Zitting 1964-1965-7800 3 RIJKSBEGROTING VOOR HET DIENSTJAAR 1965 HOOFDSTUK IXA - NATIONALE SCHULD MEMORIE VAN TOELICHTING NR. 2 Algemeen Een vergelijking van de ramingen voor het dienstjaar 1965 met die voor het dienstjaar 1964 vertoont het volgende beeld: Gewone Dienst Totale raming voor 1964 ƒ 795 559 400 Totale raming voor 1965 871 903 000 Meer voor 1965 ƒ 76 343 600 Buitengewone Dienst Totale raming voor 1964 ƒ 443 063 000 Totale raming voor 1965 492 794 000 Meer voor 1965 ƒ 49 731000 De vermeerdering van de gewone dienst met rond f 76,3 min. vloeit voort uit een hogere raming voor: (in min.) rente en kosten gevestigde schuld ƒ 55,2 rente en kosten van vlottende schuld 6,4 overige rentelasten 4,7 overige uitgaven 10,0 Per saldo meer voor 1965 ƒ 76,3 De vermeerdering van de buitengewone dienst met rond f 49,7 min. vloeit voort uit een hogere raming voor de aflossing van: (in min.) de binnenlandse gevestigde schuld ƒ 47,0 de buitenlandse gevestigde schuld 2,7 Per saldo meer voor 1965 ƒ 49,7 Daarentegen ondergaat de gevestigde schuld een daling door de aflossing van de 3 pet. lening per 1962 64, de periodiek op de Staatsschuld plaatsvindende verplichte aflossingen en inkopen, alsmede door het in betaling geven van binnenlandse schuld ter voldoening van belastingaanslagen, tengevolge waarvan, mede in aanmerking genomen de koersverschillen van de onderscheidene valuta, voor 1965 voor rente op de gevestigde binnenlandse schuld f21,2 min. en voor rente op de gevestigde buitenlandse schuld f 1,3 min. minder behoeft te worden uitgetrokken dan voor het jaar 1964. Afdeling II. Rente en kosten van vlottende schuld Het bedrag dat in 1965 gemiddeld aan schatkistpapier zal uitstaan, is geraamd op f3700 min. tegenover f4100 min. in 1964. Daarbij is erop gerekend dat in 1965 tijdelijke financieringen van kastekorten met schatkistpapicr zullen plaatsvinden. Als gemiddeld rentepercentage, dat naar raming over het ukstaand schatkistpapier in 1965 zal moeten worden betaald, is aangenomen 3i, tegen 2J voor 1964. Tengevolge van de hoger geraamde gemiddelde rente enerzijds en het lager geraamde gemiddeld uitstaande bedrag aan schatkistpapier anderzijds is voor 1965 aan rente op genoemde schuld f 12,5 min. meer uitgetrokken dan voor 1964. Voorts is de rente verschuldigd over het zich in 's Rijks schatkist bevindende tegoed van rijksfondsen f9 min. en de rente over de in 's Rijks schatkist aanwezige gelden van Staatsbedrijven f 0,1 min. lager geraamd. Daarentegen is de rente in 1965 verschuldigd aan het Gemeentefonds wegens de over afgesloten dienstjaren gevormde reserve van dat fonds f 3 min. hoger geraamd. Bij deze raming is uitgegaan van een reserve van rond f 5S0 min. terwijl op grond van artikel 14 der Financiële Verhoudingswet 1961 het te vergoeden rentepercentage is aangenomen op 3,79. Afdeling III. Overige rentelasten Voornamelijk tengevolge van de reserveringen door het Staatsbedrijf der PTT en de Staatsmijnen is de rentelast f 4,7 min. hoger geraamd dan in 1964. Afdeling IV. Overige uitgaven GEWONE DIENST Afdeling I. Gevestigde schuld Na de indiening van de begroting voor het dienstjaar 1964 heeft de uitgifte plaats gevonden van de 41 pet. lening 1963, de 4ï pet. onderhandse lening 1963, de 4i pet. lening 1964, de 5 pet. lening 1964, de 5 pet. onderhandse lening 1964 en de 