jaar: 1990 nummer: 08 De figuur toont een blok op een helling. Door de wrijving glijdt het blok niet naar beneden zolang de hellingshoek kleiner is dan een bepaalde waarde Vervang nu het blok door een blok met een twee keer zo grote massa, maar voor de rest identiek met het eerste blok. Als de hellingshoek is waarbij dit laatste blok gaat glijden, dan geldt o a. = 1/2 o b. = o c. = 2 o d. = 2
jaar: 1991 nummer: 13 Op een draaitafel draait met een constante hoeksnelheid een grammofoonplaat. Twee muntstukken A en B zijn op een zodanige plaats van het middelpunt van de draaitafel geplaatst dat zij nog net niet wegschuiven. Voor muntstuk A bedraagt de afstand tot de rotatieas dan 6 cm en voor B is het dan 12 cm. m A en m B zijn de respectievelijke massa's van de muntstukken A en B. µ A en µ B zijn de statische wrijvingscoëfficiënten van de muntstukken A en B met de grammofoonplaat. Welke gevolgtrekking over de grootte van de massa's en de statische wrijvingscoëfficiënten is dan juist?
jaar: 1994 nummer: 01 Iemand duwt horizontaal tegen een kast. De massa van de kast is 36 kg. De persoon duwt met een kracht van 40 N. De kast komt niet in beweging. De wrijvingskracht is dan op dat ogenblik O a. O b. O c. O d. 4 N 36N 40 N 360N
jaar: 1995 nummer: 10 Een voorwerp met massa m schuift onder invloed van een kracht wrijvingscoëfficiènt µ. Fover een ruwe tafel met De versnelling van het voorwerp kan dan geschreven worden als 0 a. 0 b. 0 c. 0 d. F m F.cos m F.cos.m.g m F.cos.(m.g F.sin ) m
jaar: 1997 nummer: 07 Een fietster rijdt met een constante snelheid. Via de pedalen. de tandwielen en de banden ontwikkelt zij een voortstuwende kracht F st Het geheel van fietster en fiets ondervindt naast hinder van de wrijving met de grond ook luchtweerstand. Deze weerstanden stellen we samen voor door F w. Over de voortstuwende kracht F st en de som van de wrijvingskrachten F w kunnen we dan zeggen dat O a. F st < F w O b. F st > F w. O c. F st = F w O d. Je kunt niets besluiten vermits dit afhankelijk is van de snelheid van de fietster.
jaar: 1997 nummer: 08 De onderstaande figuur toont een stel voorwerpen die aan elkaar verbonden zijn met massaloze touwen die wrijvingsloos bewegen over katrollen. Het voorwerp met massa 2 M schuift over een horizontale tafel. M is gelijk aan 2 kg. Alle voorwerpen hebben een versnelling 1,5 m/s 2. De grootte van de wrijvingskracht op het blok dat over de tafel glijdt is gelijk aan O a. niet te bepalen als de wrijvingscoëfficiënt niet gekend is. O b. 5 N. O c. 7,5 N. O d. 11 N.
jaar: 1997 nummer: 11 Mark duwt een kist (m = 50 kg) met een constante snelheid een helling op over een afstand van 10 m. Als Mark start met duwen wordt de positie van de kist op de helling gegeven door x = 0 m ; als hij stopt is x = 10 m. De helling maakt een hoek van 37 met het horizontale vlak. Het wegdek van de helling wordt ruwer en ruwer. De wrijvingskracht verandert dan langs de helling zoals aangegeven op de bijgaande grafiek. sin 37 = 0,6 cos 37 = 0,8 De arbeid die Mark op de kist levert is dan gelijk aan O a. 5000 J. O b. 8000 J. O c. l1000 J. O d. alleen te berekenen als de snelheid gegeven is.
jaar: 1998 nummer: 03 Op een windstille dag laat men vanuit een luchtballon een pingpongballetje vallen. De luchtweerstand is niet verwaarloosbaar. De grafiek die het best de versnelling van het balletje weergeeft gedurende de val is dan grafiek
jaar: 1998 nummer: 07 Iemand houdt een boek in rust tegen een verticale wand door er met de vlakke hand tegen te duwen in de richting van de arm. Er is wrijving tussen het boek en de wand. Over de wrijvingskracht tussen het boek en de verticale wand kan men dan zeggen dat O a. deze verticaal en naar boven gericht is. O b. deze verticaal en naar beneden gericht is. O c. deze loodrecht op de wand gericht is. 0 d. men niet kan uitmaken welke van bovenstaande uitspraken juist is.
