8 Participatie in arbeid De economische crisis heeft de afgelopen jaren gezorgd voor veranderingen op de arbeidsmarkt. In dit hoofdstuk staan de recente ontwikkelingen centraal, zoals de stijging van het opleidingsniveau van de beroepsbevolking, de hogere werkloosheid, de toename van het aantal mensen met meer dan één baan en de recente daling van het aantal WW-uitkeringen.
92 De Staat van de Stad Amsterdam VIII Kernpunten De potentiële beroepsbevolking nam de afgelopen tien toe en zal de komende jaren waarschijnlijk verder toenemen. Het opleidingsniveau van de potentiële beroepsbevolking wordt hoger. De arbeidsparticipatie van Amsterdammers steeg vooral tussen 24 en 29 en onder jongeren en 45-plussers. 417. Amsterdammers werken minimaal 1 uur per week; gemiddeld werkt de Amsterdammer 32 uur per week. Mannen werken meer uren (gemiddeld 35 per week) dan vrouwen (29). Elf procent van de Amsterdammers is werkzaam op een lager niveau dan hun opleidingsniveau. Dit aandeel is de afgelopen tien constant. Het aantal zelfstandigen is sterk toegenomen, vooral sinds 21. Inmiddels is 23 van de beroepsbevolking werkzaam als zelfstandige, meer dan gemiddeld in Nederland (16). Vooral mannen, 45-plussers en hoogen werken relatief vaak als zelfstandige. Tien procent van Amsterdammers heeft meer dan één baan (214). Dit is iets meer dan gemiddeld in Nederland (8). Vooral jongeren, 65-plussers en hoogen stapelen banen. In 214 was 8,5 van de Amsterdamse beroepsbevolking werkloos, voor het eerst sinds 28 is weer sprake van een kleine daling. Vooral jongeren (13), laagen (18) en Amsterdammers van niet-westerse herkomst (15) zijn relatief vaak werkloos. Het aantal WW-uitkeringen daalt sinds begin 214. Eind 214 hadden 2.76 Amsterdammers een WW-uitkering. Ouderen in de bijstand hebben een relatief grote afstand tot de arbeidsmarkt. De kans dat zij weer werk krijgen is gering. De afgelopen jaren is de Amsterdamse arbeidsmarkt als gevolg van de economische crisis veranderd. De werkloosheid liep snel op, evenals het aantal mensen met een bijstands- of WW-uitkering. Inmiddels zijn de eerste tekenen van herstel zichtbaar. Dit hoofdstuk beschrijft de ontwikkelingen in de omvang en samen stelling van de Amsterdamse beroepsbevolking. Vervolgens wordt ingegaan op de arbeidsparticipatie en werkloosheid onder verschillende groepen Amster dammers. Verder wordt gekeken naar werkloosheidsuitkeringen en naar groepen met een afstand tot de arbeidsmarkt. De Amsterdamse beroepsbevolking Verdere groei van potentiële beroepsbevolking verwacht Sinds begin 215 hanteert OIS, in navolging van het CBS, de internationale definities van beroepsbevolking en werkloosheid in plaats van de nationale. De belangrijkste verschillen zijn dat nu gekeken wordt naar 15- t/m 74-jarigen (en niet alleen naar 15- t/m 64- jarigen) en dat iemand nu werkzaam is als hij of zij minimaal 1 uur per week werkt (was 12 uur). Werkloos ben je nu als je niet werkt en wel actief werk zoekt en beschikbaar bent voor minimaal 1 uur per week (was eveneens 12 uur). 