1 BACHELORSCRIPTIE GESCHIEDENIS PROTOCOL 2015-2016 Versie april 2015 LEES EERST HET PROTOCOL VOOR START VAN DE BA-SCRIPTIE 1. Definitie van de Bachelorscriptie Definitie: De bachelorscriptie geschiedenis vormt de afsluiting van de bacheloropleiding. Met deze scriptie laat de student zien zelfstandig een historisch probleem te kunnen analyseren en daar een wetenschappelijke tekst over te kunnen schrijven dat in principe publiceerbaar is. De scriptie is de neerslag van een substantiële literatuurstudie. Tevens dient vertrouwdheid te blijken met het gebruik van bronnen en theorievorming in de geschiedwetenschap. 2. Keuze onderwerp en begeleider De student mag zelf een onderwerp bepalen en een begeleider vragen. Maar het is wel verstandig het onderwerp in de eerste plaats te zoeken binnen de periode en/of het thema waarin het kernvak of het 3 e jaars onderdeel van de minor is gevolgd, terwijl ook wordt aanbevolen het onderwerp van de scriptie te plaatsen binnen het thema waarin het bronnen en methoden college is gevolgd (GPC, CG, ESG,). Op deze wijze kan de reeds opgedane kennis bij het schrijven van de scriptie optimaal benut worden. 3. Omvang van de scriptie De scriptie omvat 10 ECTS. Een deel hiervan wordt gebruikt voor het inlezen in de context van het onderwerp. Een deel voor het eigenlijke onderzoek in de literatuur, in gedrukte bronnen of ook dat is toegestaan in archieven. En ook voor het schrijven en vormgeven van de scriptie moet tijd gereserveerd worden, alsmede voor besprekingen met de scriptiebegeleider, het schrijven van een onderzoekvoorstel en de deelname aan een scriptie-intervisiegroep. Al met al leidt dit tot een scriptie die 9.800-12.000 woorden omvat (exclusief noten, bijlagen en literatuur) en die gebaseerd is op circa 1.960 pagina s literatuur en bronnen.
2 4. Voorbereiding op de scriptie en tijdsplanning Met het nadenken over het scriptieonderwerp dient reeds in een vroeg stadium (zie stappenplan achterin brochure) te worden begonnen. In dit stadium wordt ook bekeken in hoeverre de beschikbaarheid van wetenschappelijke literatuur en bronnenmateriaal de voorkeur voor een bepaald onderwerp rechtvaardigt. Indien de student zijn gedachten hieromtrent voldoende heeft geconcretiseerd, maakt hij een afspraak met de betreffende docent voor een verkennend gesprek. Na dit eerste gesprek schrijft de student zich in voor de Bachelorscriptie in Progress. Vervolgens schrijft de student zich zelf in voor een scriptie intervisiegroep op de Nestorcursus van de Bachelorscriptie. In de Nestoromgeving van het intervisiecollege dient de student een scriptie-aanmeldingsformulier in te vullen (met onderwerp en begeleider) en up te loaden via het daarvoor ingerichte postvak. Daarnaast schrijft de student een onderzoeksvoorstel van twee pagina s, inhoudende: titel en ondertitel; een introductie op het thema, het probleemveld, de vraagstelling en deelvragen; de manier waarop de vraagstelling geoperationaliseerd wordt; de beoogde betoogstructuur en opbouw van het werkstuk (zo mogelijk een schatting van het aantal woorden per hoofdstuk); een beknopte bronnen- en literatuurlijst en een tijdpad (met een overzicht van geplande inleverdata van afzonderlijke hoofdstukken en van de volledige versie van de scriptie). Dit onderzoeksvoorstel dient te worden besproken met de begeleidende docent. Eventuele aanpassingen kunnen verwerkt worden, alvorens de student het voorstel uploadt op Nestor. De begeleidende docent schrijft een kort commentaar op het voorstel, dat de student vervolgens doorstuurt naar de tutor van de scriptie-intervisie groep. 