Vergelijkbare documenten
Juli blauw Vraag 1. Fysica

jaar: 1989 nummer: 25

In een U-vormige buis bevinden zich drie verschillende, niet mengbare vloeistoffen met dichtheden ρ1, ρ2 en ρ3. De hoogte h1 = 10 cm en h3 = 15 cm.

Fysica. Indien dezelfde kracht werkt op een voorwerp met massa m 1 + m 2, is de versnelling van dat voorwerp gelijk aan: <A> 18,0 m/s 2.

Fysica. Een lichtstraal gaat van middenstof A via middenstof B naar middenstof C. De stralengang van de lichtstraal is aangegeven in de figuur.

Juli geel Fysica Vraag 1

Augustus blauw Fysica Vraag 1

Augustus geel Fysica Vraag 1

Fysica. Een voorwerp wordt op de hoofdas van een dunne bolle lens geplaatst op 30 cm van de lens. De brandpuntsafstand f van de lens is 10 cm.

Juli blauw Fysica Vraag 1

jaar: 1989 nummer: 17

Vlaamse Fysica Olympiade Eerste ronde

Q l = 23ste Vlaamse Fysica Olympiade. R s. ρ water = 1, kg/m 3 ( ϑ = 4 C ) Eerste ronde - 23ste Vlaamse Fysica Olympiade 1

Vraag 1 Vraag 2 Vraag 3 Vraag 4 Vraag 5

Deze Informatie is gratis en mag op geen enkele wijze tegen betaling aangeboden worden. Vraag 1

Elektro-magnetisme Q B Q A

Oplossing examenoefening 2 :

koper hout water Als de bovenkant van het blokje hout zich net aan het wateroppervlak bevindt, is de massa van het blokje koper gelijk aan:

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2014 TOETS APRIL uur

Welk van de onderstaande reeks vormt een stel van drie krachten die elkaar in evenwicht kunnen houden?

Vlaamse Fysica Olympiade 31ste editie Eerste ronde

Vlaamse Fysica Olympiade 27 ste editie Eerste ronde

jaar: 1990 nummer: 06

EXAMEN MIDDELBAAR ALGEMEEN VOORTGEZET ONDERWIJS IN 1977 MAVO4 NATUUR- EN SCHEIKUNDE I. Zie ommezijde. Vrijdag 19 augustus,

Mkv Dynamica. 1. Bereken de versnelling van het wagentje in de volgende figuur. Wrijving is te verwaarlozen. 10 kg

HEREXAMEN EIND MULO tevens IIe ZITTING STAATSEXAMEN EIND MULO 2009

Vlaamse Fysica Olympiade Eerste ronde

aluminium 2,7 0, ,024 ijzer 7,9 0, ,012

ALGEMEEN 1. De luchtdruk op aarde is ongeveer gelijk aan. A 1mbar. B 1 N/m 2. C 13,6 cm kwikdruk. D 100 kpa.

Eindronde Natuurkunde Olympiade 2018 theorietoets deel 1

aluminium 2,7 0, ,024 ijzer 7,9 0, ,012

Vraag 1. Fysica 01/2a. Vraag 1 : <A> <B> <C> <D> <D>

1 Overzicht theorievragen

jaar: 1989 nummer: 10

Vlaamse Fysica Olympiade Eerste ronde

MINISTERIE VAN ONDERWIJS, WETENSCHAP EN CULTUUR UNIFORM HEREXAMEN HAVO 2015

Mkv Magnetisme. Vraag 1 Twee lange, rechte stroomvoerende geleiders zijn opgehangen in hetzelfde verticale vlak, op een afstand d van elkaar.

Examen mechanica: oefeningen

Herhalingsopgaven 6e jaar

Nationale Natuurkunde Olympiade. Eerste ronde januari Beschikbare tijd: 2 klokuren

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2018 TOETS 1

T G6202. Info: auteur: Examencommissie Toelatingsexamen Arts en Tandarts, bron: Juli 2015, id: 11941

NATUURKUNDE 8 29/04/2011 KLAS 5 INHAALPROEFWERK HOOFDSTUK

toelatingsexamen-geneeskunde.be

jaar: 1990 nummer: 03

Deze toets bestaat uit 3 opgaven (34 punten). Gebruik eigen grafische rekenmachine en BINAS toegestaan. Veel succes!