1 Als gevolg van deze definitiewijziging zijn niet voor alle cijfers ontwikkelingen over de tijd te geven, omdat enquêtes van OIS uit voorgaande jaren niet ingericht waren op de internationale definitie. Ontwikkelingen zijn dus alleen op basis van CBS-gegevens te schetsen, maar die gegevens zijn te beperkt voor uitsplitsingen naar heel specifieke groepen Amsterdammers. Er zijn ruim 655. Amsterdammers tussen de 15 en 74 : de potentiele beroepsbevolking. Deze groep groeide de afgelopen tien met ruim 11 en zal naar verwachting ook de komende jaren groeien. Naar verwachting zijn er in 225 73.2 Amsterdammers in deze leeftijdsgroep (+ 7 ten opzichte van 215). Vooral het aantal 55-plussers zal sterk toenemen. De Amsterdamse bevolking groeit daarmee veel sneller dan de bevolking van heel Nederland (+ Afb. 8.1 Ontwikkeling potentiële beroepsbevolking 23-214 en prognose 225 (aantallen x 1.) 8 7 6 5 4 3 2 1 23 24 25 26 27 28 werkzaam werkloos niet-beroepsbevolking 29 21 211 212 213 214 prognose 225 bron CBS, bewerking OIS
8 Participatie in arbeid 93 1 in 225 ten opzichte van 215). De arbeidsmarkt zal dus in toenemende mate te maken krijgen met oudere werknemers. Van de 15- t/m 74-jarigen is 65 werkzaam, zoekt 6 werk en is 29 niet werkzaam en ook niet op zoek naar werk (de zgn. niet-beroepsbevolking). De afgelopen tien nam het aandeel werkenden toe (vooral tussen 24 en 29) en het aandeel dat niet werkt en niet zoekt naar werk geleidelijk af. Afb. 8.2 Ontwikkeling potentiële beroepsbevolking naar werk, werkloosheid en nietberoepsbevolking naar leeftijdsgroepen, 24, 29 en 214 (procenten) 1 8 6 4 Vooral tussen de verschillende leeftijdsgroepen zien we verschillende ontwikkelingen in het aandeel werkzame Amsterdammers. Onder jongeren (15-24 ) en 45-plussers is het aandeel werkenden in de afgelopen tien sterk toegenomen en nam het aandeel niet-actieven sterk af. Onder 25-44 jarigen veranderde nauwelijks iets. 2 24 29 214 24 29 214 24 29 214 15-24 25-44 45-74 werkzaam werkloos niet-beroepsbevolking bron: CBS, bewerking OIS De potentiële beroepsbevolking van Amsterdam is relatief hoog. Het aandeel hoogen is met 39 veel hoger dan gemiddeld in Nederland (24), terwijl zowel het aandeel laag- (27 Amsterdam tegenover 33 Nederland) als het aandeel middelbaar en (34 Amsterdam tegenover 42 Nederland) laag is. Ten opzichte van de vier andere grote steden in Nederland kent Amsterdam, net als Utrecht, een relatief hoog e beroepsbevolking, terwijl in Rotterdam het aandeel laagen juist relatief hoog is. De afgelopen vijf is het aandeel laagen in Amsterdam iets gedaald (van 3 in 28 naar 27 in 212) en het aandeel hoogen gestegen (van 36 in 28 naar 39 in 212), terwijl het aandeel middelbaar en met 34 gelijk bleef. Arbeidsparticipatie vrijwel constant sinds 29 In 214 werkte 71,3 van de Amsterdammers (15-74 ) minimaal 1 uur per week of was actief op zoek naar werk. Dit is de bruto arbeidsparticipatie. In 24 was dit nog 66,9, een toename van ruim 4 in tien tijd. De stijging vond vooral plaats tussen 24 en 29, sindsdien is de bruto arbeidsparticipatie in Amsterdam nauwelijks meer gestegen. Afb. 8.3 Opleidingsniveau 2 bevolking 15-74, G4 en Nederland, 212 (procenten) Amsterdam Rotterdam Den Haag Utrecht Nederland laag 27 39 34 23 33 midden 34 37 37 32 42 hoog 39 23 29 45 24 totaal 1 1 1 1 1 De afgelopen jaren vond een aantal belangrijke ontwikkelingen plaats op de arbeidsmarkt, ontwikkelingen die van invloed zijn op de arbeidsparticipatie. Maatschappelijke veranderingen hebben ervoor gezorgd dat steeds meer vrouwen zijn gaan werken en dat het opleidingsniveau blijft stijgen. Omdat hoogen vaker participeren op de arbeidsmarkt neemt de arbeidsparticipatie toe. Daarnaast werken zowel jongeren als