SECTORFOTO Voedingsindustrie 2008 Departement Werk en Sociale Economie
Colofon Samenstelling: Vlaamse overheid Beleidsdomein Werk en Sociale Economie Departement Werk en Sociale Economie Koning Albert II-laan 35 bus 20 1030 Brussel Tel 02/553 42 56 sectorconvenants@vlaanderen.be Verantwoordelijke uitgever: Dirk Vanderpoorten Secretaris-generaal Depotnummer: D/2008/3241/335 Lay-out: Vingerhoets.com Uitgave: december 2008
Synthese In 2007 werkten 57.420 Vlaamse werknemers in de voedingsector, die daarmee 2,8% van alle Vlaamse loontrekkenden tewerkstelt. Het aantal werknemers in de sector blijft relatief stabiel ten opzichte van de voorgaande jaren. De voedingsector is een overwegend mannelijke sector, met 68% mannelijke werknemers. Het gros van de tewerkstelling in de sector is te vinden in grote bedrijven met 100 tot 500 werknemers. In 2007 ontving VDAB 4.235 vacatures vanuit de voedingsnijverheid, voornamelijk voor laaggeschoold personeel. 38 van de 67 beroepen in de voedingsector waarvoor VDAB in 2007 vacatures ontving, zijn knelpuntberoepen. Een groot deel van de werknemers in de voedingsector stroomt de sector in via uitzendwerk. 39,4% van de nieuw ingestroomde werknemers die voorheen al aan het werk waren, werkten met een uitzendcontract. In 2006 nam 40,1% van de werknemers in de voedingsector deel aan een opleiding, tegenover een Belgisch gemiddelde van 32,5%. In 2007 werden 357 IBO s opgestart in de sector, 2,4% van alle IBO s in Vlaanderen. 3
Voorwoord Sectoren zijn een belangrijke motor in het Vlaamse arbeidsmarktbeleid. We denken hierbij bijvoorbeeld aan acties in het kader van diversiteit, opleiding van werknemers en toeleiding van leerlingen en werkzoekenden naar de arbeidsmarkt. Via de sectorconvenants (protocollen tussen de Vlaamse Regering en sectoren) engageren de sectorale sociale partners zich om de prioriteiten van het arbeidsmarktbeleid mee gestalte te geven. Op die manier werkt het sectorale beleid versterkend ten aanzien van het Vlaamse arbeidsmarktbeleid. In 2001 werd de eerste generatie sectorconvenants afgesloten in het kader van het Vlaams Werkgelegenheidsakkoord 2001-2002. De bestaande samenwerking van de Vlaamse Regering met de sectoren d.m.v. sectorconvenants werd later telkens verlengd en uitgebreid op basis van de volgende Werkgelegenheidsakkoorden. Anno 2008 is het vooral de Competentieagenda die inspirerend werkt op de werking van de sectorconvenants. Via de sectorconvenants trachten de sectoren meer mensen aan het werk te krijgen en houden en elk talent te (h)erkennen, ontwikkelen en benutten. Om de sectorconvenants en de sectoren te kunnen plaatsen binnen een socio-economisch kader, worden sectorfoto s gemaakt die we ter beschikking stellen van de sectoren en publiek maken via de portaalsite www.werk.be. Op deze website kan u ook de gehanteerde cijferreeksen en uitleg bij de methodologie terugvinden. We geloven namelijk in de sectorfoto s als steunpunt én hefboom om in overleg met de sectoren en vanuit een sectorale invalshoek een strategische visie te ontwikkelen als antwoord op de huidige en toekomstige uitdagingen van de arbeidsmarkt. Sectoren krijgen aan de hand van de sectorfoto s zicht op de realiteit in hun sector en op hun positie ten opzichte van het Vlaamse gemiddelde. Dit kan inspirerend werken bij de totstandkoming van nieuwe sectorconvenants (verlengingen) of kan sectoren aanzetten om tussentijds bij te sturen. Alle gepubliceerde sectorfoto s werden eerst gekeurd en goed bevonden door de sectorale sociale partners. We beseffen dat de onderstaande cijfers, tabellen en grafieken geen perfecte weergave zijn van de sectorale dynamiek. Misschien had uzelf als fotograaf vanuit een ander perspectief een andere kadering gekozen of gefocust op andere elementen. We nodigen u dan ook uit om dit instrument gaandeweg samen met ons te blijven versterken. We hopen met deze snapshots alvast het sectoraal beleid verder te inspireren. Dirk Vanderpoorten Secretaris generaal, departement Werk en Sociale Economie 4