jaar: 1999 nummer: 24 Een cilinder staat op een horizontale draaitafel op 0,20 m van het middelpunt. De wrijvingsfactor (wrijvingscoëfficiënt) tussen de tafel en de cilinder bedraagt 0,20. Wat kan men zeggen over de maximale snelheid die de cilinder langs de cirkelvormige baan kan hebben alvorens weg te glijden van de draaitafel? O a. 0,00 < v < 0,50 m/s. O b. 0,50 < v < 1,00 m/s. O c. 1,00 < v < 1,50 m/s. 0 d. 1,50 < v < 2,00 m/s.
jaar: 2001 nummer: 25 Piet staat op een monoski en glijdt een helling op tot op een zekere hoogte. Dan glijdt hij terug naar omlaag langs dezelfde helling. Hij heeft zijn ski niet goed onderhouden, zodat er wrijving is tussen de ski en de sneeuw. De grootte van de snelheid van Piet wordt weergegeven in grafiek:
jaar: 2001 nummer: 27 Een blok glijdt over een horizontale tafel. Het tafelblad is heel glad, maar midden op de tafel is er een vlek die ruw aanvoelt. De positie van het blok wordt het best weergegeven door grafiek:
jaar: 1994 nummer: 12 Een vrouw staat vóór een spiegel en kijkt met behulp van een handspiegel naar de bloem achter op haar hoofd.de afstanden van de bloem tot de spiegels zijn op de figuur aangegeven. Beide spiegels zijn vlakke spiegels. De vrouw ziet de bloem O a. O b. O c. O d. 30 cm vóór de grote spiegel. 120 cm achter de grote spiegel. 150 cm achter de grote spiegel. 180 cm achter de grote spiegel.
jaar: 1994 nummer: 13 Men heeft een prisma ABC, waarvan de hoek in A een waarde heeft van 40 en waarvan de zijde AB verzilverd is zodat zij het licht weerkaatst (zie figuur). Laat men op de zijde AC een lichtstraal i invallen onder een invalshoek van 60 dan dringt deze eerst het prisma binnen om er na weerkaatsing door AB in de invalsrichting i terug uit te komen. De brekingsindex van het materiaal waaruit het prisma vervaardigd is, is dan te schrijven als O a. sin 60 / sin 50 O b. sin 50 / sin 60 O c. sin 60 / sin 40 O d. sin 40 / sin 60
jaar: 1994 nummer: 14 Een lens (2) staat voor een vlakke spiegel (1). Men plaatst in (3) een voorwerp. Lichtstralen die van dit voorwerp uitgaan, door de lens gebroken worden, op de spiegel weerkaatst worden en terug door de lens gaan vormen dan een beeld van dat voorwerp. Voor de afstanden zoals op de figuur aangegeven wordt dit beeld gevormd precies op de plaats van het voorwerp. De brandpuntsafstand van de lens kan dan gelijk zijn aan O a. 6cm O b. 7cm O c. 12 cm O d. 14 cm
jaar: 1994 nummer: 15 Iemand staat rechtop voor een verticaal geplaatste vlakke spiegel en tekent met een stift op de spiegel de omtrekken van zijn spiegelbeeld na. De grootte van de tekening op de spiegel is dan vergeleken met de grootte van de persoon zelf O a. precies half zo groot. O b. precies even groot. O c. precies tweemaal zo groot. 0 d. afhankelijk van de afstand van de persoon tot de spiegel.
jaar: 1995 nummer: 01 Een persoon bewondert zichzelf in een vlakke spiegel die 60 cm hoog is en die zo werd bevestigd dat de bovenkant 2,00 m boven de vloer hangt. De persoon is 1,80 m groot ( ooghoogte = 1,65 m ) en staat 1,00 m vóór de spiegel. Via de spiegel ziet deze persoon dan een beeld van zichzelf. Het gedeelte dat hij van zichzelf ziet in de spiegel heeft dan een hoogte van: Oa. 1,80m. O b. 1,25 m. O c. 0,95 m. O d. 0.65 m.
