ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 1 VAN ZAKGELD NAAR INKOMEN ANTWOORDEN HOOFDSTUK 1 TOETS 1 VAN ZAKGELD NAAR INKOMEN 1 Theo, want 10 + 15 is meer dan 12 + 11. 2 B 3 B 4 Bijv. haar loon. 5 A 6 15 + 5,25 52 : 12 = 37,75 7 5 19,50 12 : 52 = 0,50 8 3,75 52 : 12 + 15 + 12 : 3 = 35,25 9 25 + 59 = 84 10 C 11 E 12 86 25 + 25 60 + 38 149 = 9.312 13 D 14 D 15 B 16 40 2,89 = 115,60 17 C 18 640 + 640 : 100 2,75 = 657,60 19 D 20 Rente 1.500 : 100 2,4 = 36; rente en premie 36 + 36 : 100 20 = 43,20. 21 A 22 Voor het werk van Suzanne is speciaal talent en een lange opleiding nodig, voor het werk van Liselotte geldt dat veel minder. 23 Bijv. door meer ervaring, of een dienstjaar erbij kom je op een hogere trede. 24 C TOETS 2 VAN ZAKGELD NAAR INKOMEN 1 A 2 De waarde van de inkomsten in natura (het gebruik van de auto van de zaak) moet vergeleken worden met de reiskostenvergoeding. Dat is lastig. 3 A 4 C 5 A 6 7,50 26 12 : 52 = 1,50 7 30 6,60 52 : 12 = 1,40 8 4,50 + 18,20 12 : 52 + 26 : 13 = 10,70 9 1.931 1.816 = 115 10 1.854 1.443 = 411 11 B 12 B 13 B 14 D 15 D 16 4 38 3,82 = 580,64 17 C 18 560 : 100 2,2 = 12,32 19 D 20 1.040 + 1.040 : 100 2,5 = 1.066 21 D
22 Bijv. het werk van een politieagent is gevaarlijker; of moeilijker. 23 Bijv. het werk is moeilijker, er is meer opleiding vereist. 24 A VMBO-KGT ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 1 VAN ZAKGELD NAAR INKOMEN
ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 2 THUIS EN BUITENSHUIS ANTWOORDEN HOOFDSTUK 2 TOETS 1 THUIS EN BUITENSHUIS 1 B 2 Door te produceren, bijvoorbeeld door zijn band te plakken. 3 1 consumeren; 2 produceren. 4 B 5 Iemand die de was ophangt of in de droogtrommel doet. Ook: (onbetaalde) arbeid. 6 Bijv. als je werk wat je niet zelf kunt doen, toch gedaan wilt hebben. 7 49,50 2 12 3 = 22,50 8 1½ 40 : 5 = 12 9 B 10 B 11 Slapen en overig. 12 (8 + 3) (7 + 2) = 2 uur per dag. 13 Productie in bedrijven is betaald en de productie thuis is onbetaald. 14 1b, 2c, 3a. 15 Kapitaalgoederen. 16 D 17 B 18 Arbowet. 19 Meetellen in haar familie. 20 B 21 C 22 211 205 = 6 : 17 = 0,353 miljard kilo = 353 miljoen kilo. 23 C 24 1b, 2c, 3a. TOETS 2 THUIS EN BUITENSHUIS 1 A 2 B 3 Produceren. 4 Zij moeten kiezen uit hun behoeften. 5 De natuur. 6 Bijv. hij krijgt meer vrije tijd (ook: een schildersbedrijf levert beter werk af). 7 2 2,10 2 1,30 0,10 = 1,50 8 4.000 90 6 30 35 10 25 6 10 1,50 310 = 2.905 9 C 10 Het aantal meisjes is één hoger dan het aantal jongens. 11 400 : 100 25 = 100 12 25% + 5% = 30% 13 De productie van een bedrijf is gericht op de klanten van het bedrijf en de productie thuis is gericht op het eigen gezin. 14 De natuur. 15 De dansvloer, de geluids- en lichtinstallatie. 16 Bijv. apparatuur om nieuwe, betere ijsjes te kunnen produceren. 17 Bijv. het is soms zwaar werk. Ook: hij werkt samen met een collega. 18 Arbowet. 19 D 20 10% + 18% + 35% + 11% = 74%; 4500 : 100 74 = 3330 werknemers. 21 A 22 213 205 = 8 : 7 = 1,143 miljard kilo = 1143 miljoen kilo.