Inhoudsopgave SYNTHESE 3 VOORWOORD 4 INHOUDSOPGAVE 5 1. INLEIDING 6 2. HET AANTAL VLAAMSE WERKNEMERS 7 3. AANTAL JOBS EN VESTIGINGEN IN VLAANDEREN 9 4. KENMERKEN VAN DE BEROEPEN EN VACATURES 11 5. JOBMOBILITEIT 14 6. OPLEIDINGSINSPANNINGEN 18 7. DE INDIVIDUELE BEROEPSOPLEIDING IN DE ONDERNEMING 19 8. DIVERSITEITSPLANNEN 21 Figuren 1: Verdeling van de Vlaamse werknemers naar achtergrondkenmerken (2007) 8 2: Verdeling van de jobs naar ondernemingsgrootte (Vlaams Gewest, 2005) 9 3: Werknemersstromen in de voedingsector (Vlaams Gewest, 2003-2004) 16 4: Werknemersstromen naar statuut (Vlaams Gewest, 2003-2004) 17 Tabellen 1: Evolutie van het totalel aantal Vlaamse werknemers (2005-2007) 7 2: Aantal Vlaamse werknemers en verdeling naar achtergrondkenmerken (2007) 8 3: Verdeling van de jobs naar ondernemingsgrootte (Vlaams Gewest, 2005) 9 4: Verdeling van de vestigingen naar ondernemingsgrootte (Vlaams Gewest, 2005) 10 5: Faillissementen in de voedingsector (Vlaams Gewest, 2006-2007) 10 6: Kenmerken van de ontvangen vacatures in de voedingsector (Vlaams Gewest, 2007) 11 7: Overzicht van de belangrijkste beroepen en vacatures in de voedingsector (Vlaams Gewest, 2007) 12 8: Instroom van werkzoekenden naar achtergrondkenmerken (Vlaams Gewest, 2007) 14 9: Werknemersstromen in de voedingsector (Vlaams Gewest, 2003-2004) 15 10: Werknemersstromen naar statuut in de voedingsector (Vlaams Gewest, 2003-2004) 16 11: 0pleidingsinspanningen in de bedrijven in de voedingsector (België, 2006) 18 12: Kenmerken van de opgestarte IBO s (Vlaams Gewest, 2007) 19 13: Diversiteitsplannen (Vlaams Gewest, 2007) 21 5
1. Inleiding De Voedingsindustrie wordt vertegenwoordigd door de paritaire comités 118 en 220. Het Paritair Comité 118 voor de Voedingsnijverheid is bevoegd voor de werknemers die hoofdzakelijk handarbeid verrichten en hun werkgevers, terwijl het Paritair Comité 220 voor de bedienden uit de voedingsnijverheid bevoegd is voor de werknemers die hoofdzakelijk hoofdarbeid verrichten en hun werkgevers. Het betreft werknemers actief in nace-activiteit 15: productie van voedingswaren en dranken. De data-bestanden waarmee de cijfers uit deze sectorfoto zijn opgemaakt, zijn steeds afgebakend volgens óf paritair comité óf nace-code óf werkgeverskengetal. Naargelang de manier van afbakenen verschilt de sectorpopulatie enigszins, maar we selecteren steeds de afbakeningsmethode die de meest correcte resultaten geeft. De resultaten van de analyse worden per sector steeds afgewogen tegen een gemiddelde voor alle sectoren samen. Hierdoor kan vastgesteld worden of de sector beneden- of bovengemiddelde cijfers haalt voor de verschillende indicatoren. De sectorfoto biedt zo een globaal cijfermatig portret van de sector. Een uitgebreide toelichting over de gebruikte methodologie/bronbestanden kan u terugvinden op www.werk.be. De cijfers die in deze sectorfoto gebruikt worden, evenals in de sectorfoto s van andere sectoren, worden u integraal online aangeboden. Ook de sectorfoto s zijn downloadbaar in pdf-formaat. 6
2. Het aantal Vlaamse werknemers Voor het berekenen van het aantal loontrekkende werknemers in de voedingsector maken we gebruik van de gecentraliseerde statistieken van de RSZ 1. In deze statistieken wordt geteld met het aantal werknemers naar woonplaats. De afbakening is gebeurd op basis van PC 118 en PC 220. De voedingsector telde in het tweede kwartaal van 2007 57.420 Vlaamse loontrekkende werknemers. In alle sectoren samen waren op dat moment 2.045.049 loontrekkende Vlamingen actief. De voedingsector is dus goed voor een aandeel van 2,8% van alle loontrekkenden in het Vlaams Gewest. Ten opzichte van 2005 is het aantal loontrekkenden met 343 personen gedaald, wat neerkomt op een daling van -0,6% op 2 jaar tijd. Over een langere periode bekeken blijft de werkgelegenheid in de voedingsindustrie echter relatief stabiel. Tabel 1: Evolutie van het totale aantal Vlaamse werknemers (2005-2007) 2005 2006 2007 Voedingsector (n) 57.763 57.267 57.420 (%) -0,9% +0,3% Secundaire sector (n) 533.119 532.372 529.258 (%) -0,1% -0,6% Alle sectoren (n) 1.992.293 2.014.451 2.045.049 (%) +1,1% +1,5% Bron: Gecentraliseerde statistiek RSZ-DMFA, toestand op 30/06/2005-2007 (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) In de voedingsector zijn meer mannen dan vrouwen tewerkgesteld: bijna 7 op de 10 loontrekkenden is man en 3 op de 10 loontrekkenden is vrouw, tegenover 54,8% mannen en 45,2% vrouwen gemiddeld in het Vlaams Gewest. De voedingsector telt meer arbeiders dan bedienden: 68,9% van de loontrekkende werknemers heeft een arbeidersstatuut en 31,1% heeft een bediendestatuut. In vergelijking met de rest van Vlaanderen zijn arbeiders sterk oververtegenwoordigd. In het Vlaams Gewest werkt 38,7% van de loontrekkenden met een arbeidersstatuut, en 48,5% als bediende. Het leeftijdsprofiel van de werknemers in de voedingsindustrie is vergelijkbaar met het Vlaams gemiddelde. Werknemers tussen 25 en 49 jaar zijn licht oververtegenwoordigd (72,2% tegen 69,2%), ten koste van jongeren en 50-plussers. In de voedingsector is 82,2% van de loontrekkende werknemers actief in een voltijds arbeidsregime, wat een oververtegenwoordiging is in vergelijking met het gemiddelde in Vlaanderen (67,4%). 