Opgave 1 Afdaling. Opgave 2 Fietser

aluminium 2,7 0, ,024 ijzer 7,9 0, ,012

NATUURKUNDE KLAS 5. PROEFWERK H8 JUNI 2010 Gebruik eigen rekenmachine en BINAS toegestaan. Totaal 29 p

Woensdag 24 mei, uur

We willen dat de magnetische inductie in het punt K gelijk aan rul zou worden. Daartoe moet men door de draad AB een stroom sturen die gelijk is aan

aluminium 2,7 0, ,024 ijzer 7,9 0, ,012

Opgave 1. Voor de grootte van de magnetische veldsterkte in de spoel geldt: = l

Arbeid & Energie. Dr. Pieter Neyskens Monitoraat Wetenschappen pieter.neyskens@wet.kuleuven.be. Assistent: Erik Lambrechts

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2019 TOETS APRIL 2019 Tijdsduur: 1h45

DEZE TAAK BESTAAT UIT 36 ITEMS.

TENTAMEN NATUURKUNDE

Vlaamse Fysica Olympiade 26 ste editie Eerste ronde

Eindronde Natuurkunde Olympiade 2014 theorietoets deel 1

Kracht en beweging (Mechanics Baseline Test)

Q l = 24ste Vlaamse Fysica Olympiade. R s. ρ water = 1, kg/m 3 ( ϑ = 4 C ) Eerste ronde - 24ste Vlaamse Fysica Olympiade 1

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2016 TOETS APRIL :15 12:15 uur

TENTAMEN NATUURKUNDE

TWEEDE RONDE NATUURKUNDE OLYMPIADE 2013 TOETS APRIL :00 12:45 uur

HOGESCHOOL ROTTERDAM:

UNIFORM EINDEXAMEN MULO tevens TOELATINGSEXAMEN VWO/HAVO/NATIN 2009

Als de trapper in de stand van figuur 1 staat, oefent de voet de in figuur 2 aangegeven verticale kracht uit op het rechter pedaal.

NATIONALE NATUURKUNDE OLYMPIADE. Tweede ronde - theorie toets. 21 juni beschikbare tijd : 2 x 2 uur

Naam : F. Outloos Nummer : 1302

Deeltoets II E&M & juni 2016 Velden en elektromagnetisme

TENTAMEN NATUURKUNDE

IJkingstoets Wiskunde-Informatica-Fysica 29 juni Nummer vragenreeks: 1

Woensdag 21 mei, uur

Opgave 5 Een verwarmingselement heeft een weerstand van 14,0 Ω en is opgenomen in de schakeling van figuur 3.

NATIONALE NATUURKUNDE OLYMPIADE. Eerste ronde theorie toets. 17 januari beschikbare tijd: 2 uur

aluminium 2,7 0, ,024 ijzer 7,9 0, ,012 lood 11,2 0, ,0 4,2 100

Technische Universiteit Eindhoven Bachelor College

MINISTERIE VAN ONDERWIJS, WETENSCHAP EN CULTUUR UNIFORM EXAMEN VWO 2015

aluminium 2,7 0, ,024 ijzer 7,9 0, ,012

Samenvatting NaSk Hoofdstuk t/m 4.5

Hoofdstuk 3 Kracht en beweging. Gemaakt als toevoeging op methode Natuurkunde Overal

d. Bereken bij welke hoek α René stil op de helling blijft staan (hij heeft aanvankelijk geen snelheid). NB: René gebruikt zijn remmen niet.

Studievoorbereiding. Vak: Natuurkunde voorbeeldexamen. Toegestane hulpmiddelen: Rekenmachine. Het examen bestaat uit: 32 meerkeuzevragen

VAK: natuurkunde KLAS: Havo 4 DATUM: 20 juni TIJD: uur TOETS: T1 STOF: Hfd 1 t/m 4. Opmerkingen voor surveillant XXXXXXXXXXXXXXXXXXX

****** Deel theorie. Opgave 1

Deel 4: Krachten. 4.1 De grootheid kracht Soorten krachten

Eindexamen natuurkunde 1 vwo II

Leerstof: Hoofdstukken 1, 2, 4, 9 en 10. Hulpmiddelen: Niet grafische rekenmachine, binas 6 de druk. Let op dat je alle vragen beantwoordt.

