / TEGEN DE KLOK IN G2/G3 Cirkelboog groter dan 180 Middelpuntcoördinaten: G17 N.. G2/G3 I.. J.. G18 N.. G2/G3 I.. K.. G19 N.. G2/G3 J.. K.. Absolute middelpuntcoördinaten (G90): middelpuntcoördinaten gerelateerd aan het programmanulpunt Incrementele middelpuntcoördinaten (G91): middelpuntcoördinaten gerelateerd aan het startpunt Poolmiddelpuntcoördinaten N.. G2/G3 L3=.. B3=.. (G17/G18/G19) 176 Heidenhain 26-9-2002
CIRKEL MET DE KLOK MEE / TEGEN DE KLOK IN G2/G3 Eindpuntcoördinaten: Cartesische eindpuntcoördinaten G17 N.. G2/G3 X.. Y.. G18 N.. G2/G3 X.. Z.. G19 N.. G2/G3 Y.. Z.. Absolute eindpuntcoördinaten (G90): eindpuntcoördinaten gerelateerd aan het programmanulpunt Incrementele eindpuntcoördinaten (G91): eindpuntcoördinaten gerelateerd aan het startpunt Pooleindpuntcoördinaten: eindpuntcoördinaten gerelateerd aan het programmanulpunt N.. G2/G3 L2=.. B2=.. (G17/G18/G19) 26-9-2002 MillPlus IT V510 177
CIRKEL MET DE KLOK MEE / TEGEN DE KLOK IN G2/G3 eindpuntcoördinaten gerelateerd aan het startpunt N.. G2/G3 L1=.. B1=.. (G17/G18/G19) Hoek van de cirkelboog: N2.. G2/G3 B5=.. (G17/G18/G19) Cirkelvormige beweging niet in hoofdvlak Cirkelboog kleiner dan of gelijk aan 180 : N2.. G2/G3 [eindpuntcoördinaten van de lineaire assen] R.. N2.. G2/G3 [Cartesische coördinaten van het cirkelmiddelpunt] Cirkelboog groter dan 180 : N2.. G2/G3 [Cartesische coördinaten van het eindpunt en het cirkelmiddelpunt] Radiuscorrectie is niet mogelijk. 178 Heidenhain 26-9-2002
Cirkelbeweging met gelijktijdige beweging van een derde as (2.5D) Cirkel in het hoofdvlak: N.. G2/G3 [cirkeldefinitie] [gereedschapas] Vlak G17 G18 G19 Gereedschapas Z Y X CIRKEL MET DE KLOK MEE / TEGEN DE KLOK IN G2/G3 Cirkel niet in het hoofdvlak: N.. G2/G3 [Cartesische coördinaten van het eindpunt en het cirkelmiddelpunt] [gereedschapas] Vlak G17 G18 G19 Eindpunt X..Y.. X..Z.. Y..Z.. Middelpunt I..J.. I..K.. J..K.. Gereedschapas Z Y X Spiraalinterpolatie Vlak G17 G18 G19 Gereedschapas Z Y X Middelpunt I..J.. I..K.. J..K.. / / / B3=..L3=.. B3=..L3=.. B3=..L3=.. Cirkelboogwinkel B5=.. B5=.. B5=.. Spiraalspoed K J I De waarde van (B5=) kan liggen tussen 0 en 999999 graden (ca. 2777 omwentelingen) Vlak G17 G18 G19 Gereedschapas Z Y X Cirkeleindpunt X..Y.. X..Z.. Y..Z.. Middelpunt I..J.. I..K.. J..K.. Spiraalspoed K J I Absolute coördinaten N82000 N1 G17 N2 G98 X0 Y0 Z10 I60 J60 K-30 N3 N4 G0 X0 Y0 Z-10 N5 N6 G1 X42.5 Y10.867 F200 N7 G3 X19 Y25 I35 J20 N8 N9 G0 Z100 M30 Lineaire beweging Cirkel tegen de klok in (absoluut) 26-9-2002 MillPlus IT V510 179
CIRKEL MET DE KLOK MEE / TEGEN DE KLOK IN G2/G3 Incrementele coördinaten N82001 N1 G17 N2 G98 X0 Y0 Z10 I60 J60 K-30 N3 N4 G0 X0 Y0 Z-10 N5 N6 G1 X42.5 Y10.867 F200 N7 G91 N8 G3 X-23.5 Y14.133 I-7.5 J9.133 N9 N10 G0 Z100 M30 Lineaire beweging Programmering incrementele maten Cirkel tegen de klok in (incrementeel) N82030 N1 N2 G17 N3 G98 X-10 Y-10 Z10 I80 J80 K-30 N4 N5 G0 X0 Y56.568 Z0 N6 G1 F200 B1=-45 L1=25 N7 G2 B1=-45 B3=45 L1=30 L3=40 N8 G1 B1=-45 L1=25 N9 N10 G0 Z100 M30 Definitie van het grafisch venster Cirkel met de klok mee 180 Heidenhain 26-9-2002
CIRKEL MET DE KLOK MEE / TEGEN DE KLOK IN G2/G3 N82040 N10 G17 T1 M6 Bewerkingsvlak, gereedschap in de spil verwisselen N11 G0 X40 Y40 Z1.5 S400 M3 N12 G1 N13 G43 Y61 F120 Gereedschapradiuscorrectie tot het eindpunt N14 G42 Gereedschapradiuscorrectie rechts N15 G2 I40 J40 K1.5 B5=4320 Cirkel met de klok mee (schroefdraad) N16 G40 Gereedschapradiuscorrectie deactiveren N17 G1 Y40 N18 G0 Z100 M30 N10 G1 X30 Y30 F500 N11 G2 I40 J20 B5=120 Cirkel met de klok mee N85770 N1 G17 N2 G54 N3 G98 X20 Y50 Z10 I-100 J-100 K-20 N4 N5 N6 S650 T1 M6 Gereedschap in de spil verwisselen N7 G0 X0 Y-25 Z5 M3 Spil AAN rechtsom; ijlgangbeweging N8 G1 Z-2 F100 Op de bewerkingsdiepte brengen N9 G2 X0 Y25 Z-7 I0 J0 F200 Cirkel met de klok mee N10 G1 Z5 Gereedschap uit het materiaal halen N11 N12 N13 M30 26-9-2002 MillPlus IT V510 181
G4 WACHTTIJD 23.4 G4 Wachttijd Inlassen van een wachttijd (tijd of aantal omwentelingen) in de uitvoering van een programma. Formaat G4 X.. of D.. of D1=.. Aanwijzingen en toepassing Ingaven waarden Wachttijd (D): 0,1-900 seconden (15 minuten). Omwentelingen (D1=): 0-9.9 Voorbeeld N50 G4 X2.5 N60 G4 D2 Dit blok geeft een wachttijd van 2.5 seconden tussen twee bewerkingen. Dit blok geeft een wachttijd tussen twee bewerkingen met de duur van 2 omwentelingen van de spil. 182 Heidenhain 26-9-2002
SPLINE-INTERPOLATIE G6 23.5 Spline-interpolatie G6 Met de spline-interpolatie kan de programmeur door ingave van enkele punten een gelijkmatige en zuivere kromme maken. Formaten met Bezier-splines Spline met drie hoekpunten: G6 X61=.. Y61=.. Z61=.. X62=.. Y62=.. Z62=.. X.. Y.. Z.. constante raaklijn met de spline: G6 X62=.. Y62=.. Z62=.. X.. Y.. Z.. Spline met twee hoekpunten en Spline met constante kromme met de vorige spline: G6 X.. Y.. Z.. Parameters Bezier-Splines Formaten met kubische splines Spline met alle coëfficiënten gedefinieerd: G6 X51=.. Y51=.. Z51=.. X52=.. Y52=.. Z52=.. X53=.. Y53=.. Z53=.. Spline met constante raaklijn met de vorige spline: G6 X52=.. Y52=.. Z52=.. X53=.. Y53=.. Z53=.. 26-9-2002 MillPlus IT V510 183
SPLINE-INTERPOLATIE G6 Spline met constante kromme met de vorige spline: G6 X53=.. Y53=.. Z53=.. Parameters Kubische splines X51=, Y51=, Z51= X52=, Y52=, Z52= X53=, Y53=, Z53= Eerste orde splinecoëfficiënt Tweede orde splinecoëfficiënt Derde orde splinecoëfficiënt Voorbeeld Bezier-Splines N17001 (Spline kromme) N1 G98 X2 Y-6 Z-2 I10 J10 K10 N2 G17 N101 G0 X0 Y0 Z0 F500 N102 G6 X1 X61=0.3 X62=0.7 Y1 Y61=0.3 Y62=0.7 Z0.001 Z61=0 Z62=0 N103 X2 Y1.001 Z0 N104 X3 Y0 Z0.001 N105 X4 Y1 Z0 N106 X6 X62=5.7 Y2 Y62=2 Z0.001 Z62=0 N107 X8 X61=6 X62=7.5 Y0 Y61=1.5 Y62=0 Z0 Z61=0 Z62=0.001 N108 X10 X61=8.5 X62=10 Y2 Y61=0 Y62=1.5 Z0.001 Z61=0.001 Z62=0 N109 G0 X0 Y0 Z0 N110 M30 N101: Uitgangspositie benaderen (P1) N102: Eerste element. Rechte. Raakt aan P1-P2 en aan P3-P4. Eindpunt is P4. Alle coördinaten moeten worden ingevoerd. Kies daartoe een rechte. N103: Kromme doorsnijdt P5 N104: Kromme doorsnijdt P6 N105: Kromme doorsnijdt P7. Als de kromme anders dan gewenst verloopt, moeten er meerdere punten worden toegevoegd. N106: De kromme doorsnijdt P9 en raakt aan de lijn P8-P9. N107: Nieuwe kromme met scherpe overgang wordt gedefinieerd. Het eerste element van de kromme begint in P9 en raakt aan P9-P10 en aan P11-P12. Eindpunt is P12. N108: Nieuwe kromme met tangentiale overgang wordt gedefinieerd. Het eerste element van de kromme begint in P12 en raakt aan P12-P13 en aan P14-P15. Eindpunt is P15. Door de afstand P14-P15 te veranderen, kan de krommingsradius in P15 worden aangepast. Let op: Bij G6 moeten dezelfde coördinaten in twee regels van elkaar verschillen (Z0 en Z0.001) 184 Heidenhain 26-9-2002
BEWERKINGSVLAK ZWENKEN G7 23.6 Bewerkingsvlak zwenken G7 Programmering van een gezwenkt bewerkingsvlak voor vier- of vijfassige machines. Met de functie "Bewerkingsvlak zwenken" kan de positie van het bewerkingsvlak worden gezwenkt. De in een hoofdvlak (G17, G18) geprogrammeerde bewerking kan dan in het gezwenkte bewerkingsvlak worden uitgevoerd. De gereedschapsas staat loodrecht op het nieuwe vlak. Met de functie G7 wordt de verdraaiing van het bewerkingsvlak gedefinieerd en uitgevoerd. Formaat N.. G7 {A5=.. A6=..} {B5=.. B6=..} {C5=.. C6=..} {A7=..} {B7=..} {C7=..} {B47=..} {L1=..} {L..} Parameter Bijbehorende functie NIET-TOEGESTANE G-FUNCTIES, WANNEER G7 WORDT INGESCHAKELD Wanneer G7 wordt ingeschakeld, mogen de volgende (modale) G-functies niet actief zijn: G6, G9, G19, G41, G42, G43, G44, G61, G64, G73, G141, G182, G197, G198, G199, G200, G201, G203, G204, G205, G206, G207, G208 Als G7 ingeschakeld wordt, mogen de volgende (modale) G-functies met onderstaande adressen niet actief zijn: G54 I1 B4=... en G93 B4=... NIET-TOEGESTANE G-FUNCTIES BINNEN G7 De volgende G-functies zijn niet toegestaan, wanneer G7 actief is: G6, G19, G182 NIET-TOEGESTANE G-FUNCTIES, WANNEER G7 WORDT UITGESCHAKELD Wanneer G7 wordt uitgeschakeld, mogen de volgende (modale) G-functies niet actief zijn: G9, G41, G42, G43, G44, G61, G64, G73, G141, G197, G198, G199, G200, G201, G203, G204, G205, G206, G207, G208 Wanneer een van deze niet-toegestane G-functies actief is, volgt de foutmelding P77 'G-funktie en Gxxx niet toegestaan'. Functietype Modaal 26-9-2002 MillPlus IT V510 185
BEWERKINGSVLAK ZWENKEN G7 Opmerkingen en toepassing FUNCTIE G7 Het vrij programmeerbare bewerkingsvlak wordt met de nieuwe functie G7 gedefinieerd: Het nieuwe vlak wordt met het originele nulpunt actief. Het gereedschap oriënteert zich loodrecht op het nieuwe vlak. De machineconfiguratie en de programmering bepalen welke assen er worden verplaatst. De coördinaten van het nieuwe (gezwenkte) vlak worden weergegeven. De handbediening richt zich op het nieuwe vlak. Ruimtelijke hoek A5=, B5=, C6= Hiermee wordt de absolute hoek gedefinieerd, waarbij het bewerkingsvlak om de desbetreffende positieve as draait. A6=, B6=, C6= Hiermee wordt de incrementele hoek gedefinieerd, waarbij het bewerkingsvlak om de desbetreffende positieve as draait. Waarde ligt tussen -359.999 en 359.999 [graden] BEWERKINGSVLAK OPNIEUW DEFINIëREN De rotatie van het bewerkingsvlak kan op twee manieren worden gedefinieerd: - Programmeren met de parameters A5=, B5= of C5=. Hiermee wordt de absolute rotatie om de desbetreffende positieve as gedefinieerd. De rotatie wordt als volgt uitgevoerd: 1. De actieve rotatie G7 wordt gedeactiveerd 2. C5= rotatie om de positieve Z-as van de machine 3. B5= rotatie om de positieve Y-as 4. A5= rotatie om de positieve X-as - Programmeren met de parameters A6=, B6= of C6=. Hiermee wordt de incrementele rotatie om de desbetreffende, actuele positieve as gedefinieerd. De rotatie wordt als volgt uitgevoerd: 1. C6= rotatie om de actuele positieve Z-as G7 2. B6= rotatie om de actuele positieve Y-as G7 3. A6= rotatie om de actuele positieve X-as G7 De programmering is onafhankelijk van de machineconfiguratie. De rotatie van het vlak wordt ten opzichte van het actuele nulpunt berekend. De beweging is afhankelijk van de machineconfiguratie. 186 Heidenhain 26-9-2002
OPVRAGEN VAN EEN BEREKENDE RUIMTE HOEK. A7=, B7=, C7= BEWERKINGSVLAK ZWENKEN G7 Bevat het nummer van de E-parameter, waarin de berekende hoek van de desbetreffende rondas wordt ingesteld. B47= Bevat het nummer van de E-parameter, waarin de berekende hoek van het hoofdvlak wordt ingesteld. GEREEDSCHAP LOODRECHT OP HET GEDEFINIEERDE VLAK ZWENKEN De zwenkbeweging G7 vindt interpolerend met de ijlgang plaats. De gereedschapsas wordt naar het gedefinieerde vlak gezwenkt. Het verplaatsingstype L1= bepaalt welke assen zich verplaatsen: - L1=0 De rondassen verplaatsen zich niet (uitgangspositie). Opmerking: De zwenkbeweging kan dan met de E-parameters die met A7=, B7= of C7= zijn geladen, worden uitgevoerd. Deze beweging moet dan handmatig worden geprogrammeerd. - L1=1 Alleen de rondassen interpoleren. De lineaire assen worden niet verplaatst. - L1=2 De rondassen interpoleren en de lineaire assen voeren hiertoe een 'compensatiebeweging' uit. Hierdoor blijft de gereedschapspunt ten opzichte van het werkstuk op de dezelfde positie. Gereedschapslengte offset (L) Als de zwenkbeweging om de gereedschapspunt plaatsvindt (L1=2), betekent L een offset in de gereedschaprichting, tussen het geprogrammeerde eindpunt en de gereedschapspunt. UITSCHAKELEN VAN DE FUNCTIE G7 De functie G7 blijft actief, totdat G7 wordt gedeactiveerd. Door het programmeren van G7 zonder parameter of, G7 L1=1 positionering van de rondassen op het nulpunt van het werkstuk, wordt G7gedeactiveerd. G7 wordt niet door M30 of <programma afbreken> gedeactiveerd. Na het inschakelen van de besturingis G7 nog steeds actief. Er kan een verplaatsing in het vlak G7 plaatsvinden. Na het aanlopen van het referentiepunt of <CNC resetten> wordt G7 gedeactiveerd. Opmerking: Het wordt aanbevolen om aan het begin van elk programma met G7, een G7 zonder parameter te programmeren. Daardoor wordt het vlak tijdens de afloop van het programma (afbreken binnen het gezwenkte vlak en nieuwe start) altijd gereset. Zonder deze G7 aan het begin, wordt het eerste deel van het programma in het gezwenkte in plaats van in het niet-gezwenkte vlak uitgevoerd. Deze programmering komt overeen met de programmering met G17/G18 - verschillende nulpunten of verschillend gereedschap. RONDASSEN De rondassen kunnen in het gezwenkte vlak normaal worden geprogrammeerd. De programmeur is ervoor verantwoordelijk dat de posities van de rondas overeenkomen met de rotatie G7. ABSOLUTE POSITIE G74 Wanneer G7 actief is, is de 'absolute positie' G74 gerelateerd aan de machinecoördinaten, zoals in V3.3x. GRAFISCHE WEERGAVE In de grafische weergave wordt het vlak G7 als hoofdaanzicht getoond. Het beeldscherm wordt vernieuwd, wanneer G7 actief wordt. Wanneer G7 actief is, wordt de positie tussen gereedschap en werkstuk weergegeven. DISPLAY Wanneer G7 actief is, wordt in het display achter het gereedschapsnummer een geel icoontje weergegeven. Via een kleine "p" rechts naast de 'as-letter' wordt aangegeven, of de positie in het 26-9-2002 MillPlus IT V510 187
BEWERKINGSVLAK ZWENKEN G7 schuine bewerkingsvlak of in machinecoördinaten wordt weergegeven. De bewerkingsstatus is met de actuele stand van de geprogrammeerde ruimtelijke hoek G7 uitgebreid. In de softkey-groep van de Jog-bedrijfsmodes verschijnt een nieuwe softkey (Jog in vlak G7). Met deze softkey kan tussen het schuine bewerkingsvlak en de machinecoördinaten worden geschakeld. Wanneer de positie in machinecoördinaten wordt aangegeven, wordt de werkelijke positie van de gereedschapspunt weergegeven. GEREEDSCHAPSWISSEL Wanneer G7 actief is, mag er geen gereedschapswissel plaatsvinden (foutmelding). Eerst moet G7 worden gedeselecteerd. Om na de gereedschapswissel weer in het schuine bewerkingsvlak te kunnen doorwerken, moet G7 weer worden gekozen. Voorbeeld: N100 G7 B5=45 L1=1 N110 T14.. N200 G0 Z200 N210 G7 B5=0 L1=1 N220 M6 N230 G0 X.. Y.. Z.. N240 G7 L1=1 B5=45 (Vlak wordt ingesteld) (Voorselectie gereedschap) (De gereedschapsas wordt teruggetrokken) (G7 deselecteren) (Gereedschapswissel) (Ijlgang naar de nieuwe beginpositie) (Kop wordt opnieuw naar het vlak G7 gedraaid) PALET-, ZWENKKOP- OF GEREEDSCHAPSWISSEL Bij actieve G7 kan er geen palet-, zwenkkop- of gereedschapswissel worden uitgevoerd. Er verschijnt een foutmelding en het programma moet worden afgebroken. G7 moet vóór het wisselen worden gedeactiveerd. BEWERKINGSVLAK ZWENKEN MET M53/M54 Bij gecombineerde bedrijfsmode met G7 en M53/M54 moet vóór het programmeren van G7 de zwenkkoppositionering M53/M54 met M55 worden gedeselecteerd. Hierbij wordt de eventueel actieve kopverschuiving gedeselecteerd. NIET-TOEGESTANE M-FUNCTIES, WANNEER G7 WORDT INGESCHAKELD Wanneer G7 wordt ingeschakeld, mogen de volgende M-functies niet actief zijn: M53, M54 NIET-TOEGESTANE M-FUNCTIES, BINNEN G7 De volgende M-functies zijn niet toegestaan, wanneer G7 actief is: M6, M46, M53, M54, M60, M61, M62, M63, M66 FOUTMELDINGEN P77 G-funktie en Gxxx niet toegestaan Dezer foutmelding geeft aan, welke combinatie van G-funkties niet toegestaan is. B.v.. wordt G7 programmeert, als G41 actief is, komt de fout P77 'G-funktie en G41 niet toegestaan'. P306 Vlak niet duidelijk gedefinieerd Het vlak G7 is met een combinatie van absolute hoeken (A5=, B5=, C5=) en (A6=, B6=, C6=) gedefinieerd. Oplossing: Alleen absolute of incrementele hoeken toepassen. Zo nodig, kunnen meer definities G7 met incrementele hoeken achter elkaar worden bepaald. incrementele hoeken P307 Programmavlak niet bereikbaar De gedefinieerde schuinstelling G7 kan door een beperkt bereik van de rondassen niet worden bereikt. 188 Heidenhain 26-9-2002
BEWERKINGSVLAK ZWENKEN G7 MACHINECONSTANTEN MC 312 Vrij bewerkingsvlak (0=uit, 1=aan) Activeert het vrije bewerkingsvlak. De functie G7 kan worden geprogrammeerd. MC 755 Vrij bewerkingsvlak: rotatie (0=coörd.kruis,1=assen) Zodra de gewenste rotatie van het bewerkingsvlak met de rotatie van een rondas overeenkomt, kan hier worden ingesteld, of de betreffende rondas of het coördinatenkruis wordt geroteerd. B.v. op een machine met (werkelijke C-as) zorgt de programmering G7 C5=30 en MC755=0 voor een rotatie van het coördinatenkruis van -30 en MC755=1 voor een rotatie van de C-as van 30. Voorbeeld 1 Werkstuk met schuin bewerkingsvlak. N10 G17 N20 G54 N30 M55 N40 G7 L1=1 N.. N100 G81 Y1 Z-30 N110 G79 X40 Z0 N120 G79 X90 N.. N200 G0 X130 Z50 N210 G93 X130 N220 G7 B5=30 L1=2 L50 N230 G79 X30 Z0 N240 G79 X70 N.. N300 G7 L1=2 L50 Bewerkingsvlak definiëren Nulpuntverschuiving Deselecteren van M53/M54 Resetten G7 Boorcyclus definiëren Eerste gat in het horizontale vlak boren Tweede gat in het horizontale vlak boren Andere bewegingen in het horizontale vlak Gereedschap wordt op veiligheidsafstand ingesteld. Nulpunt wordt aan het begin van het gezwenkte bewerkingsvlak ingesteld. Nieuw bewerkingsvlak definiëren B5=30 Rotatiehoek L1=2 Gereedschap/tafel draait om de gereedschapspunt L50 Extra overmaat in gereedschaprichting. Hierdoor draait het gereedschap om het nulpunt. De afstand tussen de gereedschapspunt en het nulpunt bedraagt 50 mm. Eerste gat in het gezwenkte bewerkingsvlak boren Tweede gat in het gezwenkte bewerkingsvlak boren Andere bewegingen in het schuine bewerkingsvlak Terugdraaien naar het horizontale vlak. 26-9-2002 MillPlus IT V510 189
BEWERKINGSVLAK ZWENKEN G7 Voorbeeld 2 Werkstuk met schuin bewerkingsvlak. N10 G17 Bewerkingsvlak definiëren N20 G54 Nulpuntverschuiving N30 M55 Deselecteren van M53/M54 N40 G7 L1=1 Resetten G7 N.. N100 T1 M6 Boor verwisselen N110 G81 Y1 Z-30 Boorcyclus definiëren N120 G79 X40 Z0 Boren van een gat in het horizontale vlak N.. Andere bewegingen in het horizontale vlak N200 T2 M6 Frees verwisselen N210 X70 Z50 Gereedschap wordt op veiligheidsafstand ingesteld. N220 G93 X70 Nulpuntverschuiving N230 G7 B5=30 L1=2 L50 G7 Nieuw bewerkingsvlak definiëren B5=30 Rotatiehoek L1=2 Gereedschap/tafel draait om de gereedschapspunt L50 Extra overmaat in gereedschaprichting. Daardoor draait het gereedschap om het nulpunt. De afstand tussen de gereedschapspunt en het nulpunt bedraagt 50 mm. N240 G1 X0 Z0 Positionering van de frees op het gezwenkte vlak. N250 X150 Frezen van het schuine vlak. N.. Andere bewegingen in het gezwenkte bewerkingsvlak N300 T1 M6 Boor verwisselen N310 G79 X30 Z0 Eerste gat in het gezwenkte bewerkingsvlak boren N320 G93 X=80:cos(30) Nulpuntverschuiving N330 G79 X0 Z0 Tweede gat in het gezwenkte bewerkingsvlak boren N.. Andere bewegingen in het gezwenkte bewerkingsvlak N400 G93 X=40 Nulpuntverschuiving N410 G0 X0 Z50 Gereedschap wordt op veiligheidsafstand ingesteld. N420 G7 B5=0 L1=2 L50 G7 Bewerkingsvlak zwenken deselecteren Terugdraaien naar het horizontale vlak. B5=0 Rotatiehoek L1=2 Gereedschap/tafel draait om de gereedschapspunt L50 Extra overmaat in gereedschaprichting. Daardoor draait het gereedschap om het nulpunt. De afstand tussen de gereedschapspunt en het nulpunt bedraagt 50 mm. N430 G79 X0 Z0 Derde gat in het horizontale bewerkingsvlak boren N.. Andere bewegingen in het horizontale bewerkingsvlak N500 M30 Einde programma 190 Heidenhain 26-9-2002
ZWENKEN VAN HET BEWERKINGSVLAK 23.7 Zwenken van het bewerkingsvlak 23.7.1 Inleiding De besturing ondersteunt het zwenken van het bewerkingsvlak aan gereedschapsmachines met zwenkkoppen en zwenktafels. Raadpleeg uw machinehandboek. Kenmerkende toepassingen: b.v. schuine boringen of ruimtelijk schuine contouren. Het bewerkingsvlak wordt daarbij altijd met het actieve nulpunkt gezwenkt. Zoals gewoonlijk, wordt de bewerking in een hoofdvlak (b.v. X/Y-vlak) geprogrammeerd, terwijl deze wordt uitgevoerd in het vlak dat naar het hoofdvlak is gezwenkt. Voor de programmering van het vrij programmeerbare bewerkingsvlak wordt verwezen naar de beschrijving van de functie G7. Met de functie G7 wordt de rotatie van het bewerkingsvlak gedefinieerd en uitgevoerd. De functie G7 bestaat uit twee handelingen: - Definiëren van het nieuwe bewerkingsvlak, roteren van het coördinatensysteem. - Gereedschap loodrecht op het gedefinieerde bewerkingsvlak zwenken, indien geprogrammeerd. Een bewerking op een schuin gereedschapsvlak is in lokale coördinaten geprogrammeerd. Hierbij liggen de lokale X- en Y-coördinaten op het schuine vlak en staat de Z-coördinaat loodrecht op het vlak. De besturing kent het verband tussen de geprogrammeerde lokale coördinaten en de werkelijke machine-assen en verrekent deze. De besturing verrekent de gereedschapscorrectie. De MillPlus maakt bij het zwenken van het bewerkingsvlak onderscheid tussen twee machinetypes: 1) Machine met zwenktafel De positie van de getransformeerde gereedschapsas verandert niet ten opzichte van het machinecoördinatensysteem. Als u uw tafel, en dus het werkstuk, b.v. 90 draait, draait het coördinatensysteem niet mee. Wanneer u in de bedrijfsmode Handbediening de JOG-toets Z+ indrukt, verplaatst zich het gereedschap in de richting Z+. 2) Machine met zwenkkop De positie van de gezwenkte (getransformeerde) gereedschapsas verandert ten opzichte van het machine-coördinatensysteem: Indien u de zwenkkop van uw machine, dus het gereedschap, b.v. in de B-as +90 draait, dan draait het coördinatensysteem mee. Wanneer u in de bedrijfsmode Handbediening de JOG-toets Z+ indrukt, verplaatst zich het gereedschap in de richting Z+ en X+ van het machine-coördinatensysteem. Met de functie G7 definieert u de positie van het bewerkingsvlak door zwenkhoeken in te geven. Ingegeven hoeken beschrijven de hoekcomponenten van een ruimtelijke vector. Als u de hoekcomponenten van de ruimtelijke vector programmeert, berekent de besturing automatisch de hoekplaats van de zwenkassen. De MillPlus berekent de positie van de ruimtelijke vector, en dus de 26-9-2002 MillPlus IT V510 191
ZWENKEN VAN HET BEWERKINGSVLAK positie van de hartlijn van de spindel, door rotatie om het machine-coördinatensysteem. De volgorde van de rotaties voor de berekening van de ruimtelijke vector staat vast: eerst roteert de MillPlus de A- as, daarna de B-as en tenslotte de C-as. De functie G7 werkt nadat deze in het programma is gedefinieerd. De MillPlus kan alleen gestuurde assen automatisch positioneren. Bij de G7-definitie kunt u naast de zwenkhoeken een veiligheidsafstand invoeren, waarmee de zwenkassen worden gepositioneerd. Alleen voorgemeten gereedschap gebruiken (volle gereedschapslengte in de gereedschapstabel). Bij het zwenken blijft de positie van de gereedschapspunt ten opzichte van het werkstuk praktisch ongewijzigd. (Afhankelijk van verplaatsingstype L1=). De MillPlus voert het zwenken in ijlgang uit. 23.7.2 Machinetypes Freesmachines met vier of vijf assen kunnen voor de schuine bewerking van een werkstuk worden ingezet. Afhankelijk van het vlak dat wordt gezwenkt, zijn er andere machinetypes voor de bewerking nodig. Om alle zijden en vlakken (met uitzondering van de onderzijde) zonder nieuwe opspanning te kunnen bereiken, zijn minimaal twee rondassen en drie lineaire assen nodig. Mogelijke machinetypes: Zwenkkop 90 en rotatietafel Dubbele rotatietafel Dubbele rotatietafel en zwenkkop 45 Dubbele rotatietafel 45 Rotatietafel en -kop Rotatietafel en -kop 45 De zwenkkop kan in twee standen staan. Met de zwenkkop kunnen de boven- en achterzijde worden bewerkt. Met de rotatietafel (C-as) kunnen de vier zijkanten worden bewerkt. Alleen wanneer de zwenkkop ook (handmatig) schuin kan worden gezet, is de machine geschikt voor alle schuine bewerkingsvlakken. De tafels (A- en C-as) zijn gestapeld. Daardoor kunnen alle zijden en schuine bewerkingsvlakken worden bewerkt. De tafels (A- en C-as) zijn gestapeld. De A-as heeft een beperkte uitslag. In combinatie met de twee-standen-zwenkkop kunnen alle zijden en schuine bewerkingsvlakken worden bewerkt. De tafels (B- en C-as) zijn gestapeld. De B-as staat daarbij onder een hoek van 45. Alle zijden en schuine bewerkingsvlakken kunnen worden bewerkt. De kop (B-as) kan vrij worden gepositioneerd. In combinatie met de tafel (C-as) kunnen alle zijden en schuine bewerkingsvlakken worden bewerkt. De kop (B-as) staat onder een hoek van 45. In combinatie met de tafel (C-as) kunnen alle zijden en schuine bewerkingsvlakken worden bewerkt. 192 Heidenhain 26-9-2002
ZWENKEN VAN HET BEWERKINGSVLAK Schets van de meest geschikte machinetypes voor het schuine bewerkingsvlak. 23.7.3 Kinematisch model Om de lokale geprogrammeerde coördinaten in het schuine vlak om te zetten in bewegingen van de machineassen, heeft de besturing een kinematisch model van de machine nodig. Een kinematisch model beschrijft de 'opbouw' van de assen en de juiste positie van de diverse rotatiepunten van de rondassen. Bij voorbeeld een kinematisch model van de machine van het type DMU 50 V. Het kinematische model bestaat uit een keten van het werkstuk tot het machineframe. De keten van het gereedschap tot het machineframe hoeft niet te worden beschreven, omdat deze geen rondassen omvat. Kinematisch model voor DMU 50 V Toelichting op de tekening: -1,2,3 Drie elementen in de X-, Y- en Z-richting, om het middelpunkt van de werkstuktafel (absoluut) ten opzichte van de gemarkeerde posities te bepalen. -4 Element voor het bepalen van de C-as. Van een rondas hoeft alleen de roterende as te worden beschreven, en niet het middelpunt. -5,6 Twee elementen, om de roterende as van de tweede rondas (incrementeel) te bereiken. -7 Element voor het definiëren van de richting (incrementeel) van de tweede roterende as. Deze richting is -45 in de A-as (rondom de X-as). -8 Element voor het definiëren van de B-as. -9 Element om de rotatie van -45 (element 7) weer ongedaan te maken. Hierdoor eindigt de kinematische keten zonder rotatie. 26-9-2002 MillPlus IT V510 193
ZWENKEN VAN HET BEWERKINGSVLAK Het kinematische model wordt via de machineconstanten MC600 tot MC699 ingevoerd. Voor het bepalen van het verband tussen de positie van het bewerkingsvlak en de asposities zijn de stapeling en de juiste positie van de diverse rotatiepunten van de rondassen nodig. Onder een kinematisch model wordt een beschrijving van deze stapeling verstaan. Het kinematische model wordt in twee 'ketens' gedefinieerd. De ene keten definieert de asstapeling van het gereedschap tot het machineframe, terwijl de andere keten de asstapeling van het werkstuk tot het machineframe definieert. Hierbij hoeft een keten alleen te worden beschreven, als hierin rondassen zijn opgenomen. Een kinematische keten definieert door middel van verschuivingen en rotaties hoe de rondassen ten opzichte van elkaar liggen. Elke verschuiving of rotatie wordt als element van de kinematische keten in drie machineconstanten vastgelegd. In totaal kunnen op deze manier 25 elementen van de kinematische keten worden vastgelegd. Alle aanwezige rond- en stelassen moeten worden beschreven. Alleen de machinetypes met rondassen in X-, Y- of Z-richting worden ondersteund, waarbij de volgorde van de rondassen van werkstuk tot gereedschap als volgt is: - A C - C A - C B - C A_vast B -A_vast (DMUxxV en DMCxxU waarbij A_vast = -45 ) - C - Asverwisselingsvarianten (C wordt B, en B wordt C) zijn ook mogelijk. Wanneer andere machinetypes worden ingevoerd, verschijnt foutmelding O256 'Ongeldig machinetype'. 23.7.4 Handbediening Bij handbediening worden de assen langs de lokale coördinaten in het gezwenkte vlak G7 verplaatst. Bij JOG-bedrijf van de Z-as wordt bijv. het gereedschap loodrecht op het vlak georiënteerd. Daarbij kunnen zich alle werkelijke lineaire machine-assen verplaatsen. De bediening kan via een softkey zodanig worden gewijzigd dat er een verplaatsing van de werkelijke machine-assen plaatsvindt. Er worden nu ook werkelijke machine-assen weergegeven. De verplaatsingstoetsen en de handwielen voor de lineaire assen kunnen naar keuze aan het vlak G7 of aan de machine-assen worden toegewezen. De weergave vindt dan ook in vlak G7 of het vlak van de machine-assen plaats. De keuze tussen vlak G7 of vlak van de machine-assen wordt gemaakt met een nieuwe softkey in de softkey-groep <stap / continu>. Hiermee wordt de keuze tussen tip-bedrijf <voeding> en <continu> een optie om 'plaats' voor deze nieuwe softkey te maken. 23.7.5 Display In het display wordt met een geel icoontje achter het gereedschapsnummer aangegeven wanneer G7 actief is. Via een kleine "p" rechtsonder bij de 'as-letter' wordt aangegeven of de positie in het schuine bewerkingsvlak of in machinecoördinaten wordt weergegeven. De bewerkingsstatus is uitgebreid met de actuele stand van de geprogrammeerde ruimtelijke hoeken G7. Het display kan gelijktijdig met de JOG-richting via een nieuwe softkey in de softkey-groep van de JOGbedrijfsmodes worden veranderd. Wanneer de positie in machinecoördinaten wordt aangegeven, wordt de positie van de werkelijke gereedschapspunt getoond. Zie volgende afbeelding: 194 Heidenhain 26-9-2002
ZWENKEN VAN HET BEWERKINGSVLAK Op het beeldscherm kan de positie zowel in het vlak G7 (Xp,Zp) als in machinecoördinaten (X,Z) worden weergegeven. Beide posities zijn gebaseerd op het actieve nulpunt G52 + G54 + G92/G93. 23.7.6 Selectie-as / stelas Een niet-gestuurde as moet handmatig in de juiste positie worden gezet. Daarvoor of daarna moet echter de schuinstelling van het gereedschap ook via G7 worden ingevoerd. Anders wordt deze niet doorgerekend. Opmerking: In G7 met n7=<parameternummer> wordt de verwachte positie van de rondassen in parameters ingesteld. Met deze informatie kan een selectie-as of stelas handmatig worden ingesteld. De selectie-as of stelas moet ook in het kinematische model worden meegenomen. 23.7.7 Referentiepunt Wanneer het referentiepunt tijdens G7 wordt aangelopen, blijven de rondassen na het aanlopen op hun referentiepositie staan. Het vlak G7 wordt gedeactiveerd en het vlak G17 wordt geactiveerd. Na het op toeren brengen van de machine, maar vóór het aanlopen van het referentiepunt, is het vlak G7 nog actief. Na <CNC resetten> wordt het vlak G7 gedeactiveerd. 26-9-2002 MillPlus IT V510 195
ZWENKEN VAN HET BEWERKINGSVLAK 23.7.8 Onderbreking Wanneer de beweging G7 wordt onderbroken, wordt de exacte positie van de gereedschapspunt op het beeldscherm weergegeven. Na de onderbreking kunnen de assen handmatig worden verplaatst. Na <Start> volgt er een positioneerbeweging terug naar het onderbroken punt. Hierbij lopen de assen met positioneerlogica conform het vlak G7. De rondassen draaien daarbij als eerste. 23.7.9 Foutmeldingen P306 Vlak niet eenduidig gedefinieerd Het vlak G7 is met een combinatie van absolute hoeken (A5=, B5=, C5=) en incrementele hoeken (A6=, B6=, C6=) gedefinieerd. Oplossing: Alleen absolute of incrementele hoeken toepassen. Zo nodig kunnen diverse definities G7 met incrementele hoeken achter elkaar worden gedefinieerd. P307 Geprogrammeerd vlak niet bereikbaar De gedefinieerde schuinstelling G7 kan vanwege een beperkt bereik van de rondassen niet worden bereikt. Oplossing: Machines met zwenkkop moeten de kop (via M-functie) vanuit de actuele stand (horizontaal of loodrecht) in de andere stand zwenken O256 Ongeldig machinetype Het kinematische model in MC600 tot MC699 definieert een machinetype dat niet voor het schuine bewerkingsvlak (G7) wordt ondersteund. Alleen machinetypes met rondassen in de onderstaande volgorde, gezien van werkstuk naar gereedschap, worden ondersteund: - A C - C A - C B - C A_vast B -A_vast (A_vast is een vaste rotatie in de richting van de A-as, zoals bijv. de DMU50V (-45 ) - C - Asverwisselingsvarianten (C wordt B, en B wordt C) zijn ook mogelijk. Oplossing: Het kinematische model moet goed worden ingevoerd, met minimaal een beschrijving van de aanwezige rondassen. De besturing moet opnieuw worden opgestart. 196 Heidenhain 26-9-2002
ZWENKEN VAN HET BEWERKINGSVLAK 23.7.10 Machine-constanten MC 312 Vrij bewerkingsvlak (0=uit, 1=aan) Activeert het vrije bewerkingsvlak. De functie G7 kan worden geprogrammeerd. MC 600 - MC 699 Er zijn 100 nieuwe machineconstanten (MC600 MC699) voor de beschrijving van het kinematische model. Het model wordt met maximaal 25 elementen gedefinieerd, waarbij elk element met vier machineconstanten wordt beschreven. De volgende machineconstanten worden toegepast: MC 600 MC 601 MC 602 Kinematische keten (0=einde,1=g-schap,2=w-stuk) Element (0,1=X,2=Y,3=Z,4=A,5=B,6=C) Element type (0=incrementeel,1=absoluut) MC 603 Element verschuiving [:m/m graad] MC 604, 608, 612, 616, 620,., 696 als MC 600 MC 605, 609, 613, 617, 621,., 697 als MC 601 MC 606, 610, 614, 618, 622,..., 698 als MC 602 MC 607, 611, 615, 619, 623,., 699 als MC 603 MC 755 FBE: rotatie (0=coörd.kruis,1=assen) Wanneer de gewenste rotatie van het bewerkingsvlak overkomt met de rotatie van een rondas, kan de besturing kiezen tussen rotatie van de betreffende rondas of rotatie van het coördinatenkruis. Deze keuze wordt met MC755 gemaakt. Voorbeeld: op een machine met (werkelijke) C-as zorgt de programmering G7 C5=30 en MC755=0 voor een rotatie van het coördinatenkruis van -30 en MC755=1 voor een rotatie van de C-as van 30. 26-9-2002 MillPlus IT V510 197
G8 L R C GEREEDSCHAPRICHTING ZWENKEN G8 23.8 Gereedschaprichting zwenken G8 Programmering van een gedraaide gereedschaprichting voor vier- of vijfassige machines. Met de functie "Gereedschaprichting zwenken" kan de gereedschaprichting schuin ingesteld worden ten opzichte van het bewerkingsvlak. Daardoor wordt het geneigd frezen mogelijk. Zo kunnen de snijomstandigheden bij het frezen en daarmee ook de oppervlaktekwaliteit belangrijk verbeterd worden. Zie Bewerkingsvlak zwenken G7. G8 R L C Parameters L, R en C uit de gereedschapstabel. N.. G8 {A5=.. A6=..} {B5=.. B6=..} {C5=.. C6=..} {A7=..} {B7=..} {C7=..} {L} {L1=..} {L3=..} {F6=} Opmerkingen en toepassing De volgenden G-functies zijn niet toegestaan wanneer G8 actief is: G6, G19, G40, G41, G42, G43, G44, G141, G180, G182 De verdraaiing van de gereedschaprichting kan op twee manieren gedefinieerd worden: Absoluut: - Programmeren met A5=, B5= of C5= Parameters. Hiermee wordt de absolute verdraaiing om de desbetreffende positieve assen gedefinieerd. De verdraaiing wordt als volgt berekend: 1. De actieve verdraaiing van G8 wordt opgeheven 2. C5= verdraaiing om de positieve vaste Z-as van de machine 3. B5= verdraaiing om de positieve Y-As 4. A5= verdraaiing om de positieve X-As 198 Heidenhain 26-9-2002
A 1 1 GEREEDSCHAPRICHTING ZWENKEN G8 Incrementeel: - Programmeren met A6=, B6= oder C6= Parameters. Hiermee wordt de incrementele verdraaiing om de desbetreffende actuele positieve assen gedefinieerd. De verdraaiing wordt als volgt berekend: 1. C6= verdraaiing om de actuele positieve Z-as van G8 2. B6= verdraaiing om de actuele positieve Y-as van G8 3. A6= verdraaiing om de actuele positieve X-as van G8 De programmering geschiedt onafhankelijk van de configuratie van de machine. De vlakverdraaiing wordt ten opzichte van het actuele nulpunt berekend. De beweging is afhankelijk van de configuratie van de machine. OPVRAGEN VAN EEN BEREKENDE HOEKPOSITIE A7=, B7=, C7= Bevat het nummer van de E-parameter waarin de berekende hoek van de desbetreffende rondas geplaatst wordt. ZWENKBEWEGING De zwenkbeweging van G8 geschiedt interpolerend in ijlgang. Zij zwenkt de gereedschapsas naar het gedefinieerde vlak. Het hang van de soort beweging L1= af, welke assen bewegen: - L1=0 De rondassen bewegen niet (uitgangspositie). G8 Gereedschapscorrectie kiezen L3=0 met radiuscorrectie (uitgangspositie) L3=1 geen radiuscorrectie Opmerking: De zwenkbeweging kan door middel van E-parameters die met A7=, B7= of C7= geladen zijn, geprogrammeerd worden of handmatig worden uitgevoerd. - L1=1 Alleen de rondassen zwenken, de lineaire assen bewegen niet. De contactpuntpositie X,Y,Z verandert tijdens het zwenken. - L1=2 De rondassen zwenken en de lineaire assen maken een beweging. Daardoor blijft de contactpuntpositie X,Y,Z. Ligt het contactpunt op de hoekradius van het gereedschap, dan is de beweging slechts een rotatie. Is het contactpunt de punt van het gereedschap, en is C kleiner dan R, dan wordt een compenserende beweging uitgevoerd, waardoor het contactpunt verschuift van de gereedschapspunt naar de hoekradius. Is C kleiner dan R en verschuift het contactpunt van links naar rechts, dan wordt eveneens een compenserende beweging uitgevoerd. 3 3 2 2 A Voor cilinderfrezen (met een hoekradius C < freesradius R) geldt de volgende bijzonderheid: Bij het zwenken vanuit de verticale (1) naar de schuine positie (2 --> 3) of omgekeerd verschuift het contactpunt van het midden van de frees naar de hoekradius (A) en omgekeerd. Een compenserende beweging aan de punt van het gereedschap zorgt ervoor, dat de actuele contactpositie X,Y,Z desondanks ongewijzigd blijft. 26-9-2002 MillPlus IT V510 199
GEREEDSCHAPRICHTING ZWENKEN G8 GEREEDSCHAPSLENGTE_OVERMAAT Wanneer de zwenkbeweging rondom het contactpunt van het gereedschap geschiedt (L1=2), definieert L een extra overmaat in de gereedschaprichting tussen het draaipunt en de gereedschapspunt. GEREEDSCHAPSCORRECTIE Gedurende de functie Gereedschaprichting zwenken (G8) wordt er gecorrigeerd voor de gereedschapsafmetingen L, R en C. Deze gereedschapscorrectie van G8 is niet afhankelijk van G41, G42 en is altijd actief. Aan het begin en einde van de gereedschapscorrectie vindt vaak (alleen wanneer C kleiner is dan R) een extra compenserende beweging plaats. Veranderen de gereedschapsafmetingen (L,R,C) wanneer G8 actief is, dan wordt de actuele positie van de lineaire assen opnieuw berekend. UITSCHAKELEN VAN DE FUNCTIE G8 Door G8 te programmeren zonder hoekparameters wordt G8 opgeheven. Na het referentiepunt aanlopen of <CNC terugstellen> wordt G8 opgeheven. G8 wordt niet opgeheven door M30 of <Programma afbreken>. Na het inschakelen van de besturing is G8 nog steeds actief. Opmerking: Het wordt aangeraden, aan het begin van ieder programma met G8 een G8 zonder parameters te programmeren. Daardoor wordt bij het draaien van het programma (afbreken met gezwenkt gereedschap en opnieuw starten) de gereedschaprichting telkens teruggezet. Zonder deze G8 aan het begin, wordt het eerste gedeelte van het programma in het gezwenkte, in plaats van het niet gezwenkte vlak, uitgevoerd. Deze programmering is gelijk aan het programmeren met G7/G17/G18 - verschillende nulpunten of verschillende gereedschappen. CONFIGURATIE Gereedschaprichting zwenken (G8) kan toegepast worden bij machines waarvoor een kinematisch model gedefinieerd en opgeslagen is. INDICATIE Wanneer G8 actief is, verschijnt er een geel veld achter het gereedschapsnummer. Door middel van een kleine 'p' rechts onder bij de 'As-aanduidingsletter' wordt aangegeven of de positie van de gereedschapspunt, dan wel de positie in machinecoördinaten wordt getoond. 200 Heidenhain 26-9-2002
G7 G8 L R C Voorbeeld Werkstuk met schuin bewerkingsvlak en schuine gereedschaprichting. GEREEDSCHAPRICHTING ZWENKEN G8 G8 G7 R L C N10 G17 Bewerkingsvlak definiëren N20 G54 Nulpuntverschuiving N30 M55 Deactiveren van M53/M54 N40 G7 L1=1 Terugzetten G7 N50 G8 L1=1 Terugzetten G8.. N100 G0 X130 Z50 Gereedschap wordt op veiligheidsafstanda gezet. N110 G93 X130 Nulpunt wordt aan het begin van het gezwenkte bewerkingsvlak gezet. N120 G7 B5=-30 L1=2 G7 Definiëren van een nieuw bewerkingsvlak B5=-30 Rotatiehoek L1=2 Gereedschap/tafel draait om de punt van het gereedschap. N130 G8 B5=30 L1=2 G8 Definiëren van een nieuwe gereedschaprichting B5=30 Rotatiehoek L1=2 Gereedschap/tafel draait om het contactpunt en er wordt een compenserende beweging uitgevoerd... N200 G8 N210 G7 L1=2 Gereedschaprichting weer loodrecht op bewerkingsvlak stellen (draai- en compensatiebeweging). Terugdraaien naar horizontaal vlak 26-9-2002 MillPlus IT V510 201
POOLPOSITIE DEFINIËREN G9 23.9 Poolpositie definiëren G9 Programmering van een poolpunt. Wanneer er een poolpunt geprogrammeerd wordt, hebben programmaregels met poolprogrammering (hoek en lengte) niet langer betrekking op het nulpunt, maar op het laatst geprogrammeerde poolpunt. N.. G9 X.. Y.. {X90=...} {X91=...} {Y90=...} {Y91=...} {Z90=...} {Z91=...} N.. G9 X0 Y0 N.. G9 B2=.. L2=.. {B1=..} {L1=..} Pool deactiveren (gelijk aan het werkstuknulpunt) (poolpunt in poolcoördinaten) Parameter Opmerkingen en toepassing Poolpunt in absolute coördinaten: B = Poolpunt N.. G9 X.. Y.. Poolpunt in incrementele coördinaten: A = bestaand poolpunt B = nieuw poolpunt N... G9 X91=... Y91=... 202 Heidenhain 26-9-2002
Poolpunt in gecombineerde absolute en incrementele coördinaten: POOLPOSITIE DEFINIËREN G9 N... G9 X... Y91=... Poolpunt in absolute poolcoördinaten: A = bestaand poolpunt N.. G9 X91=.. Y.. B = ni A = bestaand poolpunt B = nieuw poolpunt N.. G9 B2=.. L2=.. Poolpunt in incrementele poolcoördinaten: A = eindpunt laatste beweging B =nieuw poolpunt N.. G9 B1=.. L1=.. Gecombineerde programmering: cartesisch absoluut/polair: A = bestaand poolpunt B = nieuw poolpunt N.. G9 X.. B1=.. 26-9-2002 MillPlus IT V510 203
POOLPOSITIE DEFINIËREN G9 Gecombineerde programmering: cartesisch incrementeel/polair: A = bestaand poolpunt B = nieuw poolpunt N.. G9 X91=.. B1=.. - Het definiëren van polen is slechts toegestaan in het actieve werkvlak. - Vóór het oproepen van de regel G9 ligt het poolpunt aan het werkstuknulpunt (poolpunt = 0) - Bij het wisselen van vlak met behulp van G17, G18, G19 wordt het poolpunt op 0 (nul) gezet. Eindpunt polair definiëren: Bij de absolute, polaire programmering hebben de poollengtes L2= resp. L3= en de poolhoeken B2= resp. B3= niet langer betrekking op het nulpunt, maar op het poolpunt. Polaire puntdefinitie Polaire cirkeldefinitie In de regels G2 en G3 kunnen het middel- en het eindpunt polair met poolpunt worden geprogrammeerd. ICP/geometrieberekening G64 De regels G1, G2 en G3 met B2=, B3= en L3=-programmering kunnen in G64 en ICP worden geprogrammeerd. Zij hebben betrekking op het actieve poolpunt. Het poolpunt zelf kan alleen in G64 echter niet in ICP worden gewijzigd. 204 Heidenhain 26-9-2002
POOLPOSITIE DEFINIËREN G9 Voorbeeld A = nieuw poolpunt N30 G9 X48 Y39 N40 G1 B2=135 L2=44 N50 G1 B2=90 L2=42 N60 G1 B2=45 L2=35 Definitie van het nieuwe poolpunt Definitie van de eindpuntcoördinaat gerelateerd aan het nieuwe 26-9-2002 MillPlus IT V510 205
POOLCOÖRDINAAT, HOEKAFRONDING, AFKANTING G11 23.10 Poolcoördinaat, hoekafronding, afkanting G11 De toepassing van deze functie blijft slechts beperkt tot programma's die met besturingssystemen van een eerder type zijn aangemaakt. Programma's waarbij geometrieberekeningen noodzakelijk zijn, kunnen door de operator eenvoudig worden aangemaakt met behulp van Interactive Contour Programming (ICP). (zie het hoofdstuk Interactieve contourprogrammering) 206 Heidenhain 26-9-2002
HERHAALFUNCTIE G14 23.11 Herhaalfunctie G14 Parameters N... G14 N1=.. {N2=..} {J..} {K..} {E..} Voorbeeld Programmaregels N12-N19 viermaal herhalen (2 mogelijkheden) : N12 : N19 : N90 G14 N1=12 N2=19 J4 : Programmaregels N12-N19 vier maal herhalen : N5 E2=4 : N12 : N19 : N90 G14 N1=12 N2=19 E2 : Programmaregels N12-N19 vier maal herhalen Let op: De regelnummers van N1=.. en N2=.. moeten in hetzelfde deelprogramma of onderprogramma zijn opgenomen. Indien N2= niet geprogrammeerd is, wordt alleen de met N1= gemarkeerde regel herhaald. Indien de parameters J en E niet zijn geprogrammeerd, wordt de regelvolgorde slechts eenmaal herhaald. Een zich herhalende regelvolgorde kan worden geïntegreerd in een andere zich herhalende regelvolgorde (kan viermaal worden genest). In een G14-regel vindt slechts een herhaling plaats, indien E>0. Indien de K-parameter niet is geprogrammeerd, maakt de CNC gebruik van standaardwaarde K1. 26-9-2002 MillPlus IT V510 207
BEWERKINGSVLAK XY, GEREEDSCHAPAS Z G17 23.12 Bewerkingsvlak XY, gereedschapas Z G17 N... G17 23.13 Bewerkingsvlak XZ, gereedschapas Y G18 N... G18 23.14 Bewerkingsvlak YZ, gereedschapas X G19 N... G19 208 Heidenhain 26-9-2002
OPROEPEN VAN ONDERPROGRAMMA'S (OPROEPEN VAN MACRO) G22 23.15 Oproepen van onderprogramma's (oproepen van macro) G22 Onderprogramma oproepen: N... G22 N=.. Onderprogramma oproepen op voorwaarde dat E..>0: N... G22 E.. N=.. {E..=..} Parameters Vastleggen parameterwaarde Oproepnummer van onderprogramma Voorbeeld Let op: Een onderprogramma kan door een ander onderprogramma worden opgeroepen (kan 8x worden genest). 26-9-2002 MillPlus IT V510 209
AANROEPEN VAN HOOFDPROGRAMMA G23 23.16 Aanroepen van hoofdprogramma G23 N.. G23 N=.. Parameters Oproepnummer van hoofdprogramma Voorbeeld PM PM N9451 N9001 N1 N1... N2 N3 G23 N=9001 N3 N4 N4 : N5 N50 M30 : N200 M30 Let op: Het opgeroepen hoofd- of onderprogramma mag geen G23-functie bevatten; nesten is derhalve niet toegestaan. Programma's groter dan 100 KByte mogen geen sprongbevelen bevatten. 210 Heidenhain 26-9-2002
INSCHAKELEN / UITSCHAKELEN VAN DE VOEDINGS- EN SPINDEL-OVERRIDE G25/G26 23.17 Inschakelen / uitschakelen van de voedings- en spindel-override G25/G26 Inschakelen (G25) resp. uitschakelen (G26) van de voedings- en spindel-override voor het aansturen van de geprogrammeerde voedings- en spindelbewegingen. Bij uitgeschakelde voedings- en spindeloverride wordt deze op 100% ingesteld. Voedings- en spindel-override inschakelen: N... G25 Voedings-override (F=100%) uitschakelen: N... G26 I2=1 of zonder I2= Spindel-override (S=100%) uitschakelen: N... G26 I2=2 Voedings- en spindel-override (F en S= 100%) uitschakelen: N... G26 I2=3 Parameters Voorbeeld N66 G26 I2=1 : N70 G25 I2=2 : N68 G26 I2=3 : N70 G25 Voedings-override uitschakelen, d.w.z. op 100% instellen Voedings-override inschakelen Voedings- en spindel-override uitschakelen, d.w.z. F en S op 100 % ingesteld Voedings-override en spindel-override inschakelen Opmerking Voedings-override en spindel-override weer inschakelen met G25, M30, softkey-programma afbreken of softkey CNC resetten. 26-9-2002 MillPlus IT V510 211
POSITIONEERFUNCTIES VERWIJDEREN/ACTIVEREN G27/G28 23.18 Positioneerfuncties verwijderen/activeren G27/G28 23.18.1 Look Ahead Feed Met de functie Look Ahead Feed vindt er van tevoren een berekening plaats op de geprogrammeerde gereedschapbaan, waarbij rekening wordt gehouden met de dynamiek van alle betrokken assen. Op deze manier wordt de snelheid van de baan zodanig aangepast, dat er bij een zo groot mogelijke snelheid een zo groot mogelijke contournauwkeurigheid wordt bereikt. De geprogrammeerde voeding wordt echter nooit overschreden. Speciale high-performance algoritmen zorgen er, met inachtneming van de geprogrammeerde voeding en de op dat betreffende moment ingestelde voedings-override, voor dat er een homogeen voedingsverloop bij korte afwerktijden mogelijk wordt. De gebruiker hoeft voor wat betreft de functie Look Ahead Feed nergens anders op te letten. Beïnvloeden van de functie is niet mogelijk. Reeds bestaande programma's hoeven niet te worden aangepast, wat wil zeggen dat zij even bruikbaar blijven als voorheen. Tijdens de functie Look Ahead Feed moeten het eindpunt en het middelpunt van een cirkel met een nauwkeurigheid van 64 µm met elkaar overeenkomen. In dit geval wordt het middelpunt automatisch gecorrigeerd. Er wordt geen "compensatiebeweging" aan het eindpunt uitgevoerd zoals in V310. Wanneer het eindpunt en het middelpunt niet met een nauwkeurigheid van 64 µm met elkaar corresponderen, wordt er een fout gemeld. Dit geldt ook voor helix-interpolatie. Met behulp van een CAD-systeem gegenereerde programma's lopen aanzienlijk sneller af. Wijzigingen werden slechts bij de functie G28 doorgevoerd. De adressen voor de begrenzing van de voeding zijn vervallen (zie G27/G28 vanaf V320). 23.18.2 Positioneerfuncties G27/G28 1. G28 zonder parameter G1,G2,G3 met In-Position G28 2. Bewegingen met voeding G1,G2,G3 zonder In-Position (inschakelpositie) G28 I3=0 G1,G2,G3 met In-Position G28 I3=1 3. Ijlgangbewegingen G0 G0 met In-Position (inschakelpositie) G28 I4=0 G0 zonder In-Position G28 I4=1 4. Positioneerlogica bij G0 G0 met positioneerlogica (inschakelpositie) G28 I5=0 G0 zonder positioneerlogica G28 I5=1 5. Bewegingen met programmeerbare contournauwkeurigheid G0,G1,G2,G3 -Contournauwkeurigheid (MC765) -Programmeerbare contournauwkeurigheid I7=... (0-10000 mm) G28 I7=... 212 Heidenhain 26-9-2002
Programmeerbare contournauwkeurigheid (ijlgang en aanzet) POSITIONEERFUNCTIES VERWIJDEREN/ACTIVEREN G27/G28 Parameters Opmerking G28 I3= is alleen bij G74 actief 26-9-2002 MillPlus IT V510 213
VOORWAARDELIJK SPRONGCOMMANDO G29 23.19 Voorwaardelijk sprongcommando G29 N.. G29 E.. N=.. {K..} {I..} Parameters Voorbeeld : N50 E2=3 Parameter E2 bevat waarde 3 N51 : : N100 G29 E2 N=51 : Bij E2 > 0 wordt er naar N51 gesprongen, E2 wordt met 1 verminderd. Bij E2=0 wordt de programma-afloop na N100 voortgezet. Let op: De waarde van de E-parameter wordt verminderd met de waarde van het K-adres. De E-parameter dient als nieuwe sprongconditie. Indien het K-adres niet is geprogrammeerd, wordt de E-parameter na elke sprong met 1 verminderd. In een (sub)programma kan zowel naar voren als naar achteren worden gesprongen. Met behulp van de parameter I kan men de sprongrichting regelen. Met I=1 of I=0 wordt er uitsluitend naar voren gezocht. Bij I=-1 of geen opgave wordt er eerst naar achteren naar het begin van het (sub)programma gesprongen en vervolgens wordt er naar voren naar het regelnummer gezocht. 214 Heidenhain 26-9-2002
G33 BASIS DRAADSNIJDEN 23.20 G33 Basis draadsnijden G33 Draadsnijden in draaibedrijf. Voor beschrijving zie hoofdstuk Draaibedrijf. 23.21 G36/G37 Beginnen/ Eindigen met draaibedrijf G36 G37 Beginnen met draaibedrijf. Omschakelen van machine naar eindloos draaien van de C-as. Eindigen met draaibedrijf. Omschakelen van machine naar freesbedrijf. Voor beschrijving zie hoofdstuk Draaibedrijf. 26-9-2002 MillPlus IT V510 215
OVERMAAT ACTIVEREN/DEACTIVEREN G39 23.22 Overmaat activeren/deactiveren G39 De geprogrammeerde contour kan door middel van een overmaat worden gewijzigd. Overmaat activeren: N... G39 {R...} {L...} R: Gereedschapradius-overmaat L: Gereedschaplengte-overmaat Deactiveren: N... G39 L0 en/of R0 Parameters Let op: Wijzigingen met betrekking tot de gereedschaplengte-overmaat gelden vanaf de volgende aanzetbeweging. De gereedschapradius-overmaat is alleen actief wanneer de freesradius-correctie geactiveerd is. Wijzigingen met betrekking tot de gereedschapradius-overmaat terwijl de freesradiuscorrectie niet geactiveerde is, gelden pas na activering van de freesradiuscorrectie (G41/G42, G43/G44). Wijzigingen met betrekking tot de gereedschapradius-overmaat terwijl de freesradiuscorrectie wel geactiveerde is, worden in de volgende verplaatsingsregel lineair over de gehele weg gecorrigeerd. Opmerking: De radius-overmaat wordt onderdrukt, wanneer de volgende functies geactiveerd zijn: G6, G83-G89, G141, G182. De lengte-overmaat blijft gewoon actief. De overmaatprogrammering moet vóór deze functies gedeactiveerd worden. 216 Heidenhain 26-9-2002