1 De gecentraliseerde statistieken worden opgemaakt op basis van de onderneming als een homogeen geheel en worden geteld naar personen. Hierdoor worden dubbeltellingen door personen met meerdere jobs uitgezuiverd. 7
Tabel 2: Aantal Vlaamse werknemers en verdeling naar achtergrondkenmerken (2007) Voedingindustrie Totaal Vlaams Gewest n % % Totaal aantal 57.420 100,0 100,0 (n=2.045.049) Geslacht Mannen 39.019 68,0 54,8 Vrouwen 18.401 32,0 45,2 Statuut Arbeiders 39.567 68,9 38,7 Bedienden 17.853 31,1 48,5 Ambtenaren - - 12,8 Leeftijdsklasse 18-24 jaar 4.697 8,2 9,8 25-49 jaar 41.758 72,2 69,2 50-64 jaar 10.477 18,2 20,1 Andere (-18 en +65) 488 0,8 0,8 Arbeidsregime Voltijds 47.179 82,2 67,4 Deeltijds 10.194 17,8 28,7 Speciaal regime 47 0,1 3,8 Bron: Gecentraliseerde statistiek RSZ-DMFA, toestand op 30/06/2007 (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) Figuur 1: Verdeling van de Vlaamse werknemers naar achtergrondkenmerken (2007) Ambtenaren Andere Andere Speciaal regime 100% Vrouwen Vrouwen Bedienden 50-64 50-64 Deeltijds Deeltijds 90% 80% 70% 60% Bedienden 50% 40% 30% Mannen Voeding Mannen Vlaams Gewest Arbeiders Voeding 25-49 Arbeiders 18-24 Vlaams Gewest Voeding 25-49 18-24 Vlaams Gewest Voltijds Voeding Voltijds Vlaams Gewest 20% 10% 0% Geslacht Statuut Leeftijd Arbeidsregime Bron: Gecentraliseerde statistiek RSZ-DMFA, toestand op 30/06/2007 (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) 8
3. Aantal jobs en vestigingen in Vlaanderen De cijfergegevens betreffende het aantal jobs en inrichtingen zijn gebaseerd op de gedecentraliseerde statistieken van de RSZ. Binnen deze statistieken telt men met arbeidsplaatsen naar werkplaats. De afbakening is gebeurd op basis van werkgeverskengetallen 048, 051, 052, 058, 158, 258 en 848. In 2005 is de voedingsector goed voor een totaal van 67.185 jobs of 4,3% van het totale aantal jobs in de Vlaamse privésector. De helft van de loontrekkende jobs (48,3%) in de voedingsector is gesitueerd in grote ondernemingen met meer dan 100 jobs, wat iets meer is dan gemiddeld in de Vlaamse privésector (40,7%). Tabel 3: Verdeling van de jobs naar ondernemingsgrootte (Vlaams Gewest, 2005) Voedingsindustrie Totaal privésector Ondernemingsgrootte n % % Totaal 67.185 100,0 100,0 (n=1.544.659) 1 tot 4 jobs 4.871 7,3 10,8 5 tot 9 jobs 5.918 8,8 9,7 10 tot 19 jobs 6.520 9,7 10,6 20 tot 49 jobs 9.384 14,0 16,1 50 tot 99 jobs 8.070 12,0 12,2 100 tot 199 jobs 12.261 18,2 11,3 200 tot 499 jobs 13.902 20,7 13,7 500 tot 999 jobs 4.938 7,3 7,5 Meer dan 1.000 jobs 1.321 2,0 8,3 Bron: Gedecentraliseerde statistiek RSZ, toestand op 31/12/2005 (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) Figuur 2: Verdeling van de jobs naar ondernemingsgrootte (Vlaams Gewest, 2005) 20,7% 25% 7,3% 10,8% 10,6% 9,7% 9,7% 8,8% 16,1% 14,0% 12% 12,2% 18,2% 11,3% 13,7% 7,3% 7,5% 8,3% 20% 15% 10% 2,0% 5% 1-4 5-9 10-19 20-49 50-99 100-199 200-499 500-999 +1.000 0% Ondernemingsgrootte (aantal werknemers) Voedingsindustrie privésector Bron: Gedecentraliseerde statistiek RSZ, toestand op 31/12/2005 (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) 9
In tabel 4 vinden we de verdeling van de inrichtingen naar ondernemingsgrootte. Het gaat hier om alle vestigingen van alle bedrijven, niet om de bedrijven in hun geheel. In 2005 telt de voedingsector 3.938 inrichtingen, wat goed is voor 2,8% van het totale aantal inrichtingen in de Vlaamse privésector. Tabel 4: Verdeling van de vestigingen naar ondernemingsgrootte (Vlaams Gewest, 2005) Voedingsindustrie Totaal privésector Ondernemingsgrootte n % % Totaal 3.938 100,0 100,0 (n=141.511) 1 tot 4 jobs 10.287 71,2 65,9 5 tot 9 jobs 2.465 17,1 16,2 10 tot 19 jobs 1.080 7,5 8,5 20 tot 49 jobs 481 3,3 5,8 50 tot 99 jobs 70 0,5 1,9 100 tot 199 jobs 14 0,1 0,9 200 tot 499 jobs 8 0,1 0,5 500 tot 999 jobs 2 0,0 0,1 Meer dan 1.000 jobs - - 0,0 Onbekend 34 0,2 0,2 Bron: Gedecentraliseerde statistiek RSZ, toestand op 