Rasresistentie tegen Phytophthora infestans in het loof - 2013 V. César (CRA-W) Samenvatting Om de aardappelziekte onder controle te houden zijn heel wat fungicidebehandelingen nodig. Het gebruik van rassen met een lagere gevoeligheid voor Phytophthora infestans blijft veruit de beste werkwijze om op een preventieve manier deze pathogeen aan te pakken. Elk jaar worden in Libramont verschillende rassen getest op hun gevoeligheid voor de aardappelziekte. Pas op 9 juli verschenen de eerste symptomen van de aardappelziekte in de proef. Het relatief droge weer leidde niet tot een snelle ontwikkeling van de symptomen. Eind juli begin augustus werd het weer wisselvallig wat zorgde voor een versnelling van de infecties. De meest resistentie rassen in de proef waren Carolus, Sarpo Mira en Bionica. Inleiding Phytophthora infestans blijft de belangrijkste plaag in de aardappelteelt. Onder gunstige omstandigheden kan deze ziekte een gewas in enkele weken tijd vernietigen. Om de plaag te bestrijden gebruiken de landbouwers zeer regelmatig fungiciden rekening houdende met waarschuwingssystemen. Tijdens een normaal groeiseizoen worden ongeveer 15 bespuitingen uitgevoerd. Planten van minder gevoelige variëteiten is een manier om het aantal fungicidebespuitingen te verminderen met behoud van een goede fytosanitaire gezondheid van het perceel. Het gebruik van deze rassen zorgt voor een reëel voordeel op het gebied van behoud van het milieu en een daling van de risico s voor de gebruiker. Elk jaar wordt een proef uitgevoerd in Libramont om de gevoeligheid voor Phytophthora te bepalen van de belangrijkste aardappelrassen in België. Er worden ook steeds nieuwe rassen opgenomen waarvan een aantal bestemd zijn voor de biologische markt als ook klonen afkomstig van het selectieprogramma van CRA-W. De kennis en de ontwikkeling van tolerante of zelfs resistente rassen voor Phytophthora is één van de manieren om te beantwoorden aan enerzijds de Europese doelstelling om het gebruik van pesticiden te reduceren en anderzijds aan de implementatie van de geïntegreerde bestrijding binnen de lidstaten. Doelstellingen Deze proef heeft als doel de gevoeligheid van Phytophthora infestans in het loof te bepalen bij diverse rassen. Deze variëteiten werden geselecteerd op basis van hun resistentie (zoals bleek uit het verleden) of omdat ze veel geteeld worden of nieuw zijn. Daarnaast heeft de proef ook als doel om de gevoeligheid voor Phytophthora te evalueren van de klonen afkomstig van het selectieprogramma van het CRA-W.
Teeltomstandigheden De proef was aangelegd in Bras (deelgemeente van Libramont). De bemesting en onkruidbestrijding gebeurden volgens de gangbare praktijk. Er werden 26 rassen getest in een ad random blokkenproef met 4 parallellen. Elk veldje was 2,7 m² groot en bestond uit 3 rijen met telkens 8 planten. Aan beide kanten van de veldjes werden infectierijen aangelegd met het ras Bintje. De infectie kwam op natuurlijke wijze in het perceel. De klonen uit het selectieprogramma werden op hetzelfde perceel geplant maar zonder herhalingen door een tekort aan pootgoed. De proef werd op twee tijdstippen geplant: herhaling 1 en 2 werden geplant op 28 mei maar moest onderbroken worden door de regen. Herhaling 3 en 4 werden op 6 juni geplant. In tegenstelling tot 2012 was het redelijk droog, wat niet gunstig is voor een snelle ontwikkeling van Phytophthora. De gemiddelde dagtemperaturen lagen rond 15-20 C met uitzondering van eind juni met onweders en frisse temperaturen. Tijdens juli en augustus bleef het weer relatief rustig soms afgewisseld door perioden van regen die ervoor zorgden dat de aardappelziekte zich toch kon ontwikkelen. Grafiek 1 Weersomstandigheden van 28 mei tot 31 augustus 2013 (bron: Pameseb) Vanaf het verschijnen van de eerste symptomen op het perceel (9 juli) werden elke 3 tot 4 dagen waarnemingen gedaan. De graad van aantasting werd uitgedrukt in percentage aangetast blad volgens de schaal van het Europees Netwerk Eucablight. Uit deze waarnemingen werd de AUDPC-waarde (Area Under the Disease Progress Curve) berekend. Dit liet vervolgens toe om een cijfer voor gevoeligheid te berekenen (via extrapolatie van de resultaten van de referentierassen). Bintje, Markies, Gasoré en Sarpo Mira haalden respectievelijk 2,4; 5,4; 7,6 en 8,9 op een schaal van 1 tot 9 (met 9 = totale resistentie). De rassen en klonen in proef worden weergegeven in Tabel 1.
