Sociaal medische zorg voor dak- en thuisloze mensen

Vergelijkbare documenten
TILBURGS MODEL VOOR SOCIAAL-MEDISCHE ZORG

Resultaten interviews met patiënten Vervolgens wordt een korte samenvatting gegeven van de belangrijkste resultaten uit de gelabelde interviews.

Sociaal-medische zorg voor dak- en thuislozen in Nederland

Schakelen naar het juiste recept

Ronde 2: sessie 1 Verbinding tussen eerstelijnszorg en sociaal werk: winst voor ouderen

Wegwijzer crisis en acute zorg in Hart van Brabant

SAMENVATTING BOUWSTENEN ZELFMANAGEMENT EN PASSENDE ZORG

Samenwerking tussen huisarts en GGZ lessen voor de praktijk

BASISZORG VOOR DAKLOZEN IS URGENT PROBLEEM STRAATDOKTERS BEPLEITEN LANDELIJK BELEID

Werkt Guided Care in jouw huisartsenpraktijk? Resultaten van een pilot bij vijf Nederlandse huisartsenpraktijken. multi.

Pilot versterken APH-triagefunctie. Monitoringscriteria. Utrecht, 2 maart 2018 Geraline Boonzaaijer, MSc Ir. Saskia van der Erf

Bemoeizorg Parkstad. Wat is bemoeizorg? Bemoeizorg Parkstad

Symposium Onderzoeksresultaten

Pilot inrichten en verbeteren niet-acute meldfunctie. Monitoringscriteria. Utrecht, 2 maart 2018 Geraline Boonzaaijer, MSc Ir. Saskia van der Erf

Tabel 1: Type verblijf van dak- en thuislozen uitgesplitst naar centrumgemeente Onderdak Breda N=76 (%) Bergen op Zoom Totaal (N=102)

Op weg naar 2020: Transformatie van de maatschappelijke zorg

Palliatieve zorg in de eerste lijn

SAMENWERKING HUISARTSENPOST + ACUTE GGZ RAPPORTAGE VAN DE ONDER HUISARTSENPOSTEN GEHOUDEN INTERVIEWS

Dieteren, CM, Veer, AJE de, Groot, K de. Cliëntgebonden samenwerking over de grenzen van organisaties. Tabellen. Utrecht: NIVEL, 2017.

FACT-teams. Intensieve wijkgerichte behandeling en begeleiding. Informatie voor cliënten, verwijzers en betrokkenen

SAMENVATTING. Achtergrond en doelstellingen van dit proefschrift

Mentrum SAMEN WERKEN AAN HERSTEL EN EEN WAARDEVOL LEVEN. Onderdeel van Arkin

Factsheet. Evaluatie van het Transmuraal Interactief Patiënt Platform (TIPP) vanuit patiënten perspectief

Kader subsidieaanvragen OGGZ 2018

Psychische en sociale problematiek in de huisartsenpraktijk in de periode

Onze cliënt staat centraal!

SAMENVATTING. Samenvatting

Implementatie Zorgstandaard Obesitas voor kinderen (4-12 jaar) KIZO-project

Aanpak: Bijzondere Zorg Team. Beschrijving

Bemoeizorg Parkstad. Volwassenen

Hoofdstuk 1. Inleiding.

Advies en Meldpunt Huiselijk geweld en Kindermishandeling. Sociaal medische contractering Jeugd. Organisatie wijkteams

Verbeterplan Onverzekerden; Hoe groot is het probleem en hoe krijgen we ze weer verzekerd?

Afdeling Medische Psychologie

ERVARINGEN VAN INSTELLINGEN NA EEN JAAR DECENTRALISATIE

Artikel Hepatitis B-vaccinatie voor injecterend druggebruikers: van vaccinatieprogramma naar individuele zorg

WAAR KAN IK HULP VINDEN? Informatie over geestelijke gezondheidsproblemen

Module: Zorg voor kwetsbare ouderen Format Plan van Aanpak

COMPLEET IN GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG

Samenvatting. Samenvatting

Inhoudsopgave Beginpagina...1 Vragenlijst...2 Afsluitende pagina...7

Jaargang 2 nummer 1 16 dec 2010

Samenvatting. Adviesvragen

Intensieve regionale samenwerking is noodzakelijk voor substitutie in de GGZ!

Nederlandse samenvatting

Tabel 1: Plek waar de dak- en thuislozen onderdak vinden Onderdak Breda N=40 (%) Bergen op Zoom Totaal (N=81)

B&W. Advies. Noodopvang en woningen bijzondere doelgroepen. Zoetermeer steeds ondernemend. \u,/.,;/ 9P..\9\.\ Zocx C?.3-.l.l.--2:c.

Het organiseren van een MDO

Ronde 2: sessie 1 Verbinding tussen eerstelijnszorg en sociaal werk: winst voor ouderen

Ervaringen van patiënten met Gezondheidscentrum de Weide te Hoogeveen

De psycholoog in Zuyderland Medisch Centrum. Medische Psychologie

Een veilige woonplek voor elke jongere! Vijf actiepunten voor lokale politieke partijen

Ervaringen van patiënten met de gezondheidscentra Haarlemmermeer Gezondheidscentrum Overbos

Bijlage 1. Benadering en respons ten tijde van de tweede meting

Verpleegkundig specialisten in de eerste lijn: Wat voegen ze toe?

De Maatschappelijke zorg dichterbij. Op weg naar 2021: Transformatie van de maatschappelijke zorg

Samenwerking en communicatie binnen de anderhalvelijnszorg

Toezicht op netwerkzorg aan kwetsbare ouderen in de wijk

INTEGRALE OUDERENZORG DRENTHE & CONGRES SAMENWERKING EERSTELIJNSZORG EN WIJKTEAMS 4 OKTOBER 2018

Maatschappij en Gezondheidszorg Symposium 5.2

Easycare-TOS: identificatie van kwetsbaarheid bij ouderen in de 1ste lijn

Aanpak: Interventieteam Gezinnen. Beschrijving

Generalistische basis ggz

Factsheet 2: De inzet van de POH-GGZ in de huisartspraktijk over de periode

Chapter 11. Nederlandse samenvatting

HOOFDSTUK 1: INLEIDING

De oplossing voor het opzetten van gestructureerde osteoporosezorg

Landelijke toegang maatschappelijke opvang

PersonaCura. Uw specialist in persoonlijkheid & gedrag bij senioren

Uw medische gegevens elektronisch delen? Alleen met uw toestemming!

Generalistische basis ggz

Het gebruik van e-mental health door behandelaren in de GGZ. De barrières en mogelijke oplossingen inzichtelijk

a. Hebben de professionals die rondom een cliënt samenwerken hetzelfde doel voor (eigen werkgebied overstijgend)?

Handreiking Landelijke toegang maatschappelijke opvang


Deze vragenlijst meet sociaal welbevinden (functioneren in de maatschappij) op 8 verschillende gebieden. Aangemaakt op:

Zorggroep Cohesie Cure and Care denkt mee bij zorg voor ouderen! Optimale zorg voor ouderen in een kwetsbare positie

Forensische Herstelsetting

Hoofdstuk 1 Het soort onderzoek waar dit boek op gericht is 15

Voortraject... 2 Wat kan ik bij de aanmelding verwachten?... 3 Wat kan ik bij de intake verwachten?... 4 Behandeling... 7 Afsluiting en nazorg

Proefpersoneninformatie voor deelname aan medisch-wetenschappelijk onderzoek

Het voorkomen van geneesmiddel gerelateerde problemen bij oudere patiënten met polyfarmacie ontslagen uit het ziekenhuis

Waar bemoei je je mee?! Vrije samenleving. Waar bemoei je je mee?! Vrije samenleving. Ochtendrapport crisisdienst. De sociale psychiatrie is dood

Proefpersoneninformatie voor deelname aan medisch-wetenschappelijk onderzoek

MAATSCHAPPELIJKE OPVANG EN BESCHERMD WONEN IN DE REGIO OOST-VELUWE

Uw medische gegevens elektronisch delen? Alleen met uw toestemming!