31/12/2005 (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) De onderstaande tabel bevat de faillissementen in de voedingsector 2. De sector werd hier afgebakend op basis van nace-code 15. In 2007 gingen slechts 44 bedrijven in de sector failliet in Vlaanderen, heel wat minder dan het vorige jaar. Tabel 5: Faillissementen in de voedingsector (Vlaams Gewest, 2006-2007) Aantal werknemers totaal aandeel 1 tot 4 5 tot 9 10 tot 19 20 tot 49 50 tot 99 100 tot 199 200 tot 499 500 tot 999 +1.000 gn. wn. 2006 56 1,4% 27 12 2 5 1 - - - - 9 2007 44 1,1% 20 9 2 4 - - - - - 9 Bron: FOD Economie ADSEI (Bewerking Departement WSE) 3 Het betreft enkel faillissementen van bedrijven waarvan het adres van de maatschappelijke zetel gelegen is in Vlaanderen. Voor sommige sectoren zijn deze cijfergegevens een onderschatting omdat de maatschappelijke zetel dikwijls in Brussel gelegen is. 10
4. Kenmerken van de beroepen en vacatures Voor de afbakening van de voedingsector maakt de VDAB gebruik van een indeling naar nace-codes 15 en 16. Het betreft vacatures uit het normaal economisch circuit zonder interimopdrachten. Zowel de vacatures uit het AMI-systeem, die beheerd worden door consulenten van de VDAB, als de vacatures uit Jobmanager, die door de werkgever zelf worden ingevoerd, zijn opgenomen in de cijfers. Bij de interpretatie van de gegevens dient men rekening te houden met het feit dat de sectoren ook andere pistes bewandelen in hun aanwervingsbeleid. Tabel 6: Kenmerken van de ontvangen vacatures in de voedingsector (Vlaams Gewest, 2007) Voedingsindustrie Vlaams Gewest n % % Totaal 4.235 100,0 100,0 (n=281.661) Vestigingsplaats bedrijf Antwerpen 814 19,2 23,3 Vlaams-Brabant 483 11,4 12,7 West-Vlaanderen 1.246 29,4 25,8 Oost-Vlaanderen 1.299 30,7 18,6 Limburg 335 7,9 9,0 Buiten Vlaanderen 58 1,4 10,5 Studieniveau 3 Laag 2.459 58,1 45,3 Midden 1.324 31,3 22,0 Hoog 452 10,7 32,7 Gevraagde ervaring <6 maanden 2.699 63,7 60,1 6 maanden - 2 jaar 1.069 25,2 26,1 +2 jaar 467 11,0 13,8 Jobkanaal 4 524 12,4 8,0 Bron: VDAB (Bewerking departement WSE) De voedingsindustrie is vooral in Oost- en West-Vlaanderen te vinden. Het valt dan ook niet te verwonderen dat 60% van de vacatures die VDAB in 2007 ontving uit deze twee provincies afkomstig was. In de voedingsector is men voornamelijk op zoek naar laaggeschoold personeel. Bijna 60% van de ontvangen vacatures in de voedingsindustrie is bestemd voor laaggeschoolden, tegenover 45,3% gemiddeld in Vlaanderen. Slechts 10,7% van de vacatures was bestemd voor hooggeschoolden, ten opzichte van de een Vlaams gemiddelde van 32,7%. 4 Definitie onderwijsniveau: (1) laag: max. secundair onderwijs 2de graad of wanneer geen minimum studieniveau vermeld werd door de werkgever; (2) midden: secundair 3de of 4de graad; (3) hoog: hoger onderwijs. 5 Jobkanaal is een rekruteringskanaal dat zich exclusief richt op werkzoekende ouderen, personen met een handicap en allochtonen. Het aandeel wordt berekend door het aantal vacatures ontvangen via jobkanaal te delen door het totaal aantal vacatures in het AMI-systeem (vacatures in beheer van VDAB-consulenten), dus exclusief jobmanager. 11
Voor bijna 65% van de vacatures die VDAB in 2007 van de sector ontving, was nauwelijks of geen ervaring vereist. VDAB ontving 524 vacatures van de voedingsector via Jobkanaal, 12,4% van alle ontvangen vacatures uit de sector. VDAB ontving in 2007 8% van haar vacatures via Jobkanaal. Voor 67 beroepen in de voedingsector werden in 2007 minstens 10 vacatures ontvangen. In totaal waren er 4.235 vacatures (uit het NEC zonder interim) voor de voedingsector, dit is 1,5% van het totale aantal vacatures bij VDAB uit het NEC zonder interim in heel Vlaanderen. In vergelijking met het sectoraandeel in de totale Vlaamse werkgelegenheid (2,8%) is dit eerder beperkt. De sector lijkt in haar aanwervingsbeleid naast VDAB ook andere pistes te bewandelen. 