BIOFYSICA: Toets I.4. Dynamica: Oplossing

natuurkunde havo 2018-I

Voortgangstoets NAT 4 HAVO week 11 SUCCES!!!

Theorie: Snelheid (Herhaling klas 2)

Inleiding kracht en energie 3hv

VAK : NATUURKUNDE DATUM : VRIJDAG 04 JULI 2008 TIJD : UUR (Mulo III kandidaten) UUR (Mulo IV kandidaten)

Vraag Antwoord Scores

Hoofdstuk 3 Kracht en beweging. Gemaakt als toevoeging op methode Natuurkunde Overal

IJkingstoets Bio-ingenieur 29 juni Resultaten

Een snaar vertoont de bovenstaande staande trilling. Met welke toon hebben we hier te maken? 1. De grondtoon; 2. De vijfde boventoon; 3. De zesde bove

Transcriptie:

www. Fysica 1997-1 Vraag 1 Een herdershond moet een kudde schapen, die over haar totale lengte steeds 50 meter lang blijft, naar een 800 meter verderop gelegen schuur brengen. Door steeds van de kop van de kudde naar het einde ervan (en omgekeerd) te hollen met een snelheid waarvan de grootte 5 m/s is, slaagt het trouwe dier erin de kudde te verplaatsen met een gemiddelde snelheid van 1 m/s. Indien hij aan de kop van de kudde vertrekt en samen met de eerste dieren in de schuur aankomt, dan is de afstand die de herdershond afgelegd heeft gelijk aan: A. 1600 m, B. 3200 m. C. 4000m. D. 8000m. Vraag 2 Men laat een appel vallen vanop een 100 meter hoge toren. Tegelijkertijd met het loslaten van de appel vertrekt van op een hoogte van 20 meter van de begane grond eeri pijl verticaal gericht op de appel, De positie van appel en pijl zijn hieronder weergegeven in een (x,t)-diagram. De luchtweerstand mag verwaarloosd worden. De pijl treft de appel dan op het tijdstip t: A. 2 s B. 4 s C. 4,47 s D. 8,47 s Vraag 3 Een bol met een massa van 2 kg hangt in rust aan een touw tegen een vertikale muur (zie figuur). De wrijving tussen de muur en de bol is verwaarloosbaar.

www. Als men de bol als een massapunt mag beschouwen, dan kan men de krachten die op de bol inwerken best voorstellen door figuur: Vraag 4 Een voorwerp met massa m komt in A voorbij met een horizontale snelheid v. Het schuift de helling op tot in punt B waar het tot stilstand komt om daarna terug omlaag te schuiven. Het punt B ligt op een hoogte h boven A. Een tweede voorwerp met massa m/2 komt in A voorbij met een horizontale snelheid v/2. De maximale hoogte die het tweede voorwerp bereikte vooraleer terug naar beneden te schuiven is dan (Verwaarloos de wrijvingskrachten): A. h B. h/2 C. h/4

www. D. h/8 Vraag 5 Een fietser neemt een bocht waarbij de snelheid in grootte constant blijft. De fiets maakt daarbij een hoek met het horizontale wegdek. De figuur geeft het vooraanzicht weer. Het zwaartepunt van fiets en fietser samen is gelegen in het punt z. De contactpunten van de banden met het wegdek worden in het vooraanzicht weergegeven door het punt k. De resulterende kracht die het wegdek in de contactpunten k op de fietsband uitoefent is dan best voor te stellen in het vooraanzicht door figuur: Vraag 6 De onderstaande grafiek stelt de elastische vervorming voor van een veer onder invloed van een kracht F. Hierbij stelt x de uitrekking van de veer voor.