23 C 24 1c, 2b, 3a. VMBO-KGT ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 2 THUIS EN BUITENSHUIS
ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 3 DE WINKEL IN ANTWOORDEN HOOFDSTUK 3 TOETS 1 DE WINKEL IN 1 B 2 Productbeleid. 3 Promotiebeleid. 4 1b, 2d, 3a, 4c. 5 900.000 400.000 300.000 = 200.000 6 16.800 7.200 10.200 = 600 (verlies) 7 B 8 D 9 Brutowinst 26.250 20.475 = 5.775; in procenten van de omzet 5.775 : 26.250 100 = 22%. 10 Brutowinst 180.000 108.000 = 72.000; in procenten van de omzet 72.000 : 180.000 100 = 40%. 11 Stijging van de omzet 187.500 150.000 = 37.500; in procenten van de omzet 37.500 : 150.000 100 = 25%. 12 Stijging van de omzet van Angelo 149.850 135.000 = 14.850; in procenten van de omzet 14.850 : 135.000 100 = 11%; zijn omzet is meer gestegen dan met 8% (de gemiddelde stijging). 13 75 + 81 + 76 + 105 + 68 = 405 m 2 ; 15 + 18 + 16 + 20 + 12 = 81 arbeidsuren; 403 : 81 is 5 m 2 per arbeidsuur. 14 A 15 Door meer ervaring. 16 De arbeidsproductiviteit stijgt. 17 Het fruitbedrijf. 18 Eindproducten kopen en deze doorverkopen aan winkels. 19 3 en 7. 20 Toegevoegde waarde per liter 0,55 0,40 = 0,15; de dagproductie 250 000 0,15 = 37.500. 21 D 22 Verschil in euro s 14,04 9,75 = 4,29; in procenten 4,29 : 9,75 100 = 44%. 23 C 24 C TOETS 2 DE WINKEL IN 1 B 2 Productbeleid. 3 Bijv. meer klanten trekken zodat de totale verkoop stijgt. 4 De marketingmix. 5 145.000 100.000 14.000 = 31.000 6 135.000 45.000 98.000 = 8.000 (verlies) 7 D 8 162.000 + 68.000 + 50.000 = 280.000 9 In euro s 300.000 216.000 = 84.000; in procenten van de omzet 84.000 : 300.000 100 = 28%. 10 In euro s 320.000 60.000 180.000 = 80.000; in procenten van de omzet 80.000 : 320.000 100 = 25%. 11 In euro s 193.500 180.000 = 13.500; in procenten van de omzet 13.500 : 180.000 100 = 7,5%. 12 D
ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 3 DE WINKEL IN 13 90 + 140 + 150 + 130 = 510 klanten; 3 + 3 + 6 + 5 = 17 arbeidsuren; 510 : 17 is 30 klanten per arbeidsuur. 14 Bijv. door een prijsdaling van de reparaties. Ook: door een betere kwaliteit van de reparaties en een snellere reparatie. 15 Bijv. iemand kan zijn baan kwijtraken. 16 C 17 Een bedrijfskolom. 18 De suikerfabriek. 19 3 5 1 4 2 20 Per kilo 4,50 3 = 1,50; per 15 kilo 15 1,50 = 22,50. 21 C 22 Mayonaise: 1,33 0,95 = 0,38; 0,38 : 0,95 100 = 40%. Boter: 2,04 1,50 = 0,54; 0,54 : 1,50 100 = 36%. Dus mayonaise. 23 Door ze apart in te zamelen en te recyclen. 24 B
ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 4 KOPEN EEN KUNST ANTWOORDEN HOOFDSTUK 4 TOETS 1 KOPEN EEN KUNST 1 30,60 + 10 = 40,60 2 Bijv. op de gebruikersmogelijkheden, want ze moeten pannen kopen die geschikt zijn voor een keramische kookplaat. 3 D 4 A 5 850 000 : 2 = 425 000 : 100 31 = 131 750 20 = 2.635.000 6 Walter, Sanne en Myra. 7 Het misleiden van de consument. 8 B 9 Zakgeld in de vorm van een vast bedrag per maand komt vaker voor dan een vast bedrag per week. 10 100% 65% 20% = 15% 11 C 12 35 1.000 25 1.000 = 10.000 13 D 14 Ectron Economy. 15 Bijv. ze zijn veel duurder dan de andere lampen. Ook: ze hebben een lagere lichtopbrengst en ze starten traag op. 16 D 17 In de algemene voorwaarden. 18 Nee, want hij moet een deugdelijk product leveren. 19 Nee, als de winkelier de kast wil repareren of vervangen, moet hij dat accepteren. 20 B en D 21 D 22 Aan een milieukeurmerk. 23 Bijv. door het afval zo veel mogelijk gescheiden in te leveren. 24 Bijv. er zijn voldoende klanten voor scharreleieren. TOETS 2 KOPEN EEN KUNST 1 50 + 60 = 110 2 a2, b3, c1. 3 C 4 A 5 De uitgaven van de meisjes 850 000 : 2 = 425 000 : 100 61 = 259 250 10 = 2.592.500. 6 Jongeren hebben invloed op veel uitgaven thuis. 7 Bijv. ze mag geen schadelijke producten aanprijzen. 8 16 tot 22 jaar. 9 B 10 D 11 Hoe ouder de scholier, hoe hoger de inkomsten. 12 Met 16 10 8 10 = 80 per maand. 13 De Consumentenbond. 14 Lenco DVP-706/2. 15 Nee, want een hogere prijs betekent niet altijd een betere kwaliteit. 16 D 17 Haar rechten als koper en de plichten van de verkoper die ontstaan door de koopovereenkomst. 18 Als je iets koopt, zit je eraan vast (de koopovereenkomst is al gesloten).
ANTWOORDEN EINDTOETS HOOFDSTUK 4 KOPEN EEN KUNST 19 Nee, als de winkelier de spelcomputer wil vervangen of repareren, moet ze dat accepteren. 20 Ja, de verkoper heeft geen deugdelijk product geleverd. 21 C 22 Bijv. als de rage over is, worden deze speeltjes meestal weggegooid. 23 Er is een betere recycling van het glas mogelijk. 24 De verkochte spullen worden langer gebruikt en voorlopig niet vernietigd.