Interview met Dries Eker Martin van der Linde - Dwarsgracht, 3 juli 2014 Dries Eker (Dwarsgracht, 19 december 1933) woont al zijn hele leven op Dwarsgracht. Hij is zeventig jaar lang boer geweest, totdat in het voorjaar van 2014 het werk lichamelijk niet meer ging en hij zijn vee verkocht. Boer zijn op Dwarsgracht verschilde met elders op het platteland. Door het vele water en de weinige wegen in het gebied ging bijna alles per boot. Eker was de laatste boer die op Dwarsgracht is overgebleven. Hij is nooit getrouwd geweest, maar heeft tegenwoordig wel een vriendin. 'De boerderij waar ik woon, is in 1948 gebouwd door mijn vader. Hij had geen centen, maar er was toen een wederopbouwregeling waar hij gebruik van kon maken. Van het Rijk kon je geld lenen waar je geen rente over hoefde te betalen. Daar heeft hij indertijd dit huis van gezet. Om de paar jaar moest hij een deel aflossen. Daarvóór woonde hij ook al wel op Dwarsgracht, hier vlakbij. Ik heb één broer. Die is altijd bouwvakker geweest. Tegenwoordig woont hij in De Blesse, in de buurt van Wolvega. Turf Mijn vader heeft naast z n boerenbedrijf heel lang turf gestoken. Ik heb dat ook nog wel gedaan. Turf steken kon je hier overal doen, ook wel hier achter de boerderij. Maar ze zijn een keer aan het donderen geweest met die eendenkooi in de buurt. M n vader had daar recht om turf te maken, maar dat mocht toen ineens niet meer. Toen moest hij uitwijken naar Wetering, achter Muggenbeet. Er waren nog geen motorboten, alles ging nog met de vaarboom. Dus moest je daar eerst met de punter heen varen. Of roeien met de boot. Dat was een heel eind! Het turfsteken gebeurde in het voorjaar. April, mei en juni ook nog wel. Daarna moest het de tijd hebben om te drogen. Dat ging in de zomer het beste. De turf zette je op een stapel zodat het kon drogen in de zon. Dat was zwaar werk! Als het gedroogd was, bracht m n vader de turf naar Vollenhove en Sint Jansklooster en daar ventte hij het uit. 1 Alles ging per boot Naast de turf hadden we thuis een paar koeien, wat varkens, een schaap, een geit en sneden we nog een beetje riet. Hoeveel land m n vader had weet ik niet. Dat was telkens wisselend. Hij deed van alles wat. Hij jaagde er ook weleens bij. Van jongs af aan hielp ik thuis al mee. Ik heb op de lagere Landbouwschool in Steenwijk gezeten. Vanaf mijn negende tot een paar maanden geleden heb ik altijd koeien gemolken. Bij het Giethoornsche meer hadden we er een stuk of zes lopen. We voeren daar s ochtends eerst heen om te melken en daarna gingen we weer naar huis. Als we in de turf zaten gingen we vervolgens daar de hele dag naar toe. We namen dan brood en koffie mee. s Avonds gingen we direct vanuit de turf weer naar de koeien om te melken en dan weer naar huis. Je bleef aan het heen en weer varen. Dat kostte veel tijd. De varkens bracht ik ook met de boot naar de slager of naar de beer.
