Doctrine Reële valsheid vs. virtuele valsheid I. Wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit als antwoord op misbruiken van informaticasystemen Inleiding...1 I. Wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit als antwoord op misbruiken van informaticasystemen...2-3 II. Valsheid in informatica: Valsheid in geschriften in een modern jasje?... 4-5 A. Vergelijking tussen beide misdrijven 1. Constitutieve bestanddelen...6-10 2. Strafmaat... 11-12 3. Onderscheiden hoedanigheden dader... 13 B. Verantwoord onderscheid?... 14 III. Valsheid in geschriften en valsheid in informatica: hetzelfde garen hoort op hetzelfde klosje... 15-16 Conclusie... 17 Inleiding Charlotte Conings Assistente Instituut voor strafrecht (KU Leuven) Belgian Cybercrime Centre of excellence for training, research & education 1. De wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit introduceerde onder meer het wanbedrijf valsheid in informatica in het strafwetboek (art. 210bis Sw.). De creatie en het gebruik van valse digitale bestanden wordt daardoor strafbaar gesteld. Het misdrijf vormt een verdere uitbreiding van het hoofdstuk inzake valsheden en vertoont erg veel gelijkenissen met de misdaad valsheid in geschriften (art. 196 Sw.). Wat is precies het verschil tussen beide misdrijven, in theorie en in praktijk? Is dit onderscheid houdbaar in een samenleving die steeds meer geïnformatiseerd geraakt? Werd bovendien niet al van in het begin een artificieel onderscheid gemaakt om op die manier een groter probleem uit de weg te gaan, namelijk de zich steeds meer opdringende herschrijving van het hoofdstuk over valsheden? Is de valsheid in informatica een goed doordachte schepping of louter een product van wetgevende luiheid? 2. Met de wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit heeft de wetgever verschillende nieuwe misdrijven aan het Strafwetboek toegevoegd: valsheid in informatica (art. 210bis Sw.), informaticabedrog (art. 504quater Sw.), hacking (art. 550bis Sw.) en ongeoorloofde datamanipulatie (art. 550ter Sw.) 1. Die nieuwe misdrijven moesten de overheid in staat stellen op een efficiëntere wijze op te treden tegen misbruiken van informaticasystemen. Voordien bestond er immers grote onzekerheid of bepaalde klassieke misdrijven (valsheid in geschriften, diefstal ) ook van toepassing konden zijn in een geïnformatiseerde context 2. De Bistel-zaak vormt een mooie illustratie van hoe men vóór de nieuwe wet soms een al te verregaande analogische toepassing maakte van de bepalingen van het Strafwetboek uit het Papieren Tijdperk, wat zorgde voor grote rechtsonzekerheid 3. Deze zaak had een geval van hacking tot voorwerp. De beklaagden verschaften zich namelijk toegang tot het Bistel-systeem via andermans paswoord 4. Hacking was nog niet als misdrijf in de wet omschreven maar werd wel als maatschappelijk onaanvaardbaar beschouwd. Daarom vatte de rechter in eerste aanleg de gedraging onder enkele klassieke misdrijven, namelijk valsheid in geschriften, diefstal van computerenergie met gebruik van valse sleutels en verduistering van een aan de RTT 5 toevertrouwde mededeling. In hoger beroep werd enkel de laatste veroordeling behouden. Ook die veroordeling bleef echter niet gespaard van kritiek 6. 3. Hoewel we de nood aan modernisering van het Strafwetboek en het nut van nieuwe misdrijven als bescherming tegen 1 Wet 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit, BS 3 februari 2001. 2 E. Baeyens, Informatica en strafrecht: oude griffels nieuwe leien, T. Strafr. 2007, afl.6, 404; S. Van Dyck, Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, Antwerpen, Intersentia, 2007, 107. 3 Corr. Brussel 8 november 1990, Computerr. 1991, afl. 1, 31; B. De Schutter, Het Belgische Bistel-Syndroom, Computerr. 1991, afl. 3, 164-166; O. Leroux, Le faux informatique, JT 2004, afl. 6140, 509-510. 