ouderen vaker en gaan ouderen later met pensioen. Dit leidt ook tot een hogere arbeidsparticipatie. Regelgeving rond het verhogen van de pensioenleeftijd en het versoberen van vervroegde uittredingsregelingen dragen hieraan bij (afb. 8.4). bron: CBS, bewerking OIS Afb. 8.4 Bruto arbeidsparticipatie naar achtergrondkenmerken, 24 en 214 (procenten) 9 8 7 6 5 4 3 2 1 totaal mannen vrouwen 15-24 25-44 45-74 westers allochtoon autochtoon nietwesters allochtoon laag middelbaar hoog arbeidsparticipatie 24 arbeidsparticipatie 214 bron: CBS, bewerking OIS
94 De Staat van de Stad Amsterdam VIII Afb. 8.5 Bruto arbeidsparticipatie naar gebied en verschil ten opzichte van Amsterdamse gemiddelde (214=71,3), 214 zeer hoge arbeidsparticipatie hoge arbeidsparticipatie gemiddelde arbeidsparticipatie lage arbeidsparticipatie zeer lage arbeidsparticipatie bron: EBB CBS/REB OIS, bewerking OIS In Amsterdam zorgen deze ontwikkelingen ook voor grote geografische verschillen in arbeidsparticipatie. In gebieden waar relatief veel Amsterdammers wonen met een laag opleidingsniveau, Amsterdammers van niet-westerse herkomst of ouder dan 44 kennen een lagere bruto arbeidsparticipatie dan gebieden met een andere bevolkingssamenstelling. In Centrum Oost, Westerpark en Oud-West/De Baarsjes ligt de arbeidsparticipatie met 79 het hoogst. De arbeidsparticipatie is in Buitenveldert/ Zuidas (58), Noord Oost (59), Bijlmer Centrum (61), Noord West (62) en Slotermeer/Geuzenveld (63) juist heel laag. Gebruik kinderopvang sterk gedaald Kinderopvang kan ervoor zorgen dat ouders de kans krijgen om te (blijven) werken. De afgelopen jaren heeft de regering verschillende maatregelen genomen die ertoe hebben geleid dat ouders een groter deel van de kosten van de kinderopvang zelf moeten betalen. Dit heeft recent gezorgd voor een daling in het gebruik van formele kinderopvang (kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang en gastouders). Een directe afname van de arbeidsparticipatie is nog niet geconstateerd, ouders lijken de opvang vooral op andere manieren te organiseren, bijvoorbeeld door het inschakelen van (groot)ouders, buren, vrienden en andere ouders met kinderen. Daarnaast past een deel van de ouders hun werktijden aan, waardoor ze hun werk flexibeler kunnen indelen en minder opvang nodig hebben. 3 In 213 gingen 21.79 Amsterdamse kinderen van t/m 3 naar een kinderdagverblijf of gastouderopvang, oftewel 53 van alle - t/m 3-jarigen. In 212 was dit nog 61. Met name in Zuidoost daalde het gebruik van opvang sterk. Vooral hoogen maken gebruik van deze vormen van kinder opvang, in 213 was 7 van de aanvragers hoog, 23 middelbaar en 7 laag. Doordat ouders minder (uren) formele kinderopvang afnemen zijn de wachtlijsten zo goed als verdwenen en daalt het aantal aanbieders van kinderopvang (en dus ook het aantal arbeidsplaatsen). Arbeidsmarkt steeds flexibeler Bijna tweederde van de Amsterdammers tussen de 15 en 74 werkt minimaal 1 uur per week. Dit komt neer op ongeveer 417. mensen. Mannen werken vaker (7) dan vrouwen (6), hoogen (84) vaker dan middelbaar (64) en laag en (37) en Amsterdammers van Nederlandse (69) en westerse herkomst (71) vaker dan Amsterdammers van niet westerse herkomst (57, afb. 8.6). 4 Amsterdammers werken gemiddeld 32 uur per week. Mannen maken meer uren per week (35) dan vrouwen (29). Laagen werken minder uren (28) dan hoogen (35).