8 van de 67 beroepen zijn knelpuntberoepen, waarvan enkele sectorspecifieke knelpuntberoepen, zoals bakker, slachterijarbeider en visfileerder. Volgens de VDAB-analyse van knelpuntvacatures raken deze jobs moeilijk ingevuld omdat de kandidaten schaars zijn. Slechts weinigen studeren af in deze richting, en van hen gaat ook maar een beperkt aandeel effectief aan de slag in de voedingsector. Voor bakkers zijn de lage lonen en het verplichte zaterdagwerk een bijkomend probleem. Voor het beroep van banketbakker is de sector verantwoordelijk voor 70,2% van alle vacatures in Vlaanderen. Ook voor de volgende beroepen vertegenwoordigt de sector meer dan de helft van de vacatures: broodbakker, helper bakker of snoepgoed, pralinemaker - chocoladebewerker, visfileerder, slachterijarbeider, productiearbeider dranken, arbeider zuivelindustrie, slachter en helper tabaksbewerker. Tabel 7: Overzicht van de belangrijkste beroepen en vacatures in de voedingsector (Vlaams Gewest, 2007) Ontvangen vacatures in 2007 Knelpunt Vlaams Gewest Sector Aandeel Inpakker met de hand 1689 473 28,0% Verkoper 11037 436 4,0% Productiearbeider 4396 405 9,2% Onderhoudsmecanicien en hersteller machines en ja 2059 132 6,4% industriële installaties Winkelverkoper - aanvuller - kassier 4873 117 2,4% Technicus - productieoperator ja 1049 107 10,2% Banketbakker - pasteibakker - patissier ja 151 106 70,2% Insteller bediener van een inpakmachine 242 103 42,6% Broodbakker ja 159 97 61,0% Behandelaar van voedingswaren 248 91 36,7% Productieverantwoordelijke ja 1626 83 5,1% Bediener van heftruck ja 1112 80 7,2% Administratieve bediende 9470 69 0,7% Technicus ja 1796 68 3,8% Helper bakker of snoepgoed ja 102 63 61,8% Bediener van metaalwerktuigmachines (productie) ja 605 57 9,4% Magazijnarbeider onderdelen en wisselstukken - ja 3047 54 1,8% opslag- en stapelplaatsen Beenhouwer - spekslager ja 497 51 10,3% 12
Ontvangen vacatures in 2007 Knelpunt Vlaams Gewest Sector Aandeel Pralinemaker - chocoladebewerker 62 48 77,4% Technicus elektromechanica ja 1371 44 3,2% Verkoper huis aan huis - leurder 120 44 36,7% Laborant 719 43 6,0% Filiaalhouder of handelszaakbeheerder ja 2388 42 1,8% Filiaalassistent - eerste verkoper - rayon verantwoordelijke ja 1116 42 3,8% Vleesbewerker ja 119 39 32,8% Visfileerder ja 64 38 59,4% Orderpicker - distributiesector 1527 38 2,5% Chauffeur distributie ja 671 34 5,1% Uitvoerend bediende 2365 33 1,4% Commercieel bediende ja 6020 33 0,5% Bestuurder lichte vrachtwagen - vaste wagen (max. 7,5 ton) ja 744 33 4,4% Slachterijarbeider ja 48 33 68,8% Bestuurder van trekker met oplegger ja 1269 32 2,5% Vertegenwoordiger ja 7201 31 0,4% Bestuurder zware vrachtwagen - vaste wagen (+ 7,5 ton) ja 615 28 4,6% Productiearbeider bakkerij 70 27 38,6% Productiearbeider dranken ja 29 27 93,1% Boekhouder ja 2605 26 1,0% Kwaliteitscontroleur 833 26 3,1% Technicus biochemie en voeding ja 97 25 25,8% Bestelwagenbestuurder 250 25 10,0% Onderhoudselektricien ja 820 23 2,8% Klassieke (professionele) schoonmaker ja 3825 22 0,6% Particuliere Schoonmaker ja 16028 22 0,1% Ingenieur ja 3846 21 0,5% Magazijnbediende 1148 21 1,8% Bewerker van levensmiddelen ja 53 21 39,6% Arbeider zuivelindustrie ja 27 21 77,8% Bediende planning en logistiek ja 1544 19 1,2% Productiearbeider in koekjesfabriek ja 217 19 8,8% Verantwoordelijke logistiek 601 18 3,0% Industrieel schoonmaker ja 563 18 3,2% Helper vlees- of visverwerking 155 15 9,7% Restaurantkelner ja 687 14 2,0% Kwaliteitsverantwoordelijke 555 13 2,3% Lader, losser 506 13 2,6% Helper magazijnarbeider 321 13 4,0% Technicus elektriciteit ja 730 12 1,6% Technicus meet- en regeltechniek en automatisatie ja 566 12 2,1% Economist 1162 12 1,0% Accountmanager 2257 12 0,5% Klantendienstmedewerker - verkoopsassistent 2695 11 0,4% Slachter 17 11 64,7% Keukenhulp 3491 11 0,3% Verkoopsverantwoordelijke - sales-manager 1994 10 0,5% Magazijnverantwoordelijke 390 10 2,6% Chauffeur koerierdienst 262 10 3,8% Helper tabaksbewerker 14 10 71,4% Bron: VDAB 13
5. Jobmobiliteit Dankzij de VDAB-gegevens kan de instroom worden beschouwd van de werkzoekenden die aan het begin van de maand als werkzoekende zijn ingeschreven en die op de laatste dag van de maand aan het werk zijn volgens DIMONA. De koppeling met de nace-codes geeft ons aan in welke sector en welke activiteit de werkzoekende is ingestroomd. In deze bespreking maken we gebruik van de jaargegevens voor 2007 5 en wordt de instroom naar uitzendarbeid buiten beschouwing gelaten. De voedingsector wordt hier afgebakend aan de hand van nace-code 15. Onderstaande instroomgegevens worden vergeleken met de totale instroom in alle sectoren samen en met de totale populatie werkzoekenden. De vergelijking met de totale instroom in alle sectoren biedt een zicht op de aanwervingstendenzen van het afgelopen jaar. De vergelijking met de totale populatie werkzoekenden geeft een idee van de beschikbare arbeidsreserve, en