4 Een voormalige medewerker van de eerste minister verschafte zich namelijk, onder het oog van een journalist, toegang tot de databanken en het communicatiesysteem van de overheid door gebruik te maken van het oude, onveranderde en weinig originele paswoord van de eerste minister. Ze namen niet enkel kennis van vertrouwelijke informatie van de staat maar blokkeerden ook de toegang van de eerste minister tot het systeem. 5 Belgische telefoonmaatschappij Regie van Telegraaf en Telefoon. 6 C. Erkelens, Nullem crimen sine lege, nulla poena sine lege: quid?, Dr. Inform. 1991, afl. 1, 54-56; S. Gutwirth, Waarheidsaanspraken in recht en wetenschap. Een onderzoek naar de verhouding tussen recht en wetenschap met bijzondere illustraties uit het informaticarecht, Antwerpen, Maklu, 1993, 751. 238 NR. 279 27 maart 2013
misbruiken van informaticasystemen niet ontkennen, stellen we ons toch vragen bij de nood aan en het nut van het geheel nieuwe misdrijf valsheid in informatica. Is dit misdrijf niet louter het modernere broertje van de verouderende valsheid in geschriften? Was een verjongingskuur voor die klassieke valsheid in geschriften niet meer op zijn plaats geweest? II. Valsheid in informatica: Valsheid in geschriften in een modern jasje? 4. De wet van 28 november 2000 heeft afdeling IIbis inzake valsheid in informatica toegevoegd aan het hoofdstuk van valsheid in geschriften en telegrammen in het Strafwetboek. Het hoofdstuk kreeg dan ook de nieuwe naam valsheid in geschriften, in informatica en in telegrammen. Zo vermeed de strafwetgever, naar eigen zeggen, een herziening van de complexe bepalingen inzake valsheid in geschriften terwijl hij tegelijkertijd duidelijk maakte dat de door de doctrine en jurisprudentie ontwikkelde principes inzake valsheid in geschriften eveneens van toepassing waren op dit modernere misdrijf 7. 5. Heeft de wetgever wel de juiste keuze gemaakt? Had hij niet beter de artikels inzake de valsheid in geschriften aangepast aan de noden van de moderne maatschappij, om op die manier te komen tot een uniformer geheel? De klassieke valsheid in geschriften wordt bovendien steeds minder relevant gelet op de toenemende informatisering van onze samenleving. Niet enkel de bedrijfswereld maar ook de administratie en zelfs stilaan justitie volgen die trend. De motivatie van de wetgever om niet te raken aan de klassieke bepalingen overtuigt niet. Hij wou immers «bewust afwijken van de achterhaalde complexiteit van de gemeenrechtelijke bepalingen over valsheid» (onderscheid tussen categorieën personen, onderscheid tussen aard van documenten) 8. In plaats van het probleem te verhelpen, heeft de wetgever het dus eerder ontlopen en zelfs vergroot. De invoering van een extra afdeling vergroot immers de complexiteit van het hoofdstuk over de valsheden. Een herziening dringt zich bovendien niet enkel op wegens het archaïsche en complexe karakter van de valsheden maar ook vanwege de overdreven sancties bij de valsheden uit afdeling I. Daar vinden we namelijk criminele straffen terug, die ondertussen een lange traditie kennen van routinematige correctionalisering in de praktijk 9. [ ABSTRACT ] Deze bijdrage gaat dieper in op de toegevoegde waarde van het misdrijf valsheid in informatica. De centrale vraag hierbij is of de wetgever er niet beter aan had gedaan in te grijpen in de steeds uitdijende strafwetgeving rond valsheden door in één ruime strafbaarstelling te voorzien die alle strafbare vormen van waarheidsvermomming in duurzame dragers zou omvatten. Cette contribution traite plus à fond la question de la plus-value du délit faux en informatique. La question centrale est de savoir si le législateur n aurait pas mieux fait d intervenir au niveau de la législation pénale concernant les faux législation qui s amplifie continuellement et de prévoir une large pénalisation de toutes les formes punissables de dissimulation de la vérité dans des porteurs durables. Charlotte CONINGS, Reële valsheid vs. virtuele valsheid, NjW 2013, 238-243 A. Vergelijking tussen beide misdrijven 1. Constitutieve bestanddelen 6. Een eerste verschilpunt ligt in de constitutieve bestanddelen. In de parlementaire voorbereiding van 1999 zegt de strafwetgever nochtans met zoveel woorden dat de constitutieve elementen van beide bepalingen gelijklopen 10. Voor het subjectieve delictsbestanddeel volstaat het te verwijzen naar artikel 193 Sw. dat zowel voor valsheid in geschriften als voor valsheid in informatica een bijzonder opzet vereist 11. 