8 Participatie in arbeid 95 Afb. 8.6 Netto arbeidsparticipatie (linkeras, ) en uren per week werkzaam (rechteras, rood) naar achtergrondkenmerken, 214 1 9 8 7 6 5 werkzaam gemiddeld aantal uren per week 4 35 3 25 2 4 15 3 2 1 1 5 totaal mannen vrouwen autoch tonen westerse allochtonen Marokkanen nietwesterse allochtonen Turken Surinamers/ overig Antillianen nietwesters laag middelbaar hoog werkzaam gemiddeld aantal uren per week bron: CBS Statline en EBB CBS, bewerking OIS Werken boven of onder niveau nauwelijks veranderd Alle beroepen zijn door het CBS ingedeeld in vier verschillende niveaus, op basis van een internationale beroepsclassificering (ISOC). 5 Zes procent van de Amsterdammers is werkzaam op niveau 1 (elementair of lager opleidingsniveau vereist), een derde werkt op niveau 2 (lager of middelbaar niveau vereist), 16 op niveau 3 (middelbaar of hoger niveau vereist) en 43 op niveau 4 (hoger of wetenschappelijk niveau vereist). Jongeren tot 25 werken vaak op niveau 1 of 2 (76), dit betreffen veelal bijbaantjes. Ook Amsterdammers van niet-westerse herkomst werken relatief vaak op niveau 1 of 2 (63). Niet iedereen is werkzaam op een niveau dat aansluit bij zijn of haar opleidingsniveau. Elf procent van de Amsterdammers werkt op een lager, 9 op een hoger niveau. De meerderheid werkt (ongeveer) op opleidingsniveau. Dit patroon is de afgelopen tien, ondanks de crisis, vrijwel constant gebleven. Van de laagen werkte in 214 15 op niveau 3 of 4, waarvoor dus minimaal een middelbare opleiding vereist is. Middelbaar en kunnen zowel op een lager (9) als op een hoger niveau (2) werkzaam zijn. Van de hoogen is 15 werkzaam op niveau 1 of 2, dus onder hun niveau. 6 Nederland (16) werkzaam als zelfstandige (afb. 8.7). Amsterdamse mannen (28 in Amsterdam tegenover 2 in Nederland), 45-plussers (32 in Amsterdam tegenover 22 in Nederland) en hoogen (25 in Amsterdam tegenover 19 in Nederland) werken relatief vaak als zelfstandige. Tien procent heeft meer dan één baan Het aantal Nederlanders met twee banen stijgt in lichte mate. In 24 had 6 van de werknemers in loondienst een tweede baan, in 212 was dit 8. Onder zelfstandigen steeg het van 12 in 24 naar 13 in 212. 8 Dit zien we ook terug in Amsterdam: in 21 had 8 meer dan één baan, inmiddels is dat 1 (214). De stapelaars vormen een diverse groep. Het stapelen van banen komt zowel voor onder jongeren als onder ouderen en zowel onder laagen als onder hoogen. De grootste groep stapelaars is van middelbare leeftijd en hoog. De redenen om banen te stapelen zijn dan ook zeer divers: de een stapelt om meer zekerheid te krijgen over het inkomen (door bijvoorbeeld een vaste baan in loondienst te combineren met een baan als zelfstandige), anderen doen het vooral voor het extra Afb. 8.7 Werkzame beroepsbevolking Amsterdam en Nederland naar soort dienstverband, 24, 29 en 214 (procenten) Steeds meer zelfstandigen Ruim driekwart van de Amsterdammers is werkzaam in loondienst: 322. (77). Dit zijn zowel mensen met een vaste baan als mensen met een flexibele arbeidsrelatie. De overige 23 (95. Amsterdammers) is werkzaam als zelfstandige. Zelfstandigen kunnen wel of geen personeel hebben en ook mensen die meewerken in een familiebedrijf worden als zelfstandige geteld. Naar schatting zijn er ongeveer 5. zelfstandigen zonder personeel in Amsterdam (zzp ers). Het aandeel zelfstandigen op het totale aantal werkenden is de afgelopen tien geleidelijk toegenomen, van 19 in 24 naar 23 in 214. Dit komt vooral door de toename van het aantal zzp ers. 7 Amsterdammers zijn vaker dan gemiddeld in heel Amsterdam 24 Nederland 24 zelfstandig 19 13 81 87 in loondienst Amsterdam 29 Nederland 29 2 15 8 85 Amsterdam 29 Nederland 29 23 16 77 84 bron: Statline CBS