ANALYSE PATIËNTERVARINGEN ELZ HAAKSBERGEN

Kindermishandeling: Prevalentie. Psychopathologie

Tussentijdse bevindingen van het thematoezicht naar de ketenzorg rond psychiatrische patiënten met ernstige somatische comorbiditeit

Symposium woondag 6/12

Analyse van de inzet van de POH-GGZ in de huisartsenpraktijk over de periode

Prevention of cognitive decline

Functiebeschrijving netwerk dementie regio Haaglanden

Verslag: Wijkbijeenkomst Hillegersberg- Schiebroek

Raadsinformatiebrief Nr. :

Een verkenning van de toeleiding van vluchtelingen naar de reguliere zorg Praktijkervaringen uit 5 gemeenten

Centrum Seksueel Geweld Amsterdam-Amstelland. Jaarcijfers 2016

Regiovisie beschermd wonen en maatschappelijke opvang. donderdag, 7 maart, Agendapunt:

MET ggz biedt als eerste ggz-organisatie Voor wie? in Nederland AMBIT aan. Deze innovatieve behandel- en begeleidingsmethode is

Kwaliteitsonderzoek begeleiding

Transcriptie:

Sociaal medische zorg voor dak- en thuisloze mensen Hoe is deze georganiseerd in de 43 centrumgemeenten van Nederland? Door studenten verpleegkunde Hogeschool Utrecht (HU): Milo Huijgens (1628378), Kim van Daalen (1648024), Inez Remmel (1645001), Quirine Vernooij (1647247) en Eline Kromwijk (1638125) Klas: GVE 4BB2 Cursuscode: GVE-4.ONT-13 In opdracht van: dr. Igor van Laere en dr. Maria van den Muijsenbergh namens de Nederlandse Straatdokters Groep (NSG); www.straatdokter.nl HU eerste beoordelaar: Barbara Sassen HU tweede beoordelaar: Anneleen Rengers Datum: 29 mei 2017

Inhoudsopgave Samenvatting... 2 Inleiding... 3 Probleemanalyse... 3 Doelstelling... 4 Vraagstelling... 5 Methode... 5 Literatuurstudie... 5 Vragenlijst... 5 Onderzoekspopulatie... 5 Dataverzameling... 6 Dataverwerking en - analyse... 6 Resultaten... 6 Literatuuronderzoek... 6 Interviews... 8 Populatie... 8 Organisatie van de sociaal medische zorg... 9 Intake en screening... 10 Dossier... 11 Samenwerking... 11 Belemmeringen in de samenwerking... 14 Scholing... 15 Meningen... 15 Discussie... 17 Sterke punten en beperkingen van dit onderzoek... 19 Aanbevelingen... 20 Conclusie... 21 Bibliografie... 22 Bijlage 1: Tabel 5... 25 Bijlage 2: De vragenlijst... 26 1

Samenvatting Inleiding Momenteel dragen in Nederland de 43 centrumgemeenten verantwoordelijkheid voor sociaal medische zorg voor dak- en thuislozen mensen. Uit onderzoek blijkt er een tekort aan wetgeving en richtlijnen is. Dit leidt tot grote verschillen in aandacht, financiering en organisatie van de sociaal medische zorg tussen de centrumgemeenten. In deze studie wordt onderzocht hoe de sociaal medische zorg voor dak- en thuisloze mensen is georganiseerd in de 43 verschillende centrumgemeenten in Nederland? Methode Om de vraagstelling te beantwoorden is in de databanken PubMed en Lucas gezocht naar wetenschappelijke literatuur met de zoektermen: Homeless, Healthcare, Primary care, Outreach care programs, Improving, Adaption of Care en Nursing. Dit resulteerde in zeven bruikbare artikelen. Daarnaast zijn mondelinge semigestructureerde interviews afgenomen met professionals die betrokken zijn bij de opvang van en/of zorg voor dak- en thuisloze mensen in de 43 centrumgemeenten van Nederland. De sleutelfiguren waren werkzaam in de maatschappelijke opvang, bij een GGD, GGZ, verslavingszorginstelling of in een huisartsenpraktijk. Resultaten In 21% van de gemeente is geen medische zorg gewaarborgd. In 23% van de gemeenten is geen medisch spreekuur. In 42% van de gemeenten zijn geen verpleegkundigen bij de opvanginstelling betrokken en ontbreken vaste samenwerkingsafspraken. Bij 44% van de gemeenten geld dit voor huisartsen. 59% van de respondenten ondervindt moeite met doorverwijzen naar ketenpartners zonder vaste samenwerkingsafspraken. 88% van de gemeenten maakt gebruik van een elektronisch dossier waarvan bij 16% van deze gemeenten de ketenpartners dit dossier in kunnen zien. Conclusie De organisatie van sociaal medische zorg voor dak- en thuislozen is in alle 43 centrumgemeenten anders georganiseerd. In grotere gemeenten bleek de zorg beter gewaarborgd dan in de kleinere gemeenten. Ook zijn er gemeenten waar helemaal geen medische zorg gewaarborgd is. Vanuit de instanties is niet altijd een vaste samenwerking met artsen en verpleegkundigen en toegang tot ketenpartners verloopt soms moeizaam. 2

Inleiding Probleemanalyse In Nederland groeit het aantal dak- en thuisloze mensen de afgelopen jaren. De schattingen tonen een toename van 17.800 in 2009 tot 30.500 dak- en thuisloze mensen in 2016. Vergeleken met de algemene bevolking telt de populatie dak- en thuisloze meer mannen, veel mensen in de leeftijdscategorie 30-49 jaar en mensen met een niet-westerse achtergrond (CBS, 2017). De redenen waardoor mensen dakloos raken zijn complex. Het gaat vaak om een combinatie van individuele en structurele factoren die maken dat iemand dakloos raakt. De factoren die een rol spelen zijn armoede, mentale gezondheid, overmatig gebruik van verslavende middelen, een crimineel verleden, relationele conflicten en in aanraking zijn geweest met jeugdzorg. Deze factoren maken dat iemand uit zijn huis gezet wordt, of dat zij zelf hun huidige woonplek verlaten (Fazel, Geddes, & Kushel, 2014). Misbruik van alcohol en drugs hebben een sterke relatie met het dakloos raken en blijven (Seena Fazel et al., 2014). Uit onderzoek blijkt dat dakloosheid onlosmakelijk verbonden is met een slechte gezondheid. Bij dak- en thuisloze mensen komt veel vaker een combinatie van somatische aandoeningen, verslavingen, psychiatrische problemen en verstandelijke beperkingen voor dan bij de algemene bevolking (van Laere, van den Muijsenbergh, Smit, & Slockers, 2015; Elissen, Van Raak, Dreck & Vrijhoef, 2013). Dit komt onder anderen doordat deze groep onder moeilijke omstandigheden leeft, beperkte kennis heeft over de reguliere eerstelijnsgezondheidszorg maar ook het onvermogen om hiervan gebruik te maken (zorgmijding) (Elissen et al., 2013). Aan de andere kant sluit de reguliere eerstelijnszorg vaak niet aan bij de behoeften van de dak- en thuisloze mensen die zich uitgesloten en niet thuis kunnen voelen in de wachtkamer, niet verzekerd zijn of anderszins hoge drempels ervaren in toegang tot de huisarts (Van den Muijsenbergh, 2010). Doordat deze kwetsbare groep laat of niet in zorg komt, krijgen aandoeningen de kans om te verergeren (Schleiffert, 2012). De sterftekans onder dak- en thuislozen is dan ook drie tot zeven keer groter dan die van de gemiddelde Nederlandse populatie en zij sterven gemiddeld op 54-jarige leeftijd (van Laere et al., 2015). Om deze reden is het nodig dat de zorg voor deze kwetsbare groep verbeterd wordt. In Nederland zijn 43 centrumgemeenten door de overheid aangewezen voor de opvang en bescherming van burgers die in de betreffende of omliggende gemeenten dakloos raken. De belangrijkste taak is het aanbieden van onderdak en begeleiding aan mensen die zich in sociaal kwetsbare situaties bevinden. Hiervoor krijgen de gemeenten financiële steun vanuit de overheid. In de maatschappelijke opvang is de inzet van artsen en verpleegkundigen wettelijk niet geborgd. Hierdoor is medische 3

betrokkenheid niet gegarandeerd noch systematisch voorzien in de dak- en thuislozenzorg (Elissen et al., 2013). Ook leidt het tekort aan wetgeving en richtlijnen tot grote verschillen tussen de gemeenten in aandacht, financiering en organisatie van sociaal medische zorg voor deze doelgroep (van Laere et al., 2015). De GGD heeft de opdracht om de lokale volksgezondheid te bevorderen en heeft de taak de toegang tot zorg voor kwetsbare groepen te bevorderen. Daarnaast kan een GGD-afdeling Openbare Geestelijke Gezondheidszorg (OGGZ) betrokken zijn bij sociaal kwetsbare/chronisch psychiatrische patiënten die overlast bezorgen of zichzelf extreem verwaarlozen. Maar zij zijn niet altijd of beperkt betrokken bij daken thuisloze mensen. Organisatorische en inhoudelijke richtlijnen voor sociaal medische zorg aan dak- en thuisloze mensen ontbreken (RIVM, 2017). Sociaal medische zorg voor dak- en thuisloze mensen is nog niet overal goed georganiseerd in Nederland. Sociaal medische zorg is multidisciplinaire zorg waarin aandacht voor lichamelijke, psychische en sociale problemen geïntegreerd is (van den Muijsenbergh, 2010). De Nederlandse Straatdokters Groep (NSG) zet zich in om deze situatie te verbeteren. Het doel van de NSG is om de kennis en ervaring van straatdokters, straat verpleegkundigen en andere experts te bundelen en te streven naar richtlijnen voor toegankelijke en goede sociaal medische zorg voor dak- en thuisloze mensen in Nederland (Nederlandse Straatdokters Groep, 2017). In enkele gemeenten hebben (huis)artsen, in samenwerking met de GGD, straatdokter praktijken opgericht die zorg verlenen aan dak- en thuisloze mensen. Deze praktijken bevinden veelal op maatschappelijk opvangvoorzieningen waar daklozen veelvuldig komen. Er blijken grote verschillen te bestaan in de manier waarop deze zorg per gemeente is georganiseerd en gefinancierd en wie bij deze zorg betrokken zijn. Dit onderzoek beoogt een overzicht te krijgen van de huidige sociaal medische zorg voor dak- en thuisloze mensen in de 43 centrumgemeenten. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de rol van verpleegkundigen die betrokken kunnen zijn bij deze zorg. Juist de rol van verpleegkundigen is voor deze kwetsbare groep mensen van belang omdat een verpleegkundige initiatieven neemt en activiteiten ondersteunt ter bevordering van de gezondheid en de kwaliteit van zorg (CNV Zorg & Welzijn, 2015). Dit overzicht kan bijdragen aan het formuleren van basiselementen die nodig zijn om de sociaal medische zorg voor dak- en thuisloze mensen te verbeteren. 4 Doelstelling Inzicht verkrijgen in de organisatie van huidige sociaal medische zorg voor dak- en thuisloze mensen in de 43 centrumgemeenten in Nederland.