OVERMAAT ACTIVEREN/DEACTIVEREN G39 Voorbeeld Frezen van een rechthoek door twee maal voorbewerken en één maal nabewerken N39001 N1 G98 X-10 Y-10 Z10 I120 J120 K-60 Grafisch venster vastleggen N2 G99 X0 Y0 Z0 I100 J100 K-40 Materiaal vastleggen N3 T1 M6 Gereedschap in de spil verwisselen (freesradius 5 mm) N4 G39 L0 R9 Gereedschapradius-overmaat activeren. De overmaat bedraagt 9 mm. (De freesradius ten behoeve van de radiuscorrectie bedraagt (5+9 =) 14 mm). N5 F500 S1000 M3 Voeding en spiltoerental activeren N6 G0 X0 Y-20 Z5 Uitgangspositie benaderen N7 G1 Z-10 Op de juiste diepte brengen N8 G43 X18 Contour met radiuscorrectie benaderen N9 G41 Y82 Rechthoek voor de eerste keer voorbewerken. N10 X82 N11 Y18 N12 X0 N13 G40 Radiuscorrectie uitschakelen N14 G39 R0.5 Gereedschapradius-overmaat wijzigen. De overmaat bedraagt 0,5 mm. (De freesradius ten behoeve van de radiuscorrectie bedraagt (5+0,5 =) 5,5 mm). N15 G14 N1=8 N2=13 Herhaling rechthoek (tweede voorbewerkingsbeweging). N16 G39 R0 Gereedschapradius-overmaat wijzigen. De overmaat bedraagt 0 mm. (De freesradius ten behoeve van de radiuscorrectie bedraagt 5 mm). N17 G14 N1=8 N2=13 Rechthoek nabewerken N18 G0 Z10 Gereedschap uit het materiaal halen N19 M30 Einde van het programma 26-9-2002 MillPlus IT V510 217
GEEN GEREEDSCHAPSRADIUSCORRECTIE G40 23.23 Geen gereedschapsradiuscorrectie G40 N.. G40 Voorbeeld : N9 G42 N10 G1 X.. N11 X.. Y.. N12 G40 N13 G0 Y.. : Radiuscorrectie rechts activeren Radiuscorrectie deactiveren Let op: G40 wordt automatisch werkzaam na: - het inschakelen van de besturing - Softkey CNC RESET - Softkey Programma afbreken - M30 218 Heidenhain 26-9-2002
GEREEDSCHAPSRADIUSCORRECTIE (LINKS/RECHTS) G41/G42 23.24 Gereedschapsradiuscorrectie (links/rechts) G41/G42 N.. G41/G42 In beide gevallen komt de kijkrichting overeen met de bewegingsrichting van het gereedschap Constante voeding bij radiuscompensatie van cirkels De parameter F1= heeft tot taak de geprogrammeerde voeding op de werkstukcontour constant te houden, ongeacht de freesradius en de vorm van de contour. F1=0 Geen constante voeding (inschakeltoestand, M30, softkey 'Programma afbreken' of na de softkey 'Reset CNC'). De geprogrammeerde voeding moet de snelheid van de gereedschapspunt representeren. * = voeding te groot ** = voeding te klein F1=1 Constante voeding alleen aan de binnenzijde van cirkelbogen. De geprogrammeerde voeding wordt verlaagd om te bewerkstelligen dat zich de punt van het gereedschap aan de binnenzijde van een cirkelboog met de verlaagde snelheid verplaatst. 26-9-2002 MillPlus IT V510 219
GEREEDSCHAPSRADIUSCORRECTIE (LINKS/RECHTS) G41/G42 F1=2 Constante voeding aan de binnen- en de buitenzijde van cirkelbogen. De geprogrammeerde voeding wordt verlaagd (binnenzijde van de cirkelboog) resp. verhoogd (buitenzijde van de cirkelboog) om te bewerkstelligen dat zich de punt van het gereedschap met de nieuw berekende snelheid verplaatst. Als de verhoogde snelheid hoger is dan de via een machineconstante gedefinieerde maximale voedingssnelheid, wordt de maximale voedingssnelheid aangehouden. F1=3 Constante voeding alleen aan de buitenzijde van cirkelbogen. De geprogrammeerde voeding wordt verhoogd om te bewerkstelligen dat zich de punt van het gereedschap aan de buitenzijde van een cirkelboog met de verhoogde snelheid verplaatst. Voorbeeld N9999 N1 G17 N2 G54 N3 T1 M6 N4 G0 X200 Y-20 Z-5 S500 M3 N5 G43 N6 G1 X150 F150 N7 G42 Y80 N8 X0 N9 Y0 N10 X150 N11 G40 N12 G0 X200 Y-20 Gereedschap in de spil verwisselen Start spil, gereedschap in ijlgang naar X120,Y-20 brengen Radiuscorrectie tot het eindpunt Radiuscorrectie rechts activeren Radiuscorrectie deactiveren 220 Heidenhain 26-9-2002
GEREEDSCHAPSRADIUSCORRECTIE TOT/VOORBIJ HET EINDPUNT G43/G44 23.25 Gereedschapsradiuscorrectie tot/voorbij het eindpunt G43/G44 N.. G43/G44 G43 G44 Voorbeeld : N40 G0 X120 Y-15 Z10 N41 G1 Z-10 F500 N42 G43 Y20 N43 G41 X35 N44 X15 Y50 : Radiuscorrectie tot eindpunt Radiuscorrectie links activeren 26-9-2002 MillPlus IT V510 221
METEN VAN EEN PUNT G45 23.26 Meten van een punt G45 Bepalen van de coördinaatwaarden met de meettaster. Zowel de opspanpositie als de afmetingen van het werkstuk kunnen worden bepaald. De meetresultaten kunnen met behulp van G49 resp. G50 verder worden verwerkt. Als alternatief voor G45 kan de vrij geprogrammeerde meetcyclus G145-G150 worden toegepast. N.. G45 [meetpositie] {I+/-1} {J+/-1} {K+/-1} {L+/-1} {X1=..} {N=..} {P1=..} Het vlak voor de ronde tafel wordt bepaald door de definitie van de 4e as in de lijst met machineconstanten (MC117 moet 4 zijn en MC118 moet B(66) of C(67) zijn). L heeft betrekking op de 4e as B of C. De roterende as A is niet toegestaan. Parameters 222 Heidenhain 26-9-2002
METEN VAN EEN PUNT G45 Voorbeelden Meten van een punt op de X-as: Meten in positieve richting N.. G45 X0 Y20 Z-10 I1 E1 N=1 Punt meten, meetpositie berekenen, in het puntengeheugen N= of in de parameter E1 opslaan Meten in negatieve richting N.. G45 X60 Y20 Z-10 I-1 E1 N=1 Let op: - Met een G45-regel kan slechts één ascoördinaat worden gemeten. - In de gereedschapas kan alleen in negatieve richting worden gemeten. - Het spiltoerental mag niet worden geactiveerd of ingeschakeld. - Regel zoeken N105... N110 G148 E20 N115 G29 E21=E20=2 E21 N=125 N120 G45/G46 N125... Voor de meettaster kan het gereedschaptype Q3=9999 worden ingevuld. M27 meettaster activeren. M28 meettaster uitschakelen. Voorbeeld: P5 T5 Q3=9999 L150 R4 Bij het oproepen van gereedschap T5 herkent de besturing dit gereedschap als meettaster. De functie spil AAN (M3, M4, M13, M14) wordt onderdrukt en er wordt een foutmelding gegenereerd. De functie G45 werkt alleen parallel aan de as. G145 heeft een verbeterde functionaliteit en kan ook anders dan parallel aan de as meten. Om die reden verdient het aanbeveling de nieuwe basismeetbeweging G145 te gebruiken. Het verschil tussen de gemeten en de geprogrammeerde coördinaat wordt berekend en intern opgeslagen, om tijdens het bedrijf met G49 of G50 te worden gebruikt. 26-9-2002 MillPlus IT V510 223
METEN VAN EEN VOLLEDIGE CIRKEL G46 23.27 Meten van een volledige cirkel G46 Meten van een volledige cirkel (binnen of buiten) met behulp van een vierpuntsmeting. De meetresultaten kunnen met G49 resp. G50 verder worden bewerkt. Binnencirkel meten: N.. G46 [cirkelmiddelpuntcoördinaten] R.. {I+1 J+1} {I+1 K+1} {J+1 K+1} {F..} {X1=..} {P1=..} N=.. E.. Buitencirkel meten: N... G46 [cirkelmiddelpuntcoördinaten] R.. {I-1 J-1} {I-1 K-1} {J-1 K-1} {F..} {X1=..} {P1=..} N=.. E.. Parameters 224 Heidenhain 26-9-2002
METEN VAN EEN VOLLEDIGE CIRKEL G46 Voorbeeld Meten van een binnen- en buitencirkel in het XY-vlak: Binnencirkel: N... G46 X30 Y25 Z20 I+1 J+1 R12.5 F3000 N=59 E24 Cirkel meten, middelpunt in het puntengeheugen N=59 en radii in parametergeheugen E24 opslaan. Buitencirkel: N... G46 X30 Y25 Z20 I-1 J-1 R20 F3000 N=58 E23 Vlak Binnencirkel Buitencirkel XY (G17) I+1 J+1 I-1 J-1 XZ (G18) I+1 K+1 I-1 K-1 XZ (G19) J+1 K+1 J-1 K-1 26-9-2002 MillPlus IT V510 225
MEETTASTER KALIBREREN G46 + M26 23.28 Meettaster kalibreren G46 + M26 Door het tasten van de kalibreerring wordt de radius van de meettaster bepaald. Uit de gemeten radius van de kalibreerring en de geprogrammeerde radius berekent de besturing de radius van de taster. De nieuwe radiuswaarde wordt in het gereedschapgeheugen vastgelegd. De middelpuntcoördinaten en de radius van de kalibreerring worden in machineconstanten ingegeven. Binnenringkaliber meten: N... G46 {I+1 J+1} {I+1 K+1} {J+1 K+1} {F...} {X1=...} M26 Buitenringkaliber meten: N... G46 {I-1 J-1} {I-1 K-1} {J-1 K-1} {F...} {X1=...} M26 Parameters Voorbeeld N46002 N1 G17 N2 T1 M6 N3 D207 M19 Gedefinieerde spilstop N4 G46 I1 J1 M26 F3000 Meettaster kalibreren, meettasterradius voor T1 in het gereedschapgeheugen opslaan N5 Z200 M30 226 Heidenhain 26-9-2002
23.29 Vergelijking van de tolerantiewaarden G49 VERGELIJKING VAN DE TOLERANTIEWAARDEN G49 Vergelijken of het verschil tussen de geprogrammeerde waarde en de in de G45- of G46-regel bepaalde meetwaarde binnen de vastgelegde maattoleranties ligt. Indien het verschil binnen de tolerantiegrenzen ligt, wordt de bewerking van het programma voortgezet. Indien het verschil buiten de tolerantiegrenzen ligt, ontstaan de volgende mogelijkheden: Herhaling van programmadelen N.. G49 {X.., X1=..} {Y.., Y1=..} {Z.., Z1=..} {B.., B1=..} {R.., R1=..} N1=.. N2=.. {E..} Voorwaardelijke sprong: N.. G49 {X.., X1=..} {Y.., Y1=..} {Z.., Z1=..} {B.., B1=..} {R.., R1=..} N=.. E.. Het meetpunt dient tussen de bovenste grensmaat (X/..) en de onderste grensmaat (X1=/..) van het tolerantiebereik te liggen. Parameters Voorbeeld N10 G49 R.02 E1 R1=2 N=13 N11 G49 R2 R1=.02 N1=1 N2=6 N10 N11 Eerste tolerantievergelijking: Indien de bovenste tolerantiegrens (R0.02) wordt overschreden (boring te groot), wordt naar regel N13 gesprongen. De onderste tolerantiegrens mag niet worden bereikt. (voorwaardelijke sprong) Tweede tolerantievergelijking: Indien de onderste tolerantiegrens (R1=0.02) wordt overschreden (boring te klein), wordt het programmadeel tussen N1 en N6 herhaald. De bovenste tolerantiegrens mag niet worden bereikt. (herhaling programmadeel) Let op: In geval van twee na elkaar geprogrammeerde G49-regels dient erop te worden gelet, dat de eerste regel de voorwaardelijke sprong bevat en de tweede regel de programmaherhaling. (Anders volgt een foutmelding!) 26-9-2002 MillPlus IT V510 227
VERREKENEN VAN DE MEETWAARDEN G50 23.30 Verrekenen van de meetwaarden G50 Veranderen van de nulpuntsverschuivingen of de gereedschapafmetingen, afhankelijk van de correctiewaarden die met behulp van de vastgestelde verschillen zijn vastgelegd. Verrekening nulpuntsverschuiving: Met standaard-nulpunten of MC84=0: N.. G50 {X1} {I..} {Y1} {J..} {Z1} {K..} {C1} {C2} {B1=} {C1=} {L..} N=.. Met uitgebreide nulpunten met MC84>0: N.. G50 {X1} {I..} {Y1} {J..} {Z1} {K..} {C1} {C2} {B1=} {C1=} {L..} N=54.00.. 54.99 Verrekening gereedschaplengte: N.. G50 T.. L1=1 {I..} {J..} {K..} {T2=..} Verrekening gereedschapradius: N.. G50 T.. R1=1 {X1=..} {T2=..} Parameters Opmerkingen Machineconfiguraties (B1,C1,C2) B-as B1: Voor het uitrichten van een opgespannen werkstuk op een om de Y-as draaiende rondtafel (B-as) kan worden volstaan met het meten van twee punten op de X-as: -de rotatiehoek is gerelateerd aan de X-as. -het werkstuk draait om de Y-as. -de gereedschapsas met de meettaster is de Z-as of de Y-as. 228 Heidenhain 26-9-2002
VERREKENEN VAN DE MEETWAARDEN G50 C-as C1: Voor het uitrichten van een opgespannen werkstuk op een om de Z-as draaiende rondtafel (C-as) kan worden volstaan met het meten van twee punten op de X-as: -de rotatiehoek is gerelateered aan de X-as. -het werkstuk draait om de Z-as. -de gereedschapsas met de meettaster is de Z-as. C-as C2: Dit is een uitbreiding op C1: 1. De C-as is 90 gedraaid en roteert om de Y-as in plaats van om de X-as. Voor het uitrichten van een opgespannen werkstuk op een om de Y-as draaiende rondtafel (C-as) kan worden volstaan met het meten van twee punten op de X-as: -de rotatiehoek is gerelateerd aan de X-as. -het werkstuk draait om de X-as. -de gereedschapsas met de meettaster is de Z-as. 26-9-2002 MillPlus IT V510 229
VERREKENEN VAN DE MEETWAARDEN G50 2. Voor het uitrichten van een opgespannen werkstuk op een om de Z-as draaiende rondtafel (C-as) kan worden volstaan met het meten van twee punten op de X-as: -de rotatiehoek is op de X-as betrokken. -het werkstuk draait om de X-as. -de gereedschapas met de meettaster is de Y-as. Voorbeelden N.. G50 X1 I0.8 N=54 De X-coördinaat van de G54-verschuiving veranderen door vermenigvuldiging van de correctiewaarde met 0,8 en de nieuwe X-coördinaatwaarde van G54 in het nulpuntsgeheugen ingeven. N.. G50 T5 L1=1 K0.97 R1=1 De lengte van gereedschap 5 door vermenigvuldiging van het verschil in Z (gereedschap in Z-as) met 0,97 veranderen en de nieuwe afmeting in het gereedschapgeheugen ingeven. N50003 N1 G17 T1 M6 N2 G54 N4 G45 X-50 Z0 Y-20 C0 J1 N=1 Meting op punt 1 N5 G45 X50 Z0 Y-20 J1 N=2 Meting op punt 2 N6 G50 C1 N=54 Verrekening nulpuntverschuiving N7 G54 Nulpuntverschuiving opnieuw activeren N8 G0 Z100 B0 230 Heidenhain 26-9-2002
VERREKENEN VAN DE MEETWAARDEN G50 N50006 N1 G54 N2 G17 T1 M67 (R5) N3 G89 Z-20 B2 R15 F1000 S50 M3 N4 G79 X0 Y0 Z0 N5 G0 Z50 M5 N6 T31 M67 N7 M19 N8 M27 Meettaster activeren N12 G46 X50 Y40 Z-5 R15 I1 J1 F500 E5 Meten van een volledige cirkel N13 G0 Z50 N14 G49 R0.02 R1=2 N=21 E5 (boring > (15+0,02) sprong-> N=21) Tolerantievergelijking N15 G49 R2 R1=.02 N=17 E5 (boring < (15-0,02) sprong-> N=17) Tolerantievergelijking N16 G29 E10 E10=1 N=23 Voorwaardelijke sprong naar het einde van het programma N17 G50 T1 R1=1 Verrekening gereedschapradius N18 M28 Meettaster uitschakelen N19 G14 N1=2 N2=5 N20 G29 E1 E1=1 N=23 N21 M0 N22 (Boring buiten het tolerantiebereik) N23 M30 26-9-2002 MillPlus IT V510 231
UITZETTEN/ACTIVEREN VAN DE ASVERSCHUIVING G51/G52 23.31 Uitzetten/activeren van de asverschuiving G51/G52 Vastleggen van het werkstuknulpunt met de opgeslagen waarden. Activeren: N... G52 Verwijderen: N... G51 Let op: De toepassing van deze functies is slechts beperkt tot programma's die met besturingssystemen van een eerder type zijn aangemaakt. De functie G52 wordt met behulp van de softkey 'Reset CNC' of door het programmeren van G51 gedeactiveerd. De functies G51 en G52 blijven na CNC RESET en M30 actief. Indien reeds een nulpuntsverschuiving G54.. G59 actief is, is G52 vanaf deze verschuiving actief. Indien G52 actief is, zijn G54.. G59 vanaf deze verschuiving actief. Vanaf V320 Als MC84 = 0 bevindt zich G52 in het geheugen ZO.ZO (nulpunt). Als MC84 > 0 bevindt zich G52 in het geheugen PO.PO (palletverschuiving). In beide geheugens kunnen de nulpunten bewerkt worden. 232 Heidenhain 26-9-2002
UITZETTEN/ACTIVEREN VAN DE NULPUNTSVERSCHUIVING G53/G54...G59 23.32 Uitzetten/activeren van de nulpuntsverschuiving G53/G54...G59 Verschuiven van het werkstuknulpunt naar een nieuwe positie, waarvan de coördinaatwaarden in het nulpuntsgeheugen (onder het betreffende nummer) zijn opgeslagen. Activeren: N.. G54 N.. G55 N.. G56 N.. G57 N.. G58 N.. G59 Verwijderen: N.. G53 Voorbeeld : N60 G54 : N600 G55 : Nulpuntverschuiving G54 activeren Nulpuntverschuiving G55 activeren; de coördinaten zijn gerelateerd aan het nieuwe nulpunt. 26-9-2002 MillPlus IT V510 233
UITGEBREIDE NULPUNTVERSCHUIVING G54 MC84>0 23.33 Uitgebreide nulpuntverschuiving G54 MC84>0 Parameter Naast de tot nu toe gehanteerde nulpuntverschuivingstabel G54..G59 staat een andere nulpuntverschuivingstabel G54 I[nr] met maximaal 99 nulpuntverschuivingen ter beschikking. De desbetreffende nulpuntverschuiving wordt met behulp van machineconstante MC84 geactiveerd. - Identificatie nulpuntverschuivingsgeheugen Ze.Ze (MC84 > 0) - Programmering (verschuivingswaarden) van de nulpuntverschuiving in het NC-programma - Programmering van een rotatiehoek (B4=) in de nulpuntverschuiving - Invoeren van commentaar in het nulpuntverschuivingsgeheugen Nulpuntverschuiving definiëren en oproepen: G54 I[nr] [ascoördinaten] {B4=..} Nulpuntverschuiving oproepen: G54 I[nr] Opmerkingen en toepassing Bij het schalen (MC84 > 0) wordt de nulpuntverschuivingstabel aangepast. De bestaande nulpunten worden onthouden. Uitgebreide nulpunten worden op nul geïnitialiseerd. Let op: Als MC84 op nul wordt gezet, wordt de tabel gewijzigd (ZE.ZE na ZO.ZO). De nieuwe nulpunttabel wordt op nul geïnitialiseerd. Er bestaan 2 mogelijkheden voor het invoeren van de verschuivingswaarden in het nulpuntgeheugen: - De waarden van de nulpuntverschuivingen G54 I[nr] worden vóór de uitvoering van het programma via het bedieningspaneel of vanaf een opslagmedium in het nulpuntverschuivingsgeheugen ingevoerd. - De waarden van de nulpuntverschuiving G54 I[nr] X.. Y.. Z.. A.. B.. C.. B4=.. worden in een NC-programmaregel geprogrammeerd. Bij de bewerking van het programma worden de geprogrammeerde waarden in het nulpuntverschuivingsgeheugen overgenomen en geactiveerd. Let op: Wanneer in de programmaregel geen nieuwe nulpuntverschuivingswaarden geprogrammeerd zijn, worden de reeds in het geheugen aanwezige nulpuntverschuivingswaarden niet overschreven resp. gewist. De niet geprogrammeerde ascoördinaten worden uit het geheugen genomen. Gevaar van botsing! Verder kan elke nulpuntverschuiving in de tabel een commentaar bevatten. Bovendien kan elke nulpuntverschuiving in de tabel een asdraaiing bevatten. Eerst wordt de verschuiving uitgevoerd en vervolgens wordt het coördinatensysteem om de hoek B4= gedraaid. 234 Heidenhain 26-9-2002
UITGEBREIDE NULPUNTVERSCHUIVING G54 MC84>0 G52 is niet van invloed op de functies G53...G59. Wanneer G52 actief is, zijn G54..G59 vanaf deze verschuiving werkzaam. Een geprogrammeerde nulpuntverschuiving (G92 of G93) wordt door een van de functies G54 I[nr] gedeactiveerd. Met de softkey 'Reset CNC' en door G53 te programmeren, worden G54 I[nr] automatisch gedeactiveerd. Met de softkey 'Programma afbreken' of M30 worden de functies G54...G59 niet gedeactiveerd. Voorbeelden 1. N60 G54 I1 Keuze van het nulpunt W1. De coördinaten daarvan (X40,Y100,Z300) worden uit het nulpuntverschuivingsgeheugen gehaald. Alle geprogrammeerde coördinaten worden van W1 uit gemeten. N600 G54 I2 Keuze van het nulpunt W2. De coördinaten daarvan (X200,Y100,Z100) worden uit het nulpuntverschuivingsgeheugen gehaald. Nulpunt W1 wordt gedeactiveerd en W2 wordt geactiveerd. Derhalve worden alle geprogrammeerde coördinaten van W2 uit gemeten. N700 G53 Uitschakelen van het nulpunt W2. De coördinaten (X0,Y0,Z0) worden uit het nulpuntverschuivingsgeheugen G53 gehaald. Nulpunt W2 wordt gedeactiveerd en M wordt geactiveerd. Derhalve worden alle geprogrammeerde coördinaten van M uit gemeten. 2. Assendraaiing 1 Werkstuk 1 2 Werkstuk 2 3 Machinetafel Invoeren in de nulpunttabel en oproepen: N60 G54 I1 X-42 Y-15 B4=14 (Z0 C0) N120 G54 I2 X10 Y24 B4=-17 De nulpuntverschuivingswaarden worden in de nulpuntverschuivingstabel ingevoerd. Werkstuk 1 bewerken, alle geprogrammeerde coördinaten worden van M1 uit gemeten. Werkstuk 2 bewerken, alle geprogrammeerde coördinaten worden van M2 uit gemeten. 26-9-2002 MillPlus IT V510 235
TANGENTIAAL AANLOPEN G61 23.34 Tangentiaal aanlopen G61 Programmeren van een tangentiale aanloopbeweging tussen een startpunt en het startpunt van een contour. Actuele positie. Berekende startpositie in het vlak. Gereedschapas Z (G17). Z1 kan geprogram meerd worden. Als Z1 niet geprogrammeerd is, is Z1=Z. Startpositie van de contour (X, Y, Z). Parameters TANGENTIAAL BENADEREN VAN DE CONTOUR G61 N... G61 {I2=..} X... Y... Z... R... [{X1=..} {Y1=..} {Z1=}] {I1=} {F2=} N... G61 {I2=..} B2=... L2=... Z... R... [{X1=} {Y1=}] {Z1=} {I1=} {F2=} 236 Heidenhain 26-9-2002
TANGENTIAAL AANLOPEN G61 I2=0 mit Endpunkt und Kreisbogen I2=1 mit Viertelkreis I2=2 mit Halbkreis I2=3 mit Helix für Zustellen I2=4 Konturparallel I2=5 Senkrecht Let op: De besturing berekent zelf een startpunt. De eerste beweging is een positionering naar het berekende startpunt. Van hier uit vindt dan de benaderingsbeweging plaats. De benaderingsbeweging bestaat uit 2 gedeelten. Het eerste gedeelte is een ijlgang- of voedingsbeweging (bepaald door I1=) naar het (berekende) startpunt van de benaderingsbeweging. Het tweede gedeelte is een voedingsbeweging langs de benaderingscontour naar het startpunt van de contour. De benaderingszijde wordt bepaald door de actieve functie G41/G42. Als G40 actief is, wordt er benaderd, net zoals bij G41. Wanneer de radiuscorrectie (G41/G42 zonder verplaatsing in de programmaregel) direct vóór de regel G61 geactiveerd, dan vindt de correctie tijdens de lineaire beweging plaats. Afhankelijk van de actuele positie wordt er een kleiner of groter deel van de benaderingscirkel uitgevoerd. Wanneer de radiuscorrectie reeds geactiveerd is, worden zowel de lineaire als de cirkelbeweging met de radiuscorrectie uitgevoerd. Wanneer na de G61-regel geen G-functie geprogrammeerd is, wordt G1 niet automatisch geactiveerd. De laatste beweging van de functie G61 kan G1, G2 of G3 zijn. Als de afstand tussen de actuele positie en de benaderingscirkel groter is dan de freesradius (I2=0), dan bestaat de benaderingsbeweging uit een lijn en een cirkelboog. Als de afstand tussen de actuele positie en de benaderingscirkel kleiner is dan de freesradius, dan wordt I2=0 gewijzigd in I2=1 en de benaderingsbeweging wordt een kwart cirkel. Bij het programmeren van G61 gelden de volgende beperkingen: G61 is in ICP- en G64-bedrijf alsook in MDI- en G182-bedrijf niet toegestaan. Na de regels die direct na de benaderingsbeweging (G61) volgen, gelden bepaalde beperkingen. Slechts de volgende functies G64, G0, G1, G2, G3 met bewegingen in het bewerkingsvlak zijn toegestaan. 26-9-2002 MillPlus IT V510 237
TANGENTIAAL AANLOPEN G61 Voorbeeld N1 G17 N2 T1 M6 (frees R5) N3 F500 S1000 M3 N4 G0 X0 Y0 Z30 Uitgangspositie benaderen. (Positie 1: X0 Y0 Z30). N5 G41 Radiuscorrectie links. N6 G61 I2=2 X20 Y20 Z-5 Z1=10 R5 I1=0 F2=200 Tangentiale benaderingsbeweging (I2=2) met halve cirkel. Het eerste gedeelte van de benaderingsbeweging is een ijlgangbeweging met positioneerlogica naar het beginpunt van de halve cirkel (positie 2: X.. Y.. Z10). De radiuscorrectie wordt tijdens deze beweging geactiveerd. De cirkelboog wordt als helix uitgevoerd. De contour begint op positie X20 Y20 Z0 (positie 3: X20 Y25 Z-5) N7 G64 N8 G3 I20 J50 R1=0 N9 G1 X60 Y60 N10 G63 N11 G62 I2=2 Z1=10 R5 N12 G40 N13 G0 X0 Y0 Z30 N14 M30 Tangentiale verlaatbeweging (I2=2) met halve cirkel. De halve cirkel wordt als helix uitgevoerd. Starthoogte Z-as is -5, eindhoogte is 10. (Positie 5: X.. Y.. Z10). 238 Heidenhain 26-9-2002
TANGENTIAAL UITLOPEN G62 23.35 Tangentiaal uitlopen G62 Programmeren van tangentiaal uitlopen naar het eindpunt van de contour. Eindpositie van de contour. Berekende eindpositie in het vlak. Gereedschapas Z (G17). Z1 kan geprogram-meerd worden. Als Z1 niet geprogrammeerd is, verandert de hoogte niet. Geprogrammeerde eindpositie van de verlaatbeweging (X, Y, Z) (slechts I2=0). Parameters TANGENTIAAL VERLATEN VAN DE CONTOUR G62: N... G62 I2>0 Z1=... R... {I1=} {F2=} N... G62 I2=0 X... Y... Z... Z1=... R... {I1=} {F2=} N... G62 I2=0 B2=... L2=... Z... R... {I1=} {F2=} 26-9-2002 MillPlus IT V510 239
TANGENTIAAL UITLOPEN G62 I2=0 mit Endpunkt und Kreisbogen I2=1 mit Viertelkreis I2=2 mit Halbkreis I2=3 mit Helix für Zustellen I2=4 Konturparallel I2=5 Senkrecht Let op: Voor een beter begrip van G62 leest u eerst G61. Opmerkingen en toepassing Wanneer de radiuscorrectie (G40 zonder verplaatsing in de programmaregel) direct vóór de G62-regel uitgeschakeld wordt, dan vindt de correctie tijdens de tangentiale verlaatbeweging gedeactiveerd. Wanneer de radiuscorrectie met G40 niet gedeactiveerd wordt, dan worden zowel de cirkel- als de lineaire beweging met radiuscorrectie uitgevoerd. Beperkingen Bij het programmeren van G62 gelden de volgende beperkingen: - G62 is in ICP- en G64-bedrijf niet toegestaan - G62 is in MDI-bedrijf niet toegestaan - G62 is in G182-bedrijf niet toegestaan Voor de regels die direct na de benaderingsbeweging (G61) volgen, gelden bepaalde beperkingen. Slechts de volgende functies zijn toegestaan: - G64 - G0, G1, G2, G3 met bewegingen in het bewerkingsvlak Voorbeeld Zie het voorbeeld van G61. 240 Heidenhain 26-9-2002
UITZETTEN/ACTIVEREN VAN DE GEOMETRIEBEREKENING G63/G64 23.36 Uitzetten/activeren van de geometrieberekening G63/G64 G63: Uitzetten van de geometrieberekening G64: Activeren van de geometrieberekening Parameter: G64 actief Let op: Met behulp van de interactieve countourprogramming (ICP) kan de operator eenvoudig programma's aanmaken, waarbij geometrieberekeningen nodig zijn. (zie het hoofdstuk Interactieve Contourprogrammering) 26-9-2002 MillPlus IT V510 241
MAATEENHEID INCH/METRISCH G70/G71 23.37 Maateenheid INCH/METRISCH G70/G71 Het laden en oproepen van deelprogramma's die in een andere maateenheid zijn geschreven dan de in de CNC ingestelde maateenheid. (Maateenheid gedefinieerd in de machineconstante) Inch-programmering: N... (PROGRAMMANAAM) G70 Metrische programmering: N... (PROGRAMMANAAM) G71 Voorbeelden 1. Maateenheid: CNC: metrisch Programma: inch 9001.PM N9001 G70 : N50 G1 X2 Y1.5 F8 : Inlezen zorgt ervoor dat X50.8 Y38.1 en F203.2 worden opgeslagen. 2. Maateenheid: CNC: inch Programma: metrisch 9002.PM N9002 G71 : N50 G1 X50.8 Z38.1 F203.2 : Inlezen zorgt ervoor dat X2 Y1.5 en F8 worden opgeslagen. 242 Heidenhain 26-9-2002
VERWIJDEREN/ACTIVEREN IN-/UITZOOMEN RESP. SPIEGELEN G72/G73 23.38 Verwijderen/activeren in-/uitzoomen resp. spiegelen G72/G73 In-/uitzoomen activeren: N.. G73 A4=.. (factor of percentage, instelling in de machineconstante) In-/uitzoomen verwijderen: N.. G73 A4=1 (factor) N.. G73 A4=100 (percentage) Spiegelen om een as resp. voortekenwissel per as: N.. G73 {X-1} {Y-1} {Z-1} {A-1} {B-1} {C-1} Spiegelen / voortekenwissel per as verwijderen: N.. G73 {X1} {Y1} {Z1} {A1} {B1} {C1} In-/uitzoomen en spiegelen verwijderen: N.. G72 Vergroten / verkleinen om het nulpunt W G73 A4=2 Vergroten / verkleinen om het geometrisch midden G73 A4=0.5 XY-vlak (G17) XZ- vlak (G18) YZ- vlak (G19) Parameters G72 G73 geen parameter Vergroten / verkleinen Spiegelen/Voorteken wissel A4= Schaalfactor 26-9-2002 MillPlus IT V510 243
VERWIJDEREN/ACTIVEREN IN-/UITZOOMEN RESP. SPIEGELEN G72/G73 Voorbeeld N7273 (SPIEGELEN VAN EEN EILAND) N1 G17 N2 G54 N3 T1 M6 S2000 F200 Gereedschap in de spil verwisselen N4 G0 X-60 Y20 Z0 M3 N5 G1 Z-9 N6 G43 Y0 N7 G41 X-10 N8 G3 X0 Y10 R10 N9 G1 X0 Y45 N10 G1 X45 Y45 N11 G1 X45 Y-10 N12 G40 N13 G1 Z10 N14 G73 X-1 Y-1 Coördinaten om de X- en de Y-as spiegelen N15 G14 N1=4 N2=13 Herhalen van de regels 4 t/m 13 N16 G72 Spiegelen deactiveren N17 S1000 F100 T6 M6 Gereedschap 6 in de spil verwisselen N18 G81 Y5 Z-20 N19 G79 X30 Y14 N20 G79 X10 Y32 N21 G79 X20 Y32 N22 G79 X30 Y32 N23 G79 X40 Y32 N24 G73 X-1 Y-1 Coördinaten om de X- en de Y-as spiegelen N25 G14 N1=19 N2=23 Herhalen van de regels 19 t/m 23 N26 G72 Spiegelen deactiveren N27 G0 Z50 M30 244 Heidenhain 26-9-2002
PROGRAMMEERBARE ABSOLUTE POSITIE G74 23.39 Programmeerbare absolute positie G74 IJlgangbeweging naar een positie waarvan de coördinaten betrekking hebben op het referentiepunt. N... G74 X.. Y.. Z.. {X1=..} {Y1=..} {Z1=..} {K...} {L...} {K...} {L...} {K2=...} Parameters Let op: De functie G74 wordt voornamelijk in programmeercycli voor gereedschapwisselaars, palletstations e.d. toegepast, en wel dan, wanneer de geprogrammeerde coördinaten onafhankelijk van de coördinaten moeten zijn die voor het definiëren van de bewerking van het werkstuk werden gebruikt. De eindpuntcoördinaat kan volgens twee methodes worden vastgelegd. 1) X100: Relatieve positie ten opzichte van het referentiepunt. 2) X100 X1=2: Relatieve positie ten opzichte van de absolute positie van de machineconstante Voor de eerste as kunnen de machineposities 1 t/m 10 in de machineconstanten MC3145 -- MC3154 worden vastgelegd. Voor de tweede as in de machineconstanten MC3245 -- MC3254 etc. Indien de waarde in de toegepaste machineconstante nul is, vindt er geen verplaatsing plaats. Bij G74 vindt een simultane verplaatsing op alle geprogrammeerde assen plaats. De volgende verplaatsing begint pas wanneer op alle assen de gewenste positie is bereikt. De vorm van de beweging wordt bepaald door de K-waarde: K0: Er wordt rekening gehouden met een (precieze) stop tussen de beweging van regel G74 en de beweging in de laatste regel, zoals bij ijlgangbewegingen gebruikelijk. (K0 is de inschakelpositie). 26-9-2002 MillPlus IT V510 245
PROGRAMMEERBARE ABSOLUTE POSITIE G74 Voorbeeld K1: Er wordt geen rekening gehouden met een stop tussen de beweging van regel G74 en de beweging in de volgende regel (afronden). De volgende beweging begint, nadat op alle assen de gewenste positie nagenoeg is bereikt. K2: Er wordt geen rekening gehouden met een stop tussen de beweging van regel G74 en de beweging in de volgende regel. De volgende beweging begint, nadat op alle assen de gewenste positie nagenoeg is bereikt. Deze positie wordt door de machineconstante (MC136) (K2=0) of door het vensterformaat (K2=...) voor de hoekvrijgave-afstand gedefinieerd. K2= vensterformaat in mm (0-32.766 mm) Wordt er na een G74-beweging een incrementele beweging geprogrammeerd, dan hebben de coördinaten betrekking op de in G74-regel aangegeven positie. Over het algemeen wordt er bij G74 geen gereedschaplengtecorrectie toegepast (L0 is de inschakelpositie). Voor gereedschaplengtecorrectie moet L1 geprogrammeerd worden. Vóór activering van de G74-functie moet de radiuscorrectie (G41...G44) gedeactiveerd worden. Bij G74 mag de geometriefunctie G64 niet actief zijn. De actieve nulpuntverschuiving wordt voor de regel G74 geïgnoreerd. De verplaatsing direct vóór G74 moet met G0 of G1 geprogrammeerd worden. De verplaatsing direct na G74 vindt automatisch met dezelfde G-functie plaats. De coördinaten van P gerelateerd aan R zijn bekend. P wordt als volgt geprogrammeerd: N10 G0 X95 Y10 N11 G74 X-120 Y-115 Beweging van X95 Y10 naar P Voorbeeldregel: N20 G74 X100 X1=1 Y123.456 Z1=10 K2 K2=25.2 X100 X1=1 Relatieve positie ten opzichte van de absolute positie van de machineconstante. Y123.456 Relatieve positie ten opzichte van het referentiepunt. Z1=10 (Z0) Positie ten opzichte van de absolute positie van de machineconstante. K2 Er wordt geen rekening gehouden met een stop tussen de beweging van regel G74 en de beweging in de volgende regel. De volgende beweging begint, nadat op alle assen de gewenste positie nagenoeg is bereikt. Deze positie wordt door het vensterformaat (K2=...) voor de hoekvrijgave-afstand gedefinieerd. K2= Vensterformaat in mm. 246 Heidenhain 26-9-2002
BOUTGATEN OP CIRKEL G77 23.40 Boutgaten op cirkel G77 Het uitvoeren van eerder geprogrammeerde boor- of freescycli op punten die zich op gelijke afstand op een cirkelboog of op een volledige cirkel bevinden. Punten op een cirkelboog: N.. G77 [middelpunt] R.. J.. I.. K.. {B1=..} Punten op een volledige cirkel: N... G77 [middelpunt] R.. J.. I.. {B1=..} Parameters Let op: B1= heeft twee betekenissen, en wel: Een weergave van de hoek voor het draaien van een kamer of spiebaan, of de ligging van het cirkelmiddelpunt (B1= met L1=, of X/Y met B1=). Voorbeelden 26-9-2002 MillPlus IT V510 247
BOUTGATEN OP CIRKEL G77 N40 G78 P2 X.. Y.. Z.. Tweede gedefinieerde punt : N50 G81 Y1 Z-10 F100 S1000 M3 Cyclus definiëren : N60 G77 P2 R25 I30 K150 J4 Cyclus vier maal op cirkelboog herhalen N41 G78 P1 X.. Y.. Z.. Eerste gedefinieerde punt : N50 G81 Y1 Z-10 F100 S1000 M3 Cyclus definiëren : N60 G77 P1 R25 I0 J6 Cyclus zes maal op volledige cirkel herhalen : Gedraaide spiebanen N60 T1 M6 Gereedschap 1 in de spil verwisselen (frees met radius van 4,8 mm) N65 G88 X20 Y10 Z-10 B1 F100 S1000 M3 Spiebaan definiëren, als zouden de zijden parallel aan de X- en Y-assen verlopen N70 G77 X78 Y56 Z0 R24 I0 J6 B1=30 De gedraaide spiebanen worden gefreesd. Richtung van de gaten op een cirkelboog 2 3 4 I K 1 4 K 1 I I = 180 I - K > 0 CW 2 I = -180 I - K < 0 3 CCW N50 G81 Y1 Z-10 F100 S1000 M3 Cyclus definiëren N60 G77 X0 Y0 Z0 R25 I180 K30 J4 Cyclus vier maal op de cirkelboog herhalen; Begin bij 180 graden, einde bij 30 graden, richting met klok mee. N70 G77 X0 Y0 Z0 R25 I-180 K30 J4 Cyclus vier maal op de cirkelboog herhalen; Begin bij - 180 graden, einde bij 30 graden, richting tegen klok in. 248 Heidenhain 26-9-2002
PUNTDEFINITIE G78 23.41 Puntdefinitie G78 Het éénmalig definiëren van de coördinaten van een punt in een programma. Voor een verplaatsingsbeweging naar dit punt hoeft later slechts het nummer ervan te worden geprogrammeerd. N... G78 P... [puntcoördinaten] Voorbeeld N10 G78 X-60 Y-20 P1 Punt 1 definiëren N11 G78 X-70 Y-20 P2 N12 G78 X-30 Y60 P3 N13 G78 X30 Y55 P4 N14 G78 X30 Y70 P5 N15 G78 X80 Y-30 P6 : N90 G0 P1=1 Gereedschap in ijlgang naar de door P1 : gedefinieerde positie brengen. N91 G1 P1=3 P2=5 P3=6 F1000 Gereedschap met geprogrammeerde voeding naar : P3, P5 en vervolgens P6 brengen. Let op: In een G78-regel kan telkens slechts één punt worden gedefinieerd. Alle puntcoördinaten hebben betrekking op het actieve werkstuknulpunt W. Programmaregels met G1 of G79 kunnen maximaal 4 punten bevatten. Overigens kan een programmaregel slechts één punt bevatten. Voorbeeld: N.. G1 P1=9 P2=1 P3=3 P4=8 P-adres met index: De indexwaarde (1-4) geeft de prioriteit voor de volgorde van de verwerking aan (1=hoogste prioriteit, 4=laagste prioriteit). De invoer na het is-gelijk-teken geeft het cijfer van de punt in het puntengeheugen weer. Een andere mogelijkheid is het op geparametriseerde wijze ingeven van de puntdefinitie, waarbij de index weer de prioriteit bepaalt. 26-9-2002 MillPlus IT V510 249
ACTIVEREN VAN EEN CYCLUS G79 23.42 Activeren van een cyclus G79 Uitvoeren van eerder geprogrammeerde boorcycli (G81, G83-G86) of freescycli (G87-G89) op bepaalde posities. Parameters N... G79 [puntcoördinaten] {B1=..} Voorbeeld Er dienen drie gaten te worden geboord. : N50 G78 P1 X50 Y20 Z0 Punt definiëren N55 G78 P2 X50 Y80 Z0 N60 T1 M6 N65 G81 Y1 Z-30 F100 S1000 M3 Boorcyclus definiëren N70 G79 P1 P2 Gaten op punt 1 en 2 boren N75 T2 M6 N80 G79 X50 Y50 Z0 M3 Gat boren : Let op: B1= heeft twee betekenissen, en wel: Een weergave van de hoek voor het draaien van een kamer of spiebaan, of de ligging van het cirkelmiddelpunt (B1= met L1=, of X/Y met B1=). Zie G77 voorbeeld "Gedraaide spiebanen" 250 Heidenhain 26-9-2002
BOORCYCLUS G81 23.43 Boorcyclus G81 N.. G81 Z.. {X..} {Y..} {B..} Parameters Voorbeeld : N50 G78 P1 X50 Y20 Z0 Punt 1 definiëren N55 G78 P2 X50 Y80 Z0 Punt 2 definiëren N60 G0 Z10 T1 M6 N65 G81 X1.5 Y1 Z-30 F100 S500 M3 Cyclus definiëren N70 G79 P1 P2 Cyclus op punt 1 en 2 uitvoeren : Let op: Een bewerkingscyclus (G81-G89) wordt uitgevoerd met G77 of G79. 26-9-2002 MillPlus IT V510 251
DIEPGATBOORCYCLUS G83 23.44 Diepgatboorcyclus G83 N.. G83 Z.. {X..} {Y..} {B..} {I..} {J..} {K..} {K1=..} Parameters Voorbeeld 1. : N5 T1 M6 N10 G83 Y4 Z-150 I2 J6 K20 F200 S500 M3 Cyclus definiëren N20 G79 X50 Y50 Z0 Cyclus uitvoeren : 2. : N.. G83 Y4 Z-150 I2 J6 K20 K1=3 N20 G79 X50 Y50 Z0 : Cyclus definiëren Cyclus uitvoeren Let op: Een bewerkingscyclus (G81-G89) wordt uitgevoerd met G77 of G79. 252 Heidenhain 26-9-2002
TAPCYCLUS G84 23.45 Tapcyclus G84 N... G84 Z... {Y...} {B...} {J...} {X...} of N... G84 I1=0 Z... {Y...} {B...} {J...} {X...} Vanaf V400: Het draadsnijden kan ook als interpolatie tussen de gereedschapsas en de spindel, in een gesloten regelkring, worden uitgevoerd. In deze interpolatie wordt rekening gehouden met het versnellingsvermogen van de spindel. Hierdoor wordt gewaarborgd, dat de spindel in de gewenste positie resp. met het gewenste toerental draait. ("synchroon tappen"). Parameters N... G84 I1=1 Z... {Y...} {B...} {J...} {X...} F(voeding) = J(spoed) * S(toerental) 26-9-2002 MillPlus IT V510 253
TAPCYCLUS G84 Voorbeeld N14 T3 M6 N15 G84 Y9 Z-22 J2.5 S56 M3 F140 N20 G79 X50 Y50 Z0 Cyclus definiëren Cyclus uitvoeren Let op: Een bewerkingscyclus (G81-G89) wordt uitgevoerd met G77 of G79. Bij het oproepen van een G84-cyclus via G79 moet de CNC op G94-bedrijf (voeding in mm/min) en niet op G95-bedrijf (voeding in mm/omw.) zijn ingesteld. G94 moet altijd vóór G84 worden geprogrammeerd. Vanaf V400: Draadsnijden kan zonder of met interpolatie worden geprogrammeerd. I1=0 gestuurd (basispositie, open positie-regelkring) I1=1 interpolerend (gesloten positie-regelkring) Een actief "bewerkingsvlak zwenken G7" kan alleen met interpolatie worden bewerkt (I1=1) Vanaf V410, kan bij een actieve functie "Bewerkingsvlak zwenken (G7)", waarbij de kop niet gezwenkt is, (gereedschapsas is gelijk aan Z-as) ook gestuurd draad getapt worden (I1=0). Schroefdraad nasnijden Bij machines met Interpolatie (I1=1) biedt de programmering een georiënteerde spilstop (M19), met D- parameter 'Spilhoek-waarde', de mogelijkheid voor schroefdraad nasnijden. Opmerking Na de interpolerende Schroefdraad snijden (I1=1) is de modale M-functie (M3,M4) niet meer actief. Deze wordt door M19 overschreven. Machineconstanten Bij de interpolatie worden de MC723 en MC727 niet meer gebruikt. De machineconstanten van de spindel moeten bij het draadtappen correct zijn ingesteld. De versnelling van de spindel wordt voor elk bereik met behulp van MC2491, 2521, 2551, 2581 en MC2495, 2525, 2555, 2585 berekend. Voor een goede regeling moet in ieder geval ook MC4430 actief zijn. 254 Heidenhain 26-9-2002
RUIMCYCLUS G85 23.46 Ruimcyclus G85 N.. G85 Z.. {X..} {Y..} {B..} {F2=..} Parameters Voorbeeld : N25 T4 M6 N30 G85 X2 Y3 Z-30 F50 S100 F2=200 M3 N35 G79 X50 Y50 Z0 : Cyclus definiëren Cyclus uitvoeren Let op: Een bewerkingscyclus (G81-G89) wordt uitgevoerd met G77 of G79. 26-9-2002 MillPlus IT V510 255
KOTTERCYCLUS G86 23.47 Kottercyclus G86 N.. G86 Z.. {X..} {Y..} {B..} Parameters Voorbeeld N45 T5 M6 N50 G86 X1 Y9 Z-27 B10 F20 S500 M3 N55 G79 X50 Y50 Z0 Cyclus definiëren Cyclus uitvoeren Let op: Een bewerkingscyclus (G81-G89) wordt uitgevoerd met G77 of G79. 256 Heidenhain 26-9-2002
RECHTHOEKIGE-KAMERFREESCYCLUS G87 23.48 Rechthoekige-kamerfreescyclus G87 N.. G87 X.. Y.. Z.. {R..} {B..} {I..} {J..} {K..} {Y3=..} {F2=..} Parameters Voorbeeld N10 T1 M6 N20 G87 X200 Y100 Z-6 J+1 B1 R40 I75 K1.5 F200 S500 M3 N30 G79 X120 Y70 Z0 Cyclus definiren Cyclus uitvoeren Let op: Een bewerkingscyclus (G81-G89) wordt uitgevoerd met G77 of G79. 26-9-2002 MillPlus IT V510 257
SPIEBAANFREESCYCLUS G88 23.49 Spiebaanfreescyclus G88 N.. G88 X.. Y.. Z.. {B..} {J..} {K..} {Y3=..} {F2=..} Parameters Voorbeeld N10 S500 T1 M6 N20 G88 X55 Y15 Z-5 B1 K1 F350 Y3=10 F2=200 M3 N30 G79 X22.5 Y22.5 Z0 N40 G88 X15 Y-55 Z-5 B1 K1 Y3=10 F2=200 N50 G79 X90 Y62.528 Z0 Cyclus definiren Cyclus uitvoeren Let op: Een bewerkingscyclus (G81-G89) wordt uitgevoerd met G77 of G79. De voortekens X en Y bepalen de richting van de spiebaan vanaf startpunt S. 258 Heidenhain 26-9-2002
RONDKAMERFREESCYCLUS G89 23.50 Rondkamerfreescyclus G89 N.. G89 Z.. R.. {B..} {I..} {J..} {K..} {Y3=..} {F2=..} Parameters Voorbeeld N10 T1 M6 N20 G89 Z-15 B1 R25 I75 K6 F200 S500 M3 N30 G79 X50 Y50 Z0 N40 G0 Z200 Cyclus definiren Cyclus uitvoeren Let op: Een bewerkingscyclus (G81-G89) wordt uitgevoerd met G77 of G79. 26-9-2002 MillPlus IT V510 259
PROGRAMMERING MET ABSOLUTE/INCREMENTELE COÖRDINATEN G90/G91 23.51 Programmering met absolute/incrementele coördinaten G90/G91 G90: absolute coördinaten, gemeten vanaf programmanulpunt W. G91: incrementele coördinaten gerelateerd aan de laatste positie. N.. G90/G91 Parameters Voorbeeld N88550 N1 G17 N2 G54 N3 G98 X0 Y0 Z60 I100 J100 K-80 N4 S1300 T1 M6 N5 G81 Y2 Z-10 F200 M3 N6 G79 X50 Y50 Z0 N7 G91 N9 G79 X20 N10 G79 Y-20 N11 G90 Definitie van het grafisch venster Cyclus definiëren Cyclus uitvoeren Cyclus uitvoeren Omschakelen naar programmering in absolute maten Let op: Vóór de opgave van de incrementele coördinaten G91 dient een absolute positie te zijn geprogrammeerd. 260 Heidenhain 26-9-2002
WOORDGEWIJS PROGRAMMEREN IN ABSOLUTE/INCREMENTELE COÖRDINATEN 23.52 Woordgewijs programmeren in absolute/incrementele coördinaten Woordgewijs programmeren in absolute/incrementele coördinaten, onafhankelijk van G90/G91. Absolute programmering: N.. G.. [asnaam]90=... Incrementele programmering: N.. G.. [asnaam]91=... Parameters Achsname: X, Y, Z, U, V, W, I, J, K, A, B, C Opmerkingen en toepassingen Cartesische coördinaten: De woordgewijze programmering in absolute/incrementele coördinaten is onafhankelijk van de modaal geldende maateenheid G90/G91. Poolcoördinaten: De programmering in poolcoördinaten wordt niet beïnvloed. Voorbeeld N88550 N1 G17 N2 G54 N3 G195 X0 Y0 Z60 I100 J100 K-80 N4 S1300 T1 M6 (boor R5) N5 G81 Y2 Z-10 F200 M3 N6 G79 X50 Y50 Z0 N7 G79 Y91=20 N8 G79 X91=20 N9 G79 Y91=-20 N10 M30 Grafisch venster definiëren Gereedschap 1 in de spil verwisselen Boorcyclus definiëren Oproepen van de cyclus voor de 1e boring Oproepen van de cyclus voor de 2e boring, incrementele beweging Oproepen van de cyclus voor de 3e boring, incrementele beweging Oproepen van de cyclus voor de 4e boring, incrementele beweging 26-9-2002 MillPlus IT V510 261
NULPUNTSVERSCHUIVING INCREMENTEEL/ABSOLUUT EN/OF DRAAIEN VAN HET COÖRDINATENSYSTEEM INCREMENTEEL/ABSOLUUT G92/G93 23.53 Nulpuntsverschuiving incrementeel/absoluut en/of draaien van het coördinatensysteem incrementeel/absoluut G92/G93 Nulpuntsverschuiving: N.. G92 [incrementele coördina()at(en), gerelateerd aan het laatste programmanulpunt] N.. G93 [absolute coördina()at(en), gerelateerd aan het nulpunt dat met G54-G59 gedefinieerd is] Draaien van het coördinatensysteem: N... G92/G93 B4=.. Nulpuntsverschuiving: Draaien van het coördinatensysteem: FSP: Benaderen van zwenkpositie via de kortste weg FSP leest nu altijd een hoek tussen -180 en +180 graden uit. Hierin vindt een wijziging plaats, zodat een hoek tussen de eindschakelaars wordt uitgelezen. Deze hoek komt dan overeen met de kortste weg. Een nadeel daarbij is dat de positie van de rondas tot zeer hoge waarden kan toenemen, zodat deze op een bepaald ogenblik weer gereset moet worden. 262 Heidenhain 26-9-2002
NULPUNTSVERSCHUIVING INCREMENTEEL/ABSOLUUT EN/OF DRAAIEN VAN HET COÖRDINATENSYSTEEM INCREMENTEEL/ABSOLUUT G92/G93 Het nadeel van deze zeer hoge waarden wordt opgeheven via een afzonderlijke functie, waarmee de (interne) positie tot een waarde tussen 0 en 360 graden gereset wordt. G93 {X},{Y},{Z}, {A},{B},{C}, {B2=},{L2=}, {P},{P1=}, {B4=}, {A3=1},{B3=1},{C3=1} Waarin: A3=1, B3=1, C3=1 De overeenkomstige aspositie wordt op een waarde tussen 0 en 360 graden gereset. Parameters bij G92 Parameters bij G93 Terugzetfunctie (vanaf V400) A3=,B3=,C3= Terugzetparameters Met G93 A3=1 wordt de desbetreffende rondaspositie op een waarde tussen 0 en 360 graden teruggezet. Voorbeeld: Een A-as met positie 370 graden wordt na het programmeren van G94 A3=1 in 10 graden gewijzigd. Voorbeelden 1. Het midden van het werkstuk valt samen met het machinenulpunt (M). Het programmanulpunt (W) wordt in de linkerhoek van het werkstuk gekozen. N30 G93 X-200 Y-100 26-9-2002 MillPlus IT V510 263
NULPUNTSVERSCHUIVING INCREMENTEEL/ABSOLUUT EN/OF DRAAIEN VAN HET COÖRDINATENSYSTEEM INCREMENTEEL/ABSOLUUT G92/G93 2. De vier gaten rondom de punten A en B dienen te worden geboord. In het programma ligt het programmanulpunt (W) in A resp. B. Programma met G92 N79560 N1 G17 N2 G54 N3 G98 X-10 Y-10 Z10 I420 J180 K-30 N4 G99 X0 Y0 Z0 I420 J160 K-10 N5 F200 S3000 T1 M6 N6 G92 X90 Y70 Incrementele nulpuntverschuiving N7 G81 Y1 Z-12 M3 Cyclus definiëren N8 G77 X0 Y0 Z0 I45 J4 R40 Cyclus oproepen N9 G92 X200 Y-20 Incrementele nulpuntverschuiving N10 G14 N1=8 Herhaalfunctie N11 G93 X0 Y0 Incrementele nulpuntverschuiving deactiveren N12 G0 Z100 M30 Programma met G93 Gerelateerd aan het opspannulpunt, ziet het programma er als volgt uit: N79561 N1 G17 N2 G54 N3 G98 X-10 Y-10 Z10 I420 J180 K-30 N4 G99 X0 Y0 Z0 I420 J160 K-10 N5 F200 S3000 T1 M6 N6 G93 X90 Y70 Absolute nulpuntverschuiving N7 G81 Y1 Z-12 M3 N8 G77 X0 Y0 Z0 I45 J4 R40 N9 G93 X290 Y50 Absolute nulpuntverschuiving N10 G14 N1=8 N11 G93 X0 Y0 Absolute nulpuntverschuiving deactiveren N12 G0 Z100 M30 Let op: Indien van tevoren geen G54-G59 is geactiveerd, is G92/G93 actief vanuit het machinenulpunt. Indien draaien van het coördinatensysteem (G92/G93 B4=..), actief is, is een met G92/G93 geprogrammeerde nulpuntsverschuiving niet meer toegestaan. 264 Heidenhain 26-9-2002
VOEDING IN MM/MIN (INCH/MIN) / MM/OMW(INCH/OMW) G94/G95 23.54 Voeding in mm/min (Inch/min) / mm/omw(inch/omw) G94/G95 Informatie aan de besturing over de wijze waarop de geprogrammeerde voeding (F-woord) dient te worden verwerkt. N.. G94/G95 F.. N... G94 F5=. G94 : G95 : G94 F5= : Aanzet in mm/min of inch/min. Aanzet in mm/omw. of inch/omw. Aanzet van de rondassen F5=0 Graden/min (uitgangspositie) F5=1 mm/min of inch/min Parameters Opmerkingen: MACHINES MET KINEMATISCH MODEL De functie G94 F5= is alleen beschikbaar wanneer voor de machine een kinematisch model gedefinieerd is. (MC312 moet actief zijn). BEREKENING RONDASRADIUS G94 F5=1 Bij machines met het kinematische model kan de radius van de roterende as tussen het middelpunt van de rondas en het werkstuk berekend worden. Daardoor hoeft A40=, B40= of C40= niet meer geprogrammeerd te worden. UITSCHAKELEN VAN G94 F5=1 G94 F5=1 wordt opgeheven door: G94 F5=0, G95, de programmering met A40=, B40= of C40= in G0 of G1, M30, <Programma afbreken> of <CNC terugzetten>. Voorbeelden : N.. G94 Voeding in mm/min N.. G1 X.. Y.. F200 Met een voedingssnelheid van 200 mm/min naar X.. Y.. brengen : : N.. G95 N.. G1 X.. Y.. F.5 : Voeding in mm/uur Met een voedingssnelheid van 0,5 mm/uur naar X.. Y.. brengen 26-9-2002 MillPlus IT V510 265
DEFINITIE VAN HET GRAFISCH VENSTER G98 23.55 Definitie van het grafisch venster G98 Definiëren van de positie gerelateerd aan programmanulpunt W en de afmetingen van een grafisch 3Dvenster, waarin de werkstukbewerking via een grafische simulatie moet worden weergegeven. N.. G98 X.. Y.. Z.. I.. J.. K.. {B..} {B1=..} {B2=..} Parameters Voorbeeld N9000 N1 G98 X-20 Y-20 Z-75 I140 J90 K95 N2 G99 X0 Y0 Z0 I100 J50 K-55 : Beginpunt en afmetingen van het grafisch 3D-venster Ruwdeel als 3D-ruimte definiëren 266 Heidenhain 26-9-2002
GRAFISCHE DEFINITIE VAN MATERIAAL G99 23.56 Grafische definitie van materiaal G99 Definiëren van een driedimensionaal ruwdeel en de ligging ervan gerelateerd aan het programmanulpunt W. De afmetingen zijn nodig voor de grafische simulatie. N... G99 X... Y... Z... I... J... K... Parameters Voorbeeld N9000 N1 G98 X-20 Y-20 Z-75 I140 J90 K95 N2 G99 X0 Y0 Z0 I100 J50 K-55 : Beginpunt en afmetingen van het grafisch 3D-venster Ruwdeel als 3D-ruimte definiëren 26-9-2002 MillPlus IT V510 267
G106 KINEMATICA VERREKENEN: UIT 23.57 G106 Kinematica verrekenen: uit Formaat G106 Uitschakelen van G108 (kinematica verrekenen: aan). Opmerkingen en toepassingen Modaliteit Deze functie is modaal met G108. Uitvoering G106 wacht tot alle acties van de bewegingen in voorgaande Regel met <INPOD> beëindigd zijn. G106 deactiveert de berekening van de kinematica. De actieve verschuiving in de lineaire assen wordt opgeheven. Opmerking: G106 heeft dezelfde uitwerking als G108 I1=0 of als MC756=0 (geen kinematica verrekening). Aanduiding De functies G106/G108 staan bij de modale G-reeks in de bewerkingsstatus. Er bestaat geen verschillend symbool (zoals bij G7/G8/G141) voor de toestand met G108 actief. Voorbeeld N10 G106 Uitschakelen G108. 268 Heidenhain 26-9-2002
G108 KINEMATICA VERREKENEN: AAN 23.58 G108 Kinematica verrekenen: aan Functie waarbij de positie van de gereedschapspunt met gedraaide rondassen teruggerekend wordt met behulp van een kinematisch model. G108 activeert de berekeningen van de kinematica. De stand van de gereedschapskop en/of de werkstuktafel wordt aan het eind van een positionering teruggerekend naar de positie van de lineaire assen. De lineaire assen worden niet meeberekend. De MillPlus houdt rekening met een verandering van de machinekinematica bij de digitale uitlezing, zoals die door het zwenken van een kop/tafel ontstaat. Door een absoluut geprogrammeerde verplaatsing van de betreffende assen wordt de teweeggebrachte verstelling gecompenseerd. Formaat G108 {I1=..} {I2=..} I1= definieert welke rondassen (kop of tafel) naar de positie van de lineaire assen worden verrekend. 0 = geen rondassen (= uitschakelen, G106). 1 = rondassen in de gereedschapskop. 2 = rondassen in de werkstuktafel. 3 = alle rondassen. I2= definieert of de gereedschapslengte wordt verrekend. 0 = niet verrekenen. 1 = verrekenen. Basisinstellingen I1=1, I2=1 Aanwijzingen en toepassing Modaliteit Deze functie is modaal met G106. Uitvoering G108 wacht met alle acties totdat de verplaatsing in de voorgaande regel met <INPOD> is beëindigd. KM = verrekening met het kinematische model. 26-9-2002 MillPlus IT V510 269
G108 KINEMATICA VERREKENEN: AAN X, Z is de uitgangspositie. De gereedschapslengtecompensatie wordt in Z-richting verrekend. X1, Z1 is de weergavepositie bij G108 I2=0. De koppositie wordt in de gedraaide richting en de gereedschapslengtecompensatie in de Z-richting (afhankelijk van G17) verrekend. X2, Z2 is de weergavepositie bij G108 I2=1. De koppositie en de gereedschapslengte worden in de gedraaide richting verrekend (onafhankelijk van G17/G18/G19). Waarschuwing: wanneer G108 actief is voor gestuurde rondassen (bijv. een gestuurde kop), is de positie van de gereedschapspunt bij tussenstanden van deze rondas anders dan vroeger (het PLC-programma is daarvoor aangepast en de verrekening is niet meer compatibel). Daardoor kunnen bestaande NC-programma's tot een botsing leiden. Waarschuwing: wanneer G108 de gereedschapslengte verrekent (I2=1), wordt de gereedschapsrichting niet meer via G17/G18/G19 of G66/G67 gedefinieerd. Daardoor kunnen bestaande NC-programma's tot een botsing leiden. G108 uitschakelen De functie G108 wordt door G106 uitgeschakeld. Na <CNC reset> of inschakelen van de besturing worden de waarden van MC756 'Kinematica verrekenen' en MC757 'Gereedschapslengte verrekenen' gehanteerd. G108 blijft actief na <Programma annuleren> of M30. Rondasverplaatsing Als G108 actief is, wordt de weergave van de lineaire assen aan het einde van iedere positionering van de in G108 gedefinieerde rondassen aangepast. De verplaatsing stopt daarbij even met <INPOD>. Onderbreking Als een rondasverplaatsing wordt onderbroken, wordt de weergave van de lineaire assen niet aangepast. Alleen na <Noodstop>, <Programma annuleren> of <Handbediening> tijdens een onderbreking wordt de weergave van de lineaire assen aangepast aan de stand van de rondas. Handbediening De functie G108 blijft actief na M30 en is actief tijdens handbediening. De weergave van de lineaire assen wordt aangepast, wanneer de rondasverplaatsing is gestopt. Kinematisch model De functie werkt voor alle machinetypes. Zowel rondassen in de 'gereedschapskop' als rondassen in de 'werkstuktafel' kunnen worden verrekend. Machineconstanten MC 756 kinematica (0,1=kop, 2=tafel, 3=beide). Definieert de basisinstelling van de functie G108 'Kinematica verrekenen: AAN'. Met G108 wordt gedefinieerd of en welke rondasposities in de weergave van de lineaire assen kan worden teruggerekend. De waarde van MC756 wordt actief na het starten van de besturing of <CNC reset>. 0 = geen rondassen verrekenen. 1 = alleen rondassen in de gereedschapskop verrekenen. 2 = alleen rondassen in de gereedschapstafel verrekenen. 3 = alle rondassen verrekenen. MC 757 gereedschapslengte verrekenen (0=uit, 1=aan) Definieert of binnen G108 de gereedschapslengte wordt verrekend. 0 = gereedschapslengte niet verrekenen. 1 = gereedschapslengte verrekenen. Waarschuwing: Als MC756 is geactiveerd, kunnen bestaande NC-programma's tot een botsing leiden. Voorbeeld: kinematisch model altijd actief. N10 G108 I1=1 I2=1 verrekening van de rondassen in de gereedschapskop. 270 Heidenhain 26-9-2002