de werkzoekendenprofielen die sneller of minder snel instromen dan gemiddeld. Tabel 8: Instroom van werkzoekenden naar achtergrondkenmerken (Vlaams Gewest, 2007) Voedingsindustrie Alle sectoren Totale populatie werkzoekenden 6 n % % % Totaal 6.218 100,0 100,0 (n=268.785) 100,0 (n=180.396) Geslacht Mannen 3.017 48,5 47,1 46,6 Vrouwen 3.201 51,5 52,9 53,4 Leeftijdsklasse -25 jaar 2.298 37,0 31,3 20,4 25-39 jaar 2.195 35,3 39,6 32,6 40-49 jaar 1.129 18,2 18,3 21,7 +50 jaar 596 9,6 10,8 25,3 Studieniveau 7 Laag 2.863 46,0 42,2 51,9 Midden 2.452 39,4 35,3 32,8 Hoog 903 14,5 22,6 15,4 Allochtoon 8 1.219 19,6 14,9 19,7 Arbeidsgehandicapt 9 355 5,7 7,7 15,3 Werkloosheidsduur < 3 maanden 2.595 41,7 39,7 24,6 3-6 maanden 1.173 18,9 18,2 13,7 6 maanden - 1 jaar 987 15,9 16,6 15,1 1-2 jaar 754 12,1 12,7 14,7 2-5 jaar 664 10,7 10,8 23,0 + 5 jaar 45 0,7 1,9 8,9 Bron: VDAB (Bewerking departement WSE) 5 Deze jaargegevens worden berekend door het aantal instromers van de 12 maanden op te tellen. Dubbeltellingen zijn mogelijk. 6 Gemiddelde voor alle bij VDAB ingeschreven werkzoekenden in 2007. 7 Definitie onderwijsniveau: (1) laag: maximum secundair onderwijs 2de graad of wanneer geen minimum studieniveau vermeld werd door de werkgever; (2) midden: secundair 3de of 4de graad; (3) hoog: hoger onderwijs. 8 Definitie allochtoon: nationaliteit niet EU of op basis van een naamherkenningsprogramma (voor Maghrebijnen en Turken) of op basis van eigen verklaring. Definitie arbeidsgehandicapt: werkzoekende met Vlaams Fondsnummer of gedeeltelijk of zeer beperkt geschikt of studies BLO of BUSO. 14
Hoewel mannen sterk oververtegenwoordigd zijn bij de werknemers in de voedingsindustrie, stromen wel meer vrouwen de sector in dan mannen. 51,5% van de nieuw ingestroomde werknemers was een vrouw, wat ongeveer overeenkomt met de gemiddelde instroom. Er is een duidelijke oververtegenwoordiging van jongeren in de instroom naar de voedingsector. 37% van de instromers in 2007 was jonger dan 25, tegenover 31,3% gemiddeld over alle sectoren. We zagen eerder dat bijna 60% van de vacatures in de sector voor laaggeschoolde werknemers was. 46% van de ingestroomde werknemers was kortgeschoold, wat dus minder is dan men zou verwachten op basis van de vacatures. Bijna 40% van de nieuwe werknemers was middengeschoold, een oververtegenwoordiging ten opzichte van de totale instroom in Vlaanderen. De instroom van allochtone werknemers (19,6%) in de voedingsector ligt hoger dan de gemiddelde instroom van allochtonen in Vlaanderen (14,9%), en evenaart het aandeel van allochtonen in de totale populatie van werkzoekenden (19,7%). De instroom van arbeidsgehandicapte werkzoekenden (5,7%) is iets lager dan het Vlaamse gemiddelde (7,7%). Ook aan de hand van het Datawarehouse van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid kunnen in- en uitstroomgegevens berekend worden. De meest recente gegevens die momenteel beschikbaar zijn, zijn evenwel van 2003-2004. Deze gegevens hebben dan weer het voordeel dat ze niet enkel beperkt zijn tot die personen die gekend zijn bij VDAB, en dat ook de uitstroom uit de arbeidsmarkt bekend is. De sectoren worden afgebakend naar paritair comité, in dit geval paritaire comités 118 en 220. Tabel 9: Werknemersstromen in de voedingsector (Vlaams Gewest, 2003-2004) Voedingsector Alle sectoren n % % Instroom 6.971 12,1 14,2 < 25 jaar 2.318 38,6 48,4 25-49 jaar 4.244 10,0 11,3 > 50 jaar 409 4,4 4,8 Interne mobiliteit 1.870 3,2 5,5 < 25 jaar 336 6,1 10,1 25-49 jaar 1.326 3,1 5,5 > 50 jaar 208 2,1 3,1 Uitstroom 7.166 12,4 13,1 < 25 jaar 1.299 26,1 34,5 25-49 jaar 4.589 10,7 10,8 > 50 jaar 1.278 12,6 11,9 Bron: Datawarehouse AM&SB bij de KSZ (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) Tussen 30 juni 2003 en 30 juni 2004 stroomden 6.971 werknemers de voedingsector in. Samen vormden zij 12,1% van alle werknemers in de sector. 7.166 werknemers, of 12,4% van alle loontrekkenden, verlieten in deze periode de sector. Nog eens 1.870 mensen (3,2%) waren intern mobiel. Dit betekent dat zij van job veranderden of tijdskrediet opnamen, maar 15