Vraagstelling Hoe is de sociaal medische zorg voor dak- en thuisloze mensen georganiseerd in de 43 centrumgemeenten in Nederland? Methode Om de vraagstelling te beantwoorden is gebruik gemaakt van een literatuurstudie en mondelinge, semigestructureerde interviews met professionals die betrokken zijn bij de opvang van en/ of de zorg voor dak- en thuisloze mensen. De vragenlijst werd op deze literatuurstudie gebaseerd. Literatuurstudie Bij het uitvoeren van de literatuurstudie is gezocht naar wetenschappelijke artikelen in de databanken PubMed en Lucas. Hierin werd gezocht met de zoektermen: Homeless, Healthcare, Primary care, Outreach care programs, Improving, Adaption of Care en Nursing. Deze zoektermen werden gecombineerd met behulp van booleaanse operatoren zoals AND en OR. De voorkeur ging hierbij uit naar systematische reviews of gerandomiseerde gecontroleerde trials. Deze wetenschappelijke artikelen zijn van het meest krachtig, betrouwbaar en valide bewijs (Cox, de Lauw, Verhoef & Kuiper, 2012). Vanuit de 72 resultaten werden de artikelen geselecteerd op basis van onder andere de abstracts, na deze te beoordelen op bruikbaarheid (Cox et al., 2010). Ook is gebruik gemaakt van verschillende limits en in- en exclusiecriteria (Cox et al., 2012). Zo werden alleen Nederlands- of Engelstalige literatuur gebruikt die gepubliceerd was na 2007. Literatuur werd gebruikt wanneer het de doelgroep dak- en thuisloze mensen besprak. Dit resulteerde in 7 bruikbare artikelen. Vragenlijst Op basis van de literatuur en overleg met de begeleiders werd een vragenlijst opgesteld, die vervolgens voorgelegd is aan 12 experts (6 straatdokters en 6 verpleegkundigen van de NSG). Op basis van deze pilot interviews is de vragenlijst aangepast. De uiteindelijke vragenlijst bestond uit 6 open en 30 gesloten vragen die als basis diende voor de semigestructureerde interviews. De thema s die in dit interview aan bod kwamen waren: werkzaamheden, aanbod & populatie, samenwerking, toegankelijkheid, zorgproces en gemeente. De volledige vragenlijst is terug te vinden in bijlage 2. Onderzoekspopulatie Uit elke centrumgemeenten werden sleutelfiguren benaderd die bekend en/of betrokken waren met de lokale organisatie van opvang en (medische) zorg voor daken thuisloze mensen. Contactgegevens van deze sleutelfiguren werden aangeleverd door de begeleiders van de NSG. Hiertoe is gebruik gemaakt van de bestaande contacten in het straatdokters netwerk. Tijdens een belronde, met 25 van de 43 gemeenten waar geen contactpersonen bekend waren, werd gevraagd naar 5

betrokken professionals die bereid waren een interview te doen. Om de verpleegkundige relevantie uit te lichten is geprobeerd om in elke gemeente een verpleegkundige te benaderen, dit was niet altijd mogelijk omdat niet alle instanties hierover beschikken. Om toch uit elke gemeente een sleutelfiguur te interviewen zijn andere professionals benaderd en geïnterviewd. Het betrof leidinggevenden, coördinatoren, trajectbegeleiders, artsen en overige zorgverleners. De sleutelfiguren waren werkzaam in de maatschappelijke opvang, bij een GGD, GGZ, verslavingszorginstelling of in een huisartsenpraktijk. 6 Dataverzameling De 43 centrumgemeenten werden verdeeld onder de vijf studenten, die vervolgens contact op hebben genomen met de sleutelfiguren. De eerste interviews zijn face-toface afgenomen door twee studenten om zo elkaar aan te kunnen vullen en te bespreken hoe bepaalde vragen geïnterpreteerd moesten worden. Op deze manier werd de validiteit van de interviews vergroot. Hierna werden interviews telefonisch afgenomen. In veel gemeenten waren meerdere zorginstanties voor dak- en thuisloze mensen. Wegens een kort tijdsbestek zijn deze niet allemaal geïnterviewd. In alle centrumgemeenten is een professional geïnterviewd. Wanneer de respondent niet alle vragen kon beantwoorden is een tweede respondent van een andere instantie benaderd. Dit was het geval in 6 gemeenten. De interviews duurden 30 tot 60 minuten. De interviews zijn opgenomen en vervolgens op papier uitgewerkt. Na de data-analyse zijn de opnamen van de interviews gewist. Alle respondenten hebben een informed consentformulier ontvangen en toestemming gegeven voor het opnemen van het interview en anonieme dataverwerking, ter borging van de privacy (Andriessen, 2010). Dataverwerking en - analyse Volgens de mixed-method zijn zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens verzameld. De kwantitatieve resultaten zijn verwerkt in Statistical Package for the Social Sciences (SPSS). Na het verwerken van alle kwantitatieve gegevens was het mogelijk om frequenties af te lezen in dit programma. Ook zijn verbanden gelegd tussen de verschillende onderzoeksresultaten en daardoor ook tussen de verschillende centrumgemeenten. De kwalitatieve gegevens uit de open vragen zijn getranscribeerd en vervolgens door twee studenten afzonderlijk geïnterpreteerd. Hierbij werd per interview geturfd welke thema s ter sprake kwamen. De tekst werd gecodeerd aan de hand van deze thema s om structuur aan te brengen in de data. Vervolgens werd in onderlinge discussie de uiteindelijke duiding van de gegevens vastgesteld. Deze gegevens zijn weergegeven in de resultaten om onder andere de kwantitatieve gegevens te onderbouwen. Resultaten Literatuuronderzoek Dakloosheid vormt een significante bedreiging van de algehele gezondheid door de uitdagingen die dakloze mensen ervaren om zorg te ontvangen en goede

gezondheid te bewaren. Deze uitdagingen om zorg te ontvangen komen vooral door het feit dat dak- en thuisloze mensen hun gezondheid niet als prioriteit ervaren (White & Newman, 2015). Dak- en thuisloze mensen hebben door hun manier van leven meer te maken met complexe gezondheidsproblemen. Veel voorkomende gezondheidsproblemen zijn bot- en gewricht infecties, longaandoeningen, dermatologische- en psychische problematiek (Elissen, 2011). Een op de vijf dakloze mensen heeft een psychisch probleem wat heeft bijgedragen aan het dakloos raken. De stress van het leven op de straat verslechterd het psychisch welbevinden waardoor het nog moeilijker wordt om huisvesting te krijgen en toegang te hebben tot medische zorg (Woollcott, 2008). Wanneer mensen dakloos raken verliezen zij vaak contact met huisarts en gezondheidsdiensten. Zij raken uit beeld en hebben te maken met sociale uitsluiting (Salize, 2013; Woollcott, 2008). Uit onderzoek van Steward et al., (2016) blijkt dat artsen en dakloze mensen het belangrijk vinden dat de zorg doorlopend is. De eerstelijnszorg moet bereikbaar zijn voor de patiënt, op elke tijd en plaats. Salize (2013) beschrijft alleen dat buiten openingstijden vaak weinig mogelijkheden tot zorg zijn voor dak- en thuisloze mensen. Dak- en thuisloze mensen vinden het ook moeilijk om zich te registreren bij een huisarts en vermijden door een gebrek aan vertrouwen vaak zorginstanties (Woollcott, 2008; Elissen, 2011). Zij komen vaak alleen in acute situaties bij de spoedeisende hulp (Hudson, 2016). Salize (2013) beschrijft voorts dat in de praktijk maar weinig activiteiten worden ondernomen om dak- en thuisloze mensen te bereiken (outreachend). Dit is wel van belang aangezien dak- en thuisloze mensen vaak niet goed in staat zijn hulp te zoeken. Wanneer zorgverleners outreachend werken zal het gebruik van crisisdiensten kunnen dalen. Een belemmering voor het aanbieden van zorg is ook dat dakloze mensen zonder zorgverzekering vaak niet in aanmerking komen voor zorg. Terwijl het voor dak- en thuisloze mensen juist erg belangrijk is dat eerstelijnsgezondheidszorg makkelijk toegankelijk is (Steward et al., 2016). Het is dan ook belangrijk om bij binnenkomst van nieuwe dak- of thuisloze mensen, binnen de instelling de gegevens te registreren en om hen te stimuleren om een zorgverzekering af te sluiten. Hierdoor is er een beter beeld van het aantal dak- en thuisloze mensen en wat voor behoefte aan zorg zij hebben (Elissen, 2011). Samenwerking in de eerstelijnsgezondheidszorg, met name in de daklozenzorg, is van groot belang. Het opbouwen van relaties tussen maatschappelijke en medische voorzieningen, zoals opvanghuizen, verslavingsklinieken, GGZ en GGD kan helpen om de zorg voor dak- en thuisloze mensen soepeler te laten verlopen (Steward et al., 2016; Hudson, 2016). Salize (2013) beschrijft echter dat er over het algemeen weinig afstemming is tussen de verschillende instanties. Het vergroten van kennis onder hulpverleners zonder een medische achtergrond over veel voorkomende gezondheidsprobleem en het screenen hiervan kan ertoe leiden dat deze hulpverleners beter in staat zijn zorg te verlenen aan dak- en thuisloze mensen (Salize, 2013; Hudson, 2016). Daarnaast moeten verpleegkundige 7