jaar: 1995 nummer: 02 Een puntbron L bevindt zich voor een bolle lens. Een lichtstraal die van deze bron uitgaat is aangegeven op de figuur. Nadat de straal de lens doorlopen heeft gaat ze verder volgens de richting O a. 1. O b. 2. O c. 3. O d. 4.
jaar: 1995 nummer: 03 Een t.l. - lamp die 1,5 m lang is hangt aan het plafond. Als je een lens 20 cm boven de vloer en recht onder de lamp houdt, wordt van de t.l. - lamp op de vloer een scherp beeid gevormd dat 10 cm lang is. De brandpuntsafstand van de lens kun je: O a. niet berekenen met deze gegevens. O b. wel berekenen met deze gegevens. O c. slechts berekenen als ook de hoogte van de kamer gegeven is. O d. slechts berekenen als ook gegeven is of de lens positief (convergerend) of negatief (divergerend) is.
jaar: 1996 nummer: 13 Een eenvoudig fototoestel bestaat uit een dunne bolle lens met een brandpuntsafstand f = 6 cm. Deze lens heeft een diameter d = 6 cm die tevens de nuttige lensopening is Het toestel is zo ingesteld dat voorwerpen op grote afstand scherp worden afgebeeld op de film. (De film bevindt zich dus in het brandvlak.) Men plaatst een puntvormige lichtbron op 18 cm afstand en in het midden vóor de lens op de hoofdas. Deze lichtbron veroorzaakt een lichtvlek op de fotografische film. De diameter van deze lichtvlek is dan gelijk aan: O a. 0 cm. O b. 1 cm. O c. 2 cm. 0 d. 8 cm.
jaar: 1996 nummer: 14 We beschikken over een dubbelbolle lens met een brandpuntstafstand J. Een scherm staat achter de lens (zie figuur). Het punt A is gelegen op een afstand 2f vóór de lens. Om van een voorwerp een vergroot beeld op het scherm te bekomen moet het voorwerp staan O a. tussen en punt A. O b. tussen A en het brandpunt F. O c. tussen brandpunt F en O. O d. gelijk waar het voorwerp staat kan men een vergroot en scherp beeld bekomen ( men moet enkel de plaats van het scherm aanpassen)..
jaar: 1996 nummer: 15 Een beginnende zondagsschilder wil een portret maken van zijn vriendin. De vriendin neemt plaats 1,2 m achter een doorzichtige folie. De 'schilder' tekent dan op deze folie de contouren na die hij vanuit zijn standpunt waarneemt. De verhouding van de grootte van de tekening op de folie t.o.v. de werkelijke grootte van de vriendin is dan O a. precies 1/3. O b. precies 1/4. O c. precies 2/3. O d. precies 1/1.
jaar: 1997 nummer: 01 De figuur toont een bovenaanzicht van een gang met een vlakke spiegel tegen de wand op het einde van de gang. De breedte d van de spiegel is 3 m. Een inbreker 1 sluipt de gang binnen recht op het midden van de spiegel. Hoever van de spiegel zal de inbreker zijn gekomen als de bewaker B hem voor het eerst ziet? O a. 3 m. O b. 1,5 m. O e. 1 m. 0 d. uit deze gegevens niet te bepalen.
jaar: 1997 nummer: 02 Marieke staat voor een grote vlakke glazen spiegel. De grootte van haar beeld in de spiegel is: O a. O b. O c. O d. afhankelijk van haar afstand tot de spiegel. de helft van haar eigen grootte. afhankelijk van de brekingsindex van het glas. geen van bovenstaande.