7. Voor de objectieve delictsbestanddelen worden drie verschillende componenten van valsheid in geschriften onderscheiden: het materieel voorwerp (geschrift), de geïncrimineerde gedraging (waarheidsvermomming) en het gevolg (potentieel nadeel) 12. Een valsheid in informatica pleegt men door informaticagegevens in te voeren, te wijzigen, te wissen of met enig ander technologisch middel de mogelijke aanwending ervan te 7 Wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit, Parl. St. Kamer, 1999-2000, nr. 213/2,1 en nr. 213/4, 50; P. De Hert, De wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit en het materieel strafrecht. Een wet die te laat komt of een wet die er nooit had moeten komen?, T. Strafr. 2001, 315; T. Laureys, Wet op de Informatica criminaliteit, Gent, Mys & Breesch, 2001, 17. 8 Wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit, Parl. St. Kamer, 1999-2000, 9 L. Dupont, Valsheid in geschriften in X, Bijzonder strafrecht voor rechtspractici, Leuven, Acco, 1989, 161; A. Marchal, Faux commis dans les écritures et les dépêches télégraphiques in Les Novelles, Droit Pénal, II, Brussel, Larcier, 1967, 408. 10 Wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit, Parl. St. Senaat, 1999-2000, nr. 2-392/3, 20. 11 Namelijk: Bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Bedrieglijk opzet wijst op de bedoeling aan zichzelf of een ander een onrechtmatig voordeel te verschaffen. Zie voor een toepassing: Corr. Dendermonde 14 mei 2007, T. Strafr. 2007, afl. 6, 403, noot E. Baeyens; Corr. Dendermonde 28 november 2005, NjW 2006, 229. 12 S. Van Dyck, Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, Antwerpen, Intersentia, 2007, 193-194. NR. 279 27 maart 2013 239
veranderen, waardoor de juridische draagwijdte van de gegevens verandert (art. 210bis Sw.). De traditionele valsheid in geschriften wordt bestraft met een criminele straf, terwijl op valsheid in informatica slechts een correctionele straf staat. 8. Ook voor valsheid in informatica moet er dus sprake zijn van waarheidsvermomming. Artikel 210bis Sw. omschrijft namelijk in de eerste plaats de mogelijke wijze van waarheidsvermomming 13. De waarheid wordt vermomd via datamanipulatie, in de meest ruime zin van het woord 14. De waarheidsvermomming heeft een wijziging van de juridische draagwijdte tot gevolg. De wetgever maakt nergens duidelijk wat precies wordt bedoeld met het wijzigen van de juridische draagwijdte. Enkel voorbeelden van informaticavalsheid kunnen hier verduidelijking bieden: het namaken van officiële certificaten, het vervalsen van namen van partijen in een digitaal contract, het namaken van kredietkaarten 15. 9. Daarnaast kan uit de parlementaire voorbereiding van 1999 worden afgeleid dat de wijziging van de juridische draagwijdte bovendien wordt beschouwd als het door het misdrijf toegebrachte nadeel 16. Ook al kan men zich situaties inbeelden waarin datamanipulatie heeft plaatsgevonden maar de realisatie van een effectief nadeel in de praktijk is uitgebleven (bijvoorbeeld wegens vroegtijdige ontdekking), toch is volgens de wetgever reeds sprake van een effectief nadeel zodra de juridische draagwijdte werd gewijzigd. De focus ligt op de gevaarzetting, eerder dan op de schade. Ook voor valsheid in informatica blijkt bijgevolg, in de praktijk, een potentieel nadeel te volstaan 17. Het verschil met de klassieke valsheid in geschriften ligt zodoende niet in de geïncrimineerde gedraging noch in de gevolgen van het misdrijf. Het moet daarom gezocht worden in het verschil tussen het strafrechtelijk beschermd geschrift en informaticagegevens. 10. Een strafrechtelijk beschermd geschrift is [1] ieder geschrift [2] dat een gedachte uitdrukt, [3] een juridische draagwijdte 13 T. De Maere en J. Keustermans, Tien jaar wet informaticacriminaliteit, RW 2010-11, 563. 