1 De Bijbel open 2013 17 (04-05) Een paar weken geleden dachten we in ons programma na over Jona. Als u toen mee luisterde herinnert u het zich wellicht. Na zijn vlucht voor God en na zijn redding uit de zee, ging hij naar Ninevé en beleefde daar een groot wonder: de inwoners van die grote stad bekeerden zich tot de God van Israel. Nu kreeg ik weer een vraag over Jona, maar in een ander verband. De vraag gaat over de relatie tussen Jona en Jezus. Jezus vergelijkt zich namelijk enkele keren met Jona. Dat is ook het geval in Matth. 12:40. Daar lezen we dat Jezus zegt: Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de grote vis was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn. De vraag van een luisteraar is: klopt deze uitspraak van Jezus wel. Jona was drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis. Maar Jezus toch niet. Die is toch geen drie nachten in het graf geweest? Zegt Jezus zelf niet verschillende keren dat Hij zal lijden en sterven en begraven worden, maar dat Hij op de derde dag zal opstaan uit de dood. Niet na drie dagen en drie nachten, maar op de derde dag. Graag ga ik op deze vraag in, te meer omdat de vraagsteller zich afvraagt of de bijbel op deze manier wel betrouwbaar is. Dat is natuurlijk wel een belangrijk punt. Maar tegelijk is er ook meer wat de vergelijking tussen Jona en Jezus belangrijk maakt. Daar gaan we vanmorgen dan ook dieper op in. We kijken eerst naar wat er aan deze vergelijking met Jona in Mattheus 12 voorafgaat. Jezus is in een dispuut gewikkeld met diverse Joden. Mensen, die vijandig tegenover Hem staan. Mensen, die niet geloven dat Jezus de beloofde Messias is. Zij ergeren zich voortdurend aan Jezus, te meer omdat Hij hun schijnvroomheid ontmaskert. Op een gegeven moment maken enkele schriftgeleerden en farizeeën korte metten en ze gaan naar Jezus toe. Ze zeggen tegen Hem: U moet nu maar eens een teken geven, een bewijs dus, dat U de Messias bent. Ze vragen dus om een wonder. Als Jezus een wonder doet, dat zij dan moeten keuren, dan zullen ze nog eens overwegen of Hij inderdaad de Messias is. Voldoet zijn wonder niet aan hun eis, dan weten ze het zeker: Jezus bedriegt de mensen. Waarom vragen deze mensen Jezus om een teken? Verlangen ze er naar om daardoor gesteund te worden in hun zwakke geloof? Helemaal
2 niet. Hun vraag komt alleen maar voort uit ongeloof. Ze geloven gewoon niet dat Jezus de Messias is. Ze wijzen Hem af. Hier horen we al de eerste ritselingen van de latere schreeuw: kruist Hem. Daarom vragen ze om een wonder. Maar Jezus had toch al genoeg wonderen gedaan? Dat waren toch evenzoveel tekenen dat Hij de Messias is. Precies zoals het Oude Testament over Hem geprofeteerd had. Als Jesaja zegt in hoofdstuk 61 van de Messias, de Knecht van de Here, dat Hij de gebrokenen van hart zal verbinden, en zoveel andere wonderen meer doen, dan zie je toch dat die profetie in vervulling gaat in Jezus. Heeft Jezus dat zelf ook niet gezegd tegen de leerlingen van Johannes de Doper: Blinden worden ziende en kreupelen kunnen lopen, melaatsen worden gereinigd en doven kunnen horen; zelfs doden worden opgewekt en aan armen wordt het evangelie verkondigd. Maar het is bij deze mensen zo: het ongeloof laat zich niet overtuigen door wonderen. Het ongeloof redeneert die weg. Omdat er pure onwil in het spel is en waar geen wil is, daar is ook geen weg. Wat hebben ze zich daarom aan Jezus gestoten, tegen beter weten in. Vandaar deze kort bevelende eis: doe een teken en bewijs dat U de Messias bent. En hoe reageert Jezus daarop? Hij weigert. We lezen het in vers 39 van ditzelfde hoofdstuk: Een verdorven en overspelig geslacht verlangt een teken, maar het zal geen teken gegeven worden dan het teken van Jona de profeet. Dat is een scherp antwoord. Jezus typeert zijn generatie als een verdorven en overspelige generatie. Jezus bedoelt er mee: ze zijn ontrouw aan God en ze dienen de afgoden, van geld en macht en jaloezie. Daarom weigert Jezus hun een teken te geven. Anders heeft Jezus nooit iemand die tot Hem kwam iets geweigerd. Maar hier wel. Stel dat Hij zou doen wat ze vragen, dan zouden ze nog verder van huis, van de waarheid zijn. Dacht je dat ze zijn teken goed zouden keuren? Vergeet dat maar. Daarom zegt Jezus tegen hen: dat ze geen ander teken krijgen dan van Jona de profeet. En daarmee komen we bij de vergelijking van Jezus met de profeet Jona. Jona was drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis, lezen we in Jona 1:17. Zo zal ook Jezus drie dagen en drie nachten in de buik van de aarde verblijven, na zijn lijden en sterven. Dat is het teken dat gegeven zal worden, gegeven door God zelf. Wie dat teken niet gelooft zal geen enkel teken geloven. Jezus zal maar geen teken doen,