5. De totstandkoming van de scriptie Voor vele van de in deze paragraaf behandelde facetten van de Bachelorscriptie geldt dat de tijdens de studie aangeleerde technieken en methodieken in grote lijnen toepasbaar zijn tijdens het voorwerk en het schrijven van de scriptie. Zie bijvoorbeeld: Kate L. Turabian, A manual for writers of research papers, theses and dissertations (Chicago: University of Chicago Press, 8 th edition 2013), http://www.press.uchicago.edu/books/turabian/manual/index.html. 5.1. Probleemveld, vraagstelling, bronnen- en literatuuronderzoek Probleemstelling: Essentieel voor elke scriptie is de wijze waarop u vertrekkend vanuit een probleemveld komt tot een vraagstelling en u vervolgens de daarvan afgeleide deelvragen formuleert. De vraagstelling dient open te zijn, een analyserend karakter te hebben ("In hoeverre...", "In welke mate...", waarom etc.) en beantwoord te kunnen worden in de vorm van een evaluerende conclusie. De vraagstelling moet een herkenbare thematische afbakening en afbakening in de tijd hebben. Soms kan het van belang zijn ook de theoretische component van de te behandelen problematiek in de vraag te verwerken. Literatuur- en bronnenonderzoek: Dit onderzoek moet eveneens volgens de tijdens de studie aangeleerde normen worden verricht. Het onderzoek wordt uitgevoerd op basis van wetenschappelijke literatuuren bronnenmateriaal. De literatuur over het te behandelen
3 onderwerpbevat boeken enartikelen uit wetenschappelijke tijdschriften. Deze literatuur dient een goede weergave te zijn van de stand van het recente onderzoek op het terrein van het in de scriptie behandelde thema. Onder bronnen worden verstaan: (uitgegeven) bronteksten, ooggetuigenverslagen/interviews, oorkonden, briefwisselingen (wel of niet uitgegeven), couranten, rapporten, notulen, jaarverslagen, handelingen, officiële documenten van ministeries, parlementen en (internationale) organisaties, statistieken etc. 5.2. Het schrijfproces Het schrijfproces is een creatief proces dat veel tijd vergt. De student dient tijdens het schrijven in het bijzonder aandacht te besteden aan verantwoording/motivering, inhoud, stijl en taal en compositie/structuur. De scriptie wordt geschreven in de Nederlandse taal. Van een andere taal kan slechts gebruik worden gemaakt na uitdrukkelijke toestemming van de begeleidende docent. Deze toestemming kan worden ingetrokken indien het eerste aangeleverde concept-hoofdstuk linguïstisch van onvoldoende niveau is. Zorgvuldige formuleringen zijn van cruciaal belang. In geval van twijfel verdient het aanbeveling Renkema's Schrijfwijzer. Handboek voor duidelijk taalgebruik (Den Haag, laatste druk) en 'Het groene boekje' (Woordenlijst van de Nederlandse taal, Den Haag, laatste druk) te raadplegen. 5.3. Annotatie en verantwoording Het notenapparaat en de literatuur-/bronnenlijst dienen te worden weergegeven aan de hand van Turabian Style : Kate L. Turabian, A manual for writers of research papers, theses and dissertations (Chicago: University of Chicago Press, 8 th edition 2013), voetnoten in notes-bibliography style ; http://www.press.uchicago.edu/books/turabian/manual/index.html. 5.4. Omvang en presentatie Presentatie: De volledige versie van de scriptie wordt in tweevoud aangeboden ter beoordeling: één exemplaar aan de begeleidend docent en één aan de tweede beoordelaar. De aan beide docenten aangeboden versie dient tevens te worden geupload in de daartoe bestemde Ephorus-box van de Nestor-module ba-scriptie. De scriptie wordt op nette wijze in A-4 formaat gepresenteerd. De scriptie bevat een titelpagina met naam, adres, studenten telefoonnummer van de student, alsmede de naam van de begeleidend docent. Er wordt gewerkt met een ruime bladspiegel met brede kantlijnen, getypt in een gangbaar lettertype (Times (New) Roman 11/12, etc.) op regelafstand 1,5. Behalve van een titelpagina is de scriptie voorzien van een inhoudsopgave, inleiding, betoog, conclusie, (eventueel) bijlagen, een grondig voetnotenapparaat en een uitgebreide bronnen- en literatuurlijst. Nadat de volledige versie is besproken met en goedgekeurd door de eerste begeleider en de tweede beoordelaar dient een digitaal exemplaar van de scriptie in PDF geupload te worden via http://scripties.let.eldoc.ub.rug.nl/uda/. (zie paragraaf 9). 6. Begeleiding De begeleiding tijdens de Bachelorscriptie is in beginsel onder te verdelen in vier fasen. 1. In de voorbereidende fase wordt de het scriptievoorstel met de docent besproken (zie paragraaf 4);