G141 3D-GEREEDSCHAPSCORRECTIE MET DYNAMISCH TCPM 23.59 G141 3D-Gereedschapscorrectie met dynamisch TCPM Dient voor het corrigeren van gereedschapsmaten voor een 3D-gereedschapsbaan die door de eindpuntcoördinaten en genormaliseerde, loodrecht op het oppervlak staande vectoren in deze punten is geprogrammeerd. Formaat: Voor het activeren van de 3D-gereedschapscorrectie: G141 {R..} {R1=..} {L2=} Voor het programmeren van rechlijnige bewegingen: G141 G0/G1 [eindpuntcoördinaten] [I.. J.. K..] TCPM met actief kinematisch model G0/G1 [eindpuntcoördinaten] {I.. J.. K..} {I1=.. J1=.. K1=..} {A, B, C} {F..} Voor het wissen van de 3D-gereedschapscorrectie: G40 Bij G141 R Nominale gereedschapsradius R1= Nominale gereedschapshoekenradius L2= Rondassen (0=kortst, 1=absoluut) Bij G0/G1 X, Y, Z Lineaire eindpuntcoördinaten I, J, K Ascomponenten van de vlaknormaalvector I1=, J1=, K1= (TCPM) Ascomponenten van de gereedschapvector A, B, C (TCPM) Rondascoördinaten van de gereedschapvector F Voeding op de baan Bijbehorende functies G40 en voor de radiuscorrectie in een vlak G41 tot en met G44 Voor TCPM G8 Algemene basisbegrippen G141 Bij het frezen van een 3D-oppervlak wordt een gegeven gereedschap volgens rechtlijnige bewegingen met een bepaalde tolerantie over het oppervlak verplaatst. De berekening van de baan van het gereedschap op een 3D-oppervlak vergt een groot aantal berekeningen, die doorgaans door een NC-programmeersysteem of een CAD-systeem worden uitgevoerd. De berekende baan van het gereedschap hangt af van de vorm van het gereedschap, de gereedschapsmaten en de tolerantie van het oppervlak. Bij de uitvoering van het betreffende programma zonder G141 moet de gebruikte frees dezelfde maten hebben als in de berekeningen, dat wil zeggen, er moet een nominale frees worden gebruikt. 26-9-2002 MillPlus IT V510 271
G141 3D-GEREEDSCHAPSCORRECTIE MET DYNAMISCH TCPM Als er tijdens het bewerken van het 3D-oppervlak een nieuw gereedschap nodig is, moet ook dit gereedschap dezelfde afmetingen als het nominale gereedschap hebben. Als er afwijkende maten aan het werkstuk worden geconstateerd, moet er een nieuwe berekening met het programmeersysteem worden uitgevoerd. Met de 3D-gereedschapcorrectie (G141) kan gereedschap worden gebruikt dat andere maten heeft dan de nominale frees. De correctie wordt verkregen aan de hand van de richtingsvectoren, die samen met de eindpuntcoördinaten door het programmeersysteem worden berekend. Verder is het mogelijk, de maten van het werkstuk door het programmeersysteem en de gereedschapbaan door de CNC te laten berekenen aan de hand van de genormaliseerde vectoren en de gereedschapsmaten. Aanwijzingen en toepassing _ N = Vlaknormaalvector (I, J, K) Radius (R, R1=) De waarden van R.. en R1=.. moeten overeenkomen met de nominale gereedschapsmaten die door het programmeersysteem woorden gebruikt voor de berekening van de baan van het gereedschap. Als deze waarden niet zijn geprogrammeerd, worden deze automatisch op nul ingesteld. R definieert de gereedschapsradius waarmee in het CAD-systeem de eindpunten van de G0/G1-regels zijn berekend. R1= definieert de gereedschapshoekenradius waarmee in het CAD-systeem de eindpunten van de G0/G1-regels zijn berekend. Algemene basisbegrippen TCPM Positie van de gereedschapspunt handhaven bij het positioneren van zwenkassen (TCPM) (TCPM betekent "Tool Center Point Management"). Met G141 '3D-Gereedschapscorrectie zonder TCPM' kan een gebogen (CAD-)oppervlak worden bewerkt met inachtneming van de actuele gereedschapsmaten. Daarbij wordt de baan beschreven met eindpuntcoördinaten en loodrecht op het oppervlak staande vectoren. De G141-functie maakt alleen gebruik van de drie lineaire assen, niet de rondassen. Daardoor heeft het gereedschap altijd dezelfde richting en wordt het niet onder een technologisch optimale hoek over het werkstukoppervlak geleid. Met G8 'Gereedschapsoriëntatie' (statisch TCPM) kan het gereedschap onder een technologisch optimale hoek op het oppervlak van het werkstuk worden geplaatst. De G8-functie is een 272 Heidenhain 26-9-2002
G141 3D-GEREEDSCHAPSCORRECTIE MET DYNAMISCH TCPM voedingsbeweging en kan niet continu tijdens een baanbeweging op een gebogen oppervlak worden gebruikt. Bij G141 met dynamisch TCPM wordt het gereedschap onder een technologisch optimale hoek over een gebogen oppervlak van een werkstuk gevoerd. Daarbij wordt rekening gehouden met de actuele gereedschapsmaten. Dynamisch TCPM wordt gebruikt voor frezen met 5 assen. Met dynamisch TCPM worden ook de rondassen bestuurd. Daarbij wordt het gereedschap loodrecht of met een geprogrammeerde oriëntatie over het gebogen oppervlak van het werkstuk gevoerd. _ N = Vlaknormaalvector (I, J, K) _ O = Gereedschapsvector (I1=, J1=, K1=) of rotatieassen-coordinaten van Gereedschapsvector (A, B, C) Het programmeerformaat van de lineaire regels binnen G141 wordt uitgebreid met de mogelijkheid van het programmeren van een gereedschapsvector. Mogelijke combinaties zijn vlaknormaalvector en/of gereedschapsvector. Als alleen de gereedschapsvector wordt gebruikt, moet de gereedschapscorrectie in het CAD-systeem worden berekend. G7 mag actief zijn. In dit geval zijn de vlaknormaal- en gereedschapsvectoren in het G6-vlak gedefinieerd. Aanwijzingen en toepassing Adressen (R, R1=, L2=) (TCPM) R definieert de gereedschapsradius waarmee in het CAD-systeem de eindpunten van de G0/G1-regels zijn berekend. R1= definieert de gereedschapshoekenradius waarmee in het CAD-systeem de eindpunten van de G0/G1-regels zijn berekend. L2= 0 Rondassen worden langs de kortste weg verplaatst (basisinstelling) 1 Rondassen worden naar de absolute positie verplaatst (bij rondasprogrammering). F2= Voedingsbegrenzing bij sterk gekromde oppervlakken. Bij het ronden van een buitenhoek, kan de machine zich plotseling met maximale voeding bewegen. De F2= begrenst deze maximale voeding. Voedings-override blijft werkzaam. F2= kan alleen geprogrammeerd worden in G141 blokken, maar is ook werkzaam binnen G141 bewegingen, tot het blok met G40. 26-9-2002 MillPlus IT V510 273
G141 3D-GEREEDSCHAPSCORRECTIE MET DYNAMISCH TCPM Mogelijke gereedschappen Bij de G141-functie gebruikte gereedschappen Gereedschapsgeheugen Voor het gebruik van verschillende typen gereedschap moeten de volgende maatgegevens in het gereedschapgeheugen worden geladen: Radiusfrees : R (gereedschapsradius), L (gereedschapslengte), C (=gereedschapsradius) Radiusstiftfrees : R (gereedschapsradius), L (gereedschapslengte), C (=afrondingsradius) Stiftfrees : R (gereedschapsradius), L (gereedschapslengte), C0 Als geen waarde voor C is opgegeven, krijg C automatisch de waarde 0. De standaardfrees is dus een stiftfrees. Aanwijzing: De afrondingsradius in de G141-regel wordt geprogrammeerd met het woord R1=. Met het C-woord wordt de afrondingsradius in het gereedschapsgeheugen opgeslagen. Gegenereerde gereedschapbaan Als het programmeersysteem de gereedschapbaan genereert (oppervlaknormaalvector programmeert), worden de maten van het nominale gereedschap (R.. en R1=..) in de G141-regel geprogrammeerd. De gereedschapmaten die in het gereedschapsgeheugen zijn opgeslagen, worden door de CNC voor correctie van de gereedschapbaan gebruikt. Werkstukmaten Als het programmeersysteem de werkstukmaten genereert (oppervlaknormaalvector en gereedschapvector programmeert), worden de woorden R.. en R1=.. niet in de G141-regel geprogrammeerd. De gereedschapmaten die in het gereedschapsgeheugen zijn opgeslagen, worden door de CNC voor berekening van de gereedschapbaan gebruikt. Activeren van G141 In de eerste regel na G141 gaat de frees van de actuele positie van het gereedschap naar de gecorrigeerde positie volgens deze regel. Eindpuntcoördinaten Er kunnen uitsluitend absolute of incrementele (X, X90, X91) carthesische maten worden gebruikt. Tot V420 moeten de coördinaten in de eerste G141-regel absoluut zijn. Deze worden gemeten vanaf het nulpunt W van het programma. G90/G91 De functies G90 en G91 worden gebruikt voor absolute of incrementele programmering. Deze functies moeten apart in een blok staan. 274 Heidenhain 26-9-2002
G141 3D-GEREEDSCHAPSCORRECTIE MET DYNAMISCH TCPM Spiegelen Als de functie Spiegelen (G73 en ascoördinaten) actief is voordat G141 wordt geactiveerd, worden tijdens de 3D-gereedschapscorrectie de gespiegelde coördinaten gebruikt. Spiegelen is ook mogelijk nadat G141 is geactiveerd. Met functie G73 kan het spiegelen worden uitgeschakeld. Radiuscorrectie G41...G44 Nadat een G141-regel is geactiveerd, wordt de geldende radiuscorrectie die met G41...G44 is geprogrammeerd, gewist. Vlaknormaalvector (I, J, K) (TCPM) Definieert de vlaknormaalvector loodrecht op het oppervlak. De vlaknormaalvector staat loodrecht op het oppervlak van het werkstuk. Het gereedschap wordt zo gepositioneerd, dat deze vector altijd door het middelpunt van de gereedschapshoekronding gaat. Deze vector bepaalt de positionering van de lineaire assen binnen G141. Vectorcomponenten De vectorcomponenten van de assen zijn onanhankelijk van het geselecteerde vlak. Als in een regel geen vectorcomponent wordt geprogrammeerd, wordt de laatst geprogrammeerde waarde gebruikt. Als in de eerste regel geen component wordt geprogrammeerd, is de niet-geprogrammeerde component gelijk aan nul. Maatstaffactor Het formaat voor invoer van de vectoren (I, J, K, I1=, J1=, K1= woorden) heeft een beperking van drie decimalen. De vlaknormaal- en gereedschapvectoren hoeven echter niet de lengte 1 te hebben. Voor een grotere nauwkeurigheid van de maten kunnen de betreffende waarden met een maatstaffactor tussen 1 en 1000 worden vermenigvuldigd. Met de factor 1000 bijvoorbeeld wordt de nauwkeurigheid van de ingevoerde vectorcomponenten met zes cijfers vergroot. Ondersnijdingen Ondersnijdingen of botsingen tussen gereedschap en materiaal aan niet te bewerken punten worden niet opgemerkt door de CNC. Kinematisch Model (TCPM) Voor de berekeningen binnen G141 wordt het kinematische model gebruikt. Als er geen kinematisch model actief is (MC312 vrij bewerkingsvlak = 0), blijft G141 compatibel met de G141-functie in oudere CNC-versies. 26-9-2002 MillPlus IT V510 275
G141 3D-GEREEDSCHAPSCORRECTIE MET DYNAMISCH TCPM Gereedschapsvector (TCPM) I1=, J1=, K1= Ascomponenten van de gereedschapvector of A, B, C Rondascoördinaten van de gereedschapvector Wissen De gereedschapsvector of de rondascoördinaten geven de richting van de gereedschapsas aan. Het gereedschap wordt zo gedraaid, dat het parallel aan deze vector staat. Deze vector bestuurt de positionering van de rondassen (en de bijbehorende compenserende beweging met lineaire assen) binnen G141. De functie G141 wordt gewist met G40, M30, softkey Programma annuleren of met softkey CNC reset. De frees stopt op de laatst gecorrigeerde positie. De rondassen worden niet automatisch teruggedraaid. Te wissen functies Bij gebruik van G141 moeten de functies G64, maatstaf veranderen (G73 A4=..), asrotatie (G92/G93 B4=..) en G182 worden gewist. De volgende G-functies zijn toegestaan wanneer G141 (TCPM) wordt ingeschakeld: Basisbewegingen 0, 1, 7 Vlakken 17, 18 Programmabesturing 14, 22, 23, 29 Positioneringsvoeding 4, 25, 26, 27, 28, 94, 95, 96, 97 Radiuscorrectie 39, 40, 141 Nulpunten 51, 52, 53, 54, 92, 93 Geometrie 72, 73 Bedrijfsmodi van de coördinatenmeting 70, 71, 90, 91 Grafische weergave 195, 196, 197, 198, 199 Als een niet-toegestane G-functie is geprogrammeerd, wordt foutmelding P77 (G-functie en Gxxx niet toegestaan) weergegeven. De volgende G-functies zijn toegestaan wanneer G141 (TCPM) actief is: Basisbewegingen 0, 1 parameters van G0 en G1 zijn beperkt G0 zonder logische positionering Programmabesturing 14, 22, 23, 29 Positioneringsvoeding 4, 25, 26, 27, 28, 94, 95, 96, 97 Radiuscorrectie 40, 141 G40 schakelt G141 uit Nulpunten 51, 52, 53, 54, 92, 93 Geometrie 72, 73 Bedrijfsmodi van de coördinatenmeting 90, 91 Als een niet-toegestane G-functie wordt geprogrammeerd, wordt foutmelding P77 (G-functie en G141 niet toegestaan) weergegeven. Programmeerbeperkingen Niet genoemde G-functies mogen niet worden gebruikt. Puntdefinities (P) en E-parameters mogen niet worden gebruikt. Nadat G141 is geactiveerd, mag geen gereedschap worden gewisseld. 276 Heidenhain 26-9-2002
Aanwijzingen en toepassing voor TCPM G141 3D-GEREEDSCHAPSCORRECTIE MET DYNAMISCH TCPM Gevaar van botsing Wanneer G141 wordt ingeschakeld, kan er een vergelijkbare compensatiebeweging als bij G8 worden gemaakt. Bij de inschakelbeweging mag de punt van het gereedschap niet op het werkoppervlak rusten en moet deze minstens met de afstand van de diameter van het gereedschap tot het materiaal worden geprogrammeerd. Opmerking: Als G141 wordt uitgeschakeld met G40, M30 of annulering van het programma, wordt de beweging niet gecompenseerd en blijven de rondassen op de laatste positie staan. Bij het vrijzetten van de contour kan de tafel met het werkstuk 180 graden worden gedraaid om de geprogrammeerde richting van het gereedschap te bereiken. ATTENTIE: GEVAAR VAN BOTSING Ondersnijding Als de richting van het gereedschap binnen een G1-regel wordt veranderd, wordt de verandering interpolerend met de beweging naar het eindpunt uitgevoerd. Daarbij wordt de baan tussen begin- en eindpunt gecorrigeerd voor ondersnijdingen. Ondersnijding wordt niet opgemerkt bij de overgang tussen regels. Deze ondersnijding moet door tussenvoegen van een regel zonder eindpunten en met slechts één verandering in de gereedschapsvector door het CAD-systeem worden gecorrigeerd. In dit geval draait het gereedschap om het gereedschapscontactpunt tot de nieuwe gereedschapsrichting is bereikt. Weergave Als G141 actief is, wordt een geel symbool achter het gereedschapsnummer weergegeven en is de geprogrammeerde G141-gereedschapsvector (I1, J1, K1) in de bewerkingsstatus te zien (op de plaats van G7/G8). Opmerking: Als G7 en G141 tegelijk actief zijn, wordt de G7-hoek of -vector weergegeven. Met een kleine 'p' rechtsonder bij de asletters wordt aangeduid of de positie van het gereedschapscontactpunt of de positie in machinecoördinaten wordt weergegeven. De weergave kan met dezelfde softkey worden afgewisseld als bij G7. Voeding De geprogrammeerde voeding geldt voor het contactpunt tussen oppervlak en gereedschap. De kop van het gereedschap kan andere bewegingen uitvoeren. Foutmeldingen P341 P342 Gereedschapsvector niet correct De gereedschapsvector (I1=, J1=, K1=) is niet correct. Deze foutmelding wordt gegenereerd als alle componenten van de vector gelijk zijn aan nul. Vlaknormaalvector niet correct De vlaknormaalvector (I, J, K) is niet correct. Deze foutmelding wordt gegenereerd als alle componenten van de vector gelijk zijn aan nul. 26-9-2002 MillPlus IT V510 277
G141 3D-GEREEDSCHAPSCORRECTIE MET DYNAMISCH TCPM Voorbeelden Voorbeeld 1: G141 en TCPM Gereedschapsvector met (I1=, J1=, K1=) Deze programmering is machine-onafhankelijk. N113 (rechthoekig materiaal met bovenrondingen (R4) en gezwenkt gereedschap (5 graden)) N1 G17 N2 T6 M67 (kogelfrees rond 10: In gereedschapstabel T6 R5 C5) N3 G54 I10 N4 G0 X0 Y0 Z0 B0 C0 S6000 M3 N5 F50 E1=0 N6 G141 R0 R1=0 L2=0 (alle basisinstellingen, hoeven niet te worden geprogrammeerd) N7 (R is in CAD-systeem 0 mm) N8 (R1 is in CAD-systeem 0 mm) N9 (L2=0 rondassen verplaatst langs kortste weg) N10 N11 G0 X-1 Y=E1 Z0 I1=-1 K1=0 N12 (gegenereerd in CAD-systeem) N13 (boog linksvoor) N14 G1 X=0 Y=E1 Z=-4 I1=-0.996194698 K1=0.087155743 N15 G1 X=0.000609219 Z=-3.930190374 I1=-0.994521895 K1=0.104528463 N16 G1 X=0.002436692 Z=-3.860402013 I1=-0.992546152 K1=0.121869343 N17 G1 X=0.005481861 Z=-3.790656175 I1=-0.990268069 K1=0.139173101 N... (een punt per graad) N100 G1 X=3.790656175 Z=-0.005481861 I1=0.034899497 K1=0.999390827 N101 G1 X=3.860402013 Z=-0.002436692 I1=0.052335956 K1=0.998629535 N102 G1 X=3.930190374 Z=-0.000609219 I1=0.069756474 K1=0.99756405 N103 G1 X=4 Z=0 I1=0.087155743 K1=0.996194698 N104 (boog rechtsvoor) N105 G1 X=36 Z=0 I1=0.087155743 K1=0.996194698 N106 G1 X=36.06980963 Z=-0.000609219 I1=0.104528463 K1=0.994521895 N107 G1 X=36.13959799 Z=-0.002436692 I1=0.121869343 K1=0.992546152 N N194 G1 X=39.99756331 Z=-3.860402013 I1=0.998629535 K1=-0.052335956 N195 G1 X=39.99939078 Z=-3.930190374 I1=0.99756405 K1=-0.069756474 N196 G1 X=40 Z=-4 I1=0.996194698 K1=-0.087155743 278 Heidenhain 26-9-2002
G141 3D-GEREEDSCHAPSCORRECTIE MET DYNAMISCH TCPM N197 G40 N1971 (boog rechtsachter) N1972 (opschuiven naar volgende snede) N1973 G174 L100 (gereedschap terugtrekken) N1974 G0 B0 C0 (draaischijf terugdraaien naar oorspronkelijke coördinatenstelsel) N198 E1=E1+0.25 N1981 G1 Y=E1 (beweging in normaal X, Y, Z-coördinatenstelsel) N1982 G141 Of zonder deactivering van G141 N197 (boog rechtsachter) N198 E1=E1+0.25 (opschuiven naar volgende snede) N199 G1 X=40 Y=E1 Z=-4 I1=0.996194698 K1=0.087155743 N200 G1 X=39.99939078 Z=-3.930190374 I1=0.994521895 K1=0.104528463 N201 G1 X=39.99756331 Z=-3.860402013 I1=0.992546152 K1=0.121869343 N N287 G1 X=36.13959799 Z=-0.002436692 I1=-0.052335956 K1=0.998629535 N288 G1 X=36.06980963 Z=-0.000609219 I1=-0.069756474 K1=0.99756405 N289 G1 X=36 Z=0 I1=-0.087155743 K1=0.996194698 N290 (boog linksachter) N291 G1 X=4 Z=0 I1=-0.087155743 K1=0.996194698 N292 G1 X=3.930190374 Z=-0.000609219 I1=-0.104528463 K1=0.994521895 N293 G1 X=3.860402013 Z=-0.002436692 I1=-0.121869343 K1=0.992546152 N N379 G1 X=0.002436692 Z=-3.860402013 I1=-0.998629535 K1=-0.052335956 N380 G1 X=0.000609219 Z=-3.930190374 I1=-0.99756405 K1=-0.069756474 N381 G1 X=0 Z=-4 I1=-0.996194698 K1=-0.087155743 N382 E1=E1+0.25 N383 G14 N1=10 N2=389 J40 N384 G40 N385 G174 L100 (gereedschap terugtrekken) N386 G0 B0 C0 (draaischijf draaien naar oorspronkelijke coördinatenstelsel) N387 M30 Voorbeeld 2 G141 en TCPM Zelfde werkstuk. Gereedschapsvector met (I1=, J1=, K1=) Deze programmering is machine-afhankelijk. Dit programma is voor een machine met op de tafel een B-as onder 45, met daaro[ een C-as. N114 (rechthoekig materiaal met bovenrondingen (R4) en gezwenkt gereedschap (5 graden)) N1 G17 N2 T6 M67 (kogelfrees rond 10: In gereedschapstabel T6 R5 C5) N3 G54 I10 N4 G0 X0 Y0 Z0 B0 C0 S6000 M3 N5 F50 E1=0 N6 G141 R0 R1=0 L2=0 (alle basisinstellingen, hoeven niet te worden geprogrammeerd) N7 (R is in CAD-systeem 0 mm) N8 (R1 is in CAD-systeem 0 mm) 26-9-2002 MillPlus IT V510 279
G141 3D-GEREEDSCHAPSCORRECTIE MET DYNAMISCH TCPM N9 (L2=0 rondassen verplaatst langs kortste weg) N10 N11 G0 X-1 Y=E1 Z0 B180 C-90 N12 (gegenereerd in CAD-systeem) N13 (boog linksvoor) N14 G1 X=0 Y=E1 Z=-4 B145.658 C-113.605 N15 G1 X=0.000609219 Z=-3.930190374 B142.274 C-115.789 N16 G1 X=0.002436692 Z=-3.860402013 B139.136 C-117.782 N17 G1 X=0.005481861 Z=-3.790656175 B136.191 C-119.624 N... (een punt per graad) N100 G1 X=3.790656175 Z=-0.005481861 B2.829 C1 N101 G1 X=3.860402013 Z=-0.002436692 B4.243 C1.501 N102 G1 X=3.930190374 Z=-0.000609219 B5.658 C2.001 N103 G1 X=4 Z=0 B7.073 C2.502 N104 (boog rechtsvoor) N105 G1 X=36 Z=0 B7.073 C2.502 N106 G1 X=36.06980963 Z=-0.000609219 B8.489 C3.004 N107 G1 X=36.13959799 Z=-0.002436692 B9.906 C3.507 N... N194 G1 X=39.99756331 Z=-3.860402013 B206.449 C108.384 N195 G1 X=39.99939078 Z=-3.930190374 B210.629 C111.170 N196 G1 X=40 Z=-4 B214.342 C113.605 N197 (boog rechtsachter) N198 E1=E1+0.25 (opschuiven naar volgende snede) N199 G1 X=40 Y=E1 Z=-4 B145.658 C66.395 N200 G1 X=39.99939078 Z=-3.930190374 B142.274 C64.211 N201 G1 X=39.99756331 Z=-3.860402013 B139.136 C62.218 N... N287 G1 X=36.13959799 Z=-0.002436692 B4.243 C-178.499 N288 G1 X=36.06980963 Z=-0.000609219 B5.658 C-177.999 N289 G1 X=36 Z=0 B7.073 C-177.498 N290 (boog linksachter) N291 G1 X=4 Z=0 B7.073 C-177.498 N292 G1 X=3.930190374 Z=-0.000609219 B8.489 C-176.996 N293 G1 X=3.860402013 Z=-0.002436692 B9.906 C-176.493 N... N379 G1 X=0.002436692 Z=-3.860402013 B206.449 C-71.616 N380 G1 X=0.000609219 Z=-3.930190374 B210.629 C-68.830 N381 G1 X=0 Z=-4 B214.342 C-66.395 N382 E1=E1+0.25 N383 G14 N1=14 N2=382 J40 N384 G40 N385 G174 L100 (gereedschap terugtrekken) N386 G0 B0 C0 (draaischijf draaien naar oorspronkelijke coördinatenstelsel) N387 M30 280 Heidenhain 26-9-2002
LINEAIRE MEETBEWEGING G145 23.60 Lineaire meetbeweging G145 Uitvoeren van een vrij programmeerbare lineaire meetbeweging om asposities te bepalen. N... G145 [meetpuntcoördinaten] [(asadres) 7=..] {S7=..} E.. {F2=..} {K..} {L..} {I3=..} Parameters Voorbeeld Er dient een spiebaan te worden gefreesd waarna de breedte ervan moet worden gemeten. Indien de spiebaanbreedte te klein is, moet de freesradius worden gecorrigeerd en de spiebaan worden nabewerkt. N14504 (frezen en meten van een spiebaan) N1 G17 N2 G54 N3 E15=20.02 (maximale spiebaanbreedte) N4 E16=19.98 (minimale spiebaanbreedte) N5 E3=(E15+16):2 N6 S1000 T1 M6 (frees d=18 mm) N7 G0 X-25 Y50 Z-10 B0 F400 M3 N8 G1 X140 N9 G43 N10 G1 Y60 N11 G41 N12 X-25 N13 Y40 N14 X140 26-9-2002 MillPlus IT V510 281
LINEAIRE MEETBEWEGING G145 N15 G40 N16 Y50 N17 G0 Z50 M5 N18 G149 T0 E30 N19 T30 M6 (meettaster) N20 M19 (D-Adresse Optional) N21 M27 N22 G0 X60 Y50 Z-8 B0 N23 M29 N24 G145 Y65 E10 Y7=1 F2=500 N25 GO Y50 N26 G29 E11=E10=0 E11 N=30 N27 M29 N28 G145 Y35 E10 Y7=2 F2=500 N29 G0 Y50 N30 M28 N31 G29 E11=E10=0 E11 N=41 N32 E5=E1-E2 N33 E6=(E5-E3):2 N34 G29 E20=E5>E15 E20 N=44 N35 G29 E20=E5>E16 E20 N=46 N36 G149 T=E30 R1=4 N37 G150 T=E30 R1=E4+E6 N38 S1000 T1 M6 (FREES d=18 mm) N39 G0 X140 Y50 Z-10 B0 F400 M3 N40 G29 E20 E20=1 N=9 N41 M0 N42 (meettaster kon geen meetcontact maken, geen meting uitgevoerd) N43 G29 E20 E20=1 N=46 N44 M0 N45 (Spiebaanbreedte te groot) N46 M30 Let op: 282 Heidenhain 26-9-2002
LINEAIRE MEETBEWEGING G145 Gereedschapcorrectie: K0: Gereedschapcorrectie aan Meetposities gecorrigeerd voor gereedschaplengte en -radius. Meetposities in roterende assen worden niet gecorrigeerd voor de gereedschapgegevens. K1: Gereedschapcorrectie uit. Meetposities worden niet gecorrigeerd. Wanneer de meetposities worden gecorrigeerd op basis van afmetingen van de meettaster, gelden de volgende aannames: - De meettaster is parallel aan de gereedschapas geplaatst - De meettaster is volkomen rond - De meettasterbeweging vindt loodrecht op het te meten oppervlak plaats E-parameter: Het nummer van de E-parameter waarin de gemeten aspositie wordt opgeslagen (bijv. X7=2), geeft aan dat de meetwaarde in de X-as in parameter E2 wordt opgeslagen. X7=E1 (E1=5) betekent dat de meetwaarde in E5 wordt opgeslagen. Status van de meettaster: E...=0: de geprogrammeerde eindpositie is bereikt. Er werd echter geen meetpunt vastgesteld. De toegekende E-parameters die meetwaarden bevatten, blijven onveranderd. E...=1: tijdens de meetbeweging werd een meetpunt vastgesteld. De meetpositie werd in de E-parameters opgeslagen. E...=2: de G145-regel werd uitgevoerd tijdens de regelzoekactie, test of demo-modus. Statuscontrole (I3=) De controle van de meetvoeler binnen de G145 kan voor bepaalde apparatuur (laser) worden uitgeschakeld. De laser heeft geen signaal. Standaardwaarde is nul. Bij bedrijf met G182 kunnen de functies G145 t/m G150 niet worden gebruikt. In alle genoemde bedrijfsmodi wordt aan de E-parameter voor de status van de meettaster de waarde 2 toegekend. Omdat deze parameter in de meetmacro's wordt gecontroleerd, kan de toepassing van parameters zonder meetgegevens worden voorkomen. 26-9-2002 MillPlus IT V510 283
OPVRAGEN VAN DE STATUS VAN DE MEETTASTER G148 23.61 Opvragen van de status van de meettaster G148 N... G148 {I1=...} E... Parameters Voorbeeld : N110 G148 E27 N115 G29 E91=E27=2 E91 N=300 : N300 M0 (actuele modus: regelzoekactie, test, demo) : N400 M30 Opmerking Status van de meettaster I1=1 of niet geprogrammeerd (standaardwaarde) E...=0: De geprogrammeerde eindpositie is bereikt. Er is echter geen meetpunt vastgesteld. De toegekende E-parameters, die meetwaarden bevatten, blijven onveranderd. E...=1: Er is tijdens de meetbeweging een meetpunt vastgesteld. De meetpositie is in de E- parameters opgeslagen. E...=2: De G145-regel is tijdens de regelzoekactie, test of demo uitgevoerd. E...=3: Er is sprake van een fout in de meettaster; er kan niet worden gemeten. De prioriteit voor de statuscode van de meettaster is als volgt: 1 : Code 2 (aktieve modus) 2 : Code 3 (meettasterfout) 3 : Code 0 of 1 (meettastercontact) I1=2 E...= 0: E...= 1: I1=3 E...= 0: E...= 1: Tijdens de meting is geen meetpunt bepaald Tijdens de meting is een meetpunt bepaald Informatie van IPLC: Taster/laser niet ingeschakeld Informatie van IPLC: Taster/laser ingeschakeld Zie documentatie over tastsysteem. Bij bedrijf met G182 mogen de functies G148 t/m G150 niet worden gebruikt. 284 Heidenhain 26-9-2002
OPVRAGEN VAN DE GEREEDSCHAP- OF NULPUNTSVERSCHUIVINGSWAARDEN G149 23.62 Opvragen van de gereedschap- of nulpuntsverschuivingswaarden G149 Opvragen van een actief gereedschap: N.. G149 T0 E.. Opvragen van de afmetingen van het gereedschap: N.. G149 T.. {T2=..} {L1=..} {R1=..} {M1=..} Opvragen van de status van het gereedschap: N.. G149 T.. E.. Opvragen van actieve nulpuntsverschuivingswaarden: N.. G149 N1=0/1 E.. Palletverschuivingswaarden opvragen: N.. G149 N1=0/1 E.. Opvragen van opgeslagen nulpuntsverschuivingswaarden: Met standaard nulpunten of MC84=0: N.. G149 N1=51..59 [(asadres)7=..] {(asadres)7=..} Met uitgebreide nulpunten met MC84>0: N.. G149 N1=54.[NR] [(asadres)7=..] {(asadres)7=..} {B47=...} Opvragen van programmeerbare nulpuntsverschuivingswaarden: N... G149 N1=92 {93} [(asadres)7=...] {(asadres)7=...} Opvragen van aktuele posities van X, Y en Z: N... G149 [(asadresse)7=...]{(asadrese)7=...} Parameters Opmerkingen De gereedschapstatus kan vanuit het gereedschapgeheugen in de aangegeven E-Parameter geladen worden. De gereedschapstatus kan door de volgende waarden beschreven worden: E... = 1 gereedschap is vrijgegeven en gemeten E... = 0 gereedschap is vrijgegeven, maar nog niet gemeten E... = -1 gereedschap is geblokkeerd E... = -2 gereedschapstandtijd is bereikt E... = -4 gereedschapbreuk E... = -8 gereedschapsnijkracht is bereikt E... = -16 gereedschapstandtijd is kleiner als T3 geprogrammeerd 26-9-2002 MillPlus IT V510 285
OPVRAGEN VAN DE GEREEDSCHAP- OF NULPUNTSVERSCHUIVINGSWAARDEN G149 Een combinatie van foutmeldingen is ook mogelijk: E... = -13 betekend: foutmelding -8, -4, -2 en 1. Voorbeelden 1: Opvragen van het nummer van het actieve gereedschap. N100 G149 T0 E1 E1 bevat het nummer van het actieve gereedschap 2: Opvragen van de afmetingen van het actieve gereedschap. N100 G149 T12 L1=5 R1=6 E5 bevat de gereedschaplengte E6 bevat de gereedschapradius 3: Opvragen van de actieve functie van de nulpuntsverschuiving N100 G149 N1=0 E2 N110 G149 N1=1 E3 E2 bevat de actieve nulpuntsverschuiving (51 of 52) E3 bevat de actieve opgeslagen nulpuntsverschuiving (53...59) 4: Opvragen van verschuiving G54 N100 G149 N1=54 X7=1 Z7=2 of N100 G149 N1=54.[nr] X7=1 Z7=2 E1 bevat de verschuiving in X E2 bevat de verschuiving in Z 5: Oproepen van verschuiving G54 met rotatiehoek (MC84>0) N100 G149 N1=54.[nr] X7=1 B47=2 E1 bevat de verschuiving in X E2 bevat de rotatiehoek van het coördinatensysteem 6: Oproepen van de reststandtijd M1=: N100 G149 T1 M1=3 (Reststandtijd van T1 in parameter E3 opslaan) Let op: De gereedschapcorrectie-index 0, 1 of 2 kan worden aangegeven. De standaardwaarde is T2=0. Vanaf V400: T2=0: Gereedschapsradius = radius (R) + overmaat (R4=). Gereedschapslengte = lengte (L) + overmaat (L4=). Het is beter om G321 te gebruiken. 286 Heidenhain 26-9-2002
VERANDEREN VAN DE GEREEDSCHAP- OF NULPUNTSVERSCHUIVINGSWAARDEN G150 23.63 Veranderen van de gereedschap- of nulpuntsverschuivingswaarden G150 Veranderen van gereedschapgegevens in het gereedschap-geheugen: N.. G150 T.. {T2=..} L1=.. R1=.. M1=.. Veranderen van de gereedschapsstatus in het gereedschapgeheugen: N.. G150 T.. E.. Veranderen van nulpuntsverschuivingsgegevens in het gereedschapgeheugen: Met standaard nulpunten of MC84=0: N.. G150 N1=51..59 [(asadres)7=..] {(asadres)7=..} Parameters Met uitgebreide nulpunten met MC84>0: N.. G150 N1=54.[NR] [(asadres)7=..] {(asadres)7=..} {B47=...} Opmerkingen De gereedschapstatus kan vanuit het gereedschapgeheugen in de angegeven E-Parameter geladen worden. De gereedschapstatus kan door de volgende waarden beschreven worden: E... = 1 gereedschap is vrijgegeven en gemeten E... = 0 gereedschap is vrijgegeven, maar nog niet gemeten E... = -1 gereedschap is geblokkeerd E... = -2 gereedschapstandtijd is bereikt E... = -4 gereedschapbreuk E... = -8 gereedschapsnijkracht is bereikt E... = -16 gereedschapstandtijd is kleiner als T3 geprogrammeerd Een combinatie van foutmeldingen is ook mogelijk: E... = -13 betekend: foutmelding -8, -4, -2 en 1. Voorbeelden 1. Veranderen van gereedschapgegevens in het gereedschapgeheugen: N50 G150 T1 L1=E2 R1=4 2. Veranderen van nulpuntsverschuivingsgegevens in het gereedschapgeheugen: N70 G150 N1=57 X7=E1 Z7=E6 of N70 G150 N1=57.[nr] X7=E1 Z7=E6 3. Wijzigen van een nulpuntverschuiving met de rotatiehoek van het coördinatensysteem: N70 G150 N1=57.[nr] X7=E1 B47=E2 4. Wijzigen van de reststandtijd M1=: N110 G150 T1 M1=10 (wijzigen van de nieuwe reststandtijd van T1 op 10 minuten) 26-9-2002 MillPlus IT V510 287
G174 GEREEDSCHAP TERUGTREKKEN 23.64 G174 Gereedschap terugtrekken Terugtrekkende beweging voor de gereedschapsas bij frezen met 5 assen. Formaat G174 {L...} {X1=.. of Y1=.. of Z1=..} Aanwijzingen en toepassing Uitvoering (geen X1=, Y1=, Z1=) Met deze functie wordt het gereedschap in de richting van de gereedschapsas uit het materiaal gehaald (alleen bij geprogrammeerde Z-as). Het gereedschap wordt teruggetrokken totdat de 'eerste' software-eindschakelaar wordt bereikt. De richting van de beweging wordt bepaald door de stand van de freeskop. Uitvoering (X1=.. of Y1=.. of Z1=..) Met een X1= of Y1= of Z1= in het programma, wordt vastgelegd, welke as bewegen moet. Een combinatie van X1=, Y1= en Z1= is niet toegestaan (P414). Er wordt niet in de gereedschapsas bewogen. Met X1=1 wordt bedoeld, dat alleen de X-as bewegen mag. Als X1= en Y1= en Z1= niet geprogrammeerd zijn, wordt aangenomen, dat alle assen vrij mogen bewegen. 1 Uitgangspositie L Terugtrekafstand 2 Eindpositie A Begrenzing door software-eindschakelaar 288 Heidenhain 26-9-2002
G174 GEREEDSCHAP TERUGTREKKEN Niet toegestane G-functies, als G174 aangeroepen wordt: Als G174 aangeroepen wordt, mogen de volgende (modale) G-functies niet actief zijn: G64, G197, G198, G199, G200, G201, G203, G204, G205, G206, G207, G208 Als een van deze niet toegestane G-functies actief is, wordt een foutmelding P77 'G-functie en Gxxx niet toegestaan' uitgegeven. Terugtrekafstand (L) De terugtrekafstand (L > 0) definieert de afstand, die in de gereedschapsrichting gelopen wordt. Als L groter is dan de afstand tot de software-eindschakelaar, wordt een foutmelding (Z31) gegeven. Als L niet ingegeven is, wordt tot de software-eindschakelaar gelopen. Uitvoering (G0) G174 wordt met ijlgang uitgevoerd of met F6= als F6=-<Voeding regelgewijs> is geprogrammeerd. Na G107 is G0 of G1 uit de vorige regel modaal weer actief. Voorbeeld: Terugtrekbeweging van gereedschap. N10 G174 L100 Gereedschap wordt 100 mm teruggetrokken. N.. N30 G174 L100 X1=1 Gereedschap beweegt 100 mm in de X-as. 26-9-2002 MillPlus IT V510 289
CILINDERINTERPOLATIE OPHEFFEN OF HET BASIS-COÖRDINATENSYSTEEM ACTIVEREN G180 23.65 Cilinderinterpolatie opheffen of het basis-coördinatensysteem activeren G180 Opheffen van het cilindrische coördinatensysteem of definiëren van het hoofdvlak en de gereedschapas (basis-coördinatensysteem). Parameters N... G180 [hoofdas 1] [hoofdas 2] [gereedschapas] basis-coördinatensysteem Algemene principes De normale uitdrukking is G180 X1 Y1 Z1 Alleen de volgende configuraties zijn mogelijk: hoofdas 1 X hoofdas 2 Y gereedschapas Z of W Drie afzonderlijke informaties zijn bepalend voor de juiste werkwijze: 1) G17/G18/G19 bepaalt de gereedschapas (G17 Z). 2) G180 bepaalt, welke assen er moeten worden omgezet (G17 W in Z). 3) De machineconstanten voor de definitie van de gereedschapas moet juist zijn. (Gereedschapas W hoort bij Z.) Opmerkingen en toepassing De functies G41...G44, G64, asrotatie (G92/G93 B4=) en G141 moeten gedeactiveerd worden, voordat G180 wordt geactiveerd. De gereedschaplengtecorrectie is actief op de gedefinieerde gereedschapas. De radiuscorrectie is actief in het hoofdvlak. De machineconstanten moeten op de juiste manier worden ingesteld. Wanneer de gereedschappas de vierde as is, moet MC117 = 3 zijn (zelfde als Z-as). MC3401 = 0 (de gereedschapas is een lineaire as). Er kunnen alleen cartesische coördinaten worden gebruikt. Wanneer G180 wordt geprogrammeerd terwijl de radiuscorrectie nog actief is, wordt deze door G180 gedeactiveerd. Het is aan te bevelen om de radiuscorrectie met G40 te deactiveren en vervolgens op het basiscoördinatensysteem over te gaan. Voorbeeld N12340 N1 G17 T1 M6 N2 G54 N3 F1000 S1000 M3 N4 G180 X1 Y1 Z1 N5 G81 Y2 B10 Z-22 N6 G79 X0 Y0 Z0 Hoofdvlak XY en gereedschapas Z activeren. Cyclus definiëren. Boren, waarbij de voedingsbeweging op de Z-as wordt uitgevoerd. 290 Heidenhain 26-9-2002
BASIS-COÖRDINATENSYSTEEM/CILINDER-COÖRDINATENSYSTEEM G182 23.66 Basis-coördinatensysteem/cilinder-coördinatensysteem G182 Selectie van het cilindrische coördinatensysteem. Met dit systeem kunnen op eenvoudige wijze contouren en posities op het gebogen cilinderoppervlak worden geprogrammeerd. Activeren van het cilindrische coördinatensysteem: N.. G182 [cilinderas] [rondas] {gereedschapas} Ijlgang bij actieve G182: N.. G0 [cilinderas] [rondas] (gereedschapas} Lineaire voedingsbeweging: N.. G1 [cilinderas] [rondas] (gereedschapas} {F..} Cirkelvormige voedingsbeweging: N.. G2/G3 [cilinderas] [rondas] R.. Terugkeer naar het basis-coördinatensysteem: N.. G180 of M30, Softkey 'Programma afbreken', softkey 'Reset CNC'. Parameters 26-9-2002 MillPlus IT V510 291
BASIS-COÖRDINATENSYSTEEM/CILINDER-COÖRDINATENSYSTEEM G182 G182 A1 X2 Z3 R.. of (zoals tot nu toe) G182 A1 X1 Z1 R.. G182 B1 Y2 Z3 R.. of (zoals tot nu toe) G182 B1 Y1 Z1 R.. G182 C1 Z2 X3 R.. of (zoals tot nu toe) G182 C1 X1 Z1 R.. G182 C1 Y2 Z3 R.. Specificaties van het cilindervlak Opmerkingen De woorden X,Y,Z,A,B,C mogen niet zonder een waarde geprogrammeerd worden. De configuratie voor de cilinderinterpolatie wordt in de G182-regel geprogrammeerd: - Standaardconfiguratie Rotatieas A1 B1 C1 Cilinderas X1 Y1 Z1 Gereedschapas Y1/Z1 X1/Z1 X1/Y1 Cilinderradius R R R - Uitgebreide configuratie (V321) Rotatieas gemarkeerd met 1 A1 B1 C1 Cilinderas gemarkeerd met 2 X2/Y2/Z2 X2/X2/Z2 Z2/X2/Y2 Gereedschapas gemarkeerd met 3 Y3/Z3/X3 X3/Z3/Y3 X3/Y3/Z3 Cilinderradius R R R 292 Heidenhain 26-9-2002
Voorbeeld Machineconstanten BASIS-COÖRDINATENSYSTEEM/CILINDER-COÖRDINATENSYSTEEM G182 De machinenconstanten voor de assendefinities moeten kloppen. MC 102 = 1, MC103 = 88 (X-as) MC 107 = 2, MC108 = 89 (Y-as) MC 112 = 3, MC113 = 90 (Z-as) MC 117 = 4 hoort bij as 1 (4-3), MC118 = 65 (A-as draait om de X-as) MC 122 = 6 hoort bij as 3 (6-3), MC123 = 67 (C-as draait om de Z-as) De infrezing op het gebogen oppervlak van een cilinder (diameter 40 mm) dient met een tweesnijdende stiftfrees (diameter 9,5 mm) te worden gefreesd. De bewerkingsdiepte bedraagt 4 mm. De loodrechte bewerking van het werkstuk geschiedt in rondas C, cilinderas Z en de gereedschapas Y. N12340 N1 G18 S1000 T1 M66 N2 G54 N3 G182 Y1 C1 Z1 R20 N4 G0 Y22 C0 Z15 M3 N5 G1 Y16 F200 N6 G43 Z10 N7 G41 N8 G1 C23.84 N9 G3 Z14.963 C55.774 R15 N10 G1 Z38.691 C116.98 N11 G2 Z42 C138.27 R10 N12 G1 C252.101 N13 G2 Z37 C266.425 R5 N14 G1 Z26 N15 G3 Z10 C312.262 R16 N16 G1 C365 N17 G40 N18 G41 Z20 N19 G1 C312.262 N20 G2 Z26 C295.073 R6 N21 G1 Z37 N22 G3 Z52 C252.101 R15 N23 G1 C138.27 N24 G3 Z45.383 C95.691 R20 26-9-2002 MillPlus IT V510 293
BASIS-COÖRDINATENSYSTEEM/CILINDER-COÖRDINATENSYSTEEM G182 N25 G1 Z21.654 C34.484 N26 G2 Z20 C23.84 R5 N27 G1 C0 N28 G40 N29 G180 N30 G0 Y100 M30 Let op: Er kunnen alleen Cartesische coördinaten worden gebruikt. Wanneer G182 wordt geactiveerd, mogen de volgende functies niet actief zijn : G41-G44, G64, G92/G93 B4=, G141 Wanneer G182 actief is, kunnen de volgende functies niet worden geprogrammeerd: G25/G26, G27/G28, G51-G59, G61/G62 G70/G71, G73, G92/93. De gereedschapradius dient slechts een fractie kleiner te worden gekozen dan de insteekbreedte. (ondersnijdingen!) Beperking: Cilinderradius >5mm <500mm 294 Heidenhain 26-9-2002
23.67 Definitie van het grafisch venster G195 DEFINITIE VAN HET GRAFISCH VENSTER G195 Definiëren van de afmetingen van een grafisch 3D-venster en de ligging daarvan gerelateerd aan het nulpunt W. N.. G195 X.. Y.. Z.. I.. J.. K.. {B..} {B1=..} {B2=..} Parameters Voorbeeld N9000 N1 G17 N2 G195 X-30 Y-30 Z-70 I170 J150 K100 N3 G199 : Definitie van het grafisch venster Begin van de grafische contourbeschrijving 23.68 Einde grafische contourbeschrijving G196 N.. G196 Voorbeeld : N2 G195 X... Y... Z... I... J... K... N3 G199 X... Y... Z.. B.. C.. N4 G198 X.. Y.. Z.. D.. : : N25 G197 X.. Y.. D.. : : N35 G196 : Definitie van het grafisch venster Begin van de grafische contourbeschrijving Begin van de buitencontourbeschrijving Begin van de binnencontourbeschrijving Einde van de grafische contourbeschrijving 26-9-2002 MillPlus IT V510 295
BEGIN VAN DE BINNEN-/BUITENCONTOURBESCHRIJVING G197/G198 23.69 Begin van de binnen-/buitencontourbeschrijving G197/G198 Definiëren van het startpunt van een binnencontour: N.. G197 X.. Y.. {Z..} D.. {I1= } Definiëren van het startpunt van een buitencontour: N.. G198 X.. Y.. {Z..} D.. {I1= } Parameters Voorbeeld Zie G199 Let op: Het contourstartpunt heeft betrekking op de verschuiving in de G199-regel. De contour dient gesloten te zijn. De binnencontour dient binnen de buitencontour te liggen. Een binnencontour kan niet binnen een andere binnencontour liggen. Mogelijke kleuren (I1=): 1 rood 11 lichtrood 2 groen 12 lichtgroen 3 geel 13 lichtgeel 4 blauw 14 lichtblauw 5 grijs 15 lichtmagenta 6 cyaan 16 lichtcyaan 7 wit 17 lichtwit 8 zwart 18 zwart 9 voorgrond 19 voorgrond 10 achtergrond 20 achtergrond 296 Heidenhain 26-9-2002
23.70 Begin grafische contourbeschrijving G199 BEGIN GRAFISCHE CONTOURBESCHRIJVING G199 Definiëren van de positie van een ruwdeelcontour of een machinedeel (bijv. opspaninrichtingen), waarmee het gereedschap in botsing zou kunnen komen. Een botsing kan tijdens de grafische simulatie worden onderkend. Definiëren van een ruwdeelcontour: N.. G199 [startcoördinaten] B1 {C1} {C2} Definiëren van een machinedeelcontour: N... G199 [startcoördinaten] B2 {C1} {C2} Tekenen van een contourtijdens de simulatie van de draadmodelgrafiek. N... G199 {startcoördinaten] B3 {C1} {C2} Tekenen van een of meer meetkundige elementen (lijnen of cirkels) tijdens de simulatie van het grafische draadmodel. N... G199 [coördinaten van de positie] B4 {C1} {C2} C1 Beschrijving in relatie tot M C2 Beschrijving in relatie tot W Parameters Voorbeeld 26-9-2002 MillPlus IT V510 297
BEGIN GRAFISCHE CONTOURBESCHRIJVING G199 Elke opspaninrichting wordt in een separate macro beschreven. Het startpunt van de contour van de opspaninrichting wordt met behulp van twee parameters geprogrammeerd : E1 : X-coördinaat van het contourstartpunt, gerelateerd aan het programmanulpunt E2 : Y-coördinaat van het contourstartpunt, gerelateerd aan het programmanulpunt Macro voor de linker opspaninrichting (afbeelding boven) N1991 N1 G92 X=E1 Y=E2 N2 G199 X0 Y0 Z0 B2 C2 Begin van de grafische contourbeschrijving N3 G198 X0 Y0 Z0 D10 Begin van de buitencontourbeschrijving N4 G1 X45 N5 Y5 N6 X53 N7 Y25 N8 X45 N9 Y30 N10 X0 N11 Y0 N12 G197 X30 Y15 D-10 Begin van de binnencontourbeschrijving N13 G2 I35 J15 N14 G196 Einde van de grafische contourbeschrijving N15 G92 X=-E1 Y=-E2 Macro voor de rechter opspaninrichting (afbeelding boven, 180 gedraaid) N1992 N1 G92 X=E1 Y=E2 N2 G199 X0 Y0 Z0 B2 C2 N3 G198 X0 Y0 Z0 D10 N4 G1 X-45 N5 Y-5 N6 X-53 N7 Y-25 N8 X-45 N9 Y-30 N10 X0 N11 Y0 N12 G197 X-30 Y-15 D-10 Begin van de binnencontourbeschrijving N13 G2 I-35 J-15 N14 G196 Einde van de grafische contourbeschrijving N15 G92 X=-E1 Y=-E2 298 Heidenhain 26-9-2002
BEGIN GRAFISCHE CONTOURBESCHRIJVING G199 Grafisch deel van het deelprogramma: N199000 (hoofdprogramma) N1 G17 N2 G54 N3 S1200 T1 M6 N4 G195 X-20 Y-20 Z-60 I180 J110 K70 N5 G199 X0 Y0 Z0 B1 C2 Begin van de grafische contourbeschrijving N6 G198 X0 Y0 D-50 Begin van de buitencontourbeschrijving N7 G1 X70 N8 Y20 N9 X120 N10 Y60 N11 X70 N12 Y80 N13 X0 N14 Y0 N15 G197 X31 Y40 D-20 Begin van de binnencontourbeschrijving N16 G2 I36 J40 N17 G196 Einde van de grafische contourbeschrijving N18 G22 N=1991 E1=-48 E2=25 Oproepen van de macro voor het linker spangereedschap N19 G22 N=1992 E1=168 E2=55 Oproepen van de macro voor het rechter spangereedschap : N200 M30 26-9-2002 MillPlus IT V510 299
UNIVERSEEL-KAMERFREESCYCLUS G200-G208 23.71 Universeel-kamerfreescyclus G200-G208 Met behulp van de universele kamercyclus kunnen CNC-programma's voor het frezen van willekeurig gevormde kamers, met of zonder eilanden, sneller en eenvoudiger worden gecreerd. Programmaformaat: N99999 N1 G17 N2 G54 N3 \ : > Normale bewerking N96 / N97 G200 N98 G81 N99 G22 N=.. Startpunten voorboren N100 G201 N1=.. N2=.. Start van de kamerbeschrijving voor het frezen van de kamer N101 G203 N1=.. Start van de kamercontourbeschrijving N102 \ : > Kamercontourbeschrijving N109 / N110 G204 Einde kamercontourbeschrijving N111 G205 N1=.. Start eilandcontourbeschrijving N112 \ : > Contourbeschrijving eiland 1 N118 / N119 G206 Einde eilandcontourbeschrijving N120 G205 N1=.. Start eilandcontourbeschrijving N121 \ : > Contourbeschrijving eiland 2 : / N130 G206 Einde eilandcontourbeschrijving N220 G207 X.. Y.. N=.. N1=.. Oproepen eilandcontourmacro N221 G203 / G205 Start kamer- / eilandcontourbeschrijving N222 G208 Contourbeschrijving parallellogram N223 G204 / G206 Einde kamer- / eilandcontourbeschrijving N131 G202 Einde kamercontourcyclus N350 G22 N=.. Nabewerken van de contour N351 G22 N=.. Nabewerken eiland 1 N352 G22 N=.. Nabewerken eiland 2 : N500 M30 300 Heidenhain 26-9-2002
MACRO'S VOOR HET BEREKENEN VAN DE CONTOURKAMERCYCLUS G200 23.72 Macro's voor het berekenen van de contourkamercyclus G200 N.. G200 Deze functie dient vóór de te berekenen universele kamercycli te worden geprogrammeerd en geeft aan dat: - de coördinaten van de freesbanen moeten worden berekend (voor zover deze nog niet berekend zijn). - de freesbanen in een door de CNC gegenereerde macro geprogrammeerd worden; het nummer (N1=..) van deze bewerkingsmacro wordt in een G201-regel geprogrammeerd. - indien noodzakelijk (aangeduid door N2=.. in een G201-regel), een tweede macro voor het boren van de startpunten wordt gegenereerd. - indien noodzakelijk (aangeduid in een G203- of G205-regel), de macro's (N1=..) voor de verdere nabewerking van de contouren worden gegenereerd. Alle bedrijfscondities zoals bewerkingsvlak, nulpuntsverschuivingen en gereedschapcorrecties dienen te worden geactiveerd voordat de G200-functie wordt uitgevoerd. Puntdefinities (G78) die voor de opgave van de kamercontour worden gebruikt, moeten vóór de G200-regel worden gedefinieerd. Een G200-regel kan in een macro worden opgenomen; de kamer wordt echter alleen in macro's gezocht die dieper zijn genest. De CNC berekent de macro's voordat het programma wordt uitgevoerd. Daarom worden regels tussen G200 en G201 in eerste instantie genegeerd. Nadat de macro's zijn gegenereerd, worden deze regels afgewerkt. Alle universele kamercycli, die tussen een G200-regel en G202 of M30 geprogrammeerd zijn, worden gelijktijdig berekend. Het bewerkingsvlak (G17/G18/G19) moet gedefiniëerd worden voordat G200 of nadat G202 geprogrammeerd wordt. Opmerking Vanaf V321 worden gegenereerde macro's voor de bediener niet meer zichtbaar in het macrogeheugen getoond. Mocht men een macro in een ander programma gebruiken, dan moet eerst in het macrogeheugen het macronummer ingegeven worden. Dan pas verschijnt de macro zichtbaar in het macrogeheugen en kan deze in- en uitgelezen worden. 26-9-2002 MillPlus IT V510 301
START CONTOURKAMER-FREESCYCLUS G201 23.73 Start contourkamer-freescyclus G201 Start van de beschrijving van een kamer (met inbegrip van eventuele eilanden). De regel bevat de technologische gegevens die nodig zijn voor de berekening van de freesbanen. Gedurende de bewerking begint het frezen van de kamer bij de G201-regel. Parameters N... G201 Y... Z... N1=.. N2=.. {B...} {I..} {J..} {K..} {R..} {F..} {F2=..} Deze woorden zijn onafhankelijk van het geselecteerde bewerkingsvlak. Het I-woord heeft geen voorteken. Wanneer I niet is geprogrammeerd, wordt de onder MC 720 opgeslagen waarde gebruikt. Let op: De adressen (met name Y en Z) zijn onafhankelijk van het actieve vlak. Bij het uitvoeren van de G201-functie worden de functies G90, G40 en G63 automatisch geactiveerd. De functies G201/G202, G203/G204 en G205/G206 dienen in hetzelfde programma/dezelfde macro te staan. Tussen G201 en G202 mogen alleen de volgende functies geprogrammeerd worden: G203/G204, G205/G206 en G207. Tussen G203/G204 en G205/G206 mogen alleen de volgende functies geprogrammeerd worden: G1, G2/G3, G208, G63/G64, G90, G91. De bewegingen G1, G2/G3 beperken zich tot het hoofdvlak. Gereedschapas- en rotatie-ascordinaten zijn niet toegestaan. Na de kamerbeschrijving dient het programma met een absolute positie te worden voortgezet. E-parameters mogen uitsluitend voor contourbeschrijvingen worden gebruikt. Berekeningen moeten vóór G200 worden uitgevoerd. 302 Heidenhain 26-9-2002
EINDE CONTOURKAMERCYCLUS G202 23.74 Einde contourkamercyclus G202 Afsluiting van de totale kamerbeschrijving. N.. G202 Let op: Bij het uitvoeren G202 worden G0, G40, G63 en G90 automatisch geactiveerd. Bij G202 word het berekenen van universele kamercycli beeïndigd. Bij de volgende G200 wordt de berekening voortgezet. 23.75 Start kamercontourbeschrijving G203 Parameters N.. G203 X.. Y.. Z.. N1=.. {P..} {B1=..} {B2=..} {L2=..} {P1=..} De gereedschapas-coördinaten moeten steeds in de G203 regel aanwezig zijn. Let op: Bij het uitvoeren van G203 worden G1, G63 en G90 automatisch geactiveerd. Het eerste punt van een contourbeschrijving dient in een G203-regel te zijn aangegeven. Ook de nabewerking van de contour begint op dit punt. De kamerbodem dient parallel te liggen aan het bewerkingsvlak. De kamerkanten moeten loodrecht op de kamerbodem staan. Twee elementen van dezelfde kamer mogen elkaar niet snijden of raken. Bij de nabewerking dient de programmeur erop te letten, dat hij de gereedschapdiameter kleiner kiest dan de afstand van de smalste plaats in de kamer van het gereedschap. Contourbeschadigingen worden bij de nabewerking door de besturing niet onderkend. 23.76 Einde kamercontourbeschrijving G204 Deze functie beëindigt de beschrijving van de kamercontour. N.. G204 26-9-2002 MillPlus IT V510 303
START EILANDCONTOURBESCHRIJVING G205 23.77 Start eilandcontourbeschrijving G205 De contour van een eiland wordt op dezelfde wijze beschreven als de contour van een kamer. De beschrijving begint met G205 en de absolute startpositie van het eiland. Parameters N.. G203 X.. Y.. N1=.. {Z..} {P..} {B1=..} {B2=..} {L2=..} {P1=..} Let op: De CNC gaat ervan uit dat het eiland- en kameroppervlak van gelijke hoogte zijn. Indien het eiland boven het kameroppervlak uitsteekt, kan met behulp van het B-woord in de G201-regel een botsing tussen de frees en het werkstuk tijdens de beweging van het ene naar het andere startpunt worden voorkomen. G205 geeft opdracht tot de activering van G1, G63 en G90. De gereedschapas mag niet worden geprogrammeerd. De contour van een eiland dient gesloten te zijn. Twee eilanden mogen elkaar niet snijden of raken. Eilanden dienen in de kamer te liggen en mogen de zijden niet snijden of raken. De zijden van een eiland dienen loodrecht op het bodemoppervlak te staan. 23.78 Einde van de eilandcontourbeschrijving G206 De contourbeschrijving wordt afgesloten met G206. De beschrijving voor kamercontouren geldt eveneens voor eilandcontouren. N.. G206 304 Heidenhain 26-9-2002
OPROEPEN EILANDCONTOUR-MACRO G207 23.79 Oproepen eilandcontour-macro G207 N... G207 X.. Y.. Z.. N=.. N1=.. Er zijn drie mogelijkheden: 1. Hetzelfde eiland komt op een andere plaats voor in dezelfde kamercontour. 2. Dezelfde eilandcontour komt voor in een andere kamercontour. 3. Dezelfde eilandcontour komt in een ander programma voor. Doordat de eilandcontour deel uitmaakt van een macro, kunnen de drie mogelijkheden op dezelfde wijze worden verwerkt. Parameters Voorbeeld De macro van de eilandcontour luidt: N9xxx G205 X.. Y.. N1=.. : N1 \ : > Eilandcontour N.. / N G206 N9xxx geeft hier die macromarkering weer. De macro wordt opgeroepen met de functie G207. N.. G201 : N.. G207 N=9xxx X1 Y1 N.. G207 N=9xxx X=(X1-X2) Y=(Y1-Y2) N.. G202 26-9-2002 MillPlus IT V510 305
OPROEPEN EILANDCONTOUR-MACRO G207 1: Eiland waarvan de contour als macro is geprogrammeerd P1 : Startpunt van de contourbeschrijving (G205-regel) 2: Gewenste positie van het eiland P2 : Startpunt van de verschoven contour X..: Afstand parallel aan X-as van P1 naar P2 Y..: Afstand parallel aan Y-as van P1 naar P2 Let op: Het onderprogramma dat in de G207-regel wordt opgeroepen, mag geen programmering met G63/G64 bevatten. Een eilandcontour kan het best met de coördinaten X0,Y0 beginnen (nulpuntverschuiving). In de regel G207 kan dan het beginpunt worden geprogrammeerd, zonder dat er een berekening nodig is. Dezelfde macro van de eilandcontour luidt dan: N9xxx G205 X0 Y0 N1=.. N.. \ : > eilandcontour met nulpuntverschuiving N.. / N.. G206 N9xxx geeft hier de macro-identificatie weer. De macro wordt opgeroepen met de functie G207. N.. G201 : N.. G207 N=9xxx X=X2 Y=Y2 N.. G207 N=9xxx X=X1 Y=Y1 N.. G202 Het onderprogramma voor de eilandcontour kan in absolute of incrementele coördinaten worden geprogrammeerd. 306 Heidenhain 26-9-2002
23.80 Contourbeschrijving parallellogram G208 CONTOURBESCHRIJVING PARALLELLOGRAM G208 Met de functie G208 kan op eenvoudige wijze een regelmatig vierkant, met name een rechthoek of een parallellogram, worden geprogrammeerd. Parameters N... G208 X.. Y.. {Z..} {I..} {J..} {R..} {B1=..} Voorbeeld G203 X (=X1) Y (=Y1) Z (=Z1) B1= (=A) G208 X (=X) Y (=Y) B1= (=B) G204 Let op: De kamerbodem dient altijd parallel te lopen aan het hoofdvlak. 26-9-2002 MillPlus IT V510 307
CONTOURBESCHRIJVING PARALLELLOGRAM G208 Kamercontour, voorbeeld Kamer met eilanden. Er wordt rekening gehouden met het voorboren van de startpunten en de nabewerking van de contouren. N82150 N1 G17 N2 G54 N3 G98 X-10 Y-10 Z10 I320 J320 K-60 N4 G99 X0 Y0 Z0 I300 J300 K-40 N5 F200 S3000 T2 M6 N6 G200 N7 G81 Y2 Z-20 M3 (voorboren van de startpunten) N8 G22 N=9992 N9 S2500 T3 M6 (uitruimen van de kamer) N10 G201 Y0.1 Z-20 B2 I50 R10 F200 N1=9991 N2=9992 F2=100 N11 G203 X70 Y40 Z0 N1=9993 N12 G64 N13 G1 X260 B1=0 I1=0 N14 G1 I30 N15 G1 X260 Y260 B1=90 I1=0 (kamercontour) N16 G1 I30 N17 G1 X40 Y260 B1=180 I1=0 N18 G1 I30 N19 G1 X40 Y70 B1=270 N20 G63 N21 G204 N22 G205 X100 Y80 N1=9994 N23 G208 X-30 Y30 J-1 (eiland 1) N24 G206 N25 G205 X190 Y80 N1=9995 308 Heidenhain 26-9-2002
N26 G91 N27 Y50 (eiland 2) N28 X40 Y-50 N29 G90 N30 G206 N31 G205 X150 Y130 N1=9996 N32 G2 I150 J150 (eiland 3) N33 G206 N34 G205 X110 Y210 N1=9997 N35 G208 X-40 Y40 J-1 B1=135 (eiland 4) N36 G206 N37 G205 X180 Y200 N1=9998 N38 G91 N39 G1 Y30 N40 X20 (eiland 5) N41 X30 Y-30 N42 G90 N43 G206 N44 G202 N45 F200 S2200 T4 M6 N46 G22 N=9993 N47 F200 S2500 T5 M6 N48 G22 N=9994 (nabewerking) N49 G22 N=9995 N50 G22 N=9996 N51 G22 N=9997 N52 G22 N=9998 N53 G0 Z100 M30 CONTOURBESCHRIJVING PARALLELLOGRAM G208 26-9-2002 MillPlus IT V510 309
G227/G228 ONBALANSMONITOR: UIT/AAN 23.81 G227/G228 Onbalansmonitor: UIT/AAN G227 G228 Onbalansmonitor uitschakelen. Onbalansmonitor inschakelen. Voor beschrijving zie Hoofdstuk "Draaien". 310 Heidenhain 26-9-2002