14 A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, 35; J. Kerkhofs, P. Van Linthout, Cybercriminaliteit doorgelicht, T. Strafr. 2010, 180-181. 15 P. De Hert, De wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit en het materieel strafrecht. Een wet die te laat komt of een wet die er nooit had moeten komen?, T. Strafr. 2001, 316. 16 Wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit, Parl. St. Kamer, 1999-2000, 17 Corr. Dendermonde 25 mei 2007, TGR TWVR 2007, 351; J. Kerkhofs, P. Van Linthout, Cybercriminaliteit doorgelicht, T. Strafr. 2010, 182. heeft en [4] zich opdringt aan het openbaar vertrouwen 18. Ook informaticagegevens moeten overeenkomstig artikel 210bis Sw. een juridische draagwijdte hebben 19. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt bovendien dat ook hier de voorwaarde geldt dat zij zich aan het openbaar vertrouwen moeten opdringen 20, maar dat die vereiste volgens de wetgever automatisch is vervuld wanneer de gegevens een juridische draagwijdte hebben 21. Verder wordt in de parlementaire voorbereiding het begrip informaticagegevens als volgt omschreven: «Voorstellingen van informatie die geschikt zijn voor opslag, verwerking en overdracht via informaticasystemen waarvan de materiële vormgeving elektromagnetisch, optisch of anderszins irrelevant is.» 22 Er kan identiteit worden gezien tussen de vereiste dat het moet gaan om voorstellingen van informatie en de vereiste van een gedachte-uitdrukking. Beiden vormen immers de grondvoorwaarde voor de waarheidsvermomming. Informatie wordt gevormd door gegevens (data), net zoals de gedachte-uitdrukking wordt gecreëerd door de elementen van het geschrift (bijv. woorden, getallen d.i. schrift). De combinatie van die gegevens brengt een betekenis met zich mee, die ligt in de gedachte of informatie 23. De verandering van de gegevens leidt tot een wijziging van de gedachte of informatie. Het is die wijziging op een tweede niveau, die de waarheidsvermomming met zich meebrengt 24. Uit voorgaande kan bijgevolg afgeleid worden dat het verschil tussen valsheid in informatica en valsheid in geschriften moet liggen in de termen informaticagegevens en geschrift. Een kleine parenthese is hier op zijn plaats. De wetgever is o.i. niet correct in zijn woordgebruik. Bij valsheid in geschriften kunnen we spreken over 3 niveaus. Op de eerste plaats is er het geschrift (het document). In het geschrift bevindt zich het schrift (de woorden, getallen, letters, d.i. gegevens). Dat schrift stelt in zijn geheel een bepaalde gedachte voor. Op dezelfde manier kunnen we bij valsheid in informatiegegevens spreken van een informaticabestand (bijv. worddocument, videobestand, opname-bestand), dat wordt gevormd door informaticagegevens (bijv. woorden, beeldfragmenten, binaire code) die informatie voorstellen. Wanneer de wetgever bijgevolg spreekt van een valsheid in geschriften, moet hij ook spreken van een valsheid in informaticabestanden. Immers, zowel het geschrift als het 18 S. Van Dyck, Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, Antwerpen, Intersentia, 2007, 204. 19 P. De Hert, De wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit en het materieel strafrecht. Een wet die te laat komt of een wet die er nooit had moeten komen?, T. Strafr. 2001, 315. 20 Wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit, Parl. St. Kamer, 1999-2000, nr. 213/1, 14; O. Leroux, Le faux informatique, JT 2004, afl. 6140, 513. 21 Wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit, Parl. St. Kamer, 1999-2000, 22 Ibid. 23 S. Gutwirth, Fundamentele kanttekeningen bij de juridische beteugeling van informaticacriminaliteit: het juridisch statuut van informatie. In X, Informaticacriminaliteit, Antwerpen, Kluwer rechtswetenschappen, 1988, 152. 24 Als het daarentegen gaat om het manipuleren van computergegevens die geen gedachte weergeven, is er sprake van datamanipulatie. 240 NR. 279 27 maart 2013