Vroeger was de weg aan de overkant van de gracht er nog niet. Ik dacht dat die pas in 1956 is aangelegd. Als er biks werd gebracht, zetten ze dat altijd op een steiger aan de overkant neer. We haalden die zakken dan zelf daarvandaan naar de boerderij. Ik weet ook nog dat elektriciteit en water hier pas later is gekomen. We moesten weleens met de lantaarn ernaast in de stal melken, anders was het te donker. We hadden toen een grote pomp voor als het warm was in het voorjaar. In de stal liep een goot voor de koeien langs, waar we dan water uit de gracht in pompten. Die beesten zopen hartstikke veel! Met paarden heb ik nooit gewerkt. Dat was niet handig hier in de buurt met al dat water. Toen er nog geen trekker was, maaiden we het gras altijd met de zeis. En later met de motormaaier. Dat ging ook goed hoor. Ik heb weleens wat met een paard gereden met een kar er achter. Iemand anders zette mij dan dat paard voor de kar. Je moest er wel een beetje handigheid in hebben. Bij het ene paard ging het ook beter dan bij het andere. Als ik er mee reed dan was het vooral in de Giethoornse polder. Niet hier. Ik denk dat er hier maar een stuk of drie boeren waren die een paard hadden. Die hadden ze dan niet bij huis, maar op Giethoorn staan. Ze namen die beesten dan wel mee in de boot, maar dat wou niet altijd zo best. Soms als zo n paard niet in de boot wilde, deden ze hem er achterstevoren in. Of ze deden hem een jas over de kop. Dan ging het vaak wat beter. Praatjes verkopen Ik ben dooplid van de Hervormde Kerk in Giethoorn, net als de meeste mensen op Dwarsgracht. Vroeger ging ik wel naar de jongensvereniging van de kerk. Wat we daar deden? Praatjes verkopen. Eén keer per week, of één keer per twee weken, kwamen we bij elkaar. We hadden ook catechisatie van de dominee. Daar kwamen de jongens én de meiden bij elkaar. De dominee hield dan een praatje, maar wij hadden veel meer aandacht voor elkaar. Het was om negen uur afgelopen, maar vaak was ik pas tegen een uur of elf thuis. We zaten altijd nog wel bij iemand thuis na. Dat was gezellig. Verder waren we bijna nooit vrij. We gingen ook bijna nooit een dagje weg. Dat was toen nog niet zo in de mode als tegenwoordig. Soms werkte men hier op Dwarsgracht wel op zondag. Er waren natuurlijk altijd wel dingen die moesten gebeuren, zoals melken of koekalven. Maar gemiddeld genomen denk ik dat het daar bij bleef. Ik ben nooit getrouwd geweest, maar heb al wel zeventien jaar een vriendin. Ze werkte hier vroeger al bij mijn moeder en is nooit meer weggegaan. Ze is gescheiden en komt hier vaak naar toe. Ik vind het wel prima. Anders ben je ook maar alleen. 2 Overname Op een gegeven moment kon ik de boerderij van mijn vader overnemen. Wanneer dat precies was weet ik niet meer. M n broer had er geen belang bij. Hij was in dienst en heeft nog een jaar lang in Nederlands-Indië gezeten. De boel werd getaxeerd en toen kon ik het overnemen. Nadien heb ik het bedrijf niet echt uitgebreid. Het was allemaal handwerk dat moest gebeuren: mesten, voeren en de hele bliksemse bende. Ik heb altijd rond de zeventien, achttien koeien gehad. De ene keer wat meer, de andere keer wat minder. En ik had ook een paar varkens en pinken. Het land hier op Dwarsgracht is gemiddeld genomen laag en nat. Kalfjes konden er nog wel lopen, maar de koeien waren er eigenlijk te zwaar voor. Dus die had ik lopen in de Giethoornse polder. In