23.82 G240/G241 Contour bewaking: UIT/AAN G240/G241 CONTOUR BEWAKING: UIT/AAN G240 Contour bewaking bij gecorrigeerd (radius) contour: UIT G241 Contour bewaking bij gecorrigeerd (radius) contour: AAN' Deze functies zijn alleen bruikbaar in programma s met G41 en/of G42. G241 I1= Controle: 0 = Geen richtingscontrole (compatibel met vorige versies) 1 = Richtingscontrole of de gecompenseerde cirkel en de geprogrammeerde cirkel in dezelfde richting lopen (basis instelling) 2 = Richtingscontrole of die gecompenseerde lijn (G0/G1) of cirkel, en de geprogrammeerde lijn (G0/G1) of cirkel, in dezelfde richting lopen. Opmerkingen en gebruik Zie ook G41/G42. Modaliteit G240 en G241 zijn tezamen modaal. Uitschakelen G241 wordt uitgeschakeld met G240, M30, <Programm-Abbruch> of <CNC-Rücksetzen>. Programmeer fouten Als een richtingsomkeer bepaald is, komt de foutmelding: P412 <Gecorrigeerd contour in verkeerde richting> Richtingsomkeer Als de gereedschapsradius te groot is, kan een richtingsomkeer plaatsvinden en kan het werkstuk beschadigt worden. Na activering van G241 wordt in zo n geval een foutmelding gegeven. a. Het contour AB-BC wordt geprogrammeerd. Bij actieve radius correctie wordt het gereedschap langs CD teruggetrokken. Als BC kleiner is dan de dubbele gereedschapsradius, dan wordt het gereedschap gedurende beweging van B' naar C' en van C' naar D' met het werkstuk botsen. 26-9-2002 MillPlus IT V510 311
G240/G241 CONTOUR BEWAKING: UIT/AAN b. De in het volgende plaatje voorgestelde contour wordt geprogrammeerd. Als de lijn kleiner is dan de dubbele gereedschapsradius, dan wordt het gereedschap gedurende de bewerking met het gereedschap botsen. c De in het volgende plaatje voorgestelde contour wordt geprogrammeerd. Het gereedschap loopt naar punt B1, daarna van B1 naar C1 en aansluitend parallel langs CD. De bewegingsrichting gedurende de beweging van B1 naar C1 is gelijk aan de voor de cirkel BC geprogrammeerde bewegingsrichting. Als de cirkelbeweging BC te klein is, loopt het gereedschap bijna een complete cirkel, voordat het C1 bereikt. 312 Heidenhain 26-9-2002
24. Specifieke G-functies voor macro's OVERZICHT: SPECIFIEKE G-FUNCTIES VOOR MACRO'S 24.1 Overzicht: Specifieke G-functies voor macro's Foutmeldingsfuncties G300 Oproep programma fout G301 Foutmelding in ingelezen programma of macro Uitvoeringsfuncties G302 Radiuscorrectie parameters overschrijven G303 M19 met programmeerbare richting Opvraagfuncties G319 Opvragen van actieve technologie G320 Opvragen van actuele G-gegevens G321 Opvragen gereedschapstabel G322 Opvragen machineconstanten G324 Opvragen van actuele modale G-functie G325 Opvragen actuele modale M-functie G326 Opvragen van actuele aspositie G327 Opvragen bedieningsmodus G329 Opvragen kinematische correctiewaarde Schrijffuncties G331 G339 Rekenfuncties: G341 Wegschrijven naar de gereedschapstabel Schrijven kinematische correctiewaarde Berekening van G7-vlakhoeken. Schrijffuncties met formaat G350 Schrijven naar venster G351 Schrijven naar bestand 26-9-2002 MillPlus IT V510 313
G300 OPROEP PROGRAMMA FOUT 24.2 Foutmeldingsfuncties 24.2.1 G300 Oproep programma fout Programmeren van foutmeldingen bij het uitvoeren van universele programma's of macro's. Formaat G300 D... oder D1=... Aanwijzingen en toepassing D zijn algemene freesfoutmeldingen (P), D1= zijn foutmeldingen (R) voor het draaien (G36). Er kunnen alleen foutmeldingen uit de bestaande foutenlijst P worden gebruikt. (Zie Foutenlijst P en O in het hoofdstuk: Diversen). Voorbeeld Zetten van foutmeldingen, wanneer een geprogrammeerde hoek niet is toegestaan. N9999 (macro voor het berekenen van de tafeldraaiing) : (E4 is de ingangswaarde voor de hoek phi) : N110 G29 I1 E30 N=180 E30=(E4>360) Als E4 > 360, dan sprong naar N180 N120 G29 I1 E30 N=210 E30=(E4<0) Als E4 < 0, dan sprong naar N210 N150 G29 I1 E30 N=290 E30=1 Sprong naar N290 (0 <= E4 <= 360 ) : N180 G300 D190 Foutmelding (phi >360 ): Geprogrammeerde waarde > maximale waarde Programma moet worden beëindigd en er moet een gewijzigde E4 worden ingevoerd N190 N210 G300 D191 (geprogrammeerde waarde < minimale waarde) : N290 Normaal programma 314 Heidenhain 26-9-2002
FOUTMELDINGSFUNCTIES 24.2.2 G301 Foutmelding in ingelezen programma of macro Foutmelding in ingelezen programma of macro. Formaat G301 (O... verkeerde originele regel) Aanwijzingen en toepassing G301 wordt gegenereerd, wanneer er bij het inlezen van een programma of macro een leesfout wordt vastgesteld. De functie kan slechts binnen foutieve programma's en macro's staan. De functie kan niet in MDI worden ingevoerd. De foutmeldingen zijn de bestaande O-fouten. (Zie Foutenlijst P, O en F in het hoofdstuk: Algemeen). Voorbeeld Goede programma op de harddisk opgeslagen. Het programma werd met MC84 = 0 gecreëerd. N9999 (programma...) N1 G17 N2 G57 N3 T1 M6 N4 F200 S1000 M3 : N99 M30 Foutief programma in het RAM-geheugen. Uitgebreide nulpuntverschuiving is actief (MC84 > 0) N9999 (ERR*) (programma...) N1 G17 N2 G301 (O138 G57) N3 T1 M6 N4 F200 S1000 M3 : N99 M30 G301 geeft aan dat de regel verkeerd is. G57 moet G54 I3 zijn. Opmerking: Dit foutieve programma kan worden uitgevoerd. Er wordt gestopt bij de regel G301 en de foutmelding P33 (tekst in de omgezette regel wijzigen) verschijnt. Deze regel moet gewijzigd worden en het programma moet opnieuw worden gestart. 26-9-2002 MillPlus IT V510 315
G302 RADIUSCORRECTIE PARAMETERS OVERSCHRIJVEN 24.3 Ausführungs- Funktionen 24.3.1 G302 Radiuscorrectie parameters overschrijven De G302-functie overschrijft de actieve gereedschapsparameters tijdens de uitvoering. De gereedschapsparameters in het gereedschapsgeheugen worden niet veranderd. In deze versie kan alleen de O-parameter voor de gereedschapsoriëntatie worden overschreven. Voor beschrijving zie hoofdstuk Draaien". 24.3.2 G303 M19 met programmeerbare richting M19 met programmeerbare richting (CW of CCW). Formaat G303 M19 D... {I2=...} Aanwijzingen en toepassing Alleen de functie M19 kan worden geprogrammeerd. De basisinstelling voor I2=3. Voorbeeld: Spil stoppen met M19. N100 G303 M19 D75 I2=4 Georiënteerde spilstop Hoek 75 graden CCW 316 Heidenhain 26-9-2002
OPVRAAGFUNCTIES 24.4 Opvraagfuncties 24.4.1 G319 Opvragen van actieve technologie Opvragen van actieve F (voeding), S (toerental),.s1 (snijsnelheid/toerental) of T (gereedschapsnummer). Formaat G319 I1=.. E... {I2=..} Beschikbare functies: I1=1 Voeding (F) I1=2 Toerental (S) I1=3 Gereedschapsnummer (T) I1=4 Snijsnelheid/toerental (S1=) (alleen draaien) I1=5 Constante snijvoeding (F1= bij G41/G42) I1=6 Insteekvoeding (F3=) I1=7 Vlakvoeding (F4=) I1=8 Rondasvoeding (F5=) I2=0 Geprogrammeerde waarde (basisinstelling) I2=1 Actuele waarde Aanwijzingen en toepassing Uitlezen van adres zonder waarde Als het adres niet bestaat, wordt de E-parameter gevuld met 999999999. Voorbeeld Uitlezen van de actieve voeding en opslaan van de waarde in E-parameter 10. N... G319 I1=1 E10 I1=1 voedingswaarde opvragen, de waarde is in E10 opgenomen 26-9-2002 MillPlus IT V510 317
G320 OPVRAGEN VAN ACTUELE G-GEGEVENS 24.4.2 G320 Opvragen van actuele G-gegevens Opvragen van adreswaarden van de actuele modale G-functie en opslaan van deze waarde in de daartoe bestemde E-parameter. Formaat G320 I1=.. E... Aanwijzingen en toepassing Basisinstellingen Bij het starten van de machine worden alle waarden geïnitialiseerd. De meeste waarden worden ingesteld op nul. Uitlezen van actieve modale G-functies Met G324 kan worden opgevraagd of er een G-functie actief is. Met G320 kan altijd bepaalde informatie worden opgevraagd. Eenheid van het resultaat Het resultaat wordt uitgedrukt in millimeters of voor posities in inches. Graden voor hoeken. Keuzenummer G-functie Resultaat Basisinstelling I1=Keuzenummer min max. G7 Bewerkingsvlak zwenken 1 Ruimtehoek A-as -180--180 0 2 Ruimtehoek B-as -180--180 0 3 Ruimtehoek C-as -180--180 0 G8 Gereedschap zwenken 4 Ruimtehoek A-as -180--180 0 5 Ruimtehoek B-as -180--180 0 6 Ruimtehoek C-as -180--180 0 G9 Poolpunt (maatreferentiepunt definiëren) 7 Poolcoördinaat X-as 0 8 Poolcoördinaat Y-as 0 9 Poolcoördinaat Z-as 0 Resultaat van G17, G18, G19, G180 en G182 10 Eerste hoofdas 1--3 11 Tweede hoofdas 1--6 12 Gereedschapas 1--3 1=X, 2=Y, 3=Z, 4=A, 5=B, 6=C G25 Voedings- en spil-override geldig 13 Voedings- en spil-override actief 0 G26 Voedings- en spil-override niet geldig 13 Voedings- en spil-override niet actief 1--3 1=F=100%, 2=S=100%, F en S=100% 318 Heidenhain 26-9-2002
OPVRAAGFUNCTIES G27 Positioneerfuncties 14 Voedingsbeweging (I3=) 0 15 IJlgangbeweging (I4=) 0 16 Positioneringslogica (I5=0) 0 17 Acceleratievermindering (I6=) 100% 18 Contournauwkeurigheid (I7=) MC765 G28 Positioneerfuncties 14 Voedingsbeweging (I3=) 0--1 15 IJlgangbeweging (I4=) 0--1 16 Positioneringslogica (I5=0) 0--1 17 Acceleratievermindering (I6=) 5 100% 18 Contournauwkeurigheid (I7=) 0 10.000 µm of MC765 G39 Overmaat in-/uitschakelen 19 Lengte-overmaat (L) 0 20 Radiusovermaat (R) 0 G52 Nulpuntverschuiving pallet 21 Nulpuntverschuiving in X-as 0 22 Nulpuntverschuiving in Y-as 0 23 Nulpuntverschuiving in Z-as 0 24 Nulpuntverschuiving in A-as 0 25 Nulpuntverschuiving in B-as 0 26 Nulpuntverschuiving in C-as 0 G54 Standaard-nulpuntverschuiving 27 Nulpuntverschuiving in X-as 0 28 Nulpuntverschuiving in Y-as 0 29 Nulpuntverschuiving in Z-as 0 30 Nulpuntverschuiving in A-as 0 31 Nulpuntverschuiving in B-as 0 32 Nulpuntverschuiving in C-as 0 33 Rotatiehoek 0 G92/G93 Incrementele of absolute nulpuntverschuiving 34 Nulpuntverschuiving in X-as 0 35 Nulpuntverschuiving in Y-as 0 36 Nulpuntverschuiving in Z-as 0 37 Nulpuntverschuiving in A-as 0 38 Nulpuntverschuiving in B-as 0 39 Nulpuntverschuiving in C-as 0 40 Rotatiehoek 0 Totale nulpuntverschuiving (G52 + G54 + G92/G93) 41 Nulpuntverschuiving in X-as 0 42 Nulpuntverschuiving in Y-as 0 43 Nulpuntverschuiving in Z-as 0 44 Nulpuntverschuiving in A-as 0 45 Nulpuntverschuiving in B-as 0 46 Nulpuntverschuiving in C-as 0 47 Rotatiehoek 0 G72 Spiegelen en maatfactor activeren 48 Maatstaf factor vlak (A4=) 1 49 Maatstaf factor gereedschapas (A4=) 1 50 Spiegelen in X-as 1 51 Spiegelen in Y-as 1 52 Spiegelen in Z-as 1 53 Spiegelen in A-as 1 26-9-2002 MillPlus IT V510 319
G320 OPVRAGEN VAN ACTUELE G-GEGEVENS 54 Spiegelen in B-as 1 55 Spiegelen in C-as 1 G73 Spiegelen en maatfactor activeren 48 Maatstaf factor vlak (A4=) 1 49 Maatstaf factor gereedschapas (A4=) 1 MC714 0= bewerkingsvlak factor 1= bewerkingsvlak procentueel 2= alle lineaire assen factor 3= alle lineaire assen procentueel 50 Spiegelen in X-as -1--1 51 Spiegelen in Y-as -1--1 52 Spiegelen in Z-as -1--1 53 Spiegelen in A-as -1--1 54 Spiegelen in B-as -1--1 55 Spiegelen in C-as -1--1 Systeem asnummer afhankelijk van machineconstanten (MC103, MC105, enz.) 56 X-as 0--6 0=niet actief, 1 6 asnummer bijv. informatie voor asnummer 1 staat in de MC3100- en MC4700-reeks, enz. 57 Y-as 0--6 58 Z-as 0--6 59 A-as 0--6 60 B-as 0--6 61 C-as 0 6 Informatie van actuele gereedschappen (Waarde is nul, als T0 actief is of geen waarde ingegeven is): 62 Actuele gereedschapslengte (L/L1=/L2= + L4= + G39 L) 63 Actuele gereedschapsradius (R/R1=/R2= + R4= + G39 R) 64 Actuele gereedschapshoekradius (C) 65 Aktuelle gereedschapsorientatie (O of G302 O) Voorbeelden Opvragen van actuele G-gegevens en geheugens van de waarde in de E-parameter. N11 G320 I1=10 E11 I1=10 eerste hoofdas opvragen E11 bevat het resultaat E11=1 X-as is eerste hoofdas. N12 G320 I1=11 E12 I1=11 tweede hoofdas opvragen E12 bevat het resultaat E12=2 Y-as is tweede hoofdas N12 G320 I1=12 E13 I1=12 gereedschapas opvragen E13 bevat het resultaat E13=3 Z-as is gereedschapas 320 Heidenhain 26-9-2002
OPVRAAGFUNCTIES 24.4.3 G321 Opvragen gereedschapstabel Opvragen van waarden uit de gereedschapstabel. Format G321 T.. I1=.. E... Aanwijzingen en toepassing Gereedschapsnummer en positie Het gereedschapsnummer (T) moet bekend zijn. De positie (P) in de gereedschapstabel kan niet worden opgevraagd. Opvragen van gereedschapstabel waarden zonder inhoud. Wanneer aan de E-parameter de waarde -999999999 is toegekend, is het adres in de gereedschapstabel leeg. Indeling: I1=1 L Gereedschapslengte I1=2 R Gereedschapsradius I1=3 C Gereedschapshoekradius I1=4 L4= Overmaat lengte I1=5 R4= Overmaat radius I1=6 G Grafische weergave I1=7 Q3= Type gereedschap I1=8 Q4= Aantal gereedschapstanden I1=9 I2= Snijrichting I1=10 A1= Insteekhoek I1=11 S Gereedschapsafmetingen I1=12 E Gereedschapsstatus I1=13 M Gereedschapsstandtijd I1=14 M1= Resterende gereedschapsstandtijd I1=15 M2= Standtijdbewaking van gereedschap I1=16 B Breuktolerantie van gereedschap I1=17 B1= Breukbewaking van gereedschap I1=18 L1= Eerste extra gereedschapslengte I1=19 R1= Eerste extra gereedschapsradius I1=20 C1= Eerste extra gereedschapshoekradius I1=21 L2= Tweede extra gereedschapslengte I1=22 R2= Tweede extra gereedschapsradius I1=23 C2= Tweede extra gereedschapshoekradius I1=24 L5= Slijtagetolerantie lengte I1=25 R5= Slijtagetolerantie radius I1=26 L6= Meetverschuiving lengte 26-9-2002 MillPlus IT V510 321
G322 OPVRAGEN MACHINECONSTANTEN I1=27 R6= Meetverschuiving radius I1=28 Q5= Breukbewakingscyclus gereedschap (0-9999) Voorbeeld Programmaregels voor het opvragen van de gereedschapstabel. N30 G321 T10 I1=1 E1 Leesopdracht T (gereedschapsnummer) I1=1 Informatie via het gereedschapsadres E1 is E-parameter L (gereedschapslengte) wordt in E-Parameter 1 ingesteld N40 G321 T10 I1=2 E10 N50 G321 T10 I1=3 E20 N60 G321 T10 I1=4 E2 N70 G321 T10 I1=5 E11 N80 E3=E1+E2 N90 E12=E10+E11 (R (gereedschapsradius) wordt in E-parameter 10 ingesteld) (C (gereedschapshoekradius) wordt in E-parameter 20 ingesteld. Indien aan C geen waarde is toegekend, is E20=-999999999) (L4 (overmaat lengte) wordt in E-parameter 2 ingesteld) (R4 (overmaat radius) wordt in E-parameter 11 ingesteld) (De juiste gereedschapslengte (E3) is L+L4 (E1+E2)) (De juiste gereedschapsradius (E12) is R+R4 (E10+E11)) 24.4.4 G322 Opvragen machineconstanten Uitlezen van een machineconstantewaarde en opslaan van deze waarde in de daarvoor bedoelde E-parameter. Format G322 E.. N1=... Aanwijzingen en toepassing Opvragen van machineconstanten zonder inhoud Wanneer er adressen uit de tabel met machineconstanten worden opgeroepen die niet zichtbaar zijn, dan wordt de E-parameter niet gewijzigd. Voorbeeld Universele programmaregels, die voor beide typen nulpunttabellen kunnen worden gebruikt. N40 E5= E6= N50 G322 N1=84 C10 N60 G29 E1 N=90 E1=E10>0 N70 G150 N1=57 X7=E5 Z7=E6 N80 G29 E1 N=100 E1=1 N90 G150 N1=54.03 X7=E5 Z7=E6 N100.. Machineconstante 84 wordt gezet in E10 Vergelijken of MC84 > 0. In dat geval sprong naar N90 Wijzigen van de nulpuntverschuivingstabel ZO.ZO Sprong naar N100 Wijzigen van de nulpuntverschuivingstabel ZE.ZE 322 Heidenhain 26-9-2002
OPVRAAGFUNCTIES 24.4.5 G324 Opvragen van actuele modale G-functie Opvragen van actuele modale G-functie en opslaan van deze waarde in de daarvoor bedoelde E-parameter. Format G324 I1=.. E... Aanwijzingen en toepassing Opvragen van groep zonder inhoud Wanneer de groep of de G-functie niet bestaat, wordt de E-parameter niet gewijzigd. Indeling: I1= G-functie 1 G0, G1, G2, G3, G6, G9 2 G17, G18, G19 3 G40, G41, G42, G43, G44, G141 4 G53, G54, G54_I, G55, G56, G57, G58, G59 5 G64, G63 6 off, G81, G83, G84, G85, G86, G87, G88, G89, G98 7 G70, G71 8 G90, G91 10 G94, G95 11 G96, G97 (alleen draaien) 12 G36, G37 (alleen draaien) 13 G72, G73 14 G66, G67 15 Off, G39 16 G51, G52 17 G196, G199 19 G27, G28 20 G25, G26, G26_S, G26_F_S 21 Off, G9 22 G202, G201 24 G180, G182, G180_XZC 26 Off, G141 27 Off, G7 28 Off, G8 29 G106, G108 (vanaf versie V510). Resultaten In het algemeen is het reseutaat gelijk aan de waarde van de modale G-functie. Voorbeeld: G324 I1=3 geeft, als G40 actif is, als resultaat de waarde 40. Uitzonderingen zijn: Off geeft waarde 0. G26_S, G26_F_S geeft 26. G54_I geeft 54.nn, waarbij nn de index is. G180_XYZ geeft 180. Voorbeeld Uitlezen van de G-functie (I1=2) en opslaan van de waarde in E-parameter 10. N... G324 I1=2 E10 I1=2 G-functie groep 2 opvragen E10 bevat het resultaat E10 =17 G17 is actief 26-9-2002 MillPlus IT V510 323
G325 OPVRAGEN ACTUELE MODALE M-FUNCTIE 24.4.6 G325 Opvragen actuele modale M-functie Opvragen van de actuele modale M-functie en opslaan van deze waarde in de daarvoor bedoelde E-parameter. Formaat G325 I1=.. E... Aanwijzingen en toepassing Opvragen van groep zonder inhoud Wanneer de groep of de M-functie niet bestaat, wordt de E-parameter niet gewijzigd. Betekenis van M-functies Enkele van deze M-functies zijn M-basisfuncties, die beschreven zijn in het hoofdstuk M-functies. De overige functies zijn machine-afhankelijke M-functies. Raadpleeg het handboek van de machinefabrikant voor meer infomatie hierover. Gekombineerde M-functies (M13 en M14). M13 en M14 zijn gekombineerde M-functies. (M13=M3 + M8). Deze functies moeten door twee regels bepaald worden. N... G325 I1=1 E10. N... G325 I1=3 E11 als E10=3 en E11=8, dan is M13 actif. Groepsindeling Groep I1= M-functie 1 off, M5, M3, M4, M19 2 off, M40, M41, M42, M43, M44 3 M9, M7, M8 4 off, M17, M18, M19 5 off, M10, M11 6 off, M22, M23 7 off, M32, M33 8 off, M55 9 off, M51, M52 10 off, M53, M54 11 off, M56, M57, M58 12 off, M72, M73 13 off, M1=.. Resultaat In het algemeen is het resultaat gelijk aan de waarde van de modale M-functies. Voorbeeld: G325 I1=2 geeft, als M40 actif is, als resultaat de waarde 40. Uitzonderingen zijn: Off geeft waarde 0. Voorbeeld Uitlezen van de M-funktie (I1=1) en opslaan van de waarde in E-parameter 10. N... G325 I1=1 E10 I1=1 M-functie groep 1 opvragen In E10 is het resultaat opgenomen E10 =5 M5 is actief 324 Heidenhain 26-9-2002
OPVRAAGFUNCTIES 24.4.7 G326 Opvragen van actuele aspositie Opvragen van een actuele aspositie en bewaren deze waarde in de daarvoor bestemde E- parameter. Format G326 {X7=..} {Y7=..} {Z7=..} {A7=..} {B7=..} {C7=..} {D7=..} {I1=..} {I2=..} I1= 0 Positie tot werkstuknulpunt (basisinstelling) 1 Positie tot machinenulpunt 2 Positie tot referentiepunt I2= 0 Geprogrammeerde waarde (basisinstelling) 1 Actuele waarde Aanwijzingen en toepassing Opvragen van niet aanwezige assen Als de as niet beschikbaar is, wordt de E-parameter gevuld met 999999999. Opvragen bij grafische simulatie Bij grafische simulatie wordt de X-, Y- en Z-as juist opgevraagd. De rotatie-assen blijven nul. Opvragen van spindelpositie (D7=): Als I1=0 is, is het resultaat, de geprogrammeerde spindelpositie van M19 of de geprogrammeerde spindelpositie in G700. Voorbeeld 1: Opvragen van de actuele asposities van X, Y en Z en bewaren van de waarden in de E- parameters 20, 21 en 22 N... G326 X7=20 Y7=21 Z7=22 Voorbeeld 2: Voortzetting van het programma na universele kamercyclus. N30 G202 Einde kamerfreescyclus N40 G326 X7=20 Y7=21 Onbekende huidige eindpositie van X en Y N50 G29 E1 N=90 E1=E20>100 Als huidige X-Positie >100, dan sprong naar N90 N60 G29 E1 N=90 E1=E20<-100 Als huidige X-Positie <-100, dan sprong naar N90 N70 G0 X-110 G0-beweging naar X-110, als de huidige X-positie tussen 100 und -100 ligt. Op deze manier kan bijvoorbeeld een obstakel ontweken worden N80 G0 Y 100 Verdere uitwijkbeweging 26-9-2002 MillPlus IT V510 325
G327 OPVRAGEN BEDIENINGSMODUS 24.4.8 G327 Opvragen bedieningsmodus Opvragen van de actuele bedrijfsmode en opslaan van deze waarde in de daarvoor bestemde E-parameter. Format G327 I1=.. E... Aanwijzingen en toepassing Groepsindeling Groep I1= Bedrijfsmode 1 Easy Operate 0 = niet actief, 1=actief 2 Regel 0 = niet actief, 1=actief 3 Grafiek 0 = niet actief, 1=actief 4 Proefbedrijf 0 = niet actief, 1=actief 5 Zoeken (search) 0 = niet actief, 1=actief 6 Demo 0 = niet actief, 1=actief Voorbeeld Uitlezen van de bedrijfsmode (I1=1) en opslaan van de waarde in E-parameter 10. N... G327 I1=1 E10 I1=1 : Controleren of Easy Operate actief is. E10 bevat het resultaat: 0= niet actief, 1=actief. 326 Heidenhain 26-9-2002
OPVRAAGFUNCTIES 24.4.9 G329 Opvragen kinematische correctiewaarde Opvragen van programmeerbare kinematische elementen en opslaan van deze waarden in daarvoor geprogrammeerde E-parameter.. Formaat N... G329 N1=.. E... Aanwijzingen en toepassing Programmeerbare kinematische elementen Een kinematisch element wordt gedefinieerd door een groep van 4 machineconstanten. De machinefabrikant kan aangeven of een bepaald kinematisch element programmeerbaar is. De derde machineconstante van de groep (MC602, MC606, enzovoort) moet daartoe de waarde 2 hebben. De waarden van deze programmeerbare kinematische elementen kunnen met G339 worden geprogrammeerd. Daarbij wordt de waarde van de vierde machineconstante van de groep (MC603, MC607, enzovoort) overschreven. Nummer van programmeerbare kinematische elementen Definieert het nummer van het programmeerbare element van het kinematische model dat wordt opgevraagd. Deze waarde ligt tussen 1 en 10. Voorbeeld: Uitlezen van een programmeerbaar kinematisch element en opslaan van de waarde in de E- parameter. N... G329 N1=1 E10 E10 bevat de inhoud van het programmeerbare kinematische element 1 (in mm of inches) 26-9-2002 MillPlus IT V510 327
G331 WEGSCHRIJVEN NAAR DE GEREEDSCHAPSTABEL 24.5 Schrijffuncties 24.5.1 G331 Wegschrijven naar de gereedschapstabel Wegschrijven van waarden naar de gereedschapstabel. Format G331 T.. I1=.. E... Aanwijzingen en toepassing Werkzeugnummer und Position Het gereedschapsnummer (T) moet bekend zijn. De positie (P) in de gereedschapstabel kan niet worden gewijzigd. Leegmaken van de gereedschapstabel Wanneer aan de E-parameter de waarde -999999999 is toegekend, wordt het adres in de gereedschapstabel leeg. Nieuwe informatie activeren De gewijzigde gereedschapsinformatie moet na het wegschrijven opnieuw worden geactiveerd. (T.. M67) Indeling: I1=1 L Gereedschapslengte I1=2 R Gereedschapsradius I1=3 C Gereedschapshoekradius I1=4 L4= Overmaat lengte I1=5 R4= Overmaat radius I1=6 G Grafische weergave I1=7 Q3= Type gereedschap I1=8 Q4= Aantal gereedschapstanden I1=9 I2= Snijrichting I1=10 A1= Insteekhoek I1=11 S Gereedschapsafmetingen I1=12 E Gereedschapsstatus I1=13 M Gereedschapsstandtijd I1=14 M1= Resterende gereedschapsstandtijd I1=15 M2= Standtijdbewaking van gereedschap I1=16 B Breuktolerantie van gereedschap I1=17 B1= Breukbewaking van gereedschap I1=18 L1= Eerste extra gereedschapslengte I1=19 R1= Eerste extra gereedschapsradius 328 Heidenhain 26-9-2002
SCHRIJFFUNCTIES I1=20 C1= Eerste extra gereedschapshoekradius I1=21 L2= Tweede extra gereedschapslengte I1=22 R2= Tweede extra gereedschapsradius I1=23 C2= Tweede extra gereedschapshoekradius I1=24 L5= Slijtagetolerantie lengte I1=25 R5= Slijtagetolerantie radius I1=26 L6= Meetverschuiving lengte I1=27 R6= Meetverschuiving radius I1=28 Q5= Breukbewakingscyclus gereedschap (0-9999) Het gereedschaps-commentaar kan niet veranderd worden. Voorbeeld N10 E5=100 (gereedschapslengte) L (gereedschapslengte) wordt in E-parameter 5 ingesteld N11 E6=10 (gereedschapsradius) R (gereedschapsradius) wordt in E-parameter 6 ingesteld N12 E7=-999999999 (gereedschapshoekradius) C (gereedschapshoekradius) wordt in E-parameter 7 ingesteld (Wanneer aan C geen waarde is toegekend, moet E7=-999999999 worden) N13 E8=0 (overmaat lengte) L4 (overmaat lengte) wordt in E-parameter 8 ingesteld N14 E9=0 (overmaat radius) R4 (overmaat radius) wordt in E-parameter 9 ingesteld N.. N20 G331 T10 I1=1 E5 N21 G331 T10 I1=2 E6 L (gereedschapslengte) Wegschrijven van E-parameter 5 in de gereedschapstabel R (gereedschapsradius) Wegschrijven van E-parameter 6 in de gereedschapstabel N22 G331 T10 I1=3 E7 C (gereedschapshoekradius) Wegschrijven van E- parameter 7 in de gereedschapstabel N23 G331 T10 I1=4 E8 L4 (overmaat lengte) Wegschrijven van E-parameter 8 in de gereedschapstabel N24 G331 T10 I1=5 E9 R4 (overmaat radius) Wegschrijven van E-parameter 9 in de gereedschapstabel N30 T10 M67 Gereedschap moet weer met de gewijzigde Informatie worden geactiveerd N.. N40 E8=0.3 L4 (overmaat lengte) E-parameter 8 wordt op 0,3 ingesteld N41 G331 T10 I1=4 E8 L4 (overmaat lengte) Wegschrijven van E-parameter 8 in de gereedschapstabel N50 T10 M67 Gereedschap moet weer met de gewijzigde informatie worden geactiveerd 26-9-2002 MillPlus IT V510 329
G339 SCHRIJVEN KINEMATISCHE CORRECTIEWAARDE 24.5.2 G339 Schrijven kinematische correctiewaarde Schrijven van programmeerbare kinematische elementen. Formaat G339 N1=.. E... {I1=...} Aanwijzingen en toepassing Programmeerbare kinematische elementen Een kinematisch element wordt gedefinieerd door een groep van 4 machineconstanten. De machinefabrikant kan aangeven of een bepaald kinematisch element programmeerbaar is. De derde machineconstante van de groep (MC602, MC606, enzovoort) moet daartoe de waarde 2 hebben. De waarden van deze programmeerbare kinematische elementen kunnen met G339 worden geprogrammeerd. Daarbij wordt de waarde van de vierde machineconstante van de groep (MC603, MC607, enzovoort) overschreven. Nummer van programmeerbare kinematische elementen Definieert het nummer van het programmeerbare element van het kinematische model dat wordt opgevraagd. Deze waarde ligt tussen 1 en 10. Schrijfwijze De schrijfwijze "incrementeel" (basisinstelling) betekent, dat de geprogrammeerde waarde bij de bestaande waarde wordt opgeteld. De schrijfwijze "absoluut" betekent, dat de bestaande waarde door de geprogrammeerde waarde wordt overschreven. De geprogrammeerde waarden blijven in het kinematische model bestaan en worden niet gereset met M30, <Programma annuleren> of <CNC reset>. Voorbeeld: Schrijven van een programmeerbaar kinematisch element. In het kinematische model is een ronde tafel gedefinieerd. Deze ronde tafel is voor iedere X-as door twee kinematische elementen gedefinieerd. De eerste is ingegeven door de machinefabrikant en bepaalt de positie van de ronde tafel. De tweede is een programmeerbaar element. Hiermee kan de exacte positie na meting worden gecorrigeerd in het kinematische model. N100 G145... (meten) Meten van de exacte positie N105 (berekening van alle parameters) N110 G339 N1=1 E10 I1=1 De inhoud van E10 wordt naar het eerste programmeerbare kinematische element weggeschreven. 330 Heidenhain 26-9-2002
REKENFUNCTIES 24.6 Rekenfuncties 24.6.1 G341 Berekening van G7-vlakhoeken Met G341 worden uit 3 gedefinieerde punten de vlakhoeken A5=, B5= en C5= berekend. Deze vlakhoeken worden bij G7 gebruikt om het vlak uit te richten. Formaat G321 {X1=.. Y1=.. Z1=.. X2=.. Y2=.. Z2=.. X3=.. Y3=.. Z3=..} O1=.. O2=.. O3=.. Aanwijzingen en toepassing X1= tot en met Z3= zijn E-parameter-nummers, die de coördinaten bevatten van de 3 punten, die het bewerkingsvlak definiëren.[mm of Inch]. De adressen X1=.tot en met Z3= moeten in principe allemaal geprogrammeerd worden. De 3 punten mogen niet identiek zijn en niet op een lijn liggen. Als de adressen X1= tot en met Z3= niet gegeven zijn, berekend G341 de A5=, B5= en C5= van de ingestelde gedraaide vlak. O1= O3= zijn de nummers van de E-parameters, waarin de berekende vlakhoeken A5=, B5= en C5= opgeslagen worden [graden]. O1=, O2= en O3= moeten geprogrammeerd worden. Als G7 of G8 actief is, moeten de ingaven waarden in het actieve coördinatensysteem gedefinieerd worden. G341 is niet toegestaan, als G19 actief is. Opmerking Als de door G341 gebruikte coördinaten waarden bestemt zijn voor G7, G8, G17, of G18, moet de berekening van de vlakhoeken door G341 in hetzelfde vlak uitgevoerd worden. Voorbeeld: Uitrichten van een schuin vlak. 26-9-2002 MillPlus IT V510 331
G341 BEREKENING VAN G7-VLAKHOEKEN Dit schuine vlak moet door 3 punten (P1 (X,Y,Z), P2 (X,Y,Z) en P3 (X,Y,Z)) gedefinieerd worden. Als het vlak te schuin is, om nauwkeurige meetresultaten te komen, kan het vlak gezwenkt worden. De 3 punten worden met de meettaster gemeten en de gemeten posities worden in de E-parameter E10 tot en met E18 opgeslagen: P1 (X, Y, Z) = E10, E11 en E12 P2 (X, Y, Z) = E13, E14 en E15 P3 (X, Y, Z) = E16, E17 en E18 De G341 berekend uit deze 3 punten de vlakhoeken en slaat de waarden in de E-parameter E20, E21 en E22. G341 X1=10 Y1=11 Z2=17 Z3=18 O1=20 O2=21 O3=22 Tot slot kan het schuine vlak met G7 uitgericht worden: G7 A5=E20 B5=E21 C5=E22 332 Heidenhain 26-9-2002
SCHRIJFFUNCTIES MET FORMAAT 24.7 Schrijffuncties met formaat Tot dusver waren alleen schrijffuncties voor het interne geheugen mogelijk. Vanaf nu zijn formaten beschikbaar voor: - schrijven naar het beeldscherm - schrijven naar een bestand op de harddisk - schrijven naar een bereik (array) - lezen van een getal uit een bereik (array) Configuratiebestand Voor deze acties zijn configuratiebestanden nodig, waarin wordt omschreven hoe en waar gelezen en geschreven kan worden. Deze configuratiebestanden worden op de harddisk opgeslagen en bij het opstarten van het systeem ingelezen. Er zijn twee configuratiebestanden mogelijk. 1) Bestand voor het definiëren en vullen van een bereik (array) met basisinstellingen. D:\STARTUP\CYCLES\ARRnnnnn.CFG waarin nnnnn een bestandsnummer van 1 tot en met 99999 kan zijn. 2) Bestand voor het definiëren van een afdrukbestand. D:\STARTUP\CYCLES\FORMnnnn.CFG. waarin nnnn een bestandsnummer van 1 tot en met 9999 kan zijn. 24.7.1 Bestand voor het definiëren en vullen van een bereik (array) met basisinstellingen Een bereik (array) wordt gedefinieerd met een configuratiebestand. Dit bestand wordt geactiveerd wanneer het systeem wordt opgestart. Er kunnen maximaal 10 bereiken (arrays) worden gedefinieerd. De eindgebruiker kan zelf een bestand definiëren. De grootte van het bereik (array) is maximaal 5000 elementen. Een element kan uit het bereik (array) worden gelezen met arrayread(nnnnn, rij, kolom). Als wordt geprobeerd een element te lezen dat niet bestaat, resulteert de functie in de de waarde -999999999. Beschrijving configuratiebestand bereik (array): ;commentaar begint met een ';' ; ;secties: ;[element] definieert een element in het bereik (array) ;row = rijnummer waarbij rijnummer = [1... 9999] ;col = kolomnummer waarbij kolomnummer = [1... 9999] ; rij * kolom <= 5000 ;val = waarde waarbij waarde = real number (double) ; 26-9-2002 MillPlus IT V510 333
E-PARAMETERS BEREIK (ARRAY) Voorbeeld: configuratiebestand bereik (array) ARRnnnnn.CFG [element] row = 1 col = 1 val = 0 ; element (1,1).=.0 [element] row = 3 col = 66 val = 397.01 ; element (3,66) = 397.01 [element] row = 9999 ;maximale rijgrootte col = 9999 val = -123456789.123456789 24.7.2 E-parameters bereik (array) Met een configuratiebestand kunnen meerdere bereiken (arrays) worden gevuld. Deze bereiken (arrays) kunnen tijdens de uitvoering met E-parameters worden uitgelezen. Voor bepaling van een onbalans worden daarmee de ijkkrommen ingelezen en geïnterpoleerd. arrayread (arraynummer, rij, kolom) waarbij: arraynummer geeft het nummer van het bereik (array). Ieder bereik (array) heeft een eigen configuratiebestand. Het arraynummer heeft een waarde tussen 1 en 89999. rij geeft het rijnummer in het bereik (array) dat wordt gelezen. Het rijnummer heeft een waarde tussen 1 en 999999. kolom geeft de positie in de rij van het bereik (array) dat wordt gelezen. Het kolomnummer heeft een waarde tussen 1 en 999999. Met de functie arrayread kunnen vaste bereiken (arrays) worden gelezen. De bereiken (arrays) worden gevuld met een configuratiebestand (D:\STARTUP\CYCLES\ARRnnnnn.CFG). Lege 'elementen' in het bereik (array) hebben de waarde < 999999999>. Voorbeeld: arrayread E300 = arrayread(100,1,2) E300 heeft de waarde van bereik (array) 100, rij 1, positie 2 334 Heidenhain 26-9-2002
SCHRIJFFUNCTIES MET FORMAAT 24.7.3 Configuratiebestand voor het definiëren van een bestand of venster (weergave/ingave) Een afdrukbestand (array) wordt gedefinieerd met een configuratiebestand. Dit bestand wordt geactiveerd wanneer het systeem wordt opgestart. Er kunnen maximaal 10 bestanden worden gedefinieerd. De eindgebruiker kan zelf bestanden definiëren. De grootte van de bestanden is onbeperkt. Beschrijving configuratiebestand voor afdrukbestand: ;commentaar begint met een ';' ; ;Sections: alleen voor een venster ;[window] definieert een aanwezig venster ;number= windowid waarbij windowid = 1 = output, center, 5x40 ; 2 = input, center, 1x40; ; 3 = graphic, above dashboard ;[file] definieert bestand (alleen voor G351) ;name = bestandsnaam waarbij de naam is ingedeeld in 8.3 ASCII-tekens ; De directory is altijd D:\STARTUP\ ; ;[string] definieert de positie en inhoud van de regel ;line = regelnummer waarbij regelnummer = [1... n] basisinstelling = 1 ;position= positienummer waarbij positienummer = [1... n] basisinstelling = 1 ;gb = "string" waarbei de regel <n> ASCII-tekens bevat ;d = "string" ; Er zijn teksten voor verschillende talen gedefinieerd. ; Code gb=, d=, f=.. of taalonafhankelijk gedefinieerd met: txt = ; ;[value] definieert positie, formaat en E-parameter voor de waarde ;line = regelnummer ;position= positienummer ;eparam= E-parameter waarbij het E-parameternummer = [1... MC83] ;form = digitdecimal waarbij digitdecimal = <digits>.<decimals> ;sign = yesno waarbij yesno = y = ruimte voor teken ; n = geen ruimte voor teken ; alleen voor ingave in venster: ;[input] definieert positie, formaat en E-parameter voor een ingaveveld ; alleen voor G350 en windowid = 2 ; er is slechts één sectie [input] toegestaan ;line = regelnummer ;position= positienummer ;eparam= E-parameternummer waarbij het E-parameternummer = [1... MC83] ;form = digitdecimal waarbij digitdecimal = <digits>.<decimals> ;sign = yesno waarbij yesno = y = ruimte voor teken ; n = geen ruimte voor teken 26-9-2002 MillPlus IT V510 335
G350 SCHRIJVEN NAAR VENSTER 24.7.4 G350 Schrijven naar venster Met E-parameters en een configuratiebestand kunnen bepaalde regels en waarden naar een venster worden geschreven. Ook kan op een bepaalde ingave worden gewacht. Het resultaat van een geconstateerde onbalans kan daarmee aan de gebruiker worden gemeld. Format G350 N1=.. I1=... N1= Definieert het configuratiebestand <'D:\STARTUP\CYCLES'\FORMnnnn.CFG> dat wordt gebruikt voor het formaat, de regels en E-parameters die worden geschreven. Het bestandsnummer heeft een waarde tussen 1 en 8999. I1= 0 = Venster wordt niet weergegeven. Inschakelstand. 1 = Venster wordt weergegeven. Aanwijzingen en toepassing Met G350 kan een vooraf gedefinieerd venster worden weergegeven. De teksten in het venster zijn vast gedefinieerd; de waarden worden voortdurend bijgewerkt met de gedefinieerde E-parameter. Wanneer er een ingaveveld is gedefinieerd, wacht het programma met de uitvoering totdat de gegevens zijn ingegeven en op <Start> is gedrukt. Er kan slechts één ingavevenster tegelijk actief zijn. Tot dusver zijn 3 vensters gedefinieerd: Nummer Venstertype Bedrijfsmode Positie 1 Weergave Handmatig Rechterzijde beeldscherm Automatisch Boven 'bedieningspaneel' 2 Ingave Handmatig Rechterzijde beeldscherm Automatisch Boven 'bedieningspaneel' 3 Grafische Handmatig Tot machinefunctietoetsen weergave Automatisch Boven 'bedieningspaneel' Zie ook het configuratiebestand. Grootte 14 regels, 35 tekens 1 regel, 35 tekens 14 regels, 70 tekens Het venster wordt ook weergegeven in de grafische weergave, maar niet tijdens het zoeken van regels. Het venster wordt niet meer weergegeven na M30 en <Programma annuleren>. 24.7.4.1 Schrijven naar venster N1 E11=45 gatnummer N2 E12=6 nummer N10.. G350 N1=3501 I1=1 schrijven naar venster bestand D:\STARTUP\CYCLES\FORM3501.CFG wordt gebruikt 336 Heidenhain 26-9-2002
SCHRIJFFUNCTIES MET FORMAAT Configuratiebestand weergave venster ;FORM3501.CFG [Window] number = 1 ;gebruikt vensternummer 1 van de beschikbare vensters. [string] line = 2 nl = " Boorpatroon " [string] line = 4 position = 1 nl = "Maximaal aantal gaten " [value] line = 4 position = 27 ; afdrukwaarde in veld op positie 27 en volgende eparam = 11 ; E-parameter E11 bevat de waarde form = 3.0 ; formaat 3 cijfers en 0 decimalen sign = n ; geen ruimte gereserveerd voor teken. [string] line = 5 position = 1 nl = "Aantal gaten" [value] line = 5 position = 27 ; afdrukwaarde in veld op positie 27 en volgende eparam = 12 form = 3.0 sign = n 24.7.4.2 Schrijven naar venster en vragen om information N10.. G350 N1=3502 I1=1 schrijven naar venster bestand D:\STARTUP\CYCLES\FORM3501.CFG wordt gebruikt Configuratiebestand weergave venster ;FORM3502.CFG [window] number = 2 ; gebruikt vensternummer 2 van de beschikbare vensters. [string] line = 1 position = 1 nl = "Aantal gaten op cirkel? [string] line = 2 position = 1 nl = "Aantal gaten" [input] eparam = 10 ; E-parameter E350 bevat de ingave van de gebruiker form = 3.0 ; formaat 3 cijfers en 0 decimalen sign = n ; geen ruimte gereserveerd voor teken. 26-9-2002 MillPlus IT V510 337
G351 SCHRIJVEN NAAR BESTAND 24.7.5 G351 Schrijven naar bestand Met E-parameters en een configuratiebestand kunnen bepaalde regels en waarden naar een tekstbestand in D:\Startup\ worden geschreven. Daarmee kunnen ijkkrommen voor registratie van onbalans worden aangemaakt. Formaat G351 N1=.. I1=... N1= Definieert het configuratiebestand <'directory'\formnnnn.cfg> dat wordt gebruikt voor het formaat, de regels en E-parameters die worden geschreven. Het bestandsnummer heeft een waarde tussen 1 en 9999. De directory kan iedere 'Cycle design'-dirctory zijn. Het configuratiebestand is hetzelfde als voor het schrijven naar een venster, alleen worden de secties [window] en [input] genegeerd. I1= Bepaalt of de gegevens aan het einde van een bestaand bestand worden toegevoegd of dat een eventueel bestaand bestand wordt overschreven. De basisinstelling is <0> voor toevoegen. Aanwijzingen en toepassing Met G351 worden regels en waarden van het configuratiebestand en E-parameters naar de harddisk geschreven. Er kunnen maximaal 50 regels van 255 tekens in één keer worden weggeschreven. Het bestand wordt niet weggeschreven in de grafische weergave of tijdens het zoeken naar regels. Voorbeeld: Protocol aanleggen van meetgegevens en schrijven naar een bestand Een kamerradius wordt in het programma gemeten De volgende gegevens, die met E-parameters beschikbaar zijn, moeten in een protocol worden vastgelegd: N10 (meting wordt in regel N12 tot en met N16 geprogrammeerd) N11 (hier als voorbeeld voor de resultaten van bijvoorbeeld meetcyclus G145) N12 E50=34.1 (instelwaarde) (ingegeven) N13 E51=34.05 (onderste tolerantiegrens) (ingegeven) N14 E52=34.15 (bovenste tolerantiegrens) (ingegeven) N15 E53=34.108 (actuele waarde) (gemeten) N16 E54=0.008 (verschil) (berekend) N20 G351 N1=0002 I1=0 (bestand schrijven) Bestand D:\STARTUP\CYCLES\FORM0002.CFG wordt gebruikt I1=0 is toevoegen Het bestand Messdat.txt wordt: radius instelwaarde = 34.1 onderste tolerantiegrens = 34.5 bovenste tolerantiegrens = 34.5 actuele waarde = 34.108 verschil = 0.008 ***************************** 338 Heidenhain 26-9-2002
SCHRIJFFUNCTIES MET FORMAAT Configuratiebestand protocol van meetgegevens FORM0002.CFG ;******************************************************************* ; CFG-bestand voor schrijven van meetgegevens ;******************************************************************* ;---- naam van bestand dat wordt opgeslagen in startup\ -------- [file] name = Messdat.txt ;---- soort meting ------------------------------ [string] line = 1 position = 1 d = radius ;---- instelwaarde -------------------------- [string] line = 2 position = 1 d = instelwaarde = [value] line = 2 position = 20 eparam = 50 form = 4.3 sign = y ;---- onderste tolerantiegrens -------------------------- [string] line = 3 position = 1 d = onderste tolerantiegrens = [value] line = 3 position = 20 eparam = 51 form = 4.3 sign = y ;---- bovenste tolerantiegrens -------------------------- [string] line = 4 position = 1 d = bovenste tolerantiegrens = [value] line = 4 position = 20 eparam = 52 form = 4.3 sign = y ;---- actuele waarde -------------------------- [string] line = 5 position = 1 26-9-2002 MillPlus IT V510 339
G351 SCHRIJVEN NAAR BESTAND d = actuele waarde = [value] line = 5 position = 20 eparam = 53 form = 4.3 sign = y ;---- verschil -------------------------- [string] line = 6 position = 1 d = verschil = [value] line = 6 position = 20 eparam = 54 form = 4.3 sign = y ;--------------------------------------- [string] line = 7 d = ***************************************************** 340 Heidenhain 26-9-2002
ALGEMENE AANWIJZINGEN 25. Gereedschapmeetcycli voor lasermetingen 25.1 Algemene aanwijzingen Beschikbaarheid De machinefabrikant moet de machine en MillPlus voor het tastsysteem TT120/TT130 of het lasermeetsystem voorbereiden. Raadpleeg uw machinehandboek. Programmering Voordat een G600-G604 functie aangeroepen wordt, moet M24 (Tastsysteem inschakelen) geprogrammeerd worden, waardoor het meetapparaat ingeschakeld en eventueel in die juiste meetpositie gedraaid wordt. Aan het einde moet M28 (Tastsysteem uitschakelen) geprogrammeerd worden, waardoor het meetapparaat weer in getrokken wordt. Er wordt geen rekening gehouden met eventuele rondassen en ze worden evenmin gepositioneerd. Het vrije bewerkingsvlak G7 en asrotatie G92/G93 B4 mogen niet actief zijn Onderscheid EASYoperate en DIN. Bij overschrijding van de tolerantie wordt de gereedschapstatus op E1 gezet en wordt in EASYoperate ook nog een foutmelding gegeven. Als bij de start van de cyclus de gereedschapstatus E=1 is, wordt in EASYoperate een foutmelding gegeven en in DIN wordt de cyclus overgeslagen. In EASYoperate wordt na een fout gestopt. In DIN wordt verder gegaan. Een eventuele reserve gereedschapswissel moet geprogrammeerd worden. Machineconstanten Het menu en de bijbehorende machineconstanten worden via de onderstaande machineconstanten geactiveerd: MC261 >0: Meetcyclus-functies MC254 >0: Gereedschap meten MC840 =1: Meettaster aanwezig MC854 =1: Gereedschap-meetinstrument type (0=geen, 1=Laser, 2=TT120/TT130) MC859 =1: Signaal type tweede taster (alleen voor V410) MC350 Positie 1 as negatief MC351 Positie 1 as positief MC352 Positie 2 as negatief MC353 Positie 2 as positief MC354 Positie 3 as negatief MC355 Positie 3 as positief De exacte posities worden na het kalibreren in MC350 tot MC355 vastgelegd. MC356 Meten: Radiale as: 1=X, 2=Y, 3=Z MC357 Meten: Gereedschapsas 1=X, 2=Y, 3=Z MC358 Meten: 3e as 0=uit, 1=aan MC359 Radiale meetzijde: -1=neg, 0=aut, 1=pos MC360 -- MC 369 zijn bedoeld voor een tweede lasermeetapparaat in een ander werkgebied of een voorzetspil. De IPLC bepaalt, welk gebied wordt gebruikt. MC370 Meten: Max. gereedschapsradius µm MC371 Meten: Max. gereedschapslengte µm MC372 Vrije ruimte onder laserstraal µm MC373 Vrije ruimte achter de laserstraal µm 26-9-2002 MillPlus IT V510 341
G600 LASERSYSTEEM: KALIBREREN 25.2 G600 Lasersysteem: kalibreren Bepalen van de positie van het lasermeetapparaat en het opslaan van deze posities waarden in de daarvoor voorziene machineconstanten. Formaat G600 {X... Y... Z...} {S...} {I1=..} Aanwijzingen en toepassing Rondloopfout bepalen (I1=) Met het adres I1= kunt u bepalen of de rondloopfout moet worden gemeten en in de gereedschapstabel bij het kalibreergereedschap moet worden opgeslagen. Het is raadzaam de rondloopfout eenmaal met een schone kalibratiedoorn te bepalen. I1= 0 Rondloopfout niet bepalen (basisinstelling) 1 Rondloopfout bepalen De radiale rondloopfout wordt in R4= van het gereedschapgeheugen opgeslagen. De axiale rondloopfout wordt in L4= in het gereedschapgeheugen opgeslagen en de lengte L wordt met de waarde van L4 verminderd. De som van L+L4 blijft constant. Toerental S = Toerental (aanbevolen waarde S3000) Het koelmiddel wordt door het links-rechts-linksverloop afgeschud. De spil wordt aan het einde van de cyclus met M5 uitgeschakeld. Kalibratiedoorn, adressen van het gereedschapgeheugen De afmetingen van de kalibratiedoorn worden in het gereedschapsgeheugen ingevoerd. L = Lengte van de kalibratiedoorn (onderzijde van het cilindrische gedeelte) R = Radius L1= Eerste extra lengte (bovenzijde van het cilindrische gedeelte) Lengte L1= wordt niet ingevoerd, wanneer gebruik wordt gemaakt van een cilinderpen. In dit geval wordt alleen de bovenzijde van de laserstraal gekalibreerd. De rondloopfouten R4 en L4 van de kalibratiedoorn worden door de kalibratiecyclus in het gereedschapgeheugen opgeslagen. R4= Radiale rondloopfout van kalibratiedoorn L4= Axiale rondloopfout van kalibratiedoorn 342 Heidenhain 26-9-2002
G600 LASERSYSTEEM: KALIBREREN Definitie van het kalibratiegereedschap in het gereedschapsgeheugen Positie van het meetgereedschap Bij het kalibreren wordt de exacte positie van het meetinstrument gemeten en in MC350-MC355 opgeslagen. De opgeslagen waarden zijn gerelateerd aan het machine-referentiepunt. Wanneer de kalibratiepositie van het meetapparaat wordt bepaald, moet het midden van de onderkant van de stift (maat L) in de lichtstraal (+/- 5 mm) worden geplaatst. X1,Y1,Z1 is de globale positie (met een nauwkeurigheid van +/- 5 mm) van het meetinstrument gerelateerd aan het machinenulpunt. Als X1, Y1 of Z1 niet zijn ingevoerd, worden de gekalibreerde posities uit de machineconstanten genomen. Nulpuntverschuivingen mogen niet actief zijn, wanneer X1, Y1 of Z1 zijn ingevoerd. Er moet kalibratiegereedschap gekozen zijn.t0 is niet toegestaan Voorbeelden: Voorbeeld: Kalibreren van lasermeetapparaat N... G600 X300 Y500 Z600 S3000 Voorbeeld: Kalibreren van het lasermeetapparaat, bepalen van de rondloopfout. N... G600 X300 Y500 Z600 I1=1 S3000 De rondloopfouten L4 en R4 worden in de gereedschaptabel opgeslagen, lengte L wordt aangepast (I1=1). De exacte X-, Y- en Z-posities worden in de machineconstanten opgeslagen. 26-9-2002 MillPlus IT V510 343
G601 LASERSYSTEEM: LENGTE METEN 25.3 G601 Lasersysteem: lengte meten Meten van lengte van centrisch gereedschap Formaat G601 {S...} {I1=} Aanwijzingen en toepassing Keuze van de gereedschapzijde (I1=) Van het gereedschap kan de onderkant of de bovenkant worden gemeten. I1= 0 Onderkant meten (basisinstelling) 1 Bovenkant meten Toerental S = Toerental (aanbevolen waarde S3000) Als de spil niet van tevoren is ingeschakeld (M5 of M19), wordt: - het koelmiddel door het links-rechts-linksverloop afgeschud. - de spil aan het einde van de cyclus met M5 uitgeschakeld. Als de spil van tevoren is ingeschakeld (M3 of M4), wordt aan het einde van de cyclus niet van richting veranderd en wordt de spil niet stilgezet. Adressen van het gereedschapgeheugen De onderstaande adressen uit het gereedschapsgeheugen worden gebruikt: L gereedschapslengte L4= Overmaat lengte L5= lengtetolerantie R6= radiuspositie voor lengtemeting E gereedschapsstatus Akties "Meten" (E=0 of geen waarde): bij de eerste meting wordt de gereedschapslengte overschreven en worden de overmaat L4 =0 en de gereedschapsstatus E =1 ingesteld. "Controleren" (E=1): de gemeten afwijking wordt in de gereedschapstabel bij L4 opgeteld. - Meetverplaatsingssnelheid wordt aan de hand van het toerental berekend. - Meting wordt bij draaiende spindel uitgevoerd. Onderscheid EASYoperate en DIN. - Bij overschrijding van de tolerantie wordt gereedschapsstatus E-1 ingesteld en verschijnt er in Easy Operate nog een foutmelding. - Als bij aanvang van de cyclus de gereedschapsstatus E=1 is, verschijnt in Easy Operate een foutmelding. 344 Heidenhain 26-9-2002
G601 LASERSYSTEEM: LENGTE METEN Lengtemeting - Als de gereedschapsradius groter is dan MC373 en R6 niet is geprogrammeerd, wordt de lengte excentrisch gemeten. - Als R6 is geprogrammeerd en R-R6 > MC373, wordt een foutmelding weergegeven. Werkwijze bij lengtemeting van een bovenkant (I1=1) van een onbekend gereedschap: - Eerst wordt de onderkant in het midden gemeten. - Daarna beweegt het gereedschap naar de radiuspositie (R6=) zijdelings weg. - Het gereedschap wordt 2 mm boven de vrijruimte onder de laserstraal positioneert. - De bovenkant wordt trekkend naar boven gemeten. 26-9-2002 MillPlus IT V510 345
G602 LASERSYSTEEM: LENGTE EN RADIUS METEN 25.4 G602 Lasersysteem: lengte en radius meten Meten van lengte en radius van niet-centrisch gereedschap Formaat G602 {S...} {I1=..} {I2=..} Aanwijzingen en toepassing Keuze van de gereedschapzijde (I1=) Van het gereedschap kan de onderkant of de bovenkant worden gemeten. I1= 0 Onderkant meten (basisinstelling) 1 Bovenkant meten Keuze voor meten aan een of twee zijden (I2=) Het gereedschap kan aan één of twee zijden worden gemeten. I2= 0 Meten aan één zijde (basisinstelling) 1 Meten aan twee zijden Bij het meten aan twee zijden zijn temperatuurfouten en een schuine stand van het gereedschap niet van invloed op de gemeten radius. Toerental Als de spil niet van tevoren is ingeschakeld (M5 of M19), wordt: - het koelmiddel door het links-rechts-linksverloop afgeschud. - de spil aan het einde van de cyclus met M5 uitgeschakeld. Als de spil van tevoren is ingeschakeld (M3 of M4), wordt aan het einde van de cyclus niet van richting veranderd en wordt de spil niet stilgezet. Adressen van het gereedschapgeheugen De onderstaande adressen uit het gereedschapsgeheugen worden gebruikt: L Gereedschapslengte L4= Overmaat lengte L5= Slijtagetolerantie lengte R Gereedschapsradius R4= Overmaat radius R5= Slijtagetolerantie radius L6= Verspringing lengte voor rondloopkontrolle. R6= Verspringing radius. Q4= Aantal sneden E Gereedschapsstatus C Gereedschapshoekradius 346 Heidenhain 26-9-2002
G602 LASERSYSTEEM: LENGTE EN RADIUS METEN Akties Controleren (E=1): De gemeten afwijking wordt in de gereedschapstabel bij L4 en R4 opgeteld. Meten (E=0 of geen waarde): Bij de eerste meting worden de gereedschapslengte en radius overschreven en de overmaat L4 en R4 =0 en de gereedschapsstatus E =1 ingesteld. - Meetverplaatsingssnelheid wordt aan de hand van het toerental berekend. - Meting wordt met draaiende spindel uitgevoerd. Onderscheid EASYoperate en DIN. - Bij overschrijding van de tolerantie wordt gereedschapsstatus E-1 ingesteld en verschijnt er in Easy Operate nog een foutmelding. - Als bij aanvang van de cyclus de gereedschapsstatus E=1 is, verschijnt er in Easy Operate een foutmelding en wordt de cyclus in automatisch bedrijf overgeslagen. Lengtemeting Als de gereedschapsradius groter is dan MC373 en R6 niet is geprogrammeerd, wordt de lengte excentrisch gemeten. Als R6 is geprogrammeerd en R-R6 > MC373, wordt een foutmelding weergegeven. Meten van de radius - Als L6>0 of niet is ingevoerd (gereedschapstabel) wordt een radiusmeting uitgevoerd. - Als L6 groter is dan MC372, wordt een foutmelding weergegeven. Rondloopproef: - Als Q4>0 (aantal tanden uit de gereedschapstabel), wordt na de radiusmeting een rondloopproef uitgevoerd. - De rondloopproef wordt bij een berekend toerental uitgevoerd. - De toerental-override is niet actief. Werkwijze bij lengtemeting van een bovenkant (I1=1) van een onbekend gereedschap: - Eerst wordt de onderkant in het midden gemeten. - Daarna beweegt het gereedschap naar de radiuspositie (R6=) zijdelings weg. - Het gereedschap wordt 2 mm boven de vrijruimte onder de laserstraal positioneert. - De bovenkant wordt trekkend naar boven gemeten. 26-9-2002 MillPlus IT V510 347