informaticabestand vormen dragers van gegevens die een voorstelling kunnen vormen van een gedachte of informatie. Het eerste verschil tussen de misdrijven kunnen we situeren op het niveau van de gegevens. Bij valsheid in informatica spreekt de wetgever immers van geïnformatiseerde gegevens, terwijl hij bij valsheid in geschriften niet-geïnformatiseerde gegevens voor ogen heeft. Door te focussen op de loutere vorm van gegevens vallen perfect vergelijkbare situaties onder verschillende strafbaarstellingen. Te denken valt aan een valse geschreven factuur en een valse elektronische factuur. Dit onderscheid maakt bovendien vreemde situaties van samenloop denkbaar. Informaticagegevens worden immers schrift wanneer zij op een papieren drager worden geprint 25. Dit kan vragen doen rijzen over het toepasselijke misdrijf wanneer bijvoorbeeld informaticagegevens worden vervalst, uitgeprint, met de hand ondertekend en vervolgens via post en, ingescand, via email worden verstuurd. In de parlementaire voorbereiding kunnen we bovendien lezen dat informaticagegevens ook beeld en spraak kunnen voorstellen, die als zodanig niet onder de bescherming van de bepalingen inzake schriftvervalsing ressorteren 26. Hier ligt het tweede verschil. Het begrip informaticagegevens kent een ruimer toepassingsgebied aangezien zij ook gesproken en visuele voorstellingen van informatie omvat. De wetgever vermeldt dit onderscheid langs zijn neus weg als antwoord op de prangende vraag in rechtsleer en rechtspraak of elektronische gegevens ook worden beschermd door de klassieke valsheidsdelicten. Die ondoordachte opmerking van de wetgever heeft echter wel tot gevolg dat bijvoorbeeld een valsheid in een afgedrukte foto niet strafbaar is onder valsheid in geschriften terwijl een valsheid in een digitale foto wel een valsheid in de zin van artikel 210bis Sw. uitmaakt 27. 2. Strafmaat 11. Naast een verschil in het toepassingsgebied kan ook een verschil in ernst van de inbreuk de aanleiding zijn geweest tot de aparte strafbaarstelling van beide misdrijven. Dat vloekt echter met het tegelijkertijd verkondigde uitgangspunt van de strafwetgever: offline = online 28. Als we naar de wet kijken is er wel degelijk een duidelijk verschil in strafmaat. De traditionele valsheid in geschriften wordt namelijk bestraft met een criminele straf, terwijl op valsheid in informatica slechts een correctionele straf staat. Dit wijst vreemd genoeg niet op een verschil in de ernst van de misdrijven. De wetgever heeft op die manier enkel rekening willen houden met de gestandaardiseerde correctio- 25 A. De Nauw, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2005, 28. 26 Wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit, Parl. St. Kamer, 1999-2000, 27 Enige nuancering is hier echter op zijn plaats: Een verandering in een foto die deel uitmaakt van een geschrift kan wel een valsheid in geschriften opleveren. Zie: Cass. 3 juli 1939, Pas. 1939, I, 344; Corr. Gent 8 december 1992, RW 1993-94, 961, noot P. Arnou; L. Dupont, Valsheid in geschriften, in X, Bijzonder strafrecht voor rechtspractici, Leuven, Acco, 1989, 145. 28 Wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit, Parl. St. Kamer, 1999-2000, nr. 213/1, 17. nalisatie van de traditionele valsheid 29. Op die manier geeft de wetgever dus duidelijk aan dat ook de traditionele valsheid in de categorie van de wanbedrijven thuishoort. Een herziening van afdeling I van de valsheden zou dan veel logischer zijn geweest. Naast het verschil in de op te leggen sancties brengt het onderscheid misdaad wanbedrijf immers nog andere gevolgen met zich mee; bijvoorbeeld de onmogelijkheid tot rechtstreekse dagvaarding door de burgerlijke partij in geval van een misdaad. 