4 2. Vervolgens wordt de uitwerking verder besproken (bijvoorbeeld methode van onderzoek, wijze van analyseren) en wordt het voorstel uitgewerkt tot eenonderzoeksopzet. In deze periode wordt tevens een scriptie-intervisiegroep gevolgd. 3. Tenslotte wordt een conceptversie van de scriptie door de docent gelezen en van commentaar voorzien. 4. De herschreven en definitieve versie wordt door de docent opnieuw gelezen en beoordeeld middels een beoordelingsformulier. Tegelijkertijd gaat de definitieve versie naar een tweede beoordelaar, die een apart beoordelingsformulier invult. In totaal staan 5 contactmomenten per student gereserveerd. Daarnaast volgt de student de bijeenkomsten van de scriptie-intervisie groep. Aan het einde van deze bijeenkomsten krijgt de student van de eerste begeleider en de betreffende groepsdocent de goedkeuring om door te gaan. In de OER is het als volgt geformuleerd: Studenten moeten bij de aanvang van hun scriptie/eindopdracht eerst verplicht een scriptie-intervisiecollege volgen en dit met een testimonium voldoende afronden voordat ze hun scriptie mogen afronden. De docent dient regelmatig op de hoogte gehouden te worden van de voortgang van de scriptie. Overigens is het van belang te beseffen dat een docent meer taken heeft dan de scriptiebegeleiding en dat hij vaak tegelijkertijd meerdere scriptiekandidaten begeleidt. Om een optimale begeleiding te kunnen garanderen is het noodzakelijk dat de stukken steeds minimaal één week vóór de bespreking worden ingeleverd bij de begeleider. Docenten zijn soms voor korte of langere tijd afwezig uit Groningen vanwege congresbezoek, onderzoek of vakantie. Informeert u hier tijdig naar, bij voorkeur voorafgaand aan de vaststelling van het tijdpad (zie paragraaf 4). De RUG biedt een cursus "Scriptie ondersteuningsgroep" en een cursus Academische schrijfvaardigheid aan voor studenten die problemen hebben met de planning en discipline, het onderzoek voor en het schrijven van hun scriptie. Voor meer informatie over deze cursussen kan men terecht bij de studieadviseurs of de afdeling Studenten Service Centrum van de RUG, tel. 363 8066, website www.rug.nl/ssc. Bij de studieadviseur kan tevens informatie worden ingewonnen over de planning van het scriptie-onderdeel in het totale studieprogramma. 7. Beoordeling en puntenhonorering Ten aanzien van de beoordeling gelden de criteria die aan bod komen in het voorgeschreven beoordelingsformulier (bijlage 1). In alle gevallen zijn de kwaliteit en relevantie van de inhoudelijke (eigen) analyse en theoretische onderbouwing van doorslaggevende invloed op het uiteindelijke resultaat. Zowel de eerste begeleider als de door de Examencommissie aangewezen tweede beoordelaar vullen ieder een apart beoordelingsformulier in. Bij onenigheid in de becijfering tussen beide docenten, zullen ze in een gezamenlijk overleg tot een eensluidend cijfer moeten komen, wat ze in het kort in een rapport moeten verantwoorden. Mocht er geen overeenstemming zijn, dan wordt de scriptie voorgelegd aan een derde beoordelaar, aan te wijzen door de Examencommissie. In geval de beoordelaars besluiten de scriptie met een 6 te honoreren, dan zal deze scriptie aan de Examencommissie voorgelegd worden. Deze zal nagaan of aan het werkstuk werkelijk