G603 LASERSYSTEEM: CONTROLE VAN AFZONDERLIJKE SNEDEN 25.5 G603 Lasersysteem: Controle van afzonderlijke sneden Controle van afzonderlijke sneden Formaat G603 {I1=...} {F2=...} Aanwijzingen en toepassing Adressen van het gereedschapgeheugen De onderstaande adressen uit het gereedschapsgeheugen worden gebruikt: L Gereedschapslengte L4= Gereedschapslengte R Gereedschapsradius R4= Overmaat radius R5= Slijtagetolerantie radius L6= Verspringing lengte voor rondloopkontrolle. Q4= Aantal sneden E Gereedschapsstatus Onderscheid EASYoperate en DIN. - Bij overschrijding van de tolerantie wordt gereedschapsstatus E-1 ingesteld en verschijnt er in Easy Operate nog een foutmelding. - Als bij aanvang van de cyclus de gereedschapsstatus E=1 is, verschijnt er in Easy Operate een foutmelding en wordt de cyclus in automatisch bedrijf overgeslagen. - Als I1=0, wordt alleen een rondloopproef uitgevoerd. - De controle van de sneden wordt bij een berekend toerental uitgevoerd. - De toerental-override is niet actief. - Maximale fout wordt met R5 bepaald. - Als I1+L6 groter is dan MC372, wordt een foutmelding weergegeven. 348 Heidenhain 26-9-2002
G604 LASERSYSTEEM: CONTROLE OP GEREEDSCHAPSBREUK 25.6 G604 Lasersysteem: Controle op gereedschapsbreuk Controle van afzonderlijke sneden Formaat G604 {S...} {I1=..} Aanwijzingen en toepassing Meetrichting (I1=) De meetrichting kan trekkend of duwend zijn. I1= 0 trekkend (basisinstelling) 1 duwend De snelle trekkende meting heeft de voorkeur, maar sterk holgeslepen gereedschap moet duwend worden gemeten, omdat de holslijping anders als breuk wordt geregistreerd. Foutverwerking (I2=) Als een breuk is geconstateerd, kunnen diverse acties worden ondernomen: I2= 0 Foutmelding of pallet wegsluizen (basisinstelling) 1 geen foutmelding Met de instelling I2=0 wordt in geval van een gereedschapbreuk functie M105 (Gereedschapbreuk vastgesteld) uitgevoerd. De IPLC schakelt de laser uit en de besturing geeft een foutmelding weer. Als er echter een palletsysteem wordt gebruikt, wordt de pallet indien mogelijk weggesluisd, het actuele programma geannuleerd en een nieuwe pallet ingevoerd. Met de instelling I2=1 wordt in geval van een gereedschapbreuk geen foutmelding weergegeven. Iedere actie moet in het deelprogramma worden geprogrammeerd. Daarbij kan de gereedschapstatus (waarde E van het gereedschapgeheugen) direct naar een E-parameter worden weggeschreven. Zie Adres O1. Gereedschapstatus uitvoeren naar E-parameter (O1=) De gereedschapstatus (gedefinieerd als E in gereedschapgeheugen) wordt naar de aangegeven E- parameter weggeschreven. Met deze parameter kan in het programma worden vastgesteld, of een breuk in het gereedschap is opgemerkt (status 4). Dit is alleen zinvol als de foutmelding is uitgeschakeld met de instelling I2=1. Toerental S = Toerental (aanbevolen waarde S3000) Als de spil niet van tevoren is ingeschakeld (M5 of M19), wordt: - de spil ingeschakeld op rechtsom (M3). - de spil aan het einde van de cyclus met M5 uitgeschakeld. Als de spil van tevoren is ingeschakeld (M3 of M4), wordt de spil aan het einde van de cyclus niet stilgezet. 26-9-2002 MillPlus IT V510 349
G604 LASERSYSTEEM: CONTROLE OP GEREEDSCHAPSBREUK Adressen van het gereedschapgeheugen De onderstaande adressen uit het gereedschapsgeheugen worden gebruikt: L Gereedschapslengte L4= Overmaat lengte R Gereedschapsradius R4= Overmaat radius B Breukbewaking in mm. (ook in Inch Bedrijf). R6= Breukbewaking voor breukkontrolle. E Gereedschapsstatus Onderscheid EASYoperate en DIN. Deze functie is in EASYoperate niet beschikbaar. Gereedschapstatus Bij overschrijding van de breuktolerantie wordt de gereedschapsstatus E=-4 gezet en tevens wordt een foutmelding in afhankelijkheid van I2= gegeven. Ook als bij de start van de cyclus de gereedschapsstatus E=1 is, wordt de breukkontrolle uitgevoerd. De basisinstelling voor tolerantie B wordt ingevoerd in MC33. Alleen de waarden 1 en 2 mm zijn toegestaan. De instelling van MC33 is ook in mm als inches worden gebruikt. Breukbewaking moet door middel van MC32 ingeschakeld zijn. Breuk meten Als de gereedschapsradius groter is dan MC373 en R6 niet is geprogrammeerd, wordt de lengte excentrisch gemeten. Als R6 is geprogrammeerd en R-R6 > MC373, wordt een foutmelding weergegeven. 350 Heidenhain 26-9-2002
ALGEMENE AANWIJZIGEN VOOR MEETSYSTEEM TT130 26. Gereedschapsmeetcycli voor meetsysteem TT130 26.1 Algemene aanwijzigen voor meetsysteem TT130 Beschikbaarheid De machinefabrikant moet de machine en MillPlus voor het tastsysteem TT120/TT130 of het lasermeetsystem voorbereiden. Raadpleeg uw machinehandboek. Programmerig Voordat een G606-G609 functie aangeroepen wordt, moet M24 (Tastsysteem inschakelen) geprogrammeerd worden, waardoor het meetapparaat ingeschakeld en eventueel in die juiste meetpositie gedraaid wordt. Aan het einde moet M28 (Tastsysteem uitschakelen) geprogrammeerd worden, waardoor het meetapparaat weer in getrokken wordt. Machineconstanten Het menu en de bijbehorende machineconstanten worden via de onderstaande machineconstanten geactiveerd: MC 261 >0: Meetcyclus-functies MC 254 >0: Gereedschap meten MC 840 =1: Meettaster aanwezig MC 854 =2: Gereedschap-meetinstrument type (0=geen, 1=Laser, 2=TT120/TT130) MC 350 Positie 1 as µm MC 352 Positie 2 as µm MC 354 Positie 2 as µm Koordinaten van de TT130 Stylus-middelpunt zijn gerelateerd aan het machinennullpunt G51 en G53 (- max. - + max. µm) De exacte posities worden na het kalibreren in MC350 tot MC355 vastgelegd. MC 356 Meten: Radiale as: 1=X, 2=Y, 3=Z MC 357 Meten: Radiale as: 1=X, 2=Y, 3=Z MC 358 Meten: 3e as 0=uit, 1=aan MC 359 Radiale aanloopzijde: -1=neg, 0=aut, 1=pos MC360 -- MC 369 zijn bedoeld voor een tweede lasermeetapparaat in een ander werkgebied of een voorzetspil. De IPLC bepaalt, welk gebied wordt gebruikt. MC 392 Maximale meetfout met rot. gereedschap (2-1000 µm) MC 394 Tastaanzet niet rot. gereedschap (10-3000 mm/min) MC 395 Afstand onderkant gereedschap - bovenkant stift. (1-100000 µm) MC 396 Stiftdiameter TT120/TT130. (1-100000 µm) MC 397 Veiligheidszone voorpositionering. (1-10000 µm) MC 398 IJlgang in tastcyclus. (10-10000 mm/min) MC 399 Maximale rotatiesnelheid. (1-120 m/min) 26-9-2002 MillPlus IT V510 351
G606 TT130: KALIBREREN 26.2 G606 TT130: kalibreren Bepalen van de positie van het meetapparaat en opslaan van deze positiewaarde in de daarvoorbestemde machineconstanten. Opmerkingen en toepassing Kalibrierwerkzeug Alvorens met de kalibratie te beginnen, moet u de juiste radius en de juiste lengte van het kalibreerinstrument in de gereedschapstabel invoeren. Afloop De TT120/TT130 kan worden gekalibreerd met de meetcyclus dialooginvoer. De kalibrering vindt automatisch plaats. De MillPlus bepaalt ook automatisch de middenverstelling van het kalibreerinstrument. Daarbij zorgt de MillPlus er halverwege de kalibreercyclus voor dat de spindel 180 wordt gedraaid. Voor de kalibrering gebruikt u volkomen cilindrisch onderdeel, b.v. een cilinderstift. De MillPlus slaat de kalibratiewaarden in de machineconstanten op en houdt bij de volgende gereedschapsmetingen rekening met deze waarden. Positie: In MC350 MC352 MC354 moet de positie van de TT120/TT130 in het werkbereik van de machine zijn vastgelegd. Indien u wijzigingen in MC350 MC352 of MC354 doorvoert, moet er opnieuw worden gekalibreerd. Positie invoeren in de X-, Y- en Z-as waarin een botsing met werkstukken of spaninrichtingen is uitgesloten. Indien zo'n geringe hoogte is ingevoerd, dat de gereedschapspunt onder de bovenkant van de schotel zou komen te liggen, positioneert de MillPlus het kalibreerinstrument automatisch boven de schotel. 352 Heidenhain 26-9-2002
26.3 G607 TT130: Gereedschapslengte meten G607 TT130: GEREEDSCHAPSLENGTE METEN Meten van de lengte van gereedschappen. Opmerkingen en toepassing Gereedschapslengte en -radius Alvorens u gereedschap voor de eerste keer gaat meten, voert u de geschatte radius (R10), de geschatte lengte (L100), het aantal sneden (Q4=4) en de snijrichting (I2=0) van het betreffende gereedschap in de gereedschapstabel in. Adressen van het gereedschapgeheugen De onderstaande adressen uit het gereedschapsgeheugen worden gebruikt: L gereedschapslengte L4= Overmaat lengte L5= lengtetolerantie R Gereedschapsradius R4= Overmaat radius R6= radiuspositie voor lengtemeting E gereedschapsstatus Afloop U kunt de gereedschapslengte op drie verschillende manieren bepalen: 1 Als de gereedschapsdiameter groter is dan de diameter van het meetvlak van de TT120/TT130, moet roterend gereedschap voor de meting worden gebruikt. 2 Als de gereedschapsdiameter kleiner is dan de diameter van het meetvlak van de TT120/TT130 of wanneer u de lengte van boren of radiusfrezen wilt bepalen, moet de meting met stilstaand gereedschap worden verricht. 3 Met de softkey 'Alle tanden' worden alle tanden gemeten. De meting wordt met staande spindel uitgevoerd. De grootste tandlengte wordt in de gereedschapstabel opgeslagen. Meetfunctie,,Meten met roterend gereedschap". Om de langste snede te kunnen bepalen, wordt het te meten gereedschap naar het middelpunt van het tastsysteem en van daaruit roterend naar het meetvlak van het tastsysteem verplaatst. De verplaatsing kunt u in de gereedschapstabel onder gereedschapsverstelling programmeren; radius (R6=). Meetfunctie,,Meten met stilstaand gereedschap" (b.v. voor boor). Het te meten gereedschap wordt naar het midden van het meetvlak verplaatst. Daarna vindt er met staande spindel een verplaatsing naar het meetvlak plaats. Voor deze meting voert u de gereedschapsverstelling: radius (R6=0) in de gereedschapstabel in. 26-9-2002 MillPlus IT V510 353
G607 TT130: GEREEDSCHAPSLENGTE METEN Meetfunctie,,Meten van afzonderlijke sneden" Het te meten gereedschap wordt door de MillPlus aan de zijkant van de tastkop voorgepositioneerd. De kopse kant van het gereedschap bevindt zich hierbij onder de bovenkant van de tastkop, zoals in MC395 vastgelegd. In de gereedschapstabel kunt u onder gereedschapsverstelling; lengte (L6=) een extra verspringing vastleggen. De MillPlus tast met roterend gereedschap radiaal, om de beginhoek voor de meting van afzonderlijke sneden te bepalen. Daarna wordt de lengte van alle sneden door wijziging van de spindel-oriëntatie gemeten. Voor deze meting selecteert u de softkey "Alle tanden". Gereedschap meten (E=0 of geen waarde) Bij de eerste meting overschrijft de MillPlus de gereedschapsradius (R10 door R10.012) en de gereedschapslengte (L100 door L99.456) in het gereedschapsgeheugen en wordt de overmaat R4 en L4 = 0 ingesteld. Gereedschap controleren: Wanneer u gereedschap controleert, wordt de gemeten lengte met gereedschapslengte L in de gereedschapstabel vergeleken. De MillPlus berekent de afwijking met het juiste voorteken en neemt deze als overmaat L4 in de gereedschapstabel op. Als de overmaat groter is dan de toegestane slijtage- of breuktolerantie voor de gereedschapslengte, verschijnt er een foutmelding. Veilige hoogte (I1=): Positie in de spindelas invoeren via parameter (I1 = veiligheidsafstand) uit de dialooginvoer, waarbij een botsing met werkstukken of spaninrichtingen is uitgesloten. De veilige hoogte is gerelateerd aan het actieve werkstuk-referentiepunt. Wanneer zo'n geringe veilige hoogte is ingevoerd, dat de gereedschapspunt onder de bovenkant van de schotel zou komen te liggen, positioneert de MillPlus het gereedschap niet automatisch boven de schotel (veiligheidszone uit MC397) Snedemeting (I2=): in- of uitschakelen meting van afzonderlijke sneden (Parameter I2=) Als I2=0 of geen waarde heeft, wordt een meting per tand uitgevoerd.. Onderscheid EASYoperate en DIN. In EASYoperate is parameter tanden meten (I2=) door een Softkey "alle tanden" vervangen. Stilstaande spil Bij het meten met stilstaande spil wordt de tast voeding uit MC394 gebruilt. Berekening spindeltoerental Bij het meten met roterend gereedschap berekent de MillPlus automatisch het spindeltoerental en de tast-voeding. Het spindeltoerental kan daarbij als volgt worden berekend: MC399 n = ------------------ r * 0.0063 mit: n = toerental omw/min MC 399 = maximaal toegestane rotatiesnelheid [m/min] R = actieve gereedschapsradius [mm] Berekening tast-voeding De tast-voeding kan als volgt worden berekend V = meettolerantie * n mit: V = tast-voeding [mm/min tast-voeding [mm/min n = toerental [1/min] 354 Heidenhain 26-9-2002
26.4 G608 TT130: Gereedschapsradius meten G608 TT130: GEREEDSCHAPSRADIUS METEN Meten van de gereedschapsradius. Opmerkingen en toepassing Gereedschapslengte en -radius Alvorens u gereedschap voor de eerste keer gaat meten, voert u de geschatte radius (R10), de geschatte lengte (L100), het aantal sneden (Q4=4) en de snijrichting (I2=0) van het betreffende gereedschap in de gereedschapstabel in. Adressen van het gereedschapgeheugen De onderstaande adressen uit het gereedschapsgeheugen worden gebruikt: L gereedschapslengte L4= Overmaat lengte R Gereedschapsradius R4= Overmaat radius R5= Slijtagetolerantie radius E gereedschapsstatus Gereedschap meten (E=0 of geen waarde) Bij de eerste meting overschrijft de MillPlus de gereedschapsradius (R10 door R10.012) en de gereedschapslengte (L100 door L99.456) in het gereedschapsgeheugen en wordt de overmaat R4 en L4 = 0 ingesteld. Meet mogelijkheden U kunt de gereedschapsradius op twee manieren bepalen: 1 Meten met roterend gereedschap 2 Meten met roterend gereedschap en daarna meten van afzonderlijke sneden Bij meten per tand wordt eerst grof de radius gemeten en de positie van de grootste tand bepaald. Daarna worden de andere tanden gemeten. Het te meten gereedschap wordt door de MillPlus aan de zijkant van de tastkop voorgepositioneerd. De kopse kant van de frees bevindt zich daarbij onder de bovenkant van de tastkop, zoals in MC395 vastgelegd. De MillPlus tast met roterend gereedschap radiaal. Als bovendien de afzonderlijke sneden moeten worden gemeten, worden ook de radii van de oude sneden via spindeloriëntatie gemeten. Werkstuk controleren (E=1) Bij de eerste meting overschrijft de MillPlus de gereedschapsradius R in het gereedschapsgeheugen en wordt de overmaat R4=0 ingesteld. Bij het controleren van gereedschap wordt de gemeten radius vergeleken met gereedschapsradius R in de gereedschapstabel. De MillPlus berekent de afwijking met het juiste voorteken en neemt deze als 26-9-2002 MillPlus IT V510 355
G608 TT130: GEREEDSCHAPSRADIUS METEN overmaat R4 in de gereedschapstabel op. Als de overmaat groter is dan de toegestane slijtage- of breuktolerantie voor de gereedschapsradius, verschijnt er een foutmelding. Veilige hoogte: Positie in de spindelas invoeren via parameter (I1 = veiligheidsafstand) uit de dialooginvoer, waarbij een botsing met werkstukken of spaninrichtingen is uitgesloten. De veilige hoogte is gerelateerd aan het actieve werkstuk-referentiepunt. Wanneer zo'n geringe veilige hoogte is ingevoerd, dat de gereedschapspunt onder de bovenkant van de schotel zou komen te liggen, positioneert de MillPlus het gereedschap niet automatisch boven de schotel (veiligheidszone uit MC397) Snedemeting: in- of uitschakelen meting van afzonderlijke sneden (Parameter I2=) Als I2=0 of geen waarde heeft, wordt een meting per tand uitgevoerd.. Onderscheid EASYoperate en DIN. In EASYoperate is parameter tanden meten (I2=) door een Softkey "alle tanden" vervangen. 356 Heidenhain 26-9-2002
26.5 G609 TT130: Gereedschap compleet meten G609 TT130: GEREEDSCHAP COMPLEET METEN Meten van gereedschapslengte en -radius. Opmerkingen en toepassing Gereedschapslengte en -radius Alvorens u gereedschap voor de eerste keer gaat meten, voert u de geschatte radius (R10), de geschatte lengte (L100), het aantal sneden (Q4=4) en de snijrichting (I2=0) van het betreffende gereedschap in de gereedschapstabel in. Adressen van het gereedschapgeheugen De onderstaande adressen uit het gereedschapsgeheugen worden gebruikt: L gereedschapslengte L4= Overmaat lengte L5= Slijtagetolerantie lengte R Gereedschapsradius R4= Overmaat radius R5= Slijtagetolerantie radius E gereedschapsstatus Meetproces De MillPlus meet het gereedschap volgens een vast geprogrammeerd proces. Eerst wordt de gereedschapsradius en daarna de gereedschapslengte gemeten. U kunt de gereedschapsradius op twee manieren bepalen: 1 Meten met roterend gereedschap 2 Meten met roterend gereedschap en daarna meten van afzonderlijke sneden Gereedschap meten (E=0 of geen waarde) Deze functie is bijzonder geschikt voor de eerste meting van de gereedschappen, daar vergeleken met aparte metingen van lengte en radius - een aanzienlijke tijdsvoordeel oplevert. Bij de eerste meting overschrijft de MillPlus de gereedschapsradius R en de gereedschapslengte L in het gereedschapsgeheugen en wordt overmaat R4 en L4 = 0 ingesteld. Gereedschap controleren (E=1): Bij het controleren van gereedschap worden de gemeten gereedschapsgegevens vergeleken met de gereedschapsgegevens in de gereedschapstabel. De MillPlus berekent de afwijkingen met het juiste voorteken en neemt deze als overmaat R4 en L4 in de gereedschapstabel op. Als de overmaat groter is dan de toegestane slijtage- of breuktoleranties, verschijnt er een foutmelding. 26-9-2002 MillPlus IT V510 357
G609 TT130: GEREEDSCHAP COMPLEET METEN Veilige hoogte: Positie in de spindelas invoeren via parameter (I1 = veiligheidsafstand) uit de dialooginvoer, waarbij een botsing met werkstukken of spaninrichtingen is uitgesloten. De veilige hoogte is gerelateerd aan het actieve werkstuk-referentiepunt. Wanneer zo'n geringe veilige hoogte is ingevoerd, dat de gereedschapspunt onder de bovenkant van de schotel zou komen te liggen, positioneert de MillPlus het gereedschap niet automatisch boven de schotel (veiligheidszone uit MC397) Snedemeting: in- of uitschakelen meting van afzonderlijke sneden (Parameter I2=) Met I2=0 of geen waarde, wordt een meting per tand uitgevoerd. Onderscheid EASYoperate en DIN. In EASYoperate is parameter tanden meten (I2=) door een Softkey "alle tanden" vervangen. 358 Heidenhain 26-9-2002
G610 TT130: BREUKBEWAKING 26.6 G610 TT130: Breukbewaking Bewaking van de lengten van gereedschappen. Wordt hoofdzakelijk ingezet ter bewaking van breukgevoelige gereedschappen, zoals boren. De gemeten slijtage wordt niet gecorrigeerd. Opmerkingen en toepassing Gereedschapslengte en -radius De gereedschapslengte en radius moeten vooraf in de gereedschapstabel ingevoerd zijn. Het gereedschap mag niet geblokkeerd zijn (Gereedschaps-status E moet >= 0 of niet ingegeven zijn). Adressen van het gereedschapgeheugen De onderstaande adressen uit het gereedschapsgeheugen worden gebruikt: L gereedschapslengte L4= Overmaat lengte R6= Verspringing radius voor breukcontrolle. B Breukbewaking in mm. (ook in Inch Bedrijf). E gereedschapsstatus Bij snede meting: R Gereedschapsradius R4= Overmaat radius L6= Verspringing lengte voor rondloopcontrolle. Onderscheid EASYoperate en DIN. Deze functie is in EASYoperate niet beschikbaar. Afloop Gereedschapsbreuk kan zoals de gereedschapslengte op drie verschillende manieren bepaald worden: 1 Als de gereedschapsdiameter groter is dan de diameter van het meetvlak van de TT130, dan wordt met roterend gereedschap gemeten. 2 Er wordt gemeten met niet draaiend gereedschap, als de gereedschapsdiameter kleiner is als de diameter van het meetvlek van de TT130. Evenzo, als u de lengte van boren of radiusfrezen meten wil. 3 Met parameter I2=1 worden alle tanden gemeten. De meting wordt uitgevoerd met stilstaande spil. Meten met roterend gereedschap Het te meten gereedschap wordt naar het tastermiddelpunt gebracht en draaiend op het meetvlakje van de TT130 bewogen. De verspringing programmeert u in de gereedschapstabel met behulp van verspringing radius voor breukcontrolle (R6=). 26-9-2002 MillPlus IT V510 359
G610 TT130: BREUKBEWAKING Meten met niet draaiend gereedschap (b.v. boren). Het te meten gereedschap wordt midden boven het meetvlak gebracht. Daarna loopt het met niet draaiende spil naar het meetvlak van de TT130. Voor deze meting moet de verspringingradius voor breukcontrole (R6=0) in de gereedschapstabel ingevoerd worden. Enkele tands-meting De MILLPLUS positioneert het te meten gereedschap zijdelinks van meetkop. Het gereedschap uiteinde bevindt zich daarbij onder de meettaster-bovenkant, zoals in MC395 vastgelegd. In de gereedschapstabel kunt u onder verspringing lengte voor (L6=) een toegevoegde overmaat vastleggen. De MILLPLUS tast het roterende gereedschap radiaal aan, met de starthoek voor de enkele tand meting. Aansluitend meet u de lengte alle tanden door het verdraaien van de spiloriëntering. Voor deze meting kiest u I2=1" Veiligheidsafstand (I1=) De veiligheidsafstand (I1=) in de richting van de spil-as, moet zo zijn, dat een botsing met werkstuk of spanmiddel uitgesloten is. De veiligheidsafstand heeft betrekking op de bovenkant van de taster. grondwaarde I1=MC397 Snijkanten meten (I2=) Met I2=1 worden alle tanden gemeten. Met I2=0 of geen waarde, wordt een enkele tands-meting uitgevoerd. Fout aanduiding (I3=) Als breuk vastgesteld wordt, kunnen verschillende acties volgen:. I3= 0 Foutmelding of palette uitstoten (Grondwaarde) I3= 1 Geen foutmelding De keuze I3=0 zorgt ervoor, dat bij gereedschapsbreuk de functie M105 (gereedschapsbreuk werd vastgesteld) uitgegeven wordt. De IPLC schakelt de laser af en de besturing geeft een foutmelding. Als echter een palettensysteem aanwezig is wordt, indien mogelijk, de palette uitgestoten, het actuele programma afgebroken en een nieuwe palette ingeschoven. De keuze I3=1 zorgt ervoor, dat bij gereedschapsbreuk geen foutmelding uitgegeven wordt. Elke actie moet in het programma geprogrammeerd worden. Daarbij kan de gereedschapsstatus (Waarde E van gereedschaps-geheugen) direct in een E-parameter geschreven wordt. Zie adres O1. Gereedschaps-status uitgave in E-parameter (O1=) De gereedschaps-status, (Definitie als E in gereedschapstabel) wordt in de aangegeven E-parameter geschreven. Aan de hand van deze parameters kan in het programma vastgesteld worden, of gereedschapsbreuk geconstateerd werd (Status 4) Deze is alleen zinvol, als de foutmelding met I3=1 uitgeschakeld is. Stilstaande spil De MILLplus gebruikt voor het meten met niet draaiende spil de meet snelheid uit MC394. Voor de berekening van het spiltoerental of de meetsnelheid: zie G607 360 Heidenhain 26-9-2002
26.7 G611 TT130: Meten van draaigereedschappen G611 TT130: METEN VAN DRAAIGEREEDSCHAPPEN G611 Meten van draaigereedschappen voor draaibedrijf. Voor beschrijving zie hoofdstuk Draaibedrijf. 26-9-2002 MillPlus IT V510 361
G615 LASER: METEN VAN DRAAIGEREEDSCHAPPEN 26.8 G615 Laser: Meten van draaigereedschappen G615 Meten van draaigereedschappen voor draaibedrijf. Voor beschrijving zie hoofdstuk Draaibedrijf. 362 Heidenhain 26-9-2002
INLEIDING MEETCYCLI 27. Meetcycli 27.1 Inleiding meetcycli Meetcycli in het hoofdvlak: G620 Hoek meten G621 Positie meten G622 Hoekpunt meten buiten G623 Hoekpunt meten binnen G626 Rechthoek meten buiten G627 Rechthoek meten binnen G628 Cirkel meten buiten G629 Cirkel meten binnen Speciale meetcyclus G631 Scheefstand meten (G7) G640 Draaitafelcentrum bepalen Definitie De cyclusdefinitie is onafhankelijk van het bewerkingsvlak (G17, G18, G19 en G7). Assen en bewerkingsvlak De cycli worden uitgevoerd in het actuele hoofdvlak G17, G18, G19 of in het gezwenkte vlak G7. G17 G18 G19 Hoofdas X X Y Nevenas Y Z Z Bewerkingsvlak XY XZ YZ Gereedschapsas Z Y X oder X (G66/G67) In enkele cycli wordt de meetrichting door het adres (I1=) bepaald. Nulpunt De meetwaarden kunnen (I5>0) in de nulpuntverschuivingstabel bij de op dit moment actieve verschuiving en/of in een E-parameter worden opgeslagen. Er geldt een beperking voor G7: meetwaarden kunnen alleen naar een E-parameter worden geschreven (I5= mag alleen nul zijn). Verschillen EASYoperate DIN/ISO. Bepaalde adressen zijn in EASYoperate niet beschikbaar. De meetwaarden worden in een venster getoond. Commentaar Commentaar in een regel met een bewerkingscyclus is niet toegestaan. Bij het activeren van een meetcyclus gebeurt het volgende: - G91 wordt gedeactiveerd. - Radiuscorrectie wordt gedeactiveerd (G40 wordt actief). - Schalen met G72 wordt gedeactiveerd. - In G39 worden L en R op nul gezet. 26-9-2002 MillPlus IT V510 363
BESCHRIJVING ADRESSEN Machineconstanten die voor de meetcycli van belang zijn: MC261 >0: functies van meetcyclus actief MC312 =1: vrij bewerkingsvlak actief (G631) MC840 =1: meettaster aanwezig MC843: meetvoeding MC846 >0: oriëntatiehoek meettaster MC849 : meettaster: 1 e oriëntatiehoek Niet-toegestane functies, wanneer een meetcyclus wordt opgeroepen. G36, rotaties (B4=) in G92/G93, G182. G7 mag niet actief zijn, als de meetwaarden in een nulpuntverschuiving worden opgeslagen (I5>0). Waarschuwing: het gereedschap zo voorpositioneren dat er geen botsing met het werkstuk of de spanmiddelen kan plaatsvinden. 27.2 Beschrijving adressen Verplichte adressen Verplichte adressen worden zwart weergegeven. Wanneer een verplicht adres niet is ingevoerd, volgt er een foutmelding. Optionele adressen Optionele adressen worden lichtgrijs weergegeven. Als dit adres niet is ingevoerd, wordt het genegeerd of krijgt het de reeds ingevoerde basisinstelling. Uitleg van de adressen Van de hier beschreven adressen wordt in de meeste cycli gebruik gemaakt. Specifieke adressen worden bij de cyclus beschreven. X, Y, Z: startpunt Startpunt van de meetverplaatsing. Van hieruit wordt de meetcyclus uitgevoerd. Als niet alle coördinaten van het startpunt zijn ingevoerd, wordt de actuele positie van de meettaster overgenomen. Uitvoering Een meetcyclus wordt, in tegenstelling tot een freescyclus, direct vanuit het startpunt (X, Y, Z) uitgevoerd. De meettaster verplaatst zich in ijlgang en afhankelijk van G28, met positioneerlogica, naar het eerste startpunt (X, Y, Z). C1= maximale meetafstand Maximale afstand tussen startpunt en eindpunt van de meetverplaatsing (basisinstelling 10). Na het bereiken van de werkstukwand of het einde van de meetafstand stopt de verplaatsing. Aanwijzing: Als binnen de meetafstand (C1=) geen materiaal wordt aangeraakt, volgt er een foutmelding. L2= veiligheidsafstand De meettaster verplaatst zich tijdens (als I3=1) en aan het einde van de meting naar de veiligheidsafstand (basisinstelling 0 voor metingen aan de buitenkant van het werkstuk of 10 mm voor metingen in kamers en gaten). De veiligheidsafstand (L2=) is gerelateerd aan het desbetreffende startpunt X, Y, Z. 364 Heidenhain 26-9-2002
BESCHRIJVING ADRESSEN B3= afstand tot de hoek De afstand tussen het eerste startpunt en de hoek van het werkstuk. De afstand tot de volgende meting voorbij de hoek van het werkstuk. De baan die de meettaster aflegt voorbij de bocht van het werkstuk naar het startpunt van de tweede meting, is in beide richtingen even lang. Voor elke richting is de afstand de som van B3= en de meetafstand dat als eerste werd afgelegd. I1= meetrichting van de meettaster naar het werkstuk I1=±1 hoofdas I1=±2 nevenas I1=-3 gereedschapsas De hoekreferentie-as staat altijd haaks op de tastrichting. I3= beweging tussen de meetverplaatsingen Met I3= wordt vastgelegd, of de positioneerbeweging tussen de metingen op meethoogte of op veiligheidsafstand (L2=) plaatsvindt. I3=0 De positioneerbeweging tussen de meetverplaatsingen vindt plaats op meethoogte en parallel aan de hoofdas. Bij een cirkelbeweging is de positioneerbeweging cirkelvormig met voedingssnelheid. I3=1 De positioneerbeweging tussen de meetverplaatsingen vindt plaats op veiligheidsafstand en lineair tussen de meetpunten. I4= hoeknummer (1 4) Geeft aan in welke hoek de eerste meting moet plaatsvinden (basisinstelling 1). De eerste meting wordt altijd haaks op de hoofdas uitgevoerd. De tweede meting vindt steeds haaks op de nevenas plaats. O1= t/m O6= opslaan van de meetwaarden De meetwaarden kunnen in de E-parameters worden opgeslagen. Het nummer van de E-parameter moet zijn ingevoerd. Als er geen nummer is ingevoerd, wordt niets opgeslagen. Voorbeeld: O1=10 betekent dat het resultaat in de E-parameter wordt opgeslagen. F2= meetvoeding. De basisinstelling is MC843. 26-9-2002 MillPlus IT V510 365
G620 HOEK METEN 27.3 G620 Hoek meten Meten van de scheefstand van een werkstukopspanning. B1= afstand met richting langs de hoofdas. Als I1=±2 moet B1= worden geprogrammeerd (B1= mag niet gelijk aan nul zijn). Als I1=-3 mogen B1= en B2= niet gelijktijdig worden geprogrammeerd. B2= afstand met richting langs de nevenas. Als I1=±1 moet B2= worden geprogrammeerd (B2= mag niet gelijk aan nul zijn). Als I1=-3 mogen B1= en B2= niet gelijktijdig worden geprogrammeerd. Niet toegestaan: B1= B2= 0 I5= meetwaarden in een nulpuntverschuiving opslaan. I5=0 niet opslaan I5=1 opslaan in de actieve nulpuntverschuiving in de rotatiehoek (G54 B4=). I5=2 opslaan in de actieve nulpuntverschuiving op de rotatie-as (A/B/C). Bij het opslaan worden de meetwaarden bij de actieve nulpuntverschuiving opgeteld. A1= Als de gemeten hoek in de actieve nulpuntverschuiving wordt opgeslagen (I5>0), wordt de nominale waarde hiermee verrekend. Voor de verdere programmering krijgt de gemeten positie zo de nominale waarde. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de meetcycli. Basisinstellingen B1=0, B2=0, C1=10, L2=0, I3=0, I5=0, F2=MC843, A1=0. Aanwijzingen en toepassing Afhankelijk van het gekozen vlak (G17, G18 of G19) bepaalt de parameter I1= de meetrichting en daarmee wordt de betekenis van B1= en B2= vastgelegd. G17 G18 G19 Meetrichting I1=±1 I1=±2 I1=3 I1=±1 I1=±2 I1=3 I1=±1 I1=±2 I1=3 B1= B2= B1= B2= B1= B2= Hoek vlak XY XY XZ YZ XZ XZ XY ZY YZ YZ YX ZX Rotatieas C C B A B B C A A A C B EASYoperate DIN/ISO In EASYoperate zijn de adressen O3= en F2= niet beschikbaar. 366 Heidenhain 26-9-2002
G620 HOEK METEN Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar het eerste startpunt (X, Y, Z). Als X, Y, Z niet zijn geprogrammeerd, wordt de actuele positie als startpunt genomen. 2. Eerste meting met meetvoeding (F2=) totdat het werkstuk of de maximale meetafstand (C1=) wordt bereikt. 3. Verplaatsing in ijlgang terug naar het startpunt. Er volgt een foutmelding, wanneer de meettaster niet binnen de maximale meetafstand(c1=) heeft geschakeld. 4. Verplaatsing in ijlgang afhankelijk van I3= via de veiligheidsafstand (L2=), naar het startpunt van de tweede meting. 5. Tweede meting (als voor punt 2 en 3). 6. Aan het einde een verplaatsing in ijlgang naar de veiligheidsafstand (L2=). 7. Afhankelijk van I5= wordt de meetwaarde opgeslagen. Voorbeeld: uitrichten van een werkstuk N40 G17 vlak instellen N50 G54 I3 nulpunt instellen N60 G620 X-50 Y-50- Z-5 I1=2 B1=100 L2=10 I3=1 I5=2 meetcyclus vastleggen en uitvoeren. Na de meetcyclus wordt G54 I3 aangepast. N70 G0 C0 draaitafel wordt op nul gepositioneerd (G17). 26-9-2002 MillPlus IT V510 367
G621 POSITIE METEN 27.4 G621 Positie meten Meten van een coördinaat aan een werkstukwand. I5= meetwaarden opslaan in een nulpuntverschuiving I5=0 niet opslaan I5=1 opslaan in de actieve nulpuntverschuiving in de lineaire assen (X/Y/Z). Bij het opslaan worden de meetwaarden bij de actieve nulpuntverschuiving opgeteld. B1= als de gemeten coördinaat in de actieve nulpuntverschuiving wordt opgeslagen (I5>0), wordt de nominale waarde hiermee verrekend. Voor de verdere programmering krijgt de gemeten coördinaat hiermee de nominale waarde. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de meetcycli. Basisinstellingen C1=10, L2=0, I5=0, F2=MC843, B1=0 Aanwijzingen en toepassing Afhankelijk van het gekozen vlak (G17, G18 of G19) bepaalt adres I1= de meetrichting. EASYoperate DIN/ISO In EASYoperate zijn de adressen O1= en F2= niet beschikbaar. Cyclusverloop 1 Verplaatsing in ijlgang naar het eerste startpunt (X, Y, Z). Als X, Y, Z niet zijn geprogrammeerd, wordt de actuele positie als startpunt genomen. 2 Eerste meting met meetvoeding (F2=) totdat het werkstuk of de maximale meetafstand (C1=) is bereikt. 3 Verplaatsing in ijlgang terug naar het startpunt. Er volgt een foutmelding, wanneer de meettaster niet binnen de maximale meetafstand (C1=) heeft geschakeld. 4 Aan het einde een verplaatsing in ijlgang terug naar de veiligheidsafstand (L2=). 5 Afhankelijk van I5= wordt de meetwaarde opgeslagen. Voorbeeld: meten van een positie. N60 G621 X40 Y40- Z-5 I1=2 L2=20 O1=300 Meetcyclus vastleggen en uitvoeren Na de meetcyclus wordt het resultaat naar een E- parameter (E300) geschreven. 368 Heidenhain 26-9-2002
G622 HOEKPUNT METEN BUITEN 27.5 G622 Hoekpunt meten buiten Meten van de hoekpositie (buitenkant) van een uitgericht werkstuk. I5= Meetwaarden opslaan in een nulpuntverschuiving I5=0 niet opslaan I5=1 opslaan in de actieve nulpuntverschuiving in de lineaire assen (X/Y/Z). Bij het opslaan worden de meetwaarden bij de actieve nulpuntverschuiving opgeteld. X1=, Y1=, Z1= als de gemeten coördinaat in de actieve nulpuntverschuiving wordt opgeslagen (I5>0), wordt de nominale waarde hiermee verrekend. Voor de verdere programmering krijgt de gemeten coördinaat zo de nominale waarde. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de meetcycli. Basisinstellingen I4=1, B3=10, C1=10, L2=0, I3=0, I5=0, F2=MC843, X1=0, Y1=0, Z1=0. Aanwijzingen en toepassing Houd rekening met het volgende: - De zijden moeten parallel aan de assen zijn. - De werkstukhoek moet 90 graden zijn. - Het meetvlak staat haaks op de gereedschapsas. Benaderingsrichting bij de metingen: - De eerste meting vindt altijd haaks op de hoofdas plaats. - De tweede meting wordt steeds haaks op de nevenas uitgevoerd. EASYoperate DIN/ISO In EASYoperate zijn de adressen O1=, O2= en F2= niet beschikbaar. Cyclusverloop 1 Verplaatsing in ijlgang naar het eerste startpunt (X, Y, Z). Als X, Y, Z niet zijn geprogrammeerd, wordt de actuele positie als startpunt genomen. 2 Eerste meting met meetvoeding (F2=) totdat het werkstuk of de maximale meetafstand (C1=) wordt bereikt. 3 Verplaatsing in ijlgang terug naar het eerste startpunt. Er volgt een foutmelding, als de meettaster niet binnen de maximale meetafstand (C1=) heeft geschakeld. 4 Verplaatsing in ijlgang afhankelijk van I3= via de veiligheidsafstand (L2=) naar het startpunt van de tweede meting. 5 Tweede meting (als voor punt 2 en 3). 6 Aan het einde een verplaatsing in ijlgang terug naar de veiligheidsafstand (L2=). 26-9-2002 MillPlus IT V510 369
G622 HOEKPUNT METEN BUITEN 7 Afhankelijk van I5= wordt de meetwaarde opgeslagen. Voorbeeld: Uitrichten van een werkstukhoek buiten N40 G1 X.. Y.. Z-5 meettaster 10 mm rechts van hoek 1 en 8 mm voor de voorkant positioneren. N50 G54 I3 nulpunt instellen N60 G622 L2=20 B3=25 I3=1 I5=1 X1=-50 Y1=-50 meetcyclus vastleggen en uitvoeren Na de meetcyclus wordt de nulpuntverschuiving overschreven, zodat de coördinaten van hoek 1 gelijk zijn aan X1= en Y1=. 370 Heidenhain 26-9-2002
G623 HOEKPUNT METEN BINNEN 27.6 G623 Hoekpunt meten binnen Meten van de hoekpositie (binnenkant) van een uitgericht werkstuk. I5= Meetwaarden opslaan in een nulpuntverschuiving I5=0 Niet opslaan I5=1 Opslaan in de actieve nulpuntverschuiving in de lineaire assen (X/Y/Z). Bij het opslaan worden de meetwaarden bij de actieve nulpuntverschuiving opgeteld. X1=, Y1=, Z1= Als de gemeten coördinaat in de actieve nulpuntverschuiving is opgeslagen (I5>0), wordt de nominale waarde hiermee verrekend. Voor de verdere programmering krijgt de gemeten coördinaat zo de nominale waarde. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de meetcycli. Basisinstellingen I4=1, B3=10, C1=10, L2=10, I3=0, I5=0, F2=MC843, X1=0, Y1=0, Z1=0. Aanwijzingen en toepassing Houd rekening met het volgende: - De zijden moeten parallel aan de assen zijn. - De gereedschapshoek moet 90 graden zijn. - Het meetvlak staat haaks op de nevenas. Benaderingsrichting bij de metingen: - De eerste meting vindt altijd haaks op de hoofdas plaats. - De tweede meting wordt steeds haaks op de nevenas uitgevoerd. EASYoperate DIN/ISO In EASYoperate zijn de adressen O1=, O2= en F2= niet beschikbaar. Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar het eerste startpunt (X, Y, Z). Als X, Y, Z niet zijn geprogrammeerd, wordt de actuele positie als startpunt genomen. 2. Eerste meting met meetvoeding (F2=) totdat het werkstuk of de maximale meetafstand (C1=) is bereikt. 3. Verplaatsing in ijlgang terug naar het eerste startpunt. Er volgt een foutmelding, wanneer de meettaster niet binnen de maximale meetafstand (C1=) heeft geschakeld. 4. Verplaatsing in ijlgang afhankelijk van I3= via de veiligheidsafstand (L2=) naar het startpunt van de tweede meting. 5. Tweede meting (als voor punt 2 en 3). 6. Aan het einde een verplaatsing in ijlgang terug naar de veiligheidsafstand (L2=). 26-9-2002 MillPlus IT V510 371
G623 HOEKPUNT METEN BINNEN 7. Afhankelijk van I5= wordt de meetwaarde opgeslagen. Voorbeeld: uitrichten van een werkstukhoek binnen N40 G1 X.. Y.. Z-5 meettaster 10 mm rechts van hoek 1 en 8 mm voor de voorkant positioneren. N50 G54 I3 nulpunt instellen. N60 G623 L2=20 B3=25 I3=1 I5= 1 X1=-50 Y1=-50 Meetcyclus definiëren en uitvoeren. Na de meetcyclus wordt de nulpuntverschuiving overschreven, zodat de coördinaten van hoek 1 gelijk zijn aan X1= en Y1=. 372 Heidenhain 26-9-2002
G626 RECHTHOEK METEN BUITEN 27.7 G626 Rechthoek meten buiten Meten van het middelpunt van een asparallelle rechthoek. I5= meetwaarden opslaan in een nulpuntverschuiving I5=0 niet opslaan I5=1 opslaan in de actieve nulpuntverschuiving in de lineaire assen (X/Y/Z). Bij het opslaan worden de meetwaarden bij de actieve nulpuntverschuiving opgeteld. X1=, Y1=, Z1= als de gemeten coördinaat in de actieve nulpuntverschuiving wordt opgeslagen (I5>0), wordt de nominale waarde hiermee verrekend. Voor de verdere programmering krijgt de gemeten coördinaat zo de nominale waarde. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de meetcycli. Basisinstellingen I4=1, B3=10, C1=10, L2=0, I3=0, I5=0, F2=MC843, X1=0, Y1=0, Z1=0. Aanwijzingen en toepassing Twee tegenover elkaar liggende gestelde werkstukhoeken worden gemeten (1+3 of 2+4) Benaderingsrichting voor de eerste hoekmeting. - De eerste meting vindt altijd haaks op de hoofdas plaats. - De tweede meting wordt steeds haaks op de nevenas uitgevoerd. Benaderingsrichting voor de tweede hoekmeting: - rechtsom van hoeknummer 1 3 of 3 1 - linksom van hoeknummer 2 4 of 4 2 EASYoperate DIN/ISO In EASYoperate zijn de adressen O1=, O2=, O4=, O5= en F2= niet beschikbaar. Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar het eerste startpunt (X, Y, Z). Als X, Y, Z niet zijn geprogrammeerd, wordt de actuele positie als startpunt genomen. 2. Eerste meting met meetvoeding (F2=) totdat het werkstuk of de maximale meetafstand (C1=) is bereikt. 3. Verplaatsing in ijlgang terug naar het startpunt. Er volgt een foutmelding, als de meettaster niet binnen het maximale meetafstand (C1=) heeft geschakeld. 26-9-2002 MillPlus IT V510 373
G626 RECHTHOEK METEN BUITEN 4. Verplaatsing in ijlgang afhankelijk van I3= via de veiligheidsafstand (L2=) naar het startpunt van de tweede meting. 5. Tweede meting (als voor punt 2 en 3). 6. De tegenoverliggende hoek wordt gemeten door middel van een derde en vierde meting (als voor punt 2 en 3). 7. Aan het einde een verplaatsing in ijlgang terug naar de veiligheidsafstand (L2=). 8. Afhankelijk van I5= wordt de meetwaarde opgeslagen.. Voorbeeld: het middelpunt van een rechthoek in de nulpuntverschuiving opslaan. N50 G54 I3 nulpunt instellen N60 G626 X-45 Y-3 Z-5 B1=100 B2=20 B3=5 I3=1 I5=1 meetcyclus definiëren en uitvoeren. Na de meetcyclus worden X en Y in G54 I3 aangepast. 374 Heidenhain 26-9-2002
G627 RECHTHOEK METEN BINNEN 27.8 G627 Rechthoek meten binnen Meten van het middelpunt van een asparallel rechthoekig gat. I5= meetwaarden opslaan in een nulpuntverschuiving I5=0 niet opslaan I5=1 opslaan in de actieve nulpuntverschuiving in de lineaire assen (X/Y/Z). Bij het opslaan worden de meetwaarden bij de actieve nulpuntverschuiving opgeteld. X1=, Y1=, Z1= Als de gemeten coördinaat in de actieve nulpuntverschuiving wordt opgeslagen (I5>0), wordt de nominale waarde hiermee verrekend. Voor de verdere programmering krijgt de gemeten coördinaat zo de nominale waarde. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de meetcycli. Basisinstellingen I4=1, B3=10, C1=10, L2=10, I3=0, I5=0, F2=MC843, X1=0, Y1=0, Z1=0. Aanwijzingen en toepassing Twee tegenover elkaar liggende werkstukhoeken worden gemeten (1+3 of 2+4) Benaderingsrichting voor de eerste hoekmeting: - De eerste meting vindt altijd haaks op de hoofdas plaats. - De tweede meting vindt altijd haaks op de nevenas plaats. Benaderingsrichting voor de tweede hoekmeting: - rechtsom van hoeknummer 1 3 of 3 1 - linksom van hoeknummer 2 4 of 2 EASYoperate DIN/ISO In EASYoperate zijn de adressen O1=, O2=, O4=, O5= en F2= niet beschikbaar. Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar het eerste startpunt (X, Y, Z). Als X, Y, Z niet zijn geprogrammeerd, wordt de actuele positie als startpunt genomen. 2. Eerste meting met meetvoeding (F2=) totdat het werkstuk of het maximale meetafstand (C1=) is bereikt. 3. Verplaatsing in ijlgang terug naar het startpunt. Er volgt een foutmelding, als de meettaster niet binnen het maximale meetafstand (C1=) heeft geschakeld. 26-9-2002 MillPlus IT V510 375
G627 RECHTHOEK METEN BINNEN 4. Verplaatsing in ijlgang afhankelijk van I3= via de veiligheidsafstand (L2=) naar het startpunt van de tweede meting. 5. Tweede meting (als voor punt 2 en 3). 6. De tegenoverliggende hoek wordt gemeten door middel van een derde en vierde meting (als voor punt 2 en 3). 7. Aan het einde een verplaatsing in ijlgang terug naar de veiligheidsafstand (L2=). 8. Afhankelijk van I5= wordt de meetwaarde opgeslagen. Voorbeeld: Het middelpunt van een rechthoek in de nulpuntverschuiving opslaan. N50 G54 I3 nulpunt instellen N60 G627 X-45 Y-3 Z-5 B1=100 B2=20 B3=5 I3=1 I5=1 meetcyclus definiëren en uitvoeren. Na de meetcyclus worden X en Y in G54 I3 aangepast 376 Heidenhain 26-9-2002
G628 CIRKEL METEN BUITEN 27.9 G628 Cirkel meten buiten Meten van het middelpunt van een cirkel. D1= hoekverschuiving van de cirkelmeting gerelateerd aan de hoofdas. I2= tasteroriëntatie in meetrichting: 0= meten zonder verdraaiing. 1= meten door middel van twee metingen met 180 verdraaiing. Eerste meting met standaardoriëntatie (MC849). Tweede meting met 180 draaien De meetwaarde is het gemiddelde uit deze twee metingen. 2= meten met oriëntatie in meetrichting. Alleen mogelijk met infraroodtaster met rondomstraler. In MC846 is de oriëntatiemogelijkheid van de taster vastgelegd. I5= meetwaarden opslaan in de nulpuntverschuiving I5=0 niet opslaan I5=1 opslaan in de actieve nulpuntverschuiving in de lineaire assen (X/Y/Z). Bij het opslaan worden de meetwaarden bij de actieve nulpuntverschuiving opgeteld. X1=, Y1=, Z1= Als de gemeten coördinaat in de actieve nulpuntverschuiving is opgeslagen (I5>0), wordt de nominale waarde hiermee verrekend. Voor de verdere programmering krijgt de gemeten coördinaat zo de nominale waarde. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de meetcycli. Basisinstellingen D1=0, D2=90, C1=20, L2=10, I2=0, I3=0, I5=0, F2=MC843, X1=0, Y1=0, Z1=0. Aanwijzingen en toepassing Het startpunt van de cirkelmeting moet zo worden gekozen dat de eerste meting zo nauwkeurig mogelijk richting middelpunt van de cirkel verloopt. De cirkelmeting wordt linksom uitgevoerd. EASYoperate DIN/ISO In EASYoperate zijn de adressen O1=, O2=, O6= en F2= niet beschikbaar. 26-9-2002 MillPlus IT V510 377
G628 CIRKEL METEN BUITEN Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar het eerste startpunt (X, Y, Z). Als X, Y, Z niet zijn geprogrammeerd, wordt de actuele positie als startpunt genomen. 2. Eerste meting met meetvoeding (F2=) totdat het werkstuk of het maximale meetafstand (C1=) is bereikt. 3. Verplaatsing in ijlgang terug naar het startpunt. Er volgt een foutmelding, als de meettaster niet binnen het maximale meetafstand (C1=) heeft geschakeld. 4. Verplaatsing in ijlgang afhankelijk van I3= via de veiligheidsafstand (L2=) naar het startpunt van de tweede meting. 5. Derde en vierde meting (als voor punt 2 t/m 4). 6. Aan het einde een verplaatsing terug naar de veiligheidsafstand (L2=). 7. Afhankelijk van I5= wordt de meetwaarde opgeslagen. Voorbeeld: Het middelpunt van een cirkel in de nulpuntverschuiving opslaan. N50 G54 I3 nulpunt instellen N60 G629 X-45 Y-3 Z-5 R50 I3=1 I5=1 meetcyclus definiëren en uitvoeren. Na de meetcyclus worden X en Y in G54 I3 aangepast. 378 Heidenhain 26-9-2002
G629 CIRKEL METEN BINNEN 27.10 G629 Cirkel meten binnen Het meten van het middelpunt van een cirkelgat. D1= hoekverschuiving van de cirkelmeting gerelateerd aan de hoofdas. I2= tasteroriëntatie in meetrichting: 0= meten zonder verdraaiing. 1= meten door middel van twee metingen met 180 verdraaiing. Eerste meting met standaardoriëntatie (MC849). Tweede meting met 180 draaien De meetwaarde is het gemiddelde uit deze twee metingen. 2= meten met oriëntatie in meetrichting. Alleen mogelijk met infraroodtaster met rondomstraler. In MC846 is de oriëntatiemogelijkheid van de taster vastgelegd. I5= meetwaarden opslaan in de nulpuntverschuiving I5=0 niet opslaan I5=1 opslaan in de actieve nulpuntverschuiving in de lineaire assen (X/Y/Z). Bij het opslaan worden de meetwaarden bij de actieve nulpuntverschuiving opgeteld. X1=, Y1=, Z1= Als de gemeten coördinaat in de actieve nulpuntverschuiving is opgeslagen (I5>0), wordt de nominale waarde hiermee verrekend. Voor de verdere programmering krijgt de gemeten coördinaat zo de nominale waarde. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de meetcycli. Basisinstellingen D1=90, D2=90, C1=10, L2=10, I2=0, I3=0, I5=0, F2=MC843, X1=0, Y1=0, Z1=0. Aanwijzingen en toepassing Het startpunt van de cirkelmeting moet zo worden gekozen dat de eerste meting zo nauwkeurig mogelijk richting middelpunt van de cirkel verloopt. De cirkelmeting wordt linksom uitgevoerd. EASYoperate DIN/ISO In EASYoperate zijn de adressen O1=, O2=, O6= en F2= niet beschikbaar. 26-9-2002 MillPlus IT V510 379
G629 CIRKEL METEN BINNEN Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar het eerste startpunt (X, Y, Z). Als X, Y, Z niet zijn geprogrammeerd, wordt de actuele positie als startpunt genomen. 2. Eerste meting met meetvoeding (F2=) totdat het werkstuk of het maximale meetafstand (C1=) is bereikt. 3. Verplaatsing in ijlgang terug naar het startpunt. Er volgt een foutmelding, als de meettaster niet binnen het maximale meetafstand (C1=) heeft geschakeld. 4. Verplaatsing in ijlgang afhankelijk van I3= via de veiligheidsafstand (L2=) naar het startpunt van de tweede meting. 5. Derde en vierde meting (als voor punt 2 t/m 4). 6. Aan het einde een verplaatsing terug naar de veiligheidsafstand (L2=). 7. Afhankelijk van I5= wordt de meetwaarde opgeslagen. Voorbeeld: Het middelpunt van een cirkel in de nulpuntverschuiving opslaan. N50 G54 I3 nulpunt instellen N60 G629 X-45 Y-3 Z-5 R50 I3=1 I5=1 meetcyclus definiëren en uitvoeren. Na de meetcyclus worden X en Y in G54 I3 aangepast. 380 Heidenhain 26-9-2002
G631 SCHEEFSTAND METEN 27.11 G631 Scheefstand meten Meten van de scheefstand van een werkstukvlak (G7) door middel van een driepuntsmeting. L2= De veiligheidsafstand is aan ieder startpunt van een meting gerelateerd en ligt in de meetrichting. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de meetcycli. Basisinstellingen C1=20, L2=0, I3=0, F2=MC843 Aanwijzingen en toepassing De gemeten scheefstand kan met de functie G7 rechtgezet worden. EASYoperate DIN/ISO De adressen O1=, O2=, O3= en F2= zijn in EASYoperate niet beschikbaar. Cyclusverloop De verplaatsingen in ijlgang vinden steeds met positioneerlogica in het actieve (eventueel al gezwenkte) bewerkingsvlak plaats. 1. Verplaatsing in ijlgang naar het eerste startpunt (X, Y, Z). 2. Eerste meting met meetvoeding (F2=) totdat het werkstuk of het maximale meetafstand (C1=) is bereikt. 3. Verplaatsing in ijlgang terug naar het startpunt. Er volgt een foutmelding, als de meettaster niet binnen het maximale meetafstand (C1=) heeft geschakeld. 4. Verplaatsing afhankelijk van I3= via de veiligheidsafstand (L2=) naar het startpunt van de tweede meting. 5. Tweede en derde meting (als voor punt 2 t/m 4). 6. Aan het einde een verplaatsing in ijlgang naar de veiligheidsafstand (L2=). 7. De meetwaarden worden opgeslagen. 26-9-2002 MillPlus IT V510 381
G631 SCHEEFSTAND METEN Voorbeeld: Het bewerkingsvlak uitrichten en draaien. N3416 bewerkingsvlak meten en draaien N1 G17 vlak instellen N2 G54 I1 N3 T35 M66 meettaster plaatsen N4 G0 X50 Y20 Z100 N5 G631 X18 Y0 Z-16 X1=18 Y1=10 Z1=-16 X2=10 Y2=0 Z2=-6 C1=15 L2=20 O1=10 O2=11 O3=12 F2=150 scheefstand van vlak meten N10 G0 Z100 naar een veilige hoogte gaan (G17) N11 G7 A5=E10 B5=E11 C5=E12 L1=1 bewerkingsvlak draaien 382 Heidenhain 26-9-2002
G640 DRAAITAFELCENTRUM BEPALEN 27.12 G640 Draaitafelcentrum bepalen Een bestaande boring in de tafel of het werkstuk wordt voor de kinematische verrekening van het rotatiecentrum gebruikt. De infraroodtaster positioneert zich daarbij eerst in het middelpunt van de boring, meet de boring nauwkeurig op, inclusief omslagmeting. Daarna wordt de tafel 180 graden gedraaid en wordt de gedraaide boring nogmaals gecontroleerd. De cyclus verrekent de middelpunten van de beide boringmetingen automatisch en vergelijkt deze met het oude rotatiecentrum. Basisinstellingen I1=1, I2=1, L2=0 O1=, O2= zijn E-parameternummers waarin de verschillen tussen oude en nieuwe verschuivingswaarden worden opgeslagen. (MC607 en MC615) Aanwijzingen en toepassing G640 mag niet worden geprogrammeerd als: - G18, G19, G36, G182 actief zijn. - G7 actief is, moeten X en Y, alsmede Z en C zijn ingevoerd. - in G54 t/m G59 B4= niet gelijk aan 0 is. - G93 B4= met A of B of C is geprogrammeerd. - er geen C-as aanwezig is. - gereedschap T0 is geprogrammeerd. - er geen programmeerbare kinematische elementen aanwezig zijn. - de meettaster met het materiaal in aanraking komt. Door G640 worden geactiveerd: G90, G40, G39 L0 R0 Door G640 worden gedeactiveerd: G7, G72 EASYoperate DIN/ISO In DIN is het adres I2= niet beschikbaar. Dat betekent dat de kinematische elementen altijd worden overschreven. Cyclusverloop 1. De meettaster wordt tot aan de software-eindschakelaar teruggetrokken (G174) of, indien geprogrammeerd, in een door de veiligheidsafstand bepaalde positie. Als alle posities zijn overgenomen, vervalt deze verplaatsing. 2. G7 wordt uitgeschakeld. 3. Indien aanwezig, wordt de B-as in verticale stand gebracht. Indien aanwezig, wordt de A-as op nul gezet. 26-9-2002 MillPlus IT V510 383
