HOOFDSTUK 7. SAMENVATTING & DISCUSSIE
Inleiding Dit proefschrift staat in het teken van de professionaliteit van de jeugdzorgwerker in de Provinciale residentiële Jeugdzorg, de Justitiële residentiële Jeugdzorg en Bureau Jeugdzorg. Er is onderzocht in welke mate en op welke manier persoons- en werkgebonden kenmerken van de jeugdzorgwerker samenhangen met en bijdragen aan de kwaliteit en effectiviteit van de jeugdzorg. Op grond van de in dit proefschrift beschreven studies zijn de volgende factoren het belangrijkst wat betreft hun relatie met de kwaliteit en effectiviteit van de jeugdzorg: leeftijd sekse etniciteit, werkervaring, opleidingsniveau, persoonlijkheidskenmerken, competenties, werkomstandigheden, teamfunctioneren, evidence-based werken en de therapeutische relatie. Na de samenvatting wordt ingegaan op deze factoren om te bespreken hoe deze samenhangen met de kwaliteit en de effectiviteit van de jeugdzorg en hoe deze verder verbeterd kunnen worden. Samenvatting De kwaliteit van de jeugdzorg wordt in belangrijke mate bepaald door de professionaliteit van de jeugdzorgwerkers, de effectiviteit van de jeugdzorginterventies en de mate waarin organisaties erin slagen om goede werkomstandigheden voor de jeugdzorgwerkers te realiseren. De factoren die de kwaliteit van de organisaties en het professionele handelen van jeugdzorgwerkers bepalen zijn tot op heden in onderzoek onderbelicht gebleven. In dit proefschrift is de focus gelegd op a) de jeugdzorgwerker zelf en b) de omstandigheden waaronder de jeugdzorgwerkers hun werk verrichten. De persoons- en werkgebonden kenmerken die mogelijk van invloed zijn op het professionele handelen van de jeugdzorgwerker, en die daarmee de kwaliteit van de jeugdzorgwerker bepalen, zijn beschreven aan de hand van het Kwadrantenmodel van Beutler et al. (2004). Het Kwadrantenmodel verdeelt de kenmerken van jeugdzorgwerkers langs twee dimensies. Bij de eerste dimensie gaat het om kenmerken van jeugdzorgwerkers die a) persoonsgebonden zijn, zoals leeftijd, sekse en etniciteit en b) die werkgerelateerd zijn, zoals werkervaring en opleidingsniveau. Daarnaast wordt in het Kwadrantenmodel met behulp van een tweede dimensie onderscheid gemaakt tussen kenmerken die a) objectief vast te stellen zijn door middel van meten of registreren, zoals leeftijd en werkervaring en b) kenmerken die minder objectief vast te stellen zijn, zoals persoonlijkheidskenmerken en competenties. Deze worden, in dit proefschrift, subjectieve kenmerken genoemd. Het Kwadrantenmodel bestaat uit vier kwadranten, waarin alle relevante kenmerken van jeugdzorgwerkers beschreven kunnen worden. De persoons- en werkgebonden kenmerken zijn beschreven in de hoofdstukken 2, 5 en 6, waarbij onderzocht is in welke mate deze kenmerken samenhangen met a) de effectiviteit van de
jeugdzorg (hoofdstukken 3 en 4), b) het welbevinden van de jeugdzorgwerkers (hoofdstuk 5) en c) de kwaliteit van de therapeutische relatie (hoofdstuk 6). In hoofdstuk 5 is tevens aandacht besteed aan de samenhang tussen de werkomstandigheden van de jeugdzorgwerkers (bij Bureau Jeugdzorg) en hun welbevinden. De kwaliteit van de organisatie heeft betrekking op a) de mate waarin jeugdzorgwerkers betrokken worden bij het ontwikkelen, plannen en implementeren van het behandelprogramma, b) de mate waarin het management betrokkenheid toont bij de uitvoering van het behandelprogramma, c) de mate waarin de organisatie materiële en personele voorwaarden creëert voor de medewerkers, d) de stabiliteit van de organisatie en e) de mate waarin aan de jeugdzorgwerkers discretionaire ruimte geboden wordt om hun aanpak af te stemmen op de mogelijkheden van de cliënt(en). In hoofdstuk 2 is een overzicht gegeven van de objectieve persoons- en werkgebonden kenmerken (N = 1.952) van residentiële jeugdzorgwerkers (Provinciale Jeugdzorg en Justitiële Jeugdzorg) en jeugdzorgwerkers bij Bureau Jeugdzorg in Nederland. Hieruit komt onder andere naar voren dat er nog veel residentiële jeugdzorgwerkers werkzaam zijn zonder relevante