op 30 juni 2004 terug aan de slag waren binnen de sector. De werknemersmobiliteit in de voedingsnijverheid is iets lager dan gemiddeld in Vlaanderen. De in- en uitstroomgraad en de interne mobiliteitsgraad liggen alle net onder het gemiddelde van alle sectoren (zie figuur 3). De enige uitzondering hierop is de uitstroomgraad bij 50-plussers, die iets hoger ligt dan in de andere sectoren. Figuur 3: Werknemersstromen in de voedingsector (Vlaams Gewest, 2003-2004) 12,1 14,2 12,4 13,1 16% 14% 12% 10% 3,2 5,5 8% 6% 4% 2% Voeding Totaal Voeding Totaal Voeding Totaal 0% Instroom Interne mobiliteitsgraad Uitstroom Bron: Datawarehouse AM&SB bij de KSZ (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) Tabel 10: Werknemersstromen naar statuut (Vlaams Gewest, 2003-2004) Voedingsindustrie Alle sectoren Instroom (n) (%) (%) Totaal 6.971 100,0 100,0 Instroom uit ander paritair comité 3.925 56,3 41,3 Instroom uit de uitzendsector (PC 322) (1.548) (39,4) (19,1) Instroom uit zelfstandig statuut 249 3,6 3,7 Instroom uit werkloosheid 624 9,0 14,7 Instroom uit tijdskrediet/loopbaanonderbreking 152 2,2 2,0 Instroom uit (brug)pensioen 36 0,5 0,7 Instroom uit ander statuut 10 1.985 28,5 37,6 Uitstroom Totaal 17.980 100,0 100,0 Uitstroom naar ander paritair comité 3.413 47,6 45,2 Uitstroom naar de uitzendsector (PC 322) (910) (26,7) (14,1) Uitstroom naar zelfstandig statuut 392 5,5 5,5 Uitstroom naar werkloosheid 1.401 19,6 17,5 Uitstroom naar tijdskrediet/loopbaanonderbreking 182 2,5 3,0 Uitstroom naar conventioneel brugpensioen 475 6,6 4,1 Uitstroom naar pensioen 240 3,3 6,5 Uitstroom naar ander statuut 1.063 14,8 18,3 Bron: Datawarehouse AM&SB bij de KSZ (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) 10 De groep van andere statuten is een verzamelnaam van statuten die niet gekend waren in het Datawarehouse AM&SB bij de redactie van de tabellen; het gaat onder andere over arbeidsongeschiktheid en huishouden, maar ook over schoolverlaters in wachttijd. 16
Meer dan 56% van de nieuw ingestroomde werknemers was voorheen actief in een andere sector. Van de werknemers die de sector verlaten, gaat bijna de helft aan de slag als loontrekkende in een andere sector. Bijna 40% van alle ingestroomde werknemers werkte voorheen met een uitzendcontract. Vermoedelijk werkten deze werknemers reeds in de voedingsnijverheid, en verkregen zij een vast contract. Deze bovengemiddelde instroom uit interimwerk toont aan dat uitzendcontracten vaak gebruikt worden voor een proefperiode, om nieuwe werknemers te evalueren voor zij vast aangenomen worden. De instroom uit werkloosheid is beperkter in de voedingsector dan in de andere sectoren (9% ten opzichte van 14,7%). De uitstroom naar werkloosheid is dan weer groter dan gemiddeld (19,6% ten opzichte van 17,5%). De uitstroom naar conventioneel brugpensioen is iets groter dan gemiddeld (6,6% tegenover 4,1% gemiddeld). De uitstroom naar het wettelijk pensioen is dan weer iets lager dan gemiddeld (3,3% tegen 6,5% gemiddeld). Figuur 4: Werknemersstromen naar statuut (Vlaams Gewest, 2003-2004) 100% 80% 60% Ander statuut pensioen/brugpensioen 40% Tijdskrediet/ loopbaanonderbreking Werkloosheid 20% Zelfstandig statuut Voeding Alle sectoren Voeding Alle sectoren 0% ander paritair comité Instroom Uitstroom Bron: Datawarehouse AM&SB bij de KSZ (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) 17
6. De opleidingsinspanningen Hieronder vinden we de opleidingsinspanningen in de voedingsnijverheid. In tegenstelling tot de voorgaande hebben deze cijfers betrekking op België in z n geheel, en niet enkel op het Vlaams Gewest. De voedingsnijverheid werd hier afgebakend aan de hand van nacecodes 15 en 16. Deze cijfers zijn gebaseerd op de 2.590 bedrijven uit de voedingsindustrie die hun sociale balans indienden bij de Nationale Bank van België, of 78,6% van alle voedingsbedrijven met een jaarrekening bij de Nationale Bank 11. Tabel 11: Opleidingsinspanningen in de bedrijven in de voedingsector (België, 2006) Ondernemingen met opleidings-activiteiten % van totaal aantal ondernemingen Deelnemers aan een opleiding Opleidingskost Opleidingsuren % van de % van % van gemiddelde personeelskosten Gemiddelde gewerkte werkgelegenheid per uur ( ) uren Gemiddelde per deelnemer Voedingsnijverheid 8,4 40,1 0,85 37,7 0,67 23,2 Privésector totaal 4,8 32,5 1,08 46,8 0,71 29,6 Bron: Nationale Bank van België (Sociale Balansen CD-rom 2006) (Bewerking Steunpunt WSE/Departement WSE) In de voedingsector vinden we meer grote bedrijven dan gemiddeld, wat deels het bovengemiddelde percentage ondernemingen met opleidingsactiviteiten verklaart. 40,1% van de loontrekkende werknemers in de sector heeft in 2006 een opleiding genoten, tegenover 32,5% van alle Belgische loontrekkenden samen. Ten opzichte van de totale personeelskosten nemen de opleidingen maar een beperkt deel van het budget in (0,85%). Ook de duur van de opleidingen in de voedingsector is iets korter dan gemiddeld. 11 Meer informatie over welke bedrijven jaarrekeningen en/of sociale balansen moeten indienen, vindt u op de website van de Nationale Bank van België (www.nbb.be). 18