Totaal Anders Sociaalpedagogi sch hulpverlener Verpleegkundig specialist Maatschappelijk werker Verpleegkundige Arts bekwaam zijn in het toepassen van motiverende gespreksvoering, belangenbehartiging en outreachend werken (Speirs, 2016) Interviews Populatie De onderzoekspopulatie bestaat uit 49 respondenten betrokken bij de daklozenzorg in 43 centrumgemeenten. In zes van de gemeenten kon de geïnterviewde niet alle vragen beantwoorden en is een tweede sleutelfiguur geïnterviewd. Binnen de gemeenten zijn 49 respondenten in verschillende instanties geïnterviewd. 61% van de respondenten waren werkzaam in een opvang die zowel maatschappelijk als medisch kan zijn (N=30), 20% in de GGD (N=10), 8% in huisartsenpraktijken (N=4), 6% in de GGZ (N=3) en 4% in verslavingsklinieken (N=2). Onder de respondenten is 31% verpleegkundige (N=15), 25% maatschappelijk werker (N=12), 18% sociaalpedagogisch medewerker (N=9), 8% arts (N=4), 4% verpleegkundige specialist (N=2) en 14% van de geïnterviewde had een andere opleidingsachtergrond/functie (N=7). Onder andere vallen beleidsmedewerkers, managers, teamcoaches en team-, traject- of zorgcoördinatoren. Het was niet mogelijk om in elke gemeente een medisch geschoolde professional betrokken bij de sociaal medische zorg te interviewen; 21 respondenten (43%) hadden een medische achtergrond, 17 verpleegkundig en 4 geneeskundig. Tabel 1 toont de functies van de respondenten afgezet tegen de instantie waarvoor zij werkzaam waren. Instantie GGD 1 7 0 1 0 1* 10 Opvang 0 5 11 0 8 6 30 GGZ 0 1 1 0 1 0 3 Huisarts 3 0 0 1 0 0 4 Verslavingskliniek 0 2 0 0 0 0 2 Totaal 4 15 12 2 9 7 49 Tabel 1: Functie van de respondent per geïnterviewde instantie. *: Van deze respondent is niet bekend wat zijn functie was. 8 In tabel 2 zijn de centrumgemeenten ingedeeld in 4 groepen op basis van het aantal inwoners; van de minste naar de meeste inwoners. Dit omdat wij de omvang van de populatie dak- en thuislozen en daarmee het aantal voorzieningen groter achten naarmate het aantal inwoners toeneemt. De 4 groepen worden gebruikt bij het beschrijven van de aanwezigheid van zorg binnen de gemeenten. De overige data

wordt op basis van de 43 gemeenten beschreven. Wanneer in de data de mening van de respondent op de voorgrond staat wordt dit vergeleken met het aantal respondenten. Groep Inwoners (X1000) Centrumgemeenten (N) 1 44-100 16 2 100-150 10 3 150-200 9 4 200-853 8 Tabel 2: centrumgemeenten onderverdeeld in vier groepen. Organisatie van de sociaal medische zorg Volgens de respondenten was de sociaal medische zorg voor dak- en thuisloze mensen per gemeente anders georganiseerd. De verschillen waren van toepassing voor zowel de inzet van artsen, verpleegkundigen of verpleegkundig specialisten, die al dan niet een spreekuur verzorgden in opvangvoorzieningen. In totaal wordt in 67% van de gemeenten (N=29) een medisch spreekuur gehouden door een huisarts of verpleegkundige (specialist) binnen de geïnterviewde instantie of door een andere instantie in die gemeente. In 19% van de gemeenten (N=8)) gaven respondenten aan dat een spreekuur werd gegeven door een huisarts in de opvang. In 16% van de gemeenten (N=7) gaven verpleegkundigen aan een spreekuur te houden en in 5% van de gemeenten (N=2) gaven verpleegkundig specialisten aan een spreekuur te houden. In de overige gemeenten kon uit de resultaten niet worden opgemaakt wie de spreekuren houden. In 37% van de gemeenten (N=16) wordt verpleegkundige zorg geleverd. In 26% van de gemeenten (N=11) wordt in opdracht van (huis)arts verpleegkundige handelingen gedaan. In 16% van de gemeenten (N=7) wordt outreachend te werk gegaan door medische hulpverleners. In 28% van de gemeenten (N=12) werd medische zorg op afroep geboden. Niet alle ondervraagde instanties bieden medische zorg. Uit de data komt naar voren dat in 21% van de gemeenten (N=9) geen medische zorg aanwezig is. Dit houdt in dat er geen medische spreekuren worden gehouden, geen arts binnen de instelling werkt of als samenwerkingspartner en geen verpleegkundige binnen de instelling werkt of als samenwerkingspartner. Dit is af te lezen in tabel 5 van bijlage 1. Van de gemeenten waar geen medische zorg aanwezig is gaf 67% (N=6) aan dat zij de daken thuisloze mensen die medische zorg nodig hebben door sturen naar de huisartsenpost. Overige gemeenten (33%) gaven aan hulp in te schakelen van andere zorginstanties. Tabel 3 geeft een overzicht van de aanwezigheid van medische zorg per groep centrumgemeenten. Hierin wordt de aanwezigheid van medische spreekuren en afspraken met artsen en verpleegkundigen besproken. Dit laatste wordt besproken 9

bij het onderdeel samenwerking. Binnen groep A was in 56% (N=9) van de gemeenten een medisch spreekuur voor dak- en thuisloze mensen aanwezig binnen de instantie. Dit was 60% (N=6) in groep B, 89% (N=8) in groep C en 75% (N=6) in groep D. In 35% van de gemeenten (N=15) is helemaal geen medisch spreekuur aanwezig. Binnen groep A is dit in 44% van de gemeenten (N=7), binnen groep B in 40% van de gemeenten (N=4), binnen groep C in 11% van de gemeenten (N=1) en Sociaal medische zorg in Totaal Groep Groep Groep Groep centrumgemeenten A B C D N=43 N=16 N=10 N=9 N=8 N % % % % % Medisch spreekuur in gemeente 29 67 56 60 89 75 Geen Medisch spreekuur in gemeente 15 35 44 40 11 37,5 Arts werkzaam binnen instelling 4 9 0 10 0 37,5 Vaste samenwerkingsafspraak met huisarts 20 47 25 60 78 37,5 Geen vaste samenwerking met huisarts en 19 44 75 30 22 25 niet werkzaam binnen de instelling Verpleegkundige binnen instelling 19 44 37,5 10 56 87,5 Vaste samenwerkingsafspraak 6 14 12,5 30 33 0 verpleegkundige Geen vaste samenwerking met 18 42 50 60 11 12,5 verpleegkundige en niet werkzaam binnen de instelling binnen groep D in 37,5% van de gemeenten (N=3). Tabel 3: Medische zorg in de centrumgemeenten per groep. Intake en screening Om toegang tot medische of maatschappelijke zorg te krijgen hebben dak- en thuislozen in 63% van de gemeenten (N=27) geen zorgverzekering, geldig identiteitsbewijs of regiobinding nodig hebben om medische of maatschappelijke zorg te ontvangen in de geïnterviewde instantie. In 16% van de gemeenten (N=7) hebben dak- of thuisloze mensen een geldig identiteitsbewijs nodig en bij 14% (N=6) een regiobinding. 10 Wanneer dak- en thuisloze mensen zich aanmelden bij een instantie kan een intake of screening worden afgenomen. Er waren 9 respondenten (18%) die aan gaven niet altijd een intake of screening af te nemen. Hiervan waren 4 respondenten (44%) die het meestal af nemen, 4 (44%) soms en 1 (11%) die nooit een intake of screening af neemt. Een intake of screening werd volgens de respondenten altijd afgenomen door 84% van de maatschappelijk werkers (N=10), 100% van de sociaalpedagogisch hulpverleners (N=9), 50% van de artsen (N=2), 73% van de verpleegkundigen (N=11), 100% van de verpleegkundig specialisten (N=2) en 83% van de andere hulpverleners (N=5). Alle verpleegkundigen (N=4) en artsen (N=2) die aan gaven