www. De verhouding van de arbeid geleverd bij de uitrekking van P tot Q tot de geleverde arbeid bij de uitrekking van 0 tot P is dan : A. 1 B. 2 C. 3 D. 4 Vraag 7 Onderstaande figuur toont de veldlijnen van een elektrisch veld van de ladingen A,B en C. Deze ladingen liggen op een rechte en kunnen niet van plaats veranderen. Als q een bepaalde hoeveelheid positieve lading voorstelt, dan geldt dat: Q A Q B Q C Antwoord A q q q Antwoord B -q q -q Antwoord C -2q q -2q Antwoord D -q 2q -q Vraag 8 Gegeven is een schakeling zoals weergegeven door het onderstaande schema. Door de weerstand van 5,0 Q vloeit een stroom van 2,0 A. De stroomsterkte in de weerstand van 2,0 Q is dan gelijk aan : A. 2,OA B. 2,5A C. 3,6A D. 4,5A Vraag 9 Men meet het potentiaalverschil over en de stroom door een weerstand. De meetpunten zijn aangegeven op de onderstaande grafiek.

www. Welke van de volgende uitspraken is dan correct? A. De waarde van de weerstand is eerst constant maar wordt kleiner bij hogere spanningen. B. De waarde van de weerstand neemt eerst toe en wordt constant bij hogere spanningen. C. De waarde van de weerstand is eerst constant maar wordt zeer groot bij hogere spanningen. D. De waarde van de weerstand is eerst constant maar wordt nul bij hogere spanningen. Vraag 10 Van vier draden a, h, c en d zijn volgende gegevens gegeven. draad Lengte Doorsnede Specifieke weerstand A L S ρ B 2L S 2 ρ C L 2S ρ D 2L 2S 2 ρ De draad ( draden) met de grootste weerstand is ( zijn) dan : A. A B. B C. C D. A en D Vraag 11 Twee zeer lange draden zijn evenwijdig opgesteld. De stroom door de linkse draad (zie figuur ) is in grootte gelijk aan 30 A en de zin ervan wordt aangegeven door de pijl.

www. We willen dat de magnetische inductie in het punt K gelijk aan nul zou worden. Daartoe moet men door de draad AB een stroom sturen die gelijk is aan : A. 10 A en gericht van A naar B B. 7,5 A en gericht van B naar A. C. 10 A en gericht van B naar A. D. 30 A en gericht van A naar B Vraag 12 Een bepaalde hoeveelheid van een als ideaal te beschouwen gas ondergaat de toestandsveranderingen van A B C weergegeven op de onderstaande grafiek. In C is het volume 3,0 liter. In de toestand A is het volume dan gelijk aan : A. 1,5 liter B. 2,5 liter C. 3 liter

www. D. 5 liter Vraag 13 Men verwarmt een hoeveelheid ijs, met als gevolg dat de temperatuur ervan gaat stijgen. Na enige tijd verschijnen de eerste waterdruppels. Nadat al het ijs gesmolten is, merkt men dat de temperatuur terug oploopt. De grafiek geeft het verband tussen temperatuur en toegevoegde warmtehoeveelheid weer. De hoeveelheid ijs (uitgedrukt in gram) waarmee men het experiment uitvoerde is dan : A. 100 g B. 500 g C. 250 g D. 625 g In tabellen vindt men: De specifieke warmtecapaciteit van ijs: 2,059 De specifieke smeltwarmte van ijs: 332,7 De specifieke warmtecapaciteit van water: 4,185 Vraag 14 Een U-vormige buis bezit gelijke verticale benen van 60 cm lang. De U-buis is tot op halve hoogte gevuld met water. De verlikale buisuiteinden zijn beide open. Dit is in de onderstaande figuur weergegeven.

www. Men giet één been tot aan de rand vol met olie (ρ= 800 kg/m³). Dan is de lengte van de oliekolom in de buis gelijk aan: A. 24 cm. B. 30 cm. C. 37,5 cm. D. 50 cm. Vraag 15 In bijgaande figuur is een eendimensionaal lopende golf voorgesteld voor t=0. Het punt op 1m van de oorsprong (x=1) krijgt na 0,01 s voor het eerst een maximale uitwijking. Deze is negatief. Welke uitspraak is juist? A. Het is linkslopende golf en de frequentie is gelijk aan 100 Hz. B. Het is rechtslopende golf en de frequentie is gelijk aan 100 Hz. C. Het is linkslopende golf en de frequentie is gelijk aan 25 Hz. D. Het is rechtslopende golf en de frequentie is gelijk aan 25 Hz.