96 De Staat van de Stad Amsterdam VIII Afb. 8.8 Werkzame Amsterdammers met meer dan één baan naar achtergrondkernmerken, 214 (procenten) 16 14 12 1 8 6 4 2 mannen vrouwen westers allochtoon autochtoon laag nietwesters allochtoon hoog middelbaar 15-26 27-34 35-44 45-54 55-64 65-74 totaal bron: EBB CBS, bewerking OIS geld of uit financiële noodzaak. In tegenstelling tot de stapelaars in de Verenigde Staten, die vaak dubbele werkdagen draaien, combineren Nederlandse stapelaars banen tot één fulltime baan, omdat hele fulltime banen in hun sector bijvoorbeeld weinig te vinden zijn. 9 Dit komt relatief veel voor in de zorg en in het onderwijs. Stapelaars maken desondanks regelmatig lange werkweken: een derde van de mensen met twee banen werkt meer dan 4 uur per week, 2 werkt meer dan 7 uur per week. Stapelen is niet Afb. 8.9 Ontwikkeling werkloze beroepsbevolking Nederland en G4, 24-214 14 12 (procenten) altijd goed voor de loopbaan. Uit onderzoek van het SCP blijkt dat de kans om carrière te maken kleiner is in twee parttime banen dan in één fulltime baan, omdat de aandacht niet volledig besteed wordt aan die ene baan waarin men zou willen of kunnen doorgroeien. 1 Omdat het stapelen van banen onder zoveel verschillende groepen voorkomt, ligt het gemiddeld aantal uren dat stapelaars werken maar iets hoger (34 uur per week) dan van de niet-stapelaars (31 uur per week). Stapelaars werken wel relatief vaak 4 uur of meer (29 van de stapelaars ten opzichte van 8 van de niet-stapelaars). Werkloosheid daalt weer 1 8 6 4 2 24 25 26 27 28 29 21 211 212 213 214 In 214 11 was 8,5 van de Amsterdamse beroepsbevolking werkloos, dit komt neer op 39. Amsterdammers die niet werkten en actief zochten naar een baan. De afgelopen tien is de werkloosheid in Amsterdam, en ook in de rest van Nederland, eerst gedaald en daarna gedurende de crisis (vanaf 28-29) sterk opgelopen. Terwijl in de andere drie grote steden de werkloosheid in 214 nog toenam, daalde die in Amsterdam al licht. Nederland Amsterdam Utrecht Rotterdam Den Haag bron: Statline CBS Amsterdammers met een laag opleidingsniveau (18) en Amsterdammers van niet-westerse herkomst (14) Afb. 8.1 Werkloze beroepsbevolking Amsterdam naar kenmerken, 214 (procenten) 2 18 16 14 12 1 8 6 4 2 vrouwen mannen autochtoon alloch- westers toon Marokkanen nietwesters allochtoon Surinamers/ Antillianen Turken overig nietwesters laag hoog middelbaar 15-26 27-34 35-44 45-54 55-64 65-74 totaal bron: EBB CBS/ REB OIS, bewerking OIS
8 Participatie in arbeid 97 zijn in 214 veel vaker dan andere Amsterdammers werkloos. Vooral Amsterdammers van Marokkaanse herkomst zijn relatief vaak werkloos (17). Jongeren zijn veel vaker werkloos dan ouderen, 13 van de Amsterdamse jongeren zocht in 214 actief naar een baan. Vooral jongeren van niet-westerse herkomst en laage jongeren hebben moeite om een baan te vinden. De werkloosheid onder Amsterdamse jongeren is voor het eerst sinds enkele jaren weer gedaald. Van de bijna 14. Amsterdamse jongeren in de leeftijd van 15 tot en met 26 waren er in 214 gemiddeld 13.3 werkloos, dit komt neer op 13,3 van de beroepsbevolking. Een eerder was dit nog 14,7. De Amsterdamse jeugdwerkloosheid ligt boven het landelijk gemiddelde (11,8). In Rotterdam (17,6) en Den Haag (16,9) ligt het werkloosheidspercentage hoger dan in Amsterdam, in Utrecht (9,9) juist lager. 12 Sinds 28 is de werkloosheid onder de beroepsbevolking in Amsterdam sterk gestegen, van 5,7 naar 8,5. De werkloosheid liep onder alle groepen Amsterdammers sterk op. De grootste stijging vond plaats onder middelbaar en (+14) en onder 25- t/m 44-jarigen (+ 19). Onder mannen (+86) liep de werkloosheid sterker op dan onder vrouwen (+76) en onder Amsterdammers van Nederlandse (+97) en niet-westerse herkomst (+ 96) sterker dan onder Amsterdammers van westerse herkomst (+39). Hoewel de toename onder middelbaaren het grootst was (+14), nam de Afb. 8.11 Ontwikkeling werkloze beroepsbevolking Amsterdam naar kenmerken, 2 18 16 14 12 1 8 6 4 2 28 28-214 (procenten) 29 21 211 212 Amsterdam mannen vrouwen autochtoon westers allochtoon niet-westers allochtoon 15-24 25-44 45-74 laag middelbaar hoog werkloosheid ook onder laag- (+92) en hoogen (+87) sterk toe (afb. 8.11). Concentraties van werkloosheid buiten de ring A1 Binnen de stad zijn er grote verschillen in het aandeel werklozen. In Centrum, Zuid en delen van West 213 214 bron: EBB CBS/ REB OIS, bewerking OIS Afb. 8.12 Werkloze beroepsbevolking Amsterdam naar gebied ten opzichte van het Amsterdamse gemiddelde (Amsterdam 214=8,5), 214 zeer lage werkloosheid lage werkloosheid gemiddelde werkloosheid hoge werkloosheid zeer hoge werkloosheid bron: EBB CBS/REB OIS, bewerking OIS