niet altijd een intake of screening af te nemen, houden zelf een spreekuur. Bij de reden waarom de intake niet altijd afgenomen wordt gaven 3 van de respondenten aan dat de zorgverlener de drempel naar zorg zo laag mogelijk wilde houden. Men bood direct probleemgerichte zorg aan de hand van het stellen van vragen naar eigen inzicht. Indien de intake wordt afgenomen vragen de respondenten de volgende onderwerpen uit: medische voorgeschiedenis (88%), medicatiegebruik (94%), huidige lichamelijke klachten (98%), GGZ verleden (94%), psychiatrische klachten (94%), middelengebruik (96%), opleiding (80%), woongeschiedenis of reden van dakloosheid (90%), gezinssamenstelling/relatie (84%) en financiën (92%). Indien de verpleegkundigen een intake afnemen kwamen de medische voorgeschiedenis, medicatiegebruik en huidige lichamelijke klachten standaard aan bod. Dossier Volgens de respondenten werden in alle gemeenten de intake en medische gegevens van de cliënt in een dossier vastgelegd. Bij een nieuwe aanmelding gebeurde dit altijd in 91% van de gemeenten (N=39), meestal bij 7% (N=3) en soms bij 2% (N=1) van de gemeenten. Volgens de respondenten werd in 88% (N=38) van de gemeenten door de instanties gebruik gemaakt van een elektronisch dossier. Van de 12% die dit niet deden werd er door 2 instanties gerapporteerd in een Worddocument. Bij 16% van de gemeenten (N=7) kunnen de ketenpartners de dossiers inzien. In 1 gemeente werd volgens de respondent gewerkt met twee elektronische dossiers, één toegankelijk voor alle ketenpartners en een alleen toegankelijk voor medewerkers van de instantie Samenwerking In de gemeente wordt samenwerkt met verschillende hulpverleners. In 44% van de gemeenten (N=19) is een verpleegkundige werkzaam binnen de geïnterviewde instanties. In 14% van de gemeenten (N=6) zijn bij de geïnterviewde instantie vaste samenwerkingsafspraken met een verpleegkundige. In 42% van de gemeenten (N=18) is geen vaste samenwerking met een verpleegkundige en is deze niet werkzaam binnen de instelling. Van deze 42% (N=18) wordt in 39% van de gemeenten (N=7) wel samengewerkt met de verpleegkundige als ketenpartner. In de overige 61% (N=11) van de gemeenten wordt op geen enkele manier samengewerkt met een verpleegkundige. In 16% van de gemeenten (N=7) is een verpleegkundig specialist aanwezig binnen de geïnterviewde instantie. Bij 44% van de gemeenten (N=19) is de verpleegkundig specialist een ketenpartner, waarvan 42% (N=8) met vaste samenwerkingsafspraken. Binnen 10 van de geïnterviewde instanties in de gemeenten (23%) is een medewerker van de GGD-afdeling OGGZ werkzaam, 9 van deze instanties zijn GGD. 72% van de geïnterviewde instanties in de gemeenten (N=31) heeft medewerkers van de GGD-afdeling OGGZ als ketenpartner, waarvan 28% 11

gemeenten (N=12) met vaste samenwerkingsafspraken. In 51% gemeenten (N=22) is een maatschappelijk werker werkzaam binnen de geïnterviewde instantie. Daarnaast heeft 47% van de gemeenten (N=20) maatschappelijk werkers als ketenpartner, waarvan 7 met vaste samenwerkingsafspraken. Overige zorgverleners en instellingen die betrokken zijn bij de zorg voor dak- en thuisloze mensen zijn: de apotheek, tandarts, fysiotherapeut, bemoeizorg, maatschappelijk medewerker, verpleegkundig specialist, verslavingszorg, psycholoog, wijkagent, psychiater, vrijwilligers, geestelijke gezondheidszorg, wijkverpleegkundige, verstandelijke gehandicaptenzorg en het lab. In tabel 4 wordt een overzicht gegeven van welk type instantie met welke zorgverleners enige vorm van samenwerking heeft. Dit zijn zowel zorgverleners die binnen de instantie werkzaam zijn als ketenpartners met- en zonder samenwerkingsafspraken. Hier wordt uitgegaan van het aantal instanties en niet van het aantal gemeenten. In 9% van de gemeenten (N=4) is er een huisarts vast aanwezig binnen de instelling. In 47% van de gemeenten (N=20) zijn er vaste samenwerkingsafspraken met een huisarts. In 44% van de gemeenten (N=19) zijn geen vaste samenwerking met een huisarts. Van deze 44% van de gemeenten wordt in 84% (N=16) van die gemeenten wel samengewerkt met de huisarts als ketenpartner. In de overige 16% (N=3) wordt er op geen enkele manier samengewerkt met een huisarts. Indien er wel vaste samenwerkingsafspraken zijn met de huisarts is die op verschillende manieren georganiseerd. Bij 63% van de gemeenten (N=27) is de huisarts bereid om de dak- en thuisloze mensen te zien in eigen praktijk. In 35% van de gemeenten (N=15) is de huisarts bereid om op afroep op locatie te komen en in 19% van de gemeenten (N=8) voert de huisarts op vaste tijden een spreekuur op locatie. Het totaal percentage komt hoger uit dan 100% omdat de samenwerking met de artsen soms op meerdere manieren is georganiseerd. 12

Zorgverlener GGD (N=10) Opvang (N=30) GGZ (N=3) Huisartsen praktijk (N=4) Verslavings- Kliniek (N=2) Apotheek 8 23 1 3 2 37 Tandarts 8 12 1 4 2 25 Laboratorium 4 12 1 1 2 20 Fysiotherapeut 4 6 1 2 0 13 Bemoeizorg 9 26 3 2 2 42 Huisarts 9 23 2 4 2 40 Totaal: N=49 Verpleegkundige 8 21 2 2 2 35 Maatschappelijk werker Verpleegkundig specialist 8 29 3 1 2 43 6 15 2 1 2 26 Verslavingszorg 9 30 3 2 2 46 GGD 9 26 2 3 2 42 Psycholoog 6 25 2 1 2 36 Wijkagent 7 30 3 3 2 45 Psychiater 8 23 2 2 2 37 Casemanager 5 25 2 1 2 35 Vrijwilliger 6 26 1 0 2 35 GGZ 4 26 1 1 2 34 Wijkverpleegkundige 2 5 0 1 1 9 VGZ 1 0 2 0 1 4 Anders 2 11 0 2 1 16 Tabel 4: Samenwerking met de verschillende zorgverleners per type instantie. 13