Tabel 1 Lijst van de rassen en klonen getest op gevoeligheid voor Phytophthora infestans op het blad Rassen Klonen (kruisingen) Agria Triplo 09-11-17 R8 99 sassa x Dalida Allians Princess 09-12-24 R8 99 sassa x Dalida Asterix Sarpo Mira 09-12-39 R8 99 sassa x Dalida Bintje Spunta 09-12-41 R8 99 sassa x Dalida Biogold Victoria 09-22-18 Spunta - Eden Bionica Vitabella 09-23-05 Sarpo Mira x Apolline Bionta 09-23-21 Sarpo Mira x Apolline Carolus 09-23-25 Sarpo Mira x Apolline Challenger 09-24-11 Eden x Apoline Désirée 08-11-17 Marabel x Vineta Fontane 08-13-09 Bellarosa x Mariline Franceline 08B-11-04 Marabel x Vineta Gasoré 08B-15-01 Eden x Mariline Innovator 08B-18-14 Marabel x Tivoli Lady Rosetta 07-06-09 Gasoré x Désirée Leire 07-10-89 Gasoré x Victoria Leonardo 07-10-96 Gasoré x Victoria Markies 07-10-123 Gasoré x Victoria Miss Bianka 05-01-08 Gasoré x Impala Miss Malina 05-01-48 Gasoré x Impala Voorkomen en ontwikkeling van de aardappelziekte De eerste symptomen van de aardappelziekte verschenen op 9 juli in de rassen Bintje, Spunta en Asterix. Het relatief droge weer leidde niet tot een snelle ontwikkeling van de symptomen. Grafiek 2 Modellering van de infecties van de aardappelziekte in Libramont van 1 juli tot 31 augustus 2013 (bron: www.pameseb.be)
Juli werd gekenmerkt door extreem droog weer met 19 opeenvolgende dagen zonder neerslag en een gemiddelde temperatuur dicht bij 20 C. Met als gevolg dat er weinig infectiekansen werden geregistreerd. Maar vanaf het einde van juli tot 9 augustus was het weer wisselvallig met regelmatig stortbuien en temperaturen overdag rond 25 C. Deze omstandigheden zorgden voor een snelle opeenvolging van de infecties wat zich vertaalde in een algemene aantasting. Het einde van augustus werd vervolgens gekenmerkt door zachtere temperaturen en relatief weinig neerslag. Maar dankzij de dagelijkse aanwezigheid van ochtenddauw kon de aardappelziekte zich blijven ontwikkelen. Vanaf midden augustus waren de gevoelige rassen bijna volledig vernietigd. De waarnemingen werden gestopt eind augustus. In 2012 waren 21 dagen nodig vooraleer het loof van Bintje volledig vernietigd was. In 2013 was er dubbel zoveel tijd nodig of dus 42 dagen om dezelfde aantasting te zien. Grafiek 3 toont de evolutie van aangetast loof door de aardappelziekte per groep rassen met dezelfde gevoeligheid. Grafiek 3 Evolutie van de bladaantasting door Phytophthora infestans van 1 juli tot 31 augustus Resultaten De rassen Bintje, Lady Rosetta, Spunta, Princess, Franceline, Challenger en Miss Bianka toonden een zeer snelle voortgang van de loofaantasting eenmaal de eerste symptomen optraden. Vijftien dagen na het begin van de infectie was reeds 50% van het loof aangetast. Deze rassen worden dus aanzien als zeer gevoelig. De rassen Innovator, Désirée, Fontane, Leonardo, Markies, Victoria en Asterix worden beschouwd als gevoelig. Op het einde van de waarnemingen was er nog weinig groen loof aanwezig. Ook bij deze rassen breidde de infectie zich snel uit zoals bij de zeer gevoelige rassen, maar met een lagere bladaantasting.