jaar: 1998 nummer: 13 Een dame gebruikt een handspiegel en een hellend geplaatste grote vlakke spiegel om een bloem te bekijken die achter op haar hoofd in het haar is aangebracht. Deze dame ziet de bloem dan in de positie aangegeven door het punt O a. O b. O c. O d. A B C D
jaar: 1998 nummer: 14 Met een lens wil men een lichtbundel vormen die, zoals op de figuur is aangegeven, samenkomt in punt S. De lijnen a en b geven de begrenzing van de bundel aan. Welk is dan een hiermee overeenstemmende invallende bundel? De begrenzende stralen, die hieronder twee aan twee zijn weergegeven, vormen telkens een bundel. Welk tweetal vormt dan de gevraagde bundel die overeenstemt met de uittredende bundel gevormd door (a) en (b)? O a. (2) en (5). O b. (1) en (4). O c. (3) en (5). O d. (2) en (4).
jaar: 1998 nummer: 15 Een regel voorwerp staat voor een dunne bolle lens. De afstand van het voorwerp tot de lens is gelijk aan tweemaal de brandpuntsafstand f van de lens. Dan is het beeld O a. virtueel en vergroot. O b. even groot en achter de lens gelegen. O c. verkleind en vóór de lens gelegen. O d. omgekeerd en gelegen op een afstand kleiner dan 2 f tot de lens.
jaar: 1999 nummer: 16 Een T LAamp staat voor een camera obscura. Het beeld van de lamp wordt opgevangen op een scherm. Je mag zeggen dat: O a. O b. O c. O d. het beeld 3 het kleinste is en het beeld 1 het meest heldere. het beeld 1 het grootste is en het beeld 1 het meest heldere. het beeld 2 het kleinste is en het beeld 2 het minst heldere. het beeld 4 het grootste is en het beeld 2 het minst heldere.
jaar: 1999 nummer: 17 De binnenwanden van een sigarenkist worden bedekt met vlakke spiegels. Via een klein gaatje in één van de wanden kan er licht naar binnen dringen. Het blijkt mogelijk te zijn om een laserstraal zodanig naar binnen te schieten dat het licht een vlakke baan volgt en na één omloop de sigarenkist weer netjes verlaat (zie figuur). De nodige voorwaarde hiertoe is: O a. sin = l/l. O b. sin = L/l. O e. tg = l/l. O d. tg = L/l.
jaar: 2000 nummer: 13 Een voorwerp bevindt zich voor een bolle lens op een afstand groter dan tweemaal de brandpuntsafstand. Het beeld ervan zal dan: O a. omgekeerd en vergroot zijn. O b. rechtopstaand en verkleind zijn. O c. verkleind en reëel zijn. O d. virtueel en rechtopstaand zijn.
jaar: 2000 nummer: 14 Twee spiegels S 1 en S 2 staan loodrecht op elkaar en op het vlak van de figuur. Een straal r 1, invallend op spiegel S 1, vormt een hoek van 45 met de normaal op S 1, ondergaat spiegeling, en valt vervolgens in op spiegel S 2. Na de twee opeenvolgende spiegelingen gaat de straal r 2 in de aangegeven richting. Als de invallende straal over een hoek draait (d.w.z. dat de invalshoek op spiegel S 1 met een bedrag toeneemt), dan zal de teruggekaatste straal r 2 : O a. niet van richting veranderen. O b. over een hoek draaien. O c. over een hoek 2 draaien. O d. over een hoek 4 draaien.
jaar: 2001 nummer: 16 Een convergerende lens vormt een beeld van een reëel voorwerp. De verhouding van de grootte van het voorwerp tot de grootte van het beeld gelijk is aan 2,00 en de beeldafstand is gelijk aan N keer de brandpuntsafstand. N is dan gelijk aan: O a. 1,25. O b. 1,33. O c. 1,50. O d. 1,75.
jaar: 2001 nummer: 17 In een warenhuis staan in een hoek twee reusachtige spiegels, loodrecht op elkaar. Jan en Mimi staan op de plaats respectievelijk door J en M aangegeven. Welke van onderstaande beweringen is juist? O a. Jan ziet Mimi in spiegel 1. O b. Mimi ziet Jan niet in spiegel 1. O c. Jan ziet Mimi zowel in spiegel 1 als in spiegel 2. O d. Mimi ziet Jan alleen in spiegel 2.
jaar: 2001 nummer: 18 Welke figuur geeft schematisch een diaprojector weer? De condensor heeft enkel als functie de dia gelijkmatig te belichten.