98 De Staat van de Stad Amsterdam VIII Afb. 8.13 Ontwikkeling aantal WW-uitkeringen Amsterdam naar leeftijd, 1e kwartaal 27-4e kwartaal 214 25 x 1. 2 15 1 5 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 4 27 28 29 21 211 212 213 214 15-24 25-34 35-44 45-54 55-64 bron: Statline CBS (Westerpark en Bos en Lommer) en Oost (Oost Oud, Indische Buurt/Oostelijke Havengebied) is de werkloosheid laag. In Slotermeer/Geuzenveld, Osdorp, Slotervaart, en in alle gebieden van Noord en Zuidoost is de werkloosheid juist bovengemiddeld hoog. WW-uitkeringen dalen weer Het aantal WW-uitkeringen steeg 28 en 21 sterk, bleef vervolgens tot eind 211 stabiel en steeg sinds eind 211 opnieuw sterk tot begin 214. Sindsdien daalt het aantal WW-uitkeringen weer. Eind 214 ontvingen 2.76 Amsterdammers een WW-uitkering. De stijging van het aantal WW-uitkeringen wordt veroorzaakt doordat mensen hun baan kwijt raken, een daling van WW ers doordat mensen weer werk vinden of omdat de maximale duur van de uitkering is bereikt (deze is tot 1 juli 215 38 maanden, afhankelijk van leeftijd en werkduur). Mensen die na het bereiken van de maximale WW-duur nog geen baan hebben gevonden, hebben onder bepaalde voorwaarden recht op een bijstandsuitkering. Daarom loopt het aantal bijstandsgerechtigden na een langere periode van recessie vaak op. Per 1 juli 215 wordt de Wet Werk en Zekerheid van kracht. Met deze wet worden de regels voor het aanbieden van tijdelijke contracten strenger, krijgen flexwerkers meer rechten, komt de keuzevrijheid in de ontslagroute te vervallen en wordt een transitievergoeding ingevoerd. Ook wordt de WW aangepast. Na een half WW is al het aangeboden werk passend, er komt een systeem van inkomstenverrekening in plaats van urenverrekening (waardoor het eerder lonend is om vanuit de WW te gaan werken voor een lager salaris) en de maximale WW-duur wordt stapsgewijs teruggebracht van 38 naar 24 maanden. Deze veranderingen zullen naar verwachting op de langere termijn zorgen voor minder WW-uitkeringen. De extra uitstroom uit de WW wordt verwacht in de periode 218-221. 13 Er waren de afgelopen jaren steeds relatief iets meer mannen dan vrouwen met een WW-uitkering. Sinds het derde kwartaal van 214 zijn deze aandelen even groot. Van de mensen met een WW-uitkering is 3 jonger dan 25. Hoewel jongeren relatief vaak werkloos zijn, hebben zij vaak geen recht op een WW-uitkerking. Een vijfde van de WW ers is tussen de 25 en 34, 24 tussen de 35 en 45, 29 tussen 45 tot 55 en een kwart 55 of ouder. Tussen 29 en 214 is het aantal WW-uitkeringen het meest gestegen onder jonge mannen van 15 t/m 24 (+ 36) en onder vrouwen van 55 en ouder (+ 25). Amsterdammers met een afstand tot de arbeidsmarkt Groei bijstandsuitkeringen neemt af Het recht op een bijstandsuitkering wordt per huishouden bepaald. Wanneer het huishouden bestaat uit twee of meer volwassenen (al dan niet met kinderen), staat de uitkering op naam van een van de volwassenen. Uitgaande van deze definitie zijn er in totaal 42.67 Amsterdammers afhankelijk van bijstand. De gegevens in dit hoofdstuk gaan over huishoudens en de kenmerken van de (hoofd)bijstandsontvanger. Op 1 januari 215 ontvingen 38.552 Amsterdamse huishoudens een bijstandsuitkering. Dat is 2 meer dan een eerder en 17 meer dan in 211. De gemeente heeft voor elke bijstandsgerechtigde zijn of haar afstand tot