beroepsopleiding. De jeugdzorgwerkers zijn gemiddeld ruim 35 jaar en hebben gemiddeld 5,3 jaar ervaring in hun functie. Op die plaatsen waar jeugdzorgwerkers meer door kunnen groeien naar een hogere functie zijn jeugdzorgwerkers langer werkzaam. Dit kan verklaard worden doordat jeugdzorgwerkers die langer blijven werken meer kans hebben om door te stromen naar een hogere functie, maar ook andersom kunnen meer doorgroeimogelijkheden ervoor zorgen dat jeugdzorgwerkers langer willen blijven. Het bieden van doorgroeimogelijkheden aan jeugdzorgwerkers lijkt een adequaat middel te zijn om jeugdzorgwerkers te binden aan de organisatie. Hoofdstuk 3 is een narrative review van studies (N = 7) die zijn verricht naar kenmerken (eigenschappen) van residentiële jeugdzorgwerkers die mogelijk bijdragen aan de kwaliteit van de jeugdzorg. Doel van deze narrative review was het schetsen van een persoonlijkheid- en competentieprofiel waar residentiële jeugdzorgwerkers aan zouden moeten voldoen om bij te dragen aan de kwaliteit van de residentiële jeugdzorg. Qua persoonlijkheidsfactoren zou een goede jeugdzorgwerker emotionele stabiel, extravert, en vriendelijk en moeten zijn. Bovendien zou de jeugdzorgwerker open moeten staan voor nieuwe ervaringen. Bij competenties gaat het vooral om a) het ontwikkelen van een warme en positieve relatie met de jeugdige, b) het creëren van een veilig en gestructureerd leefklimaat, c) jeugdigen activeren en actief betrekken bij de hulpverlening (empowerment) en d) goede communicatieve eigenschappen. Een narrative review kan geen aanspraak maken op empirische evidentie, omdat er voor het opnemen van studies in de review geen eisen worden gesteld aan het gevolgde onderzoeksdesign, zoals wel het geval is bij een systematische review of een meta-analyse. Daarom moeten deze profielen nog door middel van empirisch onderzoek getoetst worden.
In hoofdstuk 4 is een meta-analyse van gecontroleerde studies (N = 27) beschreven naar de effectiviteit van de residentiële jeugdzorg. Uit deze meta-analyse is gebleken dat residentiële jeugdzorg effectief kan zijn, mits er gebruik gemaakt wordt van evidence-based interventies, in het bijzonder interventies die gestoeld zijn op cognitief-gedragstherapeutische principes. Geen van de studies in de meta-analyse heeft echter gerapporteerd over kenmerken van residentiële jeugdzorgwerkers, zodat geen moderatorenanalyse met deze kenmerken kon worden uitgevoerd. Vooralsnog is het dus ongewis of het persoonlijkheids- en het competentieprofiel, zoals ontwikkeld en beschreven in hoofdstuk 3, de toets van empirisch onderzoek kan doorstaan. Wel heeft de meta-analyse overtuigend aangetoond dat evidence-based werken effectief is en dat niet volstaan kan worden met het bieden van zorg in groepsverband, zonder behandeling. Hoofdstuk 5 beschrijft het welbevinden van jeugdzorgwerkers (N = 259) bij Bureau Jeugdzorg en de predictoren voor dit welbevinden op het gebied van werkomstandigheden en persoons- en werkgebonden kenmerken van de jeugdzorgwerkers. Het welbevinden van jeugdzorgwerkers is naast effectieve interventies en goede werkomstandigheden van invloed op de kwaliteit en de effectiviteit van de hulp. Uit de multilevel analyse blijkt dat de mate van welbevinden van de jeugdzorgwerkers bij Bureau Jeugdzorg voor 41% wordt verklaard door kenmerken van individuele medewerkers. Het bezitten van competenties, zoals a) de zogenaamde Therapeutic Offered Conditions (TOC s 1 ), b) het bieden van structuur, c) empowerment van de jeugdigen en d) communicatieve competenties draagt bij aan het welbevinden, daarnaast blijken het persoonlijkheidskenmerk emotionele stabiliteit, positieve werkervaringen, en het bezitten van veerkracht gerelateerd te zijn aan een hogere mate van welbevinden. Langer werkzaam zijn bij Bureau Jeugdzorg, werkdruk, het persoonlijkheidskenmerk nieuwsgierigheid, werklast verhogende omstandigheden, de manier waarop de ziektevervanging van zieke collega s is geregeld, organisatiestress en het ervaren van negatieve werkervaringen zijn