Anderzijds worden de rassen Agria, Triplo, Leire, Bionta, Miss Malina en Allians dit jaar beschouwd als matig gevoelig. Terwijl de infectie reeds bij het begin van de waarnemingen duidelijk zichtbaar was op de gevoelige rassen, bleven de infecties bij deze rassen eerder beperkt. Op het einde van de waarnemingen was 50% van het loof nog groen. Tenslotte tonen de rassen Gasoré, Vitabella, Biogold, Bionica, Sarpo Mira en Carolus een hoog niveau van resistentie. Deze rassen worden dus beschouwd als weinig gevoelig. Op het einde van de waarnemingen, wanneer het loof van de gevoelige rassen bijna helemaal vernietigd was, bedroeg de gemiddelde aantasting van de resistentie rassen slechts 15%. Onder deze rassen werden Bionica, Sarpo Mira en Carolus bijna niet geïnfecteerd. Daarom krijgen deze drie rassen dan ook de maximum score van 9. De gevoeligheid van de verschillende rassen voor de aardappelziekte gedurende de voorbije jaar wordt weergegeven in Tabel 2. Tabel 2 Gevoeligheid voor Phytophthora infestans in het blad van 2010 tot 2013 Gevoeligheid voor Phytophthora infestans Ras 2013 2012 2011 2010 Bintje 2,6 2,2 2,3 2,5 Lady Rosetta 3,2 3,4 1,3 2,8 Spunta 3,8 - - - Princess 4,1 - - - Franceline 4,3 - - - Challenger 4,4 6,5 4,9 - Miss Bianka 4,4 - - - Innovator 4,9 5,9 4,0 3,8 Désirée 5,0 3,8 4,0 Fontane 5,0 4,4 1,8 3,1 Leonardo 5,1 - - - Markies 5,2 5,7 5,5 4,6 Victoria 5,5 4,2 - - Asterix 5,5 4,7 4,5 - Agria 5,6 5,6 5,1 3,5 Triplo 5,6 - - - Leire 5,7 5,1 - - Bionte 6,1 8,7 8,2 - Miss Malina 6,5 6,7 - - Allians 6,8 - - - Gasoré 7,4 8,1 6,3 7,6 Vitabella 7,4 - - - Biogold 7,6 7,7-6,3 Bionica 9,0 8,5 9,0 9,0 Sarpo Mira 9,0 8,6 8,9 9,0 Carolus 9,0 8,6 - - Het selectieprogramma van het CRA-W heeft als doel om rassen te creëren die weinig gevoelig zijn voor de aardappelziekte en toch hun interessante technologische en landbouwkundige eigenschappen behouden. De keuze van de ouderlijnen richt zich dus naar rassen die weinig gevoelig zijn voor Phytophthora infestans (Sarpo Mira, Bionica, Gasoré, ) en een goede culinaire kwaliteit en verwerkingseigenschappen hebben (Charlotte, Fontane, Victoria, ). Momenteel vertonen enkele klonen in de selectie een gedrag ten opzichte van de aardappelziekte vergelijkbaar met weinig gevoelig rassen (kruising Sarpo Mira x Apolline).
Besluit De keuze voor rassen met een lagere gevoeligheid voor ziekten blijft veruit de beste werkwijze om op een preventieve manier ziekten aan te pakken. Dit is des te meer van toepassing in het kader van de bestrijding van Phytophthora infestans, een ziekte die heel wat fungicidebehandelingen vereist gedurende het groeiseizoen. Ook in 2013 werden grote verschillen in gevoeligheid voor Phytophthora infestans waargenomen tussen de geteste rassen. Terwijl de meest gevoelige rassen volledig vernietigd werden door de aardappelziekte, vertoonden de minst gevoelige rassen zeer weinig symptomen. Het gebruik van deze variëteiten zou een daling in het aantal fungicidebespuitingen kunnen toelaten terwijl het loof gezond blijft. In welke mate de bescherming kan verminderd worden zou in specifieke proeven moeten beoordeeld worden. Onder de geteste rassen in 2013 vertoont het ras Vitabella een uitzonderlijke resistentie met een gevoeligheid van 7,4 (vergelijkbaar met Gasoré en Biogold). Vitabella (kweekbedrijf KWS) is een ras bestemd voor de biologische teelt. Het is een vroeg ras dat goed bewaart. Zijn gladde schil zorgt ervoor dat hij gewassen gecommercialiseerd kan worden. Net als in 2012 vertoont het ras Carolus (kweekbedrijf Agrico) een uitstekende resistentie tegen de aardappelziekte. Er werd zelfs geen enkel symptoom gezien op het loof tot op het einde van de waarnemingen. Dit is een ras bestemd voor de versmarkt en is eerder bloemig. Verschillende klonen in het selectieprogramma vertonen eveneens een hoog gevoeligheidscijfer (een goede resistentie tegen Phytophthora infestans). Dit stimuleert de verdere ontwikkeling van het selectieprogramma en het creëren van nieuwe rassen binnen het CRA-W.