14 In tabel 3 wordt beschreven welke vorm van sociaal medische zorg er per groep gemeenten wel of niet aanwezig is. Hier valt ook de samenwerking met de verpleegkundigen en de arts onder. Binnen groep A is in 37,5% van de gemeenten (N=6) een verpleegkundige werkzaam binnen de geïnterviewde instantie. Dit is 10% (N=1) in groep B, 56% (N=5) in groep C en 87,5% (N=7) in groep D. Binnen groep A heeft in 12,5% (N=2) van de gemeenten de geïnterviewde instantie vaste samenwerkingsafspraken met een verpleegkundige. Dit is 30% (N=3) in groep B, 22% (N=2) in groep C en in groep D had in geen van de gemeenten de geïnterviewde instantie vaste samenwerkingsafspraken met een Verpleegkundige. Binnen groep A heeft in 50% (N=8) van de gemeenten de geïnterviewde instantie geen vaste samenwerking met een verpleegkundige. Hier valt onder dat binnen de instantie geen verpleegkundige werkzaam is en dat er helemaal geen vaste samenwerkingsafspraken zijn met een verpleegkundige. Dit is 60% (N=6) van de gemeenten binnen groep B, 22% (N=2) in groep C en 12,5% (N=1) in groep C. In tabel 3 is te zien dat binnen groep A in geen van de gemeente (0%) een arts werkzaam is binnen de geïnterviewde instellingen. Dit is 10% (N=1) in groep B, 0% in groep C en 37,5% (N=3) in groep D. Binnen groep A heeft in 25% (N=4) van de gemeenten de geïnterviewde instantie vaste samenwerkingsafspraken met een huisarts. Dit is 60% (N=6) van de gemeenten in groep B 78% (N=7) in groep C en 37,5% (N=3) in groep D. Binnen groep A heeft in 75% van de gemeenten (N=12) de geïnterviewde instantie helemaal geen vaste samenwerking met een huisarts. Hier valt onder dat binnen de instantie geen arts werkzaam is en dat er geen vaste samenwerkingsafspraken zijn met een arts. Dit is 30% (N=3) van de gemeenten in groep B, 22% (N=2) in groep C (N=2) en 25% in groep D. Belemmeringen in de samenwerking Indien er vaste samenwerkingsafspraken waren met ketenpartners dan rapporteerden de respondenten belemmeringen in de samenwerking zoals financiële belemmeringen, gebrekkige communicatie en terugkoppeling, slechte bereikbaarheid en het niet nakomen van afspraken. Van de respondenten rapporteerde 22% (N=11) geen belemmeringen in de samenwerking, 78% van de respondenten (N=38) brachten wel belemmeringen naar voren. 33% van respondenten (N=16) rapporteerde financiële belemmeringen. 30% (N=15) gaf een gebrek aan terugkoppeling door ketenpartners aan. 30% (N=13) ondervond problemen in de communicatie. Overige belemmeringen die worden ondervonden in de samenwerking met ketenpartners zijn: slechte bereikbaarheid, afspraken die niet nagekomen worden, geen commitment om mensen nog een kans te geven, gebrek aan kennis over de doelgroep bij en tegenstrijdige belangen en visies, de huisarts komt niet langs op locatie en moeilijke uitwisseling van cliëntgegevens. Vier respondenten benoemden dat een aantal dak- en thuislozen tussen wal en schip vallen vanwege multiproblematiek en dat het voor deze mensen moeilijk is om zorg te organiseren. Zo werd iemand in een psychiatrische instelling of in de verslavingszorg geweigerd vanwege diens medische-, verslavings- of psychische

problemen waarvan de instelling verschillend van mening was welke aandoening als eerst behandeld moet worden. Wanneer er geen vaste samenwerkingsafspraken zijn geeft 59% van de respondenten (N=29) aan soms moeite te ondervinden in de verwijzing of toegang tot deze ketenpartners. 18% van de respondenten (N=9) geven aan meestal problemen te ondervinden, 16% nooit (N=8) en 2% altijd (N=1). Volgens 5 respondenten wenste huisartsen dak- en thuislozen niet in zorg te nemen. Wat betreft de terugkoppeling na het doorverwijzen geven 43% van de respondenten (N=21) aan soms terugkoppeling te krijgen van de zorgverlener naar wie de cliënt is doorverwezen terwijl bij 39% van de respondenten (N=19) dit meestal het geval is. Bij het doorverwijzen van een cliënt was er altijd sprake van een warme overdracht. Dit houdt in dat persoonlijk gebeld wordt naar de instantie, er iemand van de instelling mee gaat naar de afspraak en/of er wordt gecontroleerd of de cliënt daadwerkelijk bij de afspraak is geweest. Dit is afhankelijk van de situatie of persoon. Scholing In 71% van de instanties (N=35) werd scholing over de doelgroep dak- en thuislozen aangeboden. 29 respondenten hebben deze scholing ook gevolgd. In 13 gevallen is geen scholing over dak- en thuislozen aangeboden, 4 van deze 13 respondenten hadden hier wel behoefte aan. Meningen Beoordeling van de zorg binnen de centrumgemeenten Gevraagd naar wat men vond van de organisatie van zorg voor de doelgroep in de gemeente gaf 24% van de respondenten een onvoldoende of matige beoordeling (N=12). 22% van de respondenten gaven een voldoende beoordeling (N=11) en 51% van de respondenten vonden dat de zorg vanuit hun gemeente goed tot zeer goed georganiseerd is (N=25). Binnen 3 van de 6 gemeenten, waar een tweede instantie is geïnterviewd, gaven respondenten een uiteenlopende beoordelingen aan de zorg voor dak- en thuisloze mensen binnen dezelfde gemeente. Als reden voor een onvoldoende of matige beoordeling gaf 8% van de respondenten (N=4) aan dat er te weinig opvang aanwezig is binnen de gemeente, 8% van de respondenten (N=4) gaven aan dat nog te veel mensen tussen wal en schip vallen. 6% van de respondenten (N=3) gaven aan dat de huisarts moeilijk bereikbaar was en gaven hier door een onvoldoende of matige beoordeling. 6% van de respondenten (N=3) gaven aan dat de gemeente te weinig betrokken is bij de zorg voor dak- en thuislozen of helemaal niks regelt. Bij een voldoende beoordeling kwam als negatieve reden naar voren dat er te weinig opvang in de gemeente aanwezig was (N=2). Ook redenen als te weinig geld en dat er geen vaste huisarts aanwezig is werden als redenen genoemd. Positieve punten die genoemd werden waren dat de samenwerking tussen de ketenpartners goed verloopt (N=4) en dat er een laagdrempelig spreekuur is (N=1). 15

Redenen voor het geven van een goede tot zeer goede beoordeling waren voldoende opvang (N=4), een betrokken gemeente (N=7), goede samenwerking tussen ketenpartners (N=4) en de aanwezigheid van medische spreekuren (N=2). Trots Bij de vraag waar respondenten trots op zijn in hun gemeenten geeft 27% van de respondenten (N=13) aan trots te zijn dat er veel opvang is voor dak- en thuisloze mensen in Nederland. 18% van de respondenten (N=9) is trots dat de gemeente erg betrokken is bij de zorg. 16% van de respondenten (N=8) is trots op de goede communicatie en de samenwerking tussen de verschillende disciplines en instanties. 10% van de respondenten (N=5) is trots dat de zorgverleners betrokken zijn bij de zorg voor dak- en thuisloze mensen. 4% (N=2) is trots dat thuiszorg in de maatschappelijke instelling langs komt om verpleegkundige zorg te leveren. Een andere respondent gaf aan veel baat te hebben bij het wijkteam dat multidisciplinair is opgesteld en dicht bij de mensen in wijk staat. Tot slot benoemde vier respondenten trots te zijn dat hun gemeente laagdrempelige zorg levert. Wat kan er beter? Respondenten konden aangegeven wat er beter kan aangaande de sociaal medische zorg voor dak- en thuislozen in hun gemeente. De antwoorden betroffen het aanbod van voorzieningen, toegang tot zorg, inzet van huisartsen met affiniteit voor de doelgroep, interdisciplinaire samenwerking en scholing. 14% van de geïnterviewde respondenten (N=7) denkt dat de zorg beter wordt als er meer opvang is in hun gemeente. 4% van de respondenten benoemd ook dat er behoefte is aan meer verpleegbedden om kwalitatief betere medische zorg te kunnen leveren (N=2). Daarnaast geeft 6% aan dat er een betere doorstroom moet zijn naar beschermd/begeleid wonen of een eigen woning (N=3). Veel dak- en thuisloze mensen kunnen niet aan de opgestelde voorwaarden voor beschermd wonen of een eigen woning voldoen. Ook zijn de wachtlijsten voor deze doorstroommogelijkheden erg lang. 4% van de respondenten (N=2) denkt dat de zorg beter geregeld wordt als de gemeente meer betrokken is. Bij 6% van de respondenten (N=3) is behoefte aan een samenwerking met andere gemeenten. 10% van de respondenten pleit voor betere communicatie en samenwerking tussen de verschillende disciplines en instanties in de gemeente (N=5). 16 4% van de respondenten (N=2) heeft meer behoefte aan scholing. De respondenten geven aan dat iedereen meer op de hoogte moet zijn over de zorg voor dak- en thuisloze mensen. Van de respondenten geeft 6% aan (N=3) behoefte te hebben aan meer betrokken zorgverleners in de zorg voor dak- en thuisloze mensen. 18% van de respondenten (N=9) denkt dat de zorg verbeterd wordt als meer huisartsen betrokken zijn bij de medische zorg voor dak- en thuisloze mensen waarin zij spreekuren geven, affiniteit hebben met de doelgroep, outreachend werken en zorg verlenen aan medische zorg behoevende dak- en thuisloze mensen die onverzekerd

