Instantie. Onderwerp. Datum

Vergelijkbare documenten
Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Instelling. Onderwerp. Datum

Instantie. Onderwerp. Datum

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Instelling. Onderwerp. Datum

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Instantie. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Instelling. Onderwerp. Datum

Instelling. Onderwerp. Datum

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Hof van Cassatie van België

Transcriptie:

Instantie Hof van Cassatie Onderwerp Vennootschappen. Algemeen. Gemeenschappelijke regels. Vereffenaars. Tekortkoming in het bestuur. Aansprakelijkheidsvordering. Verjaring. Begin Datum 21 oktober 2005 Copyright and disclaimer Gelieve er nota van te nemen dat de inhoud van dit document onderworpen kan zijn aan rechten van intellectuele eigendom, die toebehoren aan bepaalde betrokkenen, en dat er u geen recht wordt verleend op die desbetreffende rechten. M&D Seminars wil u met dit document de nodige informatie verstrekken, zonder dat de in dit document vervatte informatie bedoeld kan worden als een advies. Bijgevolg geeft M & D Seminars geen garanties dat de informatie die dit document bevat, foutloos is, zodat u dit document en de inhoud ervan op eigen risico gebruikt. M&D Seminars, noch enige van haar directieleden, aandeelhouders of bedienden zijn aansprakelijk voor bijzondere, indirecte, bijkomstige, afgeleide of bestraffende schade, noch voor enig ander nadeel van welke aard ook betreffende het gebruik van dit document en van haar inhoud. M&D Seminars - 2006 M&D CONSULT BVBA ARTHUR VERHAEGENSTRAAT 26 9000 GENT TEL 09/224 31 46 FAX 09/225 32 17 E-mail: info@mdseminars.be www.mdseminars.be

21 oktober 2005 C.04.0611.F/1 Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.04.0611.F.-µ BELGISCHE STAAT, Minister van Financiën, Mr. François T Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen 1. S. J., 2. C. M., 3. C. J.-C., 4. C. P., 5. C. Ch., 6. C. M., Mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, 7. C. R. I. Bestreden beslissing Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 30 juni 2004 gewezen door het Hof van Beroep te Luik.

21 oktober 2005 C.04.0611.F/2 II. Rechtspleging voor het Hof Raadsheer Christine Matray heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd. III. Middel Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan. Geschonden wetsbepalingen - de artikelen 184, 185, 186, 188 en 194 van de bij koninklijk besluit van 30 november 1935 gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, thans opgeheven en vervangen door verscheidene bepalingen van het Wetboek van vennootschappen, zoals ze van kracht waren vóór 17 maart 1989 ; - artikel 149 van de Grondwet. Aangevochten beslissingen Op de gronden van het beroepen vonnis: De consorten C. R., R. en A. waren bestuurders van de naamloze vennootschap Maison Chapelle-Chapux die op 28 maart 1946 opgericht werd voor een termijn van dertig jaar. Op 9 mei 1978, werd een akte van vereffening-verdeling verleden door Mr. Leroy, notaris te Hoei ; die akte werd niet bekendgemaakt in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad. Op 30 april 1980 diende de naamloze vennootschap Maison Chapelle een bezwaarschrift in tegen de aanslag in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 1977 en 1978 ; bij beslissing van 4 juli 1985 verwierp de door de directeur van de belastingen te Luik gemachtigde ambtenaar dat bezwaar. Bij zijn arrest van 10 juni 1987 verklaarde het hof van beroep de voorziening van de naamloze vennootschap Chapelle ontvankelijk maar nietgegrond. Mevrouw R. C. is overleden en de heer R. C. werd aangesteld tot algemene legataris.