5i pet. lening 1964. Uit voornoemde leningen vloeit voor de gevestigde binnenlandse schuld in 1965 een nieuwe rentelast voort van f77,7 min. De stijging van de bijdrage aan de Buitengewone Dienst ten bedrage van de afschrijvingen op de activa van de Staat met f 10 min. ten opzichte van 1964 is veroorzaakt door nieuwe investeringen en door waardestijging der activa als gevolg van herwaardering in verband met verhoging der prijsindexcijfers. BUITENGEWONE DIENST Afdeling I. Gevestigde schuld Als nieuwe binnenlandse verplichtingen zijn opgenomen de aflossingsverplichtingen van de 4j pet. lening 1963, de 41 pet.
4 onderhandse lening 1963, de 4\ pet. lening 1964, de 5 pet. lening 1964 en de 5 pet. onderhandse lening 1964, welke voor 1965 f 60,9 min. belopen. Daarentegen is voornamelijk tengevolje van de wisselende aflossingspercentages van verscheidene binnenlandse leningen uit dezen hoofde in 1965 f 3,9 min. mind;r aan aflossing verschuldigd, terwijl bovendien tengevolge van de verhoogde bijdrage van de gewone dienst f 10 min. minder is benodigd dan voor 1964. Wat betreft de buitenlandse schuld is voor 1965 f 2,7 min. meer uitgetrokken dan voor 1964. Deze stijging is voor f 1,4 min. het gevolg van de op grond van het aflossingsplan van de lening aangegaan met de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling verschuldigde aflossing. Voorts is tegen de verwachting in het restant van de Lend- Lease schuld nog niet door de Amerikaanse Regering ingevolge artikel 7 A van de Lend-Lease overeenkomst opgenomen. Dientengevolge is voor 1965 aan periodieke aflossing op deze schuld uitgetrokken een bedrag van f 1,3 min. De aan de ramingen ten grondslag liggende berekeningen worden hieronder, waar nodig, artikelsgewijs toegelicht. Titel A. Gewone Dienst AFDELING I. GEVESTIGDE SCHULD Onderafdeling I. RENTE EN OVERIGE KOSTEN Paragraaf 1. Binnenland Artikel 1. Rente en kosten van Gevestigde Schuld. 1. Bedrag der 21% Nationale Schuld op 1 juli 1965 en 1 januari 1966 ƒ199 748 000 Rente a 2\% ƒ 4 993 700 2. Bedrag der 3 % Nationale Schuld op 1 maart en 1 september 1965 ƒ116 387 200 Rente a 3 % ƒ 3 491 700 3. Bedrag der 3 % Nationale Schuld op 1 juni en 1 december 1965 ƒ 33 941 550 Rente a 3 % ƒ 1 188 000 4. Bedrag der 31 % onderhandse annuïtcitenlening 1926 op 1 oktober 1965 ƒ 384 160 Rente a 31% ƒ 13 500 5. Bedrag der 3 % lening 1937 op 1 juli 1965 ƒ175 178 400 1 januari 1966 166 678 400 Rente a 3% ƒ 5 127 900 6. Bedrag der 3 % Grootboekschuld 1946 op 1 mei en 1 november 1965 ƒ560 559 000 Rente a 3% ƒ 16 816 800 7. Gemiddeld uitstaand bedrag in 1965 der 3-3\% lening 1947 ƒ1562200000 Rente a3j-% ƒ 54 677 000 8. Bedrag der 3-3 i% onderhandse lening 1947 op 1 april 1965 ƒ 69 460 000 1 oktober 1965 ƒ 66 440 000 Rente a 31% ƒ 2 378 300 9. Bedrag der 3% Nederlandse Staatslening 1947, luidende in dollars,op 1 mei 1965 $ 32 973 278 1 november 1965.... 