CHESS Het stappenplan In 7 stappen naar betere jeugdsportplannen 1. Wat willen we verbeteren? De probleemanalyse 1.1 Welk probleem willen we aanpakken? 1.2. Voor wie is het een 1.3 Welke gevolgen heeft het 1.4 Wat zijn de oorzaken van het 1.5 Welke factoren gaan we beïnvloeden? 1.6 Met welke randvoorwaarden moeten we rekening houden? Vat het probleem ruim op; het kan ook om het verbeteren van iets goeds gaan. Breng de feitelijke situatie in kaart en wees realistisch over de wenselijke situatie Wil niet alles tegelijk; probeer een afgebakend probleem te benoemen. Ga na wie bij het probleem betrokken is. Vraag betrokkenen hoe zij tegen het probleem aankijken. Bepaal de omvang van het probleem : bij wie speelt het en in welke mate? Bepaal de ernst van het probleem : hoe erg is het dat? Maak onderscheid tussen gevolgen voor het individu en de samenleving. Ga na welke factoren aan het probleem ten grondslag liggen. Maak onderscheid tussen persoons- en omgevingsgebonden oorzaken. Vergeet jongeren niet te vragen naar de reden voor hun gedrag. Richt je op factoren/oorzaken die het probleem voor een belangrijk deel verklaren. Steek geen energie in factoren die toch niet of nauwelijks te beïnvloeden zijn. Maak geen onhaalbare, onrealistische plannen; ga na hoeveel tijd, geld en menskracht er beschikbaar is. Heb oog voor de ruimte (extra geld of menskracht) die er te vinden is. 2. Wat willen we bereiken? De doelstellingen 2.1 Wat is onze rol in het sportveld? 2.2 Welke sportieve doelen streven we na? Bepaal welke rol je als organisatie speelt of wilt spelen met betrekking tot sportstimulering. Ga na of de aanpak van het probleem binnen deze missie past. Gaat het er om jongeren aan het sporten te krijgen of te houden? Maak daarbinnen onderscheid tussen: het stimuleren van een positieve sportattitude het aanleren van bewegingsvaardigheden het vergroten van sportieve waarden (zoals presteren en fairplay) het stimuleren van sociale vaardigheden (bijvoorbeeld samenwerken) het vergroten van de betrokkenheid van jeugd bij sport (jeugdparticipatie). Bron: Stichting jeugd in beweging: CHESS Het stappenplan Pagina 1
2.3 Streven we ook maatschappelijke doelen na? 2.4 In welke relatie staan de doelen tot elkaar? 2.5 Welke concrete resultaten streven we na? Sport kan onder bepaalde voorwaarden ook bijdragen aan maatschappelijke doelen, zoals sociale integratie en gezondheidsbevordering. Geef precies aan wat je met deze algemene termen bedoelt. Bedenk dat plezier in sport voorwaarde is voor (regelmatige en langdurige) sportdeelname en dus ook voor het bereiken van deze maatschappelijke doelen. Vaak is er sprake van een combinatie van (sub)doelstellingen. Breng een rangorde aan in de subdoelen (prioritering). Maak onderscheid tussen doelen voor de korte en voor de (middel)lange termijn. Bepaal de prestatie-indicatoren; wanneer ben je tevreden. Vertaal de (algemene) doelen in concrete resultaten. Streef naar SMARTI-doelen: Specifiek, Meetbaar, geaccepteerd, Realistisch, heldere Tijdsduur en Inspirerend. 3. Om wie gaat het? De doelgroep 3.1 Op wie richten we ons? Geef een eerste, globale omschrijving van de doelgroep. Maak zo nodig onderscheid tussen de intermediaire doelgroep (docenten, verenigingskader enzovoort) en de einddoelgroep (i.c. de jeugd). Maak een reële schatting van de omvang van de doelgroep. 3.2 Welke persoonskenmerken heeft de doelgroep? 3.3 Wat is hun cultureelmaatschappelijke achtergrond? Bepaal de leeftijd van de doelgroep. Stel vast of het om jongens of meisjes gaat. Breng de fysieke en motorische mogelijkheden van de doelgroep in kaart. Bepaal de etniciteit van de doelgroep. Achterhaal uit wat voor sociaal-economisch milieu de jongeren komen. Ga na of het gaat om jongeren uit een specifieke subcultuur. 3.4 Hoe actief zijn de jongeren? Bepaal of het om actieve of niet-actieve jongeren gaat. Verdeel de actieven in de pas actieven en de volhouders. Maak binnen de niet-actieven onderscheid tussen de niet geïnteresseerden, twijfelaars, weigeraars, voorbereiders en afhakers. 3.5 Wat wil de doelgroep zelf? Inventariseer de sportmotieven, -behoeften en voorkeuren van de jongeren, die binnen de (in 3.2 tot en met 3.4) gespecificeerde doelgroep vallen. Vraag jongeren hier zelf naar, bijvoorbeeld via korte interviews of een enquête. Bron: Stichting jeugd in beweging: CHESS Het stappenplan Pagina 2