G640 DRAAITAFELCENTRUM BEPALEN 4. De meettaster wordt in de nieuwe richting van de gereedschapsas nogmaals tot aan de softwareeindschakelaar teruggetrokken (G174) of, indien geprogrammeerd, in een door de veiligheidsafstand bepaalde positie. Als alle posities zijn overgenomen, vervalt deze verplaatsing. 5. Om het middelpunt van het gat te bepalen, wordt de meettaster in het gat in de aangegeven positie gebracht. Vervolgens wordt het gat op vier tegenover elkaar liggende posities asparallel getast. Ten slotte wordt het middelpunt van het gat bepaald. 6. Het gat wordt met een starthoek aan de vier kwadranten getast. 7. Daarna wordt de meettaster 180 gedraaid en wordt de meting herhaald. 8. Vervolgens wordt de meettaster tot aan de software-eindschakelaar teruggetrokken (G174) of, indien geprogrammeerd, tot voorbij de veiligheidsafstand. Als gebruik wordt gemaakt van het gat in de tafel om het kinematische rotatiecentrum te bepalen, wordt de taster niet teruggetrokken. 9. Daarna word de rondtafel 180 gedraaid. 10. Hetzelfde gat wordt in de nieuwe positie op dezelfde wijze gemeten. 11. Vervolgens wordt de meettaster tot aan de software-eindschakelaar teruggetrokken (G174) of, indien geprogrammeerd, in een door de veiligheidsafstand bepaalde positie. 12. De cyclus berekent automatisch het middelpunt tussen de gaten en vergelijkt dit met de in het kinematische model ingevoerde waarden. 13. De C-as keert terug naar de beginpositie. 14. De waarden van de programmeerbare kinematische elementen worden in MC607 en MC615 ingevoerd. De verschillen tussen de oude en nieuwe verschuivingswaarden van de geprogrammeerde kinematische elementen worden opgeslagen in O1= en O2=. 15. Bij meettasters die niet kunnen roteren, komen de omslagmetingen te vervallen. 16. In dit geval moet de meettaster heel goed uitgericht zijn (mag niet scheef staan), om een goed resultaat te krijgen. Opmerkingen - De cyclus G640 kan alleen in G17 worden geprogrammeerd. - De meettaster kan overal in het gat worden geplaatst. - Inch en millimeter zijn beide mogelijk. - De cyclus G640 is alleen beschikbaar bij machines met een mechanische C-as en met software-versies met programmeerbare kinematische elementen. - Als een nulpuntverschuiving actief is, wordt deze binnen de cyclus niet uitgeschakeld, maar worden de posities verrekend ten opzichte van het machinenulpunt. - De gemeten waarden worden in een venster getoond en in een tekstbestand opgeslagen. - Als gebruik wordt gemaakt van het gat in de tafel om het kinematische rotatiecentrum te bepalen, wordt de taster niet teruggetrokken. Wanneer een werkstuk op de rondtafel is opgespannen, kan er een botsing met de gereedschapskop plaatsvinden. Voorbeeld N1 G17 N2 T2 M6 N3 G0 X.. Y.. X.. N4 G640 C1=50 I1=1 vlak instellen. meettaster plaatsen. positioneer de meettaster in het gat van de draaitafel. rotatiecentrum bepalen. De programmeerbare kinematische elementen worden altijd overschreven. MC607 en MC615 worden aangepast. 384 Heidenhain 26-9-2002
OVERZICHT VAN BEWERKINGS- EN POSITIECYCLI: 28. Bewerkings- en positiecycli Met de bewerkingscyclus wordt een bewerkingsvoortgang vastgelegd. De uitvoering van de bewerkingscyclus op een positie wordt in een afzonderlijke positiecyclus vastgelegd. 28.1 Overzicht van bewerkings- en positiecycli: Speciale cyclus: 1 G700 Vlakdraaien nieuw (alleen in DIN/ISO) 2 G730 Vlakken nieuw Positiecycli (patroon) (alleen in EASYoperate): 1 G771 Bewerking op lijn nieuw 2 G772 Bewerking op vierhoek nieuw 3 G773 Bewerking op vierhoek nieuw 4 G777 Bewerking op cirkel uitgebreid t.o.v. G77 5 G779 Bewerking op positie uitgebreid t.o.v. G79 Boorcycli: 1 G781 Boren / centreren uitgebreid t.o.v. G81 2 G782 Diepboren uitgebreid t.o.v. G83 3 G783 Diepboren met extra spaanbreken uitgebreid t.o.v. G83 (alleen in DIN/ISO) 4 G784 Tappen uitgebreid t.o.v. G84 (alleen in EASYoperate) 5 G785 Ruimen uitgebreid t.o.v. G85 6 G786 Kotteren uitgebreid t.o.v. G86 7 G790 Terugwaarts verzinken nieuw 8 G794 Tappen, interpolerend uitgebreid t.o.v. G84 (alleen in EASYoperate) Freescycli: 1 G787 Kamerfrezen uitgebreid t.o.v. G87 2 G788 Spiebaanfrezen uitgebreid t.o.v. G88 3 G789 Rondkamerfrezen uitgebreid t.o.v. G89 4 G797 Kamer nafrezen nieuw 5 G798 Spiebaan nafrezen nieuw 6 G799 Ronde kamer nafrezen nieuw 26-9-2002 MillPlus IT V510 385
INLEIDING 28.2 Inleiding Bewerkingsvlak De cyclusprogrammering is onafhankelijk van het bewerkingsvlak (G17, G18, G19 en G7). Gereedschapsas en bewerkingsvlak De cycli worden uitgevoerd in het actuele hoofdvlak G17, G18, G19 of in het gezwenkte vlak G7. De werkrichting van de cyclus wordt door de gereedschapsas bepaald. De richting van de gereedschapsas kan met G67 worden omgekeerd. Uitvoering in EASYoperate De bewerkingscycli (speciale, boor- en freescycli) worden op de patronen, zoals gedefinieerd door de positiecycli G77, G79, G771, G772, G773, G777 of G779, uitgevoerd. Algemeen voorbeeld: bewerkingscyclus (boorcyclus): N... G781... positiecyclus : N... G779 X... Y... Z... De cyclus G781 wordt op deze positie, bepaald door G779, uitgevoerd. Uitvoering in DIN De nieuwe bewerkingscycli (speciale, boor- en freescycli) worden alleen door de positiecyclus G79, op één positie, uitgevoerd. Punten (P1 P4) zijn niet toegestaan. Positioneerlogica Het gereedschap verplaatst zich in ijlgang en afhankelijk van G28 met positioneerlogica naar de 1 e veiligheidsafstand via de door de positiecyclus gedefinieerde positie (X, Y, Z...). Spiegelen en schalen Tussen een boor-/freescyclus en een positiecyclus mag spiegelen en schalen niet worden ingeschakeld. Cyclusgegevens wissen De cyclusgegevens worden bij M30, softkey <Programma annuleren>, softkey <CNC reset> of bij het definiëren van een nieuwe cyclus gewist. Spil inschakelen Voor begin van de cyclus moet de spil worden ingeschakeld. In de cyclusdefinitie kunnen F en S worden overschreven. Spiegelen Als u maar één as spiegelt, verandert de baanrichting van het gereedschap. Dit geldt niet voor bewerkingscycli. Commentaar Commentaar in een regel met een bewerkingscyclus is niet toegestaan. Vóór de cyclusoproep radiuscorrectie G40 programmeren. Waarschuwing Het gereedschap zo voorpositioneren dat er geen botsing met het werkstuk of de spanmiddelen kan plaatsvinden. 386 Heidenhain 26-9-2002
BESCHRIJVING VAN DE ADRESSEN 28.3 Beschrijving van de adressen Verplichte adressen Verplichte adressen worden zwart weergegeven. Wanneer een verplicht adres niet is ingevoerd, volgt er een foutmelding. Optionele adressen Optionele adressen worden lichtgrijs weergegeven. Als deze adressen niet zijn ingevoerd, worden ze genegeerd of krijgen ze de reeds ingevoerde basisinstelling. Uitleg van de adressen Van de hier beschreven adressen wordt in de meeste cycli gebruik gemaakt. Specifieke adressen worden bij de cyclus beschreven. X, Y, Z: positie van de vastgelegde bewerkingsgeometrie. Op deze positie wordt de bewerking uitgevoerd. Als X, Y of Z niet zijn ingevoerd, wordt de actuele positie van het gereedschap overgenomen. Uitvoering Het gereedschap verplaatst zich in ijlgang en afhankelijk van G28, met positioneerlogica, naar het startpunt. Als X, Y, Z niet geprogrammeerd zijn, wordt de actuele positie als startpunt genomen. In de gereedschapsas wordt de 1e veiligheidsafstand (L1=) in aanmerking genomen. Bij het vlakken (G730) zijn ook de andere assen verschoven. L R Diepte (groter dan 0). Bij het regels frezen (G730) is dit de bewerkingshoogte: afstand tussen geprogrammeerd werkstukoppervlak en oppervlak van onbewerkt werkstuk. radius van de ronde kamer L1= 1 e veiligheidsafstand bij begin van de cyclus. L2= 2 e veiligheidsafstand: hoogte vanaf 1 e veiligheidsafstand. Aan het einde van de cyclus verplaatst het gereedschap zich naar de 2 e veiligheidsafstand (indien ingevoerd). C1= stapdiepte (> 0): maat die betrekking heeft op de verplaatsing van het gereedschap. De diepte (L) of de bewerkingshoogte (L) hoeft geen veelvoud van de stapdiepte (C1=) te zijn. De CNC verplaatst in één beweging naar deze diepte, als de stapdiepte gelijk aan of groter dan de diepte (C1=>L-L3) is. Opmerking: Als er bij frees- of boorbewerkingen een stapdiepte (C1=) is geprogrammeerd, ontstaat er meestal een restsnede die kleiner is dan de geprogrammeerde stapdiepte. Wanneer bij boorbewerkingen de restsnede > 0 is, worden de laatste twee snedes in twee gelijke delen opgedeeld. Zo wordt voorkomen dat de laatste snede heel klein wordt. D3= wachten: aantal omwentelingen dat het gereedschap op de bodem van de boring wacht voor het lossen (het minimum is 0 en het maximum 9.9). F2= ijlgang induiken: snelheid waarmee het gereedschap zich van de veiligheidsafstand naar de freesdiepte verplaatst. F5= terugtrekijlgang: verplaatsingssnelheid van het gereedschap bij het terugtrekken uit de boring. F en S Voor de bewerkingscycli binnen EASYoperate zijn de adressen F en S niet beschikbaar. Deze moeten in het FST-menu worden geprogrammeerd. 26-9-2002 MillPlus IT V510 387
G700 VLAKDRAAIEN 28.4 G700 Vlakdraaien De vlakdraaicyclus voert maar één vlakke of conische draaibankbewerking uit. Basisinstellingen L0, I1=0 EASYoperate DIN/ISO G700 is in EASYoperate niet beschikbaar. De cyclus maakt gebruik van de volgende adressen in het gereedschapsgeheugen: R instelradius. Wordt na het vlakdraaien automatisch met de actuele radius overschreven. A1 oriëntatiehoek voor het aankoppelen. Wordt na het vlakdraaien automatisch met de actuele hoek (0-359.999 graden) overschreven. R1 minimale diameter (optioneel). R2 maximale diameter (optioneel). Aanwijzingen en toepassing G700 mag niet worden geprogrammeerd, wanneer: - G36, G182 actief zijn - gereedschap T0 is geprogrammeerd - de spiloriëntatie met hoek mag niet gelijk aan nul zijn. Terugzetten van de radiale vlakdraaiwang: om de vlakdraaiwang snel naar de uitgangsdiameter terug te kunnen zetten, mag het maximaal toelaatbare toerental worden gebruikt. Werkelijk bereikte diameter: de geprogrammeerde diameter wordt afgerond, zodat deze exact past bij een van de 72 arrêteringen van de klemming. De maximale afwijking die daardoor ontstaat, is < (voeding/72)/2. Dat wil zeggen een afwijking van 0.001 mm bij een voeding van 0.15 mm/omw. Opmerking G40, G72, G90 en G94 blijven na G700 actief. Regelsprong: bij een regelsprong moet de kop, vóór begin van een G700-cyclus, in de juiste positie worden gebracht. Daarom moeten radius R en hoek A1 correct in de gereedschapstabel zijn ingevoerd. 388 Heidenhain 26-9-2002
G700 VLAKDRAAIEN Toerental- en voedingscorrectieschakelaar: de toerentalcorrectieschakelaar is niet actief. De voedingscorrectieschakelaar is wel actief. Uitlezing: tijdens de beweging wordt het toerental in het actuele S-veld getoond. Aan het einde daarvan wordt de spilpositie steeds in het gebied van 0-359.999 graden aangegeven. De geprogrammeerde voeding blijft ongewijzigd. De actuele voeding heeft de waarde nul of wordt als voeding van de verplaatsing in de gereedschapsas aangegeven. Indexering in - en uitschuiven wordt automatisch door de cyclus uitgevoerd : M81 Indexering uitschuiven (in de vlakdraaikop). M80 Indexering inschuiven. Voorbeeld: Voorbeeld van een programma Beschrijving Gereedschapsgeheugen: gereedschapsradius R20 Gereedschapsgeheugen: oriëntatiehoek A1=0 N120 G700 X50 L5 F=0.05 S600 Afschuining 5 mm van diameter 40 op 50 N140 G700 X70 Vlakdraaiverplaatsing naar diameter 70 N130 G0 Z100 Vrijzetten N140 G700 X40 I1=1 S1200 Terug naar diameter 40 en afkoppelen Vlakdraaikop De vlakdraaikop kan na plaatsing in de spil als kotterkop worden gebruikt. Door de op de machine aangebrachte indexering wordt de opsluitring gefixeerd en wordt tegelijkertijd de vergrendeling tussen opsluitring en vlakdraaikop ontgrendeld. Als de spil draait, verplaatst het schuifstuk zich via een mechanische overbrenging van bijv. 0,1 mm/omw. Het vlakdraaitraject wordt door het aantal omwentelingen van de spil bepaald. Door een gesynchroniseerde verplaatsing van de spil en de gereedschapsas (Z) is het mogelijk kegels en afschuiningen te roteren. Het terugzetten geschiedt door linksom draaien van de spil. Cyclusverloop 1 Instelradius van de vlakdraaikop instellen en in het gereedschapsgeheugen opnemen. 2 Vlakdraaikop in de spil plaatsen (de eerste keer de aankoppelingshoek controleren). 3 Oriëntatie en indexering controleren en eventueel uitschuiven. 4 De spil roteert en voert zo een vlakdraaibewerking uit. 5 De hoekposities als veelvoud van 5 graden worden benaderd. 6 Instelradius en oriëntatiehoek worden automatisch naar het gereedschapsgeheugen geschreven. 26-9-2002 MillPlus IT V510 389
G730 VLAKKEN 28.5 G730 Vlakken Een regelfreescyclus in één programmaregel vastleggen. B1= 1 e zijdelengte in de hoofdas (met richtingsvoorteken) B2= 2 e zijdelengte in de nevenas (met richtingsvoorteken) L bewerkingshoogte (>0) C2= snedebreedte in %: maximaal percentage van de gereedschapsdiameter dat bij iedere arbeidsgang als snedebreedte moet worden gehanteerd. De totale breedte wordt in gelijke snedes opgedeeld. De laatste snede gaat 10% van de freesdiameter verder dan de rand van het materiaal. C3= radiale veiligheidsafstand I1= methode: I1=1 meander. I1=2 meander en dwarsverplaatsing buiten materiaal. I1=3 bewerking in dezelfde richting. Met de richting van B1= en B2= wordt bepaald of meelopend of tegenlopend wordt gefreesd. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de bewerkingscycli. Basisinstellingen L1=1, L2=0, L3=0, C1=L-L3, C2=67%, C3=5, I1=1 Cyclusverloop Methode: meander. 1 Verplaatsing in ijlgang naar de 1 e veiligheidsafstand via het oppervlak van het werkstuk. Het startpunt is gereedschapsradius plus radiale veiligheidsafstand (C3=) naast de geprogrammeerde positie. 2 Verplaatsing in ijlgang induiken (F2=) met de stapdiepte (C1=) naar de volgende diepte. 3 Vervolgens freest het gereedschap in de hoofdas een regel. Het eindpunt van deze verplaatsing ligt een snedebreedte (C2= maximaal 50% van de freesradius) in het materiaal. Bij de laatste snede verplaatst het gereedschap zich naar een positie buiten het materiaal op een afstand gelijk aan de radiale veiligheidsafstand. 4 Het gereedschap verplaatst zich met voeding frezen dwars naar het startpunt van de volgende regel. Het verplaatst zich bij de laatste snede naar een positie buiten het materiaal op een afstand gelijk aan 10% van de freesradius. 5 Regel frezen 3 en 4 herhalen, totdat het ingevoerde vlak volledig is bewerkt. 6 De stappen 1 t/m 6 herhalen, totdat de diepte (L) is bereikt. 7 Aan het einde volgt een verplaatsing in ijlgang naar de 1 e plus 2 e veiligheidsafstand (L1= plus L2=). 390 Heidenhain 26-9-2002
Voorbeeld G730 VLAKKEN Methode: meander en dwarsverplaatsing buiten materiaal. Bij deze methode ligt het eindpunt van iedere regel buiten het materiaal op een afstand gelijk aan de radiale veiligheidsafstand. Het gereedschap voert de dwarsverplaatsing in ijlgang uit. Methode: dezelfde freesrichting. Bij deze methode freest het gereedschap iedere regel in dezelfde richting (meelopend of tegenlopend). Het eindpunt van iedere regel ligt buiten het materiaal op een afstand gelijk aan de radiale veiligheidsafstand. De CNC trekt het gereedschap aan het einde van een regel terug over een afstand gelijk aan de 1 e veiligheidsafstand (L1=). Vervolgens gaat het gereedschap in ijlgang langs de hoofdas terug, waarna een dwarsverplaatsing plaatsvindt. Voorbeeld van een programma Beschrijving N55 T1 M6 Gereedschap plaatsen N60 S500 M3 Spil inschakelen N65 G730 I1=2 B1=100 B2=80 L10 L1=5 C1=3 C2=73 C3=1 F100 Regelfreescyclus definiëren N70 G79 X-50 Y-50 Z0 Regelfreescyclus uitvoeren 26-9-2002 MillPlus IT V510 391
G771 BEWERKING OP LIJN 28.6 G771 Bewerking op lijn Uitvoeren van een bewerkingscyclus in punten die op gelijke afstand op een lijn liggen. Basisinstellingen A1=0 EASYoperate DIN/ISO G771 is alleen in EASYoperate beschikbaar. Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar positie. 2. De vooraf gedefinieerde bewerkingscyclus wordt hier uitgevoerd. 3. Na uitvoering daarvan volgt een verplaatsing naar de volgende positie. 4. De stappen (2-3) herhalen, totdat alle posities (K1=) zijn bewerkt. Voorbeeld Voorbeeld van een programma N60 T1 M6 N65 S500 M3 N70 G781 L-30 F100 F5=6000 N75 G771 X50 Y20 Z0 B1=40 K1=4 Beschrijving Gereedschap plaatsen Spil inschakelen Boorcyclus definiëren Boorcyclus in 4 punten uitvoeren 392 Heidenhain 26-9-2002
G772 BEWERKING OP VIERHOEK 28.7 G772 Bewerking op vierhoek Uitvoeren van een bewerkingscyclus in punten die op gelijke afstand op een vierhoek liggen. Basisinstellingen A1=0, A2=90 EASYoperate DIN/ISO G772 is alleen in EASYoperate beschikbaar. Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar positie. 2. De vooraf gedefinieerde bewerkingscyclus wordt hier uitgevoerd. 3. Na uitvoering daarvan volgt een verplaatsing naar de volgende positie. De richting van de vierhoek wordt bepaald door de hoek A1=. 4. De stappen (2-3) herhalen, totdat alle posities (K1=, K2=) zijn bewerkt. Voorbeeld Voorbeeld van een programma Beschrijving N60 T1 M6 Gereedschap plaatsen N65 S500 M3 Spil inschakelen N70 G781 L-30 F100 F5=6000 Boorcyclus definiëren N75 G772 X50 Y20 Z0 B1=40 K1=4 B2=30 K2=3 Boorcyclus op vierhoek met 10 punten uitvoeren 26-9-2002 MillPlus IT V510 393
G773 BEWERKING OP RASTER 28.8 G773 Bewerking op raster Uitvoeren van een bewerkingscyclus in punten die op gelijke afstand op een raster liggen. Basisinstellingen A1=0, A2=90 EASYoperate DIN/ISO G773 is alleen in EASYoperate beschikbaar. Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar positie. 2. De vooraf gedefinieerde bewerkingscyclus wordt hier uitgevoerd. 3. Na uitvoering daarvan volgt een verplaatsing naar de volgende positie. De posities worden in startrichting, bepaald door de hoek A1=, zigzag benaderd. 4. De stappen (2-3) herhalen, totdat alle posities (K1=, K2=) zijn bewerkt. Voorbeeld Voorbeeld van een programma Beschrijving N60 T1 M6 Gereedschap 1 plaatsen N65 S500 M3 Spil inschakelen N70 G781 L-30 F100 F5=6000 Boorcyclus definiëren N75 G773 X50 Y20 Z0 B1=40 K1=4 B2=30 K2=3 Boorcyclus op raster met 10 punten uitvoeren 394 Heidenhain 26-9-2002
G777 BEWERKING OP CIRKEL 28.9 G777 Bewerking op cirkel Uitvoeren van een bewerkingscyclus in punten die op gelijke afstand op een cirkelboog of een volledige cirkel liggen. Basisinstellingen A1=0, A2=360 EASYoperate DIN/ISO G777 is alleen in EASYoperate beschikbaar. Aanwijzing Richting: Als A1= groter is dan A2=, worden de gaten rechtsom geboord. Als A1= kleiner dan of gelijk aan A2= is, worden de gaten linksom geboord. Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar positie. 2. De vooraf gedefinieerde bewerkingscyclus wordt hier uitgevoerd. 3. Na uitvoering daarvan volgt een verplaatsing naar de volgende positie. De richting van de posities wordt bepaald door A1= en A2=. 4. De stappen (2-3) herhalen, totdat alle posities (K1=) zijn bewerkt. 26-9-2002 MillPlus IT V510 395
G777 BEWERKING OP CIRKEL Voorbeelden Voorbeeld 1: cyclus op een volledige cirkel Voorbeeld van een programma N60 T1 M6 N65 S500 M3 N70 G781 L-30 F100 F5=6000 N75 G777 X50 Y20 Z0 R=25 K1=6 A1=0 A2=300 Of N75 G777 X50 Y20 Z0 R=25 K1=7 A1=0 A2=360 Beschrijving Gereedschap plaatsen Spil inschakelen Boorcyclus definiëren Boorcyclus op cirkel met 6 punten uitvoeren K1=6 aantal gaten =6 A1=0 starthoek = 0 graden A2=300 eindhoek=300 graden Boorcyclus op cirkel met 6 punten uitvoeren K1=7 aantal ingevoerde gaten =7 aantal bewerkte gaten =6 A1=0 starthoek = 0 graden A2=360 eindhoek =300 graden Opmerking: in dit geval worden er 6 gaten geboord, in plaats van 7 zoals ingevoerd. Het eerste en laatste gat bevinden zich in dezelfde positie. Als in de cyclus een bewerking voor de tweede maal in dezelfde positie moet worden uitgevoerd, blijft deze bewerking de tweede keer achterwege. Voorbeeld 2 Richting van de boringen op een cirkelboog A1 = 180 A1 = -180 A1 A2 > 0 CW A1 A2 < 0 CCW Voorbeeld van een programma N50 G81 Y1 Z-10 F100 S1000 M3 N60 G77 X0 Y0 Z0 R25 A1=180 A2=30 J4 N70 G77 X0 Y0 Z0 R25 A1=-180 A2=30 J4 Beschrijving Cyclus definiëren Cyclus vier keer op de cirkelboog herhalen; start bij 180 graden, einde bij 30 graden rechtsom (CW). Cyclus vier keer op cirkelboog herhalen; start bij 180 graden, einde bij 30 graden linksom (CCW). 396 Heidenhain 26-9-2002
G779 BEWERKING OP POSITIE 28.10 G779 Bewerking op positie Uitvoeren van een bewerkingscyclus op één positie. EASYoperate DIN/ISO G779 is alleen in EASYoperate beschikbaar. Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar positie. 2. De vooraf gedefinieerde bewerkingscyclus wordt hier uitgevoerd. Voorbeeld Voorbeeld van een programma N60 T1 M6 N65 S500 M3 N70 G781 L-30 F100 F5=6000 N75 G779 X50 Y20 Z0 Beschrijving Gereedschap plaatsen Spil inschakelen Boorcyclus definiëren Boorcyclus in punt uitvoeren 26-9-2002 MillPlus IT V510 397
G781 BOREN / CENTEREN 28.11 G781 Boren / centeren Een eenvoudige boor- of centreercyclus met eventueel spaanbreken in één programmaregel vastleggen. Basisinstellingen L1=1, L2=0, C1=L, D3=0 EASYoperate DIN/ISO In EASYoperate zijn de adressen D3=, F en S niet beschikbaar. Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=). 2. Boren met boorvoeding met stapdiepte (C1=) of diepte (L). 3. Verplaatsing in terugtrekijlgang (F5=) over een afstand van 0,2 mm. 4. De stappen (2-3) herhalen, totdat de boordiepte (L) is bereikt. 5. Wachten op de bodem van de boring (D3=) voor het lossen. 6. Verplaatsing in terugtrekijlgang (F5=) naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=) en in ijlgang terug naar de 2 e veiligheidsafstand (L2=). Voorbeeld Voorbeeld van een programma N60 T1 M6 N65 S500 M3 N70 G781 L30 F100 F5=6000 N75 G79 X50 Y20 Z0 N76 G79 X50 Y80 Z0 Beschrijving Gereedschap plaatsen Spil inschakelen Boorcyclus definiëren Boorcyclus in punt 1 uitvoeren Boorcyclus in punt 2 uitvoeren 398 Heidenhain 26-9-2002
G782 DIEPBOREN 28.12 G782 Diepboren Een diepboorcyclus met afnemende stapdiepte voor spaanbreken en regelmatig verwijderen van spanen in één programmaregel vastleggen. Als de stapdiepte (C1=) niet is geprogrammeerd of C1= groter dan of gelijk aan de diepte (L) is, zijn de adressen C2=, C3=, C5=, C6=, C7= en K1= niet van belang. Als het aantal stappen tot aan het terugtrekken (K1=) niet is geprogrammeerd of K1=1, zijn de adressen C6= en C7= niet van belang. Met snede-opdeling voor spaanbreken of verwijderen van spanen. C2= waarde waarmee de stapdiepte na iedere verplaatsing wordt verminderd. (C1 = C1 - n * C2). De stapdiepte (C1=) blijft altijd groter dan of gelijk aan de minimale stapdiepte (C3=). C5= terugtrekafstand bij spaanbreken (incrementeel): afstand waarover het gereedschap zich bij het spaanbreken terugtrekt. Verwijderen van spanen na meerdere snedes: K1= aantal voedingsbewegingen (C1=), voordat het gereedschap zich voor het verwijderen van de spanen uit de boring terugtrekt. Voor het spaanbreken zonder verwijderen van spanen trekt het gereedschap zich steeds met de terugtrekafstand (C5=) terug. Als K1=0 of niet is geprogrammeerd, worden de spanen na elke snede verwijderd. C6= veiligheidsafstand voor ijlgangpositionering, als het gereedschap na terugtrekken uit de boring weer naar de actuele stapdiepte gaat. Deze waarde geldt bij de eerste voeding. C7= veiligheidsafstand voor ijlgangpositionering, als het gereedschap na terugtrekken uit de boring weer naar de actuele stapdiepte gaat. Deze waarde geldt bij de laatste voeding. Als C6= niet gelijk is aan C7=, verandert de veiligheidsafstand tussen de eerste en laatste voeding evenredig. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de bewerkingscycli. Basisinstellingen L1=1, L2=0, C1=L, C2=0, C3=C2, C5=0.1, C6=0.5, C7=0.5, K1=1, D3=0 EASYoperate DIN/ISO In EASYoperate zijn de adressen C5=, C6=, C7=, K1=, D3=, F en S niet beschikbaar. 26-9-2002 MillPlus IT V510 399
G782 DIEPBOREN Aanwijzingen en toepassing Regels voor snede-opdeling 1. De snedediepte wordt altijd begrensd door de boordiepte (L). 2. Als C3 is geprogrammeerd, kan in geval van twee snedes de eerste boorsnede worden gereduceerd. 3. Iedere snede is kleiner dan of gelijk aan de voorgaande snede. 4. Bij meer dan twee snedes en een restsnede worden de restsnede en de voorlaatste snede als twee gelijke snedes uitgevoerd. Zo wordt voorkomen dat de laatste snede heel klein wordt. Voorbeelden van snede-opdeling Programmering Boorsnedes Aanwijzingen of voorschriften Een of twee boorsnedes: G782 L10 C1=15 10 Regel 1. G782 L10 C1=9 9 1 G782 L10 C1=9 C3=2 8 2 Regel 2. G782 L10 C1=7 C3=6 5 5 Regel 2 en 3. Meer dan 2 boorsnedes: G782 L25 C1=7 7 7 5.5 5.5 Regel 4. G782 L25 C1=7 C2=2 7 5 3 2 2 2 2 2 G782 L24 C1=7 C2=2 7 5 3 2 2 2 1.5 1.5 Regel 4. G782 L29 C1=7 C2=2 C3=3 7 5 3 3 3 3 2.5 2.5 Regel 4. Cyclusverloop 1 Verplaatsing in ijlgang naar 1 e veiligheidsafstand (L1). 2 Boren met boorvoeding gelijk aan de stapdiepte (C1=). 3 Bij spaanbreken: terugtrekken met de terugtrekafstand (C5=). Bij het verwijderen van spanen: verplaatsing in terugtrekijlgang (F5=) naar boven en vervolgens weer in ijlgang induiken (F2=) tot aan de veiligheidsafstand (C6= boven tot C7= onder). 4 Vervolgens wordt de stapdiepte (C1=) gereduceerd met de afnamefactor (C2=). De minimale stapdiepte is gelijk aan C3=. 5 De stappen (2-4) herhalen, totdat de boordiepte (L) is bereikt. 6 Wachten op de bodem van de boring (D3=) voor het lossen. 7 Verplaatsing in terugtrekijlgang (F5=) naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=) en in ijlgang naar de 2 e veiligheidsafstand (L2=). Afloop van de bewerking Invoer: C1=..., K1= groot Invoer: C1=..., K1=3 400 Heidenhain 26-9-2002
G782 DIEPBOREN Voorbeeld Voorbeeld van een programma Beschrijving N5 T1 M6 Gereedschap plaatsen N10 S500 M3 Spil inschakelen N15 G782 L150 L1=4 C1=20 C2=3 C3=6 Diepboorcyclus definiëren N20 G79 X50 Y50 Z0 Diepboorcyclus uitvoeren 26-9-2002 MillPlus IT V510 401
G783 DIEPBOREN MET EXTRA SPAANBREKEN 28.13 G783 Diepboren met extra spaanbreken Een diepboorcyclus met steeds geringere stapdiepte voor het verwijderen van spanen en met vaste spaanbreekafstand in één programmaregel vastleggen. Als de stapdiepte (C1=) niet is geprogrammeerd of C1= groter dan of gelijk aan de diepte (L) is, zijn de adressen C2=, C3=, C4=, C5=, C6= en C7= niet van belang. Als de boordiepte tot spaanbreuk (C4=) niet is geprogrammeerd of C4= is groter dan of gelijk aan de stapdiepte (C1=), zijn de adressen C6= en C7= niet van belang. C4= stapdiepte na uitvoering van spaanbreken. Spaanbreken wordt niet uitgevoerd indien C4>C1 of als dit niet is geprogrammeerd. C6= veiligheidsafstand voor ijlgangpositionering, als het gereedschap na terugtrekken uit de boring weer naar de actuele stapdiepte gaat. Deze waarde geldt bij de eerste stapdiepte. C7= veiligheidsafstand voor ijlgangpositionering, als het gereedschap na terugtrekken uit de boring weer naar de actuele stapdiepte gaat. Deze waarde geldt voor de laatste stapdiepte. Als C6= niet gelijk aan C7= is, wordt de veiligheidsafstand tussen de eerste en laatste stapdiepte evenredig gewijzigd. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de bewerkingscycli.. Basisinstellingen L1=1, L2=0, C1=L, C2=0, C3=C1, C4=C1, C5=0.1, C6=0.5, C7=C6, D3=0 Aanwijzingen Snedediepte: als er meer dan 2 snedes nodig zijn, worden de restsnede en de voorlaatste snede als 2 gelijke snedes uitgevoerd. Zo wordt voorkomen dat de laatste snede heel klein wordt. Cyclusverloop 1 Verplaatsing in ijlgang naar de 1 e veiligheidsafstand. 2 Zonder spaanbreken (C4>=C1 of C4 niet geprogrammeerd): boren met boorvoeding met stapdiepte (C1=). Bij spaanbreken (0 < C4 < C1): boren met diepte (C4=). Vervolgens terugtrekken met de terugtrekafstand (C5=). Dit herhalen totdat de stapdiepte (C1=) is bereikt. 3 Verplaatsing in terugtrekijlgang (F5=) naar boven en vervolgens weer in ijlgang induiken (F2=) tot aan de veiligheidsafstand (C6= boven tot C7= onder). 4 Vervolgens wordt de stapdiepte gereduceerd (C1=) met de afnamefactor (C2=). De minimale stapdiepte is gelijk aan C3=. 5 De stappen (2-4) herhalen, totdat de boordiepte (L) is bereikt. 402 Heidenhain 26-9-2002
G783 DIEPBOREN MET EXTRA SPAANBREKEN 6 Wachten op de bodem van de boring (D3=) voor het lossen. 7 Verplaatsing in terugtrekijlgang (F5=) naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=) en in ijlgang naar de 2 e veiligheidsafstand (L2=). Afloop van de bewerking Invoer: C1=.., C4=C1 Invoer: C1=.., C4<C1 Voorbeeld Voorbeeld van een programma Beschrijving N5 T1 M6 Gereedschap plaatsen N10 S500 M3 Spil inschakelen N15 G783 L150 L1=4 C1=20 C4=5 C2=2 C3=6 C5=0.5 F200 Diepboorcyclus definiëren N20 G79 X50 Y50 Z0 Diepboorcyclus uitvoeren 26-9-2002 MillPlus IT V510 403
G784 TAPPEN 28.14 G784 Tappen Een draadtapcyclus in één programmaregel vastleggen. L diepte (>0) L1= richtwaarde: 4x spoed. D3= tijd in seconden dat het gereedschap op de bodem van de boring wacht. Basisinstellingen L1=1, L2=0, D3=0 EASYoperate DIN/ISO G784 is alleen in EASYoperate beschikbaar. Aanwijzingen en toepassing: Het gereedschap moet in een voeding met lengtecompensatie opgespannen zijn. De voeding met lengtecompensatie compenseert toleranties van voeding en toerental tijdens de bewerking. Aan het einde van de cyclus wordt het koelmiddel en de spil weer in de toestand gebracht zoals die vóór de cyclus was. De voeding wordt afhankelijk van het toerental berekend. Tijdens het tappen is de toerental-override actief. De voeding-override is niet actief. Bij het oproepen van een G784-cyclus met G79 moet de CNC op de mode G94 (voeding in mm/min) zijn ingesteld en niet op de mode G95 (voeding in mm/omw). Machine en CNC moeten door de machinefabrikant voor de cyclus G784 zijn voorbereid. Cyclusverloop 1. Verplaatsing in de spilas in ijlgang naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=). 2. Tappen met spoed (L3=) naar boordiepte (L). 3. Na afloop van de wachttijd (D3=) wordt de spilrotatierichting omgekeerd. 4. Het gereedschap wordt met de spoed (L3=) naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=) en in ijlgang naar de 2 e veiligheidsafstand (L2=) teruggetrokken. 5. Aan het einde wordt de spilrotatierichting opnieuw omgekeerd. 404 Heidenhain 26-9-2002
G784 TAPPEN Voorbeeld Voorbeeld van een programma N13 T3 M6 N14 S56 M3 N15 G784 L22 L1=9 L3=2.5 N20 G79 X50 Y50 Z0 Beschrijving Gereedschap 3 plaatsen Spil inschakelen Draadtapcyclus definiëren Er wordt een voeding met lengtecompensatie toegepast Cyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren 26-9-2002 MillPlus IT V510 405
G785 RUIMEN 28.15 G785 Ruimen Een ruimcyclus in één programmaregel vastleggen. I1= 0: terugtrekken in ijlgang met stilstaande spil 1: terugtrekken met voeding en stilstaande spil F5= ijlgang (I1=0) of voeding (I1=1) terugtrekken: verplaatsingssnelheid van het gereedschap bij het terugtrekken uit de boring in mm/min. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de bewerkingscycli.. Basisinstellingen L1=1, L2=0, I1=0, D3=0 EASYoperate DIN/ISO In EASYoperate zijn de adressen D3=, F en S niet beschikbaar. Cyclusverloop 1 Verplaatsing in ijlgang naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=). 2 Ruimen met voeding F tot op diepte (L). 3 Wachten op de bodem van de boring (D3=). 4 Verplaatsing in terugtrekijlgang (F5=) naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=) en in ijlgang naar de 2 e veiligheidsafstand (L2=). Voorbeeld Voorbeeld van een programma N25 T4 M6 N30 S1000 M3 N35 G785 L29 D3=2 F100 F5=2000 N34 G79 X50 Y50 Z0 Beschrijving Gereedschap plaatsen Spil inschakelen Ruimcyclus definiëren Ruimcyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren 406 Heidenhain 26-9-2002
G786 KOTTEREN 28.16 G786 Kotteren Een kottercyclus met de mogelijkheid tot terugtrekken met georiënteerde spil in één programmaregel vastleggen. C1= afstand waarover het gereedschap bij het lossen vanaf de wand wordt teruggetrokken. I1= 0: met stilstaande spil terugtrekken zonder lossen. 1: met draaiende spil terugtrekken zonder lossen. 2: met oriëntatie van de spil (M19) en terugtrekken. D hoek (absoluut) waaronder het gereedschap voor het lossen is gepositioneerd (alleen bij I1=2). De vrijlooprichting bij G17/G18 is X en bij G19 is deze richting Y. F5= ijlgang (I1=0 of I1=2) of voeding (I1=1) terugtrekken: verplaatsingssnelheid van het gereedschap bij het terugtrekken uit de boring in mm/min. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de bewerkingscycli.. Basisinstellingen L1=1, L2=0, C1=0.2, D=0, D3=0, I1=0, F5=ijlgang (I1=0 of I1=2) of F5=F (I1=1) Aanwijzingen en toepassing Aan het einde van de cyclus wordt de spiltoestand die vóór de cyclus actief was, geactiveerd. Botsingsgevaar! De gereedschapspunt moet zo zijn uitgericht (MDI) dat deze naar de positieve hoofdas wijst. De getoonde hoek moet als oriëntatiehoek (D) worden ingevoerd, zodat het gereedschap zich in de richting van de negatieve hoofdas verwijdert. De vrijlooprichting bij G17/G18 is X en bij G19 is deze richting Y. Cyclusverloop 1 Verplaatsing in ijlgang naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=). 2 Kotterbewerking met boorvoeding (F) tot op de diepte (L). 3 Wachter op de bodem van de boring (D3=) met draaiende spil voor het lossen. 4 Bij I1=2 wordt de spil georiënteerd (D=) en wordt het gereedschap in de richting van de negatieve hoofdas over de terugtrekafstand (C1=) teruggetrokken. 5 Verplaatsing in terugtrekijlgang (F5=) naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=) en in ijlgang naar de 2 e veiligheidsafstand (L2=). 26-9-2002 MillPlus IT V510 407
G786 KOTTEREN Voorbeeld Voorbeeld van een programma N45 T5 M6 N50 S500 M3 N55 G786 L27 L1=4 L2=10 D3=1 F100 N60 G79 X50 Y50 Z0 Beschrijving Gereedschap plaatsen Spil inschakelen Kottercyclus definiëren Cyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren 408 Heidenhain 26-9-2002
G787 KAMERFREZEN 28.17 G787 Kamerfrezen Een kamerfreescyclus voor het voorbewerken van een rechthoekige kamer in één programmaregel vastleggen. Met deze cyclus is schuin induiken mogelijk en kan in een spiraalvormige ononderbroken baan worden gefreesd. B1= lengte van de kamers in de hoofdas. B2= breedte van de kamers in de nevenas. C2= percentage van de gereedschapsdiameter dat bij elke arbeidsgang als snedebreedte moet worden gehanteerd. De totale breedte wordt in gelijke snedes opgedeeld. R radius voor de kamerhoeken. Voor de radius R=0 is de afrondingsradius gelijk aan de gereedschapsradius. R1= percentage van de gereedschapsdiameter dat bij het schuin induiken als snedebreedte moet worden gehanteerd (>0). A3= hoek (0..90 ) waaronder het gereedschap schuin in het werkstuk kan induiken. De induikhoek wordt aangepast, zodat het gereedschap altijd met een geheel aantal rechthoekige bewegingen induikt. Alleen bij 90 wordt loodrecht ingedoken. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de bewerkingscycli.. Basisinstellingen L1=1, L2=0, L3=0, B3=0, C1=L, C2=67%, R= gereedschapsradius, R1=80%, A3=90, I1=1, F2=0.5*F bij loodrecht induiken en F2=F bij schuin induiken. Aanwijzingen en toepassing B1= en B2= moeten groter zijn dan 2*(gereedschapsradius + toegift kamerwand B3). Ten behoeve van het nabewerken moeten de toegiften L3 en B3 worden ingevoerd. Cyclusverloop 1 Verplaatsing in ijlgang naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=) via het midden van de kamer. 2 Als de induikhoek A3 = 90, verplaatst het gereedschap zich met voeding (F2=) naar de eerste stapdiepte (C1=). Als induikhoek A3 < 90, verplaatst het gereedschap zich met voeding (F2=) door middel van een geheel aantal rechthoekige bewegingen schuin naar de eerste stapdiepte(c1=). 3 Bewerking met voeding (F) in de positieve richting van de lange zijde in een vloeiende beweging van binnen naar buiten. 26-9-2002 MillPlus IT V510 409
G787 KAMERFREZEN Voorbeeld 4 Aan het einde van deze bewerking wordt het gereedschap tangentiaal in een helixbeweging vanaf de wand en de bodem teruggetrokken en verplaatst het zich dan in ijlgang naar het midden. 5 De stappen (2-4) herhalen, totdat de diepte (L) is bereikt. 6 Aan het einde volgt een verplaatsing in ijlgang naar de 1 e plus 2 e veiligheidsafstand (L1= plus L2=) Voorbeeld van een programma N10 T1 M6 (Fräser R8) N20 S500 M3 N30 G787 B1=150 B2=80 L6 L1=1 A3=5 C1=3 C2=60 R20 I1=1 F200 N40 G79 X160 Y120 Z0 Beschrijving Gereedschap plaatsen Spil inschakelen Kamerfreescyclus definiëren Cyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren 410 Heidenhain 26-9-2002
G788 SPIEBAANFREZEN 28.18 G788 Spiebaanfrezen Een kamerfreescyclus voor het voorbewerken en/of nabewerken van een spiebaan in één programmaregel vastleggen. Bij deze cyclus is schuin induiken mogelijk. B1= lengte van de spiebaan in de hoofdas B2= breedte van de spiebaan in de nevenas. Als de spiebaanbreedte gelijk aan de gereedschapsdiameter is, wordt er alleen voorbewerkt. A3= maximale hoek (0..90 ) waaronder het gereedschap in het werkstuk kan induiken. Alleen bij 90 duikt het gereedschap loodrecht in. I2= 0: alleen voorbewerken. 1: voorbewerken en nabewerken. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de bewerkingscycli.. Basisinstellingen L1=1, L2=0, B3=0, C1=L, A3=90, I1=1, I2=0, F2=0.5*F bij loodrecht induiken en F2=F bij schuin induiken. Aanwijzingen en toepassing - Bij het voorbewerken met schuin induiken, duikt het gereedschap pendelend van het ene naar het andere spiebaaneinde in het materiaal. Voorboren is dus niet noodzakelijk. - Bij loodrecht induiken duikt het gereedschap steeds in het spiebaaneinde aan de negatieve zijde. Er moet hier worden voorgeboord. - De freesdiameter niet groter dan de spiebaanbreedte en niet kleiner dan een derde van de spiebaanbreedte kiezen. - De freesdiameter kleiner dan de halve spiebaanlengte kiezen: anders kan de CNC niet pendelend induiken. - Voor het nabewerken moet de toegift (B3=) worden ingevoerd. Cyclusverloop Voorbewerken: 1. Verplaatsing in ijlgang naar de 1e veiligheidsafstand (L1=) en naar het centrum van de linkercirkel. 2. Als induikhoek A3 = 90, verplaatst het gereedschap zich met voeding (F2=) naar de eerste stapdiepte (C1=), vervolgens met voeding F naar het centrum van de rechtercirkel. Als induikhoek A3 < 90, verplaatst het gereedschap zich met voeding (F2=) schuin naar het centrum van de rechtercirkel. Vervolgens trekt het gereedschap zich weer schuin induikend terug naar het centrum van de linkercirkel. Deze stappen worden herhaald, totdat de stapdiepte (C1=) is bereikt. 3. Op de freesdiepte verplaatst het gereedschap zich naar het andere einde van de spiebaan en vervolgens wordt de vorm van de spiebaan tot op de nabewerkingsmaat bewerkt. 4. De stappen (2 3) herhalen, totdat de geprogrammeerde diepte (L) is bereikt. 26-9-2002 MillPlus IT V510 411
G788 SPIEBAANFREZEN Voorbeeld Nabewerken: 5. Het gereedschap verplaatst zich tangentiaal in de linker- of rechtercirkel van de spiebaan naar de contour en deze wordt meelopend nabewerkt (I1=1). 6. Aan het einde van de contour trekt het gereedschap zich tangentiaal uit de contour en de bodem naar het midden van de spiebaan terug. 7. Aan het einde volgt een verplaatsing in ijlgang naar de 1 e plus 2 e veiligheidsafstand (L1= plus L2=). Voorbeeld van een programma Beschrijving N10 T1 M6 (Fräser R10) Gereedschap plaatsen N15 S500 M3 Spil inschakelen N20 G788 B1=150 B2=30 L6 L1=1 A3=5 C1=3 I1=1 I2=0 F200 Spiebaanfreescyclus definiëren, parallel aan de X-as N30 G79 X20 Y20 Z0 Cyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren 412 Heidenhain 26-9-2002
G789 RONDKAMERFREZEN 28.19 G789 Rondkamerfrezen Een rondkamerfreescyclus voor het voorbewerken van ronde kamers in één programmaregel vastleggen. Bij deze cyclus is schuin induiken mogelijk en kan in een spiraalvormige ononderbroken baan worden gefreesd. C2= percentage van de gereedschapsdiameter dat bij elke arbeidsgang als snedebreedte moet worden gehanteerd. De totale breedte wordt in gelijke snedes opgedeeld. R1= percentage van de gereedschapsdiameter dat bij schuin induiken als snedebreedte moet worden gehanteerd (>0). A3= hoek (0..90 ) waaronder het gereedschap in het werkstuk kan induiken. Alleen bij 90 wordt loodrecht ingedoken. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de bewerkingscycli.. Basisinstellingen L1=1, L2=0, L3=0, B3=0, C1=L, C2=67%, R1=80%, A3=90, I1=1, F2=0.5*F bij loodrecht induiken en F2=F bij schuin induiken. Aanwijzingen en toepassing R moet groter zijn dan 2*(gereedschapsradius + toegift kamerwand B3=). Voor het nabewerken moeten de toegiften L3 en B3 worden ingevoerd. Cyclusverloop 1. Verplaatsing in ijlgang naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=) via het midden van de kamer. 2. Als induikhoek A3 = 90, verplaatst het gereedschap zich met voeding (F2=) naar de eerste stapdiepte (C1=). Als induikhoek A3 < 90, verplaatst het gereedschap zich met voeding (F2=) door middel van een aantal cirkelbewegingen schuin naar de eerste stapdiepte (C1=). 3. Bewerking met voeding (F) in een spiraal van binnen naar buiten. 4. Aan het einde van deze bewerking wordt het gereedschap tangentiaal in een helixbeweging vanaf de wand en de bodem teruggetrokken en in ijlgang naar het midden verplaatst. 5. De stappen (2-4) herhalen, totdat de diepte (L) is bereikt. 6. Aan het einde volgt een verplaatsing in ijlgang naar de 1 e plus 2 e veiligheidsafstand (L1= plus L2=) 26-9-2002 MillPlus IT V510 413
G789 RONDKAMERFREZEN Voorbeeld Voorbeeld van een programma Beschrijving N10 T1 M6 (Fräser R8) Gereedschap plaatsen N20 S500 M3 Spil inschakelen N30 G789 R40 L=6 L1=1 A3=5 C1=3 C2=65 I1=1 F200 Kamerfreescyclus definiëren N40 G79 X160 Y120 Z0 Cyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren 414 Heidenhain 26-9-2002
G790 TERUGWAARTSVERZINKEN 28.20 G790 Terugwaartsverzinken Een terugwaartsverzinkcyclus in één programmaregel vastleggen. De cyclus werkt alleen met zogenaamde achterwaartse kotterbaars voor het verzinken aan de onderzijde van het werkstuk. L3= dikte van het werkstuk C1= excentriciteit van de kotterbaar (uit het gegevensblad van het gereedschap halen) C2= afstand onderkant kotterbaar hoofdsnijkant (uit gegevensblad van het gereedschap halen) D hoek (absoluut) waaronder het gereedschap vóór het induiken en vóór het terugtrekken uit de boring wordt gepositioneerd. De vrijlooprichting bij G17/G18 is X en bij G19 is deze richting Y. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de bewerkingscycli.. Basisinstellingen L1=1, L2=0, C2=0, D=0, D3=0.2, F5=ijlgang Aanwijzingen en toepassing De gereedschapslengte zo invoeren dat de snijkant van de kotterbaar opgemeten is. De CNC houdt rekening met de snijkanthoogte (C2=) bij de berekening van het startpunt. Aan het einde van de cyclus wordt de spiltoestand geactiveerd die vóór het oproepen van de cyclus actief was. Botsingsgevaar! De gereedschapspunt moet zo zijn uitgericht (MDI) dat deze in de richting van de positieve hoofdas wijst. De getoonde hoek moet als oriëntatiehoek (D) worden ingevoerd, zodat het gereedschap zich in de richting van de negatieve hoofdas vanaf de rand van de boring verplaatst. De vrijlooprichting bij G17/G18 is X en bij G19 is deze richting Y. Cyclusverloop 1 Verplaatsing in ijlgang naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=). 2 Spiloriëntatie naar de D-positie en verstelling van het gereedschap met de excentriciteit (C1=). 3 Induiken in terugtrekijlgang (F5=) in de voorgeboorde boring, totdat de snijkant op de 1 e veiligheidsafstand (L1=) onder de onderkant van het werkstuk staat. 4 Verplaatsing naar het midden van de boring, spil en koelmiddel inschakelen en met voeding verzinken tot op de ingevoerde diepte bewerken. 5 Op de bodem van de boring blijft het gereedschap met draaiende spil wachten voor het lossen. 6 Vervolgens trekt het gereedschap zich weer uit de boring terug, het voert een spiloriëntatie uit en verplaatst zich over de vrijloopafstand (C1=). 7 Aan het einde volgt een verplaatsing in terugtrekijlgang (F5=) naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=) en in ijlgang naar de 2 e veiligheidsafstand (L2=). 26-9-2002 MillPlus IT V510 415
G790 TERUGWAARTSVERZINKEN Voorbeeld Voorbeeld van een programma N60 T1 M6 N65 S500 M3 N70 G790 L3=30 L8 L1=1 C1=3 C2=4 F100 N75 G79 X30 Y40 Z0 Beschrijving Gereedschap plaatsen (gereedschap radius R10, excentriciteit C1=3, snijkanthoogte C2=4, hoek voor spiloriëntatie D0) Spil inschakelen Cyclus terugwaarts verzinken definiëren Vaste cyclus in het punt uitvoeren 416 Heidenhain 26-9-2002
G794 TAPPEN, INTERPOLEREND 28.21 G794 Tappen, interpolerend Een draadtapcyclus met interpolatie in één programmaregel vastleggen. Basisinstellingen L1=1, L2=0 EASYoperate DIN/ISO G794 is alleen in EASYoperate beschikbaar. Aanwijzingen en toepassing: Aan het einde van de cyclus wordt de koelmiddel- en spiltoestand geactiveerd die vóór de cyclus actief was. De voeding wordt afhankelijk van het toerental berekend. Tijdens het draadtappen is de toerentaloverride actief. De voedings-override is niet actief. Bij het oproepen van een G794-cyclus door middel van G79 moet de CNC op de mode G94 (voeding in mm/min) zijn ingesteld. De machineconstanten bij interpolatie van de spil moeten tijdens het draadtappen juist zijn ingesteld. De versnelling van de spil wordt voor elke overbrenging berekend met behulp van MC2491, 2521, 2551, 2581 en MC2495, 2525, 2555, 2585. Voor een goede regeling moet in ieder geval ook MC4430 actief zijn. Machine en CNC moeten door de machinefabrikant voor de cyclus G794 zijn voorbereid. Cyclusverloop 1 Verplaatsing in de spilas in ijlgang naar de veiligheidsafstand (L1=) en daar een spiloriëntatie. 2 Tapcyclus met spoed (L3=) tot op boordiepte (L). 3 Daarna wordt de spilrotatierichting weer omgekeerd. 4 Het gereedschap wordt met spilspoed (L3=) naar de 1 e veiligheidsafstand (L1=) en in ijlgang naar de 2 e veiligheidsafstand (L2=) teruggetrokken. 5 Hier stopt de spil. 26-9-2002 MillPlus IT V510 417
G794 TAPPEN, INTERPOLEREND Voorbeeld Voorbeeld van een programma N13 T3 M6 N14 S56 M3 N15 G794 L22 L1=9 L3=2.5 N20 G79 X50 Y50 Z0 Beschrijving Gereedschap 3 plaatsen Spil inschakelen Draadtapcyclus definiëren Cyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren 418 Heidenhain 26-9-2002
G797 KAMERNAFREZEN 28.22 G797 Kamernafrezen Een kamernafreescyclus voor het nabewerken van wand en bodem in één programmaregel vastleggen. De zijden kunnen met meerdere stapdiepten worden bewerkt. Bij deze cyclus is schuin in de bodem induiken mogelijk en kan volgens een spiraalvormige ononderbroken baan worden gefreesd. B1= lengte van de kamer in de hoofdas. B2= breedte van de kamer in de nevenas. C2= percentage van de gereedschapsdiameter dat bij iedere arbeidsgang als snedebreedte moet worden gehanteerd. De totale breedte wordt in gelijke snedes opgedeeld. R radius voor de kamerhoeken. Voor radius R=0 is de afrondingsradius gelijk aan de gereedschapsradius. R1= percentage van de gereedschapsradius dat bij het induiken als helixradius moet worden gehanteerd (>0). A3= hoek (0..90 ) waaronder het gereedschap in het werkstuk kan induiken. De induikhoek wordt aangepast, zodat het gereedschap steeds met een geheel aantal rechthoekige bewegingen induikt. Alleen bij 90 wordt loodrecht ingedoken. I2= 0: nabewerken van wand en bodem. 1: nabewerken van alleen de wand. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de bewerkingscycli.. Basisinstellingen L1=1, L2=0, L3=0, B3=1, C1=L, C2=67%, R= gereedschapsradius, 0, R1=80%, A3=90, I1=1, F2=0.5*F bij loodrecht induiken F2=F en bij schuin induiken. Aanwijzingen en toepassing B1= of B2=moet groter zijn dan 2*(gereedschapsradius + toegift kamerwand B3=). Cyclusverloop 1 Verplaatsing in ijlgang naar de 1e veiligheidsafstand (L1=) via het midden van de kamer. Bodem nabewerken: 2 Als induikhoek A3 = 90, verplaatst het gereedschap zich met boorvoeding (F2=) naar de diepte (L). 26-9-2002 MillPlus IT V510 419
G797 KAMERNAFREZEN Voorbeeld Als induikhoek A3 < 90, verplaatst het gereedschap zich met een geheel aantal rechthoekige bewegingen naar de diepte (L). 3 Bewerking met voeding (F) in de positieve richting van de langste zijde en in een vloeiende beweging van binnen naar buiten. 4 Aan het einde van deze bewerking wordt het gereedschap tangentiaal in een helixbeweging vanaf de wand en de bodem teruggetrokken. Zijde nabewerken: 5 Verplaatsing in ijlgang naar de stapdiepte (C1=). 6 De beginpositie is de eerste stapdiepte en minimaal de toegift kamerwand (B3=). Het gereedschap verplaatst zich tangentiaal naar voren, freest de contour en trekt zich weer tangentiaal terug. 7 De stappen (5-6) herhalen, totdat de diepte (L) is bereikt. 8 Aan het einde van de cyclus verplaatst het gereedschap zich in ijlgang naar de 1 e plus 2 e veiligheidsafstand (L1= plus L2=) en vervolgens naar het midden van de kamer. Voorbeeld van een programma N10 T1 M6 (Fräser R8) N20 S500 M3 F200 N30 G787 B1=150 B2=80 B3=1 L6 I1=1 L3=1 R20 A3=5 C2=65 C1=3 N40 G79 X160 Y120 Z0 A is schuin naar de diepte gaan. Daarna een ononderbroken verplaatsing. B is tangentiaal verlaten. C is tangentiaal verlaten. C is tangentiaal benaderen voor zijde nabewerken. Beschrijving Gereedschap plaatsen Spil inschakelen Kamerfreescyclus voorbewerken definiëren Voorbewerkingscyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren N50 G797 B1=150 B2=80 B3=1 L6 L3=1 A3=5 C1=3 C2=60 R20 Kamerfreescyclus nabewerken definiëren N60 G79 X160 Y120 Z0 Nabewerkingscyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren 420 Heidenhain 26-9-2002
G798 SPIEBAANNAFREZEN 28.23 G798 Spiebaannafrezen Een spiebaannafreescyclus in één programmaregel vastleggen. B1= lengte van de spiebaan in de hoofdas. B2= breedte van de spiebaan in de nevenas. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de bewerkingscycli.. Basisinstellingen L1=1, L2=0, C1=L, I1=1 Aanwijzingen en toepassing: De freesdiameter niet groter dan de spiebaanbreedte en niet kleiner dan een derde van de spiebaanbreedte kiezen. Cyclusverloop 1 Verplaatsing in ijlgang naar de 1e veiligheidsafstand (L1=) via het midden van de spiebaan. 2 Vanuit het midden van de spiebaan verplaatst het gereedschap zich tangentiaal naar de contour en voert de nabewerking meelopend uit (I1=1). 3 Aan het einde van de contour trekt het gereedschap zich tangentiaal terug vanaf de contour en de bodem naar het midden van de spiebaan. 4 Ten slotte verplaatst het gereedschap zich in ijlgang naar de 1 e plus 2 e veiligheidsafstand (L1= plus L2=). 26-9-2002 MillPlus IT V510 421
G798 SPIEBAANNAFREZEN Voorbeeld Voorbeeld van een programma N10 T1 M6 (Fräser R8) N15 S500 M3 N20 G788 B1=150 B2=20 B3=1 L6 L1=1 A3=10 C1=3 I1=1 I2=0 F100 F2=200 N30 G79 X20 Y20 Z0 B is tangentiaal benaderen en verlaten. Daarna een ononderbroken verplaatsing. Beschrijving Gereedschap plaatsen Spil inschakelen Spiebaanfreescyclus voorbewerken definiëren: parallel aan de X-as Voorbewerkingscyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren N40 G798 B1=150 B2=30 L6 L1=1 I1=1 F200 Spiebaanfreescyclus nabewerken definiëren, parallel aan de X-as N50 G79 X20 Y20 Z0 Nabewerkingscyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren 422 Heidenhain 26-9-2002
G799 RONDE KAMER NAFREZEN 28.24 G799 Ronde kamer nafrezen Een rondkamerfreescyclus voor het nabewerken van wand en bodem in één programmaregel vastleggen. De zijden kunnen met meerdere stapdiepten worden bewerkt. Bij deze cyclus is schuin in de bodem induiken mogelijk en kan volgens een spiraalvormige ononderbroken baan worden gefreesd. C2= percentage van de gereedschapsdiameter dat bij iedere arbeidsgang als snedebreedte moet worden gehanteerd. De totale breedte wordt in gelijke snedes opgedeeld. R1= percentage van de gereedschapsradius (>0). A3= hoek (0..90 ) waaronder het gereedschap in het werkstuk kan induiken. Alleen bij 90 wordt loodrecht ingedoken. I2= 0: nabewerken van wand en bodem. 1: nabewerken van alleen de wand. De beschrijving van de andere adressen vindt u in de inleiding tot de bewerkingscycli.. Basisinstellingen L1=1, L2=0, L3=1, B3=1, C1=L, C2=67%, R1=80%, A3=90, I1=1, I2=0, F2=0.5*F bij loodrecht induiken en F2=F bij schuin induiken. Aanwijzingen en toepassing: De minimale grootte van de kamer (R) is 2*(gereedschapsradius + toegift kamerwand (B3=)). Cyclusverloop Nabewerken bodem: 1. In ijlgang naar het midden van de kamer verplaatsen en op veiligheidsafstand (L1=) boven het werkstuk blijven staan. 2. Als induikhoek A3 = 90, verplaatst het gereedschap zich met voeding (F2=) naar de diepte (L). Als induikhoek A3 < 90, verplaatst het gereedschap zich met een geheel aantal cirkelbewegingen schuin naar de diepte (L). 3. Vervolgens verplaatst het gereedschap zich (richting afhankelijk van meelopend frezen (I1=1) met M3) volgens een spiraalvormige baan en ruimt dan de bodem van de kamer van binnen naar buiten. Nabewerken zijde: 4. Verplaatsing in ijlgang naar de stapdiepte (C1=). 26-9-2002 MillPlus IT V510 423