21 oktober 2005 C.04.0611.F/3 ( ) Eiser vordert de hoofdelijke en ondeelbare veroordeling van de verweerders tot betaling van 3.102.432 BEF. ( ) Eiser heeft de aanslagkohieren betreffende de aanslagjaren 1977 en 1978 overgelegd. Het bezwaar tegen die aanslagen werd definitief beslecht en, bij arrest van 16 juni 1987, heeft het hof [van beroep] de wettigheid van die aanslagen bevestigd. Het gevorderde bedrag van 3.101.432 BEF vormt het bedrag van de belasting in hoofdsom vermeerderd met de interest en de kosten, vastgesteld op 1 januari 1989 en wordt overigens niet betwist, en, op eigen gronden : (Eiser) vordert de hoofdelijke en onsplitsbare veroordeling van A. en R. C., aangezien laatstgenoemde werd aangesteld tot algemeen legataris van R. C., die in januari 1981 overleden is, tot betaling van 3.101.432 BEF of 76.882,49 euro, vermeerderd met de nalatigheidsinterest, welk bedrag overeenkomt met de belastingaanslagen ten name van de naamloze vennootschap Chapelle-Chapux in vereffening. De vordering is gegrond op artikel 192 van het Wetboek van vennootschappen (ex artikel 186 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen) betreffende de aansprakelijkheid van de vereffenaars jegens derden voor tekortkomingen in hun bestuur, waarbij de persoonlijke aansprakelijkheid van de consorten C. in het gedrang komt wegens een tekortkoming in hun bestuur die erin bestond dat zij het voor de betaling van de belasting noodzakelijke bedrag noch betaald, noch geconsigneerd hadden, beschikt het bestreden arrest afwijzend op de vordering van eiser tot hoofdelijke veroordeling van A. C. en R. C. tot betaling van 3.101.432 BEF of 76.882,49 euro, in hoofdsom, en zulks op de onderstaande gronden : II. Verjaring 1. Artikel 198, 1, vierde lid, van het Wetboek van vennootschappen bepaalt dat alle rechtsvorderingen tegen zaakvoerders, bestuurders, commissarissen, vereffenaars, wegens verrichtingen in verband met hun taak,

21 oktober 2005 C.04.0611.F/4 te rekenen van die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen van de ontdekking verjaren door verloop van vijf jaren. De partijen erkennen dat de verjaring waarop die bepaling doelt in deze zaak wel degelijk van toepassing is. Zij verschilt van de verjaring bedoeld in het derde lid, die de eerste rechter ten onrechte in aanmerking heeft genomen, volgens welke de vennootschap vijf jaar blijft bestaan na sluiting van de vereffening om in te staan voor de rechtsvorderingen die de schuldeisers van de vennootschap kunnen instellen tegen de vennootschap zelf, in de persoon van haar vereffenaars. De vijfjarige verjaringstermijn die geldt voor de rechtsvorderingen tegen de vereffenaars van handelsvennootschappen, wegens verrichtingen in verband met hun taak, is daarentegen ingegeven door de zorg om de lasthebbers van de vennootschap niet te lang in het ongewisse te laten omtrent de aansprakelijkheid waartoe hun opdracht aanleiding geeft. Hij gaat in te rekenen vanaf de gelaakte verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen vanaf de ontdekking, waarbij het opzet elke verberging van de verrichtingen is met het oog op een financieel of moreel belang. Tot slot kan die verjaring niet gestuit of geschorst worden, gelet op de wil van de wetgever om het risico van de vereffenaars dat hun aansprakelijkheid in het gedrang komt op een redelijke wijze te beperken in de tijd (...). 2. In deze zaak werd op 9 mei 1978 een akte van vereffening-verdeling verleden voor notaris Leroy. Voor het onderzoek van de verjaring van (eisers) rechtsvordering doet het niet ter zake of die akte, die niet in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt, maar wel op 11 mei 1978 werd geregistreerd en op 19 mei 1978 werd overgeschreven in het hypotheekregister, wordt beschouwd als een akte tot sluiting van de vereffening of niet. De aan de vereffenaars verweten tekortkoming, die de verjaringstermijn doet lopen, kan zich immers voordoen voor de sluiting van de vereffening. Bovendien kan de vereffening worden gesloten voordat alle schulden zijn betaald, zodat (eiser) ten onrechte staande houdt dat, aangezien

21 oktober 2005 C.04.0611.F/5 de vennootschap in vereffening in verschillende rechtsgedingen is blijven optreden, de vereffeningsverrichtingen noodzakelijkerwijs ten minste tot in 1987 zijn blijven doorgaan. 3. De notarisakte van 9 mei 1978 is een akte die de toestand van de activa en passiva en de rechten van elkeen vastlegt, en het vermogen van de vennootschap verdeelt. Elke partij bij de akte heeft ontroerende goederen gekregen : R. en R. C. krijgen de helft van de voorraden en de helft van de schuldvordering en staan in voor de helft van de schulden, zodat alle goederen van de vennootschap bij die verdeling betrokken zijn. De partijen bij de akte zijn tot verdeling overgegaan; toen alles geregeld was hebben ze de boni van de vereffening en de schulden onder elkaar verdeeld. Die akte bekrachtigt de tekortkoming van de vereffenaars, namelijk dat zij de boni van de vereffening en sommige schulden onder elkaar hebben verdeeld en zonder acht te slaan op de belastingschuld en zonder enig bedrag te consigneren voor de betaling ervan. Blijkens artikel 190, 2, van het Wetboek van vennootschappen (ex artikel 185 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen) mogen de vereffenaars pas tot verdeling tussen de vennoten overgaan wanneer de schulden waarvan zij kennis hebben of zouden moeten hebben, zijn betaald, of na consignatie van de nodige gelden om die schulden te voldoen. De vereffenaar die weet dat er een schuld bestaat en die de activa onder de vennoten verdeelt zonder die schuld te betalen of de nodige gelden te consigneren, vervult zijn taak niet en begaat een tekortkoming in zijn bestuur (...). De vereffenaars dienen niet alleen rekening te houden met de ingekohierde belastingen, maar ook met die welke nog moeten worden ingekohierd. Bij die akte van 9 mei 1978 hebben consorten C., door de activa van de vennootschap te gelde te maken zonder zich te bekommeren om de belastingen die nog konden worden ingekohierd, dus hun aansprakelijkheid van vereffenaars in het gedrang gebracht.