30 036 956 Rente a 3% $ 945 154 a ƒ3,62 = ƒ 3 421500 10. Bedrag der 3 % Investeringscertifïcaten op 1 juli 1965 en 1 januari 1966 ƒ198 820 100 Rente a 3 % f 5 964 700 11. Bedrag der 3 \ % lening 1948 op ljuni 1965 ƒ325 161 400 1 december 1965 ƒ319 757 000 Rente a 31 % (in aanmerking nemende dat op de kleine coupures de rente jaarlijks wordt uitbetaald) ƒ 10 480 400 12. Bedrag der 31% Beleggingscertificaten op 1 april 1965 ƒ 12 397 800 1 oktober 1965 ƒ 12 265 900 Rente a 31% (in aanmerking nemende dat op de kleine coupures de rente jaarlijks wordt uitbetaald) ƒ 401 100 13. Bedrag der 31% onderhandse lening 1949 op 1 mei en 1 november 1965 ƒ412 500 000 Rente a 31% ƒ 13 406 300 14. Bedrag der 3}% lening 1950 I op 15 maart 1965 ƒ 170 237 600 Rente a 31% ƒ 5 532 800 15. Bedrag der 31 % lening 1950II op 15 maart 1965 ƒ367 078 000 Rente a 3-1% ƒ 11930 100 16. Bedrag der 31% onderhandse lening 1950 op lmei 1965 ƒ 19 543 700 1 november 1965 ƒ 19 188 300 Rente a 31% ƒ 629 400 17. Bedrag der 22 % Belastingcertificaten op 15 februari 1965 ƒ 2 133 000 Rente a 2 % ƒ 58 700 18. Bedrag der 3i% lening 1951 op 1 april 1965 ƒ125 366 800 1 oktober 1965 ƒ117 407 000 Rente a 31% ƒ 4 248 600 19. Bedrag der 4% onderhandse lening 1951 op 16 januari en 16 juli 1965 ƒ278 165 160 Rente a 4% ƒ 11126 700 20. Bedrag der 4% onderhandse lening per 1976 op 16 juli 1965 ƒ 16 900 000 Rente a 4% ƒ 676 000 21. Bedrag der 4% onderhandse lening per 1976 II op 2 december 1965 ƒ 120 000 Rente a 4% ƒ 4 800
22. Bedrag der 4% onderhandse lening per 1977 op 1 februari 1965 ƒ 160 000 Rente a 4% ƒ 6 400 23. Bedrag der 4% onderhandse lening per 1977 II op 1 maart 1965 ƒ 10 000 Rente a 4% ƒ 400 24. Bedrag der 4% onderhandse lening per 1977 III op 1 november 1965.. ƒ 70 000 Rente a 4% ƒ 2 800 25. Bedrag der 3f% lening 1953 op 1 april 1965 ƒ143 506 500 1 oktober 1965 ƒ138 558 000 Rente a3f% ƒ 5 288 800 26. Bedrag der 1\% lening 1953 I op 1 maart en 1 september 1965 ƒ247 792 000 Rente a 3*% ƒ 8 672 800 27. Bedrag der 31% lening 1953 II op 1 maart en 1 september 1965 ƒ 88 200 000 Rente a 31% ƒ 3 087 000 28. Bedrag der 31% onderhandse lening 1954 op 1 februari 1965 ƒ 56 240 000 Rente a 31% ƒ 1968 400 29. Bedrag der 31% lening 1954 I op 15 februari 1965 ƒ222 193 000 15 augustus 1965 ƒ214 786 500 Rente a 31% ƒ 7 101000 30. Bedrag der 31% lening 1954 II op 15 februari 1965 ƒ112 500000 15 augustus 1965 ƒ108 750 000 Rente a3j-% ƒ 3 595 400 31. Bedrag der 2f % Schatkistcertificaten op 1 maart en 1 september 1965 ƒ398 400 000 Rente a2j% ƒ 11454 000 32. Bedrag der 3}% lening 1955 op 1 februari 1965 ƒ463 156 000 1 augustus 1965 ƒ448 215 000 Rente a 31% ƒ 14 809 800 33. Bedrag der 31% lening 1955 II op 15 april en 15 oktober 1965 ƒ174 214000 Rente a 31% ƒ 5 662 000 34. Bedrag der 3i% lening 1956 op 1 mei 1965 ƒ286 183 000 1 november 1965 ƒ274 422 000 Rente a 31% ƒ 9 810 600 35. Bedrag der 4 -% lening 1958 op 1 december 1965 ƒ182 260 800 Rente a 41% ƒ 8 201800 36. Bedrag der 41% onderhandse lening 1958 op 1 december 1965 ƒ152 000 000 Rente a 41% ƒ 6 840 000 37. Bedrag der 41% lening 1959 op 16 februari 1965 ƒ327 763 500 Rente a 41% ƒ 14 749 400 38. Bedrag der 41% lening 1959 op 1 juli 1965 ƒ933 823 600 Rente a 41% ƒ 39 687 600 39. Bedrag der 41% lening 1960 op 1 maart 1965 ƒ250 658 700 Rente a4i% ƒ 11279 700 40. Bedrag der 41-% onderhandse lening 1960 op 1 maart 1965 ƒ168 000 000 Rente a 41% ƒ 7 560 000 41. Bedrag der 4J% lening 1960 II op 1 juni 1965 ƒ258 879 800 Rente a 41% ƒ 11 649 600 42. Bedrag der 41% lening 1960 op 1 december 1965 ƒ299 103 100 Rente a 41% ƒ 12 711900 43. Bedrag der 4 % onderhandse lening 1960 op 1 december 1965 ƒ174 000 000 Rente a 41% ƒ 7 395 000 44. Bedrag der 41 % lening 1961 op 1 maart 1965 ƒ312 059 700 Rente a 41% ƒ 13 262 