5 een voldoende kan worden toegekend. De scriptie wordt gewaardeerd met 10 ECTS. De student ontvangt het tentamenbewijs voor de scriptie na inlevering en beoordeling van de eindversie. Daarnaast ontvangt de student een ingevuld exemplaar van het beoordelingsformulier (bijlage 1). 8. Rechten en plichten van de student De student heeft recht op scriptiebegeleiding zoals omschreven in paragraaf 6. De student heeft daarnaast de plicht op juiste, d.w.z. zelfstandige, wijze informatie te verzamelen en conform de regels en gebruiken van de RUG een Bachelorscriptie te schrijven. Fraude en plagiaat worden zwaar bestraft, omdat het te allen tijde duidelijk dient te zijn dat de student in alle opzichten de feitelijke auteur is van het werkstuk. Ook gebrekkige of onnauwkeurige bronvermeldingen en (opzettelijk) foutieve verwijzingen worden de student daarom aangerekend. De Bachelorscriptie dient de vrucht te zijn van een onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek. Het overschrijven of te nadrukkelijk parafraseren van geraadpleegde stukken tekst is daarmee uitdrukkelijk in strijd. De docent heeft het recht inzage te krijgen in de geraadpleegde literatuur en bronnen en de student dient deze stukken desgewenst aan de docent te overleggen. Ten aanzien van het auteursrecht geldt dat er gedeelde rechten bestaan: zowel de docent als de student heeft het auteursrecht over de Bachelorscriptie. Dit betekent dat er geen publicatie kan plaatsvinden zonder elkaars toestemming. 9. Archiveren en openbaarheid De student is verplicht een digitaal exemplaar in PDF van zijn/haar afstudeerwerkstuk na beoordeling te uploaden via http://scripties.let.eldoc.ub.rug.nl/uda/, anders kan de bul niet worden aangemaakt.dit gaat via het aanleverloket van Bureau Studentzaken (BSZ). De scriptie komt zo in de repository van de RUG terecht, het digitale archief van publicaties van de Rijksuniversiteit Groningen. 10. Stappenplan en procedure Bachelorscriptie Zie Nestorpagina Geschiedenis, Brochures, BA 3 en afstuderen 11. Aanvraag en procedure Bachelorexamen De Bachelorbul wordt altijd gedateerd op de laatste werkdag van de maand waarin het laatste resultaat wordt behaald. Deze datum is de officiële afstudeerdatum. De Bachelor buluitreiking vindt twee keer per jaar plaats in de maanden november/december en juni/juli. De student ontvangt hiervoor een uitnodiging van het Bureau Student Zaken van de Faculteit. Het is verplicht ruim (zie tijdpad in bijlage) voor de geplande afstudeerdatum een afspraak te maken met de studieadviseur om te controleren of u daadwerkelijk alle onderdelen van de Bachelor hebt afgerond/gaat afronden en voldoende punten hebt
6 behaald/gaat behalen. Dit om onaangename verrassingen te voorkomen. Het is verplicht om het Bachelorexamen aan te vragen, uiterlijk drie maanden voor de beoogde afstudeerdatum. Dit gaat via de website van Bureau Studentenzaken van de Faculteit der Letteren, www.rug.nl/let/bsz. De student dient een exemplaar van de scriptie in PDF te uploaden nadat het resultaat van het eindwerkstuk is geregistreerd in Progress via http://scripties.let.eldoc.ub.rug.nl/uda/ ter archivering. Het spreekt voor zich dat de scriptiebegeleider eveneens een (gecorrigeerd) exemplaar van de scriptie dient te ontvangen. Aan het eind van elke maand stelt de Examencommissie van de opleiding Geschiedenis vast welke kandidaten in de afgelopen maand voldaan hebben aan de eisen van het Bachelorexamen. De datum waarop dit wordt vastgesteld (= de laatste werkdag van de maand) is de officiële afstudeerdatum, en dat is de datum die op de bul wordt vermeld. Studenten die stoppen met studeren na het behalen van de Bachelorbul dienen zelf hun studiefinanciering stop te zetten bij DUO. Denk ook aan het inleveren van de ovjaarkaart binnen 5 werkdagen na de afstudeerdatum en eventuele restitutie van het collegegeld (via de University Student Desk in het Academiegebouw). Gaat una de Bachelor verder met een (aansluitende) Masteropleiding, dan hoeft u niets te melden bij DUO en loopt de studiefinanciering gewoon door. 12. Overzicht relevante instanties en personen Voor aanvullende vragen kunt u terecht