totaal had ik bijna 7 bunder land, verspreid over allemaal kleine stukjes. Het kleinste stukje was 36 are. Het was allemaal van mezelf, er zat niks van de natuur bij. Ik ging er altijd met de boot naar toe om te melken. Het was nog wel een kwartier of een half uur varen voordat je er was. Koeien in de bok De koeien bracht ik in de boot naar het land toe. Daar waren ze van jongs af aan al aan gewend. Ik weet nog dat ik een keer bijna verzopen ben in het Giethoornsche meer. Normaal gesproken kon je wel een stuk of zes koeien in de bok hebben, maar die keer had ik er maar drie in staan. Het was gewoon stommigheid van mezelf. Ik had de boot niet goed ingeladen. Ik had de koeien te ver vooraan neergezet, waardoor de kop van de bok in de golven onder water kwam. En dan is het snel gebeurd! De koeien stonden vast, maar eentje rukte zich al los. Dus ik als de donder met het mes erbij om dat touw van die andere twee koeien los te snijden. Binnen de kortste keren zat die hele schuit onder het water! Die beesten helemaal de kluts kwijt natuurlijk. Ze bleven eerst gewoon staan, maar ik kon ze nog uit de boot jagen. Daarna bleven ze om de bok heen zwemmen, want ze wilden er weer in. Gelukkig zijn ze niet verzopen. Helemaal dwars over het meer zat een helling in de wal, waar ze uit het water konden komen. Het Giethoornsche meer is niet diep, dus kon ik ze daar heen brengen. Maar het was herfst en ik had een dikke jas en grote laarzen aan. Dan loop je niet zo hard hoor! Ik moest s ochtends nog naar de veemarkt, maar toen ik s middags thuis kwam hadden ze mijn boot teruggevonden en leeggepompt. Toen had ik de bok dus ook weer. Ik had altijd verrekte beste koeien. Dat weet m n veehandelaar ook nog wel. Fokken deed ik altijd via de KI. Ik had van die zwartbonte Amerikaanse koeien, Holsteins. Maar MRIJ-vee had ik er ook wel tussen lopen, van die mooie rooien. Van alles door elkaar. Die rooien hadden vaak wat meer kilo s dan die zwartbonten. Er zat meer vlees aan. Ik deed ze altijd weg via de handelaar, soms ook wel voor de slacht. Als de koeien opgehaald werden, moesten ze altijd met de boot naar de overkant. Daar had je wel een paar man hulp mij nodig, dat lukte niet alleen. Maar het is altijd goed gegaan. 3 Verrekte warm In de winter stonden de koeien op stal. Het hing altijd van het weer af, wanneer je ze weer naar buiten kon doen. Vaak was dat in mei, maar ook weleens achter in april. Dan bleven ze de hele zomer op het land. Met de boot haalde je ze namelijk niet weer zo makkelijk op als het weer ineens minder werd. Ik heb de koeien ook weleens buiten gehad, toen het plotseling een stuk kouder werd. Ik molk nog gewoon met de hand, maar kon de vingers haast niet meer bewegen, zo bibberen en zo koud was het! Die beesten hadden het ook koud. Ik deed ze dan een dek op. Dat hielp wel. In 1960 heb ik een melkmachine gekocht, een Hektor. Dat was zo n wagen die in het land stond waar je de koeien aan vast kon binden. De motor zat er binnenin. De laatste jaren heb ik altijd in een doorloopwagen gemolken. Als het regende was dat veel makkelijker. Maar in de zomer was het ook weleens verrekte warm in die doorloopwagen. Je kon de deur niet los doen, want anders vlogen de koeien er weer uit!
Melklokaal De melk werd altijd opgehaald door de melkvaarder. Die bracht het naar de fabriek in Giethoorn. Daar voer hij helemaal naar toe met de bok vol melkbussen van alle boeren hier. s Winters en s zomers, s ochtends en s avonds. In de winter moest hij ook met de boot door het ijs heen ranselen. In de jaren zeventig werd de melk niet meer bij de boerderij opgehaald, maar moest je de bussen zelf op een steiger even verderop zetten. Nog weer later hadden we hier met een paar boeren een gezamenlijk melklokaal aan de overkant van de gracht. Dat staat er nog steeds. De melktank werd verplicht en de melk werd alleen nog maar opgehaald met een tankauto. Maar die kon hier bij die zes boeren, onder wie ikzelf, aan de overkant van de gracht niet komen. Met geld van de provincie en het Rijk heeft de fabriek hier toen een melktanklokaal gebouwd, maar als boeren moesten we er ook aan bijdragen. We hebben allemaal onze eigen tank betaald, die toen in het melklokaal