gerelateerd aan een lagere mate van welbevinden van de medewerkers. Multilevel analyse wijst verder uit dat verschillen in de mate van welbevinden voor 12% toegeschreven kunnen worden aan teamkenmerken. Het gaat hierbij om positieve en negatieve werkervaringen en werkdruk. Een open en positieve wijze van communiceren binnen het team (teamcultuur) over deze aspecten hangt samen met het welbevinden. Hoewel het welbevinden in overwegende mate gerelateerd is aan kenmerken van de individuele medewerkers, zowel persoons- als werkgebonden, leveren ook teamkenmerken nog een substantiële bijdrage. Tot slot gaat hoofdstuk 6 over de therapeutische relatie tussen jeugdigen (N = 209) in residentiële zorg en hun groepsleiders (N = 203). De kwaliteit van de therapeutische relatie wordt voor 32% bepaald door kenmerken van de jeugdzorgwerker en voor 12% door kenmerken van de jeugdige zelf. Voor het grootste gedeelte, namelijk 55%, is de kwaliteit van de therapeutische relatie toe te schrijven aan kenmerken die te maken hebben met de uniciteit van de relatie 1 Empathie, echtheid en onvoorwaardelijke acceptatie (Rogers, 1957, 1980)
tussen jeugdige en jeugdzorgwerker. Hierbij kan gedacht worden aan kenmerken als de klik die er is tussen behandelaar en jongere. Het gaat in die zin dus meer om relatiegebonden dan om persoonsgebonden kenmerken die de kwaliteit van de therapeutische relatie bepalen. In dit proefschrift is het Kwadrantenmodel van Beutler et al. (2004) gebruikt om relevante kenmerken van jeugdzorgwerkers te ordenen. Met behulp van dit model zijn de kenmerken beschreven in een viertal kwadranten. De subjectieve persoonsgebonden kenmerken (Kwadrant C) vertonen wat betreft de kenmerken emotionele stabiliteit en veerkracht een relatie met de kwaliteit van de jeugdzorg. Dat geldt ook voor de competenties behorende bij de subjectief werkgebonden kenmerken (Kwadrant D). Daarnaast is het werken met evidence-based interventies essentieel voor de effectiviteit. Effectiviteit is mede afhankelijk van het welbevinden van de medewerkers; het welbevinden blijkt daarbij eveneens voor een groot deel beïnvloed te worden door de kenmerken van de individuele medewerkers. In mindere mate spelen teamfactoren een rol bij het welbevinden. Hoewel de subjectieve kenmerken van de individuele werker zeer bepalend blijken te zijn, is dat niet het geval bij de therapeutische relatie; hierbij zijn juist de kenmerken van de relatie zelf het meest bepalend. Discussie Naar aanleiding van resultaten van de studies die in dit proefschrift opgenomen zijn, is er een aantal thema s te onderscheiden dat nadere discussie behoeft met het oog op de versterking van de factoren die de kwaliteit en effectiviteit van de jeugdzorg en het welbevinden van de medewerkers beïnvloeden. Het gaat hierbij om leeftijd, sekse en etniciteit, werkervaring, opleidingsniveau, persoonlijkheidskenmerken, competenties, het kwadrantenmodel, werkomstandigheden, teamfunctioneren, evidence-based werken en de therapeutische relatie. Leeftijd, sekse en etniciteit van de jeugdzorgwerker De gemiddelde leeftijd van de jeugdzorgwerkers vertoont weinig variatie tussen de sectoren die in dit proefschrift onderwerp van studie zijn (Provinciale Jeugdzorg, Justitiële Jeugdzorg en Bureau Jeugdzorg). De gemiddelde leeftijd schommelt rond de 35 jaar. Mannen zijn daarbij gemiddeld een paar jaar ouder dan de vrouwelijke jeugdzorgwerkers. De sekseverdeling verschilt sterk per sector. Mannelijke groepsleiders blijken vooral te werken in de residentiële jeugdzorg die wordt geboden op een instituutsterrein. De vraag is of sekse van de residentiële jeugdzorgwerkers van belang is voor de kwaliteit van de therapeutische relatie en voor de kwaliteit en effectiviteit van de jeugdzorg. In hoofdstuk 6, waar het onderzoek naar de therapeutische relatie tussen jeugdzorgwerkers en jeugdigen wordt beschreven, is geen verschil aangetroffen in de manier waarop jongens en meisjes de therapeutische relatie met de hun vrouwelijke of mannelijke jeugdzorgwerkers (groepsleiding)