12. Het wordt helemaal absurd wanneer blijkt dat de wetgever het bovendien nodig achtte een aparte strafbaarstelling van valsheden in te voeren in het nieuw Sociaal Strafwetboek. Ook daar maakt men het onderscheid tussen valsheid in geschriften en valsheid in informatica maar beide misdrijven worden er wel op dezelfde wijze bestraft. Die sanctie verschilt dan wel weer van de sancties in het Strafwetboek 30. Het was voor de wetgever dus blijkbaar nog niet ingewikkeld genoeg. In het fiscaal recht vinden we bovendien nog eens aparte strafbaarstellingen van valsheid in geschriften terug met aangepaste sancties 31. Bijzondere bepalingen over fiscale valsheid in informatica (Tax on Web) zijn daarentegen nergens te bespeuren, waardoor moet worden teruggegrepen naar de algemene valsheid in informatica 32. Een verschillende behandeling van visuele voorstellingen op papier en elektronische visuele voorstellingen is totaal achterhaald in een wereld waar digitaal en fysiek tastbaar continu door elkaar lopen. 3. Onderscheiden hoedanigheden dader 13. De strafmaat bij een valsheid in geschriften verschilt naargelang de hoedanigheid van de dader (particulier openbaar ambtenaar). Dit onderscheid wordt daarentegen niet gemaakt voor wat betreft de valsheid in informatica. Dit doet vragen rijzen vanuit het in de grondwet verankerde gelijkheidsbeginsel 33. 29 Wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit, Parl. St. Kamer, 1999-2000, nr. 213/1, 10; S. Van Dyck, Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, Antwerpen, Intersentia, 2007, 195. 30 Art. 232 Wet van 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek, BS 1 juli 2010. De sanctie die aldaar op het misdrijf wordt gesteld bestaat uit: hetzij een gevangenisstraf van zes maanden tot drie jaar en een strafrechtelijke geldboete van 600,- tot 6.000,- euro of uit één van die straffen alleen, hetzij een administratieve geldboete van 300,- tot 3.000,- euro. 31 Art. 450 WIB, art. 73bis WBTW. 32 Art. 210bis Sw. 33 F. De Villenfagne en S. Dusollier, La Belgique sort enfin ses armes contre la cybercriminalité: à propos de la loi du 28 novembre 2000 sur la criminalité informatique, www.droit-technologie.org 16 maart 2001,7-8; O. Leroux, Le faux informatique, JT 2004, afl. 6140, 518 e.v. NR. 279 27 maart 2013 241
Er valt geen reden te bedenken waarom een verzwaring van de strafmaat enkel zou gelden voor een ambtenaar die een valsheid in geschriften pleegt, terwijl zijn modernere collega, die de valsheid via een geïnformatiseerde weg pleegt, geen verzwaring van de strafmaat hoeft te vrezen. Bijgevolg moet dit verschilpunt worden weggewerkt. B. Verantwoord onderscheid? 14. Uit voorgaand onderzoek blijkt dat het onderscheid tussen valsheid in geschriften en valsheid in informatica kan worden teruggebracht tot twee kleine verschillen. Die kunnen o.i. de aparte strafbaarstelling echter niet verantwoorden. We zagen dat een eerste verschil ligt in het al dan niet geïnformatiseerde karakter van de gegevens. Als we vertrekken van het, o.i. correcte, uitgangspunt offline=online, kan dat onderscheid niet langer overeind blijven. Het tweede verschil betreft het ruimere toepassingsgebied van informaticagegevens (namelijk ook gesproken en visuele voorstellingen van informatie). Dat verschil in behandeling kan o.i. echter niet de bedoeling zijn geweest. Een verschillende behandeling van visuele voorstellingen op papier en elektronische visuele voorstellingen is immers totaal achterhaald in een wereld waar digitaal en fysiek tastbaar continu door elkaar lopen. III. Valsheid in geschriften en valsheid in informatica: hetzelfde garen hoort op hetzelfde klosje 15. Een gelijkschakeling tussen beide misdrijven dringt zich bijgevolg op en maakt komaf met de reeds geschetste reële virtuele schizofrenie die vandaag bestaat (bijv. de valse geschreven factuur ten aanzien van de valse elektronische factuur / de valsheid door een bijzondere persoon gepleegd in geschriften ten aanzien van de valsheid gepleegd door zijn modernere collega / de valsheid in de papieren visuele voorstellingen ten aanzien van elektronische virtuele voorstellingen enz.). De wetgever zal voor de aanduiding van het voorwerp van het misdrijf gebruik moeten maken van een algemene term die zowel geïnformatiseerde als niet-geïnformatiseerde gegevens omvat. Bovendien staat niet de wijziging van de gegevens op zich centraal maar wel de wijziging van de achterliggende betekenis. Wij raden daarom het gebruik