zijn. Van de respondenten denkt 4% (N=2) dat de zorg voor dak- en thuisloze mensen beter is geregeld als de zorg laagdrempeliger wordt aangeboden. Discussie Dit artikel geeft antwoord op de volgende vraagstelling: Hoe is de sociaal medische zorg georganiseerd voor dak- en thuisloze mensen in de 43 centrumgemeenten in Nederland? Uit de interviews kwam naar voren dat tussen de gemeente grote verschillen zijn in hoe zorg wordt aangeboden aan de dak- en thuisloze mensen. Ook de kwaliteit van deze zorg loopt uiteen. Opvallend was dat in 21% (N=9) van de gemeenten geen vorm van medische zorg aangeboden wordt. In 33% van de gemeenten wordt geen medisch spreekuur aangeboden voor dak- en thuisloze mensen. In de 67% van de gemeenten waar wel een spreekuur wordt gehouden wordt in 7 gemeenten een spreekuur gehouden door verpleegkundigen en in 2 gemeenten door verpleegkundig specialisten. In 42% van de gemeenten heeft de geïnterviewde instantie geen vaste samenwerkingsafspraken met verpleegkundigen en zijn deze niet vast werkzaam in de instantie. In 44% van de gemeenten heeft de geïnterviewde instelling geen vaste samenwerkingsafspraken met een huisarts en is deze niet vast werkzaam in de instantie. Van deze 44% van de gemeenten, wordt in 84% van de gemeenten wel samengewerkt met de huisarts als ketenpartner. Indien instanties geen vaste samenwerkingsafspraken hadden met een ketenpartner ondervond 59% soms, 21% meestal en 2% altijd moeite in het doorverwijzen naar deze ketenpartner. Dit is ook een van de redenen waardoor dak- en thuisloze mensen met multiproblematiek vaak tussen wal en schip vallen. Zij worden door zorginstanties niet geaccepteerd omdat er sprake is van multiproblematiek en zorginstanties zich vaak op één probleem richten. Het is van belang dat deze voorzieningen ook toegankelijk zijn voor deze subdoelgroep. Ook viel op dat hulpverleners met een niet medische achtergrond vaker standaard een intake of screening afnemen dan de medische hulpverleners. 73% van de verpleegkundigen en 50% van de artsen nemen namelijk altijd een intake of screening af, tegenover 84% van de maatschappelijk werkers, 100% van de sociaalpedagogisch hulpverleners en 83% van de andere hulpverleners. Wanneer de intake werd gerapporteerd maakte bij 88% van de gemeenten de instellingen gebruik van een elektronisch dossier. Van de 12% die dit niet deden werd er door twee instellingen gerapporteerd in een Word-document. 84% van de gemeenten gaf aan dat hun ketenpartners dit medische dossier niet in kunnen zien. Het is zorgwekkend dat in meer dan de helft van de gemeenten geen vaste samenwerkingsafspraken zijn tussen de geïnterviewde instantie en de huisarts. Wanneer er geen vaste samenwerkingsafspraken zijn werken deze instanties meestal wel samen met een huisarts als ketenpartner. Deze samenwerking is echter 17

niet op vaste basis en daarom is de zorg niet gewaarborgd. Het grootste deel van de respondenten ondervonden namelijk enige vorm van moeite in het doorverwijzen van een dak- of thuisloze mensen wanneer er geen vaste samenwerkingsafspraken waren met een ketenpartner. Dit geldt ook voor de huisarts, hierdoor komen medische klachten minder snel aan bod. Om de zorg zo soepel mogelijk te laten verlopen is een goede vaste samenwerking binnen de eerstelijns zorg voor dak- en thuislozen mensen van groot belang (Steward, 2016; Hudson, 2016). Voornamelijk goede samenwerkingsafspraken met huisartsen zijn in deze samenwerking belangrijk aangezien bij deze doelgroep veel dak- en thuisloze mensen vaak het contact zijn verloren met hun eigen huisarts en moeite hebben om zich bij een huisarts te registreren (Salize, 2013; Woollcott, 2008). Een vaste samenwerking tussen opvangorganisaties en huisartsen is dus van toegevoegde waarde. Twaalf respondenten gaven dan ook aan behoefte te hebben aan een vaste huisarts. Het is van belang dat deze vaste samenwerkingsafspraken met de huisarts minstens bestaan uit het houden van medische spreekuren. Echter wordt in een derde van de gemeenten geen medische of verpleegkundige spreekuren gehouden. Daarnaast wordt in sommige van deze gemeenten alleen een verpleegkundig spreekuur gehouden. Indien er een verpleegkundig spreekuur wordt gehouden is het van belang om hier een huisarts bij te betrekken. Verpleegkundigen mogen namelijk geen medicatie voorschrijven of mensen doorverwijzen naar een specialist, dit is wel van belang. Bij 42% van de gemeenten was geen verpleegkundige werkzaam binnen de geïnterviewde instantie of waren geen vaste samenwerkingsafspraken met de verpleegkundigen. In deze gemeenten werd dus geen verpleegkundige zorg geleverd bij de ondervraagde instanties. Schokkend was dat in 9 gemeenten geen enkele vorm van medische zorg werd aangeboden door de geïnterviewde instanties. In deze gemeenten gaf 67% (N=6) aan de dak- en thuislozen door te sturen naar een huisartsenpost wanneer zij medische zorg nodig hebben. Hierbij kan afgevraagd worden of deze zorg toereikend is. Daarnaast viel op dat in gemeenten waar meer dan 150.000 inwoners zijn (groep C en D) er in het grootste deel een vaste samenwerking is tussen de instantie en een verpleegkundigen. Onder de gemeenten met minder dan 150.000 inwoners (groep A en B) is dit in meer dan de helft van de gemeenten niet het geval. Dit is ook terug te zien bij de vaste samenwerking met een huisarts. Hieruit kan opgemaakt worden dat de medische zorg in de grotere gemeenten beter gewaarborgd is dan in de kleinere gemeenten. 18 Opvallend was dat hulpverleners die zich voornamelijk bezighouden met de medische zorg niet altijd bij aanmelding een intake of screening afnemen. Drie respondenten gaven hiervoor als reden dat zij de medische zorg zo laagdrempelig mogelijk willen houden door alleen de huidige lichamelijke klachten te bespreken. Andere onderwerpen kwamen vaak later aan bod, wanneer een vertrouwensband met de dak-of thuisloze was opgebouwd. Ook speelt een gebrek aan tijd hierbij een

rol. Daarentegen werd door de hulpverleners met een niet medische achtergrond wel bijna altijd een intake of screening afgenomen. Hierbij wordt vrijwel altijd gevraagd naar het medicatiegebruik, huidige lichamelijke klachten, ggz verleden, psychische klachten en het middelengebruik. Dit is zeer positief aangezien hierdoor de medische problematiek gesignaleerd wordt en van daaruit gehandeld kan worden. In dit onderzoek is echter niet gevraagd naar wat de hulpverleners met deze informatie deden, hierdoor is niet duidelijk wat wordt gedaan wanneer medische problemen worden geconstateerd. De literatuur vermeldt dat het gunstig is om hulpverleners zonder medische achtergrond te trainen in screenen en hun kennis over voor de doelgroep veelvoorkomende medische problematiek te vergroten. Dit maakt dat zij problematiek beter herkennen en weten hoe hiernaar gehandeld moet worden (Salize, 2013; Hudson, 2016). In een klein deel van de gemeenten werden de medische gegevens van de dak- of thuisloze mensen niet in een elektronisch dossier geregistreerd. Door 2 respondenten werd in plaats daarvan gerapporteerd in een Word-document. Door het gebruik van Word-documenten kan de privacy van de dak- en thuisloze mensen in het geding komen, deze documenten zijn namelijk niet beveiligd. In 84% van de gemeenten kunnen de ketenpartners het dossier niet inzien in verband met de privacy van de dak- of thuisloze mensen. Toch kan het voor de bevordering van de communicatie en samenwerking tussen de ketenpartners, belangrijk zijn dat de ketenpartners de dossiers kunnen inzien (Bonthuis, 2007). Een respondent benoemde in het interview als oplossing dat er bij hen gewerkt wordt met twee elektronische dossiers, één toegankelijk voor alle ketenpartners en een alleen toegankelijk voor medewerkers van de instantie. 51% van de respondenten vond dat de zorg vanuit hun gemeenten goed tot zeer goed georganiseerd is. 22% vond dat de zorg voldoende georganiseerd is en 24% gaf hiervoor een onvoldoende beoordeling. Het is een interessant gegeven dat binnen 3 van de 6 gemeenten, waar een tweede instantie is geïnterviewd, de respondenten de zorg binnen de gemeenten verschillend beoordelen. Sterke punten en beperkingen van dit onderzoek Dit is het eerste onderzoek gericht op de organisatie van de sociaal medische zorg voor dak- en thuisloze mensen binnen de 43 centrumgemeenten in Nederland. Het is gelukt om in alle 43 gemeenten hulpverleners betrokken bij de dak- en thuislozenzorg te interviewen. Hiermee worden deuren geopend voor vervolgonderzoek. Voor dit onderzoek is gebruik gemaakt van zowel kwantitatieve als kwalitatieve gegevens. Hierdoor konden we niet alleen maat en getal aangeven, maar ook de breedheid en de complexiteit van de sociaal medische zorg per gemeente beter in kaart brengen. Ook komt uit ervaringen van de onderzoekers naar voren dat veel van de zorgverleners die mee hebben gewerkt aan dit onderzoek erg betrokken en gemotiveerd zijn bij de zorg voor dak- en thuislozen mensen en deze in 19