bij de volgende instanties en personen: Bureau Student Zaken, hal 1 ste verdieping (ma-vr tussen 11.00-16.00 uur). University Student Desk (voorheen Centrale Studentenbalie), Academiegebouw, ma-vr tussen 12.00-16.00 uur, tel. 363 8004, telefonisch bereikbaar van 10.00-16.00 uur. Let op aangepaste openingstijden in de zomer- & kerstvakantie. Secretariaat Geschiedenis, kamer 511 (ma-vr tussen 12.00-16.00 uur), tel. 363 8986. Onderwijsadministratie Geschiedenis (mw. Charlene Croes), kamer 511 (ma-vrij van 12.00-16.00 uur), tel. 3635994. Studieadviseur Geschiedenis (Erika Kastelein, Dorien Daling, Bob van der Borg, kamer 1315.501). Afspraak maken via secretariaat Geschiedenis, tel. 050-363 8986). Mail: studieadviesgeschiedenis@rug.nl Examencommissie van de opleiding Geschiedenis (excie.gmg@rug.nl)
7 Bijlage 1 Beoordelingsformulier Bachelorscriptie Geschiedenis (LGX999B10) Faculteit der letteren, Rijksuniversiteit Groningen, versie 14 maart 2015 Eerste begeleider NB Voor een nadere uitleg van de gehanteerde begrippen wordt verwezen naar de Bijlage Basisbegrippen van historisch onderzoek bij de notitie Doorlopende leerlijn vaardigheden en Glossarium. De afzonderlijke vragen onder ieder kopje hoeven niet stuk voor stuk te worden beantwoord en beoordeeld, soms doen ze er ook niet alle toe, maar dienen vooral als een handreiking bij het opstellen van een beoordeling. Kortom vul dit formulier in naar de geest en niet naar de letter. Je kunt ook het Ba-beoordelingsformulier inclusief eindkwalificaties raadplegen. Datum: Naam student: Studentnummer: Titel werkstuk: Naam eerste begeleider Eindresultaat: [Cijfer afgerond op 0,5] Opleiding programma Bachelor Geschiedenis Handtekening eerste begeleider Handtekening tweede beoordelaar 1. Probleemveld 5,5-6,5 7-7,5 Is het probleemveld van het werkstuk duidelijk weergegeven? Is de auteur op de hoogte van de belangrijkste relevante literatuur (de status questionis, de historiografie, het historisch debat) over het onderwerp? Is de auteur in staat kritisch en analytisch op de literatuur te reflecteren? Onderbouwing beoordeling [voor 2 e beoordelaar niet vereist, tenzij onvoldoende]: 8-8,5 9-10
8 2. Vraagstelling Mondt de bespreking van de bestaande literatuur over het onderwerp uit in een duidelijke vraagstelling? Is de uitwerking van de vraagstelling in deelvragen adequaat? Houdt de auteur zich gedurende de scriptie aan de geformuleerde vragen? Onderbouwing beoordeling [voor 2 e beoordelaar niet vereist, tenzij onvoldoende]: 3. Operationalisering van de vraagstelling en uitvoering onderzoek Is de operationalisering van de vraagstelling goed verantwoord? Zijn de gekozen theorie, methoden en technieken van onderzoek adequaat gezien de vraagstelling? Zijn kernbegrippen duidelijk gedefinieerd en geoperationaliseerd? Is sprake van het gebruik van bronnen? Zijn de beoogde methoden en technieken correct toegepast bij de analyse van de bronnen? Is de bestaande literatuur over het onderwerp goed verwerkt? Onderbouwing beoordeling [voor 2 e beoordelaar niet vereist, tenzij onvoldoende]: 4. Betoogstructuur en compositie/argumentatie/conclusies Is de betoogstructuur helder (chronologisch, thematisch, geografisch etc.) en is de opbouw van de scriptie/de hoofdstukkenindeling evenwichtig en passend bij de vraagstelling? Is de argumentatie consistent en overtuigend? Volgen de conclusies uit het gepresenteerde materiaal en beantwoorden zij de gestelde