21 oktober 2005 C.04.0611.F/6 Het is verkeerd om, zoals (eiser), ervan uit te gaan dat er verscheidene opeenvolgende tekortkomingen zijn geweest die na de akte van 9 mei 1978 zijn blijven voortduren telkens een van de vereffenaars vermogen recupereerde. Die recuperaties zijn immers slechts de uitvoering van de akte van 1978 en vormen geen onderscheiden tekortkomingen. De akte bepaalt weliswaar dat de activa zullen worden verdeeld na de verrekening van een schuld aan derden van 2.985.001 BEF, maar (eiser) kon daarenboven niet veronderstellen dat die schuld de aanslagen van de jaren 1977 en 1978 bevatte of dat genoemd bedrag geconsigneerd zou worden om de belastingen te betalen. Uit de akte van 9 mei 1978 blijkt immers duidelijk dat geen rekening werd gehouden met de vennootschapsbelasting op de inkomsten van 1977 en 1978. Hoe dan ook werd de schuld aan derden nergens geconsigneerd maar wel verdeeld tussen consorten R. C. en R. C. hetgeen eveneens een tekortkoming uitmaakte. (Eiser) houdt bijgevolg tevergeefs staande dat de beslissing om gelden te consigneren om de belastingen te betalen nog later kon worden genomen en dat de [verweerders] verplicht waren de onterecht ontvangen bedragen terug te geven, de schulden te betalen en nadien de vereffening af te sluiten. Van bij de ondertekening van de akte in 1978 is de tekortkoming in het bestuur van de vereffenaars duidelijk en volledig en daarover zou slechts anders kunnen worden beslist indien een gedeelte van de activa of van de schulden zou zijn voorbehouden. 4. De akte van vereffening-verdeling van 9 mei 1978, die de verdeling van het hele vermogen bekrachtigt, is bijgevolg het begin van de verjaringstermijn, behalve indien (eiser) opzet bij de [verweerders] bewijst. (Eiser) levert het bewijs van dat opzet niet en beweert slechts dat de verreffeningsverrichtingen door de [verweerders] opzettelijk verborgen zouden zijn gehouden. De administratie heeft de aanslag op de meerwaarde van de vereffening ingekohierd in april 1980 ; zij wist dus dat de akte bestond en beschouwde deze

21 oktober 2005 C.04.0611.F/7 als een akte van sluiting, aangezien de afrekening betreffende de meerwaarde slechts na de sluiting van vereffening kan gebeuren. Hoe dan ook kan vanaf de brief van 27 juli 1981 die uitdrukkelijk verwees naar de verdelingsakte, niet meer worden betwist dat (eiser) de akte van vereffening-verdeling kende die de tekortkoming van de vereffenaars in hun bestuur vastlegt. Bijgevolg treedt de verjaring vijf jaar later in, namelijk op 27 juli 1986. De bij dagvaarding van 17 maart 1989 ingestelde rechtsvordering is dus verjaard, overeenkomstig artikel 198, 1, vierde lid, van het Wetboek van vennootschappen. Grieven 1. Eerste onderdeel De tekortkoming van een vereffenaar van een handelsvennootschap, waardoor zijn persoonlijke aansprakelijkheid jegens derden, overeenkomstig artikel 186 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, in het gedrang kan komen, kan weliswaar aan de sluiting van de vereffening voorafgaan, hoewel die tekortkoming, wanneer ze bestaat in het niet betalen van een schuld van de vennootschap, en meer bepaald van een belastingschuld, pas voltooid is en de verjaring van de aansprakelijkheidsvordering pas begint te lopen op de datum van de sluiting van de vereffening. Hieruit volgt dat het arrest eisers vordering niet naar recht verjaard heeft kunnen verklaren, aangezien het vaststelt dat de aan de vereffenaars van de naamloze vennootschap Maison Chapelle-Chapux, in vereffening, ten laste gelegde tekortkoming bestaat in het niet-betalen van de belastingschulden, op grond van de bekritiseerde redenen en meer bepaald op grond dat het niet ter zake doet of de akte van 19 mei 1978 wordt beschouwd als een akte tot sluiting van de vereffening of niet en dat de aan de vereffenaars verweten tekortkoming, het beginpunt van de verjaring, zich immers kan voordoen voor de sluiting van de vereffening (schending van de artikelen 184, 186 en 194 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen).