kwamen te staan. Je moest wel samenwerken, noodgedwongen natuurlijk. Anders hadden we er direct wel mee kunnen stoppen. De melk bracht ik met de boot in bussen naar de tank en werd tot het laatst aan toe nog opgehaald door de NOVAC. Het melkgeld kwam dan automatisch op de rekening. Vroeger bracht de melkvaarder dat altijd. Dan floot hij een keer als hij er was en zat het geld aan de bus vast. Hooien Achter de stal heb ik nog een hooiberg staan. Die had ik weleens tot aan de nok toe vol zitten. Hooien kostte altijd veel tijd. Ik moest alles met de boot van het land naar huis toe halen. Om het gemaaide gras te laten drogen maakten we in het land oppers en die vervoerden we per boot hier naar toe. Je moest met twee man zo n opper tillen en dan liep je over een plank de boot in. Dat was zwaar werk. Soms stapelden we wel drie oppers op elkaar, zo hoog moest je tillen. Later schoven we het hooi op een bult richting de boot met de trekker. In de bok pasten ongeveer twintig stapels van drie oppers hoog. Als je een grote boot had, gingen er dus makkelijk een stuk of zestig in. Maar dan was je thuis ook wel bijna de hele zaterdagmiddag bezig om die schuit leeg te prikken. Op die manier was je de hele zomer wel bezig met hooien, stukje voor stukje. Het was toen nog gewoon los hooi. We maakten thuis ook weleens een klein kuilbultje zo aan de kant van de wal. Met wat plastic eroverheen en een beetje grond er bovenop. Later kreeg ik pakjes. Die haalde ik ook naar huis met de bok en brachten we naar boven in de hooiberg met een transporteur. Dat is zo n lopende band waar je de pakjes op kon zetten. 4 Als je met een boot vol met hooi voer, moest je altijd oppassen. Als het regende en het werd zwaarder, dan ging het allemaal één kant op hangen en kon je haast niks meer. Bij het inladen moest je daar goed rekening mee houden! Je moest er ook op letten dat het hooi niet over de kant hing en in het water kwam als je voer. Als dat hooi het water opzoog, werd de vracht steeds zwaarder. Dan voer je jezelf kapot. Je kon het er dan beter maar afplukken. Dat deed je gewoon bij de wal. Eerst de ene kant van de boot, daarna draaide je hem om en kon je de andere kant doen. Mijn vader had vroeger voor de zekerheid altijd een groot stuk zeil bij zich. Dat zette hij dan op de bok, zodat het wind kon vangen. Daar werd het varen een stuk lichter van! Anders moest je alles met de vaarboom doen. En als het regende was zo n zeil ook handig, want dan kon je er onder schuilen.
Als het hooi te nat werd, had je kans op hooibroei. Daar moest je altijd goed verdacht op zijn. Ik heb het zelf vaak genoeg gehad. Ik weet nog dat ik een keer een bunder of drie gemaaid had en ik dacht ik laat het mooi op het land liggen. Als ik ging melken, kwam ik altijd langs dat stukje land. Dan zag ik wel eens zo n rookpluimpje eruit komen, allemaal van de broei natuurlijk. Maar toen een keer op een morgen: de vlammen eronder! Dan kun je er niks meer aan doen en ben je alles kwijt. Ik geloof dat ik daarvoor verzekerd was. Ik heb er toen nog wel geld voor gekregen. Dat was gewoon op het land, maar hier thuis had ook weleens van de zwarte brandplekken in het hooi. Alleen is het nooit helemaal in de fik gegaan. Maar je moest er altijd goed op letten! Het enige wat je kon doen was er een groot gat in maken en hopen dat het niet in de brand vloog. Maar daar moest je ook weer voorzichtig mee zijn, want als er teveel zuurstof bij kwam kon het alsnog in de fik vliegen. Overal water Je hebt hier overal water. Ik vis achter de boerderij wel eens op paling. Dan zet ik van die fuiken in het water en daar zwemmen ze dan in. Maar op het ogenblik zijn ze er behoorlijk fel op. Eerder deed ik het veel meer. Je had hier altijd zo n kerel van Natuurmonumenten. Dat was echt zo n rakker die de boel streng