G799 RONDE KAMER NAFREZEN 5. Vervolgens wordt de zijde met meerdere snedes bewerkt. De beginpositie is de eerste stapdiepte en minimaal de toegift kamerwand (B3=). Dan verplaatst het gereedschap zich tangentiaal naar voren, freest de contour en trekt zich weer tangentiaal terug. 6. De stappen (4-5) herhalen, totdat de diepte (L) is bereikt. 7. Aan het einde van de cyclus verplaatst het gereedschap zich in ijlgang naar de 1 e plus 2 e veiligheidsafstand (L1= plus L2=) en vervolgens naar het midden van de kamer. Voorbeeld Voorbeeld van een programma N10 T1 M6 (Fräser R8) N20 S500 M3 N30 G789 R40 L6 B3=1 I1=1 L1=1. L3=1 A3=5 C2=65 C1=3 F200 N40 G79 X160 Y120 Z0 A is schuin naar de diepte gaan. Daarna een ononderbroken verplaatsing over de bodem. B is tangentiaal verlaten. C is tangentiaal benaderen voor nabewerken van zijde. C is tangentiaal verlaten. Beschrijving Gereedschap plaatsen Spil inschakelen Rondkamerfreescyclus voorbewerken definiëren Voorbewerkingscyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren N50 G799 R40 B3=1 L6 L1=1 L3=1 A3=5 C1=3 C2=65 I1=1 F200 Kamerfreescyclus nabewerken definiëren N60 G79 X160 Y120 Z0 Nabewerkingscyclus op de geprogrammeerde positie uitvoeren 424 Heidenhain 26-9-2002
INLEIDING 29. Draaien 29.1 Inleiding Het draaien is ontwikkeld voor machines met een C-as die eindeloos kan draaien. Daarmee kunnen op een freesmachine ook draaibewerkingen worden uitgevoerd. De C-as kan worden overgeschakeld naar draaibewerkingen. De C-as wordt dan met S1= en M1= geprogrammeerd als draaispil. De draaigereedschappen worden in de freesspil opgenomen en in de gewenste oriëntatie vastgeklemd. In bijzondere gevallen kan de freesspil met S en M parallel aan de draaispil worden geprogrammeerd. In machines met draaifuncties is een tweede freesspil niet mogelijk. Aanwijzingen en toepassing BESCHIKBAARHEID De machine en CNC moeten door de machinefabrikant op het draaiwerk zijn voorbereid. Als uw machine niet over alle hier beschreven G-functies beschikt, kunt u het handboek bij de machine raadplegen. GRAFISCHE WEERGAVE De grafische weergave wordt niet symmetrisch met de rotatie weergegeven. WEERGAVE Als G36 actief is, verandert de weergave van de C-aspositie in weergave van S1=. De bewerkingsstatus is uitgebreid met G36/G37. De weergave van de spilprestaties geeft de prestaties van de tweede spil weer, ook wanneer beide spillen actief zijn. REFERENTIEPUNT Als de besturing wordt gestart, is altijd freesbewerking G37 actief. Alleen met het referentiepunt kan de C-as op draaibewerkingen worden overgeschakeld. NULPUNT Bij het draaien moet het nulpunt van het werkstuk in X in het draaimiddelpunt van de S1-as liggen. Het is raadzaam ook het nulpunt van het werkstuk in in het draaimiddelpunt van de S1-as te plaatsen. SPIL-OVERRIDE De spil-override geldt bij het draaien (G38) voor beide spillen.. 26-9-2002 MillPlus IT V510 425
MACHINECONSTANTEN 29.2 Machineconstanten Nieuwe machineconstanten Machinekonstante MC 268 MC 314 MC 450 MC 451 MC 452 MC 453 MC2600 - MC2799, MC4500 - MC4599 Beschrijving Tweede Spindel (0=uit, 1=aan) Draaien (0=uit, 1=aan) Geactiveerd: - de G-functies G36 en G37 - de draaicycli - de machineconstanten MC2600 - MC27xx, MC45xx Uitbalanceren: Meetas (1=X, 2=Y, 3=Z) Deze MC legt vast op welke as de draaibank is gebaseerd. Aan deze as is de onbalans het best te meten. Doorgaans 2 = Y-as. De MC wordt gebruikt in de cycli 'Onbalans kalibreren' (installatie), G691 'Onbalans vastleggen' en G692 'Onbalans controleren'. Uitbalanceren: maximale uitslag [µm] Deze MC bepaalt de maximale uitslag die toegestaan is voor de meetas. De metingen worden afgebroken wanneer de gemeten uitslag bij een bepaald toerental groter wordt dan MC451. Doorgaans 5 [m]. De MC wordt gebruikt in de cycli 'Kalibreren van onbalans' (installatie), G691 'Vastleggen van onbalans' en G692 'Controleren van onbalans'. Deze kan dan in de cycli G691 en G692 worden overschreven met de C1- parameter. Uitbalanceren: Beginradiaalpositie [µm] Deze MC bepaalt de radiaalpositie (afstand tot middelpunt) van de draaibank (S1-as) waarop een 'massa' doorgaans wordt aangebracht voor compensatie van de onbalans. Deze MC wordt gebruikt in de cyclus G691 'Vastleggen van onbalans'. Uitbalanceren: Verschuiving draaibank [mgraad] Deze MC bepaalt de verschuiving tussen de 0-positie van de draaibank en de plaats waar de gebruiker de 'massa' aanbrengt voor compensatie (en ijking) van de onbalans. De MC wordt gebruikt in de cycli 'Kalibreren van onbalans' (installatie) en G691 'Vastleggen van onbalans'. Tweede Spindel 426 Heidenhain 26-9-2002
29.3 G36/G37 Inschakelen/beëindigen van draaien G36/G37 INSCHAKELEN/BEËINDIGEN VAN DRAAIEN G36 Omschakelen van de machine van frezen met de C-as naar draaien met draaispil S1. G37 Beëindigen van draaien. Omschakelen van de machine naar frezen. Formaat N... G36 of N... G36 Parameters geen Type functie modaal Aanwijzingen en toepassing G36 De CNC schakelt de C-as over naar draaien. De rondas in het draaien wordt met S1= en M1= als tweede spil geprogrammeerd. De C- parameter kan niet meer worden geprogrammeerd. Op het beeldscherm wordt de weergave van C (instelwaarde en actuele waarde) vervangen door S1. Bij de staande draaispil wordt bij S1 de positie (0-359.999 graden) weergegeven. G95 wordt toegewezen aan de tweede as en geactiveerd. Alle G-functies kunnen worden geprogrammeerd, maar niet alle G-functies zijn zinvol. Een kamer heeft bijvoorbeeld geen zin bij het draaien. De C-parameters en bepaalde andere parameters kunnen in bepaalde G-functies niet meer worden geprogrammeerd. Een overzicht van toegestane G-Funkties is te vinden in hoofdstuk 14. De werking van G36 blijft actief totdat deze wordt opgeheven met G37, start of <CNC reset>. G36 wordt niet opgeheven met M30 of <Programma annuleren>. G37 De CNC schakelt de C-as weer in. Als de draaispil nog draait wanneer G37 wordt geactiveerd, wordt deze eerst stopgezet. Op het beeldscherm wordt de positie van de rondassen aangegeven met een waarde tussen 0 en 359.999 graden. G94 wordt geactiveerd. De werking van G37 blijft actief totdat deze wordt opgeheven met G36. G37 wordt niet opgeheven met M30 of <Programma annuleren>. Na de start of na <CNC reset> is G37 altijd actief. Programmavoorbeeld Beschrjijving N9000 (C-Achsbetrieb) N1 T.. M06 Draaigereedschap inwisselen N2 G0 Y.. Z.. Gereedschap positioneren N3 G74 X1=1 Y1=1 Met ijlgang naar het draaitafelmidden N4 G54 I1 Nulpunt op het draaitafelmidden X0, Y0 N5 G36 Draaibedrijf inschakelen N6 G17 Y1=1 Z1=2 Bewerkingsvlak activeren N7 G96 M1=3 S1=200 Snijsnelheid en toerental N8 G302 O7 Gereedschap orientering N9 G.. Draaibewerking N10 G37 Draaibewerking beëindigen N11 G.. Freesbewerking N12 M30 Programma-einde 26-9-2002 MillPlus IT V510 427
G17 VLAK VOOR DRAAIEN (G17 Y1=1 Z1=2) 29.4 G17 Vlak voor draaien (G17 Y1=1 Z1=2) Bij het draaien is G17 of G18 in de machine actief. Dit bepaalt de richting van de lengtecorrectie van het gereedschap. (Voor G17 de Z-richting, voor G18 de Y-richting). Bij het draaien worden bewerkingen uitgevoerd in bewerkingsvlak YZ. Deze vlakken worden in de draaicycli zelf verwerkt. Het speciale bewerkingsvlak wordt in G17 aangeduid met Y1=1 (eerste hoofdas) en Z1=2 (tweede hoofdas). Z Z X Y X Y S1 S1 G17 Y1=1 Z1=2 G18 Y1=1 Z1=2 Hoeken (positief) en cirkelrichtingen (CW) worden gedefinieerd van Y-as naar Z-as. Door het activeren van het bewerkingsvlak, wordt de gereedschapradius R automatisch als verschuiving verrekend: - In G17 Y1=1 Z1=2 in richtung van de Y-As - In G18 Y1=1 Z1=2 in richtung van de Z-As Opmerking: het speciale vlak moet na afloop van het draaien worden gereset door het programmeren van een 'normale' G17 of G18 zonder adressen. 428 Heidenhain 26-9-2002
G33 DRAADSNIJDEN 29.5 G33 Draadsnijden De G33-Functie is een draadsnijbeweging die, in een snede, een draad snijdt met voeding en vaste spoed. De voeding is bepaald door het spindeltoerental en spoed. Kenmerken: De draadsnijbeweging wordt uitgevoerd met open regelkring. Mogelijke draadsoorten: cilindrisch een conisch Spindel- en voeding-override zijn gedurende G33 werkzaam Meerdere draaadsnijbewegingen kunnen na elkaar geprogrammeerd worden (b.v. schuin inen uitlopen) De draad-starthoek kan geprogrammeerd worden. Het spindeltoerental (S1=) en -draairichting (M1=) moeten tevoren geprogrammeerd zijn De G33-fuctie wordt naar de IPLC gemeld (WIX-thread-movement) Aanwijzingen en toepassing TOEPASSING De G33-Beweging begint: - indien het actuele- en geprogrammeerde spindeltoerental gelijk zijn (N ist=n soll) en - na de marker en eventueel verrekende beginhoek D De G33-Functie voert de enkelvoudig draadsnijbeweging uit, vanaf de actuele positie naar het geprogrammeerde eindpunt. Het geprogrammeerde toerental (G97 S1=) en draadspoed (J), bepalen de as-voeding. Aan het einde van de G33-Functie stopt de draadsnijbeweging en word G1 modaal actief. Opmerkingen - Als de spoed of toerental niet zijn geprogrammeerd, volgt geen G33-Beweging maar blijven de assen staan.. Indien de spoed J of toerental S1= niet zijn geprogrammeerd, volgt een foutmelding (P02/P26) - De spindeldraairichting M1=3 of 4 heeft geen invloed op de bewegingsrichting - Spindel- en voeding-override zijn gedurende de G33-Beweging niet werkzaam en worden op 100% gezet 26-9-2002 MillPlus IT V510 429
G33 DRAADSNIJDEN ONDERBREKEN De G33-Beweging kan gedurende het draadsnijden onderbroken worden met: - Voeding-Halt: het draadsnijden stopt op het einde van de G33-Beweging. - Voeding/Spindel-Halt: het draadsnijden en spindeltoerental stoppen op het einde van de G33-Beweging. Opmerkingen: Indien meerdere G33-Bewegingen na elkaar zijn geprogrammeerd, word na de laatste G33-Beweging gestopt. BEWERKINGSVLAK De G33-Beweging kan slechts binnen een Bewerkingsvlak uitgevoerd worden. BEDRIJFSMODE - In de MDI-Bedrijfsmode functioneert de G33-Beweging niet: foutcode P77. - In de Programma-afloop regel voor regel worden meerdere G33-Bewegingen na elkaar uitgevoerd. PROGRAMMA-TEST/GRAFISCHE PROGRAMMA-AFLOOP In de vgrafische programma-afloop en programma-test zonder MST word de G33- Beweging als een G1-Beweging uitgevoerd. PROGRAMMVOORBEELD Programmavoorbeeld N9000 (Draadsnijden) N1 T.. M06 N1 G0 Y.. Z.. N2 G36 N3 G17 Y1=1 Z1=2 N4 G97 M1=3 S1=100 N7 G0 Y.. Z.. N8 G0 Y.. N9 G33 J2 Z91=.. N10 G0 Y.. N11 G0 Z.. N7 G37 N6 M30 Beschrijving Draadgereedschap inwisselen Gereedschap positioneren Draaibedrijf inschakelen Bewerkingsvlak activeren Spindeltoerental en -richting Beginpositie aanlopen Toestelling op snedediepte Draadsnijbeweging naar eindpunt Terugtrekken Terug naar beginpositie Freesbedrijf inschakelen Programma-einde 430 Heidenhain 26-9-2002
29.6 G94/G95 Uitbreiding keuze voedingseenheid G94/G95 UITBREIDING KEUZE VOEDINGSEENHEID Deze functie informeert de CNC, hoe het geprogrammeerde toerental (S) geïnterpreteerd moet worden. Deze functie is uitgebreid voor draaiwerkzaamheden. Bij het draaien moeten de spil en de draaibank worden geprogrammeerd. Aanwijzingen en toepassing Voor het draaien moeten ook S1= en M1= voor de draaibank (tweede spil) worden geprogrammeerd. Voor frezen (G37): N... G95 F.. {S..} {M..} Voor draaien (G36): N... G95 F.. {S1=..} {M1=..} S en M hebben betrekking op de spil S1= en M1= hebben betrekking op de tweede spil PRIORITEIT Het toerental van de actieve spil is ofwel S of S1=. Als zowel S als S1= is geprogrammeerd, wordt S1 genomen. MAXIMUMTOERENTAL De waarde van het toerental van de tweede spil (S1=) ligt tussen 0 en "toerental max. uitgangsspanning" (MC2691). MACHINEFUNCTIE Machinefunctie tweede spil: M1=3 tweede spil rechtsom M1=4 tweede spil linksom M1=5 tweede spil stopt De tweede spil (M1=19) kan niet worden gepositioneerd. Het positioneren moet plaatsvinden tijdens het frezen. De adressen S1= en M1= kunnen ook met de volgende G-functies worden geprogrammeerd: G0, G1, G2, G3, G94. Met functie G95 wordt de voeding in [mm/min (inch/min)] berekend aan de hand van de geprogrammeerde voeding in [mm/omw], [inch/omw] en het toerental van de actieve spil. 26-9-2002 MillPlus IT V510 431
G96/G97 CONSTANTE SNIJSNELHEID 29.7 G96/G97 Constante snijsnelheid G96 G97 Programmeren van de constante snijsnelheid. Uitschakelen van de constante snijsnelheid. Formaat N... G96 F.. D.. {S..} {M..} {S1=..} {M1=..} N... G97 F.. {S..} {M..} {S1=..} {M1=..} Parameter G96 S en M hebben betrekking op de spil S1= en M1= hebben betrekking op de tweede spil (draaibank) G97 Type functie modaal Aanwijzingen en toepassing MAXIMUMTOERENTAL (D) De waarde van het toerental van de tweede spil (S1=) ligt tussen 0 en "toerental maximale uitgangsspanning" (MC2691). MACHINEFUNCTIE Machinefunctie tweede spil: M1=3 tweede spil rechtsom M1=4 tweede spil linksom M1=5 tweede spil stopt De tweede spil (M1=19) kan niet worden gepositioneerd. Het positioneren moet plaatsvinden tijdens het frezen. Met functie G96 wordt de voeding in [mm/min (inch/min)] berekend aan de hand van de geprogrammeerde voeding in [mm/omw]. [inch/omw] en het toerental van de actieve spil. Het toerental van de actieve spil is ofwel S of S1=. Als zowel S als S1= is geprogrammeerd, wordt S1 genomen. 432 Heidenhain 26-9-2002
DRAAIGEREEDSCHAP DEFINIËREN IN DE GEREEDSCHAPSTABEL 29.8 Draaigereedschap definiëren in de gereedschapstabel Correctie en oriëntatie van gereedschap De afmetingen van gereedschap worden opgeslagen als gereeschapslengte L, gereeschapsradius R en gereeschapshoekradius C. De radiuscorrectie van het gereedschap heeft betrekking op de hoekradius C. De daarvoor benodigde gereedschapsoriëntering wordt op adres O in het gereedschapsgeheugen opgeslagen. Gereedschapgeheugen Het draaigereedschap kan op willekeurige posities in het gereedschapsmagazijn worden ingezet. Met parameter Q3= 'Gereedschapstype' wordt het gereedschap gekenmerkt als draaigereedschap. Daarmee wordt ook de spil geblokkeerd. Q3= 'Gereedschapstype' = 8xx Draaigereedschap Q3 wordt door de PLC verwerkt. Raadpleeg het handboek bij de machine voor meer informatie. Z Z Y Y X X L R L C C L O1 R>0 O1 R<0 Gereedschapsafmetingen voor draaigereedschap. Als het draaibedrijf actief is (of, in het algemeen, als het hoofdvlak parallel aan de gereedschapsas is), wordt de radius R als verschuiving beschouwd. In dat geval wordt ook de radiuscorrectie berekend met de gereedschapshoekradius C en de oriëntatie O. Als de oriëntatie in de negatieve asrichting wijst, wordt de gereedschapsradius ook als negatieve verschuiving verrekend. Vlak Oriëntatie Radius Radius als verschuiving correctie G17 niet aktief R niet aktief G17 Y1=1 Z1=2 1, 2, 3, 4, 8 C en O R in negatieve Y-richting G17 Y1=1 Z1=2 5, 6, 7 C en O R in positieve Y-richting G18 niet aktief R niet aktief G18 Y1=1 Z1=2 1, 2, 3, 4, 8 C en O R in negatieve Z-richting G18 Y1=1 Z1=2 5, 6, 7 C en O R in positieve Z-richting De oriëntatie moet in het gereedschapsgeheugen zijn gedefinieerd voor G17 Y1=1 Z1=2 (verticale bewerking). Het besturingssysteem past de actieve oriëntatie aan wanneer G18 Y1=1 Z1=2 (horizontale bewerking) wordt geactiveerd. 26-9-2002 MillPlus IT V510 433
G302 OVERLAPPENDE GEREEDSCHAPSGEGEVENS 29.9 G302 Overlappende gereedschapsgegevens De G302-functie bepaalt de actieve gereedschapsoriëntatie tijdens de uitvoering. De gereedschapsparameters in het gereedschapsgeheugen worden niet veranderd. G17 G18 O Definieert de gereedschapsoriëntatie die tijdens de uitvoering wordt gebruikt. Deze waarde ligt tussen 0 en 8. Aanwijzingen en toepassing Opmerkingen: Als de actieve gereedschapsoriëntatie wordt overschreven, kan ook de richting van de R- verschuiving worden gewijzigd. In G18 wordt de actieve gereedschapsoriëntatie al veranderd door de CNC. Zie het hoofdstuk 'Gereedschapscorrectie'. TOEPASSING De G302-functie moet bijvoorbeeld worden gebruikt wanneer met M19 D90 de hoofdspil 180 graden wordt gedraaid. In dit geval is de oriëntatie gespiegeld tegenover de stand met M19 D90. Ook als 'in het midden' wordt gedraaid, moet de oriëntatie worden gespiegeld. Opmerking: in deze gevallen moet ook de draairichting van de 2e spil worden omgedraaid. WISSEN G302 wordt uitgeschakeld met G302 zonder parameters, instellen van vlak (G17, G18, G19), wisselen van gereedschap, M30 en <Programma annuleren>. 434 Heidenhain 26-9-2002
29.10 G611 TT130: Draaigereedschappen meten G611 TT130: DRAAIGEREEDSCHAPPEN METEN Deze cyclus meet de gereedschaplengte en -radius van draaigereedschappen. Er kunnen alleen gereedschappen in het G17-Bewerkingsvlak gemeten worden.. Aanwijzingen en toepassing INGAVEPARAMETERS D De gereedschapspunt moet voor de meting altijd in de juiste meetpositie gepositioneerd zijn d.w.z. de gereedschapspunt moet asparallel en loodrecht staan in de richting van het meetapparaat. Omdat gedurende de bewerking het draaigereedschap, afhankelijk van de bewerking, in een willekeurige positie staan kan, beslist de bedienaar of de gereedschapmeetpositie (D) in de meetcyclus programmeert wordt. I1= Veiligheidsafstand (I1=) De veiligheidsafstand, in de richting van de spindel-as, moet zo groot zijn, dat een botsing tussen werkstuk en opspanmiddel uitgesloten is. De veiligheidsafstand is gerelateerd aan de bovenkant van de meetkop. Basisinstelling (I1=0) I4= Meten: 0=L+R 1=L 2=R (Optioneel) Standaard wordt de gereedschaplengte en -radius gemeten. Opmerkingen: - Zowel die gereedschappositie als -oriëntering worden na de gereedschapmeting teruggezet. - Wanneer geen spindelhoek bekend is (geen spindelreferentie gelopen) volgt de foutmelding P339 - Wanneer geen gereedschaporiëntering of -positie bekent, volgt de foutmelding P334 - Allen de gereedschaporiënteringen (O1 en O7) zijn voor het meten met de TT130 toegestaan. Indien een andere gereedschaporiëntering gegeven is, volgt de foutmelding R326 (gereedschaporiëntering niet toegestaan) 26-9-2002 MillPlus IT V510 435
G611 TT130: DRAAIGEREEDSCHAPPEN METEN GEREEDSCHAP-PARAMETERS UIT DE GEREEDSCHAPS TABEL De meetcyclus maakt gebruik van onderstaande parameters uit de gereedschaptabel. Parameter Beschrijving L* Lengte R* Radius C Neusradius L4= Opmaat lengte R4= Opmaat radius L5= Tolerantie lengte R5= Tolerantie radius E Status O Oriëntering Belangrijk: let op dat de lengte (L) en de radius (R) binnen de tolerantie (MC397) ingevuld zijn daar anders een foutmelding komt. Opmerking: - Wanneer de gereedschappen voor de eerste keer gemeten worden, dienen de gereeedschapswaarden voor: lengte, radius en oriëntering van het betreffende gereedschap in de gereeedschapstabel zijn ingevoerd - De meetcyclus neemt de actuele oriëntering O uit de gereedschapstabel of van de G302-Functie CYCLUSAFLOOP De MILLPlus meet het gereedschap volgens een vast geprogrammeerde afloop: 1. het bewerkingsvlak voor het meten wordt geactiveerd 2. gereedschap-as gaat naar de veiligheidsafstand (I1=) 3. de actuele gereedschappositie wordt gecontroleerd en, indien deze voor de meting niet overeenstemt, gezet 4. beide assen gaan in voeding naar de meetaster positie 5. gereedschap-as gaat met voeding naar de meettaster 6. gereedschaplengte en daarna de -radius worden gemeten 7. gereedschap-as gaat met ijlgang naar de veiligheidsafstand 8. opslaan van meetwaarden R/L (eerstemeting) of de tolerantie R4=/L4= (controle meting) 9. oorspronkelijke bewerkingsvlak, gereedschappositie en oriëntering worden terug gezet GEREEDSCHAP METEN (E=0 of geen waarde) Bij de eerstmeting overschrijft de MILLPplus de gereedschapradius R en -lengte (L) in de gereedschaptabel en zet de opmaat R4=0 en L4=0. GEREEDSCHAP CONTROLEREN (E=1) Indien het gereedschap wordt gecontroleerd, worden de gemeten gereedschapwaarden met de waarden in de gereedschaptabel vergeleken. De MILLPlus berekend de afwijkingen en voegt die als opmaat onder R4 en L4 in de gereedschaptabel. Als de opmaat groter is dan de toegestane slijtage (L5= en R5=) of breuktoleranties dan verschijnt een foutmelding. 436 Heidenhain 26-9-2002
G615 LASERSYSTEEM: L/R-METTING VAN DRAAIGEREEDSCHAPPEN 29.11 G615 Lasersysteem: L/R-Metting van Draaigereedschappen Deze cyclus meet de lengte en radius van draaigereedschappen. Het draaigereedschap wordt stilstaand gemeten zowel in het G17- en G18-vlak. Er kunnen slechts draaigereedschappen gemeten worden met de gereedschap-oriëntering 1 of 7. Aanwijzingen en toepassing INGAVEPARAMETERS D Gereedschap-oriënteringshoek voor meetpositie Op de veiligheidspositie wordt het gereedschap in de geprogrammeerde positie (D) gezet De gereedschappunt moet daarbij asparallel en loodrecht op het lasermeetapparaat staan. O Gereedschaporiëntering De gereedschaporiëntering (O) van het gereedschap bepaald of van voor of van achter de laser gemeten wordt. Alleen de waarde 1 of 7 zijn toegestaan. GEREEDSCHAPPARAMETER UIT DE GEREEDSCHAPTABEL Parameter Beschrijving L Lengte R Radius C Neusradius L4= Opmaat lengte R4= Opmaat radius L5= Tolerantie lengte R5= Tolerantie radius L6= Meetverschuiving lengte R6= Meetverschuiving radius E Gereedschapstatus O* Gereedschaporiëntering Opmerking: - De Gereedschaplengte (L) en -radius (R) moeten op +/- 5mm precies ingegeven zijn - De Gereedschapradius (C) moet bij voorkeur ingegeven zijn - De oriëntering (O) wordt niet in de meetcyclus gebruikt 26-9-2002 MillPlus IT V510 437
G615 LASERSYSTEEM: L/R-METTING VAN DRAAIGEREEDSCHAPPEN GEREEDSCHAPTYPE Draai- en steekgereedschappen met met oriëntering 1 of 7 en met terugliggende snijplaatkanten (aanzet- en vrijloophoek) kunnen gemeten worden. (zie tekening rechts) X Z Y LENGTE- EN RADIUSMETING De gereedschaplengte (L) en -Radius (R) moeten in de gereedschaptabel ingegeven zijn. Voor de eerstmeting moet de gereedschaplengte en radius ingegeven worden (max. Afwijking +/-5mm) L O1 R C C R L O7 Opmerking: Foute gereedschapwaarden kunnen tot foutmeldingen of zelfs tot aanvaringen met het lasermeetapparaat leiden. HOEKRADIUS Het wordt aanbevolen een hoekradius (C) immer in de gereedschaptabel in te geven. De cyclus loopt daardoor sneller af. AKTIES - Gereedschap meten (E=0) Bij de eerstmeting worden de gereedschaplengte (L) en -Radius (R) overschreven, de opmaat L4=0/R4=0 en de gereedschapstatus E=1 gezet. Als de hoekradius C is ingegeven, dan wordt ook deze gecorrigeerd. - Gereedschap controleren (E=1): De gemeten afwijking wordt in de gereedschaptabel bij L4=/R4= opgeteld CYCLUSAFLOOP L6= L6= 1. Bij Cyclus-Start gaan de assen in O1 R6= R6= O7 ijlgang met positioneerlogica naar de R R veiligheidspositie. 2. Op de veiligheidspositie wordt het gereedschap in de geprogrammeerde positie (D) gezet en geklemd 3. Het gereedschap gaat met voeding naar de meetpositie in het lasermeetapparaat 4. De meting wordt uitgevoerd 5. Na de meting gaat het gereedschap met ijlgang naar de veiligheidspositie terug L X L X Z O1 Z Y Y C R R O7 O1 R L C R L O7 Opmerkingen: - De cyclus kan in de frees- en draaimode geactiveerd worden. - Het gereedschap kan zowel van voor als van achter het lasermeetapparaat gemeten worden. De hoogste meetnauwkeurigheid wordt bereikt, indien het gereedschap in de bewerkingspositie gemeten wordt. - Na afloop van de cyclus blijft de spindel in de geprogrammeerde (D) staan en wordt de oriëntering (O) van voor de meting actief. 438 Heidenhain 26-9-2002
INLEIDING 29.12 Inleiding 29.12.1 Allgemeine Information Als u draaiwerkstukken op een FP-machine wilt bewerken, moet zowel de machine (draaibank) als het werkstuk uitgebalanceerd zijn. Is dat niet het geval, dan kunnen geen garanties worden gegeven voor de levensduur van de machine, de kwaliteit van het werkstuk en zelfs de veiligheid van de gebruiker. Allereerst moet de onbalans van de draaibank worden vastgesteld. Doorgaans wordt de kalibratie van de onbalans uitgevoerd bij aflevering van de machine of als onderdeel van een servicebeurt. Om eventuele onbalans bij een vastgeklemd werkstuk te bepalen, is een nieuwe cyclus toegevoegd: G691 Registeren van onbalans Deze cyclus is bij handbediening direct op te roepen met het FST-menu. De cyclus resulteert in een voorstel voor compensatie van de gemeten onbalans. Daarbij wordt aangegeven, welke massa op welke radiale positie op het draaipunt moet worden aangebracht. De draaibank wordt automatisch in de positie gedraaid waarin de massa moet worden aangebracht. In een dialoogvenster kan de radiale positie voor een beschikbaar tegengewicht worden berekend. De relatie tussen massa en positie wordt grafisch weergegeven. In het programma kan een nieuwe G-functie worden gestart die zorgt dat in de automatische bediening geen draaibewerkingen met een te grote onbalans plaatsvinden: G692 Controleren van onbalans Deze G-functie vergelijkt de aanwezige onbalans met de maximaal toegestane onbalans. Bji overschrijding wordt een foutmelding gegeven, waarna de gebruiker de automatische bediening kan beëindigen en in de handbediening een nieuwe onbalans met bijbehorende maatregelen kan vaststellen. 29.12.2 Beschrijving van onbalans Bij draaiwerkzaamheden treden middelpuntvliedende krachten op wanneer het vastgeklemde onderdeel (bijvoorbeeld een pomphuis) een onbalans heeft. Dit is van invloed op de nauwkeurigheid van de rondloop, omdat de 2e spil (= rondas C) is gebaseerd op de Y-as. Onbalans U = m. R waarbij: m = massa [g] R = afstand van massamiddelpunt tot midden van draaibank [mm] De onbalans wordt aangeduid in [gmm] (gram * mm). Dat betekent dat 500 [gram] op 300 [mm] (= 150000 [gmm]) dezelfde uitwerking heeft als 1000 [gram] op 150 [mm]. De middelpuntvliedende kracht is proportioneel ten opzichte van de onbalans en neemt kwadratisch toe met de toename van het toerental. Middelpuntvliedende kracht Fc = m. R: 1000000. (S. 2. PI : 60) ^ 2 waarbij: Fc = middelpuntvliedende kracht [N] m = massa [g] R = afstand van massamiddelpunt tot midden van draaibank [mm] S = toerental [omw/min] De onbalans moet worden gecompenseerd met een tegengewicht. Daarbij worden de beschikbare meetsystemen voor de rondas C en de lineaire as Y gebruikt om de aanwezige onbalans vast te leggen. 26-9-2002 MillPlus IT V510 439
INLEIDING 29.12.3 G227/G228 Onbalansmonitor Deze functie bewaakt gedurende het bewerken de onbalans die ontstaat tijdens het draaien van een niet uitgebalanceerd werkstuk op een freesmachine. De bewerking wordt onderbroken wanneer een bepaalde grenswaarde overschreden is. Er zijn twee soorten grenswaarden: een vast ingestelde en een programmeerbare. De vast ingestelde grenswaarde is door de machinebouwer vastgelegd en is altijd actief, en dient ter bescherming van de machine. De programmeerbare grenswaarde is lager en kan naar behoefte in het programma geactiveerd worden b.v. niet tijdens voedingsbewegingen. Opmerking: - De actuele onbalanswaarde wordt in het spindelvermogen-display aangegeven. - De onbalansfunctie kan in het programma in- en uitgeschakeld worden. ONBALANSMONITOR AKTIVEREN (G228 I1=, I2=, I3=) I1= Bepaald wanneer de MillPlus de foutmelding n28 (Onbalansmonitor 1: Onbalans te groot) genereert na een onbalansalarm: 0 = Voedingsbeweging: geen foutmelding (Basisinstelling) Ijlgangbeweging: directe foutmelding 1 = Voedingsbeweging: foutmelding aan eind van contour Ijlgangbeweging: directe foutmelding 2 = Voedingsbeweging: foutmelding aan het einde van het blok Ijlgangbeweging: foutmelding aan het einde van het blok 3 = Voedingsbeweging: directe foutmelding Ijlgangbeweging: directe foutmelding I2= Bepaald welke waarde nog toelaatbaar is voor de maximale onbalanswaarde. Indien niet geprogrammeerd, wordt de waarde van MC454 (Onbalansmonitor1: Grenswaarde) genomen. Waarde ligt tussen 0 en 100 [µm]. I3= Bepaald de maximale onbalanssom (onbalansoverschrijdingen over de grenswaarde) alvorens een alarm gegeven wordt. Indien niet geprogrammeerd, wordt de waarde van MC455 (Onbalans 1: Onbalans-oververschrijdingen) genomen. Waarde ligt tussen 0 en 1000 [µm]. Opmerking: - G228 is werkzaam als MC314: 'Frees- Draaimode ' geactiveerd is. - G228 activeert de 1. Onbalansmonitor. De instelling van de 1. Onbalansmonitor wordt overgenomen van de machineconstante MC454 en MC455 of, indien geprogrammeerd, van de parameters I2= en I3=. Afhankelijk van de parameter I1= word een foutmelding gegeven. ONBALANSMONITOR UITSCHAKELEN (G227 ) Opmerking: - G227 schakelt G228 en daarmee de 1. Onbalansmonitor uit. - G227 wordt automatisch geactiveerd na: <clear control>, <program afbreken> of M30 - De 2. Onbalansmonitor kan niet uitgeschakeld worden. BEDIENINGSINTERFACE De actuele onbalanswaarde wordt in het spindelvermogen-display getoond. Daarbij geeft de gele markering de 1. programmeerbare en de rode markering de 2. vaste grenswaarde aan. De hoogste onbalanswaarde opgetreden vanaf programma-aanvang of na G228, is zichtbaar met de groene markering. Het onbalans-display is alleen aanwezig, als een van de onbalansmonitoren actief is. De rode markering staat altijd op 90% van de totaallengte. FOUTMELDINGEN S228 Onbalansmonitor 1: Onbalans te groot Klasse: D De 1. Onbalansmonitor genereert een alarm. Of en wanneer deze fout komt, is afhankelijk van de machineconstanten MC454 en MC455 en/of geprogrammeerd met G228: 'Onbalansmonitor: AAN' S229 Onbalansmonitor 2: Onbalans te groot Klasse: D De 2. Onbalansmonitor genereert een alarm. Of en wanneer deze fout komt, is afhankelijk van de machineconstanten MC456 en MC457. 440 Heidenhain 26-9-2002
INLEIDING 29.12.4 G691 Meten van onbalans Met deze cyclus wordt de actuele onbalans berekend. De cyclus resulteert in een voorstel aan de gebruiker voor compensatie van de onbalans. Deze cyclus dient altijd na het vastklemmen van een werkstuk en na het frezen te worden uitgevoerd. D Maximaal toerental voor de meting Basisinstelling MC2691 'Maximum toerental' minimumwaarde 50 [omw/min] De limiet voor het toerental moet minstens zo hoog zijn als het geprogrammeerde toerental bij de draaibewerking. Aanwijzingen en toepassing Bij het vaststellen van de onbalans wordt de positiefout van de lineaire as bij een toenemend toerental gemeten. Daarbij wordt het toerental verhoogd in stappen van 25 omw/min. Wanneer de positiefout de maximumwaarde (MC451) heeft bereikt of het maximumtoerental is bereikt, wordt de meting beëindigd. De onbalans wordt berekend uit de gemeten fout en de opgeslagen ijkgegevens. De onbalans (gmm) en compensatiepositie (graden) worden weergegeven. Deze positie wordt aan het einde van de cyclus benaderd. Voorbeeld: uitbalanceren van een werkstuk G691 D500 Toelichting: 1 Start balanscyclus met maximumtoerental van 500 omw/min. 2 Onbalans wordt gemeten. Berekende massa en radiale positie (afstand en hoek) worden in het venster weergegeven. De balanspositie wordt automatisch aangepast. 3 Geef in het dialoogvenster het gewicht van een beschikbare massa in. 4 De CNC geeft in het venster de nieuwe radiale afstand tot de beschikbare massa weer. 5 Bevestig de massa op de radiale positie (afstand en hoek). Sluit af met Start. 6 Controleer de balans door de balanscyclus G691 te herhalen. De onbalans-massa moet nu zeer klein zijn. Balanceer eventueel opnieuw uit met de weergegeven massa. 26-9-2002 MillPlus IT V510 441
INLEIDING Weergeven van meetresultaat Wanneer de meting van de onbalans is voltooid, worden de meetresultaten weergegeven op de plaats van ingave- en ondersteuningsvelden. Dit beeld wordt samengesteld met G350. Links: De relatie tussen massa en positie wordt grafisch weergegeven. Rechtboven: de gemeten onbalans veroorzaakt een uitslag bij het weergegeven toerental. Deze onbalans kan met het balansvoorstel worden gecompenseerd. Rechtsonder: In het dialoogvenster wordt de radiale positie voor een gekozen massa berekend. De berekening wordt uitgevoerd nadat u op <ENTER> hebt gedrukt. Als u op START drukt, wordt de cyclus beëindigd en worden deze vensters gesloten. In de automatische verwerking wordt het grafische venster links niet weergegeven, zodat de programmawijzer zichtbaar blijft. 442 Heidenhain 26-9-2002
INLEIDING 29.12.5 G692 Controleren van onbalans Met deze cyclus wordt gecontroleerd of de onbalans niet een bepaalde waarde overschrijdt. Deze cyclus dient aan het begin van iedere draaibewerking te worden uitgevoerd om te voorkomen dat de rondloopfout de toegestane tolerantie of de opgeslagen grens overschrijdt. C1= Maximale onbalans voor melding Basisinstelling MC451 "maximumuitslag". D Geprogrammeerd toerental voor controle Basisinstelling MC2691 "Maximumtoerental" Aanwijzingen en toepassing Bij het controleren van de onbalans wordt de uitslag van de lineaire as bij een gegeven toerental gemeten. Wanneer de uitslag de waarde C1= bereikt, wordt een foutmelding weergegeven. Voorbeeld: controleren van de onbalans G692 C1=0.003 D500 Toelichting: CNC controleert of de uitslag van de draaibank bij een toerental van 500 omwentelingen per minuut onder de grens van 0.003 mm ligt. Als de uitslag groter is dan de ingegeven waarde (C1=), wordt het programma gestopt. Voorbeeld onbalanscontrole Programma voorbeeld Beschrijving N9999 N1 G691 D500 1. Start balanscyclus met maximale toerental van 500 U/min. 2. Onbalans wordt gemeten. Berekende massa en radiaalpositie (afstand en hoek) worden in het venster getoond. De balanspositie word automatisch gepositioneerd. 3. Geef in het dialoogvenster het gewicht van de massa in. 4. De CNC geeft in het venster de nieuwe radiaalafstand aan. 5. Bevestig de massa op de radiaalpositie (Afstand en Hoek) Afsluiten en met Start verdergaan. N2 G691 D500 Controleer de balans door herhalen van de balanceercyclus G691. De balanceermassa moet zeer klein zijn. Eventueel nog eens balanceren met de aangegeven massa. N... Freesbewerkingen. De onbalans kan door de freesbewerkingen of verandering van de opspanning veranderen. N30 G37 Draaibedrijf starten N31 G692 D500 Onbalanscontrole. N... Draaibewerkingen. 26-9-2002 MillPlus IT V510 443
DRAAICYCLI 29.13 Draaicycli BESCHIKBAARHEID De machine en CNC moeten door de machinefabrikant op het draaiwerk zijn voorbereid. Als uw machine niet over alle hier beschreven G-functies beschikt, kunt u het handboek bij de machine raadplegen. De draaicycli worden echter uitgevoerd als macro's. Iedere regel van de macro wordt op het scherm weergegeven en de macro wordt regel voor regel uitgevoerd. Algemene aanwijzingen en toepassing BEGINPUNT Het beginpunt bepaalt de plaats waar het gereedschap met de bewerking begint. Vanaf deze positie begint het verspanen met snede-opdeling. Als het gereedschap ver weg staat, worden meerdere snede-opdelingen gemaakt. Als het gereedschap tussen Y1= en Y2= staat, wordt daar begonnen en wordt mogelijk niet alles verspaand. Als de coördinaat van beginpunt Y kleiner is dan de coördinaat van beginpunt Y1, wordt het gereedschap eerst naar coördinaat Z1 verplaatst. ADRESSEN VAN HET GEREEDSCHAPSGEHEUGEN De volgende adressen van het gereedschapsgeheugen worden gebruikt: C Snijkantradius van het gereedschap O Gereedschapsoriëntatie Als O niet is ingegeven in het gereedschapsgeheugen, wordt een standaardgereedschapsoriëntatie gebruikt, die afhankelijk is van de bewerking. RADIUSCOMPENSATIE Met deze G-functie wordt de snijkantradius van het gereedschap automatisch gecompenseerd. Cycli-Overzicht De Millplus biedt verschillende verspaan- en steekcycli. De verspaancycli zijn onderverdeeld in 2 groepen: verspaan- en uitdraaicycli. Verspaancycli Verspanen langs Verspanen langs Verspanen langs, nabewerken Verspanen langs, nabewerken Uitdraaicycli Uitdraaien langs Uitdraaien dwars Uitdraaien langs, nabewerken Uitdraaien dwars, nabewerken Insteekcycli Insteken axiaal Insteken radiaal Insteken radiaal, nabewerken Insteken axiaal, nabewerken G-Functie G822 G823 G826 G827 G-Functie G832 G833 G836 G837 G-Functie G842 G843 G847 G846 444 Heidenhain 26-9-2002
DRAAICYCLI 29.13.1 G822 Afspanen langs Y Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Y2=) Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. Y wordt verminderd met C totdat Y1= is bereikt. Z Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Z1=) Positie van het gereedschap in axiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. De uitruimbewerking begint bij Z en wordt uitgevoerd totdat Z2 is bereikt. Y1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Z1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Y2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. Z2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. C Radiale diepte-instelling (incrementeel) Maat waarmee het gereedschap telkens in radiale richting wordt bijgesteld. De diepte moet een veelvoud van de diepte-instelling zijn. A Hoek: basisinstelling A=0. Hoek (>0) bij contourbeginpunt. Hoek A of B moet zo worden gekozen, dat het gereedschap geen ondersnijding uitvoert. B Hoek: basisinstelling B=0 Hoek (>0) bij contoureindpunt. I1= Lengte afschuining: Basisinstelling I1=0. Lengte van afschuining bij contoureindpunt.alleen I1= of R1= mag worden geprogrammeerd. R1= Afronding: Basisinstelling R1=0. Afronding bij contoureindpunt. I2= Lengte afschuining: basisinstelling I2=0. Lengte van afschuining bij contourbeginpunt. R2= Afronding: basisinstelling R2= snijkantradius van het gereedschap. Afronding tussen hoek A en B. I en K Opmaat Basisinstellingen A=0, B=0, I1=0, R1=0, I2=0, R2= Gereedschapradius, I=0, K=0 Bijbehorende functies G827 voor nabewerken Aanwijzingen en toepassing Eerst wordt verspaand, daarna vindt een nabewerking plaats. De gereedschapsoriëntatie mag alleen 4, 5 of 6 zijn. De gereedschapsbaan wordt gecorrigeerd voor de snijkantradius. 26-9-2002 MillPlus IT V510 445
DRAAICYCLI 29.13.2 G823 Afspanen dwars Y Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Y1=)Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. De uitruimbewerking begint bij Y en wordt uitgevoerd totdat Y2 is bereikt. Z Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Z2=)Positie van het gereedschap in axiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. Z wordt verminderd met C totdat Z1= is bereikt. Y1= Beginpunt van de contour beginpunt van de te bewerken contour. Z1= Beginpunt van de contour beginpunt van de te bewerken contour. Y2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. Z2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. C Radiale diepte-instelling (incrementeel) Maat waarmee het gereedschap telkens in axiale richting wordt bijgesteld. De diepte moet een veelvoud van de diepte-instelling zijn. A Hoek: basisinstelling A=0 Hoek (>0) bij contourbeginpunt.hoek A of B moet zo worden gekozen, dat het gereedschap geen ondersnijding uitvoert. B Hoek: basisinstelling B=0. Hoek (>0) bij contoureindpunt. I1= Lengte afschuining: basisinstelling I1=0. Lengte van afschuining bij contoureindpunt. Alleen I1= of R1= mag worden geprogrammeerd. R1= Afronding: basisinstelling R1=0. Afronding bij contoureindpunt. I2= Lengte afschuining: basisinstelling I2=0. Lengte van afschuining bij contourbeginpunt. R2= Afronding: basisinstelling R2= snijkantradius van het gereedschap. Afronding tussen hoek A en B. I en K Opmaat Basisinstellungen A=0, B=0, I1=0, R1=0, I2=0, R2= Gereedschapradius, I=0, K=0 Bijbehorende functies G827 voor nabewerken Aanwijzingen en toepassing Eerst wordt verspaand, daarna vindt een nabewerking plaats. De gereedschapsoriëntatie mag alleen 4, 5 of 6 zijn. De gereedschapsbaan wordt gecorrigeerd voor de snijkantradius. 446 Heidenhain 26-9-2002
DRAAICYCLI 29.13.3 G826 Afspanen langs, nabewerken Y Startpunt aanbevolen waarde:veiligheidsafstand tot Y1=) Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de nabewerking. Z Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Z1=) Positie van het gereedschap in axiale richting. Deze positie is het beginpunt van de nabewerking. De nabewerking begint bij Y. Y1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Z1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Y2= Contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. Z2= Contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. A Hoek: basisinstelling A=0 Hoek (>0) bij contourbeginpunt.hoek A of B moet zo worden gekozen, dat het gereedschap geen ondersnijding uitvoert. B Hoek: basisinstelling B=0 Hoek (>0) bij contoureindpunt. I1= Lengte afschuining: Basisinstelling I1=0. Lengte van afschuining bij contoureindpunt.alleen I1= of R1= mag worden geprogrammeerd. R1= Afronding: Basisinstelling R1=0. Afronding bij contoureindpunt. I2= Lengte afschuining: Basisinstelling I2=0. Lengte van afschuining bij contourbeginpunt. R2= Afronding: Basisinstelling R2=snijkantradius van gereedschap. Afronding tussen hoek A en B. Basisinstellungen A=0, B=0, I1=0, R1=0, I2=0, R2= Gereedschapradius Bijbehorende functies G822 voor voorbewerken Aanwijzingen en toepassing De nabewerking wordt uitgevoerd van Y1/Z1 naar Y2/Z2. De gereedschapsoriëntatie mag alleen 4, 5 of 6 zijn. De gereedschapsbaan wordt gecorrigeerd voor de snijkantradius. 26-9-2002 MillPlus IT V510 447
DRAAICYCLI 29.13.4 G827 Afspanen dwars, nabewerken Y Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Y1=)Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de nabewerking. De nabewerking begint bij Y en wordt uitgevoerd totdat Y2 is bereikt. Z Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Z2=) Positie van het gereedschap in axiale richting. Deze positie is het beginpunt van de nabewerking. Y1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Z1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Y2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. Z2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. A Hoek: basisinstelling A=0 Hoek (>0) bij contourbeginpunt.hoek A of B moet zo worden gekozen, dat het gereedschap geen ondersnijding uitvoert. B Hoek: basisinstelling B=0 Hoek (>0) bij contoureindpunt. I1= Lengte afschuining: Basisinstelling I1=0. Lengte van afschuining bij contoureindpunt.alleen I1= of R1= mag worden geprogrammeerd. R1= Afronding: Basisinstelling R1=0. Afronding bij contoureindpunt. I2= Lengte afschuining: Basisinstelling I2=0. Lengte van afschuining bij contourbeginpunt. R2= Afronding: Basisinstelling R2= snijkantradius van gereedschap. Afronding tussen hoek A en B. Basisinstellingen A=0, B=0, I1=0, R1=0, I2=0, R2= Gereedschapradius Bijbehorende functies G823 voor voorbewerken Aanwijzingen en toepassing De nabewerking wordt uitgevoerd van Y1/Z1 naar Y2/Z2. De gereedschapsoriëntatie mag alleen 4, 5 of 6 zijn. De gereedschapsbaan wordt gecorrigeerd voor de snijkantradius. 448 Heidenhain 26-9-2002
DRAAICYCLI 29.13.5 G832 Snedeopdeling langs Y Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Y1=) Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. De uitruimbewerking begint bij Y en wordt verminderd met C totdat Y2 is bereikt. Z Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Z1=) Positie van het gereedschap in axiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. De uitruimbewerking begint bij Z1= en wordt uitgevoerd totdat Z2= is bereikt. Y1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Z1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Y2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. Z2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. C Radiale diepte-instelling (incrementeel)maat waarmee het gereedschap telkens in radiale richting wordt bijgesteld. De diepte moet een veelvoud van de diepte-instelling zijn. A Hoek: basisinstelling A=0 Hoek (>0) bij contourbeginpunt. (Z1=) Hoek A en B moeten zo worden gekozen, dat het gereedschap geen ondersnijding uitvoert. B Hoek: basisinstelling B=0 Hoek (>0) bij contoureindpunt. (Z2=) I1= Lengte afschuining: Basisinstelling I1=0. Lengte van afschuining bij begin en einde van de contour: Alleen I1= of R1= mag worden geprogrammeerd. R1= Afronding: Basisinstelling R1=0. Afronding bij begin en einde van de contour: R2= Afronding: Basisinstelling R2= snijkantradius van gereedschap. Afronding onderin contour. I/ K Opmaat Basisinstellingen A=0, B=0, I1=0, R1=0, R2= Gereedschapradius, I=0, K=0 Bijbehorende functies G837 voor nabewerken Aanwijzingen en toepassing Eerst wordt verspaand, daarna vindt een nabewerking plaats. De gereedschapsoriëntatie mag alleen 3, 4 of 5 zijn. De gereedschapsbaan wordt gecorrigeerd voor de snijkantradius. 26-9-2002 MillPlus IT V510 449
DRAAICYCLI 29.13.6 G833 Snedeopdeling dwars Y Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Y1=) Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. De uitruimbewerking begint bij Y1= en wordt uitgevoerd totdat Y2= is bereikt. Z Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Z1=) Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. De uitruimbewerking begint bij Z en wordt verminderd met C totdat Z2 is bereikt. Y1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Z1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Y2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. Z2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. C Radiale diepte-instelling (incrementeel) Maat waarmee het gereedschap telkens in axiale richting wordt bijgesteld. De diepte moet een veelvoud van de diepte-instelling zijn. A Hoek: basisinstelling A=0 Hoek (>0) bij contourbeginpunt. (Y1=) Hoek A en B moeten zo worden gekozen, dat het gereedschap geen ondersnijding uitvoert. B Hoek: basisinstelling B=0 Hoek (>0) bij contoureindpunt. (Y2=) I1= Lengte afschuining: Basisinstelling I1=0. Lengte van afschuining bij begin en einde van de contour: Alleen I1= of R1= mag worden geprogrammeerd. R1= Afronding: Basisinstelling R1=0. Afronding bij begin en einde van de contour: R2= Afronding: Basisinstelling R2= snijkantradius van het gereedschap. Afronding onderin contour. I/ K Opmaat Basisinstellingen A=0, B=0, I1=0, R1=0, R2= Gereedschapradius, I=0 K=0 Bijbehorende functies G837 voor nabewerken Aanwijzingen en toepassing Eerst wordt verspaand, daarna vindt een nabewerking plaats.de gereedschapsoriëntatie mag alleen 5, 6 of 7 zijn. De gereedschapsbaan wordt gecorrigeerd voor de snijkantradius. 450 Heidenhain 26-9-2002
DRAAICYCLI 29.13.7 G836 Snedeopdeling langs, nabewerken Y Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Y1=) Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de nabewerking. Z Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Z1=) Positie van het gereedschap in axiale richting. Deze positie is het beginpunt van de nabewerking. De nabewerking begint bij Z1= en wordt uitgevoerd totdat Z2= is bereikt. Y1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Z1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Y2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. Z2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. A Hoek: basisinstelling A=0. Hoek (>0) bij contourbeginpunt. (Z1=) Hoek A en B moeten zo worden gekozen, dat het gereedschap geen ondersnijding uitvoert. B Hoek: basisinstelling B=0. Hoek (>0) bij contoureindpunt. (Z2=) I1= Lengte afschuining: Basisinstelling I1=0. Lengte van afschuining bij begin en einde van de contour: Alleen I1= of R1= mag worden geprogrammeerd. R1= Afronding: Basisinstelling R1=0. Afronding bij begin en einde van de contour: R2= Afronding: Basisinstelling R2= snijkantradius van gereedschap. Afronding onderin contour. Basisinstellingen A=0, B=0, I1=0, R1=0, R2= Gereedschapradius Bijbehorende functies G832 voor nabewerken Aanwijzingen en toepassing De nabewerking wordt uitgevoerd van Y1/Z1 naar Y1/Z2. De gereedschapsoriëntatie mag alleen 3, 4 of 5 zijn. De gereedschapsbaan wordt gecorrigeerd voor de snijkantradius. 26-9-2002 MillPlus IT V510 451
DRAAICYCLI 29.13.8 G837 Snedeopdeling dwars, nabewerken Y Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Y1=) Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de nabewerking. De nabewerking begint bij Y1= en wordt uitgevoerd totdat Y2= is bereikt. Z Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Z1=) Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de nabewerking. Y1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Z1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Y2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. Z2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. A Hoek: basisinstelling A=0. Hoek (>0) bij contourbeginpunt. (Y1=) Hoek A en B moeten zo worden gekozen, dat het gereedschap geen ondersnijding uitvoert. B Hoek: basisinstelling B=0. Hoek (>0) bij contoureindpunt. (Y2=) I1= Lengte afschuining: Basisinstelling I1=0. Lengte van afschuining bij begin en einde van de contour: Alleen I1= of R1= mag worden geprogrammeerd. R1= Afronding: Basisinstelling R1=0. Afronding bij begin en einde van de contour: R2= Afronding: Basisinstelling R2= snijkantradius van het gereedschap.afronding onderin contour. Basisinstellingen A=0, B=0, I1=0, R1=0, R2= Gereedschapradius Bijbehorende functies G833 voor nabewerken Aanwijzingen en toepassing De nabewerking wordt uitgevoerd van Y1/Z1 naar Y1/Z2. De gereedschapsoriëntatie mag alleen 5, 6 of 7 zijn. De gereedschapsbaan wordt gecorrigeerd voor de snijkantradius. 452 Heidenhain 26-9-2002
DRAAICYCLI 29.13.9 G842 Groefsteken langs Y Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Y1=) Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. De uitruimbewerking begint bij Y1= met de breedte-instelling en wordt uitgevoerd totdat Y2= is bereikt. Z Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Z2=) Positie van het gereedschap in axiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. Y1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Z1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Y2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. Z2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. C Beitelbreedte: Breedte van het gereedschap. De breedte-instelling is C minus tweemaal de radius van de snede. A Hoek: basisinstelling A=0. Hoek (>0) bij contourbeginpunt. (Y1=) B Hoek: basisinstelling B=0. Hoek (>0) bij contoureindpunt. (Y2=) I1= Lengte afschuining: Basisinstelling I1=0. Lengte van afschuining bij begin en einde van de contour: Alleen I1= of R1= mag worden geprogrammeerd. R1= Afronding: Basisinstelling R1=0. Afronding bij begin en einde van de contour: R2= Afronding: Basisinstelling R2= hoekradius van gereedschap. Afronding onderin contour. I Opmaat Basisinstellingen A=0, B=0, I1=0, R1=0, R2= Gereedschapradius, I=0 Bijbehorende functies G846 voor nabewerken Aanwijzingen en toepassing Eerst wordt verspaand, daarna vindt een nabewerking plaats. De gereedschapsoriëntatie mag alleen 5, 6 of 7 zijn. De gereedschapsbaan wordt gecorrigeerd voor de snijkantradius. 26-9-2002 MillPlus IT V510 453