3 maar Hij zal zelf het Teken van God zijn dat volgens de profetie van Simeon weersproken zal worden. Inderdaad dat gebeurt aan de lopende band en dat is dus juist het teken dat Hij de Messias is. Jona was in de buik van de vis, maar hij kwam er weer uit. Het is Gods redding van Jona. Hij stond als het ware op uit de dood. Zo zal het ook met Jezus gaan. Hij zal ook uit de buik van de aarde, het graf, opstaan en de dood overwinnen. Dan zal het Pasen worden, als de vervulling van het teken van Jona de profeet. Nu de vraag naar de precieze telling van de dagen. Ik denk dat we hier met een misverstand te maken hebben. Drie dragen en drie nachten hoeft voor een Jood in Jezus dagen niet precies 3 maal 24 uur te zijn. Dat is echt een westerse manier van denken. De bijbel kent vaak aan een bepaald getal een symbolische waarde toe. Zo wordt met de uitdrukking: drie dagen en drie nachten, een korte periode bedoeld. Het is een periode, die er wel ter dege is, maar die toch te overzien is, je kunt om zo te zeggen: aftellen. Zo hebben ook de getallen zeven, veertig en duizend een symbolische waarde. Zeven als het getal van de volheid, veertig het getal van een generatie en duizend als aanduiding van een grote hoeveelheid. Dat moeten we ook hier bedenken. Daarom is het geen probleem dat Jezus later niet over drie dagen en drie nachten spreekt, maar dat Hij zegt dat Hij op de derde dag zal opstaan. Van vrijdagmiddag tot zondagmorgen. We moeten hier ons westers denken afleggen en de uitdrukking opvatten zoals die bedoeld is door Jezus. Dan hoeft de betrouwbaarheid van de Bijbel in geen enkel opzicht in gevaar te komen. Tot zover die vraag naar de telling van de dagen. Maar dan grijp ik de gelegenheid aan om iets meer te zeggen over de vergelijking met Jona die Jezus maakt. Het eigenlijke probleem in dit gedeelte is het probleem van het ongeloof. Dat merk je later na de opstanding. Dan zegt geen enkele vijand van Jezus dat hij niet gelooft in Jezus omdat het aantal dagen en nachten niet klopt. Maar dan is er ongeloof omdat men niet wil geloven, omdat men Hem niet wil. Dat lezen we in een gelijkenis die Jezus vertelt, namelijk van de rijke man en de arme Lazarus. Als de rijke man in de hel is en hij vader Abraham met Lazarus in de hemel ziet, dan zegt hij tegen Abraham: stuur Lazarus naar mijn broers om hen te waarschuwen. En dan zegt Abraham: nee, dat gebeurt niet, want al zou
er iemand uit de doden opstaan, dan zouden ze nog niet geloven dat het waar is, wat je zegt. En dat maakt de vergelijking met Jona wel heel aangrijpend. Dat zien we nog meer als we op de afloop letten van wat er met Jona gebeurt. Hij is naar de heidense stad Ninevé toegegaan en heeft daar gepredikt en de mensen het oordeel aangezegd. En wat is het gevolg: Ninevé bekeert zich tot de God van Israel. En precies dat gebeurt met de joden ten tijde van Jezus niet. Ongeloof laat zich niet verdrijven door bewijzen, maar alleen door bekering. Daarom hebben de tegenstanders van Jezus hun ongeloof Jezus afgereageerd op zijn volgelingen, ook al weten ze dat Jezus leeft. Ik denk aan iemand als Saulus, die vóór zijn bekering zijn ongeloof afreageerde op mensen als Stefanus en tot in de stad Damascus toe. Wat een verschil met Jona. Hij predikt en Ninevé bekeert zich. Maar de generatie Joden ten tijde van Jezus niet. Hoe triest dit is komt eenmaal aan het licht in het laatste oordeel, zegt Jezus. Dan zullen de mensen van Ninevé opstaan en de generatie ten tijde van Jezus veroordelen, omdat zij tegen alle verwachtingen in wel hebben geloofd en de Joden ten tijde van Jezus niet. En zo komen we bij de eigenlijke bedoeling van dit bijbelgedeelte. Het gaat er nu niet meer om of de tijdsrekening wel klopt, maar om de vraag of we geloven dat Jezus is opgestaan uit het hart van de aarde, zoals Jona uit de vis. Méér dan Jona is hier zegt Jezus. Hij bedoelt daarmee onder andere dat Jona de dood niet overwonnen heeft, maar later is gestorven. Maar Jezus heeft de dood wel overwonnen. Hij leeft in eeuwigheid. Ook in onze tijd vraagt men om bewijzen dat Jezus leeft. Al is het om andere redenen dan in de tijd van Jezus. Ook in onze tijd is het ongeloof er de oorzaak van. En ook nu zal het ongeloof zich nooit laten overtuigen door bewijzen, maar alleen door bekering. Dat geldt ook voor ons. Daarom vraagt Jezus, die zelf het Teken is dat God aan ons geeft, om onze overgave. Daardoor ontvangen we vrijspraak van schuld, vergeving en eeuwig leven. Net zoals dat met de inwoners van N. het geval was. Ten slotte, de generatie ten tijde van Jezus verwierp Hem. Maar dat is niet het laatste. Paulus leert ons in Rom.9-11 te bidden om en uit te zien naar het moment dat er een generatie van Israel komt, die wel gelooft in Jezus als de Messias. Dan zal gans Israel zalig worden, schrijft de apostel. Dan zal Israel met de inwoners van N. en met de 4
koningin van Scheba en als het goed ook met ons, Jezus als de meerdere Jona eeuwig loven en prijzen als de Messias die God gaf om verloren mensen te behouden. 5