de arbeidsmarkt bepaald. Daarbij worden vijf verschillende categorieën onderscheiden, die worden uitgedrukt in trede 1 tot en met 5. Klanten op trede 1 hebben de grootste afstand tot de arbeidsmarkt en zijn vaak onbemiddelbaar vanwege een combinatie van persoonlijke problemen. Klanten op trede 2 zijn op het moment van instroom onbemiddelbaar vanwege een gebrek aan sociale vaardigheden of persoonlijke belemmeringen, maar zijn wel in staat om deel te nemen aan een traject gericht op participatie. Voor klanten op trede 3 in een re-integratietraject nodig om weer aan het werk te kunnen en klanten op trede 4 kunnen grotendeels op eigen kracht aan het werk. Trede 5 is gereserveerd voor klanten die (gedeeltelijk) werken
8 Participatie in arbeid 99 en daarbij vooralsnog zijn aangewezen op ondersteuning door de gemeente. Een groot deel van de bijstandsgerechtigden heeft een grote afstand tot de arbeidsmarkt. Op 1 januari 215 viel 31 van hen in trede 1 en 43 in trede 2, 17 in trede 3 en 5 in trede 4. Slechts een kleine groep (2) staat op trede 5 en voor 2 is geen trede-indicatie afgegeven. Ouderen in de bijstand hebben gemiddeld een veel grotere afstand tot de arbeidsmarkt dan jongeren. Van de 55-plussers is 93 ingedeeld in trede 1 of 2. Vrouwen zijn iets vaker ingedeeld in trede 1 of 2 dan mannen (afb. 8.14). Het aandeel personen (15 t/m 64 ) dat afhankelijk is van een bijstandsuitkering is sinds 29 gestegen van 5,5 naar 6,5 nu (begin 215). Binnen Amsterdam zijn er grote verschillen in het aantal personen dat afhankelijk is van een bijstandsuitkering. In Bijlmer Centrum (12,1) en Bijlmer Oost (11,6) is de bijstandsafhankelijkheid het grootst en ook in Oud Noord (9,6) en Slotermeer/Geuzenveld (9,) ontvangen relatief veel mensen bijstand. Daarentegen ligt de bijstandsafhankelijkheid in de Aker/Nieuw- Sloten (2,), Buitenveldert/Zuidas (2,7) en Zuid Noord (2,8) juist laag. Lichte afname arbeidsongeschiktheid Eind 214 ontvingen 37.8 Amsterdammers een uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid. Er zijn vier soorten arbeidsongeschiktheidsuitkeringen: de WAO, Afb. 8.14 Bijstandsuitkeringen naar trede, 1 januari 215 (procenten) mannen vrouwen 15-26 27-34 35-44 45-54 55-64 totaal 2 4 6 8 1 trede 1 trede 2 trede 3 trede 4 trede 5 onbekend voor personen die arbeidsongeschikt zijn geworden voor 29 december 25; de WIA, voor mensen die na deze datum arbeidsongeschikt werden; de WAZ, voor arbeidsongeschikte zelfstandigen; en de Wajong, voor mensen die arbeidsongeschikt zijn geraakt voordat zij een arbeidsverleden konden opbouwen. De meeste arbeidsongeschikten ontvangen momenteel een WAO-uitkering (17.66). Het aantal WAO-uitkeringen daalt al jaren, doordat relatief veel bron: Gemeente Amsterdam, Participatie, bewerking OIS Afb. 8.15 Bijstandsafhankelijkheid (personen 15 t/m 64 ) naar gebied ten opzichte van het Amsterdamse gemiddelde (Amsterdam 215=6,5), 1 januari 215 bijstandsafhankelijkheid laag bijstandsafhankelijkheid gemiddeld bijstandsafhankelijkheid hoog bron: Gemeente Amsterdam, Participatie, bewerking OIS
1 De Staat van de Stad Amsterdam VIII Afb. 8.16 Ontwikkeling aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen Amsterdam naar leeftijd, 1e kwartaal 29-4e kwartaal 214 x 1. 4 35 oudere arbeidsongeschikten deze uitkering ontvangen en zij geleidelijk aan met pensioen gaan. De WIA-uitkeringen nemen daarentegen toe, omdat iedereen die na 29 december 25 arbeidsongeschikt is geworden meestal recht heeft op deze uitkering. 