DRAAICYCLI 29.13.10 G843 Groefsteken radiaal Y Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Y1=) Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. De uitruimbewerking begint bij Y en wordt uitgevoerd totdat Y2 is bereikt. Z Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Z2=) Positie van het gereedschap in axiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. De uitruimbewerking begint bij Z2= met de breedte-instelling en wordt uitgevoerd totdat Z1= is bereikt. Y1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Z1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Y2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. Z2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. C Beitelbreedte: Breedte van het gereedschap. De breedte-instelling is C minus tweemaal de radius van de snede. A Hoek: basisinstelling A=0 Hoek (>0) bij contourbeginpunt. (Z1=) B Hoek: basisinstelling B=0 Hoek (>0) bij contoureindpunt. (Z2=) I1= Lengte afschuining: Basisinstelling I1=0. Lengte van afschuining bij begin en einde van de contour: Alleen I1= of R1= mag worden geprogrammeerd. R1= Afronding: Basisinstelling R1=0. Afronding bij begin en einde van de contour: R2= Afronding: Basisinstelling R2= snijkantradius van het gereedschap Afronding onderin contour. K Opmaat Basisinstellingen A=0, B=0, I1=0, R1=0, R2= Gereedschapradius, K=0 Bijbehorende functies G847 voor nabewerken Aanwijzingen en toepassing Eerst wordt verspaand, daarna vindt een nabewerking plaats. De gereedschapsoriëntatie mag alleen 3, 4 of 5 zijn. De gereedschapsbaan wordt gecorrigeerd voor de snijkantradius. 454 Heidenhain 26-9-2002
DRAAICYCLI 29.13.11 G846 Groefsteken langs, nabewerken Y Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Y1=) Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. De uitruimbewerking begint bij Y en wordt uitgevoerd totdat Y2 is bereikt. Z Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Z1=) Positie van het gereedschap in axiale richting. Deze positie is het beginpunt van de uitruimbewerking. Begint bij Z2= en wordt uitgevoerd totdat Z1= is bereikt. Y1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Z1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Y2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. Z2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. C Beitelbreedte: Breedte van het gereedschap. De breedte-instelling is C minus tweemaal de hoekradius. A Hoek: basisinstelling A=0. Hoek (>0) bij contourbeginpunt. (Y1=) B Hoek: basisinstelling B=0. Hoek (>0) bij contoureindpunt. (Y2=) I1= Lengte afschuining: Basisinstelling I1=0. Lengte van afschuining bij begin en einde van de contour: Alleen I1= of R1= mag worden geprogrammeerd. R1= Afronding: Basisinstelling R1=0. Afronding bij begin en einde van de contour: R2= Afronding: Basisinstelling R2= snijkantradius van het gereedschap. Afronding onderin contour. I Opmaat Basisinstellingen A=0, B=0, I1=0, R1=0, R2= Gereedschapradius, I=0 Bijbehorende functies G842 voor nabewerken Aanwijzingen en toepassing De nabewerking wordt uitgevoerd van Y1/Z1 naar Y1/Z2. De gereedschapsoriëntatie mag alleen 5, 6 of 7 zijn. De gereedschapsbaan wordt gecorrigeerd voor de snijkantradius. 26-9-2002 MillPlus IT V510 455
DRAAICYCLI 29.13.12 G847 Groefsteken dwars, nabewerken Y Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Y1=) Positie van het gereedschap in radiale richting. Deze positie is het beginpunt van de nabewerking. De nabewerking begint bij Y en wordt uitgevoerd totdat Y2 is bereikt. Z Startpunt (aanbevolen waarde: veiligheidsafstand tot Z2=) Positie van het gereedschap in axiale richting. Deze positie is het beginpunt van de nabewerking. Y1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Z1= Beginpunt van de contour Beginpunt van de te bewerken contour. Y2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. Z2= contoureindpunt Eindpunt van de te bewerken contour. C Beitelbreedte: Breedte van het gereedschap. De breedte-instelling is C minus tweemaal de hoekradius. A Hoek: basisinstelling A=0. Hoek (>0) bij contourbeginpunt. (Z1=) B Hoek: basisinstelling B=0. Hoek (>0) bij contoureindpunt. (Z2=) I1= Lengte afschuining: Basisinstelling I1=0. Lengte van afschuining bij begin en einde van de contour: Alleen I1= of R1= mag worden geprogrammeerd. R1= Afronding: Basisinstelling R1=0. Afronding bij begin en einde van de contour: R2= Afronding: Basisinstelling R2= snijkantradius van het gereedschap. Afronding onderin contour. K Opmaat Basisinstellingen A=0, B=0, I1=0, R1=0, R2= Gereedschapradius, K=0 Bijbehorende functies G843 voor voorbewerken Aanwijzingen en toepassing De nabewerking wordt uitgevoerd van Y1/Z2 naar Y1/Z1. De gereedschapsoriëntatie mag alleen 3, 4 of 5 zijn. De gereedschapsbaan wordt gecorrigeerd voor de snijkantradius. 456 Heidenhain 26-9-2002
VOORBEELDEN 29.14 Voorbeelden Voorbeeld 1: Toelichting: Programmbeispiel N9999 N1 G17 N2 G37 N3 M54 N4 T1 M6 N5 S1000 F1000 M3 N... N100 G17 Z1=1 Y1=2 N101 G36 N102 T7 M6 N103 S1=100 M1=3 N104 G0 X0 Y100 Z100 N105 G822... N... N200 G17 N201 G37 N203 T1 M6 N204 S1000 M3 N205... N300 M30 Beschreibung Vlak instellen voor frezen. Lengte-overmaat in Z-richting. Frezen Kop staat in Z-richting Freesgereedschap verwisselen Spil starten Frezen Vlak instellen voor draaien. - Hoofdas 1 is Z, hoofdas 2 is Y. - Radiuscorrectie in ZY-vlak. Draaien Gereedschap verwisselen Draaibank voor eindeloos draaien starten Draaigereedschap positioneren Cycli voor verspanen overlangs starten Draaien Vlak instellen voor frezen. Lengte-overmaat in Z-richting. Frezen Freesgereedschap verwisselen Spil starten Frezen Programma-einde Voorbeeld 2: Toelichting X Z Y 4 o 16 o 10 o 0.5 R0.5 3 6 R0.5 R0.5 8 0.5 26-9-2002 MillPlus IT V510 457
VOORBEELDEN Programma voorbeeld Toelichting N9999 N1 G17 Vlak instellen voor frezen. Lengte-overmaat in Z-richting. N2 G37 Frezen N3 G54 I1 Z8 Nulpuntverschuiving voor Z-richting. Bovenkant materiaal is nul. N4 G36 Draaien N5 M54 Kop staat in Z-richting N6 G17 Z1=1 Y1=2 Vlak instellen voor draaien. Hoofdas 1 is Z, hoofdas 2 is Y. Radiuscorrectie in ZY-vlak. N7 G195 X-1 Y-1 Z1 I2 Venster grafische weergave instellen. J12 K-11. N8 G199 X0 Y0 Z0 B4 Begin grafische contourbeschrijving materiaal B4 betekent zelf tekenen. C2 N9 G198 I1=14 X0 Y8 Begin contourbeschrijving. I1=14 is kleur lichtblauw Z0 N10 G2 X0 Y8 I0 J0 Bovenste cirkel van de cilinder N11 G1 X0 Y8 Z-8 Lijn N12 G2 X0 Y8 I0 J0 N13 N14 T1 M6 (L100 R5 C0.3 Q3=800) N15 S1=1000 M1=3 N16 G0 X0 Y8 Z3 F1000 N17 N18 G823 Y8 Z0.3 Y1=8 Z1=-3 Y2=2 Z2=0 I1=0.5 R2=0.5 C0.2 N19 G823 Y8 Z-2.7 Y1=8 Z1=-6 Y2=5 Z2=-3 R1=0.5 I2=0.5 R2=0.5 C0.2 N20 N21 G827 Y8 Z-6.7 Y1=8 Z1=-6 Y2=5 Z2=-3 R1=0.5 I2=0.5 R2=0.5 N22 G827 Y8 Z-2.7 Y1=8 Z1=-3 Y2=2 Z2=0 I1=0.5 R2=0.5 N23 G0 Z10 N24 T0 M6 N25 G37 N26 G53 N300 M30 Onderste cirkel van de cilinder. Einde grafische contourbeschrijving. Draaigereedschap verwisselen (lengte, radius, hoekradius en type) Draaibank voor eindeloos draaien starten Draaigereedschap positioneren G823 Cycli voor verspanen overdwars starten. Bovenste deel draaien G823 Cycli voor verspanen overdwars starten. Onderste deel draaien G827 Cycli voor verspanen overdwars en nabewerken starten. Onderste deel nabewerken G827 Cycli voor verspanen overdwars en nabewerken starten. Bovenste deel nabewerken Gereedschap terugtrekken Gereedschap terugplaatsen Frezen Mulpuntverschuiving uitschakelen Programma-einde 458 Heidenhain 26-9-2002
29.15 Overzicht gebruikelijke G-Functies in draaibedrijf OVERZICHT GEBRUIKELIJKE G-FUNCTIES IN DRAAIBEDRIJF De meest gebruikelijke G-Functies voor draaibedrijf zijn in de onderstaande tabel opgesomd. Voor uitvoerige informatie van de G-Functies zie besturingshandboek. G-Functies in draaibedrijf Beschrijving G00 Ijlgang G01 Rechtlijnig bewerken G02 / G03 Cirkel met/tegen de klok G04 Wachttijd G14 Conditionele herhaler G17 G18 Bewerkingsvlak G22 Oproep onderprogramma G23 Aanroep van hoofdprogramma G25 / G26 Activeer/Uitschakelen spindeloverride G27 / G28 Positioneerfunctie G29 Voorwaardelijke sprong G33 Basisdraadsnijbeweging G36 / G37 Aan/Uit Rondas continu draaien G39 Activeren gereedschapcompensatie G40--- G41 / G42 G43 / Greedschap-radiuscompensatie G44 G45--- G50 Opmeten G53 / G54--- G59 Nulpuntverschuivingen G63 / G64 Geometrieberekeningen opheffen/activeren G70 / G71 Inch/Metrisch programmeren G90 / G91 Absoluut/Inkrementeel programmeren G92 / G93 Relatieve/Absolute Nulpuntverschuiving G94 / G95 Voeding in mm/min-mm/omw G96 / G97 Constante snijsnelheid/spiltoerental G98 G99 G195 G196 Grafische functies G197 / G198 G199 G227 G228 Onbalans monitor G300--G351 Specifieke programmafuncties G611 G615 TT130/Laser Draaigereedschappen meten G691 G692 Meten/Controleren onbalans G822 G823 G826 G827 Verspaancycli G832 G833 G836 G837 Uitdraaicycli G842 G843 G846 G847 Insteekcycli G863 Draadcycli 26-9-2002 MillPlus IT V510 459
OVERZICHT GEBRUIKELIJKE G-FUNCTIES IN DRAAIBEDRIJF 460 Heidenhain 26-9-2002
30. G-functies met Design-cycli gemaakt G-FUNCTIES MET DESIGN-CYCLI GEMAAKT 30.1 Design-cycli Met Design-cycli kan de gebruiker zijn eigen G-functies definiëren en in de besturing opnemen. Deze G-functies kunnen binnen deelprogramma's met behulp van afbeeldingen worden geprogrammeerd. Let op: Raadpleeg bovendien uw programmeerhandleiding. 26-9-2002 MillPlus IT V510 461
G-FUNCTIES MET DESIGN-CYCLI GEMAAKT 462 Heidenhain 26-9-2002
LIJST VAN DE G-FUNCTIES, M-FUNCTIES 31. Lijst van de G-functies, M-functies 31.1 G-functies G.. Beschrijving Modaal G0 IJlgang * G1 Rechtlijnig bewerken * G2 G3 Cirkel met klok mee Cirkel tegen de klok in * G4 Wachttijd - G6 Spline-interpolatie * G7 Bewerkingsvlak zwenken * G8 Gereedschapsrichting zwenken G9 Definieer pool positie * G11 Poolcoördinaat,afronding,fase - G14 Conditionele herhaler G17 G18 G19 Bewerkingsvlak XY / gereedschap Z Bewerkingsvlak ZX / gereedschap Y Bewerkingsvlak YZ / gereedschap X * G22 G23 Oproep onderprogramma Aanroep van hoofdprogramma - G25 G26 Activeer feed override Uitschakelen voeding-override * G27 G28 Reset positioneerfuncties Positioneerfuncties * G29 Voorwaardelijke sprong - G33 G36 G37 Basis draadsnijden Beginnen/ Eindigen met draaibedrijf Beginnen/ Eindigen met draaibedrijf * G39 Activeren gereedschapcompensatie * G40 G41 G42 G43 G44 Geen gereedschapradiuscompensatie Gereedschapradiuscomp., links Gereedschapradiuscomp., rechts GS-radiuscompensatie tot eindpunt GS-radiuscomp. voorbij eindpunt * 26-9-2002 MillPlus IT V510 463
LIJST VAN DE G-FUNCTIES, M-FUNCTIES G.. Beschrijving Modaal G45 G46 G46 + M26 G49 G50 G51 G52 Opmeten van een punt Opmeten van een cirkel Meettaster kalibreren Vergelijken van de toleranties 3 Verrekenen v/d meetwaarden Opheffen G52-nulpuntverschuiving Activeren vaste NPV G52 - * G53 G54 G55 G56 G57 G58 G59 G54 I1 G54 I99 Opheffen nulpuntversch. G54-G59 Activeren v/d nulpuntversch. Activeren v/d nulpuntversch. Activeren v/d nulpuntversch. Activeren v/d nulpuntversch. Activeren v/d nulpuntversch. Activeren v/d nulpuntversch. Activeren v/d nulpuntversch. * G61 G62 Tangentiaal aanlopen Tangentiaal uitlopen - G63 G64 Opheffen geometrieberekeningen Activeren geometrie * G70 G71 Inch-programmering Metrisch programmeren * G72 G73 Spiegelen + schaalfactor opheffen Spiegelen +schaalfactor activeren * G74 Absolute positie - G77 Boutgaten op cirkel - G78 Puntdefinitie - G79 Activeer cyclus - G81 G83 G84 G85 G86 G87 G88 G89 Boorcyclus Diepgatboorcyclus Tapcyclus Ruimcyclus Kottercyclus Rechthoekige kamerfreescyclus Freescyclus voor spiebaan Freescyclus voor ronde kamer * G90 G91 Absoluut programmeren Incrementeel programmeren * G92 G93 Relatieve NPV rotatie Abs. NP-verschuiving, rotatie * 464 Heidenhain 26-9-2002
LIJST VAN DE G-FUNCTIES, M-FUNCTIES G.. Beschrijving Modaal G94 G95 Voeding in mm/min (inch/min) Voeding in mm/omw (inch/omw) * G98 G99 Definitie grafisch venster Definitie grafisch materiaal - G106 G108 Kinematica verrekenen: uit Kinematica verrekenen: aan * G141 3D gereedschapcompensatie * G145 G148 G149 G150 Lineaire meetbeweging Opvragen meettasterstatus Opvr.gereedschap- of NPV-gegevens Wijzigen GS- of NPV-gegevens - G174 Gereedschap terugtrekken G180 G182 Cilinderinterpolatie opheffen Cilinderinterpolatie activeren * G195 G196 G197 G198 G199 Definitie grafisch venster Einde beschrijving grafisch model Aanvang beschrijving binnencont. Aanvang beschrijving buitencont. Aanvang beschrijving graf. model - G200 G201 G202 G203 G204 G205 G206 G207 G208 Macro's kamerfreescycl. genereren Aanvang contourkamer-freescyclus Einde contourkamer freescyclus Aanvang contourbeschrijving kamer Einde contourbeschrijving kamer Aanvang contourbeschr. eiland Einde contourbeschrijving eiland Oproep eilandcontour macro Vierhoek contourbeschrijving * G227 G228 G240 G241 Onbalansmonitor: UIT Onbalansmonitor: AAN Contour bewaking: UIT Contour bewaking: AAN * 31.2 Lijst van G-functies voor macro's G.. Beschrijving Modaal G300 G301 G302 G303 G319 G320 G321 G322 G324 Oproep programma fout Foutmelding in ingelezen programma of macro Radiuscorrectie parameters overschrijven M19 met programmeerbare richting Opvragen van actieve technologie Opvragen van actuele G-gegevens Opvragen gereedschapstabel Opvragen machineconstanten Opvragen van actuele modale G-functie - 26-9-2002 MillPlus IT V510 465
LIJST VAN DE G-FUNCTIES, M-FUNCTIES G.. Beschrijving Modaal G325 G326 G327 G329 Opvragen actuele modale M-functie Opvragen van actuele aspositie Opvragen bedieningsmodus Opvragen kinematische correctiewaarde G331 G339 G341 G350 G351 Wegschrijven naar de gereedschapstabel Schrijven kinematische correctiewaarde Berekening van G7-vlakhoeken Schrijven naar venster Schrijven naar bestand 31.3 Lijst van G-functies voor meetcycli G.. Beschrijving Modaal G600 G601 G602 G603 G604 G606 G607 G608 G609 G610 G611 G615 G620 G621 G622 G623 G626 G627 G628 G629 G631 G640 G691 G692 Lasersysteem: kalibreren Lasersysteem: lengte meten Lasersysteem: lengte en radius meten Lasersysteem: Controle van afzonderlijke sneden Lasersysteem: Controle op gereedschapsbreuk TT130: kalibreren TT130: Gereedschapslengte meten TT130: Gereedschapsradius meten TT130: Gereedschap compleet meten TT130: Breukbewaking TT130: Meten van draaigereedschappen Laser: Meten van draaigereedschappen Hoek meten Positie meten Hoekpunt meten buiten Hoekpunt meten binnen Rechthoekmeten buiten Rechthoekmeten binnen Cirkelmeten buiten Cirkelmeten binnen Scheefstand meten (G7) Draaitafelcentrum bepalen Meten van onbalans Meten van onbalans - 31.4 Lijst van G-functies voor freescycli G.. Beschrijving Modal G700 G730 G771 G772 G773 G777 G779 G781 Vlakdraaien Vlakken Bewerking op lijn Bewerking op vierhoek Bewerking op raster Bewerking op cirkel Bewerking op positie Bewerking op positie - 466 Heidenhain 26-9-2002
LIJST VAN DE G-FUNCTIES, M-FUNCTIES G.. Beschrijving Modal G782 G783 G784 G785 G786 Diepboren Diepboren met extra spaanbreken Tappen Ruimen Kotteren G790 G794 G787 G788 G789 G797 G798 G799 Terugwaartsverzinken Tappen, interpolerend Kamerfrezen Spiebaanfrezen Rondkamerfrezen Kamernafrezen Spiebaannafrezen Ronde kamer nafrezen 31.5 Lijst van G-functies voor draaicycli G.. Beschrijving Modal - G822 G823 G826 G827 Afspanen langs Afspanen dwars Afspanen langs, nabewerken Afspanen langs, nabewerken G832 G833 G836 G837 G842 G843 G846 G847 Afspanen langs, nabewerken Afspanen langs, nabewerken Snedeopdeling langs, nabewerken Snedeopdeling langs, nabewerken Groefsteken langs Groefsteken radiaal Groefsteken langs, nabewerken Groefsteken dwars, nabewerken 26-9-2002 MillPlus IT V510 467
LIJST VAN DE G-FUNCTIES, M-FUNCTIES 31.6 Basis M-functies M.. Vroeg Laat Beschrijving Modaal met: M0 M1 M30 X X X Programmastop Optionele stop Programma-einde - - - M3 M4 M5 M19 X X X X Spil AAN rechtsom Spil AAN linksom Spil STOP Spil STOP in bepaalde hoekpositie M4,M5,M14,M19 M3,M5,M13,M19 M3,M4,M13,M14 M3,M4,M13,M14 M6 M66 X X Automatische gereedschapwissel uitvoeren Handmatige gereedschapwissel - - M7 M8 M9 X X X Koelmiddel nr. 2 inschakelen Koelmiddel nr. 1 inschakelen Koelmiddel uitschakelen M9 M9 M7,M8,M13,M14 M13 M14 X X Spil AAN, rechtsom en koelmiddel AAN Spil AAN, linksom en koelmiddel AAN M9 M9 M25 X Voor activeren van GS-meting - M26 M27 M28 X X X Meettaster kalibreren Meettaster activeren Meettaster uitschakelen - M28 M27 M24 M29 Meetkastje activeren Blaaslucht bij meettaster inschakelen M41 M42 M43 M44 x x x x Keuze transmissietrap Spilaandrijving M42,M43,M44 M41,M43,M44 M41,M42,M44 M41,M42,M43 M67 X Gereedschapcorrectie activeren - 468 Heidenhain 26-9-2002
LIJST VAN DE G-FUNCTIES, M-FUNCTIES 31.7 Machine-afhankelijke M-functies M.. Vroeg Laat Beschrijving Modaal met: M10 M11 M22 M23 M32 M33 x x x x x x Spaninrichting 4e as SLUITEN OPENEN Spaninrichting 5e as SLUITEN OPENEN Spaninrichting 6e as SLUITEN OPENEN M16 M18 x x Werkstukreiniging AAN Werkstukreiningen UIT M20 x Vrije NC-uitgang M46 x Automatische gereedschapwissel (zonder terugtrekken van de assen die niet bij de GS-wissel zijn betrokken) M53/M54 x Zwenkfreeskop voor horizontale / verticale bewerking M55 x Gestuurde NC-freeskop in 0-gradenstand positioneren en fixeren M56 M57 M58 M60/M61/ M62-1. Werkgebied (inschakelstand) voor X- as vrijgeven (modaal) 2. Werkgebied voor X-as vrijgeven (modaal) 3. Werkgebied voor X-as vrijgeven (modaal)1-assige-indextafel over een steek verderdraaien - Commando's palletwissel M68 - Gereedschapmagazijn in werkplaats laden/legen M70 M71 x x Spaantransporteur AAN Spaantransporteur UIT Reddingsfuncties: M74 M75 M76 M77 - - - - Palletcarrousel Palletwisselaar Zwenkfreeskop Gereedschapwisselaar M80-M89 - Gereserveerd voor software-optie 26-9-2002 MillPlus IT V510 469
LIJST VAN DE G-FUNCTIES, M-FUNCTIES 470 Heidenhain 26-9-2002
TECHNOLOGISCHE COMMANDO'S 32. Technologische commando's 32.1 Voedingssnelheid Voedingssnelheid F.. [mm/min Inch/min] N.. F100 Constante voedingssnelheid: F1=0 voedingssnelheid gerelateerd aan de equidistante. (inschakelpositie) N.. F.. F1=0 F1=1 voedingssnelheid gerelateerd aan de werkstukcontour. De voeding wordt bij binnenradii verkleind. N.. F.. F1=1 F1=2 voedingssnelheid gerelateerd aan de werkstukcontour. De voeding wordt bij binnenradii gereduceerd en bij buitenradii vergroot. N.. F.. F1=2 F1=3 voedingssnelheid gerelateerd aan de werkstukcontour. De voeding wordt bij buitenradii vergroot. N.. F.. F1=3 F2=... Terugtrekbeweging bij G85, aanzetbeweging bij G86/G89, G201 of meetbeweging bij G145. F3=... F4=... F5=... F6=... Voeding voor de (negatieve) aanzetbeweging (insteken). Voeding voor de beweging in het vlak Aanzeteenheid voor rondassen F5=0 graden/min (uitgangspositie) F5=1 mm/min of inch/min Lokale aanzet op één regel Gereedschapas: as loodrecht op het bewerkingsvlak (G17, G18,...). Radiale freesrichting: frezen in het bewerkingsvlak Axiale freesrichting: frezen in de richting van de gereedschapas (alleen in insteekrichting) Modale parameter F, F1=. 32.2 Spiltoerental Spiltoerental S.. [omw/min] S-parameters zijn modaal. N.. S600 26-9-2002 MillPlus IT V510 471
TECHNOLOGISCHE COMMANDO'S Gereedschapnummer Gereedschapnummer T.. [formaat 8.2] (max. 255 gereedschappen) N.. T1 M.. Oorspronkelijk gereedschap (T1-T99999999) N.. T1 Vervangend gereedschap (Tx.01-Tx.99) N.. T1.01 Activering: Automatische gereedschapwissel Handmatige gereedschapwissel Gereedschapgegevens activeren Eerste extra gereedschapcorrectie Tweede extra gereedschapcorrectie Vereiste gereedschapstandtijd T3=..[0-9999,9min] Snijkrachtbewaking T1=..[1..99] N.. T.. M6 N.. T.. M66 N.. T.. M67 N.. T.. T2=1 M6/M66/M67 N.. T.. T2=2 M6/M66/M67 N.. T.. T3=x M6/M66 N.. T.. T1=x M6/M66 Deactiveren (T1=0 of T1= niet geprogrammeerd) N.. T1=0 Modale parameters T, T1=, T2=. 472 Heidenhain 26-9-2002
33. E-parameters en rekenkundige functies E-PARAMETERS EN REKENKUNDIGE FUNCTIES 33.1 E-Parameters Parameter E.. N.. E.. Formaat: Heel getal E1=20 Getal met vaste komma E1=200.105 Getal met zwevende komma (exponent: -99 - +99) E1=1.905e5 Wisselen maateenheid G70 <--> G71: Alle waarden worden geconverteerd. In dit geval mogen gegevens zoals spiltoerental, voeding etc. niet als parameterwaarde worden gedefinieerd. E-parameters zijn modaal. Let op: Het adres 'E' (parameter) moet met een hoofdletter in het programma worden ingevoerd. 33.2 Rekenkundige functies Standaard rekenkundige functies (spaties in een functie zijn niet toegestaan!) Machtsverheffen Omgekeerd evenredige waarden Vierkantswortel (parameterwaarde moet positief zijn!) Exponent 'e' (-99 - +99) Absolute waarden Hele getallen E1=E2 E1=E2+E3 E1=E2-E3 E1=E2*E3 E1=E2:E3 E1=E2^2 E1=(-3)^E3 E1=E2^-2(E1=1:E2^2) E1=sqrt(E2) E1=1.976125e3 E1=abs(E2) E1=int(E2) Hoekdefinitie Formaat: graden/minuten/seconden (kan niet direct worden ingegeven!) Invoerformaten 44 12' 33.5": Decimaalformaat Hoekomrekening (hieruit volgt een hoek van) E1=44.209303 E1=44+12:60+33.5:3600 E1=44.209303 26-9-2002 MillPlus IT V510 473
E-PARAMETERS EN REKENKUNDIGE FUNCTIES Cirkelconstante 'pi' of π (3.14) Radiantformat Trigonometrische functies E1=(E2*pi):2 E1=44+12:60+33.5:3600 E2=((E1:360)*2*pi)rad sin(e..) cos(e..) tan(e..) asin(e..) acos(e..) atan(e..) Vergelijkingsfuncties E1=E2=E3 --> E1=1 (Aan voorwaarde voldaan --> E..=1) E1=E2<>E3 --> E1=1 (Niet aan voorwaarde voldaan --> E..=0) E1=E2>E3 --> E1=1 E1=E2>=E3 --> E1=1 E1=E2<E3 --> E1=1 E1=E2<=E3 --> E1=1 Prioriteit bij de beoordeling van rekenkundige uitdrukkingen en vergelijkingsfuncties 1. sin, cos, tan, asin, acos, atan, sqrt, abs, int 2. Machtsverheffing (^), omgekeerd evenredige waarden (^-1) 3. Vermenigvuldigen (*), delen (:) 4. Optellen (+), aftrekken (-) 5. Relationele uitdrukkingen (=, <>, >, >=, <, <=) Indien een regel bewerkingen met gelijke prioriteit bevat, wordt deze regel van het begin tot het einde van de regel uitgevoerd. 33.3 Uitgebreide berekeningen 33.3.1 E-parameters Formaat: Arcus sinus E1=asin(E2,E3) Arcus cosinus E1=acos(E2,E3) Arcus tangens E1=atan(E2,E3) Conversie geheel getal grootste waarde E1=ceil(E2) Conversie geheel getal kleinste waarde E1=floor(E2) Afronding E1=round(E2,n) (n is decimalen) Rest na deling E1=mod(E2,E3) Teken E1=sign(E2) Opmerking: Vanaf V420 is de int-functie gewijzigd in de floor-functie. 33.3.2 Gehele getallen Bij gebruik van de Integer-functie wordt de waarde van het getal afgerond. Dat wil zeggen, dat alle decimalen worden genegeerd. E1=int(E2) Voorbeeld: E2=8.9 resulteert in 8, E2=-8.9 resulteert in 8 33.3.3 Gehele getallen met grootste waarde Bij gebruik van de Integer-functie voor de grootste waarde wordt de waarde van het getal afgerond op het grootste argument. E1=ceil(E2) Voorbeeld: E2=8.9 resulteert in 9, E2=-8.9 resulteert in 8 33.3.4 Gehele getallen met kleinste waarde Bij gebruik van de Integer-functie voor de kleinste waarde wordt de waarde van het getal afgerond op het kleinste argument. 474 Heidenhain 26-9-2002
E-PARAMETERS EN REKENKUNDIGE FUNCTIES E1=floor(E2) Voorbeeld: E2=8.9 resulteert in 8, E2=-8.9 resulteert in -9 33.3.5 Afronden Met de afrondingsfunctie wordt de waarde van het getal afgerond op het aantal decimalen. E1 =round(e2,n) (n is decimalen) Opmerking: als geen aantal decimalen wordt opgegeven, wordt 0 gebruikt. Voorbeeld: n=1 en E2=8.94 resulteert in 8.9, n=1 en E2=-8.94 resulteert in -8.9 n=1 en E2=8.96 resulteert in 9.0, n=1 en E2=-8,96 resulteert in -9.0 33.3.6 Restdeel na deling De restfunctie resulteert in de rest van het argument nadat een deling is uitgevoerd. E1 =mod(e2,e3) Opmerkingen: -E1=E2-int(E2:E3)*E3 - Als E3 gelijk is aan 0, is het resultaat E2. - Als E3 niet wordt opgegeven, wordt 1 gebruikt. - Het teken is hetzelfde als het teken van E1. Voorbeeld: E2=5 en E3=3 resulteert in 2, E2=-5 en E3=3 resulteert in 2 33.3.7 Teken De tekenfunctie resulteert in het teken van de waarde. E1 =sign(e2) Voorbeeld: E2=8.9 resulteert in 1, E2=0 resulteert in 0, E2=-8.9 resulteert in -1 Het volgende is ook mogelijk (vanaf V420): E1=asin(E3,E4) E1=acos(E3,E4) E1=atan(E3,E4) waarbij E2=E3:E4 Opmerking: - Voor acos en asin moet abs(e2) kleiner dan of gelijk aan 1 zijn. - De verkregen hoek ligt tussen 0 en +360 33.3.8 Parameternummer van variabele: E(waarde of uitdrukking)=<waarde of uitdrukking> Voorbeelden: E(1)= E(1.2e1) E(E1)= E(E1+E2)= E(sin(45)*100)= 26-9-2002 MillPlus IT V510 475
E-PARAMETERS EN REKENKUNDIGE FUNCTIES 476 Heidenhain 26-9-2002
ALGEMEEN 34. Algemeen 34.1 Operator-machineconstanten Voor lijst met machineconstanten zie documentatie van de fabrikant van de gereedschapsmachine. Voor operator. Uitsluitend voor Servicedienst 34.2 Machineconstanten in bewakingsbestand In Edit-MC worden de machineconstanten, die ook in het bewakingsbestand staan, met een vergrendelingsteken weergegeven. Deze machineconstanten kunnen dan ook niet worden bewerkt. Aan bewerkingsvrijgave is een wachtwoord gekoppeld. Machineconstanten die in het bewakingsbestand staan, worden alleen overschreven wanneer het wachtwoord is ingevoerd. Hiermee wordt zekergesteld dat er geen machineconstanten onopzettelijk worden gewijzigd. Opmerking De machineconstanten 250 t/m 316 worden voor het selecteren van beschikbare opties gebruikt. 34.2.1 Lijst met operator-machineconstanten 20 Assen-oriëntatie (0=0,1=-90,2=180,3=90) O 21 Display spilvermogen (0=off,1=on) O 22 Display G181 (0=fictief,1=reëel) O 24 Beeldschermspaartijd (0=uit,1-255[min]) O 80 Keuze demo modus (0=uit,1=aan,2=IPLC) O 93 BTR-geheugen (4-1024)[kB] O 251 Technologie (0=uit, >0 = aan) O 252 DNC-remote functie (0=uit, >0 = aan) O 254 Gereedschap meten (0=uit,1=aan) O 255 Interact.contourprog. (0=uit, >0 = aan) O 262 BTR-functie (0=uit, >0 = aan) O 262 BTR-functie (0=uit, >0 = aan) O 263 3D gereedschapsfunctie (0=uit,1=aan) O 264 Cilinderinterpolator (0=uit,1=aan) O 265 G6 (spline) functie (0=uit,1=aan) O 266 Univers. pocketcyclus (0=uit, >0 = aan) O 271 Uitvegen grafiek (0=uit, >0 = aan) O 272 Synchrone grafiek (0=uit, >0 = aan) O 292 Geheugen MEX 1 (0=uit,??????=aan) O 293 Geheugen MEX 2 (0=uit,??????=aan) O 294 Geheugen MEX 3 (0=uit,??????=aan) O 295 Geheugen MEX 4 (0=uit,??????=aan) O 296 Geheugen MEX 5 (0=uit,??????=aan) O 297 Geheugen MEX 6 (0=uit,??????=aan) O 350 Tasterpositie 1e as negatief [µm] O 351 Tasterpositie 1e as positief [µm] O 352 Tasterpositie 2e as negatief [µm] O 353 Tasterpositie 2e as positief [µm] O 26-9-2002 MillPlus IT V510 477
ALGEMEEN 354 Tasterpositie 3e as negatief [µm] O 355 Tasterpositie 3e as positief [µm] O 714 Schalen (0+2=factor,1+3=%,2+3=3D) O 715 Decimale punt schalen (0-6) O 772 DIO: syntaxcontrole (0=uit,1=aan) O 773 DIO: regelnummers > 9000 (0=uit,1=aan) O 774 GS in (0,1=wissen,2=beveil.,3=vervang.) O 782 DNC-remote bestandlijst (0=nee,1=ja) O 783 DNC-diskformatteerfunctie (0=nee,1=ja) O 792 IPC-remote bestandlijst (0=nee,1=ja) O 793 IPC-disk formatteerfunctie (0=nee,1=ja) O 795 IPC-protocol met % (0=nee, 1=ja) O 799 MPC-protocol met % (0=nee, 1=ja) O 847 Breedte vaste meetopnemer [µm] O 848 Radius kalibratiering [µm] O 901 App1: baudrate (110-57600) O 903 App1: aantal stopbits (1 of 2) O 904 App1: lengte leader/trailer (0-120) O 905 App1: data-drager (0=ASCII,1=ISO,2=EIA) O 906 App1: auto.codeherkenning (0=uit,1=aan) O 907 App1:flow-controle(0=RTS,1=RTS-f,2=XON) O 908 App1: DTR-controle (0=nee, 1=ja) O 911 App2: baudrate (110-57600) O 913 App2: aantal stopbits (1 of 2) O 914 App2: lengte leader/trailer (0-120) O 915 App2: data-drager (0=ASCII,1=ISO,2=EIA) O 916 App2: auto.codeherkenning (0=uit,1=aan) O 917 App2:flow-controle(0=RTS,1=RTS-f,2=XON) O 918 App2: DTR-controle (0=nee, 1=ja) O 921 App3: baudrate (110-57600) O 923 App3: aantal stopbits (1 of 2) O 924 App3: lengte leader/trailer (0-120) O 925 App3: data-drager (0=ASCII,1=ISO,2=EIA) O 926 App3: auto.codeherkenning (0=uit,1=aan) O 927 App3:flow-controle(0=RTS,1=RTS-f,2=XON) O 928 App3: DTR controle (0=nee, 1=ja) O 931 LSV/2 baudrate (110-57600) O 932 LSV/2 tekenset (0=ASCII,1=ISO) O 933 LSV/2 tijd v.wacht-op-antwoord (0-128s) O 934 LSV/2 aantal herhalingen (0=onbep,1-12) O 935 LSV/2 vertragingstijd (0-128)[ms] O 936 LSV/2 DTR-controle (0=nee, 1=ja) O 2455 Positie vaste meetopnemer 1 O 2456 Positie vaste meetopnemer 2 O 2457 Positie kalibratiering O 2655 Positie vaste meetopnemer 1 O 2656 Positie vaste meetopnemer 2 O 2657 Positie kalibratiering O 2855 Positie vaste meetopnemer 1 O 2856 Positie vaste meetopnemer 2 O 2857 Positie kalibratiering O 2955 Positie vaste meetopnemer 1 O 2956 Positie vaste meetopnemer 2 O 2957 Positie kalibratiering O 3055 Positie vaste meetopnemer 1 O 3056 Positie vaste meetopnemer 2 O 3057 Positie kalibratiering O 3155 Positie vaste meetopnemer 1 O 3156 Positie vaste meetopnemer 2 O 3157 Positie kalibratiering O 3255 Positie vaste meetopnemer 1 O 3256 Positie vaste meetopnemer 2 O 3257 Positie kalibratiering O 3355 Positie vaste meetopnemer 1 O 3356 Positie vaste meetopnemer 2 O 3357 Positie kalibratiering O 3455 Positie vaste meetopnemer 1 O 3456 Positie vaste meetopnemer 2 O 3457 Positie kalibratiering O 3555 Positie vaste meetopnemer 1 O 3556 Positie vaste meetopnemer 2 O 3557 Positie kalibratiering O 3655 Positie vaste meetopnemer 1 O 3656 Positie vaste meetopnemer 2 O 3657 Positie kalibratiering O 3755 Positie vaste meetopnemer 1 O 3756 Positie vaste meetopnemer 2 O 3757 Positie kalibratiering O 3855 Positie vaste meetopnemer 1 O 3856 Positie vaste meetopnemer 2 O 3857 Positie kalibratiering O 3955 Positie vaste meetopnemer 1 O 3956 Positie vaste meetopnemer 2 O 3957 Positie kalibratiering O 4055 Positie vaste meetopnemer 1 O 4056 Positie vaste meetopnemer 2 O 4057 Positie kalibratiering O 4155 Positie vaste meetopnemer 1 O 4156 Positie vaste meetopnemer 2 O 4157 Positie kalibratiering O 4255 Positie vaste meetopnemer 1 O 4256 Positie vaste meetopnemer 2 O 4257 Positie kalibratiering O 478 Heidenhain 26-9-2002
ALGEMEEN 34.3 Aansluitkabel voor data-interfaces De klant moet ervoor zorgen dat er een externe interfacekabel met afscherming aan beide uiteinden wordt gebruikt. Wanneer er een interfaceverdeler (T-Switch) met schakelaar wordt toegepast, mogen de bedrijfsmassa (signal ground) en de afscherming niet geschakeld zijn. Een mechanische omschakeling is slechts op de signaalleidingen toegestaan. Wanneer er problemen met de data-interface optreden, moet er op de volgende punten worden gecontroleerd: Wordt er een afgeschermde kabel gebruikt? Is de datalijn niet langer dan 15 meter? Is de PC op de contactdoos van de machine aangesloten? 34.4 Instellen van Ethernet-interface Let op: Laat de MillPlus door een netwerkspecialist configureren. De MillPlus is voorzien van een Ethernet-interface, om de besturing als Client in uw netwerk te integreren. De MillPlus geeft via de Ethernet-interface gegevens door met gebruikmaking van de TCP/IP-protocollen (Transmission Control Protocol/Internet Protocol) en met behulp van het NFS (Network File System). TCP/IP en NFS zijn vooral in UNIX-systemen opgenomen, zodat u de MillPlus meestal zonder extra software in een UNIX-omgeving kunt integreren. In een PC-omgeving met besturingssystemen van Microsoft wordt bij de koppeling eveneens gebruik gemaakt van TCP/IP, echter niet van NFS. Daarom heeft u aanvullende software nodig om de MillPlus in een PC-netwerk te integreren. NFS Client is in de CNC met de volgende netwerksoftware getest: Besturingssysteem Windows NT 4.0 Netwerksoftware Diskshare NFS server for Windows NT, versie 03.02.00.07 (Intergraph, website: www.intergraph.com). Maestro NFS server for Windows NT, versie 6.10 (Hummingbird Communications, website: http:\\www.hummingbird.com). e-mail: support@hummingbird.com Windows 95 Solstice NFS server, een component uit Solstice Network Client for Windows package, versie 3.1 (Sun Microsystems, website: www.sun.com). Windows 95/98, NT4.0 Omni-NFS server, (Xlink Technologies Inc., web site: http:\\www.xlink.com). 34.4.1 Aansluitmogelijkheden Ethernet-interface CimcoNFS server, (CIMCO Integration, web site: http:\\www.cimco.dk). U kunt de Ethernet-interface van de MillPlus via de RJ45-aansluiting (10BaseT) in uw netwerk opnemen. De aansluiting is galvanisch van de besturingselektronica gescheiden. RJ45-aansluiting (10BaseT) Bij de 10BaseT-aansluiting dient u gebruik te maken van "twisted-pair"-kabels, om de MillPlus op uw netwerk aan te sluiten. De kabellengte tussen de MillPlus en een knooppunt bedraagt voor afgeschermde kabels maximaal 400 m. Let op: Als u de MillPlus rechtstreeks op een PC aansluit, moet u een gekruiste kabel gebruiken. 26-9-2002 MillPlus IT V510 479
ALGEMEEN 34.4.2 Aansluitkabel voor Ethernet-interface Tx+ Tx- Rx+ Rx- Ethernet-interface RJ45-aansluiting Maximale kabellengte afgeschermd Maximale transmissiesnelheid Pin 1 2 3 6 Connector Shell Screen : 400 m :200 kbaud tot 1 MBaud Pin 1 2 3 6 Connector Shell CBL_14 Signal Pen Signaalaanduiding 1 TX+ Transmit Data 2 TX Transmit Data 3 REC+ Receive Data 4 vrij 5 vrij 6 REC Receive Data 7 vrij 8 vrij Voorkant van stekker 8 7 6 5 4 3 2 1 De interface zorgt voor een "veilige scheiding van het net" conform IEC 742 EN 50 178. 34.4.3 MillPlus Ethernet-interface configureren (bestand tcpip.cfg Let op: Laat de MillPlus door een netwerkspecialist configureren. Instellen van machineconstante: Mc311=0 DNC plus (0=uit,aan=??????) Mc313=wachtwoord NFS Server (0=uit,aan=??????)??????=wachtwoord De dataverbinding kan met behulp van het bestand tcpip.cfg worden geconfigureerd. Het bestand tcpip.cfg moet altijd op de harde schijf C:\ staan. Er kunnen maximaal één lokale, vier hardware-, één service-, tien nfs-serverinstellingen en tien dnc-serverinstellingen worden vastgelegd en beheerd. De taal is altijd Engels. Het bestand tcpip.cfg kan in het "HEIDENHAIN NUMERIC Service Menu" worden gewijzigd. Het service-menu kan tijdens het initialiseren van het CNC-systeem door middel van de S-toets op het ASCII-toetsenbord worden geactiveerd. Kies via de "TCP/IP configuration" de tcpip.cfg-editor. Een regel mag uit maximaal 128 karakters bestaan. Hoofd- of kleine letters hebben geen invloed op de juistheid van de ingevoerde tekst. Commentaar wordt in deze regel met een puntkomma ; aangeduid. Segmenten van de configuratie kunnen worden herhaald. Een segment wordt door een naam tussen vierkante haakjes gedefinieerd. [ naam ] 480 Heidenhain 26-9-2002
ALGEMEEN Hardware-segment Dit wordt aangeduid door middel van de segmentnaam [hardware] aangeduid en beschrijft de parameterwaarden van de netwerkeenheid. Het configuratiebestand kan meerdere hardwaresegmenten bevatten voor het instellen van meerdere netwerkeenheden. Het 'local'-segment bepaalt welke netwerkeenheid wordt gebruikt. Parameter Betekenis Type = <device name> Naam van netwerkeenheid bijv. SMC, NE2000, i8255x of ATlantic i0 = <irq number> Met de parameters i0 t/m i3 wordt de toewijzing van de vier i1 = <irq number> interrupt-uitgangen van de netwerkeenheid aan de IRQ-lijnen i2 = <irq number> van de CPU vastgelegd. Dit wordt bepaald door de CNChardware. i3 = <irq number> Zie "Voorbeeld van een tcpip.cfg-bestand". Irq = <irq number> Bepaalt welke IRQ de driver-software gebruikt. Dit nummer moet een van de door middel van i0 t/m i3 vastgelegde nummers zijn. Iobase = <iobase address> Instellen van het I/O base-adres van de netwerkeenheid. Local-segment [local] bevat de lokale parameterwaarden voor het TCP/IP-dataverbindingsprotocol. Er mag slechts één local-segment voorkomen. Parameter Betekenis Type = <device name> Definieert de in de CNC aanwezige netwerkeenheid. De naam van de eenheid moet overeenkomen met de naam van de eenheid die in een van de hardware-segmenten onder type_parameter is vastgelegd. Connector = 10baseT 10base2 Definieert de toegepaste aansluiting, 10BaseT (RJ45) of 10Base2 (BNC). HostName = < network name> Naam waarmee de MillPlus zich bij het netwerk aanmeldt. Netwerknaam: er mogen niet meer dan 17 letters worden gebruikt. Als u geen naam ingeeft, gebruikt de MillPlus de nul-verificatie in plaats van de normale Unix-verificatie en de parameters UserId, GroupID, DirCreateMode en FileCreateMode worden genegeerd. IpAddress = <IP address> Adres dat uw netwerkbeheerder aan de MillPlus moet toekennen. Invoer: vier door een punt gescheiden decimale cijfercombinaties (0-255). Waarde bij de netwerkbeheerder opvragen, bijv. 192.168.0.17. SubnetMask = <IP address mask> Het Subnet-masker dat in uw netwerk voor het beperken van het aantal adressen wordt gebruikt. Definieert hoeveel bits voor het stationidentificatienr. worden gebruikt. Zo definieert 255.255.255.0 vierentwintig bits voor het Subnet-nummer en acht bits voor het stationidentificatienr. De waarde bij de netwerkbeheerder opvragen. DefaultRouter = < Router addr> Internet-adres van uw default-router. Alleen invoeren, wanneer uw netwerk uit meerdere sub-netten bestaat. Invoer: vier door een punt gescheiden decimale karakters. De waarde bij de netwerkbeheerder opvragen. Definieer 0.0.0.0, als er geen router aanwezig is. Protocol = rfc ieee Definitie van het transmissieprotocol. rfc: Ethernet-protocol conform RFC 894 ieee: IEEE 802.2/802.3 protocol, conform RFC 1042. De standaardwaarde is 'rfc'. Timezone = <time zone> De tijdparameter van de via NFS aangesproken bestanden wordt weergegeven in UTC (Universal Time Coding), in de regel aangeduid met GMT (Greenwich Mean Time). De parameter timezone geeft het verschil aan tussen de plaatselijke tijd en UTC, bijvoorbeeld in Frankfurt is de plaatselijke tijd UTC+1 (uur), dus timezone = -1. De standaardwaarde is -1. DncPort = <port number> Geeft het poortnummer voor de DNC-modus aan voor zowel Mill Plus CNC- als DNC-bedrijf van een afstandsbediend systeem. Default port number = 19000 SummerTime = y n De parameter SummerTime bepaalt of er automatisch van zomer- naar winterijd en van winter- naar zomertijd wordt omgeschakeld. De standaardwaarde is y. NFS-server-segment [NFS-server] duidt het remote-segment aan. Dit segment bevat de NFS-server-parameterwaarden voor de toegepaste NFS-server. Het configuratiebestand kan meerdere NFS-server-segmenten bevatten voor het instellen van meerdere NFS-servers. 26-9-2002 MillPlus IT V510 481
ALGEMEEN Parameter Betekenis IpAddress = <IP address> Definieert het IP-adres van uw server. Invoer: vier door een punt gescheiden decimale cijfercombinaties. De waarde bij de netwerkbeheerder opvragen, bijv. 192.168.0.1. DeviceName = <server name> De naam van de NFS-server zoals aangegeven in het bestandsbeheer van de MillPlus, bijv. Server_NT1. RootPath = <Path name> Directory van de NFS-server die u op de MillPlus wilt aansluiten. De MillPlus heeft uitsluitend toegang tot deze directory met subdirectories. Let bij het aangeven van het pad s.v.p. op hoofd- en kleine letters. TimeOut = <Timeout in ms> Tijd in ms waarna de MillPlus een niet door de server beantwoorde Remote Procedure Call herhaalt. Invoerbereik: 0 tot 100 000. De waarde '0' komt overeen met een timeout van 700 ms. Hogere waarden alleen gebruiken, wanneer de MillPlus via meerdere routers met de server moet communiceren. Bijvoorbeeld voor Intergraph- en Hummingbird-servers is 1000 ms voldoende, voor een Sun s Solstice-server is een waarde van 5000 ms nodig. De waarde bij de netwerkbeheerder opvragen. rwtimeout = 30 Timeout voor een nieuwe poging van het lezen/schrijven van NFS-bestanden. (De tijd wordt verdubbeld bij elke nieuwe poging van dezelfde record, totdat de timeout-tijd wordt bereikt.) ReadSize = <packet size> Pakketgrootte voor ontvangst van gegevens in bytes. Invoerbereik: 512 tot 4096. Invoer 0: de MillPlus gebruikt de door de server gemelde optimale pakketgrootte. WriteSize = <packet size> De standaardwaarde is 1300. Pakketgrootte voor het verzenden van gegevens in bytes. Invoerbereik: 512 tot 4096. Invoer 0: de MillPlus gebruikt de door de server gemelde optimale pakketgrootte. Defaultwaarde 1300. HardMount = y n Definieert of de MillPlus de Remote Procedure Call zolang moet herhalen, totdat de NFS-server antwoordt. y: steeds herhalen n: niet herhalen y niet gebruiken, wanneer er geen server in het netwerk actief is. AutoMount = y n Definieert of de MillPlus bij het inschakelen automatisch een verbinding met het netwerk moet maken. y: niet automatisch verbinden n: automatisch verbinden UseUnixId = y n Gebruik 'Unix style'-verificatie voor NFS. y: Unix-verificatie, gebruik Userid, GroupId, DirCreateMode en FileCreateMode n: geen verificatie. Userid, GroupId, DirCreateMode en FileCreateMode worden niet gebruikt. De standaardwaarde is y. UserId = <user Id> Gebruikersidentificatie (Unix style) die door NFS voor identificatie van de gebruiker (de CNC) bij de server wordt gebruikt, bijv. 100. De waarde bij de netwerkbeheerder opvragen. GroupId = <group Id> Definieert met welke groepsidentificatie (Unix style) u in het netwerk toegang heeft tot een bestand, bijv. 100. De waarde bij de netwerkbeheerder opvragen. DirCreateMode = <mode> Hier kent u de toegangsrechten tot de directories van de NFSserver toe. De waarde binair gecodeerd invoeren. Bijvoorbeeld: 111101000. 0: geen toegang 1: wel toegang De standaardwaarde is 0777 (waarde in achttallig stelsel). CaseSensitive = y n case sensitive = y ; maakt wel (y) of maakt geen verschil (n) tussen hoofdletters tijdens het zoeken van directory's DncPort = <port number> Geeft het poortnummer voor de DNC-modus aan voor zowel Mill Plus CNC- als DNC-bedrijf van een afstandsbediend systeem. Default port number = 19000 FileCreateMode = <mode> Hier kunt u de toegangsrechten tot de directories van de NFSserver toe. De waarde binair gecodeerd invoeren. Bijvoorbeeld: 111101000. 0: geen toegang 1: toegang toegestaan De standaardwaarde is 0777 (waarde in het achttallig stelsel). 482 Heidenhain 26-9-2002
ALGEMEEN 1 1 1 1 0 1 0 0 0 = 0750 (waarde in achttallig stelsel) Alle andere gebruikers: zoeken Alle andere gebruikers: schrijven Alle andere gebruikers: lezen Werkgroep: zoeken Werkgroep: schrijven Werkgroep: lezen Gebruiker: zoeken Gebruiker: schrijven Gebruiker: lezen DncServer Met [DncServer] wordt een sectie van de remote DNC-server bedoeld. Het bevat de parameterinstellingen van een remote DNC-server. In het configuratiebestand kunnen zich een of meer secties van de remote DNC-server bevinden, om een of meer DNC-servers te definiëren. De remote sectie bevat de volgende parameters: Parameter Betekenis IpAddress = <IP address> Definieert het IP-adres van uw server. Ingave: vier door een punt gescheiden decimaaltekens. Waarde bij de netwerkbeheerder opvragen, b.v. 192.168.0.1 DeviceName = <server name> Naam van de DNC-server zoals vermeld in het bestandsbeheer van de MillPlus, b.v. DMG_Service_1. TimeOut = <Timeout in ms> Geeft de time-out in s aan voor de verbinding tussen de lokale DNC client en remote DNC-server. Wanneer de remote DNCserver zich in het lokale netwerk bevindt, moet de TimeOut op nul worden ingesteld. Geef een andere waarde dan nul in wanneer de toegang tot de remote DNC-server plaatsvindt via een externe verbinding, zoals een ISDN-router. Service Met [Service] wordt een sectie van een remote DNC-server aangegeven. Het bevat de parameterinstellingen voor een remote DNC-server. In het configuratiebestand kunnen zich een of meer secties van de remote DNC-server bevinden, om een of meer DNC-servers te definiëren. De remote sectie bevat de volgende parameters: Parameter Betekenis IpAddress = <IP address> Definieert het IP-adres van uw server. Ingave: vier door een punt gescheiden decimaaltekens. Waarde bij de netwerkbeheerder opvragen, b.v. 192.168.254.3 servername = <server name> Naam van de DNC-server zoals vermeld in het bestandsbeheer van de MillPlus, b.v. DMG_Service_1. port = <Portnummer> Default = 19001 repeattime = <Time in sec.> Default = 10 sec. idletimeout = < Time in min.> Default = 15 min. request = @<File name> of <Ascii b.v. @c:\oem\request.txt. string> 26-9-2002 MillPlus IT V510 483
ALGEMEEN Voorbeeld van een tcpip.cfg-bestand ; TCP/IP configuration file ; More sections of [remote] are allowed --> more NFS servers to choose ; More sections of [hardware] are allowed --> actually used hw is defined in [local] section ; The keywords with an ';" placed in front can be omitted. The value shown is the default ; value ; ;[hardware] ; LE412 HARDWARE ;type = smc ; this hw is an smc network device ;irq = 9 ; irq used by network device driver ;i0 = 9 ; hardware connections of network device to irq's ;i1 = 3 ;i2 = 10 ;i3 = 11 ;iobase = 0x300 ; io base address of network device ; ;[hardware] ; LE422 HARDWARE ;type = i8255x ; this hw is an i8255x network device ;irq = 10 ; irq used by network device driver ;iobase = 0xE400 ; io base address of network device ; [hardware] ; VMEBUS HARDWARE type = at-lantic ; this hw is a ne2000 compatible network device ; note: the VMEbus at/lantic is used in ne2000 compatible mode irq = 5 ; irq used by network device driver i0 = 3 ; hardware connections of network device to irq's i1 = 5 i2 = 9 i3 = 15 iobase = 0x300 0x240 ; io base address of network device ; [hardware] ; dos_shape_pc type = ne2000 ; this hw is a ne2000 compatible network device ; note: the VMEbus at/lantic is used in ne2000 compatible mode irq = 5 ; irq used by network device driver iobase = 0x300 ; io base address of network device ; [local] ; configuration of CNC type = ne2000 ; the type of network device used: ; must match a [hardware] type connector = 10base2 ; 10baseT: RJ45 (twisted pair), 10base2: bnc (coax) hostname = MillPlusshape ; CNC network name, maximum of 17 characters ipaddress = 170.4.100.16 ; internet address of the CNC ==> ask your network subnetmask = 255.255.0.0 ; subnet mask of network ==> administrator for values defaultrouter = 0.0.0.0 ; internet address of default router, 0.0.0.0: no router ; ==> ask your network ; administrator for value ;protocol = rfc ; Link layer protocol used rfc: Ethernet, ieee: IEEE 802 ;timezone = -1 ; + 1 hour of gmt :gmt + tz == local-> gmt=local - tz!! ;summertime = y ; use automatic summertime correction (daylight saving) port = 19000 ; portnumber DNC service ; [nfsserver] ; configuration of a remote server. ; more than one remote sections allowed ipaddress = 170.4.100.140 ; internet address of the server ==> ask your network ; administrator for value devicename = Intergraph ; Server name used inside CNC rootpath = c:\temp ; server directory to be mounted as network drive on CNC ; This must be a shared directory on the NFS server timeout = 50000 ; units in milliseconds for timeout in server connection ; 0..100 000, 0: timeout set to 700 ms ;rwtimeout = 30 ; timeout used for retry at read/write of NFS-files ; (time is doubled for each retry of same packet until timeout) ;readsize = 1300 ; packet size for data reception: 512 to 4096, or 0 = use ; server reported packet size ;writesize = 1300 ; packet size for data transmission ;hardmount = n ; yes/no continue mouting until succesfull ; don't use 'y' if you're uncertain server is running automount = n ; yes/no automatically mount when CNC initialises ;useunixid = y ; use UserId/groupId to identify to the server userid = 100 ; Unix style user id for Authentication ==> ask your network groupid = 100 ; Unix style group id ==> administrator ;dircreatemode = 0777 ; Unix style access right for dir-create: Octal number ;filecreatemode = 0777 ; Unix style access rights for file-create: Octal number ; 484 Heidenhain 26-9-2002
[nfsserver] ; configuration of a remote server. ; more than one remote sections allowed ipaddress = 170.4.100.171 ; internet address of the server ==> ask your network ; administrator for value devicename = Hummingbird ; Server name used inside CNC rootpath = c:\nfs_data ; server directory to be mounted as network drive on CNC ; This must be a shared directory on the NFS server timeout = 1000 ; units in milliseconds for timeout in server connection ; 0..100 000, 0: timeout set to 700 ms ;rwtimeout = 30 ; timeout used for retry at read/write of NFS-files ; (time is doubled for each retry of same packet until timeout) ;readsize = 1300 ; packet size for data reception: 512 to 4096, or 0 = use ; server reported packet size ;writesize = 1300 ; packet size for data transmission ;hardmount = n ; yes/no continue mouting until succesfull ; don't use 'y' if you're uncertain server is running automount = n ; yes/no automatically mount when CNC initialises ;useunixid = y ; use UserId/groupId to identify to the server userid = 100 ; Unix style user id for Authentication ==> ask your network groupid = 100 ; Unix style group id ==> administrator ;dircreatemode = 0777 ; Unix style access right for dir-create: Octal number ;filecreatemode = 0777 ; Unix style access rights for file-create: Octal number ; ; [NFSserver] ; configuration of a remote server. ; more than one remote sections allowed ipaddress = 170.4.100.194 ; internet address of the server ==> ask your network ; administrator for value devicename = Solstice ; Server name used inside CNC rootpath = C:\solstice ; server directory to be mounted as network drive on CNC ; This must be a shared directory on the NFS server timeout = 6000 ; units in milliseconds for timeout in server connection ; 0..100 000, 0: timeout set to 700 ms rwtimeout = 600 ; timeout used for retry at read/write of NFS-files ; (time is doubled for each retry of same packet until timeout) ;readsize = 1300 ; packet size for data reception: 512 to 4096, or 0 = use ; server reported packet size ;writesize = 1300 ; packet size for data transmission ;hardmount = n ; yes/no continue mouting until succesfull ; don't use 'y' if you're uncertain server is running automount = n ; yes/no automatically mount when CNC initialises ;useunixid = y ; use UserId/groupId to identify to the server userid = 100 ; Unix style user id for Authentication ==> ask your network groupid = 100 ; Unix style group id ==> administrator ;dircreatemode = 0777 ; Unix style access right for dir-create: Octal number ;filecreatemode = 0777 ; Unix style access rights for file-create: Octal number ; [NFSserver] ; configuration of a remote server. ; more than one remote sections allowed ipaddress = 170.4.100.143 ; internet address of the server ==> ask your network ; administrator for value devicename = pmesolstice ; Server name used inside CNC rootpath = d:\solstice ; server directory to be mounted as network drive on CNC ; This must be a shared directory on the NFS server timeout = 5000 ; units in milliseconds for timeout in server connection ; 0..100 000, 0: timeout set to 700 ms rwtimeout = 100 ; timeout used for retry at read/write of NFS-files ; (time is doubled for each retry of same packet until timeout) ;readsize = 1300 ; packet size for data reception: 512 to 4096, or 0 = use ; server reported packet size ;writesize = 1300 ; packet size for data transmission ;hardmount = n ; yes/no continue mouting until succesfull ; don't use 'y' if you're uncertain server is running automount = n ; yes/no automatically mount when CNC initialises ;useunixid = y ; use UserId/groupId to identify to the server userid = 100 ; Unix style user id for Authentication ==> ask your network groupid = 100 ; Unix style group id ==> administrator ;dircreatemode = 0777 ; Unix style access right for dir-create: Octal number ;filecreatemode = 0777 ; Unix style access rights for file-create: Octal number ; [dncserver] servername = Teleservice ; alias name for this server (PME-pc) ipaddress = 170.4.100.143 ; its ip address ;timeout = 1000 ; timeout in connection ;port = 19000 ; port number for dnc services ALGEMEEN 26-9-2002 MillPlus IT V510 485
ALGEMEEN [Service] ; (MAHO) service centre servername = "Maho Service" ; alias name for this service ipaddress = 170.4.100.140 ; its ip address request = "here I am" ; @filename/tekst to identify yourself ;IdleTimeOut = 15 ; disconnect after.. minutes ;port = 19001 ; port number for service ;repeattime = 10 ; repeat time in seconds to connect ; ; end of file 486 Heidenhain 26-9-2002