van de term gedachte of informatie aan. Op de tweede plaats moet de wetgever duidelijk het toepassingsgebied van het misdrijf omschrijven. Ofwel kiest hij voor een beperkt toepassingsgebied waarbij het enkel gaat om gedachten/informatie op duurzame wijze uitgedrukt in schrift 34. Het materiële voorwerp van die strafbepaling is dan elke duurzame drager van een in schrift uitgedrukte gedachte. De term schrift moet dan in de ruime zin van het woord begrepen wor- 34 Onderscheid daarbij de notie schrift van de notie geschrift (supra). den en omvat niet enkel niet-geïnformatiseerde gegevens maar ook informaticagegevens. Ofwel opteert de wetgever voor een ruim toepassingsgebied dat ook duurzame gesproken en visuele voorstellingen van gedachten/informatie omvat. In dat geval is het materiële voorwerp van de strafbepaling elke duurzame drager van informatie 35. Gelet op de ratio legis van het misdrijf, is o.i. de tweede optie de juiste. Geschriften worden via de valsheid in geschriften immers beschermd wegens hun bewijsfunctie. Zij zijn drager van een gedachte en vormen het bewijs van die gedachte 36. Maar een gedachte kan ook vervat liggen in een auditieve of visuele weergave waarvan de bewijsfunctie vaak als belangrijker wordt ervaren. Leg maar eens een foto naast een geschrift met tegengestelde inhoud. De grote meerderheid zal zijn vertrouwen eerder stellen in de inhoud van de foto dan in de inhoud van de tekst. Dezelfde redenering geldt met betrekking tot een geluidsopname of videobestand. Bovendien is het aannemelijk dat in de toekomst steeds meer zal worden bewezen via beelden. Er worden immers steeds meer beeldopnames gemaakt in de huidige, geïnformatiseerde samenleving, waarin een groot deel van de bevolking zo goed als altijd een camera op zak heeft (bijv. ingebouwd in een gsm). Als we nu al kunnen vaststellen dat beelden van Google Earth of Google Street View worden gebruikt als bewijsmateriaal in een verzekeringszaak 37, dan kunnen we er niet omheen dat in de toekomst waarschijnlijk nog veel meer mogelijk wordt. Een sluitende bescherming van de authenticiteit en betrouwbaarheid van dergelijke auditieve of visuele voorstellingen is daarom noodzakelijk. 16. Uiteraard is bij zo een ruim geformuleerd toepassingsgebied van het valsheidsdelict ( elke duurzame drager van informatie ) de nood aan een duidelijke grens groot. Het is niet de bedoeling iedere wijziging van gedachten of informatie op een duurzame drager te vatten onder de strafbaarstelling. Wat de objectieve delictsbestanddelen betreft, vinden we vandaag de grens tussen strafbaar en niet-strafbaar terug in vage begrippen als juridische draagwijdte, openbaar vertrouwen en potentieel nadeel. We hebben bovendien kunnen vaststellen dat de wetgever deze begrippen in het kader van de informaticavalsheid aan elkaar koppelt. Als de gegevens een juridische draagwijdte hebben, dringen zij zich volgens de wetgever automatisch op aan het openbare vertrouwen. Bovendien wordt de wijziging van de juridische draagwijdte gelijk gesteld aan een effectief geleden 35 Zie hieromtrent ook: S. Van Dyck, Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, Antwerpen, Intersentia, 2007, 225 e.v. 36 S. Van Dyck, Valsheid in geschriften en gebruik van valse geschriften, Antwerpen, Intersentia, 2007, 230. 37 http://www.standaard.be/artikel/detail. aspx?artikelid=dmf20111208_084: Om in een appartement in te breken forceerden twee dieven een raamwerk op de benedenverdieping. Het slachtoffer vroeg om een terugbetaling van de verzekering. De verzekering weigerde de terugbetaling echter omdat de raamkozijnen van de woning verouderd waren. De man toonde via Google Street View echter aan dat enkele maanden daarvóór het raamwerk op de benedenverdieping wel degelijk vernieuwd was. 242 NR. 279 27 maart 2013