600 45. Bedrag der 4% lening 1961 op 15 augustus 1965 ƒ258 937 500 Rente a 4% ƒ 10 357 500 46. Bedrag der 3\ % Schatkistcertificaten op 1 maart en 1 september 1965 ƒ398 400 000 Rente a 3 % ƒ 14 940 000 47. Bedrag der 4% lening 1962 op 15 maart 1965 ƒ269 307 600 Rente a 4% ƒ 10 772 400 48. Bedrag der 4% onderhandse lening 1962 op 1 april 1965 ƒ325 500 000 Rente a 4% ƒ 13 020 000 49. Bedrag der 41% lening 1963 op 1 maart 1965. ƒ287 242 200 Rente a 41% ƒ 12 207 800 50. Bedrag der 4J% onderhandse lening 1963 op 1 april 1965 ƒ291000 000 Rente a 41% ƒ 12 367 500 51. Bedrag der 41 % lening 1963 II op 1 juni 1965. ƒ289 040 600 Rente a 41% ƒ 12 284 300
6 52. Bedrag der 3 % Schatkistcertificaten 1964 op 1 maarten 1 september 1965 ƒ403 200 000 Rente a3 % ƒ 15 120 000 53. Bedrag der 4i% lening 1963 op 15 november 1965 ƒ388 000 000 Rente a4i% ƒ 17 460 000 54. Bedrag der 4i% onderhandse lening 1963 op 2 december 1965 ƒ291000 000 Rente a4 % ƒ 13 095 000 55. Bedrag der 4 % lening 1964 op 15 april 1965.ƒ148 832 600 Rente a 41% ƒ 6 697 500 56. Bedrag der 5% lening 1964 op 15 april 1965..ƒ400 000 000 Rente a 5% ƒ 20 000 000 57. Bedrag der 5% onderhandse lening 1964 op 15 mei 1965 ƒ200 000 000 Rente a 5% ƒ 10 000 000 58. Bedrag der 5i% lening 1964 op 1 augustus 1965 ƒ200 000 000 Rente a 5J% ƒ 10500000 59. Naar raming zal in 1965 verschuldigd zijn wegens papier, drukkosten, formulieren e.d ƒ 100 000 Totaal rente en kosten ƒ540 287 000 60. Bij de voormelde berekeningen is uitgegaan van de stand der Staatsschuld op 1 januari 1964, verminderd met de in 1964 en 1965 verplichte aflossingen. Geen rekening is gehouden met de vermindering van de Staatsschuld door het in betaling geven ervan ter voldoening van belastingaanslagen, alsmede door amortisatie van deze schuld krachtens de wet van 9 november 1950 (Stb. K 494). Hierdoor zullen naar raming de renteverplichtingen in 1965 verminderen met.. ƒ 787 000 zodat wordt uitgetrokken ƒ539 500 000 Paragraaf 2. Buitenland Artikel 2. Rente en kosten van Gevestigde Schuld. 1. Krediet, groot Can. $ 25 000 000, afgesloten met de Canadese Regering dd. 1 mei 1945, verhoogd dd. 5 februari 1946 tot Can. $ 125 000 000; per 30 april 1948 geconsolideerd Can. $ 123 949 275,97. Rente per 30 april 1965: 3 % van Can. $ 4 590 000 3i% van Can. S 27 540 000 Can. $ Can. S 137 700 895 050 Can. $ 1 032 750 ƒ 3 458 200 2. Lening, groot $ 195 000 000, aangegaan met de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling dd. 7 augustus 1947. Rente a 3è% per 1 april 1965: van $ 17 495 000 $ 284 294 vanb.frs. 4 151 500 B.frs. 67 462 Rente a 31 % per 1 oktober 1965: van $11 757 000 $ 191 051 van B.frs. 2 794 800 B.frs. 45 448 / 1814 900 3. Schuld voortvloeiende uit de Lend-Lease overeenkomst, afgesloten met de Regering der Verenigde Staten van Amerika dd. 28 mei 1947. Uitstaand bedrag op 1 juli 1965 $ 1773 530 Rente a 2% $37 970 ƒ 137 500 4. Economie Cooperation Act-lening (E.C.A.), groot $ 129 500 000, afgesloten met de Export-Import Bank te Washington dd. 28 oktober 1948. Uitstaand bedrag op: 30 juni 1965 en 31 december 1965 $ 65 520 973 Rente a 2\% $ 1 638 025 ƒ 5 929 700 AFDELING II. RENTE EN KOSTEN VAN VLOTTENDE SCHULD Onderafdeling I. BINNENLAND Artikel 3. Rente en kosten van schatkistpapier en van gelden in rekening-courant met 's Rijks schatkist. 