9 vragen? Onderbouwing beoordeling [voor 2 e beoordelaar niet vereist, tenzij onvoldoende]: 5. Annotatie, leesbaarheid en vormgeving Wordt op adequate wijze aan de literatuur en de bronnen gerefereerd? Zijn de noten en verwijzingen duidelijk en geredigeerd volgens het voorgeschreven stylesheet (Turabian)? Is sprake van correct en verzorgd taalgebruik in de scriptie? Heeft de auteur zich gehouden aan de voorgeschreven lengte van de scriptie? Is de scriptie goed vormgegeven en ziet zij er verzorgd uit? Onderbouwing beoordeling [voor 2 e beoordelaar niet vereist, tenzij onvoldoende]: Wat was de mate van zelfstandigheid / zelfwerkzaamheid / persoonlijke inbreng? Hoe was de tijdsplanning gedurende het onderzoeks- en schrijfproces? Onderbouwing beoordeling: 6. Proces [Niet door de tweede beoordelaar!!!] Recapitulatie beoordeling in deelcijfers NB: Geen van de deelcijfers 1 tot en met 5 mag lager zijn dan 5,5!! 1 2 3 4 5 6 CIJFER Weging 25% 20% 25% 20% 5% 5% Voorlopig EINDCIJFER: Algemeen oordeel (inclusief toelichting voorlopig eindcijfer):
10 Met deze beoordeling gaan de docenten het afsluitend overleg in. Na afloop van het gesprek hecht de eerste begeleider het door de tweede beoordelaar na het overleg toegestuurde beoordelingsformulier aan zijn formulier vast en vult het eindcijfer en eindoordeel hieronder in. Dat voorzien zowel eerste begeleider als tweede beoordelaar van hun handtekening op de eerste bladzijde van het formulier van de eerste begeleider. EINDCIJFER: Eindcijfer (en toelichting eindcijfer):
11 Bijlage 2 Eindkwalificaties Bachelorscriptie [zie ook bijlage OER 2015-2016] De afgestudeerde heeft aangetoond te beschikken over 2. kennis van en inzicht in de voornaamste actuele en historiografische ontwikkelingen in de historische wetenschappen op het gebied van thematiek, theorie en methoden; 6. het vermogen tot zelfstandig, efficiënt en effectief verzamelen, selecteren en ordenen van historische literatuur en bronnen, met gebruikmaking van relevante bibliografische en digitale zoekvaardigheden; 7. het vermogen om heldere, relevante en empirisch toetsbare en/of goed beantwoordbare onderzoeksvragen te formuleren met inachtneming van de bestaande historiografie/status questionis; 8. het vermogen tot kritische analyse van historisch-wetenschappelijke teksten en (tekstuele, visuele, materiële, audiovisuele en kwantitatieve) bronnen; 9. het vermogen historische en interdisciplinaire onderzoeksmethoden en theorieën toe te passen om te komen tot een gedegen analyse van historische vraagstukken; 10. het vermogen tot het schrijven, presenteren en verdedigen van een onderzoeksverslag met gebruikmaking van de juiste vakterminologie met constante aandacht voor stijl en argumentatie, volgens de eisen die daaraan binnen de historische wetenschappen worden gesteld; 11. het vermogen om de historische kennis en vaardigheden te benutten die van pas komen in een breed academisch beroepenveld en waarbij het een vereiste is, dat de studenten: -persoonlijke verantwoordelijkheid en zelfdiscipline aan de dag leggen; -een oplossend vermogen aan de dag leggen; -kunnen denken en schrijven onder tijdsdruk; -kunnen functioneren in een samenwerkingsverband; -effectief gebruik kunnen maken van basale digitale vaardigheden; 12. het vermogen om op de contextualiteit van de eigen maatschappelijke en wetenschappelijke oordeelsvorming en historische interpretaties, en die van anderen, te reflecteren; 13. het vermogen het voorlopige en complexe karakter van historisch wetenschappelijke kennis en onderzoek naar waarde te schatten. 15. het vermogen op basis van de uitkomsten van eigen historisch onderzoek van beperkte tot redelijke omvang goed onderbouwde conclusies te rapporteren in werkstukken en Bachelorscriptie conform de conventies van de historische wetenschappen; 16. het vermogen om op betrouwbare en accurate wijze, en met correct taalgebruik, te communiceren in woord en geschrift over resultaten binnen de historische wetenschappen voor een publiek bestaande uit specialisten of niet-specialisten; 18. het vermogen een eigen leerbehoefte ten aanzien van actuele en nieuwe onderwerpen te identificeren en deze ter hand te nemen, waarbij gebruik wordt gemaakt van relevant onderzoek en de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van de historische wetenschappen.