nadeel. Daarenboven laat de wetgever de invulling van het begrip juridische draagwijdte volledig over aan de rechter. De wetgever staat er dus blijkbaar op dezelfde criteria toe te passen in geval van valsheid in geschriften en valsheid in informatica en benadrukt op die manier de identiteit tussen beide misdrijven. Maar tegelijkertijd past de wetgever de criteria (juridische draagwijdte, openbaar vertrouwen, potentieel nadeel) op een zeer kunstmatige wijze toe bij de valsheid in informatica. We kunnen bijgevolg, zeker in het kader van de valsheid in informatica, niet spreken van een efficiënte rem op de toepassing van het strafrecht op valse voorstellingen van gegevens. Het misdrijf valsheid in informatica lijkt eerder een gevolg te zijn van de terughoudendheid van de wetgever om voor eens en altijd komaf te maken met de complexe, achterhaalde en te strenge regelgeving van valsheid in geschriften. Het verwoorden van een werkbare grens is dus noodzakelijk en zal allicht het moeilijkste aspect zijn van de hervorming van de valsheden. Een correcte toepassing van het bedrieglijk opzet, dat in de praktijk vaak al te laks wordt toegepast, zou zeker en vast al een hele stap in de goede richting zijn. Bovendien zou de wetgever er goed aan doen meer aandacht te besteden aan de ratio legis van de strafbaarheid van de valsheden. Het misbruik maken van de bewijsfunctie kan daarom o.i. best als centraal constitutief bestanddeel in de strafbaarstelling worden ingeschreven. Opdat er sprake kan zijn van een misbruik van bewijsfunctie moet de drager van informatie voldoende geloofwaardig zijn zodat een bonus pater familias erop mag vertrouwen dat de drager effectief de waarheid bevat. Er wordt als het ware misbruik gemaakt van de redelijke en geloofwaardige schijn van de drager van informatie en van de inhoud. Een e- mail van dagobertduck@hotmail.com met daarin de vraag naar uw bankrekeninggegevens en de mededeling dat Dagobert op zijn oude dag zijn vermogen wil verdelen onder enkele gelukkigen, valt zodoende niet onder het misdrijf valsheid. Een aanpassing in een officieel doktersattest valt daarentegen wel onder het misdrijf valsheid. Vervolgens is het belangrijk te kijken naar wat er precies werd vervalst en of men het vervalste gedeelte heeft willen bewijzen. Dit vormt een onderscheiden subjectief delictsbestanddeel. De focus ligt dan niet meer op de drager (geschrift, bestand) maar op de gegevens (woorden, videofragmenten, ). Wanneer men bijvoorbeeld een document antidateert, dan heeft men de bedoeling daarmee aan te tonen dat het document daadwerkelijk op die bepaalde datum is opgesteld. Wanneer men een bedrag aanpast in een factuur, heeft men ook de bedoeling aan de hand van de factuur de daarin voorziene valse kost te bewijzen. Het fotoshoppen van modellen in reclame is daarentegen bijvoorbeeld niet gericht op het bewijzen van hun slanke lijn maar op het aanzetten tot kopen van de voorgestelde kledij. Het opzet situeert zich daarbij op een ander niveau. Conclusie 17. Het misdrijf valsheid in informatica lijkt eerder een gevolg te zijn van de terughoudendheid van de wetgever om voor eens en altijd komaf te maken met de complexe, achterhaalde en te strenge regelgeving van valsheid in geschriften. In deze bijdrage werden beide misdrijven met elkaar vergeleken en verschilpunten werden onderstreept. Die verschillen bleken echter een onderscheid in strafbaarstelling niet te verantwoorden. Eén ruime strafbaarstelling van valsheid in duurzame dragers van informatie moet het kluwen van regels rond valsheden vervangen. Dat zou de complexiteit van de valshedenwetgeving terugschroeven door een aanpak van alle vormen van valsheden op grond van hetzelfde artikel mogelijk te maken. Daarbij is het uiteraard niet de bedoeling iedere aanpassing van informatie strafbaar te stellen. Daarom werd de nood aan een duidelijke grens tussen strafbaar en niet strafbaar benadrukt. Voor de bepaling van die grens werden in deze bijdrage enkele suggesties gedaan. Het wordt hoog tijd dat de wetgever zijn obese valshedenwetgeving aanpakt: het wetgevend fotoshoppen van de voorbije jaren is immers niets meer dan zelfbedrog 38. 38 Deze bijdrage bevat enkel de visie van de auteur en verbindt niet de instellingen waarvan zij deel uitmaakt. NR. 279 27 maart 2013 243