1. Daar het niet mogelijk is reeds ten tijde van de indiening van de begroting voor het dienstjaar 1965 rekening te houden met alle factoren, welke van invloed zullen zijn op het beloop van de vlottende schuld in dat begrotingsjaar, kan slechts een globale raming worden ontworpen van de wegens uitstaand schatkistpapier in 1965 verschuldigde rente. Naar raming zal in 1965 gemiddeld aan schatkistpapier uitstaan een bedrag van ca. ƒ 3700 miljoen. Voor 1965 een gemiddelde rente aannemende van 3J%, zal op voornoemd papier aan rente verschuldigd zijn een bedrag van ƒ 129,5 miljoen 2. De rente verschuldigd over de gelden van rijksfondsen gestort in 's Rijks kas zal in 1965 naar raming bedragen ƒ 43 miljoen 3. Door de verwachte vermindering van de in 's Rijks schatkist aanwezige gelden van Staatsbedrijven is de daarover verschuldigde rente ƒ 80 000 lager geraamd. Artikel 4. Rentevergoeding aan het Gemeentefonds wegens de over afgesloten dienstjaren gevormde reserve van dat fonds. De raming van het artikel is gebaseerd op een over afgesloten dienstjaren gevormde reserve van rond ƒ 580 miljoen bij een rentepercentage van 3,79. AFDELING III. OVERIGE RENTELASTEN Artikel 5. Het gemiddelde bedrag aan reserves van staatsbedrijven, waarover in 1965 door 's Rijks schatkist rente moet worden vergoed, wordt geraamd op rond ƒ404 miljoen. Artikel 6. Rente aan oorlogsschadegerechtigden. 1. Sinds 1 januari 1962 zijn alle nog in het Grootboek voor de Wederopbouw staande inschrijvingen B renteloos. Evenwel moet voor het dienstjaar 1965 nog rekening worden gehouden met een aantal nakomende gevallen, waarvoor bij inschrijving de rente vanaf de datum van de toebrenging van de schade moet worden betaald. Als stelpost hiervoor is een bedrag van ƒ 50 000 opgenomen. 2. Op 1 januari 1966 zal naar raming aan opbouwobligaties uitstaan een bedrag van ƒ 1 183 900 2 % rente hierover bedraagt ƒ 29 600 afgerond op ƒ 30 000
7 AFDELING IV. OVERIGE UITGAVEN Artikel 8. Bijdrage aan de Buitengewone Dienst. De stijging van deze post ten opzichte van de begroting 1964 is veroorzaakt door nieuwe investeringen en door waardestijging der activa als gevolg van herwaardering in verband met verhoging der prijsindexcijfers. Titel B. Buitengewone Dienst AFDELING I. GEVESTIGDE SCHULD Onderafdeling II. AMORTISATIE Paragraaf]. Binnenland Artikel 11. Amortisatie van Gevestigde Schuld. 1. Voor de inkoop, tot ten hoogste de parikoers van gevestigde Nationale Schuld ingevolge de wet van 9 november 1950 (Stb. K 494) is wederom een bedrag uitgetrokken van ƒ 20 000 000 2. De 3i % onderhandse annuïteitenlening 1926 wordt gedelgd in jaarlijkse termijnen. De laatste termijn vervalt in 1972. Ingevolge het aflossingsschema wordt voor 1965 voor aflossing geraamd ƒ 42 500 3. De delging van de 3 % lening 1937 vindt plaats door jaarlijkse aflossing op 1 juli van ten minste 0,886% van het uitgegeven bedrag der lening, verhoogd met het bedrag van de door de verplichte aflossing vrijgevallen rente. Dientengevolge beloopt de raming voor 1965 0,886% van ƒ429 543 700 ƒ 3 805 757 Verhoogd met 3 % van ƒ 154 930 971 4 647 929 ƒ 8 453 686 Afgerond op een vijftigduizendvoud ƒ 8 500 000 4. Op 1 november 1965 zal van de 3% Grootboekschuld 1946 4/69e deel van het per 1 oktober daaraan voorafgaande uitstaande bedrag dezer schuld worden afgelost. Het op 1 oktober 