21 oktober 2005 C.04.0611.F/8 2. Tweede onderdeel Iedere akte waarbij de partijen het eens zouden worden de activa van een vennootschap in vereffening onder elkaar te verdelen en persoonlijk de passiva ervan ten laste te nemen, kan onmogelijk tot gevolg hebben dat de vereffenaar, precies daardoor, van elke verplichting en, bijgevolg, van elke aansprakelijkheid ontslagen is. Dat is meer bepaald het geval wanneer in de akte sommige activa niet te gelde worden gemaakt en sommige schulden onbetaald blijven, ook al bevat de akte dienaangaande geen enkel voorbehoud : in dat geval dient de vereffenaar zijn opdracht voort te zetten door de activa te gelde te maken en de schulden te voldoen. Hieruit volgt dat het arrest, dat erop wijst dat sommige instanties, na de akte van 9 mei 1978, door de vennootschap in vereffening zijn vervolgd en dat een van de vereffenaars vermogen heeft gerecupereerd, zelfs al zou zulks ter uitvoering van de akte gebeurd zijn, dat de akte sommige schulden ten laste van de partijen laat en dat, in die akte, geen rekening werd gehouden met de vennootschapsbelasting op de inkomsten van 1977 en 1978, niet naar recht heeft kunnen beslissen dat de tekortkoming van de vereffenaars, die door eiser wordt aangevoerd om hun aansprakelijkheid wegens niet-betaling in het gedrang te brengen, voltooid was op de datum van de akte van 9 mei 1978 en dat de verjaring vanaf die datum is beginnen te lopen : het hof van beroep diende na te gaan of de vereffenaars, die nog altijd in functie waren, naderhand, zoals eiser in conclusie aanvoerde, niet een of meer tekortkomingen hadden begaan door de litigieuze schulden niet te betalen of, althans, door het voor die betaling noodzakelijke bedrag niet te consigneren en, in voorkomend geval, door met het oog daarop niet erop toe te zien dat de activa die de partijen bij de akte van 9 mei 1978 onder elkaar hadden verdeeld, volledig of gedeeltelijk zou worden teruggegeven (schending van de artikelen 184, 186, 188 en 194 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen). ( )

21 oktober 2005 C.04.0611.F/9 IV. Beslissing van het Hof 1. Eerste onderdeel Overwegende dat artikel 194 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, dat van toepassing is op het geschil, met name bepaalt dat alle rechtsvorderingen tegen vereffenaars, wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen van die verrichtingen, verjaren door verloop van vijf jaren ; Dat het onderdeel, dat staande houdt dat, wanneer de tekortkoming van de vereffenaar erin bestaat de schuld van de vennootschap niet te betalen, de verjaringstermijn begint te lopen op de dag dat de vereffening beëindigd is en niet op de dag van de tekortkoming, faalt naar recht ; 2. Tweede onderdeel Overwegende dat het arrest vaststelt dat de notarisakte van 9 mei 1978, die de toestand van de activa en passiva en de rechten van elkeen vastlegt, en het vermogen van de vennootschap verdeelt, de tekortkoming van de vereffenaars bekrachtigt, namelijk dat zij de boni van de vereffening en sommige schulden onder elkaar hebben verdeeld en zonder acht te slaan op de belastingschuld en zonder enig bedrag te consigneren voor de betaling ervan ; Dat het onderdeel dat beweert dat een dergelijke tekortkoming niet kan voltooid zijn op de dag van de verdeling indien sommige activa nog te gelde moeten worden gemaakt en sommige schulden nog moeten worden betaald, op grond dat de vereffenaar dan zijn opdracht zou moeten voortzetten, faalt naar recht ; ( ) OM DIE REDENEN, HET HOF, Verwerpt het cassatieberoep ; Veroordeelt eiser in de kosten.

21 oktober 2005 C.04.0611.F/10 Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, afdelingsvoorzitter Philippe Echement, de raadsheren Didier Batselé, Daniel Batselé en Christine Matray, en in openbare terechtzitting van eenentwintig oktober tweeduizend en vijf uitgesproken door afdelingsvoorzitter Claude Parmentier, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Marie-Jeanne Massart. Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Eric Stassijns en overgeschreven met assistentie van griffier Philippe Van Geem. De griffier, De raadsheer,