4. Met wie doen we het samen? De samenwerking 4.1 Welke spelers zijn er in het veld? Maak een overzicht van potentiële samenwerkingspartners; wil niet alles zelf doen. Denk daarbij aan het onderwijs, de georganiseerde (verenigings)sport, de anders georganiseerde sport en de lokale overheid. Bedenk dat ook het gezin (ouders), de vriendengroep en de media invloed hebben op het sportgedrag van de jeugd. 4.2 Wat is ieders rol? Verruim de mogelijkheden door andere spelers te betrekken. Bepaal hoe de eigen rol zich verhoudt tot die van andere spelers. Maak een globale rolverdeling, waarbij onder meer onderscheid wordt gemaakt tussen de projectcoördinatoren, sportaanbieders, ondersteuners en facilitators. Baseer je daarbij op ieders verantwoordelijkheden, kwaliteiten en beperkingen. 4.3 Waar is samenwerking mogelijk? Ga na welke concrete bijdrage iedere speler kan leveren aan de gestelde doelen. De samenwerking kan betrekking hebben op deskundigheid, accommodaties, materialen, financiering, doelgroepbereik en afstemming. Voorkom versnippering door rekening te houden met wat anderen doen voor de Doelgroep. 5. Wat gaan we doen? De acties 5.1 Wat is er al eens gedaan? Vind het wiel niet opnieuw uit. Trek lering uit vergelijkbare maatregelen in het verleden. Maak gebruik van ervaringen van andere spelers. Maar bedenk: standaardoplossingen bestaan niet; het gaat altijd om maatwerk. 5.2 Hoe kunnen we inspelen op de oorzaken van het probleem? 5.3 Welke acties sluiten aan bij de doelen en de doelgroep? Zoek naar acties die aansluiten op de oorzaken van het niet of te weinig bewegen; kies voor persoons- of omgevingsgerichte acties (vgl. 1.4). Bij persoongerichte acties gaat het om beïnvloeding van opvattingen/vaardigheden. Denk bij omgevingsgerichte acties aan beïnvloeding van de sociale omgeving, van De materiële omgeving of van het aanbod. Ga na of de acties van 5.2 ook aansluiten bij de doelen en de doelgroep. Zoek naar acties die de doelgroep in een volgende fase van deelname brengen: van niet-actief naar pas actief of van pas actief naar stabiel (vgl. 3.4). Maak onderscheid tussen acties gericht op jongeren en op intermediairs (vgl. 3.1) Plezier in bewegen moet altijd centraal staan in de acties, wat het doel ook is. Bron: Stichting jeugd in beweging: CHESS Het stappenplan Pagina 3
5.4 Welke eisen stellen we aan de actie(s)? Zorg voor draagvlak door belangrijke betrokkenen bij de plannen te betrekken. De acties moeten passen binnen de beschikbare randvoorwaarden (vgl. 1.6). Ga na of de acties aansluiten bij andere activiteiten voor de doelgroep. Anticipeer op denkbare knelpunten en neveneffecten. 6. Hoe krijgen we resultaat? De aanpak 6.1 Hoe betrekken we jongeren? Laat jongeren meedenken en meebeslissen over zaken die hen aangaan, zoals de keuze Keuze van de activiteiten en de inrichting van de accommodatie. Betrek jongeren bij de organisatie en uitvoering van de activiteiten. 6.2 Hoe zetten we mensen optimaal in? 6.3 Waar en wanneer vinden de activiteiten plaats? Zoek de juiste persoon voor de juiste plaats (werving en selectie). Zorg voor een goede instructie, begeleiding en ondersteuning van het personeel. Voorzie waar nodig in (na)scholing en training. Spreek regelmatig met betrokkenen over hun functioneren. Voorkom dat locatie, periode en tijdstip drempels vormen om deel te (blijven) nemen. Betrek de doelgroep (en ouders) bij de keuze voor een locatie, periode en tijdstip. 6.4 Hoe faseren we de acties? Deel de acties op in een aantal fasen (bijvoorbeeld voorbereiding, uitvoering, nazorg). Ga na elke fase na of er bijstellingen nodig zijn. Bereid de plannen goed voor; begin klein en bouw langzaam uit. Zorg voor een follow-up voor inbedding in de reguliere acties. 6.5 Hoe communiceren we? Interne communicatie: betrek direct betrokkenen (waaronder jongeren) van begin af aan bij de plannen; zorg voor korte lijnen en onderhoud regelmatig contact. Externe communicatie: informeer ook indirect betrokkenen (ouders, pers, sponsors) tijdig over de plannen; denk goed na over de in te zetten communicatiekanalen. 6.6 Wie van de partners doe wat? Maak definitieve samenwerkingsafspraken met alle partners (vgl. 4.3). Benut hun mogelijkheden op het terrein van kader, accommodatie- en materiaalgebruik, financiering en communicatie. 6.7 Hoe zorgen we voor continuïteit? Voorkom afhankelijkheid van één of enkele personen. Streef naar structurele financiering. Werk aan beleidsmatige verankering van de actie(s). Leg de werkwijze en organisatie vast (in draaiboeken en dergelijke). Ga mee met de tijd door te blijven vernieuwen. Bron: Stichting jeugd in beweging: CHESS Het stappenplan Pagina 4
7. Hoe kijken we terug? De evaluatie 7.1 Wat is het resultaat van de actie(s)? Bouw evaluatiemomenten in: achteraf, maar ook tussentijds (om bij te sturen). Bedenk van tevoren hoe en door wie wordt geëvalueerd Controleer of de doelstellingen SMARTI genoeg zijn geformuleerd (vgl. 2.5). immers voorwaarde voor een goede evaluatie van de resultaten. 7.2 Hoe is het proces verlopen? Procesevaluatie richt zich op de manier waarop de resultaten totstandkomen. Ga regelmatig na wat goed en wat minder goed verloopt (succes- en faalfactoren). Spreek hierover met belangrijke betrokkenen. 7.3 Wat leren we voor de toekomst? Bedenk hoe goede resultaten en processen voor de toekomst zijn te behouden Neem initiatieven om minder goede resultaten en processen te verbeteren Leg de evaluatie vast in een verslag, voorzien van aanbevelingen. Bron: Stichting jeugd in beweging: CHESS Het stappenplan Pagina 5