7. De individuele beroepsopleiding in de onderneming De tewerkstellingsmaatregel IBO staat voor individuele beroepsopleiding in de onderneming. Dit is een opleiding waarbij de cursist door de onderneming op de werkplek wordt getraind en begeleid. De IBO kan 1 tot 6 maanden duren, en tijdens deze opleiding betaalt de werkgever geen loon of RSZ, enkel een productiviteitsvergoeding. Na deze opleiding is het bedrijf verplicht de cursist een contract van onbepaalde duur te geven. De voedingsector werd hier afgebakend aan de hand van nace-codes 15 en 16. Tabel 12: Kenmerken van de opgestarte IBO s (Vlaams Gewest, 2007) Voedingsindustrie Vlaanderen n % % Totaal aantal IBO s 357 100,0 100,0 (n=14.718) Man 224 62,7 69,3 Vrouw 133 37,3 30,7 Studieniveau Laag 186 52,1 40,7 Midden 141 39,5 44,7 Hoog 30 8,4 14,6 Leeftijd -25 jaar 172 48,2 52,4 25-49 jaar 173 48,5 44,9 +50 jaar 12 3,4 2,7 Woonplaats Antwerpen 45 12,6 21,7 Vlaams-Brabant 25 7,0 12,5 West-Vlaanderen 149 41,7 19,1 Oost-Vlaanderen 75 21,0 25,5 Limburg 57 16,0 19,6 Buiten Vlaanderen 6 1,7 1,6 Werkloosheidsduur < 3 maanden 150 42,0 47,1 3-6 maanden 49 13,7 17,7 6 maanden - 1 jaar 67 18,8 16,4 1-2 jaar 43 12,0 11,0 2-5 jaar 43 12,0 6,5 + 5 jaar 5 1,4 1,3 Ondernemingsgrootte <10 werknemers 117 32,8 54,3 10-49 werknemers 77 21,6 25,4 50-199 werknemers 60 16,8 8,7 200-499 werknemers 29 8,1 4,6 >499 werknemers 74 20,7 7,1 Allochtonen 75 21,0 16,7 Arbeidsgehandicapten 30 8,4 6,4 Ongunstige stopzettingen 76 21,3 19,4 Bron: VDAB 19
In de voedingsector werden in 2007 357 IBO s opgestart, of 2,4% van alle opgestarte IBO s in Vlaanderen, wat ongeveer overeenkomt met het aandeel van de voedingsector in de Vlaamse tewerkstelling (2,8%). 62,7% van de IBO s werd ingevuld door mannen, wat iets minder is dan in het totaal van alle sectoren, en ook iets minder dan het aandeel van mannen in de loontrekkenden in de voedingsector. Laaggeschoolden waren in 2007 licht oververtegenwoordigd in de IBO s, met 52,1% tegenover 40,7% in het totaal van alle sectoren. 20,7% van de IBO s in de voedingsector werd opgestart in grote bedrijven met meer dan 500 werknemers. 76 van de 357 IBO s kenden een ongunstige stopzetting, of 21,3%. Dit percentage ligt iets hoger dan het Vlaams gemiddelde van 19,4%. 20
8. Diversiteitsplannen Met een subsidiëring van diversiteitsplannen moedigt de Vlaamse Overheid ondernemingen en organisaties aan om werk te maken van een divers personeelsbeleid. Een diversiteitsplan kan afgesloten worden voor een enkele vestiging of voor een gans bedrijf met al haar vestigingen samen. In een diversiteitsplan worden streefcijfers voor de instroom, doorstroom en opleiding van doelgroepwerknemers vooropgesteld. Organisaties kunnen onder bepaalde voorwaarden een subsidie verkrijgen voor verschillende soorten plannen. Zo zijn er: Instapdiversiteitsplannen: opstap naar HR-beleid Diversiteitsplannen: meerdere diversiteitsbevorderende acties Groeidiversiteitsplannen: verankering van diversiteitsbeleid door opvolgacties Clusterdiversiteitsplannen: in meerdere bedrijven of bedrijfseenheden Tabel 13: Diversiteitsplannen (Vlaams Gewest, 2007) Instapplan Diversiteitsplan Clusterplan Groeiplan Totaal 2007 Voedingsnijverheid 5 8-6 19 Alle sectoren 257 186 88 89 620 2006 Voedingsnijverheid 10 9-5 24 Alle sectoren 251 184 36 56 527 Bron: Departement WSE In 2007 dienden 19 Vlaamse bedrijven uit de voedingsector een diversiteitsplan in, een aandeel van 3,1% in het totaal aantal diversiteitsplannen. Het aantal diversiteitsplannen in de voedingsnijverheid daalde tussen 2006 en 2007, terwijl het totale aantal diversiteitsplannen met 17,6% steeg. Een diversiteitsplan kan echter afgesloten worden voor een enkele vestiging of voor een gans bedrijf met al haar vestigingen samen. De daling van het aantal nieuwe diversiteitsplannen betekent dus niet per se dat ook het aantal vestigingen met een nieuw diversiteitsplan gedaald is. 21
Samen talent in goede banen leiden Departement Werk en Sociale Economie