1965 uitstaande bedrag wordt geraamd op ƒ560 559 000 Voor 1965 wordt voor aflossing uitgetrokken.. ƒ 32 496 200 5. De 3-3 % lening 1947 wordt, behalve door voldoening van aanslagen in de Vermogensaanwasbelasting en de Vermogensheffing, gedelgd door inkoop ter beurze tot maximaal 2i% per jaar van het op 1 januari van elk jaar uitstaande bedrag der lening, ingeval en voor zover de beurskoers te Amsterdam daalt beneden 97 %. Aangezien thans niet valt te voorzien hoe de koers zich in 1965 zal ontwikkelen is zekerheidshalve voor 1965 voor aflossing uitgetrokken het maximale bedrag: 2i% van ƒ 1 567 001 500 ƒ 39 175 100 6. De 3-3 2% onderhandse lening 1947 wordt gedelgd in jaarlijkse termijnen, elk groot ƒ 3 020 000 7. De 3% lening 1947, luidende in dollars, wordt gedelgd in 10 jaarlijkse termijnen van 1 % en daarna in 30 jaarlijkse termijnen van 3% van het geplaatste bedrag der lening. Het geplaatste bedrag is groot $ 97 877 400. Voor 1965 wordt voor aflossing uitgetrokken $2 936 322 a ƒ 3,62 ƒ 10 629 500 8. De 31% lening 1948 wordt aanvangende 1 juni 1959 gedelgd in 10 jaarlijkse termijnen van li%, 10 jaarlijkse termijnen van 2%, 10 jaarlijkse termijnen van 3 % en 10 jaarlijkse termijnen van 3*%. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 5 404 400 9. De 3% Investeringscertificaten worden, behalve door voldoening van aanslagen in de Vermogensaanwasbelasting en de Vermogensheffing, gedelgd door voldoening van die belastingaanslagen, welke met geblokkeerd tegoed kunnen worden voldaan. Bovendien zal, aanvangende 1 januari 1959, deze schuld worden afgelost in 10 jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 66 273 400 10. De 31% Beleggingscertificaten worden, behalve door voldoening van aanslagen in de Vermogensaanwasbelasting en de Vermogensheffing, gedelgd door voldoening van die belastingaanslagen, welke met geblokkeerd tegoed kunnen worden voldaan. Bovendien zal, aanvangende 1 april 1959, jaarlijks op deze schuld worden afgelost en wel in 10 jaarlijkse termijnen van 1%, 10 jaarlijkse termijnen van 2%, 10 jaarlijkse termijnen van 3% en 10 jaarlijkse termijnen van 4%. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 131 900 11. De 31% onderhandse lening 1949 wordt gedelgd in 10jaarlijkse termijnen van 1 %, 10 jaarlijkse termijnen van 11% en 30 jaarlijkse termijnen van 24%. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 7 500 000 12. De 3 % lening 1950 I wordt gedelgd in 15 jaarlijkse termijnen van 1 %, 10 jaarlijkse termijnen van H%, 5 jaarlijkse termijnen van 3% en 10 jaarlijkse termijnen van 5 %. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 1979 600 13. De 31% lening 1950 II wordt op overeenkomstige wijze gedelgd als de 31% lening 19501. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 4 269 000 14. De 31%onderhandseleningl950wordt gedelgd in lojaarlijkse termijnen van 1 %, lojaarlijkse termijnen van \\% en 30jaarlijkse termijnen van 21%. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 355 400 15. De 2 % Belastingcertificaten worden gedelgd door voldoening van aanslagen in de vermogensbelasting, de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting. Aangezien niet is te voorzien tot welk beloop belastingcertificaten tot laatstgenoemd doel zullen worden aangewend, wordt dit onderdeel uitgetrokken voor Memorie 16. De 31% lening 1951 wordt gedelgd in 5 jaarlijkse termijnen van 2%, 5 jaarlijkse termijnen van 3 %, 5 jaarlijkse termijnen van 4%, 5 jaarlijkse termijnen van 5 % en 5 jaarlijkse termijnen van 6%. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 7 959 800 17. De 4% onderhandse lening 1951 wordt aanvangende 16 juli 1962 gedelgd in 5 jaarlijkse termijnen van 3%, 5 jaarlijkse termijnen van 6% en 5 jaarlijkse termijnen van 11%. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 9 170 300 18. De 3J% lening 1953 wordt gedelgd in 40 jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 4 948 500 19. De 31 % lening 1953 I wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, afwisselend 3 %, 4 % en 3 % per jaar. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 11 800 000 20. De 3 % lening 1953 II wordt op overeenkomstige wijze gedelgd als de 3\% lening 1953 I. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 4 200 000 21. De 3 % onderhandse lening 1954 wordt gedelgd in 50 jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd.. ƒ 1 406 000 22. De 31% lening 1954 I wordt gedelgd in 40 jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 7 406 500 23. De 31% lening 1954 II wordt gedelgd in 40 jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 3 750 000 24. De 31% lening 1955 wordt gedelgd in 40 jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 14 941 000 25. De 31% lening 1955 II wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen,...' ƒ 7 467 000
8 26. De 3i % lening 1956 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, ƒ 11 761 000 II I I II II M l 1 ^ 1 27. De 4i% lening 1958 wordt gedelgd in 25 gelijke jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 9 592 700 28. De 4.1% onderhandse lening 1958 wordt gedelgd in 25 gelijke jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 8 000 000 «M M W U f l l 29. De 41% lening 1959 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen ƒ 11 846 900 30. De 4 % lening 1959 wordt gedelgd in 25 gelijke jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd.... ƒ 46 691200 31. De 41% lening 1960 wordt gedelgd in 25 gelijke jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd ƒ11 936 200 32. De 4J% onderhandse lening 1960 wordt gedelgd in 25 gelijke jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd/ 8 000 000 33. De 41 % lening 196011 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, ƒ 11 902 600 34. De 41% lening 1960 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, ƒ 13 752 400 35. De 4.1% onderhandse lening 1960 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, afwisselend 3%, 4% en 3% per jaar. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 8 000 000 36. De 4J% lening 1961 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, ƒ 10 402 000 37. De 4% lening 1961 wordt gedelgd in 25 gelijke jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 11769 900 38. De 4% lening 1962 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, ƒ 8 687 400 39. De 4% onderhandse lening 1962 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, afwisselend 3%, 4% en 3% per jaar. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 10 500 000 40. De 41 % lening 1963 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, ƒ 11 845 100 41. De 41% onderhandse lening 1963 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, afwisselend 3%, 4% en 3% per jaar. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 12 000 000 42. De 41% lening 1963 II wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, afwisselend 3%, 4% en 3% per jaar. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 11 919 200 43. De 4J % lening 1963 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, ƒ 16 000 000 44. De 41% onderhandse lening 1963 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, afwisselend 3%, 4% en 3% per jaar. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 12 000 000 45. De 41% lening 1964 wordt gedelgd in 10 gelijke jaarlijkse termijnen. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 14 883 300 46. De 5% lening 1964 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, ƒ 12 000 000 47. De 5% onderhandse lening 1964 wordt gedelgd in 30 jaarlijkse termijnen, afwisselend 3%, 4% en 3% per jaar. Voor 1965 wordt geraamd ƒ 6 000 000 Het totaal der voor amortisatie geraamde bedragen beloopt ƒ552 316 000 Bijdrage van de Gewone Dienst ten bedrage van de afschrijvingen op de activa van de Staat (exclusief eigendommen van de bedrijven).. af: ƒ 105 000 000 zodat wordt uitgetrokken ƒ447 316 000 Artikel 12. Versterkte aflossing. Na de opheffing van Hoofdstuk VIIA2 wordt de aflossing van gevestigde schuld tengevolge van het in betaling geven daarvan ter voldoening van aanslagen in de buitengewone heffingen ten laste van dit artikel gebracht. Aangezien niet valt te voorzien of en zo ja tot welk beloop gevestigde schuld tot voornoemd doel zal worden aangewend, wordt dit artikel uitgetrokken voor Memorie Paragraaf 2. Buitenland Artikel 13. Amortisatie van Gevestigde Schuld. 1. Ingevolge de Leningovereenkomst, gesloten met de Internationale Bank voor Herstel en Ontwikkeling, moet de daarbij aangegane lening in halfjaarlijkse termijnen worden afgelost in het tijdvak 1 april 1953 t/m 1 oktober 1972, overeenkomstig het aflossingsplan. De termijnen, vervallende van 1 oktober 1966 t/m 1 oktober 1972, zijn reeds vervroegd afgelost. Voor 1965 wordt voor aflossing geraamd S 11 569 000 ƒ 43 962 200 B.frs. 2 753 100 209 300 ƒ 44 171 500 2. Ingevolge de Lend-Lease overeenkomst, afgesloten dd. 28 mei 1947 {Stb. I 181), alsmede de Fulbright-overeenkomst, afgesloten dd. 17 mei 1949 (Stb. J 260), wordt de op deze overeenkomst aangegane schuld afgelost als volgt: a. Gezien artikel 6, sub B, van voornoemde Lend-Lease overeenkomst wordt het uitstaande bedrag van de verschuldigde totale hoofdsom afgelost in dollars in 30 jaarlijkse termijnen, te beginnen op 1 juli 1951. Het per 1 juli 1965 uitstaande bedrag van de totale hoofdsom zal naar raming bedragen $ 1 773 529,89. Voor 1965 wordt voor aflossing geraamd $110 845,61 af 3,62 =...ƒ 401500 b. Gezien artikel 7, sub A, lid 3, van de Lend- Lease overeenkomst en artikel 11 van de Fulbright-overeenkomst, betreffende het verstrekken van Nederlands Courant ten behoeve van onderwijsprogramma's, wordt jaarlijks $ 250 000 afgelost op de schuld uit hoofde van de Lend-Lease overeenkomst. Voor 1965 wordt voor aflossing geraamd $ 250 000 a ƒ 3,62 = 905 000 ƒ 1 306 500 Bij deze memorie wordt overgelegd een overzicht van de samenstelling van de Nationale Schuld op 1 juli 1964. De Minister van Financiën, H. J. WITTEVEEN.