controleerde. Maar je kon genoeg in het geheim doen hoor. Je moest er voor zorgen dat de stokken van die fuik niet boven het water uitstaken, dan zag je er niks van. Nadeel was dan wel dat als er iemand aan kwam varen, hij zo met de schroef van de buitenboordmotor in de fuiken vast kwam te zitten. Vooral van die jongens hier uit de buurt kwamen weleens in de slootjes hier achter. Je ziet hier in de zomer of met Pasen en Pinksteren altijd veel toeristen. Die vinden het hier prachtig met al dat water. Gisteren fietste er nog een stel langs, maar toen ging het mis bij dat kleine bruggetje even verderop. Die vrouw kon zich nog net vasthouden, maar de fiets viel naar beneden. Toen ze hem er weer uit haalden zaten de fietstassen vol water, haha! Maar je kunt je nog aardig zeer doen als je zo naar beneden valt hoor. 5 De hoogte van het water houden ze hier redelijk in peil. Soms kan het wel tien of vijftien centimeter verschillen, maar meer niet. In de zomer staat het vaak wat hoger dan in de winter. Ze laten het peil dan speciaal zakken voor de rietsnijders. Tot afgelopen winter heb ik ook nog riet gesneden, maar eigenlijk wou het lichamelijk al niet meer. Het meeste riet heb ik aan een neef van mij gegeven. Die maait het dit jaar voor me af. In totaal heb ik nog zo n 7 bunder, verspreid over kleine stukjes. Maar het levert niks meer op. Als je het goed bijhoudt of er hooiland van wilt maken, dan moet je het laten afplaggen. Maar dat kost veel te veel! Als je het riet met de bok naar huis haalde, was het ook oppassen. Riet is glad en als het dan een beetje gaat schuiven ben je met de boot binnen de kortste keren helemaal uit balans. Als er in de winter ijs lag, gingen we vaak op de schaatsen naar het riet toe. In het begin was dat ijs nog wel lastig. Om riet te snijden heb je de motormaaier nodig, maar die was dan nog veel te zwaar om over het ijs te kunnen. Je moest er dus altijd goed over nadenken om hem op tijd op het goede stuk rietland klaar te zetten. Anders kon je niks beginnen. Laatste boer
Toen ik naar de Landbouwschool ging, waren er hier op Dwarsgracht nog 37 boeren die koeien hadden, meestal tussen de vier en zeven stuks. Sommigen werden oud en stopten ermee en anderen wilden groter en verhuisden naar de Noordoostpolder of zijn in de Hevenpolder verder gegaan. Ik was nog de laatste boer op Dwarsgracht. Er is verder helemaal niks meer. Ik heb 70 jaar lang koeien gemolken, maar dit voorjaar wilde het lichamelijk niet meer. Wat er precies aan scheelt weet ik niet. Ze hebben me helemaal ondersteboven gekeerd en van alles wel onderzocht. Ik heb een hele doos vol met pillen! Op het laatst leverden de koeien ook niet zoveel meer op. Het heeft me de laatste jaren alleen maar geld gekost. En je had er nog wel veel werk mee, want je moest nog wel gras maaien en hooien. Ik wou het eigenlijk niet, maar een paar maanden geleden heeft de veehandelaar de koeien opgehaald. Ze lopen nu bij een boer in Giethoorn-Zuid. De stallen hier bij huis heb ik nog allemaal. De melkinstallatie zit er nog in. Ik zou hem zo aan kunnen zetten en weer gaan melken. Maar ja, wat moet je met die rommel allemaal? Het dondert vanzelf een keer in mekaar, moet je maar rekenen. Alles is verrot, net als de baas. Het houdt een keer op! Ik ben altijd met plezier boer geweest. Ik was de enige opvolger, maar ik had ook nooit anders gewild hoor. Ik heb er nooit spijt van gehad. Melken vond ik altijd het mooiste werk om te doen. Dan was je in het land, in de natuur, en had je contact met de beesten. Ik heb genoeg gemerkt van alle veranderingen in de landbouw. Met machines, met koeien, met de administratie. Het komt nu allemaal veel krekker, vroeger was het veel minder secuur. Op het laatst had ik nog ongeveer 70.000 liter melkquotum. Dat heb ik nu allemaal verkocht.' 6