Nederland naar een hoger niveau te tillen. Een belangrijk gegeven om de zorg in Nederland te verbeteren. Een kanttekening is dat slechts 1 a 2 instanties per gemeente zijn geïnterviewd. Vaak waren dit ook verschillende type instanties. Mogelijk zijn er andere instanties in de gemeenten die ook sociaal medische zorg leveren. Deze zijn in dit onderzoek niet betrokken, waardoor mogelijk een onvolledig beeld is ontstaan over de organisatie van sociaal medische zorg per gemeente in Nederland. Tijdens het verwerken van de interviews bleek dat respondenten soms tegenstrijdige antwoorden hadden gegeven. Ook had of nam niet iedere respondent even veel tijd voor het interview. Dit kan hebben geresulteerd in onvolledige antwoorden. Ook kan het zijn dat respondenten niet volledig op de hoogte waren van de situatie, verkeerde antwoorden hebben gegeven en/of de vraag verkeerd geïnterpreteerd hebben. Voor vervolgonderzoek wordt aangeraden om alle instanties te interviewen die betrokken zijn bij de zorg voor dak- en thuisloze mensen binnen een gemeente. Hiermee wordt een meer volledig beeld gecreëerd. Bij de indeling van gemeenten op basis van het aantal inwoners zijn 4 groepen gecreëerd. Groep A (<100.000 inwoners) bevat meer gemeenten dan de andere 3 groepen. Hierdoor kunnen er soms verschillen ontstaan, en dit kan een vertekend beeld geven van de resultaten. Aanbevelingen Op basis van dit onderzoek komen wij tot de volgende aanbevelingen: 1. In iedere centrumgemeente medische spreekuren invoeren voor dak- en thuislozen door een vaste groep huisartsen. 2. In elke gemeente moeten vaste samenwerkingsafspraken zijn tussen opvanginstanties en huisartsen. Daarnaast de samenwerking tussen de andere betrokken ketenpartners verbeteren door betere communicatie en een duidelijke taakverdeling te maken. Dit kan door vaste afspraken en richtlijnen op te stellen. Daarnaast is het ook bevorderend als ketenpartners het medisch dossier in kunnen zien. 3. De zorg voor dak- en thuislozen mensen die door multiproblematiek tussen wal en schip vallen laagdrempelig en beter toegankelijk maken. 4. Landelijk richtlijnen opstellen en afspraken maken over de organisatie van dak- en thuislozenzorg in Nederland om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van zorg in elke centrumgemeente op hetzelfde niveau is. 20

Conclusie De organisatie van sociaal medische zorg voor dak- en thuislozen is in alle 43 centrumgemeenten anders georganiseerd. In grotere gemeenten bleek de zorg beter gewaarborgd dan in de kleinere gemeenten. In sommige gemeenten is de medische zorg helemaal niet gewaarborgd. In veel gemeenten ontbrak namelijk een medisch spreekuur. Daarnaast waren in ongeveer de helft van de gemeenten geen vaste samenwerkingsafspraken tussen de geïnterviewde instantie en de huisarts of verpleegkundige met het gevolg dat de dak- en thuislozen mensen daar moeilijk in zorg komen. Dit zijn punten die wel van belang zijn voor de kwaliteit en beschikbaarheid van zorg. De zorg voor dak- en thuisloze mensen in Nederland zou beter georganiseerd kunnen worden door landelijke richtlijnen op te stellen zodat alle centrumgemeenten laagdrempelige, eenduidige en kwalitatief goede zorg leveren. 21

Bibliografie Andriessen, D.O. (2010). Gedragscode praktijkgericht onderzoek voor het hbo. Geraadpleegd op 15 mei, 2017, van hbo-raad vereniging voor hogescholen: file:///c:/users/ineke/downloads/gedragscode-praktijkgericht-onderzoek%20(3).pdf Bonthuis, M.J. (2007). Privacy en het landelijk Elektronisch Patiëntendossier (EPD). pag. 4-8. Geraadpleegd op 12 mei, 2017, van Itsprivacy: http://www.itsprivacy.nl/wpcontent/uploads/2010/09/privacy-en-het-epd-itp-2008.pdf CBS. (2016). Aantal daklozen in zes jaar met driekwart toegenomen. Geraadpleegd op 15 februari, 2017, van Centraal Bureau Statistiek: https://www.cbs.nl/nlnl/nieuws/2016/09/aantal-daklozen-in-zes-jaar-met-driekwart-toegenomen Coumans, M., Cruyff, M., Wolf, J., Schmeets, H., & Heijden, P. van der. (2010). Dakloos in Nederland. Den Haag: CBS. Cox, K., Lauw, D. de, Verhoef, J., & Kuiper, C. (2012). Evidence based practice voor verpleegkundigen. Den Haag: Boom Lemma Uitgevers, pp. 35-62. Vos, J. de. (2016). ONT-H2 Projectmethodiek. De rol van ontwerper. Hogeschool Utrecht. Geraadpleegd op 20 februari, 2017, van Sharepoint: https://onderwijsteams.sharepoint.hu.nl/fg/hbov/afstudeerfase/4ejaar/ontwerper/studi emateriaal/colleges/hc2%20projectmethodiek%20ont%20ab%202016-2017.pdf. Doctors for Homeless. (2016). Straatdokters. Geraadpleegd op 15 februari, 2017, van www.doctorsforhomeless.org: http://www.doctorsforhomeless.org/straatdokters/ Elissen, A.M.J., Raak, A.J.A. van, Derck, E.W.C.C., & Vrijhoef, H.J.M. (2013). Improving homeless persons utilisation of primary care: lessons to be learned from an outreach programme in The Netherlands. International journal of social welfare, pp. 80-89 Fazel, S., Geddes, J.R., & Kushel, M. (2014). The health of homeless people in highincome countries. descriptive epidemiology, health consequences, and clinical and policy recommendations. Lancet, pp. 1529-1540. Hudson, B.F., Flemming, K., Shulman, C., & Candy, B. (2016). Challenges to access and provision of palliative care for people who are homeless: a systematic review of qualitative research. BMC Palliative Care, 15:96. 22 Laere, I. van. (2013). Remedie voor de kwetsbare burger: OGGZ of sociaal medische zorg? In: Lohuis G, Beuker A (Red). Zonder sociaal geen psychiatrie. Amsterdam: B.V. Uitgeverij SWP. pp. 35-43.

Laere, I. van, Muijsenbergh, M. van den, Smit, R., & Slockers, M. (2015). Basiszorg voor daklozen is urgent probleem. Medisch contact, 70(8), 340-343. Lohuis, G., & Beuker, A. (2013). Zonder sociaal geen psychiatrie. Amsterdam: SWP, p. 232. Muijsenbergh, M. van den. (2010). Handboek multidisciplinaire zorg. Utrecht, De Tijdstroom; 14: pag. 205 217. Nederlandse Straatdokters Groep. (2017). Straatdokters. Geraadpleegd op 20 mei, 2017, van http://www.straatdokter.nl/ Rijksoverheid. (2017). Eerstelijnszorg. Opgeroepen op 28 februari, 2017, van rijksoverheid.nl: http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/eerstelijnszorg RIVM. (2017). Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV). Opgeroepen op 16 februari, 2017, van RIVM.nl: http://www.rivm.nl/onderwerpen/v/volksgezondheid_toekomst_verkenning_vtv Salize, H.J., Werner, A., & Jacke, C.O. (2013). Service provision for mentally disordered homeless people. Current Opinion in Psychiatry. pp. 355-361. Schleiffert, H. (2012). Naar de dokter ga ik wel als ik ziek ben. Tilburg, Nederland: Geraadpleegd op 15 mei, 2017, van Fontys Hogescholen Tilburg: http://www.rivm.nl/onderwerpen/v/volksgezondheid_toekomst_verkenning_vtv Speirs, V., Johnson, M., & Jirojwong, S.A. (2013). A systematic review of interventions for homeless women. Journal of Clinical Nursing. pp. 1080-1093 Steward, J., Holt, C.L., Pollio, D.E., Austin, E.L., Johnson, N., Gordon, A.J., & Kertesz, S.G. (2016). Priorities in the primary care of persons experiencing homelessness: convergence and divergence in the views of patients and provider/experts. Patient Preference and Adherence. pp. 153-158. V&VN. (2015). Leidraad voor je handelen als professional. Geraadpleegd op 20 mei, 2017, van Beroepscode van verpleegkundigen en verzorgenden: https://www.nursing.nl/pagefiles/13935/001_1420709885774.pdf White, B.M., & Newman, S.D. (2015). Access to primary care services among the homeless: a synthesis of the literature using the equity of access to medical care framework. Journal of Primary Care & Community Health. 6(2): 77-87. Wijnen, G., & Storm, P. (2007). Projectmatig werken. Houten-Antwerpen: Uitgeverij Unieboek. Woolcott, M. (2008). Access to primary care services. Nurse standard, 22(35), pp.40-44. 23

Wolf, J., Zwikker, M., Nicholas, S., Bakel, H. van, & Reinking, D. (2002). Op achterstand. Een onderzoek naar mensen in de marge van Den Haag. Utrecht: Trimbos-instituut. 24

Bijlage 1: Tabel 5 Tabel 5: Medische zorg per centrumgemeente gesorteerd op groep. 25