3 25 2 15 1 5 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 4 29 21 211 212 213 214 WAO Wajong WAZ WIA totaal arbeidsongeschiktheid bron: Statline CBS Er zijn 9.6 Amsterdammers met een Wajong-uitkering (eind 214). Dit zijn, anders dan de naam doet vermoeden, zowel jongeren als ouderen. Per 1 januari 215 is er met de Participatiewet één regeling die de Wet Werk en Bijstand (WWB), de Wet Sociale Werkvoorziening (Wsw) en een deel van de Wajong vervangt. Het doel van de wet is meer mensen met een arbeidsbeperking een baan te laten vinden. Wajong is vanaf 1 januari 215 alleen nog toegankelijk voor jongeren die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Driekwart van de arbeidsongeschikten is volledig arbeidsongeschikt (76). Mensen in de Wajong zijn het vaakst volledig arbeidsongeschikt (91), mensen in de WIA (69), WAZ (71) en WAO (73) zijn minder vaak volledig arbeidsongeschikt. Noten 1 Door de definitie verandering neemt de omvang van de potentiële beroepsbevolking toe, evenals de beroepsbevolking (werkzaam + werkloos). Het aantal werklozen stijgt ook omdat iedereen die op zoek is naar een kleine baan nu ook tot de werkloze beroepsbevolking wordt gerekend. Het percentage werklozen daalt daarentegen omdat het grotere aantal werklozen wordt gedeeld door een grotere beroepsbevolking. 2 Het betreft hier het hoogst voltooide opleidingsniveau. Onder een laag opleidingsniveau valt geen onderwijs, alleen basisonderwijs, een diploma VMBO (of voorlopers daarvan) of een diploma op maximaal MBO niveau. Een middelbaar opleidingsniveau is een diploma op MBO niveau 2, 3 of 4 of een HAVO of VWO diploma. Een hoog opleidingsniveau is een voltooide HBO- of WO- opleiding. 3 O+S. Kinderopvang in Amsterdam. 212. 4 Bron: CBS Statline. 5 ISCO beroepsniveau geeft de plaats van een beroep in de niveau indeling van beroepen volgens de International Standard Classification of Occupations 28 (ISCO 28) van de International Labour Organisation (ILO) weer in vier niveaus. Het beroepsniveau geeft de complexiteit en omvang van taken weer die bij een beroep horen. De praktische uitwerking van het begrip beroepsniveau gebeurt door de toepassing van een of meer van de volgende criteria: de aard van het werk in relatie tot de karakteristieke taken, het voor een goede beroepsuitoefening benodigde opleidingsniveau volgens de ISCED97 indeling en de in een verwant beroep opgedane relevante werkervaring en/of on-the-job training. Niveau 1 betreft eenvoudige routinematige taken waar een elementair of lager onderwijsniveau voor vereist is. Voorbeelden van beroepen van dit niveau zijn schoonmaker van kantoren, glazenwasser, lader en losser, vuilnisman, bollenpeller, frietbakker en keukenhulp. Niveau 2 betreft beroepen met weinig tot middelmatig complexe taken waar een lager of middelbaar onderwijsniveau voor vereist is. Voorbeelden van beroepen op dit niveau zijn slager, buschauffeur, secretaresse, boekhoudkundig medewerker, naaister, coupeuse, verkoper, politieagent, kapper, elektrisch installateur en automonteur. Niveau 3 beroepen hebben complexe taken waar een middelbaar of hoger onderwijsniveau voor vereist is. Het zijn beroepen zoals uitvoerder, bouwkundig opzichter, medisch laboratoriumpersoneel, juridisch secretaresse, vertegenwoordiger, technisch personeel in de it-ondersteuning en radio- en opnametechnici. Niveau 4 betreft beroepen met complexe gespecialiseerde taken waar een hoger of wetenschappelijk niveau voor vereist is. Enkele voorbeelden van beroepen zijn salesen marketing manager, ingenieur weg- of waterbouw, leraar voortgezet onderwijs, arts, gespecialiseerd verpleegkundige, musici en systeemanalist. 6 Bron: CBS Statline. 7 Zie ook het hoofdstuk over Economie. Hoeveel zzp ers Amsterdam telt is niet bekend, er is geen registratie van zzp ers. OIS maakt ieder een schatting van het aantal, op basis van het aantal eenpersoonsvestigingen met de rechtsvorm eenmanszaak. Detailhandel en horeca worden buiten beschouwing gelaten. 8 Bron: SCP. Aanbod van Arbeid 214. 214 9 Bron: SCP. Aanbod van Arbeid 214. 214 1 Bron: EBB CBS, bewerking OIS 11 Dit betreft een cijfer over heel 214. Gedurende heel 214 zijn enquêtes verzameld onder de potentiële beroepsbevolking. Het betreft dus geen cijfer op een peildatum. 12 OIS. Monitor Jeugdwerkloosheid in Amsterdam over 214. Facst sheet, juni 215. 13 Bron: Rijksoverheid.nl.